Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201628286 nr. 859

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 859 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 april 2016

Bijgaand ontvangt u de stand van zaken over de Beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 651) zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg dierenwelzijn van 2 december 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 723). De eerste standvanzakenbrief heeft u ontvangen in april 2015 (Kamerstuk 28 286, nr. 799). Tevens ga ik in op een aantal moties en toezeggingen.

Beter leven

Mijn agenda bestaat uit vier onderdelen: eerlijker eten, natuurlijker eten, beter eten en een groener Nederland (TK 34 300 XIII, nr. 33). Dierenwelzijn is daarbij een belangrijke waarde. Beter en natuurlijker betekent ook beter leven: we moeten rekening houden met de intrinsieke waarde van dieren, zorgen voor een goed welzijn en gezondheid en aandacht hebben voor het natuurlijke gedrag van dieren. Dierenwelzijn gaat verder dan de afwezigheid van ongerief zoals honger, pijn, dorst en angst. Dieren moeten soorteigen gedrag kunnen vertonen en er moet tegemoet gekomen worden aan hun behoeften. Dat geldt niet alleen voor landbouwhuisdieren, maar ook voor gezelschapsdieren en vissen. Ik vind het de verantwoordelijkheid van de hele keten, van producent tot consument, om hier invulling aan te geven. De beweging die ik daarbij voor ogen heb is een verschuiving van de nadruk op kwantiteit naar meer aandacht voor kwaliteit. Dat biedt ook kansen voor de verdere verankering van dierenwelzijn als integraal onderdeel van de veehouderij. Een verankering waarbij de boer door het maken van goede afspraken met de ketenpartijen en retail ook een eerlijke prijs krijgt en de consument een eerlijke prijs betaalt. De weg daar naartoe is die van samenwerking. Samenwerking tussen consumenten, producenten, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en overheid.

Beleidsbrief dierenwelzijn

Internationaal dierenwelzijn

Europa

De positionpaper over het welzijn van varkens is in april 2015 ondertekend (Kamerstuk 33 979, nr. 104) en de positionpaper EU-platform voor dierenwelzijn (hierna: EU-platform) begin dit jaar. Ondertekenaars zijn Nederland, Duitsland, Denemarken en Zweden. In het EU-platform kunnen lidstaten en stakeholders dierenwelzijnsonderwerpen bespreken en kunnen lidstaten en stakeholders informatie en goede praktijken uitwisselen en ervaringen over effectieve implementatie en controle van de bestaande regelgeving. Ik zie het platform ook als podium voor de bespreking van uitdagende vraagstukken zoals de aanpak van de illegale hondenhandel en de resultaten van de Eurobarometer1. De vorige Eurobarometer uit 2005 was één van de drijfveren voor de Europese Commissie om te komen met het actieplan Dierenwelzijn 2006–2010. Mogelijk dat deze nieuwe Eurobarometer eenzelfde werking heeft. In de Landbouw- en Visserijraad is het idee van een EU-dierenwelzijnsplatform door een ruime meerderheid van lidstaten ondersteund. De Europese Commissie beraadt zich nog op het eventueel oprichten van een EU-platform en ik zal tijdens de Landbouw- en Visserijraad van mei a.s. verzoeken hier nader op in te gaan.

Dit jaar werk ik samen met Duitsland, Denemarken en Zweden aan het uitbreiden van de coalitie van landen die méér willen op gebied van dierenwelzijn. Hierdoor zal naar verwachting ook meer draagvlak ontstaan voor (onderdelen uit) de positionpapers. Zweden heeft zich in april 2015 bij de kopgroep gevoegd en Luxemburg, Slovenië en België hebben interesse. Het EU-dierenwelzijnsplatform kan bij de zoektocht naar gedeeld draagvlak onder lidstaten voor verdere dierwelzijnsverbetering een vliegwielfunctie vervullen. Daarnaast zet ik met verschillende lidstaten in op nieuwe agenderende positionpapers, bijvoorbeeld over het welzijn van opfokleghennen.

Mondiaal

Zoals aangegeven in de beleidsbrief van oktober 2013 levert Nederland een bijdrage aan het versterken en uitbreiden van dierenwelzijnsaanbevelingen van de werelddiergezondheidsorganisatie OIE. Nieuw is de OIE-standaard voor melkvee.

Ik ben van mening dat de EU de markt niet (verder) moet openen door het verwijderen van tariefbarrières voor producten van dieren die gehouden zijn op een welzijnsniveau ónder dat van de EU-standaarden. Dit heb ik ook aangegeven tijdens het Algemeen Overleg Landbouw en Visserijraad van 5 april jl. en tijdens de conferentie van Eurogroup for Animals in maart 2016.

Regelgeving

Op 30 september 2015 is het Besluit houders van dieren gewijzigd. Met ingang van 1 januari 2017 is het verboden pluimvee waarop ingrepen zijn toegepast die in Nederland niet zijn toegestaan te gebruiken voor productie. Dit verbod is bedoeld als ondersteuning van het verbod op het verrichten van ingrepen. Dit is vooral belangrijk voor het toezicht op de naleving. Het voorkomt dat pluimveehouders zouden kunnen beschikken over dieren die verboden ingrepen hebben ondergaan, ook als die ingreep in het buitenland heeft plaatsgevonden. Bij de datum van de inwerkingtreding is rekening gehouden met de levensduur van hanen die zijn geïmporteerd voor de productie en waarbij in het buitenland een ingreep heeft plaatsgevonden die in Nederland sinds 2015 is verboden.

Het Besluit houders van dieren en het Besluit diergeneeskundigen zijn 1 juli 2014 in werking getreden en dienen ter bescherming van het welzijn en de gezondheid van dieren. Een besluit tot wijziging van deze beide besluiten zal binnenkort aan uw Kamer worden aangeboden. Deze wijzigingen komen voort uit het notaoverleg over de aanhangige ontwerpbesluiten inzake de Wet Dieren van 25 maart 2013 (Kamerstukken II 2012/13, 31 389, nr. 125), de beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 28 286, nr. 651) en een motie ingediend tijdens de behandeling van het voorstel van wet tot tijdelijke wijziging van de Visserijwet 1963 (Kamerstukken II 2010/11, 32 658, nr. 14). Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan een aantal toezeggingen en vindt een aantal redactionele wijzigingen plaats. Het gaat om de volgende wijzigingen:

  • Verbod op het vriesbranden van rundvee (koudmerken);

  • Verbod op het aanbrengen van een neusring bij mannelijke varkens;

  • Toestaan van onthoornen van geitenlammeren op kinderboerderijen in verband met veiligheid bezoekers;

  • aanvulling van artikel 1.3. in het Besluit houders van dieren waarin gedragingen worden genoemd die in elk geval als dierenmishandeling worden gekwalificeerd als invulling van het verbod op dierenmishandeling (Wet dieren artikel 2.1.): a) een verbod op het gebruik van of het vastbinden of aanlijnen van een dier met een voorwerp met scherpe uitsteeksels waarmee pijn aan het dier kan worden toegebracht en b) een verbod op het gebruik van apparatuur waarmee het dier door middel van stroomstoten, elektromagnetische signalen of straling pijn kan worden toegebracht (waarbij enkele uitzonderingen zijn gemaakt ter voorkoming van o.a. gevaar voor mens en dier);

  • Het doden van het dier op het primaire bedrijf moet gebeuren op een verantwoorde, welzijnsvriendelijke wijze. Dat is de verantwoordelijkheid van de veehouder. Hij draagt zorg voor het welzijn van zijn dieren, ook als ze wrak zijn of geëuthanaseerd moeten worden vanwege bijvoorbeeld bedrijfseconomische redenen. Bij het doden van dieren moeten de artikelen 1.12 tot en met 1.14 van het Besluit houders van dieren worden nageleefd. Deze artikelen zien erop toe dat bij het doden van een dier elke vermijdbare pijn, spanning of lijden wordt bespaard, er een methode wordt gehanteerd die waarborgt dat de dood onmiddellijk of na bedwelming, maar vóórdat de bewusteloosheid is geweken, intreedt en dat degene die het dier doodt beschikt over aantoonbare kennis en vaardigheden. In het wijzigingsbesluit wordt een grondslag in artikel 1.13 van het Besluit houders van dieren om bij ministeriële regeling nadere invulling te geven aan welke methoden geschikt worden geacht om wrakke dieren op eigen bedrijf te doden.

  • Een aanvulling op artikel 1.20 van het Besluit houders van dieren met een extra categorie voor het scheiden van jonge konijnen van hun moeder;

  • In artikel 1.20 van het Besluit houders van dieren is voorts de scheidingsleeftijd voor apen herzien n.a.v. de inbreng van de Stichting AAP en een nadere screening van Wageningen UR;

  • Het instellen van een schemerperiode van minimaal een uur tussen de donker- en lichtperiode voor bedrijfsmatig gehouden konijnen (van donker naar licht was al voorzien);

  • Een grondslag in artikel 5 van het besluit houders van dieren voor het bij ministeriële regeling kunnen stellen van regels ten aanzien van de methoden waarmee de aal wordt bedwelmd. In de regeling worden eisen vastgelegd waaraan een apparaat voor (elektrische) bedwelming van paling moet voldoen;

  • Een aantal technische en redactionele aanpassingen zoals de spleetbreedte voor de roostervloeren van vleesvarkens (in overeenstemming gebracht met de thans door de Europese Commissie gegeven uitleg aan de toepasselijke bepaling van richtlijn nr. 2008/120/EG.), enkele aanpassingen van de huisvestingsregels voor legkippen die worden gehouden voor het testen in verband met de fokkerij, redactionele aanpassingen zoals de volgens de meest recente nomenclatuur incorrect gespelde namen van insecten en het plaatsen van de visfamilie Seriola spp op de lijst van voor productie te houden dieren.

Huisdierenlijst zoogdieren (positieflijst)

In de brief van 3 november 2015 (Kamerstuk 28 286, nr. 848) is aangegeven dat ten behoeve van de huisdierenlijst een wijziging van het Besluit houders van dieren in procedure is gebracht, waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling bijzondere houderijvoorschriften vast te stellen voor bepaalde aangewezen diersoorten en ook wordt voorzien in een fokverbod voor dieren die niet op de positieflijst zijn geplaatst. Het stellen van houderijvoorschriften komt aan de orde bij de beoordeling van de in Nederland gehouden zoogdiersoorten door de Positieflijst Expert Commissie (PEC) en Positieflijst Adviescommissie (PAC). Besloten is de ontwerp-AMvB aan te houden tot het advies van de PAC is ontvangen.

Ook is u in dezelfde brief gemeld dat op verzoek van de PAC het juridisch kader is verduidelijkt. Ik heb na toetsing de voorzitter van de PAC verzocht het werk van de commissie te hervatten en mij een nieuwe planning te sturen. Mede naar aanleiding van het opgestelde juridisch kader is gebleken dat op een aantal punten de methode qua uitwerking een nadere aanscherping behoefde. De aangescherpte beoordelingsmethode maakt het noodzakelijk alle eerder beoordeelde soorten opnieuw tegen het licht te houden. De oplevering van alle beoordelingen schuift hierdoor naar eind 2016. Nadat de huisdierenlijst zoogdieren is afgerond en van de ervaringen kan worden geleerd zal bekeken worden op welke wijze de huisdierenlijst vogels en reptielen vorm wordt gegeven.

Landbouwhuisdieren

Ingrepen

Het veilig achterwege laten van ingrepen zonder dat daarbij andere welzijnsschade optreedt kost tijd, onderzoek en uitproberen in de praktijk. Sector, keten en Dierenbescherming werken daar actief aan, conform de beleidsbrief dierenwelzijn. Randvoorwaarden zoals het kunnen vermarkten van producten op de (inter)nationale markt spelen daarbij ook een rol. De afzet van vlees van niet gecastreerde Nederlandse varkens en levende biggen wordt geremd doordat in de belangrijkste afzetlanden zoals Duitsland, België en Frankrijk de vraag naar vlees van niet gecastreerde dieren maar langzaam op gang komt vanwege de vrees voor berengeur.

De omschakeling naar hele snavels bij legpluimvee wordt juist gestimuleerd door marktontwikkelingen in Duitsland waar de vraag naar eieren van onbehandelde leghennen toeneemt en waar de pluimveesector en overheid hebben afgesproken om snavels van leghennen niet meer te behandelen per 1 augustus 2016.

De Europese Commissie heeft in maart 2016 een aanbeveling opgeleverd die nader duiding geeft aan de Varkensrichtlijn. Deze aanbeveling moet boeren en handhavers duidelijkheid geven over welk type hokverrijkingsmateriaal geschikt wordt geacht en welk type managementmaatregelen genomen kunnen worden om toe te werken naar het stoppen met couperen van staarten. Ik bekijk samen met mijn collega’s in Zweden, Denemarken en Duitsland en met de NVWA hoe uitvoering gegeven kan worden aan deze aanbeveling. De sector pakt dit op in het kader van de Verklaring van Dalfsen en zal hierbij ook de samenwerking zoeken met vergelijkbare initiatieven in Duitsland.

Maart 2016 verscheen in het kader van de Verklaring van Dalfsen het rapport «Varkens met een intacte staart» over het in 2014 en 2015 uitgevoerde demonstratieproject, inclusief de ontwikkeling van een vangnet, de opstart van het praktijknetwerk en internationale samenwerking (http://www.wageningenur.nl/upload_voortgangsrapportage varkens met een intacte staart.pdf). Het demonstratieproject dat is uitgevoerd in 2014 en 2015 geeft inzicht in de knelpunten en mogelijkheden om varkens met intacte staarten te houden. Ondanks alle inspanningen om bijtproblemen te voorkomen, hebben deze zich voorgedaan tot in de laatste ronde. In de tweede helft van 2015 is het praktijknetwerk «reduceren van bijtgedrag bij varkens» opgestart waarbij deelnemers tijdens onderlinge bedrijfsbezoeken ervaringen delen en starten met het minder kort couperen van de staarten. De resultaten van het praktijknetwerk vormen de basis waarmee in 2017 opschaling zal plaatsvinden. Op internationale congressen is de Nederlandse aanpak van de Verklaring van Dalfsen gepresenteerd met als doel kennis te delen en te komen tot een harmonisatie in de aanpak van de staartproblematiek in Europa. Samenwerking op internationaal onderzoek met o.a. Duitsland en Denemarken wordt ook in 2016 voortgezet. De internationale samenwerking is, in verband met de export van biggen, van groot belang voor de Nederlandse varkenshouderij. Op het moment dat de handelspartners geen dieren met langere of intacte staarten willen hebben heeft dat grote gevolgen voor de Nederlandse handelspositie.

Zoals toegezegd zal ik met de sector in overleg gegaan over een realistische einddatum om te stoppen met couperen (Kamerstuk 28 286, nr. 773, dd. 2 dec 2014). De Europese aanbeveling, het rapport «Varkens met een intacte staart» en de resultaten uit het praktijknetwerk die eind dit jaar beschikbaar komen vormen daarvoor de basis.

De Europese expertgroup (Europese «Verklaring van Brussel») heeft een geactualiseerde roadmap 2015–2018 gemaakt voor de uitfasering van castratie. Via Publiek Private Samenwerking wordt daartoe Boars 2018, een Nederlands initiatief dat de positieve ervaringen in Nederland met stoppen met castreren deelt met de lidstaten, gefinancierd.

Kwaliteitssystemen transport en preventie

De ontwikkeling van kwaliteitssystemen voor transport door de sector vraagt meer tijd dan aanvankelijk was voorzien. Alvorens ik de sectoren op basis van een kwaliteitssysteem toezichtmodaliteiten ga verlenen moet bewezen zijn dat de systemen werken en de borging goed is. De kalver- en varkenssector hebben in 2015 praktijktesten uitgevoerd om eventuele praktische bezwaren van een nieuw kwaliteitssysteem voor transport beter in beeld te krijgen. Dit heeft ertoe geleid dat de varkenssector is gestart met een tweede praktijkproef en de kalversector nu een tweede nieuwe praktijkproef voorbereidt om de verbeterde systematiek te toetsen. De pilot voor weideschapen en runderen is gestart op 1 juli 2015 en duurde 6 maanden. Op basis van ervaringen is de borging verbeterd en is de pilot – onder voorwaarden- nog eens met 6 maanden verlengd. De NVWA monitort en evalueert de werking van de verschillende kwaliteitssystemen. Naar aanleiding daarvan zal ik besluiten of de kwaliteitssystemen worden erkend en er toezichtmodaliteiten zoals klepkeuring bij varkens of meerdere verzamelslagen bij runderen verleend worden.

Vissen

Het bedwelmen en doden van vissen is en blijft een aandachtspunt van zowel sector als overheid.

Zeevis

Het onderzoeks- en proefproject voor het bedwelmen van de drie platvissoorten schol, schar en tong aan boord van vissersvaartuigen gaat het laatste jaar in. Er zijn aanwijzingen dat het mogelijk is om deze vissen in één stap met stroom te bedwelmen én te doden. Eind dit jaar zal duidelijk worden of en welke vervolgstappen nodig zijn. Ik zal uw Kamer daarover informeren met de volgende standvanzakenbrief dierenwelzijn.

Viskweek

Voor de belangrijkste soort die in Nederland wordt gekweekt, namelijk paling (aal) is al langere tijd een bedwelmingsapparaat beschikbaar. De sector heeft de mogelijkheid gehad subsidie aan te vragen voor de aanschaf van een bedwelmingsapparaat: er zijn 7 apparaten voor grote hoeveelheden (500–1.000 kg/dag) aangeschaft en 15 apparaten voor kleine tot middelgrote hoeveelheden (10–15 kg/dag).

De verplichting tot het bedwelmen van aal voorafgaand aan de slacht wordt geregeld met het besluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren dat binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden.

Daarnaast werkt de sector aan een goede waterkwaliteit. Wageningen UR heeft op basis van onderzoek grenswaarden bepaald voor de waterkwaliteitsparameters ammoniak, nitraat en nitriet van het kweekwater voor Claresse en Afrikaanse Meerval en een grenswaarde voor ammoniak voor de Europese paling en snoekbaars. Voor 2016 is – mede door mijn ministerie gefinancierd – onderzoek gepland naar de grenswaarde voor nitriet in het kweekwater voor paling.

Gezelschapsdieren

Het rapport «Feiten & Cijfers Gezelschapsdieren 2015 is aan uw Kamer toegestuurd op 3 november 2015 (Kamerstuk 28 286, nr. 848): Nederland telt in 2014 circa 33,4 miljoen gezelschapsdieren, ruim 12 procent meer dan in 2010. Het blijft daarom belangrijk te werken aan het verbeteren van welzijn en gezondheid van gezelschapsdieren, met aandacht voor de juiste voeding en verzorging, het voorkómen van een teveel aan dieren en het verminderen van welzijnsaantasting door het fokken op extreme (uiterlijke) kenmerken. Naast de regels die gesteld zijn in het Besluit houders van dieren (2014), hebben ook in 2015 verschillende partijen gewerkt aan het goed informeren van kopers en verkopers door voorlichting en campagnes.

De aankoop en verzorging van gezelschapsdieren – impulsaankopen

De door EZ gefinancierde campagne van het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG) «Voorkomen impulsaanschaf huisdieren» uit 2014 (Kamerstuk 28 286, nr. 799) is in 2015 herhaald. Doel van de campagne was dat mensen zich zorgvuldiger oriënteren en beter geïnformeerd beginnen aan het houden van huisdieren.

De Koninklijke Hondenbescherming heeft eind 2015 een door mijn ministerie gefinancierde campagne «basiskennis aanschaf hond» gelanceerd (Kamerstuk 28 286, nr. 799, dd. 30 maart 2015). Basis vormt het door de Koninklijke Hondenbescherming gefinancierde promotieonderzoek Impulsaankopen Honden bij de Rijks Universiteit Groningen.

De afspraken die de onlinehandelsplaatsen Marktplaats, Speurders, 2ehands, Marktplaza en Marktnet met elkaar hebben gemaakt over juiste en tijdige informatievoorziening inzake impulsaankopen zijn nog van kracht. Het jaarlijkse overleg met deze partijen en alle andere betrokken organisaties zal voor de zomer plaatsvinden. De NVWA, Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en mijn ministerie voeren bovenop de eerder gemaakte afspraken met de online aanbieders, overleg met Marktplaats over de mogelijkheden om extra eisen te stellen aan het plaatsen van advertenties van honden om zo misstanden in hondenhandel via internet tegen te gaan.

De NVWA heeft een pilot uitgevoerd waarmee internetaanbieders van pups benaderd zijn en gewezen op de regelgeving. Dit wordt in 2016 vervolgd door het uitvoeren van een aantal controles bij die aanbieders die door de NVWA als hoog-risico zijn gekwalificeerd in de pilot. Daarna wordt bezien of en hoe een dergelijke vorm van toezicht en handhaving via internet gecontinueerd kan worden.

Handel in gezelschapsdieren

Op http://ec.europa.eu/food/animals/docs/aw_eu-strategy_study_dogs-cats-commercial-practices.pdf treft u het onderzoek naar het welzijn van honden en katten in de handel uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie. De studie constateert onder andere dat:

  • wetgeving over welzijn, identificatie en registratie van honden (en katten) in bijna alle lidstaten aanwezig is maar de mate van regulering en de gegevens die worden geregistreerd verschillen per lidstaat;

  • er geen goed beeld is van het handelsverkeer en de omvang van de misstanden in de hondenhandel maar flinke onderrapportage in TRACES ((Trade control and export system) vermoed wordt;

  • systematische identificatie, registratie en toezicht op het verkeer zou bijdragen aan het verzamelen van gegevens en een transparantere markt;

  • Europese consumenten niet altijd goed geïnformeerd zijn bij de aankoop van een huisdier;

  • de naleving van de veterinaire voorschriften beter gehandhaafd moet worden;

  • kennisuitwisseling tussen lidstaten een grote meerwaarde zou hebben.

Op dit moment laat ik een evaluatie uitvoeren naar het huidige beleid op het terrein van de handel in honden en naar I&R-hond. Dit onderzoek bevindt zich in de afrondende fase. Mijn inhoudelijke reactie op het Europese rapport doe ik u toekomen tezamen met deze nationale beleidsevaluatie.

Via het Landelijke Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG) is in februari de campagne «Ontmasker de foute fokker» gestart. Deze door mij gefinancierde campagne beoogt potentiële kopers van honden te waarschuwen voor fokkers en handelaren die de wetgeving overtreden. Via cartoons en filmpjes die verspreid worden via social media worden tips gegeven die kopers helpen bij een verantwoorde aanschaf van een hond, bijvoorbeeld door te wijzen op de vaccinatieplicht en een goede socialisatie van pups. Via de korte cartoons kan doorgeklikt worden naar de «puppychecklist» van het LICG met uitgebreide informatie over het aankopen van een hond.

Fokken van gezonde honden en katten

In aanvulling op de eerste voortgangsbrief en de brief van 12 februari 2015 (Kamerstuk 28 286, nr. 782, dd. 12 februari 2015) kan ik melden dat ik het proces om de ambities uit het Fairfok-plan te realiseren financieel ondersteun. Bijgaand stuur ik u de eerste voortgangsrapportage van «Fairfok», waarin de stakeholders aangeven waar ze op dit moment staan (https://www.houdenvanhonden.nl/gezond-fokken-met-fairfok/plan-fairfok).

In het incidentieonderzoek naar erfelijke aandoeningen bij gezelschapsdieren, dat in 2013 is gestart aan de Faculteit Diergeneeskunde (FD), zijn inmiddels 7 hondenrassen en 2 kattenrassen kwalitatief onderzocht. Op dit moment vindt kwantitatief onderzoek plaats bij 38 hondenrassen. Dierenartsenpraktijken kunnen op basis van een in het project ontwikkelde applicatie incidentiegegevens van aandoeningen bij honden en katten gestandaardiseerd inzamelen. De data worden centraal in een database van de FD opgeslagen en zijn beschikbaar voor onderzoek. Eind dit jaar wordt de eindrapportage van het incidentieonderzoek verwacht. Naast door EZ gefinancierd onderzoek dragen ook private initiatieven bij aan het incidentieonderzoek, zoals het door de Stichting Meijer Boekbinderfonds gefinancierde onderzoek naar een DNA-test voor opsporen van erfelijke zenuwziekten bij het Kooikerhondje en de Friese Stabij.

Op basis van het onderzoek van de FD heeft het LICG oktober 2015 de rashondengids gelanceerd op internet. Hier staan nu van 38 hondenrassen beschrijvingen en kwalitatieve informatie over de gezondheid van deze rassen. In de loop van dit jaar zal kwantitatieve informatie over aandoeningen per ras hieraan worden toegevoegd. Hierbij zal indien statistisch verantwoord, ook onderscheid gemaakt worden tussen honden met en zonder een stamboom (look-alikes).

Opvang van dieren

Er zijn in 2015 minder gezelschapsdieren in beslag en bewaring genomen, na een stijgende trend in de afgelopen jaren tot en met 2014. In 2014 betrof dit 1.681 gezelschapsdieren, in 2015 ging het om 1.020 dieren. De samenwerking met de Dierenbescherming bij het herplaatsen van in beslag of bewaring genomen dieren is het afgelopen jaar gecontinueerd, en verloopt goed.

Bij de landbouwhuisdieren daarentegen zet de stijgende lijn flink door. Ging het in 2013 nog om ruim 1.200 dieren, in 2014 en 2015 steeg dat respectievelijk naar bijna 6.000 en 11.000 dieren. Dit komt door een klein aantal zaken waarbij veel dieren in een keer in bewaring genomen moesten worden. Zoals ook in de eerste standvanzakenbrief aangegeven, is dat waarschijnlijk een gevolg van de economische crisis van landbouwbedrijven. Bij het Vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren stijgt de vraag naar vrijwillige hulp.

Dierenbescherming en Dibevo voeren in 2016 een pilot uit waarin verkend wordt of konijnen en andere knaagdieren uit de opvang via dierenwinkels een tweede kans kunnen krijgen (Kamerstuk 28 286, nr. 651, dd. 4 oktober 2013). Deze pilot wordt gefinancierd door mijn ministerie. Op dit moment worden er concrete ideeën uitgewerkt voor een goed verkoopconcept. De verwachting is dat het concept voor de zomer gereed is, waarna met de pilot gestart kan worden.

Moties, toezeggingen en commissieverzoek

Met deze brief geef ik:

  • een reactie op het Commissieverzoek van 5 april jl. over de toename van het aantal biggen dat in de eerste weken na de geboorte sterft (kenmerk 2016Z06904);

  • invulling aan de toezegging over hondenleer (Kamerstuk 21 501-32, nr. 840, dd. 18 mei 2015);

  • de stand van zaken over het onderzoek naar de semigroepshuisvesting voor moederkonijnen (motie van het lid Van Dekken, Kamerstuk 28 286, nr. 742);

  • de stand van zaken inzake bijtincidenten (Kamerstuk 28 286, nr. 772, dd. 20 november 2014);

  • een reactie op de aangehouden motie van het lid Graus (PVV) met het verzoek een werkgroep forensische diergeneeskunde in het leven te roepen (Kamerstuk 28 286, nr. 824).

  • een reactie op de aanbevelingen uit de zienswijze Fokkerij en Voortplantingstechnieken van de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA);

  • een reactie op de motie van het lid Thieme (PvdD) waarbij de regering wordt gevraagd om binnen een half jaar een plan van aanpak te presenteren dat erop gericht is om kalveren voor een bepaalde tijd bij de moeder te laten (Kamerstuk 33 979, nr. 104);

Ook maak ik van de gelegenheid gebruik om u te wijzen op het uitkomen van:

  • het onderzoek in opdracht van de Europese Commissie naar het welzijn van honden en katten in de handel en een campagne van het LICG over handel in honden;

  • een inventarisatie van de maatregelen en acties in de EU-lidstaten om ingrepen uit te faseren door Wageningen-UR op verzoek van mijn ministerie (http://edepot.wur.nl/374964).

Sterfte onder biggen

Uit de laatste voortgangsrapportage van de Stuurgroep bigvitaliteit en de cijfers van Agrovision is gebleken dat het aantal doodgeboren biggen en het aantal biggen dat vlak na de geboorte (tot het spenen) sterft, in 2015 met 0,6% is toegenomen ten opzichte van 2014: van 12,9 naar 13,5%. Het gaat dan om een gemiddeld sterftepercentage bij zowel grote als kleine varkensbedrijven. Uw Kamer heeft gevraagd om een reactie op de toename van de biggensterfte (kenmerk 2016Z06904).

De varkenshouderij heeft in 2009 beloofd dat ze de sterfte van biggen zou terugdringen. De vertegenwoordigers van de sector is gevraagd om een verklaring voor deze stijging en met hen is besproken hoe ze de beloofde daling alsnog gaan realiseren. In elk geval moet er een einde komen aan het steeds verder vergroten van het aantal biggetjes dat per keer geboren wordt. Uitgangspunt is dat biggen bij hun eigen moeder kunnen drinken.

De toename van de sterftecijfers vind ik een zorgelijke en ongewenste ontwikkeling. De stuurgroep bigvitaliteit, met vertegenwoordigers van de sector, erkent de problemen en beseft dat ze aan de slag moet. Ze komt voor het zomerreces met een geactualiseerd plan van aanpak. Hierbij wordt het plan van aanpak van 2009 grondig doorgenomen en worden nieuwe afspraken gemaakt om de biggensterfte aan te pakken. Daarbij zal niet alleen gekeken worden naar oorzaken en technische oplossingen, maar ook naar het aantal biggen dat een zeug krijgt.

Daarbij vind ik dat er grenzen zijn aan het steeds verder vergroten van het aantal biggetjes dat per keer geboren wordt. Het fokkerijuitgangsmateriaal is afkomstig van internationaal opererende fokkerijorganisaties die niet alleen voor de Nederlandse markt leveren. Deze organisaties fokken op toomgrootte, al is er steeds meer aandacht voor het produceren van vitale biggen. Het is derhalve aan de varkenssector om hierover het gesprek aan te gaan met de fokkerijorganisaties. Daarbij moet de nadruk liggen op kwaliteit van de biggen(productie) en niet eenzijdig op kwantiteit. Een kwalitatieve verbetering is ook van belang voor het behoud en verder uitbouwen van de vraag van belangrijke exportmarkten naar gezonde en robuuste Nederlandse biggen.

Dierlijke producten in kleding

Met de brief van 18 december 2014 (Kamerstuk 28 286, nr. 777) is uw Kamer geïnformeerd over de gemaakte afspraken met de kleding- en textielsector over het aanpakken van de geconstateerde problematiek rondom het gebruik van angorawol, wasbeerbont en andere dierlijke producten in kleding en textiel.

De kleding- en textielsector is eerstverantwoordelijke om de geconstateerde problematiek rond dierlijke producten in haar kleding aan te pakken. De sector heeft op 25 juni 2015 samen met het Ministerie van EZ een bijeenkomst over dierenwelzijn in de textiel- en kledingsector georganiseerd en op 9 maart jl. verscheen de tekst van het Convenant Duurzame Kleding en Textiel. Dierenwelzijn is onderwerp in dit convenant waarin de textiel- en kledingsector, Stichting Viervoeters en de overheid aangeven zich samen te willen inzetten om dierenleed in de productie- of toeleveringsketen te voorkomen, te verminderen en uit te bannen en te streven naar het realiseren van garanties voor dierenwelzijn bij gebruik van producten van dierlijke oorsprong. In bijlage 1 van de convenantstekst is opgenomen wat van bedrijven wordt verwacht wanneer zij het convenant ondertekenen. Hierin staat onder andere dat van bedrijven wordt verwacht dat zij hun collecties screenen op het gebruik van dierlijke materialen met een risico op het schenden van dierenwelzijn en adequate actie ondernemen om dit soort materiaal te weren uit de collectie, of in te kopen bij leveranciers met strengere welzijnsnormen. Het is de bedoeling dat het convenant in juni 2016 ondertekend wordt. Zoals toegezegd in de antwoorden van het Schriftelijk Overleg Informele Landbouwraad van 27 mei 2015 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 843) is het onderwerp hondenleer in een overleg met Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking onder de aandacht gebracht. Leer afkomstig van alle diersoorten maakt inmiddels onderdeel uit van het Convenant Duurzame Kleding en Textiel, net als andere producten van dierlijke oorsprong. De bedoeling is dat tenminste 35 bedrijven die minimaal 30% van de omzet in Nederland vertegenwoordigen het convenant ondertekenen. Ik heb bedrijven in Nederland die mogelijk bont verkopen persoonlijk een brief geschreven waarin ik hen uitnodig het convenant te ondertekenen.

