Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201728165 nr. 258

28 165 Deelnemingenbeleid rijksoverheid

Nr. 258 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 oktober 2016

In mijn brief van 2 februari 2016 (Kamerstuk 28 165, nr. 233) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken ten aanzien van de borging van de publieke belangen van non-proliferatie en veiligheid inzake URENCO Ltd. Daarin heb ik aangegeven dat de Nederlandse overheid met de verdragspartners bij het Verdrag van Almelo (Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) en de medeaandeelhouders in URENCO Ltd. (het Verenigd Koninkrijk en de Duitse energiebedrijven RWE en E.ON) nog in overleg was over het wetsvoorstel ter borging van de publieke belangen in URENCO Ltd. Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken, over de uitkomsten van dit overleg.

In voornoemde brief heb ik aangegeven dat nieuwe en toekomstbestendige wetgeving noodzakelijk is om de publieke belangen van non-proliferatie en veiligheid te borgen in het geval het Verenigd Koninkrijk de voorgenomen verkoop van zijn aandelen realiseert en Nederland dientengevolge publiek minderheidsaandeelhouder in URENCO Ltd. wordt. Daarnaast heb ik in deze brief aangegeven dat ik het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer zou aanbieden zodra alle betrokken partijen daarmee definitief akkoord zouden zijn. De Nederlandse overheid heeft haar inspanningen gedurende het onderhandelingsproces altijd volledig gericht op het bereiken van een gezamenlijk akkoord met de genoemde verdragspartners bij het Verdrag van Almelo en de private medeaandeelhouders in URENCO Ltd., E.ON en RWE.

Afgelopen zomer hebben de verdragspartners bij het Verdrag van Almelo na moeizame en complexe onderhandelingen een akkoord over het wetgevingspakket bereikt. Dit akkoord is door zowel het Verenigd Koninkrijk als Duitsland per brief op politiek niveau bevestigd. De Duitse overheid stelde daarbij de voorwaarde dat er een vennootschapsrechtelijke structuur voor URENCO Ltd. wordt geïmplementeerd die een beursnotering uitsluit. Implementatie van een nieuwe vennootschapsrechtelijke structuur is alleen met steun van alle aandeelhouders van URENCO Ltd. mogelijk. Daarom is behalve het akkoord van de verdragspartners ook het akkoord van medeaandeelhouders E.ON en RWE noodzakelijk. De Nederlandse overheid heeft zich in de afgelopen weken maximaal ingezet om dit akkoord van E.ON en RWE te verkrijgen. Ondanks deze inzet lieten E.ON en RWE mij op 13 oktober jl. schriftelijk weten dat zij niet akkoord kunnen gaan met het wetsvoorstel, met name vanwege het ontbreken van de mogelijkheid van een beursnotering.

Door het uitblijven van een definitief akkoord van de medeaandeelhouders kan ik het wetsvoorstel niet aan de Tweede Kamer aanbieden. Dat betreur ik. Ik blijf van mening dat het noodzakelijk is om de structuur en governance van de onderneming te verbeteren en te moderniseren, zoals ook de Minister van Financiën mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en mij in zijn brief aan de kamer van 23 mei 2013 reeds heeft toegelicht (Kamerstuk 28 165, nr. 161).

Voor het kabinet heeft het zo effectief mogelijk borgen van de publieke belangen van non-proliferatie en veiligheid prioriteit. De uitgangspunten in bovengenoemde brief blijven daarbij onverkort van toepassing. Zoals de Minister van Financiën tijdens het AO Deelnemingenbeleid van 3 februari jl. al heeft aangegeven, is verkoop van de Nederlandse aandelen in URENCO Ltd. op dit moment niet aan de orde (Kamerstuk 28 165, nr. 248). Bij zowel het Verenigd Koninkrijk als E.ON en RWE blijft echter wel de wens tot verkoop van de aandelen aanwezig. Daarom is het noodzakelijk om in overleg met de verdragspartners alternatieve mogelijkheden te verkennen waarmee een optimale borging van de publieke belangen gegarandeerd wordt. Dat vraagt om een nauwkeurige analyse van het Nederlandse handelingsperspectief in de gegeven situatie. Daarover zal ik mij in de komende periode dan ook samen met de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken buigen. Ik zal de Tweede Kamer over de voortgang daarvan informeren.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp