31 490 Vernieuwing van de rijksdienst

Nr. 187 BRIEF VAN DE ALGEMENE REKENKAMER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 september 2015

De organisatie van publieke taken is voortdurend in beweging. Ook op dit moment heeft het kabinet een aantal verzelfstandigingen en privatiseringen in voorbereiding. Tegelijkertijd wordt de positionering van bestaande zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) heroverwogen. Ook het beleid voor de governance (sturing, verantwoording en toezicht) van organisaties op afstand van het Rijk staat niet stil en is altijd aan verandering onderhevig.

Uw Kamer is vanuit de wetgevende taak intensief betrokken bij de gedachtevorming en besluitvorming over de uitvoering van publieke taken, zowel bij de ontwikkeling van algemeen beleid en wettelijke kaders als bij individuele voorstellen. De algemene commissie voor Wonen en Rijksdienst is voornemens om op 24 september 2015 te spreken met de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de Minister van Economische Zaken over privatisering, verzelfstandiging en toezicht van overheidsdiensten.

Met deze brief brengen wij enkele punten onder uw aandacht die u mee kunt nemen in dat overleg:

  • 1. Het is essentieel dat bij de organisatie van publieke taken duidelijk is in welke mate de overheid aan het roer wil staan. Als onduidelijk is waar de Minister (nog) over gaat, is ook onduidelijk waarop de controle van het parlement is gericht en hoe het parlement invloed kan uitoefenen. Bovendien kan het de uitvoering van publieke taken belemmeren.

  • 2. Het is belangrijk dat de Minister alle informatie krijgt die hij nodig heeft om bij te sturen en dat tevens de informatiepositie van het parlement is gewaarborgd. Daarom moeten de inrichting van verantwoording, toezicht en controle, en de gekozen sturing en bekostiging op elkaar aansluiten.

Deze uitgangspunten zijn niet alleen relevant als handvatten bij de besluitvorming in individuele gevallen, maar zijn naar ons idee evaluerend ook belangrijk in het bredere debat over de uitvoering van publieke taken op afstand van het Rijk.

Aan de hand van enkele voorbeelden gaan we hier nader op in. Het gaat om zaken die ons de afgelopen periode zijn opgevallen bij de beoordeling van (wets)voorstellen die aan ons zijn voorgelegd in het kader van artikelen 34 en 96 van de Comptabiliteitswet 2001 (zie bijlage).

Deze brief sluit aan bij de brief die we op 20 maart 2014 naar uw Kamer hebben gestuurd, met de bijlage Bestuur op afstand; vier factsheets over de organisatie van publieke dienstverlening door instellingen op afstand van het Rijk.1

1. Duidelijkheid over gewenste mate van overheidsbemoeienis is essentieel

Het laten uitvoeren van publieke taken door organisaties buiten het Rijk heeft gevolgen voor de sturingsmogelijkheden van de Minister en de positie van het parlement. De taakuitvoering ligt immers niet (langer) bij een ministerie (of agentschap), maar bij een autonome instelling op afstand van de rijksoverheid.

Dit betekent dat een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt over de gewenste verhouding van de Minister ten opzichte van de organisatie op afstand. Die verhouding krijgt onder andere vorm in de sturingsmogelijkheden van de Minister en de bekostiging.

In sommige gevallen zal de gewenste mate van overheidsbemoeienis weinig tot geen discussie opleveren. Zo past na de keuze voor een volledige privatisering – denk aan de verkoop van het Nederlands Vaccin Instituut in 2012 – geen overheidssturing meer. In de praktijk valt de keuze echter niet vaak op volledige privatisering. De meeste voorstellen die wij in de afgelopen jaren hebben beoordeeld betroffen de oprichting van nieuwe organisaties voor het uitvoeren van (wettelijke) taken, of het onderbrengen van nieuwe taken bij reeds bestaande organisaties.2 In veel gevallen was ook sprake van een financiële relatie met het Rijk. Bij de uitvoering van een publieke taak en besteding van publieke middelen door organisaties op afstand, zal er altijd enige vorm van overheidsbemoeienis (moeten) zijn.

Welke afstand tot het Rijk ook wordt gekozen, het is van belang dat zowel de manier waarop de sturingsrelatie wordt ingevuld als de wijze van bekostiging daarop aansluit, zodat geen verwarring kan ontstaan over de vraag waar de rijksoverheid (nog) over gaat.

In de praktijk loopt dat soms anders. We illustreren dat aan de hand van twee voorbeelden.

Wetsvoorstel Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein

De keuze voor de decentralisaties in het sociale domein bracht met zich mee dat besluitvorming en verantwoording over de inzet van middelen op het niveau van de gemeenten zou plaatsvinden. Het oormerken van geld in het Gemeentefonds – zoals werd voorgesteld in het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein – stond op gespannen voet met het uitgangspunt van de decentralisaties, namelijk beleids- en bestedingsvrijheid voor gemeenten.3 Hierdoor was onduidelijk of nu wel of niet een volledige decentralisatie werd beoogd.

Nationale Politie

In het wetsvoorstel voor de Politiewet 2012 zagen we een constructie die op twee gedachten lijkt te hinken. Enerzijds is ervoor gekozen de Nationale Politie vorm te geven als een zelfstandige organisatie op afstand van de rijksoverheid met eigen rechtspersoonlijkheid, anderzijds krijgt de Minister van Veiligheid en Justitie vergaande bevoegdheden om rechtstreeks te sturen op het beheer en de taakuitvoering van de politie, als ware het toch een eigen dienstonderdeel van het ministerie. We hebben erop gewezen dat het wetsvoorstel daardoor onduidelijkheid gaf over de status van de begroting en verantwoording van de politie: in hoeverre vielen die wel of niet onder het budgetrecht van de Staten-Generaal? Kan er analoog aan de ministeriële bevoegdheden geamendeerd worden?4

In bovenstaande voorbeelden zijn geen consistente keuzes gemaakt: de voorgestelde invulling van de sturingsrelatie of de wijze van bekostiging sluit niet aan bij de gekozen afstand tot het Rijk. Dit roept de vraag op waar de Minister nu eigenlijk (nog) over gaat.

Als de verantwoordelijkheden diffuus zijn kan dat belemmerend werken in de uitvoering, doordat voor organisaties onduidelijk is welke handelingsruimte ze hebben. Ook raakt het de positie van het parlement: het is op die manier namelijk onduidelijk waarop de controle van het parlement is gericht, welke informatie het daartoe nodig heeft en waar het parlement (nog) invloed op kan uitoefenen.

2. Mogelijke leemten in democratische controle en verantwoording

De controlepositie van het parlement is niet alleen in het geding als de sturingsrelatie niet aansluit bij de afstand tot het Rijk, maar ook als toezicht, verantwoording en controle niet goed aansluiten bij de gekozen sturing en bekostiging.

In de meeste voorstellen die wij de afgelopen periode hebben beoordeeld, is ervoor gekozen de uitvoering van wettelijke taken of de besteding van publiek geld te laten lopen via instellingen op afstand van het Rijk. De zelfstandige instelling moge dan in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor een goede taakuitvoering en besteding van het publieke geld, de democratische verantwoording hierover loopt altijd via de Minister. De Minister moet dus toezicht houden op de rechtmatige en doelmatige besteding van het publieke geld en op de uitvoering van wettelijke taken. Als vooraf de randvoorwaarden hiervoor niet zijn geregeld, bestaat het risico dat eventuele problemen in de uitvoering niet tijdig aan het licht komen of dat de Minister niet kan bijsturen. Ook kan het budgetrecht van het parlement worden aangetast. Kortom: door in het besluitvormingstraject alert te zijn op deze aspecten, wordt voorkomen dat het parlement in zijn controlerende rol wordt belemmerd.

Idealiter zijn de informatiepositie en interventiemogelijkheden van de Minister afgestemd op de wijze van sturing en bekostiging. Dit blijkt niet altijd het geval.

We illustreren dat aan de hand van enkele voorbeelden.