Parksysteem konijnen

Uw Kamer heeft de regering verzocht om groepshuisvesting voor vleeskonijnen en semigroepshuisvesting (parksysteem) voor moederkonijnen in nationale wetgeving op te nemen, op het moment dat uit onderzoek is gebleken dat een goed niveau van de gezondheid van jonge konijnen mogelijk is in het parksysteem (motie van het lid Van Dekken (PvdA), Kamerstuk 28 286, nr. 742). In 2015 is door mijn ministerie aan WUR opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de gezondheid van de konijnen binnen de verschillende parksystemen die het konijn meer welzijn verschaffen. In parksystemen komen vaker gezondheidsaandoeningen voor en het is nog onduidelijk wat de oorzaak daarvan is. Recentelijk is ook een onderzoek goedgekeurd van LTO, vakgroep Konijnenhouderij en Wageningen UR Livestock Research voor privaat-publieke samenwerking (PPS) binnen de Topsector Agri&Food.

Het onderzoek heeft als doel om de belemmeringen weg te nemen om konijnen integraal in parkhuisvesting te houden met een aanzienlijk verlaagd antibioticagebruik. De PPS bouwt voort op het eerder genoemde onderzoek en geeft inzicht in de economische, maatschappelijke en wetenschappelijke meerwaarde van het parksysteem in de konijnenhouderij. Het onderzoek start in 2016 en duurt tot en met 2019.

Bijtincidenten door honden

In de brief van 20 november 2014 (TK 28 286, nr. 772) is aangegeven de toegevoegde waarde van een landelijke databank voor bijtincidenten – zoals geadviseerd door de Raad voor Dierenaangelegenheden te onderzoeken. Op dit moment ontbreekt het aan een uniforme werkwijze hoe de bijtincidenten door politie en gemeenten worden geregistreerd en als direct gevolg daarvan treden gemeenten verschillend op in gelijke situaties. Daarom is de politie gestart met het ontwikkelen van een landelijk bijtincidentenprotocol met als doel de administratieve afhandeling te stroomlijnen. Dit protocol zal in nader overleg met de gemeenten worden besproken. Zodra het protocol klaar is, is het mogelijk voor de politie om het aantal bijtincidenten op een uniforme wijze in hun eigen interne systeem te registreren waarmee het gewenste inzicht verkregen kan worden.

Forensische diergeneeskunde

Naar aanleiding van de aangehouden motie van het lid Graus (PVV) met het verzoek een werkgroep forensische diergeneeskunde in het leven te roepen (Kamerstuk 28 286, nr. 824) heb ik aangegeven dat de aangedragen deskundigen in de gelegenheid zullen worden gesteld hun voorstel te delen. Met de deskundigen is eind januari gesproken.

Eind maart is informatie ontvangen over een beoogde stichting die forensisch onderzoek bij dieren kan uitvoeren. Ik bekijk dit voorstel momenteel samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie waarna er verder met de deskundigen overleg zal worden gevoerd.

Zienswijze «Fokkerij en Voortplantingstechnieken» van de Raad voor Dieraangelegenheden

De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) heeft een geactualiseerde zienswijze «Fokkerij en Voortplantingstechnieken uitgebracht. In de zienswijze worden tien aanbevelingen gedaan aan zowel fokkers als houders van dieren, dierenartsen en de overheid. De aanbevelingen bouwen voort op de aanbevelingen uit 2010 en adviseren het consistente gebruik van het afwegingskader voor fokkerij en voortplantingstechnieken, het verbeteren van de transparantie naar de maatschappij en het concretiseren van het afwegingskader voor kleine fokkers. Ik vind het goed dat de RDA de zienswijze geactualiseerd heeft. Het afwegingskader wordt reeds toegepast door diverse fokkerijorganisaties. Het Fairfokplan van de Raad van Beheer op kynologisch gebied in Nederland (RvB) is langs dezelfde aanbevelingen opgesteld.

Ik kan mij vinden in de aanbevelingen van de RDA en ik vraag alle partijen de maatschappij inzicht te geven in de afwegingen die zij maken. Een aantal aanbevelingen is specifiek voor de overheid. Hieronder zal ik daar nader op ingaan.

Aanbevolen wordt om een algemene bepaling voor het – zover mogelijk – voorkomen van welzijns- en gezondheidsproblemen bij het fokken van landbouwhuisdieren wettelijk te verankeren in het Besluit houders van dieren, conform artikel 3.4 over fokken met gezelschapsdieren.

Bij het fokken van gezelschapsdieren spelen – anders dan bij landbouwhuisdieren – uiterlijke kenmerken een grote rol. Dat wordt een probleem als gefokt wordt op (uiterlijke) kenmerken die welzijnsaantasting met zich meebrengen zoals de ademhalingsproblemen die ontstaan bij kortschedelige honden- en kattenrassen. Om het fokken van gezonde dieren te bevorderen zijn derhalve met ingang van 1 juli 2014 regels gesteld in artikel 3.4.van het Besluit houders van dieren. Die regels gelden voor zowel de bedrijfsmatige- als hobbymatige fokkers van gezelschapsdieren. Tot dan waren er – anders dan bij landbouwhuisdieren waar Europese fokkerijregelgeving van kracht is – geen regels over het voorkomen van welzijns- en gezondheidsproblemen door het fokken bij gezelschapsdieren.

Bij landbouwhuisdieren doen zich soms ook welzijnsproblemen voor als gevolg van het fokken op een bepaalde eigenschap, al is de inspanning er altijd op gericht om gezonde dieren te fokken. Daar heeft de ondernemer immers het meeste baat bij. Het is de verantwoordelijkheid van de sector om te zorgen voor een maatschappelijk aanvaardbare fokkerij. De oplossing ligt in acties die de sectoren zelf ondernemen, bijvoorbeeld in de Initiatiefgroep Duurzame Fokkerij of andere keteninitiatieven. De ruimte om nationale regels te stellen over landbouwhuisdieren is overigens beperkter dan bij gezelschapsdieren omdat er al Europese regelgeving is over fokkerij van landbouwhuisdieren.

De RDA beveelt verder aan dat in het kader van het Fokkerijbesluit de overheid dient te zorgen voor voldoende effectieve eisen aan fokkerijorganisaties en stamboeken. Het Fokkerijbesluit zou derhalve ook betrekking moeten hebben op pluimvee.

Het Nederlandse Fokkerijbesluit is gebaseerd op Europese zoötechnische richtlijnen die niet toezien op pluimvee. Deze richtlijnen stellen kaders aan de erkenningen voor het bijhouden van stamboeken voor runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en hebben betrekking op de handel in raszuivere dieren. Bij pluimvee is er geen sprake van stamboeken. Er is daarmee geen meerwaarde om het Fokkerijbesluit van toepassing te verklaren op pluimvee.

Bij inwerkingtreding van de nieuwe Europese verordening worden de Europese zoötechnische richtlijnen ingetrokken. De verordening werkt rechtstreeks.

De Nederlandse regelgeving zal worden aangepast, zodat aan de verordening uitvoering kan worden gegeven.

Kalveren bij de koe

Uw Kamer heeft naar aanleiding van het dertigledendebat over de melkveehouderij een motie aangenomen waarbij de regering wordt gevraagd om binnen een half jaar een plan van aanpak te presenteren dat erop gericht is om kalveren voor een bepaalde tijd bij de moeder te laten (Kamerstuk 33 979, nr. 104).

Het onderwerp kalf bij de koe raakt mensen. Dat blijkt zowel uit het debat in de Kamer als uit de vele reacties van de sector en maatschappelijke organisaties. Daar waar de een vooral reageert vanuit emotie, benadrukt de ander juist de feiten. Dat leidt tot een boeiende discussie waarbij alle belanghebbenden één ding gemeen hebben, namelijk een goede zorg voor het kalf. De afweging tussen dierenwelzijn, diergezondheid, natuurlijk gedrag en een rendabele bedrijfsvoering die daarbij gemaakt wordt, is niet voor alle partijen hetzelfde. En dat geldt ook voor melkveehouders. Of het kalf bij de koe gehouden wordt is sterk afhankelijk van het stalsysteem, het management en de wensen en keuzes van de melkveehouder. Zo worden pasgeboren kalveren op de meeste bedrijven – ook op advies van de rundveedierenartsen – direct gescheiden van de koe. Bedrijven hebben hier verschillende redenen voor zoals het (al jaren) toegepaste bedrijfssysteem, ter voorkoming van infectieziekten zoals para-tbc en omdat de boer(in) toezicht en controle wil houden op het individuele kalf. Er zijn ook melkveehouders die een andere weg kiezen: ongeveer 45 boeren houden op verschillende manieren hun kalveren langer bij de koe en jaarlijks komen er zowel gangbare als biologische melkveehouders bij.

Zoals ook aangegeven in mijn brief van 2 februari 2016 (Kamerstuk 33 797, nr. 107) vind ik het primair de verantwoordelijkheid van de melk- en kalverhouderij om samen met de zuivelketen na te denken over de vraag hoe kalveren een goede start kunnen krijgen. Ik zie onvoldoende reden waarom de overheid zou moeten bepalen of een kalf langere tijd bij de koe moet blijven. Dat is een afweging en keuze van de melkveehouder. Daarbij kan de huidige discussie over het houden van het kalf bij de koe zeker van invloed zijn en leiden tot een beweging naar meer melkveehouders die hun kalf op een of andere wijze langere tijd bij de koe willen laten. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn staat daarbij niet vast dat het kalf bij de koe houden per definitie beter is voor het welzijn van zowel kalf als koe.

Ook is de veiligheid van een kalf niet altijd geborgd, zeker niet in de gangbare stallen met roostervloeren en grote ligbedden. Ook de KNMvD heeft zich uitgesproken tegen het verplicht» bij elkaar houden van het kalf en de koe. Om melkveehouders te faciliteren die (op termijn) overwegen het kalf voor bepaalde tijd bij de koe te houden zal ik in overleg gaan met de sector, Dierenbescherming en het Louis Bolk Instituut om te bezien op welke wijze ervaringen gedeeld kunnen worden. Het is daarbij goed te realiseren dat een dergelijke stap vaak ook aanpassingen vergt aan het huisvestingssysteem die kostbaar zijn en niet van vandaag op morgen te realiseren.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam


X Noot
1

In maart 2016 is de nieuwe Eurobarometer verschenen, een opiniepeiling over de meningen van EU-burgers over dierenwelzijn: 27.000 burgers uit 28 lidstaten. De voornaamste bevindingen van de enquête illustreren dat het welzijn van dieren een zeer belangrijke kwestie is voor de Europeanen en dat het welzijn van landbouwhuisdieren én gezelschapsdieren beter moet worden beschermd dan nu het geval is. Een grote meerderheid vindt dat voor geïmporteerde producten van buiten de EU de zelfde normen voor dierenwelzijn moeten worden gehanteerd als die voor in de EU.