Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131839 nr. 102

31 839 Jeugdzorg

Nr. 102 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 april 2011

In het mondelinge vragenuur van 5 april jl. heb ik met uw Kamer gesproken over een aantal onderwerpen die de jeugdzorgplus aangaan (Handelingen II, 2010/11, nr. 69, behandeling vragen van het lid Kooiman aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de toegenomen agressie en de verdubbeling van het aantal ontsnappingen uit gesloten jeugdzorginstellingen. Tijdens dit vragenuur heb ik toegezegd een aantal onderwerpen toe te lichten in een brief. Met deze brief doe ik deze toezegging gestand. Concreet ga ik in op zorgen die geuit zijn over onttrekkingen, meldingen van incidenten en calamiteiten, huisregels en scholing van personeel.

Doelstelling en doelgroep gesloten jeugdzorg (verder genoemd jeugdzorgplus)

Er zijn jeugdigen die in een gesloten instelling voor hun gedragsproblemen behandeld moeten worden omdat zij zich anders aan hun behandeling onttrekken of onttrokken worden. Tot 2008 was dat alleen mogelijk door deze jeugdigen te plaatsen in een justitiële jeugdinrichting. Dat hield in dat deze jeugdigen op civielrechtelijke basis in eenzelfde gesloten instelling verbleven als jeugdigen die daar op strafrechtelijke basis verbleven. De daarover breed gevoelde onvrede leidde tot het besluit dat de zorg voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen in een gesloten instelling van Justitie werd overgeheveld naar een gesloten instelling in de jeugdzorg. Dit besluit kreeg kamerbrede steun.

De jeugdigen die zijn opgenomen in de jeugdzorgplus kampen vaak met meerdere problemen. Vrijwel allemaal hebben ze te maken met externaliserende problemen als agressiviteit en opstandig gedrag. Dat is een aanzienlijke verzwaring in vergelijking met een onderzoek uit 2005 waarin stond dat dit slechts voor 57% van kinderen gold.1 Daarnaast vertoont meer dan de helft van de jeugdigen ook nog internaliserend probleemgedrag zoals depressie, onzekerheid en angstig gedrag. Behalve hun eigen probleemgedrag kennen de jeugdigen vaak problemen binnen het gezin. Het grootste deel van de jeugdigen komt uit een (sterk) instabiele opvoedingsomgeving en heeft te maken met bijvoorbeeld hevige ouderlijke ruzies, verwaarlozing, ouders met een psychiatrische stoornis of alcoholisme van ouders. Ruim 30% is slachtoffer van mishandeling door ouders, broers of zussen. Daarnaast bevindt ruim 60% van de jeugdigen zich ook nog in een risicovolle vriendenkring, namelijk vrienden die zich bezig houden met criminele activiteiten en zijn ze vaak ook zelf in aanraking geweest met de politie.

Jeugdzorgplus onderscheidt zich van de overige jeugdzorg door de mogelijkheid vrijheidsbeperkende maatregelen te kunnen toepassen, maar dat is niet het doel van de maatregel. Het doel van de behandeling in de jeugdzorglus is om jeugdigen weer te laten terugkeren in de samenleving. Ook deze jeugdigen met ernstige gedragsproblemen moeten een kans krijgen om goed toegerust weer mee te kunnen doen. Dat betekent dat zij weer deel gaan uitmaken van hun gezin (als dat kan) en van een positieve sociale omgeving en ook naar school of aan het werk gaan. Ik verwijs voor de invulling van de aanpak van jeugdzorgplus naar de bijlage «Plaatsen met perspectief» van de brief over de capaciteit in de jeugdzorgplus die u separaat ontvangt.

Onttrekkingen

Tijdens het vragenuur heb ik met uw Kamer gesproken over het toegenomen aantal onttrekkingen in de jeugdzorgplus. Onttrekkingen zijn alle vormen van acties waarmee jeugdigen zich aan de behandeling proberen te onttrekken. Het gaat vooral om het niet op tijd terugkeren van verlof en in veel mindere mate om het weglopen van de instelling of de school. Het is daarom van belang om aan te geven hoe instellingen omgaan met verlof.

Jeugdigen die geplaatst zijn in jeugdzorgplus leren daar vaardigheden die hen in staat moeten stellen terug te keren in de samenleving. Vervolgens krijgen zij de gelegenheid om daarmee te oefenen. Daar hoort bij dat een jeugdige meer vrijheid krijgt, bijvoorbeeld via begeleid en (later) onbegeleid verlof. Jeugdigen kunnen met het verlof weer leren omgaan met vrijheden en met een leven buiten de instelling. Vooraf aan het geven van verlof gaat een risicotaxatie. Bij de afweging of de jeugdige verlof krijgt geldt als uitgangspunt dat de veiligheid van de jeugdige maximaal word gewaarborgd. Tegelijk moet men zich beseffen dat het bij verlof ook gaat om een leersituatie. Het is een gegeven dat niet alle jeugdigen daar direct op een goede manier mee omgaan, bijvoorbeeld door te laat of niet terug te keren.

Op grond van eerdere signalen over onttrekkingen heeft de Inspectie jeugdzorg op verzoek van mijn voorganger onderzoek gedaan naar de vraag of de instellingen voor jeugdzorgplus adequaat op vermissingen van jongeren reageren en of zij toereikende maatregelen treffen om toekomstige vermissingen te voorkomen. Over de uitkomsten bent u geïnformeerd.2 Daaruit bleek dat instellingen een vast protocol hanteren als sprake is van een onttrekking. De Inspectie was positief over het feit dat instellingen nauw samenwerken met bureau jeugdzorg en de politie om de jeugdige weer te vinden. Ook ouders worden hierbij actief betrokken. De politie zet een jongere op de «telex»: een landelijk systeem waarmee alle politiekorpsen een melding krijgen en uit kunnen kijken naar de betreffende jongere.

Ook stelde de Inspectie vast dat instellingen verlofafspraken en het behandelplan aanpassen na een onttrekking. Het eindoordeel luidde dat de Inspectie over het geheel genomen redelijk positief is over hoe de sector jeugdzorgplus in de praktijk omgaat met vermissingen. De conclusie was toen dat er geen aanvullende maatregelen nodig waren.

De vraag is of cijfers van de Inspectie daar wel aanleiding toe geven. Daaruit blijkt dat er in 2010 meer onttrekkingen zijn geweest dan in 2009. Voor deze stijging noemt de Inspectie drie verklaringen:

  • Vanaf 1 januari 2010 worden jongeren met een machtiging gesloten jeugdzorg niet meer in een justitiële jeugdinrichting (JJI) geplaatst, maar uitsluitend in instellingen voor jeugdzorgplus.

  • De aandacht voor onttrekkingen en de uitgevoerde onderzoeken hebben er in 2010 voor gezorgd dat de instellingen onttrekkingen beter registreren en actiever melden.

  • In 2010 is er een forse toename van het aantal plekken in de jeugdzorgplus. In 2009 waren er maandelijks gemiddeld 1029 plekken bezet, in 2010 1312.

Hoewel gegeven deze verklaringen relatief bezien de gesignaleerde stijging lijkt mee te vallen, realiseer ik mij tegelijkertijd dat er geen sprake is van een daling. Bovendien kan ik mij goed voorstellen dat een onttrekking, zeker bij ouders aanleiding is tot zorg. Ik heb daarom de Inspectie gevraagd hoe de situatie is per instelling. Daaruit kwam naar voren dat een aantal instellingen in vergelijking met andere instellingen naar verhouding hoog scoren. Ik zal de Inspectie Jeugdzorg vragen met hen te bespreken hoe zij het naar verhouding hoge aantal onttrekkingen kunnen verlagen. Daarbij komen ook de instrumenten aan de orde die de professionals hebben om hiermee om te gaan, zowel preventief als ad hoc.