Toezicht moet soms verder gaan dan besteding subsidie

Bij het wetsvoorstel Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 (Wet SLOA 2013) zagen we dat de Stichting CITO en Stichting Leerplanontwikkeling wettelijke taken kregen, maar dat het toezicht van de Minister vooral gericht was op de subsidierelatie. Als de keuze is gemaakt om taakuitvoering wettelijk te regelen, kan het toezicht zich niet beperken tot alleen de besteding van de subsidie. De Minister moet in dat geval ook kunnen nagaan of de wettelijke taak goed wordt uitgevoerd en bevoegdheden hebben om te interveniëren als hij in die taakuitoefening tekortkomingen signaleert.5

Beschikbaarheid betrouwbare verantwoordingsinformatie moet goed geregeld zijn

Om goed toezicht te kunnen houden, moet de Minister in de eerste plaats beschikken over betrouwbare verantwoordingsinformatie. Het is daarom belangrijk van tevoren te regelen welke informatie de Minister van een organisatie op afstand behoort te krijgen en hoe hij zeker stelt dat deze informatie betrouwbaar is. Als de Minister onvoldoende zicht heeft hoe publieke taken worden uitgevoerd en wat er met het publieke geld gebeurt, kan hij namelijk ook niet weten of hij moet bijsturen en kan hij het parlement niet adequaat informeren.

Een voorbeeld: om meer zekerheid te krijgen over de rechtmatigheid van de inning en besteding van publieke middelen bevat de jaarrekening van de organisatie op afstand idealiter een rechtmatigheidsverklaring van een accountant. Bij verschillende voorstellen – waaronder de oprichting van de Stichting Nationaal Energiebespaarfonds en de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor – hebben we gewezen op het ontbreken van toereikende vereisten op dit punt.6

Nieuwe organisatie- en bekostigingsvormen vragen bijzondere aandacht

Bij nieuwe organisatie- en bekostigingsvormen voor de uitvoering van publieke taken is extra alertheid geboden. Doordat de bestaande (wettelijke) kaders vaak niet op die nieuwe vormen zijn toegesneden, kunnen toezicht, verantwoording en controle – onbedoeld en ongemerkt – in het gedrang komen. Voorbeelden hiervan zijn bekostiging «in natura» en uitbesteding van publieke taken via contractrelaties. Bekostiging «in natura» zagen we in de voorstellen voor de oprichting van Stichting Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek Nederlandse Defensieacademie en de nieuwe positionering van de Politieacademie.7 Financiering van publieke taken via contracten zagen we bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet forensische zorg (inkoop van forensische zorg door het Rijk bij tbs-instellingen) en de decentralisaties in het sociale domein.8

Zowel bekostiging «in natura» als de uitbesteding van publieke taken via contractrelaties is niet voorzien in de Comptabiliteitswet 2001. Hierdoor kan onduidelijkheid ontstaan over de informatiebevoegdheden van de Minister. Dit geldt ook voor de controlebevoegdheden van de Algemene Rekenkamer bij de betreffende organisaties. Als de Algemene Rekenkamer geen onderzoek ter plaatse kan doen, kan zij ook het parlement niet ondersteunen door onafhankelijk onderzoek.

Bestaande kaders voor toezicht en verantwoording niet altijd gebruikt

In de afgelopen jaren is een aantal uniforme kaders voor verantwoording en toezicht voor instellingen op afstand tot stand gekomen, zoals de Kaderwet zbo’s en de kaders voor financieel beheer en financieel toezicht.9 Het doel van deze kaders is om meer overzicht en eenduidigheid aan te brengen in het veld van instellingen op afstand en in de vormgeving van de toezicht- en verantwoordingsrelaties tussen Ministers en instellingen.

Of dit doel in de praktijk ook wordt bereikt, hangt af van de implementatie van de kaders.10 Zo zijn in de afgelopen jaren verschillende nieuwe (clusters van) zelfstandige bestuursorganen, waaronder de samenwerkingsverbanden passend onderwijs en het Instituut Fysieke Veiligheid, uitgezonderd van de werking van de Kaderwet.11 Soms worden organisaties hoe dan ook niet als zbo aangemerkt, zoals de Stichting Q-support en de Stichting Kwaliteitsregister Jeugdzorg, terwijl wij ons – gelet op de aard van de werkzaamheden van de organisaties – afvragen of dat terecht is.12

Op deze organisaties is het algemene toezicht- en verantwoordingsregime van de Kaderwet dus niet van toepassing, wat betekent dat toezicht en verantwoording apart zullen moeten worden geregeld. Als dit niet gebeurt, kan een leemte ontstaan in de democratische verantwoording. Bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet veiligheidsregio’s hebben we gewezen op zo’n mogelijke leemte.

