28 663 Milieubeleid

Nr. 58 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 6 juni 2014

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de brief van 10 maart 2014 inzake modernisering milieubeleid (Kamerstuk 28 663, nr. 55).

De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 5 juni 2014. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie, Van Dekken

Adjunct-griffier van de commissie, Van Dijk

Inhoudsopgave

I.

Opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Vragen en antwoorden

3

 

Inleiding

3

 

Algemeen

4

 

Relatie met andere milieuopgaven

10

 

Internationale samenwerking

11

 

Coalities en samenwerkingsverbanden vormen

14

   

Duurzame bereikbaarheid en MIRT

17

 

Duurzame ruimtelijke inrichting en bebouwing

19

 

Gezonde en veilige leefomgeving

19

   

Luchtkwaliteit

21

   

Geluid

27

   

Externe veiligheid en (nieuwe) risico’s

29

   

Bodem- en waterkwaliteit

30

 

Vernieuwen instrumenten van milieubeleid

33

   

Omgevingsrecht

33

   

Normstelling

34

   

Modernisering regelgeving

36

 

(Gebiedsgericht) maatwerk

41

 

Versterking uitvoering, toezicht en handhaving

45

 

Financiering en lastendruk

47

I. Opmerkingen vanuit de fracties

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de brief Modernisering Milieubeleid. Het ontgaat de leden van de VVD-fractie waarom het noodzakelijk is dat het milieubeleid gemoderniseerd wordt. Naast de vraag of de Staatssecretaris dit nader kan toelichten hebben de leden van deze fractie nog een aantal andere vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling en enige zorg kennis genomen van het standpunt van de Staatssecretaris over de modernisering van het milieubeleid. De leden van deze fractie hebben nog een aantal vragen en opmerkingen over de toegestuurde brief en vragen daarom de Staatssecretaris om op de door hen genoemde punten in te gaan.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de «Aanpak Modernisering Milieubeleid». De leden hebben wel een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie zijn voorstander van nieuwe manieren om de problemen en uitdagingen van de 21e eeuw in het milieu- en duurzaamheidsbeleid aan te pakken, maar kunnen zich niet altijd aan de indruk onttrekken dat de modernisering ook gebruikt wordt om normeringen te verminderen om daardoor economische groei te laten prevaleren boven gezondheids- en milieueisen.

De leden van de PVV-fractie hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van de brief Modernisering Milieubeleid. De leden van deze fractie erkennen dat het milieubeleid in Nederland toe was aan een opfrisbeurt, maar zien niks in de uitvoering die de Staatssecretaris voorstelt.

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het voorgenomen beleid «Aanpak Modernisering Milieubeleid». Ten aanzien hiervan hebben de leden van deze fractie nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennis genomen van de «Aanpak Modernisering Milieubeleid». Deze leden vinden het van belang om een agenda voor het milieubeleid te hanteren en hier regelmatig met de regering over te spreken. De leden van deze fractie zien dan ook met belangstelling de jaarlijkse actualisatie van concrete resultaten en nieuwe acties tegemoet.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de agenda Modernisering Milieubeleid. De verschillende voorstellen om te komen tot meer transparantie, samenwerking, vereenvoudiging en innovatie spreken aan maar kunnen volgens de leden van deze fractie pas echt worden beoordeeld als ze zijn uitgewerkt in concrete beleidsmaatregelen en gerelateerd aan concreet te bereiken doelen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de «Aanpak Modernisering Milieubeleid». Zij steunen de hoofdlijnen van deze aanpak, maar hebben wel enkele vragen.

II. VRAGEN EN ANTWOORDEN

1. Inleiding

Ook voor het beleid op het gebied van milieu en duurzaamheid is de 21e eeuw begonnen, met nieuwe uitdagingen en opgaven. De milieu-uitdagingen van deze eeuw vragen om een nieuwe, moderne aanpak. De leefomgeving is de afgelopen decennia wel gezonder en veiliger geworden, maar het werk is nog lang niet af. Daarnaast kunnen (nieuwe) stoffen nieuwe gezondheidsrisico’s opleveren. Daarom moderniseert het kabinet het milieubeleid. Het wil daar burgers, bedrijven, kennisinstellingen en andere overheden volop bij betrekken.

Vele partijen vroegen naar de opgaven die het kabinet voor zich ziet en de meerwaarde die de brief Modernisering Milieubeleid daarbij heeft. Ik hecht er dan ook aan te verduidelijken dat ik met de brief heb beoogd de opgaven van vandaag-de-dag op het terrein van een gezonde en veilige leefomgeving expliciet zichtbaar te maken. Mijn inzet op dit terrein is bedoeld als bijdrage om te komen tot het meest gezonde en veilige land ter wereld, in onze steden en daarbuiten. Afgelopen jaar ontving u reeds onze beleidsagenda’s voor klimaat/energie en grondstoffen, waarmee het kabinet invulling geeft aan de ambities voor een klimaatneutrale en circulaire samenleving en een voorlopende rol voor ons land beoogt. In lijn met de filosofie van groene groei acht het kabinet dit van groot belang om onze welvaart en ons welzijn ook op de lange termijn zeker te stellen.

Tezamen bieden deze brieven voor het eerst sinds jaren – en in lijn met de aan de Kamer gedane toezegging eind 2012 – een breed overzicht en beeld van onze inzet voor een duurzame toekomst. Om aan al deze opgaven met succes invulling te geven, is een eigentijdse aanpak en werkwijze nodig. De brief verwoordt deze. Gezondheid was de laatste jaren teveel naar de achtergrond verdwenen, terwijl het één van dé drijfveren is voor ons milieubeleid. De brief geeft het weer die centrale plaats. Daarmee plaatsen wij het milieubeleid waar het hoort: dicht bij mensen. Dit is een eerste belangrijke reden voor de modernisering.

Het kabinet laat op verschillende terreinen zien dat het werk maakt van milieu en duurzaamheid. Samen met anderen maken we afspraken om maatschappelijke doelen te bereiken, in coalities, allianties of andere samenwerkingsverbanden, maar bijvoorbeeld ook op basis van een convenant of green deal. Er zijn er intussen diverse gesloten. Het Energieakkoord is een voorbeeld van zo’n gezamenlijke afspraak en aanpak, net als de green deals. Het is een manier van werken die in de volle breedte van het beleid voor milieu en duurzaamheid nodig is. Dat heb ik in de brief willen onderstrepen en vormde een tweede belangrijke aanleiding voor de brief.

Een derde reden is de volgende. De samenleving van nu kan niet voldoende uit de voeten met de aanpak van gisteren, ook al is daarmee in het verleden wel veel resultaat bereikt. Verschillende actoren zetten vandaag-de-dag zelf acties in gang die van grote betekenis zijn voor een duurzaam, gezond en veilig land. Het is zaak om daaraan ruimte te geven en samen te werken aan de opgaven die er zijn. Daarmee benutten we de energie die volop aanwezig is in de samenleving. Ook al blijft heldere regelgeving en kaderstelling op verschillende terreinen nodig, toch zetten we hier een wissel om naar een overheid die er vooral op gericht is (nationaal en internationaal) partijen bij elkaar te brengen, die het oppakken van kansen en knelpunten op het gebied van milieu stimuleert en die verbindingen legt tussen milieu en andere beleidsterreinen zoals verkeer&vervoer, ruimtelijke ordening en economie. Het gaat veel meer dan vroeger om: etaleren, stimuleren, faciliteren. De brief verwoordt de modernisering die hier nodig is.

De modernisering van het milieubeleid heeft ook consequenties voor wet- en regelgeving. In de stelselherziening omgevingsrecht worden milieu- en veiligheidswaarborgen ingebouwd, zoals die in de brief Modernisering Milieubeleid zijn verwoord. De Omgevingswet draagt bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Tegelijkertijd moet de wet bijdragen aan het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving en het vervullen van maatschappelijke functies. Die doelen moeten in nauwe onderlinge samenhang en met oog voor duurzame ontwikkeling worden bereikt. Zo biedt de wet bescherming en garanties voor een gezond, veilig en prettig leef- en werkklimaat voor burgers en ondernemers. Bij de wijziging van de wet- en regelgeving wordt niet alleen uitgegaan van de dynamiek in de samenleving, maar ook van stevig toezicht en professionele handhaving. Dit is een wezenlijk onderdeel van het milieubeleid in de 21e eeuw.

2. Algemeen

Vraag 2.1

De leden van de VVD-fractie vragen of het integreren van milieu en duurzaamheid in grote projecten in aanbestedingen als wens kan worden opgenomen, of dat de Staatssecretaris van mening is dat milieu- en duurzaamheidseisen verplicht moeten worden voorgeschreven.

Antwoord 2.1

In het kader van het beleid voor Duurzaam Inkopen, waarover u dit voorjaar nog bent geïnformeerd bij brief (Kamerstuk 30 196, nr. 232) is in het verleden afgesproken dat het Rijk de geformuleerde duurzaamheidseisen altijd toepast, tenzij er gegronde redenen zijn om er vanaf te wijken. De decentrale overheden hebben eigen doelstellingen geformuleerd. Vanwege de individuele omstandigheden bij grote projecten is en wordt in de grond-, weg- en waterbouw (GWW) gewerkt aan een aanpak Duurzaam GWW, waarmee meer ruimte ontstaat voor het stimuleren en onderling waarderen van duurzaamheidsaspecten in aanbiedingen van opdrachtnemers. Overheid en bedrijfsleven blijven, zoals in genoemde brief beschreven, zoeken naar verbeteringen van de wijze van aanbesteden die dit doel dienen. Het voortouw bij de Rijksoverheid ligt hiervoor bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).

Vraag 2.2

De leden van de VVD-fractie vragen, met betrekking tot het pleidooi van de Staatssecretaris dat mensen vaker voor collectief vervoer moeten kiezen en minder vaak voor individueel autogebruik, of het een officiële Rijksdoelstelling is om steden meer autoluw te maken en andere vormen van vervoer te stimuleren. Zo ja, waarom, met welke percentages, tegen welke kosten, en hoe verhoudt dit zich met de individuele keuzevrijheid? Wat betekent dit voor extra investeringen in het openbaar vervoer?

Antwoord 2.2

Het staat mensen in Nederland vrij hun eigen keuzes te maken. Het gaat hier dan ook niet om een verplichting. Vraag en aanbod spelen een grote rol voor mensen bij het maken van hun keuzes. Beide kan de overheid beïnvloeden in het belang van de samenleving als geheel. Een meer compacte bouwwijze, relatief hoge bebouwingsdichtheden en een ruimtelijke inrichting die meer past bij vormen van collectief vervoer kosten niet per sé meer geld en kunnen eraan bijdragen dat mensen meer milieubewuste (mobiliteits)keuzes maken. Daardoor neemt de milieubelasting (luchtkwaliteit, geluidhinder) af en de aantrekkelijkheid, veiligheid en leefbaarheid toe. Dat past bij het Regeerakkoord. De exacte invulling hiervan is van vele lokale factoren en omstandigheden afhankelijk en dus bij uitstek een vorm van gebiedsgericht maatwerk. Er is dus geen sprake van een rijksdoelstelling om steden autoluw te maken.

Vraag 2.3

De leden van de VVD-fractie hebben op het gebied van duurzaamheid de vraag wat de concrete doelstelling is. Voorts vragen de leden van deze fractie waarom de Staatssecretaris meent dat de overheid hierin het voortouw moet nemen. Wanneer is dit initiatief geslaagd? Is het initiatief alleen maar gericht op gedragsverandering? In hoeverre denkt de Staatssecretaris dat dit ook daadwerkelijk gaat werken en wat zijn de kosten van dit initiatief, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Antwoord 2.3

Op het terrein van duurzaamheid wil het kabinet de belasting van het milieu en de afhankelijkheid van fossiele energie terugdringen en tegelijkertijd het concurrentievermogen van Nederland versterken. Op deelterreinen is dat uitgewerkt in concretere doelstellingen, zoals de 16% hernieuwbare, duurzame energie in 2023 uit het Energieakkoord. Wat betreft de overige deelvragen neem ik aan dat deze slaan op het initiatief voor de lancering van de website duurzaamdoen.nl. Om de maatschappelijke doelen op het vlak van grondstoffengebruik, klimaatverandering en een schone en veilige leefomgeving te bereiken, willen we particulieren en ondernemers inspireren om duurzamer te doen. Meer dan de helft van de Nederlanders voelt de urgentie om duurzamer te leven. Met het programma Duurzaam Doen wil het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) daarom, samen met anderen zoals Milieu Centraal, concrete tips en tools bieden zodat de stap naar duurzaam doen gemakkelijker wordt voor consumenten, ondernemers en anderen. Voor de andere deelvragen verwijs ik naar de antwoorden op de eerdere vragen van leden van de VVD- en PVV-fractie hierover (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nrs. 1821 en 1830) en naar het antwoord op vraag 5.1.

Vraag 2.4

De leden van de VVD-fractie zien dat vertrouwen geven een belangrijk uitgangspunt is bij de vormgeving van het moderne milieubeleid en willen graag weten of daar een terughoudende overheid richting het bedrijfsleven mee wordt bedoeld. Zo nee, waarom is een terughoudende overheid niet het middel om vertrouwen aan het bedrijfsleven te geven?

Antwoord 2.4

Vertrouwen en terughoudendheid zijn voor mij geen synoniemen, maar liggen wel in elkaars verlengde. Vertrouwen gaat om de keuze meer verantwoordelijkheid aan de samenleving te geven. Vertrouwen is ook één van de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Het betekent dat het recht toegankelijk en transparant is, dat de overheid terughoudend is met het stellen van regels maar wel kwetsbare waarden beschermt.

Vertrouwen geven is inderdaad een belangrijk uitgangspunt bij de vormgeving van het moderne milieubeleid. Dat betekent dat er ook daadwerkelijk ruimte moet worden gegeven aan de verschillende maatschappelijke partijen, w.o. het bedrijfsleven, zolang daarmee de kwetsbare waarden zijn gediend. Tegelijkertijd hebben deze partijen ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Gelet op de milieuopgaven waar we voor staan, is die verantwoordelijkheid niet vrijblijvendheid. Het uitgangspunt is dat het beleid, en dus ook het recht, het gewenste gedrag stimuleert.

Vraag 2.5

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de milieubrief op twee gedachten lijkt te hinken. Enerzijds wordt, in de ogen van de leden van deze fractie, volkomen terecht de gezondheid centraal gesteld. Anderzijds wordt ook regelmatig maatwerk gepredikt waarmee wordt gesuggereerd dat er weliswaar strenge normen zijn, maar dat die ook zo nu en dan overschreden kunnen worden. Dat lijkt met elkaar in tegenspraak en deze leden zijn van die overschrijdingen ook niet per definitie voorstander. Volgens deze leden moet leidend zijn dat de uiteindelijke situatie per saldo verbetert en dat moet worden voorkomen dat eerst (het financiële) wordt geïncasseerd en vervolgens de financiële inzet voor de compensatie achterwege blijft dan wel ontoereikend is. Deze leden vragen graag een reactie op dit punt.

Antwoord 2.5

Een goede gezondheid van alle bewoners (en bezoekers) van Nederland is van groot belang. Daar moeten we de juiste milieuomstandigheden voor scheppen. Het huidige milieubeleiduit zich onder meer in de algemene regels zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin waarborgen ter bescherming van het milieu zijn opgenomen. Binnen de algemene rijksregels, die centrale normen stellen voor alle gevallen, kan het nodig en wenselijk zijn om bij de realisatie van het milieubeleid ruimte te geven voor decentrale oplossingen in specifieke gebieden of aan individuele bedrijven. Dat is dan onderdeel van de regelgeving.

Als voorbeeld kan artikel 3.6 van het Activiteitenbesluit worden genoemd, dat een maximale warmtevracht van het te lozen koelwater bepaalt. In sommige situaties maakt de omvang van het specifieke oppervlaktewater lozing van een hogere warmtevracht mogelijk. Het voorschrift bepaalt dan ook, dat «indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift lozen van koelwater met een hogere warmtevracht toestaan». Aan de andere kant zijn er ook situaties denkbaar, waarin de in de algemene regels opgenomen warmtevracht te hoog is, en tot te hoge temperatuurstijging zou leiden. Het bevoegd gezag heeft daarom ook de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift een lagere warmtevracht vast te stellen, indien de lozing een te hoge temperatuurstijging zou veroorzaken.

Met de maatwerkmogelijkheden als onderdeel van de algemene rijksregels, kan een hogere kwaliteit van de leefomgeving bereikt worden dan met generieke regels en normen alleen. Zoals uit de voorbeelden in de brief Modernisering Milieubeleid blijkt, dient het maatwerk ertoe om effectiever te kunnen sturen richting de maatschappelijk gewenste situatie. Dit geeft ook de ruimte om de gestelde normen op een bij het betreffende gebied passende manier te halen. De manier waarop ze gehaald worden kan verschillen, maar de regels en normen zelf staan dus niet ter discussie. In de uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet zullen deze maatwerkmogelijkheden eveneens opgenomen worden. Ter voorkoming van onevenwichtige toepassing van maatwerk op decentraal niveau worden de mogelijkheden voor maatwerk in de algemene regels zoveel mogelijk met waarborgen en randvoorwaarden omkleed. Die waarborgen en randvoorwaarden richten zich er ook op dat maatwerk niet wordt ingezet voor of kan uitmonden in financieel gewin.

Vraag 2.6

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de brief lijkt te suggereren dat wij al goed op weg zijn. Deels is er volgens de leden van deze fractie inderdaad reden tot optimisme, maar het is volgens deze leden een misvatting dat alle problemen grotendeels zijn opgelost. Er blijven zorgen over de lucht- en waterkwaliteit. Ook ontstaan er nieuwe vragen, bijvoorbeeld in de ondergrond rond warmte-koude-opslag, aardwarmtewinning en eventuele schaliegaswinning. Daarnaast zijn er volgens deze leden serieuze vragen te stellen over de risico’s van moderne technieken als gentech, synthetische materialen en nanotechnologie. Hierbij valt ook te denken aan drama’s zoals de Q-koorts, de MRSA-bacterie en daarmee samenhangend het antibioticagebruik in de veeteeltsector. Tot slot zijn er volgens deze leden risico’s rond waterverontreiniging zoals hormonen, gewasbeschermingsmiddelen en de resten van medicijnen. En er blijven risico’s rond (laagfrequent) geluid en elektromagnetische straling. De leden van deze fractie vragen de Staatssecretaris te reageren op deze risico’s en expliciet aan te geven op welke manier deze het hoofd worden geboden.

Antwoord 2.6

Ik constateer dat u met mij onderkent dat er veel resultaat is geboekt en er tegelijkertijd nog forse (nieuwe) milieuopgaven zijn. Aan de meeste onderwerpen die u noemt, heb ik in de brief Modernisering Milieubeleid expliciet aandacht besteed, met name in de paragrafen 2.3 en 2.4. Een aantal van de onderwerpen dat specifiek met de ondergrond te maken heeft, komt uitgebreid terug in de aangekondigde Structuurvisie Ondergrond. Daarin wordt ingevuld hoe de kwetsbare waarden worden beschermd. Het is daarbij onder andere de vraag of de risico’s van schaliegaswinning voor ons milieu acceptabel zijn en of dit past bij de grenzen die we in op grond van het milieubeleid moeten stellen (zie ook het antwoord op vraag 8.3).

Met betrekking tot de gezondheidsaspecten van het gebruik van mobiele telecommunicatie heb ik, mede namens de Minister van Economische Zaken, uw Kamer bij brief van 19 augustus 2013 toegelicht dat ik onvoldoende reden zie voor het treffen van dwingende maatregelen van overheidswege om het gebruik van mobiele telefoons te beperken (Kamerstuk 27 561, nr. 41). In die brief gaf ik u aan mij in mijn beleid gesteund te voelen door de conclusie van de Gezondheidsraad, dat er geen duidelijk en consistent bewijs is voor langetermijneffecten voor de gezondheid van het gebruik van mobiele telefoons. Mogelijke langetermijneffecten zijn te onzeker om ingrijpen in de individuele vrijheid van mensen te rechtvaardigen op dit terrein. Het blijft dan ook voor iedereen mogelijk om gebruik van deze communicatiemogelijkheid te maken op de wijze die mensen zelf kiezen. Tegelijkertijd is de genoemde onzekerheid reden om het wetenschappelijk onderzoek op dit terrein te blijven stimuleren en volgen. De telecomsector heeft daarnaast een eigen verantwoordelijkheid om klanten te informeren over mogelijke gezondheidsaspecten van hun producten en activiteiten. De regelgeving laat voldoende ruimte voor vrijwillige invulling van voorzorg door burgers en bedrijven bij het gebruik van telecommunicatie.

De gezondheidsrisico’s rond Q-koorts, de MRSA-bacterie en het antibioticagebruik in de veehouderijsector zijn expliciet en uitputtend aan de orde geweest in een grote hoeveelheid brieven die u over dit onderwerp heeft ontvangen (bijvoorbeeld Kamerstuk 28 286 nr. 445 over de aanpak van Q-koorts en Kamerstuk 29 683, nr. 167 over antibiotica in de veehouderij) en debatten die uw Kamer hierover met de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft gevoerd. Ook hier is het belangrijk om ontwikkelingen nauwgezet te blijven volgen.

Vraag 2.7

De leden van de PVV-fractie vragen hoe het milieubeleid en het «duurzaam denken» verder geïntegreerd moeten worden. De leden van deze fractie vragen voorts of het milieubeleid dan niet getransformeerd wordt tot een totalitaire gedachte die de Staatssecretaris zo graag voor ogen heeft.

Antwoord 2.7

Met de modernisering van het milieubeleid ontstaat meer ruimte en stimulans voor maatschappelijke initiatieven. Dat is precies wat ik voor ogen heb, om daarmee aan te sluiten bij de energie die er bij velen in onze samenleving is op dit terrein. Het gaat hierbij zowel om het beleid voor een gezonde en veilige leefomgeving als dat op het gebied van klimaat/energie en grondstoffen. De concrete handelingsperspectieven zoals die op de site duurzaamdoen.nl worden aangeboden, laten zien dat concrete acties op het gebied van milieu en duurzaamheid in elkaars verlengde liggen. Wel ligt er bij veiligheid en gezondheid meer nadruk op regelgeving en handhaving dan bij duurzaamheid.

Vraag 2.8

De leden van de PVV-fractie herinneren zich een overheidscampagne van vroeger. Toen was het credo: «Een beter milieu begint bij jezelf.» De leden van deze fractie vragen waar de eigen verantwoordelijkheid in deze modernisering is gebleven. Deze leden vragen voorts of deze Staatssecretaris het vertrouwen in de mensen en het bedrijfsleven definitief heeft verloren.

Antwoord 2.8

Burgers, bedrijven en overheden zijn samen verantwoordelijk voor de kwaliteit en ontwikkeling van de leefomgeving. De vele initiatieven in de samenleving geven mij en het kabinet als geheel vertrouwen dat mensen zelf in actie willen en kunnen komen en daarmee verantwoordelijkheid nemen. Met de website duurzaamdoen.nl sluit ik me daarbij aan. Dat geldt ook voor de vormgeving van het milieubeleid waarin het kabinet meer ruimte geeft dan voorheen aan burgers, ondernemers, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden.

Vraag 2.9

De leden van de CDA-fractie pleiten voor een veelzijdig, realistisch en helder milieubeleid. Volgens de leden van deze fractie is het voor de toekomst van onze kinderen noodzaak dat wij hoge prioriteit geven aan het bewaken en verbeteren van onze leefomgeving. Voor deze leden is daarbij belangrijk dat de samenleving zelf, gemeenten en provincies en inwoners, hun verantwoordelijkheid kunnen pakken en kunnen bijdragen.

De leden van de CDA-fractie vragen wat nieuw is onder de zon. De leden van deze fractie zijn voorstander van samenwerking, zoals dat onder andere in Green Deals wordt vormgegeven. Samenwerking tussen overheden, ondernemers en maatschappelijke partijen zijn volgens deze leden de basis voor effectief en gedragen beleid. Dit is echter niet nieuw. Noch zijn acties om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren nieuw. Deze leden horen graag van de Staatssecretaris wat «modernisering» daadwerkelijk inhoudt. Deze leden zien liever een daadwerkelijke aanpak dan letters op papier.

Antwoord 2.9

Met de leden van de CDA-fractie ben ik het eens dat we hoge prioriteit moeten geven aan de kwaliteit van onze leefomgeving. Dat ik gezondheid centraal heb gesteld in het milieubeleid en daarmee terugkeer naar de basis van het milieubeleid, past daar mijns inziens goed bij. Ik ben het ook met de vragenstellers eens om ruimte te geven aan de samenleving zelf. Ik voel me dan ook gesteund door datgene wat in deze vraag tot uitdrukking wordt gebracht. Op verschillende terreinen is deze ruimte overigens inderdaad al gecreëerd en wordt er samengewerkt met diverse maatschappelijke actoren. Het is echter nodig dat over de volle breedte van het beleid op het gebied van milieu en duurzaamheid vorm te geven en centraal te stellen in onze werkwijze en aanpak. Daarvoor is niet eerder zo expliciet gekozen als nu in de brief Modernisering Milieubeleid.

De vragenstellers hebben natuurlijk gelijk dat concrete acties uiteindelijk in de praktijk belangrijker zijn dan beleidsformuleringen in nota´s of brieven. Tegelijk is het van belang doelen en ambities helder te maken, richting te geven en focus te bepalen zodat iedereen weet waarop we afkoersen. Daarmee kunnen we ook zorgen dat concrete acties en projecten elkaar versterken én met draagvlak worden uitgevoerd. In de brief heb ik daarom zowel opgaven en beleidskeuzes opgenomen als concrete acties.

Vraag 2.10

De leden van de D66-fractie zien voor het milieubeleid een sterke samenhang met andere ministeries, vooral het Ministerie van Economische Zaken. De leden van deze fractie vragen de Staatssecretaris op welke manier het landbouwbeleid en het energiebeleid worden geïntegreerd in de «Aanpak Modernisering Milieubeleid».

Antwoord 2.10:

Er is inderdaad een sterke samenhang tussen het milieubeleid en beleid dat de primaire verantwoordelijkheid is van andere bewindspersonen. Dat beleid, zoals voor landbouw en energie zal niet worden geïntegreerd in het milieubeleid. Wel zal de aanpak zoals in de brief Modernisering Milieubeleid wordt beschreven, worden toegepast bij (de milieu-aspecten van) deze beleidsterreinen. Overigens zijn vele elementen van de aanpak ook nu reeds terug te vinden in de (veranderende) aanpak op die beleidsterreinen. Ik noem als voorbeeld de coalities rond en inhoudelijke elementen van het Energieakkoord en het Agroconvenant.

Vraag 2.11

De leden van de ChristenUnie-fractie onderschrijven de focus op klimaat en energie, duurzaam gebruik van grondstoffen en gezonde en veilige leefomstandigheden. Wel vragen de leden van deze fractie aandacht voor nieuwe vraagstukken. In de agenda wordt gesproken over nanotechnologie maar deze leden missen aandacht voor het thema straling door de telecomsector. Andere landen, zoals recent nog België, hebben vanuit het voorzorgprincipe op dit gebied maatregelen genomen, met name met betrekking tot reclame voor telefoons gericht op kinderen en verplichte publicatie van stralingswaarden op verpakkingen. Deze leden vragen of de Staatssecretaris in Nederland ook voornemens is dergelijke maatregelen te nemen.

Antwoord 2.11

In het antwoord op vraag 2.6 ben ik ingegaan op de risico’s van straling in relatie tot mobiele telecommunicatie.

3. Relatie met andere milieuopgaven

Vraag 3.1

De leden van de PvdA-fractie steunen het programma Van Afval naar Grondstof van harte. De leden van deze fractie missen echter een aanpak om de keten in de circulaire economie in Nederland sluitend te maken. Enerzijds wordt volgens deze leden meer ingezet op gescheiden inzamelen, anderzijds geldt bijvoorbeeld dat de recyclen in Nederland nog onvoldoende gebeurt. Deze leden vragen welke concrete acties de Staatssecretaris wil inzetten om de keten in de circulaire economie sluitend te maken en het bedrijfsleven meer hierin te stimuleren en faciliteren.

Antwoord 3.1

Veel ketens hebben een internationaal karakter. Het binnen Nederland sluitend maken is vaak niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat in Nederland producenten van bepaalde producten ontbreken. We streven naar het sluiten van ketens en richten ons daarbij op passende niveaus, dus ook op een hogere, grensoverschrijdende schaal. Er wordt bijvoorbeeld ingezet op het terugwinnen van waardevolle grondstoffen uit in Nederland aanwezige stromen. Een goed voorbeeld is het fosfaatketenakkoord dat inzet op het terugwinnen van fosfaat in Nederland en hiervoor een markt wil creëren.

In Nederland recyclen we circa 78% van ons afval, daarmee zijn we internationaal koploper. We streven naar verdere verhoging van dit percentage en naar zo hoogwaardig mogelijke vormen van recycling. In de uitwerking van de 8 operationele doelstellingen van Van Afval Naar Grondstof, staan 39 concrete acties SMART geformuleerd. Deze acties zijn gericht op specifieke ketens als kunststof of kleding; op afzonderlijke stappen in de keten als ontwerp, consumptie en recycling; of zijn gericht op meer algemene onderwerpen als financiering en bedrijfsmodellen. Al deze acties uit Van Afval Naar Grondstof dienen om het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties te stimuleren en te faciliteren en worden in samenwerking met hen uitgewerkt.

Vraag 3.2

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat gemeenten vragen om meer stappen van de rijksoverheid in de normstelling ten aanzien van afval om te komen tot hogere scheidingspercentages. De leden van deze fractie vragen welke stappen de Staatssecretaris gaat zetten aan de voorkant van de keten op het gebied van Ecodesign en preventie van afval.

Antwoord 3.2

Preventie van afval heeft altijd de voorkeur (ladder van Lansink) en is een belangrijk onderdeel van het realiseren van een circulaire economie. Afvalpreventie maakt daarom onderdeel uit van het programma Van Afval Naar Grondstof. Hierin is aangegeven welke activiteiten gericht op de voorkant van de keten worden ondernomen. Ecodesign is enerzijds een krachtig regulerend instrument op Europees niveau dat prestatie-eisen stelt aan producten en anderzijds een werkwijze voor bedrijven om tot eigen productverbetering en meer duurzaamheid te komen. De kracht van dit instrument is nu beperkt tot het energiegebruik van producten. Mijn inzet is erop gericht dit Europese instrument te verbreden naar andere duurzaamheidsaspecten en een groter aantal producten. Dit kan onder meer de mogelijkheid van scheiding in de afvalfase ten goede komen.

Een concreet voorbeeld van inzet aan de voorkant van de keten met als doel afvalpreventie is de Verduurzamingsagenda Verpakkingen. Verpakkingsafval vormt een belangrijk deel van ons huishoudelijk afval. In 2012 hebben het verpakkende bedrijfsleven, de VNG en het Rijk in een Raamovereenkomst afgesproken deze agenda op te stellen om de keten van verpakkingen te verduurzamen. Hiertoe is het Kennisinstituut Duurzaam Verpakken (KIDV) opgericht. De missie van het KIDV is om bij te dragen aan groene groei in de ontwikkeling naar een circulaire economie voor verpakkingsmateriaal. Bij de uitvoering van de missie werkt het KIDV volgens een aantal uitgangspunten, waaronder het voorkomen van verspilling van materialen, zuiniger gebruik van grondstoffen en het terugwinnen van verpakkingsmateriaal. Er worden hoogst haalbare doelen vastgesteld, die vervolgens aan het Ministerie van IenM worden aangeboden om – waar nodig – in wetgeving te laten opnemen.

4. Internationale Samenwerking

Vraag 4.1

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Staatssecretaris in haar brief spreekt over een actievere internationale samenwerking dan voorheen. De leden van deze fractie vragen of de Staatssecretaris het met de leden van de VVD-fractie eens is dat milieubeleid internationaal aangepakt moet worden, gezien de grensoverschrijdende aard van het vraagstuk.

Antwoord 4.1

Inderdaad vereisen vele milieu- en duurzaamheidsvraagstukken naast een nationale ook een internationale en/of EU-brede aanpak, in het bijzonder op het gebied van klimaat, circulaire economie en grensoverschrijdende lucht- en waterverontreiniging. Daarnaast zijn er vraagstukken zoals geluidhinder, bodemverontreiniging en gezonde verstedelijking (in de breedste zin van het woord) die meer lokaal en regionaal van karakter zijn en zich in de regel minder lenen voor een internationale aanpak, met uitzondering van bronmaatregelen zoals op het gebied van spoorlawaai en bodememissies vanuit de industrie.

Vraag 4.2

De leden van de VVD-fractie lezen dat het nodig is om op rijksniveau en internationaal niveau voortgang te boeken. De leden van deze fractie vragen of niet in eerste instantie internationaal voortgang moet worden geboekt en pas dan moet worden gekeken naar wat dat op rijksniveau betekent.

Antwoord 4.2

Internationale voortgang is met name relevant bij maatregelen die door hun effect op de interne markt inherent internationaal zijn, zoals productregulering en emissiehandel. Hierbij is er overigens regelmatig spanning tussen een relatief voortvarende Europese aanpak en een iets minder voortvarende maar wel wereldwijde aanpak, zoals in het geval van CO2-emissies uit de lucht- en scheepvaart. Op andere milieudossiers wordt wel internationale voortgang nagestreefd, maar is het waardevol om tegelijkertijd op nationaal niveau voortgang te boeken, al is het maar om onze internationale inzet te onderstrepen. Tegelijkertijd kan een nationale ambitie ons land economische kansen en een gezondere leefomgeving bieden. Goede voorbeelden hiervan zijn het beleid gericht op de circulaire economie vastgelegd in Van Afval naar Grondstof (VANG), het Deltaprogramma (voor klimaatbestendigheid en veiligheid tegen overstromingen) en het beleid voor duurzame mobiliteit. In gevallen waar op enig moment EU-brede of mondiale afspraken tot stand zijn gekomen, zal daarom steeds moeten worden beoordeeld of het zinvol is om nationaal hogere ambities te bepalen of te behouden. Mochten er bijvoorbeeld in de EU minder ambitieuze afvalscheidingsdoelstellingen tot stand komen dan in Nederland, dan ligt het niet in de rede om de Nederlandse ambitie vervolgens te verlagen.

Vraag 4.3

De leden van de VVD-fractie lezen dat een goed werkend Europees emissiehandelssysteem (ETS) hoort bij de nieuwe werkwijze. De leden van deze fractie vragen voorts hoe in de ogen van de Staatssecretaris het ETS een goed draaiend systeem moet worden dat ook daadwerkelijk bijdraagt aan de reductie van CO2-uitstoot. Welke rol hebben subsidies in deze context, die parallel lopen aan ETS, of wellicht concurrerend zijn met ETS, en die ook CO2-reductie nastreven?

Antwoord 4.3

Het ETS levert een forse bijdrage aan de CO2-reductie in de sectoren die onder dit handelssysteem vallen. Het ETS geeft op dit moment voor de lange termijn een onvoldoende stabiel prijssignaal voor investeringen in schone technologie. Met het tijdelijk niet veilen van 900 miljoen emisssierechten, het zgn. backloaden, is een eerste stap naar aanscherping van het ETS gezet. Om het ETS verder te versterken zou wat Nederland betreft in ieder geval vanaf 2021 het ETS-plafond van de EU verder moeten worden aangescherpt. Ook zou alleen de internationale concurrerende industrie (de «carbon leakage industrie») in aanmerking moeten kunnen komen voor de toewijzing van 100% gratis rechten en zou daarbij moeten worden uitgegaan van reële benchmarks en werkelijke productie. Compensatie voor indirecte (elektriciteits)kosten op basis van best performance en op Europees niveau uit een oogpunt van level playing field, maakt hier onderdeel van uit. Als onderdeel van dit pakket om het ETS te versterken, kan Nederland de stabiliteitsreserve, zoals voorgesteld door de Europese Commissie, steunen.

Subsidies kunnen eraan bijdragen dat bedrijven het ETS-doel makkelijker halen. Bij het stellen van het reductiedoel voor het ETS is rekening gehouden met de rol van subsidies. Dit zal ook bij het stellen van het ETS-doel voor 2030 moeten gebeuren om een voldoende reductiebevorderend effect te sorteren. Bij de subsidieregeling voor duurzame energie projecten (SDE+), een belangrijke subsidie die ondermeer leidt tot CO2-reductie, wordt de onrendabele top van projecten gesubsidieerd. Indien de CO2-prijs stijgt, leidt dit tot een lagere subsidie. Met deze aanpak wordt kosteneffectiviteit nagestreefd.

Vraag 4.4

De leden van de VVD-fractie hebben een vraag over een intentieverklaring die samen is ondertekend met de Californische milieuminister, waarin afgesproken is verder samen te werken aan duurzame mobiliteit, klimaat en energie. De leden van deze fractie vragen hoe dit zich verhoudt tot Europees beleid en wat de toegevoegde waarde hiervan is voor Nederland.

Antwoord 4.4

Voor effectieve klimaatoplossingen hebben we slimme coalities nodig. Om die reden zoek ik ook samenwerking met regionale overheden, steden en bedrijven voor nationaal en mondiaal klimaat- en milieubeleid. Duurzaamheidsoplossingen komen ook vaak van andere partijen dan nationale regeringen, zoals het bedrijfsleven, of een staat als Californië. Deze Amerikaanse staat is koploper in de VS op het gebied van duurzaamheid, elektrische mobiliteit en recycling en ondervindt daarvan zowel de voordelen van een meer innovatief bedrijfsleven alsook de spanning op het gebied van op het gebied van concurrentieverschillen met andere staten. In Californië is vanuit de overheid en het bedrijfsleven veel belangstelling voor de wijze waarop we in Nederland beleids- en uitvoeringstrajecten in publiek-private samenwerking organiseren en om samen te werken met Europa. Californië ziet de samenwerking met Nederland ook instrumenteel, om beter aangesloten te zijn bij de ontwikkelingen in Europa. Met betrokkenheid van het bedrijfsleven gaan we bijvoorbeeld samen e-mobility bevorderen, daar heeft zowel Nederland als Californië baat bij.

Vraag 4.5

De leden van de PvdA-fractie willen dat de kansen voor milieu en duurzaamheid voor de Nederlandse economie ook in het kader van handelsmissies permanent onder de aandacht worden gebracht. Nederland heeft een goed vestigingsklimaat voor innovatief, duurzaam en milieubewust ondernemen. De leden van deze fractie vragen om het stimuleren van de samenwerking in de regio's van de vier o's (overheid, onderzoek, onderwijs en ondernemerschap) op het gebied van innovatie, milieu en duurzaamheid.

Antwoord 4.5

Samenwerking in de regio biedt inderdaad goede mogelijkheden om het vestigingsklimaat te verbeteren. Samenwerking tussen de genoemde partijen vindt gelukkig al veel plaats, bijvoorbeeld in de economische topsectoren en in de overleggen met het IPO, VNG en Unie van Waterschappen (UvW). Ik neem de suggestie ter harte om ook vanuit het milieubeleid de regionale samenwerking nog meer te bevorderen. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan een rol voor coalities op het gebied van slimme en gezonde steden.

Vraag 4.6

De leden van de SP-fractie zijn blij met het feit dat internationale samenwerking prioriteit krijgt. Met name milieubeleid is gediend bij internationale samenwerking en bindende afspraken zijn daarom nodig. De leden van deze fractie vinden dat het volgen van Europese milieuregelgeving echter niet mag verhinderen dat Nederland een beter en duurzamer milieubeleid zal willen voeren. Deze leden nemen dan ook afstand van het omarmen van de mantra «geen nationale koppen op Europese regels». Waarom wordt er vanuit gegaan dat nationale koppen op wetgeving per definitie een slechte zaak zijn?

Antwoord 4.6

Het Kabinet staat terughoudend tegenover nationale koppen, omdat deze een belemmering kunnen zijn voor het gelijke speelveld dat we in de EU nastreven. Bovendien leggen deze koppen een extra belasting op onze ondernemers en kunnen ze de transparantie van de Nederlandse regelgeving verkleinen. Daarmee kunnen ze onze aantrekkelijkheid als vestigingsplaats negatief beïnvloeden. Ik zet dan ook primair in op een ambitieus Europees milieubeleid. De milieuwinst is hiermee groter zonder dat de concurrentiepositie van Nederland en van Nederlandse bedrijven in het geding komt. Verdergaand nationaal beleid kan nodig zijn vanwege bijzondere nationale omstandigheden, zoals bijvoorbeeld onze lage ligging in combinatie met relatief hoge bevolkingsdichtheden, stijging van de zeespiegel, toename van neerslagpieken en de beperkte afvoercapaciteit van de grote rivieren.

Verschillende normen op het gebied van gezondheid worden op Europees niveau bepaald, bijvoorbeeld voor de kwaliteit van drinkwater of de concentratie fijn stof in de lucht. Voor geluid en bodem gelden met name nationale normen. Gezondheidsrisico’s nemen een centrale plaats in bij de afweging van deze normen. De maatregelen die het Kabinet nationaal neemt om de EU-normen te halen, kunnen in Nederland anders uitvallen dan in andere EU-lidstaten, bijvoorbeeld vanwege het intensief ruimtegebruik in Nederland. Het moet duidelijk zijn dat we maatregelen nemen om ons welzijn en onze gezondheid te verbeteren, en niet alleen omwille van het halen van een Europese norm.

Vraag 4.7

De leden van de SP-fractie vragen hoe de lijn van de Staatssecretaris «om geen nationale koppen op Europese regelgeving te zetten» zich verhoudt tot de op pagina één van de «Aanpak Modernisering Milieubeleid» uitgesproken ambitie om gezondheid centraal te stellen in het milieubeleid.

Antwoord 4.7

Gezondheid staat inderdaad centraal in het milieubeleid. Hoewel de gezondheidsrisico’s zijn verkleind door te sturen op formele normen, is het werk nog niet af. Als we voldoen aan alle Europese grenswaarden is de lucht bijvoorbeeld nog niet dusdanig schoon dat gezondheidsrisico’s verdwenen zijn. Voor de gezondheid van bewoners en bezoekers van ons land staat ons dus werk te doen, ook als aan de normen wordt voldaan. Dit wil niet zeggen dat daarvoor per se verdergaande normen en nieuwe regels nodig zijn bovenop de geldende EU-regels. De voorbeelden in het antwoord op vraag 7.5 laten andersoortige maatregelen zien zoals stimuleren van elektrische voertuigen, schoner openbaar vervoer en een gezondere ruimtelijke inrichting.

Vraag 4.8

De leden van de PVV-fractie hebben vraagtekens bij de internationale samenwerking. De leden van deze fractie vragen hoe dat er in de praktijk uit zal zien. Deze leden vrezen dat hier wederom sprake is van overdracht van bevoegdheden aan de bureaucraten in Brussel. Deelt de Staatssecretaris de visie van deze leden?

Antwoord 4.8

Deze visie deel ik niet. Internationale samenwerking binnen de EU en mondiaal is juist onontbeerlijk voor het voeren van resultaatgericht milieubeleid. Zelfs als we het zouden willen, kunnen we onze grenzen niet sluiten voor bijvoorbeeld (vervuild) water of (vervuilde) lucht. Internationale samenwerking is dan ook nodig om de kwaliteit van lucht en water in ons land te verbeteren. De praktijk van internationale samenwerking bestaat uit actieve deelname aan de onderhandelingen over de voor Nederland relevante dossiers in EU-verband en in internationale organisaties, uit het onderhouden van contacten met de belangrijke internationale spelers en uit informele coalities met gelijkgezinde landen en andere relevante actoren. Het gaat hier dus niet om de overdracht van bevoegdheden naar Brussel.

5. Coalities en samenwerkingsverbanden vormen

Vraag 5.1

De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris nader toe te lichten welke rol zij nu precies ziet weggelegd voor de overheid enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds. De leden van deze fractie vragen voorts hoe sturend de overheid moet zijn en hoe de Staatssecretaris het bedrijfsleven wil stimuleren. Is de Staatssecretaris ook voornemens meer dwingende maatregelen richting het bedrijfsleven te nemen?

Antwoord 5.1

Om resultaten te boeken (in deze eeuw) is het belangrijk om samen te werken met verschillende maatschappelijke actoren. Niet alleen om daarmee draagvlak te bereiken, maar ook omdat alle actoren ideeën, plannen en initiatieven hebben die kunnen bijdragen aan een gezond, veilig en duurzaam land. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor ondernemers. Ik ben er dan ook primair op gericht te komen tot samenwerkingsverbanden, coalities en andere vormen van samenwerking. Daarnaast zie ik een rijksrol bij het etaleren van handelingsperspectieven, het inspireren met goede voorbeelden en het faciliteren van initiatieven. Tegelijk blijft normstelling, handhaving en wet- en regelgeving essentieel om de basismilieukwaliteiten te beschermen en een stok achter de deur te hebben voor achterblijvers of free riders.

Vraag 5.2

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de resultaten van het bedrijfsleven binnen de circulaire economie beoordeelt. Welke rol ziet de Staatssecretaris daarin voor de overheid nog verder weggelegd?

Antwoord 5.2

Nederlandse bedrijven zijn zich tot mijn vreugde in toenemende mate bewust van de voordelen die concepten als duurzaamheid en de circulaire economie bieden voor hun onderneming. De rollen voor de overheid heb ik beschreven bij de vorige vraag. Een goed voorbeeld van zo’n rol op het terrein van circulaire economie vind ik de green deal Duurzaam Almere 2.0. Het rijk heeft hier geholpen om partijen bij elkaar te brengen om samen de kringloop te gaan sluiten en afval te voorkomen.

Vraag 5.3

De leden van de VVD-fractie lezen de volgende passage over samenwerking in een duurzame samenleving: «Die samenwerking kan op diverse niveaus plaatsvinden, mede afhankelijk van het onderliggende vraagstuk: lokaal, regionaal, nationaal, Europees en waar nodig mondiaal.» De leden van deze fractie vragen waarom er gekozen is voor deze volgorde en of deze volgorde niet in de omgekeerde volgorde (te beginnen bij mondiaal) moet worden geplaatst.

Antwoord 5.3

De volgorde is niet bewust gekozen. Internationale samenwerking is belangrijk, zoals ik ook bij vraag 4.1 heb gemeld. Ik leg daarbij in de brief Modernisering Milieubeleid niet voor niets een prioriteit. Tegelijkertijd ziet het kabinet de grote waarde van initiatieven uit de samenleving, die veelal plaatsvinden rond specifieke opgaven en in gebiedsgerichte coalities en al dan niet met hulp van de overheid kunnen uitgroeien tot grootschaliger bewegingen.

Vraag 5.4

De leden van de PvdA-fractie ondersteunen het streven om duurzame innovaties en milieuvriendelijke investeringen te stimuleren en hiervoor markten te creëren van harte. In dat kader zouden de leden van deze fractie ook graag zien dat de overheid zelf meer werkt aan het uitdragen van een duurzame en milieubewuste organisatie. Zo zou ook het bedrijfsleven meer gestimuleerd kunnen worden, middels samenwerkingsverbanden en duurzaam inkopen, zodat naast maatschappelijk verantwoord ondernemen ook wordt gewerkt aan duurzaam en milieuvriendelijk ondernemen. Deze leden vragen de Staatssecretaris op dit punt in te gaan.

Antwoord 5.4

Ik hecht veel waarde aan zowel het uitdragen van duurzaamheidsambities als het zelf ook toepassen daarvan in de rijksbedrijfsvoering. In de bijlage bij de brief Modernisering Milieubeleid heb ik onder het kopje Duurzaam Doen (3.7) veel aandacht gegeven aan voorbeeldgedrag van het Rijk en aan het duurzame rijksinkoopbeleid. De Rijksoverheid stimuleert hiermee de markt voor duurzame producten. In aanvulling op datgene wat in de genoemde passages staat, wil ik u wijzen op de green deal circulair inkopen. Deze Green Deal kent momenteel meer dan 20 deelnemers, onder andere uit het bedrijfsleven. Rijkswaterstaat en Prorail doen mee aan pilots voor het circulair inkopen van bedrijfskleding.

Vraag 5.5

De leden van de CDA-fractie vinden het idee van «coalities rond slimme en gezonde steden», zoals beschreven in de «Aanpak Modernisering Milieubeleid», nog erg vaag. De leden van deze fractie vragen of deze coalities bijvoorbeeld ook werken aan het verbeteren van de luchtkwaliteit. Welke concrete doelen worden beoogd door deze coalities? Deze leden vragen voorts of dit een nieuwe overlegstructuur is, en vragen of hier behoefte aan is. Kan de Staatssecretaris dit concretiseren? Op wiens initiatief worden deze coalities opgericht en wie worden hierbij betrokken? Betreft het hier een academische exercitie? Deze leden vernemen graag of ook financiële ondersteuning wordt gegeven aan de projecten die voortkomen uit deze coalities.

Antwoord 5.5

In de brief Modernisering Milieubeleid geef ik aan in te willen zetten op het bundelen van mensen, ideeën en innovaties in coalities die werken aan een slimme, gezonde, leefbare, veilige en duurzame vormgeving van de stad. Momenteel verken ik de mogelijkheid om te komen tot coalities. Ik ga hierover in gesprek met een aantal steden. Wat mij betreft zijn de coalities niet bedoeld als een nieuwe overlegstructuur, maar veel meer als een netwerk en katalysator om initiatieven die bijdragen aan een slimme en gezonde stad te faciliteren en te stimuleren, kennis te verspreiden en daar waar nodig tot concrete acties te komen. De onderwerpen bepalen we samen maar ik ga er vanuit dat luchtkwaliteit daarbij zal horen omdat dit bijdraagt aan een slimme en gezonde stad. Overigens heb ik vorig jaar met een aantal steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem en Eindhoven) al een actieplan opgesteld om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Daar kunnen we mogelijk op voortbouwen. Wellicht kunnen we ook gebiedsgerichte maatregelen op het gebied van geluidhinder, externe veiligheid, grondstofhergebruik en klimaatbestendigheid bij deze aanpak gaan betrekken. Financiële ondersteuning is niet de primaire focus.

Vraag 5.6

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn van mening dat er in de agenda veel nadruk gelegd wordt op de winst die lokaal kan worden geboekt in de steden. De leden van deze fractie vragen welke handvatten steden hiervoor geboden zullen worden, naast faciliteren en stimuleren. Gemeenten zouden volgens deze leden bijvoorbeeld via benchmarkingsinstrumenten en financiële prikkels gesteund kunnen worden.

Antwoord 5.6

Binnen de coalities voor slimme en gezonde steden kan kennis uitgewisseld gaan worden over verschillende oplossingen voor stedelijke problematiek of interessante stedelijke kansen op het gebied van milieu en duurzaamheid. Waar het gaat om specifieke handvatten moet worden bezien of het bestaande beleid deze al biedt. Zo niet, dan kan binnen de coalitie bekeken gaan worden wat er nodig en mogelijk is om problemen op te lossen en kansen te verzilveren. Via een link met de activiteiten in het kader van de lokale klimaatagenda kunnen ook meer landelijke gemeenten gaan profiteren van de inzichten en de kennis die wordt opgedaan.

Duurzame bereikbaarheid en MIRT

Vraag 5.7

Met betrekking tot duurzame bereikbaarheid en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) hebben de leden van de VVD-fractie de vraag of de Staatssecretaris een beleid nastreeft waarin in eerste instantie naar beter benutten wordt gekeken en pas daarna naar de aanpak van knelpunten op wegen door het verbreden van bestaande of aanleg van nieuwe wegen.

De leden van deze fractie vragen of alleen gekeken is naar de MIRT-brief of dat ook de Handelingen van de Kamer zijn meegenomen bij het schrijven van deze passage in de voorliggende brief van de Staatssecretaris. Voorts vragen de leden van deze fractie wat aanvullende milieu- en duurzaamheidsopgaven kunnen betekenen voor het MIRT? Hoe verhoudt zich dit met de Omgevingswet, de m.e.r. (milieueffectrapportage) en de Tracéwet? Deze leden vragen wanneer de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

Ook vragen deze leden of beter benutten ook geldt voor niet-wegenprojecten zoals spoor en water.

Antwoord 5.7

In eerste instantie uitgaan van beter benutten is inderdaad wat de Minister van Infrastructuur en Milieu en ik beiden nastreven. Wij hebben dit ook aangegeven in de brief over de uitkomsten van de bestuurlijke overleggen MIRT in het najaar van 2013 (Kamerstuk 33 750 A, nr.25). Bij nieuwe bereikbaarheidsopgaven wordt eerst gekeken welke innovatieve maatregelen effectief en met voldoende economisch rendement kunnen worden geformuleerd. Investeren blijft mogelijk als andere maatregelen onvoldoende effectief zijn èn er zicht is op financiering.

Een van de pijlers van de vernieuwing van het MIRT, waarover de Minister en ik u hebben geïnformeerd bij brief van 18 november 2013 (Kamerstuk 33 750 A, nr.25), is het met een brede blik benaderen van opgaven en oplossingen. Zo kan actief naar synergiekansen worden gezocht, ook voor milieu- en duurzaamheids-opgaven. Er wordt nu ervaring met deze werkwijze opgedaan in verschillende MIRT-projecten. Dit gebeurt onder andere in de MIRT-onderzoeken naar bereikbaarheidsproblemen die in de loop van 2014 worden gestart. Het programma Be-

ter Benutten is gericht op knelpunten op de weg. Bij het zoeken naar oplossingen voor deze knelpunten wordt ook naar spoor en water gekeken. De werkwijze van Beter Benutten, waarbij in eerste instantie gekeken wordt of knelpunten opgelost kunnen worden via de inzet van gedragsmaatregelen, zal de komende jaren in toenemende mate ook toegepast worden voor knelpunten op het spoor en op vaarwegen. Een voorbeeld waar dit nu al gebeurt, is de aanpak van de capaciteitsproblemen in de spits die op verschillende plaatsen in het land op het regionale spoor optreden. Uit de eerste verkenning blijkt dat er mogelijkheden zijn om een deel van de spitsreizigers te bewegen om op een ander tijdstip te reizen.

Ik wees u in deze beantwoording al op de betekenis van de nieuwe Omgevingswet voor het milieubeleid. De regels die nu in de Wet milieubeheer en de Tracéwet voor verkeer en vervoer staan wat betreft milieueffectrapportages zullen worden opgenomen in het wetsvoorstel voor de nieuwe Omgevingswet.

Vraag 5.8

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat onderzocht wordt of milieu en duurzaamheid ook een plek kunnen krijgen in het MIRT. De leden van deze fractie zien uit naar de resultaten van dit onderzoek. Deze leden vragen daarbij ook naar de ruimtelijke inpassing te kijken van grote infrastructurele projecten. Is het kabinet voornemens om terug te komen op het uitgangspunt van de afgelopen jaren dat er geen ruimte is voor bovenwettelijke inpassingsmaatregelen?

Antwoord 5.8

In brede MIRT-onderzoeken rond bereikbaarheidsopgaven (weg, OV/spoor, binnenvaart), zoals de hiervoor genoemde MIRT-projecten, kijken de Minister van Infrastructuur en Milieu en ik breed naar synergiekansen. Het zoeken naar kansen betreft onder meer opgaven op het gebied van milieu en duurzaamheid, waarbij het ook kan gaan om opgaven van andere overheden en/of bedrijven. Dit betekent niet dat ik terugkom op het eerdere uitgangspunt van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk betaalt enkel die inpassingskosten die rechtstreeks voortvloeien uit wettelijke eisen. Indien cofinanciering van projecten aan de orde is, dan worden de inpassingskosten die voortvloeien uit wettelijke eisen naar rato verdeeld.

Vraag 5.9

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat in de nieuwe brede MIRT-onderzoeken ook wordt gekeken naar creatieve en slimme oplossingen om te komen tot duurzame vormen van mobiliteit. De leden van deze fractie geven in dit verband in overweging om de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit Ruimtelijke Ordening, verder te differentiëren. De ladder bestaat nu uit slechts drie treden. De derde trede gaat er vanuit dat indien herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen dat betrokken overheden beoordelen of «de ontwikkeling zo kan worden gerealiseerd dat deze passend multimodaal ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld.» Het is volgens deze leden nogal een verschil of hierbij wordt aangesloten bij bestaande infrastructuur of dat er nieuwe infrastructuur moet worden ontwikkeld. Ook maakt de ladder nog geen onderscheid tussen duurzame en minder duurzame vormen van mobiliteit zoals in de nu voorliggende agenda Modernisering Milieubeleid wel wordt gedaan. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarom of de Staatssecretaris bereid is deze intenties om te zetten in een concrete versterking van de Ladder voor duurzame verstedelijking door uitbreiding van het aantal treden.

Antwoord 5.9

Ik zie geen direct verband tussen de nieuwe brede MIRT onderzoeken en de ladder voor duurzame verstedelijking. De nieuwe brede MIRT onderzoeken richten zich op bereikbaarheidsopgaven en meekoppelkansen voor andere opgaven, waar onder milieu en duurzaamheid. Daarbinnen wordt gezocht naar creatieve en slimme oplossingen om te komen tot duurzame vormen van mobiliteit. Er is dus geen direct verband met de ladder voor duurzame verstedelijking. Die ladder is immers gericht op zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke opgaven en de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking (binnen of buiten het bestaande bebouwde gebied).

6. Duurzame ruimtelijke inrichting en bebouwing

Vraag 6.1

De leden van de SP-fractie zijn blij met de benadering van een integrale aanpak bij nieuwe vormen van gebiedsontwikkeling, die ook aan zal sluiten bij de ambities op het gebied van gezondheid, veiligheid, groene groei, circulaire economie, duurzame mobiliteit en klimaat. De leden van deze fractie missen echter een evaluatie van de werking van de Ladder van duurzame overheidsontwikkeling (voorheen genaamd SER-ladder). Deze leden horen graag de visie van de Staatssecretaris op de overprogrammering bij de uitbreiding van bedrijventerreinen, winkelcentra, kantorenlocaties en woningbouw. Voor een deel zal er volgens deze leden zeker geen ruimte meer zijn voor de ontwikkelbehoefte van gemeenten. Naar de mening van deze leden zullen er daarom kaders en regels gesteld moeten worden voor uitbreiding van bedrijven en woningen. Provincies geven volgens deze leden aan behoefte te hebben aan regie vanuit het Rijk. De indruk van de leden van deze fractie is dat het kunnen ingrijpen door middel van een inpassingsplan en/of proactieve aanwijzing door provincies als onvoldoende middelen wordt ervaren.

Antwoord 6.1

In mijn visie is het wenselijk bij de programmering van bedrijventerreinen, kantoren, winkels en ander vastgoed zo goed mogelijk rekening te houden met de mogelijke consequenties voor gezondheid, milieu en duurzaamheid. Het is sowieso belangrijk om deze thema’s integraal onderdeel te maken van ruimtelijke afwegingen. De Minister van Infrastructuur en Milieu die verantwoordelijk is voor het nationaal ruimtelijk beleid zet zich daarvoor in. De genoemde ladder uit de SVIR is daarbij een instrument.

Vraag 6.2

De leden van de SP-fractie missen in de «Aanpak Modernisering Milieubeleid» een doorlichting van fiscale maatregelen. Naast fiscaliteit zoals de groene stimuleringsmaatregelen zijn er naar de mening van de leden van deze fractie ook fiscale maatregelen die duurzame (gebieds)ontwikkeling in de weg kunnen staan, zoals bijvoorbeeld de fiscale aftrek van leegstand van kantoren. Deze leden vernemen graag of, en zo ja op welke wijze, ook fiscale maatregelen doorgelicht worden, om zo te komen tot een modernisering van milieumaatregelen.

Antwoord 6.2

Fiscaliteit is de directe verantwoordelijkheid van mijn collega van Financiën. Op fiscale onderwerpen waarbij er wel een verantwoordelijkheid vanuit milieu ligt, zoals bij de Autobrief (uit juni 2011) of de herinvoering van de stortbelasting, werk ik nauw samen met mijn collega van Financiën om deze vergroenend te laten werken. Voorts merk ik op dat Nederland koploper is op het gebied van vergroening van belastingen. Een verdere verschuiving van de lastendruk is effectiever als dit internationaal afgestemd gebeurt. Ik heb in dit verband een onderzoek uitgezet naar best practices in andere landen om daarmee een internationale dialoog te stimuleren. De resultaten van dit onderzoek worden aan het begin van de zomer verwacht.

7. Gezonde en veilige leefomgeving

Vraag 7.1

De leden van de PvdA-fractie zien de aandacht voor het milieu niet alleen in het belang voor de gezondheid van de mensen, maar ook voor natuur en biodiversiteit. De leden van deze fractie vragen daarom of nog wel aandacht besteed wordt aan die milieuproblemen die géén of geen directe volksgezondheidseffecten hebben, maar voor natuur en milieu van groot belang zijn, zoals verzuring (ammoniak), plastic zakjes, plastic soep, zwerfafval, statiegeld, waterkwaliteit / Kaderrichtlijn Water, etc.

Antwoord 7.1

Het milieubeleid heeft ook tot doel om de gewenste milieucondities voor natuur en biodiversiteit te creëren. Het klimaatbeleid, het bodem-, water- en luchtbeleid, het stoffenbeleid, het beleid gericht het beheersen van nieuwe risico’s en ook het afvalbeleid zijn mede gericht op het realiseren van de gewenste ecologische condities voor natuur en biodiversiteit. De door de leden van de PvdA genoemde onderwerpen hebben dan ook allemaal onze beleidsaandacht. Zo treedt Nederland in internationaal verband agendazettend op als het gaat om het uitfaseren van gebruik van microplastics in cosmetica omdat deze bijdragen aan het probleem van plastic soep in onze zeeën. De Kaderrichtlijn Water richt zich expliciet op het realiseren van een goede ecologische en chemische toestand van het water en het ammoniakbeleid is in hoge mate gericht op het creëren van de gewenste natuurcondities.

Vraag 7.2

De leden van de PvdA-fractie vinden het goed dat de Staatssecretaris onderzoekt of er op het gebied van gezondheid en milieu, en dan met name gerelateerd aan de intensieve veehouderij, nog lacunes bestaan. De leden van deze fractie zijn het helemaal eens met de constatering dat ook wanneer de formele normen gehaald zijn, de kwaliteit van onder meer lucht, bodem en water nog altijd negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mensen en dat normstelling een belangrijk instrument blijft om de basiskwaliteit te waarborgen wat betreft gezondheid en veiligheid in de fysieke leefomgeving. Deze leden zijn echter benieuwd wanneer de Staatssecretaris zoals toegezegd de door de Gezondheidsraad aanbevolen norm voor endotoxinen (celwandresten van bacteriën) zal uitwerken en vast zal leggen in regelgeving, zodat deze ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen kan worden toegepast bij het verlenen van de omgevingsvergunning milieu.

Antwoord 7.2

Op 8 april 2014 schreven de Staatssecretaris van Economische Zaken en ik u samen een brief over veehouderij en volksgezondheid (Kamerstuk 28 973 nr. 137). In het kort gaven wij u daarin ten aanzien van endotoxinen (celwandresten van bacteriën) aan dat wij de door de Gezondheidsraad aanbevolen norm voor endotoxinen thans uitwerken, zodat deze ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen kan worden toegepast bij het verlenen van de omgevingsvergunning milieu. In deze brief hebben wij tevens gemeld dat borging in regelgeving na de uitwerking en na maatschappelijke afweging zal plaatsvinden. Binnenkort ontvangt u het rapport van het eerste deel van uitwerking van de endotoxinennorm. Ik verwacht dat de gehele uitwerking van de norm op 1 januari 2016 gereed kan zijn.

Vraag 7.3

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd naar het standpunt van de Staatssecretaris over het feit dat een aanzienlijk deel van de veehouderijen niet verplicht is een omgevingsvergunning aan te vragen en decentrale overheden daardoor niet voldoende de mogelijkheid hebben om gezondheidscriteria te toetsen in de vergunningverlening.

Antwoord 7.3

Dit aspect zal ik betrekken bij de eerder toegezegde evaluatie van agrarische voorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarover uw Kamer eind 2015 zal worden geïnformeerd.

In het licht van de mogelijkheden voor decentrale overheden om gezondheidscriteria te toetsen, kan ik het experiment Transitie naar zorgvuldige veehouderij Noord-Brabant (in het kader van de Crisis- en herstelwet) noemen, waarover de Ministerraad binnenkort besluit (zie ook het antwoord op vraag 7.7). Dit experiment betreft een verbrede reikwijdte voor de Brabantse verordening Ruimte, zij het dat die niet mag leiden tot een normstellend optreden voor de onderliggende aspecten (bv dierenaantallen, hiervoor wordt de wet Dieren momenteel aangepast). Tevens wordt het mogelijk gemaakt om maatwerkvoorschriften op te stellen voor geur en fijn stof vanwege de leefomgevingskwaliteit en volksgezondheid, voor bestaande bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. Bovengenoemde aspecten zijn van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen urgentiegebieden, waarvoor een verbeterplan is vastgesteld.

Vraag 7.4

De leden van de SP-fractie constateren dat in de brief «Aanpak Modernisering Milieubeleid» wordt gesteld dat «aandacht en acties nodig blijven om de kwaliteit van de leefomgeving – en daarmee de volksgezondheid – verder te verbeteren.» De leden van deze fractie begrijpen in dit kader niets van de vele experimenten die binnen de Crisis- en herstelwet worden toegestaan, waar met name ruimte geboden wordt om bij bouwopgaven voor de duur van tien tot vijftien jaar niet te hoeven voldoen aan milieueisen.

Antwoord 7.4

Ook bij de experimenten die in het kader van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet worden aangewezen is het uitgangspunt dat deze bijdragen aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit laat onverlet dat bij een aantal experimenten de mogelijkheid wordt geboden om tijdelijk (maximaal tien jaar) van milieunormen af te wijken. Het betreft dan vaak geluidnormen. Bij het opstellen van de plannen zijn in deze gevallen vaak de maatregelen nog niet getroffen om aan de normen te voldoen. De maatregelen zijn wel voorzien en moeten ook worden opgenomen in de bestemmingsplannen. Er kan door deze maatregel bijvoorbeeld gestart worden met de bouw van woningen, tegelijk met de voorbereidingen voor het uitplaatsen van een belastend bedrijf. Tot nu toe is in geen enkel experiment daadwerkelijk afgeweken van de normen op het moment dat er woningen worden bewoond.

Luchtkwaliteit

Vraag 7.5

De leden van de VVD-fractie lezen dat de luchtkwaliteit met sprongen vooruit is gegaan, maar dat er desondanks nog steeds knelpunten zijn. De leden van deze fractie vragen of de Staatssecretaris kan aangeven hoe schoon de lucht volgens haar moet zijn en tegen welke maatschappelijke kosten, zeker met het oog op achtergrondconcentraties die niet uit te sluiten zijn.

Antwoord 7.5

Er zijn in de afgelopen jaren veel maatregelen genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren, en dat heeft in het algemeen geleid tot een grote vooruitgang. We halen nu bijna overal de normen die Europa op dit moment heeft gesteld. Wel is nog steeds een extra inspanning nodig om alle knelpunten weg te nemen, met name in enkele grote steden en in veehouderijgebieden. Als we voldoen aan alle Europese grenswaarden is de lucht echter nog niet dusdanig schoon dat gezondheidsrisico’s verdwenen zijn. De advieswaarden van de World Health Organisation (WHO) voor fijn stof en ozon liggen dan ook ruim onder de Europese grenswaarden. Daarom blijf ik streven naar verdere verbetering van de luchtkwaliteit. Veel bewoners maken zich zorgen ook wanneer de formele EU-normen worden gehaald (zie ook het antwoord op vraag 2.5).

Tot nu toe werd het luchtkwaliteitsbeleid sterk bepaald door de datum waarop Europese normen moeten zijn gehaald. Daardoor was het beleid vooral gericht op de korte termijn. Voor de verdere verbetering van de luchtkwaliteit zal worden uitgegaan van beleidsdoelen die ook kijken naar de langere termijn, en die ambitieus, maar ook haalbaar en betaalbaar zijn. Die doelen worden niet verplicht opgelegd, maar samen met maatschappelijke partijen (coalities) geformuleerd. Er zal zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij andere initiatieven die ook effect hebben op de luchtkwaliteit. Een voorbeeld daarvan is het bevorderen van elektrisch verkeer en schoner openbaar vervoer. De doelen kunnen op verschillende manieren worden vormgegeven, bijvoorbeeld in een «green deal». Daarnaast zullen de komende jaren de effecten van de maatregelen die onder het NSL in gang zijn gezet, doorzetten en leiden tot een verdere verbetering. Voor het verbeteren van de achtergrondconcentraties zijn Europese maatregelen belangrijk. In dat verband noem ik de Euronormen voor voertuigen, en de lopende herziening NEC-richtlijn.

Vraag 7.6

De leden van de VVD-fractie lezen dat aanscherping van de normen voor luchtkwaliteit in EU-verband nog lang op zich zal laten wachten en dat er daarom naar andere wegen voor een schonere lucht moet worden gezocht. De leden van deze fractie lezen tevens dat onderzoek aantoont dat het verkeer een relatief grote bijdrage levert aan de negatieve effecten op gezondheid en dat de in de EU gehanteerde normen op zich een goed uitgangspunt zijn om het aantal schadelijke deeltjes in de lucht terug te dringen. Deze leden vragen of de Staatssecretaris een aanpak wil realiseren met doelstellingen die verder gaan dan de Europese norm voor wat betreft roetemissies.

Antwoord 7.6

Er is geen Europese norm die specifiek betrekking heeft op roet. Wel zijn er normen voor fijn stof (PM10, PM2,5) die ook bijdragen aan de vermindering van roetdeeltjes. Over mijn aanpak op het gebied van roet heb ik u een brief gestuurd d.d. 14 januari 2014 (Kamerstuk 30 175, nr. 193).

Vanuit gezondheidsperspectief vind ik het belangrijk dat blootstelling aan roetdeeltjes wordt verminderd. Een belangrijk aandeel in roetdeeltjes is afkomstig van wegverkeer. Hierbij is bronbeleid zeer belangrijk. Door voortdurende aanscherping van eisen aan uitlaatemissies (Euronormen) en de daarbij ondersteunende stimuleringsprogramma’s van de Rijksoverheid voor roetfilters, is de uitstoot van roetdeeltjes door wegverkeer al aanzienlijk gedaald. Alle nieuwe dieselpersonen- en bestelauto’s en vrachtwagens worden met een roetfilter uitgerust.

Door te zorgen voor toegankelijke informatie over roet kunnen overheden bepalen waar ze maatregelen willen nemen om de blootstelling aan uitstoot van roetdeeltjes te verminderen. Het is ook belangrijk om hier rekening mee te houden bij de ruimtelijke inrichting van gebieden. Ik zorg ervoor dat overheden over het instrumentarium beschikken om concentraties van roet te kunnen berekenen. Zoals ik heb toegezegd in het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu op 15 januari jl., ontvangt u voor de zomer een brief van mij over het advies van het RIVM met betrekking tot het meten van roet in het kader van het Landelijk meetnet Luchtkwaliteit. De metingen vormen mede de basis om via berekeningen roetconcentraties in Nederland vast te kunnen stellen.

Vraag 7.7

De leden van de VVD-fractie vragen, met betrekking tot de veehouderij, wat de Staatssecretaris beoogt met de aanvulling van de traditionele benadering via regelgeving en vergunningprocedures met gebiedsgerichte aanpak, waarbij gemeenten in samenspraak met veehouderijbedrijven bekijken wat in het betreffende gebied de beste manier is om de luchtkwaliteitsproblemen zo snel mogelijk op te lossen. De leden van deze fractie vragen voorts of het de bedoeling van deze insteek is om ruimte te bieden voor ontwikkeling of dat dit enkel gericht is op de luchtkwaliteit. En hoe verhoudt deze aanpak zich tot de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)?

Antwoord 7.7

De overschrijdingen concentreren zich in gebieden met veel intensieve veehouderij waar de achtergrondconcentraties relatief hoog zijn. Om de bestaande overschrijdingen weg te nemen en om nieuwe overschrijdingen te voorkomen, is het gewenst dat de emissies van veehouderijen in een groter gebied afnemen. De gebiedsgerichte aanpak stimuleert het treffen van emissiereducerende maatregelen bij zoveel mogelijk bedrijven in gebieden met hoge achtergrondconcentraties. De maatregelen die nodig zijn om de luchtkwaliteitsproblemen op te lossen, kunnen deels worden afgedwongen via wet- en regelgeving, maar veehouders in deze gebieden zullen ook bereid moeten zijn om vrijwillig mee te werken. In Nederweert en Asten is gekozen voor een dergelijke gebiedsgerichte aanpak.

Een hoge achtergrondconcentratie kan een belemmering vormen voor economische ontwikkelingen. Bij toetsing van een plan (zoals de uitbreiding van een veehouderij) aan de normen voor luchtkwaliteit wordt de concentratiebijdrage van het plan opgeteld bij de achtergrondconcentratie, en wordt vervolgens beoordeeld of de totale concentratie binnen de norm blijft. Indien de achtergrondconcentratie hoog is, zal een plan eerder leiden tot een normoverschrijding en dat kan een belemmering zijn voor de realisatie van het plan. Met het verlagen van de achtergrondconcentratie zal een nieuwe ontwikkeling minder snel leiden tot overschrijdingen. Een gebiedsgerichte aanpak gericht op het verlagen van de achtergrondconcentratie draagt daarmee bij aan het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen.

Het doel van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is een duurzame economische ontwikkeling samen te laten gaan met het realiseren van de Natura 2000-doelen. Dit vraagt onder meer om een verdere afname van de stikstofdepositie in overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie wordt mede veroorzaakt door de emissie van ammoniak door veehouderijen. De aanpak van fijn stof kan worden gekoppeld met de aanpak van de ammoniakemissies. Maatregelen die emissies fijn stof verminderen kunnen bijvoorbeeld ook leiden tot een reductie van de emissies ammoniak en een afname van de geurbelasting. De gemeente Nederweert heeft gekozen voor een dergelijke integrale aanpak. Voorts is door het provinciaal bestuur van Noord-Brabant een experiment met een transitie naar een «zorgvuldige veehouderij» aangemeld voor de negende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet (CHW). Met dit experiment wil het Noord-Brabantse provinciebestuur ruimte bieden voor ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij en tegelijkertijd overbelaste gebieden saneren. Het experiment kan zowel bijdragen aan nieuwe economische ontwikkelingen en werkgelegenheid in Noord-Brabant als aan een goed woon- en vestigingsklimaat voor (andere) bedrijven en burgers. Voor een uitgebreide toelichting op dit experiment wordt kortheidshalve verwezen naar de nota van toelichting bij de concept-AMvB voor deze negende tranche die parallel aan deze antwoordbrief wordt voorhangen bij uw Kamer. (Zie ook het antwoord op vraag 7.9)

Vraag 7.8

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer in de steden op alle locaties de doelstellingen met betrekking tot luchtkwaliteit worden gehaald als er geen aanvullende maatregelen worden genomen.

Antwoord 7.8

Het halen van de formele normen en doelstellingen hangt sterk af van de ontwikkelingen in de achtergrondconcentraties. De effecten van Europese bronbeleid zijn hiervoor belangrijk. Dat betreft de lopende herziening van de NEC-richtlijn en de goede handhaving van de Euro-normen voor voertuigen. Indicatieve scenarioberekeningen van het RIVM geven aan dat – afhankelijk van de ontwikkelingen – de laatste knelpunten in de grote steden met grenswaarde overschrijding voor NO2 waarschijnlijk in de periode 2015–2020 zullen worden opgelost. Uit de monitoring van 2013 blijkt dat er geen PM10-knelpunten in de steden resteren. Zoals ik in de brief Modernisering Milieubeleid reeds aangaf, zijn met het behalen van de formele normen en doelstellingen echter nog niet alle gezondheidrisico’s verdwenen. Verdere verbetering van de luchtkwaliteit blijft dan ook wenselijk (zie ook de antwoorden op de vragen 2.2 en 2.5).

Vraag 7.9

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de Staatssecretaris nader in te gaan op de aanpak van hardnekkige knelpunten met betrekking tot luchtkwaliteit in specifieke zwaarbelaste gebieden met intensieve veehouderij.

Antwoord 7.9

De hardnekkige overschrijdingen concentreren zich in gebieden met veel intensieve veehouderij waar de achtergrondconcentraties relatief hoog zijn. Om deze knelpunten weg te nemen is het gewenst dat de emissies van veehouderijen in een groter gebied afnemen. Zoals eerder aangegeven in dit schriftelijke overleg hebben gemeenten als Nederweert en Asten hiertoe gekozen voor een gebiedsgerichte aanpak. Deze aanpak stimuleert het treffen van emissiereducerende maatregelen. De benodigde maatregelen kunnen deels worden afgedwongen via wet- en regelgeving, maar veehouders in het gebied zullen ook bereid moeten zijn om vrijwillig mee te werken. Het rijk ondersteunt gemeenten met instrumenten die maatregelen bij veehouderijen stimuleren en verplichten:

  • 1. Subsidieregeling fijnstofmaatregelen in stallen (meer keren opengesteld, waarvan de laatste keer in april 2014).

  • 2. Individuele pluimveehouderijen zullen worden verplicht tot het treffen van maatregelen in stallen die de emissie van fijn stof reduceren. Daartoe wordt een wijziging voorbereid van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (uitbreiding met emissie-eisen voor fijn stof uit stallen). Het streven is deze wijziging per 1 januari 2015 in werking te laten treden.

  • 3. Wijziging van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). In de gewijzigde regeling zijn gebieden aangewezen met hoge achtergrondconcentraties fijn stof. In deze gebieden kunnen veehouderijbedrijven zich niet langer beroepen op de NIBM-grondslag als ze willen uitbreiden. Zo wordt voorkomen dat de achtergrondconcentraties in die gebieden toenemen.

(Zie ook het antwoord op vraag 7.7)

Vraag 7.10

De leden van de PvdA-fractie zijn verder benieuwd hoe de Staatssecretaris de traditionele benadering via regelgeving en vergunningprocedures zal aanvullen met een gebiedsgerichte aanpak waarbij gemeenten in samenspraak met veehouderijbedrijven bekijken wat in het betreffende gebied de beste manier is om de luchtkwaliteitsproblemen zo snel mogelijk op te lossen. De leden van deze fractie vragen of de decentrale overheden wel een goede onderhandelingspositie hebben om de veehouderij ertoe te bewegen de luchtkwaliteitsproblemen vrijwillig op te lossen. Deze leden zijn benieuwd of er juist geen aanvullende wettelijke instrumenten nodig zijn om veehouderijbedrijven ertoe te bewegen luchtkwaliteitsproblemen zo snel mogelijk op te lossen. Deze leden verzoeken de Staatssecretaris op korte termijn in overleg te gaan met de decentrale overheden als het gaat om de maatwerkoplossingen voor de fijnstofproblematiek die de intensieve veehouderij volgens deze leden veroorzaakt. Deze leden zijn benieuwd wanneer de Staatssecretaris dit zal doen en doen de suggestie voor een landelijke norm voor volksgezondheid bij intensieve veehouderij.

Antwoord 7.10

In mijn antwoord op vraag 7.9 ben ik ingegaan op alle maatregelen die in gang zijn gezet voor veehouderijgebieden, inclusief wettelijke maatregelen. Ik zal bij de decentrale overheden het belang van dat maatwerk benadrukken en hen verzoeken hierover in overleg te treden met de agrarische ondernemers. Ik ben voornemens gemeenten te benaderen via een brief om hen op te roepen te bekijken of een gebiedsgerichte aanpak zinvol is. Eén landelijke norm voor volksgezondheid bij de intensieve veehouderij is niet mogelijk. De effecten van de veehouderij op de volksgezondheid bestaan immers uit verschillende aspecten, zoals fijn stof, geurhinder, endotoxinen en zoönosen, die niet in één norm te vatten zijn. Er zijn reeds normen ten aanzien van fijn stof. De normen voor geurhinder zullen aan de orde komen bij de evaluatie van de agrarische regels in het Activiteitenbesluit in de loop van 2015, zoals ik heb gemeld bij het VSO Evaluatie Activiteitenbesluit op 20 mei jl. Ik werk aan de instrumentering van een norm voor endotoxinen (zie ook het antwoord op vraag 7.2). Over zoönosen bestaan nog zo veel wetenschappelijke onzekerheden, dat normering op dit moment niet mogelijk is. Verder verwijs ik naar de brief van 8 april 2014 over veehouderij en volksgezondheid aan Uw Kamer van de Staatssecretaris van Economische Zaken en mij (Kamerstuk 28 973, nr. 137).

Vraag 7.11

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd wanneer de Staatssecretaris, zoals eerder aangekondigd in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, eisen ten aanzien van de emissie van fijnstof uit pluimveestallen zal opnemen.

Antwoord 7.11

Momenteel wordt een wijziging van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting) voorbereid. Daarbij worden eisen opgenomen ten aanzien van de emissie van fijn stof (PM10) uit pluimveestallen. Het streven is om dit wijzigingsbesluit op 1 januari 2015 in werking te laten treden.

Vraag 7.12

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd te vernemen wat de concrete plannen zijn om de hardnekkige knelgevallen en de overbelaste gebieden rondom intensieve veehouderij als het gaat om luchtkwaliteit, te verbeteren. De leden van deze fractie vragen of het ontwerpbesluit inzake deze problematiek nog aan de Kamer wordt gestuurd.

Antwoord 7.12

Met het opnemen van emissie-eisen voor fijn stof uit pluimveestallen in het Besluit huisvesting wordt beoogd de achtergrondconcentraties te verlagen. Omdat de hoge achtergrondconcentraties in gebieden met veel intensieve veehouderij een belangrijke oorzaak van overschrijding van de grenswaarden voor fijn stof zijn, draagt het besluit daarmee ook bij aan het oplossen van de knelpunten. Het ontwerpbesluit zal tegelijk met de publicatie voor inspraak worden «voorgehangen» bij de Eerste en de Tweede Kamer.

Vraag 7.13

De leden van de SP-fractie zijn het eens met wat in de «Aanpak Modernisering Milieubeleid» geschreven wordt over onderzoek dat uitwijst dat verkeer (met name door uitstoot van roetdeeltjes) een relatief groot effect heeft op de luchtkwaliteit, en daarmee een relatief grote bijdrage levert aan de negatieve effecten op de gezondheid. Daarnaast constateren de leden van deze fractie dat de Staatssecretaris het pleidooi van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om meer aandacht te vestigen op de beoogde effecten van milieubeleid dan aan het voldoen aan de regels, die onder meer zijn afgesproken op Europees niveau. Deze leden zijn voorts benieuwd of deze redenering ook in de toekomst wordt nagevolgd: dat het niet zozeer de vraag is of de normen voor PM10 ter plekke overschreden worden, en dat dit bepalend moet zijn voor de vraag of er bij een snelweg of provinciale weg gebouwd mag worden, maar dat het überhaupt niet verstandig is voor kwetsbare groepen dat de normen worden overschreden. Deze leden vragen of de Staatssecretaris bereid is een bouwverbod op te nemen voor kwetsbare functies, waaronder scholen, kinderdagverblijven en zorginstellingen binnen een straal van 300 meter van een snelweg of 50 meter van een provinciale weg.

Antwoord 7.13

Het doel van het NSL is om te zorgen dat overal in Nederland aan de Europese normen wordt voldaan. Zoals ik ook al eerder heb beschreven, is een verdere verbetering van de luchtkwaliteit, ook wanneer aan de normen is voldaan, wenselijk. Vanuit die ambitie is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de blootstelling aan verontreiniging afneemt, met name op plekken met hoge belasting van de luchtkwaliteit. Deze doen zich vooral voor in de grote steden. Informatie over roetconcentraties kan daarbij een rol spelen.

Mijn voorgangers en ikzelf hebben meer keren met uw Kamer van gedachten gewisseld over een bouwverbod nabij verkeerswegen. Een algemeen bouwverbod grijpt volgens het kabinet teveel in op de lokale autonomie. Lokale overheden moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit Gevoelige Bestemmingen. Daarnaast maken ze een eigen afweging waar gevoelige bestemmingen kunnen worden bebouwd. Zij kennen de lokale situatie en de verschillende belangen het beste. Dit past bij een goede ruimtelijke ordening zoals verwoord in de SVIR. Hierbij kunnen gemeenten gezondheidskundige instanties zoals de GGD betrekken. Amsterdam is een goed voorbeeld van een gemeente met een actief en uitgewerkt beleid op het gebied van gevoelige bestemmingen. De VNG geeft ook aandacht aan dit onderwerp op haar website1. Informatie over roet, die in toenemende mate beschikbaar komt, kan bij deze afweging worden betrokken. Voor de gezondheid acht ik het belang dat dit gebeurt.

Vraag 7.14

De leden van de CDA-fractie constateren dat wat betreft de verbetering van de luchtkwaliteit de motie Holtackers / Van Veldhoven in feite niet is uitgevoerd. Het bieden van een instrumentarium gaat volgens de leden van deze fractie verder dan een verwijzing naar het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Deze leden vragen de Staatssecretaris waarom zij er niet voor kiest meer uniforme handvaten te bieden zodat voornamelijk steden de aanhoudende knelpunten ten aanzien van luchtkwaliteit kunnen aanpakken. Ondanks het NSL zijn er namelijk nog steeds knelpunten die volgens deze leden meer aandacht behoeven. Er wordt in sommige steden nauwelijks voldaan aan de Europese normen, laat staan dat deze normen worden aangescherpt. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe we een stap verder kunnen maken. Zou de Staatssecretaris, bijvoorbeeld vanuit de ervaringen die zijn opgedaan in het NSL, in samenwerking met gemeenten een korte lijst met «best practices» kunnen opstellen? Deze leden vragen daarnaast met welke steden wordt gewerkt aan een set van aanvullende maatregelen en wat deze maatregelen inhouden.

Antwoord 7.14

Uitwisseling van kennis over te nemen maatregelen heeft vanaf de start van het NSL al plaatsgevonden. Er is kennis beschikbaar gesteld aan gemeenten en provincies op grond waarvan maatregelpakketten zijn samengesteld. In de brief over de monitoring van 2013 heb ik u geïnformeerd over het overleg dat ik heb gevoerd met Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Arnhem mede namens Eindhoven en Den Haag, en over de aanvullende maatregelen waartoe besloten is (Kamerstuk 30 175, nr. 192). De tegenvallende monitoringsresultaten hebben ertoe geleid dat jaarlijks overleg is gevoerd tussen de partners over te nemen maatregelen. Daarbij is kennis uitgewisseld en zijn onderzoeksresultaten beschikbaar gesteld. Op congressen en symposia zijn regelmatig presentaties gegeven over verschillende maatregelen. Daarmee is naar mijn mening ruimschoots uitvoering gegeven aan de motie Holtackers / Van Veldhoven.

De maatregelpakketten waar de grote steden afgelopen jaar besluiten over hebben genomen, kunt u vinden op de websites van de betreffende gemeenten. Belangrijk is dat maatwerk plaatsvindt op stedelijk niveau. De situatie is verschillend in de steden, en er moet ook politiek draagvlak worden verkregen. De ene stad kiest voor een milieuzone, de andere stad voor een verkeerscirculatieplan. Uiteraard blijf ik in contact met steden over de aanpak van de resterende knelpunten.

Geluid

Vraag 7.15

De leden van de VVD-fractie lezen op het gebied van geluid dat de inzet van de innovatieve maatregelen effect heeft. De leden van deze fractie vragen of de Staatssecretaris kan aangeven wie die maatregelen heeft geïnitieerd en geregeld. Is dat de overheid, Europa of de markt? Deze leden lezen voorts dat er met name rondom de steden nog geluidsproblemen bestaan. Deze leden vragen de Staatssecretaris of zij dit inzichtelijk kan maken. Wat is de doelstelling van de acties die de Staatssecretaris nu gaat ondernemen als het gaat om het terugdringen van de geluidsbelasting? Is de focus alleen gericht op de auto of breder? Indien alleen gericht op de auto, dan horen deze leden graag welke opties voorliggen en wat daarvan de financiële consequenties zijn. Hoe verhoudt deze inzet zich tot de programma’s Swung (Samen Werken in de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid) 1 en 2?

Antwoord 7.15

De introductie van innovatieve maatregelen kan niet op het conto van één partij geschreven worden. Het gaat om een samenspel. Aan de ene kant moeten ontwikkelingen in de techniek en bij bedrijven nieuwe producten opleveren, maar aan de andere kant moet daar een markt voor bestaan. Anders vindt ontwikkeling niet plaats. Markt ontstaat door het stellen van (strengere) eisen en door het verstrekken van opdrachten waarin de nieuwe producten een kans krijgen. Zo zijn stillere wegdekken in het innovatieprogramma geluid verder ontwikkeld tot toepasbare producten. Vervolgens is de toepassing van die wegdekken door wegbeheerders als Rijkswaterstaat, maar ook door een stimuleringsregeling voor gemeenten, pas echt op gang gekomen. Europa is van groot belang voor het stellen van product- en voertuigeisen en het creëren van grotere toepassingsmarkt. Voorbeelden op terrein van wegverkeer zijn de Europese bandenrichtlijn en de voertuigeisen aan auto’s. Helaas is de voortgang op dat laatste terrein, ondanks de aanwezige technische mogelijkheden, teleurstellend. Effectieve lobby van de industrie heeft tot gevolg gehad dat de nieuwe Europese eisen op dit dossier zeer weinig effect zullen sorteren, met alle gevolgen van dien waar het gaat om gezondheidsschade en kosten voor nationale geluidmaatregelen.

Wegverkeerslawaai vormt de grootste bron van geluidsproblemen. De combinatie van woonfunctie met veel verkeer leidt ertoe dat juist in steden en stedelijke gebieden de grootste problemen bestaan waar het gaat om geluidhinder. De problemen concentreren zich in maar ook rond grote(re) steden in de Randstad en Noord-Brabant.

Door het land verspreid komen ook kleinere concentraties voor. De luchtvaart rond Schiphol draagt relatief veel bij aan de hinder in die regio. Door het veelal hoge achtergrondniveau zijn relatief stille gebieden schaars. Het beleid is dan ook om zowel in te zetten op generieke maatregelen die het algemene niveau drukken, als een gerichte aanpak op de knelpuntlocaties waar de niveaus zo hoog zijn dat ook een optimistische inschatting van de generieke aanpak (bandenlawaai, stillere (goederen)treinen) niet voldoende zal zijn om een goede kwaliteit van de leefomgeving te behalen. Het gaat bij dit streven niet alleen om de effecten van auto’s, maar zoveel mogelijk om alle geluidbronnen die van belang zijn voor de leefomgevingskwaliteit. Welke concrete doelstelling haalbaar is en welke middelen daar voor moeten worden ingezet vormen onderwerp van een onderzoek dat door het RIVM dit jaar wordt opgestart.

Swung-1 richt zich op de rijksinfrastructuur en vormt daar het beheersinstrument voor. Onderdeel van Swung-1 is ook de aanpak van hoge geluidsbelastingen (sanering) en het stimuleren van bronbeleid. Dit past in de hiervoor geschetste lijn. Het totale effect op de omvang van de geluidproblematiek in stedelijke gebieden is echter relatief beperkt omdat Swung-1 zich uitsluitend op de rijksinfrastructuur richt. Het nog in ontwikkeling zijnde Swung-2 richt zich juist wel op de stedelijke gebieden en moet de kansen gaan bieden om een daadwerkelijke verbetering in die gebieden te kunnen opleveren. Daarnaast zal de inzet in de EU ten aanzien van bronbeleid er op gericht blijven om meer ambitieuze eisen te stellen aan voertuigen. Dat kan vooral binnen steden een groot effect hebben.

Vraag 7.16

De leden van de SP-fractie constateren dat de «Aanpak Modernisering Milieubeleid» spreekt van ontwikkelingen omtrent de Omgevingswet en Swung waarbij er gezocht zal worden naar tot nu toe onvoldoende gebruikte mogelijkheden inzake geluidsregels. De leden van deze fractie lezen dat er een onderzoek wordt gestart naar mogelijke geluidsmaatregelen en te behalen effecten in brede zin. Deze leden vragen om, vooruitlopend op dit onderzoek, meer over dit onderwerp te vernemen van de Staatssecretaris?

Antwoord 7.16

Reeds vele jaren wordt geluidbeleid gevoerd. Dat heeft ook het nodige resultaat opgeleverd. Door de groei van de mobiliteit, de bevolking en de verdichting in steden heeft dat nog niet geresulteerd in een substantiële afname van de gezondheidslast door geluid. Omdat die afname wel noodzakelijk is, dient gezocht te worden naar wegen die wel tot reductie leiden. Naast de al bestaande goede instrumenten zal gezocht worden naar meer innovatieve en mogelijk ook geheel andere maatregelen. Daarbij wordt er ook vooral naar gestreefd die aanpak meer integraal onderdeel te laten zijn van een brede aanpak van de opgaven in stedelijke gebieden. Zo kan bijvoorbeeld toepassing van elektrotractie en een goede stadsdistributie voor veel meer aspecten dan alleen geluid een verbetering betekenen. In het kader van slimme en gezonde steden wordt dit verder onderzocht. Ook wordt via het programma Stiller op weg gezocht naar ideeën en good practices op lokale schaal.

Externe Veiligheid en (nieuwe) risico’s

Vraag 7.17

De leden van de PvdA-fractie vragen of hun conclusie klopt dat de Staatssecretaris ervoor kiest om de verantwoordelijkheid voor verontreinigingen en externe veiligheidsrisico’s niet alleen bij de overheid te leggen. De leden van deze fractie vinden het goed om de aansprakelijkheid bij producenten te leggen maar vinden dat de burger moet kunnen vertrouwen op de overheid als eindverantwoordelijke.

Antwoord 7.17

Zoals verwoord in de kabinetsreactie van 3 september 2013 op het Rli-advies en het OvV-rapport over Odfjell (Kamerstuk 26 956, nr.175) kies ik er inderdaad voor om de verantwoordelijkheid meer bij bedrijven te leggen. Natuurlijk moet de overheid erop toezien dat het bedrijfsleven zijn verantwoordelijkheid waarmaakt. Om dit te bereiken stelt de overheid regels op en ziet ze toe op de naleving daarvan. Een van de actiepunten die uit genoemde kabinetsreactie voortkwam is mijn verzoek aan de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) om een verkenning te verrichten naar de mogelijkheden om voor milieuschade, veroorzaakt door majeure risicobedrijven, financiële zekerheid te kunnen laten stellen. Ik verwacht u hierover voor de zomer te kunnen berichten.

Vraag 7.18

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd naar het nieuwe afwegingskader voor veiligheids- en risicovraagstukken. Absolute veiligheid bestaat volgens de leden van deze fractie niet en dat vraagt een nuchtere analyse. Maar juist vanwege de enorme impact die volgens deze leden optreedt wanneer een risico zich ondanks de kleine kans toch voordoet wijzen deze leden er wel op dat juist bij ruimtelijke vraagstukken over locaties van gevaarlijke bedrijven het voorzorgprincipe extra belangrijk is. In de agenda wordt een verband gelegd met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze leden vragen of deze ladder niet te vrijblijvend is om geschikt te zijn voor veiligheidsvraagstukken.

Antwoord 7.18

In de toegezegde brief «Bewust omgaan met veiligheid» zal ik nader op de in deze vraag genoemde aspecten ingaan. Ik heb in de brief Modernisering Milieubeleid aangegeven dat ik in de «proeve voor een afwegingskader voor veiligheids- en risicovraagstukken» zo mogelijk een relatie zal leggen met de «Ladder voor duurzame verstedelijking». Het lijkt verstandig om dat te doen en daarmee bij nieuwe verstedelijking expliciet rekening te houden met veiligheidsvraagstukken. Daarmee sluit ik niet uit dat het ook nodig is een aantal ruimtelijke eisen op te stellen met een meer dwingend karakter.

Bodem- en waterkwaliteit

Vraag 7.19

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de Staatssecretaris spreekt over duurzaamheid en over vereenvoudiging van regelgeving. De leden van deze fractie vragen of de Staatssecretaris kan aangeven hoe in het milieubeleid de drinkwatervoorziening als doelstelling duurzaam wordt veiliggesteld, zodat het een bijdrage kan leveren aan de volksgezondheid. Voorts vragen de leden van deze fractie of de Staatssecretaris kan aangeven hoe in de veiligstelling van een duurzame drinkwatervoorziening voor de zorg en de ruimtelijke bescherming van grond- en oppervlaktewater en infrastructuur wordt voorzien. Ook vragen deze leden in hoeverre aandacht wordt besteed aan het voorzorgbeginsel en het beginsel de vervuiler betaalt als uitgangspunt voor het milieubeleid.

Antwoord 7.19

De Minister heeft op 25 april jongstleden de beleidsnota drinkwater «schoon drinkwater voor nu en later» aan de Kamer aangeboden. Hierin wordt uitvoerig uiteengezet hoe de overheid – in samenwerking met de sector – de openbare drinkwatervoorziening (inclusief de bronnen) duurzaam wil veiligstellen. Daarbij wordt in hoofdstuk 4 een preventieladder gehanteerd waarin het voorzorgsbeginsel en het principe «de vervuiler betaalt» centraal staan. In hoofdstuk 4 van de beleidsnota wordt eveneens betekenis gegeven aan het zwaarwegende openbare belang van en de zorgplicht voor de drinkwatervoorziening. Het drinkwaterbelang zal conform dit belang evenwichtig worden meegewogen in rijksstructuurvisies, zoals de structuurvisies voor de ondergrond en schaliegas. Het betreft hier een gezamenlijk afwegingsproces op alle bestuursniveaus die de bestaande bevoegdheidsverdeling onaangetast laat.

Vraag 7.20

In het kader van het terugdringing van normoverschrijdingen ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen zijn de leden van de SP-fractie benieuwd te vernemen welke wettelijke mogelijkheden er zijn om, indien er structurele overschrijdingen zijn van bepaalde bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater (zoals bijvoorbeeld imidacloprid) de vergunning op te schorten, in te trekken of aan te passen. De leden van deze fractie vragen voorts hoe de procedure hiertoe in elkaar steekt? Is hier al eens gebruik van gemaakt en zo nee, waarom niet? En zo ja: wanneer en hoe?

Antwoord 7.20

Een gewasbeschermingsmiddel mag alleen op de markt worden gebracht en gebruikt, indien het is toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). De criteria voor toelating en de te volgen procedures zijn vastgelegd in Europese Verordening 1107/2009, die ook bepaalt in welke situaties een toelatingsbesluit kan worden aangepast. Dat kan bijvoorbeeld indien de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis daartoe aanleiding geven. Een gemotiveerd verzoek kan worden ingediend bij het Ctgb. Naar aanleiding van een dergelijk verzoek heeft het Ctgb op 31 januari 2014 de toelatingsbesluiten van meerdere gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof imidacloprid aangepast. Met name is een aantal toelatingsbesluiten voor de glastuinbouw aangescherpt en zijn in de nieuwe toelating zuiveringstechnieken voorgeschreven. In de brief van 31 mei 2013 (Kamerstuk 32 372, nr. 97) is de relatie tussen de toelatingsnorm en de waterkwaliteitsnorm uitgelegd.

Vraag 7.21

De leden van de SP-fractie missen bij riool- en afvalwaterbeheer aandacht voor de problematiek van geneesmiddelen in drinkwater en milieu. De leden van deze fractie verzoeken dit op te nemen in de «Aanpak Modernisering Milieubeleid.»

Antwoord 7.21

Zie het antwoord op vraag 7.24.

Vraag 7.22

De leden van de SP-fractie constateren dat drinkwater bij de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) niet is opgenomen als nationaal belang. Bij de behandeling van de SVIR is slechts de definitie van zoetwater verduidelijkt als het gaat om drinkwater (en industriewater). Verder vermeldt de tekst van de SVIR: «Daarnaast zal ik in de Rijksstructuurvisie Ondergrond onderzoeken of drinkwaterwinning uit de ondergrond van nationaal belang is en welke consequenties dat heeft voor bovengrondse functies.» In de aangepaste planning van de Structuurvisie Ondergrond wordt opnieuw bezien of «de winning van grondwater voor drinkwater van nationaal belang is, waarmee dat belang op Rijksniveau afgewogen kan worden ten opzichte van andere nationale belangen die in de ondergrond voorkomen.» De leden van de SP-fractie missen een duidelijke afweging inzake het wel of niet tot nationaal belang verklaren van drinkwater en dringen daarom aan op een strategie voor duurzame veiligstelling van voldoende en kwalitatief hoogstaand grondwater. Daarnaast dringen de leden van deze fractie erop aan drinkwater van nationaal belang te verklaren.

Antwoord 7.22

Zie het antwoord op vraag 7.19.

Vraag 7.23

Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw vragen de leden van de CDA-fractie hoe de aanpak van de Staatssecretaris zich verhoudt tot de Europese laagrisicomiddelen die nog in ontwikkeling zijn. De leden van deze fractie vragen voorts hoe de Staatssecretaris voorkomt dat producten worden verboden, die gemaakt zijn op basis van stoffen die Europees uitdrukkelijk aanbevolen en toegestaan gaan worden door middel van de lijst van laagrisicostoffen.

Antwoord 7.23

De zogenoemde «gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico» worden uitgezonderd van het verbod op gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) besluit of een bepaald gewasbeschermingsmiddel als zodanig kan worden aangemerkt. Daarmee is duidelijk op welke gewasbeschermingsmiddelen het verbod betrekking heeft.

Het Ctgb besluit op basis van de criteria uit de Europese verordening, rekening houdend met de Europese lijst waarop de stoffen met een laag risico zijn opgenomen.

Vraag 7.24

De leden van de ChristenUnie-fractie ondersteunen het uitgangspunt om milieuproblemen zoveel mogelijk via bronbeleid aan te pakken omdat dit vaak efficiënter en kosteneffectiever is dan zogenaamde «end of pipe»-oplossingen. De leden van deze fractie missen in het milieubeleid echter aandacht voor medicijnresten in het oppervlaktewater. Ook voor deze problematiek is het volgens deze leden mogelijk om bronmaatregelen met alle ketenpartners af te spreken. Verder kunnen hiervoor volgens deze leden stroomgebiedgewijs afspraken worden gemaakt met buurlanden. Deze leden vragen de Staatssecretaris of zij aan kan geven waarom de problematiek van geneesmiddelen en waterkwaliteit geen onderdeel uitmaakt van de aanpak modernisering milieubeleid. Wat gaat de Staatssecretaris voor de aanpak van deze problematiek doen, zowel op nationaal als op Europees niveau?

Antwoord 7.24

In de brief2 van 25 juni 2013 ben ik mede namens de Minister van VWS en de Staatssecretaris van EZ ingegaan op de problematiek van geneesmiddelen in het milieu. Ik beschreef de aanpak van de problematiek. De eerste pijler in die aanpak is het voeren van een brongerichte aanpak in de eerste schakels van de geneesmiddelenketen. Alhoewel niet met zoveel woorden genoemd, valt deze aanpak van geneesmiddelen wat mij betreft wel degelijk onder het kader Modernisering Milieubeleid. Het belang van samenwerking in stroomgebiedverband is onderdeel van de aanpak beschreven in de brief van 25 juni 2013. Ik ben dan ook verheugd dat in het communiqué3 vastgesteld tijdens de 15de Ministersconferentie van de Internationale Commissie ter Bescherming van de Rijn gehouden op 23 oktober 2013 de samenwerking op stroomgebiedniveau voor de Rijn is vastgelegd. In de brief die de Minister van Infrastructuur en Milieu mede namens mij aan uw Kamer op 2 juni 2014 ten behoeve van het AO Waterkwaliteit van 11 juni heeft gestuurd (Kamerstuk 27 625, nr. 318) staat de uitwerking van de aanpak beschreven. Hierin is zowel aandacht aan het nationale als aan het Europese niveau besteed.

Vraag 7.25

De leden van de ChristenUnie-fractie memoreren dat op 25 juni 2013 de Staatssecretaris een brief heeft gestuurd over de aanpak van geneesmiddelen in drinkwater en milieu4. In deze brief is een overleg aangekondigd met de watersector, waaronder de waterschappen, om te komen tot doelmatige maatregelen gericht op geneesmiddelen in de afvalfase. De leden van deze fractie vragen wanneer dit overleg plaatsvindt en of de Kamer ruim voor het algemeen overleg Waterkwaliteit van 11 juni 2014 een verslag kan ontvangen van het overleg met de watersector, inclusief een voortgangsrapportage van de andere aangekondigde acties in de voorgenoemde brief.

Antwoord 7.25

Er is na het versturen van de brief van 25 juni 2013 doorlopend contact geweest met partijen in de watersector over doelmatige maatregelen. Ook hebben partijen in de watersector onderling hierover overleg gevoerd. Als eerste is daarbij, zoals ook beschreven in de brief, gewerkt aan het vergroten van een gedeeld probleembesef. Met de brief van 2 juni genoemd bij de vorige vraag bent u voor het genoemde AO nader geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak van de problematiek van geneesmiddelen in het milieu.

Vraag 7.26

De leden van de ChristenUnie-fractie memoreren dat op 18 maart 2014 de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een rapport5heeft uitgebracht over de toekomstbestendigheid van het Nederlandse waterbeheer. De OESO doet aanbevelingen over hoe het waterbeheer in Nederland nog verder verbeterd kan worden. De leden van deze fractie vragen op welke manier de Staatssecretaris de conclusies van de OESO betrekt bij de aanpak van het milieubeleid.

Antwoord 7.26

De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft in haar beleidsreactie op het OESO-rapport aangegeven als eerste stap met betrokkenen een discussie te willen voeren over ons waterbeheer op de lange termijn. Deze discussie wil zij dit jaar samen met de partners voorbereiden en dan vaststellen waar de uitdagingen op termijn precies liggen en waar eventueel nog aanvullend onderzoek nodig is. Waterkwaliteit is onderdeel van deze discussie.Op basis van de uitkomst van deze discussie kan worden gesignaleerd waar er noodzaak tot verbetering is en op welke wijze dit kan worden vormgegeven. Pas dan kan worden bepaald of aanpassingen het beste via het milieubeleid kunnen worden vormgegeven of op andere wijze.

8. Vernieuwen instrumenten van milieubeleid

Omgevingsrecht

Vraag 8.1

De leden van de VVD-fractie vragen hoe deze milieubrief zich verhoudt tot de nieuwe Omgevingswet die aanstaande is. De leden van deze fractie vragen voorts of de wet- en regelgeving hiermee slechts toegankelijker gemaakt wordt of ook eenvoudiger, zoals de Omgevingswet ten doel heeft.

Antwoord 8.1

De vernieuwing van instrumenten speelt een belangrijke rol bij de modernisering van het milieubeleid. Ik heb dat al enkele keren aangegeven in deze beantwoording van uw vragen. De stelselherziening van het omgevingsrecht vormt een belangrijk onderdeel van de vernieuwing van het instrumentarium. Deze stelselherziening zorgt voor een zo eenvoudig mogelijk, helder en integraal wettelijk kader dat daarmee ook toegankelijker is en tegelijkertijd de normen helder in ogenschouw houdt.

In de inleiding van deze schriftelijke vragen heb ik kort verwoord dat het wetsvoorstel Omgevingswet belangrijk is voor de modernisering van het milieubeleid. In aanvulling daarop is het goed om te realiseren dat met de stelselherziening de positie van milieu bij nieuwe ontwikkelingen verandert. Het wetsvoorstel Omgevingswet zet in op een samenhangende aanpak en afweging van belangen vanaf de eerste stap van het proces. Voor het Rijk betekent dit het neerleggen van samenhangende ambities voor de leefomgeving in een rijksomgevingsvisie en de vertaling daarvan in beleidsprogramma’s en AMvB’s. Ook gemeenten kunnen straks een omgevingsvisie maken en vertalen deze naar een omgevingsplan. Voor milieubeleid geeft dit de kans om de stap te zetten van hindermacht wanneer de bouwplannen klaar liggen, naar een positief belang dat mede vormgeeft aan die plannen. Het wetsvoorstel biedt meer instrumenten voor het beheer van het milieu. De dynamiek in ons land verschuift steeds meer van de ontwikkeling van nieuwe gebieden naar het aanpassen en verbeteren van bestaande terreinen. Daar hoort een instrumentarium bij dat op deze dynamiek kan inspelen. Het omgevingsplan voor gemeenten geeft bredere mogelijkheden om te sturen op milieukwaliteit. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld een emissieplafond instellen in een gebied, of sturen op bedrijven met maatwerkvoorschriften. Ook het nieuwe vergunningstelsel geeft nadrukkelijker kansen om oude vergunningen aan te passen wanneer dat gewenst is.

Vraag 8.2

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de Omgevingswet gezondheid nu juist niet als standaard te toetsen belang wordt opgenomen. De leden van deze fractie stellen daarom vast dat de Omgevingswet en de modernisering van het milieubeleid daarmee niet erg congruent lijken te zijn. Deze leden vragen graag een reactie op dit punt.

Antwoord 8.2

Belangrijk doel van de omgevingswet is het bereiken en in standhouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De instrumenten van de wet zijn gericht op dit doel. Daarnaast zullen ten behoeve van dit doel normen, zoals die wat betreft bijvoorbeeld lucht, water- en bodemkwaliteit nu al in AmvB’s zijn vastgelegd, in de uitvoeringsregels van de Omgevingswet hun plaats krijgen. Deze normen werken door naar de bestuursorganen door eisen aan programma's, instructies voor het omgevingsplan voor gemeenten of de toetsingskaders voor de verlening van vergunningen. Denk bijvoorbeeld aan de normen op het gebied van uitstoot van stikstof waaraan de milieuvergunning voor een bedrijf wordt getoetst. Daarnaast worden algemene regels gesteld aan burgers en bedrijven die bijvoorbeeld restricties bevatten ten aanzien van lozingen. Samengevat biedt het nieuwe stelsel een samenhangend en adequaat instrumentarium om de ambities op het vlak van gezondheid zoals verwoord de brief Modernisering Milieubeleid te borgen.

Vraag 8.3

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of dit milieubeleid ook het uitgangspunt wordt in de Structuurvisie Ondergrond.

Antwoord 8.3

In de Structuurvisie Ondergrond is één van de uitgangspunten dat bij de beoordeling of gebieden geschikt zijn voor het toestaan van bepaalde functies nadrukkelijk rekening gehouden wordt met de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Hierbij gelden de grenzen van het milieubeleid. Andere uitgangspunten zijn dat zaken van nationaal belang ruimtelijk geborgd moeten zijn en dat efficiënt en duurzaam gebruik gemaakt wordt van bodem en ondergrond (zie ook het antwoord op vraag 2.6).

Normstelling

Vraag 8.4

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de Europese normstelling op zich goed is, maar soms helaas de achterblijvers volgt. Er zijn volgens de leden van deze fractie bijvoorbeeld goede redenen om bepaalde pesticiden uit Nederland te weren, ook al worden ze in bijvoorbeeld Bulgarije nog wel toegestaan. Deze leden stellen voor dat Nederland in dit soort gevallen zelf aanvullende normen mag stellen om omwonenden en het lokale milieu te beschermen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hier tegenaan?

Antwoord 8.4

Een gewasbeschermingsmiddel of biocide mag alleen op de markt worden gebracht en gebruikt, indien het is toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (de ZBO Ctgb). De criteria voor toelating en de te volgen procedures zijn vastgelegd in Europese Verordening 1107/2009, met weinig ruimte voor nationaal beleid. Dat neemt niet weg dat een lidstaat vervolgens beperkingen kan stellen aan dat toegelaten gebruik. Die beperkingen kunnen een verbod inhouden. De mogelijkheden daartoe zijn vastgelegd in Europese Richtlijn 2009/128/EG. De Europese verordening geeft een sluitend beoordelingssysteem, waarop een lidstaat niet mag aanvullen. Op dit moment worden bijvoorbeeld gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland zijn toegelaten door het Ctgb en volgens de Europese Verordening geen onaanvaardbare effecten voor mens en milieu hebben toch in bepaalde teeltvrije zones niet toegestaan omdat anders niet aan de waterkwaliteitsnormen wordt voldaan. Het is dus mogelijk om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te beperken en dat wordt ook al gedaan.

Vraag 8.5

De leden van de PvdA-fractie merken op dat er voor wordt gekozen om de overheid op verschillende plekken, verschillende rollen te laten innemen. De leden van deze fractie zijn het met de aangegeven rollen eens, maar vragen toch een toelichting op het volgende. Het is volgens deze leden logisch dat op plekken waar bijvoorbeeld lokale duurzaamheidsinitiatieven ontstaan de overheid goed een faciliterende en stimulerende rol kan spelen. Deze leden stellen echter wel vast dat bij potentieel gevaarlijke activiteiten een normstellende rol van de overheid gewenst is. Deze leden vragen de Staatssecretaris dit te bevestigen. Het voordeel van een dergelijke norm is volgens deze leden ook dat er een gelijkspeelveld ontstaat en bedrijven worden gedwongen te innoveren. Ziet de Staatssecretaris dit ook op deze manier? Deze leden vragen graag een reactie op dit punt.

Antwoord 8.5

Het is uiteraard zo, zoals de leden van de PvdA-fractie stellen, dat bij situaties die de veiligheid van de mens bedreigen de normstellende rol van de overheid noodzakelijk is. Normstelling werkt, zeker als dit in Europees verband is afgesproken, innovatiebevorderend en legt tevens een gelijk speelveld neer voor bedrijven. Dit laat onverlet dat ook het bedrijfsleven een verantwoordelijkheid heeft om een goede veiligheidssituatie te realiseren.

Vraag 8.6

De leden van de SP-fractie verwijzen naar de vraag of «er op het gebied van gezondheid en milieu, en dan met name gerelateerd aan de intensieve veehouderij, nog lacunes bestaan.» Daarbij verwijzen de leden van deze fractie graag naar het door hen ingediende initiatiefvoorstel «Een gezonde veehouderij»6 inzake agrarische activiteiten en volksgezondheid.

Antwoord 8.6

Ik verwijs u graag naar de brief van 8 april 2014 over veehouderij en volksgezondheid aan Uw Kamer van de Staatssecretaris van Economische Zaken en mij (Kamerstuk 28 973 nr. 137), die een reactie op dit initiatiefvoorstel bevat.

Vraag 8.7

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is de verspreiding van antibioticaresistente bacteriën vanuit de veehouderij te onderzoeken en, waar deze een potentieel risico vormen, tegen te gaan met eenvoudig uit te voeren maatregelen zoals het periodiek reinigen van drinkwatersystemen, het periodiek reinigen van stallen van met name vleeskuikens met behulp van aangezuurde zoutoplossing en het stellen van regels voor het afvoeren van afvaldrab uit luchtwassers.

Antwoord 8.7

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft per brief van 2 juli 2013 (Kamerstuk 32 620, nr. 91) aangegeven samen met mij een onderzoeksagenda op te gaan stellen om dit onderwerp verder te verkennen. Bij mestverwerkingsinstallaties worden doorgaans zuiveringstechnieken toegepast, waarmee lozing van antibiotica en resistente bacteriën op oppervlaktewater wordt verminderd of wordt voorkomen.

Vraag 8.8

De leden van de D66-fractie lezen dat de Staatssecretaris het stelsel van normen gaat evalueren. De leden van deze fractie vragen de staatsecretaris om aan te geven welke «nieuwe accenten» zij wil leggen, welke criteria zij bij de evaluatie voor de normen hanteert en langs welke «lijnen» zij de normen wil leggen. Ook vragen deze leden hoe de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

Antwoord: 8.8

Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het RIVM en heeft betrekking op de normen die bestuursorganen in acht moeten nemen bij het nemen van besluiten. Het RIVM bekijkt of de bestaande normen nog actueel en passend zijn en of er mogelijkheden zijn om meer met gebiedsgerichte normen te werken. Beleidsdoelen veranderen, de kennis over de relatie tussen een norm en een doel veroudert en de manier waarop de overheid stuurt verandert ook. Mocht blijken dat er aanleiding is om normen te actualiseren dan wordt daarbij het uitgangspunt gehanteerd van een gelijkwaardig beschermingsniveau en wordt een correcte en volledige implementatie van Europese richtlijnen gehanteerd. Uw Kamer zal in de verschillende fases van het totstandkoming van de uitvoeringsregelgeving betrokken zijn. Voor het einde van dit jaar zal u in een brief worden geïnformeerd over de beleidskeuzes die gemaakt worden bij het opstellen van de uitvoeringsregelgeving. Hierbij zal ook het rapport van het RIVM worden betrokken.

Modernisering regelgelgeving

Vraag 8.9

De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris of zij voornemens is om aanvullende beprijzingsmaatregelen te nemen. Zo ja, welke maatregelen zijn dit en met welke doelstelling en beoogd effect worden ze genomen?

Antwoord 8.9

Nee, er zijn op dit moment geen voornemens voor aanvullende beprijzingsmaatregelen.

Vraag 8.10

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat één van de doelen vereenvoudiging of zelfs vermindering van regelgeving is. Hier hebben de leden van deze fractie geen principieel bezwaar tegen, maar deze leden pleiten vooral voor bruikbare en inzichtelijke regels. De oplossing ligt volgens deze leden vaak niet in vereenvoudiging, maar in het toegankelijker maken van regels. In dat kader steunen deze leden het opnemen van alle regels in één wet. Op die manier krijgen burgers, ontwikkelaars in een oogopslag te weten waar ze aan toe zijn. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat inzicht ook te verbeteren is door complexe, locatie specifieke regels op digitale wijze en gebiedsspecifiek inzichtelijk te maken, bijvoorbeeld middels een «digitale breinaald»: een kaart waarop per locatie door iedereen inzicht kan worden verkregen in vigerende regels, mogelijkheden en beperkingen. Ziet de staatsecretaris op dit punt mogelijkheden?

Antwoord 8.10

Jazeker. In het kader van de herziening van het omgevingsrecht wordt gewerkt aan digitalisering van het omgevingsplan, de opvolger van het bestemmingsplan. Doel is dat iedere gebruiker op internet per perceel of adres de regels van de gemeente kan vinden. Een ondernemer die een bedrijf wil starten, kan het omgevingsplan aanklikken en meteen zien welke regels er gelden voor bouwen, maar ook de normen zien die gelden voor bijvoorbeeld geluid zoals de gemeente die heeft vastgesteld. Het betreft een geconsolideerde en actuele versie van alle regels. Dat houdt in dat er geen stapeling is van te raadplegen herzieningen, maar dat wijzigingen direct worden verwerkt in het omgevingsplan, zodat die alle geldende regels in één document toont. De realisatie van dit streefbeeld vindt plaats volgens een groeimodel. Hierover worden afspraken gemaakt tussen rijk en uitvoerende overheden.

Vraag 8.11

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat er nog meer mogelijkheden zijn om het gedrag van burgers en bedrijven te beïnvloeden. Te denken valt aan het gebruik van nudging. 7

De leden van deze fractie vragen hoe de Staatssecretaris tegen deze vorm aan aankijkt.

Antwoord 8.11

Rondom het toepassen van gedragswetenschappelijke kennis in beleid speelt een ethische discussie die enigszins vertroebelt. Dit komt omdat veel bezwaren gaan over de rechtvaardiging van overheidsturing in het algemeen (betutteling, keuzevrijheid van mensen, weet de overheid het wel beter). Aangezien de meeste beleidsinstrumenten bewust of onbewust tot gedragsbeïnvloeding leiden, gelden de meeste van deze bezwaren voor ál het overheidsbeleid. De ethische discussie rondom nudging focust zich vooral op het feit dat het hier kan gaan om onzichtbare vormen van sturing en dit de vraag oproept of de overheid niet aan het manipuleren is. Verschillende publicaties (WRR-rapport «De menselijke beslisser» (2009), Rli-advies «Doen en laten, effectiever milieubeleid door mensenkennis» (2014) en het RMO-advies «De Verleiding weerstaan» (2014)) benadrukken allemaal het belang van democratische controle. Daarnaast is transparantie over gevoerd beleid en methoden van groot belang, ook als dat ten koste zou gaan van de effectiviteit. De WRR hanteert als stelregel dat voor iedere oplettende burger de sturingspoging te achterhalen moet zijn. Ik onderschrijf deze lijn. Vanuit IenM worden deze gedragsinzichten op steeds meer dossiers toegepast, onder andere bij Beter Benutten en Duurzaam Doen. IenM streeft ernaar gedragskennis ook beschikbaar te maken voor andere overheden. Zij spelen immers een belangrijke rol in de uitvoering van het milieubeleid.

Vraag 8.12

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat bij de «Aanpak Modernisering Milieubeleid» de Staatssecretaris een nieuwe aanpak voorstelt, waarbij ze enerzijds milieu en duurzaamheid wil integreren en anderzijds nieuwe coalities en samenwerkingsverbanden wil vormen om duurzame economische en maatschappelijke ontwikkelingen te stimuleren. De leden van deze fractie zijn van mening dat hierbij de inzet van prijsinstrumenten, zoals groene heffingen, belastingen en verwijderings-/recyclingsbijdragen, ook een belangrijke bijdrage kunnen leveren voor het bereiken van milieudoelstellingen. Deze leden vragen dan ook om bij deze nieuwe aanpak een actiepunt op te nemen voor een voorstel van modernisering van groene prijsinstrumenten met als hoofddoel om meer milieudoelstellingen te kunnen behalen, zoals hierboven is aangegeven.

Antwoord 8.12

Ik neem deze suggesties mee in de uitwerking van mijn beleid en zal het – net als green accounting – betrekken bij de aanpak Modernisering Milieubeleid.

Vraag 8.13

De leden van de SP-fractie zouden graag enkele voorbeelden vernemen waarbij de wet- en regelgeving van het zogenaamde «oude milieubeleid» de noodzakelijke aanpak en daarbij horende innovaties in de weg zitten.

Antwoord 8.13

Een goed voorbeeld hiervan is het experiment met duurzaam stortbeheer dat is opgenomen als innovatief duurzaam experiment in de Crisis- en herstelwet (Chw). Duurzaam stortbeheer vermindert de afwenteling van de gevolgen van het storten van afval op toekomstige generaties. Het innovatieve onderzoek naar het verduurzamen van stortplaatsen biedt de mogelijkheid om aan te tonen dat het verontreinigingspotentieel in stortplaatsen door middel van biologische afbraakprocessen effectief kan worden aangepakt aan de bron. Ook de eeuwigdurende nazorg kan dan aanzienlijk worden teruggebracht. Dit kan worden bereikt door de stortplaatsen niet meer af te dichten, wat is voorgeschreven in wet- en regelgeving.

In binnenstedelijk gebied is vaak sprake van complexe bodemsaneringen. Zeker nu partijen willen werken met Warmte Koude Opslag is het niet meer mogelijk gevalsgerichte saneringen uit te voeren. De mogelijkheid die in de Chw, vooruitlopend op het Besluit Bodemsanering, is geboden om in bepaalde gebieden gebiedsgerichte bodemsanering toe te passen, maakt het toepassen van Warmte Koude Opslag in deze gebieden mogelijk.

Vraag 8.14

De leden van de SP-fractie zijn geen voorstander van de afschaffing van het dierrechtenstelsel. De leden van deze fractie zien het dierrechtenstelsel graag gehandhaafd, echter gemoderniseerd in de vorm van een vergunningstelsel. Deze leden vragen of het huidige dierrechtensysteem hiertoe gemoderniseerd kan worden of dat dit beter vorm kan krijgen middels een nieuw wettelijk kader. Deze leden zien graag dat deze door hen gewenste diervergunningen preferentieel en voor een sterk gereduceerd tarief worden uitgegeven aan duurzame en diervriendelijke veehouders. Deze leden vragen voorts wat de mogelijkheden zijn om deze principes in het huidige dierrechtensysteem toe te passen.

Antwoord 8.14

In haar brief van 12 december 2013 (Kamerstuk 33 037, nr. 80) heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken, mede namens mij, aangegeven dat het kabinet ervoor kiest om het stelsel van dierrechten voor varkens en pluimvee voor in ieder geval de duur van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn te handhaven. Hiermee wordt geborgd dat de druk op de mestmarkt niet verder kan toenemen door een groei van het aantal varkens, kippen en kalkoenen, zolang de sector nog onvoldoende mestverwerkingscapaciteit heeft gerealiseerd. De Europese Commissie heeft voortzetting van het stelsel van dierrechten ook als voorwaarde aan de derogatie verbonden (zie Kamerstuk 33 037, nr. 90).

De dierrechten voor varkens en pluimvee hebben tot doel de omvang van de fosfaatproductie in deze sectoren te beheersen. Daarnaast dragen de dierrechten bij aan de realisatie van andere milieudoelen voor de veehouderij. De dierrechten hebben niet het stimuleren van dierenwelzijn als doel. De dierrechten worden overigens niet tegen een tarief uitgegeven aan veehouders, maar worden op de vrije markt verhandeld.

In dezelfde Kamerbrief heeft de Staatssecretaris van EZ, mede namens mij, aangegeven dat wij in het vervallen van de melkquota in 2015 geen aanleiding zien om een stelsel van dierrechten voor melkvee te introduceren. De bevindingen van PBL en WUR, zoals weergegeven in de bij de Kamerbrief gevoegde ex ante beleidsevaluatie van het toekomstig mestbeleid, bieden het vertrouwen dat ook in een situatie zonder dierrechten de kaders van het mestbeleid zullen worden gerespecteerd. Daarnaast neem de zuivelketen zelf maatregelen om zeker te stellen dat, na het vervallen van de melkquota, de productie binnen de milieurandvoorwaarden blijft plaatsvinden en zullen wij, binnen het publieke instrumentarium, waarborgen dat ook op bedrijfsniveau de productie blijft plaatsvinden binnen de milieurandvoorwaarden.

Vraag 8.15

De leden van de SP-fractie vragen waarom er – bij het vervallen van de Europese melkquota – niet voor gekozen is om nieuwe ontwikkelingen enkel toe te staan en vergunningen slechts dan te geven als er weidegang wordt toegepast door de boer. Immers, weidegang is volgens de leden van deze fractie niet alleen goed voor de koe en voor de boer maar ook beter voor het milieu. Deze leden vragen voorts waarom de gangbare wetenschappelijke definities van grondgebondenheid niet worden gebruikt.

Antwoord 8.15

Zoals in eerder genoemde brief van 12 december 2013 is aangegeven, steunt het kabinet de doelstelling van het Convenant Weidegang en van de Duurzame Zuivelketen. Ik heb er vertrouwen in dat de zuivelketen, in samenwerking met alle betrokken partijen, zelf haar verantwoordelijkheid neemt ten aanzien van weidegang. Door in het aangekondigde stelsel van verantwoorde groei van de melkveehouderij grondgebondenheid als één van de voorwaarden te koppelen aan groei van de melkveehouderij, geeft het kabinet invulling aan één van de belangrijkste voorwaarden voor weidegang. Tegen deze achtergrond en gelet op de afspraken met de zuivelketen is er daarom geen noodzaak om weidegang vanuit overheidswege verplicht te stellen.

Zoals in de brief van 12 december 2013 is aangegeven, heeft de melkveehouderij in Nederland, als sector, een sterk grondgebonden karakter «waardoor een groot deel van de mest op eigen grond kan worden geplaatst». Bezien vanuit het mestbeleid sluit een definitie van grondgebondenheid in termen van plaatsingsruimte voor de op het eigen bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen het meest direct aan op het doel van het stelsel van verantwoorde groei van de melkveehouderij: het voorkomen van extra druk op de mestmarkt.

Vraag 8.16

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd te vernemen wanneer de toegezegde onderzoeken ten aanzien van het verbieden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw naar de Kamer gestuurd worden. De leden van deze fractie vermoeden dat er sprake moet zijn van een misverstand, daar het in dit kader genoemde tijdstip van februari dit jaar reeds achter ons ligt.

Antwoord 8.16

Ik heb u per brief van 6 februari 2014 (Kamerstuk 27 858 nr. 227) de toegezegde drie rapporten toegezonden over niet-chemische gewasbescherming buiten de landbouw.

Vraag 8.17

Ten aanzien van de Green Dealaanpak hebben de leden van de CDA-fractie een specifieke vraag over innovatieve technieken waarbij geïoniseerde lucht in water/lucht wordt gebruikt om schadelijk chemicaliën te beperken. Volgens de leden van deze fractie is er een probleem in de wet- en regelgeving doordat deze technieken worden bestempeld als biocide in lijn met Europese regelgeving. Deze leden vragen de Staatssecretaris welke mogelijkheden zij ziet voor een algemene vrijstelling (nationaal en/of Europees) om deze techniek mogelijk te maken. Zo nee, waarom niet?

Antwoord 8.17

De Biocidenverordening (EU) 528/2012 kent niet de mogelijkheid om een algemene vrijstelling te geven, noch nationaal, noch Europees. Vrijstellingen zijn alleen mogelijk voor een beperkte duur (180 dagen) om een gevaar voor de volksgezondheid, dieren of het milieu te bestrijden, waarvoor geen alternatieve bestrijdingsmogelijkheden zijn. De biocidenverordening kent echter wel de mogelijkheid om biocidentoepassingen te stimuleren die minder risico’s met zich meebrengen. Daarvoor is een vereenvoudigde procedure ontwikkeld, zodat een product, mits het aan bepaalde voorwaarden voldoet, in drie maanden een toelating kan krijgen. Dit product kan dan via een notificatieprocedure overal in de EU op de markt gebracht worden.

Vraag 8.18

De leden van de D66-fractie lezen dat de staatsecretaris het belang van goed werkende prijsinstrumenten en groene belastingen erkent. De leden van deze fractie vragen de staatsecretaris om aan te geven bij welke onderdelen en grondstoffen zij nog lacunes ziet en op welke manier zij daar in Nederland en in Europa mee aan de slag gaat.

Antwoord 8.18

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 6.2. Ik vertrouw erop daarmee voldoende te hebben geantwoord op datgene wat de leden van de D66-fractie vragen.

Vraag 8.19

De leden van de SGP-fractie krijgen regelmatig signalen van ondernemers dat zij niet goed met milieuregelgeving uit de voeten kunnen. Volgens deze ondernemers is het vaak onduidelijk welke normen en regels op welk moment gelden en waarom er wel of niet gehandhaafd wordt. De leden van deze fractie vragen of de Staatssecretaris hier oog voor heeft. Wordt het beter werkbaar maken van milieuregelgeving voor bedrijven een belangrijk onderdeel van de voorgestelde modernisering van het milieubeleid? Zo ja, hoe?

Antwoord 8.19

Ik heb oog voor de problemen van de ondernemers. Ook bij de evaluatie van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn op dit punt verbeterpunten geformuleerd. Zoals ik al eerder in de beantwoording van de vragen heb aangegeven, zal in het kader van de uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet gekeken worden naar de kenbaarheid van de milieuregels voor ondernemers. Dit gebeurt door de regelgeving op logische wijze te ordenen, de doorverwijzingen in de regelgeving naar private documenten kritisch te bekijken en eventueel te verminderen en door ondersteuning met een ICT-systeem waarbij ondernemers zoveel mogelijk op maat de voorschriftenpakketten kunnen opvragen.

Vraag 8.20

De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat regelgeving en normstelling belangrijk instrumenten vormen om milieudoelen te realiseren. Om regelgeving en normstelling hanteerbaar te maken wordt in het milieubeleid vaak gebruik gemaakt van gedetailleerde en controleerbare voorschriften en forfaitaire normen. De leden van deze fractie merken op dat deze voorschriften en forfaitaire normen niet altijd recht doen aan wat in de praktijk gebeurt en mogelijk is. Deze leden noemen als voorbeeld de reductie van ammoniak in de veehouderij. Een belangrijk instrument volgens deze leden is de aanscherping van emissienormen voor stallen, met bijbehorende emissiefactoren. Naast het stalsysteem speelt echter ook het management van de veehouder volgens deze leden een belangrijke rol bij de emissie van ammoniak. Deze leden zijn echter van mening dat managementmaatregelen maar een heel beperkte plek in de regelgeving hebben, waardoor veehouders gedwongen worden alleen naar het stalsysteem te kijken en er kansen blijven liggen. Verder is het volgens deze leden voor veehouders lastig om innovatieve stalsystemen erkend te krijgen. Ziet de Staatssecretaris het probleem dat gedetailleerde voorschriften en forfaitaire normen niet altijd recht doen aan wat in de praktijk mogelijk is? Hoe wil zij hiermee omgaan?

Antwoord 8.20

Zoals de SGP schetst, hebben gedetailleerde voorschriften en forfaitaire normen voordelen. Uiteraard heb ik ook oog voor de nadelen. Ten aanzien van de erkenning van innovatieve stalsystemen laat ik momenteel een onderzoek uitvoeren naar de mogelijkheden van een andere systematiek. Verder kan naast de toegepaste techniek in stallen ook het toepassen van bepaalde veevoer- en managementmaatregelen, een verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Economische Zaken, bijdragen aan de reductie van de ammoniakemissie. Als eerstverantwoordelijke zal zij daarom de toepassing van dergelijke maatregelen in het kader van de PAS stimuleren en biedt zij daarnaast in het kader van het 5de Actieprogramma van de Nitraatrichtlijn nadrukkelijk ruimte voor maatwerk dat aansluit op de praktijk via equivalente maatregelen. Een managementsysteem als de kringloopwijzer voor de melkveehouderij heeft de potentie om hiervoor in aanmerking te komen.

9. (Gebiedsgericht) maatwerk

Vraag 9.1

De leden van de PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris te reageren op het voorstel om lokaal maatwerk ook andersom te laten gelden, namelijk door gemeenten de mogelijkheid te geven om lokaal strengere normen te stellen. Als voorbeeld dient de stad Utrecht, die een milieuzone wil invoeren om daarmee de lokale luchtkwaliteit te verbeteren.

Antwoord 9.1

Het wetsvoorstel Omgevingswet zal verschillende mogelijkheden bieden om lokaal strengere normen te stellen. Om te beginnen zal het wetsvoorstel aan decentrale overheden de mogelijkheid bieden zelf omgevingswaarden vast te stellen. Dit kan voor beleidsvelden waar het rijk zich onthoudt van normstelling of waar het rijk wel zelf een norm stelt, maar aanvullend heeft bepaald dat gemeenten aanvullende of andere normen mogen stellen. Het zal dan gaan zaken die binnen het grondgebied van een gemeente spelen en die door gemeenten goed beïnvloedbaar zijn.

Naast de mogelijkheid van het vaststellen van omgevingswaarden op decentraal niveau, kent de wet verschillende bouwstenen voor een decentrale gebiedsgerichte aanpak zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 2.5. Dit betreft onder meer het integrale omgevingsplan, het mogelijk maken van maatwerk binnen algemene rijksregels en ruimte binnen de instructieregels van het Rijk. Een aanscherping van normen op decentraal niveau kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in kwetsbare gebieden of in gebieden met zeer hoge druk op de fysieke leefomgeving. Een tweede vorm om met lokaal maatwerk strengere normen te stellen, kan via een individueel maatwerkvoorschrift als afwijking van een algemene regel. Bijvoorbeeld als in een havengebied de wens is om te revitaliseren inclusief woningbouw, kan het soms nodig zijn om in afwijking van de algemene regel specifieke, strengere regels te stellen ten aanzien van geluidshinder.

Overigens is de milieuzone die de gemeente Utrecht wil invoeren een maatregel in het kader van het NSL. Het is dus een maatregel die nodig is om de luchtkwaliteit te verbeteren en te zorgen dat die onder de grenswaarden blijft. Het gaat bij luchtkwaliteit – zeker wat betreft fijn stof – om maatregelen in het belang van de gezondheid. De gemeente Utrecht is een van de gemeenten die gezondheid serieus nemen en inzetten op extra maatregelen. Een dergelijke ambitie kán zich ook vertalen in een doelstelling die inzet op het bereiken van een lagere concentratie aan fijn stof.

Vraag 9.2

De leden van de SP-fractie vragen hoe de gebiedsgerichte aanpak eruit ziet, die de Staatssecretaris voor ogen heeft. De leden van deze fractie vragen voorts waar deze aanpak zijn wettelijke basis vindt en op basis van welke bevoegdheden een overheid hier mag optreden.

Antwoord 9.2

De stelselherziening van de Omgevingswet zal een aantal instrumenten kennen voor een gebiedsgerichte aanpak. Decentrale omgevingswaarden, het integrale omgevingsplan, ruimte binnen instructieregels van het Rijk en de mogelijkheden tot het stellen van maatwerkregels en maatwerkvoorschriften binnen de algemene regels voor activiteiten zullen hierbij belangrijke bouwstenen zijn. Met mogelijkheden die deze instrumenten of juist een combinatie van deze instrumenten bieden, geeft het wetsvoorstel op decentraal niveau afwegingsruimte voor het toestaan van projecten en de verdeling van de gebruiksruimte. Met deze opzet biedt het wetsvoorstel van de omgevingswet het instrumentarium waarmee aan de bestaande regelingen uit de Crisis- en herstelwet geen behoefte meer bestaat. Het wetsvoorstel kent een experimenteerbepaling die is bedoeld voor die situaties waarin de mogelijkheden die bij of krachtens de Omgevingswet zijn opgenomen ontoereikend zijn. In het wetsvoorstel van de omgevingswet zijn de bandbreedte van en de waarborgen bij deze experimenteerbepaling opgenomen.

Vraag 9.3

Wat zijn de concrete wettelijke mogelijkheden voor gemeenten en provincies om maatregelen te nemen om de uitstoot vanuit de intensieve veehouderij terug te dringen?

Antwoord 9.3

Ik ga er vanuit dat de vraagsteller primair doelt op de uitstoot van geur en fijn stof. Het bevoegd gezag moet voor (intensieve) veehouderijen die vergunningplichtig zijn, bij oprichting of uitbreiding, toetsen aan de geurnormen op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Met minimumafstanden en normen voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. De wet geeft de gemeenten de mogelijkheid om bij verordening strengere normen vast te stellen.

Voor wat betreft fijn stof moet het bevoegd gezag een omgevingsvergunning weigeren indien de oprichting of uitbreiding van een (intensieve) veehouderij leidt tot overschrijding van de in de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor fijn stof (PM10). Daarnaast wordt een wijziging van het Besluit huisvesting voorbereid waarbij grenzen zullen worden gesteld aan de uitstoot van fijn stof uit pluimveestallen. Dit besluit bevat reeds eisen, maximale emissiewaarden, voor ammoniakemissie uit stallen. Deze maximale emissiewaarden zullen bij genoemde wijziging worden aangescherpt en uitgebreid. Zie ook antwoord op vraag 9.1.

Vraag 9.4

Wat zijn de concrete wettelijke mogelijkheden voor gemeenten en provincies om de veehouderij op aantallen te reguleren?

Antwoord 9.4

Ten eerste bestaat de mogelijkheid om veehouderijen die vergunningplichtig zijn te weren door weigering van een vergunning op grond van de in vorige vraag genoemde wetgeving inzake geurhinder en fijn stof. Daarnaast kunnen ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) maatregelen worden genomen die, voor zover ruimtelijk relevant, betrekking kunnen hebben op de toelating, situering, omvang van het bouwblok en zonering van bedrijven in bepaalde gebieden. Het ruimtelijke beleid van decentrale overheden kan inhouden dat het aantal veehouderijbedrijven wordt beperkt met bijvoorbeeld een bouwverbod of een maximum aan het bouwblok. Voorts heeft de regering aangekondigd een wijzigingsvoorstel Wet dieren in te dienen waarbij met het oog op het belang van de volksgezondheid eisen kunnen worden gesteld aantallen landbouwhuisdieren op een bedrijf of in een gebied.

Vraag 9.5

Wat zijn de wettelijke mogelijkheden van gemeenten en provincies om overlast (stank en emissies) in door intensieve veehouderij overbelaste gebieden aan te pakken?

Antwoord 9.5

Zie vraag hiervoor over wettelijke mogelijkheden over maatregelen tegen uitstoot door intensieve veehouderijen. Voor wat betreft ammoniak, wordt op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) een omgevingsvergunning voor oprichting van een veehouderij zonder meer geweigerd indien een daartoe behorend dierenverblijf (deels) is gelegen in of nabij een door de provincie aangewezen zeer kwetsbaar gebied. De uitbreiding van een veehouderij wordt geweigerd indien die uitbreiding de wettelijke emissienormen voor ammoniak daarmee overschrijdt.

Voorts wordt door het provinciaal bestuur van Noord-Brabant een experiment met een transitie naar «zorgvuldige veehouderij» aangemeld voor de negende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Met dit experiment wil het provinciebestuur ruimte bieden voor ontwikkeling van een «zorgvuldige veehouderij» en tegelijkertijd overbelaste gebieden saneren. Het experiment kan zowel bijdragen aan nieuwe economische ontwikkelingen en werkgelegenheid in Noord Brabant als aan een goed woon- en vestigingsklimaat voor (andere) bedrijven en burgers. Voor een uitgebreide toelichting op dit experiment wordt kortheidshalve verwezen naar de nota van toelichting bij deze concept-AMvB die binnenkort – naar verwachting in de tweede helft van deze maand – zal worden voorhangen bij uw Kamer.

Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.7.

Vraag 9.6

Wat zijn de wettelijke mogelijkheden van gemeenten en provincies om duurzaamheidseisen te stellen als voorwaarde voor uitbreiding en vergunningverlening?

Antwoord 9.6

Voor zover het de omgevingsvergunning milieu voor vergunningplichtige inrichtingen betreft, kunnen gemeenten en provincies in het algemeen aan de vergunning alle voorschriften verbinden die dienen tot het te beschermen belang van het brede begrip milieu binnen de kaders van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer en de sectorale milieuwetgeving. Naast de eis dat daarbij de best beschikbare technieken voor de inrichting moeten worden voorgeschreven, vallen hieronder ook duurzaamheidsaspecten als een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen en het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen.

In het kader van het bij de vorige vraag genoemde experiment in Noord-Brabant wordt in de Verordening Ruimte de ruimte geschapen om naast regels over ruimtelijke ordening ook regels over duurzaamheid te stellen. De thema’s die kunnen worden gerelateerd aan duurzaamheid zijn onder meer biodiversiteit, mineralenkringloop, emissiebeperkende technieken en verbinding met de omgeving.

Voor zover het betreft de omgevingsvergunning voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk, moet worden getoetst of het op te richten bouwwerk voldoet aan de van toepassing zijnde eisen van het Bouwbesluit. In hoofdstuk 5 van dat besluit zijn voor bouwwerken met een bepaalde gebruiksfunctie technische bouwvoorschriften opgenomen uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu, waaronder duurzaam bouwen.

Vraag 9.7

Voorts vragen de leden van de SP-fractie in hoeverre het vrijstellen van bepaalde agrarische activiteiten van vergunningplicht in het Activiteitenbesluit de mogelijkheden beperkt voor het aanpakken van stankoverlast en emissies in de veehouderij.

Antwoord 9.7

Het vrijstellen van vergunningplicht beperkt de mogelijkheden voor het aanpakken van stankoverlast in beginsel niet. De bepalingen uit de Wet ammoniak en veehouderij en van de Wet geurhinder en veehouderij waren uitgangspunt voor de regels voor veehouderijen in het Activiteitenbesluit, zodat voor inrichtingen die onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen in principe dezelfde regels gelden als voor inrichtingen die omgevingsvergunningplichtig zijn. Wel is het zo, dat het bevoegd gezag bij ontvangst van een melding, anders dan bij ontvangst van een aanvraag om een vergunning, niet de mogelijkheid heeft tot weigering als het tot de conclusie zou komen dat niet aan de eisen voor bijvoorbeeld geur of fijn stof kan worden voldaan met de beoogde bouw van een stal. In dat geval kan het bevoegd gezag de ondernemer hierop attenderen en vervolgens tot handhaving overgaan als de bouw toch wordt doorgezet.

De aanwijzing voor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets geldt voor dierenverblijven van een bepaalde aard en omvang. Van de oprichting of de uitbreiding van een dierenverblijf van een dergelijke aard of omvang kan niet met zekerheid worden gesteld dat deze oprichting of uitbreiding niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie fijn stof in de lucht en dat deze geen overschrijding van de grenswaarden veroorzaakt. Deze omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het uitoefenen van deze activiteit leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor fijn stof (PM10) zoals vermeld in bijlage 2, voorschrift 4.1, bij de Wet Milieubeheer. De weigering van de omgevingsvergunning (vanwege fijn stof) brengt met zich mee dat de activiteit niet op de wijze zoals aangevraagd, op de gekozen locatie mag worden uitgeoefend. Er kan vervolgens wel een nieuwe aanvraag worden ingediend, waarin bijvoorbeeld essentiële maatregelen zijn opgenomen om overschrijding van de normen te voorkomen. Mogelijke maatregelen hiervoor zijn het toepassen van technieken die de emissie van fijn stof vergaand reduceren zoals (gecombineerde) luchtwassystemen. De vrijstelling van een omgevingsvergunning vanwege fijn stof geldt alleen indien weliswaar sprake kan zijn van een beperkte toename van de luchtverontreiniging, maar deze toename niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie fijn stof in de lucht.

10. Versterken uitvoering, toezicht en handhaving

Vraag 10.1

Met betrekking tot de werkzaamheden van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) hebben de leden van de VVD-fractie de vraag hoe versterking van de adviesrol van de ILT eruit komt te zien. Wordt met het versterken van de rol van de ILT gewacht tot de evaluatie van de Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s)? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 10.1

In de Kabinetsreactie op het OvV-rapport en het Rli-advies over Odfjell van 3 september 2013 heb ik u geïnformeerd hoe de versterkte adviesrol in grote lijnen vorm krijgt. Daarbij gaat het om het vergroten van het aantal onderwerpen dat getoetst wordt en het bereiken van meer transparantie over (afwijking van) de ILT-adviezen in de vergunningverlening. Daarnaast zal de ILT bestaande vergunningen van BRZO-bedrijven doorlichten en het bevoegd gezag daarover adviseren. Met deze versterkte invulling van de huidige adviestaak blijft de ILT binnen de bestaande bevoegdheden en hoeft dus niet te worden gewacht op de evaluatie.

Vraag 10.2

De leden van de PvdA-fractie zijn voorstander van een goede uitvoering op het gebied van vergunningverlening toezicht en handhaving en daarbij is het volgens de leden van deze fractie van belang om te kijken naar de kennis en capaciteit op het werkveld. Als doelmatigheid en effectiviteit van belang is, dan moet er volgens deze leden bijvoorbeeld ook voldoende handhavingscapaciteit zijn. Over dat laatste maken deze leden zich echter grote zorgen. Deze leden zien graag bij de evaluatie van de RUD's dat er ook gekeken wordt naar kwaliteit op het werkvloer. Is er voldoende kennis en handhavingscapaciteit en in hoeverre kunnen RUD’s hierin samenwerken?

Antwoord 10.2

Een goede uitvoering op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving is essentieel. Met de leden van de PvdA-fractie ben ik van mening dat de kwaliteit op en de capaciteit van de werkvloer hierbij van groot belang is. Er worden op dit moment afspraken gemaakt over het ontwikkelen van een goede kennisinfrastructuur en over de wijze waarop de bij de omgevingsdiensten beschikbare, soms gespecialiseerde, kennis zo breed mogelijk kan worden ingezet. Daarnaast is voor de kwaliteit van de uitvoering met alle betrokken partijen een set kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving ontwikkeld. De kwaliteit van de uitvoering zal een belangrijk punt zijn bij de uit te voeren evaluatie.

In het kader van de voorbereiding van de implementatie van de Omgevingswet wordt nagegaan hoe de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving zo kunnen worden georganiseerd, dat deze optimaal kunnen bijdragen aan de realisatie van de verbeterdoelen van die wet.

Vraag 10.3

De leden van de PvdA-fractie vragen blijvende aandacht voor overtredingen, milieucriminaliteit en vooral goede handhaving om dit tegen te gaan.

Antwoord 10.3

Het verzoek van de leden van de PvdA-fractie neem ik ter harte. Ik wijs in dit verband op de landelijke handhavingsstrategie die op initiatief van de provincies en in nauw overleg, ook met het Openbaar Ministerie, tot stand is gekomen.

Vraag 10.4

De leden van de SP-fractie vragen hoe de uitspraak «om eerst de evaluatie van de RUD’s af te wachten alvorens een interventiebevoegdheid voor het Rijk te introduceren» zich algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving).8In dit wetsvoorstel wordt blijkens de tekst volgens deze leden immers niet gewacht op genoemde evaluatie. De leden van de SP- fractie vragen hier om een verduidelijking.

Antwoord 10.4

Invoering van de interventiebevoegdheid is inderdaad afhankelijk van de evaluatie van de RUD’s. Zoals ik ook tijdens het VAO externe veiligheid van 17 december 2013 aan uw Kamer heb meegedeeld ga ik wel door met de noodzakelijke voorbereidingen voor een eventuele interventiebevoegdheid in de Omgevingswet. Volgtijdelijkheid zou wat mij betreft teveel vertraging opleveren.

Vraag 10.5

De leden van de Christen-Unie-fractie vragen een onderbouwing van de bezuiniging op het budget voor toezicht op risicovolle bedrijven (subsidieregeling programmafinanciering Externe Veiligheid) ten gunste van Safety Deals. De leden van deze fractie vragen voorts een reactie op de zorgen van RUD’s dat dit zal leiden tot minder menskracht op de toezicht en handhaving.

Antwoord 10.5

Een veilige woon- en leefomgeving is van groot belang. Om de kwaliteit van de uitvoering van de omgevingsveiligheid (externe veiligheid) te vergroten zijn in het verleden middelen beschikbaar gesteld via de regeling Programmafinanciering. Op dit moment wordt met vertegenwoordigers van gemeenten, provincies en veiligheidsregio’s gewerkt aan een vervolg op die regeling: het programma Impuls Omgevingsveiligheid 2015–2018. Beoogd wordt te komen tot een programmatische versterking van omgevingsveiligheid die op draagvlak bij gemeenten, provincies en veiligheidsregio’s kan rekenen. Dit proces is nog in volle gang en het is daarom nu nog niet te zeggen hoe de exacte verdeling van middelen zal uitvallen. Een belangrijk onderdeel van dat programma zal betrekking hebben op de kwaliteitsimpuls in relatie tot Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving bij Brzo-bedrijven. De safety deals worden door mij hierbij gezien als een belangrijk nieuw instrument om via het creëren van een duurzame veiligheidscultuur bij te dragen aan een veilige woon- en leefomgeving.

11. Financiering en lastendruk

Vraag 11.1

Het is de leden van de VVD-fractie geheel onduidelijk hoe de Staatssecretaris haar toekomstige beleid wil financieren. De leden van deze fractie vragen of de Staatssecretaris dit inzichtelijk kan maken.

Antwoord 11.1

De modernisering van het beleid heeft impact op de inhoudelijke focus en de manier van werken, maar niet op de benodigde financiële middelen daarvoor.

Vraag 11.2

De leden van de VVD-fractie hebben meerdere malen aandacht gevraagd voor de administratieve en financiële effecten van REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen) voor het bedrijfsleven. Hier wordt echter geen aandacht aan besteed in de «Aanpak Modernisering Milieubeleid». De leden van deze fractie vragen of de Staatssecretaris dit alsnog kan doen.

Antwoord 11.2

Graag wil ik er op wijzen dat de Kamer enige maanden geleden een brief ontvangen heeft waarin de aanpak van dit onderwerp wordt uiteengezet (Kamerstuk 21 501-08, nr. 484). Er staat een toezegging van mij open om uw Kamer aan het eind van het samen met de industrie ingezette kostenreductieproject, begin 2015, opnieuw te informeren. Dat is de reden dat dit specifieke aspect van REACH niet in de brief is opgenomen.

Vraag 11.3

De leden van de VVD-fractie vragen een overzicht van welke consequenties de uitvoering van dit beleid voor het bedrijfsleven en de agrarische sector met zich meebrengt en de verwachte effecten met betrekking tot beperkingen in bedrijfsvoering en extra lasten. Voorts vragen de leden van deze fractie op basis waarvan de Staatssecretaris van mening is dat onder andere het bedrijfsleven en de rijksoverheid (naast lokale overheden en burgers) elkaar nodig hebben en dan met name of het bedrijfsleven de rijksoverheid nodig heeft.

Antwoord 11.3

De aanpak en werkwijze is erop gericht meer ruimte te bieden voor maatschappelijke initiatieven, maatwerk en ontwikkeling. In zijn algemeenheid heeft de modernisering van het milieubeleid dan ook een positieve uitwerking op de ruimte die alle maatschappelijke partijen krijgen, ook het bedrijfsleven. Uit de inhoudelijke ambities, zoals nog eens verwoord in de inleiding van deze antwoordbrief, kunnen wel enkele maatregelen voortvloeien die leiden tot specifieke eisen en extra lasten. Om veiligheid en gezondheid voor burgers te kunnen garanderen, is dit niet altijd te voorkomen. Overigens zullen deze beperkingen pas bij het opstellen van concrete maatregelen in beeld komen. Als er dan daadwerkelijk sprake is van extra lasten, ben ik erop gericht die zoveel mogelijk te beperken.

Voor de agrarische sector bevat de brief Modernisering Milieubeleid geen nieuwe concrete maatregelen. Voor de vraag over de relatie tussen bedrijfsleven en rijksoverheid verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.1.

Vraag 11.4

De leden van de CDA-fractie vragen welke financiële consequenties de «Aanpak Modernisering Milieubeleid» heeft.

Antwoord 11.4

Zie het antwoord op vraag 11.1.


X Noot
2

Kamerstuk 27 625, nr. 305

X Noot
4

Kamerstuk 27 625, nr. 305.

X Noot
5

Water Governance in the Netherlands: Fit for the future?

X Noot
6

Kamerstuk 33 792.

X Noot
7

Een nudge is een verandering van de keuzearchitectuur die het gedrag van mensen in een voorspelbare richting verandert.

X Noot
8

Kamerstuk 33 872.

Naar boven