Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201326956 nr. 175

26 956 Beleidsnota Rampenbestrijding

Nr. 175 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU EN DE MINISTERS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID EN VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 september 2013

Hierbij ontvangt u de Kabinetsreactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) «Veiligheid bij Odfjell Terminals Rotterdam» en het advies «Veiligheid bij Brzo-bedrijven, verantwoordelijkheid en daadkracht» van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli).

In de eerste reactie op het uitkomen van het rapport van de OvV hebben wij al aangegeven het zorgwekkend te vinden dat er sprake is geweest van een langdurig veiligheidsprobleem bij het bedrijf Odfjell.

Daarom willen wij ons er met alle betrokken partijen voor inzetten dat zo’n situatie niet nog eens kan voorkomen. Hiertoe kondigen wij in deze kabinetsreactie een aantal maatregelen aan, mede naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de OvV en de Rli.

In bijlage 1 is een overzicht van alle conclusies en aanbevelingen van de OvV en de Rli opgenomen1.

A. Primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid bij het bedrijfsleven

Het Kabinet onderschrijft de constatering van de OvV en de Rli dat het bedrijfsleven, en dus ook het bedrijf Odfjell, primair verantwoordelijk is voor de algemene veiligheidssituatie rond het bedrijf en de veiligheid voor werknemers en omwonenden en daarmee ook voor de ontstane ernstige incidenten en de aantasting van de veiligheidssituatie.

Het Kabinet acht het, met OvV en Rli, noodzakelijk dat het bedrijfsleven initiatieven ontwikkelt om de veiligheidscultuur en de veiligheidsprestaties bij de Brzo-bedrijven te verbeteren. Het initiatief van VNO-NCW «Veiligheid Voorop» is een goede ontwikkeling, maar slechts een beperkt deel van de Brzo-bedrijven is hierbij aangesloten.

Zowel de OvV als de Rli benadrukken ketenverantwoordelijkheid bij het stimuleren van bedrijven om hun veiligheidsniveau en veiligheidsprestaties te verhogen.

De Rli behandelt in haar advies nog andere oplossingsrichtingen waarmee bedrijven kunnen worden geprikkeld tot een hoger veiligheidsniveau. Het gaat daarbij om onderwerpen als premiedifferentiatie, verplichte aansprakelijkheidsverzekering en uitbreiding civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid. Tevens gaat de Rli in op het functioneren van certificerende organisaties en mogelijke aansprakelijkheid van deze organisaties in geval van ten onrechte toegekende certificaten.

Het Kabinet verwacht van VNO-NCW en brancheorganisaties dat de veiligheidsprestaties bij de bedrijven in de gehele keten worden verbeterd en zal hiertoe in overleg gaan met het bedrijfsleven over de verschillende mogelijkheden waarmee dit kan worden gestimuleerd.

Het Kabinet acht het van belang dat daarbij in het bijzonder aandacht is voor het verbeteren van de veiligheidsprestaties van middenmoters en achterblijvers, maar ook op welke wijze positieve prikkels zijn te geven aan bedrijven die over een aantoonbare goede veiligheidsprestatie beschikken. Ook het bestaan van een beschermde meldcultuur voor veiligheidsproblemen ten behoeve van werknemers binnen het bedrijf acht het Kabinet van belang. Overheden bieden reeds mogelijkheden voor het melden van veiligheidsproblemen.

Uw Kamer zal regelmatig over de voortgang worden geïnformeerd.

De OvV heeft vastgesteld dat het ISO 14001-certificaat voor het milieu managementsysteem mogelijk ten onrechte aan Odfjell is verstrekt. In het bijzonder voldeed Odfjell niet aan de eis dat het de van toepassing zijnde wet- en regelgeving kende en toepaste. Daarmee is het vertrouwen in certificatie geschaad. Het is van belang hier te vermelden dat de ISO 14001-norm is gericht op alle milieuprestaties.

Het Kabinet acht het ISO 14001-certificaat een vorm van zelfregulering en daarmee een goed voorbeeld van het nemen van verantwoordelijkheid door het bedrijfsleven. Wanneer het vertrouwen in certificering afneemt, is het ook de verantwoordelijkheid van de betrokken partijen dat zij zich inspannen om het vertrouwen weer te herstellen. Daar wordt een maatschappelijk belang mee gediend. Het Kabinet verwacht dan ook van de betrokken partijen dat zij zich het oordeel van de OvV aantrekken, lering trekken uit de conclusies en transparant zijn over de maatregelen die zij nemen.

Het stemt het Kabinet daarom positief dat de Raad voor Accreditatie en SCCM (Stichting Coördinatie Certificatie milieu en arbomanagementsystemen) het initiatief hebben genomen om hierover overleg te starten. Daarbij gaat het Kabinet er van uit dat gebruik van «reality checks» ook in het kader van accreditatie en systeemcertificering een bijdrage zullen leveren aan het herstellen van het vertrouwen. Wanneer het systeem zekerheid geeft dat het gecertificeerde bedrijf de wet- en regelgeving die voor zijn bedrijfsvoering geldt, kent en toepast, kan het een ondersteunende functie bij het toezicht hebben, conform het kabinetsstandpunt Accreditatie en certificatie van 14 november 2003. Daarvoor is open communicatie tussen de certificerende instelling en de toezichthouder naar de mening van het kabinet een voorwaarde.

B. Duidelijke doorzettingsmacht voor Brzo en verbeteringen stelsel VTH

Naast de primaire verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor de bescherming van de werknemers en de omgeving moet de overheid er op toezien dat het bedrijfsleven deze verantwoordelijkheid waarmaakt. Om dit te bereiken stelt de overheid regels en ziet toe op de naleving daarvan.

Het Kabinet herkent veel van de conclusies van OvV en Rli, waaronder die op het gebied van doorzettingsmacht en het VTH-stelsel, en heeft inmiddels verschillende acties in gang gezet (in bijlage 2 is dit stelsel beknopt beschreven)2.

Sinds de commissie Mans concludeerde («De tijd is rijp», juli 2008) dat de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken door gemeenten en provincies te wensen over laat, is een omvangrijk hervormingsproces op gang gekomen. Het Kabinet heeft de stellige indruk dat dit proces is versneld en geïntensiveerd door de gebeurtenissen bij Chemie-Pack en Odfjell.

Dit hervormingsproces is qua opbouw van organisaties (RUD’s en Brzo-RUD’s) in een eindfase. Het Kabinet onderschat niet de inspanningen die door betrokkenen zijn verricht om dit te realiseren en is met OvV en Rli van mening dat deze nieuwe uitvoeringsorganisaties een kans moeten krijgen om zich te bewijzen.

Tevens heeft het Kabinet besloten tot de invoering van de zogenaamde «no regret» maatregelen3. Hiervan maken onder meer de landelijk uniforme handhavingsstrategie Brzo, informatiebeheer en de kwaliteitscriteria voor personeel en organisatie van de uitvoeringsorganisatie onderdeel uit.

Bij deze ontwikkelingen moet ook het belang van mandatering worden genoemd.

Het Kabinet acht het van groot belang dat alle handhavingsbevoegdheden voor de Brzo-bedrijven door het bevoegd gezag in mandaat kunnen worden uitgeoefend door de Brzo-RUD-directeuren. Alle provincies hebben inmiddels hun handhavingsbevoegdheden voor de Brzo-bedrijven gemandateerd. De Staatssecretaris van IenM heeft in het Algemeen Overleg Externe Veiligheid en Handhaving van 20 juni jl. aangegeven dat zij zich zal inzetten om achterblijvende gemeenten zodanig te stimuleren dat in het najaar ook de gemeentelijke handhavingsbevoegdheden voor alle Brzo-bedrijven in mandaat kunnen worden uitgeoefend door de directeur van een Brzo-RUD. Momenteel is het percentage al ruim 90%. Onlangs heeft de VNG een brief verstuurd waarin gemeenten met Brzo-bedrijven die dit niet hadden gedaan, dringend werden opgeroepen dit alsnog te doen. Overigens is het Kabinet van mening dat ook de directeuren van de reguliere RUD’s van een adequaat mandaat moeten zijn voorzien. Het wetsvoorstel VTH waarin een aantal afspraken uit het hervormingsproces wordt vastgelegd, zal dit najaar aan uw Kamer worden aangeboden. Uw Kamer is over deze ontwikkelingen de afgelopen twee jaar regelmatig geïnformeerd.

De onderzoeksrapportages van OvV en Rli komen dus op een moment dat veel verbeteringen in het VTH-stelsel in gang zijn gezet, zowel op het gebied van organisaties als op het gebied van regelgeving. Ingrijpende stelselwijzigingen en verschuivingen in bevoegdheden zijn naar de mening van het Kabinet momenteel dan ook niet aan de orde.

In deze reactie richt het Kabinet zich specifiek op de twee aanbevelingen die de OvV heeft gedaan aan de Staatssecretaris van IenM, te weten:

  • Borg dat de Brzo-toezichthouders hun handhavingsbeleid en de sanctionering onderling en met het Openbaar Ministerie (OM) afstemmen (1)

  • Regel wettelijk dat de Staatssecretaris van IenM doorzettingsmacht krijgt om in te grijpen bij de Brzo-toezichthouders en bevoegde gezagen als dat nodig is in het belang van een doeltreffende handhaving (2)

Tevens kondigt het Kabinet een meerjarenprogramma aan met maatregelen ter verbetering van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving bij Brzo-bedrijven (3).

Hierbij gaat het Kabinet ook in op de aanbeveling aan de Minister van SZW en de bestuurders van de overige twee Brzo-toezichthouders om de burgers periodiek en op een voor hen inzichtelijke wijze over toezichts- en handhavingsactiviteiten en de resultaten van deze activiteiten bij Brzo-bedrijven te informeren.

Ad 1) Borging van afstemming van handhavingsbeleid en sanctionering van de inspectiehouders onderling en met het OM

De OvV stelt in haar rapport vast dat veel en lang met Odfjell Rotterdam werd meegedacht. Er was, in de woorden van de OvV, sprake van onderhandelingstoezicht. De toezichthouders waren al langere tijd op de hoogte van de slechte veiligheidssituatie bij het bedrijf. Ernstige overtredingen leidden echter nauwelijks tot bestuurlijke sancties, en in de gevallen dat wel sancties werden opgelegd leidden die niet tot structurele verbetering van de veiligheid. De OvV komt tot de aanbeveling aan de Staatssecretaris van IenM, zorg te dragen voor de borging van afstemming van het handhavingsbeleid en sanctionering van de toezichthouders onderling en met het OM. Het Kabinet onderschrijft deze aanbeveling en vindt daarin bevestiging voor de volgende in gang gezette acties.

Handhavingsstrategie Brzo

Er is een landelijke handhavingstrategie Brzo opgesteld, zodat overtredingen altijd gevolgd worden door handhaving en dat voor gelijksoortige overtredingen dezelfde en de meest adequate sanctiemiddelen worden toegepast. Deze strategie zal in het najaar door de betrokken bestuurders (Bestuurlijk Omgevingsberaad) worden vastgesteld. Het Kabinet zal de toepassing van de strategie verder borgen onder meer in het wetsvoorstel VTH.

De handhavingsstrategie is reeds behandeld in de Strategische Milieukamer (SMK), waar onder voorzitterschap van het OM richting wordt gegeven aan de strafrechtelijke handhaving. Het OM zelf is overigens reeds doende een nadere visie te ontwikkelen op de effectiviteit van de inzet van modaliteiten van strafrechtelijke handhaving in milieuzaken. Het rapport van de OvV bevestigt de waarde van een dergelijk traject.

Structuur VTH

Binnen de nieuwe overlegstructuur VTH is een separaat gremium voor Brzo ingesteld (het BRZO+), waarin de Brzo-toezichthouders zijn vertegenwoordigd. Door deelname van het OM in dat overleg is ook de afstemming met het OM geborgd. In het BRZO+ zullen onderwerpen aan de orde komen als het verder verbeteren en borgen van de gezamenlijke werkwijze ten aanzien van de inzet van instrumenten voor inspectie en handhaving, het nog beter inzetten op kennisdeling en borging van het doorpakken bij (notoire) overtreders.