Deze wetswijziging behelsde onder meer de oprichting van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Een belangrijk uitgangspunt was dat het IFV dicht bij de veiligheidsregio’s moest komen te staan. Om die reden werd voorgesteld het IFV – in tegenstelling tot zijn voorgangers het Nlfv en Nbbe – niet onder de Kaderwet zbo’s te brengen. Uit het wetsvoorstel werd echter niet duidelijk op welke wijze het IFV dan wel verantwoording aflegt aan een bestuurslaag die democratische verantwoording verschuldigd is.13

Tot besluit

In deze brief hebben we aan de hand van enkele voorbeelden geïllustreerd dat het belangrijk is om bij het op afstand plaatsen van publieke taken de gewenste mate van overheidsbemoeienis (publieke sturing en verantwoording) en de gevolgen daarvan vooraf goed te doordenken. Als vooraf duidelijke keuzes zijn gemaakt die consistent zijn uitgewerkt, komt dat zowel de uitvoering als de controlepositie van het parlement ten goede.

Een brief met gelijke inhoud sturen wij vandaag aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Algemene Rekenkamer

drs. C.C.M. Vendrik, wnd. president

dr. Ellen M.A. van Schoten RA, secretaris

Bijlage – Overleg met de Algemene Rekenkamer op grond van de Comptabiliteitswet 2001

Veranderingen in publieke taakuitvoering door instellingen op afstand van het Rijk kunnen ook gevolgen hebben voor de controletaak of -bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer.

Om te voorkomen dat onduidelijkheid over deze taak of bevoegdheden ontstaat, bepaalt de Comptabiliteitswet 2001 dat Ministers vooraf overleg moeten voeren met de Algemene Rekenkamer. Dit geldt in twee gevallen:

  • 1) Bij nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving met gevolgen voor de taken of bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer (artikel 96, 1e lid)

    In de praktijk gaat het dan meestal om wetgeving die een nieuwe taak of bevoegdheden voor de Algemene Rekenkamer met zich meebrengt. Bijvoorbeeld wanneer bij of krachtens wet een publiekrechtelijke rechtspersoon wordt opgericht of wettelijke taken bij een organisatie buiten het Rijk worden ondergebracht. Het kan ook zijn dat door nieuwe wetgeving bepaalde bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer juist komen te vervallen, bijvoorbeeld omdat een organisatie niet langer een wettelijke taak uitvoert.

  • 2) Als de Staat een privaatrechtelijke rechtspersoon opricht, mede opricht of doet oprichten (artikelen 34 en 96, 2e lid).

De wettelijk voorgeschreven overlegprocedure houdt in dat de Algemene Rekenkamer het voorstel beoordeelt en in een brief de controlebevoegdheden van de Algemene Rekenkamer en eventuele lacunes in de controle-, verantwoording- en toezichtstructuur onder de aandacht van de Minister brengt. De Algemene Rekenkamer treedt bij de beoordeling van voorstellen overigens nooit in de beleidskeuze.

Het is goed gebruik dat bewindspersonen een afschrift van de «artikel 34/96-brief» van de Algemene Rekenkamer als bijlage bij het betreffende voorstel meesturen aan de Staten-Generaal, maar zij zijn hiertoe niet verplicht. Aanvullend hierop zal de Algemene Rekenkamer de brieven voortaan ook zelf openbaar maken via haar website. Publicatie vindt in principe plaats nadat het voorstel waarop een brief betrekking heeft aan de Staten-Generaal is aangeboden.

Hieronder staat een overzicht van de voorstellen waarover sinds 2011 overleg is gevoerd met de Algemene Rekenkamer. De brieven van de Algemene Rekenkamer over deze voorstellen worden met terugwerkende kracht gepubliceerd op www.rekenkamer.nl.

Door Algemene Rekenkamer beoordeelde voorstellen januari 2011 – augustus 201514

 

Type voorstel1

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

 

European Urban Knowledge Network (2011)

Oprichting van een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), het European Urban Knowledge Network (EUKN). Met deze oprichting heeft een reeds bestaand intergouvernementeel kennisnetwerk op het gebied van stedelijke vraagstukken eigen rechtspersoonlijkheid gekregen.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Saba Statia Cable System BV (2013)

Oprichting van de besloten vennootschap Saba Statia Cable System (SSCS BV). SSCS BV is opgericht om (in de toekomst) de telecommunicatieverbinding (zeekabel) tussen Saba en Sint Eustatius te beheren en exploiteren.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Stichting Nationaal Energiebespaarfonds (2013)

Oprichting van de stichting Nationaal Energiebespaarfonds. In de stichting is het (revolverende) Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) ondergebracht, waaruit laagrentende leningen aan eigenaar-bewoners worden verstrekt voor de financiering van energiebesparende maatregelingen aan hun woning.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Wetsvoorstel Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein (2014)wetsvoorstel ingetrokken

Dit wetsvoorstel voorzag erin middelen voor de bekostiging van gemeentelijke taken en verantwoordelijkheden op het terrein van maatschappelijke ondersteuning, participatie en jeugd uit te keren aan gemeenten via een tijdelijk deelfonds sociaal domein binnen het gemeentefonds.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Novelle op de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting (2014)

De novelle wijzigt het voorstel Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, onder meer door de verplaatsing van het financiële toezicht, de saneringsfunctie en de verlening van projectsteun naar de Minister voor Wonen en Rijksdienst.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Ministerie van Defensie

 

Stichting Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek Nederlandse Defensie Academie (2011)

Oprichting van de Stichting Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek Nederlandse Defensie Academie (NLDA). De NLDA verzorgt onder meer militair wetenschappelijk onderwijs.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Stichting Defensiemusea (2013)

Oprichting van de stichting Defensiemusea. De stichting beheert vier Defensiemusea: het Nationaal Militair Museum (NMM), het Marinemuseum, het Mariniersmuseum en het Marechausseemuseum.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Ministerie van Economische Zaken

 

Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (ACM) (2011)

De wet regelt oprichting van de Autoriteit Consument en Markt (ACM,) waarin de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit (OPTA) en de Consumentenautoriteit (CA) zijn samengegaan.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Wet op de Kamer van Koophandel (2012)

De wet voorziet in het samenvoegen van 12 Kamers van Koophandel, de vereniging Kamers van Koophandel en de stichting Syntens tot één Kamer van Koophandel.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Vereniging Association of the Voluntary Principles on Security and Human Rights (2012)

Mede-oprichting van de vereniging Association of the Voluntary Principles on Security and Human Rights. Een reeds bestaand internationaal multi-stakeholderinitiatief – gericht op het bevorderen van het respect voor mensenrechten bij de bescherming van energie- en grondstofbedrijven in conflictgebieden – heeft hiermee rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht gekregen.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Stichting Voorbereiding Pallas-reactor (2013)

Oprichting van de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor. De stichting is opgericht om de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten – genaamd «Pallas» – voor te bereiden.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Wetsvoorstel Wet elektriciteit en drinkwater BES (2014)wetsvoorstel in behandeling bij Tweede Kamer

In het wetsvoorstel worden wettelijke taken toegedeeld aan de producenten en distributeurs van elektriciteit en drinkwater in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Zuidvleugel BV (Innovation Quarter) (2014)

Mede-oprichting van een ontwikkelingsmaatschappij voor de regio Zuid-Holland: de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Zuidvleugel BV («Innovation Quarter»).

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Ministerie van Financiën

 

Besluit ex-ante-financiering depositogarantiestelsel/Stichting Depositogarantiefonds (2011)

Het Besluit ex-ante-financiering Depositogarantiestelsel regelt herziening van het depositogarantiestelsel. In dit kader heeft de Minister de Stichting Depositogarantiefonds doen oprichten, belast met het beheer van de bijdragen van banken aan het depositogarantiestelsel.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Wijziging van de Wet op het financieel toezicht (2013)

Wijziging van de Wet op het financieel toezicht (Wft) in verband met het geven van toegang aan de Algemene Rekenkamer tot toezichtvertrouwelijke informatie bij De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

 

Stichting Samenwerkingsverband van Bronhouders – Basisregistratie Grootschalige Topografie (2013)

Doen oprichten van de stichting Samenwerkingsverband van Bronhouders – Basisregistraties Grootschalige Topografie (SVB-BGT). De stichting bevordert en ondersteunt de samenwerking tussen bronhouders van geo-informatie.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

Wet passend onderwijs (2011)

De wet verplicht o.a. bevoegde gezagsorganen in het primair en voortgezet onderwijs om samenwerkingsverbanden passend onderwijs (stichtingen of verenigingen) te gaan vormen.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Wijziging van de Wet Subsidiering Onderwijsondersteunende Activiteiten 2013 (2012)

De wet voorziet o.a. in het wettelijk verankeren van de taken van de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) en de Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling (Stichting Cito).

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (2014)

De wet regelt de bevoegdheid voor de Minister van OCW om een rechtspersoon aan te wijzen als Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, die de wettelijke taken met betrekking tot de afstemming tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven overneemt van de huidige 17 kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. Deze rechtspersoon wordt de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (Stichting SBB).

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Erfgoedwet (2014)wetsvoorstel in behandeling bij Eerste Kamer

Met dit wetsvoorstel worden verschillende bestaande wettelijke regelingen betreffende het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geïntegreerd. Het voorstel regelt o.a. de grondslag om (museale) instellingen met de zorg voor het beheer van collecties te belasten en vervangt het vergunningstelsel voor het verrichten van archeologische opgravingen door een stelsel van wettelijk geregelde certificering.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Wet tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst (2015) wetsvoorstel in behandeling bij Tweede Kamer

Dit wetsvoorstel beoogt modernisering van het publieke mediabestel. Hiertoe wijzigt o.a. de rol van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO) van een coördinerende naar een regierol. Ook wordt de Stichting Regionale Publieke Omroep aangewezen als samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de regionale omroepen.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

 

Stichting Certificering Opleiding Ondernemingsraden (2013)

Oprichting van de Stichting Certificering Opleiding Ondernemingsraden (SCOOR) door de Sociaal-Economische Raad (SER).

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Ministerie van Veiligheid en Justitie

 

Wijziging van de Wet op de Kansspelen in verband met de instelling van de kansspelautoriteit (2011)

Oprichting van de Kansspelautoriteit, belast met o.a. het verstrekken, wijzigen en intrekken van vergunningen in de kansspelsector en het toezicht op de naleving en de handhaving van de wet- en regelgeving.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

nota van wijziging bij het wetsvoorstel houdende vaststelling van een nieuwe Politiewet (2011)

Met de wijziging van de Politiewet is één landelijke politieorganisatie opgericht, waarin de voormalige 25 regionale politiekorpsen en de voorziening tot samenwerking Politie Nederland (vtsPN) zijn opgegaan.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Wet Forensische zorg (2011) – wetsvoorstel in behandeling bij Eerste Kamer

Het wetsvoorstel regelt de invoering van een nieuw stelsel voor forensische zorg, o.a. door aanpassing van de sturing en financiering van het tbs-stelsel. Met de inwerkingtreding van de Wet Forensische zorg koopt de Minister van V&J de vereiste zorg bij particuliere tbs-instellingen in op basis van contracten.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Wijziging van de Wet Veiligheidsregio’s in verband met de oprichting van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) en Regionalisering brandweer (2011)

Oprichting van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Het Nederlands instituut fysieke veiligheid (Nifv) en het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) – beide rechtspersonen met een wettelijke taak – zijn opgegaan in het IFV.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Reparatiewet Nationale Politie (2012)

De wet wijzigt in de Politiewet 2012 de positie van de korpschef en van de regioburgemeester.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Besluit Beheer Politie en Besluit Financieel Beheer Politie (2013)

De besluiten geven nadere uitwerking aan het (financieel) beheer van de Nationale Politie.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de inbedding van de Politieacademie in het nieuwe politiebestel (2014)wetsvoorstel in behandeling bij Tweede Kamer

Het wetsvoorstel voorziet in inbedding van de Politieacademie – thans een publiekrechtelijke rechtspersoon – in het huidige politiebestel.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

 

Besloten vennootschap Nederlands Vaccin Instituut (2011)

Oprichting van een besloten vennootschap ten behoeve van de verzelfstandiging en uiteindelijke privatisering van een deel (van de productiefaciliteiten) van het Nederlands Vaccin Instituut (NVI).

