Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201630950 nr. 79

30 950 Rassendiscriminatie

Nr. 79 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2015

In aanvulling op het onderzoek «Oorzaken en triggerfactoren antisemitisme» en mijn brief1 met een eerste appreciatie hiervan die op 16 juni 2015 aan uw Kamer is aangeboden, stuur ik u het aanvullend verdiepend onderzoek met als titel «Nader onderzoek beelden van islamitische jongeren over zionisten en Joden»2 inclusief mijn beleidsreactie. In de bijlage vindt u een samenvatting van beide onderzoeken. Hieronder volgt mijn beleidsreactie.

Beleidsreactie

Beide onderzoeken zijn informatief. Ik gebruik beide onderzoeken om het beleid te verbeteren ter bestrijding van antisemitisme, wat duidelijk iets anders is dan tegengaan van antizionisme of het verminderen van kritiek op Israel. Gezamenlijk geven deze onderzoeken een beter inzicht in het conflict in het Midden-Oosten als voedingsbodem voor antisemitisme in Nederland en bieden verschillende aanknopingspunten voor het doorontwikkelen van beleid ter bestrijding van discriminatie en antisemitisme.

Tegengaan van spanningen in de Nederlandse samenleving

Voorop staat dat wij er als Nederlandse samenleving gezamenlijk voor moeten zorgen dat we spanningen uit het Midden-Oosten niet importeren. Ook bij enorme verschillen van inzicht die voor velen gevoelig zijn en hele gemeenschappen raken, moeten we ons blijven inzetten om verschillen te overbruggen.

Het bouwen van bruggen werkt alleen wanneer mensen zich gezamenlijk inzetten voor gezamenlijke doelen. Verschillende lokale initiatieven, waarin gewerkt wordt aan de bestrijding van zowel antisemitisme als moslimdiscriminatie, zoals bijvoorbeeld Mo&Moos, het Caïro-overleg, de samenwerking tussen Saïd Bensellam en Lody van de Kamp, laten zien dat gezamenlijke actie vruchtbaar is. Juist in een tijd van oplopende spanningen in Israel en de Palestijnse gebieden is samenwerking nodig.

Vanwege deze sterke betrokkenheid en emoties is er moed voor nodig om vanuit verschillende gemeenschappen op te staan en zichtbaar samen te werken om discriminatie en antisemitisme te bestrijden. Dit vraagt om sterke mensen die in staat zijn om met gevoelens en boosheid om te gaan en tegelijkertijd duidelijk te maken dat we in Nederland samenleven en dat we dit gezamenlijk moeten doen. Ik bewonder de mensen die hiertoe in staat zijn en ik vind het belangrijk dat zij zichtbaar zijn in de samenleving. Deze mensen kunnen een rolmodel zijn voor hun gemeenschap en de bredere samenleving.

Dat het conflict tussen Israel en de Palestijnse gebieden leidt tot sterke emoties in de Nederlandse samenleving is evident. Ook op de sociale media is het duidelijk te zien dat dit onderwerp mensen raakt.

In Nederland heeft iedereen recht op zijn of haar mening over Israel en de Palestijnse gebieden. Kritiek op Israel staat niet gelijk aan antisemitisme. Ook staat het iedereen vrij om zich verbonden te voelen met de inwoners van de Palestijnse gebieden of Israel en de ontwikkelingen daar te volgen.

Daar hoort ook bij dat we elkaar de ruimte gunnen om van mening te verschillen. De principes van gelijkheid, vrijheid en ruimte voor verschil in overtuigingen gelden voor iedereen in gelijke mate. Iedereen heeft daarbij de verantwoordelijkheid om de ander de vrijheid te gunnen en te geven die men ook zichzelf toebedeelt.

Negatieve beelden over Israel, zionisten of zionisme mogen echter nooit leiden tot haat tegen Joden. Net zo min als negatieve emoties of beelden over de Palestijnse gebieden of Palestijnen mogen leiden tot haat tegen moslims.

Vooruitlopend op het herziene nationale actieprogramma discriminatie dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Kamer zal aanbieden treft u hieronder het beleid aan om discriminatie en antisemitisme en mogelijke spanningen in Nederland gerelateerd aan het conflict tussen Israel en de Palestijnse gebieden te verminderen.

Ik informeer uw Kamer op de thema’s dialoog, onderwijs, sociale media, voetbal, en het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie. Mijn inziens zijn dit de terreinen waarop inzet nodig is om discriminatie en antisemitisme te verminderen en sluiten deze aan op de bevindingen uit de beide onderzoeken.

Dialoog, debat en rolmodellen

1. Rolmodellen

Ik organiseer een overleg met sleutelfiguren uit de Joodse en Islamitische gemeenschappen naar aanleiding van de toegenomen spanning in Israel en de Palestijnse gebieden. Ik wil gezamenlijk met deze partijen kijken op welke wijze zij met elkaar kunnen samenwerken om te voorkomen dat spanningen onderdeel worden van de Nederlandse samenleving. Dit in aanvulling op de bestaande netwerken van de rondetafel antisemitisme en de rondetafel moslimdiscriminatie.

2. Debat

Binnen het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme wordt onder andere ingezet op het bespreekbaar maken van taboes over wat sommige moslimjongeren beweegt om zich te keren tegen de samenleving waarin zij zijn opgegroeid. Een samenleving waar diversiteit en tolerantie ten opzichte van andersdenkenden belangrijke kernwaarden zijn. Zo faciliteert de rijksoverheid debatten met studenten over het ervaren beeld dat er in de samenleving en door de overheid wordt gemeten met twee maten, bijvoorbeeld als het gaat om buitenlands beleid. Het conflict tussen Israel en de Palestijnse gebieden en mogelijke complottheorieën ten aanzien van dit thema zijn onderwerp van deze debatten.

3. Effectiviteit van dialoog

Binnen het Kennisprogramma «Kennis Integratie en Samenleving» (KIS) wordt als onderdeel van het thema inclusie en toegankelijkheid door Movisie in samenwerking met Radar onderzoek gedaan naar de effectiviteit van interventies om discriminatie op afkomst, geloof en huidskleur tegen te gaan. Doel hiervan is om te komen tot aanwijzingen over wat werkt en wat niet werkt als het gaat om interventies om discriminatie te verminderen. Antisemitisme en moslimdiscriminatie maakt onderdeel uit van dit onderzoek. Ook gaat het om interventies die in het onderwijs toegepast worden. Dit onderzoek levert in 2016 een uitgebreider beeld op wat effectief is om discriminatie en antisemitisme te adresseren.

4. Week van Respect

Het is van groot belang dat de dialoog en uitwisseling tussen groepen vooral vanuit de samenleving zelf komt. In dit licht wordt een ondersteuning gegeven aan de organisatie van de Week van Respect 2015 die plaats vindt van 9 tot 15 november. De Week van Respect is erop gericht om het belang van respect en tolerantie bij zoveel mogelijk mensen onder de aandacht te brengen en benadrukt daarbij dat mensen zelf aan zet zijn om het verschil te kunnen maken in de klas, de school, de sportclub of in de buurt. De Week van Respect gebruikt onder meer het instrument van het persoonlijke verhaal over de omgang met verschillen in huidskleur, seksuele geaardheid en geloof en heeft een groot bereik onder jongeren.

Onderwijs

In de kerndoelen voor het voorgezet onderwijs (kerndoel 47: oorlog, vrede en mensenrechten) is vastgelegd dat «de leerling leert actuele spanningen, conflicten en oorlogen in de wereld te plaatsen tegen hun achtergrond, en leert daarbij de doorwerking ervan op individuen en samenleving (nationaal, Europees en internationaal), de grote onderlinge afhankelijkheid in de wereld, het belang van mensenrechten en de betekenis van internationale samenwerking te zien». Onderdeel hiervan is aandacht voor het Midden-Oosten.

In het curriculum van het funderend onderwijs zijn de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust vastgelegd in kerndoel 52 voor het primair onderwijs en kerndoel 37 voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De leerlingen leren in het voorgezet onderwijs ook een relatie te leggen tussen het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust en hedendaagse ontwikkelingen. Hierbij is het tijdvak «tijd van Wereldoorlogen» onderdeel van de examenprogramma’s geschiedenis voor havo en vwo. Ook in het vmbo is de Tweede Wereldoorlog, inclusief de Jodenvervolging, onderdeel van het examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting. De Onderwijsinspectie toetst deze kerndoelen als onderdeel van het regulier toezicht.

Binnen het onderwijs is het traject #Onderwijs2032 gaande, waarin de herijking van het curriculum in het primair – en het voortgezet onderwijs centraal staat. Het kabinet hecht veel waarde aan de maatschappelijke dialoog over de inhoud van een toekomstbestendig curriculum. Het definitieve advies van de commissie Schnabel komt rond de jaarwisseling beschikbaar. Het advies wordt aan de Kamer aangeboden met een beleidsreactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Naar aanleiding van het ITS-onderzoek uit 2015 over het bespreekbaar maken van lastige maatschappelijke onderwerpen in de klas, heeft de stichting School & Veiligheid opdracht gekregen om met ingang van dit schooljaar een telefonische helpdesk in te richten, waar leraren en schoolleiders terecht kunnen met vragen. Ook worden er in 2016 regionale trainingen aangeboden om leraren praktische vaardigheden te leren die zij in kunnen zetten bij het bespreekbaar maken van onder meer antisemitisme en moslimdiscriminatie.

Sociale Media

Zoals toegezegd in de tweede termijn van het Algemeen Overleg over discriminatie van 9 september jongstleden informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van de expertmeeting die op mijn Ministerie heeft plaatsgevonden over het tegengaan van discriminatie op internet, in het bijzonder op de sociale media. De inzet van de expertmeeting was om informatie en ideeën uit te wisselen met diverse bij dit onderwerp betrokken organisaties. Naast Twitter, Facebook en Youtube zaten ook vertegenwoordigers van meldpunten internetnetdiscriminatie, providers, politie en organisaties die zich richten op verantwoord internetgebruik aan tafel.

Met deze organisaties is besproken welke rol zij voor zichzelf zien, waar zij tegenaan lopen en welke mogelijkheden tot verbetering zij zien. Dit heeft nuttige inzichten opgeleverd in de mogelijkheden om de aanpak van discriminatie op de sociale media te verbeteren, met samenwerking tussen de diverse stakeholders als belangrijkste aandachtspunt.

Bij het bestrijden van internetdiscriminatie spelen twee soorten maatregelen een rol: repressieve (identificeren, verwijderen discriminerende uitingen) en preventieve (mensen stimuleren om dergelijke uitingen niet te plaatsen). De sociale media bedrijven hebben aangegeven dat ze graag bereid zijn om de samenwerking in Nederland op beide terreinen uit te breiden.

Om discriminerende uitingen verwijderd te krijgen, moeten deze eerst bij de sociale media bedrijven worden gemeld. Melding van discriminerende content gebeurt door internetgebruikers, maar ook door bijvoorbeeld meldpunten internetdiscriminatie. De procedure om een melding te doen bij de sociale media bedrijven is de laatste jaren verbeterd. Zo vindt er meer terugkoppeling plaats aan melders. Ook worden de voorwaarden op grond waarvan meldingen worden beoordeeld, beter uitgelegd op de websites van de bedrijven.

Dit laat onverlet dat er meer stappen kunnen worden gezet, waarbij de samenwerking met de meldpunten van bijzonder belang is. De eerste afspraken hiertoe, met onder meer het meldpunt MiND, zijn tijdens het overleg gemaakt. Een meer directe relatie met Twitter, Facebook en Youtube betekent onder meer dat MiND betere mogelijkheden heeft om meldingen te doen en meer inzicht krijgt in de wijze waarop de social media bedrijven de meldingen beoordelen. Daarnaast kan MiND rekenen op ondersteuning van zijn communicatie.

Op het terrein van preventie ondersteunen Twitter, Facebook en Youtube maatschappelijke organisaties in diverse Europese landen die zich met het preventief tegengaan van discriminatie bezighouden, in de vorm van het geven van tegengeluid. Deze ondersteuning omvat met name het geven van trainingen en workshops om de maatschappelijke organisaties beter in staat te stellen hun boodschap uit te dragen. De sociale media bedrijven ervaren dat het vinden van de juiste organisatie voor dat tegengeluid niet eenvoudig is. Wij zullen bij hen nagaan met wie ze thans in Nederland precies samenwerken en van daaruit samen met hen bezien hoe dit uitgebreid kan worden.

Voetbal

Discriminerende en antisemitische leuzen bij voetbalwedstrijden zijn ontoelaatbaar. De KNVB hanteert uniforme richtlijnen om deze spreekkoren tegen te gaan. Meerdere voetbalclubs hebben supportersprogramma’s gericht op het tegengaan van discriminatie en antisemitisme. Niet alleen de KNVB, maar elke bij het voetbal betrokken partner (gemeenten, KNVB, politie, Openbaar Ministerie, voetbalclubs en de rijksoverheid) vindt iedere vorm van discriminerende of anderszins kwetsende uitspraken op en rond de voetbalvelden verwerpelijk en tolereert dat op geen enkele wijze. Daar waar zich toch ontoelaatbare incidenten voordoen moet krachtig en direct worden ingegrepen. Dat is een verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen en zo wordt dat ook door hen allen beleefd.

Dit betreft niet alleen civielrechtelijke maatregelen en het hanteren van door de KNVB opgestelde richtlijnen, maar ook de bevoegdheid van een burgemeester om in te grijpen en strafrechtelijke vervolging als er sprake is van discriminerende spreekkoren. Mijn ambtgenoot van Veiligheid en Justitie heeft u hierover bij brief van 13 mei 20153 geïnformeerd. Ik wijs er ook op dat de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie met het programma «Naar een veiliger sportklimaat» beleid voeren om geweld op en om het voetbalveld en andere sportvelden tegen te gaan en respect te bevorderen.

Europese Unie en het Nederlands voorzitterschap

Het kabinet is bezorgd over de verschillende berichten dat intolerantie en xenofobie in opmars zijn in verschillende delen van Europa. Het kabinet spant zich continue in om alle vormen van discriminatie, inclusief antisemitisme, hoog op de Europese agenda te houden. Ik heb tijdens het Commissie Colloquium over «tolerantie en respect» op 1 oktober jongstleden in Brussel aandacht gevraagd voor discriminatie van Joden en moslims. Ook heb ik de Commissie opgeroepen om via een uitwisseling van ervaringen deze discussie verder te brengen. De Commissie heeft aangekondigd twee speciale gezanten te benoemen voor antisemitisme en moslimhaat, die eerste aanspreekpunt zullen zijn.

Tijdens het Nederlandse voorzitterschap zullen de uitkomsten van dit Colloquium actief worden opgepakt, mede in de Europese Werkgroep tegen haatcriminaliteit. Ten slotte zal het kabinet zich ook tijdens het voorzitterschap actief blijven inzetten aan het versterken van de rechtsstaat in de EU lidstaten om toe te werken naar een dialoogcultuur waarin lidstaten elkaar aanspreken op het terrein van de rechtsstaat en fundamentele rechten.

De hierboven beschreven maatregelen op de verschillende beleidsterreinen moeten zorgen voor een brede aanpak tegen discriminatie en antisemitisme.

Ter afsluiting van deze brief wil ik nogmaals onderstrepen dat we als samenleving moeten voorkomen dat het conflict tussen Israel en de Palestijnse gebieden in Nederland wordt geïmporteerd.

Sleutelfiguren uit de Joodse en Islamitische gemeenschap kunnen hier een voorbeeldrol in vervullen. Zij verdienen onze steun.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

BIJLAGE: Samenvatting onderzoek «Oorzaken en triggerfactoren antisemitisme» en aanvullend onderzoek naar «Nader onderzoek beelden van islamitische jongeren over zionisten en Joden».

Onderzoek «Oorzaken en triggerfactoren antisemitisme»

De aanleiding voor het onderzoek naar «Oorzaken en triggerfactoren antisemitisme» was de wens om meer inzicht te krijgen in de oorzaken van antisemitische vooroordelen onder jongeren en meer kennis te vergaren over factoren die kunnen zorgen voor antisemitische incidenten in de context van het Midden-Oosten of voetbal.

Dit onderzoek laat zien dat het conflict tussen Israel en de Palestijnse gebieden als triggerfactor kan werken voor antisemitisme in Nederland. Met name islamitische jongeren voelen vaker boosheid vanwege dit conflict dan andere jongeren. Deze boosheid zorgt ervoor dat in sommige gevallen begrip is voor fysiek en verbaal geweld tegen Joden in Nederland in relatie tot acties van het Israëlisch leger tegen de Palestijnen. In het voetbal ligt de factor die potentieel antisemitisme kan triggeren met name bij frequent stadionbezoek en de dynamiek in het stadion.

Ook liet het onderzoek zien dat er een groot verschil van waardering bestaat onder islamitische jongeren tussen Joden in Nederland en zionisten. Dit vraagt om nadere duiding; in het onderzoek triggerfactoren is het begrip «zionisme» of «zionist» namelijk niet nader gedefinieerd. Ook is niet altijd duidelijk wat of wie jongeren bedoelen als het gaat om het zionisme en zionisten. Daarom heb ik – mede op verzoek van het CJO en het CIDI – besloten tot nader onderzoek.

Nader onderzoek

Het nader onderzoek heeft als doel om beter zicht te krijgen op het in het triggerfactorenonderzoek geconstateerde verschil van waardering door islamitische jongeren van Joden in Nederland en zionisten. Inzicht in de beelden, afbakening en de wijze waarop islamitische jongeren tegen zionisten aankijken zijn bedoeld om het onderzoek triggerfactoren aan te vullen en te verrijken.

Het nader onderzoek biedt een verdere indicatie van de beelden en opvattingen die jongeren met een islamitische achtergrond hebben als het gaat om Joden en zionisten. In het nader onderzoek is onder meer gekeken op welke wijze deze beelden zich verhouden tot de definitie van zionisme als het gaat om het streven naar een Joodse staat en het staan achter het bestaansrecht van Israel. Ook is onderzocht in hoeverre er elementen van antisemitische stereotypen te vinden zijn in de beelden van jongeren.

Resultaten van het nader onderzoek

Uit het nader onderzoek blijkt dat islamitische jongeren Joden vaak associëren met geloof of het Joodse volk. Over Joden denken zij veelal neutraal of positief. Als het gaat om de zionisten en het zionisme laat het onderzoek een ander beeld zien.

De voornaamste conclusies op basis van de uitspraken van de geïnterviewde jongeren:

  • De beelden en ideeën van islamitische jongeren ten aanzien van zionisten en zionisme zijn vaak negatief geladen;

  • De beelden en ideeën ten aanzien van zionisten en zionisme zijn sterk aan het conflict tussen Israël en de Palestijnen gerelateerd;

  • Zionisme wordt beschouwd als een gewelddadige ideologie;

  • Het zionisme wordt door de jongeren met regelmaat verbonden aan ideeën over macht en invloed van zionisten in de wereld;

  • In negatieve beelden en ideeën van islamitische jongeren zijn elementen van klassieke antisemitische stereotypen te herkennen die, voor een belangrijk deel maar niet geheel, kunnen worden verklaard uit woede en bezorgdheid vanwege het conflict tussen Israël en de Palestijnen.

Uit het nader onderzoek blijkt dat de beelden en ideeën van de islamitische jongeren uit het onderzoek sterk afwijken van de definitie van zionisme die volgens het onderzoek draagvlak heeft in Joodse kring: «Zionisten streven naar een eigen staat voor het Joodse volk en staan achter het bestaansrecht en behoud van Israël.» Ook valt op dat de meeste jongeren uit het onderzoek denken dat in Nederland een minderheid van de Joden zionistisch is.

In het onderzoek is ook gekeken in hoeverre er in de antizionistische opvattingen en beelden van islamitische jongeren sprake is van klassieke stereotypen als het gaat om Joden. Het onderzoek geeft aan dat er bepaalde elementen van klassieke stereotypen, zoals bijvoorbeeld een relatie met macht of met primitief en gewelddadig, terug te vinden zijn. Tegelijkertijd kunnen associaties als bijvoorbeeld gewelddadig en immoreel voor zionisten ook terug te voeren zijn op de beelden die jongeren zien van het conflict tussen Israel en de Palestijnen. Of mogelijk een combinatie van het zien van beelden en een vorm van verwevenheid met klassieke stereotypen die in de richting van Joden worden gebruikt.

Het begrip zionisme is een begrip waar zeer uiteenlopende betekenissen en beelden aangekoppeld worden. Uit het nader onderzoek komen soms beelden naar voren over het zionisme die als heftig ervaren kunnen worden en die onderdelen bevatten van antisemitische stereotypen of in sommige gevallen beschreven worden als een complottheorie. Dit komt vaak voort uit boosheid die jongeren ontwikkelen op basis van beelden die zij zien van het conflict. Ook bevat het onderzoek aanwijzingen dat sommige jongeren in bepaalde gevallen bewust kiezen voor antisemitische stereotypen bij het omschrijven van hun invulling van het zionisme.


X Noot
1

Kamerstuk 30 950, nr. 78

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerstuk 25 232 nr. 64