Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031524 nr. 472

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

25 295 Infectieziektenbestrijding

Nr. 472 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 24 juli 2020

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben op 18 juni 2020 overleg gevoerd met mevrouw Van Engelshoven, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 17 juni 2020 inzake beleidsreactie op de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB)-monitor (Kamerstuk 31 524, nr. 469);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 16 juni 2020 inzake advies Onderwijsraad «Vooruitzien voor jonge generaties» (Kamerstukken 35 300 VIII en 25 295, nr. 188);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 15 mei 2020 inzake compensatie studenten en ondersteuningsmaatregelen onderwijs COVID-19 (Kamerstukken 35 300 VIII en 25 295, nr. 184);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 28 april 2020 inzake actieplan «Stages en leerbanen» van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) (Kamerstukken 31 524 en 25 295, nr. 465);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 6 april 2020 inzake beleidsreactie tweede deel van de monitor van de wet «Vroegtijdige aanmelddatum voor en toelatingsrecht tot het mbo» (Kamerstuk 31 524, nr. 464);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 maart 2020 inzake stand van zaken salarismix mbo (Kamerstuk 27 923, nr. 408);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 maart 2020 inzake intentieverklaring «Inzet op bbl om jongeren die ongediplomeerd aan het werk gaan alsnog tot een startkwalificatie te brengen» (Kamerstuk 26 695, nr. 132);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 februari 2020 inzake beleidsreactie rapport «Financiële positie en ontwikkeling van de kleinere regionale opleidingscentra en de vakinstellingen» (Kamerstuk 33 495, nr. 117);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 9 januari 2020 inzake het Nederlandse mbo: een ontwikkelperspectief (Kamerstuk 31 511, nr. 38);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 16 december 2019 inzake reactie op enkele moties en toezeggingen over de voortgang passend onderwijs en studeren met een ondersteuningsbehoefte in het middelbaar onderwijs (mbo) en hoger onderwijs (ho) (Kamerstuk 31 497, nr. 335);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 december 2019 inzake mbo-studenten in economisch-administratieve opleidingen (Kamerstuk 31 524, nr. 457);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 9 december 2019 inzake beleidsreactie eerste deel monitor Toelatingsrecht en numerus fixus in het mbo (Kamerstuk 31 524, nr. 455);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 december 2019 inzake veranderaanpak keuzedelen in het mbo en stand van zaken rekenen (Kamerstuk 31 524, nr. 456);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 25 oktober 2019 inzake aanpak stagediscriminatie mbo (Kamerstuk 31 524, nr. 443).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Tellegen

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Rog

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Kler

Voorzitter: Tellegen

Griffier: De Kler

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Van den Berge, Van den Hul, Kuik, Kwint, Van Meenen, Öztürk, Smals en Tellegen,

en mevrouw Van Engelshoven, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Aanvang 10.05 uur.

De voorzitter:

Een hele goede morgen. Ik open deze vergadering, dit debat, over onderwijs en corona en specifiek over het middelbaar beroepsonderwijs en corona. Ik heet de Minister, haar ambtenaren en al mijn collegae hartelijk welkom. U heeft allen individueel – ik zeg dat ook tegen de heer Van Meenen nog even met nadruk – vijf minuten spreektijd. Als eerste zou ik het woord willen geven aan mevrouw Van den Hul van de PvdA.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dank, voorzitter. Ik wil vandaag graag beginnen met een heel erg groot compliment voor alle docenten en vooral ook alle studenten in het mbo, want ondanks de totaal bizarre omstandigheden zijn zij erin geslaagd om snel en zo veel mogelijk de overgang te maken naar onderwijs op afstand. Dat is ontzettend belangrijk, want ondanks deze crisis moet iedereen zeker zijn van gelijke kansen, ook in het mbo. Dus: chapeau. We zijn dan ook heel erg blij dat vanaf deze week ook het praktijkonderwijs weer beetje bij beetje op school kan plaatsvinden. De eerste berichten zijn positief en we hopen van harte dat het na de zomervakantie allemaal weer wat ruimer kan. Ik hoor heel graag van de Minister welk perspectief ze studenten en docenten daarvoor op dit moment kan bieden.

Natuurlijk vraagt de huidige situatie aanpassingen van ons allemaal, maar de aangepaste reistijden leveren voor studenten en docenten wel veel problemen op, juist in het mbo. Dat geldt bijvoorbeeld voor studenten die naar stageplekken niet anders kunnen dan tijdens de spits reizen en ook voor leraren en studenten die naast hun werk of opleiding nog andere verplichtingen hebben, bijvoorbeeld thuis. Klopt het dat bij de keuze voor deze reistijden de druk op het openbaar vervoer primair leidend is geweest? Mijn vraag aan de Minister is hoe onderwijsinstellingen, maar vooral ook studentenorganisaties en bonden hierbij betrokken zijn. Hoe lang verwacht de Minister dat deze situatie nog aanhoudt? Is zij bereid om alsnog in gesprek te gaan met de sector en voorgenoemde bonden en organisaties over beter passende oplossingen?

Voorzitter. Ik zei het al: er is keihard gewerkt om de achterstanden te beperken. Toch maak ik mij zorgen over achterstanden die mbo'ers hebben opgelopen, vooral studenten in kwetsbare groepen, zoals studenten in een onveilige, onrustige thuissituatie of met een sociaaleconomisch minder sterke positie. Het is ontzettend goed dat het kabinet extra geld beschikbaar heeft gesteld om die achterstanden ook voor het mbo weg te werken. Kan de Minister ons een update geven hoe het nu staat met de aanvragen voor die extra ondersteuning in het mbo om die achterstanden in te lopen? Ik ben ook heel erg blij dat er een tegemoetkoming is gekomen voor de groep studenten die bijna afstudeert of bijna het recht op de basisbeurs of aanvullende beurs verliest. Mijn vraag aan de Minister is echter of er ook compensatie komt voor de groep studenten die pas later tegen die gevolgen aanloopt.

Ik wil hier vandaag in het bijzonder aandacht vragen voor studenten met een beperking of chronische aandoening. Maar liefst 40% van alle studenten herkent zich hierin. Uit onder meer de klachtenlijn van de JOB en een peiling van Ieder(in) blijkt dat veel studenten met een beperking of chronische aandoening nu buiten de boot dreigen te vallen. Zo zijn stageplekken vaak ontzettend slecht toegankelijk en is er lang niet altijd begrip vanuit school of van medestudenten. In het kader van «elk nadeel heeft z'n voordeel» hebben veel studenten met een beperking veel baat gehad bij het invoeren van onderwijs op afstand. Mijn vraag is of we die winst kunnen vasthouden. Is de Minister bereid om te kijken hoe die recente ervaring met flexibel en digitaal onderwijs vertaald kan worden in een structurele verbetering voor studenten in het mbo met een beperking of chronische aandoening? Wat gaat de Minister doen om het juist voor deze studenten makkelijker te maken om een passende stageplek te vinden? Dit zou bijvoorbeeld kunnen door middel van eenduidige informatie. Ieder(in) had daarvoor samen met een aantal andere organisaties een wat ons betreft heel goede suggestie, namelijk om de SBB te vragen om een erkenning van een inclusief leerbedrijf nader uit te werken. Hoe ziet de Minister dit voorstel en is zij bereid hiermee aan de slag te gaan?

Achterstanden zijn in deze tijden van corona helaas onvermijdelijk. Dat betekent ook dat er volgend jaar heel veel ingehaald moet worden. Niet alleen voor studenten zal dat extra druk opleveren, ook voor docenten zal dat extra werkdruk opleveren. De AOb stelt dan ook voor om dit schooljaar alvast afspraken hierover te maken. Ik ben heel benieuwd of de Minister dit idee ook omarmt en of ze bereid is om in overleg met de bonden en de studenten naar oplossingen te zoeken.

Voorzitter. Dan kom ik op de stages. Het tekort aan stageplekken in het mbo is door deze crisis opgelopen tot maar liefst 13.000. Dat heeft als gevolg dat er dit jaar in vergelijking met vorig jaar 56% minder studenten op stage gingen. Dat is echt heel heftig. De Minister gaf inmiddels aan de SBB te hebben verzocht het actieplan stages en leerbanen op te stellen. We zijn daar heel blij mee. We horen heel graag van de Minister een tussenstand en ook welke alternatieven de Minister ziet voor studenten die geen stages kunnen vinden, om in elk geval al op korte termijn te voorkomen dat zij studievertraging oplopen.

Voorzitter. Dan kom ik op het hardnekkige probleem van stagediscriminatie. We hebben daarvoor al eerder aandacht gevraagd. We hebben daarvoor ook eerder een voorstel gedaan, namelijk voor een garantieverplichting van onderwijsinstellingen. Het kan gewoon niet zo zijn dat studenten aan het begin van hun carrière al op achterstand worden gezet door hardnekkig racisme en discriminatie. We hebben natuurlijk ook het voorstel van D66 gezien. We horen heel graag van de Minister een appreciatie hiervan. We denken graag mee, want studenten mogen niet de dupe worden van die onacceptabele discriminatie. Wat ons betreft mogen we bedrijven echter ook niet ontslaan van hun verantwoordelijkheid om discriminatie in hun aanstellingsbeleid te lijf te gaan.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Meenen van D66.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter, dank u zeer. Van het gehele onderwijs werd van het mbo wel de meeste creativiteit gevraagd bij het onderwijs op afstand. Hoe geef je namelijk praktijklessen op afstand vanuit je eigen woonkamer, zonder alle gereedschappen en praktijklokalen? Juist die creativiteit kon je bij uitstek vinden in het mbo. Er werden met videoverbindingen en huis-tuin-en-keukenmateriaal volledige opleidingen doorgezet. Het was fantastisch om te zien hoe leraren er alles aan deden om de studenten zo goed mogelijk onderwijs te blijven geven en om vertraging zo veel mogelijk te voorkomen. Dat is natuurlijk niet geheel gelukt, maar goed.

Voorzitter. Ik zou willen beginnen met iets wat niet coronagerelateerd is, maar wat wel een minstens zo groot issue in het maatschappelijke debat is. Dat is racisme en discriminatie. Ik vind het een taak van de Kamer om vanuit alle hoeken te kijken hoe en waar er sprake is van racisme en discriminatie en te kijken hoe we met stevige en creatieve oplossingen kunnen komen om dit probleem aan te pakken. In het mbo is nu eenmaal sprake van stagediscriminatie. D66 vindt dat onacceptabel. Ongelijke kansen en discriminatie zijn voor sommige jongeren hun eerste kennismaking met de arbeidsmarkt. Sommige studenten moeten talloze brieven schrijven en elke keer opnieuw hun neus stoten. Waarom is dat zo? Ze verschillen in niets van hun collega-studenten, behalve dat ze een andere achternaam hebben. Ze zijn al 16 jaar oud en dat heeft impact op hun zelfvertrouwen. Dat heeft impact op hun motivatie. Dat heeft impact op hun blik en op hun vertrouwen in deze samenleving. Het onderwijs zou dit vertrouwen moeten ontwikkelen in plaats van afbreken. Onderwijs is immers bedoeld om iedereen kansen te bieden. We proberen arbeidsmarktdiscriminatie al jaren aan te pakken. Dit gebeurt met meldpunten die de verantwoordelijkheid in handen van slachtoffers leggen en met sollicitatievoorschriften, die bij een beperkt aantal bedrijven zijn ingevoerd, et cetera. We probeerden dit recent nog met een app, maar eigenlijk verandert er helemaal niets. D66 vindt het tijd voor een fundamentele ingreep, te beginnen bij de start. D66 wil mbo-instellingen verantwoordelijk maken voor sollicitatieprocedures, in ieder geval ten minste voor de eerste leerplekken en stages tijdens de opleiding. Hiermee worden de studenten sterker en worden vooroordelen van beide kanten doorbroken. Er is niet langer discriminatie bij de sollicitatie en alle studenten komen ook buiten hun netwerk en in een nieuwe omgeving. Ik wil hierop graag een reactie van de Minister.

De voorzitter:

Voordat u verdergaat, zijn er drie vragen. Ik heb de volgorde even niet helemaal helder. Ik denk dat mevrouw Kuik als eerste was.

Mevrouw Kuik (CDA):

De heer Van Meenen geeft terecht aan dat het punt van stagediscriminatie een doorn in het oog van ons allemaal is. De heer Van den Berge en ik hebben in een motie een app voorgesteld om de drempel lager te maken. Ik hoor de heer Van Meenen hier nu zeggen dat het allemaal niet helpt, maar dat voorstel is echt net een paar maanden geleden ingediend. Volgens mij moeten we daar dus de resultaten nog van zien. Ik ben wel benieuwd hoe het voorstel van de heer Van Meenen precies werkt. Stel dat een jongere heel enthousiast is over een bepaald bedrijf en daar een stageplek kan krijgen, mag dat dan in het plan van de heer Van Meenen of moet dat per se via de school?

De heer Van Meenen (D66):

Het is inderdaad nog te vroeg om te zeggen of de app gaat werken of niet. Het is meer het signaleren van het probleem en het vaststellen dat er ergens een probleem is. Ik wil het liever bij de oorsprong aanpakken. Ik wil dit probleem voor deze kwetsbare groep voorkomen. Om antwoord te geven op de vraag hoe het precies werkt: ik stel me voor dat de mbo-instelling alle beschikbare stageplaatsen, die soms ook door studenten zijn aangebracht, verzamelt en studenten op de door hen gewenste vacatures laat solliciteren in de veiligheid van de school zelf. In de praktijk betekent dat dat in het voorbeeld dat u geeft, het zomaar kan gebeuren dat die student die zeer gewenste stageplek inderdaad krijgt.

Mevrouw Kuik (CDA):

Die app is voor signaleren, maar er zijn nu zo weinig signalen dat er niks mee gedaan wordt. Het is wel belangrijk dat we de signalen verzamelen en daadwerkelijk actie kunnen ondernemen, want dat is ook een belangrijke stap. Daarnaast was het de bedoeling het breder aan te vliegen, met tips over solliciteren en dat soort zaken. Als ik het goed begrijp, kan het volgens het plan van de heer Van Meenen dus niet als een jongere en een bedrijf enthousiast zijn en aan de slag willen. Dat moet dan toch nog weer via een sollicitatie via de school gaan. Klopt dat?

De heer Van Meenen (D66):

Op hoofdlijnen is dat mijn idee. Hier geldt volgens mij: het betere dreigt de vijand van het goede te worden. Het zou het beste zijn als discriminatie niet bestond of als we dat met wortel en tak gaan uitroeien. Ik zit nu bijna acht jaar in deze Kamer. Dit onderwerp is voortdurend in bespreking. Uit onderzoek blijkt dat discriminatie per saldo nog minstens even groot is als toen ik de Kamer betrad. Ik vind dat we nu verder moeten gaan dan het weerbaar maken van de student. We moeten dat zeker doen, maar weerbaar zijn ze aan het begin van hun opleiding gewoon nog niet. Hun eerste kennismaking met de arbeidsmarkt is er voor velen een waarbij ze gewoon keihard gediscrimineerd worden. Ik wil dat op deze manier voorkomen. Ik wil gewoon dat het solliciteren in een veilige omgeving gebeurt en dat ze dan die stageplek kunnen betrekken. Op die manier kunnen ze zichzelf sterker maken. Ik kan me heel goed voorstellen dat dat niet meer nodig is als je aan het eind van je opleiding al een aantal succesvolle stages hebt doorlopen, je geleerd hebt hoe je goed moet solliciteren en je veel weerbaarder, sterker en ook ouder bent. Juist voor aan het begin zeg ik: laten we dit vooral doen. Laten we het proberen. Laten we niet op voorhand zeggen dat het betere er ook nog is en...

De voorzitter:

Dank. De heer Öztürk.

De heer Öztürk (DENK):

Het is heel goed dat D66 komt met dit voorstel om een oplossing te vinden voor discriminatie op de stagemarkt. D66 zegt dat het dit fundamenteel wil oplossen. Er wordt gezegd dat er keihard gediscrimineerd wordt. Je ziet dan toch dat D66 met een voorstel komt om het eerste stagecontact op school te doen en de student in bescherming te nemen, om daarmee een beetje weerbaarheid te creëren. Dat is toch niet de oplossing? Ik vind het goed dat u in die richting denkt, maar dat is toch niet de oplossing? U probeert op deze manier de dader weer in bescherming te nemen. Het zijn de personeelszakenmanagers, de ondernemers en de overheidsinstellingen die keihard discrimineren. Die personen zouden toch ook moeten worden aangepakt. Het kan toch niet zo zijn...

De voorzitter:

Wat is uw vraag, meneer Öztürk?

De heer Öztürk (DENK):

Mijn vraag is of D66 ook een voorstel gaat indienen om de daders te straffen en aan te pakken. Dan wordt naming-and-shaming toegepast en het slachtoffer in bescherming genomen, zeg maar.

De heer Van Meenen (D66):

Mijn fractie heeft enkele weken geleden een tienpuntenplan ingediend voor de aanpak van discriminatie op allerlei vlakken. Ik ben het helemaal eens met de heer Öztürk dat dat allemaal aangepakt moet worden, maar die redenering leidt er niet toe dat we dit dan niet zouden moeten doen. Natuurlijk lost dit voorstel discriminatie niet fundamenteel op, maar het kan wel helpen om die kwetsbare jongeren die eerste stap te laten zetten om zichzelf sterker te maken, ook tegen discriminatie. Ondertussen moet je dan volop bezig blijven. Apps en wat we ook maar allemaal hebben, kunnen helpen om dat te signaleren en daartegen op te treden. Het moet allemaal gebeuren, maar ik wil niet dat die jongere langer in eerste instantie een speelbal in dat gebeuren is. Ik wil dat die jongere veilig kan solliciteren en gewoon net als al zijn andere collega-studenten een stageplaats kan krijgen.

De heer Öztürk (DENK):

Het is een kortetermijnoplossing. Je kunt de eerste keer veilig solliciteren, maar daarna word je weer in de markt van discriminerende overheidsambtenaren of ondernemers gegooid. Het moet dus een alomvattend plan zijn. Je kunt niet een plan maken waarmee je iemand alleen maar tijdelijk een keer helpt en daarna weer loslaat in de samenleving waar hij toch de klappen krijgt. Ons punt is: gaat D66 verder dan dit voorstel om hun toch een beetje het gevoel te geven dat wij hen helpen?

De heer Van Meenen (D66):

Meneer Öztürk probeert nu te doen alsof dit onze oplossing is voor de discriminatie in Nederland. Dat is niet zo. Ik verwijs naar het tienpuntenplan. Ik hoop dat hij het ook wil lezen, want dan zou hij deze vraag nooit hebben gesteld.

De heer Smals (VVD):

Allereerst wil ik duidelijk zeggen dat ook de VVD wil dat discriminatie met wortel en tak wordt uitgeroeid. Het is niet voor niets artikel 1 van onze Grondwet. Laat ik dit vooropstellen. Het gaat dus niet over het doel, maar over het middel. Wat mij in het voorstel van de heer Van Meenen verbaast, is dat jongeren hun naam moeten verstoppen voor de werkgever. Dat is toch een heel raar signaal als je net de arbeidsmarkt wil opgaan?

De heer Van Meenen (D66):

Ik weet niet hoe de heer Smals aankijkt tegen het signaal dat als jongeren met een achternaam die niet Smals, Van Meenen of iets in die geest is maar bijvoorbeeld Öztürk, dit niet doen en vervolgens met exact hetzelfde cv solliciteren, merken dat hun brief ... Het is natuurlijk nog een cv van bijna niets, want ze komen net van de middelbare school en zijn 16 of misschien zelfs 15 jaar. Er zijn onderzoeken naar gedaan en er kunnen voorbeelden van worden geven. Vorige week zag ik het nog in het kader van de aandacht voor discriminatie: twee meisjes – één was van oorsprong Nederlands en de ander niet – schreven voor een stage precies dezelfde brief naar precies dezelfde werkgever. De een kreeg onmiddellijk een uitnodiging en kon meteen beginnen, terwijl de ander te horen kreeg dat er geen plek was. Het enige verschil in die twee brieven was de naam. Dat gebeurt. Dat wil ik niet meer. Dat roep ik hier al acht jaar. Ik vind dat de tijd nu rijp is om – ik zeg het er nog een keer bij – in een veel breder plan juist deze kwetsbare kinderen hiertegen te beschermen en dit niet hun eerste kennismaking met de arbeidsmarkt te laten zijn.

De heer Smals (VVD):

Nogmaals, het gaat niet om het doel, want daar kunnen we elkaar heel goed vinden. Maar ik denk dat dit middel het verkeerde signaal aan mensen geeft, namelijk dat zij hun naam moeten verstoppen. Ik denk dat mensen juist trots moeten zijn op hun naam. Ik heb nog twee vragen voor de heer Van Meenen. Heeft u ook getoetst welk effect dit voorstel heeft op het aantal stageplaatsen? Er zijn natuurlijk heel veel goedwillende stageverleners, die misschien heel graag zelf de regie willen voeren over wie bij hen in het bedrijf komt. Wilt u daar een reactie op geven?

De heer Van Meenen (D66):

Die zijn er natuurlijk ook. De goeden gaan hier onder de kwaden lijden; dat is een feit. Maar ik bekijk het vooral vanuit het perspectief van die heel jonge, kwetsbare student. Het zou mij buitengewoon verbazen als bedrijven die het op dit moment goed doen, zeggen: als het zo moet, dan hoeft het niet meer. Ik geloof dat niet. Ik zou zeggen: laten we niet op voorhand allerlei problemen bedenken bij deze oplossing. Laten we gewoon een keer proberen hoe het werkt. We hebben het nog nooit gedaan. Het enige effect van alle goede woorden die hier worden gesproken en alle doelen die we delen, is dat er ondertussen nog een voortdurende veenbrand aan discriminatie van deze jongeren is. Daar moeten we gewoon een keer iets aan doen. Dan moeten we maar een keer iets proberen en kijken of het lukt. Maar ik heb geen zin meer om nog langer alleen maar goede woorden en intenties te horen, en het ondertussen te laten voortduren. Er moet iets gebeuren.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Ik vind het heel terecht dat collega Van Meenen hier aandacht voor vraagt. Ik ben het ook met hem eens. We hebben het er nu al zo lang over dat het tijd is voor onorthodoxe maatregelen. Dus ik steun het voorstel van de heer Van Meenen om er in ieder geval mee te gaan experimenten. Het is de vraag of je het meteen overal moet invoeren. Verder vraag ik of dit het enige is. Inmiddels heeft de heer Van Meenen daar ook een aantal dingen over gezegd. Als je zegt dat dit de fundamentele oplossing is, dan denk ik: dat is het volgens mij niet. Je moet bedrijven die discrimineren, inderdaad aanpakken. Je moet meldingspunten laagdrempeliger maken en investeren in stagebegeleiding. Ik zie de heer Van Meenen knikken. Daarmee heb ik volgens mij een antwoord op mijn vraag. Volgens mij zijn we het dan gewoon eens. Dat is fijn.

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb in het gesprek met de heer Öztürk gewezen op het tienpuntenplan dat mijn fractie recent heeft gepubliceerd. Dat betreft een breed plan van aanpak. Daar staat dit overigens ook in. Het maakt daar onderdeel van uit, maar het is maar een onderdeel. Natuurlijk is dit niet alles. Natuurlijk gaat dit de discriminatie helemaal niet oplossen, maar het gaat deze leerlingen wel een veilige entree tot hun stage opleveren.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Ik constateer dat D66 en GroenLinks het eens zijn. Dat is mooi.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik ben heel blij dat D66 het met ons eens is dat scholen hier ook een belangrijke rol in spelen. Vorig jaar deed ik nog het voorstel om de garantieverplichting voor onderwijsinstellingen ten aanzien van stageplaatsen om te zetten in een leveringsplicht. Toen kon ik nog niet op de steun van D66 rekenen, maar ik ben heel blij dat de heer Van Meenen nu ook vindt dat scholen aan zet zijn om dit hardnekkige monster of deze «veenbrand» – dat vind ik een goede omschrijving – uit te roeien. Ik ben het ook eens met wat hier eerder werd gewisseld, namelijk dat de kiem van racisme en discriminatie natuurlijk al veel vroeger moet worden aangepakt en uitgeroeid. Daarom heb ik samen met GroenLinks en de Partij voor de Dieren deze week een voorstel gedaan om in het curriculum van p.o. en vo, dat nu wordt herzien, ook de onderwerpen racisme, discriminatie, koloniale geschiedenis en migratiegeschiedenis stevig te borgen. Ik heb aan de Minister gevraagd om dit mee te geven aan de commissie die nu met de kerndoelen aan de slag gaat. De Minister omarmde dit voorstel. Hij reageerde daar positief op. Ik hoop heel erg dat ik ook op steun van D66 kan rekenen om te zorgen dat iedereen, dus ook de toekomstige managers van stagebedrijven en de toekomstige beslissers die sollicitatiebrieven zien van ene Van Meenen en ene Tanja Jadnanansing, denkt: «Oké, we gaan eens kijken wie we hiervoor uitnodigen» en dat het voor de kansen die je krijgt, niet meer uitmaakt wie je bent.

De heer Van Meenen (D66):

Wij zullen dat voorstel van de PvdA ook steunen. Dat komt in stemming. Daar gaan wij ook onze hand bij opsteken. Vanuit mijn achtergrond als medeauteur van de canon van Nederland zeg ik er wel bij dat weinig mensen zich realiseren hoeveel aandacht de canon van Nederland hieraan besteedt. Wij, hoe jong we ook zijn, hebben dat allemaal niet meegemaakt. Maar alle jongeren die nu op de basisschool zitten, maken kennis met 2 van de 50 vensters. Een gaat over de slavernij en het andere gaat over veelkleurig Nederland. Dit zijn geen vrijblijvende, vrolijke vensters. Dat zijn het helemaal niet. We moeten dus ook niet net doen alsof er nu in het onderwijs helemaal niets gebeurt. Maar desalniettemin vind ik ook dat het goed is om dit mee geven, zoals de Minister het ook heeft omschreven, aan degenen die ons voorstellen gaan doen voor het volgende curriculum. Dat vind ik prima. Binnenkort komen er overigens voorstellen voor een nieuwe canon. Ik ben benieuwd wat daar allemaal in staat. De Minister weet het al.

De voorzitter:

Maandag, hoor ik zeggen.

De heer Van Meenen (D66):

Nou, mooi.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Wij zijn heel erg blij met de steun van D66. Wij kijken ook uit naar de nieuwe canon. In de huidige canon staan inderdaad ook vensters die gaan over die delen van de geschiedenis, maar dit voorstel gaat over meer. Het gaat ook over het nu. Het gaat ook over het integreren in andere vakken dan alleen geschiedenis, bijvoorbeeld in de wijze waarop je met elkaar en met verschillen omgaat. Door welke bril kijk je? Dat is een opdracht voor iedereen, zowel in de politiek als in de hele maatschappij: door welke bril kijken we? Die bril moet anders. Daar gaat ons voorstel over. Ik dank u alvast voor de steun voor dat voorstel.

De heer Van Meenen (D66):

Graag gedaan.

De voorzitter:

De heer Van Meenen, u gaat verder met uw betoog. Ik zal eens kijken hoe ver u bent in uw tijd.

De heer Van Meenen (D66):

Ik tel tot nu toe tweeënhalve minuut. Het waren er vijf?

De voorzitter:

Ja.

De heer Van Meenen (D66):

Nou, kijk eens aan. Daar gaan we.

Voorzitter. Goed onderwijs vereist nabijheid, elkaar in de ogen kunnen kijken, die blik vangen van elkaar. Daarom hoopt iedereen op een zo snel mogelijke volledige opening van het onderwijs, met name ook van het mbo. Kan de Minister hier al een perspectief voor bieden? Wat is er nodig vanuit aangelegen beleidsterreinen, zoals het openbaar vervoer, om dit mogelijk te maken? Kan meer ruimte worden geboden aan het onderwijs? Kan de Minister aan de andere kant bevorderen dat het flexibele aanbod van afstandsonderwijs, daar waar dat meerwaarde heeft, ook behouden blijft voor studenten en zeker voor studenten met een beperking?

Zeker de nieuwe studenten die volgend jaar beginnen aan hun mbo-opleiding of doorstromen naar een hbo-opleiding, maken een spannende overstap. D66 is dan ook blij met de Subsidieregeling inhaal en ondersteuningsprogramma, zodat het mogelijk is om bijvoorbeeld zomerscholen in het richten. Ik vraag aan de Minister of de aanmeldingen en inschrijvingen succesvol zijn verlopen. Wat kunnen deze studenten volgend schooljaar verwachten? Krijgen zij voorrang in het fysieke onderwijs? Is er ruimte om eventuele tekortkomingen nog in te halen of bij te spijkeren? Is er ook volgend jaar extra geduld met studenten en dus geen BSA?

D66 is blij met de compensatieregeling voor studenten die vertraging hebben opgelopen en daardoor hun diploma niet kunnen halen. Is er al een beeld van hoeveel studenten op dit moment vertraging aan het oplopen zijn? Is het mogelijk dat het mbo de ruimte krijgt om in de zomermaanden open te blijven om studenten de kans te geven tekortkomingen gespreid in te halen?

Voorzitter. Er zijn ook grote zorgen in het mbo rond de beschikbaarheid van stages en leerbanen voor de komende jaren. Wat is het beeld van de Minister? Kunnen bbl-studenten volgend jaar beginnen? Wat kunnen we doen om maximale beschikbaarheid van stages en leerbanen te realiseren? Ik vraag aan de Minister om met het mbo te werken aan een duurzame Handreiking Verantwoord Diplomabesluit, zeker voor sectoren waar stages in de komende tijd lastiger mogelijk zijn.

Voorzitter. De studenten van nu krijgen na hun afstuderen te maken met een andere arbeidsmarkt dan ze hadden verwacht. Kan de SBB al aan de slag gaan om de samenwerking tussen mbo en werkgevers te versterken tijdens van de crisis? Door een economische ...

De voorzitter:

Voordat u verdergaat ... O, ik breek echt middenin een zin in; excuses. De heer Kwint heeft een vraag.

De heer Kwint (SP):

Dat is ook de enige manier om ertussen te komen. Dus ik heb er alle begrip voor dat de voorzitter inbreekt bij de heer Van Meenen. D66 zegt blij te zijn met de compensatieregeling voor studenten. Ik vraag me al enige tijd af – ik kom daar niet uit – waarom die compensatieregeling alleen beperkt is tot studenten die nu direct iets langer doen over hun afstuderen. Studenten hebben een jaartaak. Er wordt van ze verwacht dat ze in een jaar zoveel uur aan hun studie besteden. Als je in het tweede of derde jaar zit, kun je toch niet zomaar even in het jaar daarna een heel kwartaal inhalen of een hele stage erbij doen? Dit gaat voor die studenten toch ook onherroepelijk tot vertraging leiden?

De heer Van Meenen (D66):

Dat zou kunnen. Ik begrijp de vraag niet helemaal. Het is meer een constatering dat dit zo is. Ik heb begrepen dat studenten die vertraging oplopen, kunnen worden gecompenseerd. De Minister is daar ook mee bezig. Ik geloof dat ik de vraag dus niet helemaal goed begrijp.

De heer Kwint (SP):

Dan hoop ik dat ik het verkeerd begrijp. Volgens mij krijgen alleen de studenten compensatie die nu direct met enkele maanden vertraging hun diploma halen. Ik zeg het nu even uit mijn hoofd: het gaat om de studenten die tussen september en januari een diploma halen, terwijl ze anders deze zomer zouden afstuderen. Er blijft dan een groep studenten over die nu in het eerste, tweede en derde jaar van de opleiding zitten, dezelfde vertraging oplopen, maar de kosten daarvan pas merken aan het einde van de opleiding. Als je nu in je derde jaar zit en je moet drie maanden stage inlopen in je vierde jaar, dan kan ik je op een briefje geven dat het negen van de tien studenten niet zal lukken om het jaar daarna drie maanden in te lopen. Sterker nog, als elke student drie maanden zou kunnen inlopen, dan zouden we ze misschien meer moeten aanbieden tijdens zo'n jaar. Die studenten worden buiten hun schuld op kosten gejaagd en krijgen geen compensatie.

De heer Van Meenen (D66):

Volgens mij hebben we ditzelfde debat ook al gevoerd in een eerder coronadebat, waarbij het toen, naar ik meen, vooral ging over het hoger onderwijs. Toen is heel duidelijk geworden dat de maatregelen die zijn genomen, betrekking hebben op de directe problemen die er nu zijn. Ik heb daar de Minister zo verstaan dat het denken doorgaat. Als extra maatregelen nodig en onvermijdelijk zijn, wordt daar ook naar ruimte gekeken. Zo heb ik het begrepen. Het lijkt mij dat we dit dan ook rustig moeten afwachten. De Minister kan hier wellicht nog iets over zeggen. Ik weet niet meer dan dit.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Van Meenen (D66):

Ik moet even kijken waar ik was gebleven.

Door een economische crisis kan doorleren een aantrekkelijke optie worden voor studenten. Hoe kunnen we dit zo toegankelijk mogelijk maken voor studenten?

Dan heb ik nog een heleboel lof voor de JOB-monitor. Het is elke keer weer een wonder dat – ik heb het hier staan – 262.629 studenten met elkaar dat beeld creëren. Dat is echt uniek. Een van de grootste punten van aandacht betreft de keuzedelen. Het is dus goed dat de Minister de regeldruk gaat verminderen en de flexibiliteit gaat vergroten. Zo kunnen opleidingen beter aansluiten op de wensen van studenten en leraren. Wat is de stand van zaken? Wordt het mbo hierin meegenomen?

Tot zover. Volgens mij was het exact vijf minuten.

De voorzitter:

Heel goed. Dank u wel, meneer Van Meenen. Dan is nu het woord aan de heer Van den Berge van GroenLinks.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Afgelopen week heb ik een virtuele mbo-tour gemaakt langs heel veel roc's. Een van de voordelen van online werken is dat je heel makkelijk als gastdocent een digitale burgerschapsles kan geven in Den Bosch, Amsterdam, Den Haag en Leeuwarden, en dat allemaal op dezelfde dag. Dat is geen enkel probleem. Ik heb met veel studenten en docenten gesproken. Wat mij als eerste opviel, waren de enorme veerkracht en innovativiteit waarmee het afstandsonderwijs is vormgegeven. Er zijn studenten die floreren bij dit afstandsonderwijs. Zij zijn zelfs actiever in een digitale les dan in een fysieke les. Maar het klopt ook wat collega Van den Hul zegt, namelijk dat er studenten zijn die moeite hebben met het afstandsonderwijs, bijvoorbeeld omdat ze een lastigere thuissituatie hebben. Het is altijd belangrijk dat we extra stappen zetten voor de groep jongeren die extra begeleiding nodig heeft, maar in deze tijd is het belangrijk dat we twee stappen extra zetten. Dus dat moeten we doen. Ik zie overigens ook dat docenten dit doen, maar we kunnen dit niet vaak genoeg zeggen.

Ik heb al vaker hier in debatten gezegd dat ik veel waardering heb voor hoe de Minister en haar ambtenaren, mbo-bestuurders, docenten en studenten dit afstandsonderwijs onder moeilijke omstandigheden hebben vormgegeven. Ik herhaal dat hier bij dezen. Ik heb daar veel waardering voor.

In de gesprekken kwam steeds een aantal zorgpunten terug. Het eerste is toch: hoe ziet ons onderwijs er na de zomer uit? De heer Van Meenen en collega Van den Hul hebben er ook al naar gevraagd. Dit zorgpunt is logisch, omdat bestuurders en docenten op dit moment al moeten nadenken over hoe zij het onderwijs vanaf september kunnen vormgeven. Het is dus belangrijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt, ondanks alle onzekerheden. Minister Slob heeft al gezegd dat hij op 24 juni duidelijkheid wil bieden voor het voortgezet onderwijs. Ik hoop dat deze Minister vandaag kan zeggen dat zij dit dan ook voor het mbo kan doen. Misschien kan zij het nog wel een stukje sneller dan haar collega; dat laat ik aan haar. Maar het zou mooi zijn als die duidelijkheid volgende week komt, want dan kunnen al die bestuurders, docenten en studenten ook verder gaan plannen.

Tot nu toe heeft de focus gelegen op de mbo-studenten die dit jaar afstuderen. Dat is logisch, maar het wordt nu ook wel tijd om vooruit te kijken. Er dient ook te worden gekeken naar al die eerste- en tweedejaarsstudenten die achterstanden hebben opgelopen en deze achterstand hopelijk in de komende jaren kunnen goedmaken. Mijn concrete vraag aan de Minister is: hoe gaan wij dit monitoren? Wie gaat dit monitoren? Hoe gaan we erbovenop zitten dat studenten die achterstanden inderdaad op tijd inlopen, zodat ze op tijd kunnen afstuderen met een volwaardig mbo-diploma?

Voorzitter. Dan een ander punt dat steeds terugkwam, namelijk de stagetekorten. Eerdere cijfers van de SBB gaven aan dat er een tekort zou zijn van 13.000 stageplaatsen. Ik heb gisteren van de SBB begrepen dat het tekort inmiddels is opgelopen tot 19.000 stageplaatsen. Dit laat zien hoe hard het gaat. Er is een fors probleem. Ik zie dat de Minister, de SBB en werkgevers werken aan een oplossing. Dat waardeer ik ook. Het kabinet heeft daar geld voor uitgetrokken en de SBB is met een actieplan gekomen. Maar toch vrees ik dat dit niet genoeg is. Gezien de grootte van dit probleem zullen we meer moeten doen om dit tekort aan 19.000 stageplaatsen op te lossen. Ik doe een beroep op de Minister om opnieuw in gesprek te gaan met de SBB, werkgevers en mbo-instellingen om een stapje bij te zetten. Dit is geen kritiek, want ik zie wat er allemaal gebeurt. Maar er is gewoon meer nodig.

Ik heb daar een aantal concrete ideeën bij. Ik kan me voorstellen dat we bijvoorbeeld een stagefonds nodig hebben voor vitale sectoren. Zo'n stagefonds bestaat al voor zorg en welzijn, maar ik kan me goed voorstellen dat we dit uitbreiden naar andere vitale sectoren. Er zal een intensievere samenwerking nodig zijn tussen bedrijfsleven en mbo-instellingen om toch extra stageplaatsen te realiseren, hoe moeilijk dat ook zal zijn in crisistijd. Hier ligt ook een verantwoordelijkheid voor werkgevers. Uiteindelijk hebben zij er zelf belang bij, want een van de dingen die we van de crisis in 2008 hebben kunnen leren, is dat stagetekorten in crisistijd leiden tot arbeidsmarkttekorten als de economie weer aantrekt. Daar moet dus een goed plan voor komen. Er moeten creatieve oplossingen worden gevonden; volgens mij had collega Van Meenen het er ook al over. Er moet dus worden bekeken hoe we sectoren die het nu heel moeilijk hebben – ik denk bijvoorbeeld aan de horeca of de culturele sector – financieel kunnen ondersteunen om meer praktijklessen te geven in mbo-instellingen of op buitenlocaties waar dit verantwoord kan. Misschien kan dit de 30% stage voor een deel vervangen, zonder iets af te doen aan de leerdoelen.

Voorzitter. Het zal u niet verbazen ...

De voorzitter:

Voor u verdergaat, heeft de heer Smals een vraag over dit punt.

De heer Smals (VVD):

Het is fantastisch dat ook GroenLinks zich sterk maakt voor meer stageplekken. Hoe ziet u dit in het kader van het debatje dat we net hadden? U sprak net uw steun uit voor het voorstel van D66. Heeft u een indruk van wat het voorstel van D66 gaat doen met het aantal stageplaatsen? Gaat dit daar een positief of negatief effect op hebben?

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Laat ik vooropstellen dat ik het op zich eens ben met collega Van Meenen. Ik geloof niet dat de goedwillende werkgevers ineens zullen zeggen: nou, als we het zo moeten doen, dan hoeft het van mij niet meer. Zelfs als dit zo zou zijn, zelfs als dit voorstel zou leiden tot minder stageplaatsen, dan vind ik dat we dit voor lief moeten nemen. We kunnen de stagetekorten en het belang van voldoende stageplaatsen toch niet als legitimatie laten gelden voor stagediscriminatie? Dat is namelijk wat we doen als we de redenering omkeren en zouden zeggen: als het aantal stageplaatsen hierdoor terugloopt, dan moeten we het maar niet doen. Dan legitimeren we daarmee stagediscriminatie. Dat is voor mijn fractie onacceptabel. We zullen dan gewoon alle zeilen moeten bijzetten om op een andere manier meer stageplekken te creëren.

De heer Smals (VVD):

Ik moest glimlachen, omdat dit natuurlijk de verkeerde gedachtegang is. Ik heb net ook al uitgebreid gezegd dat we het eens zijn over het doel. Als je een verkeerd middel inzet, moet je het over dat middel hebben en niet direct weer de discussie beginnen dat je stagediscriminatie goedpraat als je niets doet. Als we straks in de situatie zitten dat er minder stageplaatsen zijn, dan zitten we toch nog verder van de oplossing af dan nu?

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Vooropgesteld, ik twijfel geen enkel moment aan de intenties van de heer Smals. Ik bedoel dit dus niet als een persoonlijke aanval, maar ik vind als beleidsmaker wel dat ik de verantwoordelijkheid heb om met betrekking tot de maatregelen die wij nemen, te kijken naar de impact, de onbedoelde neveneffecten en de boodschap die we daarmee afgeven. Als we een mogelijk negatief effect op het aantal stageplaatsen een argument vinden om het niet te doen, dan zeggen we daarmee impliciet dat we de kwantiteit van stages belangrijker vinden dan het aanpakken van stagediscriminatie. Dat is mijn punt. Waarschijnlijk is het onbedoeld, maar het probleem met racisme is dat het soms heel onbewust en impliciet gebeurt. Het is dus geen aanval op de heer Smals of op welke andere collega dan ook. Ik twijfel geen moment aan zijn intenties, maar dit is toch wat we dan onbedoeld impliciet doen. Dat is voor mijn fractie onacceptabel.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Voorzitter. Met direct placement – dus het direct koppelen van studenten aan werkgevers – zijn we er natuurlijk nog niet. Ik gaf dit ook al aan in het interruptiedebat met collega Van Meenen. Hij was het daar ook mee eens. GroenLinks is dan ook blij om te lezen dat de Minister ons voorstel voor diversiteitscoaches inmiddels heeft opgepakt en daarover in gesprek is. Ze geeft aan dat ze niet weet of een coach altijd de oplossing is. Dat begrijp ik, als er maar meer ruimte komt voor stagebegeleiding en voorrang voor jongeren die moeite hebben met het vinden van een stageplek.

Op dit punt heb ik nog een concrete vraag. Ik vind het als Kamerlid lastig om inzicht te krijgen in hoeveel tijd er nu is voor stagebegeleiding per student. Ik vraag aan de Minister of we samen met de MBO Raad kunnen kijken of in de volgende benchmark een indicator kan worden opgenomen van het aantal stagebegeleidingsuren per student.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Smals van de VVD. Had u deze volgorde onderling bepaald? Oké, u had geen enkele volgorde bepaald.

De heer Smals (VVD):

Ik had het niet verwacht, maar dat geeft niet. Ik heb me wel voorbereid, maar ik dacht dat ik als laatste mocht als het niet zou uitlopen.

De voorzitter:

Aan u het woord.

De heer Smals (VVD):

Voorzitter. Laat ik ook beginnen met het geven van een compliment aan het mbo. Vrijwel iedereen die werkzaam is in het mbo, heeft zijn schouders eronder gezet om alles zo goed mogelijk te laten verlopen voor de student. Het zal dan ook geen toeval zijn dat in een praktisch ingestoken onderwijswereld men ook na het afkondigen van de maatregelen direct met concrete en praktische oplossingen kwam om studenten zo goed en zo kwaad als het gaat goed onderwijs te bieden. Maar het zal u niet verbazen dat ik ook nog een paar vragen heb.

De eerste vraag is niet aan corona gerelateerd, maar ik stel hem toch. Uit de JOB-monitor blijkt dat nog steeds twee van de vijf studenten aangeven dat zij niet al hun boeken en lesmaterialen gebruiken. De JOB, maar ook de VVD, baalt ervan dat er nog steeds geen verbetering te zien is. In de reactie van de Minister op de JOB-monitor geeft ze argumenten waarom het inzetten van de onlangs geamendeerde AMvB nog niet opportuun is. Maar is de suggestie van de waarnemend voorzitter van de MBO Raad niet nog veel interessanter? Waarom schaffen we de boekenlijst aan het begin van het jaar niet af en laten we studenten boeken kopen op het moment dat deze daadwerkelijk nodig zijn? Tegenwoordig heb je via internet boeken binnen 24 uur in huis. Sterker nog, deze methode is op universiteiten al normaal. Ik ontvang graag een reactie.

Voorzitter. Dan noem ik het actieplan stages en leerbanen van de SBB. Het is verstandig en heel goed dat we ons nu al voorbereiden op economisch zwaardere tijden die ons na of zelfs al tijdens de coronacrisis te wachten staan. In de vorige crisis hebben we de fout gemaakt om niet extra in te zetten op werk- en leerbanen. Het gevolg hiervan was dat we na de crisis in veel sectoren te maken kregen met grote tekorten. De VVD heeft dus alle lof voor het doel van dit plan. Maar het plan beperkt zich grotendeels tot het inventariseren, updaten, enthousiasmeren et cetera van stagebedrijven. Eigenlijk is het dus beter om gebruik te maken van de huidige instrumenten. Daar is op zich niets mis mee en dit kan ook goed werken. Maar toch vraag ik me af welke concrete doelen de Minister zichzelf heeft gesteld met het toezeggen van die twee keer 4 miljoen. Welke mijlpalen moeten in 2020 en 2021 worden gehaald, zodat we een moment hebben om het plan bij te stellen als dit onvoldoende oplevert? Kan de Minister dit voor ons concreet maken? Op welke momenten wordt de Kamer daarover gerapporteerd?

Eerder heb ik aandacht gevraagd voor het groeiend aantal vsv'ers, maar de discussie van toen lijkt door de werkelijkheid te worden ingehaald. Nu er economisch zwaardere tijden aankomen en deze groep waarschijnlijk als eerste in de problemen raakt op de arbeidsmarkt, vraag ik aan de Minister op welke manier zij hier aandacht voor heeft. Worden bijvoorbeeld op dit moment vsv'ers al actief benaderd om alsnog een opleiding af te maken? Worden stageverleners hierbij betrokken? Of wachten we nog even tot na de coronacrisis of een later stadium? Ik ontvang graag een reactie.

Voorzitter, ik rond af. Ik begon met het geven van complimenten aan de sector. Deze meen ik echt oprecht, zeker voor de beginperiode. Maar het valt me op dat er in Nederland grote verschillen zijn tussen het enthousiasme en de creativiteit waarmee sectoren – dat bedoel ik breed – op zoek gaan naar oplossingen om met inachtneming van de coronamaatregelen weer open te gaan. Gisteren heeft mijn collega Heerema daar ook al opmerkingen over gemaakt met betrekking tot het vo en p.o. Voor heel veel scholieren en studenten is de periode van onderwijs, in dit geval het mbo, een cruciale periode in hun leven. Deze bepaalt in belangrijke mate de rest van hun leven, in materiële zin, maar ook in immateriële zin. Zelf heb ik als student mijn vrouw leren kennen, om maar een voorbeeld te noemen. Daarom roep ik iedereen van harte op om met zo veel mogelijk creativiteit alles op alles te zetten om maximaal les te geven. Natuurlijk dient dit te gebeuren met het behoud van wat we onder stoom en kokend water hebben geleerd op het gebied van digitaal lesgeven. Maar er moet ook vooral zo veel mogelijk fysiek les worden gegeven tot de randen van de huidige regels – het moet er net niet overheen gaan, maar het moet wel tot de randen komen – want alleen samen kunnen we de coronacrisis oplossen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Er zijn vragen van de heer Öztürk, mevrouw Van den Hul en de heer Van Meenen. De heer Öztürk.

De heer Öztürk (DENK):

Als het gaat om stagediscriminatie speelt de VVD een belangrijke rol. De VVD is immers toch de ondernemerspartij? Laten we eerlijk zijn, het lijkt erop dat er bij heel veel ondernemers nog steeds stagediscriminatie is. Vindt u niet dat u als partij hierin een rol moet spelen? Misschien kunt u richting de verkiezingen een positieve campagne beginnen, zo van: «Jongens, we krijgen problemen door de coronacrisis. Deze jongeren kunnen we niet uitsluiten. Laten we deze jongeren gewoon een plek in de samenleving geven». Ik zie dat de heer Rutte al een beetje in die richting gaat. Misschien kunt u het nog een duwtje geven.

De heer Smals (VVD):

Ik ben het helemaal eens met de heer Öztürk. Volgens mij heb ik dit net ook gezegd. Het is niet voor niets artikel 1 van onze Grondwet.

De heer Öztürk (DENK):

Dat is toch precies wat de heer Van Meenen vandaag naar voren bracht? Hij zei: tot nu toe hebben we hier heel veel mooie woorden en intenties aan gewijd; het is artikel 1 en het moet allemaal niet gebeuren. Ik zie dat D66 nu een stap in de goede richting zet. Nu moeten de VVD en het CDA er nog achteraan gaan. Dit is precies wat Nederland nodig heeft. In de afgelopen jaren hebben we vaak genoeg intenties uitgesproken: het staat allemaal in de wet, het komt allemaal wel goed, we moeten allemaal eerlijk zijn. Nu komt het aan op daden. D66 maakt een start. U moet als coalitiegenoot ook verantwoordelijkheid nemen. Wanneer gaat u dat doen?

De heer Smals (VVD):

Meneer Öztürk wordt op zijn wenken bediend. Op dit moment is Staatssecretaris Van Ark bezig met een wet voor werving en selectie. Hier is een internetconsultatie over geweest. Ik heb het nagevraagd en ik geloof dat deze wet binnen enkele weken naar de Raad van State gaat. Dus als het aankomt op concrete acties, denk ik dat dit het beste antwoord is.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik ga even door over hetzelfde onderwerp. We hoorden de heer Smals net zeggen dat de periode van onderwijs misschien wel de belangrijkste tijd van je leven is. Dat denk ik ook. Het is ook een tijd waarin het ontzettend belangrijk is dat je een goede, eerlijke start krijgt. Die krijgen heel veel studenten nu niet, want studenten met een migratieachtergrond moeten soms vier keer vaker solliciteren naar een stageplek. Ditzelfde verhaal komen we overigens ook tegen bij studenten die bijvoorbeeld transpersoon zijn, een hoofddoek dragen of anderszins anders zijn dan de norm die veel stagebedrijven blijkbaar hanteren. Ik hoor in de hele termijn van de heer Smals verder niets over deze aanpak. In het interruptiedebat met de heer Van Meenen hoorde ik heel vaak «ja, maar». «Ja, maar» hoor je wel vaker als het debat gaat over racisme.

De voorzitter:

Mevrouw Van den Hul, kan het iets korter?

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Mijn vraag aan de heer Smals is eigenlijk heel simpel: wat vindt hij ervan dat er nog steeds situaties zijn waarin studenten met een migratieachtergrond tot vier keer vaker moeten solliciteren op een stageplek?

De heer Smals (VVD):

Mevrouw Van den Hul heeft heel veel woorden nodig om uit te leggen dat ze niet heeft geluisterd naar wat ik heb gezegd. Ik begon met het feit dat wij het doel van harte ondersteunen. Ik heb al meerdere keren gezegd: potverdikkie, het is artikel 1 van de Grondwet. Natuurlijk steunen wij het doel, maar we hebben het over de middelen. Ik maak mij zorgen over het middel dat de heer Van Meenen voorstelt over het aantal stageplaatsen. Dat is mijn antwoord. U moet mij niet in de mond leggen dat ik stagediscriminatie geen probleem vind of dat ik daarvan wil weglopen. Zo is het niet.

De voorzitter:

Mevrouw Van den Hul, kort.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Het zou heel fijn zijn als ook de VVD van de heer Smals met voorstellen komt om dit hardnekkige probleem aan te pakken, want die voorstellen hoor ik niet. De heer Smals heeft heel veel woorden nodig om uit te leggen wat artikel 1 van de Grondwet is, maar met alleen de letters van artikel 1 van de Grondwet, hoe belangrijk ook, zijn we er niet. Het gaat ook om de consequenties die we daaraan verbinden. We zien het nu al jarenlang. Mijn voorgangster, Tanja Jadnanansing, heeft dit thema lang op de agenda gezet. Dat weet de heer Van Meenen. Mijn andere voorganger, Mohammed Mohandis, is hier al jaren mee bezig. U kunt jarenlang terugkijken in de Handelingen en dit onderwerp lijkt wel op repeat te staan. We komen er niet uit. Nog steeds maakt het uit wie je bent voor de kansen die je krijgt. Mijn vraag is dus: wat gaat de heer Smals daaraan doen? We horen kritiek op de voorstellen van GroenLinks. We horen kritiek op de voorstellen van D66.

De voorzitter:

Helder. Mevrouw Van den Hul!

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

U heeft mijn voorstel niet gesteund. Wat dan wel, is mijn vraag aan de heer Smals.

De heer Smals (VVD):

Heel concreet: de Staatssecretaris van de VVD komt binnenkort met een wet voor werving en selectie die juist toeziet op discriminatie, ook stagediscriminatie.

De voorzitter:

Dan is er een vraag van de heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Het is in de politiek altijd eenvoudiger om het eens te worden over de doelen dan over de middelen. Het is goed om te horen dat de heer Smals het doel deelt. Dat weet ik ook van de heer Smals. Hij heeft met veel warmte verteld over de stagiairs die hijzelf als apotheker in dienst heeft genomen. Ik heb geen enkele twijfel aan het feit dat hij dit doel deelt. Maar als je een doel wil bereiken, zal je wel een keer een middel moeten inzetten; mevrouw Van den Hul zei dit ook al. Je kunt niet zeggen: we delen dat hoge doel, maar iedereen die met een middel komt, schiet ik meteen af, want er is altijd ook een bezwaar. Ja, natuurlijk is er bij elk middel een bezwaar. Ik vind het merkwaardig dat de heer Smals naar een Staatssecretaris verwijst als aan hem gevraagd wordt wat de ideeën van de VVD zijn. Die Staatssecretaris is toevallig van de VVD, maar volgens mij spreekt zij namens het kabinet. Het is dus ook een voorstel van D66, de ChristenUnie en het CDA.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Van Meenen (D66):

Mijn vraag is: wat is de inzet van de VVD op dit vlak? Welke ideeën heeft de VVD aangeleverd om het plan van de Staatssecretaris zo scherp mogelijk te maken?

De heer Smals (VVD):

De VVD is van de praktische uitwerking. Ik kan in herhaling vallen. Ik ben ervan overtuigd dat dit middel niet de panacee zal zijn voor stagediscriminatie. Ik denk dat het een veel groter probleem is, dat je niet met een heel simpele ingreep kan oplossen. Het staat ook niet voor niets al 200 jaar in onze Grondwet. Daarom denk ik dat het veel complexer is en begint bij bewustwording en voorlichting. Daarom is het goed dat we hier een discussie over voeren. Ik denk dat het goed is dat er nu in Nederland demonstraties zijn om het onderwerp onder de aandacht te brengen. Maar nogmaals, dat ontslaat mij niet van het recht om kritisch te zijn op voorstellen waarvan ik bang ben dat we daarmee het paard achter de wagen spannen.

De voorzitter:

Mag ik u allemaal oproepen om uw interrupties iets korter te houden?

De heer Van Meenen (D66):

Het gaat mij ook helemaal niet om het ontzeggen van het recht van de heer Smals om kritisch te zijn op mijn voorstellen. Sterker nog, daarvoor zijn we hier bij elkaar. We zijn het bijna per definitie niet met elkaar eens. Dat is hier ook het mooie aan. Als de heer Smals kritisch is en heel goed weet uit te leggen waarom dit voorstel en andere voorstellen inferieur zijn, dan verwacht ik dat de grootste partij van het land daar iets tegenover stelt door te zeggen: ja, maar wij hebben een beter idee. Dat hoor ik niet. Wat is nu het betere idee van de VVD als het gaat om de bestrijding van een van de grofste schendingen – u zegt het zelf – van onze Grondwet? Noemt u nu eens één concreet idee dat de VVD heeft aangedragen om die stagediscriminatie te bestrijden.

De heer Smals (VVD):

Het meest concrete idee is de wet waar ik net naar verwees, maar dat mag niet van meneer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Thorbecke wordt door de VVD als een VVD'er gezien. Dat bestrijd ik al.

De voorzitter:

Meneer Van Meenen, zo werkt het niet.

De heer Van Meenen (D66):

Ja maar, sorry voorzitter ...

De voorzitter:

Nee, u heeft net een vraag gesteld. Laat de heer Smals antwoord geven.

De heer Smals (VVD):

Ik doelde eerlijk gezegd niet op de Grondwet van Thorbecke, maar op de wet van Staatssecretaris Van Ark. Ik vind het fijn dat het ook een voorstel is van D66, de ChristenUnie en het CDA.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Ik ga het ook nog een keer proberen, want ik vind het eerlijk gezegd wel lastig. Collega Van Meenen doet hier vandaag een voorstel. Ik kan daar ook wat bedenkingen bij hebben, maar laten we het in ieder geval proberen, want de tijd van vrijblijvendheid is wat mij betreft voorbij. In de afgelopen jaren is slechts één keer de erkenning van een leer-werkbedrijf ingetrokken vanwege stagediscriminatie, terwijl we allemaal de anekdotische verhalen en het empirische bewijs kennen. Dan kan het toch niet zo zijn dat de heer Smals alleen maar voorstellen van anderen afschiet? Vandaag schiet hij het voorstel van de heer Van Meenen af. Toen ik de vorige keer samen met collega Kuik met een voorstel kwam voor een app, had de heer Smals daar ook kritische vragen over. Wat wil de heer Smals dan doen?