Meldingen van incidenten in de jeugdzorg

Uit cijfers van de Inspectie jeugdzorg blijkt dat in de gehele jeugdzorg het aantal meldingen van incidenten gestegen is van 363 in 2009 naar 413 in 2010. De meldingen van instellingen jeugdzorgplus gaan vooral over pogingen tot suïcide (16), (vermoeden van) seksueel grensoverschrijdend gedrag (11) en (vermoeden van) fysiek grensoverschrijdend gedrag (40). Het gaat bij dat laatste zowel om agressief tussen jongeren onderling als richting hulpverleners. Het hoge aantal meldingen fysiek grensoverschrijdend gedrag kan niet los gezien worden van het feit dat vrijwel alle jongeren die geplaatst zijn in de jeugdzorgplus te kampen hebben met externaliserende problemen zoals agressief gedrag. Maar dat laat onverlet dat dergelijk gedrag niet acceptabel is. Helaas staat dit niet op zichzelf. Ook hulpverleners in de zorg en ambtenaren in publieke functies hebben hier in toenemende mate mee te maken. Dit kabinet wil dat niet als een vaststaand feit accepteren. Medewerkers moeten zich veilig kunnen voelen tijdens hun werk. Dit geldt ook voor jongeren die in een jeugdzorginstelling verblijven.

Instellingen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg. Daarnaast dienen zij ook als goed werkgever zorg te dragen voor de veiligheid van hun personeel. Instellingen geven hun medewerkers training in het omgaan met verbale en fysieke agressie. Voorbeelden daarvan zijn trainingen in de-escalerende technieken of fysiek ingrijpen aan de hand van veilige en pedagogische verantwoorde grepen.

Ook als het gaat om het aantal meldingen van fysiek grensoverschrijdend gedrag bestaan er duidelijke verschillen tussen instellingen. Ik zal daarom ook hier de Inspectie vragen met instellingen waar zich in vergelijking met andere instellingen meer incidenten voordoen te bespreken hoe zij dat kunnen verlagen.

Huisregels/toepassen beperkende maatregelen

Tijdens het vragenuur kwam de vraag aan de orde of de huisregels voldoende bekend zijn bij medewerkers en in het bijzonder of zij weten welke vrijheidsbeperkende maatregelen ze mogen toepassen. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat dit niet het geval is. In de eerste stap van het stapsgewijze toezicht heeft de Inspectie onderzocht of medewerkers in de jeugdzorgplus wisten welke wettelijke maatregelen zij mochten toepassen, wanneer ze dat mochten, hoe zij dat moesten doen en of ze getraind waren in het toepassen van maatregelen (zoals vastpakken en vasthouden). Vrijwel alle instellingen hebben deze onderdelen inmiddels op orde.

Opleiding personeel

Op dit moment voert de Inspectie de tweede stap van het stapsgewijze toezicht uit. In deze stap wordt gekeken naar het leefklimaat binnen de instellingen. De Inspectie kijkt daarbij onder andere naar de pedagogische kennis en vaardigheden en kennis en vaardigheden met betrekking tot de problematiek van de jongeren in de gesloten jeugdzorg. In het najaar informeert de Inspectie mij over het landelijke beeld.

Mijn voorganger heeft de Kamer toegezegd dat er uitwisseling zou plaatsvinden van kennis en ervaring tussen justitiële jeugdinrichtingen (jji’s) en instellingen. Ik deel met de Kamer dat dit een belangrijk aandachtspunt is omdat op we moeten voorkomen dat de kennis en ervaring verloren gaat. Ik verwijs wat dit betreft naar de separaat te sturen brief over de capaciteit waarin afspraken hierover aan de orde komen.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M. L. L. E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner


X Noot
1

De juiste hulp, uitgangspunt voor het zorgaanbod voor jongeren met ernstige gedragsstoornissen, L. Boendermakers e.a., NIZW, 2005.

X Noot
2

Kamerstukken II, 2009–2010, 31 839, nr. 57.