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Wet Uitvoering Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Wet UAV) (2011)

De wet wijzigt de uitvoeringsstructuur van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), o.a. door koppeling van de uitvoering van de AWBZ aan de uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en door afschaffing van de zorgkantoorconstructie.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Stichting Antonie van Leeuwenhoekterrein (2012)

Oprichting van de Stichting Antonie van Leeuwenhoekterrein. De stichting beheert de omgevingsvergunning voor de partijen op het Antonie van Leeuwenhoekterrein in Bilthoven, waaronder het RIVM.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Jeugdwet (2013)

Met de Jeugdwet is met ingang van 2015 de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor de jeugdhulp vrijwel volledig bij gemeenten komen te liggen.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Stichting Q-support (2013)

Oprichting van de Stichting Q-support, belast met de feitelijke uitvoering van hulpverlening aan patiënten met chronische Q-koorts en het Q-koorts vermoeidheidssyndroom.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (2013)

De wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg (AMvB professionalisering) bevat een erkenningsregeling voor een kwaliteitsregister voor jeugdzorgpersoneel. De Stichting Kwaliteitsregister Jeugd beheert het register. De Staat heeft de stichting doen oprichten.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

Wet langdurige zorg (2014)

De Wlz vervangt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De reikwijdte van de Wlz is aanzienlijk beperkter dan de AWBZ, omdat grote delen van de AWBZ zijn overgeheveld naar de Wmo 2015 en de Zorgverzekeringswet.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (2014)

Op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) zijn gemeenten sinds 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Besluit Jeugdwet (2014)

In het Besluit Jeugdwet wordt een aantal elementen voor de uitvoering van de Jeugdwet nader geregeld, o.a. inning van de ouderbijdrage door het CAK en de certificering van aanbieders van jeugdbescherming en jeugdreclassering door een certificerende instelling.

Regelgeving met gevolgen bevoegdheden AR

Stichting Gezond Gewicht (2014)

Oprichting van de Stichting Gezond Gewicht, die het werk faciliteert van alle partijen die het Convenant Gezond Gewicht (CGG) hebben ondertekend.

Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon

X Noot
1

Regelgeving = Nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving met gevolgen voor de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer (art. 96, 1e lid CW 2001)

Oprichting = Oprichting privaatrechtelijke rechtspersoon (art. 34/96, 2e lid, CW 2001)


X Noot
1

Kamerstuk 31 490, nr. 142.

X Noot
2

Zie de bijlage voor een overzicht van de voorstellen waarover in de periode 2011-heden overleg is gevoerd.

X Noot
3

Bijlage bij Kamerstuk 33 935, nr. 6.

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstuk 30 880, nr. 11; bijlage bij Kamerstuk 33 368, nr. 5.

X Noot
5

Bijlage bij Kamerstuk 33 558, nr. 3.

X Noot
6

Bijlage bij Kamerstuk 33 779, nr. 1; Bijlage bij Kamerstuk 33 626, nr. A/1.

X Noot
7

Bijlage bij Kamerstuk 32 775, nr. A/1; bijlage bij Kamerstuk 34 129, nr. 3.

X Noot
8

Bijlage bij Kamerstuk 32 398, nr. 8; bijlage bij Kamerstuk 33 684, nr. 7; bijlage bij Kamerstuk 33 891, nr. 41.

X Noot
9

Stb. 2006, nr. 587; Kamerstuk 33 822 nr. 1.

X Noot
10

Zie ook ons rapport Kaderwet zbo’s: reikwijdte en implementatie (Kamerstuk 33 147, nr. 3).

X Noot
11

Zie verwerking van ons advies in de memorie van toelichting bij de wet passend onderwijs (Kamerstuk 33 106, nr. 3); bijlage bij Kamerstuk 32 841, nr. 7.

X Noot
12

Bijlage bij Kamerstuk 33 666 nr. A/1; Bijlage bij Kamerstuk 33 811, nr. 1.

X Noot
13

Bijlage bij Kamerstuk 32 841, nr. 7.

X Noot
14

Opgenomen zijn de voorstellen waarover op 31 augustus 2015 de besluitvorming in het kabinet was afgerond.

De voorstellen zijn geordend naar ministerie en daarbinnen naar het jaar waarin het overleg met de Algemene Rekenkamer is gevoerd.

Naar boven