De heer Smals (VVD):

Dit is dezelfde vraag die net door andere collega's aan mij is gesteld. Meneer Van den Berge krijgt dan hetzelfde antwoord. Enerzijds gaat het om bewustwording en het voeren van het gesprek. Het moet worden aangekaart in de relatie tussen stageverlener en school. Anderzijds hebben we de wet die in voorbereiding is.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Behalve dan die wet, waarvan we nog maar moeten afwachten wat die gaat doen, zijn dit dus precies de dingen die we al jaren doen. Het werkt niet. Ik ga de vraag niet herhalen, want dan krijg ik hetzelfde antwoord. Ik hoop dat dit debat de heer Smals wel aan het denken zet en dat hij in het volgende debat constructiever naar onze voorstellen kijkt, met alle haken en ogen die daarbij kunnen horen, of dat hij zelf met een geniaal plan komt. Dat kan ook. Ik kan zelf best kanttekeningen plaatsen bij mijn eigen voorstellen, maar wij proberen in ieder geval iets. Dit is een oproep aan de heer Smals om hier nog eens op te reflecteren na dit debat.

De heer Smals (VVD):

Ik vind het ook heel erg sympathiek – dat meen ik echt – dat D66, GroenLinks en de PvdA iets proberen. Dat vind ik echt heel sympathiek. Ik vind het ook heel goed dat ze iets proberen. Alleen zeg ik erbij dat ik niet denk dat dit de oplossing is, hoezeer ik het ook met ze eens ben dat we iets moeten proberen. Inderdaad, ik heb ook niet de oplossing, net zoals u deze wat mij betreft nog niet heeft.

De heer Kwint (SP):

Ik denk dat iedereen die zegt dat hij een oplossing voor dit probleem heeft, liegt of ontzettend dom is. Maar u kent mij. Ik ben altijd constructief. Laat ik eens een voorstel doen dat wat meer in het straatje van de VVD ligt: harder straffen! Keihard aanpakken, en dan het liefst uitgesproken op z'n Ivo Opsteltens. Wij hebben in het verleden voorgesteld om er in ieder geval voor te zorgen dat de spaarzame keren dat er bij een bedrijf echt discriminatie wordt vastgesteld – het gaat dus niet om een melding – ook daadwerkelijk leiden tot bijvoorbeeld het intrekken van de erkenning van zo'n bedrijf. Eerlijk gezegd gebeurt dit heel weinig; de heer Van den Berge zei het al. Het gebeurt te weinig.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Kwint (SP):

Er wordt niet altijd aangifte gedaan. Een melding bij het College voor de Rechten van de Mens wordt zelfs dan niet altijd gedaan. Zelfs bij een geconstateerde overtreding komen ondernemers weg met discriminatie. Zullen we dit samen oppakken en ervoor zorgen dat dit in ieder geval gebeurt?

De heer Smals (VVD):

Ja graag, meneer Kwint. Dat doe ik heel graag. Een van de grote problemen waar we nu tegen aanlopen, is dat er heel weinig meldingen zijn. Laten we dus proberen om eerst het aantal meldingen te verhogen. Dit kan door bewustwording, door het erover te hebben en door het gesprek met elkaar aan te gaan. Hier, maar ook in het land. Hierdoor worden meer meldingen gedaan. Mensen worden zich bewust van het feit dat ze slachtoffer of dader zijn. Natuurlijk moeten geconstateerde overtredingen hard worden aangepakt. Ik kan het niet op de Opsteltenmanier zeggen, maar ik ben het er wel mee eens.

De heer Kwint (SP):

Dan komt het voorstel uw kant op. Volgens mij kunnen we het daarover eens worden. Toen we dit eerder hadden voorgesteld, hadden we net geen meerderheid. Ik kijk er dus naar uit om dit nu wel te regelen.

De voorzitter:

Mevrouw Kuik van het CDA, aan u het woord.

Mevrouw Kuik (CDA):

Voorzitter. Ik vond het echt een mooie kop in het nieuws: «mbo'ers staan te trappelen om weer praktijkles te volgen». Het mag weer! Ik geef complimenten voor de wijze waarop de mbo-instellingen en de docenten het overall hebben geregeld. Ook geef ik complimenten aan het ministerie en de Minister voor hoe zij hebben samengewerkt en voor de servicedocumenten die zij hebben geleverd, voorzien van heel veel informatie.

Hoe goed het digitale vangnet ook is, het is wel een flinke klus om dat door te laten gaan. Studenten en docenten hadden in het begin misschien nog wel een vakantiegevoel, maar ik merk dat zij elkaar nu missen. We missen nu een sociale ontmoetingsplek. Ik heb zelf ook een aantal digitale lesjes mogen bijwonen. Ook voor docenten is de interactie best lastig als je tegen zwarte schermpjes aankijkt.

Praktisch gezien horen wij dat het ov-slot van 11.00 uur tot 15.00 uur niet werkbaar is. Dan hebben we het over de periode na de zomer. Scholen kunnen dan echt maar een te kleine groep jongeren bedienen. Is de Minister het met het CDA eens dat hier pragmatischer mee moet worden omgegaan, het geen keurslijf moet zijn en ook moet worden gekeken naar de situatie in de regio's? Er moet zo veel mogelijk ruimte worden gegeven, zodat onderwijs zo goed mogelijk kan blijven doorgaan, ook fysiek.

Voorzitter. Het is belangrijk om studenten te kennen en in beeld te hebben. Er is schaarste aan ruimte om de lessen in de klas te geven. Het CDA vindt het belangrijk dat de eerstejaars kunnen rekenen op echt contact, want je leert elkaar toch beter kennen als je elkaar fysiek tegenkomt. Daarnaast ben ik ook blij met het extra budget om achterstanden in te lopen of tegen te gaan. Mijn vraag is: hoe wordt extra aandacht gegeven aan kwetsbare jongeren die meer structuur en begeleiding nodig hebben en die misschien niet zo'n goede thuissituatie hebben om goed te studeren? Hoe wordt daar na de zomer invulling aan gegeven? Wat gaat de Minister doen aan deze ongelijkheid?

Voorzitter. Ik raakte onlangs echt ontroerd toen ik op Omrop Fryslân in het Fries een betrokken decaan van ROC Friese Poort hoorde. Hij zag het contact met een aantal studenten verwateren. Dit waren jongeren die zich niet meer meldden. Hij regelde een busje en ging op huisbezoek om studenten te steunen en persoonlijk advies te geven. Deze betrokkenheid is cruciaal, zeker voor deze groep, om te voorkomen dat jongeren uit beeld raken. Kan de Minister erop ingaan of dit breder wordt opgepakt? Dit is zo belangrijk.

Voorzitter. Anderen hebben het ook al gehad over het tekort aan stageplekken en leerbanen. De heer Van den Berge zei al dat er nu een tekort is van 19.000 plaatsen. Dit steekt als een graat in mijn keel. Juist de praktijkervaring en de bbl-route maken het mbo zo uniek en krachtig. Het is goed om te zien hoe proactief dit door de Minister en de SBB wordt opgepakt in een actieplan. Hier zit de urgentie. Volgens mij zijn de websites stagemarkt.nl en leerbanenmarkt.nl nog niet genoemd. Dit zijn websites om matches te blijven vinden. Er worden extra middelen ingezet om plekken te behouden. Dit is een snelle erkenning, maar het is ook een brede oproep aan sectoren om juist nu plekken te bieden. Heeft de Minister in beeld wat echt effectief is qua stimuleringssubsidies, zodat bedrijven die stageplekken ook daadwerkelijk behouden?

Het is goed om te lezen dat de SBB extra aandacht gaat besteden aan jongeren in een kwetsbare positie bij het zoeken naar een stage. Ik denk aan de jongeren die te maken hebben met stagediscriminatie; het is hier al voorbijgekomen. Ik ben benieuwd of de Minister naar aanleiding van de motie van de heer Van den Berge en mij de stand van zaken kan geven van het laagdrempeliger maken van een discriminatie-app. We zien nu dat het aantal meldingen heel laag is. Als er heel weinig meldingen zijn, dan wordt er natuurlijk niet veel gehandeld om het aan te pakken; de heer Kwint gaf het net al in een interruptie aan. We willen meer meldingen om het beter te kunnen aanpakken. Kan de Minister de stand van zaken geven?

Voorzitter. Ik heb natuurlijk het voorstel van de heer Van Meenen gehoord. Ik heb zelf ook contacten gehad, omdat dit probleem iets is wat we allemaal de wereld uit willen helpen. De heer Van den Berge en ik hebben samen in een call gezeten. Er zijn initiatieven om via digitale gaming, een digitale wasstraat, een match te maken. Kandidaten worden aan een bedrijf voorgesteld. Die bedrijven gaan dan nog wel het gesprek aan over wie er stage komt lopen. Ik vind dit een heel mooi initiatief, waarvan ik hoop dat de Minister er ook naar kijkt. Dit zou ook een middel kunnen zijn. Voordat wij allemaal middelen inzetten, vind ik dat goed moet worden bekeken of deze middelen ook daadwerkelijk effectief zijn.

Voorzitter. Ik ben heel complimenteus geweest, maar de motie-Kuik/Smals ging over de kansopleidingen en daarbij een overkoepelende strategie. De Minister komt vervolgens met een bijlage waarin de lopende campagnes onder elkaar zijn gezet. Ik hoop dat de Minister toch wat serieuzer ernaar wil kijken. Juist met de huidige stagetekorten is zo'n overkoepelende strategie van belang.

Even voor de helderheid: ik snap ook wel dat het niet zo easy is dat je het passende stukje in een hele puzzel legt. Maar een strategie waarin wordt gekeken naar de kansen voor de jongeren... Stel dat je klaar bent met een studie in een sector die door de crisis op zijn gat ligt, wordt er dan proactief met deze jongeren meegedacht over de vervolgstappen naar doorstuderen of verbreding via keuzedelen of certificaten? Zorgen we voor die kansen?

Dit hangt ook samen met een betere lob, wat de JOB-monitor ook heeft aangegeven. Het blijkt dat ruim een kwart van de studenten vindt dat hij of zij niet goed wordt begeleid bij de keuze om verder te studeren of te gaan werken. De Minister heeft aangegeven dat de subsidie voor het Expertisepunt LOB is verlengd. Dat is mooi. Binnen de subsidie is er ruimte om invulling te geven aan maatregelen, gericht op het realiseren van gelijke kansen, het versterken van arbeidsmarktperspectief in loopbaanbegeleiding, en studievoorlichting voor aankomende studenten en ouders. Ik zou graag een terugkoppeling willen hebben over hoe deze invulling daadwerkelijk vorm gaat krijgen.

Voorzitter, ben ik door mijn tijd?

De voorzitter:

U klinkt alsof u net bent begonnen, maar helaas, ja. Dank u wel. Er zijn geen vragen aan mevrouw Kuik. Dan is het woord aan de heer Kwint van de SP.

De heer Kwint (SP):

Dank, voorzitter. Ik kan alleen maar hopen dat ik aan het eind van mijn bijdrage nog met hetzelfde enthousiasme spreek als mevrouw Kuik. Ik denk het niet, overigens.

De afgelopen maanden hebben docenten echt ontzettend hard gewerkt om in werkelijk onmogelijke omstandigheden het best mogelijke onderwijs te geven. Dit verdient respect en waardering. Echt een diepe buiging voor al die docenten die soms bijna letterlijk door muren zijn gegaan om het beste voor hun studenten te realiseren.

Dit betekent niet dat er geen zorgen zijn. Is er bijvoorbeeld inzicht in hoeverre instellingen studenten zijn kwijtgeraakt? Speciaal bij entreeopleidingen en niveau 2 kan soms het bijna letterlijk iemand bij de nekharen erbij slepen precies datgene zijn wat ervoor zorgt dat iemand mee blijft doen, mee blijft kunnen doen en uiteindelijk een diploma krijgt. Het kan datgene zijn wat uitval voorkomt. Al geldt dit natuurlijk ook op andere niveaus. Is er zicht op groepen studenten die we echt kwijt zijn, van wie we niet meer weten wat ze de hele dag aan het doen zijn?

Ik had zelf de afgelopen maanden een stagiair van het mbo en heb gemerkt in welke mate de coronamaatregelen het voor een stage veranderen. Het viel bepaald niet mee. Gelukkig heeft zij het fantastisch gedaan en heeft zij ondanks de onmogelijke omstandigheden alsnog met veel succes haar stage afgerond. Maar de combinatie van praktijkexamens, verplichtingen op de stageplek, omgangsregelingen, afstand houden, alles bij elkaar, maakt het wel verrekte ingewikkeld.

Ik kom toch terug op het punt waarover ik het zojuist al met de heer Van Meenen heb gehad, namelijk de compensatieregeling die alleen studenten in hun laatste jaar lijkt te helpen. Wij hebben toch niet voor niets een jaartaak afgesproken, die ervan uitgaat dat studenten daar echt wel druk mee zijn? Het is echt niet zo dat zij de hele week niks aan het doen zijn. Als we dit buiten coronatijd heel normaal vinden, kun je toch nu niet ineens zeggen: we gaan ervan uit dat je dit het volgende jaar maar even inloopt? Want wanneer in dat volgende jaar dan? Erkent de Minister dat een paar gemiste maanden onderwijs of een totale stage niet zomaar even ernaast in te halen zijn?

Het is uiteraard goed nieuws dat er extra geld beschikbaar is voor extra programma's om achterstanden in te halen. We hadden het er gisteren over met Minister Slob. We hebben het er vandaag over met Minister van Engelshoven. Dat is goed. De vraag die zich wel steeds pregnanter begint op te dringen, is: wanneer dan?

Mbo'ers wordt gevraagd om de spits te mijden, net als de hbo'ers en de universiteiten. Ik hoop voor de Minister dat ze gisteravond de telefoon op een veilige afstand had liggen en een leuke serie aan het kijken was, want de reacties vanuit het onderwijsveld waren – laat ik het zo zeggen – gematigd enthousiast. Er werd niet heel goed gereageerd op het voorstel om dan maar in de avonduren en de weekenden wat te doen. Dat is ook niet gek.

Laten we het ten eerste vanuit het perspectief van de studenten bekijken. Die moeten dan vaak extra kosten maken. Ze hebben een ov-kaart en moeten in één keer op momenten gaan reizen waarop ze zelf daarvoor moeten gaan betalen. Gaat daar iets voor bedacht worden? Gaat er iets bedacht worden voor studenten die in de zomer stage moeten gaan lopen, wanneer hun ov-studentenkaart niet doorloopt? En wat doen we met de docenten, het personeel en de werktijden? Hoe verhoudt de oproep om niet in de spits te rijden en om meer in de avonden of in de weekenden te werken, zich bijvoorbeeld tot eerder gemaakte cao-afspraken?

En misschien nog wel belangrijker: hoe verhoudt de oproep zich tot het huidige leven van het onderwijzend personeel? Die mensen hebben zich de afgelopen maanden een slag in de rondte gewerkt om in die onmogelijke omstandigheden alsnog te proberen iets aan onderwijs te kunnen geven. Ik kan me voorstellen dat het je flink in het verkeerde keelgat schiet als je hoort: ga maar buiten de spits reizen, want dan is het wat minder druk in de trein; doe maar iets in het weekend of in de avonden. Terwijl je ook nog een gezin, een partner of gewoon een leuke hobby hebt. Dit moet naast elkaar kunnen blijven bestaan.

Ten slotte nog een paar punten die niet direct aan corona raken maar wel op de agenda staan, zoals mijn favoriete onderwerp de functiemix onder docenten. Als ik alles op een rijtje zet, zie ik dat mbo-instellingen steeds rijker worden, maar er zijn steeds minder docenten die in de hoogste salarisschaal zitten. Het lijkt mij dat daar een verband tussen zit, namelijk dat die instellingen zo rijk worden omdat ze hun docenten geen geld geven of niet genoeg geld geven. De Minister is momenteel bezig met een uitgebreid onderzoek. Onderzoekt ze dan wel de hele functiemix? Dat wil ik wel weten, want als ik ernaar vraag, krijg ik soms de indruk dat ze het vooral heeft over de in de Randstad extra gemaakte afspraken, terwijl het breder is. Er is een soort triviaal technisch onderscheid tussen functiemix en salarismix waarmee ik hier niemand ga vermoeien; dat weten ze op het ministerie wel. Dit lijkt in de antwoorden soms wat door elkaar te lopen. Ik zou graag willen weten wanneer het onderzoek af is, zodat wij hier goed de discussie kunnen voeren over de vraag of het geld voor mbo-docenten wel naar mbo-docenten gaat of dat het op de reserve van een instelling komt te staan.

Ook de heer Smals had het over de studiematerialen. Weer lezen we in de JOB-monitor dat studenten worden gedwongen om boeken te kopen waar ze uiteindelijk helemaal niks aan hebben. De boeken zitten aan het einde van de periode nog in het plastic. Niet omdat de student lui is, maar omdat de instelling zo lui was om ze wel voor te schrijven maar niet in de les op te nemen. De VVD en de SP hebben daar een heel mooi voorstel voor gedaan, namelijk om dit het probleem van de instelling te maken en niet van de student. De instelling moet het boek maar kopen en dan zien ze maar wat ze ermee doen. Dit motiveert misschien een beetje om dit niet meer te doen. De Minister zegt dat ze het daar nog niet de tijd voor vindt. Eerder zei ze: ik wil het convenant met de onderwijsinstellingen en de raden een kans geven, en dan gaan we het in de zomer bekijken. Het is nu bijna zomer. De laatste informatie die wij hebben, komt uit de JOB-monitor, en die informatie is niet positief. Mijn vraag aan de Minister is dus nogmaals: wanneer is voor haar het moment dat ze die wet gaat veranderen?

De voorzitter:

Dat was het?

De heer Kwint (SP):

Dat was het.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot de heer Öztürk van DENK.

De heer Öztürk (DENK):

Voorzitter, dank u wel. De coronacrisis heeft heel veel kwetsbaarheden in onze samenleving blootgelegd. De coronacrisis heeft ook voor nadelige gevolgen gezorgd binnen het onderwijs. De afgelopen maanden hebben duizenden leerkrachten en miljoenen scholieren het erg lastig gehad. Toch hebben deze mensen zich netjes aan de maatregelen van het RIVM gehouden. DENK wil hiervoor alle personeel in het onderwijs, de leraren, studentenbegeleiders en iedereen van harte bedanken. Ook willen wij in het bijzonder de studenten bedanken die de afgelopen maanden veel hebben opgeofferd.

Door de coronacrisis zijn de scholen sinds 16 maart gesloten. We zijn inmiddels drie maanden verder. De studenten van het mbo kunnen vanaf deze week weer gedeeltelijk naar school. In de brief van de MBO Raad wordt aangegeven dat er een wens is om snel weer naar fysiek onderwijs over te gaan, omdat de scholen met de huidige maatregelen momenteel niet goed kunnen functioneren. In de afgelopen drie maanden waren er heel veel onlinelessen, en veel scholen hebben onlinetentamens afgenomen.

Er zijn al jaren discussies over de komst van digitaal onderwijs. De afgelopen tijd hebben we gezien dat het mogelijk is om onlinelessen te organiseren. Maar de vraag is hoe effectief het is geweest. We leven in een digitaal tijdperk, maar aan de andere kant is het ook belangrijk dat studenten de juiste begeleiding krijgen. Het ziet ernaar uit dat fysieke lessen ook na de zomer onmogelijk lijken. Er zal dus weer voor onlineonderwijs worden gekozen, omdat scholen beperkt open zijn. DENK is geen tegenstander van onlineonderwijs, maar we zijn wel van mening dat dit niet ten koste van de studenten mag gaan.

Het is bekend dat hbo- en vo-studenten zelfstandiger zijn en minder begeleiding nodig hebben dan leerlingen op het mbo. Er zijn veel leerlingen op het mbo die niet zelfredzaam genoeg zijn en meer begeleiding nodig hebben. Onlineonderwijs zorgt ervoor dat studenten die extra begeleiding nodig hebben, die niet krijgen en hierdoor stressen en in de problemen terechtkomen. Is de Minister het met ons eens dat digitaal onderwijs op het mbo moet worden geminimaliseerd, zodat studenten die extra begeleiding nodig hebben, niet in de problemen komen? Wat gaat de Minister doen met het verzoek van de MBO Raad om fysiek onderwijs weer beter mogelijk te maken? Graag een reactie van de Minister.

Voorzitter. Door het digitale onderwijs hebben veel studenten studievertraging opgelopen. Tentamens konden niet altijd worden afgenomen en studenten kregen minder begeleiding. Daarnaast zijn er studenten die niet de juiste middelen hebben om aan digitaal onderwijs deel te nemen. Er zijn helaas nog veel studenten die het economisch niet goed hebben en geen digitale middelen zoals een laptop of andere middelen hebben om goed deel te kunnen nemen.

Ook is het bekend dat veel studenten studiestress ervaren. De vertraging die de studenten hebben opgelopen, heeft voor meer stress gezorgd. Wat gaat de Minister doen om ervoor te zorgen dat studenten na de zomer de juiste begeleiding en de juiste middelen krijgen en ook dat de sociaal zwakkere jongeren die de digitale middelen niet krijgen, die alsnog kunnen krijgen? Welke garanties gaat de Minister geven om ervoor te zorgen dat geen enkele student of scholier buiten de boot gaat vallen naar aanleiding van corona?

Voorzitter. Ik kom op het punt van de stagediscriminatie. Dit is een hardnekkig probleem. Ook ik persoonlijk heb meerdere malen stagediscriminatie meegemaakt, ook bij mijn sollicitaties voor een baan. Maar ook later toen ik werkgever werd, zag ik in mijn omgeving dat mensen werden gediscrimineerd. Vandaar mijn oproep aan de VVD.

Heel veel ondernemers, maar ook heel veel overheidspersoneel, kunnen stagediscriminatie aanpakken. Alleen, er is de afgelopen tien jaar een tendens geweest waarin dat een beetje een taboe was. Het mooie van de afgelopen maanden is echter dat heel veel partijen hier aan tafel met voorstellen komen. Dit is het moment, Minister. Er is een kentering in de samenleving. De samenleving wil een andere weg ingaan. Dit is het moment dat bestuurders met lef en durf met maatregelen komen en die erdoorheen gaan drukken, zodat we na decennia discriminatie op de scholen en op de arbeidsmarkt eindelijk het grote probleem kunnen aanpakken. DENK heeft de afgelopen jaren meerdere voorstellen hierover ingediend. Die werden in die tijd niet gesteund, ook niet door een aantal linkse partijen. Maar gelukkig is er verandering. Nu is het tijd. Ik zag net dat mijn collega's met name uit de linkerhoek druk uitoefenen op de VVD. Dit moeten we ook in het kabinet doen: druk uitoefenen op de VVD en het CDA, zodat we het hardnekkige probleem van de stages eindelijk kunnen oplossen.

Met voorstellen als van D66 komen we er ook niet. Waarom niet? We moeten naming-and-shaming kunnen doen. We moeten bedrijven die onze jongeren niet aannemen, kunnen aanpakken, en geen vergunningen of subsidie geven aan bedrijven die willens en wetens discrimineren. Dat lef moeten we kunnen tonen. Doen we dat niet, dan komen we weer met voorstellen om jongeren weerbaarder te maken. Maar hoelang moeten we daarmee doorgaan?

Voorzitter, ik rond af. DENK wil dat de regering er alles aan doet, zodat studenten de juiste begeleiding krijgen, waardoor ze niet in de problemen komen. Onze studenten mogen niet worden gediscrimineerd. Ze zijn onze toekomst. Het is ons kapitaal. Laten we er alles aan doen om ze te steunen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Öztürk. We zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Ik schors voor vijf minuten. Daarna gaan we luisteren naar de beantwoording door de Minister.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Wij zijn bezig met een debat over het mbo in tijden van corona. Ik geef de Minister het woord voor haar beantwoording in eerste termijn.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter, dank u wel. Het is goed om vandaag met u dit debat te hebben. Voor ik aan de beantwoording begin, wil ik mij ten volle aansluiten bij alle woorden van waardering die zijn gesproken voor de docenten, studenten en mbo-instellingen, maar ook voor de bedrijven die in deze tijd stages verzorgden om zo veel mogelijk door te laten gaan. Er is echt ongelofelijk veel gebeurd. Docenten hebben met hart en ziel gewerkt om de studievoortgang te behouden en het onlineonderwijs vorm te geven. Volgens mij zei mevrouw Kuik dat bij Friese Poort docenten letterlijk bij studenten gingen aanbellen om te vragen waar ze waren en hoe het met ze ging. Dit is op meer plekken gebeurd. Het is echt ongelofelijk om te zien. Iemand van u noemde het «de veerkracht van de sector». Die hebben we heel goed gezien. Dat is fantastisch.

Tegelijkertijd snakt iedereen naar weer gewoon onderwijs op school en elkaar weer zien. Uiteindelijk worden jonge mensen gevormd in de sociale interactie met elkaar. Ook online heb je sociale interactie, maar toch heel anders dan wanneer je dat fysiek hebt. Ik was maandag bij ROC Midden-Nederland en zag hoe blij zowel docenten als studenten zijn dat het weer kan. Zoals de docent metaalbewerking die zijn studenten weer begeleidt bij een laswerkstuk. Ik zag een student die badend van het zweet uit zo'n lashok kwam en het zo fijn vond dat dit weer kon. Dit gevoel hadden we volgens mij maandag allemaal; zo fijn dat we die stap hebben kunnen zetten.

Tegelijkertijd – en dan kom ik op het eerste punt van veel van uw vragen – is waar we nu zijn nog verre van optimaal. Er is veel gezegd over de reistijden en de beperkingen waaraan het mbo nog is gebonden. Ook vroeg u wat het perspectief is voor na de zomer.

Ik denk dat we ons allemaal realiseren dat lesgeven tussen 11.00 uur en 15.00 uur verre van optimaal is en dat dit grote beperkingen oplegt. Het is niemands eerste keuze geweest, ook niet voor de ov-bedrijven. Laat ik daar helder over zijn. We moeten zorgen dat we als samenleving stap voor stap weer opengaan. De Staatssecretaris van IenW en ik geven hoge prioriteit aan studenten. We willen beiden dat het onderwijs zo snel mogelijk weer zo veel mogelijk open kan. We hopen daar snel stappen in te zetten.

Wat het perspectief voor na de zomer betreft: ik kan op dit moment helaas nog niet zeggen hoe het precies gaat. Dit heeft ook veel te maken met de vraag hoe we een en ander in het openbaar vervoer gaan doen met studenten. Ik heb vandaag weer overleg met het mbo en vervoerders over hoe we dit gaan organiseren, en hoe we dit op een slimme manier gaan doen; meer door de dag, zodat er meer ruimte ontstaat. We zijn momenteel bezig met dit gesprek en ik ben er heel hoopvol over. Ik merk dat zowel van de kant van de vervoerders als van de kant van de mbo-instellingen, alsook vanuit de ministeries iedereen zijn uiterste best doet om samen te werken om dingen mogelijk te maken.

Er moet mij nog één ding van het hart over iets waar de heer Kwint over begon en wat ik hier dolgraag wil rechtzetten. Ik kan de heer Kwint geruststellen: ik heb gisteravond niet naar een serie zitten kijken. Ik heb onder andere dit debat zitten voorbereiden. Maar ik was hogelijk verbaasd toen ik allerlei reacties zag op het werken in de avonden en in de weekenden. Ik zag reacties op een voorstel van mij, en dacht: maar ik heb dit voorstel helemaal nooit gedaan. Als u nog eens goed kijkt wat ik uw Kamer heb geschreven, is dat dat ik juist niet wil dat we met z'n allen in de avonden en in de weekenden gaan lesgeven. Ik vind dat níét wenselijk, omdat ik als geen ander zie hoe hoog de werkdruk in het onderwijs is geweest. We moeten heel prudent zijn om van docenten te vragen om nog op andere uren les te geven.

Ik was er heel ongelukkig mee, omdat ik juist heb gezegd dat dat niet de bedoeling is. Maar als er situaties zijn waarin instellingen, in samenspraak met studenten en docenten, wel iets willen doen, gaan we dat niet onmogelijk maken. Dat is wat ik uw Kamer heb geschreven. Ik zou het fijn vinden als iedereen goed leest wat er staat voordat er beelden worden geschetst die echt ver bezijden de werkelijkheid staan. Vanmorgen zag ik een tweet van de heer Asscher en ik dacht: lees gewoon wat mijn voorstel is, dan zouden we allemaal wat dichter bij de werkelijkheid blijven en maken we docenten niet onnodig ongerust, want dat is het laatste wat ik wil. Ik heb uw Kamer geschreven dat ik het niet wenselijk vind dat we massaal in de avonden en in de weekenden gaan lesgeven. Er is de afgelopen tijd zo ontzettend veel gevraagd van docenten. We kunnen het niet blijven oprekken. Laten we vooral zorgvuldig zijn in hoe we hierover discussiëren.

Ik was maandag op de HKU. Studenten werken daar in ateliers. Die snakken ernaar om ook op zaterdag in hun atelier te kunnen werken. We gaan dit niet belemmeren door te zeggen dat ze dan het ov niet in mogen. We willen dit soort dingen juist mogelijk maken als alle partijen het in goed overleg wenselijk vinden. Maar gelet op hoe hard er is gewerkt, zeg ik vanwege de werkdruk: liever niet.

De voorzitter:

Een vraag van de heer Kwint, dan mevrouw Van den Hul en dan de heer Van den Berge. Meneer Kwint.

De heer Kwint (SP):

Dank voor dit antwoord. Het zou inderdaad heel goed zijn als we de werkdruk onder docenten na zo'n zware tijd niet onnodig veel zwaarder gaan maken. Maar er komt een moment dat er een knoop moet worden doorgehakt. De Minister zegt dat iedereen dolblij is dat het echte lesgeven weer begint. We gaan nu een begin maken met het wegwerken van de achterstanden. Ze zegt ook dat ze niet wil dat docenten buiten hun wil om massaal in de avonden en weekenden gaan werken. Tevens zegt ze, niet nu maar eerder: we willen eigenlijk niet dat studenten in de spits in het ov zitten. Dit bijt elkaar op een gegeven moment.

Ik ben blij dat we docenten in bescherming nemen. De Minister zegt dat als iedereen het ermee eens is, ze het niet gaat tegenhouden. Ik vraag me af hoe zo'n besluit tot stand komt. Wie zijn die «iedereen»? Kunnen docenten, puur op basis van hun cao, uiteindelijk worden gedwongen om te werken als hun werkgever zegt: ik verwacht je donderdagavond om 20:00 uur en zaterdagochtend om 10:00 uur?

Minister Van Engelshoven:

Het is goed dat de heer Kwint vraagt hoe zo'n besluit tot stand komt. Ook mevrouw Van den Hul vroeg daarnaar en hoe de bonden betrokken zijn.

We hebben in heel deze periode bij de totstandkoming van het servicedocument iedere keer overleg gehad met de mbo-instellingen, met de studenten via de JOB en met de bonden. Ik moet mevrouw Van den Hul toegeven dat toen we rondom 15 juni de afspraak maakten dat het tussen 11.00 uur en 15.00 uur kan, daar niet heel veel over te dimdammen viel, want dat was het blok dat we kregen voor het onderwijs. Ik had dit zorgvuldiger aan de voorkant met de bonden kunnen doen.

Zeker in deze periode hecht ik er zeer aan om de werknemers en de bonden iedere keer stap voor stap in dit overleg mee te nemen. Het maken van afspraken over werktijden en de wijze waarop we het in elkaar zetten, is uiteindelijk aan werkgevers en werknemers, zeg ik tegen de heer Kwint. Het is aan de instelling en het personeel. Het lijkt me heel goed dat als er over afwijkende roosters wordt gesproken, dit heel zorgvuldig in de medezeggenschap gebeurt. Ik hoop dat u gezien hebt dat we het in het servicedocument voor het hoger onderwijs hebben geschrapt. In de piek van de crisis hadden we daar de ruimte gegeven. Soms kan de medezeggenschap wellicht achteraf als het vooraf niet wil. We moeten altijd gewoon plek geven aan de medezeggenschap.

De heer Kwint heeft heel erg gelijk dat het een ongelofelijk ingewikkelde puzzel aan het worden is. Hoe geven we meer ruimte voor het fysieke onderwijs? We realiseren ons dat er nog achterstanden worden ingehaald. We weten ook dat we nog niet alle capaciteit hebben. Met die puzzel zijn we momenteel met alle partijen aan de slag. Hoe doen we dit op een goede, zorgvuldige manier die geen risico's voor de volksgezondheid oplevert – dat blijft op één – en werkbaar is voor het onderwijs en zorgt dat we het mooie van het onderwijs op locatie maximaal kunnen vormgeven? Die puzzel wordt momenteel gelegd. Ik hoop van harte de instellingen hierover voor de zomer duidelijkheid te geven. Ik snap hoezeer dit nodig is, want die moeten de roosters gaan maken.

De heer Kwint (SP):

Dat snap ik allemaal, maar mijn concrete vraag was hoe het met het individuele recht van een docent zit. Wanneer een instelling overeenstemming bereikt, misschien met de medezeggenschap, kan een docent dan in één keer worden verplicht om inhaallessen te gaan geven op de avond dat zijn dochter naar ballet gaat, terwijl hij die altijd weg moet brengen? Dit heeft een heel forse impact op de toch al forse werkdruk.

Minister Van Engelshoven:

Het lijkt mij niet dat dat kan. Aan u kunnen we vragen: het debat is 's avonds laat, dus meneer Kwint, komt u maar. Maar in de normale relatie tussen werkgever en werknemer, waarvan in het onderwijs toch sprake is, kun je niet zomaar eenzijdig werktijden veranderen. Zo doen we dat niet in dit land, dus ook niet in het onderwijs. De wijze waarop je dit doet, vraagt heel zorgvuldig overleg tussen alle partijen.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

De Minister heeft een deel van mijn vraag al beantwoord. Ik ben blij om te horen dat het beeld dat in sommige media werd geschetst, niet correct is.

Tevens heeft de Minister helemaal gelijk dat het goed is om ons bij de letter van het geschreven woord te houden. Fijn dat dit hierbij is rechtgezet. Dank daarvoor.

Ook dank dat de Minister toegeeft dat ze het met de kennis van nu misschien beter aan de voorkant had kunnen afstemmen met de studenten.

Ik snap heel goed dat dit een ingewikkelde puzzel is, met heel veel verschillende dimensies. Toch wil ik hierin nog twee dingen aangeven, of de Minister meegeven, of in elk geval vragen of dit ook op het netvlies staat. Dit zeg ik ook als voormalig bewoner van het platteland. Juist in die context zijn reistijden weer een heel ander verhaal. Als je heel ver moet reizen om bij jouw instelling te komen, is een beperking in de lestijd een extra drempel. Voor die toegankelijkheid breek ik hier graag een lans.

Wil de Minister bij wat er nu volgt, ook het perspectief van studenten met een beperking meewegen? Ik heb contact gehad met studenten met een beperking. Zij zeggen: juist voor ons zijn die beperkingen in reistijden ingewikkeld, want wij moeten ofwel aanpassingen aanvragen in ons vervoer, of wij moeten met een aangepaste treinreis werken. Dit is een extra hindernis. Ik vraag de Minister om deze twee groepen in gedachten te houden en met hen in overleg te gaan over wat werkt.

Minister Van Engelshoven:

Het punt van het maatwerk in de ov-afspraken zien wij ook. Die ruimte is er ook. Mevrouw Kuik vroeg daar ook naar. De situaties in het land zijn nogal verschillend. Daarom hebben we met de Staatssecretaris van IenW en de vervoerders nu een soort principeafspraak gemaakt over tussen 11.00 uur en 15.00 uur en na 20.00 uur. Daar kan in de regio een maatwerkafspraak over worden gemaakt, mits de onderwijsinstellingen en vervoerders het hierover eens zijn. We hebben hun gevraagd om ons dit te melden, zodat we ook landelijk in de gaten kunnen houden of het nog allemaal goed gaat, want treinstromen komen altijd ergens op knooppunten samen. We geven de ruimte voor die maatwerkafspraken. Als je zo'n blok geeft, moet je niet hebben dat hierdoor weer een nieuwe spits ontstaat met heel veel studenten. Je moet dit op een goede manier kunnen spreiden. We zien in de praktijk dat het werkt om in de regio maatwerkafspraken te maken. Die ruimte is er. We zullen dit ook voor het vervolg na 1 september blijven doen.

Mevrouw Van den Hul had een terecht punt over studenten met een beperking. U heeft ook de brief van Ieder(in) gehad, over studenten met een beperking. Daarin staan heel veel goede suggesties. Zeker voor studenten met een beperking is het ov nu echt een enorme uitdaging. Voor een deel van de studenten met een beperking is het een uitkomst dat er onlinealternatieven zijn. Dit scheelt enorm veel voor hen, ook qua energie die ze anders in het van A naar B komen moeten stoppen. Ik hoop voor hen dat het goede van het onlineonderwijs in het kader van passend onderwijs kan worden behouden, en dat we leren van de soms enorme inspanningen die een student zich moet getroosten om op een instelling te komen. We kunnen hier misschien ook wat in besparen. Dit mag echter niet betekenen dat we tegen studenten met een beperking zeggen: blijf jij maar thuis; dat maakt het voor ons makkelijker. Ook die student heeft immers recht op de sociale interactie en het sociale leven op de school. We moeten hier het goede midden in vinden.

De voorzitter:

De heer Van den Berge had nog een vraag.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Ik had nog een vraag over het perspectief vanaf september. Ik snap dat de Minister druk in overleg is met de MBO Raad en ov-bedrijven. Maar het zou mooi zijn als dat perspectief er heel snel kan komen, eigenlijk het liefst gelijktijdig met het perspectief voor het voortgezet onderwijs op 24 juni. Anders ben ik bang dat er weer heel veel onduidelijkheid bestaat. Ik zie de Minister knikken, dus ik hoop dat dit haalbaar is. Als het perspectief vanaf september er wel voor het vo komt en niet voor het mbo, gaat dit voor heel veel onzekerheid en vragen zorgen, dus als het kan, zou dat mooi zijn.

Minister Van Engelshoven:

Ja, hoe eerder we dit perspectief hebben, hoe liever. Voor iedereen. Er wordt heel hard aan gewerkt. We hebben er vandaag ook weer overleg over. Hoe doen we het met het vervoer? Los van de reguliere hygiënemaatregelen – 1,5 meter afstand, blijf thuis als je klachten hebt en handen wassen – is een van de ingewikkeldste beperkingen voor het mbo en het hoger onderwijs inderdaad het reizen. De gesprekken met de vervoerders gaan heel goed. Daar ben ik echt heel blij mee. We hopen tot zo goed mogelijke afspraken te komen. Hoe kunnen we de vervoersstroom zo over de dag spreiden dat er meer ruimte ontstaat om fysiek onderwijs te geven? Ik hoop met u dat we zo snel mogelijk duidelijkheid daarover kunnen geven, want men moet aan de slag met de roostering. Ik geloof dat een van u dat ook vroeg. In augustus komen er nieuwe studenten. Ik vind het ongelofelijk wenselijk dat die nieuwe eerstejaars voor hun introductie gewoon op locatie kunnen worden ontvangen, en dat er activiteiten voor kunnen plaatsvinden. Je moet de band met je medestudenten en met je onderwijsinstelling ter plekke kunnen opbouwen. We hebben die helderheid al in de zomer nodig.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

De heer Kwint had een vraag omtrent het ov voor mensen die in de zomer een stage inhalen en stagelopen. Kunnen zij van hun ov-kaart gebruikmaken? Dit is inderdaad ongelofelijk relevant. Een van de dingen die we momenteel met de vervoersbedrijven bespreken, is of we daar wat ruimte kunnen krijgen. Ik denk dan: er is de afgelopen tijd minder gereisd; misschien in de zomer dan iets meer. Als je op deze manier kunt voorkomen dat er achterstanden ontstaan, wil je niet dat er een belemmering zit in het ov. Ik kan er nu nog geen uitsluitsel over geven, want het overleg loopt nog. Maar ik wil dit wel voor het zomerreces doen, want de studenten hebben die duidelijkheid nodig.

De heer Kwint (SP):

Dat is mooi. Dat zou een belangrijke stap zijn. Ik hoop wel dat het dan ook lukt om het op een dusdanige manier voor het zomerreces aan de Kamer mede te delen. Mochten wij willen dat hier en daar een vervoersbedrijf tot wat meer actie wordt bewogen, dan kunnen wij dat duwtje zelf geven. Daartoe zou ik meer dan bereid zijn. Maar het is een beetje onzin om dingen in te dienen als de Minister er al mee bezig is. Dan hoor ik het liever als ze eruit is. Dan is het hopelijk niet nodig.

Minister Van Engelshoven:

Ik begrijp uw signaal heel goed: «We horen dit graag voordat de Kamer met reces gaat, zodat we de Minister nog een handje kunnen helpen.» Ik zal u het dus tijdig laten weten.

De voorzitter:

De heer Van den Berge heeft ook nog een vraag op dit punt.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Het kan heel kort. Ik hoor de Minister over mbo-instellingen en vervoersbedrijven. Ik hoop dat de studenten, bijvoorbeeld via de JOB, ook bij het overleg zijn betrokken?

Minister Van Engelshoven:

Ja, sowieso. De JOB wordt bij alle overleggen betrokken, ook over het servicedocument en de gemaakte afspraken. Ik spreek ze deze tijd ongelofelijk veel. Ze doen dit ongelofelijk goed, moet ik zeggen. Dus ja, die betrekken we erbij.

Voorzitter. Een ander punt waar volgens mij iedereen het over heeft gehad, zijn de zorgen rondom stages en leer-werkbanen. Het is een terechte zorg. SBB meldde mij afgelopen week in een overleg dat er inmiddels een tekort is van 19.000 stageplekken. We hebben uit de vorige crisis gelukkig veel lessen geleerd. Ik hoop dat ook het bedrijfsleven zich die lessen goed eigen heeft gemaakt. Om die reden heb ik al meteen in april aan SBB gevraagd: kom met een actieplan stages en leer-werkbanen om te voorkomen dat we te veel plekken kwijtraken. Het kabinet heeft middelen daartegenover gesteld; middelen voor SBB om eraan te werken, maar ook middelen om wat te doen met de subsidie praktijkleren, met name in die sectoren waar we problemen zien ontstaan, waar echt veel op slot is. We hadden in een aantal sectoren al extra middelen voor leer-werkbanen vanuit de motie-Heerma. Tevens hebben we het bedrijfsleven extra ruimte gegeven door leer-werkbanen te bevoorschotten, door subsidie naar voren te trekken.

Overigens is het zo dat bedrijven voor het behoud van leer-werkbanen en stages een beroep kunnen doen op de NOW. Ik wil dit hier nog maar eens herhalen. Studenten in dienst houden kan ook via de NOW. Ik heb de SBB gevraagd om bij de uitwerking van het plan specifiek rekening te houden met kwetsbare studenten, dus jongeren met een risico op een achterstand, entreestudenten, maar ook jongeren met een niet-westerse achtergrond. Ik kom dadelijk nog op stagediscriminatie. Tevens hebben we het actieplan van SZW: NLWerktDoor, en Perspectief op Werk. Dit biedt ook mogelijkheden. We proberen er dus zo veel mogelijk aan te doen.

De heer Van den Berge vroeg of dit genoeg gaat zijn. Dat is uiteraard een heel terechte vraag, en het eerlijke antwoord is: dat weet ik niet. Het is niet zo dat we het als overheid alleen doen. Ik zag het eerste initiatief bijvoorbeeld in de metaalsector, waar de bedrijfstak heeft gezegd: wij gaan in onze bedrijfstak fondsen inzetten om de leer-werkbanen overeind te houden, want we hebben al die mensen straks weer heel hard nodig. Ik hoop dat het bedrijfsleven ook zegt: wij weten dat we, als de arbeidsmarkt straks weer aantrekt, de mensen hard nodig gaan hebben, dus het is in ons eigen belang om nu daarin te investeren.

Ondertussen kijken we met het onderwijs, samen met het bedrijfsleven, naar hoe we op andere manieren slim met de tekorten kunnen omgaan. Bijvoorbeeld door stages slimmer te spreiden over het schooljaar, of door twee studenten in plaats van één student op een stageplek te plaatsen. En ook: erkenning van leer-werkbedrijven op plekken waar je maar een deel van de leerdoelen kunt halen, en het andere bijvoorbeeld via vervangend onderwijs op locatie. Zo leggen we heel veel steentjes bij elkaar om ervoor te zorgen dat we dit enorme vraagstuk kunnen tackelen. We zullen heel goed de vinger aan de pols moeten houden om de vraag te beantwoorden of het genoeg is. Ik ga dit heel zorgvuldig monitoren.

Ik zal ook, zeg ik toe, geregeld bij uw Kamer erop terugkomen over hoe het werkt. De heer Smals vroeg hoe we gaan meten of het effectief is. We kijken wat er in de stagemarkt gebeurt. Ik zeg u toe dat ik voor de begrotingsbehandeling al in de Kamer zal rapporteren over wat we zien, hoeveel plekken er via het actieplan zijn gerealiseerd, en hoe de tekorten zich ontwikkelen. We moeten met elkaar goed de vinger aan de pols houden hoe dit gaat. We hebben SBB middelen gegeven om hiermee aan de slag te gaan. Ik hoorde dat SBB een callcenter aan het inrichten is waar werkgevers stuk voor stuk worden gebeld om ze te motiveren om stage- en leer-werkbanen overeind te houden en om ze daarbij te helpen. Ik heb in mijn gesprekken met de JOB gezegd dat ik desnoods met de JOB het land inga om werkgevers te vragen de studenten te helpen met hun stage en een leer-werkbaan. We moeten hier goed onder de aandacht houden hoe belangrijk dit is. We blijven het komende jaar hierover in gesprek, schat ik zo maar in, want het is niet zomaar opgelost.

De voorzitter:

Mevrouw Van den Hul heeft een vraag, alsmede de heer Öztürk en de heer Van den Berge.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Mijn vraag ligt eigenlijk in het verlengde van een voorstel dat collega Van Meenen en ik eerder hebben gedaan over stages bij het Rijk, om de stagevergoeding voor mbo-stagiairs daar gelijk te trekken met die van studenten uit het hoger onderwijs. Allereerst hoor ik uiteraard heel graag hoe het hiermee staat bij het Rijk en in de gesprekken die de Minister met werkgevers hierover zou voeren. Maar ik ben ook heel erg benieuwd hoe het zit met stages vanuit het Rijk, in deze geheel nieuwe situatie waarin we nu zitten, waarin een boel stages niet doorgaan of anders doorgaan, zoals we hier constateerden. Heeft de Minister hier zicht op? Kan ze ons hierover informeren? Het Rijk is op zich best een grote stageaanbieder. Ik ben heel benieuwd of de Minister misschien nog kansen ziet om als rijksoverheid zelf een bijdrage te leveren voor dit groeiende, grote probleem.

Minister Van Engelshoven:

Het punt van de vergoeding hebben we geregeld; volgens mij een paar dagen nadat u het mij had gevraagd. De stagevergoeding bij het Rijk, waar wij zelf over gaan, is gelijkgetrokken. Dit is onmiddellijk gedaan. Ik hoop dat met het geven van het goede voorbeeld, velen ons zullen volgen.

Ik heb op dit moment geen overzicht hoe het staat met mbo-stages bij het Rijk, maar je zou bijna zeggen dat er bij het Rijk op dit moment eerder meer werk dan minder werk is, dus misschien kunnen wij daar nog een tandje bij zetten. Maar daar moet ik u het antwoord op schuldig blijven. Ik weet niet hoeveel stages wij hebben bij alle departementen, bij Defensie en bij alle uitvoeringsdiensten, maar het zijn er vast een hoop. Althans, dat hoop ik.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik snap dat de Minister dat overzicht niet zo uit de hoge hoed tovert. Dat was ook niet mijn inzet. Maar het is wel belangrijk dat de rijksoverheid hier ook het goede voorbeeld geeft, net als op het punt van de stagebeloning. Als wij van bedrijven een inzet vragen en zeggen «allemaal aan de bak om die stages te regelen; alles uit de kast», dan geef ik bij dezen graag de suggestie mee om met haar collega's van andere departementen, en ambtelijk op directieniveau eens te bespreken of er nog kansen zijn en of er nog laaghangend fruit is. Het is nu Alle hens zijn nu aan dek. De Minister heeft dit zelf net ook geschetst. We moeten alles op alles zetten, zodat studenten volgend schooljaar niet voor een dichte deur komen te staan, letterlijk en figuurlijk. Dit is hierbij een oproep aan de hele rijksoverheid en de Minister als verantwoordelijk bewindspersoon voor stages in het mbo: pak dit op en ga kijken wat misschien nog mogelijk is.

Minister Van Engelshoven:

Dat ga ik doen. Ik voel me daar ook zeer verantwoordelijk voor. We moeten kijken wat we hier zelf kunnen doen.

Zoals ik in antwoord op de vraag van de heer Van den Berge al zei: bij de binnenhuisstage kun je een deel bijvoorbeeld vervangen door een vervangende praktijkopdracht binnen de instelling. Daar kijken we ook naar. Als het nodig is, passen we de komende tijd het servicedocument op dit punt steeds verder aan om te kijken of wij aanpassingen moeten doen om dingen mogelijk te maken.

De voorzitter:

De heer Öztürk heeft ook een vraag.

De heer Öztürk (DENK):

Ik vind het fantastisch dat de Minister zegt dat zij met de jongeren het land ingaat om de ondernemers te enthousiasmeren. De PvdA heeft terecht ook vragen gesteld. De overheid is een grote werkgever. Wij moeten het voorbeeld geven. Maar als je 19.000 plekken tekortkomt, dan weet je dat. En dat het met enthousiasme alleen niet gaat lukken, dat weet je ook. Is de Minister bereid om vanuit het kabinet werkgevers die willens en wetens geen stageplekken geven of discrimineren, geen subsidie te geven, en de coronamaatregelen terug te trekken, waarbij we toch een aantal werkgevers met gemeenschapsgeld overeind hebben gehouden? Aan de ene kant moet je enthousiasmeren. Maar aan de andere kant moet je laten zien: als je niet meedoet en toch gebruik wilt maken van de gemeenschapsgelden, dan kan dat niet. Die twee boodschappen tegelijk. Is dat niet de oplossing?

Minister Van Engelshoven:

Ik hoop dat de heer Öztürk goed heeft geluisterd, want wij doen echt meer dan alleen enthousiasmeren in het land. We hebben ook een flinke pot geld neergezet om leer-werkbanen overeind te houden. De subsidie krijg je alleen als je daadwerkelijk een leer-werkbaan levert.

Over stagediscriminatie kom ik dadelijk te spreken.

Ik kom op de afspraak die we hebben gemaakt rondom de NOW en het in dienst houden van mensen. Een leer-werkbaan is gewoon een arbeidscontract. Als jij van de NOW gebruikmaakt, heb je je uiteraard ook voor de contracten bij leer-werkbanen aan de regels te houden.

De voorzitter:

Een korte vervolgvraag van de heer Öztürk.

De heer Öztürk (DENK):

Het gaat mij om nieuwe gevallen. De regels van de NOW kent iedereen. Het gaat erom dat een werkgever die zegt «ik wil geen Marokkanen, ik wil geen Surinamers, ik wil geen Turken», toch gebruikmaakt van de NOW, van andere subsidiemogelijkheden en van gemeenschapsgeld. Laten we ondernemers die misbruik maken van onze gemeenschapsgelden en toch discrimineren, met naming-and-shaming laten zien dat dat niet kan in dit land. Daar roep ik het kabinet toe op. Dat u een pot geld hebt en met een busje het land in wilt gaan, vind ik prima. Dat is goed. Maar aan de andere kant gebeurt er te weinig. Zolang we dit niet doen, gaan we het doel niet halen. Dat is mijn punt.

Minister Van Engelshoven:

Volgens mij ben ik daar helder in geweest. Wie gebruikmaakt van de NOW moet zich in dat kader aan de regels houden. Ik kom dadelijk nog op discriminatie. Dat is waar een deel van dit debat over gaat. Was het maar zo makkelijk om aan te tonen dat het gebeurt, en om te zeggen: we leggen een sanctie op en daarmee is het probleem opgelost. Was het maar zo eenvoudig.

De voorzitter:

De heer Van den Berge heeft ook nog een vraag.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Vooropgesteld: ik waardeer de inzet van de Minister, SBB, mbo-instellingen en veel werkgevers zeer. Ik denk dat de metaalsector inderdaad een mooi voorbeeld is. Ik hoop dat veel sectoren dat zullen volgen. Ik had nog een specifieke vraag over de publieke sector. Ik ga de Minister nu niet om een concreet bedrag vragen, maar wel of ze in gesprek zou willen gaan met haar collega-bewindslieden om te kijken wat we kunnen doen om ook in de publieke sector voldoende stageplekken te blijven creëren. Ik denk dan aan de zorg, maar bijvoorbeeld ook aan de politie en breed de publieke sector. In het verlengde van wat collega Van den Hul vroeg over de rol van de overheid zelf: kunnen we kijken of we bijvoorbeeld via aanbestedingsregels van de overheid voor publieke aanbestedingen iets kunnen doen om meer stageplekken voor praktisch opgeleiden te creëren?

Minister Van Engelshoven:

Ja, die oproep voor de publieke sector zie ik ook. Overigens is er de afgelopen tijd in de zorg, waar ook tekorten zijn, heel hard gewerkt. Daar heb ik heel veel stagiairs uit het hbo en het mbo ongelofelijk hard zien werken; soms zelfs zo hard dat de leercomponent van de stage af en toe wat ondergesneeuwd raakte. Ik heb ongelofelijk veel respect voor de stagiairs die dat gedaan hebben.

U heeft helemaal gelijk. De publieke sector heeft natuurlijk een verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat die het goede voorbeeld geeft en dat daar stages blijven, zeker ook in de crisis. De politie heeft niet te maken met omzetverlies. In het onderwijs hebben we nog steeds heel veel mensen nodig. In de zorg blijven die mensen ook nodig. De problemen ontstaan vooral daar waar mensen ook economisch te lijden hebben onder de crisis. Voor die delen van de publieke sector die u noemt, is dat nou juist niet het geval. Daar is er eigenlijk ook geen argument om iets minder aan de stages te doen. Misschien moet er juist een schepje bovenop. Ik zal dat daar graag onder de aandacht brengen. Ik vind het met u heel belangrijk dat dat gebeurt.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Heel kort, want ook dit waardeer ik. Ik denk wel dat er in de publieke sector problemen zijn. Het klopt dat er geen omzetverliezen zijn, maar mensen moeten de benen onder hun billen vandaan rennen. Ik zal het parlementair zeggen. Daardoor hebben ze onvoldoende tijd voor stagebegeleiding. Ik zie daar dus wel degelijk knelpunten en hoor die ook. Ik hoop dus dat in de volgende rapportage kan worden meegenomen of daar genoeg middelen zijn om dat vorm te kunnen geven. Er is een stagefonds voor zorg en welzijn. Is dat voldoende nu, door deze crisis? Dat soort vragen heb ik. Ik verwacht de antwoorden niet vandaag, maar ik hoop wel dat dit wordt meegenomen.

Minister Van Engelshoven:

Ik gaf al aan dat ik voor de begroting graag even helder en wat gedetailleerder inzicht wil geven in waar we nu staan en in welke sectoren we nu echt een dalende of stijgende lijn zien. SBB houdt dat goed bij. We kunnen dan ook met elkaar kijken of misschien nog meer precisiewerk nodig is. Dat zeg ik u graag toe.

Voorzitter. Nu we het toch hebben over leer-werkbanen: mevrouw Van den Hul had nog een vraag over de erkenning van het inclusieve leer-werkbedrijf. Dat stond ook in de brief over studenten met een beperking. Ik vind dat een heel sympathiek idee. Ik wil graag met SBB in gesprek over de vraag of het mogelijk is om leer-werkbedrijven een erkenning te geven als zij voor mensen met een beperking zeer toegankelijk zijn, zodat ze een inclusief leer-werkbedrijf zijn. Daar zitten vast nog een hele hoop haken en ogen aan, zoals zo vaak bij dit soort gedachten. Maar ik vind dit wel heel goed, omdat het studenten met een beperking guidance geeft over bedrijven waar zij goed terecht kunnen. Ik pak dit dus op. Toen ik het las, dacht ik: dat is een goede suggestie. Soms denk je bij dit soort suggesties: goh, waarom hebben we dat nog niet? Hier gaan we mee aan de slag.

Ik kom dan bij mevrouw Kuik wat betreft de stagetekorten en haar motie over kansrijke opleidingen. Ik snap haar teleurstelling wel een beetje. Er is eigenlijk ook wel reden om daar zeker nu nog eens goed naar te kijken. Op dat vlak hebben we allerlei actieplannen. Als we nu zien hoe de arbeidsmarkt zich ontwikkelt, is er een verantwoordelijkheid om met studenten op een goede manier het gesprek aan te gaan. Waarom ben je aan je studie begonnen? Hoe ziet de arbeidsmarkt er voor de toekomst uit? Zie je ook dat voor jou misschien ook andere routes heel kansrijk zijn om wel goed op de arbeidsmarkt terecht te komen? Je zult maar tweedejaars zijn en iets in de evenementensector doen. Dan is je beroepsperspectief er de afgelopen maanden echt anders uit komen te zien. Misschien ga je dan bij jezelf te rade of je de vaardigheden en de talenten die je hebt beter anders kunt inzetten. Het zou heel goed zijn als ook instellingen dat gesprek aangaan. Daar gaan we verder mee aan de slag. Ik kom in het najaar bij u terug over hoe we dat nou vormgeven.

De heer Van den Berge had een vraag over de stages en stagebegeleiding vanuit de school. Dat punt komt volgens mij ook in de JOB-monitor terug. In de JOB-monitor zie je dat studenten eigenlijk heel tevreden zijn over de stagebegeleiding bij het bedrijf, maar dat er nog ruimte voor verbetering is als het gaat om de stagebegeleiding vanuit de instelling. Ik heb daar ook met studenten over gesproken.

De heer Van den Berge vroeg naar een benchmark voor het aantal stagebegeleidingsuren. Ik waag te betwijfelen of kwantiteit altijd een goede indicator is voor de beste kwaliteit. Ik heb hier ook met studenten over gesproken. Ik zou hier graag met onderwijsinstellingen, de MBO Raad en studenten nog eens over willen doorpraten. Kunnen we een soort richtlijn met elkaar ontwikkelen over de kwaliteit waaraan de stagebegeleiding vanuit de onderwijsinstellingen minimaal moet voldoen, zodat studenten en docenten wat houvast hebben over hoe je dat met elkaar doet? Ik vond dat dus een heel helder inzicht uit de JOB-monitor en ook iets waarover ik echt een goed gesprek met studenten heb gehad. Ik pak het op en kom daar in het najaar bij u op terug.

Dan de vraag van mevrouw Kuik over de lob. Ook daar is de vraag of we in de lob meer moeten kijken naar de kansberoepen. Op haar suggesties voor verbetering komen we in het najaar terug, bij de evaluatie.

Voorzitter. Ik kom dan op het punt van stagediscriminatie.

De voorzitter:

Excuses dat ik u onderbreek. Voor mijn beeld: is dat het laatste blok van uw beantwoording?

Minister Van Engelshoven:

Ik heb nog stagebegeleiding en dan nog een aantal losse onderwerpen.

De voorzitter:

Oké. Ik kijk ook even een beetje naar de klok.

Minister Van Engelshoven:

Ik zal proberen tempo te maken.

De voorzitter:

Dank u wel.

Minister Van Engelshoven:

Ik kom dan op het punt van stagediscriminatie. Daar praten we nu al heel veel jaren over. Ik moet zeggen dat ik iedere keer weer buikpijn krijg als een student mij vertelt dat hij dit ervaren heeft. Het is echt afschuwelijk om te horen. Laatst vertelde een studente mij ook weer dat zij vanwege haar achtergrond geweigerd was als stagiaire op een school. Ik denk dan: in het onderwijs? Met de tekorten? Dat kan toch niet waar zijn? Je krijgt echt buikpijn van die verhalen van jonge mensen. In de jaren dat ik nu op deze positie zit, zie ik het ook niet beter worden. Erkennen dat dit in onze samenleving gebeurt, levert je een gevoel van plaatsvervangende schaamte op. Het kan niet waar zijn dat dit in onze samenleving gebeurt, en toch zien we het gebeuren.

Ik heb ook gezien dat ik bij werkgevers heb moeten knokken om de erkenning te krijgen dat dit gebeurt in hun bedrijven. Het begint bij de erkenning, maar daarmee zijn we er nog niet. Ik ben het zeer eens met al diegenen hier die zeggen dat concrete acties nodig zijn. Misschien zijn dat ook acties, zeg ik erbij, die we in andere omstandigheden niet fraai zouden vinden; acties die je eigenlijk met elkaar niet moet willen, maar ze moeten maar. Ik hoop ook, zeg ik tegen u allen, dat we in het politieke debat dat we hierover hebben de bereidheid hebben om welwillend naar elkaar te luisteren en te kijken. Geen van ons allen heeft de ideale oplossing. Dit lossen we niet zomaar op. Misschien zijn we ook op het punt dat we zeggen: laten we goede suggesties gewoon maar eens proberen. We lopen hier nu al zo lang tegen aan, dat die ene oplossing die het probleem in één klap van tafel haalt er niet is. Misschien zijn het ook de vele kleine beetjes die helpen.

Ik heb voor mijzelf besloten dat ik welwillend ga luisteren naar elke suggestie waarvan we het idee hebben dat die wellicht kan helpen. Ik vind echt dat we dat aan heel veel jonge mensen in onze samenleving verplicht zijn. In een land als Nederland kan het niet zo zijn dat je als jongere je stinkende best doet op school maar er vanwege je achtergrond niet tussenkomt. Dat mogen we met elkaar niet laten gebeuren. Ik vind dat we met elkaar de verantwoordelijkheid moeten nemen om hier stappen in te zetten. Dat is ook de manier waarop ik naar al uw suggesties wil kijken.

Hierover denkend in de afgelopen weken, dacht ik: we kunnen elke suggestie fijn slijpen, ons afvragen of die nou ideaal of heel fraai is, en of we daar nou net een beetje anders over denken. Maar als we het niet proberen, komen we nergens.

De voorzitter:

Mevrouw Kuik heeft een vraag.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank. Ik weet niet of de Minister nog op de motie over de app komt. Kan de Minister aangeven of daar urgentie achter zit? Is daar al wat beweging in gekomen? Kunt u al iets vertellen over de stand van zaken?

Minister Van Engelshoven:

Ja, dat kan ik. We hebben in het kader van het actiepunt SBB gevraagd om daarmee aan de slag te gaan. Ik moet u eerlijk zeggen dat de eerste reacties die wij daarop kregen van studenten die uiteindelijk die app zullen moeten gebruiken, niet heel positief waren. Zij zeiden: een app heb je op je telefoon staan als je die regelmatig gebruikt; op het moment dat ik stagediscriminatie ervaar en ik eerst nog een app moet gaan downloaden, weet ik niet of dat werkt. We hebben gezegd dat we toch gaan kijken of er een vorm te ontwikkelen is waarin het wel kan. Dit is waar we allemaal tegen aanlopen: het aantal meldingen is veel te laag. We zijn er tot nu toe gewoon niet in geslaagd om een systeem op te tuigen waarmee studenten het gevoel hebben dat melden laagdrempelig kan.

Over de diversiteitscoach waarover de heer Van den Berge begon, heb ik ook met de instellingen gesproken. Zij zeggen dat het niet zo moet zijn dat één iemand in de instelling zich hiervoor verantwoordelijk voelt. Dan gaat de rest misschien achteroverleunen. Dat is niet hoe u het bedoeld heeft. Hoe pak je het zo aan dat er iemand is bij wie men terechtkan en die anderen kan helpen? Of dat bij elke instelling een coach gaat heten, weet ik niet. We zijn hier wel met de instellingen over in gesprek: zorg nou dat er iemand is die zich in ieder geval verantwoordelijk voelt, bij wie mensen terechtkunnen en die anderen gaat helpen.

De voorzitter:

Ik geef nog even mevrouw Kuik het woord voor een tweede vraag.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik denk dat het goed is om dit toch nog even te verduidelijken. De heer Van den Berge en ik hebben een voorstel ingediend. Dat ging niet alleen over een app met een rode kop die je indrukt. Het zou inderdaad maf zijn als je die eerst nog moet downloaden. Nee, het zou gaan om een bredere app, met ook tips over hoe je solliciteert en ook positieve dingen. Dus niet alleen een negatieve app waar je de melding in zet. Het zou een bredere app moeten zijn waar ook dit stukje in zit om de drempel te verlagen. Ik denk dat die aanvulling wel goed is. Je moet studenten ook meenemen in hoe je die app werkbaar maakt.

Minister Van Engelshoven:

Om die reden heb ik SBB gevraagd. We doen online heel veel om bijvoorbeeld stages te ontsluiten. Je kunt meenemen dat je in dat overzicht ook een makkelijke route ontdekt waardoor een student op het moment dat het gebeurt meteen kan reageren. Want dat is uw bedoeling. Als je eerst nog moet gaan bedenken waar het loket is en dan nog twintig formulieren moet invullen, gaat het ’m niet worden. We moeten dat echt met elkaar doen. Op die manier steun ik ook JOB in het ontwikkelen van een meldpunt dat bemenst wordt door studenten.

We zijn ook met de MBO Raad, de JOB, VNO-NCW en het mkb een campagne aan het opzetten die in het najaar van start gaat en die echt iedereen oproept om hieraan mee te werken.

We hadden natuurlijk al eerder de oriënterende bedrijfsbezoeken die we in het kader van het actieplan organiseren. Die zorgen ervoor dat studenten zich gaan oriënteren bij bedrijven alvorens ze moeten gaan solliciteren voor een stage. Ze zorgen er ook voor dat docenten, studenten en werkgevers cursussen en workshops volgen om die negatieve beeldvorming te overwinnen. Ze zorgen er ook voor dat werkgevers die in leer-werkbedrijven werken en die vorm moeten geven aan stages zich door trainingen bewust worden van hun vooroordelen. We moeten ons realiseren dat er af en toe heel bewuste discriminatie is, maar dat die vaak ook heel onbewust is. Als wij allemaal eens goed reflecteren op ons eigen gedrag, zullen we allemaal momenten vinden waarvan we denken: nou, als ik daar eens goed over nadenk ... De heer Scherder heeft mij eens uitgelegd waar dat in de hersenen zit. Dat dragen we allemaal met ons mee. Daar moeten we ons van bewust zijn.

Het werd door de heer Smals al gezegd: natuurlijk werken we als kabinet ook aan een wetsvoorstel waarin de bevoegdheden van de inspectie op dit punt worden aangescherpt.

Over de diversiteitscoach heb ik het al gehad.

Dan het voorstel van de heer Van Meenen. Ik heb eerder misschien wat afwijzend op dit soort voorstellen gereageerd, omdat ik vind dat onderdeel van het leerproces van een student is dat hij de arbeidsmarkt opgaat en dat ervaart. Maar ik ben inmiddels zover dat ik wel met de heer Van Meenen meevoel. Als je nou 17 bent, of 16, en je moet voor het eerst de arbeidsmarkt op om te solliciteren voor een stage, en je komt dit tegen, en dan niet één keer maar misschien wel twintig keer – want dat gebeurt bij mensen – dan moeten we mensen daar misschien een beetje tegen in bescherming nemen. In een latere fase van de studie ben je weerbaarder, sta je sterker in je schoenen en heb je meer ervaring op de arbeidsmarkt. Dan kunnen we dat op een andere manier doen.

Dit is een beetje zoals bij het quotum. Daarbij dacht ik: ik vind dit geen fraaie maatregel, maar het moet nou eenmaal omdat het niet opschiet. Hierbij denk ik: we zouden met elkaar niet moeten willen dat we studenten op deze manier moeten beschermen tegen die ervaring, maar misschien is het wel even nodig om iets te doorbreken. Daarom wil ik aan de heer Van Meenen toezeggen dat ik met het mbo in gesprek ga over een pilot hiermee. Mbo's moeten deze vrijwillig kunnen doen. Ik kan me goed voorstellen dat we juist eens kijken bij opleidingen waar het heel kwetsbaar is. Ik wil hier echt mee aan de slag, gewoon om te kijken of we iets kunnen doorbreken. Ik ben echt een bepaald moment voorbij en wil elke strohalm aangrijpen om dit maatschappelijke probleem te tackelen.

De heer Öztürk (DENK):

Ik zie een Minister die enorm veel inzet en intentie heeft om discriminatie bij stages in de sector en ook bij de overheid aan te pakken. Dat siert haar en dat is goed. Zij is ook bereid om daar waar nodig onorthodoxe maatregelen te nemen. Ze zei: ik heb buikpijn. Als je buikpijn hebt omdat je een naar verhaal hebt gehoord, kun je twee dingen doen. Je kunt de persoon dan een beetje sterker maken en een beetje ondersteunen, maar je kunt ook zeggen: wie heeft die buikpijn bij jou veroorzaakt? Wie heeft dat gedaan? Hoe ga ik die persoon aanpakken? We hebben diversiteitscoaches, maar waarom denkt u niet aan discriminatierechercheurs? Gij zoekt en zult vinden. Op het moment dat er ergens onrecht is en gij zoekt, dan zult ge diegene vinden. Minister, ik denk dat we in Nederland in een cruciale fase zitten waarin u dit soort maatregelen kunt inzetten. Een paar jaar geleden was daar geen draagvlak voor. Dat snap ik. Maar nu is dat draagvlak er wel. Discriminatierechercheurs om die buikpijn ook eens een keer te verminderen.

Minister Van Engelshoven:

Zoals ik net al zei, is een van de ingewikkeldste problemen waartegen we aanlopen dat er heel weinig gemeld wordt. Daarom zei ik ook dat we voor een makkelijke manier van melden door studenten naar verschillende vormen moeten willen kijken. Als er wel wordt gemeld, zien we dat het heel moeilijk bewijsbaar is. Daar lopen we ook tegen aan. Waar ik nu voor sta, is het vergroten van het aantal meldingen, en het ervoor zorgen dat daar opvolging aan wordt gegeven en dat daar iets mee gedaan wordt. Je zit hier ook altijd met een ingewikkelde bewijslast. We moeten hier stap voor stap naar toewerken.

De heer Öztürk (DENK):

Juist voor de bewijslast heb je discriminatierechercheurs nodig. Stel je bent 16, 17 of 18 jaar en je moet bewijsmateriaal leveren. Hoe sterk ben je dan? Hoe goed ben je dan? Heb je daar ervaring mee? Wie coacht jou dan en wie steunt jou dan? Juist op dat moment heb je mensen nodig die deskundig zijn en die bewijsmateriaal kunnen vinden. Laten we gewoon experimenteren met twee discriminatierechercheurs in het land. Je zult zien dat ze binnen weken of maanden zoveel kunnen bewijzen dat alle anderen niet meer durven te discrimineren. Stuur een paar personeelsmanagers naar huis en dan heb je geen miljoenen meer nodig om allerlei coaches en maatregelen te treffen. Een paar ondernemers die willens en wetens discrimineren geen subsidie geven, naming-and-shaming, en geloof me: het probleem is tien keer beter opgelost.

Minister Van Engelshoven:

Hier hebben we ook de antidiscriminatievoorzieningen voor. Als er een melding is, en als die melding ernstig is, moet je ervoor zorgen dat er in die kwestie aangifte wordt gedaan. Dan moet degene die daar last van heeft daar door de antidiscriminatievoorzieningen mee verder worden geholpen. Dat is de route die we op dit moment hebben. Ik heb op dit moment eerst en vooral zorg dat we meer meldingen krijgen. Bij een serieuze melding kunnen we ook de erkenning van een leer-werkbedrijf intrekken. Daar hebben we een sanctie voor. Ik geloof dat de heer Van den Berge al zei dat dat maar één keer gebeurd is. Dat is precies omdat we zo weinig meldingen hebben.

Volgens mij moeten we de volgende stappen zetten. Aan de ene kant moeten we ervoor zorgen dat meer jongeren positieve ervaringen hebben. Aan de andere kant moeten werkgevers tot het inzicht komen dat het gewoon werkt om naar kwaliteiten van jongeren te kijken en niet naar hun afkomst. Ook moeten we ervoor zorgen dat, waar het gebeurt, het aantal meldingen substantieel omhooggaat.

De voorzitter:

Er zijn nog meer vragen. De heer Smals, de heer Van Meenen en dan mevrouw Van den Hul.

De heer Smals (VVD):

Ik begrijp dat de Minister de vraag van de heer Van Meenen wil oplossen door met een pilot te beginnen. Begrijp ik dat goed? Dat is mijn eerste vraag. Mijn tweede vraag: als dat zo is, kan ze dan ook heel expliciet het effect daarvan op de stage-leerbedrijven meenemen, en de bereidheid van stage-leerbedrijven om die stage te verlenen? Dat is namelijk mijn grote zorg.

Minister Van Engelshoven:

Er waren daarstraks in het debat een hele hoop vragen over het voorstel van de heer Van Meenen. Volgens mij kunnen we die geen van alle beantwoorden en is het op dit moment ook niet zo heel zinvol om dat te doen. Volgens mij moeten we gewoon eens gaan kijken hoe we dat kunnen uitwerken tot een zinvolle pilot. Daar ga ik mee aan de slag. Natuurlijk zullen we ook kijken of die effect heeft op de bereidheid van bedrijven om stages te leveren. Natuurlijk zullen we dat ook meenemen. Ik ga vooral met een positieve insteek aan de slag met de vraag hoe we dit mogelijk kunnen maken. Eerlijk gezegd ben ik niet zo bang voor het effect dat u noemt. Voor een bedrijf is het ook wel gewoon makkelijk als een onderwijsinstelling de matching op zich neemt. Laten we daar nou vooral niet te bang voor zijn, maar hier gewoon eens mee aan de slag gaan.

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb niet zozeer een vraag, maar ik ben blij met de reactie van de Minister. Ik kan me vinden in haar voorstel. Ook ik weet niet precies hoe dit gaat uitpakken. Ik weet wel dat we in ieder geval één ding wegnemen. Voor juist die jonge, kwetsbare mbo-studenten nemen we een horde weg en zorgen we ervoor dat hun eerste confrontatie met de arbeidsmarkt er niet een is van discriminatie. Dat kan allerlei gevolgen hebben, tot en met een afkeer van de samenleving als geheel. Ik ben dus heel benieuwd. Ik zou de Minister willen vragen om ons na het reces te berichten over de opzet en over de ervaringen uit de gesprekken die ze met de sector en de studenten heeft gehad.

Minister Van Engelshoven:

Dat zeg ik graag toe. Ik ben het met u eens dat ons doel hier moet zijn om ervoor te zorgen dat de eerste ervaring van jongeren op de arbeidsmarkt een positieve ervaring is. Zij moeten voelen dat zij als talentvolle jongeren welkom zijn in deze samenleving. Dat doet heel veel met jongeren. Ik krijg er buikpijn van als die ervaring een negatieve is.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Helaas is dat dus een hardnekkig probleem, constateren we hier met elkaar. Het is goed dat er nu een pilot komt, maar eigenlijk moeten natuurlijk alle scholen met dit onderwerp aan de bak. Ik geloof best in de goede intenties, maar in de praktijk komen die gewoon niet goed genoeg uit de verf. Ik deed daarom eerder, om precies te zijn vorig jaar, het voorstel om de huidige garantieplicht van scholen voor het leveren van een stage om te zetten in een leveringsplicht. Dat is een andere aanvliegroute: van garantie naar leveringsplicht. Met de kennis van nu en ook met het toch iets aangescherpte standpunt dat ik bij de Minister bespeur, ben ik heel benieuwd of zij verwacht dat dit een mogelijkheid zou kunnen bieden om alle scholen proactiever te krijgen; ook de scholen die in eerste instantie niet meedoen aan de pilot.

Minister Van Engelshoven:

Ik heb af en toe het gevoel dat we een beetje langs elkaar heen praten. Een onderwijsinstelling is ervoor verantwoordelijk dat een jongere zijn diploma kan halen. Samen met SBB zijn de onderwijsinstellingen ervoor verantwoordelijk dat iedere jongere stage kan lopen. Die plicht om ervoor te zorgen dat dit kan, bestaat al. Dat voorkomt alleen nog niet dat de individuele jongere in een individueel bedrijf tegen discriminatie kan aanlopen.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Precies daarom hebben wij vorig jaar het voorstel gedaan, en de Minister bij motie verzocht, om te onderzoeken wat nodig is om de garantieverplichting voor onderwijsinstellingen om te zetten in een leveringsplicht. Het uitgangspunt daarbij was juist dat studenten niet alleen een stageplaats wordt aangeboden maar dat zij ook, waar nodig, actief worden begeleid bij de uiteindelijke plaatsing als dat niet blijkt te lukken. Daarmee plaats je de verantwoordelijkheid bij scholen en niet, zoals nu het geval is, bij de student. Dat voorstel hebben we gedaan en dat werd toen ontraden. Ik hoor nu toch een ander geluid van de Minister. Daarom wil ik toch nog een keer een appreciatie. Hoe denkt de Minister nu over ons voorstel om de garantieverplichting die er is, om te zetten in een leveringsplicht waarbij je precies dat doet: de scholen aansporen om all the way te gaan, om het zo maar te noemen?

Minister Van Engelshoven:

Die discussie hebben we vorig jaar ook gevoerd. De school is altijd eindverantwoordelijk om ervoor te zorgen dat de student stage kan lopen. We hebben het nu zo ingevuld dat de student en de werkgever daarin een verantwoordelijkheid hebben. Het is dus nooit de verantwoordelijkheid van één iemand alleen. Uiteindelijk is de school ook in de huidige systematiek eindverantwoordelijk voor het feit dat de jongere stage kan lopen. Ik weet dus eigenlijk niet precies wat uw voorstel daaraan toevoegt.

De voorzitter:

Heel kort, want we hebben nog een halfuur.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Precies dat het niet ophoudt bij de garantie voor de leerling, maar dat er een leveringsplicht is. Daardoor moet je als school dus ook dat laatste stapje zetten, waardoor je situaties moet gaan aanpakken waarbij een stagebedrijf zegt: je bent hier niet welkom. Er is nu een garantie op een stage, maar we zien in de praktijk dat dat niet werkt. Er zit namelijk nog steeds licht tussen de garantie en de realiteit. Daarom wat ons betreft dit voorstel om een stapje verder te gaan en de student actief en proactief te begeleiden bij de uiteindelijke plaatsing.

Minister Van Engelshoven:

Volgens mij ga ik hier met mevrouw Van den Hul nu niet uitkomen. We begrijpen elkaar goed. Volgens mij moeten we daar nog eens goed naar kijken. Ik zal ook nog eens goed naar de motie kijken, hoor. Laat ik u toezeggen dat ik hier nog eens op terugkom als ik uw Kamer nader informeer over het voorstel van de heer Van Meenen. Ik heb het gevoel dat wij langs elkaar heen praten. Hier moeten we het buiten deze vergadering misschien nog eens goed over hebben. Ik heb het gevoel dat, at the end of the day, de school er altijd voor moet zorgen dat de student stage kan lopen.

Voorzitter. Omwille van de tijd zal ik nog een aantal onderwerpen langslopen. De heer Van Meenen en ook mevrouw Van den Hul vroegen hoe het nu staat met de achterstandenregeling. Op dit moment weten wij dat elf roc's subsidie hebben aangevraagd in het kader van die regeling. Daar zouden 7.300 studenten mee worden bereikt. Er kunnen nog meer aanvragen bij komen. De eerste ronde loopt nog tot en met 21 juni en op 18 augustus begint de tweede ronde.

Op de vraag van mevrouw Kuik was ik al ingegaan. Die ging over jongeren die uit beeld raken. Ik zeg ook tegen de heer Smals dat na de zomer overal de nieuwe vsv-plannen beginnen te lopen. Daarin hebben we in alle regio's nieuwe afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat we de doelgroep van jongeren die uit beeld kunnen raken nog intensiever in de kraag kunnen vatten, zou ik bijna willen zeggen. We hebben daar met RMC-regio's nu goede afspraken over gemaakt. In de afgelopen periode zijn heel goede ervaringen opgedaan, vind ik. Dat geldt ook voor het nog krachtiger schakelen tussen scholen en roc's in hoe je er nou voor zorgt dat jongeren niet uit beeld verdwijnen.

De heer Van Meenen had nog een vraag over de stand van zaken met betrekking tot de keuzedelen. Ik heb u eind vorig jaar een veranderaanpak keuzedelen toegestuurd. Er komt meer ruimte voor scholen om ook regiospecifieke keuzedelen te ontwikkelen. We hebben natuurlijk de koppeling losgelaten tussen keuzedelen en kwalificaties. Die ontwikkeling staat niet stil. We hebben het nu even stopgezet vanwege de coronacrisis, maar in de toekomst gaan we die keuzedelen natuurlijk ook laten meewegen in de slaag-zakregeling. In de richting van mevrouw Kuik zeg ik dat die keuzedelen een heel interessante rol kunnen vervullen om jongeren eens over de schutting te laten kijken. Zij kunnen zich dan afvragen of er misschien andere richtingen zijn die hen ook trekken. Daarom vind ik het zo krachtig dat we de koppeling met de kwalificatiestructuur hebben losgelaten.

De ongebruikte schoolboeken waren een terecht punt van de heer Smals. Bij de presentatie van de JOB-monitor ontspon zich daarover een goed gesprek. Twee dingen. Als ik nu naar de situatie kijk en naar de melding van jongeren, ben ik op het eerste gezicht teleurgesteld over het feit dat dit nog steeds in zo veel gevallen aan de hand is. De JOB-monitor kijkt terug. We hebben met de instellingen afgesproken dat we een jaar de tijd nemen voor het servicedocument over de schoolkosten. Ik voel aan mijn water dat die AMvB er gaat komen, tenzij er opeens een enorme inhaalslag wordt gemaakt.

Aan de andere kant vond ik de suggestie die studenten deden heel goed. Zij zeiden: waarom krijgen wij nou een lijst met alles in één keer? Kan dat niet gewoon per vak? Dat zijn van die suggesties waarvan je denkt: waarom heeft daar nou niemand eerder aan gedacht? Ik vond dat een goede suggestie. Dat geldt ook voor het feit dat studenten zeiden dat ze heel vaak de laatste druk van een boek voorgeschreven krijgen, terwijl het verschil met de vorige druk helemaal niet zo duidelijk is. Daardoor is er ook een slechte tweedehandsmarkt. Dat soort suggesties vind ik allemaal heel praktisch. Daar moeten we gewoon naar gaan kijken.

Voorzitter. Tot slot de vraag van de heer Kwint over de functiemix en de salarismix. De evaluatie die ik u na de zomer ga toesturen, gaat over de versterking van de salarismix voor leraren in de Randstadregio's. Dat is namelijk de toezegging die we hebben gedaan. De evaluatie komt na de zomer. Ik kan me voorstellen dat we dan een breder debat zullen voeren over de salarismix.

Voorzitter. Volgens mij heb ik daarmee alle vragen beantwoord.

De voorzitter:

Ik kijk ook even naar de leden of dat het geval is. Dan gaan wij door met de tweede termijn. De heer Smals nog?

De heer Smals (VVD):

Over de vsv-cijfers zei de Minister net dat die vooral over de nieuwe gevallen gingen. Mijn vraag was eigenlijk of er actie wordt ondernomen op de oude vsv'ers en of daar stage-leerbedrijven bij worden betrokken.

Minister Van Engelshoven:

Ja. Ik heb uw Kamer dat eerder gemeld. Het lijkt heel gek, maar nog niet zo heel lang geleden hadden we het in deze Kamer over groenpluk. Daar zouden we bijna weer naar terugverlangen. We hebben in dat kader een intentieverklaring met werkgevers, SBB en Ingrado afgesproken. Daarin heeft iedereen zich eraan gecommitteerd om jongeren die zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt verschijnen zoveel mogelijk via een leer-werktraject naar een diploma te begeleiden. Die stap is dus gezet. Dat ging over de bestaande gevallen. Laten we hopen dat ook jongeren die misschien niet vanwege groenpluk maar om andere redenen ongekwalificeerd bij een bedrijf aan de slag gaan de kans krijgen om via een leer-werktraject alsnog die startkwalificatie te halen. Daarover heb ik in ieder geval een heel heldere afspraak met alle betrokken partijen gemaakt.

Voorzitter. Toch nog één vraag. Ik had nog een klein verzoek aan de Kamer. Vandaag ontvangt u van mij de spoedwet in het kader van corona en onderwijs, waarmee we bijvoorbeeld mogelijk maken dat mbo'ers die nog niet hun hele diploma hebben gehaald alvast kunnen beginnen in het hbo. Het zou heel fijn zijn als we dat wetsvoorstel nog voor de zomer met elkaar kunnen afronden, zodat de jongeren zich ook daadwerkelijk in het hoger onderwijs kunnen inschrijven als zij willen doorleren, wat in deze tijd misschien wat meer aan de hand is. Dus ook nog een kleine vraag van mij aan u.

De voorzitter:

Die wet zien wij tegemoet. De tweede termijn. Mevrouw Van den Hul. Heel kort trouwens, want we hebben nog twintig minuten. Deze zaal is daarna geloof ik ook weer geboekt. Twintig minuutjes dus.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik hou het heel kort, voorzitter. Dat laatste pleidooi laat ik graag eventjes aan de procedurevergadering. Daar behandelen wij natuurlijk onze agenda.

Dank aan de Minister voor wat ik toch maar als een toezegging heb gehoord, namelijk dat zij in gesprek gaat over de erkenning voor de inclusieve leer-werkplek. Ik hoop dat de Minister daarover dit najaar kan rapporteren. Dan weten wij wat we daarin kunnen verwachten, en of er nog andere dingen ingezet moeten worden. Dank dus voor die toezegging. Ik laat het hier nu bij, naast de aankondiging dat ik graag een VAO wil plannen, voor het zomerreces. Ik geloof dat ik dat deze dagen erbij moet zeggen.

De voorzitter:

Zeker. Dank. De heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Ik dank de Minister voor haar beantwoording en ook voor de passie waarmee zij voor deze groep studenten staat. Dat is eens te meer gebleken uit haar reactie op mijn voorstel in het kader van stagediscriminatie. Daarvoor dank ik haar dus ook. Ik zie het voorstel dat zij na de zomer gaat doen met grote belangstelling tegemoet.

Dank u.

De voorzitter:

Dank. De heer Van den Berge.

De heer Van den Berge (GroenLinks):

Ook ik dank graag de Minister voor het debat en de vele toezeggingen. Ik ga ze niet allemaal herhalen. Dat zal de griffier straks vast doen. Het laat inderdaad de strijdlust zien en ook dat de Minister hart heeft voor deze studenten.

Nog één laatste vraag van mijn kant. Wat ik van studentenorganisaties veel terug hoor – van de JOB, maar ook van de LSVb – is dat zij inderdaad heel goed zijn aangehaakt bij overleg, maar dat ze soms nog weleens iets eerder aan tafel willen zitten. Dat geldt bijvoorbeeld voor zo'n overleg met de vervoersbedrijven. Dat is nog een verzoek aan de Minister. Ik weet niet of dat kan. Ik snap dat het nu allemaal chaotisch is, maar het zou mooi zijn als dat nog net iets vroeger kan.

Verder kijk ik terug op een goed debat met veel toezeggingen.

De voorzitter:

Dank. De heer Smals.

De heer Smals (VVD):

Voorzitter. Ook ik dank de Minister voor de antwoorden. Ik eindigde mijn eerste termijn met een oproep om zo veel als mogelijk binnen de coronaregels les te geven, om allerlei redenen. Ik ga dat niet herhalen. Ik zou de Minister willen vragen om te herhalen dat de coronaregels als uitgangspunt worden genomen, en dat men daarbij zo dicht als mogelijk bij die regels komt. Ik denk dat het goed is als zij dat zou willen herhalen.

De voorzitter:

Dank. Wat bent u ontzettend voortvarend vandaag. Mevrouw Kuik.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ook van mijn kant dank voor de beantwoording. Goed dat de Minister nog even die intentieverklaring noemde. Complimenten daarvoor. Ook mooi dat de Minister daarbij noemt dat het mooi zou zijn als niet alleen de jongeren die van school worden geplukt, maar ook de jongeren die om een andere reden geen diploma hebben, toch een kans krijgen om dat diploma te halen.

Wij wachten de afspraken over het ov-slot af, maar horen wel dat de Minister hier pragmatisch mee wil omgaan.

Ik heb een vraag over het voorbeeld van Friese Poort en de decaan die langsgaat. Kan de Minister erop ingaan hoe een en ander wordt verbreed, zodat het aanstekelijk is en anderen dit ook zo oppakken?

Er is één vraag die ik nog heb gemist. Daarna rond ik af. Wil de Minister mijn idee over stagediscriminatie en digitale manieren die daarbij kunnen helpen ook meenemen in het voorstel dat ze na de zomer wil gaan doen?

Tot zover.

De voorzitter:

Dank. De heer Kwint.

De heer Kwint (SP):

Nu alle collega's zo snel zijn, heb ik natuurlijk ruim de tijd om nog een aantal vragen te stellen.

Volgens mij een beetje in navolging van wat mevrouw Kuik zegt: in mijn eerste termijn heb ik ook gevraagd naar het aantal studenten dat we echt kwijt zijn. Ik sluit niet uit dat ik het even kwijt was, maar volgens mij heb ik daar nog geen antwoord op gehad.

Het is goed dat we het na de zomer gaan hebben over bijvoorbeeld de functiemix, het extra geld en de vraag of dat wel naar docenten gaat. Ik snap dat het onderzoek nu loopt en dat je dat niet nu nog kunt veranderen, maar ik zou het wel fijn vinden als de salarismix zelf ook expliciet in de kabinetsreactie wordt meegenomen. Deze raakt namelijk aan hetzelfde: wat gebeurt er met het geld dat wij het liefst aan mbo-docenten willen uitgeven?

Bij studiematerialen is de verleiding erg groot om nu heel hard te zeggen: dit is precies waar ik vorig jaar voor gewaarschuwd heb. Maar dat zal ik niet doen.

Wat stagediscriminatie betreft hoop ik dat de Minister ook nog eens een keer dezelfde welwillendheid tentoonspreidt wanneer het gaat om ons oude voorstel. Dat was om ervoor te zorgen dat aangifte wordt gedaan tegen bedrijven waarover daadwerkelijk een melding binnenkomt en waarvan wordt vastgesteld dat zij het fout hebben gedaan. Die aangifte kan hetzij bij het College voor de Rechten van de Mens, hetzij bij de politie. Dat maakt me allemaal niet uit. In het verleden is dat voorgesteld en gestrand. Dat ene bedrijf per jaar dat we wel kunnen pakken, mogen we wat mij betreft via de hoogste virtuele – voordat mensen heel erg bang worden – boom tentoonspreiden. Dat moeten we gewoon keihard aanpakken. «Keihard aanpakken», zoals Opstelten dat zou zeggen.

De voorzitter:

Dank. Tot slot de heer Öztürk.

De heer Öztürk (DENK):

Keihard aanpakken die discriminerende bedrijven en discriminerende ambtenaren bij personeelszaken. Keihard aanpakken, dat zou ik ook willen.

Ik zie een Minister die echt de intentie heeft en de inzet wil tonen om dit aan te pakken, maar ik merk ook dat zij daarbij de steun van de Kamer nodig heeft. Er is al een VAO aangevraagd. Ik denk dat de Kamer haar beleid voor de aanpak van discriminatie op de stagemarkt en elders met een aantal moties moet ondersteunen. Wij zullen dus ook met een aantal moties komen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk naar de Minister voor haar beantwoording.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter, dank. Het is gewoon fijn om zo met een Kamer te kunnen optrekken. Laat ik dat ook zeggen. Ik proef hier breed dat er veel liefde is voor het mbo en de studenten, en dat u ervoor wilt zorgen dat wat al heel mooi is in dit land nog beter wordt. Ik voel me zeer door u gesteund.

Mevrouw Van den Hul: ja, wat betreft de inclusieve leer-werkplek deed ik een toezegging. Ik kom daar in het najaar graag op terug.

De heer Van Meenen: ik kom zo vroeg mogelijk in het najaar met een voorstel over hoe we dit nu gaan uitwerken. Daarbij zal ik ook nogmaals terugkomen op de digitale mogelijkheden die mevrouw Kuik en de heer Van den Berge eerder hebben gesuggereerd.

De heer Van den Berge: ja, ik weet dat JOB graag zo snel mogelijk aan tafel zit. Ik betrek ze echt overal bij. Het is soms best ingewikkeld om alle partijen tegelijk aan tafel te hebben, zeker als je dat via WebEx doet. Soms moet ik over drie schermen swipen om iedereen te kunnen zien. Dan wordt het wat onoverzichtelijk. Ik ben heel blij met hun betrokkenheid. Het is echt ongelofelijk hoe goed zij ook in deze tijd geschakeld hebben om voor studenten de goede dingen in die servicedocumenten te krijgen. Het JOB-bestuur zwaait binnenkort af. Ik wil hen hier publiekelijk ongelofelijk bedanken voor hun inzet.

De heer Smals riep mbo-instellingen op om alle ruimte die er is ook te gebruiken om dat waardevolle onderwijs op locatie te geven. Ja, die oproep moeten we doen. Ik zie daarin hele mooie dingen gebeuren. Waar ik maandag was, was in werkelijk elk lokaal iets ingericht. Het snijpracticum waar ik bij was, was in de kantine en de nooduitgangen werden gebruikt om ervoor te zorgen dat leerlingen via zo veel mogelijk ingangen de school in konden. Je ziet ook echt dat instellingen alles uit de kast halen om zo veel mogelijk studenten, die zo graag weer op school zijn, daarin te faciliteren.

Ik vond het mooi om te horen dat het meestal best ingewikkeld is om voldoende docenten te vinden die willen surveilleren voor examens. Nu stonden ze echter allemaal te springen om te komen surveilleren, omdat ze dan ook weer gewoon het contact met hun studenten hadden. Het is mooi om die liefde bij docenten te zien.

Mevrouw Kuik noemde het mooie voorbeeld van Friese Poort. Via Ingrado verzamelen we altijd dit soort mooie voorbeelden van hoe je dat kunt doen, om ervoor te zorgen dat instellingen daarin van elkaar kunnen leren. Ik zal hen hierop wijzen.

Volgens mij noemde de heer Kwint de salarismix en de functiemix precies omgekeerd. We gaan daar in het najaar het debat over voeren. Uw verzoek om aangifte te doen, was een verzoek om SBB dat te laten doen. Die plicht bij SBB neerleggen vind ik gek. Staatssecretaris Van Ark gaat binnenkort een wetsvoorstel indienen om in dit soort gevallen de Arbeidsinspectie meer mogelijkheden en meer ruimte te geven om discriminatie daadwerkelijk aan te pakken. Dat gaat hier echt helpen. Ik hoop dat dit wetsvoorstel zeer spoedig in de Kamer ligt. Ik kan me zomaar voorstellen dat we bij de behandeling daarvan die discussie zullen voeren.

Ik zie het steuntje in de rug van de heer Öztürk graag tegemoet.

De heer Kwint (SP):

Natuurlijk gaan we het bij dat wetsvoorstel daarover hebben. Eerlijk gezegd maken middel en doel mij niet zoveel uit. Waar het mij om gaat, is dat we zien dat er heel weinig meldingen zijn, en dat heel weinig meldingen leiden tot heel weinig vaststellingen. Dat, terwijl we weten dat het een groter probleem is. En zelfs dan komen bedrijven er nog redelijk mild mee weg. Ze raken namelijk alleen hun status kwijt. Betekent de aanpak via bijvoorbeeld de Arbeidsinspectie ook dat deze bedrijven harder worden aangepakt en dus andere sancties opgelegd krijgen dan alleen het wegnemen van hun status van leer-werkbedrijf?

Minister Van Engelshoven:

Het antwoord is ja. Zij kunnen dan een stevige boete krijgen. Het doel delen we. Als we maar een middel vinden om dat doel te bereiken.

Voorzitter. Dat was het voor mij in de tweede termijn. We hebben nog tien minuten over.

De voorzitter:

Heel veel dank, zowel aan de Minister als aan mijn collega's. Er is een VAO aangevraagd, nog te plannen voor het zomerreces, met als eerste spreker mevrouw Van den Hul. De heer Van Meenen heeft nog een vraag.

De heer Van Meenen (D66):

De Minister heeft ook nog een vraagje in het midden geworpen over de noodwet. Dit is weliswaar geen procedurevergadering, maar het is misschien wel goed om nog even na te praten over hoe we hiermee omgaan.

De voorzitter:

Dat gaan we via een procedurevergadering doen, en niet nu. Ik sluit nu eerst deze vergadering.

Sluiting 12.50 uur.