Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433811 nr. A;1

33 811 Oprichting Stichting Kwaliteitsregister Jeugdzorg

A/ nr. 1 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 25 november 2013.

De wens over de voorgenomen rechtshandeling nadere inlichtingen te ontvangen kan door of namens een van beide Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 19 januari 2014.

Het oordeel dat de voorgenomen rechtshandeling een voorafgaande machtiging bij de wet behoeft kan door een van beide Kamers worden uitgesproken uiterlijk op 19 januari 2014 dan wel binnen veertien dagen na het verstrekken van de in de vorige volzin bedoelde inlichtingen.

Bij deze termijnen is rekening gehouden met de recesperiode van de Tweede Kamer.

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 november 2013

Met deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met het oordeel van de ministerraad over het doen oprichten van de stichting «Stichting Kwaliteitsregister Jeugdzorg» (hierna: de stichting).

Deze voorhangprocedure geschiedt op grond van artikel 34 van de Comptabiliteitswet 2001 (Cw). De stichting is noodzakelijk om uitvoering te geven aan het professionaliseringstraject voor de jeugdzorg. Het beleid wordt vormgegeven door een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. De stichting zal ook na inwerkingtreding van de komende Jeugdwet voor het professionaliseringsbeleid een noodzakelijke rol blijven vervullen. De wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt op grond van artikel 109 van de Wet op de jeugdzorg bij uw Kamer gelijktijdig met deze mededeling voorgehangen. Voor de noodzaak van de oprichting van de stichting wijs ik in het bijzonder naar de paragrafen 2 en 3 van de nota van toelichting van het bijgevoegde ontwerp wijzigingsbesluit. De oprichting is getoetst aan het Stichtingenkader1 (beleidskader voor oprichting van stichtingen).

Met de Algemene Rekenkamer (ARK) is overleg gevoerd over de vraag of de oprichting mogelijke gevolgen heeft voor de taken en of bevoegdheden voor de ARK. Dat blijkt niet het geval. Het advies van de ARK van 2 oktober 2013 voeg ik bij2. Het ontwerpbesluit is naar aanleiding van die opmerkingen aangepast. Ten aanzien van het advies van de ARK merk ik het volgende op.

De ARK maakte opmerkingen over de beperkte betrokkenheid van de beroepsverenigingen bij de stichting. Het ontwerp bevatte al een voordracht voor de benoeming van bestuursleden door de beroepsverenigingen. Aan het ontwerp is als erkenningsvoorwaarde toegevoegd dat overleg moet worden gevoerd met de beroepsverenigingen alvorens tot een wijziging van de registratievoorwaarden te besluiten.

De opmerking van de ARK dat de beroepsverenigingen geen informatie ontvangen over het functioneren van het bestuur, heeft geleid tot een aanpassing van het ontwerp. Thans is opgenomen dat de stichting gehouden is ook de beroepsverenigingen die gerechtigd zijn tot het voordragen van bestuursleden van een jaarverslag te voorzien.

De ARK stelt terecht vast dat onafhankelijk toezicht op het bestuur ontbreekt, bijvoorbeeld via een raad van toezicht. Daarover wil ik het volgende opmerken.

Voor het professionaliseringsbeleid is in het bijzonder van belang dat de stichting voldoet aan de erkenningsvoorwaarden en naar behoren functioneert. Alleen indien een stichting voldoet aan de voorwaarden gesteld in het ontwerpbesluit gaan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie over tot erkenning van een stichting. Functioneert een stichting niet naar behoren dan bestaat de mogelijkheid voor genoemde bewindspersonen de erkenning in te trekken. In artikel 68n van het ontwerpbesluit is voor de stichting een ruime inlichtingenplicht opgenomen ten behoeve van beide Ministers. De mogelijkheid tot intrekking van de erkenning, in samenhang met die ruime inlichtingenplicht, biedt naar het oordeel van de regering voldoende mogelijkheden in te grijpen indien de stichting niet voldoende presteert. Uiteraard zal, indien intrekking van de erkenning dreigt, eerst een op verbetering gericht overleg plaatsvinden met het bestuur van de stichting.

Gezien het bovenstaande controlemechanisme en het feit dat de stichting een kleine organisatie is met een raad van bestuur en een raad van advies lijkt de toevoeging van een raad van toezicht buitenproportioneel.

De ARK wijst erop dat in de nota van toelichting is aangegeven dat de stichting niet met openbaar gezag bekleed zal zijn, aangezien verwijdering uit het register geen publiekrechtelijk rechtsgevolg heeft, en dat dit meebrengt dat de publiekrechtelijke voorziening van bezwaar en beroep niet openstaat. Dat is juist. Dat neemt evenwel niet weg dat onderdeel van de erkenningseisen is dat registratie en herregistratie op zorgvuldige wijze plaatsvinden. Aan dat zorgvuldigheidsvereiste wordt invulling gegeven doordat de stichting bij een verzoek tot (her)registratie, zich laat adviseren door de registratiecommissies van de betrokken beroepsverenigingen. Zoals uit de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit blijkt, brengt dat zorgvuldigheidsvereiste tevens mee dat bij weigering van de (her)registratie, er een mogelijkheid moet zijn tot heroverweging. Uiteindelijk kan een beroepsbeoefenaar die van oordeel is dat zijn (her)registratie ten onrechte is geweigerd, zich wenden tot de burgerlijke rechter. De regering is daarom van oordeel dat voldoende waarborgen aanwezig zijn om op te komen tegen een weigering tot (her)registratie. Deze waarborgen zullen betrokken worden in de monitoring en evaluatie. Mede naar aanleiding van de toetsing aan het Stichtingenkader zal in verband met de verdere ontwikkeling in de beroepsvorming tevens bij de evaluatie worden bezien of de privaatrechtelijke organisatievorm nog passend is.

De ARK wijst er ten slotte in haar advies op dat de procedure van artikel 34 Cw niet correct is gevolgd, omdat de Stichting Kwaliteitsregister Jeugdzorg al in maart 2013 is opgericht. In dit specifieke geval is ervoor gekozen niet de procedure af te wachten, alvorens tot het doen oprichten over te gaan.

Met het oog op de voorziene datum van inwerkingtreding van het wettelijk kader, was het op een tijdig moment oprichten van de stichting noodzakelijk om een kwartiermaker in de gelegenheid te stellen voorbereidingen te treffen om tijdig de beroepsregistratie in de jeugdzorg mogelijk te maken. Op deze wijze wordt ook invulling gegeven aan de ambitie uit het regeerakkoord om de professionalisering in de jeugdzorg te versnellen.

De erkenning van de stichting door de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Veiligheid en Justitie zal niet eerder plaatsvinden dan wanneer de stichting voldoet aan de erkenningseisen die bij het wijzigingsbesluit worden gesteld. Om aan die erkenningseisen te kunnen voldoen, zullen de statuten van de stichting nog moeten worden aangepast. De stichting zal daar pas toe kunnen overgaan nadat voldoende zekerheid bestaat over de inhoud van het wijzigingsbesluit.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Kamerstuk 25 268, nr. 42

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer