Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201427858 nr. 227

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 227 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 februari 2014

In de brief van 3 september 2013 (Kamerstuk 27 858, nr. 215) heb ik u drie onderzoeken toegezegd over niet-chemische gewasbescherming buiten de landbouw. Begin februari 2014 zou u de resultaten en een appreciatie ontvangen (Kamerstuk 27 858 nr. 221).

In deze brief treft u mijn appreciatie. Bij deze brief zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • een zakelijke weergave van het advies van de Landsadvocaat, over de juridische grondslag van de aangekondigde maatregelen1

  • een antwoord van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (verder: Ctgb) op de vraag naar het aantal toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en de vraag of er aanleiding bestaat voor differentiatie in maatregelen2.

  • een rapport van het onafhankelijk adviesbureau Tauw over de technische haalbaarheid van niet-chemische bestrijding buiten de landbouw3.

Dit laatste rapport gaat niet in op het onderdeel onkruidbestrijding op verhardingen. Over dat onderdeel bent u geïnformeerd met een rapport op 14 mei 2013 (bijlage bij Kamerstuk 27 858 nr. 146).

De belangrijkste bevindingen

De Landsadvocaat concludeert dat in beginsel maatregelen tot een duurzaam gebruik mogen worden gesteld aan toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Voordat maatregelen tot een verbod genomen kunnen worden, moet eerst onder meer worden aangetoond dat de voorschriften uit het toelatingsbesluit onvoldoende zijn om de milieudoelstellingen te realiseren. Daarnaast moet een maatregel noodzakelijk zijn en proportioneel (evenredig en geschikt voor het te bereiken doel). Een verbod is een laatste redmiddel, als minder vergaande maatregelen onvoldoende zijn.

Het Ctgb presenteert een overzicht van de aantallen gewasbeschermingsmiddelen, en de ziekten en plagen waartegen die middelen zijn toegelaten. Om differentiatie aan te brengen tussen (groepen) gewasbeschermingsmiddelen en uit te voeren maatregelen, moet een objectief onderscheid worden aangetoond. Alleen voor zogenoemde laag-risicomiddelen is een dergelijk onderscheid aanwezig.

Onderzoeksbureau Tauw concludeert dat niet-chemische bestrijding van ziekten en plagen buiten de landbouw redelijkerwijs mogelijk is. Uitzondering vormt de bestrijding van plagen die in de praktijk lastige situaties worden genoemd, zoals de eikenprocessierups of de Amerikaanse vogelkers. Daarnaast wordt een uitzondering nodig geacht voor bestrijding op recreatiebedrijven, sport- en golfterreinen en in siertuinen, zoals een rosarium. Voor deze gebieden en situaties geldt dat innovatie naar niet-chemische technieken technisch niet voor november 2017 kan zijn gerealiseerd. De conclusies van dit rapport zijn besproken in een bijeenkomst met deskundigen en belangenorganisaties, die deze hebben bevestigd.

Appreciatie

Voor het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw stelde de brief van 3 september 2013, kort samengevat, de volgende maatregelen voor:

 

Professioneel gebruik

Particulier gebruik

verhardingen

verbod november 2015

verbod november 2015

overige terreinen

verbod november 2017

verbod november 2015

Uitzonderingen op het verbod mogelijk, mits technisch noodzakelijk

In de zomer van 2014 zou u een voorstel ontvangen over een eventuele differentiatie in de maatregelen voor middelen op basis van laag-risicostoffen of basisstoffen. Eveneens in 2014 zouden eventuele uitzonderingen op bovengenoemde maatregelen worden overwogen, voor situaties waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen technisch onvermijdelijk is. U wordt over de samenstelling van deze lijst geïnformeerd (Kamerstuk 27 858 nr. 220).

Achtergrond van mijn voorstel blijft de bescherming van de menselijke gezondheid tegen het vermijdbaar gebruik van chemische stoffen. Daarnaast heeft verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater prioriteit. Beiden zijn van levensbelang.

Uitgangspunt is dat de groene buitenruimte binnen afzienbare tijd zonder chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt beheerd. Als niet-chemisch beheer nu al haalbaar is, wordt een redelijke termijn geboden om dat vermijdbaar gebruik te beëindigen. Als de inzet van chemische middelen nu nog onvermijdelijk is, wordt ingezet op instrumenten zoals innovatie en kennisverspreiding, om voortvarend alternatieven te ontwikkelen.

Gelet op de rapporten wil ik hierbij de maatregelen uit de brief van 3 september 2013 preciseren.

In mijn brief van 3 juli 2013 (Kamerstuk 27 858, nr. 211) heb ik aangegeven dat ik de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een relatief lage impact op mens en milieu zie als een natuurlijk onderdeel van de ontwikkeling naar een duurzame gewasbescherming. Dat geldt voor middelen op basis van laag-risicostoffen en basisstoffen. Daarom wil ik middelen op basis van deze stoffen uit van de voorgestelde verboden uitsluiten.

Voor een wijziging van de maatregelen voor professioneel en particulier gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op verhardingen bestaat geen aanleiding. Een verbod op dergelijke middelen is haalbaar; wij hebben daarover in het Nota-overleg van 1 juli 2013 gesproken. Uitzondering op het verbod geldt alleen als veiligheidsvoorschriften aantoonbaar verplichten tot bestrijding, en chemische bestrijding de enige mogelijkheid is. Dat is het geval op sommige niet-openbaar toegankelijke industriële bedrijven (BRZO-inrichtingen), delen van defensieterreinen en luchthavens. Deze uitzondering is overgenomen uit het marktcertificaat duurzaam terreinbeheer, dat in de praktijk is beproefd.

Wat betreft de overige terreinen buiten de landbouw onderken ik dat op die terreinen zich plagen voordoen, die alleen door inzet van chemische bestrijding voldoende kunnen worden beheerst. Het gaat dan om plagen zoals de eikenprocessierups, die schadelijk kan zijn voor de menselijke gezondheid, of de Amerikaanse vogelkers die ernstige schade kan toebrengen aan het ecosysteem ter plaatse. Een uitzondering voor dergelijke lastige situaties is noodzakelijk. Daarnaast zijn er terreinen met een specifieke functie, waar onkruid veel minder wordt getolereerd dan op andere terreinen. Het gaat dan om sport- en golfterreinen, en om siertuinen, zoals een rosarium.

Recreatiebedrijven, zoals campings, beheren vaak relatief grote terreinen. Niet-chemische bestrijding kan voor deze terreinen praktische problemen opleveren, omdat zij relatief arbeidsintensief is en omdat de terreinen vaak worden beheerd door familiebedrijven. Hoewel deze bedrijven zich de afgelopen jaren al hebben ingezet voor een duurzame gewasbescherming, is het gebruik van chemische gewasbescherming nog onvermijdelijk.

Met deze situaties wordt rekening gehouden, door uitzonderingen op het verbod toe te staan.

Ik zal met de maatschappelijke organisaties die dergelijke terreinen beheren initiatieven ontwikkelen om binnen enkele jaren het aantal uitzonderingen tot een absoluut minimum te reduceren. Dat zal gebeuren door het uitvoeren van een Innovatieagenda, sluiten van Green Deals en het oprichten van een Kennisplatform. Meerdere organisaties, onder meer op het gebied van de sport, hebben hun medewerking aangeboden. Op korte termijn zal ik afspraken met hen maken.

Om het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen door particulieren in overige situaties (niet zijnde verhardingen) terug te brengen en te voorkomen wil ik andere maatregelen treffen. Hierbij denk ik aan maatregelen zoals de aanwezigheid van voldoende expertise op het verkooppunt, een zogenoemde kassa-check en voorlichting door de tuinbranche. Daarnaast dragen maatregelen als verkleining van de verpakkingsgrootte bij aan minimalisering van het gebruik.

Het voorgaande leidt tot het volgende schema.

De maatregelen hebben geen betrekking op gewasbeschermingsmiddelen op basis van laag-risicostoffen en basisstoffen, die buiten de landbouw worden gebruikt.

Voor de andere gewasbeschermingsmiddelen zijn de maatregelen als volgt samengevat:

 

Professioneel gebruik

Particulier gebruik

verhardingen

verbod november 2015

verbod november 2015

overige terreinen

verbod november 2017

minimaliseren risico’s en omvang gebruik

 

Gelimiteerde uitzonderingen op het verbod voor professioneel gebruik:

 

verhardingen

– veiligheidsvoorschriften verplichten aantoonbaar tot bestrijding; chemische bestrijding is technisch de enige mogelijkheid.

 

overige terreinen

– sport- en golfterreinen

– siertuinen

– recreatiebedrijven

– lastige situaties, de bestrijding van bijvoorbeeld Amerikaanse vogelkers, Aziatische boktor of eikenprocessierups

 

Uitvoering initiatieven om aantal uitzonderingen voor overige terreinen te minimaliseren, zoals Green Deals, Innovatieagenda en Kennisplatform.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer