Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201630950 nr. 83

30 950 Rassendiscriminatie

Nr. 83 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 23 december 2015

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 29 oktober 2015 overleg gevoerd met Vice-Minister-President, Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van16 juni 2015 ter aanbieding van het onderzoek «Oorzaken en triggerfactoren antisemitisme» (Kamerstuk 30 950, nr. 78);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 augustus 2015 ter aanbieding van het afschrift van de brief aan de Turkse Arbeidersvereniging in Nederland (HTIB) over het verzoek om een afspraak n.a.v. TRSO traject;

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 september 2015 houdende een reactie naar aanleiding van toezeggingen gedaan tijdens het algemeen overleg Inburgering op 22 januari 2015 (Kamerstuk 32 824, nr. 105);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 september 2015 inzake het concept-ontwerpbesluit op de Jeugdverblijven (Kamerstuk 34 053, nr. 36);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 september 2015 houdende een beleidsreactie op de notitie «Salafisme in Nederland: diversiteit en dynamiek» (Kamerstuk 29 614, nr. 38);

  • schriftelijke vragen van het Tweede Kamerlid S. Karabulut van 15 juni 2015 inzake de import van imams uit Marokko en Turkije en bondgenootschap met de Marokkaanse en Turkse overheid voor integratie en de-radicalisering (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 110);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 28 oktober 2015 inzake de beleidsreactie discriminatie en antisemitisme (Kamerstuk 30 950, nr. 79);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 29 oktober 2015 houdende de uitkomsten van het bestuurlijk overleg integratie en werk op 12 oktober 2015 (Kamerstuk 32 824, nr. 114).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

De griffier van de commissie, Post

Voorzitter: Van der Burg

Griffier: Klapwijk

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van der Burg, De Graaf, Heerma, Karabulut, Marcouch, Öztürk, Potters, Sjoerdsma en Voortman,

en Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 10:00 uur.

De voorzitter: Ik heet de Minister en zijn staf van harte welkom, alsmede onze Kamerleden en natuurlijk de mensen die het debat volgen. Gezien het aantal Kamerleden stel ik een spreektijd van vier minuten voor. Ik zie dat de heer Öztürk een vraag heeft.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Voorzitter. Ik wil een punt van orde maken. Dit algemeen overleg heeft als titel «integratieonderwerpen». Ik wil mijn collega's vragen om de naam te veranderen in «integratie- en acceptatieonderwerpen», omdat de meeste onderwerpen die op de agenda staan, gaan over geïntegreerde mensen die geaccepteerd willen worden. Ik denk dat het ook goed is om de naam van de commissie te veranderen.

De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Öztürk, maar dit soort verzoeken moet u doen in de procedurevergadering, niet tijdens het debat. U bent welkom om het de volgende keer in de procedurevergadering voor te stellen, maar we gaan nu gewoon beginnen met het debat. We hebben de tijd volgens mij hard nodig voor het onderwerp.

De heer Potters (VVD): Voorzitter. Het belangrijkste onderwerp dat wij vandaag bespreken, zeker wat de VVD-fractie betreft, is het salafisme in Nederland. De Minister heeft namens de regering een brief daarover gestuurd. Hij erkent dat het aanhangen van salafistische leerstellingen kan leiden tot onverdraagzaamheid, antidemocratische activiteiten en polarisatie. Dergelijk gedrag kan resulteren in spanningen tussen bevolkingsgroepen en kan, voor sommigen, een voedingsbodem vormen voor radicalisering naar gewelddadig jihadisme. De Minister geeft daarbij echter aan dat de overheid zich in haar optreden niet richt op religie of ideologie, maar zich concentreert op het weerbaar maken van de samenleving door een weerwoord te bieden op provocaties en bedreigingen en op activiteiten zelf, die al dan niet religieus gemotiveerd zijn.

Dat is simpelweg veel te beperkt. Het politieke salafisme en het jihadistische salafisme zijn ideologieën die niet te verenigen zijn met de Nederlandse waarden en de democratische rechtsstaat. Zo moeten deze stromingen ook gewoon worden benoemd. Zo zouden ze ook bestreden moeten worden. Wat de VVD-fractie betreft moet de Minister veel nadrukkelijker afstand nemen van politiek en jihadistisch salafisme. Deze stromingen bezitten immers alle kenmerken van een radicale en de rechtsstaat ondermijnende ideologie, met doelstellingen die kenmerkend zijn voor een totalitair, antidemocratisch systeem. Wat ons betreft maken we hier een duidelijk onderscheid tussen de islam als godsdienst enerzijds en politiek en jihadistisch salafisme als ideologie anderzijds.

De Minister kan een voorbeeld nemen aan David Cameron, die deze zomer een indrukwekkend betoog hield over de vernietigende werking van islamitisch extremisme op de Westerse samenleving. Hij zei, en ik citeer hem eventjes: «What we are fighting, is an islamist extremism, is an ideology». (...) It seeks to destroy nation states to invent its own barbaric realm. (...) And like so many ideologies that have existed before (...) many people, especially young people, are being drawn to it. (...) We should contrast their bigotry, aggression and theocracy with our values. (...) No more turning a blind eye on the false basis of cultural sensitivities.»

De salafistische beweging is divers en veranderlijk. Dat ziet de VVD ook.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Voorzitter. De voertaal hier is Nederlands, neem ik aan. Of zijn er ook andere talen toegestaan?

De voorzitter: Het is een citaat uit een speech van iemand, dus volgens mij is dat toegestaan. Voor het overige is de voertaal Nederlands. Dat klopt; daar hebt u volledig gelijk in, mijnheer Öztürk. De heer Potters vervolgt zijn betoog.

De heer Potters (VVD): Ja, voorzitter, het was louter een citaat. Het leek mij beter om zijn letterlijke woorden te gebruiken dan te gaan vertalen.

De tijd van voorzichtigheid zijn we nu wel voorbij. Als onderdeel van preventie moeten we het beest bij de naam durven noemen. Voor een radicale, subversieve ideologie als het politiek en jihadistisch salafisme is geen plaats in onze maatschappij. Ik hoop dat de Minister zijn voorzichtige toon nu laat varen en dit met de VVD-fractie gewoon durft te erkennen. Ik krijg daarop graag een reactie.

De Minister wacht op het afronden van een internationaal vergelijkend onderzoek naar de weerbaarheid van onze democratie. Daaruit blijkt voor ons te weinig urgentie.

De heer Pieter Heerma (CDA): Ik kan een heel groot deel van het betoog van de heer Potters rondom het salafisme, naar aanleiding van de brief van de Minister, steunen. Heeft hij nog meer commentaar op de brief? Betreft het alleen de toon of vindt hij dat er ook nog een tandje bij moet op het gebied van maatregelen en wat er vervolgens wordt gedaan? Gaat het dus alleen over de toonzetting of wil de heer Potters ook meer daden zien?

De heer Potters (VVD): Daar kwam ik bijna op, maar ik ben het met de heer Heerma eens. Ik vind de toon nogal beschouwend en redelijk voorzichtig. Wat de VVD-fractie betreft neemt de Minister hier nadrukkelijk afstand van. Ik zou ook verwachten dat, naast het beschouwende, nadrukkelijk wordt bekeken hoe we dit gaan aanpakken en hoe we dit soort ideologieën eerder de pas gaan afsnijden.

De heer Pieter Heerma (CDA): Hoe ziet de VVD-fractie dit voor zich? Welke acties zou zij daaraan willen koppelen die kennelijk nu niet in de brief staan?

De heer Potters (VVD): De Minister constateert volgens mij samen met ons, en ik denk ook met de heer Heerma, dat we te maken hebben met een radicale ideologie die een vernietigende werking kan hebben op onze samenleving. Ik vind dat een terechte constatering. Ik zou het echter niet bij een constatering willen laten. Ik daag de Minister uit om hieraan gevolg te geven en te zeggen wat we er dan aan gaan doen. Welke concrete acties moeten we hieraan koppelen en hoe zorgen we ervoor dat dit soort invloeden niet wordt versterkt in onze samenleving? Een van de punten waarover we het al hebben gehad in de Kamer, is het in- en uitreizen van haatpredikers. Ook daar zouden wat mij betreft concretere stappen moeten worden gezet. Het zijn concrete maatregelen waarop we nu volgens mij zitten te wachten. Ik daag de Minister uit om hierop in zijn eerste termijn een reactie te geven.

De heer Marcouch (PvdA): Het kabinet heeft een actieplan tegen jihadisme, waarin extremisme expliciet wordt benoemd en door het kabinet dus ook stevig wordt bestreden. De collega van de VVD heeft het over het bestrijden van het salafisme en over het buiten houden van de haatimams. Daarmee ben ik het eens. Tegelijkertijd is de constatering natuurlijk wel dat de salafistische stroming ontzettend goed georganiseerd is in onze wijken, zich houdt aan de kaders van de rechtsstaat en ontzettend aantrekkelijk is voor heel veel jongeren. De vraag is dan welke oplossingsrichting de VVD voor ogen staat, uitgaande van de democratische rechtsstaat en de open samenleving die wij hebben, waar mensen vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting hebben. Ik ben toch heel benieuwd naar de concrete oplossingsrichtingen van de VVD-fractie.

De heer Potters (VVD): De heer Marcouch constateert volgens mij terecht dat dit een ontzettend aantrekkende werking heeft op de jeugdcultuur, niet alleen in Nederland maar ook in andere landen, zoals we weten naar aanleiding van het werkbezoek van vorige week. Je zult daar qua normen en waarden echt iets tegenover moeten stellen. Ook zul je de kaders die er nu zijn in de rechtsstaat, opnieuw moeten bekijken. Een van de dingen die er zijn, betreft het laten in- en uitreizen van haatpredikers. Het gaat met name om het al dan niet hebben van een Schengenvisum en de wijze waarop daarmee wordt omgegaan. We zien dat we daar kritischer in moeten zijn, dat we daar misschien andere grenzen moeten stellen en dat we daartegen moeten optreden. Ik constateer dat het salafisme, zeker het politiek en jihadistisch salafisme, een grote dreiging heeft voor de Nederlandse samenleving. Ik wil het echter niet bij deze constatering laten. Ik hoor dus heel graag van de Minister hoe we nu verdergaan. We hebben al een motie ingediend om eens te gaan nadenken over antidemocratische groeperingen – daar kom ik straks nog even op – maar vervolgens blijft het nog steeds bij constateringen. Ik zou, volgens mij net zoals de heer Marcouch, graag van het kabinet horen wat we hier nu verder mee gaan doen. Het zou onvoldoende zijn om het bij een voorzichtige constatering te laten. Volgens mij moeten er ook plannen gemaakt worden. Naar plannen die nodig zijn om deze ideologieën echt de pas af te snijden, wil ik heel serieus kijken, natuurlijk met inachtneming van de normen van onze rechtsstaat. Ik denk dat we ook heel goed moeten kijken of we af en toe dingen durven aan te passen, om dit soort ideologieën ook echt de pas af te kunnen snijden.

De voorzitter: Ik verzoek de leden om kortere antwoorden te geven.

De heer Marcouch (PvdA): Natuurlijk moeten we daar samen naar kijken. Ik ben ook benieuwd naar de reactie van de Minister. Het gaat er natuurlijk om – daarover hebben we tijdens het vorige AO ook gesproken – hoeveel politieke ruimte de Minister van de VVD of van de Kamer krijgt om bijvoorbeeld een tegengeluid te organiseren. Je kunt nu eenmaal niet alleen met strafrechtelijke maatregelen iets doen. Je zult ook ideeën met ideeën moeten bestrijden. Ik ben toch benieuwd hoe de VVD dit heel concreet ziet, want daarop heb ik nog geen antwoord gekregen, en hoeveel politieke ruimte de Minister krijgt om het maximale uit de kast te halen om het salafisme tegen te gaan.

De heer Potters (VVD): Ik had de vraag niet zo begrepen, maar van mij mag hij alles uit de kast halen om het salafisme tegen te gaan. Als het organiseren van een tegengeluid in het kader van preventie een goede maatregel is, moeten we daar heel serieus naar kijken. Voor mij zijn er geen taboes. Volgens mij moeten we nu echt proberen om hier iets tegenover te stellen, ook als het gaat om normen en waarden. Ik wil de Minister alle ruimte geven om daarmee aan de slag te gaan.

Voorzitter. Het kabinet heeft een aanpak voor ogen, gericht tegen gedragingen die haaks staan op de democratische rechtsstaat, ongeacht de ideologie waardoor deze gedragingen gemotiveerd zijn. Ben je dan niet te laat? Welke aanpak heeft het kabinet voor ogen ten aanzien van een ideologie waarvan op voorhand vaststaat dat deze haaks staat op de democratische rechtsstaat? Ik krijg hierop graag een reactie.

Mijn volgende punt betreft de Turkse inmenging in Nederland. De partij van de Turkse president Erdogan stuurde afgelopen week een brief naar veel Turkse Nederlanders met de oproep om te stemmen voor de aankomende Turkse parlementsverkiezingen. Ik hoor graag van de Minister wat zijn standpunt is in dezen. De VVD-fractie heeft duidelijk haar afkeer uitgesproken van deze inmenging. Het is ook goed dat het College bescherming persoonsgegevens (CBP) gaat bekijken of de Turkse partij in strijd met de privacywet heeft gehandeld. Wat vindt de Minister nu zelf van deze actie van de Turkse regering? Wat gaat hij eraan doen om dit in de toekomst te voorkomen?

Ik kom te spreken over de Turkse stromingen en organisaties, de TRSO's. In antwoord op vragen van mij en collega Karabulut geeft de Minister aan dat hij geen nieuw onderzoek naar de TRSO's wil doen. De Minister zoekt de samenwerking met deze stromingen en spreekt organisaties aan op hun verantwoordelijkheid als daartoe aanleiding is. De Minister spreekt zelfs over een bondgenootschap. Hij is van mening dat het vooral nodig is dat organisaties zichzelf openstellen om aan de rest van de samenleving te laten zien wat ze beogen en wat ze doen. Ik maak me hier echt zorgen over. Ik vraag me oprecht af waar de Minister nu zelf staat in het integratiedebat en, meer specifiek, ten aanzien van deze organisaties. Gaan we nu toch een kop thee drinken met deze organisaties en verwachten we dat ze al hun inzichten vanzelf op tafel leggen, of kiest de Minister voor een hardere aanpak? Dat laatste lijkt mij een veel betere weg. Hoe weet de Minister zo zeker dat hij te maken heeft met een bondgenoot? Kan hij niet beter eerst actief op zoek gaan naar antwoorden, bijvoorbeeld via nader onderzoek naar gelieerde organisaties, bestuursleden, uitingsvormen, voedingsbronnen, subsidies en financieringsstromen? Ik krijg hierop graag een reactie.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): De VVD is de grootste partij in Nederland met 40, 41 zetels. De heer Potters heeft vier minuten spreektijd en hij heeft het alleen maar over salafisme. De afgelopen tijd waren er bedreigingen aan het adres van politici, gingen er auto's in brand en waren er inspraakavonden waar burgers niet meer konden inspreken. Over al die bedreigingen van de afgelopen tijd, waarover de fractievoorzitters een brief hebben gestuurd, hoor ik de VVD-fractie niet. Ik hoor de zorgen van de heer Potters daarover niet. Daarover komt hij niet met voorstellen. Het enige waarmee hij bezig is, is het onder de aandacht brengen van de paar duizend mensen die van een bepaald gedachtegoed zijn. Vindt hij dat hij, als vertegenwoordiger van de grootste partij van Nederland, daarmee onze democratische rechtsstaat goed in evenwicht brengt?

De heer Potters (VVD): Volgens mij staat een aantal belangrijke onderwerpen op de agenda. Een van de belangrijkste onderwerpen is wat de VVD-fractie betreft de brief over salafisme. Daarover praten we vandaag. We hebben het niet over het migratiedossier, waar inderdaad dit soort voorvallen hebben plaatsgevonden, die we volgens mij met zijn allen echt afwijzen en waarover de fractievoorzitters gezamenlijk een standpunt hebben ingenomen. Ik vind het niet nodig om dat hier nog eens te herhalen. Ik vind het wel belangrijk dat we met elkaar over het salafisme en de dreiging daarvan spreken. Ik vind het ook belangrijk dat we een signaal afgeven aan de Turkse overheid dat het niet zo kan zijn dat zij zich in het kader van integratie mengt in onze samenleving. Daarom wil ik dit belangrijke punt hier bespreken.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Vindt de VVD de dreiging van de afgelopen maanden – asielzoekerscentra in brand steken, hakenkruisen op moskeeën – niet gevaarlijker dan de dreiging die hij net noemde?

De heer Potters (VVD): Volgens mij is het heel gevaarlijk om dit soort vergelijkingen te maken. Laat het helder zijn: alle bedreigingen in Nederland, ook als het gaat om moslims op wier moskee een hakenkruis staat, werp ik verre van me. Dat vind ik echt afschuwelijk. Dat moeten we niet willen. Het gaat om alle typen bedreigingen. Ik vind dat we daartegen moeten optreden, maar laten we niet het een met het ander vergelijken. Iedereen die zich bedreigd voelt, verdient onze ondersteuning. We moeten daar afstand van nemen.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter. Er is sprake van een groeiende spanning, polarisatie en tweedeling in de samenleving. Tegenover een overgrote meerderheid staat een groeiende minderheid die haat, intimidatie en zelfs geweld niet schuwt. Of het nu rechts-extremisme, antisemitisme, homo- of moslimhaat is of het de islamfascisten zijn, wij hebben alle vormen van haat en geweld even serieus te nemen, zo zeg ik ook tot de collega's. Bij overtreding van wetten en regels moeten we handhaven. We moeten de voedingsbodem van radicalisering kennen en wegnemen om te voorkomen dat nog meer mensen radicaliseren.

Wat doet de Minister, die zichzelf het goede doel heeft gesteld om radicalisering te voorkomen door middel van preventie? Laat ik twee urgente problemen bij de kop pakken: het politiek islamisme, waaronder ik het salafisme en het jihadisme schaar, en het rechts-extremisme. Is het kabinet van oordeel dat het laatste groeit? Zo ja, wat doet het kabinet met deze wetenschap? Inzake de aanpak van de politieke islam hebben wij de Minister meermaals gevraagd om een concrete lijst met organisaties die een salafistische of een jihadistische agenda hebben. Wij hebben gevraagd naar een plan van aanpak voor jongeren, ouders en professionals die ermee te dealen hebben. Nog steeds hebben wij de door ons gewenste antwoorden niet ontvangen. De laatste brief van de Minister blinkt – ik moet het mijn collega Potters nazeggen – uit in vaagheid. Heeft de Minister het probleem wel scherp op het netvlies, zo vraagt de SP zich af.

We moeten het op dit moment hebben van de vrijwilligers van de samenwerkende Marokkaanse Nederlanders, naast de professionals die natuurlijk hun best doen. Waar moeten ouders, jongeren en leraren echter naartoe wanneer zij in aanraking komen of niet meer weten wat te doen met jongeren die dreigen af te glijden of symptomen vertonen van vergaande radicalisering? Hoe moeten gemeenten weten welke moskeeën of verenigingen de politieke islam willen verspreiden of al verspreiden? Welke houding dienen ze aan te nemen?

Ik moet mijn best doen om te kunnen spreken van een integratiebeleid van deze Minister. Toegegeven, integratie en samenleven betreft een lastige materie. Het wordt echter nog lastiger wanneer de Minister zwalkt met zijn beleid. Houdt hij daarom krampachtig vast aan valse profeten, zoals de Turkse president Erdogan en de Koning van Marokko? Waarom heb ik de Minister voor Integratie nog geen afstand horen nemen van de brief die veel Turkse Nederlanders vorige week ontvingen van de Turkse premier Davutoğlu? Los van de vraag wie de gegevens heeft aangeleverd en of onze privacyregels zijn overtreden, ligt er vooral een politieke vraag voor. Is de Minister voor Integratie bereid om afstand te nemen van de inhoud van de brief? Wil hij dit ongenoegen ook overbrengen aan de Turkse autoriteiten en hiermee pal staan voor al die Turkse Nederlanders die niet gediend zijn van de lange arm van Ankara?

De Turkse regering heeft grootse plannen, zoals investeren in Nederlandse crèches en scholen en het verkiesbaar maken van volksvertegenwoordigers die de belangen van de Turken in het buitenland moeten dienen. Meer en duidelijker bewijs van ongewenste beïnvloeding kan de Minister zich toch niet wensen? Is hij dan ook bereid om de moties van collega Potters en mijzelf echt uit te voeren en de samenwerking – of in zijn eigen bewoordingen: de bondgenootschappen – met de Turkse regering en de Turkse TRSO's, die niets anders zijn dan een exponent van deze politiek, te beëindigen?

Hetzelfde geldt in meerdere of mindere mate voor de Marokkaanse regering. Het is fijn dat de Minister onze motie uitvoert om geen religie of imams vanuit Marokko hiernaartoe te halen, maar ik zou graag willen dat hij dit nog eens bevestigt en duidelijk maakt. In zijn beantwoording van onze schriftelijke vragen laat hij namelijk wel degelijk ruimte over. In plaats van een verouderde, kwalijke verzuilingspolitiek te blijven voeren, zou de Minister eens met een serieuze agenda moeten komen ter bestrijding van segregatie en ter bevordering van het volwaardige Nederlanderschap van in Nederland geboren en getogen kinderen van migranten. We moeten investeren in samenleven, in onderwijs en in werk en inkomen, zodat mensen niet tegenover elkaar komen te staan en de tweedeling groeit. Laten we niet vergeten dat de groeiende onzekerheid niet alleen het vertrouwen in overheid en politiek schaadt, maar ook het vertrouwen in elkaar, zeker wanneer dit hand in hand gaat met het naar voren schuiven van zondebokken, zoals sommige partijen doen.

Dit brengt mij op de acute kwestie van de inburgering van nieuwkomers. Wat gaat de Minister hiermee doen? Wanneer kunnen wij de plannen ontvangen? Inzake de jeugdverblijven lees ik in het besluit dat de Minister de optie openhoudt voor gemeenten om private jeugdverblijven met een duidelijk godsdienstige agenda te subsidiëren. Ik acht dit niet mogelijk. Ik hoop dat hetzelfde geldt voor de Minister. De vraag is of hij het besluit op dit punt gaat aanpassen.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Er staat veel op de agenda, te veel, dus ik zal het bij een aantal onderwerpen houden.

Ik begin met de eerdergenoemde brief van Erdogan, waarin Nederlanders van Turkse komaf worden opgeroepen om op de AK-partij te stemmen. Als ze dat doen, krijgen ze ook nog eens korting bij Turkish Airways. Het is het equivalent van premier Rutte die een brief zou sturen naar Nederlanders in het buitenland waarin hij oproept om op de VVD te stemmen en ook nog korting belooft bij KLM. Ik zou graag zien dat de Minister hier grote afstand van neemt, niet alleen omdat het een onterechte beïnvloeding is van het verkiezingsproces in Turkije, maar ook omdat het betekent dat Nederlanders worden geïntimideerd en dat hun keuzevrijheid wordt beperkt. Dat lijkt mij onwenselijk.

Zowel in Nederland als in Europa waren wij onvoldoende voorbereid op de instroom van asielzoekers. De vreemdelingenketen werd overvallen door grote aantallen. Alle aandacht lijkt nu naar opvang te gaan. Gedeeltelijk is dat terecht, maar we hebben ook te maken met een acuut en urgent integratievraagstuk. Hoe zorgen wij ervoor dat deze mensen straks niet zes maanden op hun handen zitten in de opvang? Hoe zorgen we ervoor dat ze zo snel mogelijk met de taal aan de slag gaan, aan het werk gaan? De Kamer heeft het kabinet per motie opgeroepen om een plan van aanpak te maken rondom de integratie van deze nieuwe instromers, maar dat is inmiddels een tijd geleden. Waar blijft dit plan? Is de Minister bereid om het uiterlijk volgende week naar de Kamer te sturen? Het is echt cruciaal dat we geen tijd verliezen met de integratie van deze nieuwkomers.

Ook in dit kader, kijkende naar de incidenten in het land, sluit ik mij graag aan bij de vragen van collega Karabulut over het groeiend rechts-extremisme, met name hoe de Minister dit apprecieert en welke maatregelen hij daartegen wil nemen.

Asielzoekers zitten nu gemiddeld vijf maanden of langer in de noodopvang. D66 stelt daarom voor om al in de noodopvang te beginnen met verplichte taalcursussen. Dat is een kostbare investering, maar wel een investering die het dubbel en dwars waard is. Het leren van de taal is een belangrijke voorwaarde voor het meedoen aan de maatschappij. Uit onderzoek blijkt dat migranten dan twee tot drie keer meer kans hebben op een baan en dus ook twee tot drie keer minder kans op de bijstand. De Staatssecretaris van V en J reageerde daar, mede namens deze Minister, deze week schoorvoetend op: ja, het COA gaat bezien of er taalles kan worden gegeven, maar we moeten niet verwachten dat dat al meteen gebeurt. Dat gebeurt ergens na enkele maanden in de opvang. Ik vraag de Minister: waarom wachten? Kostbare tijd gaat verloren. Ik vraag hem dan ook met klem om zich hiervoor in te zetten. Zorg ervoor dat hier geld voor komt en dat we vanaf dag één kunnen beginnen.

Het gaat natuurlijk ook over diploma's en werk. Werken is de motor van integratie. De Minister heeft vanochtend een brief hierover gestuurd, die ik helaas nog niet tot mij heb kunnen nemen. Ik ben wel zeer benieuwd wat de Minister heeft besproken over het aan het werk krijgen van deze vluchtelingen, dus over het erkennen van diploma's en het beter spreiden van vluchtelingen naar gelang hun eigen expertise. Een Syriër uit Latakia heeft waarschijnlijk meer te makken in een havenstad als Rotterdam dan ergens in Drenthe. Ik hoor dus graag van de Minister wat we de komende tijd kunnen verwachten op het terrein van het erkennen van diploma's, van werk en van spreiding naar expertise. Wat is er eigenlijk uit het overleg met werkgevers en organisaties gekomen? Is de Minister bereid om de gemeenten experimenteerruimte te geven om met vluchtelingen aan de slag te gaan? Enkele gemeenten, niet in de laatste plaats de gemeente Amsterdam, hebben daartoe opgeroepen.

Tot slot de inburgering.

De voorzitter: Voordat u daaraan begint, mijnheer Sjoerdsma, heeft mevrouw Karabulut een vraag aan u.

Mevrouw Karabulut (SP): Werk en inburgering en wel zo snel mogelijk, zijn heel belangrijke ingrediënten voor samenleven. Dat delen wij. In het vage briefje van de Minister lees ik dat hij met een taskforce komt. Is de heer Sjoerdsma met mij van mening dat wij voor alle Nederlanders een grote uitdaging hebben en dat de taskforce zich moet richten op alle vormen van het bestrijden van werkloosheid, ook voor al die oudere werkzoekenden in wie niet meer wordt geïnvesteerd? Het moet dus een generieke aanpak worden, waarin uiteraard de mensen die diploma's hebben, nieuwkomer zijn en een plek verwerven, aan het werk worden geholpen, maar ook die meer dan 600.000 andere werklozen.

De heer Sjoerdsma (D66): Dat is uiteraard van heel groot belang. Het is echt van belang dat we, als er wordt gezocht naar een baan of wordt gekeken naar expertise, niet uit het oog verliezen dat we in dit land nog steeds 600.000 werklozen hebben. Mevrouw Karabulut zegt terecht dat er ook een groot aantal oudere werklozen is. Ook vanuit dat oogpunt – ik zou hopen dat mevrouw Karabulut daar onze partij weer vindt – is het bijvoorbeeld van groot belang dat we het belastingstelsel hervormen. Het kabinet komt daarmee tot het aantal van 35.000 banen. D66 komt tot 70.000 banen. Dat maakt al een groot verschil voor al die mensen die wachten op perspectief.

Mevrouw Karabulut (SP): Het had enorm geholpen als wij de rekening van deze crisis, meer dan 50 miljard aan bezuinigingen, niet voor een groot deel hadden neergelegd bij de normale Europese bevolking, maar bijvoorbeeld de banken en het grootkapitaal iets meer hadden laten betalen. Dan was de voedingsbodem voor radicalisering minder geweest en hadden wij daarnaast simpelweg meer geïnvesteerd in Nederland, hetgeen meer banen had opgeleverd.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik ga in op mijn laatste punt: de inburgering.

De voorzitter: De heer De Graaf heeft nog een vraag aan u.

De heer De Graaf (PVV): Volgens D66-normen dient iemand uit een havenstad in een havenstad geplaatst te worden, maar zo iemand kan natuurlijk ook kapper zijn of ICT'er of neurochirurg. Dat is dus een beetje apart. Ik las het vrij betrouwbare bericht op internet dat zwendelaars en universiteiten die op dit moment nog in Syrië functioneren, dagelijks bezig zijn met het vervalsen van documenten en het uitgeven van duizenden vervalste bullen en diploma's. Die zijn niet te controleren op echtheid. Mensen nemen die mee naar bijvoorbeeld Nederland of Duitsland. Hoe wil de heer Sjoerdsma daarmee omgaan? Het bulkt dus van de valse diploma's en valse bullen van universiteiten.

De heer Sjoerdsma (D66): De heer De Graaf heeft absoluut een punt als hij erop wijst hoe belangrijk het is om inzicht te krijgen in de expertise en capaciteiten van vluchtelingen. Daar bestaat nog steeds heel veel onduidelijkheid over. Het COA heeft daar wel een inschatting van gemaakt. Diens globale schatting is dat van deze mensen een derde hoog is opgeleid, een derde midden tot laag is opgeleid en een derde weliswaar niet analfabeet is, maar wel zeer laag is opgeleid. Indien iemand zegt een diploma te hebben, is het uiteraard van het allergrootste belang dat niet alleen wordt getoetst of het diploma echt is, maar ook of diegene over de capaciteiten beschikt die bij zo'n diploma horen.

De heer De Graaf (PVV): Daarmee erkent D66 in ieder geval voor een stukje dat wij een probleem binnenhalen. Mensen kunnen namelijk wel zeggen dat zij hoog, middelbaar of laag zijn opgeleid, maar uit onderzoeken en uit verhalen uit azc's blijkt dat 80% van hen laag is opgeleid, analfabeet is of nagenoeg analfabeet is. Wij halen dus een heel groot probleem binnen. De eventuele kwaliteiten zijn niet te toetsen, want de diploma's zijn vervalst. Dus: wij halen een groot probleem binnen. D66 wil al deze mensen toegang geven tot Nederland, terwijl hier 600.000 mensen werkloos zijn, 300.000 zzp'ers niks te doen hebben en 413.000 mensen in de bijstand zitten. Hoe gaat D66 daar dan mee om? Hoe gaat D66 dat verkopen aan de eigen bevolking?

De heer Sjoerdsma (D66): De motivatie van D66 om deze mensen op te nemen verschilt inderdaad hartgrondig met die van de PVV. In 80% van de gevallen zijn deze mensen gevlucht voor oorlog, een dictatuur of repressie. De PVV wil daar helemaal niks van hebben en zegt dan «zoek het maar uit». D66 vindt dat wij de morele plicht hebben om deze mensen op te vangen en hun veiligheid en een nieuw perspectief te bieden. Daarin verschillen onze partijen hemelsbreed. Dat de heer De Graaf enkel wil inzoomen op de problemen, is zijn goed recht. Er zijn ook problemen, en die moeten wij serieus nemen, maar de heer De Graaf wil deze mensen alleen maar terugsturen. Dat is iets anders dan die problemen serieus nemen.

Ik heb nog 20 seconden. Ik ga nog heel kort in op de inburgering. De cijfers over het aantal mensen dat de inburgeringscursus start en haalt, zijn verontrustend. Ik vraag de Minister of het niet heel erg nodig is dat hieraan op korte termijn nieuw elan wordt gegeven, met extra energie en met een extra poging. Als het zo doorgaat, vermoed ik dat de cijfers die wij na het onderzoek in de zomer van 2016 krijgen, verontrustend zullen zijn.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Voorzitter. Wij zijn tegen iedere vorm van geweld. Wij zijn tegen iedere vorm van antisemitisme en islamofobie, maar wij zijn ook fel tegen de dubbele maat. De acties van de Minister vinden wij veel te eenzijdig. Hij maakt een actieplan tegen antisemitisme, terwijl uit zijn eigen onderzoek blijkt dat moslimhaat een groter probleem is. Ik vind dan ook dat de Minister een actieplan tegen moslimhaat moet maken.

Wij vinden dat alle bedreigde synagogen en moskeeën beschermd moeten worden. Ieder mens moet zijn geloof in veiligheid kunnen belijden. Maar wat doet de Minister? Hij geeft 1,5 miljoen euro uit voor de beveiliging van de synagogen, maar gaat met lege handen naar de moskeeën. Antisemitisme kun je alleen aanpakken als je de moslimhaat, de islamobofie, ook aanpakt. Anders werkt dit niet. Anders is dit fundamenteel onrechtvaardig. Onrechtvaardigheid werkt onrust in de hand en onrust leidt tot onveiligheid. Hoelang gaat de Minister deze eenzijdige benadering volhouden? Waarom behandelt hij niet alle geloofsgemeenschappen gelijk? Dat is toch conform het gelijkwaardigheidsbeginsel uit onze Grondwet?

Ik ga in op de brief over salafisme. De VVD, de grootste partij, heeft al haar aandacht op de salafisten gericht. In ons land wordt de democratie de afgelopen tijd echter ondermijnd; extreemrechtse figuren worden aangespoord door de PVV en verstoren bijeenkomsten. Naar onze mening moet alle aandacht daarnaar uitgaan. Er wordt al heel veel aandacht besteed aan de salafisten. Zij worden al door de AIVD gevolgd. Laten wij onze aandacht nu eens richten op de extreemrechtse groepering die onze democratie omver wil werpen.

De heer Marcouch (PvdA): Collega Öztürk suggereert dat moskeeën die worden bedreigd of aangevallen, niet worden beveiligd. Kan collega Öztürk zeggen welke moskee in Nederland die beveiliging nodig had, van de overheid geen beveiliging heeft gekregen?

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Ik sprak over de middelen. De synagogen hebben 1,5 miljoen euro gekregen voor het plaatsen van camera's en veiligheidsglas, voor het plaatsen van veilige deuren en voor het nemen van allerlei andere maatregelen. De moskeeën hebben dat niet gekregen. Dat is mijn punt.

De heer Marcouch (PvdA): Als uit taxaties en inschattingen van professionals blijkt dat een synagoge direct wordt bedreigd, kunnen wij toch niet vervolgens maar iedereen beveiligen? Wij beslissen toch op basis van veiligheidsanalyses van professionals wat wel en wat niet beveiligd moet worden? Je kunt toch niet zomaar overal beveiligers neerzetten? Tenzij iets wel beveiligd had moeten worden terwijl dat niet is gebeurd, is de kritiek van de heer Öztürk naar mijn mening voorbarig en onterecht.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Het is jammer dat de heer Marcouch alleen opkomt voor de synagogen en niet voor de moskeeën. Twee derde van de moskeeën is de afgelopen tijd beklad met hakenkruisen en verfbommen. Heel veel moskeebesturen hebben aangegeven dat zij zich onveilig voelen en dat maatregelen genomen moeten worden. Wat doet de Minister? Hij gaat naar hen toe en spreekt zijn zalvende woorden, maar vervolgens gebeurt er weer niks. Dat is mijn kritiek. Behandel hen gewoon gelijk!

Mevrouw Karabulut (SP): Ik vind dit nogal een beschuldiging. Dat is blijkbaar het niveau van de heer Öztürk. Hij beschuldigt de PVV doorgaans van van alles en nog wat. Ik vind dat hij vrij dicht in de buurt komt met dit alles. Ik wil graag van hem weten welke moskeeën die zijn bedreigd en zich daadwerkelijk in een onveilige situatie bevinden, niet worden beveiligd door de overheid. Dat is inderdaad een overheidstaak. Als die er zijn, ga ik daarop samen met hem, en ik denk ook samen met de Minister en de heer Marcouch, actie ondernemen. Graag hoor ik welke moskeeën onvoldoende worden beveiligd.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Mevrouw Van der Valk heeft hierover een rapport gepresenteerd. Zij heeft ook een enquête gehouden onder de moskeeën die zich onveilig voelen en om veiligheidsmaatregelen vragen. Mijn punt is dat wij geld beschikbaar moeten stellen voor het aanbrengen van camera's en veiligheidsglas en voor het nemen van andere veiligheidsmaatregelen. Ik heb het niet over de politie-inzet, waar mijn collega's steeds op doelen. Ik heb het over het geld dat de synagogen hebben gekregen om veiligheidsmaatregelen te nemen. Daar is 1,5 miljoen euro naartoe gegaan, maar niet naar de moskeeën. Die ongelijkheid bestrijd ik.

Mevrouw Karabulut (SP): De heer Öztürk suggereerde dat de Staat, de overheid, de Minister, de heer Marcouch, wij allemaal geloof ik behalve u, minder zouden hechten aan de veiligheid van moskeeën dan aan de veiligheid van synagogen. Daar neemt hij nu afstand van?

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Ik heb in het begin van mijn betoog gezegd dat wij tegen iedere vorm van geweld zijn. Wij vinden het terecht dat, als synagogen worden bedreigd, de Minister 1,5 miljoen geeft. De eerste taak van de overheid is immers het beveiligen van haar burgers. Iedereen moet in zijn eigen geloofsgemeenschap zijn geloof kunnen belijden. Ik zeg dat deze Minister onderscheid maakt tussen moskeeën en synagogen. Hij geeft de synagogen wel geld om veiligheidsmaatregelen te nemen, maar de moskeeën niet. Dat is mijn kritiek. Daarover verschillen wij van mening. Blijkbaar vinden de heer Marcouch en mevrouw Karabulut dat terecht, maar ik niet.

Zo veel Nederlandse moslims wordt pijn gedaan door hen met terrorisme te associëren. In de beeldvorming is bijna iedere moslim een salafist en is bijna iedere salafist een terrorist, maar dat klopt helemaal niet. Er zijn een paar duizend mensen die extreem denken. Onder hen zijn er ook heel veel die zonder geweld een bepaald gedachtegoed aanhangen. Alle focus, alle ideeën, alle middelen gaan daarheen. Daar heb ik kritiek op. Wij vergeten de extreemrechtse gebeurtenis van de afgelopen dagen weer. Naar onze mening moet daar de komende tijd alle aandacht naar uitgaan.

Het is de taak van de politici en van de Minister om deze beeldvorming tegen te spreken. De meeste politici doen echter precies het tegenovergestelde.

De heer Pieter Heerma (CDA): De eerste keer dat de heer Öztürk hierover sprak, twijfelde ik al over een interruptie, maar nu doet hij het een tweede keer. Hij zegt dat alle aandacht naar rechts-extremisme moet uitgaan. De brief over het salafisme, de gevaren daarvan en de analyse van de Minister daarover, liegen er niet om. Er zijn voorbeelden van onverdraagzaamheid, isolationisme en ondemocratische activiteiten. Dat kan ruimte bieden voor radicalisering. Zegt de heer Öztürk dat daar geen aandacht voor moet zijn omdat alle aandacht naar het rechts-extremisme moet uitgaan? Dat heeft hij nu al twee keer gezegd in zijn inbreng: alle aandacht moet daarnaar uitgaan.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Ik heb gezegd dat bijna alle aandacht al tien, vijftien of twintig jaar uitgaat naar salafisten. Nu zeg ik dat extreemrechts het grootste gevaar is. De PVV wordt met de dag groter. Dat is gevaarlijker dan alle bedreigingen die de AIVD naar voren brengt. Daarom stel ik voor om de aandacht die nu volledig naar de salafisten gaat, om te buigen naar aandacht voor extreemrechts. Dat is mijn punt.

De heer Pieter Heerma (CDA): Verschillende woordvoerders in dit debat hebben ook aandacht besteed aan extreemrechtse uitingen. Ik ga dat zo direct ook doen; daarin zit immers ook een risico. Het is toch bizar om hier te doen alsof de voedingsbodem voor radicalisering, Syriëgangers en IS wel meevalt en wij de focus moeten verleggen naar extreemrechts? Dan begeven wij ons in dit debat toch wel een beetje buiten de werkelijkheid.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Men probeert mijn woorden in de mond te leggen. Ik zeg niet dat het meevalt. Ik zeg dat extreemrechts gevaarlijker is dan die paar duizend mensen waar al tien, vijftien jaar alle aandacht naar uitgaat. Daar heb ik het over. In het verleden hebben wij wel gezien wat extreemrechts met Europa heeft gedaan. Daar heb ik het over.

De heer Potters (VVD): Ik twijfel altijd of ik op zo'n moment een interruptie moet plegen, maar soms is de gekheid zo groot dat wij dat wel moeten doen. De AIVD heeft namelijk in een analyse nadrukkelijk laten weten dat het salafisme, met name het politiek salafisme en jihadisalafisme, een grote bedreiging is voor onze rechtsstaat en dat wij daar echt tegen moeten optreden. Ik neem aan dat een politieke partij daar geen afstand van neemt, maar gewoon zegt dat zij dat ook ziet en dat daartegen hard opgetreden moet worden. Wij moeten natuurlijk ook andere vormen van geweld aanpakken, maar wij moeten niet wegkijken van dit soort extreem gevaar uit het islamisme. Zou de heer Öztürk daar een duidelijk «ja» of «nee» op kunnen zeggen?

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Ik heb in het begin van mijn betoog gezegd dat wij tegen iedere vorm van geweld zijn. Waar dat vandaan komt, maakt niks uit. Wij zijn met z'n allen alleen maar gefocust op salafisme. Het grotere gevaar zien en benoemen wij daardoor niet en daardoor pakken wij het niet aan. Een betoog van de grootste partij van Nederland gaat vier minuten lang alleen maar over salafisme. Op dat vlak probeer ik een ombuiging te realiseren. Dat is mijn doel.

De heer Potters (VVD): Die ombuiging komt er niet als de heer Öztürk niet erkent dat dit een groot gevaar is, als hij dat eigenlijk gewoon bagatelliseert en probeert daarvan weg te kijken. Ik constateer dat het AIVD-rapport over salafisme voor de heer Öztürk niet ter zake doet, dat salafisme naar zijn mening geen enkele bedreiging of een geringe bedreiging vormt en dat hij graag wegkijkt naar andere vormen van extreem geweld. Dat is zijn afweging, maar volgens mij brengen wij daarmee de samenleving in groot gevaar.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Nee, alle geweldsdreigingen, waar die ook vandaan komen, moeten aandacht krijgen. Die moeten ook worden aangepakt, maar als de grootste partij van Nederland de extreemrechtse bedreiging van de afgelopen maanden niet wil zien en niet wil aanpakken of bang is stemmen te verliezen aan Geert, dan heb ik daar kritiek op. Die uit ik gewoon hard.

De heer De Graaf (PVV): Ik heb een punt van orde, voorzitter. Ik word persoonlijk aangesproken, mijn partij wordt aangesproken en mijn fractievoorzitter wordt genoemd als zijnde de oorzaak van zogenaamd rechts-extremistisch geweld. Kan de heer Öztürk mij zeggen waar wij opgeroepen hebben tot geweld? Wij hebben altijd gesproken over democratisch verzet en geweldloos verzet. Wij hebben nooit een andere tekst gebruikt. Overigens, de meest rechts-extreme stroming in Nederland stemt extreemlinks. Dat heeft pas nog in de krant gestaan. Dat heeft dus niets met de PVV van doen. Ik neem daar ook afstand van. Ik vraag aan de heer Öztürk of hij afstand wil nemen van zijn eigen geraaskal hierover.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): De heer Wilders gebruikt extreme woorden. De heer Wilders hitst mensen op. De heer Wilders zorgt ervoor dat mensen hun innerlijk kwaad harder kunnen uiten. Als je mensen ophitst en de democratie iedere keer ondermijnt door de Tweede Kamer een nepparlement te noemen, als je de rechtbank in Den Haag ondermijnt door al voor de uitspraak te zeggen dat die niet klopt, dan geef je de extreemrechtse mensen steun om dit soort gewelddadige zaken te doen. Daar moet de PVV naar onze mening mee ophouden.

De heer De Graaf (PVV): Ik heb nog geen begin van een antwoord gehoord op mijn vraag. De heer Öztürk gaat door met raaskallen. Het slaat echt werkelijk nergens op. Ik houd dat maar voor zijn rekening. Laat maar zitten.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Hebben alle collega's op mij gereageerd, voorzitter, of zijn er nog over? Hoeveel minuten heb ik nog?

De voorzitter: U vervolgt uw betoog. U hebt nog anderhalve minuut.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Dan ga ik over naar een ander onderwerp, anders vergeet ik dat.

De brancheorganisatie heeft terecht een brief geschreven over het ontwerp Besluit op de jeugdverblijven. Daarin worden de zorgen van heel veel ouders naar voren gebracht. Er is ook een internetconsultatie geweest, waarop 3.260 reacties zijn binnengekomen. Ouders maken zich zorgen om de desbetreffende wet. Is de Minister bereid om de zorgen van deze ouders weg te nemen? Daarnaast zijn er ook wetstechnische gebreken. Is de Minister bereid om deze gebreken alsnog weg te nemen? Wat gaat de Minister hier concreet aan doen?

Ik wil verder pleiten voor een acceptatiebeleid. Wij vinden dat in Nederland een acceptatiebeleid moet worden gevoerd. Zonder acceptatie is er geen integratie. Als je niet werkt aan een beleid gericht op de acceptatie van nieuwkomers, en van oudkomers, kun je ook geen integratie bewerkstelligen. Het overleg, zoals het overleg van vandaag, gaat eenzijdig over integratie. Naar onze mening hoort acceptatie altijd bij integratie. Hoe kun je nu integreren als je niet wordt geaccepteerd? Als je een integratiemonitor houdt, moet je dus ook een acceptatiemonitor houden. Als je een inburgeringstoets invoert, moet je ook een acceptatietoets invoeren.

Ik rond af met drie concrete vragen aan de Minister. Is de Minister bereid om een actieplan op te stellen tegen moslimhaat? Er is immers ook een actieplan tegen antisemitisme. Is de Minister bereid geld uit te trekken voor het beveiligen van de moskeeën? Ruim twee op de drie moskeeën hebben te maken met geweldsincidenten. Bescherm die moskeeën gewoon. Is de Minister bereid om een acceptatietoets in te voeren, opdat Nederlanders worden getoetst op hun acceptatiebereidheid?

Minister, behandel alle geloofsgemeenschappen gelijk.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Op dit moment komen grote aantallen asielzoekers naar Nederland. Twee derde van hen krijgt een verblijfsstatus. Van de Syriërs, die de meerderheid vormen, krijgt bijna iedereen een verblijfsstatus. Hoe zorgen wij ervoor dat zij een goede plek in de Nederlandse samenleving krijgen? Het krijgen van een goede plek in de Nederlandse samenleving: dat is waar integratie naar de mening van GroenLinks om gaat.

In de motie-Klaver c.s. (19 637, nr. 2032), die tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen is aangenomen, heeft de Kamer de regering verzocht om een plan van aanpak te formuleren waarin de integratiemogelijkheden van vreemdelingen door middel van arbeid en scholing tijdens de procedure worden vergroot en hiervoor middelen vrij te maken. In het rapport Verloren tijd van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken uit 2013 werd reeds aanbevolen om asielzoekers al in opvangcentra te laten werken, vrijwilligerswerk te laten doen of onderwijs te laten volgen, omdat dit vergaande gezondheidsklachten en depressie tegen kan gaan. Dan kunnen zij met meer energie inburgeren of, als zij uiteindelijk niet kunnen blijven, actiever meewerken aan hun vertrek. GroenLinks ziet dan ook graag het plan van aanpak tegemoet en heeft daarvoor al een voorstel.

Wij vinden dat onderdeel van het plan van aanpak moet zijn dat jonge asielzoekers van 16 tot en met 26 jaar direct na registratie verplicht worden om Nederlands te leren, naar school te gaan of te werken. Een intensivering op deze specifieke groep is nodig omdat deze asielzoekers nu buiten de leerplicht vallen, maar wel een leeftijd hebben waarop zij zich nog volop ontwikkelen. Structuur en perspectief bieden is juist voor deze groep, zolang die nog in de opvang zit, extra belangrijk. Elke week dat deze jongeren stilzitten, heeft zijn weerslag op de toekomst, of deze nu in Nederland ligt of niet. Daarom moeten zij aan de slag: met het leren van de taal, met de opleiding, met werk. Daarbij kunnen natuurlijk ook de mogelijkheden voor leerwerkplekken of Engelstalige opleidingen bekeken worden, als jongeren dat kunnen. Dat maakt het beleid ook eenduidiger. Van Nederlandse jongeren tot en met 26 jaar verwachten wij immers ook dat zij werken of leren. Als zij dat niet doen, krijgen ze een leer- of werkaanbod.

Wij willen dat jonge asielzoekers Nederlands leren, een opleiding volgen of werken. Hiervoor moet een aanbod in de opvangcentra worden geregeld in samenwerking met scholen en gemeenten en met bijvoorbeeld VluchtelingenWerk Nederland. Zo zetten wij de beschikbare middelen gericht in voor een doelgroep voor wie activering en perspectief het belangrijkst zijn. Wil de Minister dit een onderdeel van het plan van aanpak maken? Wanneer kunnen wij de uitvoering van de motie-Klaver tegemoetzien?

Dinsdag ontvingen wij een brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie die mede is verstuurd namens deze Minister. Daaruit blijkt dat het kabinet juist wil dat mensen pas in aanmerking komen voor les in Nederlandse taal als zij langere tijd in de opvang zitten. Daarmee zet het kabinet het leven van mensen echter juist onnodig lang «on hold». Ik neem dus aan dat de motie-Kuiken/Marcouch die werd aangehouden in afwachting van deze brief, nu alsnog in stemming wordt gebracht.

Ook de brief over het overleg met sociale partners stelt teleur. Daarin wordt alleen gesproken over de situatie van statushouders, terwijl wij juist willen dat mensen tijdens hun procedure al aan het werk kunnen.

Ik wil ook graag de inburgering bespreken. Wij hebben daar ook vragen over gesteld, want de eerste cijfers laten zien dat het huidige beleid niet werkt. Nog maar 16% van de verplichte inburgeraars is ingeburgerd. Zij hebben nog maar één jaar te gaan om het examen te halen. Ik heb hier op 7 september vragen over gesteld. In de antwoorden op die vragen zegt de Minister dat een folder in vijftien talen beschikbaar is. Als ik die folder vervolgens op het internet opzoek, blijkt dat daarin wordt verwezen naar de website, waarop alleen informatie in het Nederlands beschikbaar is. Denkt de Minister dat je op deze manier mensen goed wegwijs maakt en goed helpt om in te burgeren? Hoe staat het dan met de zelfredzaamheid? Die bevorder je daarmee toch niet?

Een ander punt hierbij is de moeilijkheidsgraad van de taalexamens. Ook hier heb ik vragen over gesteld. De Minister zegt dat daar niks mis mee is, maar ik vind het wel heel opvallend dat het slagingspercentage op bijvoorbeeld het onderdeel lezen slechts 52 is. Wat is zijn verklaring daarvoor?

Tot slot. De rapporten over radicalisering, salafisme en antisemitisme vinden wij zeer zorglijk. Verdraagzaamheid moet van alle kanten komen. Er kan in onze samenleving geen ruimte zijn voor rassenhaat en discriminatie. Wij vinden het goed om hier een apart AO over te houden, want het gaat niet over de integratie van nieuwkomers in Nederland. Het gaat vaak over mensen die hier opgroeien en die antisemitisme ontwikkelen. Het gaat ook over Nederlanders die haat tegen moslims of buitenlanders koesteren. Het lijkt ons daarom goed om dit soort zaken in een apart AO over extremisme te bespreken.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Wij hebben een agenda met heel veel belangrijke punten. Ik pik er één uit op basis van de actualiteit, en dat is de inburgering. Vandaag wil ik een pleidooi houden voor de revitalisering van ons inburgeringstraject op alle drie de onderdelen: de Nederlandse taal, de Nederlandse waarden en de oriëntatie op de arbeidsmarkt.

Het inburgeringstraject is kaal en te karig. Zeker, wij debatteren nu over de participatieverklaring en de waarden die wij ook zelf moeten naleven. Het is heel mooi dat gemeenten de kans krijgen om alsnog een nieuw integratiebeleid uit het slop te trekken. Daarvoor alle steun, maar ik wil de karige inburgering revitaliseren. Daarbij staat met stip op een: taalles vanaf dag één. Die taalles hoeft niet per se wettelijk verplicht te worden of door professionele docenten gegeven te worden, maar taalles moet er wel zijn, om de eerste liefde voor onze taal wakker te maken. Wat gaat de Minister doen om dit te realiseren?

Op twee staat een waardenexercitie.

De heer Sjoerdsma (D66): De heer Marcouch zegt terecht dat taalles er vanaf dag één moet zijn. Is dat vanaf de dag waarop deze mensen in het land komen, of vanaf de eerste dag waarop zij een status hebben gekregen?

De heer Marcouch (PvdA): Wat mij betreft krijgen zij die vanaf de dag waarop zij aankomen. Dat kan op verschillende manieren worden gedaan, bijvoorbeeld in de crisisopvang of de noodopvang. Ik kan mij voorstellen dat de manier waarop, de vorm waarin en het aanbod per situatie verschillen. Mensen in dat soort situaties hebben immers ook andere dingen aan hun hoofd. Ik kan mij echter heel goed voorstellen dat je bijvoorbeeld in een noodopvang of zelfs in een crisisopvang al begint met het opbouwen van een woordenschat die heel nuttig kan zijn. Dat gebeurt ook her en der met inzet van vrijwilligers.

De heer Sjoerdsma (D66): Dat vind ik een heel goed standpunt en het is ook terecht. Ik neem aan dat dit ook inhoudt dat de Partij van de Arbeid geen genoegen neemt met de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en deze Minister waarin wordt gesteld dat pas na enkele maanden in de noodopvang begonnen kan worden begonnen met het leren van de Nederlandse taal.

De heer Marcouch (PvdA): Collega Sjoerdsma weet dat wij de motie-Klaver hebben gesteund. Wij hebben ook zelf een motie ingediend en aangehouden in afwachting van de brief. Uiteraard vonden wij de brief van de Minister niet voldoende.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik denk dat wij nieuws hebben, tenminste, als ik het verhaal van de heer Marcouch goed begrijp. Hij zegt dat er weer een infrastructuur moet komen voor taal- en inburgeringsonderwijs. Daar ben ik het helemaal mee eens. De heer Marcouch weet ook dat het onder andere de Partij van de Arbeid is geweest die heeft besloten om die af te bouwen. En nu zitten we met de gebakken peren. Kan ik ervan op aan dat de heer Marcouch een voorstel doet, met dekking en al, om de infrastructuur voor het taal- en inburgeringsonderwijs in heel Nederland te herstellen, zodat die honderdduizenden Nederlanders met een migrantenachtergrond of die analfabeet zijn, goed taal- en inburgeringsonderwijs kunnen volgen?

De heer Marcouch (PvdA): Wij spreken over een inburgeringswet waar de Partij van de Arbeid indertijd tegen heeft gestemd. Ik werp verre van mij dat de Partij van de Arbeid verantwoordelijk is voor de wet die nu geldt.

Ik pleit inderdaad voor een inburgeringstraject dat er daadwerkelijk toe leidt dat mensen de waarden en normen in Nederland leren. Het begint natuurlijk met het leren van de taal. Ik spreek later in mijn inbreng ook over waardenexercities. Ik vind dat er meer moet zijn dan een foldertje, een stenciltje of website waardoor je iets kunt vernemen over een waarde die vervolgens gereproduceerd moet worden op een examen. Ik wil dat integratie en inburgering echt meer vlees op de botten krijgen.

Mevrouw Karabulut (SP): Het antwoord op mijn vraag is dus ja. De heer Marcouch zegt inderdaad ontevreden te zijn met het stelsel. Daar is ook alle reden toe, want je ziet dat meer dan de helft van de mensen die volgend jaar een inburgeringsexamen moeten halen, daar niet of op een bedenkelijke manier mee bezig is. De heer Marcouch erkent dat er honderdduizenden mensen zijn die hieraan nog behoefte hebben en hij erkent ook dat er nog tienduizenden nieuwkomers zijn. Hij wil dus uitbreiden. Dat is prima, maar houdt dit ook in dat hij concrete voorstellen zal doen om de wetten en de regels te wijzigen en de daarvoor vereiste middelen zal vrijspelen?

De heer Marcouch (PvdA): Ik pleit voor meer kwaliteit in de inburgering en integratie. Het geld is eigenlijk niet meteen het eerste probleem, want er blijft geld liggen. Dat wordt niet eens helemaal benut. Dat blijkt ook uit de verslagen die wij van de regering krijgen. Het gaat er vooral om hoe je dit organiseert en wanneer je begint. Naar mijn mening moeten wij vluchtelingen of andere vreemdelingen niet maanden of jaren laten wachten voordat zij met de inburgering kunnen beginnen, want dan hospitaliseer je hen. Benut de power en de kracht die er in aanleg is om ervoor te zorgen dat mensen daadwerkelijk zelfredzaam worden, productief kunnen zijn en kunnen bijdragen aan de samenleving. Dat is goed voor de samenleving en dat is goed voor de mensen om wie het gaat.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik wil nog eventjes ingaan op de brief van de Minister over taalonderwijs aan mensen in asielzoekerscentra. De Minister zegt heel duidelijk: wij vinden dat mensen pas met het leren van de Nederlandse taal hoeven te beginnen als zij langere tijd hier zijn en als het echt zeker is dat zij hier blijven. Dat is volgens mij iets anders dan wat de Partij van de Arbeid voorstelde in de aangehouden motie-Kuiken/Marcouch. Daarin staat dat meteen bij aanvang begonnen moet worden met het leren van de Nederlandse taal en de Nederlandse normen en waarden. Ik hoor graag van de Partij van de Arbeid wat zij nu gaat doen.

De heer Marcouch (PvdA): Ik houd een pleidooi en ik ben benieuwd naar de reactie van de Minister. Wij hebben die motie aangehouden. Als dat nodig is, zullen wij haar alsnog indienen. Wij weten van tevoren bijna zeker dat een groot deel van de mensen die uiteindelijk in de procedure terechtkomen, hier blijft. Dat blijkt uit alle onderzoeken. Wij willen dat mensen niet werkloos zijn doordat zij bijvoorbeeld te laat zijn begonnen met de taal, doordat zij te passief zijn geworden, doordat zij te lang «gehospitaliseerd» zijn. Wij zijn van mening dat wij op een andere manier naar de inburgering moeten kijken. Integratie begint vanaf dag één met het leren van de taal. Dat moet wat meer vlees op de botten krijgen, en dat geldt ook voor het leren van de gebruiken, gewoonten en waarden die wij in Nederland belangrijk vinden.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik ben het ermee eens dat wij mensenlevens niet «on hold» moeten zetten. Mensen moeten meteen aan de slag met het leren van Nederlands en zij moeten zo snel mogelijk aan het werk. GroenLinks en de Partij van de Arbeid zijn het daarover eens. Het kabinet heeft echter een ander standpunt. Dat staat heel duidelijk in de brief. De heer Marcouch zei net dat de Partij van de Arbeid het standpunt van het kabinet onvoldoende vindt, dus wat gaat de Partij van de Arbeid nu doen?

De heer Marcouch (PvdA): Collega Voortman heeft net verwezen naar de motie die wij hebben aangehouden. Daarin staat wat wij willen. Wij willen dat mensen vanaf dag één beginnen met op zijn minst taalonderwijs. Bij de inburgering en de participatiecontracten die de Minister in pilots heeft uitgevoerd, willen wij gewoon meer vlees op de botten. In mijn inbreng noem ik dat de waardenexercities. Men moet veel actiever het land in om zich die waarden daadwerkelijk eigen te maken. Ik wil niet alleen maar deelnemers turven. Ik wil weten of mensen daadwerkelijk meedoen of dat zij, bijvoorbeeld na het behalen van hun inburgeringsdiploma, thuis zitten. Wij moeten daar naar mijn mening op een andere manier naar kijken en dus op dag één beginnen met taal. Ik hoop dat de Minister daar straks iets hoopgevends over zegt. En anders is er nog altijd de motie.

Op twee staat een waardenexercitie. Het waardenonderricht over seksuele geaardheid gaat bijvoorbeeld gepaard met een stage bij het COC. Een les over de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen gaat bijvoorbeeld gepaard met een stage bij Opzij en een les over democratie met een stage bij de gemeenteraad. Ik stel voor dat inburgeraars en vluchtelingen dat mede organiseren. Dat is zelfredzaamheid. Wij zouden vluchtelingen en asielzoekers een grote dienst bewijzen door hen in te schakelen bij de activiteiten rondom de noodopvang, maar ook in azc's. Zij worden dan niet zozeer bediend als wel zelf ingezet bij de organisatie van de opvang. Ik heb gezien dat zij zich nu al binnen een paar dagen gehospitaliseerd voelen. Die mensen willen wel, maar wij moeten hun die ruimte geven en hen uitdagen om dit te doen. Dat begint naar mijn mening al in de noodopvang en in de azc's.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): De heer Marcouch wil dat de inburgeraars stage lopen bij het COC, Opzij en de gemeenteraad. Zou hij dat lijstje kunnen uitbreiden met alle andere organisaties in Nederland die ook belangrijk zijn voor een inburgeraar?

De heer Marcouch (PvdA): Ik gaf een paar voorbeelden. Het is niet vanzelfsprekend dat iedereen snapt dat homo's in onze samenleving de vrijheid hebben om te zijn wie ze zijn, maar bijvoorbeeld ook om te trouwen. Ik denk hierbij ook aan het antisemitisme en de geschiedenis van Nederland. Ik kan mij voorstellen dat men als onderdeel van een stage het Verzetsmuseum in Amsterdam bezoekt. Het kan echter net zo goed nuttig zijn om een moskee te bezoeken. Dat wilde de heer Öztürk horen, denk ik. Daar ga ik ook graag in mee. Het gaat mij om de waarden die wij heel belangrijk vinden zoals verdraagzaamheid en tolerantie, maar ook om het geven van inzicht in de verworven vrijheden en bijvoorbeeld de strijd die is gevoerd voor de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen of voor homorechten in onze samenleving. Dat moeten wij niet alleen reproduceren op een stenciltje voor het examen. Dat moeten wij de mensen ook werkelijk in een soort exercitie laten beleven.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Het is goed dat de heer Marcouch dat verbreedt, want die verbreding, die balans, dat evenwicht, is juist Nederland. Dat wij die groepen, maar ook andere groepen in Nederland hebben, is juist Nederland. Niet alleen de ene groepering, maar ook alle andere groeperingen dienen bij de inburgeraar bekend te worden. Ik kom uit Limburg; daar heb je de harmonie- en de fanfarecultuur. Het punt dat ik tegenover de PvdA wil maken is: benadruk niet alleen, vanuit één blik, de genoemde clubs, maar probeer de veelzijdigheid en harmonie in Nederland ook in de inburgeringscursus te krijgen.

De heer Marcouch (PvdA): De fanfare kan in Limburg inderdaad heel nuttig zijn.

Ik pleit ervoor dat wij migranten, vluchtelingen en andere nieuwkomers in Nederland in hun kracht houden. Daardoor ontstaat zelfredzaamheid. Ik wil aan deze Minister voor Integratie vragen om zich ook heel specifiek hiervoor in te zetten. Wij hebben het diversiteitsbeleid voor de politie geregeld. Bij het COA gaat dit niet vanzelfsprekend. Waarom stellen wij voormalige vluchtelingen niet gewoon te werk in een COA? Dat geldt echter ook voor de departementen; dat heb ik al eerder bepleit. Wil deze Minister, als coördinerend Minister voor Integratie, zich meer inzetten voor diversiteit, ook op de departementen en bij de lagere overheden? Kan de Minister zeggen wat hij daaraan gaat doen? Is hij bijvoorbeeld voornemens om, misschien samen met de Staatssecretaris van Justitie, een plan te maken voor personeelsbeleid en personeelswerving bij de overheid en semioverheid?

Van zelfredzaamheid bij de inburgeringstrajecten moeten wij juist afscheid nemen wegens gebrek aan kwaliteit. Enkele collega's hebben daar net iets over gezegd. Dat gaat niet in onze democratie. Kijk maar naar de vele autochtone Nederlanders die verdwaasd uit huis worden gezet of belanden in schuldhulpverleningstrajecten. Zij komen daar ook niet zelf uit, laat staan dat een vluchteling die de Nederlandse taal niet spreekt, dat wel lukt. Heeft de Minister gemerkt dat dit niet werkt?

Ik zie dat u naar mij seint, voorzitter. Mijn tijd is dus bijna op.

Ik hoor graag of de Minister ook inziet dat het nu niet goed gaat. Hetzelfde geldt voor de informatieverstrekking en het geven van voorlichting door DUO aan cursisten.

Deze wet is op 1 januari 2013 ingevoerd, maar natuurlijk al eerder gemaakt. De Kamer zou de resultaten van de evaluatie krijgen. Ik wil heel graag van de Minister horen wanneer de resultaten van de evaluatie van deze wet naar de Kamer komen. Die zouden er in december van dit jaar moeten zijn. Wil de Minister toezeggen dat die evaluatie veel meer zal behelzen dan alleen maar het turven van het aantal deelnemers en gediplomeerden? Ik zie heel graag dat daarin ook de participatiegraad van de deelnemers aan de inburgeringstrajecten wordt opgenomen.

De heer De Graaf (PVV): Voorzitter. Wij zitten volgens mij bij het AO Gebakken peren. Ik wil het toch gezegd hebben: zonder de massale immigratie van de afgelopen jaren hadden wij dit AO niet eens gevoerd.

Ik wil eerst ingaan op de brief over antisemitisme en het onderzoek dat is gedaan. Het Verwey-Jonker Instituut en de Anne Frank Stichting zeiden dat, naar ik meen, 12% van de ondervraagde moslimjongeren niet zo positief zou denken over Joden in Nederland. Dat is schokkend en onacceptabel, want 10% van de autochtone mensen denkt ook niet zo positief over Joden in Nederland. Wij hebben onze handen al vol met de strijd daartegen; dat gebeurt al jaren terecht.

In 2013 werd in België een zeer gedegen en representatief onderzoek gepresenteerd naar vooroordelen onder scholieren in Antwerpen en Gent. Deze steden zijn toch vergelijkbaar met Nederlandse steden zoals Den Haag en Utrecht. Ook de populatie van deze steden is vergelijkbaar. Ongeveer 4.000 scholieren van de middelbare school hebben een uitvoerige enquête ingevuld over man-vrouwverhoudingen, homoseksualiteit, moslimhaat, antisemitisme en noem maar op, alles wat op dit moment populair is bij gesubsidieerde onderzoeksbureaus. Samengevat komt het volgens de onderzoekers neer op het volgende: 10% van de niet-moslimjongeren heeft antisemitische denkbeelden, terwijl maar liefst 45 à 50% van de moslimjongeren er antisemitische denkbeelden op nahoudt. Is de Minister daarvan op de hoogte: 45 à 50%? In hetzelfde jaar presenteerde prof. dr. Ruud Koopmans in samenwerking met het Berlijnse onderzoekscentrum WZB (Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung) eenzelfde soort onderzoek. Ook daarin werd het islamitisch antisemitisme stevig onder de aandacht gebracht. Op de stelling «Joden zijn niet te vertrouwen» antwoordde 6% van de niet-islamitische ondervraagden bevestigend. Dat deden verder 32% van de Marokkanen en maar liefst 46% van de mensen met een Turkse achtergrond. Dat zijn heel hoge percentages. Helaas wordt nergens ingegaan op de voedingsbodem van dit antisemitisme. Dat is de islam zelf. Ik hoor verschillende partijen in dit overleg zelfs al een beetje opschuiven in de islamkritiek. Dat is hartstikke goed. Daarvoor hulde, maar nu: doorpakken.

De voedingsbodem voor onversneden Jodenhaat vinden wij bijvoorbeeld in de Koran. Zo wordt het volk van Israël in dit boek zeven keer bij naam en toenaam vervloekt. Zo worden de benamingen «duivelsdienaren», «apen», «ezels» en «zwijnen» voor Joden en voor christenen gebruikt. Verder wordt gesteld dat Joden altijd liegen, niet te vertrouwen zijn en dat het het beste is om je verre van hen te houden en zeker geen vriendschappen met hen aan te gaan. Als wij het islamitische antisemitisme willen bestrijden, zal eerst de voedingsbodem erkend moeten worden. Erkenning is het eerste, maar ook deze Minister vermijdt dat angstvallig. Ik vraag hem daarom of hij bereid is om de islam te erkennen als een van de belangrijkste voedingsbodems voor antisemitisme en zelfs geïnstitutionaliseerd antisemitisme.

Het onderzoek toont verder aan dat verschillende bevolkingsgroepen in Nederland niet positief tegenover elkaar staan. Turken en Marokkanen zijn relatief weinig geliefd.

De voorzitter: Ik zie dat verschillende leden willen interrumperen. Ik wijs de leden erop dat er al heel veel interrupties zijn geweest. Dit is dan wel hun laatste interruptie.

Mevrouw Karabulut (SP): De heer De Graaf vindt mij en waarschijnlijk ook anderen aan zijn zijde bij het bestrijden van antisemitisme en andere vormen van haat, dus ook moslimhaat. Is de heer De Graaf bereid om wel een duidelijk verschil te maken tussen het islamisme, de politieke islam die inderdaad een bepaalde bekeringsagenda heeft en geweld in bepaalde vormen niet schuwt, en de islam die miljoenen moslims op een vredige wijze als individu aanhangen en op een individuele manier als religie beleven? Is de heer De Graaf bereid dat te erkennen? Dan kunnen wij namelijk verder komen.

De heer De Graaf (PVV): Ik heb altijd gezegd dat er maar één islam is. Het wordt een beetje een theologische discussie. Ik begrijp de worsteling aan de zijde van de SP en de VVD om daaruit te komen. Je hebt de Mekkaanse en Medinensische islam. Bij salafisme komt twee derde van de Koranversen uit de Medinensische periode; die gaan vooral over geweld en Jodenhaat. Het is moeilijk om dit aan je achterban uit te leggen. Beide zijn echter 100% islam. Op een warme dag kun je niet op een terrasje zitten zonder dat de zon schijnt, want die zon zorgt voor de warme dag. Zo is er voor salafisme geen voedingsbodem zonder de Mekkaanse islam. 's Winters gaan wij schaatsen, maar voor ijs heb je vorst nodig. Voor salafisme heb je de islam nodig. Om in Medina te komen, moet je toch ergens in Mekka starten. Het is een theologische discussie. Ik snap de worsteling. Ik kan die heel goed uitleggen. Volgens mij heb ik hiermee meteen de vraag beantwoord.

Mevrouw Karabulut (SP): Misschien is het mijn fout dat ik ieder keer weer probeer om de heer De Graaf serieus te nemen en een inhoudelijke discussie met hem te voeren. Het gaat hier om basale vrijheden en grondrechten. Ik dacht dat de heer De Graaf op deze manier zijn best deed om onze basale vrijheden, waaronder de vrijheid van godsdienst, binnen de grenzen van de rechtsstaat te verdedigen, ook tegenover de islamfacisten. Ik zie echter helaas dat, net zoals de islamfacisten alles uitsluiten wat buiten hun referentiekamer valt, ook de heer De Graaf alle mensen met een islamitische achtergrond of mensen die die islam op een vredige wijze aanhangen – dat geldt voor het overgrote deel van hen – generaliseert. Daarmee doet hij aan gevaarlijke politiek. Daarmee creëert hij ook een voedingsbodem voor haat. Helaas. Wij zullen dat altijd blijven bestrijden.

De heer De Graaf (PVV): Dit is een totale omdraaiing van de feiten. Ik kan mij voorstellen dat mevrouw Karabulut misschien niet tegen deze feiten kan, maar zij moet de feiten niet omdraaien, alsof wij hier haat aan het zaaien zijn. Ik spreek over feiten. Als mevrouw Karabulut zelf niet op de hoogte is van de islamitische ideologie en doctrines, moet zij mij niet verwijten dat ik een kennisvoorsprong heb. Dat is natuurlijk totale onzin. Zij kan wel zeggen dat zij de heer De Graaf moeilijk serieus kan nemen, maar ik zou dat vooral maar doen, want ik neem mevrouw Karabulut en de onzin die zij uitkraamt ook serieus. Ik neem haar ook in haar kennisachterstand serieus. Daar probeer ik haar nog in op te voeden ook.

De heer Marcouch (PvdA): Ik deel de zorgen over antisemitisme en de oproep om daar veel meer aan te doen. Naar mijn mening moeten wij zero tolerant zijn voor antisemitisme. Dat geldt voor iedere vorm van discriminatoir geweld en haat. Uit het onderzoek dat de Minister ons heeft toegestuurd, over antisemitisme onder jongeren in Nederland, blijkt nog altijd dat er veel antisemitisme is. Uit dat onderzoek blijkt echter ook dat een groot percentage van hen moslimhaat koestert. Wij zien ook gewelddadige incidenten. Hoe staat de PVV tegenover die vorm van discriminatoir geweld en de haat jegens moslims?

De heer De Graaf (PVV): Dat is een heel goede vraag. De PVV keurt elke vorm van geweld af. Dat heb ik net al gezegd in een interruptie of in een correctie op de tekst van de heer Öztürk. Wij laten continu blijken dat wij elke vorm van geweld afkeuren. Je blijft met je poten van elkaar af; laat ik het maar gewoon op z'n Hollands zeggen.

Ter illustratie daarvan haal ik het onderzoek van Panteia van begin dit jaar erbij. De collega van de heer Öztürk, de heer Kuzu, interrumpeerde mijn collega Beertema daar gisteren over. Hij was terecht niet op de hoogte van dat onderzoek, want het is namelijk een flutonderzoek. Daar komt uit dat twee derde van de docenten bijvoorbeeld in de klas te maken krijgt met zogenaamde moslimhaat. Ik heb het vanmorgen nog maar eens nagekeken ter ondersteuning van het betoog van de heer Marcouch. Als je het onderzoek echter goed leest, blijkt dat 5% van de 60% van de docenten met dit soort zaken te maken krijgt en dat het verder gewoon om pesten gaat. De docenten zeggen zelf dat de kinderen niet eens weten wat ze zeggen of wat ze doen. Kijk je verder naar alle pestsites en naar de officiële onderzoeken daarnaar die ook in dit huis worden gedeeld, dan blijkt dat juist allochtone kinderen twee keer zo vaak pesten als autochtone kinderen. Slachtoffergedrag en dadergedrag worden hier dus gewoon vakkundig omgedraaid. En Panteia helpt daar ook nog bij. Nu kan ik meteen aan de Minister vragen of hij bereid is om de subsidie aan Panteia, als zij die krijgt, in te trekken. Panteia komt echt met iets van een wetenschappelijk kleuterschoolniveau. Laat ik anders niet zeggen dat kwaadaardige conclusies worden getrokken met foute aannames in het begin van het onderzoek.

Nogmaals: je blijft van elkaar af. Wij zijn tegen iedere vorm van geweld, dus ook tegen geweld tegen moslims, geweld tegen christenen, geweld tegen homo's, geweld tegen Joden en noem het allemaal maar op.

De heer Marcouch (PvdA): Het gaat hier om meer dan geweld alleen. Wij hebben het echt over haat. Dat is wat antisemitisme is. Ik vind het heel terecht dat collega De Graaf zegt dat dit moet stoppen en dat de Minister daar iets tegen moet doen. De PVV pretendeert altijd van de duidelijke taal te zijn, maar ik hoor de heer De Graaf zich niet heel erg duidelijk distantiëren van degenen die, vaak in naam van de PVV, geweld en haat jegens moslims uiten. Kan de heer De Graaf zich daarvan in twee zinnen distantiëren en dat veroordelen? Dat zou namelijk de sociale stabiliteit in onze samenleving ontzettend helpen.

De heer De Graaf (PVV): Mijnheer Marcouch heeft niet goed geluisterd, maar hij wil heel graag een punt scoren. Vandaar dat hij zijn vragen herhaalt. Ik snap die tactiek ook wel. Ik heb gezegd dat ik afstand neem van elke vorm van geweld. Alleen al de connotatie of de poging van de heer Marcouch om te stellen dat dit geweld in naam van de PVV plaatsvindt, is haat zaaien. Dat is kwaadaardigheid. Dat is een foute opzet. Daarmee probeert hij de PVV in een hoek te zetten waarin de PVV niet thuishoort. Vervolgens zegt hij dat ik daar afstand van moet nemen, terwijl hij het zo ongeveer zelf veroorzaakt. Ook dit is de zaak omdraaien. Slachtoffer spelen terwijl je dader bent. Kap daar eens mee. Dat is ook een oproep. Stuur niet alleen brieven als anderen worden bedreigd, maar ook als er in Brabant stenen door de ruiten gaan en in Friesland huizen van PVV'ers worden beklad. Maar dan hoor ik al die collega's niet. Stop er eens mee om alles om te draaien en van daders slachtoffers te maken.

De heer Pieter Heerma (CDA): Het is interessant dat de heer Öztürk in dit debat dezelfde drogredeneringen gebruikt over de PVV, de NVU en andere extreme rechtse groeperingen als de heer De Graaf over extreem salafistische stromingen en de islam. Er zit een grote verwantschap tussen beide drogredeneringen. Het kabinet heeft een vrij stevige brief gestuurd over de bedreigingen vanuit het salafisme en politiek ingegeven extremistische islamistische stromingen. Echter, de PVV hanteert ook hier weer de drogredenering: het is de hele islam. Enigszins aanmatigend werd mevrouw Karabulut net weggezet als een klein kind dat nog opgevoed zou moeten worden door de heer De Graaf. Dat is een toon die niet bij dit debat past. Maar wat zegt hij tegen die miljoen moslims in Nederland die afstand nemen van het salafisme, die daar niks mee van doen willen hebben en die zeggen «dit is niet mijn vorm van islam»? Beschuldigt hij die allemaal van taqiyya, iets wat de PVV in het verleden wel heeft gedaan, of vindt hij dat die moslims net als mevrouw Karabulut hun eigen religie niet kennen en dat die eigenlijk nog een lesje islam van de heer De Graaf zouden moeten krijgen? Welke van die twee stellingen betrekt hij eigenlijk?

De heer De Graaf (PVV): Het werd een betoog en wat de vraag is, is daardoor totaal onduidelijk. Misschien kan de heer Heerma zijn vraag samenvatten in een extra rondje? Over opvoeden gesproken, de heer Heerma probeert mij hier op te voeden. Wat hij mij verwijt een ander te doen, doet hij zelf. En een westerse verworvenheid is toch echt: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat heet wederkerigheid, een westerse verworvenheid. Misschien kan de heer Heerma zijn vraag in twee zinnen herhalen, want dit was een betoog.

De voorzitter: Dat gebeurt wel vaker.

De heer Pieter Heerma (CDA): Ik wil niet de suggestie wekken dat de heer De Graaf op deze manier een vraag probeert te ontduiken.

Ik zal mijn eerste interruptie herhalen en verduidelijken, want ik ben wel benieuwd naar het antwoord. Ik interrumpeerde omdat mevrouw Karabulut door de heer De Graaf wordt weggezet als iemand die geen idee heeft van hoe het zit met de islam en hij dat onderscheid zelf niet maakt. Verwijt hij de miljoen moslims in Nederland die zeggen niets te maken te hebben met het salafisme en de politieke islam omdat ze zich daar niet bij thuis voelen omdat het niet hun islam is, Taqiyya te plegen? Dat is A. Of zegt hij, B, dat ze net als mevrouw Karabulut hun eigen geloof niet begrijpen en dat hij ze eigenlijk nog een lesje moet leren?

De heer De Graaf (PVV): B! Ik heb hierover namelijk heel vaak gesprekken met moslims. Dat zal mijnheer Heerma misschien verbazen, maar ... Trouwens die miljoen mensen heb ik nog niet op straat gezien met spandoeken waarin ze daarvan afstand nemen. Een tijdje terug werd in Amerika of in Canada op televisie groot aangekondigd dat ze allemaal zouden gaan protesteren tegen de gewelddadige kant van de islam, maar er kwamen er maar tien opdagen. Dat ten eerste.

Beschuldig ik ze allemaal van Taqiyya? Er zit in het publiek een mijnheer nee te schudden, maar het is wel zo. Beschuldig ik die mensen van Taqiyya? Nee, heel veel mensen weten niet eens wat Taqiyya is. Ik kom dat in gesprekken zelf ook tegen. Maar nogmaals, verwijt mij niet dat ik mij hier al twintig jaar in verdiep en dat ik heel goed weet hoe die ideologie in elkaar zit. Heel veel mensen weten inderdaad niet in welk toneelstuk zij figureren. Zij vragen zich inderdaad af of wat IS doet wel bij hun religie hoort. Ik zeg: ja, dat hoort bij die religie en zeker ook bij die ideologie. Ook voor de beroepsmoslims onder ons, de imams en vooroplopers in de strijd voor de wereldoverheersing, geldt: massa is kassa.

De voorzitter: Dank u wel. Ik wil de heer De Graaf verzoeken het publiek niet aan te spreken, want zij mogen niets terugzeggen. Wij willen hier geen discussie met het publiek; dit is een discussie tussen Kamerleden.

De heer De Graaf (PVV): Dat is juist, voorzitter.

De heer Pieter Heerma (CDA): Het is in ieder geval duidelijk dat de heer De Graaf de eerdere PVV-suggestie dat moslims in Nederland massaal Taqiyya plegen niet durft te herhalen. Dat is op zichzelf een stuk beter dan wat er in het verleden vaak is gebeurd. Los van de aanmatigende toon richting mevrouw Karabulut is het toch zeker ook tamelijk bizar dat de heer De Graaf zichzelf hier neerzet als dé ware islamkenner en als iemand die honderdduizenden moslims in Nederland hun geloof zou moeten leren kennen, omdat hij er veel meer verstand van heeft dan zij en zij kennelijk onder de misvatting leven dat zij niet verbonden zijn met salafisten en terroristen.

De heer De Graaf (PVV): Ik mag van de heer Heerma niks weten van de islam. Hij heeft er duidelijk heel veel moeite mee dat een westers geschoold iemand die hier is opgegroeid, zich verdiept heeft in een fenomeen dat zich over Nederland en het Westen uitrolt. Ik mag daar klaarblijkelijk geen mening over hebben. Ik vind dat echt schrikbarend. Je knevelt dan iemand om te voorkomen dat hij zijn mening geeft over een onderwerp waar hij veel van afweet. Ik vind dat echt heel ernstig en het doet ook zeker geen recht aan iemand die zich christendemocraat noemt. Ik hoor de heer Heerma lachen, terwijl hij hier op zijn flikker krijgt, maar ik vind dat echt heel ernstig. Ik mag niets van de islam weten en ik mag het ook niet uitleggen aan een ander.

De heer Pieter Heerma (CDA): O, jongens.

De heer De Graaf (PVV): Nogmaals, ik vind dat schrikbarend. Ik vind dat ernstig en eng.

De heer Pieter Heerma (CDA): Ik zie het aan u.

De heer De Graaf (PVV): Ik vind het eng, ja.

De voorzitter: U vervolgt uw betoog. U hebt nog een minuut.

De heer De Graaf (PVV): Voorzitter, voor die vorige interruptie had ik er nog twee. Er is nu opeens een minuut af.

De voorzitter: Nee, u kunt bij mij de tijd zien. U hebt gewoon nog een minuut.

De heer De Graaf (PVV): De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

De voorzitter: Mijnheer De Graaf, als ik zeg dat het één minuut is dan is het één minuut. Ik wens niet dit soort opmerkingen van u.

De heer De Graaf (PVV): Oké, prima, wat u wilt.

Ik ga verder met de islamitische internaten. Daarover staat ook wat in de brief. Net als islamitische scholen moeten die wat ons betreft allemaal worden gesloten. Onze redenen daarvoor kent iedereen.

Het verhaal over salafisme heb ik eigenlijk al behandeld. Zonder islam als voedingsbodem krijg je geen salafisme: zonder schil geen binnenkant van een sinaasappel. Als je geen sinaasappel hebt, kun je geen sap persen. Het hoort allemaal bij elkaar: zonder korst geen kaas. Het is inderdaad de basis voor wijdverbreide discriminatie door moslims van alle andersdenkenden. Om die reden is het inderdaad noodzakelijk dat we in Nederland een traject van de-islamisering inzetten; we hebben het er al heel vaak over gehad. Maar wat doen we? We zetten de grenzen open, iets wat de beroepsmoslims heel prettig vinden, want massa is kassa. De islam wordt aan alle kanten gefaciliteerd en gesubsidieerd in Nederland en de critici worden in toenemende mate monddood gemaakt. Daarnet hebben we nog een poging gezien.

Voorzitter. Het zal allemaal leiden tot meer islam en meer intolerantie en geweld tegen andersdenkenden. De nog steeds aanzwellende instroom van asielzoekers uit voornamelijk islamitische landen jaagt deze ontwikkeling alleen maar verder aan. Laat ik het daar maar bij houden. Mijn slotvraag: is de Minister bereid zich hard te maken voor het sluiten van de grenzen om nog meer problemen te voorkomen?

De voorzitter: Mijnheer Öztürk, u hebt al veel interrupties gehad. Is deze interruptie echt nodig? Als u toch interrumpeert, dan moet het echt kort. Ik wil geen betogen meer, want we lopen behoorlijk uit de tijd. Na u geef ik de heer Sjoerdsma het woord voor een interruptie, want hij heeft nog maar weinig interrupties gehad.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): De PVV'er De Graaf begon zijn betoog met de opmerking dat dit overleg niet zou plaatsvinden als er geen migranten zouden zijn. De PVV zou niet bestaan als er geen migranten zouden zijn! Dat is het bestaansrecht van deze partij, laten we het daar maar op houden.

De heer Marcouch heeft een vraag gesteld aan de heer De Graaf, maar hij ontwijkt die vraag. 34% van de christelijke inwoners van Nederland denkt negatief over moslims en 27% van de niet-gelovige jongeren denkt negatief over moslims. Heeft de PVV daarover iets te zeggen? Wil de PVV de mensen die negatief denken over een ander geloof, daarop aanspreken?

De heer De Graaf (PVV): Negatief denken over moslims. Ik heb geen reden om negatief te denken over de heer Öztürk als persoon maar wel over de ideologie die hij aanhangt en dat is de islamitische ideologie. Ik heb daar heel veel negatieve dingen over te melden. Ik heb net nog een poging gewaagd. Ik ben tegen de heer Marcouch wel duidelijk geweest over mensen met moslimhaat en over geweld. Nogmaals, wij zijn tegen elke vorm van geweld. Overigens, daar gaan we weer. Ik heb ook aangegeven dat heel veel wat nu moslimhaat wordt genoemd ... Ik snap dat overigens wel, want de OIC, de Organisation of Islamic Cooperation, heeft een heel dikke vinger in de pap bij de VN. Het is een kartel van 57 islamitische landen. Die organisatie lobbyt heel hard om islamofobie en moslimhaat als een aparte categorie in de wetgeving opgenomen te krijgen. Ze hebben er zelfs een kantoor voor in Brussel geopend, vlakbij de Wetstraat.

De voorzitter: Wilt u de vraag beantwoorden?

De heer De Graaf (PVV): Waar gaat het om? Het gaat erom dat we hier normaal met elkaar omgaan. U zult de PVV daarbij altijd aan uw zijde vinden. We moeten elkaar heel laten, maar we moeten wel kritiek op elkaar kunnen geven. Die kritiek mag ook hard zijn. Als je niet tegen harde kritiek kunt, hoor je niet in de westerse maatschappij thuis. Dan ben je nog niet aangepast en ben je nog niet geïntegreerd.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): De heer De Graaf van de PVV zegt dat we normaal met elkaar moeten omgaan. Dat proberen we, maar als ik de opmerkingen en uitspraken van zijn leider hoor, dan ... Andere mensen ondernemen daardoor weer gewelddadige acties. Stel dat uit onderzoek blijkt dat ...

De heer De Graaf (PVV): Een punt van orde, voorzitter.

Dit is de derde poging van de heer Öztürk om de heer Wilders en de PVV aan geweld door anderen te koppelen. Totale onzin! Dit is inderdaad het kweken van een voedingsbodem. Ik krijg er zelf een pre-Fortuingevoel van. De heer Öztürk moet daarmee stoppen, anders krijgt hij geen antwoord op zijn vraag.

De voorzitter: Dit is geen punt van orde.

De heer De Graaf (PVV): Ik ben de beschimpingen en de verdachtmakingen en het negatieve gezeik van de heer Öztürk helemaal spuugzat, vooral ook omdat het helemaal onterecht is.

De voorzitter: De heer Öztürk mag zijn vraag stellen. U gaat vervolgens over uw eigen antwoord.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Er zijn voorbeelden van geweldsincidenten – ik zal de naam maar noemen – van Breivik en anderen die meerdere malen Wilders als voorbeeld hebben genomen. Die hebben geweld gepleegd tegen onschuldige mensen. Er zijn gewoon bewijzen. Ik voeg daar een stukje aan toe. Stel dat uit onderzoek blijkt dat door de uitspraken van de PVV heel veel mensen in Nederland geweld gebruiken, bent u dan bereid afstand te nemen van de PVV? U zegt namelijk dat u tegen geweld bent.

De heer De Graaf (PVV): Vroeger zei ik «domme vragen bestaan niet», maar nu heb ik er voor het eerst een gehoord. Breivik erbij halen is totale onzin. En dan die stel-vraag: stel dat uit onderzoek zou blijken ... Doe dat onderzoek, zou ik willen zeggen. Doe dat onderzoek. Stel eerlijke vragen. Ik ben er graag bij om te zien of het niet wordt gemanipuleerd, want daar ben ik wel nieuwsgierig naar. U zult zien dat het niet bestaat. PVV-kiezers zijn normale mensen. Er zijn inderdaad ook mensen in Nederland die door de NVU worden aangestuurd en dat is een extreem linkse club. Ik hoor de heer Öztürk lachen, maar de heer Kusters stemt SP!

De heer Sjoerdsma (D66): Het is een bijna verwilderend betoog van de zijde van de PVV. Ik ben op zoek naar wat integratie in de ogen van de heer De Graaf betekent. Ik neem aan dat het ook respect voor de onafhankelijke rechtsstaat en onze parlementaire democratie betekent?

De heer De Graaf (PVV): Een no-brainer!

De heer Sjoerdsma (D66): Waarom trekt zijn partij dan consequent de parlementaire democratie in twijfel? Zijn fractievoorzitter noemt dit parlement een nepparlement. Mag ik dan vragen waarom zijn partij onze onafhankelijke rechtsstaat in twijfel trekt? Zijn fractievoorzitter loopt vooruit op de uitkomst van zijn proces door het oneerlijk te noemen. Zijn partij noemt alle rechters in Nederland ongekwalificeerd. Is zijn partij eigenlijk wel geïntegreerd?

De heer De Graaf (PVV): Binnen de rechterlijke macht wordt gezegd dat PVV-stemmers geen rechter meer mogen worden. Wat vindt de heer Sjoerdsma daar dan van? Ik laat me verder niet tot een uitspraak verleiden over een zaak die onder de rechter is en waarbij een goede vriend en collega betrokken is. Als je dat zou doen, ondermijn je inderdaad de positie van iemand. Ik vind het eigenlijk een vrij vuile poging om de rechtsgang te beïnvloeden. Voor de rest ga ik op de onzin van de heer Sjoerdsma niet in.

De voorzitter: We gaan nu niet verder met deze onderlinge discussie; u kunt die voortzetten in tweede termijn.

Volgens mij bent u aan het einde gekomen van uw betoog. Ik geef daarom nu als laatste spreker van de zijde van de Kamer het woord aan de heer Heerma.

De heer Pieter Heerma (CDA): Voorzitter. Ik begin mijn bijdrage met de brief van de Turkse premier aan stemgerechtigden in Nederland, Duitsland en België. Hij heeft die brief gestuurd naar honderdduizenden Turken in Europa en Canada. Ik wil dat plaatsen in het kader van de discussie die wij al jaren met elkaar voeren over de beïnvloeding vanuit landen van herkomst en de conclusies van de commissie-Blok. Volgens mij hebben de collega's Karabulut en Potters er onlangs ook weer vragen over gesteld. Het is een vrij dwingende brief met een stemadvies voor de AKP en verkiezingsbeloftes die de € 1.000 netto voor elke werkende Nederlander echt doen verbleken. Ik denk aan de kortingen bij Turkish Airlines, meertalige kinderopvang en ik geloof ook een geboortebonus voor alle vrouwen in den vreemde die kinderen krijgen. Het is een bizarre brief die door veel mensen ook als bedreigend is ervaren en als een bevestiging van de lange arm van Ankara. Wat nog het meeste ophef heeft veroorzaakt, is de vraag hoe deze partij aan al deze adressen is gekomen. Je hoort nu allerlei organisaties heel hard roepen «niet van ons, niet van ons». Diyanet zegt dat het niet bij haar vandaan komt. Consulaten zeggen dat het ook niet bij hen vandaan komt. Hoe beoordeelt de Minister dat? Ik wil dat hij hiervan afstand neemt en in navolging van de sprekers van de SP en D66 om opheldering vraagt. Ik stel verder voor dat hij bij de waarnemers van de verkiezingen van aankomend weekend, de OVSE en de Raad van Europa, deze brief aanhangig maakt. Zij moeten deze brief meenemen bij hun beoordeling van de mate van vrijheid waarin deze verkiezingen plaatsvinden. Graag een duidelijke uitspraak van de Minister op dit punt.

Diverse sprekers hebben hun zorgen geuit over wat er in de salafismebrief staat. De heer Potters was vrij expliciet door te zeggen dat de Minister te voorzichtig en niet duidelijk genoeg was. Ik vind zelf de analyse in de eerste helft van de brief toch wel stevig. De Minister schuwt daar niet duidelijke standpunten in te nemen en zijn zorgen te uiten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de manier waarop alle drie de richtingen die in de brief worden genoemd binnen het salafisme tot onverdraagzaamheid, antidemocratische activiteiten en polarisatie kunnen leiden. De tweede helft van de brief blinkt wat mij betreft echter niet uit in helderheid. Zo ontbreken heldere stappen.

We discussiëren al wat langer met elkaar over de vraag wat er nog meer kan worden gedaan om radicalisering en dergelijke denkbeelden tegen te gaan. Ik zie echter niets in de brief over actieve deradicalisering en counternarratives. Dat zijn discussies die de Kamer wel heel duidelijk is tegengekomen in Duitsland en Engeland, maar in de brief wordt er niet over geschreven. Volgens mij worden in de brief de Expertise-units Sociale Stabiliteit, units die onder de Minister vallen, niet eens genoemd, laat staan de rol die zij kunnen spelen. Dat is relevant, want ik hoor nog steeds geluiden in het lokaal bestuur dat men daar niet goed weet wat te doen met radicalisering. De heer Cameron is door de heer Potters al geroemd als iemand die dingen wel stevig benoemt en aanpakt. Zouden we dat voorbeeld niet moeten volgen?

In de tweede helft van de brief staat steeds weer: pas nou op, we moeten niet generaliseren. Door niet specifiek aan te geven waar het probleem zit, kan echter wel het gevoel ontstaan dat alle moslims hierdoor aangesproken worden. Het omgekeerde is echter ook waar: we zijn niet specifiek genoeg als je niet specifiek bent over het gevaar dat het salafisme en het islamisme in zich dragen en politiek en opiniemakers alleen maar zeggen «dit is niet de islam» terwijl allerlei mensen die beelden van IS zien en extremisten horen zeggen «dit is de ware islam. Ik vind het interessant dat Cameron zo expliciet spreekt over de politieke islam, islamisten en het gevaar van het salafisme. Ik zou graag zien dat de Minister hierop reflecteert, juist omdat hij in de brief wel het gevaar van generalisaties noemt maar het niet specifiek maakt door niet het voorbeeld van Cameron te volgen en gevaren te benoemen.

De voorzitter: Mijnheer Marcouch, ik zie dat u wilt interrumperen. Er is echter al heel veel geïnterrumpeerd en volgens mij willen we ook allemaal nog het antwoord van de Minister horen. Ik vraag u daarom of een interruptie echt noodzakelijk is. Zo niet, dan zou ik zeggen: doe het niet. Het gevolg hiervan is wel dat ik de interrupties in de termijn van de Minister moet beperken.

De heer Marcouch (PvdA): Mijn interruptie is relevant voor het antwoord dat de Minister straks kan geven.

De voorzitter: Gaat uw gang.

De heer Marcouch (PvdA): Het salafisme is niet iets fictiefs. We hebben het gewoon over groeperingen die in de Schilderswijk stevig zijn georganiseerd. Ik zou daarom heel graag van het CDA horen in welke richting het CDA de oplossing zoekt. Doet het CDA dat niet, dan blijven we in woorden hangen terwijl we juist actie en daadkracht willen zien.

De heer Pieter Heerma (CDA): Ik ben blij dat de heer Marcouch deze vraag stelt. Het CDA heeft de afgelopen jaren namelijk diverse voorstellen op dit terrein gedaan. Ik noem het verbieden van het verheerlijken van terroristisch geweld en het sneller verbieden van antidemocratische groeperingen. Met collega Van Dam hebben we daarover uitgebreid gediscussieerd, ook voor de zomer nog. De PvdA heeft het kabinet daartoe ook een opdracht gegeven. De heer Van Dam heeft zelf een motie ingediend over het sterker benadrukken van kernwaarden, een motie die wij hebben gesteund. In dit debat heb ik het specifieke punt van meer counternarratives en een actievere aanpak van deradicalisering toegevoegd. Ik doe maar een greep uit de CDA-voorstellen die wij in debatten hebben neergelegd. Ik ben zeer benieuwd naar de reactie van de Minister op de voorstellen die ik in dit overleg heb gedaan.

De voorzitter: Ik zie dat de heer Marcouch genoegen neemt met dit antwoord.

Hiermee zijn we gekomen aan het einde van de eerste termijn van de Kamer. Die heeft lang geduurd en daarom schors ik tot tien voor. Dan gaan we snel verder met de eerste termijn van de Minister. Ik vraag de leden nu al om zich dan te beperken in het aantal interrupties.

De vergadering wordt van 11.37 uur tot 11.48 uur geschorst.

Minister Asscher: Voorzitter. Er zijn een groot aantal onderwerpen en een groot aantal sprekers de revue gepasseerd. Daarom ga ik proberen om de onderwerpen een beetje te clusteren. De onderwerpen waarover iedereen het heeft gehad, ga ik proberen als eerste te behandelen.

Ik begin met de vragen over de brief die Turkse Nederlanders hebben ontvangen over de Turkse verkiezingen van komend weekend. Het is voor ons integratiebeleid ongelooflijk belangrijk dat we telkens weer de individuele vrijheid van mensen in dit land als uitgangspunt nemen. Wat je achtergrond ook is en wat je geloof ook is, je moet je eigen keuzes maken, je eigen mening uiten en profiteren van de ruimte die de rechtsstaat iedereen in dit land biedt. Dat is de reden – we hebben het er vaak met elkaar over gehad – waarom het belangrijk is dat die vrijheid voor iedereen en ten volle geldt wanneer er groepsdruk dreigt of als mensen zich belemmerd weten doordat ze telkens worden aangesproken op hun achtergrond of hun vermeende achtergrond. Om die reden vind ik de brief die is verstuurd, volstrekt ongepast. Die brief staat op gespannen voet met precies deze integratiedoelstelling.

De geadresseerden worden ongevraagd aangesproken als Turkse onderdanen. Daarmee wordt een soort vanzelfsprekende binding met één partij verondersteld en dat is niet de realiteit. Er is namelijk een enorme diversiteit in de Turks-Nederlandse gemeenschappen. Het staat kiesgerechtigde Turkse Nederlanders vrij om deel te nemen aan het democratisch proces in Turkije, maar wel op voorwaarde dat het gebeurt op basis van transparantie en vrijwilligheid. Ik begrijp dus heel goed waarom heel veel Turkse Nederlanders deze actie veroordelen. De zorgen over de vraag hoe de AK-partij toegang heeft gekregen tot de adressen van zo veel Turkse Nederlanders, vind ik legitiem. Ik zal dan ook navraag doen bij mijn Belgische en Duitse collega's naar hun ervaringen. Zoals de commissie weet, heeft het College bescherming persoonsgegevens een verzoek om inlichtingen uitgestuurd waarvan ik de uitkomsten afwacht.

Ik kan me heel goed de vraag voorstellen van de SP en het CDA om de Turkse overheid een signaal te geven. Ik zal in overleg met mijn collega van Buitenlandse Zaken bekijken hoe we dat het beste kunnen doen. Hij is degene die als taak heeft om dergelijke contacten te verzorgen. We hebben ook schriftelijke vragen hierover ontvangen. Ik dacht dat die al beantwoord waren, maar blijkbaar zweven die nog ergens in de lucht. Ik hoor nu zeggen dat ze tijdens het debat zijn verstuurd. Dat is natuurlijk altijd onhandig, excuses daarvoor.

De heer Heerma heeft gesuggereerd om de OVSE hierbij te betrekken. We zullen bekijken of die suggestie dienstig zou kunnen zijn. Overigens ...

Voorzitter, ik ben nog volop bezig met de beantwoording.

De voorzitter: Ik zie inderdaad ook heel veel leden al hun hand opsteken. Ik heb al gezegd dat ik het aantal interrupties zal beperken. Het lijkt mij daarom verstandig dat de Minister eerst het blokje afmaakt en dat de leden daarna hun vragen stellen.

Minister Asscher: De Nederlandse ambassade in Turkije heeft al om opheldering over deze kwestie gevraagd bij het departement van Turken in het buitenland. De reactie van dit departement luidde dat het de AK-partij conform de Turkse wet vrijstaat om dit te doen. Maar goed, het laatste woord is daarover dus nog niet gezegd. Ik denk dat het belangrijk is om af te wachten welke conclusies het College bescherming persoonsgegevens zal trekken uit de Nederlandse wetgeving.

De heer Potters (VVD): Het is goed om te horen dat de Minister het ongepast vindt. Ik vind dat hij verder kan gaan en ook wel wat steviger mag zijn. Ik heb veel berichten gekregen van verontruste Alawieten, Koerden en Turken die niet op de AK-partij stemmen. Zij zeggen: «Dit is niet een kwestie van ongepast maar een kwestie van intimidatie, want ik heb mijn gegevens nooit kenbaar gemaakt en de Turkse overheid kan toch willens en weten een stemadvies op mijn deurmat laten ploffen. De Turkse overheid doet dat bijna met de mededeling: als je er niet op stemt, weet dan dat wij weten waar je woont. Ik vind dit beeld echt heel erg verontrustend. Ik snap dat de Nederlandse overheid zich altijd heel beschaafd opstelt tegenover Turkse overheid, maar eigenlijk zou ik willen dat de hele Turkse overheid hiervoor op het matje wordt geroepen met de mededeling: dit kan gewoon niet, want dit is een inmenging in onze rechtsstaat. Deze Nederlanders moeten zich veilig kunnen voelen en de Turkse overheid heeft bij die mensen dan ook helemaal niets te zoeken. Ik verwacht van de Minister dat hij scherper reageert en verdergaat dan de opmerking dat het ongepast is. Volgens mij past het gewoon niet binnen ons democratische stelsel.

Minister Asscher: Ik heb dan ook meer gezegd dan ongepast. Ik zag iedereen snel naar de interruptiemicrofoon grijpen, maar ik heb echt veel meer gezegd. Ik geef de heer Potters daarom in overweging om de andere woorden die ik hierover heb gebruikt op hun waarde te schatten. Ik heb bijvoorbeeld geschetst dat het op gespannen voet staat met de principes van vrijheid in Nederland. Die woorden moet hij ook betrekken bij zijn tussenevaluatie van mijn eerste termijn. Ik vind het ongepast, juist omdat mensen zelf in vrijheid moeten kunnen kiezen of ze überhaupt willen deelnemen aan het democratische proces in Turkije en op welke partij ze eventueel zouden willen stemmen. Ik vind het inderdaad ook ongepast, omdat er gebruik wordt gemaakt van persoonlijke gegevens, namelijk adresgegevens. Daarom is het ook goed dat wordt uitgezocht of het überhaupt wel kan. Er is verder dus al om opheldering gevraagd bij de autoriteiten in Ankara. Dat onderdeel van zijn verzoek steun ik dus niet alleen, het is zelfs al uitgevoerd. Verder ga ik in samenwerking met Koenders bekijken hoe we de Turkse overheid erop kunnen wijzen dat we dit niet willen. Ik ben het dus eens met de heer Potters dat het meer dan ongepast is. Ik heb dat ook zelf gezegd.

De heer Sjoerdsma (D66): Het is volstrekt ongepast en het staat op gespannen voet met wat wij willen. Die woorden passen inderdaad bij wat er hier is gebeurd. De heer Potters haalde verder terecht aan dat veel mensen het als intimidatie hebben ervaring. De Minister zegt dat hij samen met Minister Koenders gaat bekijken op welke manier wij het het beste kunnen aankaarten. Ik zou daaraan nog twee dingen willen toevoegen. Ik zou graag zien dat het snel gebeurt, nog voor de Turkse verkiezingen. Dit beïnvloedt namelijk ook de uitslag daar. Verder zou ik graag zien dat het de inzet van de Nederlandse Ministers is om hierover op hoog niveau te spreken. Dat betekent ofwel dat de Turkse ambassadeur de Minister tekst en uitleg geeft ofwel dat de Minister zelf contact opneemt met zijn Turkse evenknie.

Minister Asscher: Ik begrijp die behoefte en de suggestie. Om te voorkomen dat ik in de bevoegdheden treedt van collega Koenders wil ik met de heer Sjoerdsma afspreken dat Minister Koenders de Kamer snel zal laten weten op welke manier hij daaraan invulling geeft. Hij kan dan zelf aangeven op welk niveau, op welke manier en op welke termijn hij wat gaat doen. Ik snap het en ik zal het ook op die manier met Koenders bespreken. Wat mij betreft laat hij de Kamer morgen al weten hoe wij hiermee omgaan, want de tijd dringt. Ik kan deze vraag niet zelf beantwoorden, want dan treed ik in zijn bevoegdheid.

De heer Sjoerdsma (D66): Dank voor die toezegging. Morgen is inderdaad nog voor de verkiezingen. Mag ik dan wel vernemen of de Minister het zelf van waarde vindt om met zijn evenknie te spreken of om de Turkse ambassadeur om tekst en uitleg te vragen?

Minister Asscher: Veel mensen hebben al gestemd. Het zit hem dus niet meer in de beïnvloeding van de verkiezingen. Ik vind het wel van belang om dit signaal duidelijk te laten doorklinken omdat ik wil opkomen voor de vele Turkse Nederlanders of Nederlanders met een Turkse achtergrond die zich geschoffeerd voelen door de brief. Dat is mijn invalshoek, maar ik ben dan ook de Minister van Integratie en niet de Minister van Buitenlandse Zaken. Ik vind dat we het hier niet bij moeten laten, ook al zijn die verkiezingen in het buitenland al achter de rug. Ik wil aan Koenders overlaten wat de beste manier is, want ieder heeft zijn taak daarin. Ik begrijp ook waarom de commissie zegt: laat ons dat snel weten. Vandaar dat ik de commissie aanbied dat Minister Koenders dit morgen de Kamer laat weten. Hij moet dan natuurlijk wel al weer in het land zijn.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik zie net de antwoorden van de heer Koenders, de Minister van Buitenlandse Zaken, die hij zojuist mede namens Minister Asscher van Integratie naar de Kamer heeft gestuurd. Daarin zie ik deze lijn helemaal niet terugkomen en dat vind ik wel licht schokkend. Het is vandaag nog een Kamerdag en daarom zou ik graag vandaag nog uitsluitsel krijgen of de Turkse autoriteiten in Nederland hierover op het matje worden geroepen. Niet alleen ik maar alle woordvoerders persisteren op dat punt. Deze actie is al langer dan een week bekend. Er is heel veel ophef over geweest. Ik vond de Minister al terughoudend, want het was redelijk stil aan de zijde van de Nederlandse regering. Ik ben blij dat de regering nu wel stappen wil zetten, maar dat moet dan wel vandaag gebeuren.

Mijn tweede punt gaat over de politiek-inhoudelijke kant. De Minister schrijft dat het op gespannen voet staat met individuele vrijheden, maar het is natuurlijk ook ongewenste beïnvloeding. Het gaat dus veel verder dan dat. De plannen reiken ook veel verder. Met het oog daarop zou ik graag zien dat Onze Minister van Integratie een uitgebreid gesprek aangaat over alle plannen van de Turkse autoriteiten met Turkse Nederlanders hier in Nederland en ons daarvan verslag doet.

Minister Asscher: In de beantwoording van de vragen wordt ook de kwalificatie «ongepast» gegeven. Vervolgens debatteren wij daar nu over. In dat debat komen suggesties en verzoeken aan de orde. Ik ga daar niet alleen welwillend op in, want ik zeg ook toe dat ik daarop morgen bij de Kamer zal terugkomen. Die toezegging is drie minuten oud en dan zou het schokkend zijn dat die nog niet in die beantwoording stond? Dat zou de reden zijn waarom het vandaag moet gebeuren? Ik zou zeggen: laten we het gesprek hier vandaag op een serieuze en constructieve manier met elkaar voeren. Er kan geen misverstand bestaan over het oordeel van de Nederlandse regering over deze actie. Die staat in die beantwoording en ik heb die woorden hier nog eens herhaald. Het is ook helder geworden dat het een vervolg moet krijgen, maar over de manier waarop dat vervolg vorm krijgt, heb ik gezegd dat ik daarover graag de daartoe meer bevoegde collega zou raadplegen. Vanwege de argumentatie van de heer Sjoerdsma heb ik aangeboden om er morgen al op terug te komen. Dat is, gezien wat er gebruikelijk is bij collegiale afstemming over buitenlandse kwesties, echt als een lichtflits zo snel. Ik vind het niet erg zinnig om dan te zeggen: de toezegging die ik een paar minuten geleden heb gedaan, stond niet in de beantwoording van de Kamervragen en daarom moet het per ommegaande. Ik houd vast aan mijn aanbod aan de Kamer om al morgen te reageren op de suggesties van de heer Sjoerdsma, maar wel onder de voorwaarde dat ik de heer Koenders kan laten beoordelen wat de effectiefste manier is om op dit punt met de Turkse overheid om te gaan.

Mevrouw Karabulut (SP): Het tweede deel van mijn vraag is nog steeds onbeantwoord.

Minister Asscher: Mevrouw Karabulut bracht inderdaad nog een punt op, een punt dat ook in tweede termijn behandeld zou kunnen worden. Zij wil graag dat ik het gesprek met de Turkse overheid aanga over wat er verder allemaal aan beïnvloeding, langearmgedrag en mogelijke intimidatie plaatsvindt ten opzichte van Turkse Nederlanders. Dat is een ander punt.

Mevrouw Karabulut (SP): Maar de inhoud staat in dezelfde brief. Het gaat namelijk om concrete plannen om hier van alles en nog wat te subsidiëren. Ik noem de financiële ondersteuning van vrouwen die heel vaak zwanger worden, korting op tickets van Turkish Airlines, crèches en scholen. Die arm wordt niet alleen steeds langer, maar ook steeds verstikkender. Ik zou graag de toezegging krijgen van de Minister dat hij daarover een inhoudelijk gesprek aangaat met de Turkse regering, duidelijk maakt dat dit ongewenst is en ons daarover rapporteert. Het gaat mij dus om de inhoud van de brief.

Minister Asscher: Ik begrijp nu beter waarom dit onderdeel was van de interruptie van mevrouw Karabulut.

Ook hier maak ik onderscheid tussen inhoud en taakverdeling. Over de inhoud ben ik het met mevrouw Karabulut eens: als Nederlander maak je ongeacht je achtergrond je eigen keuzes. Dat kan in het geding komen als een stemadvies op deze manier wordt omkleed. Dat ben ik met haar eens en inhoudelijk voel ik dus hetzelfde ongenoegen. Het is wel de vraag of het mijn taak of de taak van de heer Koenders is om daar met de Turkse overheid over te communiceren. Ik denk dat het effectiever is om dat in het gesprek te laten doorklinken dat Koenders zal organiseren om ons ongenoegen aan de Turkse overheid over te brengen. Als gevolg van de interruptie van de heer Sjoerdsma zal ik in overleg treden met de heer Koenders over wat de beste manier is om dit duidelijk te maken aan de Turkse overheid. Als we tot de conclusie komen dat het verstandig is dat ik daar, zoals mevrouw Karabulut suggereert, met mijn ambtsgenoot over praat, zal ik dat zeker doen. Ik zal dat dan ook aan de Kamer laten weten. Laten we die twee dingen even uit elkaar halen. Wat vinden we van die brief? Wat vind je van de inhoud van de brief en waarom is die problematisch uit oogpunt van integratie? Wat is een goede manier om dat duidelijk te maken aan de Turkse overheid? Op die laatste vraag kom ik nog terug.

De heer Pieter Heerma (CDA): Het is heel goed dat de Minister in dit debat zo duidelijk in lijn met wat de overgrote meerderheid hier aan tafel heeft uitgesproken, afstand neemt van de brief van de Turkse overheid. Verder is het ook goed dat hij bereid is om de Kamer nog voor de verkiezingen te laten weten hoe het kabinet de regering daar zal aanspreken. Ik ben benieuwd of het meegenomen zal worden door de waarnemers dit weekend. Wordt deze brief door de Raad van Europa en de OVSE meegenomen in de beoordeling van de verkiezingen dit weekend? Als dat niet zo is, is het kabinet dan bereid om het daar aanhangig te maken? Ik zou graag zien dat hierop ook wordt ingegaan in de brief die morgen naar de Kamer komt.

Minister Asscher: Ik begrijp dat verzoek. Ik ga het zeker proberen. Als we daar geen antwoord op hebben, zal ik dat in de brief vermelden en uitleggen waarom dat zo is. Hoe dat formeel werkt is niet mijn expertise. Ik moet dat navragen, maar ik begrijp waarom u wilt dat ik die vraag meeneem.

Voorzitter. Ik ga verder met de jeugdverblijven. Kan het besluit worden aangepast vanwege de mogelijkheid dat lokale overheden subsidies verstrekken? Ik denk niet dat ik de lokale overheden die mogelijkheid zou kunnen ontzeggen. Ik denk ook niet dat ik het besluit zou kunnen aanpassen. Ik zal wel goed bekijken of de tekst van de AMvB duidelijk genoeg is, want blijkbaar is een en ander nog onduidelijk. De strekking is dat het subsidiebeleid een lokale aangelegenheid is. Het lokale bestuur kan als men daarvoor kiest, organisaties subsidiëren voor maatschappelijke activiteiten. Het geldt dus niet voor religieuze activiteiten, maar wel voor huiswerkbegeleiding et cetera. In die bevoegdheid kan en wil ik niet treden. Ik ga dus bekijken of ik dat helder kan maken door de tekst te verduidelijken. Dat men vervolgens een subsidie voor maatschappelijke activiteiten ook kan toekennen aan een organisatie die zo'n internaat aanbiedt, kun je daarmee niet verhinderen. Het gaat puur om de vraag waar de subsidie voor is bedoeld.

De heer Öztürk stelde een vraag over de zorgen van ouders over de Wet op de jeugdverblijven. Ik ben zeer bereid om de zorgen van ouders weg te nemen. Ik heb bij de consultatie van de wet ook persoonlijk met heel veel Turkse ouders gesproken, bijvoorbeeld op een grote bijeenkomst in Amsterdam-West. Ik heb daar heel veel onterechte beelden kunnen wegnemen over wat de wet betekent door duidelijk te maken dat die wet juist in het belang is van de veiligheid van kinderen en dat de wet daarom juist de steun van ouders verdient. Het is heel vervelend dat sommigen het nog steeds als negatief ervaren. Ik ben en blijf dan ook altijd bereid om in overleg te treden met betrokken partijen die behoefte hebben aan nadere uitleg over dit wetsvoorstel c.q. besluit.

De opmerkingen over technische gebreken dan wel verbeteringen hebben we tot ons genomen. Ik ben het overigens niet eens met wat men wetstechnische gebreken noemt. In de memorie van antwoord is uiteengezet hoe er met die punten is omgegaan tijdens de behandeling van dat deel van de wet. Ik denk dat ik daaraan op dit moment niet veel kan toevoegen, maar ik ben dus wel altijd bereid om met ouders in gesprek te gaan over hun zorgen.

Over de koers ten aanzien van de TRSO's hebben we al in een ander debat gesproken. Hierover zijn vragen gesteld door de VVD en de SP. Ik begrijp waarom die vragen zijn gesteld, want het beeld is inderdaad dubbel. Ik ben heel kritisch over organisaties die de vrijheid van burgers beknotten door groepsdruk uit te oefenen, maar tegelijkertijd ben ik ook bereid met organisaties samen te werken als zij goede dingen doen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het bestrijden van jeugdwerkloosheid of huiswerkbegeleiding door vrijwilligers. Dat is namelijk wel degelijk positief te duiden. Het maakt dat je soms een heel strenge boodschap hebt die een stekelige discussie oplevert, maar dat er soms ook wel degelijk activiteiten plaatsvinden waarvoor ik waardering heb en waar ook de Kamer waardering voor heeft uitgesproken.

Ik beraad me nog op de manier waarop ik de motie zal uitvoeren. De heer Potters verwees naar die motie toen hij vroeg om vervolgonderzoek naar die organisaties. Ik begrijp heel goed waarom hij de behoefte heeft aan meer informatie, meer duidelijkheid en meer transparantie. Die behoefte deel ik, maar ik stuit hierbij wel op praktische belemmeringen. In de brief van september vorig jaar over het literatuuronderzoek naar de TRSO's heb ik geschreven dat het niet heeft opgeleverd wat ik had verwacht. Sommigen hebben gemeend dat ik daarmee bedoelde dat ik de uitkomsten niet goed vond. Dat is onjuist, want het ging mij erom dat we niet op alle onderzoeksvragen antwoord kunnen geven met een literatuurstudie. Die frustratie proef ik ook bij de indieners van de motie, want het levert vervolgens niet veel meer op. Er staan ons echter weinig andere instrumenten ter beschikking, behalve echte veiligheidsonderzoeken. Over die onderzoeken ga ik echter niet. Bovendien vinden die vaak ook plaats buiten de openbaarheid en moet er een aanleiding voor zijn.

Ik ben dus echt nog aan het broeden op een manier om tegemoet te komen aan waar de Kamer naar op zoek is. Ik ben graag bereid om daarover met de Kamer in overleg te treden en suggesties van de Kamer in overweging te nemen, maar dat laat onverlet dat het moeilijker is dan alleen maar zeggen: er zou onderzoek moeten worden gedaan. Daar hebben we vorig jaar voor die rapportage heel nadrukkelijk naar gekeken en dat viel ons niet mee.

De voorzitter: Mevrouw Karabulut, ik zie dat u wilt interrumperen. Ik wijs u er wel op dat u in eerste termijn heel veel vragen hebt gesteld en dat ik u in deze termijn ga beperken, want anders komen we niet op tijd klaar.

Mevrouw Karabulut (SP): Terecht, voorzitter. Ook ik moet soms beperkt worden.

Mijn vraag gaat over het verlengstuk van de Turkse overheid, het bondgenootschap en de samenwerking met de Minister. Het is prima dat organisaties soms goede dingen doen. Laat ze dat lekker doen, zou ik zeggen. Het probleem is 1. dat de Turkse overheid op een ongewenste manier iedere keer weer de Turkse Nederlanders beïnvloedt, want dat belemmert de integratie en 2. dat die organisaties de boodschapper zijn van de Turkse overheid. En ik herinner de Minister er toch maar aan dat door de Turkse overheid de mensenrechten en de persvrijheid er op dit moment verschrikkelijk voorstaan. Het is afschuwelijk wat er allemaal gaande is en die overheid komt ook nog eens met een boodschap die anti-integratief is. Ik vind het prima dat de Minister af en toe met Turkije praat, maar ik wil dat hij die vriendschap en dat bondgenootschap verbreekt en zich wendt tot al die individuele burgers, al die individuele Turkse Nederlanders – ik heb dus weer over die individuele aanpak – die hun best doen en die hun Nederlanderschap omarmen. De Minister moet dat faciliteren. Hij moet zich daarop richten in plaats van in zee te gaan met een regime waarvan we weten dat het de integratie al 30 jaar belemmert en op dit moment heel veel schaduwkanten heeft die haaks staan op onze waarden en normen. Dat gebeurt allemaal op een moment dat de Minister vraagt een participatiecontract te tekenen om juist die normen en waarden hoog te houden.

Minister Asscher: Ik denk na over hoe ik deze vraag moet beantwoorden, want het is een rijk geformuleerde vraag met veel inkleuring van de Turkse overheid en de agenda van die overheid. Ik houd toch vast aan het principe waarmee ik mijn betoog in deze termijn begon, namelijk dat ik mij richt op de toekomst van de mensen in dit land. Ik richt mijn beleid erop dat mensen in vrijheid kunnen genieten van al het moois dat dit land biedt en dat zij daaraan kunnen bijdragen. Mensen moeten de rechten en de plichten van dit land kunnen verinnerlijken en dat staat dus ook voorop in het integratiebeleid. Het staat daarom ook voorop in de contacten die ik heb met organisaties. Ook al richt je je op individuen, er zijn nu eenmaal organisaties want individuen organiseren zich. Dat hoort ook bij de vrijheden van dit land. Je moet dan onderscheid maken tussen activiteiten waarvan je vindt dat ze bijdragen aan de individuele ontplooiingskansen van mensen in dit land en aspecten waar je kritisch over bent. Dat is precies wat ik net beschreef. Ik wil niet in herhaling vallen en ik wil ook de vraag niet onbeantwoord laten, maar ik heb het gevoel dat we veel dichter bij elkaar staan dan je zou denken als je de formulering van de vraag van mevrouw Karabulut beluistert.

Mevrouw Karabulut (SP): Dat kunnen we als de Minister duidelijk aangeeft dat wij ons niet langs etnisch-religieuze lijnen organiseren en niet een verouderde verzuilingspolitiek willen toepassen op migranten en hun kinderen. Die tijd zijn we voorbij. Als je de Turkse overheid en de daaraan gekoppelde TRSO's, die een verlengstuk van de Turkse overheid zijn, tot in lengte van dagen als uitgangspunt en aanspreekpunt neemt en zelfs een bondgenoot noemt, belemmer je, wellicht onbedoeld, de integratie. Als de Minister zegt dat zijn uitgangspunt de individuele Turkse en Marokkaanse Nederlanders zijn, moet hij het niet zoeken in de landen van herkomst of de verlengstukken van de landen van herkomst maar zich richten tot individuen in plaats van organisaties. Die bondgenoten noemen is wat mij betreft strijdig met de integratiedoelstelling.

Minister Asscher: Volgens mij gaat het dan best goed. Ik ben namelijk ook niet voor verouderde verzuilingspolitiek en ik ben niet van plan om mensen religieus te organiseren. Ik richt me altijd op individuen, ongeacht zijn of haar godsdienst en dus ook ongeacht zijn of haar culturele affiliaties, lidmaatschappen van organisaties et cetera. Ik ben verder blij dat mevrouw Karabulut begrijpt waarom ik praat met organisaties die een nuttige bijdrage leveren aan de samenleving. Ik hoor haar ook niet zeggen dat ik dat niet zou moeten doen als het religieus georganiseerde organisaties zijn. Dat zou ook heel vreemd zijn, gezien het begin van haar betoog. Wat je overhoudt is het probleem dat zij heeft met het woord «bondgenoot». Dat begrijp ik wel en misschien is dat woord dan ook niet gelukkig gekozen. Waar het mij om gaat, is dat ik organisaties wil uitdagen zich als een bondgenoot op te stellen in het belang van in dit geval Turkse Nederlanders. Ik geloof er heel erg in dat je kritisch en scherp kunt zijn en tegelijkertijd mensen de ruimte kunt bieden om het op een goede manier te doen; dan kom je verder. Zeker als je het daarvan losmaakt en het verbindt aan alles wat je niet goed vindt aan wat er nu in Turkije gebeurt, leg je er een heel zware hypotheek op.

Ik zie allemaal afwijzende gebaren. Dan houd ik maar gelijk op, want ik probeer serieus in te gaan op vragen. Ik ga dan gewoon door; dat is ook goed.

De heer Potters (VVD): Ik heb in eerste termijn aangegeven dat ik de Minister nog wat voorzichtig en terughoudend vond bij dit soort dossiers. Volgens mij proberen mevrouw Karabulut en ik goed te begrijpen wat de Minister wil, want wij trekken aan dezelfde kant van het touw. Wij zeggen beiden dat je heel nadrukkelijk moet aangeven dat wij krachtig zullen optreden tegen de Turkse overheid als die dit soort brieven stuurt om de AK-partij te promoten en tegen de TRSO's als die door hun lange arm verstikkend werken op onze samenleving. Ik vind het niet goed gaan en met die TRSO's moet we daarom heel terughoudend samenwerken. Natuurlijk zijn er goede voorbeelden, maar dat verandert niets aan mijn gevoel dat de Minister wel heel voorzichtig omgaat met de TRSO's. Het zou mij helpen in dit debat – en ik denk mevrouw Karabulut ook – als de Minister zegt: «Ik vind dit niet gepast. Ik ga over integratie. Dat is mijn departement en ik sta daarvoor. De Turkse overheid moet zich daarbuiten houden en als ik merk dat de Turkse overheid rechtsom of linksom of via de TRSO's invloed probeert uit te oefenen, geef ik het krachtige signaal dat dit niet de bedoeling is.» Volgens mij is dat het signaal dat wij graag in dit debat zouden horen in plaats van de voorzichtige toon van de Minister.

Minister Asscher: Dit signaal heeft de heer Potters al kunnen horen, want ik was volgens mij heel helder over die brief. Als hij zo'n signaal wil horen, moet hij luisteren als ik dat geef.

De volgende vraag is hoe je dan omgaat met de organisaties in Nederland die zich houden aan de regels van de Nederlandse samenleving en de wet. Daar ging het debat met mevrouw Karabulut over. Ik zie dat er aan de ene kant sprake is van beïnvloeding door de Turkse overheid, met name bij Diyanet. Laten wij de TRSO's niet op één hoop gooien, want die verschillen van elkaar. Sommige van die organisaties lijden zelfs onder vervolging in Turkije. Om hen te verwijten dat zij de lange arm van Ankara zijn, is al helemaal mal. Bij Diyanet is inderdaad sprake van een steeds sterkere rol en aansturing door de Turkse overheid en een steeds assertievere en wat mij betreft ongewenste bemoeienis met het leven van Turken in Nederland. Daarover hebben wij ook gesproken. Aan de andere kant zijn veel Turkse Nederlanders die vrijwilligerswerk doen bij hun moskee in de buurt – die bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding geven, zich inzetten voor de samenleving en ervoor zorgen dat kinderen goed worden opgevoed – ook betrokken bij diezelfde organisatie. Die beide boodschappen zijn waar. Zij brengen met zich mee dat je soms heel kritisch en scherp moet zijn, maar dat je bondgenoten als je die tegenkomt, ook moet waarderen.

Nu wordt gezegd dat ik voorzichtig ben, maar ik probeer precies te zijn. Precisie betekent dat je waardering hebt voor mensen die goede dingen doen in onze samenleving, ook als zij dat doen vanwege hun religieuze inspiratie of omdat zij lid zijn van een vereniging die dat doet, en dat je kritisch bent tegen diegenen die de integratie en dus ook de toekomst van mensen in dit land beperken en die mensen tegen hun zin in een groep drukken of die groepsdruk uitoefenen. Ik heb het allebei gezien in de Nederlandse samenleving. Het Turks-Nederlands Tegengeluid kwam op na de Motivactionaffaire en werd geuit door dappere, assertieve en actieve jonge Nederlandse Turken. Zij kwamen vervolgens ook weer onder druk te staan van anderen die hen als verraders beschouwden omdat zij met mij in gesprek gingen.

Ja, ik zal helder zijn en als dat nog beter kan, helpt u mij daarbij in een overleg als dit. Ik streef daar voortdurend naar, maar wij moeten de positieve krachten die er ook zijn, vaak individueel maar in welke vorm dan ook, waarderen en erkennen.

De heer Potters (VVD): Dat laatste spreek ik niet tegen. Natuurlijk moeten wij dat doen, maar ik waarschuw ervoor dat wij niet naïef moeten zijn over de agenda van de Turkse overheid en de manier waarop zij die gebruikt; daarbij worden ook TRSO's ingezet. De Kamer vraagt de Minister heel alert te zijn. Als hij ziet dat de Turkse overheid linksom of rechtsom dan wel rechtstreeks met een brief dan wel via de TRSO's ongeoorloofd invloed probeert uit te oefenen op ons integratieproces, moet hij dit duidelijk een halt toeroepen. De Minister moet dan zeggen dat dit niet kan en dat wij dit niet accepteren. Hij is de Minister van integratie en die oproep wil ik nog eens benadrukken.

Minister Asscher: Dat zeg ik de heer Potters graag toe. Ik heb de afgelopen jaren steeds principieel gekozen voor de toekomst van mensen in ons land, of het nu ging om het jongetje Yunus of over de discussie over bemoeienis. Ik onderschrijf de oproep van de heer Potters. Hij kan ervan op aan dat ik alert zal zijn, dat zal hij zien.

In de vraag van mevrouw Karabulut naar de uitvoering van de moties over de samenwerking met de Turkse en Marokkaanse regering, klonk weer de suggestie door dat ik van plan ben allerlei mensen of imams te importeren. Daarvan is geen sprake. Ik heb dit ook al expliciet gezegd tijdens het vorige algemeen overleg. Het zou fijn zijn als dit niet telkens opnieuw wordt geponeerd.

Het is wel belangrijk om ruimte te houden voor de uitwisseling van kennis. Ik noem als voorbeeld de uitwisseling met Marokko over de aanpak van radicalisering. Ik ga ervan uit dat de Kamer daar belang aan hecht. Wij zijn samen met Marokko voorzitter van het forum dat zich bezighoudt met het tegengaan van uitreizigers, van foreign terrorist fighters. Veel landen met grote verschillen hebben gemeen dat zij bedreiging ervaren van IS en dat zij kennis willen uitwisselen over het effectief tegengaan daarvan. Nederland moet daarmee doorgaan, maar dat wil niet zeggen dat de integratie van Nederlanders aan buitenlandse mogendheden wordt overgelaten. Dat ben ik geen seconde van plan.

De vraag hoe het onderwijs moet omgaan met radicalisering, breng ik onder bij het blokje salafisme. De brief over salafisme is in de eerste plaats een analyse; dat was ook de vraag van de Kamer. Er is een rapport van de AIVD over de ontwikkeling van het salafisme. Daarin wordt ingegaan op de vraag wat je ziet en hoe je dat beschouwt. In dit rapport worden harde noten gekraakt. Er wordt gesteld dat salafisme zou kunnen worden onderverdeeld in drie delen: een predikvorm die meer religieus-evangelisch is, een politiek salafisme en een jihadistisch salafisme. De eerste vorm richt zich op het overtuigen van mensen van die interpretatie en die geloofsleer. De tweede streeft echt politieke doelen na en bij de derde vorm is directe of indirecte geweldsbereidheid een element. In de brief schrijf ik dat alle drie elementen kunnen leiden tot intolerantie en antidemocratisch gedrag of een voedingsbodem kunnen zijn voor radicalisering. Dat is buitengewoon zorgelijk.

Het tweede deel van de brief gaat over de vraag wat wij doen. Ik begrijp heel goed dat de Kamer vraagt wat wij nog meer kunnen doen en of wij niet harder of strenger moeten optreden. Ook hier geldt dat wij niet voorzichtig maar wel precies moeten zijn. Waar de wet wordt overtreden, moet worden gehandhaafd. Wij hebben niet voor niets een programma om de wet en de handhaving op bepaalde punten te verbeteren. Daarnaast moet er ook iets worden gesteld tegenover antidemocratische gedragingen of uitingen die nog wel binnen de wet passen. Velen hebben dat gezegd. Ik had wellicht meer elementen uit het actieprogramma in de brief moeten overnemen. Er moet een tegengeluid worden geformuleerd, maar dat levert enorme dilemma's op. Laat daar geen misverstand over bestaan. Dit raakt immers aan de scheiding tussen kerk en Staat.

De Britten gaan ver in het tegengeluid. Ik heb mij daarover onlangs samen met collega Van der Steur laten informeren. Het wordt bepaald ongemakkelijk. Ik was blij met het antwoord van de heer Potters op de vraag in een interruptie wat je wel en niet zou moeten doen. Hij zegt ook dat wij soms onorthodox moeten durven zijn. De heer Heerma sprak over de-radicalisering. Het gaat dan over een veel kleinere uitsnede, namelijk de mensen die al geradicaliseerd zijn. Dit staat in ons actieprogramma. Wij doen het wel heel precies, want ook daar geldt: beter goed dan half om schijnveiligheid en schijnresultaten te voorkomen.

Daarnaast is er aandacht voor ondersteuning en preventie in families, op scholen en bij professionals. Als er signalen zijn van radicalisering, moet worden opgetreden. Dat is ook een antwoord op de vraag van mevrouw Karabulut naar een complementaire aanpak gericht op scholen om de professionals daar te trainen, niet alleen de onderwijzers maar ook de interne begeleiders en de schoolleiding, om signalen te herkennen en te weten wat zij daarmee moeten doen.

Daarmee kom je verder op afstand van de eerste taak van de rijksoverheid: het op een goede manier beïnvloeden van het wereldbeeld van de jongeren. Hoe kun je ervoor zorgen dat die aantrekkingskracht minder wordt? Ik heb het dan niet over de aantrekkingskracht van de antidemocratische vorm maar van de meer fundamentalistische en orthodoxe interpretatie van het geloof. Daar heeft de rechtsstaat ook grenzen, want ook al vind ik veel van die opvattingen buitengewoon onaangenaam, als het opvattingen zijn die niet leiden tot antidemocratisch gedrag of erger, vallen zij wel weer in het domein van de vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid is er natuurlijk niet alleen voor meningen die wij prettig vinden, maar ook voor meningen die wij ongemakkelijk vinden. Daarom probeer ik in de brief precies te zijn en het onderscheid aan te brengen. Dit mag echter niet de indruk wekken dat wij voorzichtig omgaan met degenen die het op onze rechtsstaat hebben gemunt en dat wij niet keihard zullen optreden als een salafistische stroming een politieke agenda nastreeft. Dit kwam niet voor niets terug in het debat over antidemocratische partijen. Wij zullen daarin andere keuzes maken dan wij eerder hebben gedaan toen het nog meer een theoretische casus was van de zijde van de regering. Ik beschouw het als een belangrijke taak juist van de rijksoverheid om die vrije democratische rechtsorde te beschermen. Ik realiseer me goed dan je daarmee soms eerder moet beginnen dan wij vroeger hadden gedacht. Dat wil echter niet zeggen dat wij een oplossing voor het probleem van die aantrekkingskracht dichterbij brengen als wij niet precies zouden zijn in het onderscheid tussen de mensen die zich problematisch gedragen en de mensen die dat niet doen. Dan zouden wij het tegendeel kunnen bereiken. Het gaat dus niet om voorzichtigheid, maar om precisie.

De heer Pieter Heerma (CDA): Omdat daarin zo vaak sprake is van antidemocratische risico's, moest ik bij het lezen van de brief over het salafisme denken aan het debat dat wij al sinds 2006 voeren over de vraag of je antidemocratische organisaties niet sneller moet verbieden. In de brief wordt in een alinea ook gerefereerd aan dit debat en aan de motie. Het internationaal vervolgonderzoek zal in het eerste kwartaal van volgend jaar worden afgerond. De Minister zegt hier opnieuw dat hij verder wil gaan dan in het verleden. Op welke termijn kunnen wij een kabinetsbrief naar aanleiding van dit onderzoek verwachten? Zullen in die brief, al naar gelang de uitkomst van het onderzoek – ik heb heel goed begrepen dat het kabinet de motie op die manier interpreteert – zo mogelijk ook voorstellen worden gedaan voor mogelijkheden om eerder te kunnen optreden?

Minister Asscher: Ik wil niet vooruitlopen op de inhoud van een brief over een onderzoek dat thans plaatsvindt. Wij hebben daarover een goed debat in twee instanties gevoerd. Ik denk dat de Kamer goed weet hoe ik in dit vraagstuk sta, terwijl ik ook heel goed weet wat de Kamer van mij verwacht. Wij willen niet alleen het onderzoek afronden in het eerste kwartaal, maar dan ook de brief verzenden. Ik vraag enige clementie, want zo'n kwartaal kan op een gegeven moment vol raken, maar onze inzet is erop gericht om ook de brief in het eerste kwartaal te versturen.

De heer De Graaf (PVV): In het kader van de precisie die de Minister noemt, is het ook belangrijk om te kijken naar uitingen hier en in het publieke domein en naar de opstelling van de Minister. Is volgens de Minister, kritiek op de islam hetzelfde als moslimhaat?

Minister Asscher: Nee.

De heer De Graaf (PVV): Zal hij dit dan ook op deze manier uitdragen in zijn brieven, uitingen, discussies en dergelijke? Ik vind dit een belangrijk punt.

Minister Asscher: Godsdienstkritiek is onderdeel van de vrije Nederlandse rechtsstaat. Je kunt er beter meer van hebben dan minder, want dat leidt juist weer tot debat. Daardoor kunnen godsdiensten ook veranderen. Kritiek is een onderdeel van de vrije Nederlandse samenleving. Ik maak mij wel zorgen over moslimhaat. De heer De Graaf gebruikte net prachtige metaforen van sinaasappels en schillen – ik ben die nog aan het verwerken – maar als je goed naar hem luistert, komt het er op neer dat alle moslims verdacht zijn. Hij zegt nu nee. Dat is weer winst in dit debat.

De heer De Graaf (PVV): Voorzitter. Ik word nu persoonlijk aangesproken in het antwoord van de Minister. Ik laat mij geen woorden in de mond leggen.

Minister Asscher: Ik zal ook geen woorden in de mond van de heer De Graaf leggen. Hij zit veel te ver weg en ik heb ook niet de illusie dat ik zijn woorden zou kunnen verzinnen. Ik stel echter vast dat in het maatschappelijk debat heel vaak wordt gesteld dat moslims omdat zij moslim zijn, eigenlijk op weg zijn naar of gevoelig zijn voor of onderdeel zijn van extremisme, terrorisme en strijdigheid met de Nederlandse samenleving en de Nederlandse rechtsstaat. Er is tenslotte maar één ware uitleg van dat geloof, althans zo heb ik de woorden van de heer De Graaf beluisterd. Waarom ben ik daar bezorgd over? Mensen zijn als individu verantwoordelijk voor hun handelen, zij maken als individu de keuze om wel of niet een geloof aan te hangen, zij zijn als individu aanspreekbaar op de vraag of zij zich aan de regels van de Nederlandse rechtsstaat houden. Dan is het dus kwalijk als een grote groep burgers in deze samenleving die een geloof aanhangen of zich tot een bepaalde gemeenschap rekenen, permanent verdacht wordt gemaakt. Ik ben heel blij dat de heer De Graaf verbaal en non-verbaal aangeeft dat hij dit helemaal niet wil. Dat is winst voor al die goedwillende moslims die nu weten dat de heer De Graaf het niet over hen heeft. Dat is mooi.

De heer De Graaf (PVV): De Minister is heel blij met zijn antwoord, maar zijn allereerste antwoord, dat «ja», heeft slechts één minuut standgehouden. Wat hij in het vervolg van zijn antwoord doet, is kritiek op de islam gelijkstellen aan moslimhaat. Dat is nu precies waarvan hij de PVV beticht. Hij kan nu wel tien keer nee schudden, maar dat is exact wat hij heeft gedaan. Ik stel voor dat hij dit stukje terugluistert; dan komen wij hier volgende keer op terug. De Minister is er zelf ingestonken.

Minister Asscher: Ik ben zeker bereid om dit stukje terug te luisteren, maar wel op één voorwaarde, namelijk dat de heer De Graaf dat ook doet. Blijkbaar zegt hij nu dat kritiek op de islam hetzelfde is als alle moslims verdacht maken. Dat zou de enige reden zijn waarom mijn beide antwoorden niet zouden standhouden. Ik vind kritiek op de islam prima, hartstikke goed. Sterker nog, hoe mooi zou het zijn als meer moslims zich in het publieke debat kritisch zouden uiten over interpretaties van hun eigen geloof. Ik ben er bezorgd over dat het vaak zo negatief wordt geduid. Ik ben er bezorgd over dat zij dan zo vaak uit eigen kring met intolerantie te maken krijgen. Het past bij de Nederlandse samenleving dat je in vrijheid kiest voor je geloof, ook als het een orthodoxe versie is, maar dat je er tegen kunt als dit geloof ook in het openbaar wordt bekritiseerd. Ik accepteer echter niet dat mensen verdacht worden gemaakt omwille van het feit dat zij een geloof aanhangen. Daarom staan beide antwoorden naar mijn mening nog steeds overeind. Wij zullen dit echter allebei terugluisteren, ook het deel over de sinaasappels.

Ik deel de zorg van de heer Potters over het risico van de vermenging van religieuze orthodoxie en een politieke agenda of erger. Het is eerder onze opdracht om na te denken over de vraag hoe dit effectief kan worden bestreden dan elkaar te overtuigen van het feit hoe erg wij dit vinden. Ik heb geprobeerd dit in het eerste deel van de brief te duiden. Ik heb al gezegd dat ik in het tweede deel van de brief misschien meer onderdelen van het actieplan die hierop zien, had moeten beschrijven. Dit vraagstuk stelt ons voor een permanente uitdaging. Ik ben ervan overtuigd dat de softe, preventieve maar uiteindelijk cruciale weerbaarheid van de Nederlandse samenleving en de jongeren in ons land, en de effectiviteit van burgerschapsonderwijs, op de lange termijn misschien een sterkere reactie kunnen zijn dan wat wij aan de andere kant doen. Je moet het allebei doen, maar jongeren leren kritisch na te denken en eigen keuzes te maken, en hen bijbrengen dat dit hun grondrecht is in Nederland, vormen ook een relevante verdedigingswal tegen ongewenste beïnvloeding door fundamentalistische stromingen. Ik denk dat de werkelijkheid is dat wij de komende jaren het debat moeten blijven voeren over de vraag wat de meest effectieve reactie van de samenleving is. Dat is niet alleen in Nederland het geval, ook andere landen worstelen met dit vraagstuk en wapenen zich hiertegen, die zijn ook op zoek naar informatie-uitwisseling. Minister van der Steur is niet voor niets actief in de fora die daarvoor zijn opgericht, om te kijken wat je nog meer kunt doen. Vandaar ook mijn positieve reactie op de gedachte van het tegengeluid en de wens om daartoe meer stappen te zetten.

Er zijn terecht veel vragen gesteld over de integratie van de vluchtelingen die in ons land verblijven. Die vragen zijn eigenlijk tweeërlei: wanneer begin je daarmee en moet het niet sneller, en: hoe gaan wij het überhaupt aanpakken gelet op de getallen. Beide vragen zijn relevant en legitiem. Ik heb toegezegd dat ik voor de behandeling van de begroting – dat is meestal rond sinterklaas – zal reageren op de moties die hierover zijn aangenomen. Ik heb daar tijd voor nodig, omdat ik zo'n reactie niet in splendid isolation kan formuleren. De lokale overheden en de organisaties die hierop zijn gericht, spelen daarbij een cruciale rol. Ik heb inderdaad een kort briefje geschreven over de bijeenkomst die wij hebben gehad, om te laten weten dat wij met dit werk bezig zijn. Het uitgangspunt is dat de fouten die in het verleden met integratie zijn gemaakt, niet worden herhaald. Wij moeten expliciet wijzen op de Nederlandse normen en waarden en uiteenzetten wat wij van mensen verwachten. Zij moeten de taal snel leren en in staat worden gesteld om een bijdrage te leveren. Dus niet: geef ze een baan, nee, zorg ervoor dat mensen in staat zijn een bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving. Heel veel mensen willen iets terugdoen. Daarom is het belangrijk te kijken wat zij kunnen en hoe hun diploma's kunnen worden geverifieerd. Dan zijn mensen in staat om iets terug te doen. Daar is een taskforce voor. Ik houd ook niet van het woord taskforce, maar dit betekent gewoon dat je afspreekt dat je met degenen die verantwoordelijk zijn voor de organisaties die daaraan de beste bijdrage kunnen leveren, de koppen bij elkaar steekt en probeert lokale initiatieven te begeleiden en knelpunten op ons niveau zo snel mogelijk naar boven te krijgen.

Dat is een enorme opgave en wij mogen daar niet naïef over zijn. Het zal niet altijd meevallen. Het feit dat een deel van de vluchtelingen hoog is opgeleid, wil niet zeggen dat dit voor alle vluchtelingen opgaat. Ik ben wel van mening dat wij de verplichting hebben om gebruik te maken van de talenten die mensen meebrengen. Het is echter niet zo zwart-wit als wel wordt gesteld: het zijn allemaal hoogopgeleiden of het zijn allemaal analfabeten. Van de grote groep mensen die op de vlucht hiernaartoe veel heeft meegemaakt, zijn sommigen hoog opgeleid en anderen niet. Ik kan me wel vinden in de inschatting van de heer Sjoerdsma.

In het huidige stelsel wordt in de azc's al veel gedaan aan taalonderwijs op vrijwillige basis. Ik zal met de verantwoordelijke Staatssecretaris en onder zijn leiding kijken wat wij kunnen doen om hier meer uit te halen. Ik zal dit onder zijn leiding doen, omdat wij met twee dingen rekening moeten houden. Mensen die hier mogen blijven, moeten de taal spreken en succesvol een bijdrage kunnen leveren aan onze samenleving, maar mensen die hier niet mogen blijven, moeten terug. Dat is onderdeel van het behoud van het draagvlak. Daarom moet heel goed worden bezien wat wij in de voorfase doen. De Staatssecretaris heeft in een debat in de Kamer gezegd dat er wellicht een tweesporenbeleid kan ontstaan waardoor je al eerder iets doet voor mensen die hier mogen blijven of hoogstwaarschijnlijk mogen blijven. Dat klinkt ook voorzichtig door in zijn antwoord op die vragen.

Dan kan natuurlijk worden gezegd dat dit nog veel eerder moet gebeuren, niet in de asielzoekerscentra maar in de noodopvang, in de tenten bij Heumensoord bijvoorbeeld. Ik ben daar zeer terughoudend in, niet om de principiële redenen die wel worden geuit in het debat over de vraag wanneer je daarmee begint of over de effectiviteit van het terugkeerbeleid, maar omdat de noodopvang is bedoeld als noodopvang. Het is al een enorme opgave om de doorstroming op gang te krijgen, dat statushouders naar de gemeenten gaan en wat dies meer zij. De Staatssecretaris heeft aangekondigd dat hij terug zal komen op de mogelijkheden die er zijn om al eerder dan na het verkrijgen van een status de integratie te verbeteren zonder dat dit op gespannen voet staat met de effectiviteit van het terugkeerbeleid. Wij zullen bezien hoe de voorinburgering en de taalcursussen op vrijwillige basis die er nu al zijn, kunnen worden verbeterd of uitgebreid. Dit neemt niet weg dat er enige terughoudendheid is en dat wij niet al te absoluut zeggen dat iedereen die naar ons land komt, of hij nu uit Albanië of Aleppo komt, onmiddellijk taalles moet krijgen.

De voorzitter: Ik wijs de leden erop dat wij door interrupties problemen met de tijd krijgen. Ik vraag de Minister nu zijn antwoord af te ronden en dan kunnen vragen worden gesteld in de tweede termijn.

Minister Asscher: De leden hebben verschillende en belangwekkende suggesties gedaan die ik zal betrekken bij mijn brief ter voorbereiding van de begrotingsbehandeling. Zo vind ik de suggestie van de heer Marcouch om mensen in te schakelen, nuttig en interessant.

Ik ga nu over naar de cijfers van de inburgering. Ik had ook liever gezien dat een groter aantal inburgeraars al was geslaagd. Wel staat vast dat het overgrote deel van de inburgeraars daar actief aan werkt. DUO stuurt een half jaar voor het verstrijken van de termijn een rappel. Ik blijf in de gaten houden hoe dit loopt en als het nodig zal ik maatregelen nemen.

Ik ben het eens met het pleidooi van de heer Marcouch om in de inburgering steviger aandacht te besteden aan taal en waarden. In een vroeg stadium kan en wordt al gewerkt met vrijwilligers die de taal kunnen aanleren, maar waar dat beter kan, ben ik graag bereid die verbeteringen aan te brengen. In veel gemeenten zijn pilots op het vlak van normen en waarden via de participatieverklaringen. Dit levert positieve ervaringen op. Ik kom daarop terug bij de Kamer. Ik zal dit betrekken bij het specifieke vluchtelingenvraagstuk. Daarmee kan ook tegemoet worden gekomen aan de wens van de Kamer om dit niet vrijblijvend te laten zijn.

Ik zal een quickscan laten uitvoeren onder de inburgeraars om te achterhalen wat de oorzaak is van het lagere slagingspercentage. Aan de andere kant willen wij dat mensen die inburgeren, op alle elementen goed scoren. Dus lezen, luisteren, spreken en schrijven. Bij de aparte examinering moet op alle onderdelen een voldoende worden behaald. Vroeger kon dat worden gecompenseerd, maar wij hebben met elkaar vastgesteld dat mensen dat allemaal moeten kunnen. Dat verklaart voor een deel dat de resultaten slechter zijn. Ik zal dit dus nog nader laten onderzoeken door middel van een quickscan.

De evaluatie van de inburgering kan niet eerder plaatsvinden dan halverwege 2016. Als wij eerder hebben geschreven dat die in december komt, spijt mij dat. Je moet toch tenminste één driejaarstermijn hebben doorlopen om daarover iets zinnigs te kunnen zeggen. Ik zal een apart onderzoek laten doen naar de participatiegraad van de inburgeraars; dit element van het verzoek van de heer Marcouch zal ik meenemen. De wet kan echter niet eerder dan halverwege volgend jaar worden geëvalueerd.

Er is gevraagd naar de omgang met de informatievoorziening van DUO. DUO evalueert elk kwartaal de informatie op de website en voert aanpassingen door. Tussentijdse aanpassingen worden ook op verzoek van mijn medewerkers doorgevoerd. Over de informatie op de site kunnen vragen worden gesteld aan de helpdesk. Als er sprake is van concrete klachten en bedenkingen over de informatievoorziening, hoor ik die graag, want dan kunnen wij daar iets aan doen.

Er is zeker aandacht voor rechts-extremisme. De diensten houden alle relevante ontwikkelingen in de gaten, dus ook die van rechts-extremisme. De Kamer wordt periodiek door de NCTV geïnformeerd over actuele dreigingsbeelden.

In antwoord op de vraag of ik bereid ben een apart actieplan op te stellen, wijs ik erop dat wij moslimhaat en antisemitisme aanpakken, want beide zijn verwerpelijk en schadelijk en op sommige punten ook gevaarlijk. Er komt een nader actieplan over discriminatie. In de rijksbrede aanpak van discriminatie, rassenhaat en wat dies meer zij, zijn ook maatregelen opgenomen die zich richten op de bestrijding van moslimhaat. Ook de bescherming van moskeeën en moslims is naar mijn mening een belangrijke taak van de rijksoverheid. Daarover hebben wij goed contact met de moslimgemeenschappen die ons land kent. Ik heb niet de indruk dat de gesuggereerde onvrede of ongelijkheid in de werkelijkheid een feit is.

Ik ben niet bereid een acceptatietoets in te voeren.

Ik ben bekend met het Belgisch onderzoek naar antisemitisme. Dit was een van de aanleidingen voor dit onderzoek. Wij hebben daar eerder over gesproken in een algemeen overleg.

De heer De Graaf is kritisch over Panteia, althans hij stelt voor om de subsidie in te trekken. Die subsidies zijn in het algemeen bedoeld voor een specifiek onderzoek. Het is dan moeilijk om nu te zeggen: wij trekken de subsidie in, als daartoe al aanleiding zou zijn. Ik herken dit niet. Het gaat nu om een onderzoek dat in opdracht van de Anne Frank Stichting wordt uitgevoerd. Het is dan ook aan de stichting om de subsidierelatie voor dat onderzoek te onderhouden.

Er moet een diversiteitsbeleid worden gevoerd, niet alleen bij de overheid, maar zeker ook bij de overheid. Alle departementen hebben aangekondigd dat zij het diversiteitscharter zullen ondertekenen om tot een diverser beleid te komen. Het gaat dan om zwart en wit, man en vrouw en alle elementen van diversiteit die daarbij een rol spelen. Ook steeds meer bedrijven en instellingen tekenen het charter en zodoende kan worden gecontroleerd of zij hun beloften nakomen.

Ik ga niet over de vraag of er een apart algemeen overleg zou moeten worden gevoerd over extremisme; dat is aan de Kamer.

De voorzitter: Hiermee zijn wij aan het einde van de eerste termijn van de Kamer en van de Minister gekomen. Mevrouw Voortman heeft slechts een interruptie gehad. Ik stel voor dat zij in tweede termijn twee minuten spreektijd krijgt. De andere leden krijgen één minuut spreektijd.

De heer Potters (VVD): Voorzitter. Ik heb maar twee punten, maar die zijn niet onbelangrijk.

Ik hoor graag het standpunt van de Minister over het politiek salafisme en de ideologie die nu aan kracht wint en echt een bedreiging vormt voor onze rechtsstaat. Daarbij geef ik mee dat de urgentie nog wel een tandje meer mag. Ja, wij hebben gevraagd naar dat internationale onderzoek, maar dat is pas begin volgend jaar klaar. Ik zou nu al graag zicht krijgen op een concreet plan van aanpak om deze stroming, die antidemocratisch is en onze rechtsstaat bedreigt, de pas af te snijden. In dat kader moeten wij ook onorthodoxe maatregelen kunnen nemen.

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid is vorige week op werkbezoek geweest naar het Verenigd Koninkrijk en Duitsland in het kader van de-radicalisering. Ik zie dat Nederland achterloopt bij de processen die daar plaatsvinden. In Engeland zijn 6.000 jongeren betrokken bij een de-radicaliseringsproces. Volgens mij moeten wij een samenhangend, preventief en repressief pakket hebben. Wat wij nu hebben, is misschien nog niet voldoende. Wij moeten aanvullend daarop voorkomen dat met name het moslimfundamentalisme aan kracht wint en onze jongeren naar de verkeerde kant trekt.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van de heer Potters over het salafisme en islamisme. Wij komen daar inderdaad binnenkort uitvoerig over te spreken.

Ik vraag om een VAO, vandaag nog, inclusief stemmingen, omdat de Minister de Turkse overheden en mogendheden te veel ruimte laat om door te gaan met die lange arm in Nederland. Ook de Minister van Buitenlandse Zaken is te terughoudend in het antwoord op onze vragen. De Minister is ooit begonnen met stelling te nemen tegen die ongewenste beïnvloeding. Vervolgens werden de organisaties en de Turkse overheid zijn bondgenoten. Nu komt hij daar iets op terug, maar ik wil hem aanmoedigen met een uitspraak van de Kamer.

Ik heb de Minister niet echt gehoord over zijn appreciatie van mogelijk groeiend rechts-extremisme. Wij hebben gezien dat er nu ook tot geweld wordt overgegaan. In Duitsland is dit een gigantisch probleem en ik zou willen voorkomen dat het hier uit de hand loopt. Ik krijg daar graag nog een reactie op.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording. Het duurde lang en er was een stevige Kamer voor nodig, maar de Minister veroordeelt de Turkse ronselbrief nu wel. Misschien kan het VAO worden voorkomen door die brief vandaag te versturen. Ik meen dat de meerderheid van de Kamer graag een ambassadeur op het matje zou zien.

Hét vraagstuk van dit moment is de integratie van nieuwkomers en wij hebben daar tien minuten aan kunnen besteden. Dat is beangstigend weinig; wij moeten daar langer over spreken. De Minister zegt dat de brief met een aanpak voor sinterklaas aan de Kamer wordt gestuurd, maar ik zou die graag eerder in mijn schoen hebben. Iedere dag dat die mensen niets te doen hebben, is een verloren dag. De Minister zegt dat wij lessen moeten trekken uit het verleden. Naar mijn mening zijn twee lessen belangrijk. Op de handen zitten, leidt tot spanningen. De taal niet leren, betekent drie keer meer de bijstand. Waarom beginnen wij niet vanaf dag één met Nederlandse les en normen en waarden, want die mensen zitten nu zes maanden in de noodopvang en het inwilligingspercentage is 80?

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk): Voorzitter. Ik dank dat de Minister omdat hij alsnog aan tafel wil gaan zitten met de organisaties en de ouders om te praten over de jeugdverblijven. Ik wijs erop dat de Raad van State heel kritisch is. Ik vraag hem daarom nogmaals om het advies van de Raad serieus te nemen.

Het is spijtig dat hij geen actieplan voor moslimhaat wil opzetten en daarvoor verwijst naar het algemene actieplan, terwijl er een apart actieplan antisemitisme is en het percentage moslimhaat hoger is dan dat van antisemitisme.

Ik vind het verder spijtig dat de Minister keer op keer niet ingaat op de opmerkingen over de beveiliging van moskeeën en de wens om geld te geven aan het bestuur van moskeeën om zichzelf te beveiligen.

Wij hebben twee uur gesproken over salafisme en nog een paar andere onderwerpen, terwijl het rechts-extremisme, waarvoor mevrouw Karabulut terecht ook aandacht vroeg, heel dreigend is. De groei van de PVV is erger dan alle denkbeelden en dreigingsbeelden die de AIVD naar voren brengt. 37 zetels in de peiling en dat worden er iedere week meer, en dan praten wij hier met zijn tienen over een paar duizend mensen. Alle PVV-uitlatingen van Wilders wakkeren naar onze mening het geweld alleen maar aan.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Ik ben blij dat de Minister toezegt dat hij met een plan van aanpak komt voor de integratie van asielzoekers. Hij doet dit mede naar aanleiding van een motie van GroenLinks daartoe, die is ingediend en aangenomen tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. In de motie is expliciet sprake van scholing en werk tijdens de procedure. De taskforce die de Minister heeft ingesteld, richt zich op integratie en arbeidstoeleiding van vergunninghouders. Dat is niet waarom wordt gevraagd in de motie. Ik verwacht dat het kabinet zich ervoor inzet dat mensen al tijdens de procedure scholing krijgen en kunnen werken.

Ik heb in dat verband een voorstel gedaan voor mensen tussen 16 jaar en 26 jaar. Het is voor hen, net als voor andere jongeren in Nederland van die leeftijd, belangrijk dat zij aan het werk gaan of op school zitten. Ik heb aan de Minister gevraagd of hij dit voorstel deel wil laten uitmaken van het toegezegde plan van aanpak. Ik krijg daar graag een reactie op, want het is belangrijk dat juist deze groep werkt aan perspectief, ongeacht de vraag of de toekomst van de jongeren in Nederland ligt of elders.

De Minister heeft in antwoord op mijn vragen over inburgering gezegd dat er een folder in vijftien talen is, maar die verwijst voor meer informatie naar een website die volledig in het Nederlands is gesteld. Ik heb de Minister verder gevraagd naar de leesvaardigheid. Op dit moment is het slagingspercentage 52. Hoe kan hij dan volhouden dat er niets mis is met het niveau? Ik krijg daar graag een verklaring voor.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Ik dank de Minister voor het antwoord op de vragen.

Een evaluatie halverwege 2016 is echt te laat, zeker nu wij al weten dat de kwaliteit van de inburgeringstrajecten te wensen overlaat. De trajecten zijn te bureaucratisch en te ideëel: de vluchteling of inburgeraar moet het zelf doen en er wordt uitgegaan van zelfredzaamheid, maar integratie- en inburgeringstrajecten moeten juist leiden tot een niveau waarop mensen zelfredzaam worden. Ik roep de Minister op om toch vooral naar de kwaliteit te kijken opdat wij met de inburgeringstrajecten bereiken wat wij beogen, namelijk mensen in staat stellen om zelfredzaam te zijn.

De Minister heeft niet gereageerd op mijn opmerking dat hij er als Minister van Integratie naar moet streven dat de instituties die de diversiteit in de samenleving moeten dienen, die doelstelling van diversiteit in hun organisaties waarmaken. Ik dring erop aan dat hij inzet op een diversiteitsbeleid, te beginnen bij het COA, maar ook op de ministeries en bij de lokale overheden. Daar moeten wij die mensen als professional terugzien. Het gaat al dertig jaar niet goed genoeg. Ik zou graag zien dat de Minister daar veel offensiever in wordt.

De heer De Graaf (PVV): Voorzitter. Ik dank de Minister voor zijn antwoorden, ook voor het laatste interruptiedebatje dat wij hebben gevoerd. Wij gaan allebei de tekst terugluisteren.

De Minister wil een speciale plaats creëren waar aandacht wordt besteed aan moslimhaat. Wil hij daarin dan ook de haat jegens varkensboeren, aandelenbezitters en kapitalisten meenemen? Daar is ook veel haat en tegen die mensen wordt ook veel geweld gepredikt.

Ik dank de heer Öztürk voor zijn vleiende woorden, laat ik ze zo maar noemen, want iedere keer als hij zijn mond opentrekt, krijgen wij er twee zetels bij in de peilingen. Daarvoor dank.

De heer Pieter Heerma (CDA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van mevrouw Karabulut en de heer Sjoerdsma over de Turkse brief over de verkiezingen. Ik steun het verzoek om vandaag nog een brief van het kabinet te ontvangen, want de verkiezingen zijn aanstaand weekend en ik zou graag zien dat de Kamer in de gelegenheid is om een uitspraak te doen. Ik hoop dat de Minister dit wil toezeggen, want dan krijgt de Kamer de kans haar mening te uiten voorafgaand aan die verkiezingen.

De Minister is ingegaan op de de-radicalisering. Hij zegt dat een deel van het verhaal misschien ook in de brief over salafisme had moeten staan. Kan hij aangeven wat er, in vergelijking met Engeland, gebeurt in Nederland? Welke rol speelt de Expertise-unit Sociale Stabiliteit van zijn ministerie daarin? Wat doen wij op het gebied van de-radicalisering en hoe opereert de expertise-unit?

Minister Asscher: Voorzitter. Ik zal trachten het ook in één minuut te doen.

Politieke beïnvloeding vanuit het salafisme vind ik volstrekt onwenselijk. Het is een gevaarlijke mengelmoes die niet onderschat moet worden. De scheiding tussen kerk en Staat werkt twee kanten op. Die brengt met zich mee dat wij ons niet bemoeien met de godsdienst van mensen en vice versa. Het gevaar ontstaat nu juist als die scheiding niet wordt gerespecteerd. Dit betekent dat je heel hard moet zijn als de rechtsstaat in het geding komt en dat je op zoek moet naar een effectieve reactie op niet-strafbare gedragingen die toch onwenselijk zijn.

Kortheidshalve neem ik meteen de vragen van de heer Heerma mee hoe wij er nu voor staan ten opzichte van de Engelsen en hoe het zit met de-radicalisering. Zeer binnenkort verschijnt weer een nieuwe dreigingsbeeld terrorisme met een voortgangsrapportage van ons actieprogramma tegen jihadisme. Daar werken wij nu aan en ik heb daarover vanmiddag een gesprek met een aantal mensen. Het debat naar aanleiding daarvan is naar mijn mening een goed moment om vast te stellen hoe wij ervoor staan. Laten wij maar heel realistisch zijn: het is dynamisch. Het actieprogramma verandert, want je moet telkens leren van wat er sindsdien is gebeurd. Wij hebben Charlie Hebdo gezien. Wij zijn bereid en gemotiveerd om te leren van wat bijvoorbeeld de Engelsen doen. Ik weet dat Minister van der Steur daar precies zo in zit.

Mevrouw Karabulut vraagt om een duidelijke stelling over rechts-extremisme.

Mevrouw Karabulut (SP): Nee, ik vraag om een appreciatie.

Minister Asscher: O, een appreciatie. Ik vroeg me al af hoe duidelijk ik daarover nog zou kunnen zijn. Ik heb me afgelopen week zitten opvreten toen ik een neonazi op de televisie zag als vertegenwoordiger van bezorgde burgers. Dat is een enorm dieptepunt. Ik ga niet over de omroepen, maar mijn handen jeukten. Het is hondsbrutaal dat die nazistische bewegingen zich ontfermen over inspraakavonden waar oprecht bezorgde burgers hun verhaal moeten kunnen doen. Ik begrijp ook heel goed dat er burgemeesters zijn die voortaan controleren of de aanwezigen in de gemeente wonen en een belang hebben bij de discussie.

Voor de dreigingselementen verwijs ik naar het dreigingsbeeld dat regelmatig verschijnt. Niet omdat ik daarover niet wil praten, maar omdat dit een belangrijke afspraak is tussen de Kamer en de regering. Met die dreigingsbeelden komt door de diensten beschreven informatie beschikbaar over de dreiging van terroristische of antidemocratische bewegingen.

De heer Sjoerdsma dringt aan op snelheid. Ik ben het daar helemaal mee eens, maar het gaat naast snelheid ook over zorgvuldigheid. Hoe eerder ik iets door zijn schoorsteen kan gooien, hoe eerder ik dat zal doen. Ik begrijp ook heel goed wat hij zegt over het lering trekken uit lessen van het verleden. In het debatje met de heer Marcouch heb ik daar al in dezelfde toonaard over gesproken.

De heer Sjoerdsma vraagt mij om de Kamer snel dat briefje te sturen over de kwestie van die foute brief. Ik zal mij daarvoor inspannen, maar mijn toezegging is al ambitieus.

De heer Öztürk is teleurgesteld omdat er geen aparte actieplannen komen. Laten wij kijken wat wij kunnen doen met de bestaande actieplannen. Daarin wordt wel degelijk expliciet aandacht besteed aan het probleem van moslimhaat. Hij heeft mij daar ook duidelijk over gehoord in dit debat.

Mevrouw Voortman heeft een pleidooi gehouden voor de groep 16- tot 26-jarigen. Ik zal daarop ingaan in de brief naar aanleiding van de motie. Zij wijst erop dat in de motie sprake is van de voorfase, de periode voordat men een status heeft gekregen. Dat heb ik gezien en begrepen, maar ik heb zojuist al gezegd welke belemmeringen ik daarvoor zie. Ik heb toegezegd dat ik samen met de Staatssecretaris zal bekijken hoe wij daarmee kunnen omgaan. Laten wij het goede niet de vijand van het betere maken. Alle partijen zijn het er in ieder geval over eens dat de integratie van mensen met een status snel en goed moet verlopen en dat wij de mensen in staat moeten stellen om daaraan bij te dragen. Dus ook als wij het straks misschien niet voor de volle 100% eens zijn over de fase daarvoor – ik ga mijn best doen om zo hoog mogelijk te komen – blijft het andere waar.

Ik heb niet gezegd dat er niets mis is met de inburgering, want ik zie die getallen ook. Ik had graag hogere getallen gezien, maar wij zitten nog steeds in een fase waarin het moeilijk is om vergaande conclusies te trekken over wat eventueel zou moeten veranderen. Ik heb in eerste termijn al gezegd dat ik niet zal schromen om maatregelen te nemen als ik die noodzaak voel.

Ja, wij moeten ambitie hebben op het punt van het diversiteitsbeleid. Dat geldt zeker ook voor de overheidsorganen. Alle departementen zullen zich aansluiten bij het diversiteitscharter; mijn departement is er al bij aangesloten. Zeker ook organisaties als het COA moeten daarbij vooroplopen, maar zij zijn op dit moment in een crisisaanpak bezig te doen wat zij moeten doen. Dat neemt niet weg dat de observatie van de heer Marcouch terecht is.

De heer De Graaf gaat het betreffende stukje van dit overleg terugluisteren. Ik ook. Wij spreken elkaar nader.

De heer Heerma heeft gevraagd of ik wil ingaan op de rol van de Expertise-unit Sociale Stabiliteit en een vergelijking wil maken met Engeland. Ik stel voor dit te doen aan de hand van de update van het actieprogramma en de dreigingsrapportage over terrorisme in Nederland.

De voorzitter: Niet helemaal in één minuut, maar toch snel. Ik dank de Minister en zijn staf en de Kamerleden voor hun inbreng.

Ik sluit niet af alvorens wij de toezeggingen hebben doorgenomen. Ik verontschuldig de heer Sjoerdsma want hij moest naar een ander debat.

De Minister heeft twee toezeggingen gedaan.

In de eerste plaats zal hij de Minister van Buitenlandse Zaken verzoeken de Kamer uiterlijk morgen te informeren over de acties die de regering kan en zal ondernemen richting de Turkse overheid naar aanleiding van de brief van de AK-partij aan Nederlanders van Turkse afkomst. Hij heeft eraan toegevoegd dat hij zal proberen dit te versnellen.

De Minister heeft in de tweede plaats toegezegd dat de kabinetsreactie op het internationale onderzoek naar antidemocratische groeperingen in het eerste kwartaal van 2016 naar de Kamer wordt gestuurd.

Dit zijn twee nieuwe toezeggingen in aanvulling op de toezeggingen die al in het verleden zijn gedaan.

Mevrouw Karabulut heeft een VAO aangevraagd. Houdt u dat gestand?

Mevrouw Karabulut (SP): Ja. Ik zal tijdens de regeling van werkzaamheden vanmiddag om een VAO met stemmingen vragen mits er een brief komt waarin duidelijk wordt gemaakt dat de ambassadeur wordt ontboden.

De voorzitter: Ik sluit de vergadering. Ik dank de mensen die dit hebben gevolgd voor hun belangstelling.

Sluiting 13:05 uur.