Aanvullende (sanctie)mogelijkheden

Sinds 1 januari 2013 beschikt de Inspectie SZW voor handhaving op het Brzo over bestuursrechtelijke sanctiemiddelen zoals de bestuurlijke boete en is de inzet van de last onder dwangsom uitgebreid conform de mogelijkheden van het bevoegd gezag. Ook is wetgeving in voorbereiding om de betrokken organisaties verder te voorzien van aanvullende (sanctie)mogelijkheden. In het wetsvoorstel inzake de Omgevingswet wordt een wettelijke grondslag opgenomen voor inzet van de bestuurlijke boete. Hiermee krijgt het bevoegd gezag een bestuursrechtelijke mogelijkheid een lik-op-stuk-beleid te voeren. Het op 11 juli 2013 door de Minister van VenJ bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel inzake de verruiming van mogelijkheden voor de bestrijding van financieel-economische criminaliteit introduceert een strafverzwaringsgrond gericht op het harder aanpakken van het stelselmatig plegen van misdrijven in de sfeer van de Wet op de economische delicten. Ook bevat het wetsvoorstel het voorstel een flexibel boeteplafond in het strafrecht in te voeren zodat rekening kan worden gehouden met de draagkracht van ondernemingen die strafbare feiten plegen.

Ad 2) Aanbeveling OVV omtrent doorzettingsmacht Staatssecretaris IenM

De OvV beveelt de Staatssecretaris van IenM aan «wettelijke doorzettingsmacht te krijgen om in te grijpen bij de Brzo-toezichthouders en bevoegde gezagen als dat in het belang van een doeltreffende handhaving nodig is».

Het Kabinet neemt deze aanbeveling over. Onderstaand licht het Kabinet toe op welke wijze dit wordt ingevuld.

Nieuwe wettelijke interventiebevoegdheid

Voor die gevallen waar bijvoorbeeld sprake is van een langdurig nalevingstekort (situaties zoals bij Odfjell), dreigende calamiteiten of majeure risico’s voor de omgeving acht het Kabinet het noodzakelijk dat de Staatssecretaris van IenM zo spoedig mogelijk over een nieuwe, wettelijke interventiebevoegdheid met bijbehorende sanctiemiddelen rechtstreeks op de bedrijven gaat beschikken. Deze interventiebevoegdheid beperkt zich nadrukkelijk tot het terrein van de externe veiligheid binnen de Wabo-kolom. Het reguliere Brzo-toezicht, decentraal belegd bij de Brzo-RUD’s, blijft in stand. Voor de interne veiligheid is de Minister SZW bevoegd.

Versterking adviesrol

Daarnaast zal de huidige wettelijke adviesrol van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor een Brzo-bedrijf worden versterkt. Adviezen van ILT en afwijkingen daarvan zullen tussen betrokken partijen transparant worden gemaakt en periodiek worden besproken in het eerder genoemde BRZO+ overleg en indien nodig in het Bestuurlijk Omgevingsberaad. Hiermee verwacht het kabinet, in lijn met de conclusies van de OvV daarover, een bijdrage te leveren aan een betere invulling van de actualisatieplicht die geldt voor de omgevingsvergunningen. Het gaat hierbij zowel om termijnen waarbinnen vergunningen moeten zijn geactualiseerd als om een uniforme inhoudelijke invulling van de stand der techniek in de vergunningen van de Brzo-bedrijven. Dit draagt bij aan een betere kwaliteit van vergunningen, waarmee verwacht mag worden dat bedrijven steeds over een actuele vergunning beschikken en die beter kunnen naleven.

Regie bij handhavingsproblemen

Ook heeft het Kabinet het voornemen om in het wetsvoorstel VTH een procedure op te nemen waarmee de directeur van de Brzo-RUD, de Staatssecretaris van IenM op de hoogte stelt van (bestuursrechtelijke) handhavingsproblemen bij een Brzo-bedrijf. Vervolgens kan de Staatssecretaris dan ook het hiervoor genoemde wettelijke interventie-instrument gebruiken. Uiteraard zal de Staatssecretaris van IenM ook in actie komen, indien haar via andere kanalen signalen bereiken dat er sprake is van een handhavingstekort. Waar het om gaat is dat de Staatsecretaris van IenM direct na ontvangst van een dergelijk signaal de verantwoordelijke partijen bijeenroept en, in samenspraak met de medebetrokken bewindspersonen en medeoverheden, het verdere proces regisseert in de sfeer van «wie doet wat en op welke termijn», uiteraard met inachtneming van ieders wettelijke kaders en bevoegdheden.

Zowel voor de nieuwe interventiemogelijkheid als voor de versterkte adviesrol zal in overleg met de betrokken partijen een beleidskader worden opgesteld.

Bij de al eerder afgesproken evaluatie van de RUD’s zal zo mogelijk ook worden bezien hoe de invulling van de nieuwe interventiemogelijkheid en de versterkte adviesrol blijken te werken.

Ad 3) Meerjarenprogramma

Het Kabinet gaat op korte termijn in overleg met IPO, VNG, het Veiligheidsberaad, de Inspectie SZW en het OM om een meerjarenprogramma vast te stellen teneinde verdere verbeteringen in de uitvoering door te voeren. Onderstaand wordt een aantal maatregelen beschreven die in ieder geval tot uiting moeten komen in het meerjarenprogramma. Deze maatregelen zijn direct te relateren aan de overige conclusies en aanbevelingen van OvV en Rli.

Het Kabinet zal uw Kamer periodiek informeren over de voortgang van het meerjarenprogramma en over de resultaten van het overleg met het bedrijfsleven over het verbeteren van de veiligheidsprestaties. Daarnaast zal bij de voorziene evaluatie van het generieke RUD-stelsel voor zover mogelijk ook de effectiviteit van de ingezette verbeteringen uit dit meerjarenprogramma worden meegenomen.

3.1. Betere samenwerking tussen toezichthouders

De afgelopen jaren is de samenwerking tussen de Brzo-toezichthouders vooral gericht op landelijke programmering, het één-loketmodel en het uitvoeren van gezamenlijke inspecties op basis van de landelijk uniforme inspectiemethodiek.

Op het gebied van de handhaving moeten nog stappen gezet worden. De eerder al genoemde landelijke uniforme handhavingstrategie Brzo, die in het najaar bestuurlijk vastgesteld zal worden, is een eerste stap in het verbeteren van de samenwerking en uniformiteit op het gebied van handhaving. De toezichthouders gaan deze handhavingsstrategie vooruitlopend op de wettelijke verankering ervan nu al toepassen.

De drie toezichthouders zijn momenteel in het kader van het genoemde BRZO+ overleg met elkaar en in afstemming met de overige relevante partijen in gesprek om de samenwerking in het toezicht en de handhaving verder te verbeteren en uit te werken met als resultaat slagvaardig, samenwerkend en transparant toezicht, conform de criteria voor goed toezicht zoals aangegeven in de kaderstellende visie op toezicht4. Aspecten als onaangekondigde inspecties en onderscheid in ernst van overtredingen, moeten daar naar de mening van het Kabinet ook onderdeel van uitmaken. De samenwerkingsvorm moet er toe leiden dat overal in Nederland een gelijke, effectieve en efficiënte aanpak wordt gehanteerd zodat er een level playing field ontstaat voor de Brzo-bedrijven. Tevens zal door de samenwerkende toezichthouders aandacht besteed moeten worden aan het schot tussen interne en externe veiligheid zoals door de Rli is genoemd, zodanig dat het toezicht op de veiligheidssituatie optimaliseert en in praktische zin de ondertoezichtstaanden hier geen last van ondervinden.

Het Kabinet verwacht van de drie toezichthouders deze vorm van samenwerking op korte termijn gezamenlijk en in afstemming met de overige relevante partijen te hebben uitgewerkt en medio 2014 operationeel te hebben.

Ook van de zes Brzo-RUD’s verwacht het Kabinet uniformiteit in de uitvoering met één aanspreekpunt voor het kabinet.

3.2 Een wettelijk geborgde aansluiting omgevingsvergunning en aanwijzing bedrijfsbrandweer

De OvV concludeert dat de omgevingsvergunning en de bedrijfsbrandweeraanwijzing voor Odfjell overlappende en verschillende eisen bevatte. Dit leverde onduidelijkheid op voor zowel de toezichthouder als het bedrijf. Bovendien was hierdoor niet duidelijk welke toezichthouder bij een geconstateerde overtreding handhavend optreedt.

Een dergelijke conclusie wordt ook getrokken in het recente rapport «Bedrijfsbrandweer op grond van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s»5 (Bijlage 3)6. Met de toezending en de hieronder geformuleerde reactie wordt voldaan aan de toezegging die tijdens het VAO Chemie-Pack van 28 mei jl. over dit rapport is gedaan (Handelingen II 2012/13, nr. 87, item 25, blz. 42–45).

Het Kabinet onderschrijft het belang van een goede inhoudelijke en procedurele koppeling tussen de omgevingsvergunning en de beoordeling in het kader van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s. Er is hierover inmiddels overleg gestart tussen de Ministeries van IenM en VenJ en uitvoeringsorganisaties. Daarbij worden de omgevingsregelgeving en de regelgeving op het gebied van de bedrijfsbrandweer betrokken.

Eind 2013 verwacht het Kabinet duidelijkheid te kunnen bieden over de wijze waarop de koppeling vorm kan krijgen en zal uw Kamer hierover worden geïnformeerd.

3.3 Betere borging kwaliteit vergunningverlening en Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS)

Geborgde kwaliteit van het vergunningverleningsproces is een belangrijk aandachtspunt. De OvV noemt de complexiteit van het wettelijk kader voor vergunningverlening in een aantal opzichten belemmerend voor handhavend optreden. Het Kabinet onderkent dat de kwaliteit van de vergunning van groot belang is voor adequaat toezicht en handhaving.

Vergunningverlening voor Brzo-bedrijven is door provincies en gemeenten ondergebracht bij de 6 Brzo-RUD’s. De RUD’s zijn uitvoeringsorganisaties. Het Rijk stelt de kaders, zeker als het om veiligheidsgerelateerde onderwerpen gaat. In artikel 9.2 van het Besluit omgevingsrecht is bepaald dat het bevoegd gezag bij de vergunningverlening rekening moet houden met de best beschikbare technieken. Deze best beschikbare technieken (bbt) voor allerlei activiteiten met gevaarlijke stoffen zijn onder meer vastgelegd in de PGS. De publicaties hebben een integraal karakter (brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid) en komen tot stand in samenwerking tussen betrokken overheden en bedrijfsleven. Daarnaast zal ik nadenken over de verbetering van de PGS richtlijnen als normenkader voor de best beschikbare technieken zodat deze beter doorwerken in de Wabo vergunningen.

Het Kabinet is voornemens om het proces om tot aanwijzing van een PGS-publicatie als bbt-document te komen, verder te optimaliseren. Inspectie SZW is voornemens om in dit proces kaderstellend inbreng te leveren om tegenstrijdigheden met arbeidswetten te voorkomen.

Bovendien zal het Kabinet faciliteren dat deskundige inbreng vanuit de Brzo-RUD’s en de veiligheidsregio’s is geborgd en zal meer aandacht worden besteed aan vaste implementatietermijnen in de omgevingsvergunning voor nieuwe veiligheidstechnische aspecten.

Daarnaast is het Kabinet voornemens om de meest kritische bepalingen uit de publicaties over te nemen in algemene regels (Activiteitenbesluit). Hierdoor gaan deze bepalingen gelden voor alle Brzo-bedrijven.

Tevens zal de Staatssecretaris van IenM bij de Brzo-RUD’s aandringen op het tot stand brengen van een geconsolideerd overzicht van de vigerende vergunningen bij Brzo-bedrijven conform de aanbeveling van de OvV.

3.4 Kennisinfrastructuur, informatie-uitwisseling en ICT

Naast het vormgeven van programmatisch en uniform toezicht op Brzo-bedrijven is door de Brzo-toezichthouders de afgelopen jaren veel bereikt op het gebied van geborgde kennisontwikkeling, informatievoorziening en communicatie alsmede specifieke ICT-aspecten.

De complexiteit en diversiteit binnen de Brzo-bedrijven vereist dat niet alleen aan de inspecteurs en de organisaties zelf specifieke eisen worden gesteld, maar ook dat de beschikbare kennisinfrastructuur en ICT-middelen het mogelijk maken om te komen tot kwalitatief goed, efficiënt en afgestemd toezicht en handhaving. Deze middelen moeten beschikbaar zijn voor de drie toezichthouders en de overige relevante partijen die daarbij moeten kunnen vertrouwen op voortdurende borging en vernieuwing. Gezien het integrale karakter van het Brzo-toezicht en het belang van faciliteren van goede samenwerking tussen de toezichthouders ziet het Kabinet voor deze ondersteuningsfunctie een rol weggelegd voor het Brzo-coördinerend departement, het Ministerie van IenM. Binnen dit Ministerie is in de uitvoeringsorganisatie van Rijkswaterstaat sinds 1 januari 2013 ook een unit Leefomgeving opgericht met een duidelijk herkenbare rol van kennisrijke ondersteuner van de beleidsontwikkeling, uitvoerder van wettelijke taken en begeleider van nieuw beleid en regelgeving op de gebieden milieu, ruimte en leefomgeving. Binnen deze unit Leefomgeving zullen de uitvoeringstaken worden neergelegd waarbij het BRZO+ zal fungeren als opdrachtgever.

3.5 Openbaarheid van gegevens

In het kader van openbaarheid van milieuinformatie conform het Aarhus-verdrag en de Seveso III-richtlijn zal het Kabinet de aanbeveling van de OvV, om burgers periodiek en op een inzichtelijke wijze over toezichts- en handhavingactiviteiten en de resultaten van deze activiteiten bij Brzo-bedrijven te informeren, vormgeven. Dit zal op een landelijk uniforme wijze moeten plaatsvinden. Over de mogelijkheden om dit op een inzichtelijke wijze vorm te geven vindt overleg plaats tussen alle betrokken partijen inclusief het bedrijfsleven. Uw Kamer wordt hier nader over geïnformeerd.

Daarnaast zal het Kabinet jaarlijks een rapportage aan uw Kamer zenden over de staat van de veiligheid bij de Brzo-bedrijven. Deze zal gebaseerd zijn op de toezichts- en handhavingsgegevens van de toezichthouders, maar ook op monitoringsonderzoeken die de ILT uitvoert of gezamenlijke projecten van de toezichthouder gericht op specifieke risico’s zoals tankopslagen. Het Kabinet zegt toe dat informatie over bedrijven openbaar en transparant zal zijn, maar alleen indien een zorgvuldige verificatie (hoor en wederhoor) heeft plaatsgevonden, er geen bezwaren zijn uit oogpunt van security en tenzij het toezichts- en handhavingsinformatie betreft waarover nog bezwaar, beroep of strafrechtelijk onderzoek loopt.

3.6 Nieuwe aanpak programmafinanciering Externe Veiligheid

2014 is het laatste jaar dat de gelden voor de programmafinanciering Externe Veiligheid via de provinciefondsen lopen. Met de afronding van het programma zal vanaf 2015 een meer op de Brzo-RUD’s en veiligheidsregio’s toegespitste verdeling plaatsvinden, waarbij rekening wordt gehouden met de voor omgevingsveiligheid benodigde middelen in de toekomst, mede in relatie tot de noodzakelijke verbeteringen en modernisering van het veiligheidsbeleid en de rol van de Staatssecretaris daarin. Het Kabinet start binnenkort overleg met IPO, VNG en het Veiligheidsberaad over nadere invulling.

3.7 Al dan niet doorberekenen toezichtskosten

Het Kabinet verwijst hier kortheidshalve naar de brief van de Staatssecretaris van IenM van 12 juni 2013 over het meebetalen aan toezicht door majeure risicobedrijven. De Staatssecretaris heeft in het Algemeen Overleg van 20 juni jl. toegezegd dat het in de genoemde brief aangekondigde kabinetsstandpunt over dit vraagstuk eind 2013 aan uw Kamer wordt aangeboden, nadat de Inspectieraad een advies heeft uitgebracht en nadat indien nodig het tot op heden toegepaste toetsingskader «Maat Houden» is geactualiseerd.

Met de verbeteringen binnen het bedrijfsleven, het stelsel VTH, de handhaving en sanctionering en de zeven punten van het verbeterprogramma, worden de bevindingen en aanbevelingen van de OvV en de RLI naar de mening van het Kabinet op een voortvarende wijze opgevolgd.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Kamerbrief Staatssecretaris Atsma over majeure risicobedrijven, 14 juli 2011, Kamerstuk 26 956, nr. 108

X Noot
4

Kamerstuk 27 831, nr. 15.

X Noot
5

APE bv, in opdracht van WODC van het Ministerie van VenJ, 2 juli 2013, www.wodc.nl

X Noot
6

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer