Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031524 nr. 457

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 457 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 december 2019

Zoals aangekondigd in de brief Toegankelijkheid en kansengelijkheid in het hoger onderwijs van 25 oktober 20181, heb ik de Commissie Macrodoelmatigheid mbo (CMMBO) gevraagd onderzoek te doen naar de kenmerken en motieven van studenten in economisch-administratieve opleidingen en naar de (potentiële) functie van deze opleidingen bij het tegengaan van kansenongelijkheid.

De sector economie is zowel in het mbo als in het hbo een grote sector in studentaantallen, maar ook de sector met het hoogste uitval- en switchpercentage. Daar komt bij dat er in het mbo zorgen zijn over het arbeidsmarktperspectief van een deel van deze economisch-administratieve opleidingen. Tegelijkertijd lijken deze opleidingen een emanciperende rol te vervullen: relatief veel mbo-studenten stromen door naar het hbo.

Hierbij stuur ik u het advies van de Commissie Macrodoelmatigheid mbo en drie rapporten van de deelonderzoeken die de commissie heeft laten uitvoeren naar het profiel van deze studenten en hoe zij in vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt presteren2.

Het advies

De commissie constateert dat jongeren met een minder gunstige uitgangspositie oververtegenwoordigd zijn in economisch-administratieve opleidingen. Studenten in deze opleidingen geven aan zich in de eerste plaats persoonlijk te willen ontwikkelen: ze kiezen niet direct voor een specifiek beroep en zien de opleiding als een middel om te ontdekken welke kant ze op willen. Het is vooral de praktijkgerichte didactiek van het beroepsonderwijs die hen aanspreekt.

De commissie constateert verder dat het arbeidsmarktperspectief van deze opleidingen wisselend is en doorgaans stijgt naarmate het opleidingsniveau stijgt. In lijn daarmee stroomt een bovengemiddeld deel van de studenten binnen het economisch-administratief domein door naar een hoger niveau. Opvallend is dat meer vmbo-doorstromers vanuit economie binnen 5 jaar een mbo-4 diploma halen dan de andere doorstromers uit het vmbo. Maar ook een relatief groot deel is minder succesvol en valt uit. De commissie geeft aan dat volgens studenten de reden voor uitval voor een belangrijk deel onderwijsgebonden is: de inhoud en organisatie van de hbo-opleiding past niet bij hun verwachtingen en de voorbereiding op het mbo t.a.v. niveau en studietempo is soms nog onvoldoende.

De commissie is van mening dat de huidige inrichting van de leerroute in de beroepskolom, in het bijzonder voor (v)mbo-studenten van economisch-administratieve opleidingen, minder passend is: ze moeten te vroeg keuzes maken, namelijk een profielkeuze in de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo op 13/14-jarige leeftijd en de keuze voor één van de vele specifieke mbo-opleidingen op 16/17-jarige leeftijd. Na het behalen van het mbo-diploma is er vervolgens een overwegend nauwverwante doorstroom naar een hoger mbo-niveau of naar het hbo.

De commissie is tenslotte kritisch over de arbeidsmarktgerichte specialisaties in het beroepsgerichte deel van het vmbo: een vroege beroepskeuze zorgt er volgens de commissie voor dat leerlingen geprofileerde keuzes, zoals voor techniek en zorg, mijden. De commissie adviseert de leerroute vmbo-mbo-hbo zo in te richten dat een opleiding met een zo hoog mogelijk arbeidsmarktperspectief kan worden behaald, binnen of buiten het economisch-administratief domein. Dit om de groep studenten, die aangeeft opleidingen in het economisch-administratief domein te kiezen omdat ze zich verder wil ontwikkelen, beter tegemoet te komen.

De commissie beveelt daarvoor een brede, gestructureerde oriëntatie aan met een focus op leren in beroepscontext en ook in het begin van de opleiding al aandacht te schenken aan de voor doorstroom (en leven lang ontwikkelen) relevante kennis en vaardigheden. Daarnaast zouden drempels voor niet-verwante doorstroom moeten worden weggenomen. Ook intensievere begeleiding acht de commissie van belang.

Versterken leerroutes

Het advies van de commissie benadrukt dat de oriëntaties en behoeften van de leerlingen in het vmbo en studenten in het beroepsonderwijs uiteen lopen. Naast de groep, die aangeeft zich vooral persoonlijk te willen ontwikkelen en daardoor wellicht geprofileerde keuzes mijdt, is er ook een groep, circa een derde van de mbo-studenten, die de huidige inrichting van de leerroute wél aanspreekt, waarvan sommigen op jonge leeftijd al intrinsiek gemotiveerd zijn voor een specifiek beroep. Om tegemoet te komen aan die verschillende behoeften en de emancipatiefunctie van het onderwijs ook werkelijkheid te maken is flexibiliteit in het stelsel van groot belang. Mijn inzet van de afgelopen jaren en die van mijn collega Slob, Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, is juist gericht op het creëren van een breder aanbod voor de oriëntatie en de diverse behoeften van studenten.

Er is om te beginnen al meer ruimte in het vmbo dan de commissie aangeeft. De beroepsmatige programma’s in het vmbo zijn in 2016 geactualiseerd en vereenvoudigd. De helft van de beroepsgerichte programma’s bestaat uit keuzevakken op basis waarvan leerlingen zich kunnen oriënteren, verbreden of verdiepen. Daarnaast kunnen leerlingen in het vmbo kiezen voor een heel breed oriënterend profiel als Dienstverlening en Producten. Bij het profiel Dienstverlening en Producten wordt een brede variëteit aan vakken aangeboden uiteenlopend van horeca, tot media en vormgeving en het aanleren van vaardigheden als projectmatig werken. Hierdoor zijn er sinds de vernieuwing meer keuzemogelijkheden voor leerlingen en kunnen leerlingen ook in veel andere profielen bredere vaardigheden ontwikkelen.

Daarnaast biedt het wetsvoorstel Doorlopende leerroutes vmbo-mbo (Sterk beroepsonderwijs)3 de mogelijkheid voor doorlopende trajecten waarbij scholen en instellingen zelf een doorlopend onderwijsprogramma kunnen inrichten. Een dergelijk programma kan zo worden ingericht dat het past bij studenten die al precies weten wat ze willen en sneller door een opleiding willen, maar kan ook worden ingericht voor een groep die zich in eerste instantie breder wil oriënteren. Die ruimte is er. Daarnaast heb ik, zoals eerder aangekondigd4, SBB gevraagd om een werkagenda op te stellen van kwalificaties die in 2020 en 2021 worden doorgelicht en aangepast. Het doel is om in het eerste jaar meer ruimte te maken voor een brede basis en in het tweede jaar de mogelijkheid te bieden om te kiezen voor een zo arbeidsmarktrelevant mogelijk profiel. Studenten, die direct willen kiezen voor een profiel of willen instromen in een opleiding gebaseerd op de huidige kwalificaties, moeten deze mogelijkheid behouden. Op die manier krijgen studenten meer ruimte om ervaring op te doen, voordat ze kiezen voor een specifieke beroepsrichting.

Ook belemmeringen, die mogelijk een rol spelen bij doorstroom van vmbo naar mbo, doorstroom of switch binnen het mbo en doorstroom van mbo naar hbo, ben ik afgelopen jaren al aan het opruimen. Binnenkort wordt de doorstroomregeling vmbo-mbo herzien. Binnen de huidige doorstroomregeling is er al ruimte voor niet-verwante doorstroom. Met de herziening, die naar verwachting met ingang van volgend schooljaar in werking treedt, worden de mogelijkheden voor niet-verwante doorstroom verder verruimd. Ik heb voorgesteld er bovendien een «kan-bepaling» van te maken5. Het is dan aan de mbo-scholen om te bepalen of ze die nadere vooropleidingseisen ook daadwerkelijk willen stellen. Ook het afschaffen van de cascadebekostiging vergemakkelijkt doorstroom binnen het mbo. Verder bieden keuzedelen de mogelijkheid om verdieping of verbreding aan te bieden in een opleiding gelet op de vraag van de arbeidsmarkt. Met het experiment cross-overs onderzoek ik of nog sneller ingespeeld kan worden op nieuwe ontwikkelingen waardoor het arbeidsmarktperspectief van deze opleidingen toe kan nemen.

Kortom, ik denk dat het stelsel al veel ruimte biedt. Door het onderwijs zelf worden al programma’s en curricula ontwikkeld, die recht doen aan de oriëntatie – en ontwikkelbehoefte van deze doelgroep. Gezamenlijk met partners als de

VOraad, MBO Raad, Vereniging Hogescholen, BVMBO en SBB wil ik kijken hoe we dit eventueel verder kunnen versterken en hoe daarin ook aandacht voor het aspect rond persoonlijke ontwikkeling een prominentere plek kan krijgen. Overigens is met de invoering van de nieuwe profielen in het vmbo ook Loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) een verplicht onderdeel voor alle leerlingen geworden. Dit ondersteunt de talentontwikkeling en het keuzeproces van leerlingen. Zoals eerder aangekondigd geef ik het Expertisepunt LOB aanvullende subsidie om haar activiteiten uit te breiden naar het hbo6.

Wat betreft de doorstroom van mbo naar het hbo is voor de periode 2018 tot en met 2021 € 32 mln. beschikbaar gesteld. Daarmee kunnen hogescholen en universiteiten, met het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs in hun regio, onderwijsprogramma’s ontwikkelen die goed aansluiten7. Ook de introductie van het Associate Degree maakt doorstroom naar het hoger onderwijs makkelijker. Daarnaast bestaat al de mogelijkheid voor hoger onderwijsinstellingen om – binnen de kaders van macrodoelmatigheid en accreditatie – zelf te kiezen voor smalle, dan wel brede opleidingen om tegemoet gekomen aan de grote diversiteit in de studentenpopulatie. Zo worden er bij diverse hbo-instellingen brede bachelors aangeboden. De ervaringen met verbrede bacheloropleidingen in de techniek zijn echter wisselend: er zijn zowel negatieve als positieve effecten. Die ervaringen moeten goed worden geanalyseerd, voordat wordt overgegaan tot een brede invoering binnen het economisch domein.

Samen met onderwijs aan de slag

Studentsucces staat of valt ook met onderwijsprogramma’s, die inhoudelijk aansluiten. Ik zal de MBO Brigade vragen om in hun gesprekken met mbo-scholen en hbo-instellingen te vragen naar mogelijkheden om tot betere doorstroomprogramma’s te komen en te kijken welke ruimte daarvoor nog nodig is.

Afgelopen jaren is ingezet op het nog verder vergroten van de flexibiliteit van het onderwijsstelsel. Er zijn veel opleidingen op verschillende niveaus, combinaties van beroepsgerichte en algemeen vormende onderdelen zijn mogelijk, net als combinaties tussen verschillende sectoren. Bovendien kunnen onderwijsprogramma’s sneller dan in het verleden worden aangepast. Voor zowel onderwijsinstellingen als studenten is er meer te kiezen. Studenten kunnen bovendien switchen en dat hoeft zeker niet negatief te zijn. Kortom: er zijn veel verschillende onderwijspaden, die studenten kunnen nemen.

We weten echter nog betrekkelijk weinig over hoe succesvol de bredere programma’s zijn. Ik zal laten onderzoeken onder welke voorwaarden bredere bacheloropleidingen tegemoet kunnen komen aan de behoefte van deze specifieke doelgroep.

Mijn inzet is de doorstroom van mbo naar het hbo te bevorderen en daarmee de emancipatiefunctie van het onderwijs kracht bij te zetten. Ik zal kritisch blijven kijken naar de voorbereiding op doorstroom in het mbo en naar de begeleiding in het eerste jaar van het hbo. Daarnaast ga ik praten met de verschillende onderwijspartijen en stakeholders in regio’s, waar goed wordt samengewerkt, over het aanbod in die regio’s, hoe de keuzes daar uitwerken en of die voldoen aan behoeften van verschillende studenten. Ik betrek daarbij ook het arbeidsmarktsucces van deze studenten.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Kamerstuk 31 288, nr. 664

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerstuk 35 336.

X Noot
4

Kamerstuk 29 544, nr. 952.

X Noot
5

Kamerstuk 35 252.

X Noot
6

Kamerstuk 31 288, nr. 783.

X Noot
7

Kamerstuk 31 288, nr. 664.