Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201728165 nr. 262

28 165 Deelnemingenbeleid Rijksoverheid

Nr. 262 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 januari 2017

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 28 september 2016 inzake het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2015 (Kamerstuk 28 165, nr. 256).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 18 januari 2017.

Vragen en antwoorden, voorzien van een inleiding, zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

Adjunct-griffier van de commissie, Van Zuilen

Inleiding

Een deel van de ingebrachte Kamervragen heeft betrekking op de zogenaamde «beleidsdeelnemingen», waarvan het aandeelhouderschap wordt ingevuld door andere bewindspersonen. Het betreft de vragen over Prorail, DC-ANSP en Winair, waarvan het aandeelhouderschap is belegd bij de Staatssecretaris van IenM; SSCS B.V., waarvan het aandeelhouderschap is belegd bij de Minister van BZK; EBN, Gasterra, Sababank en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen, waarvan het aandeelhouderschap is belegd bij de Minister van EZ. De antwoorden op deze vragen zijn opgesteld door de betreffende bewindspersonen en bied ik u namens hen aan. Eventuele vervolgvragen die betrekking hebben op de beleidsdeelnemingen kunt u aan de betreffende verantwoordelijke bewindspersoon stellen.

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Hoeveel vacatures zijn er ontstaan en vervuld in de afgelopen jaren bij de staatsdeelnemingen? Hoe was de man-vrouwverhouding binnen die vervullingen?

Antwoord 1

Er zijn in de periode 2013–2016 in totaal 35 nieuwe leden1 benoemd in raden van commissarissen bij deelnemingen in beheer bij het Ministerie van Financiën. Het betrof 16 vrouwen en 19 mannen, dat wil zeggen 46% vrouwen. In dezelfde periode van vier jaar zijn 17 nieuwe bestuurders benoemd, onder wie 4 vrouwelijke bestuurders, dat wil zeggen 24% vrouwen.

Vraag 2

In hoeverre is de fondsvorming van het Centrale Organisatie Voor radioactief Afval (COVRA) toereikend? Wat is de toekomstige verwachting hierover?

Vraag 68

Welke beleggingsresultaten zijn tegen gevallen in 2015 met betrekking tot COVRA?

Vraag 72

Wanneer is de oplossingsrichting voor de middelen voor de langetermijnopslag en eindberging duidelijk? Wat is de laatste stand van zaken?

Antwoord 2, 68 en 72

Dit voorjaar heb ik samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu uw Kamer geïnformeerd over de financiële situatie van COVRA2. COVRA slaat radioactief afval voor meer dan 100 jaar bovengronds op in speciaal daarvoor ontworpen gebouwen. Rond het jaar 2130 is een geologische eindberging voorzien. Aanbieders van radioactief afval betalen aan COVRA voor de eeuwigdurende zorg voor het afval dat zij aanleveren. Deze middelen zullen moeten aangroeien om uiteindelijk de eindberging van het afval te kunnen bekostigen. Alle middelen en toekomstige verplichtingen staan op de balans van COVRA en zijn niet ondergebracht in een aparte rechtspersoon.

Zoals ik in de eerder genoemde brieven heb aangegeven wordt het doelrendement van 4,3% op de middelen voor langetermijnopslag en eindberging al een aantal jaren niet gehaald. Hierdoor worden (boekhoudkundige) verliezen geleden: de verplichtingen (voorzieningen) van COVRA groeien harder dan de bezittingen, wat zich vertaalt in een negatief «renteresultaat». De goede resultaten op de bedrijfsvoering kunnen de achterblijvende rendementen deels compenseren. Zo behaalde COVRA in 2014 en 2015 nog bedrijfsresultaten van respectievelijk € 4,5 en € 5,2 miljoen, terwijl de renteresultaten in die jaren respectievelijk € 6 en € 6,7 miljoen negatief waren. Het nettoverlies dat resulteerde heeft geleid tot een afname van het eigen vermogen. Door de aanhoudende lage rendementen in 2016 wordt het eigen vermogen in 2016 naar verwachting negatief. De jaarrekening over 2016 wordt echter pas in de loop van 2017 vastgesteld. Het teruglopen van het eigen vermogen van COVRA en het vooruitzicht dat dit negatief wordt betekent niet dat er direct een probleem is voor de bedrijfsvoering en continuïteit van de onderneming. COVRA beschikt over een goede liquiditeitspositie en heeft geen bankschulden. Dit negatieve eigen vermogen is wel een indicatie dat het kunnen voldoen aan de verplichtingen op lange termijn voor opslag en eindberging onder druk kan komen te staan.

Inmiddels heb ik aan uw Kamer het voornemen aangekondigd om COVRA niet langer te verplichten om middelen aan te houden in de schatkist. De motivering daarvoor is opgenomen in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit3. Ik verwacht dat het creëren van ruimte in het beleggingsmandaat bijdraagt aan de oplossing voor de problematiek van de achterblijvende rendementen. Echter, ook met het nog vast te stellen ruimere mandaat kan ik geen verwachtingen uitspreken over de rendementsontwikkelingen. Wel kan ik met meer zekerheid zeggen dat – op basis van de vernieuwde contracten met aanbieders van afval – de geprognosticeerde resultaten op de bedrijfsvoering positief zijn. Dit vertaalt zich tevens in positieve kasstromen voor de komende jaren.

Vraag 3

In hoeverre kan Energiebeheer Nederland (EBN) haar huidige 40% aandeel in gaswinning afstoten? Wat zou dit opleveren?

Antwoord 3

Op grond van de Mijnbouwwet investeert EBN namens de Nederlandse Staat in de opsporing, winning en opslag van gas en olie. Het aantal deelnemingen in / samenwerkingsverbanden van EBN met nationale en internationale olie- en gasmaatschappijen schommelt al jaren rond de 200. Via het deelnemingenbeleid van EBN stimuleert de staat de olie- en gaswinning in Nederland en op het Nederlandse deel van het Continentale Plat en optimaliseert op deze wijze de bijdrage aan de staatskas met betrekking tot de olie- en gasbaten. Op grond van de Mijnbouwwet kan EBN haar belangen niet aan derden verkopen. Een deelneming / belang eindigt als het betreffende veld niet langer economisch rendeert, of wel als de winningsactiviteiten (definitief) worden gestaakt. Van het (tussentijds) afstoten van deelnemingen kan dus geen sprake zijn.

Vraag 4

Hoe vaak overtreedt Schiphol geluids- en uitstootnormen? Heeft Schiphol hier beleid op gevoerd?

Antwoord 4

Over de geluids- en uitstootnormen met betrekking Schiphol wordt de Kamer periodiek geïnformeerd door mijn ambtsgenoot van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Hierin speel ik als aandeelhouder geen rol. Ten aanzien van geluid kan worden gemeld dat door het Rijk gewerkt wordt aan het wettelijk verankeren van het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol (NNHS), welke regels omvat voor geluidspreferent vliegen. Het NNHS zal het huidige stelsel met handhavingspunten vervangen zodra de regelgeving in werking is getreden. In het huidige stelsel met de handhavingspunten is al sinds enkele jaren sprake is van een overschrijding van grenswaarden in één of meerdere handhavingspunten. De Staatssecretaris Infrastructuur en Milieu heeft aan de Kamer gemeld dat indien een overschrijding van grenswaarden in één of meerdere handhavingspunten het gevolg is van het vliegen volgens de regels van het geluidspreferent vliegen van het nieuwe nieuw normen- en handhavingstelsel er niet handhavend wordt opgetreden (Kamerstuk 31 936, nr. 296). Deze overschrijdingen hebben daarom niet geleid tot sanctionering vanuit Inspectie Leefomgeving en Transport. Het wetsvoorstel dat de nieuwe regels voor het NNHS bevat is door de Kamers aangenomen en kan in werking treden zodra het bijbehorende Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) in inwerking is getreden. Het LVB is nog in voorbereiding. Tot slot kan worden gemeld dat op Schiphol op dit moment geen sprake is van overschrijdingen van de uitstootnormen.

Vraag 5

Welk gedeelte van staatsdeelnemingen heeft inmiddels nieuwe statuten gekregen? Wordt daarbij ook gebruik gemaakt van art. 2:129 BW, als gevolge waarvan in de statuten een instructiebevoegdheid kan worden opgenomen voor de aandeelhouder?

Vraag 26

In hoeveel gevallen is er al actief gebruik gemaakt van art. 2:129 lid 3 en 4 BW? Klopt het dat door middel van dit artikel bevoegdheden kunnen worden neergelegd bij de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA), dus bij de Staat als aandeelhouder? Klopt het dat het hier gaat om goedkeuringsrechten, maar ook om de mogelijkheid dat de overheidsaandeelhouder actieve instructies geeft aan de Raad van Bestuur (RvB)?

Antwoord 5 en 26

In tabel 4.1 op pagina 13 van het jaarverslag treft u het overzicht van de stand van zaken van het doorvoeren van de standaardstatuten. Alleen de statuten van Holland Casino en Schiphol moeten nog aangepast worden. Bij Holland Casino zijn de statuten van de naamloze vennootschap in oprichting in overeenstemming met de standaardstatuten.

De instructiebevoegdheid is vastgelegd in artikel 2:129BW. Dit artikel bepaalt voor een naamloze vennootschap allereerst in lid 1 dat «het bestuur belast is met het besturen van de vennootschap». Dit is de grondslag voor de bestuursbevoegdheid en de bestuursautonomie; het bestuur bestuurt de vennootschap. De bevoegdheden van het bestuur vinden hierbij hun grenzen in de wet, de doelomschrijving van de vennootschap en in de statuten van de vennootschap.

In lid 4 wordt deze bestuurszelfstandigheid nader gerelativeerd, middels de zogenaamde «instructiebevoegdheid». In de statuten kan worden bepaald dat het bestuur gehouden is zich te gedragen naar de aanwijzingen van een vennootschapsorgaan betreffende de algemene lijnen van het te voeren beleid. Deze instructiebevoegdheid is vooral van belang voor concernverhoudingen, namelijk om het geven van centrale leiding door het bestuur aan het concern te faciliteren. De wettekst maakt het niet mogelijk om op basis van lid 4 een statutaire bepaling op te nemen waarbij bijvoorbeeld de aandeelhouder de mogelijkheid krijgt om concrete, danwel bindende, instructies aan de onderneming te geven. Het nadeel van dergelijke instructies is namelijk dat de aandeelhouder daarmee zeer dicht op de stoel van de bestuurder komt te zitten. Bovendien ben ik van mening dat een dergelijk bevoegdheid niet past bij een aandeelhouder op afstand, zoals dat ook is geformuleerd in de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid 2013 (bijlage bij Kamerstuk 28 165, nr. 165). Los van de wettelijke beperkingen van de instructiebevoegdheid, heeft de staat dus ook beleidsmatige overwegingen om een dergelijke bepaling niet in de standaardstatuten op te nemen. Het beleid gaat er vanuit dat de staat als aandeelhouder zich in principe niet met operationele zaken bezighoudt. De bevoegdheden uit de wet en standaardstatuten geven de staat voldoende zeggenschap en invloed om toezicht te houden op de onderwerpen zoals beschreven in de Nota Deelnemingenbeleid en op de belangrijke besluiten van de deelneming.

Vraag 6

Vallen alle staatsdeelnemingen onder Financiën en alle beleidsdeelnemingen onder de vakdepartementen?

Vraag 7

Zijn beleidsdeelnemingen ook staatsdeelnemingen?

Antwoord 6 en 7

Dit kabinet hanteert als uitgangspunt dat de Minister van Financien namens de staat optreedt als

aandeelhouder van de Nederlandse staatsdeelnemingen. Met de centralisatie van het aandeelhouderschap is de rol van de staat als aandeelhouder gescheiden van de rol van de staat als beleidsmaker, die berust bij het vakdepartement. In enkele gevallen is een uitzondering gemaakt op dit uitgangspunt en is het beheer van de aandelen van een staatsdeelneming niet expliciet gescheiden van de beleidsrol. In die situatie voert het betreffende beleidsdepartement ook het aandeelhouderschap. In dat geval wordt gesproken van «beleidsdeelnemingen».

Vraag 7

Zijn beleidsdeelnemingen ook staatsdeelnemingen?

Antwoord 7

Zie antwoord op vraag 6.

Vraag 8

Hoe hoog was de omzet van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) in 2015?

Antwoord 8

De netto-omzet in 2015 bedroeg € 46.097.529.

Vraag 9

Welke mogelijkheden zijn er om van de SNS Bank een volksbank te maken in handen van de Staat? Klopt het dat afspraken die met de EC zijn gemaakt als belemmering hiervoor worden gezien? Op welke manier kan op basis van voortschrijdend inzicht deze belemmering weggenomen worden?

Antwoord 9

Het handhaven van SNS Bank als «staatsbank» lijkt op gespannen voet te staan met het besluit van de Europese Commissie tot goedkeuring van het herstructureringsplan van SNS REAAL (waaronder SNS Bank). In dit herstructureringsplan is immers vastgelegd dat SNS REAAL wordt opgesplitst. Daarbij zou SNS Property Finance worden ondergebracht in een aparte afbouwentiteit, waarna de bank en verzekeraar separaat verkocht zouden worden. Er is geen tijdpad afgesproken met de Europese Commissie over de verkoop van SNS Bank. Wel heeft de Europese Commissie verzocht om een jaarlijkse beoordeling van de marktomstandigheden om de bank te privatiseren.

Vraag 10

Kan u de constatering dat de klanttevredenheid bij Holland Casino is gestegen kwantificeren?

Antwoord 10

Holland Casino meet de beleving van haar gasten met de Net Promotor Score (NPS). De NPS is een instrument voor het vaststellen van gastloyaliteit. De Net Promotor score wordt uitgedrukt in een absoluut getal tussen de -100 en de +100. In de vrijetijdssector ligt de NPS gemiddeld tussen de +15 en +20. Holland Casino had in 2014 een NPS van 17 en in 2015 een NPS van 23.

Vraag 11

Wat is de daling van het ziekteverzuim onder medewerkers van Holland Casino in procenten?

Antwoord 11

Bijgaand treft u de landelijke Holland Casino verzuimcijfers vanaf 2013.

Jaar

%

2013

4,95%

2014

5,00%

2015

3,80%

Vraag 12

Waarom is er voor de KNM geen omvang van het bedrijf opgenomen in figuur 3.1?

Vraag 93

Zijn de jaarrekeningen van de KNM over 2014 en 2015 inmiddels vastgesteld? Zo nee, wanneer gaat dit gebeuren?

Vraag 94

Waarom zijn er over 2014 en 2015 nog geen goedgekeurde cijfers? Wanneer kunnen deze er wel zijn?

Antwoord 12, 93 en 94

In het jaarverslag beheer staatsdeelnemingen zijn alleen definitieve (vastgestelde) jaarcijfers over 2014 en 2015 van de staatsdeelnemingen opgenomen. Problemen in de bedrijfsvoering bij KNM hebben ertoe geleid dat de jaarrekeningen over 2014 en 2015 nog niet definitief (vastgesteld) waren op het moment dat het jaarverslag beheer staatsdeelnemingen werd samengesteld. Derhalve kon ook de omvang van het bedrijf niet worden opgenomen in de figuur.

Onlangs zijn de jaarrekeningen vastgesteld en door KNM gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Hieronder treft u het figuur uit het jaarverslag beheer staatsdeelnemingen, aangevuld met de cijfers uit deze jaarrekeningen:

Financieel overzicht

(€ mln.)

2015*

2014*

2013

2012

2011

2010

Totaal activa

41

53

49

31

35

33

Eigen vermogen

– 10

– 2

11

11

10

10

Vreemd vermogen

27

27

38

20

25

22

Inkomsten

46,1

39,8

42,7

28,2

32,2

28,1

Winst

– 8,5

– 12,1

1,0

0,5

0,2

0,5

Dividend

0,0

0,0

0,5

0,2

0,1

0,2

Ontvangen door staat

0,0

0,0

0,5

0,2

0,1

0,2

Solvabiliteitsratio

– 24,4%

– 3,8%

22,5%

34,4%

29,4%

31,3%

Rendement op gemiddeld eigen vermogen

negatief

negatief

9,0%

4,7%

1,7%

5,0%

Pay-out ratio

0%

0%

50%

50%

50%

40%

Bedrijfsspecifieke kerncijfers
 

2015*

2014*

2013

2012

2011

2010

Productie van euromunten (mln.)

57,4

71,2

39,1

16,4

26,2

40,0

             

Aantal werknemers (fte)

107

99

88

88

84

90

Vraag 13

Hoe relateert u de categorisering van KLM in de categorie «permanent aandeelhouderschap» waarbij een meerderheidsbelang gewenst is met het huidige belang in KLM?

Vraag 14

Waarom zijn Thales, KLM en de NWB Bank wel permanente deelnemingen maar is er geen meerderheidsbelang?

Antwoord 13 en 14

KLM is gecategoriseerd als een staatsdeelneming die de staat permanent in handen heeft. Het permanent aandeelhouderschap betekent niet automatisch dat er sprake moet zijn van een meerderheidsbelang. De reden van het minderheidsbelang van de aandelen van de staat in KLM is gelegen in de nationaliteitsvereiste in de luchtvaartverdragen. Gezamenlijk met de twee Nederlandse stichtingen, Stichting Administratiekantoor KLM (SAK 1) en Stichting Administratiekantoor Cumulatief Preferente Aandelen C KLM (SAK 2) is het «Nederlandse» aandeelhoudersbelang meer dan 50%.

Ook voor NWB Bank en Thales geldt dat het feit dat deze deelnemingen als «permanente» zijn bestempeld niet automatisch betekent dat er een meerderheidsbelang nodig is. De met deze staatsdeelnemingen gemoeide publieke belangen kunnen afdoende worden geborgd met een minderheidsbelang van de staat.

Vraag 14

Waarom zijn Thales, KLM en de NWB Bank wel permanente deelnemingen maar is er geen meerderheidsbelang?

Antwoord 14

Zie antwoord op vraag 13.

Vraag 15

Wat zijn de andere stappen die gezet dienen te worden voordat de overname van Propertize kan worden afgerond?

Antwoord 15

Bij brief van 27 september jl.4 heb ik u geïnformeerd over de voltooiing van de verkoop van Propertize B.V. aan het consortium Lone Star Funds / J.P. Morgan Securities Plc. Op 27 september zijn de aandelen in het kapitaal van Propertize overgedragen. De overname is daarmee afgerond.

Vraag 16

Wanneer verwacht u een visie op de loterijmarkt te formuleren, waarna een besluit tot privatisering kan worden genomen?

Vraag 17

Wanneer zal de visie op de loterijmarkt naar verwachting naar de Kamer worden gestuurd?

Antwoord 16 en 17

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft de afgelopen periode een breed aantal beleidsopties onderzocht voor herinrichting van vijf monopolies (staatsloterij, lottospel, sporttotalisator, instantloterij en totalisator). Bij het maken van keuzes omtrent herinrichting van deze markten zijn de drie beleidsdoelstellingen leidend: het voorkomen van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van criminaliteit en illegaliteit. Daarbij is een belangrijke doelstelling van de modernisering van het kansspelbeleid dat een passend en attractief aanbod voor de consument ontstaat dat hen wegleidt van het illegale aanbod. Daarbij acht ook ik het van groot belang in kaart te brengen wat de gevolgen zijn voor de afdrachten aan het algemeen belang, alvorens wordt overgegaan tot een wijziging in de marktordening. Een aantal van de onderzochte beleidsopties voor herinrichting van de vijf monopolies worden dan ook getoetst op de financiële consequenties voor de staat en goede doelen. Ten behoeve van de voorbereiding voor de komende kabinetsperiode is het immers van belang om de beleidsopties van een kwantitatief beeld te voorzien. Vervolgens kan een besluit worden genomen over privatisering van de Nederlandse Loterij.

Vraag 17

Wanneer zal de visie op de loterijmarkt naar verwachting naar de Kamer worden gestuurd?

Antwoord 16 en 17

Zie antwoord op vraag 16.

Vraag 18

Klopt het dat de Wet op de kansspelen twee keer gewijzigd moet worden? Wat is de stand van zaken met betrekking tot deze wetswijzigingen?

Antwoord 18

In de voorgestelde wijziging van de Wet op de kansspelen (Wok) die naar de Kamer is gestuurd op 10 mei 2016 (Kamerstuk 34 471) is de modernisering van de casinomarkt en de bescherming van de betrokken publieke belangen vastgelegd. Dit wetsvoorstel maakt de weg vrij voor privatisering van Holland Casino. Op 23 januari 2017 behandelt de Tweede Kamer dit wetsvoorstel.

Daarnaast werkt het kabinet aan een nieuwe visie op de loterijmarkt. Afhankelijk van de gekozen beleidsoptie zal de Wok al dan niet gewijzigd moeten worden.

Vraag 19

Hoe wordt de vennootschappelijke structuur van de Urenco-groep vernieuwd?

Antwoord 19

Voor het kabinet heeft het zo effectief mogelijk borgen van de publieke belangen inzake Urenco prioriteit. Afgelopen zomer hebben de verdragspartners bij het Verdrag van Almelo (Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) een akkoord bereikt over het wetgevingspakket en een nieuwe vennootschapsrechtelijke structuur om de publieke belangen inzake Urenco te borgen. Een nieuwe vennootschapsrechtelijke structuur vergt instemming van alle aandeelhouders van Urenco. Medeaandeelhouders E.ON en RWE hebben echter op 13 oktober 2016 schriftelijk laten weten dat zij niet instemmen met de vennootschapsrechtelijke structuur die voorwaarde is voor de werking van het wetsvoorstel, met name vanwege het ontbreken van de mogelijkheid om het aandeel Urenco aan de beurs te noteren. Het uitsluiten van een beursnotering was echter een voorwaarde voor het akkoord van de Duitse overheid. Op 31 oktober 2016 heeft de Minister van Economische Zaken uw Kamer hierover geïnformeerd5. De komende tijd zal het kabinet in overleg met de verdragspartners alternatieve mogelijkheden verkennen om een optimale borging van de publieke belangen te garanderen. Het kabinet zal uw Kamer over de voortgang daarvan informeren.

Vraag 20

Wanneer komen de beleidsevaluaties die gepland staan voor 2015 en 2016 naar de Tweede Kamer (met uitzondering van de KNM, welke al naar de Tweede Kamer is gestuurd)? Hoe is de planning voor de evaluaties van de beleidsdeelnemingen?

Antwoord 20

Op dit moment worden de evaluaties van Thales en Covra uitgevoerd. In het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2016 rapporteer ik over de uitkomsten van deze evaluatie. Met de evaluaties van de beleidsdeelnemingen is ook een start gemaakt. Onlangs zijn Prorail en de ROM’s geëvalueerd. Op de deelnemingen in de gassector zoals GasTerra en EBN wordt permanent toezicht gehouden. Voor deze beleidsdeelnemingen vindt geen afzonderlijke evaluatie plaats. De evaluaties van Winair en DC ANSP vinden naar verwachting in 2018 plaats.

Vraag 21

Welke staatsdeelnemingen passen de Nederlandse Corporate Governance Code nog niet toe en welke concrete stappen zet u om deze bedrijven er alsnog toe te bewegen deze code te implementeren?

Vraag 22

Welke staatsdeelnemingen voldoen nog niet aan de Nederlandse Corporate Governance Code? Waarom doen ze dit niet?

Antwoord 21 en 22

De Nederlandse Corporate Governance Code is van toepassing op beursgenoteerde bedrijven. De Code werkt op basis van het «pas toe of leg uit» principe. De informatie over naleving van de code dient in het jaarverslag van de onderneming te worden opgenomen. Wanneer niet wordt uitgelegd waarom de Code niet één op één wordt toegepast is er sprake van niet-naleving. Ik heb alle staatsdeelnemingen gevraagd om de relevante bepalingen van de Corporate Governance Code toe te passen en hierover te rapporteren in hun jaarverslagen. Gelet op dat de Corporate Governance Code geschreven is voor beursgenoteerde bedrijven, zijn niet alle onderdelen van de Corporate Governance Code van toepassing danwel relevant. In de jaarverslagen van de staatsdeelnemingen geven alle deelnemingen, met uitzondering van De Munt, NIO en Thales, aan dat ze de relevante bepalingen uit de Code toepassen. Naleving van de Corporate Governance Code, alsmede de wijze van rapporteren daarover, wordt in principe besproken op de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening vastgesteld wordt. De Munt is echter recentelijk verkocht, het belang van de staat in Thales is zeer beperkt (1%) en NIO is in afbeheer, waardoor voor deze laatste twee geen nadere actie verricht zal worden op dit gebied.

Vraag 22

Welke staatsdeelnemingen voldoen nog niet aan de Nederlandse Corporate Governance Code? Waarom doen ze dit niet?

Antwoord 22

Zie antwoord op vraag 21.

Vraag 23

Voldoen ook alle kleine staatsdeelnemingen aan de verwachting dat zij minimaal een score van niveau C halen op het Global Reporting Initiative (GRI)? Zo nee, wat doet u om deze staatsdeelnemingen ertoe te bewegen dit alsnog te doen?

Antwoord 23

Wij verwachten van alle staatsdeelnemingen dat zij rapporteren volgens de GRI-richtlijnen. Het GRI introduceerde in 2013 de nieuwe G4-richtlijnen waarbij de verschillende niveaus van behandelen (A, B en C) niet meer worden toegepast. De G3-richtlijn, waarin dit wel van toepassing is, komt vanaf 2016 te vervallen. Alle duurzaamheidrapporten op basis van GRI-richtlijnen zullen dan volgens de nieuwe standaard moeten worden opgesteld.

Op pagina 159 van het jaarverslag treft u het totaaloverzicht van de deelnemingen waar u kunt zien dat het grootste deel van de deelnemingen al rapporteert volgens deze nieuwe standaard. Er kan bij vier deelnemingen geen verklaring worden afgegeven voor het rapporteren conform GRI richtlijnen. Dit zijn KLM, Thales Nederland, de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. (NIO) en Staatsloterij.

KLM rapporteert op het niveau van de moederonderneming op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Air France-KLM rapporteert in haar jaarverslag en MVO-verslag volgens de GRI G4-richtlijnen.

Thales Nederland rapporteert op het niveau van de (buitenlandse) moederonderneming over MVO. De Thales-groep is op grond van artikel R.225-105-1 van het Franse Wetboek van Koophandel verplicht om informatie over MVO op te nemen in het jaarverslag. Daarnaast geeft de Thales groep ook inzicht in de relatie tussen gebruikte indicatoren en GRI-indicatoren.

NIO is een deelneming in afbeheer en verstrekt al geruime tijd geen nieuwe leningen meer. Omdat de deelneming in afbeheer is zal de staat als aandeelhouder niet aandringen op rapportage volgens de GRI-richtlijnen.

Hoewel de Staatsloterij gebruik maakt van de GRI-richtlijnen als uitgangspunt voor een integraal jaarverslag, geeft de accountantsverklaring beperkte zekerheid dat de MVO-informatie in het jaarverslag juist is weergegeven uitgaande van de GRI richtlijnen. Op de meest recente algemene vergadering van aandeelhouders heeft de staat als aandeelhouder de Nederlandse Loterij, waarvan Staatsloterij onderdeel is gaan uitmaken, opgeroepen om in het jaarverslag 2016 conform GRI richtlijnen te rapporteren en de accountant hierop te laten toetsen.

Vraag 24

Wat wordt bedoeld met «zoveel mogelijk» in de zin: «De staat als aandeelhouder sluit bij het vastleggen van zijn bevoegdheden zoveel mogelijk aan bij de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek»?

Antwoord 24

De statuten herhalen allereerst grotendeels de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast geven de statuten een nadere invulling van de bevoegdheden weer voor zover het Burgerlijk Wetboek daar ruimte voor biedt. De staat maakt – net als andere aandeelhouders – gebruik van de mogelijkheden die het Burgerlijk Wetboek biedt om deze ruimte nader in te vullen. Ter illustratie, het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een vennootschap een raad van bestuur heeft. Deze bepaling wordt overgenomen in de statuten en in aanvulling daarop verder ingevuld door te vermelden uit hoeveel personen de raad van bestuur zal bestaan en wat bijvoorbeeld de rol van de voorzitter is bij stemming. Het is niet zo dat in de statuten bepalingen staan die niet in overeenstemming zijn met het Burgerlijk Wetboek of een andere wet.

Vraag 25

Wanneer zal de Transparantiebenchmark 2015 verschijnen?

Antwoord 25

De transparantiebenchmark 2016, die ziet op het jaar 2015, is reeds gepubliceerd op www.transparantiebenchmark.nl

Vraag 26

In hoeveel gevallen is er al actief gebruik gemaakt van art. 2:129 lid 3 en 4 BW? Klopt het dat door middel van dit artikel bevoegdheden kunnen worden neergelegd bij de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA), dus bij de Staat als aandeelhouder? Klopt het dat het hier gaat om goedkeuringsrechten, maar ook om de mogelijkheid dat de overheidsaandeelhouder actieve instructies geeft aan de Raad van Bestuur (RvB)?

Antwoord 26

Zie antwoord op vraag 5.

Vraag 27

Klopt het dat de ondernemingsstrategie slechts marginaal getoetst wordt op de vraag of deze strategie niet strijdig is met de publieke belangen? Zouden de publieke belangen niet veel meer een centrale rol moeten spelen bij de totstandkoming van de ondernemingsstrategie?

Vraag 50

Waarom overlegt de aandeelhouder bij de beoordeling van de strategie met de betrokken beleidsdepartementen? Hoe moet dat gezien worden in relatie tot de rol van de aandeelhouder in meer algemene zin?

Vraag 51

Waarom is er niet standaard een instemmingsrecht voor de AvA voor wat betreft de strategie?

Antwoord vraag 27, 50 en 51

Het bestuur van een vennootschap is belast met het besturen van de vennootschap. In het Burgerlijk Wetboek is opgenomen dat het bestuur de raad van commissarissen ten minste één keer per jaar schriftelijk op de hoogte stelt van de hoofdlijnen van het strategisch beleid. Een instemmingrecht voor de AvA voor wat betreft de strategie zou de bestuursautonomie aantasten. Het Burgerlijk Wetboek legt de bevoegdheid om de strategie vast te stellen niet bij de AvA. Om voornoemde redenen is er dan ook geen instemmingsrecht voor de staat als aandeelhouder opgenomen in de standaardstatuten. Wel is vastgelegd dat de strategie door de raad van bestuur en raad van commissarissen pas kan worden vastgesteld nadat de AvA hierover geraadpleegd is.

Bij de beoordeling van de strategie kijkt de aandeelhouder, samen met het betrokken beleidsdepartement, allereerst of het publiek belang voldoende centraal staat in de strategie. Dit is een belangrijk onderwerp van gesprek voor de raadpleging. De strategie van de deelneming hoeft overigens niet te worden beperkt tot de directe realisatie van het met de deelneming gemoeide publiek belang. Deelnemingen kunnen legitieme redenen hebben om activiteiten te ondernemen en klanten te bedienen die niet direct, maar wel indirect, gerelateerd zijn aan de realisatie van een publiek belang. Eventuele aanvullende activiteiten mogen echter nooit (de borging van) het publieke belang dat met een deelneming is gemoeid ondermijnen of de continuïteit van de onderneming bedreigen. Ook dit is een belangrijk onderwerp voor de raadpleging.

Bij de beoordeling van de strategie wordt het beleidsdepartement betrokken, omdat het beleidsdepartement het publieke belang formuleert. Het beleidsdepartement kan de aandeelhouder daardoor helpen bij het beantwoorden van de vraag of dat publieke belang voldoende centraal staat in de strategie.

Vraag 28

Is inmiddels bij alle staatsdeelnemingen waar dit mogelijk is het verzwakte structuurregime ingesteld? Bij hoeveel staatsdeelnemingen is dit nu het geval?

Vraag 29

Wordt er ook gebruik gemaakt van de mogelijkheden van het verzwakte structuurregime, namelijk het benoemen en ontslaan van de leden de RvB?

Vraag 99

Wat is een «gemitigeerd structuurregime»?

Antwoord 28, 29, 99

Een gemitigeerd structuurregime wordt ook wel verzwakt/verlicht structuurregime genoemd. Uitgangspunt bij de standaard die is ontwikkeld voor de statuten is dit gemitigeerd structuurregime. Van een verzwakt/verlicht structuurregime kan onder meer sprake zijn indien een publiekrechtelijke rechtspersoon (zoals de Staat) het gehele kapitaal verschaft. Ook indien alle aandeelhouders publiekrechtelijke rechtspersonen zijn en een situatie creëren als ware er één overheidsaandeelhouder, kan een verzwakt/verlicht structuurregime van toepassing zijn. In dat geval verenigen alle publieke aandeelhouders van de betreffende onderneming zich door middel van een onderlinge regeling tot samenwerking, bijvoorbeeld in de vorm van een aandeelhoudersovereenkomst. Als het gemitigeerd structuurregime van toepassing is heeft de staat het recht om bestuurders te benoemen (en maakt daar ook gebruik van). Bij de deelnemingen waarvan de staat honderd procent van de aandelen heeft – NS, TenneT, Gasunie en COVRA – is sprake van een verzwakt/verlicht (of gemitigeerd)structuurregime. Ook bij het bedrijf dat is ontstaan uit de fusie tussen Staatsloterij en De Lotto, de Nederlandse Loterij, is de governance volgens het verzwakt/verlicht structuurregime vormgegeven. Verder is de stichting Holland Casino ingericht volgens het verzwakt/verlicht structuurregime en zullen de statuten van de nieuwe kapitaalvennootschap ook gebaseerd zijn op het verlicht structuurregime.

Vraag 29

Wordt er ook gebruik gemaakt van de mogelijkheden van het verzwakte structuurregime, namelijk het benoemen en ontslaan van de leden de RvB?

Antwoord 29

Zie antwoord op vraag 28.

Vraag 30

Klopt het dat het verzwakte structuurregime niet meer kan worden toegepast als alle aandelen (100%) in handen zijn van de overheid? Klopt het dat het verzwakte structuurregime bij TenneT niet meer kan worden toegepast bij een aandelenruil met een andere hoogspanningsnetbeheerder?

Vraag 31

Klopt het dat het verzwakte structuurregime bij Schiphol niet meer kan worden toegepast na de aandelenruil met een andere luchthaven, Aéroports de Paris?

Antwoord 30 en 31

Als een publiekrechtelijke rechtspersoon (zoals de staat) het gehele kapitaal verschaft kan er sprake zijn van een verlicht structuurregime. Ook indien alle aandeelhouders publiekrechtelijke rechtspersonen zijn en een situatie creëren als ware er één overheidsaandeelhouder, kan een verlicht structuurregime van toepassing zijn. Alle publieke aandeelhouders verenigen zich dan middels een onderlinge regeling tot samenwerking, bijvoorbeeld in de vorm van een aandeelhoudersovereenkomst. In het geval van een kruisparticipatie met een private aandeelhouder (niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon) kan het verlicht structuurregime niet worden toegepast op grond van artikel 265a juncto artikel 1 boek 2 BW.

Schiphol komt vanwege een kruisparticipatie met Aéroports de Paris niet in aanmerking voor het verlicht structuurregime en dus is het volledige structuurregime is daarop van toepassing. Voor TenneT is het op dit moment wettelijk niet toegestaan om een kruisparticipatie aan te gaan met een andere netbeheerder (niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon).

Vraag 31

Klopt het dat het verzwakte structuurregime bij Schiphol niet meer kan worden toegepast na de aandelenruil met een andere luchthaven, Aéroports de Paris?

Antwoord 31

Zie antwoord op vraag 30.

Vraag 32

Is de aandelenruil met Aéroports de Paris al geëvalueerd? Is de Kamer daarvan al op de hoogte gebracht? Zo ja, wanneer?

Antwoord 32

Schiphol en Aéroports de Paris evalueren periodiek de strategische samenwerking. Beide ondernemingen hebben de strategische samenwerking in 2016 als positief beoordeeld, gezien de vele voordelen die de alliantie beide partijen brengt. Het gaat dan onder andere om financiële synergie, uitwisseling van kennis en best practices en gezamenlijke acties die de operationele processen en producten verbeteren.

Vraag 33

Klopt het dat de aandelenruil met de luchthaven, Aéroports de Paris, leidde tot een lagere creditrating voor Luchthaven Schiphol N.V.? Klopt het dat dit vervolgens ertoe leidde dat het tweede superdividend van 500 miljoen euro in 2008–2009 niet meer doorging? Is dit verlies van 500 miljoen euro voor de overheid later ooit weer terugverdiend?

Antwoord 33

Op 14 juli 2014 (Kamerstuk 28 165, nr. 179) en 1 juni 2015 (Kamerstuk 28 165, nr. 194) is uw Kamer reeds geïnformeerd dat de afwaardering van de credit-rating van Schiphol niets te maken had met de kruisparticipatie met Aéroports de Paris. De afwaardering van AA- naar A door Standard & Poor’s vond plaats nadat de Algemene vergadering van Aandeelhouders van Schiphol op 17 april 2008 instemde met een superdividend. In 2009 stond de credit rating van Schiphol (op dat moment single A flat) onder druk vanwege de verminderde winstgevendheid en terugval in het verkeer en vervoer als gevolg van de financieel-economische crisis. Een tweede tranche superdividend, die eerder uitsluitend onder voorwaarden was afgesproken, werd daarom niet prudent geacht. Onafhankelijk onderzoek door een externe partij heeft dit destijds bevestigd. Daarom heeft de toenmalige Minister van Financiën, in overleg met de directie en Raad van Commissarissen van Schiphol en de medeaandeelhouders, besloten om af te zien van de tweede tranche superdividend. Hierover is de Kamer op 7 december 2009 geïnformeerd. Het niet uitkeren van de € 500 miljoen zie ik niet als verlies voor de overheid omdat het superdividend geen andere bestemming heeft gekregen en daardoor onderdeel is gebleven van het eigen vermogen van Schiphol.

Vraag 34

Klopt het dat bij het ontslag van de topman van de NS bij herhaling de verkeerde procedure is ingezet?

Antwoord 34

Voor het antwoord verwijs ik naar mijn eerdere brieven van 23 juni 2015 (Kamerbrief variabele beloning en ontslagprocedure CEO NS6) respectievelijk 20 juli 2015 (Kamerbrief beantwoording kamervragen ontslag president-directeur) waarin ik uitgebreid ben ingegaan op de ontslagprocedure van de heer Huges.

Vraag 35

Klopt het dat dit heeft geleid tot een hogere ontslagvergoeding dan strikt noodzakelijk was geweest? Waarom wordt vastgehouden aan slechts 17 fte bij de afdeling deelnemingen, met slechts een beperkte juridische kennis?

Antwoord 35

In mijn brief van 5 augustus 2015 heb ik de Kamer geïnformeerd over de schikking die NS is overeengekomen met de voormalig president-directeur (Kamerstuk 28 165, nr. 220). In deze brief heb ik ook mijn appreciatie over deze schikking gegeven.

Er bestaat geen verband tussen de bezetting van de directie Financieringen en het verloop van de ontslagprocedure van de voormalig president-directeur van NS.

Vraag 36

Klopt het dat de Nederlandse staatsdeelnemingen een balanstotaal van 250 miljard euro vertegenwoordigen? Is 17 fte voor de aandeelhoudersfunctie dan niet te weinig om deze miljardenbelangen namens de belastingbetaler op een adequate manier te borgen?

Antwoord 36

De staatsdeelnemingenportefeuille vertegenwoordigt over 2015 een balanstotaal van ruim € 300 miljard. Periodiek wordt bekeken hoeveel fte nodig is om de aandeelhoudersfunctie naar behoren uit te kunnen voeren. De gewenste fte kan veranderen als gevolg van nieuwe deelnemingen of deelnemingen die teruggebracht zijn naar de markt (zoals gebeurd bij de beursgang van ABN AMRO en ASR).

Vraag 37

Klopt het dat andere landen (België, Oostenrijk) een apart Ministerie van Overheidsbedrijven hebben, teneinde hun miljardenbelangen in deze bedrijven op een adequate manier te borgen?

Antwoord 37

Het beheer van de staatsdeelnemingen kan op verschillende manieren ingevuld worden. In Nederland is het zo geregeld dat het aandeelhouderschap binnen het Ministerie van Financiën valt en dus onder mijn verantwoordelijkheid. In België is sprake van een Minister van Overheidsbedrijven. In Frankrijk is er geen apart ministerie maar is binnen de overheid een eenheid opgericht (APE, Activité Principale de l’Enterprise) die verantwoordelijk is voor het beheer. Oostenrijk heeft geen apart Ministerie van overheidsbedrijven, daar vallen staatsdeelnemingen onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën.

Vraag 38

Kunnen de nieuwe statuten van Schiphol naar de Kamer worden gestuurd?

Antwoord 38

De statuten van Schiphol zijn nog niet aangepast aan de standaard; dit proces is wel bijna afgerond. De nieuwe statuten zullen, net als de huidige statuten, na vaststelling door de algemene vergadering van aandeelhouders, beschikbaar zijn op de website van Schiphol.

Vraag 39

Is de verzelfstandiging van het Havenbedrijf Rotterdam in 2004 achteraf gezien een succes gebleken? Klopt het dat vanaf dat jaar de Rotterdamse haven niet meer de grootste haven ter wereld was?

Antwoord 39

Het klopt dat tot 2004 de haven van Rotterdam niet alleen de grootste haven van Europa was, maar ook de grootste haven ter wereld, gemeten naar het aantal ton goederenoverslag. Sindsdien is het aandeel van China in de wereldeconomie gegroeid van 9,8% naar 16,6%. Logischerwijs is de groei van de Chinese economie gepaard gegaan met een groeispurt van Chinese havens. Dat heeft er voor gezorgd dat Rotterdam in de wereldranglijst nu wordt voorafgaan door acht Chinese havens en Singapore.

Operationeel gezien is de verzelfstandiging als een succes te bestempelen. De Tweede Maasvlakte is op tijd en binnen budget door het verzelfstandigde Havenbedrijf aangelegd. Tegelijkertijd heeft Rotterdam haar positie als grootste haven in Europa weten te behouden. Daarnaast verloor het Havenbedrijf, als niet verzelfstandigd Havenbedrijf, sinds 1995 marktaandeel aan de grootste concurrenten binnen Europa, Antwerpen en Hamburg. Na de verzelfstandiging is deze trend niet alleen gestopt, maar heeft Rotterdam ook een paar procent aan marktaandeel ten opzichte van Hamburg en Antwerpen terug weten te winnen.

Vraag 40

Hoe verloopt de samenwerking van het Havenbedrijf Rotterdam met het Warmtebedrijf Rotterdam?

Antwoord 40

Havenbedrijf Rotterdam en Warmtebedrijf Rotterdam werken samen in een project om nuttige toepassing van restwarmte die vrijkomt in de raffinaderij van Shell Pernis te realiseren. Shell realiseert de uitkoppeling van de restwarmte, Havenbedrijf Rotterdam ontwikkelt de infrastructuur om de restwarmte te transporteren naar het hoofdwarmtenet: De Nieuwe Warmteweg. Het Warmtebedrijf exploiteert de De Nieuwe Warmteweg en gaat na oplevering ook de infrastructuur die Shell verbindt met de hoofdinfrastructuur exploiteren. De samenwerking op dit dossier verloopt goed.

Vraag 41

Waarom kunnen bij de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG Bank) de statuten niet gewijzigd worden? De Staat heeft toch 50% van de BNG Bank in bezit?

Antwoord 41

De huidige statuten van BNG Bank voldoen al grotendeels aan de standaardstatuten. Bovendien is het belang van de staat is niet groot genoeg om zelfstandig een wijziging te bewerkstelligen. Hiervoor is tweederde van de stemmen in de algemene vergadering van aandeelhouders vereist.

Vraag 42

Klopt het dat de groep Heylen, die eigenaar wordt van de KNM, zich bezig houdt met golfbanen, vastgoed, dierenwinkels, keukenapparatuur en gokautomaatmunten? Welke synergie is er met de activiteiten van de KNM?

Antwoord 42

Groep Heylen is een investeringsmaatschappij gespecialiseerd in MKB-bedrijven en heeft een divers portfolio. Met haar dochterbedrijf Mauquoy Token Company is Heylen actief op de markt van munten. Deze onderneming produceert jetons & tokens (penningen of onofficiële betaalmunten) die in tal van sectoren worden gebruikt; denk aan automaten, speeltoestellen, evenementen etc. Daarnaast produceert dit bedrijf rondellen (platte schijfjes die tot munten worden geslagen). KNM gebruikte bij de vervaardiging van munten onder meer rondellen van Mauquoy Token Company. Met de overname kunnen op dit terrein synergievoordelen worden gerealiseerd.

Vraag 43

Waarom voldoet slechts 44% van de deelnemingen aan het streefcijfer van minstens 30% vrouwen in de RvB? Hoe komt het dat het wat betreft de Raad van Commissarissen (RvC) (77%) veel hoger is?

Antwoord 43

In tabel 4.6 op bladzijde 16 van het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2015 is een overzicht gegeven van in hoeverre de raden van commissarissen en raden van bestuur voldoen aan de 30%-eis. De oorzaken waardoor niet alle deelnemingen aan deze eis voldoen zijn de volgende:

  • Er zijn geen of onvoldoende personele wisselingen geweest, waardoor er nog geen gelegenheid is geweest de verhouding aan te passen.

  • Bij goedfunctionerende bestuurders of commissarissen is het niet voldoen aan het wettelijk streven geen reden om niet tot herbenoeming over te gaan.

Het is in sommige gevallen niet gelukt een goede vrouwelijke kandidaat te vinden die in het profiel past.

Ik neem het wettelijk streven, om tenminste 30% van de leden van de raden van bestuur en raden van commissarissen uit vrouwen te laten bestaan, uitermate serieus. Alleen bij hoge uitzondering accepteer ik dat een staatsdeelneming hieraan (nog) niet voldoet. Mijn beleid is om bij iedere benoeming bij een staatsdeelneming, waarbij nog niet aan dit wettelijk streven is voldaan, de raad van commissarissen te vragen om een shortlist te presenteren waarop tenminste één benoembare vrouw staat. In 2016 is het percentage raden van bestuur met meer dan 30% vrouwen verbeterd. Dit percentage is gestegen van 33% in 2013 naar 50% in 2016. Het totaal aantal commissarissen bij staatsdeelnemingen in mijn beheer bestaat sinds 2016 voor 33% uit vrouwen. Hieronder is een overzicht weergegeven.

Tabel: percentage deelnemingen dat voldoet aan wettelijk streven voor diversiteit1
 

2013

2014

2015

20162

Aantal deelnemingen met >30% vrouwen in rvb*

33%

44%

44%

50%

3 uit 9

4 uit 9

4 uit 9

5 uit 10

Aantal deelnemingen met >30% vrouwen in rvc

46%

54%

77%

83%

6 uit 13

7 uit 13

10 uit 13

10 uit 12

X Noot
1

Gecorrigeerd voor de vier deelnemingen met slechts één bestuurder.

X Noot
2

Peildatum 20 december 2016.

Tabel: percentage staatsdeelnemingen en beursgenoteerde ondernemingen dat voldoet aan wettelijk streven voor diversiteit1
 

2015

20162

 

RvB

RvC

RvB

RvC

% Man

% Vrouw

% Man

% Vrouw

% Man

% Vrouw

% Man

% Vrouw

Staatsdeelnemingen

83%

17%

70%

30%

78%

22%

67%

33%

Female Board Index@2016[1]

93%

7%

82%

18%

93%

7%

77%

23%

X Noot
1

De Nederlandse Female Board Index van prof. dr. Mijntje Lückerath, hoogleraar Corporate Governance aan TIAS School for Business and Society, laat sinds 2007 het verloop zien in het aandeel vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen van Nederlandse beursondernemingen.

X Noot
2

Peildatum 20 december 2016.

Vraag 44

Bij hoeveel en welke staatsdeelnemingen is er een door de OR aanbevolen commissaris?

Antwoord 44

Op basis van de wet heeft de OR bij alle deelnemingen die een kapitaalvennootschap zijn en die een OR hebben een versterkt aanbevelingsrecht voor de voordracht van maximaal één derde van het aantal commissarissen. Dit zal ook gelden voor Holland Casino zodra deze stichting is omgevormd naar een naamloze vennootschap.

Vraag 45

Bij hoeveel en welke staatsdeelnemingen is nog sprake van een variabele beloning? Welke criteria worden daarbij toegepast?

Antwoord 45

De staat als aandeelhouder heeft de afgelopen periode de maximale variabele beloning voor alle staatsdeelnemingen teruggebracht naar maximaal twintig procent van het vaste salaris. In 2015 is de staat begonnen met gesprekken met staatsdeelnemingen waar bestuurders werkzaam zijn die op basis van oude arbeidscontracten recht hebben op een variabele beloning van meer dan twintig procent. Het doel van die gesprekken was om de bestuurders vrijwillig hun variabele beloning te laten verlagen. Het resultaat is dat vanaf 2017 geen enkele bestuurder meer dan twintig procent variabele beloning ontvangt. De raad van commissarissen bepaalt de criteria die aan de variabele beloning worden gesteld. De criteria dienen bestuurders te prikkelen om zowel de publieke doelstellingen van de deelneming waar te maken als de vereiste financiële prestaties te leveren die nodig zijn voor de continuïteit van de ondernemingen. Jaarlijks rapporteert de raad van commissarissen over de toegekende variabele beloning in het jaarverslag van de onderneming.

Vraag 46

Hoeveel en welke leden van de RvB zitten er boven de norm uit de Wet normering topinkomens (WNT)?

Vraag 47

Waarom wordt de WNT-norm niet (altijd) gehanteerd bij staatsdeelnemingen?

Antwoord 46 en 47

Staatsdeelnemingen vallen niet onder de Wet normering topinkomens (WNT). De WNT is in het leven geroepen omdat de overheid geen bevoegdheid had bij (semi)publieke organisaties om het beloningsbeleid vast te stellen. Bij staatsdeelnemingen is die bevoegdheid er wel, omdat de staat als aandeelhouder via het vennootschapsrecht het beloningsbeleid vaststelt. Staatsdeelnemingen moeten daarnaast kunnen concurreren op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld voor de invulling van commerciële en technische functies. De staatsdeelnemingen financieren bovendien hun bedrijfsvoering en investeringen in principe zelf en ontvangen daarvoor geen bijdrage van de overheid. Het beloningsbeleid moet de deelneming in staat stellen om gekwalificeerde en deskundige bestuurders aan te trekken. De afgelopen periode is het beloningsbeleid bij een aantal staatsdeelnemingen opnieuw aangepast. Zo is de eventuele variabele beloning gemaximeerd op 20% en zijn de secundaire arbeidsvoorwaarden herzien. Naar verwachting is het beloningsbeleid in de loop van 2017 aangepast bij alle staatsdeelnemingen die in beheer zijn bij het Ministerie van Financiën.

Vraag 47

Waarom wordt de WNT-norm niet (altijd) gehanteerd bij staatsdeelnemingen?

Antwoord 47

Zie antwoord op vraag 46.

Vraag 48

Is de verbetering van de jaarverslagen over 2015 zodanig dat nu alle deelnemingen aan de eisen voldoen? Zo nee, wat doet u eraan om deze staatsdeelnemingen ertoe te bewegen dit alsnog te doen?

Antwoord 48

De staat als aandeelhouder hanteert geen specifiek kader voor de inhoud van de jaarverslagen. Als bij een bepaalde deelneming op onderdelen verbetering gewenst is, dan bespreek ik deze met de betreffende deelneming.

Vraag 49

Om welke staatsdeelnemingen gaat het als gesteld wordt dat de risicoparagraaf in het jaarverslag niet bij alle deelnemingen voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen?

Antwoord 49

Het betreft COVRA, Havenbedrijf Rotterdam, Staatsloterij en KNM.

Met COVRA, Staatsloterij en Havenbedrijf Rotterdam is in 2015 gesproken over hun risicomanagement en specifiek over de risicoparagraaf in het jaarverslag. Alle drie de deelnemingen hebben vervolgens alle door het ministerie als aandeelhouder meegegeven aandachtspunten intern doorgevoerd. De betreffende deelnemingen voldoen inmiddels aan de door de aandeelhouder geformuleerde wensen op het gebied van risicomanagement.

Bij KNM waren zoals bekend diverse problemen die de volle aandacht hebben gehad de afgelopen periode. Dit heeft ook tot forse vertraging van de jaarrekeningen 2014 en 2015 geleid. Het management van KNM heeft in de loop van 2015 een actiever beleid van risicomanagement ingevoerd. In de onlangs vastgestelde jaarrekeningen is een sterke verbetering te zien van de risicoparagraaf. Sinds kort heeft de staat geen aandelenbelang meer in KNM.

Vraag 50

Waarom overlegt de aandeelhouder bij de beoordeling van de strategie met de betrokken beleidsdepartementen? Hoe moet dat gezien worden in relatie tot de rol van de aandeelhouder in meer algemene zin?

Antwoord 50

Zie antwoord op vraag 27.

Vraag 51

Waarom is er niet standaard een instemmingsrecht voor de AvA voor wat betreft de strategie?

Antwoord 51

Zie antwoord op vraag 27.

Vraag 52

Had de Staat geen rol als aandeelhouder van de NWB Bank in 2015?

Antwoord 52

De staat heeft in 2015 de rol als aandeelhouder conform de nota deelnemingenbeleid uitgevoerd en de bij de aandeelhouder liggende bevoegdheden uitgeoefend. Zo is in 2015 ondermeer het beloningsbeleid vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders, hebben (her)benoemingen plaatsgevonden van een lid van de directie en leden van de raad van commissarissen en is het normrendement vastgesteld.

Vraag 53

Welke uitbreiding van activiteiten met betrekking tot de NWB Bank is afgesproken in 2013? Hoe moet dit gezien worden tot de recente berichtgeving dat de NWB Bank deelneemt in risicovolle, omstreden buitenlandse projecten?

Antwoord 53

Inspelend op de behoeften van de klanten in het publieke domein heeft de bank haar werkterrein in de semipublieke sector uitgebreid. Onder andere door het meefinancieren van door de overheid gegarandeerde hypotheekportefeuilles, exportkredieten en het participeren in publiek-private investeringsprojecten. Dit alles onder behoud van een gezond risicoprofiel. Verder is de NWB Bank in december 2014 een bijzondere samenwerking overeengekomen met de Europese Investeringsbank om gezamenlijk op te trekken bij langetermijnfinancieringen in het Nederlandse publieke domein. Van het investeren in buitenlandse projecten is geen sprake.

Vraag 54

Naar welke zes onderdelen refereert u, aangezien er in tabel 5.4 slechts vier onderdelen staan?

Antwoord 54

De toelichtende tekst bij tabel 5.4 vermeldt per abuis dat het investeringskader zes onderdelen bevat. Het investeringskader bestaat op hoofdlijnen uit vier onderdelen, die in tabel 5.4 zijn vermeld.

Vraag 55

Wat is uw verwachting ten aanzien van de solvabiliteit van KLM de komende jaren?

Vraag 56

Wat is de reden dat de solvabiliteit bij KLM en COVRA in de periode 2010 – 2015 zo sterk is afgenomen?

Vraag 81

Kan een toelichting worden gegeven op de afname van het solvabiliteitsratio van de KLM?

Antwoord 55, 56 en 81

KLM

De solvabiliteit is berekend als de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen. Bij KLM is vooral het eigen vermogen de afgelopen jaren sterk gedaald. Dit komt voornamelijk door een herwaardering van de Nederlandse pensioenregelingen. Dergelijke veranderingen in de waarde van de pensioenregelingen moeten in het eigen vermogen worden verwerkt, conform de jaarverslagleggingsregels onder IFRS. Zie voor een uitgebreide toelichting op de mutaties in het eigen vermogen de Kamerbrief van 15 maart 2016 (Kamerstuk 28 165, nr. 241). De solvabiliteit van KLM is ondermeer afhankelijk van de marktrente (i.v.m. pensioenregelingen), de olieprijs en de wisselkoersen (i.v.m. de waarde van de derivaten) en van de winst over het boekjaar. Deze laatste factor is ondermeer afhankelijk van de kostenbesparingen van KLM en van de ontwikkeling van de ticketprijzen. Voor al deze factoren geldt dat deze met veel onzekerheid zijn omgeven. Ik heb dan ook geen verwachting ten aanzien van de ontwikkeling van de solvabiliteit.

COVRA

De afname in de solvabiliteit heeft te maken met het achterblijven van de rendementen op de middelen voor langetermijnopslag en eindberging. De negatieve «renteresultaten» worden niet volledig gecompenseerd door positieve operationele resultaten. Het nettoverlies leidt tot een afname van het eigen vermogen, waardoor de solvabiliteit afneemt. Voor een meer uitgebreide toelichting hierop verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 2.

Vraag 56

Wat is de reden dat de solvabiliteit bij KLM en COVRA in de periode 2010 – 2015 zo sterk is afgenomen?

Antwoord 56

Zie antwoord op vraag 55.

Vraag 57

Ziet u de lage credit rating van Urenco als een groot risico?

Vraag 58

Bent u van plan om te proberen de kredietwaardigheid van Urenco te verbeteren? Zo ja, hoe bent u van plan te gaan doen?

Antwoord 57 en 58

De wereldwijde vraag naar verrijkt uranium en daarmee de potentiële verdiencapaciteit

voor Urenco is gedaald. De verdiencapaciteit van een onderneming is een van de indicatoren waarop de credit rating is gebaseerd. Uit een lagere potentiële verdiencapaciteit volgt daarom een lagere credit rating. Urenco heeft echter wel voldoende liquide middelen en een solide vermogenspositie. Urenco ontwikkelt momenteel een nieuwe strategie, waarin de daling van de vraag naar verrijkt uranium een belangrijke rol speelt. Als aandeelhouder volg ik die strategie nauwgezet.

Vraag 58

Bent u van plan om te proberen de kredietwaardigheid van Urenco te verbeteren? Zo ja, hoe bent u van plan te gaan doen?

Antwoord 58

Zie antwoord op vraag 57.

Vraag 59

Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot het verkoopproces van Urenco?

Antwoord 59

De prioriteit van het kabinet is de borging van de publieke belangen van non-proliferatie en veiligheid inzake Urenco (zie vraag 19). Verkoop van het Nederlandse aandeel is op dit moment niet aan de orde.

Vraag 60

Waarom is bij Tennet niet het uitgangspunt geweest dat een staatsdeelneming zelfstandig vreemd vermogen moet kunnen aantrekken?

Antwoord 60

In de brief aan uw Kamer over het voornemen om extra kapitaal aan TenneT te beschikking te stellen7 is gemeld dat ook voor TenneT het uitgangspunt geldt dat de onderneming zichzelf duurzaam moet kunnen financieren. Als aandeelhouder verwacht de staat dat TenneT in staat is om tegen acceptabele kosten vreemd vermogen aan te trekken uit de markt. In het geval van TenneT is dit van groot belang om te kunnen voorzien in de kapitaalbehoefte die voortkomt uit de investeringsagenda van TenneT. Als TenneT deze kapitaalbehoefte volledig met vreemd vermogen zou invullen, dan ontstaat een ongezonde verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen. Door een extern onderzoeksbureau is begin dit jaar bevestigd dat dit leidt tot verlaging van de kredietwaardigheid. Een lagere kredietwaardigheid van TenneT is onwenselijk omdat het aantrekken van nieuw kapitaal (additioneel vreemd vermogen) dan moeilijker en duurder wordt. Bovendien voldoet TenneT momenteel precies aan de minimum vereiste credit rating van A- voor niet-financiële deelnemingen zoals beschreven in de Nota Deelnemingenbeleid 2013. Met een lagere kredietwaardigheid zou TenneT niet langer aan de door de staat vereiste minimale credit rating voldoen. Door het storten van additioneel eigen vermogen in TenneT voor de Nederlandse activiteiten kan de onderneming in de toekomst, tegen acceptabele voorwaarden, vreemd vermogen uit de markt blijven aantrekken.

Vraag 61

Waarom heeft u voor sommige deelnemingen geen normrendement vastgesteld?

Antwoord 61

Voor Holland Casino, Staatsloterij en UCN is er nog geen normrendement bepaald, omdat er over de toekomstige positionering van deze niet-permanente deelnemingen nog discussie plaatsvindt. Voor de Staatsloterij is deze discussie inmiddels afgerond, omdat de fusie met Lotto heeft plaatsgevonden. In het volgende jaarverslag zal voor de Staatsloterij (inmiddels genaamd Nederlandse Loterij) een normrendement zijn opgenomen.

Vraag 62

Waarom is het normrendement van de NS in de periode 2010 – 2015 onder het gemiddelde? Hoe is er op gestuurd dat men het normrendement wel zou halen?

Antwoord 62

Vanaf 2014 heeft de staat een normrendement vastgesteld voor NS. De realisatie van het normrendement wordt ieder jaar met de deelnemingen besproken. Het vijfjarig gemiddelde rendement van de NS blijft achter bij het normrendement. Belangrijkste oorzaken zijn de (minder rendabele) maatschappelijke investeringen en activiteiten zoals kosten voor sociale veiligheid, de hoge vergoedingen voor de HSL- en de HRN-concessie en de afwaardering van het V250-materieel (de Fyra-treinen) in 2013.

Vraag 63

Welke investeringen in sociale veiligheid zijn er bij de NS in de periode 2010 – 2015 gedaan?

Antwoord 63

NS heeft gemiddeld voor de jaren 2010 – 2015 € 100 miljoen per jaar besteed aan de sociale veiligheid8. Deze jaarlijkse uitgaven bestaan uit onder andere de inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA), de inhuur van externe beveiliging, opleiding en training van het personeel, een 24 x7 bemande veiligheidscentrale en cameratoezicht op stations en in treinen.

Vraag 64

Heeft de ECB obligaties van de BNG Bank gekocht? Zo ja, welke hoeveelheid?

Antwoord 64

BNG-obligaties worden door zowel DNB als de ECB gekocht onder het Public Sector Purchase Programme (PSPP). DNB koopt onder dit programma voornamelijk staatsobligaties, maar ook obligaties uitgegeven door zogenoemde agencies (BNG, NWB en FMO). De onderverdeling van aankopen naar individuele uitgevers wordt hiervan niet bekendgemaakt, omdat dit marktgevoelige informatie betreft.

Vraag 65

Wat is de stand van zaken bij de ontwikkeling dat de BNG Bank de bestaande kredietverlening aan buitenlandse klanten afbouwt?

Antwoord 65

De langlopende kredietverlening aan buitenlandse klanten (in nominale waarden) is in 2016 van € 920 miljoen teruggelopen naar € 850 miljoen. De bank respecteert bestaande contracten en zal de portefeuille in principe laten uitlopen, tenzij zich een aantrekkelijke mogelijkheid tot verkoop voordoet.

Vraag 66

Is de BNG Bank voornemens om Contingent Convertibles (Coco’s) uit te geven?

Antwoord 66

Zoals beschreven in mijn antwoorden op vragen van het lid Harbers (VVD)9, heeft BNG Bank hybride kapitaal uitgegeven in de vorm van een aanvullend tier-1 kapitaalinstrument. Dit instrument is in het geval van BNG Bank niet converteerbaar naar aandelenkapitaal maar zal wel worden afgeschreven wanneer de (risicogewogen) tier 1-kernkapitaalratio van BNG Bank onder de 5,125% uit zou komen.10 Dit hybride kapitaal levert een bijdrage aan de doelstelling van BNG Bank om per ultimo 2017 een leverage ratio van minimaal 3% te hebben bereikt. Een eventuele verdere toekomstige uitgifte van hybride kapitaal is afhankelijk van de mate waarin hybride kapitaal nodig is om te kunnen voldoen aan (Europese) leverage ratio eisen. Deze eisen zijn nog niet vastgesteld.11

Vraag 67

Wat denkt u over het ontbreken van bevoegdheden van de AvA bij het benoemen, schorsen en ontslaan van het bestuur van de BNG Bank? Wenst u hier verandering in aan te brengen?

Antwoord 67

Op BNG Bank is het structuurregime van toepassing. Toepassing van het structuurregime betekent dat de bevoegdheden voor benoemen, schorsen en ontslaan van het bestuur uit hoofde van het Burgerlijk Wetboek bij de raad van commissarissen liggen. De wet biedt de mogelijkheid om het verlicht structuurregime toe te passen door middel van het sluiten van een onderlinge regeling tot samenwerking (veelal vormgegeven in een aandeelhoudersovereenkomst) met alle medeaandeelhouders (circa 400 decentrale overheden). Zij handelen daarbij gezamenlijk, niet bij meerderheid maar in unanimiteit. Zoals mijn voorganger heeft opgemerkt in zijn brief van 24 april 2009 over de invulling van het aandeelhouderschap en publieke belangen12, heeft dit als belangrijk nadeel dat de Staat dan niet langer vrij is in het nemen van beslissingen, maar op voorhand gebonden is aan de opvattingen van de medeaandeelhouders. In de huidige omstandigheden biedt het structuurregime mij bij BNG Bank voldoende mogelijkheden om via de AVA invloed uit te oefenen en zie ik geen aanleiding hierin wijziging aan te brengen.

Vraag 68

Welke beleggingsresultaten zijn tegen gevallen in 2015 met betrekking tot COVRA?

Antwoord 68

Zie antwoord op vraag 2.

Vraag 69

Is het Verarmd uranium Opslag Gebouw (VOG) volledig gevuld?

Antwoord 69

Het VOG1 is volledig gevuld. In het najaar van 2015 is gestart met de bouw van VOG2, oplevering wordt verwacht in 2017.

Vraag 70

Hoe gaat COVRA er voor zorgen dat de stralingsdosis niet op een zelfde tempo blijft toenemen als deze de afgelopen jaren heeft gedaan?

Antwoord 70

Het oplopen van de stralingsdosis aan de terreingrens is direct gekoppeld aan de vullingsgraad van het VOG1. Doordat het VOG1 nu volledig gevuld is zal dit niet verder toenemen.

Vraag 71

Blijft de stralingsdosis aan de terreingrens de komende jaren onder de 100%?

Antwoord 71

Het gerapporteerde percentage is gebaseerd op de vergunde effectieve stralingsdosis op de plaats met het hoogste niveau aan de terreingrens. Dit is naast het VOG, aan de overzijde van de weg aan het hek van een ander bedrijf. Dit gaat niet veranderen met de komst van het VOG2 omdat de effectieve dosis aan het hek voor het VOG2 veel lager zal zijn. Dit heeft te maken met het feit dat het VOG2 op een ander gedeelte van het COVRA-terrein is gesitueerd, wat leidt tot een kleinere blootstellingsfactor dan bij het VOG1.

Vraag 72

Wanneer is de oplossingsrichting voor de middelen voor de langetermijnopslag en eindberging duidelijk? Wat is de laatste stand van zaken?

Antwoord 72

Zie antwoord op vraag 2.

Vraag 73

Waarom wordt er bij de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) geen capital ratio weergegeven bij de bedrijfsspecifieke kerncijfers?

Antwoord 73

Bij de bedrijfsspecifieke kerncijfers is de BIS ratio opgenomen. De BIS ratio en de capital ratio zijn gelijk aan elkaar. Overigens is in het jaarverslag beheer staatsdeelnemingen de Common Equity Tier 1 ratio opgenomen van FMO. In deze ratio loopt het Tier 2 kapitaal niet in mee. De total capital ratio (inclusief tier 2 kapitaal) ultimo 2015 was 23,6%.

Vraag 74

Welke doelstellingen heeft FMO wel en niet gerealiseerd in 2015?

Antwoord 74

De financiële doelstellingen voor 2015 van FMO waren als volgt:

Onderdeel

Doel 2015

Prestatie 2015

Resultaat

Investeringen (inclusief overheidsfondsen)

€ 1,6 mld.

€ 1,6 mld.

Doel behaald

Middelen van derden katalyseren

€ 875 mln.

€ 923 mln.

Doel behaald

% groene investeringen

25%

27%

Doel behaald

Cost to income – ratio

25%–30%

25%

Doel behaald

Rendement op eigen vermogen (5-jaars gemiddelde)

6,2%

7,0%

Doel behaald

De ontwikkelingsdoelstelling van FMO is om met de investeringen in 2020 1 miljoen banen te ondersteunen en 1,2 miljoen ton broeikasgassen te vermijden. Met de gedane investeringen in 2015 heeft FMO bijgedragen aan de creatie van 858.000 directe en indirecte banen en aan het vermijden van de uitstoot van 936.000 ton broeikasgassen. Hiermee wordt voldaan aan het vastgestelde groeipad richting 2020. Alleen de doelstelling voor het implementeren van de verschillende actiepunten met betrekking tot ESG (environment, social en governance) heeft FMO niet helemaal behaald. De doelstelling was hiervoor 85%, de prestatie van FMO in 2015 was 84%.

Vraag 75

Wat is het beloningsbeleid dat u zou willen hanteren bij FMO?

Antwoord 75

In mei 2016 is door de algemene vergadering van aandeelhouders van FMO een nieuw beloningsbeleid vastgesteld in lijn met het beloningskader zoals dat is opgenomen in de Nota Deelnemingenbeleid 2013. Op basis van het nieuwe beloningsbeleid voor FMO bedraagt de maximale beloning van de voorzitter van de raad van bestuur € 271.000. Het beloningsbeleid van FMO kent geen variabele beloning meer.

Vraag 76

Waarom is de pay-out ratio bij FMO zo laag? Wat is de norm voor de pay-out ratio?

Antwoord 76

De pay-out ratio wordt per deelneming apart bepaald. Bij FMO zijn er specifieke afspraken over de verdeling van de winst. In de overeenkomst tussen FMO en de staat uit 1998 is opgenomen dat een deel van de winst wordt toegevoegd aan de reserverekening voor algemene risico’s. De omvang van deze contractueel verplichte reservering leidt tot een beperkte uitkeerbare winst. De afgelopen jaren is de voor uitkering beschikbare winst volledig uitgekeerd.

Vraag 77

Welk percentage van de omzet van Havenbedrijf Rotterdam nam de overslag van olieproducten voor haar rekening in 2015?

Antwoord 77

In 2015 is ongeveer 41% van de totale overslag in metrische tonnen toe te schrijven aan olieproducten (19%) en ruwe olie (22%). Havenbedrijf Rotterdam heeft berekend dat grofweg 31% van de omzet is toe te rekenen aan olie en olieproducten. Deze omzet bestaat uit zeehavengelden en contractinkomsten. Havenbedrijf Rotterdam heeft in de strategie als doelstelling opgenomen om deze afhankelijkheid te verkleinen door in te zetten op groeimarkten zoals containers en liquified natural gas (LNG). Daarnaast stuurt het Havenbedrijf Rotterdam erop om zoveel mogelijk activiteiten op het gebied van biobased productie en circulaire economie in Rotterdam te vergroten en zet het zich in om de op «fossiel» gebaseerde industrie minder milieubelastend en efficiënter te maken. Zo wil Havenbedrijf Rotterdam werken aan maatschappelijke waarde creatie voor de lange termijn, zonder economische waarde te vernietigen.

Vraag 78

Wat is de invloed van het invoeren van de Vpb-plicht op het Havenbedrijf Rotterdam? Waarom wordt dit genoemd?

Antwoord 78

De invoering van de Vpb-plicht per 1-1-2017 zal een financiële impact hebben op het Havenbedrijf Rotterdam. Dat is de reden om hier melding van de te maken. Hoe groot die impact zal zijn en per wanneer is nog onduidelijk. Het Havenbedrijf Rotterdam kan hier pas uitspraken over doen aan de hand van de fiscale openingsbalans en de daarmee samenhangende fiscale afschrijvingsposten. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het kabinet geen uitspraken kan doen over de fiscale positie van (toekomstige) individuele belastingplichtigen. U bent dit voorjaar uitgebreid geïnformeerd over de vennootschapsbelastingplicht voor zeehavens per 1 januari 201713.

Vraag 79

Is de verwachting dat het aantal werknemers in fte bij KLM de komende jaren zal afnemen? Zo ja, met hoeveel fte?

Antwoord 79

Ik heb geen verwachting voor het toekomstige aantal werknemers bij KLM. Het aantal fte is een operationele beslissing van de onderneming. Ik heb hier als aandeelhouder geen rol. Het aantal fte is van veel factoren afhankelijk: groei/krimp van de onderneming, digitalisering, efficiënter werken of bijvoorbeeld de kwaliteit verhogen. Daarnaast leidt het aankopen of verkopen van onderdelen tot (grote) schommelingen in het aantal fte.

In het geval van KLM heb ik overigens al vaker aangegeven dat het voor de hele onderneming (ook voor Air France) hard nodig is dat de productiviteit wordt verhoogd, de kosten worden verlaagd en de pensioenregelingen gemoderniseerd.

Vraag 80

Wat heeft u concreet gedaan om het nieuwe beloningsbeleid van KLM binnen het begrotingskader voor staatsdeelnemingen te brengen?

Antwoord 80

De Nederlandse staat heeft in 2015 als aandeelhouder tegen het (destijds) nieuwe beloningsbeleid gestemd, omdat het beloningsbeleid bij KLM niet in lijn is met het standaardbeleid voor staatsdeelnemingen, met name wat betreft de verhouding tussen het vaste en het variabele deel van de beloning. Gezien het geringe belang van de Staat in KLM, gaf deze stem echter geen doorslag. In 2016 heeft de aandeelhouder aangegeven dat daarom ook de uitvoering van het beloningsbeleid niet op zijn instemming kan rekenen.

Vraag 81

Kan een toelichting worden gegeven op de afname van het solvabiliteitsratio van de KLM?

Antwoord 81

Zie antwoord op vraag 55.

Vraag 82

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de verkoop van de KNM?

Antwoord 82

De aandelen van KNM zijn op 22 november jl. overgedragen aan Groep Heylen. De Kamer is hierover geïnformeerd middels een kamerbrief14.

Vraag 83

Is inmiddels bekend hoeveel verlies er is geleden bij de KNM over de jaren 2014 en 2015? Zo ja, kan dan ook uiteengezet worden waar deze verliezen precies aan te wijten zijn geweest?

Antwoord 83

Het verlies bedroeg in 2014 € 12.146.822 en in 2015 € 8.491.435. De belangrijkste oorzaak voor de verliezen is gerelateerd aan de problemen ten aanzien van de Chili-order, waarover de Kamer eerder is geïnformeerd15.

Vraag 84

Klopt het dat verkoop van de KNM niet 670.000 euro oplevert, maar 13 miljoen euro kost?

Antwoord 84

Rondom KNM moeten twee zaken onderscheiden worden. Enerzijds de verkoop van KNM. De aandelen van KNM zijn voor € 0,67 miljoen door Heylen overgenomen. Deze verkoopsom is ten goede gekomen aan de algemene middelen op de rijksbegroting. Anderzijds de twee verlieslatende jaren 2014 en 2015 en de wijze waarop dit verlies is geabsorbeerd. Een groot gedeelte van het verlies over deze beide jaren is opgevangen door een opgelopen vordering (€ 17,1 miljoen) van het ministerie op KNM en heeft geresulteerd in een negatief eigen vermogen. Het was dan ook onontkoombaar om een groot deel van de vordering – € 15,9 miljoen – te converteren in eigen vermogen. Deze conversie moet dus los worden gezien van de verkoop. De kosten van de conversie zijn in begroting IX opgevangen. Het resterende deel van de vordering (€ 1,2 miljoen) is deze zomer omgezet in een 3,5-jarige lening. Hierdoor kreeg KNM weer een vermogenspositie die past bij de grootte en activiteiten van de onderneming en kon het bedrijf weer voldoen aan de financieringsvoorwaarden van haar banken. Hierover heb ik uw Kamer per brief van 26 augustus 201616 geïnformeerd. KNM heeft deze lening van het ministerie afgelost uit de netto opbrengst van de verkoop van het pand door KNM. Het overige deel van de opbrengst (€ 0,5 miljoen) is als dividend uitgekeerd aan het Ministerie van Financiën.

Per saldo is derhalve in de rijksbegroting 2016 op de algemene middelen een opbrengst van € 1,17 miljoen ontvangen van KNM na aflossing van de resterende schuld (€ 0,67 miljoen verkoop aandelen en € 0,5 miljoen uitkering dividend) en heeft begroting IX de kosten van de conversie van € 15,9 miljoen opgevangen.

Vraag 85

Welke werkgelegenheidsgaranties zijn er afgesproken voor de 90 medewerkers bij de overdracht dan de KNM aan Heylen?

Vraag 86

Klopt het dat Heylen heeft gezegd dat het personeel van de KNM «vooralsnog» niet hoeft te vrezen voor zijn baan? Dus op middellange termijn moet het personeel daar wel voor vrezen?

Antwoord 85 en 86

Groep Heylen heeft aangegeven de kennis en kunde van het huidige personeel te waarderen en heeft bestaande arbeidsovereenkomsten in dezelfde vorm overgenomen. De bestaande muntactiviteiten van Groep Heylen kennen weinig overlap met de activiteiten van KNM. Daardoor heeft Groep Heylen aangegeven vooralsnog geen plannen tot reorganisatie te hebben en de noodzakelijke verbetering tot een gezonde bedrijfsexploitatie onder meer te vinden in besparingen op materiële zaken (zoals de bedrijfshuisvesting) en omzetgroei. De OR van KNM heeft, na een toelichting van Groep Heylen op haar toekomstplannen met KNM, positief geadviseerd over de verkoop.

Vraag 86

Klopt het dat Heylen heeft gezegd dat het personeel van de KNM «vooralsnog» niet hoeft te vrezen voor zijn baan? Dus op middellange termijn moet het personeel daar wel voor vrezen?

Antwoord 85 en 86

Zie antwoord op vraag 85.

Vraag 87

Welke herdenkingsmunten zijn er gepland tot en met 2019? Zal er in 2018 een munt zijn voor vijf jaar koningschap?

Antwoord 87

Het emissieschema voor 2017 is nog niet definitief vastgesteld. Wel wordt nagedacht over de mogelijkheid om ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Koning een bijzondere munt van € 10 te slaan. Plannen om in 2018 een jubileummunt vanwege vijf jaar koningschap uit te geven, zijn nog niet concreet.

Vraag 88

Klopt het dat het geen algemeen beleid kan zijn om problemen bij een staatsdeelneming op te lossen door privatisering?

Vraag 89

Klopt het dat het uitgangspunt nog steeds is dat er geen privatisering van staatsdeelnemingen kan zijn, tenzij daar een dringende noodzaak toe bestaat?

Antwoord 88 en 89

In reactie op het rapport «Verbinding verbroken?» heeft het kabinet aangegeven dat privatisering in de rede ligt als de toegevoegde waarde van het aandeelhouderschap bij het borgen van de publieke belangen niet langer aanwezig is. Het kan zijn dat het wettelijke kader hiervoor toereikend is. Voornemens voor privatisering worden vervolgens getoetst en uitgevoerd aan de hand van het besliskader dat de parlementaire onderzoekscommissie van de Eerste Kamer heeft ontworpen.

Vraag 89

Klopt het dat het uitgangspunt nog steeds is dat er geen privatisering van staatsdeelnemingen kan zijn, tenzij daar een dringende noodzaak toe bestaat?

Antwoord 89

Zie antwoord op vraag 88.

Vraag 90

Waarom wordt het historische pand van de KNM verkocht? Had dit gebouw niet behouden kunnen blijven voor de Staat?

Antwoord 90

Het pand waarin KNM is gevestigd is aangewezen als een beschermd monument als bedoeld in de Erfgoedwet. Als Rijksmonument wordt het behoud van dit pand en de historische waarde ervan via de wetgeving afdoende beschermd. Er was voor de staat geen behoefte of noodzaak om dit pand in eigendom te verkrijgen.

Vraag 91

Kan de KNM het predicaat Koninklijke behouden?

Antwoord 91

De bevoegdheid een predicaat Koninklijk toe te kennen of te bestendigen ligt bij de Koning. Op de uitkomst kan niet vooruit worden gelopen.

Vraag 92

Welk gedeelte van het personeel van de KNM gaat over naar DNB?

Antwoord 92

Twee medewerkers die bij KNM‎ volledig werkzaam waren ten behoeve van het Nationaal Analyse Centrum voor Munten (NACM), hebben het aanbod gekregen om bij DNB dezelfde werkzaamheden ten behoeve van het NACM uit te voeren.

Vraag 93

Zijn de jaarrekeningen van de KNM over 2014 en 2015 inmiddels vastgesteld? Zo nee, wanneer gaat dit gebeuren?

Antwoord 93

Zie antwoord op vraag 12.

Vraag 94

Waarom zijn er over 2014 en 2015 nog geen goedgekeurde cijfers? Wanneer kunnen deze er wel zijn?

Antwoord 94

Zie antwoord op vraag 12.

Vraag 95

Wat wordt bij de beschrijving van de NS bedoeld met «hieronder vallen ook knooppuntontwikkeling en exploitatie»?

Antwoord 95

Dit betreft de activiteiten van NS Stations. De voorzieningen die hieronder vallen zijn:

  • Transfervoorzieningen: route van de openbare weg tot de instap in de trein en alle basisvoorzieningen die de reizigers daarbij nodig hebben (liften, roltrappen, bewegwijzering, bankjes, (basis)wachtruimte, reisinformatie trein, etc.);

  • Ketenvoorzieningen: voorzieningen voor de reis naar en vanaf het treinstation: fiets parkeren (eerste 24 uur gratis), OV-fiets, auto parkeren, kiss & ride, taxistandplaatsen, zonetaxi, voorplein, busstation, etc.;

  • Verblijfsvoorzieningen: toiletten, bagagekluizen, actuele informatie over aansluitingen, wifi en 4G, comfortabele wachtruimtes, ontmoetingspunt, etc.;

  • Commerciële voorzieningen; aanbod van retail (food, non-food) en horeca van hoge kwaliteit en met veel diversiteit. Deels exploiteert NS deze commerciële voorzieningen nu zelf (ca. 40–50%), deels gebeurt dit door derden.

Vraag 96

Welke gevolgen heeft de nieuwe NS strategie die is vastgesteld met betrekking tot deelname in andere vennootschappen (zoals de cruiseterminal Amsterdam)?

Antwoord 96

NS is bezig met de uitvoering van de strategie «Spoorslags beter». Zo is de deelname in de cruiseterminal Amsterdam in 2015 verkocht, wordt het niet strategisch vastgoed geleidelijk verkocht (waarvan het overgrote deel via verkoop van de deelname in het vastgoedfonds in december 2016), is het belang van NS in HTM verkocht (december 2016) en is in de zomer van 2016 het verkooptraject QBuzz gestart.

Vraag 97

Wordt inmiddels al met additionele nieuwe treinen gereden? Zo nee, wanneer kunnen we dit wél verwachten?

Antwoord 97

De met spoed bestelde Flirt treinen zullen vanaf december 2016 geleidelijk in dienst gesteld worden.

Vraag 98

Zijn de twee nieuwe functies in de RvB al ingevuld? Zo ja, hoeveel vergoeding ontvangen deze personen? Kan dit worden uitgesplitst in vast en variabel?

Antwoord 98

Per 15 juli 2016 is Marjan Rintel benoemd tot directeur operatie. Zij is verantwoordelijk voor de vervoersactiviteiten die nu onder NS Reizigers vallen en de onderhoudsactiviteiten van NedTrain. Deze twee bedrijfsonderdelen zijn nu organisatorisch samengevoegd (één van de aanpassingen die gedaan zijn vanuit de nieuwe NS strategie «Spoorslags Beter»). De vacature voor de directeur commercie en ontwikkeling wordt naar verwachting op korte termijn ingevuld. Behoudens het salaris van de president-directeur bedraagt het salaris voor de leden van de raad van bestuur 344.000 euro. Zowel de president-directeur als de huidig leden van de raad van bestuur hebben vrijwillig afgezien van hun variabele beloning, waarop zij op grond van het beloningsbeleid wel aanspraak hadden kunnen maken.

Vraag 99

Wat is een «gemitigeerd structuurregime»?

Antwoord 99

Zie antwoord op vraag 28.

Vraag 100

Waarom haalt de NWB Bank het afgesproken percentage van 3% niet voor de capital ratio? Hoe gaat de NWB Bank dat wel op korte termijn halen? Hoe wordt hier door de toezichthouder naar gekeken?

Antwoord 100

Sinds 2011 heeft de NWB Bank in verband met de introductie van de leverage ratio norm onder het Bazel III raamwerk belangrijke stappen gezet om te kunnen voldoen aan de verwachte toekomstige minimumeis. Zo heeft de bank begin 2011 besloten tot maximale reservering van de jaarlijkse nettowinst (derhalve geen dividenduitkeringen) en is zij in 2015 gestart met het aantrekken van aanvullend tier 1-kapitaal. Een eventuele verdere toekomstige uitgifte van hybride kapitaal is afhankelijk van de mate waarin hybride kapitaal nodig is om te kunnen voldoen aan (Europese) leverage ratio eisen.

De Europese Centrale Bank houdt toezicht op de NWB Bank en op de stappen die zij zet op weg naar het voldoen aan de verwachte leverage ratio norm vanaf het moment dat deze gaat gelden. Er is op dit moment echter nog geen bindende Europese leverage ratio norm afgesproken. Op 23 november 2016 heeft de Europese Commissie voorstellen gepubliceerd voor aanpassing van de Europese regelgeving over kapitaaleisen voor banken (Capital Requirements Regulation, CRR), waaronder een voorstel voor een leverage ratio norm van 3% die ingaat per 2019. Deze zal ook voor NWB bank gaan gelden, tenzij de voorstellen van de Commissie op dit punt nog worden aangepast tijdens de besprekingen in de Raad en het Europees Parlement. In de kabinetsreactie heb ik herhaald mij in te zullen zetten voor passende leverage ratio afspraken voor de Nederlandse sectorbanken.17

Vraag 101

Hoe moet de zinsnede «de investeringen met name in de vorm van kredietverlening vinden uitsluitend plaats in Nederland» in relatie tot de recente berichten dat de NWB Bank deelneemt in risicovolle, omstreden buitenlandse projecten?

Antwoord 101

De NWB Bank neemt niet deel in risicovolle, omstreden buitenlandse projecten. De NWB Bank is een national promotional bank die zich exclusief richt op de Nederlandse publieke sector met de financiering van decentrale overheden (waterschappen, gemeenten en provincies), instellingen onder garantie van (decentrale) overheden en Publiek-Private-Samenwerking (PPS). Ik veronderstel dat uw vraag verband houdt met de berichtgeving dat waterschappen zouden deelnemen in risicovolle, omstreden buitenlandse projecten. In dat verband verwijs ik u naar beantwoording van de Kamervragen die hierover zijn gesteld aan de Minister van Infrastructuur en Milieu18.

Vraag 103

Zijn in 2015 boetes uitgedeeld aan luchtvaartmaatschappijen die vliegen op Schiphol, omdat ze zich niet aan het uitbetalen van vergoedingen hielden naar aanleiding van vertragingen van drie uur of meer?

Antwoord 103

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft niet de bevoegdheid om naar aanleiding van individuele klachten te handhaven met betrekking vertraging en annulering, maar onderzoekt en beoordeelt individuele klachten van passagiers wel. Voor de ILT kunnen ingediende klachten aanleiding zijn om bij een luchtvaartmaatschappij nader onderzoek in te stellen. Indien nodig treedt de ILT handhavend op. Zo heeft de ILT in 2015 luchtvaartmaatschappij Vueling een last onder dwangsom van € 1 miljoen opgelegd.

Vraag 104

Waarom is de pay-out ratio van de NWB Bank al sinds 2011 0%?

Antwoord 104

Zoals vermeld in het antwoord op vraag 101 heeft de NWB Bank in verband met de kapitaaleisen onder Bazel III begin 2011 besloten tot een maximale reservering van de jaarlijkse nettowinst. Als gevolg van dit reserveringsbeleid is dus ook geen dividend uitgekeerd. De bank heeft daarbij steeds aangegeven dat, indien en voor zover de autoriteiten besluiten de norm voor de leverage ratio voor de NWB Bank aan te passen, dit reserveringsbeleid zal worden heroverwogen.

Vraag 105

Waarom wordt de pay-out ratio verhoogd van 50% naar 60%? Wat betekent dit voor de mogelijkheden om te investeren of de kosten te verlagen? Waarom wordt dit niet ingezet voor bijvoorbeeld het verlagen van de tarieven?

Antwoord 105

Het dividendbeleid van Schiphol is aangepast omdat de balans- en cashflowprognose ruimte laten voor een ruimer dividendbeleid. In het nieuwe dividendbeleid wordt rekening gehouden met de investeringsprogramma’s van Schiphol. Pas nadat de totale kosten en opbrengsten, waaronder de tarieven, zijn vastgesteld wordt bepaald hoe de winst wordt verdeeld tussen Schiphol (toevoeging aan de winstreserve) en de aandeelhouders (uitkeren van dividend). Deze verdeling heeft geen effect op de havengeldtarieven. De Wet Luchtvaart reguleert de manier waarop Schiphol de havengeldtarieven mag vaststellen, inclusief de hoogte daarvan. Het dividendbeleid speelt hierin geen rol.

Vraag 106

Wat is de ontwikkeling van de tarieven voor de carriers op Schiphol in de afgelopen 10 jaar geweest en wat is de prognose?

Antwoord 106

De tarieven op Schiphol zijn over de periode 2007–2017 gemiddeld gedaald. Als gevolg van aanzienlijke investeringen in capaciteit en kwaliteit in de nabije toekomst verwacht Schiphol dat de tarieven vanaf 2018 weer gaan stijgen.

Vraag 107

Waarom wordt hier niks genoemd over de wijziging van de Wet exploitatie luchthaven Schiphol?

Antwoord 107

De wijziging van de Wet Luchtvaart is een verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, en niet van de staat als aandeelhouder. Vandaar dat hiervoor in dit jaarverslag geen bijzondere aandacht is.

Vraag 108

Wat is de stand van zaken naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad over misleidende reclame-uitingen?

Antwoord 108

De Nederlandse Staat heeft 99% van de aandelen van de Nederlandse Loterij. Als aandeelhouder houdt de Staat zich niet bezig met de dagelijkse bedrijfsvoering van de Staatsloterij, dat een onderdeel is van de Nederlandse Loterij. Dat is aan het bestuur van de onderneming. Ook het bereiken van een oplossing met de betrokken spelers in de zaak van de misleidende reclame is een aangelegenheid voor het bestuur van de onderneming. Indien daartoe aanleiding is stelt het bestuur de aandeelhouder op de hoogte van ontwikkelingen over deze kwestie.

De Nederlandse Loterij spant zich in om, ondanks nooit bewezen schade in de zaak, tot een gepaste oplossing te komen voor alle betrokken spelers. Momenteel is het bestuur hierover in gesprek met (vertegenwoordigers van) de spelers die in de periode van de misleidende reclame-uitingen hebben deelgenomen aan de loterij.

Vraag 109

Waarom staan er bij de investeringen van Tennet vrijwel uitsluitend investeringen in Duitsland, terwijl de recente kapitaalinjectie toch alleen bedoeld was voor de investeringen in Nederland?

Antwoord 109

Voor het kapitaal dat de staat zal storten aan TenneT is vastgelegd dat dit alleen voor wettelijk verplichte activiteiten van TenneT TSO B.V. in Nederland kan worden aangewend. De toezegging voor deze storting is gedaan met het oog op de kapitaalbehoefte voor TenneT’s Nederlandse activiteiten tot en met 2025. Het traject van investeringsvoorstel tot en met realisatie duurt vele jaren, waarbij TenneT pas in de realisatiefase van een project de meeste kosten maakt. Dat betekent dat de kapitaalbehoefte grotendeels pas in de realisatiefase ontstaat. Een gedeelte van de kapitaalbehoefte, naar aanleiding waarvan de Nederlandse staat zich heeft gecommitteerd tot een kapitaalstorting, komt dus voort uit projecten die in het verleden door de aandeelhouder zijn goedgekeurd. De investeringen die in het jaarverslag benoemd worden, leiden niet direct maar pas over enkele jaren tot een (grote) kapitaalbehoefte.

Vraag 110

Wanneer komt de evaluatie van de staatsdeelneming Thales naar de Kamer?

Antwoord 110

In het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2016 zal het kabinet rapporteren over de evaluatie van het staatsaandeelhouderschap in Thales.

Vraag 111

Waarom is de pay-out ratio bij Thales 0% en het ontvangen dividend ook al nul sinds 2012?

Antwoord 111

In het jaarverslag doet de raad van bestuur een voorstel voor de bestemming van de winst. De aandeelhouders besluiten vervolgens over de winstbestemming. Aangezien de staat 1% van de aandelen in Thales Nederland B.V. bezit, heeft de staat slechts beperkte invloed op de winstbestemming bij Thales Nederland B.V. Thales Group, dat de overige aandelen bezit, kan dus bepalen over de dividenduitkering. Sinds 2012 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders ingestemd met het voorstel van de raad van bestuur om geen dividend uit te keren.

Vraag 112

Wanneer kunnen we ook vrouwen in de RvC van de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM) verwachten?

Antwoord 112

De RvC van de BOM telt op dit moment vier leden, die allen in 2013 zijn benoemd voor een periode van vier jaar. De huidige leden kunnen maximaal één keer herbenoemd worden. Op dit moment staat er een vacature open voor een vijfde RvC-lid. Het is aan de provincie Noord-Brabant (PNB) om dit lid voor te dragen. Net als de staat heeft ook de provincie Noord-Brabant haar voorkeur aangegeven om een vrouw aan de RvC toe te voegen.

Vraag 113

Waarom heeft de Nederlandse staat een aandeel in Dutch Carribean Air Navigation Service Provider (DC ANSP), dat actief is in twee andere landen (Curaçao en Sint Maarten)? Waarom kan dit niet worden afgestoten? Wanneer vindt er een evaluatie van deze beleidsdeelneming plaats?

Vraag 127

Waarom heeft de Nederlandse staat een aandeel in Winair, dat actief is in een ander land (Sint Maarten)? Waarom kan dit niet worden afgestoten? Wanneer vindt er een evaluatie van deze beleidsdeelneming plaats?

Vraag 128

Waarom is er zowel een deelname in DC ANSP, dat ook actief is op Sint Maarten, en Winair, dat eveneens actief is op Sint Maarten?

Antwoord 113, 127, 128

De staat heeft een aandelenbelang van 7,95% in Winair respectievelijk DC ANSP verkregen in het kader van de staatkundige hervormingen van 10 oktober 2010. Het aandelenbelang in Winair representeerde het aandeel van St. Eustatius en Saba in Winair voor de opheffing van de Nederlandse Antillen. De meerderheid van de aandelen (92,05%) is eigendom van het land Sint Maarten, waar Winair ook is gevestigd. Winair is echter ook van groot belang voor de bijzondere Nederlandse gemeenten St. Eustatius en Saba. Deze zijn in hoofdzaak afhankelijk van de luchtverbinding met Sint Maarten voor hun bereikbaarheid met de buitenwereld. De Staat heeft de aandelen in Winair in 2010 overgenomen om de betrouwbare, veilige en kostenefficiënte bereikbaarheid van Saba en St. Eustatius – een publiek belang – zo goed mogelijk te borgen. Door het aandelenbelang in Winair heeft de staat de mogelijkheid de ontwikkelingen goed te monitoren en in contact te blijven met het bestuur van Winair over zaken die betrekking hebben op de duurzame verbinding naar Saba en St. Eustatius.

DC ANSP is sinds 2005 verantwoordelijk voor de luchtverkeersdienstverlening in het vluchtinformatiegebied Curaçao dat zich onder andere boven het territoir van Bonaire bevindt. DC ANSP verleent luchtverkeerdienstverlening aan en-route verkeer in deze regio en aan naderings- en terminalverkeer van en naar de relevante luchthavens, waaronder de luchthaven van Bonaire. Naast luchtverkeerdienstverlening verleent DC ANSP ook andere aanpalende diensten zoals vluchtinlichtingendiensten.

Luchtverkeerdienstverlening en de aanpalende activiteiten zijn publieke taken, enerzijds vanwege de veiligheidsaspecten en anderzijds vanwege het belang van een goede bereikbaarheid van de bijzondere Nederlandse gemeente Bonaire door de lucht.

Het is verder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu om het tarief voor de luchtverkeersdienstverlening van DC ANSP met betrekking tot Bonaire goed te keuren. Een te hoog tarief kan een negatief effect hebben op het netwerk van luchtverbindingen van Bonaire, met bijbehorend negatief effect op economisch en sociaal vlak voor de lokale gemeenschap. Door het aandelenbelang in DC ANSP heeft de Staat de mogelijkheid de ontwikkelingen binnen DC ANSP, zowel op de kwaliteit van de dienstverlening als op de kosten, te monitoren.

Het afstoten van het aandeelhouderschap in deze twee beleidsdeelnemingen staat om bovenstaande redenen niet ter discussie. Naar aanleiding van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer «De Staat als aandeelhouder» (bijlage bij Kamerstuk 28 165, nr. 183) is in 2015 besloten om toezichtsvisies op te stellen voor deze twee beleidsdeelnemingen. Deze worden in 2018 geëvalueerd en daarna iedere vijf jaar. In dat kader zal ook periodiek stilgestaan worden bij nut en noodzaak van het aanhouden van het aandeelhouderschap in deze twee beleidsdeelnemingen.

Vraag 114

Waarom ontbreekt het kopje «vooruitblik» bij DNB? Hoe gaat het bijvoorbeeld met het treffen van voorzieningen met het oog op krediet- en renterisico’s, zoals in 2015 voor € 0,5 miljard is gebeurd?

Antwoord 114

DNB is voornemens in de komende jaren een voorziening op te bouwen voor QE gerelateerde risico’s. Op basis van de aangepaste modellen, recente marktprijzen en de huidige inzichten over het monetaire beleid acht DNB een voorziening van € 2,7 miljard op termijn voldoende (zie DNB brief inzake modelherziening van 22 november 201619). Bij de vaststelling van de jaarcijfers over 2016 zal de doelomvang van de voorziening wederom worden geactualiseerd aan de geldende beleids- en marktomstandigheden en zo nodig bijgesteld. DNB heeft in 2015 € 500 miljoen aan de voorziening toegevoegd en is voornemens in 2016 een additionele € 500 miljoen toe te voegen als de winst dat toelaat.

Vraag 115

In welke mate heeft de verscherpte verhouding van de EU met Rusland de gasverkopen van Gasterra geraakt, in absolute cijfers?

Antwoord 115

GasTerra heeft een langetermijncontract met Gazprom. Gashandelsactiviteiten vallen buiten de scope van de sancties en GasTerra geeft aan dat de commerciële relaties hierdoor niet beïnvloed zijn. Het heeft dus ook de verkopen van GasTerra niet geraakt.

Vraag 116

Waarom worden investeringen van Gasterra niet aan de aandeelhouder voorgelegd?

Antwoord 116

GasTerra is een onderneming die gas in- en verkoopt. GasTerra investeert niet in materiële vaste activa.

Vraag 117

Waarom is de pay-out ratio van Innovation Quarter 0% en het rendement op eigen vermogen negatief?

Antwoord 117

Innovation Quarter is op 1 januari 2014 opgericht en bevindt zich nog in de opstartfase. Het zal een aantal jaren duren alvorens een volwassen participatieportfolio is opgebouwd en er met regelmaat succesvolle exits kunnen worden gerealiseerd. Dividenduitkeringen zijn daarom op dit moment niet aan de orde.

Vraag 118

Hoe moeten de resultaten (negatief rendement op eigen vermogen en pay-out ratio) van de Industriebank LIOF gezien worden ten opzichte van de andere regionale ontwikkelingsmaatschappijen? Wat is de reden voor de resultaten van LIOF?

Antwoord 118

Het LIOF-resultaat wordt nagenoeg volledig bepaald door het resultaat van het eigen participatiefonds. LIOF heeft in het verleden geparticipeerd in enkele business centers en bedrijventerreinen, waardoor haar cijfers niet geheel vergeleken kunnen worden met

die van andere ROM’s die dergelijke participaties niet kennen. De resultaten in 2014 werden in sterk mate bepaald door de problemen op de onroerendgoedmarkt. In 2015 ontstond het negatieve resultaat met name door het afwaarderen van een groot aantal participaties. Voor 2016 worden overigens weer zwarte cijfers verwacht.

Vraag 119

Waarom staat er bij de vooruitblik bij ProRail niks over de nieuwe positionering?

Antwoord 119

Per brief van 28 september 2016 is uw Kamer geïnformeerd over het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2015. Voor het samenstellen van het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2015 wordt door de Minister van Financiën in een vroegtijdig stadium informatie verzameld over beleidsdeelnemingen bij de verschillende ministeries die betrekking heeft op het jaar 2015. De positionering van ProRail betrof op het moment van informatieverstrekking aan de Minister van Financiën een nog nader uit te werken beleidsvoorstel en is daar dus niet bij betrokken. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft uw Kamer voor de eerste maal geïnformeerd over het besluit van het kabinet om ProRail in het publieke domein te positioneren bij brief van 29 april 201620.

Vraag 120

Wanneer hebben voor het laatst noemenswaardige gebeurtenissen plaatsgevonden rond de Saba Bank?

Antwoord 120

In de jaren 1977 en 1982 zijn er op de Sababank exploratieboringen verricht. De geologische geschiedenis van de Sababank geeft aanwijzingen dat de Sababank commercieel exploiteerbare voorraden van olie en gas heeft. Tot op heden zijn er geen betekenisvolle hoeveelheden olie of gas ontdekt. Er wordt op de Sababank geregeld wetenschappelijk onderzoek verricht. Hierbij worden dan verschillende aspecten van de Sababank onderzocht, zoals de bedekkingsgraad van het koraal, de gezondheid van het koraal, de biomassa, de soortenrijkdom van de aanwezige vissen en de stromingspatronen van het water.

Vraag 121

Is de verwachting dat in de nabije en/of de verre toekomst de Saba Bank nog geleased gaat worden aan oliebedrijven?

Antwoord 121

De Minister van Economische Zaken heeft door TNO laten onderzoeken of er mogelijk economisch winbare voorraden olie en/of gas aanwezig zijn nabij de Sababank of in het ruimere gebied (EEZ) daar omheen. Uit het door TNO uitgevoerde onderzoek blijkt op basis van eerder verricht seismisch onderzoek, de in het gebied gezette boringen en beschikbare literatuur dat de kans dat er in het gebied gas- of olievoorraden gelegen zijn, gering is. Op basis van deze conclusies van TNO is er geen aanleiding om in dit ecologisch kwetsbare gebied nader onderzoek te laten uitvoeren door middel van seismiek of boren.

Vraag 122

Wat bedragen de onkostenvergoedingen van de leden van de RvB en de RvC van de Saba Bank?

Antwoord 122

De bezoldiging (inclusief toelage autokosten) van de directeur en raad van commissarissen bedraagt in het totaal over 2.014 USD 18.648.

Vraag 123

Waaruit bestaan de werkzaamheden van de leden van de RvB en de RvC van de Saba Bank?

Antwoord 123

De raad van commissarissen van Saba Bank Resources N.V. voert de werkzaamheden uit als behoren bij het beheer van een N.V. Dit betekent dat zij regelmatig vergadert met de directie. Daarnaast vindt regelmatig overleg plaats tussen directie en de president-commissaris. In de afgelopen jaren zijn elk jaar twee algemene vergaderingen van aandeelhouders gehouden. De jaarrekening wordt telkenjare tijdig opgemaakt en is voorzien van de controleverklaring van de onafhankelijke accountant PWC te Curaçao. De jaarrekening wordt behandeld en goedgekeurd in de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders waarin ook het beleid van de directie wordt besproken en toegelicht. De directie en de raad van commissarissen verkrijgen in die vergadering eveneens decharge. Exemplaren van de jaarrekening worden toegezonden aan de Centrale Bank en aan de Rekenkamer.

Vraag 124

Welk beletsel is er om de Saba Bank op te heffen?

Antwoord 124

Opheffing kan niet geschieden zonder instemming van de medeaandeelhouders in Saba Bank, te weten de Openbare Lichamen Saba en St. Eustatius, het land St. Maarten en het land Curaçao, en die hebben daar nog geen besluit over genomen.

Vraag 125

Waarom staat er bij Saba Statia Cable System (SSCS) niets over het weer afbouwen van deze beleidsdeelneming? Deze was toch bedoeld als tijdelijk? Waarom staat er niets over de staatsdeelneming zelf bij «vooruitblik»?

Antwoord 125

De volledige oplevering van alle verbindingen, met name op St Maarten, is pas in 2016 gerealiseerd. Er is voor gekozen om het vraagstuk van governance pas later aan de orde te stellen. Namelijk op het moment dat de operatie van SSCS bv na volledige oplevering van alle verbindingen in een stabielere fase zouden zijn gekomen. Naar verwachting zal dit aspect in 2017 met de stakeholders worden besproken.

Vraag 126

Waarom staat de pay-out ratio op 0% voor SSCS? Wat is het verdienmodel van SSCS? Wat is de strategie?

Antwoord 126

SSCS bv heeft geen winstoogmerk. Er worden dus ook geen dividenduitkeringen aan de aandeelhouder verricht. Vandaar dat de pay-out ratio op 0% staat.

SSCS bv koopt centraal capaciteit in op de eindpunten van haar netwerk en beheert en exploiteert het zeekabelnetwerk. Ze levert diensten aan onderdelen van de rijksoverheid op de eilanden, zoals Defensie, en aan lokale telecom concessiehouders op Saba en St Eustatius. Het verdienmodel van SSCS bv is gebaseerd op een continuïteitsopslag gehanteerd op de kosten om het beheer, toekomstige vervangingsinvesteringen en reparaties te kunnen bekostigen.

De strategie van SSCS bv is om het aantal gebruikers van het netwerk te vergroten met als doel om de operationele kosten per eenheid gebruik verder te kunnen laten dalen. Tevens wordt gestreefd naar toename van de omvang van het gebruik in zijn geheel, aangezien bij een groter inkoopvolume de tarieven per eenheid gebruik zullen dalen.

Vraag 127

Waarom heeft de Nederlandse staat een aandeel in Winair, dat actief is in een ander land (Sint Maarten)? Waarom kan dit niet worden afgestoten? Wanneer vindt er een evaluatie van deze beleidsdeelneming plaats?

Antwoord 127

Zie antwoord op vraag 113.

Vraag 128

Waarom is er zowel een deelname in DC ANSP, dat ook actief is op Sint Maarten, en Winair, dat eveneens actief is op Sint Maarten?

Antwoord 128

Zie antwoord op vraag 113.


X Noot
1

Het gaat om benoeming van nieuwe bestuurders en commissarissen dus exclusief herbenoemingen.

X Noot
2

Kamerstuk 25 422, nrs. 142 en 153

X Noot
3

Kamerstuk 32 449, nr. 2

X Noot
4

Kamerstuk 33 532, nr. 63

X Noot
5

Kamerstuk 28 165, nr. 258

X Noot
6

Kamerstukken 28 165 en 30 111, nr. 219

X Noot
7

Kamerstukken 28 165 en 30 196, nr. 252

X Noot
8

Kamerstuk 28 642, nr. 60

X Noot
9

Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 1146

X Noot
10

Omzetting naar aandelen zou onder omstandigheden tot verstoring van de huidige verhoudingen in het aandelenbezit van BNG Bank kunnen leiden (50% Staat en 50% decentrale overheden), of – in geval van investeerders die op basis van de statuten zijn uitgesloten van aandeelhouderschap – tot een conflict met de in de statuten vastgelegde voorwaarden voor aandeelhouderschap.

X Noot
11

Kamerstuk 22 112, nr. 2261

X Noot
12

Kamerstuk 28 165, nr. 97

X Noot
13

Kamerstukken 34 003 en 29 862, nr. 16

X Noot
14

Kamerstuk 28 165, nr. 259

X Noot
15

Kamerstuk 28 165, nr. 250

X Noot
16

Kamerstuk 28 165, nr. 255

X Noot
17

Kamerstuk 22 112, nr. 2261

X Noot
18

Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nrs. 721 en 722

X Noot
19

Kamerstuk 32 013, nr. 140

X Noot
20

Kamerstuk 33 678, nr. 16