28 760 Meerjarenplan Alfabetisering

Nr. 84 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP EN VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN DE STAATSSECRETARISSEN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 maart 2019

Introductie

Mensen hebben te maken met taal, rekenen en digitalisering in allerlei dagelijkse activiteiten. Bijvoorbeeld als zij boodschappen doen, sociale media gebruiken of aan het werk zijn. Maar niet iedereen gaat dit even gemakkelijk af. In Nederland hebben 1,3 miljoen mensen tussen de 16 en 65 jaar moeite met de Nederlandse taal. Hun niveau ligt onder het eindniveau van het vmbo (onder referentieniveau 2F). Volgens een schatting van de Algemene Rekenkamer gaat het om een nog grotere groep, namelijk ruim 2,5 miljoen mensen, wanneer ook 65-plussers en mensen met lage rekenvaardigheden worden meegeteld. Een groot deel van deze groep heeft bovendien beperkte digitale vaardigheden. Het tekort aan deze basisvaardigheden vormt voor hen een barrière om zelfstandig mee te doen in onze maatschappij, online én offline.

Zij ervaren hier dagelijks de gevolgen van: bij het helpen van hun kinderen met schoolwerk, bij het vinden of behouden van werk, bij mobiel bankieren, en bij het communiceren met bijvoorbeeld een wijkverpleegkundige of een medewerker bij het gemeenteloket. Snelle ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in onze samenleving stellen hun aanpassingsvermogen extra op de proef. De eisen die worden gesteld aan de vaardigheden van mensen worden steeds hoger en digitalisering maakt de samenleving voor sommigen complexer. Een groeiend aantal mensen verliest de aansluiting met deze veranderingen. Dit heeft niet alleen gevolgen voor hun zelfvertrouwen, hun financiën en gezondheid, maar ook voor hun omgeving: familie en vrienden, werkgevers, docenten, huisartsen en apothekers, schuldhulpverleners, jobcoaches en vele anderen, binnen én buiten de overheid. Zij kunnen niet altijd, of niet direct, de juiste ondersteuning bieden.

Wij, de Ministers van OCW en VWS en de Staatssecretarissen van SZW en BZK, voelen daarom de urgentie om stevig in te zetten op een vaardiger Nederland.

We staan voor een samenleving waarin iedereen mee kan doen: praktisch en theoretisch geschoold, jong en oud, met en zonder migratie-achtergrond. Taal, rekenen en digitale vaardigheden zijn hiervoor onmisbaar.

Het Kabinet investeert daarom, mede dankzij de in het Regeerakkoord opgenomen structurele extra investering van € 5 miljoen per jaar (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34), de komende vijf jaar bijna € 125 miljoen in maatregelen voor de aanpak van laaggeletterdheid bij volwassenen en leesbevordering en taalstimulering bij kinderen.1 2 Dit is een aanvulling op he t structurele budget voor volwasseneneducatie dat gemeenten ontvangen (€ 60,4 miljoen per jaar). In totaal besteden we zodoende tot en met 2024 ruim 425 miljoen euro aan het verbeteren van de vaardigheden van de mensen die nu kansen missen om mee te doen in onze samenleving.

Samen aan de slag

De urgentie om te investeren in een vaardiger Nederland wordt breed gedeeld. We trekken samen op met onder andere gemeenten, werkgevers, bibliotheken, vertegenwoordigers van de doelgroep en tal van maatschappelijke organisaties.

Met gemeenten hebben we vorig jaar in het Interbestuurlijk Programma (2018) al afgesproken om samen te investeren in het verbeteren van de basisvaardigheden van mensen die door gemeenten worden bereikt via het sociaal domein, onderwijs of werk & inkomen. Daarnaast hebben we in aanloop naar de totstandkoming van onze aanpak gesproken met vele betrokkenen, experts en met de doelgroep zelf. [bijlage 3]

Bij de uitwerking van de maatregelen in deze brief zullen we bovendien een tweetal adviezen betrekken met aanbevelingen voor een effectievere aanpak. Deze adviezen verschijnen later dit voorjaar. Zo zal de Sociaal-Economische Raad (SER), mede op verzoek van werkgevers, advies uitbrengen over het beter bereiken van de verschillende doelgroepen. Daarnaast zullen de Raad voor Cultuur en Onderwijsraad adviseren over het vergroten van leesmotivatie en leesplezier onder Nederlandse kinderen en jongeren als middel om problemen met taal op latere leeftijd te helpen voorkomen.

We zijn ervan overtuigd dat onze inzet en investeringen niet alleen in het belang zijn van de doelgroep en hun omgeving, maar van ons allemaal. Investeringen in basisvaardigheden verdienen zich namelijk terug.3 Werkgevers profiteren bijvoorbeeld van medewerkers die veiligheidsinstructies beter kunnen opvolgen en duurzaam inzetbaar zijn. Gemeenten merken dat hun brieven beter worden gelezen, en docenten kunnen gemakkelijker communiceren met de ouders van leerlingen. In deze brief vertellen we wat we willen bereiken en hoe we dat willen realiseren.

Relevante moties

Hiermee geven we uitvoering aan een aantal moties van uw Kamer die verband houden met het voorkomen en verminderen van laaggeletterdheid. Dit zijn de moties van het lid Wiersma, die vragen om aan te sluiten bij de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer uit 2016 en om de leeropbrengsten van cursussen beter in beeld te brengen4; de motie Kuik over het bereiken van autochtone laaggeletterden5; de motie Moorlag over het ondersteunen van mensen met weinig digitale vaardigheden samen met gemeenten en andere organisaties (Kamerstuk 26 643, nr. 562); de motie Van den Hul-Diertens over het stimuleren van deelname aan een leven lang ontwikkelen voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt6 en de motie Segers-Jasper van Dijk over activiteiten die bijdragen aan de integratie van arbeidsmigranten.7 Ook komen we terug op de motie Asante/Van Meenen over het vergroten van het bereik van de aanpak van laaggeletterdheid en de motie Asscher over het vergroten van het aantal schoolbibliotheken.8 9

Leeswijzer

In deze brief leggen we de nadr uk op het verbeteren van de basisvaardigheden van volwassenen. Maar we zijn ons ten volle bewust van het feit dat dit slechts één element is binnen een brede agenda voor een samenleving waarin iedereen voldoende vaardigheden heeft om mee te kunnen doen. Dat begint al op jonge leeftijd in de voor- en vroegschoolse educatie en in het reguliere onderwijs. We trekken daarom nauw op met onderwijspartijen om achterstanden zoveel mogelijk te voorkomen en weg te werken. Met de aanpak in dit programma investeren we bovendien extra in leesbevordering en een educatieve thuisomgeving om achterstanden op latere leeftijd te helpen voorkomen.

Onze inzet om de basisvaardigheden van volwassenen te verbeteren, hangt daarnaast samen met het belang van begrijpelijke overheidscommunicatie en toegankelijke dienstverlening in bijvoorbeeld de schuldhulpverlening en gezondheidszorg. [Inspiratiekader 1] Hier zet het Kabinet op in met programma’s zoals de Brede Schuldenaanpak (voor betere schuldhulpverlening), Merkbaar Beter (over begrijpelijke communicatie en toegankelijke digitale dienstverlening) en Onbeperkt Meedoen (voor een drempelloze samenleving voor mensen met een handicap). Ook hebben we de inhoud van deze brief samengevat in extra toegankelijke taal op niveau B1/2F. [Bijlage 4]

Tot slot houdt onze aanpak voor een vaardiger Nederland verband met maatregelen die het Kabinet recent heeft aangekondigd om een leven lang ontwikkelen te stimuleren, de inburgering en integratie te verbeteren en digitale inclusie te bevorderen.10 U bent hier apart over geïnformeerd. Bij de uitwerking en uitvoering van deze en al lopende initiatieven trekken we zoveel mogelijk gezamenlijk op.

In het vervolg van deze brief komen de volgende onderwerpen aan bod:

  • 1. Terugblik op het huidige programma Tel mee met Taal

  • 2. Ambities & doelstellingen voor de aanpak van basisvaardigheden in de periode 2020–2024:

    • i. Meer mensen bereiken met een aanpak op maat

    • ii. Weten wat werkt: meer inzicht in kwaliteit en effectiviteit

    • iii. Samen aan de slag: méér gemeenten, werkgevers en maatschappelijke organisaties actief: voor kinderen én volwassenen

  • 3. 10 maatregelen voor een vaardiger Nederland

Bijlage 1. Financiële paragraaf

Bijlage 2. Overzicht maatregelen en subdoelstellingen

Bijlage 3. Evaluatierapport Tel mee met Taal en toelichting totstandkoming vervolgaanpak

Bijlage 4. Samenvatting op taalniveau 2F/B1 en infographic

NB: Verspreid door deze brief vindt u ook negen voorbeelden van organisaties, werkwijzen of aanpakken die ons de afgelopen jaren opvielen of inspireerden. Zij geven kleur aan de beweging voor een vaardiger Nederland die we de komende jaren met alle betrokken partijen gezamenlijk willen vormen.

1. Terugblik huidig programma Tel mee met Taal

In de afgelopen jaren zijn, mede dankzij de investeringen vanuit het huidige programma «Tel mee met Taal», belangrijke stappen gezet om ervoor te zorgen dat taal, rekenen en digitale vaardigheden voor mensen geen obstakel vormen, maar juist kansen bieden om volwaardig mee te doen. Honderden organisaties zijn aan de slag gegaan met het voorkomen en verminderen van laaggeletterdheid, vaak geholpen en geïnspireerd door experts van bijvoorbeeld de Stichting Lezen & Schrijven. In bijna elke gemeente is wel een taalhuis of taalpunt opgericht. Mensen die moeite hebben met basisvaardigheden kunnen hier informatie krijgen over het beschikbare aanbod in hun wijk, stad of dorp en kunnen direct oefenen met lezen, schrijven, rekenen en omgaan met de computer. Lokale partners zoals het UWV of de schuldhulpverlening kunnen mensen doorverwijzen naar een taalhuis om een intake te doen en vrijwilligers worden er getraind. [Inspiratiekader 2] Mede dankzij de inzet van meer dan 20.000 taalvrijwilligers hebben we de afgelopen jaren een forse toename gezien in laagdrempelig lesaanbod.

Op landelijk niveau is de aanpak van laaggeletterdheid door de samenwerking tussen verschillende ministeries bovendien meer gerelateerd aan (arbeid)participatie, zelfredzaamheid en gezondheid(-vaardigheden). Ook is veel aandacht geweest voor het stimuleren van leesplezier bij kinderen en het voorkomen en tegengaan van laaggeletterdheid die van generatie op generatie wordt overgedragen. Samen met de Stichting Lezen en de Koninklijke Bibliotheek hebben bibliotheken hard gewerkt aan een infrastructuur voor schoolbibliotheken en zoeken zij steeds meer de samenwerking met partners in de jeugdgezondheidszorg en kinderopvang.

De hoofddoelstellingen van het huidige programma «Tel mee met Taal» zijn behaald.11 De eindevaluatie is als bijlage 3 bij deze brief gevoegd.

Ondanks deze goede resultaten is er nog een hoop te winnen. Zoals de Minister van OCW al schreef in haar kamerbrief over de Dialoogdagen Laaggeletterdheid wordt een groot deel van de mensen met lage basisvaardigheden nog onvoldoende bereikt, vooral de groep met Nederlands als eerste taal.12 Uit een onderzoek van Regioplan (2017) bleek bovendien dat in nog maar een deel van de gemeenten de aanpak van laaggeletterdheid een stevig onderdeel is binnen het participatiebeleid en de inzet in het sociaal domein.13 Dit wordt bevestigd in de evaluatie van Ecorys. [bijlage 3] Daarnaast is het aantal werkgevers dat zich heeft gecommitteerd aan investeringen in de basisvaardigheden van hun personeel, ondanks een stijging in de afgelopen jaren, nog relatief bescheiden.

Ook de kwaliteit van het ondersteuningsaanbod, zowel bij de preventieve aanpak als bij het tegengaan van achterstanden op latere leeftijd, vergt aandacht, zodat de impact en effectiviteit van het aanbod verder kunnen verbeteren. Daarnaast is meer inzicht nodig in wat trajecten om basisvaardigheden te verbeteren opleveren voor deelnemers, ook op langere termijn.14 Met de motie Wiersma heeft uw Kamer hier terecht aandacht voor gevraagd.15 Op dit moment is bovendien nog geen landelijk beeld te geven van de deelname aan lesaanbod en ondersteuningstrajecten omdat gemeenten en aanbieders deze gegevens niet allemaal systematisch bijhouden. Verder bestaat er geen centraal toezicht of kwaliteitskader voor het non-formele, niet-diplomagerichte aanbod, terwijl dit type inmiddels het meeste voorkomt.16

Tot slot is het huidige programma «Tel mee met Taal» vooral gericht geweest op het verhogen van taalvaardigheden en minder op rekenvaardigheden en digitale vaardigheden. Dat was een bewuste keuze omdat taalvaardigheid voor veel laaggeletterden de basis is voor bijvoorbeeld maatschappelijke participatie, ouderbetrokkenheid, gezond leven en duurzame inzetbaarheid. We hebben echter ook geconstateerd dat een deel van de mensen met lage basisvaardigheden (vooral de groep die in Nederland is geboren en hier naar school is gegaan) een hoge drempel ervaart om aan een taaltraject te beginnen.17

Voor deze groep vormen digitale vaardigheden vaak de eerste stap om aan de slag te gaan met gerelateerde vaardigheden. Digitale vaardigheden zijn namelijk snel praktisch toepasbaar. Mensen ervaren bovendien minder schaamte om een cursus digitale vaardigheden te volgen dan om zich aan te melden voor een cursus taal of rekenen. Leren omgaan met apps, websites en elektronische hulpmiddelen kan zo obstakels en onzekerheid helpen wegnemen en soms zelfs de leermotivatie helpen verbeteren. Hier komt bij dat digitale vaardigheden in de huidige samenleving onmisbaar zijn geworden om mee te kunnen blijven doen. Om de verbreding van de aanpak van laaggeletterdheid naar digitale vaardigheden te versnellen, draagt ook het Ministerie van BZK inhoudelijk en financieel bij aan dit programma.

2. Ambities en doelstellingen: dit willen we bereiken

De komende jaren willen we, samen met alle betrokken partijen, een merkbare slag maken richting een vaardiger Nederland. De aanpak van laaggeletterdheid is complex en vereist een lange adem. We kiezen daarom voor een brede, ambitieuze aanpak en een verlenging van het landelijke Tel mee met Taal programma voor vijf jaar. Hiermee willen we drie doelstellingen bereiken. Deze lichten we hieronder toe.

Doelstelling 1: Méér mensen bereiken met een aanbod op maat, vooral de groep met Nederlands als moedertaal

We willen dat het bereik aantoonbaar groeit, in het bijzonder onder de groep met Nederlands als eerste taal. De deelnemers aan lesaanbod vormen een betere afspiegeling van de samenstelling van de doelgroep als geheel. In het aanbod wordt aantoonbaar gedifferentieerd naar (leer)behoefte en doelgroep en wordt maatwerk geleverd.

Met de motie Asante-Van Meenen heeft de Kamer terecht aandacht gevraagd voor het bereik van de aanpak van laaggeletterdheid (Kamerstuk 28 760, nr. 63). De groei van het bereik in de afgelopen jaren is vooral toe te schrijven geweest aan een toename van deelnemers waarvan Nederlands niet de eerste taal is. Dit noemen we de NT2-doelgroep. Zij leren Nederlands dus als tweede taal. De mensen met Nederlands als eerste taal (NT1) worden echter te weinig bereikt.

Gemeenten, werkgevers en hun partners zullen niet de hele groep van 2,5 miljoen mensen (waarvan circa 65% NT1) kunnen bedienen, daar moeten we realistisch in zijn. Een deel van deze groep redt zich voldoende, soms met hulp van vrienden of familie, en is niet goed te motiveren of ervaart zelf (nog) geen problemen. Een ander deel heeft een beperkt leervermogen of is nog niet toe aan ondersteuning.

Voor de mensen die wél bereikt kunnen worden, willen we ondersteuning bieden die beter aansluit op hun persoonlijke situatie en behoeften. [Inspiratiekader 3] Dergelijk maatwerk vereist ook aandacht voor genderspecifieke behoeften.18

Laaggeletterden zijn namelijk geen homogene groep. De één heeft het meeste baat bij een taaltraject op het werk, de ander volgt liever na werktijd een cursus digitale vaardigheden in de bibliotheek. En weer een ander wil eerst geholpen worden met het op orde krijgen van zijn of haar financiën voordat ander lesaanbod tot de mogelijkheden behoort.

Belangrijk is om voor elke potentiële cursist zoveel mogelijk barrières weg te nemen. Daarbij moeten we ook accepteren dat het beheersen van taal- en rekenvaardigheden op het niveau van een startkwalificatie niet voor iedereen haalbaar is. Dit zien we ook duidelijk terug in de groep taalambassadeurs. Zij hebben hun zelfvertrouwen en zelfredzaamheid flink vergroot door deelname aan lesaanbod, maar blijken (zelfs na vijf tot tien jaar scholing) nog niet het niveau 2F te hebben bereikt.

Doelstelling 2: Weten wat werkt: investeren in kwaliteit

We willen méér kennis en méér transparantie over de kwaliteit en de effectiviteit van het ondersteuningsaanbod, zowel voor wat betreft trajecten basisvaardigheden voor volwassenen als de inzet op leesplezier en leesmotivatie bij kinderen, in het bijzonder in laagtaalvaardige gezinnen. Er komt een betrouwbaar beeld per regio van het bereik, het type en de kwaliteit van het aanbod en de effectiviteit van verschillende interventies.

Mensen die hulp zoeken bij het verhogen van hun taal-, reken- of digitale vaardigheden verdienen een kwalitatief goed aanbod dat aansluit bij hun persoonlijke behoeften. Nog niet elke gemeente heeft een kwaliteitskader voor het non-formele aanbod. Dat maakt sturing op resultaat en kwaliteit lastig. De uitdaging om de kwaliteit te waarborgen is des te groter gezien de diversiteit van het lesaanbod. Elke vorm van aanbod heeft zijn eigen leerdoelen en gewenste resultaten. Dit geldt ook voor activiteiten gericht op preventie van taalachterstanden via bijvoorbeeld voorlezen of leesbevordering. Om beter te kunnen sturen op de kwaliteit van de aanpak van laaggeletterdheid als geheel is daarom meer kennis nodig over de resultaten van afzonderlijke interventies. Ook is een gedeeld begrip van kwaliteit nodig, en sturing hierop door gemeenten.

Dit geldt niet alleen voor het lesaanbod en de preventieve programma’s, maar ook voor de rol die de taalhuizen hierin spelen. Zo is in een deel van de taalhuizen nog niet voldoende expertise aanwezig of krijgen vrijwilligers niet altijd de juiste ondersteuning. In andere taalhuizen is de aansluiting met partnerorganisaties nog niet structureel van de grond gekomen of is het aanbod voor reken- of digitale vaardigheden nog beperkt.

Om de effectiviteit van de aanpak van basisvaardigheden te vergroten, is van belang dat de kwaliteit en resultaten van verschillende interventies meetbaar, onderling vergelijkbaar en openbaar beschikbaar worden. Zo kunnen gemeenten, aanbieders, docenten, vrijwilligers en hulpverleners beter toewerken naar een duidelijk streefdoel en kunnen zij vaststellen of zij dit doel ook bereiken. Dat heeft een lerend effect op lokaal niveau omdat toekomstige investeringen dan effectiever kunnen worden ingezet. Dit is niet alleen in het belang van gemeenten, aanbieders en vrijwilligers, maar vooral ook van de doelgroep zelf.

Doelstelling 3: Samen aan de slag onder regie van gemeenten

Aan het eind van het programma (2024) voeren gemeenten zelfstandig regie over de aanpak van basisvaardigheden. Dat doen zij als centrale speler in een netwerk van samenwerkende partijen uit de domeinen onderwijs, werk, gezin, gezondheid en verwante terreinen. De gemeentelijke inzet op het voorkomen van achterstanden sluit goed aan op de beschikbare ondersteuning voor volwassenen. Werkgevers erkennen het belang van werknemers met voldoende basisvaardigheden en zijn bereid hierin te investeren.

Gemeenten staan als overheid het dichtst bij mensen die hun vaardigheden willen verbeteren. Zij ontvangen daarom budget voor volwasseneneducatie en hebben via hun verantwoordelijkheden in het sociaal domein, de aanpak van voortijdig schoolverlaters en het onderwijsachterstandenbeleid goed zicht op een aantal groepen waar laaggeletterdheid veel voorkomt. Ook zijn gemeenten opdrachtgever van het bibliotheekwezen en verantwoordelijk voor maatschappelijke ondersteuning en de (jeugd)gezondheidszorg, waar hulp aan deze groepen wordt geboden.

Gemeenten zijn zodoende bij uitstek in staat om een regierol te spelen in het coördineren van de aanpak van laaggeletterdheid en lage digitale vaardigheden. Samen met onder andere Stichting Lezen & Schrijven zijn gemeenten de afgelopen jaren begonnen de noodzakelijke infrastructuur en samenwerking hiervoor op te bouwen. Denk hierbij aan het opzetten van de taalhuizen en taalpunten, het stimuleren van de totstandkoming van non-formeel aanbod, het opleiden van vrijwilligers om als taalmaatje aan de slag te gaan en het trainen van professionals om laaggeletterdheid te herkennen onder hun klanten of cliënten. Deze ontwikkeling heeft echter tijd nodig en is nog niet overal voltooid. Dit geldt ook voor de inzet van werkgevers, die een verdere impuls verdient.

De komende jaren staan daarom in het teken van het verduurzamen en uitbouwen van de bereikte resultaten. Daar waar nog agendering, bewustwording, kennisopbouw of ondersteuning nodig is, bieden we dit nog landelijk aan. De ambitie is dat generieke, landelijke ondersteuning aan het eind van ons programma niet meer nodig is. Gemeenten zijn dan de spil in brede netwerken die lokaal vraag en aanbod bij elkaar brengen. En structurele investeringen in basisvaardigheden zijn voor gemeenten dan een net zo vanzelfsprekend onderdeel van hun inzet in het sociaal domein, als voor werkgevers in het kader van duurzame inzetbaarheid. De rijksoverheid kan zich in de toekomst dan concentreren op het in stand houden van de randvoorwaarden voor een kwalitatief goed aanbod.

3. Tien maatregelen voor een vaardiger Nederland

Met de maatregelen die volgen helpen we de hierboven beschreven doelstellingen realiseren. Elke maatregel heeft (kwantitatieve) subdoelstellingen [bijlage 2] die de komende maanden nog verder worden uitgewerkt in samenwerking met gemeenten, onderzoekers en andere partijen. Met financiële steun vanuit de European Structural Reform Service zal later dit jaar een monitorinstrument en een 0-meting worden ontwikkeld. De eerste resultaten van de nieuwe aanpak verwachten we op te leveren eind 2021. In bijlage 2 is een overzicht van alle maatregelen te vinden met, voor zover op dit moment bekend, de bijbehorende subdoelstellingen.

We handhaven de komende jaren de titel «Tel mee met Taal» als overkoepelende programmanaam voor alle maatregen die wij als bewindslieden landelijk nemen en gezamenlijk financieren. Zoals uit de evaluatie van Ecorys blijkt, heeft «Tel mee met Taal» de afgelopen jaren een goede bekendheid gekregen met een groot bereik via (digitale) media en een positieve uitstraling. In de verschillende communicatie-uitingen zullen we meer uitstralen dat we ons inzetten voor alle basisvaardigheden: taal, rekenen en digitale vaardigheden. [bijlage 3]

1. Landelijke impuls voor méér bereik, specifiek onder de NT1-doelgroep

Niet alle mensen die moeite hebben met basisvaardigheden weten de weg naar ondersteuningsaanbod makkelijk te vinden. Zij hebben niet altijd goede leerervaringen en hebben last van schaamte en onzekerheid. We moeten daarom blijven inzetten op het doorbreken van het taboe op lage basisvaardigheden en de drempels om aan lesaanbod te beginnen zoveel mogelijk wegnemen.

Werving, promotie en doelgroepgerichte communicatie (met oog voor de verschillen in behoeften tussen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen) zijn hiervoor noodzakelijk. Dit geldt in het bijzonder voor de NT1-doelgroep. Hier ligt enerzijds een taak voor gemeenten en werkgevers, maar anderzijds ook een landelijke verantwoordelijkheid. We investeren de komende jaren daarom gemiddeld meer dan € 1.3 miljoen per jaar in werving van deelnemers, specifiek de groep met Nederlands als eerste taal. 19 Dit doen we op vier manieren.

  • a. We trekken extra geld uit voor het werven, opleiden en ondersteunen van ervaringsdeskundigen, zogenaamde taalambassadeurs. Ervaringsdeskundigen kunnen met hun verhalen iemand die moeite heeft met basisvaardigheden namelijk over de streep trekken. In regio’s waar nog geen netwerk van taalambassadeurs bestaat, stimuleren we dat dit op korte termijn gebeurt. Hiervoor werken we samen met onder andere Stichting ABC, werkgevers en vakbonden.

  • b. We investeren in directe, landelijk georganiseerde communicatie met de doelgroep (en hun omgeving) over de mogelijkheden om aan de slag te gaan met basisvaardigheden, en in werving van groepen die door gemeenten of werkgevers minder snel worden gevonden. We differentiëren hierbij waar mogelijk en relevant naar geslacht, leeftijd en leerbaarheid. Dit doen we samen met experts op het gebied van communicatie met kwetsbare burgers en met de doelgroep zelf. De bestaande Nationale Bellijn voor potentiële cursisten zetten we voort.

We trekken hierbij lering uit ervaringen die we de afgelopen jaren hebben opgedaan met bijvoorbeeld het project Educatie voor Vrouwen met Ambitie (EVA). Binnen dit project is een grote Facebookgroep gevormd waarin ruim 20.000 vrouwen die moeite hebben met basisvaardigheden met elkaar communiceren over alledaagse onderwerpen. En in Friesland is met het laagdrempelige platform www.ikleermeer.nl, dankzij positieve communicatie en een aanbod op maat, een effectieve aanpak ontwikkeld om deelnemers naar scholing toe te leiden, specifiek ook NT1»ers. [Inspiratiekader 4]

  • c. We gaan in gesprek met de Manifestgroep en gemeenten om te onderzoeken of en hoe we overheidswebsites als slimme vindplaats voor mensen met lage basisvaardigheden kunnen gebruiken.20 Mensen die moeite hebben met formulieren of vastlopen bij het gebruiken van een website, kunnen dan effectief worden doorverwezen naar een hulpaanbod in de buurt. Hierbij benutten we de ervaringen die momenteel worden opgedaan met kleinschalige experimenten, bijvoorbeeld bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag.

  • d. Jongeren die zonder startkwalificatie van school gaan, vormen een kwetsbare groep als het gaat om hun beheersing van basisvaardigheden. Deze groep verdient in het bijzonder aandacht om te voorkomen dat zij de rest van hun leven op achterstand staan. Gemeenten hebben voortijdig schoolverlaters in beeld vanuit hun Regionale Meld & Coördinatiefunctie voor voortijdig schoolverlaters.

    Daarnaast is er een aantal initiatieven en projecten die zich richten op kansen voor jongeren met grote afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder de Intentieverklaring Perspectief op werk die de bewindslieden van OCW en SZW hebben onlangs hebben ondertekend met de MBO Raad, VNO-NCW, MKB-Nederland, LTO Nederland, VNG, G4, G40 en UWV.21

Samen met betrokken partijen zullen we de komende tijd uitwerken hoe we voortijdig schoolverlaters en jonge werkzoekenden zonder startkwalificatie het meest effectief kunnen helpen hun basisvaardigheden te verbeteren.

2. Bestuursafspraken Basisvaardigheden en ambitieuze aanpak in elke arbeidsmarktregio

In het Interbestuurlijk Programma hebben we begin 2018 met gemeenten en provincies afgesproken om de komende jaren extra te investeren in mensen die moeite hebben met taal, rekenen en digitale vaardigheden. Deze afspraak werken we de komende maanden met de VNG verder uit tot Bestuursafspraken Basisvaardigheden 2020–2024. Hierin maken we concrete afspraken over de gezamenlijke inspanningen en rolverdeling die de komende jaren nodig zijn. Tevens maken we afspraken over de bijbehorende kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen.

Uitgangspunt hierbij is dat elke arbeidsmarktregio, onder regie van de centrumgemeente en in samenwerking met relevante stakeholders en partners, aan de slag gaat met een eigen ambitieus plan, dat voorziet in een aantoonbare groei van het bereik passend bij de lokale en regionale situatie. Hierbij zal specifieke aandacht moeten zijn voor het bereiken van de groep NT1»ers, de kwaliteit van het aanbod en de gemeentelijke monitoring van het bereik en de resultaten.

3. Extra budget voor gemeenten

Om gemeenten te ondersteunen bij de coördinatie van de aanpak van laaggeletterdheid en het uitvoeren van hun regionale plannen stellen we de komende jaren extra middelen rechtstreeks aan gemeenten ter beschikking die oplopen tot ruim € 7 miljoen per jaar in 2024. De extra middelen worden als decentralisatie-uitkering verdeeld over de centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio’s en komen bovenop de bestaande specifieke uitkering die centrumgemeenten ontvangen voor het inkopen van opleidingen taal, rekenen en digitale vaardigheden voor laaggeletterde inwoners van hun regio.

De centrumgemeenten kunnen op deze manier, samen met de andere gemeenten in hun regio en betrokken partners, het extra budget vrij besteden om bijvoorbeeld te investeren in deskundigheidsbevordering, versterking van de preventieve aanpak, verbetering van de samenwerking binnen het taalnetwerk of wervingsactiviteiten voor moeilijk bereikbare groepen onder wie laaggeletterden met Nederlands als moedertaal. Ook kan extra worden geïnvesteerd in het vinden en doorverwijzen van cursisten via bijvoorbeeld wijkteams, zorgverleners en het UWV en andere uitvoeringsorganisaties. [Inspiratiekader 5]

We zullen de resultaten van de besteding van de extra middelen de komende jaren in samenspraak met de VNG monitoren. Hierbij kijken we vooral of de middelen daadwerkelijk ten goede zijn gekomen aan de doelgroep en een aantoonbare groei van het bereik. Eind 2022 maken we in een tussenevaluatie de balans op. De ambitie is dat de regionale aanpak van laaggeletterdheid dan reeds zodanig verstevigd is, dat het extra budget kan worden overgeheveld naar gemeenten, en dat het vrij besteedbare karakter van deze middelen eveneens kan worden toegepast op de bestaande gemeentelijke uitkering voor volwasseneneducatie. Daarmee zouden de specifieke uitkering voor lesaanbod en het tijdelijke extra budget samenkomen in één decentralisatie-uitkering.

4. Vraaggericht landelijk ondersteuningsprogramma laaggeletterdheid

Onder gemeenten bestaat een sterke behoefte aan kennisdeling, het benutten van expertise over het bereiken van de verschillende doelgroepen, en het faciliteren van de netwerken die op veel plekken al zijn ontstaan. Het gaat hierbij zowel om specifieke inhoudelijke als om praktische hulp zoals het opzetten van een goede voorlichtingscampagne, het verbeteren van de inzet van taalvrijwilligers, het trainen van baliemedewerkers om lage basisvaardigheden te herkennen en expertisebevordering bij het bedienen van specifieke doelgroepen zoals vrouwen met afstand tot de arbeidsmarkt of mensen met lage digitale vaardigheden.

Met de ondersteuning door Stichting Lezen & Schrijven via projecten zoals «Taal voor het Leven» en «Educatie voor Vrouwen met Ambitie» is hier in de afgelopen jaren al veel ervaring mee opgedaan. Uit de evaluatie van Ecorys blijkt dat gemeenten deze ondersteuning over het algemeen positief hebben gewaardeerd. Deze positieve ervaringen willen we de komende jaren zoveel mogelijk benutten en verspreiden. Hierbij willen we nadrukkelijk ook verbinding leggen met gerelateerde landelijke ondersteuningsprogramma’s zoals het Programma Sociaal Domein waarin verschillende ministeries, gemeenten, de VNG en Divosa samenwerken voor betere hulp aan kwetsbare mensen.

We investeren daarom de komende jaren in een nieuw vraaggericht landelijk ondersteuningsprogramma, dat gemeenten en hun partners maximaal faciliteert bij het realiseren van hun eigen ambities en een brede focus heeft. Hierbij zal de rol van de rijksoverheid en landelijke organisaties geleidelijk afnemen. De financiering voor landelijke ondersteuning wordt daarom afgebouwd van circa € 8 miljoen in 2020 tot ongeveer € 5,8 miljoen in 2024.

5. Extra investeren in basisvaardigheden op de werkvloer

Sinds 2016 hebben 566 werkgevers vanuit het programma «Tel mee met Taal» subsidie ontvangen voor het aanbieden van cursussen basisvaardigheden voor hun medewerkers. Ook hebben 162 werkgevers, 19 branches en 90 taalaanbieders zich aangesloten bij Taalakkoord Werkgevers, een groeiende beweging van werkgevers die hun inzet voor vaardiger werknemers expliciet maken en vastleggen in een werkplan. [bijlage 3] [Inspiratiekader 6] Steeds meer werkgevers raken ervan overtuigd dat investeringen in de vaardigheden van medewerkers zich terugbetalen. Daarom gaan we door met de werkgeversaanpak van «Tel mee met Taal» en zetten we hier nog een tandje bij.

Samen met de Stichting van de Arbeid activeren we werkgevers en vakbonden om structureel aan de slag te gaan met de vaardigheden van hun medewerkers als onderdeel van hun inspanningen voor duurzame inzetbaarheid en goed werkgeverschap. Via de regionale Leerwerkloketten van het UWV is gerichte ondersteuning beschikbaar voor werkgevers en vakbonden bij het realiseren van hun ambities. Met het UWV onderzoeken we verder hoe de 33 Leerwerkloketten in Nederland meer en beter kunnen gaan samenwerken met de taalhuizen.

We richten ons extra op de rol die de vakbonden kunnen spelen bij het bereiken van, en aanbieden van trainingen aan, werknemers die moeite hebben met basisvaardigheden. Hierover maken we afspraken met de Stichting van de Arbeid. Daarnaast laten we aanbod ontwikkelen dat aansprekend is voor zelfstandigen en mensen met korte contracten, bijvoorbeeld door aandacht voor basisvaardigheden te verbinden aan (bij)scholing gericht op ondernemerschap, boekhouden en bedrijfsadministratie.

Het budget dat beschikbaar is voor de werkgeversaanpak, waaronder ook cofinanciering van scholingstrajecten voor werknemers, verhogen we met ruim € 1 miljoen per jaar tot jaarlijks € 3.000.000. We maken mogelijk dat dit budget niet alleen voor opleidingen taal en rekenen kan worden ingezet, maar ook voor het verbeteren van digitale vaardigheden.

6. Effectieve preventieve aanpak: landelijk ondersteuningsprogramma voor leesbevordering, met focus op laagtaalvaardige gezinnen

Naast de inspanningen om de basisvaardigheden van volwassenen te verhogen, en de inzet van het reguliere onderwijs voor kinderen en jongeren, is een blijvende inzet op leesplezier nodig. De leestijd, leesvaardigheid en leesmotivatie van kinderen en jongeren in Nederland staan namelijk onder druk. Binnen Tel mee met Taal investeren we daarom in een herkenbare preventieve aanpak via bibliotheken als aanvulling op het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid en de inzet binnen het basis- en voortgezet onderwijs, de kinderopvang en jeugdgezondheidszorg. Dit doen we met verschillende activiteiten, die zowel generiek zijn, als specifiek gericht op de laagtaalvaardige doelgroep.

  • a. We gaan door met de generieke inzet op leesbevordering via programma’s als BoekStartCoach en de Bibliotheek op school. Hiervoor is inzet van de gemeente, de bibliotheek, de school en de kinderopvang vereist. Om uitvoering te geven aan de motie Asscher over het vergroten van het bereik van schoolbibliotheekvoorzieningen in het basisonderwijs brengen we de kritische succesfactoren voor schoolbibliotheekvoorzieningen in beeld.22 Waar mogelijk kijken we hierbij ook naar het voortgezet onderwijs en de kinderopvang.

  • b. In aanvulling op de generieke inzet op leesbevordering, investeren we de komende jaren gemiddeld ruim € 2 miljoen per jaar in initiatieven specifiek voor het bereiken van laagtaalvaardige ouders. Het kan hierbij gaan om een taaltraject voor ouders, maar ook om activiteiten gericht op betere communicatie met een instelling, beter leren (voor)lezen, training om gesprekken met leraren of zorgverleners te voeren, of activiteiten om een educatief thuismilieu te bevorderen. Hiervoor wordt een meerjarige subsidieregeling beschikbaar gesteld. Bij de verlening van subsidies wordt erop gelet dat gesubsidieerde activiteiten die succesvol blijken op termijn onderdeel kunnen worden van de gemeentelijke inzet voor onderwijsachterstanden en kwetsbare groepen.

  • c. We stimuleren, onder andere via Stichting Lezen en de Koninklijke Bibliotheek, dat bibliotheken specifieke inzet plegen op laagtaalvaardige ouders en kinderen, zodat leesplezier voor iedereen bereikbaar wordt. Dit kan bijvoorbeeld via het uitbreiden van het project BoekStartcoach, waarbij bibliotheekmedewerkers in samenwerking met jeugdartsen en -verpleegkundigen in gesprek gaan met ouders over taalontwikkeling en voorlezen. [Inspiratiekader 7]

  • d. We nemen relevante inzichten uit onderzoek mee in onze aanpak en passen deze waar nodig aan. In mei verschijnt een advies van de Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad over de vraag hoe het onderwijs kan bijdragen aan het bevorderen van de leesmotivatie en leesvaardigheid om daarmee de kans op laaggeletterdheid te verkleinen. De aanbevelingen uit dit advies worden meegenomen in de uitwerking van onze preventie-aanpak en kunnen tot nieuwe maatregelen leiden.

  • e. We versterken de preventieve aanpak van laaggeletterdheid door beter aan te sluiten op het onderwijsachterstandenbeleid, de jeugdgezondheidszorg en de kinderopvang, waarmee kinderen uit risicogroepen worden ondersteund. We zullen hierover in gesprek gaan met gemeenten en maatschappelijke organisaties en periodiek over de voortgang rapporteren.

7. Extra inzet op kwaliteit van taalhuizen en non-formeel lesaanbod

In 2018 heeft een aantal Taalhuizen, in samenwerking met de Stichting Lezen & Schrijven, de Koninklijke Bibliotheek en Sociaal Werk Nederland, onderzocht hoe zij zelf hun kwaliteit in kaart zouden kunnen brengen en hoe een regelmatige externe toets daarvan zou kunnen worden ingericht. Hierbij wordt onder andere gekeken naar criteria zoals de samenwerking tussen professionals en vrijwilligers, de samenwerking met lokale partners en de kwaliteit van de dienstverlening aan (potentiële) cursisten. De Certificeringsorganisatie Bibliotheekwerk, Cultuur & Taal (CBCT) is hierbij betrokken omdat zij de educatieve dienstverlening van bibliotheken toetst. We maken de komende jaren gemiddeld € 500.000 per jaar vrij om te investeren in de kwaliteitsverbetering, (zelf)-evaluatie en/of certificering van de taalhuizen.

Hiernaast heeft ook de kwaliteit van het non-formele (niet-diplomagerichte) lesaanbod onze aandacht. De Onderwijsinspectie houdt toezicht op de aanbieders die formele, diplomagerichte trajecten aanbieden, maar deze groep aanbieders vertegenwoordigt slechts een klein deel van de totale markt. Er is geen centraal toezicht of algemeen geaccepteerd kwaliteitskader voor het zeer diverse niet-diplomagerichte (non-formele) aanbod. Daarom is zowel over de kwaliteit als de impact hiervan onvoldoende bekend.

De komende jaren gaan we daarom met gemeenten aan de slag om de kwaliteit van het niet-diplomagerichte aanbod beter te waarborgen. Hiervoor werken we aan kennisdeling rondom inkoop en monitoring en het beter inzichtelijk en vergelijkbaar te maken van de kwaliteit van aanbieders. Van aanbieders die niet onder toezicht van de Inspectie staan, wordt een (zelf)evaluatie en een onafhankelijke visitatie of certificering gevraagd (als onderdeel van de gemeentelijke inkoopprocedure). [Inspiratiekader 8] Het ligt voor de hand om hierbij in eerste instantie te focussen op aanbieders met een relatief groot bereik. Omdat deze aanbieders in sommige gevallen ook inburgeringstrajecten aanbieden, streven we ernaar om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de kwaliteitsborging in het nieuwe inburgeringsstelsel, waarvoor gemeenten ook verantwoordelijk zijn.

8. Onafhankelijk expertisepunt

Samen met verschillende landelijke partners, waaronder de VNG, nemen we het initiatief voor een nieuw, onafhankelijk expertisepunt basisvaardigheden. Dit expertisepunt fungeert als vraagbaak voor wet- en regelgeving op het gebied van volwassenenonderwijs, scholingsregelingen en subsidies en heeft als doel om kennis en beleid ten behoeve van de doelgroep beter te verbinden. Alle partijen, van werkgevers tot gemeenten, en van scholen tot maatschappelijke organisaties, kunnen hier terecht.

Het expertisepunt richt zich specifiek op kwaliteitsbevordering, professionalisering van docenten en (bij)scholing van vrijwilligers, en het delen van goede voorbeelden. Omdat het aantal actieve NT1 docenten de afgelopen jaren flink is afgenomen, willen we via het expertisepunt ook faciliteren dat nieuwe NT1 docenten worden opgeleid. Het expertisepunt coördineert verder een landelijke onderzoeksagenda die aansluit op de vragen en behoeften die leven in het veld, en investeert jaarlijks in de kwaliteit van taalvrijwilligers en de organisaties die met hen werken. Tot slot organiseert het expertisepunt netwerkbijeenkomsten en draagt het bij aan het verspreiden van goede voorbeelden en succesvolle lokale en regionale experimenten. Voor het expertisepunt is jaarlijks € 1.000.000 beschikbaar.

9. Landelijk beeld van het bereik van lesaanbod basisvaardigheden

In de afgelopen jaren is het bereik gemeten van het lesaanbod waarbij via het programma «Tel mee met Taal» ondersteuning werd geboden. In totaal zijn daarmee in drie jaar tijd bijna 90.000 deelnemers bereikt. Dit aantal betreft echter slechts een deel van het totale bereik van gemeenten, werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties. Omdat er nog geen landelijk beeld bestaat van de deelname aan les- en cursusaanbod, is het moeilijk om te beoordelen waar de aanpak succesvol is geweest en vervolgens te onderzoeken welke factoren hieraan hebben bijgedragen.

We werken daarom met gemeenten de komende jaren toe naar een vollediger beeld van de deelname aan het lesaanbod. Hierbij moeten we rekening houden met het feit dat dit een administratieve belasting kan betekenen voor aanbieders en gemeenten. We laten al dit jaar onderzoeken hoe we een dergelijke monitor zo goed mogelijk kunnen inrichten, zowel voor wat betreft het meten van het bereik (de input) als de output (afgeronde trajecten) en outcome (verbetering van vaardigheden en zelfredzaamheid). Hiervoor ontvangen we financiële en inhoudelijke steun vanuit de European Structural Reform Office en het bureau voor de uitvoering van het Interbestuurlijk Programma. Tevens benutten we het advies van de SER dat in april 2019 verschijnt over het bereiken van de verschillende groepen laaggeletterden. Het doel is om uiteindelijk een dashboard in te richten waar voor (bereik)cijfers en de resultaten van effectmetingen openbaar worden gemaakt; dit dashboard zou wellicht via www.waarstaatjegemeente.nl beschikbaar gemaakt kunnen worden. De uitvoering wordt belegd bij het nieuwe expertisepunt.

10. Lerende aanpak: ruimte voor experimenten

We streven naar een lerende aanpak, waarbij het aanbod snel kan inspelen op de veranderende behoeften van de doelgroep, en waarbij we steeds beter kunnen differentiëren naar de verschillende deelnemers met hun uiteenlopende behoeften en capaciteiten. De aard van de problematiek verandert namelijk constant, bijvoorbeeld door ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en door digitalisering. Bovendien verschilt de problematiek per regio.

Hierbij kijken we nadrukkelijk ook naar de ervaringen in andere Europese landen. De uitdaging om mensen die moeite hebben met basisvaardigheden te laten meedoen, speelt namelijk niet alleen in Nederland, maar wordt ook binnen EU-verband, via bijvoorbeeld de Raadsaanbeveling voor «Upskilling Pathways» breed erkend. [Inspiratiekader 9]

Succesvolle voorbeelden en nieuwe inzichten moeten snel kunnen worden verspreid en opgeschaald, ook gedurende de looptijd van het programma. Zo verhogen we de kwaliteit en vergroten we stap voor stap de impact.

We investeren de komende jaren daarom extra in korte, praktijkgerichte experimenten, die aansluiten bij de uitdagingen waar gemeenten, werkgevers en andere partners mee te maken hebben, en gericht zijn op het vergroten van het bereik en/of de kwaliteit. In 2020 stellen we hiervoor € 700.000 beschikbaar. Vanaf 2021 gaat het om € 350.000 per jaar voor nieuwe initiatieven en € 350.000 voor het verspreiden, uitbreiden en opschalen van reeds bewezen succesvolle interventies, in samenwerking met het expertisepunt.

23 PIAAC international report Skills Matter: Further Results from the Survey of Adult Skills: http://www.oecd.org/skills/piaac/Skills_Matter_Further_Results_from_the_Survey_of_Adult_Skills.pdf.

24 Zie bijvoorbeeld het European Literacy Policy Network (ELINET): http://www.eli-net.eu/good-practice/examples-of-good-practice/detail/project/tel-mee-met-taal-or-count-on-skills; en het eindrapport van de ET2020 WGAL 2016-2018: Promoting Adult Learning in the Workplace: https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=8112&furtherPubs=yes.

Tot slot

We hebben een ambitieuze agenda liggen voor de aanpak van laaggeletterdheid in de komende jaren. De komende maanden werken we de verschillende maatregelen en acties verder uit in samenwerking met andere partijen. Zo gaan we samen aan de slag voor een vaardiger Nederland.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

Bijlage 1: Financiële paragraaf (in €, x 1.000.000)

Wat

2020

2021

2022

2023

2024

Structureel budget volwasseneneducatie

Budget voor opleidingen taal, rekenen en digitale vaardigheden (WEB-gelden)

60,356

60,356

60,356

60,356

60,356

Impulsbudget SZW, VWS, BZK en OCW1

Landelijke impuls nieuwe methoden om meer mensen te bereiken (maatregel 1)

1,5

1,5

1,5

1

1

Bestuursafspraken en extra budget voor gemeenten (maatregel 2/3)

5

5,5

6,05

6,65

7,3

Landelijk ondersteunings-programma laaggeletterdheid (maatregel 4)

8,05

7,55

7,0

6,4

5,75

Werkgeversaanpak (maatregel 5)

3

3

3

3,5

3,5

Generieke inzet op leesbevordering & leesplezier2

(maatregel 6a, 6c)

2,85

2,85

2,85

2,85

2,85

Specifieke inzet voor laagtaalvaardige gezinnen (maatregel 6b, 6d, 6e)

2

2

2

2,5

2,5

Kwaliteitsverbetering / certificering Taalhuizen (maatregel 7)

0,5

0,5

0,5

Onafhankelijk expertisepunt, inclusief monitor bereik (maatregel 8/9)

0,65

1

1

1

1

Experimenten (maatregel 10)

0,7

0,35

0,35

0,35

0,35

Landelijk programma overig en communicatie

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

Totaal3

24,85

24,85

24,85

24,85

24,85

X Noot
1

De impulsbijdragen van de departementen zijn voor de periode 2020–2024 vastgelegd en als volgt opgebouwd:

SZW: € 5 miljoen/jaar, VWS: € 2 miljoen/jaar, BZK: € 2 miljoen/jaar

OCW: € 15,85 miljoen/jaar, waarvan € 12 miljoen via de MBO-begroting (artikel 4), € 3,35 miljoen via Cultuur (artikel 14) en € 0,5 miljoen via Emancipatie (artikel 25). Van dit bedrag is € 14,85 miljoen structureel, dus niet beperkt tot de looptijd van dit programma.

X Noot
2

De activiteiten in dit kader, zoals de programma’s BoekStart en de Bibliotheek op school, zijn beschikbaar voor alle kinderen, niet alleen voor de doelgroep laagtaalvaardige gezinnen.

X Noot
3

De genoemde bedragen zijn exclusief incidentele projectgeleden vanuit Europese programma’s die binnen het kader van Tel mee met Taal worden uitgevoerd. Ook de jaarlijkse EU-bijdrage aan OCW voor pilots, communicatie, onderzoek en coördinatie op het gebied van volwassenenonderwijs (circa € 150.000) is niet meegenomen.

Bijlage 2 – Overzicht maatregelen en subdoelstellingen25

Maatregel

Subdoelstellingen

1. Landelijke investering in het ontwikkelen en uitproberen van nieuwe methoden om (meer) mensen te bereiken, specifiek onder de NT1 doelgroep.

A) 200 extra taalambassadeurs opleiden om deelnemers te werven en organisaties bewust te maken van het belang van toegankelijke dienstverlening.

B) 1.000.000 mensen met lage basisvaardigheden bereiken via directe communicatie.

2. Bestuursafspraken Basisvaardigheden

A) Het IBP wordt voor 1 oktober 2019 aangevuld met concrete, gedetailleerde afspraken over de samenwerking tussen Rijk en gemeenten op het terrein van laaggeletterdheid.

B) Uiterlijk eind 2024 zijn gemeenten in staat regie te voeren op de aanpak van laaggeletterdheid.

3. Extra budget voor gemeenten

A) Het aantal bereikte deelnemers door gemeenten groeit jaarlijks tussen 2021 en 2024, na een 0-meting in 2020.1

B) Gemeenten werken toe naar een aantoonbaar evenwichtiger bereik onder de verschillende doelgroepen, in het bijzonder mensen met Nederlands als moedertaal.

C) In elke arbeidsmarktregio bestaat een aanbod van formele én non-formele opleidingen volwasseneneducatie gericht op taal, rekenen én digitale vaardigheden.

4. Nieuw landelijk ondersteunings-programma laaggeletterdheid

A) Tussen 2020 en 2024 groeien met hulp van het landelijk ondersteuningsprogramma:

i. Het aantal gemeenten met een duurzame, integrale aanpak van laaggeletterdheid (naar 250;

ii. Het aantal organisaties dat het Taalakkoord Werkgevers heeft getekend naar 500;

iii. Het aantal organisaties dat cursisten werft, traint of ondersteunt naar 2000.

5. Extra investering in taalscholing op de werkvloer

A) Tussen 2020 en 2024 worden in totaal 30.000 werknemers bereikt met taalscholing op de werkvloer.

B) Tenminste 1000 verschillende werkgevers investeren gedurende de programmaperiode in cursussen basisvaardigheden voor hun medewerkers.

6. Landelijk ondersteuningsprogramma leesbevordering voor laagtaalvaardige gezinnen en preventie van achterstanden.

A) Alle openbare bibliotheekorganisaties richten zich op ouders met jonge kinderen met een educatieve gezinsaanpak, waarbij 75% van de openbare bibliotheekorganisaties een educatieve dienstverlening heeft specifiek gericht op laagtaalvaardige gezinnen.

B) Alle openbare bibliotheekorganisaties werken samen met basisscholen in hun werkgebied aan een kwalitatief goede (digitale) educatieve dienstverlening, zoals bijvoorbeeld een schoolbibliotheek.

C) 90% van de openbare bibliotheekorganisaties werkt samen met middelbare scholen voor een kwalitatief goede educatieve dienstverlening, zoals een schoolbibliotheek.

D) 90% van de openbare bibliotheekorganisaties werkt samen met kinderopvanginstellingen voor een kwalitatief goede educatieve dienstverlening.

E) 25.000 laagtaalvaardige ouders worden bereikt met taal- en leesactiviteiten die bijdragen aan het bevorderen van een educatieve thuisomgeving voor kinderen.

7. Certificeren van taalhuizen en inzichtelijk maken van de kwaliteit van de educatieve dienstverlening

A) De kwaliteit van aanbieders wordt onderling vergelijkbaar gemaakt en openbaar beschikbaar.

B) Tenminste 200 taalhuizen worden gecertificeerd door de Certificeringsorganisatie Bibliotheekwerk, Cultuur en Taal.

C) Alle openbare bibliotheekorganisaties zijn gecertificeerd op de kwaliteit van de educatieve dienstverlening voor jeugd (binnen kinderopvang- en onderwijsinstellingen) en volwassenen (via cursusaanbieders).

8. Nieuw landelijk expertisepunt basisvaardigheden

A) Vanaf 2020 wordt nieuwe kennis en expertise vraaggestuurd en in samenhang ontwikkeld en gedeeld door alle betrokken partijen.

9. Nieuwe landelijke monitor basisvaardigheden

A) In alle arbeidsmarktregio's wordt het bereik en effect van de aanpak van laaggeletterdheid op vergelijkbare wijze periodiek in kaart gebracht, met oog voor de grote diversiteit aan deelnemers en ondersteuningsaanbod.

10. Lerende aanpak: ruimte voor experimenten

A) Er worden tussen 2020–2024 jaarlijks minstens 2 experimenten ondersteund.

X Noot
1

Hoeveel groei in het bereik op jaarbasis wenselijk en haalbaar is, zal worden bepaald op basis van de nulmeting.

Bijlage 3: Eindevaluatie Tel mee met Taal en totstandkoming van de vervolgaanpak

Eindevaluatie Tel mee met Taal

Het programma Tel mee met Taal is in 2016 van start gegaan. Eind 2017 ontving u de eerste resultaten in een tussenevaluatie. Inmiddels hebben de onderzoeksbureaus Ecorys en Verwey Joncker een tweede (en laatste) meetmoment gedaan26. Hieruit blijkt dat het programma aan de verwachtingen heeft voldaan en op diverse onderdelen de doelstellingen heeft overtroffen. De resultaten zijn terug te lezen in het rapport dat wordt meegezonden met deze brief.

De conclusies van de eindevaluatie per onderzoeksvraag luiden als volgt27:

1. Zijn de beoogde resultaten van de verschillende actielijnen bereikt in de periode 2016 tot en met 2018?

Het programma Tel mee met Taal is succesvol geweest in het behalen van de beoogde resultaten en de geformuleerde ambities. Bijna alle actielijnen hebben de kwantitatieve ambities behaald.

2. Zijn de hoofddoelstellingen en kwantitatieve subdoelstellingen van het actieprogramma Tel mee met Taal bereikt in de periode 2016 tot en met 2018?

De eerste hoofddoelstelling van het programma is dat de aanpak van laaggeletterdheid gericht is op het verhogen van de zelfredzaamheid, participatie en/of ontwikkelingsmogelijkheden van mensen die hierin worden geremd vanwege beperkte taal-, reken-, en digitale vaardigheden. De aanpak in de verschillende actielijnen richt zich expliciet op de genoemde aspecten. Daarmee is hoofddoelstelling 1 bereikt.

De tweede hoofddoelstelling van het programma is dat in elke arbeidsmarktregio tussen gemeenten en lokale partners een duurzame samenwerking tot stand komt om laaggeletterdheid te voorkomen en aan te pakken. De infrastructuur van Tel mee met Taal heeft geleid tot een sterke impuls in de samenwerking tussen partijen. Bestaande samenwerkingen zijn verder uitgebouwd en nieuwe partijen zijn aangehaakt. Om de samenwerking duurzaam te verankeren wordt er vooral naar de rol van gemeenten gekeken.

3. Hoe zijn de verschillende Actielijnen met elkaar verbonden? Hoe dragen deze verbindingen bij aan het behalen van de hoofddoelstellingen?

De actielijnen zijn onderling niet altijd even duidelijk met elkaar verbonden. Doordat de actielijnen werken met verschillende doelstellingen die zich niet richten op elkaars werkveld, is de verbinding niet vanzelfsprekend. Vooral verbinding tussen actielijnen 1 en 2 is zichtbaar. Daarnaast heeft actielijn 4 projecten die aansluiten bij alle actielijnen. Vooral voor het creëren van een duurzame samenwerking is de aansluiting tussen de actielijnen van belang.

4. Hoe zijn de preventieve en curatieve programmaonderdelen met elkaar verbonden? Hoe dragen deze verbindingen bij aan het behalen van de hoofddoelstellingen?

Het blijkt dat het niet makkelijk is de verbinding te maken tussen preventie en curatie. Verschillende mensen en teams binnen de bibliotheek zijn met preventie óf curatie bezig, maar echte samenwerking vindt weinig plaats. Het zijn soms nog echt twee gescheiden werelden. Er moeten dus nog stappen gezet werden om de verbinding te maken. De verbinding wordt wel belangrijk gevonden, omdat men inziet dat je ook via de kinderen (preventie) de ouders (curatie) kunt bereiken.

Ook de organisatiestructuren binnen het programma Tel mee met Taal dragen bij aan het gescheiden houden van preventie- en curatie-onderdelen. Curatie van laaggeletterdheid is bijvoorbeeld vooral het werkveld van Stichting Lezen & Schrijven en vindt plaats via taalnetwerken (en bijbehorende Taalhuizen), terwijl preventie van laaggeletterdheid vooral in het werkveld van de bibliotheken en Stichting Lezen ligt. Preventie van laaggeletterdheid is doorgaans niet opgenomen als onderdeel van de regionale taalakkoorden. (Overigens lijkt er grotendeels wel afstemming plaats te vinden tussen de twee domeinen.)

Totstandkoming vervolgaanpak

Om de vervolgaanpak30 vorm te geven, hebben we zoveel mogelijk relevante partijen gevraagd om mee te denken. Denk hierbij aan laaggeletterden zelf, roc’s, bibliotheken, gemeenten, werkgevers en welzijnsorganisaties.

In juni 2018 zijn in dat kader Dialoogdagen geweest. De Minister van OCW heeft dd. 17 oktober 2018 de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze dagen.31 De deelnemers aan de Dialoogdagen gaven aan dat de toegenomen aandacht voor het thema laaggeletterdheid een positieve impact heeft gehad.

Na de Dialoogdagen is in het najaar van 2018 met verschillende experts doorgepraat om tot concrete oplossingsrichtingen te komen. Thema’s die aan bod kwamen waren 1) beter bereiken van de doelgroep, 2) meer inzicht in bereik en impact van trajecten basisvaardigheden en 3) verbetering van de kwaliteit van trajecten basisvaardigheden. Ook is concreet met stakeholders besproken hoe werkgevers betrokken kunnen worden, hoe de verbinding met het sociaal domein verder versterkt kan worden en hoe een samenhangende gezinsaanpak vorm kan krijgen. Tijdens het Tel mee met Taal Festival op 19 november hebben circa 80 personen meegedacht over nieuwe oplossingsrichtingen en via een interactieve stemming hun mening gegeven over een aantal concrete ideeën. Verder is in januari en februari over (elementen uit) deze brief gesproken met o.a. de VNG, enkele gemeenten, de MBO Raad, Stichting ABC, de (leden van de) Stichting van de Arbeid, Stichting Lezen, Stichting Lezen & Schrijven, de KB, het UWV en Divosa.


X Noot
1

In deze brief spreken we over laaggeletterdheid wanneer de taal- en/of rekenvaardigheid van een volwassene zich bevindt onder het niveau van een startkwalificatie. Dit is het eindniveau van mbo-niveau 2. Laaggeletterdheid hangt vaak nauw samen met beperkte digitale vaardigheden. In onze aanpak van laaggeletterdheid richten we ons daarom op de vaardigheden taal, rekenen en digitale vaardigheden in samenhang.

X Noot
2

De extra investering bestaat uit bijdragen van de Ministeries van OCW, SZW, VWS en BZK die samen optellen tot € 24,8 miljoen per jaar. Dit is € 7 miljoen méér dan beschikbaar was voor het vorige landelijke programma (2016–2019), en is het gevolg van de structurele intensivering van € 5 miljoen per jaar uit het Regeerakkoord en een nieuwe bijdrage van € 2 miljoen per jaar voor de looptijd van dit programma van BZK ter bevordering van digitale vaardigheden.

X Noot
3

PWC (2018) Maatschappelijke kosten van laaggeletterdheid zijn 1 miljard

X Noot
4

Kamerstuk 28 760, nr. 75

X Noot
5

Kamerstuk 28 760, nr. 79

X Noot
6

Kamerstuk 30 012, nr. 94

X Noot
7

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 24

X Noot
8

Kamerstuk 26 643, nr. 562 en Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 109

X Noot
9

Kamerstuk 28 760, nr. 63

X Noot
10

Over de brede schuldenaanpak en inzet op betere schuldhulpverlening: Kamerbrief: Kamerstuk 24 515, nr. 431

Over de herziening van het inburgeringsstelsel: Kamerstuk 32 824, nr. 238.

Over digitale inclusie: Kamerstuk 26 643, nr. 549 en Kamerstuk 26 643, nr. 583

Over een Leven Lang Ontwikkelen: Kamerstuk 30 012, nr. 94 Kamerbrief: Kamerstuk 30 012, nr. 92.

X Noot
11

Zie bijlage 3: eindevaluatie Tel mee met Taal en de tussenrapportage 2017, Kamerstuk 28 760, nr. 69

X Noot
12

Kamerstuk 28 760, nr. 83

X Noot
13

Regioplan (2017) Evaluatie wetswijziging volwasseneneducatie

X Noot
14

Deelnemers aan lesaanbod waarbij Stichting Lezen & Schrijven een rol speelt (bijvoorbeeld door het ter beschikking stellen van lesmaterialen of getrainde vrijwilligers) worden sinds 2012 door de Universiteit Maastricht gemonitord op leesvaardigheid en sociale inclusie. Circa 70% van de deelnemers ervaart na circa zes maanden betere taalvaardigheden, 60% verbetert de leesvaardigheid. Daarbuiten is nog weinig monitoring gedaan.

X Noot
15

Kamerstuk 28 760, nr. 75

X Noot
16

In de Wet Educatie Beroepsonderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen formeel aanbod en informeel aanbod. Het formele aanbod is diplomagericht en wordt verzorgd door aanbieders die diploma-erkenning hebben aangevraagd bij DUO en onder toezicht staan van de Inspectie. Al het andere aanbod is informeel. Dit kan dus klassikaal onderwijs in groepen zijn verzorgd door een roc of commerciële aanbieders zonder diploma-erkenning, maar ook laagdrempelig aanbod in een buurthuis of bibliotheek waarbij vrijwilligers de ondersteuning verzorgen.

In de praktijk van gemeenten wordt het onderscheid tussen formeel en informeel aanbod soms op een andere manier geduid. Formeel aanbod wordt daarbij gezien als alle vormen van klassikaal aanbod (verzorgd door aanbieders mét of zonder diploma-erkenning) gericht op niveauverhoging, terwijl non-formeel aanbod wordt gezien als laagdrempelig aanbod dat in eerste instantie is gericht op sociale inclusie, zelfredzaamheid en participatie.

In deze brief houden wij het onderscheid aan zoals in de WEB is bedoeld.

X Noot
17

Dit kan te maken hebben met schaamte of negatieve schoolervaringen, met het feit dat zij in hun dagelijks leven redelijk goed meekomen ondanks relatief beperkte schrijf- en leesvaardigheid of met persoonlijke omstandigheden.

X Noot
18

In vergelijking met de ons omringende landen hebben vrouwen in Nederland namelijk een grote achterstand als het gaat om taal en rekenen. Laagopgeleide vrouwen zijn bovendien minder vaak economisch zelfstandig dan mannen.

Houtkoop et al. (2012) Laaggeletterdheid in Nederland

X Noot
19

€ 1,5 miljoen per jaar in 2020, 2021 en 2022; 1 miljoen in 2023 en 2024.

X Noot
20

De Manifestgroep bestaat uit 16 uitvoeringsorganisaties (Belastingdienst, CAK, CBR, CBS, CIZ, CJIB, Dienst Justis, DUO, IND, Kadaster, Kamer van Koophandel, RDW, RVO.nl, SVB en UWV) met als belangrijkste speerpunt het optimaliseren van de (digitale) dienstverlening aan burgers en bedrijven.

X Noot
21

Intentieverklaring Perspectief op Werk, november 2018

X Noot
22

De bevindingen worden als onderdeel van de evaluatie van de Wet stelsel openbare bibliotheken eind 2019 aan de Kamer aangeboden.

Motie Asscher: Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 109.

X Noot
25

Deze subdoelstellingen zijn indicatief en kunnen nog worden bijgesteld op basis van voortschrijdend inzicht uit onderzoeken en/of nader overleg met betrokken stakeholders.

X Noot
26

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
27

Zie evaluatierapport, pag. 75–76

X Noot
30

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
31

Kamerstuk 28 760, nr. 83.

Naar boven