25 087 Internationaal fiscaal (verdrags)beleid

35 927 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2022)

U1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 november 2022

De leden van de vaste commissie voor Financiën2 hebben op 30 september 2022 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, naar aanleiding van de brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.3 Deze brief gaf de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA aanleiding tot het stellen van een aantal vragen.

De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft op 2 november 2022 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, De Man

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN

Aan de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst

Den Haag, 30 september 2022

De leden van de vaste commissie voor Financiën hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.4 Deze brief geeft voor de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA aanleiding tot het stellen van gezamenlijke vragen.

Een eerlijker belastingstelsel, waarbij internationale inspanningen werden gecombineerd met het aanscherpen van de Nederlandse wet- en regelgeving, was een beleidsprioriteit voor uw voorganger. Zet u deze inspanningen voort? Hoe verhoudt de uitspraak van het kabinet dat zij unilateraal alles heeft gedaan wat mogelijk is om belastingontwijking verder aan te pakken zich tot het gegeven dat Nederland op plaats vier van de Corporate Tax Haven Index 2021 staat en de conclusie van de Commissie Ter Haar II dat Nederland een doorstroomland is?5 Hoe apprecieert u de aanbevelingen voor unilaterale maatregelen van de Adviescommissie Belastingheffing voor multinationals (Ter Haar I) en de Commissie Doorstroomvennootschappen (Ter Haar II)?6 Welke navolging geeft u aan deze aanbevelingen in uw beleidsagenda?

Driemaal – in de brieven van 6 november 2018, 29 mei 2020 en 28 juni 2022 – lezen de fractieleden van GroenLinks en de PvdA dat het monitoren van de effecten van maatregelen tegen belastingontwijking «in de praktijk niet eenvoudig en soms vrijwel onmogelijk [is] zonder uit te gaan van soms moeilijk verifieerbare veronderstellingen».7 Wat zijn deze «moeilijk verifieerbare veronderstellingen»? Welke inspanningen zijn er sinds november 2018 verricht om dit probleem te overkomen en de methodiek voor het monitoren van belastingontwijking te verbeteren, in het bijzonder om een betrouwbare maatstaf voor de omvang van belastingontwijking vast te stellen en betrouwbare gegevens, die nu vaak ontbreken, te verzamelen? Kunt u toezeggen in de volgende jaarlijkse brede voortgangsrapportage de voortgang van deze inspanningen mee te nemen?

Het kabinet kiest er om de hierboven genoemde reden voor om enkel de effecten te monitoren waar dit op een gerichte manier mogelijk is aan de hand van specifieke maatregelen. Bent u het met de fractieleden van GroenLinks en de PvdA eens dat een gecombineerde nationale en internationale inspanning om belastingontwijking tegen te gaan wenselijk is, omdat hiermee wordt voorkomen dat belastingontwijking zich enkel verplaatst of dat er gebruik wordt gemaakt van nieuwe (fiscale) ontwijkingsconstructies? Is het niet of moeilijk kunnen vaststellen van een causaal effect niet inherent aan een dergelijke integrale aanpak? Bent u van mening dat voor een effectieve aanpak van belastingontwijking de monitoring van de effecten van maatregelen tegen belastingontwijking desondanks moet worden voortgezet en verbreed met aanvullende methodieken en nieuwe gegevens?

Toetst het kabinet voor de inwerkingtreding van een specifieke maatregel in hoeverre redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de maatregel belastingontwijking tegengaat of faciliteert, vergelijkbaar met een «Theory of Change»? Zo ja, welke criteria liggen ten grondslag aan dit toetsingskader? Zo nee, waarom niet? Brengt het kabinet voor de inwerkingtreding van een maatregel in kaart welk anticipatiegedrag redelijkerwijs kan worden verwacht? Is het kabinet in gesprek met belastingadviseurs die, desnoods anoniem, een indicatie kunnen geven van het effect van een maatregel tegen belastingontwijking in de praktijk? Overweegt het kabinet om bij het monitoren van de effecten van specifieke maatregelen tegen belastingontwijking, gebruik te maken van een omgekeerde bewijslast, waarbij een maatregel een positieve evaluatie krijgt wanneer een causale relatie dat de maatregel niet werkt, uitblijft en er op basis van het hierboven geschetste kader redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de maatregel effect heeft? Graag een inhoudelijke reactie. Welke andere alternatieve manieren van effectmeting heeft het kabinet overwogen en waarom (niet)?

Ondanks een afname van de inkomensstromen van en naar laagbelastende jurisdicties (LBJ’s), is de totale doorstroom in 2019 nog respectievelijk 264 en 219 miljard euro. Bedragen die volgens hoogleraar Jan Vleggeert niet in verhouding zijn tot de positie van Nederland in de wereldeconomie. Bent u het met de leden van GroenLinks en de PvdA eens dat een afname van de doorstroomactiviteiten geen indicatie is of Nederland an sich een doorstroomland is? Vindt u de huidige afname voldoende en zo niet, welke afname ambieert u? Welke verklaring geeft u voor de afname van uitgaande stromen door doorstroomjurisdicties van 51 naar 40 miljard euro? Overweegt u de definitie van LBJ’s te baseren op het effectieve, in plaats van statutaire tarief voor bronbelasting en daarin de in een land aanwezige fiscale ontwijkingsconstructies mee te nemen, en waarom (niet)? Overweegt u de bronbelasting uit te breiden naar alle rente-, royalty- en dividendstromen en waarom (niet)? De fractieleden van GroenLinks verzoeken u daarnaast om de data over inkomende en uitgaande inkomensstromen voor doorstroomjurisdicties, de Europese Monetaire Unie, LBJ’s, ontwikkelingslanden en opkomende landen uit te splitsen (en per land weer te geven). Graag een reactie.

De fractieleden van GroenLinks en de PvdA vernemen dat het totale aandeel buitenlandse directe investeringen (BDI’s) is gestegen van 4,5 biljoen euro in 2020 naar 4,7 biljoen euro in 2021. Welk deel van de totale hoeveelheid BDI’s bestaat uit reële investeringen? Wat is het aandeel van waardestijging van activa in deze toename? Wat gaat u doen aan het deel BDI’s dat naar LBJ’s te herleiden is, dat volgens de Commissie Doorstroomvennootschappen een indicatie is van belastingontwijking?8

De verhoging van de schijfgrens in de vennootschapsbelasting wordt teruggedraaid in de Voorjaarsnota 2022.9 Hoe motiveert het kabinet deze koerswijziging? Deze leden zien het onderzoek naar het fiscaal opsplitsen van activiteiten over zelfstandig belastingplichtige lichamen met interesse tegemoet. Bent u bereid een analyse van de anticipatie-effecten op zowel de verhoging van de schijfgrens in de Vennootschapsbelasting (Vpb) in 2021 en 2022, als de voorgenomen verlaging van de schijfgrens van 2023, in dit onderzoek mee te nemen?

De fractieleden van GroenLinks en de PvdA lezen dat er naar verwachting pas in 2025 gerapporteerd kan worden over de monitoring van de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel.10 Kunt u de keuze voor 2025 nader toelichten? Komen er al eerder gegevens beschikbaar die geschikt zijn voor een tussentijdse evaluatie en zo ja, bent u bereid een dergelijke evaluatie uit te voeren en de Kamer hierover te rapporteren in de jaarlijkse voortgangsrapportage?

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien uw reactie met belangstelling en bij voorkeur binnen vier weken na dagtekening van deze brief tegemoet.

Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën P.H.J. Essers

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN – FISCALITEIT EN BELASTINGDIENST

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 november 2022

Hierbij stuur ik u de beantwoording van de schriftelijke vragen die de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA hebben gesteld naar aanleiding van de brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 28 juni jl.11

De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst L.A. van Rij

Beantwoording van schriftelijke vragen naar aanleiding van de brief12 over het monitoren van de effecten van de aanpak van belastingontwijking

Een eerlijker belastingstelsel, waarbij internationale inspanningen werden gecombineerd met het aanscherpen van de Nederlandse wet- en regelgeving, was een beleidsprioriteit voor uw voorganger.13 Zet u deze inspanningen voort?

Ja. Het kabinet zet de strijd tegen belastingontwijking onverminderd voort. De nadruk in de aanpak van belastingontwijking van het kabinet ligt de komende tijd met name op internationale maatregelen. Er zijn namelijk grenzen aan wat unilateraal mogelijk is om belastingontwijking verder aan te pakken. Eenzijdige maatregelen kunnen ertoe leiden dat het probleem van internationale belastingontwijking zich alleen verplaatst. Het kabinet zet daarom in op een effectieve implementatie van het akkoord dat binnen het Inclusive Framework van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) tot stand is gekomen over de herziening van het internationale belastingstelsel. Zo zet Nederland zich in de OESO maximaal in om het dossier Pijler 1 over de verdeling van heffingsrechten verder te brengen.14 Daarnaast wil het kabinet binnen de EU een leidende rol blijven innemen in de aanpak van belastingontwijking. Daarom blijft het de inzet van Nederland om binnen de EU overeenstemming te bereiken over het richtlijnvoorstel over een wereldwijd minimumniveau aan belastingheffing (Pijler 2) en om deze richtlijn bovendien tijdig te implementeren. Het kabinet heeft in dit kader op 24 oktober jl. de internetconsultatie voor het conceptwetsvoorstel tot implementatie van de Pijler 2-maatregelen gestart.15 Ook onderschrijft het kabinet de noodzaak van een EU-brede aanpak om misbruik van doorstroomvennootschappen tegen te gaan. Het kabinet staat daarom positief tegenover de beleidsdoelen van het EU-richtlijnvoorstel om het misbruik met doorstroomvennootschappen tegen te gaan.

Het kabinet zet waar nodig ook unilaterale stappen om belastingontwijking verder aan te pakken. De Belastingdienst treedt op tegen belastingontwijkende constructies. Als daarbij blijkt dat de bestaande wet- en regelgeving niet toereikend is, kan dat aanleiding geven om te overwegen of wet- en regelgeving moet worden aangepast. Als voorbeeld kan worden gedacht aan de vastgoedmaatregel in het regime voor fiscale beleggingsinstellingen per 2024 (dit regime kan in bepaalde gevallen leiden tot onbedoelde niet-heffing over Nederlands vastgoed).16 Een ander voorbeeld is de versterking van de aanpak van dividendstripping.17 Bovendien zet het kabinet zich de komende jaren in om opmerkelijke belastingconstructies en ondoelmatige of ondoeltreffende fiscale regelingen aan te pakken. Hiervoor geldt een taakstellende opdracht, oplopend tot structureel € 550 miljoen in 2025.18

Bij de aanpak van belastingontwijking zal wetgeving alleen echter niet de oplossing zijn. Het bedrijfsleven en belastingadviseurs vervullen vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid ook een essentiële rol. Het is daarom positief dat het bedrijfsleven, onder aanvoering van VNO-NCW, in mei van dit jaar de Tax Governance Code heeft gepresenteerd. Deze gedragscode geeft invulling aan de wijze waarop maatschappelijke verantwoordelijkheid en transparantie onderdeel kunnen zijn van de fiscale adviespraktijk en het fiscale beleid en de structuur van ondernemingen.

Hoe verhoudt de uitspraak van het kabinet dat zij unilateraal alles heeft gedaan wat mogelijk is om belastingontwijking verder aan te pakken zich tot het gegeven dat Nederland op plaats vier van de Corporate Tax Haven Index 2021 staat en de conclusie van de Commissie Ter Haar II dat Nederland een doorstroomland is?19

Het klopt dat relatief omvangrijke financiële stromen door Nederland lopen. De Commissie Doorstroomvennootschappen (Ter Haar II) constateerde dat in de periode 2015–2019 jaarlijks gemiddeld 170 miljard euro per jaar aan rente-, royalty- en dividendbetalingen door doorstroomvennootschappen in Nederland stroomden. Deze doorstroom is een belangrijke reden dat Nederland op de vierde plek staat op de Corporate Tax Haven Index 2021. De plaats van Nederland op de Corporate Tax Haven Index wordt namelijk vooral bepaald door de hoogte van de buitenlandse directe investeringen (BDI) in Nederland. Een deel van deze investeringen loopt via doorstroomvennootschappen.

Er is de afgelopen jaren een omvangrijk pakket aan maatregelen genomen om belastingontwijking tegen te gaan. In de fiscale beleids- en uitvoeringsagenda heb ik een overzicht gegeven van de belangrijkste maatregelen sinds 2012.20 Een belangrijk deel van deze maatregelen bestond uit unilaterale maatregelen. Specifiek tegen ongewenste doorstroomvennootschappen voert het kabinet al langere tijd unilateraal beleid. De Commissie Ter Haar II heeft dit ook opgemerkt. Zo wisselt de Belastingdienst sinds 2014 informatie uit met belastingdiensten in andere lidstaten over bij wet nader omschreven vennootschappen die onvoldoende aanwezigheid in Nederland hebben (dienstverleningslichamen). De substance-eisen zijn bovendien per 2021 aangescherpt. Vanaf 2018 geldt een inhoudingsplicht in de dividendbelasting voor zogenoemde houdstercoöperaties. Sinds 1 juli 2019 kunnen alleen vennootschappen die in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uitoefenen zekerheid vooraf krijgen over hun fiscale positie in de vorm van een ruling met een internationaal karakter. Voor de toepassing van de vrijstelling van dividendbelasting in internationale situaties speelt de reële aanwezigheid van de aandeelhouder in het vestigingsland ook een rol. Tot slot is vanaf 1 januari 2021 een bronbelasting ingevoerd op renten en royalty’s naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties, die bovendien per 2024 wordt uitgebreid met een bronbelasting op dividenden naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties. Internationale maatregelen zijn daarnaast onmisbaar in de strijd tegen belastingontwijking. Voor de aanpak van ongewenste doorstroomvennootschappen is bijvoorbeeld de implementatie van antimisbruiktoets in de Nederlandse belastingverdragen conform het Multilaterale Instrument relevant. Deze maatregel geeft landen de mogelijkheid om belastingvoordelen uit een belastingverdrag te weigeren als het verkrijgen van een dergelijk belastingvoordeel het voornaamste doel, of een van de voornaamste doelen, van een bepaalde structuur is.

De daling van de Nederland uitgaande inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 38,5 miljard in 2019 naar € 6 miljard in 2021 laat zien dat de maatregelen tegen belastingontwijking effect hebben. Het aanpakken van belastingontwijking en doorstroomvennootschappen zonder reële economische bijdrage blijft onverminderd een belangrijk speerpunt van dit kabinet. Er zijn echter grenzen aan wat unilateraal mogelijk is om belastingontwijking verder aan te pakken. Eenzijdige maatregelen kunnen ertoe leiden dat het probleem van internationale belastingontwijking zich alleen verplaatst. Volgens de Commissie Ter Haar II zijn internationale afspraken nodig en heeft Nederland de verantwoordelijk om een voortrekkersrol te vervullen. In lijn met dit advies zet het kabinet internationaal vol in om verdere stappen te zetten in de herziening van het internationale belastingsysteem. Het kabinet staat dan ook positief tegenover het doel van het EU-richtlijnvoorstel met het oog op het tegengaan van misbruik door doorstroomvennootschappen, en onderschrijft de noodzaak van een EU-brede aanpak om misbruik via doorstroomvennootschappen tegen te gaan.

Hoe apprecieert u de aanbevelingen voor unilaterale maatregelen van de Adviescommissie Belastingheffing voor multinationals (Ter Haar I) en de Commissie Doorstroomvennootschappen (Ter Haar II)?21 Welke navolging geeft u aan deze aanbevelingen in uw beleidsagenda?

Adviescommissie belastingheffing van multinationals (Ter Haar I)

Het kabinet heeft in de brief van 15 september 2020 een reactie gegeven op het rapport van Ter Haar I.22 Sindsdien heeft het kabinet belangrijke unilaterale maatregelen genomen die zijn aanbevolen door Ter Haar I. Het gaat om de aanpassing van de verliesverrekeningsregels in de vennootschapsbelasting, de maatregel om mismatches bij de toepassing van het zakelijkheidsbeginsel tegen te gaan en de aanscherping van de earningsstrippingmaatregel. Deze drie maatregelen zijn met ingang van 2022 in werking getreden. Het kabinet is van mening dat de resterende risico’s van kunstmatige winstverschuiving het meest effectief kunnen worden aangepakt in een zo groot mogelijk internationaal verband. In dat kader zijn inmiddels belangrijke stappen gezet binnen het Inclusive Framework van de OESO in Pijler 2 voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing. Het kabinet blijft zich ervoor inspannen om binnen de EU tot overeenstemming te komen over dit richtlijnvoorstel. Met de invoering van een wereldwijd minimumniveau aan belastingheffing wordt in wezen ook invulling gegeven aan het aanscherpen van de CFC-maatregel, zoals voorgesteld door Ter Haar I.

Ter Haar I heeft tot slot geadviseerd om enkele nadere onderzoeken te doen naar de vennootschapsbelasting. Voor de manier waarop het kabinet daaraan opvolging geeft of heeft gegeven, verwijs ik naar paragaaf 7 van de monitoringsbrief die het onderwerp is van uw voorliggende vragen.

Commissie Doorstroomvennootschappen (Ter Haar II)

Ter Haar II merkt op dat er op nationaal niveau al veel maatregelen zijn genomen om doorstroom tegen te gaan, en dat bovendien ook internationale afspraken nodig zijn om internationale belastingontwijking via «lege entiteiten» te voorkomen. Ter Haar II ziet evenwel mogelijkheden voor (unilaterale) maatregelen. Het kabinet heeft deze maatregelen geapprecieerd in de fiscale beleids- en uitvoeringsagenda.23 Ter Haar II beveelt onder meer aan om de informatie-uitwisseling over doorstroomvennootschappen met andere landen uit te breiden en belastingvoordelen te weigeren als sprake is van een structuur met doorstroomvennootschappen. De commissie benoemt daarbij dat een Europese aanpak de voorkeur geniet boven een nationale aanpak. Het kabinet is het daarmee eens. Het kabinet onderschrijft de noodzaak van een EU-brede aanpak om misbruik van doorstroomvennootschappen tegen te gaan. Ter Haar II adviseert een constructieve en waar mogelijk initiërende houding van Nederland ten aanzien van de lopende internationale initiatieven. Het kabinet juicht daarom toe dat de Europese Commissie in december 2021 een richtlijnvoorstel heeft gepubliceerd om misbruik van doorstroomvennootschappen aan te pakken. Het richtlijnvoorstel sluit inhoudelijk in hoge mate aan bij de aanbevelingen voor unilaterale fiscale maatregelen van Ter Haar II, omdat het richtlijnvoorstel bepalingen bevat voor de uitbreiding van informatie-uitwisseling en het weigeren van belastingvoordelen. Het kabinet maakt zich daarom hard voor een voortvarende behandeling van het EU-richtlijnvoorstel. Het kabinet kiest ervoor om niet unilateraal vooruit te lopen op de implementatie van het EU-richtlijnvoorstel van de Europese Commissie. Bovendien wordt op deze wijze voorkomen dat wetgeving voor een zeer korte termijn van toepassing is, vanwege de opvolgende wijziging als gevolg van een EU-richtlijn. Dat komt de rechtszekerheid niet ten goede. Op deze wijze wordt het oneigenlijk gebruik van doorstroomvennootschappen op een integrale en uniforme wijze aangepakt.

Voorts heeft Ter Haar II verschillende niet-fiscale aanbevelingen gedaan waaronder de aanpak van illegale trustdienstverlening. Op 7 oktober 2022 is de kabinetsreactie op het onderzoek naar de toekomst van de trustsector naar de Tweede Kamer gestuurd.24 Dit onderzoek is één van de zes maatregelen die in de kabinetsreactie naar aanleiding van het onderzoek naar illegale trustdienstverlening is aangekondigd.25 In de kabinetsreactie van 7 oktober 2022 is in bijlage I de stand van zaken gegeven betreffende de overige vijf maatregelen tegen illegale trustdienstverlening.

Driemaal – in de brieven van 6 november 2018, 29 mei 2020 en 28 juni 2022 – lezen de fractieleden van GroenLinks en de PvdA dat het monitoren van de effecten van maatregelen tegen belastingontwijking «in de praktijk niet eenvoudig en soms vrijwel onmogelijk [is] zonder uit te gaan van soms moeilijk verifieerbare veronderstellingen».26 Wat zijn deze «moeilijk verifieerbare veronderstellingen»?

In de kern kent het monitoren van belastingontwijking twee problemen. Allereerst is er geen eenduidige definitie van belastingontwijking, zoals bijvoorbeeld ook de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) onderschrijft.27 Belastingontwijking is moeilijk te meten als niet goed vast te stellen is wat wel of niet als belastingontwijking heeft te gelden. Ten tweede kan er geen causaal effect worden vastgesteld van kabinetsbeleid doordat iedere potentiële maatstaf van belastingontwijking ook onderhevig is aan externe factoren, zoals de conjuncturele ontwikkeling en beleidsveranderingen in andere landen zoals belastingherzieningen. Er is dus niet vast te stellen wat er gebeurd zou zijn zonder het kabinetsbeleid (een zogenoemde counterfactual ontbreekt). Vanwege deze problemen komen metingen van de omvang van belastingontwijking in de praktijk vaak neer op macroschattingen met grote onzekerheidsmarges.

Welke inspanningen zijn er sinds november 2018 verricht om dit probleem te overkomen en de methodiek voor het monitoren van belastingontwijking te verbeteren, in het bijzonder om een betrouwbare maatstaf voor de omvang van belastingontwijking vast te stellen en betrouwbare gegevens, die nu vaak ontbreken, te verzamelen?

Gegeven dat er geen eenduidige definitie van belastingontwijking is, kijkt het kabinet per maatregel hoe de effecten hiervan het beste kunnen worden gemonitord. Voor elke afzonderlijke maatregel is immers beter afgebakend welke vorm van belastingontwijking wordt bestreden. Hierbij wordt steeds gekeken of de monitoring kan worden verbeterd aan de hand van nieuwe gegevens of inzichten. Zo keek het kabinet bij de monitoring van de bronbelasting in eerste instantie naar de Nederland uitgaande inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties (LBJ’s) via bijzondere financiële instellingen (bfi’s). Omdat de Commissie Doorstroomvennootschappen constateerde dat een aanzienlijk deel van de doorstroom ook via niet-bfi’s loopt, heeft het kabinet de aanbeveling overgenomen om bij de monitoring te kijken naar de totale uitgaande stromen naar LBJ’s.

Het kabinet blijft zich de komende jaren waar mogelijk inzetten voor een verbetering van de kwaliteit van beschikbare gegevens om belastingontwijking beter te kunnen meten. Nederland zich in internationaal verband in voor betere databeschikbaarheid, bijvoorbeeld op het gebied van de country-by-country-reporting.

Kunt u toezeggen in de volgende jaarlijkse brede voortgangsrapportage de voortgang van deze inspanningen mee te nemen?

In de jaarlijkse rapportage geeft het kabinet de voortgang aan van de monitoring van de effecten van den aanpak van belastingontwijking. Als verbeteringen zijn of worden aangebracht in de methodologie of gegevensverzameling, zal het kabinet dat meenemen in de rapportage.

Het kabinet kiest er om de hierboven genoemde reden voor om enkel de effecten te monitoren waar dit op een gerichte manier mogelijk is aan de hand van specifieke maatregelen. Bent u het met de fractieleden van GroenLinks en de PvdA eens dat een gecombineerde nationale en internationale inspanning om belastingontwijking tegen te gaan wenselijk is, omdat hiermee wordt voorkomen dat belastingontwijking zich enkel verplaatst of dat er gebruik wordt gemaakt van nieuwe (fiscale) ontwijkingsconstructies?

Ja.

Is het niet of moeilijk kunnen vaststellen van een causaal effect niet inherent aan een dergelijke integrale aanpak?

Zoals ook hierboven beschreven kan er inderdaad geen causaal effect worden vastgesteld van kabinetsbeleid doordat iedere maatstaf van belastingontwijking ook onderhevig is aan externe factoren, zoals de conjuncturele ontwikkeling en beleidsveranderingen in andere landen zoals belastingherzieningen. Er is dus niet vast te stellen wat er gebeurd zou zijn zonder het kabinetsbeleid (een zogenoemde counterfactual ontbreekt).

Bent u van mening dat voor een effectieve aanpak van belastingontwijking de monitoring van de effecten van maatregelen tegen belastingontwijking desondanks moet worden voortgezet en verbreed met aanvullende methodieken en nieuwe gegevens?

Ja. Het kabinet vindt het belangrijk om de effecten van de maatregelen gericht op het tegengaan van belastingontwijking inzichtelijk te maken. Het kabinet rapporteert hierover daarom in de jaarlijkse monitoringsbrief. Nieuwe of verbeterde gegevens of (methodologische) inzichten worden hierin meegenomen. Nederland zet zich in internationaal verband in voor betere databeschikbaarheid om belastingontwijking te kunnen meten, bijvoorbeeld op het gebied van de gegevens die multinationals jaarlijks verplicht moeten aangeven in een landenrapport (country-by-country-reporting).

Toetst het kabinet voor de inwerkingtreding van een specifieke maatregel in hoeverre redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de maatregel belastingontwijking tegengaat of faciliteert, vergelijkbaar met een «Theory of Change»?

Voor al het nieuwe overheidsbeleid geldt dat vooraf zo veel mogelijk wordt stilgestaan bij de verwachte (bij)effecten.

Zo ja, welke criteria liggen ten grondslag aan dit toetsingskader? Zo nee, waarom niet?

Artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet verplicht het kabinet om in te gaan op de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid. Voor fiscaal beleid bestaat daarnaast het toetsingskader fiscale regelingen.

Brengt het kabinet voor de inwerkingtreding van een maatregel in kaart welk anticipatiegedrag redelijkerwijs kan worden verwacht?

Bij de raming van fiscale maatregelen wordt rekening gehouden met verwachte anticipatie-effecten. Deze ramingen worden vervolgens gecertificeerd door het CPB, die de ramingen toetst op onder andere neutraliteit en kwaliteit.

Is het kabinet in gesprek met belastingadviseurs die, desnoods anoniem, een indicatie kunnen geven van het effect van een maatregel tegen belastingontwijking in de praktijk?

Het kabinet is regelmatig in gesprek met maatschappelijke organisaties, ngo’s, belastingadviseurs, belangenorganisaties en bedrijven om de effecten van fiscale beleidsopties te verkennen en de kwaliteit van fiscale wetgeving te verbeteren, ook op het terrein van de bestrijding van belastingontwijking. Kennis van experts wordt ook opgehaald via bijvoorbeeld internetconsultaties of (evaluatie)onderzoeken. De kennis die de Belastingdienst heeft vanuit de uitvoering van fiscale wet- en regelgeving is uiteraard eveneens onmisbaar bij het maken van een inschatting van de effecten van voorgenomen fiscale wetgeving op het gebied van belastingontwijking.

Overweegt het kabinet om bij het monitoren van de effecten van specifieke maatregelen tegen belastingontwijking, gebruik te maken van een omgekeerde bewijslast, waarbij een maatregel een positieve evaluatie krijgt wanneer een causale relatie dat de maatregel niet werkt, uitblijft en er op basis van het hierboven geschetste kader redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de maatregel effect heeft? Graag een inhoudelijke reactie.

Met de monitoring probeert het kabinet inzichtelijk te maken of de afzonderlijke maatregelen tegen belastingontwijking effect sorteren. De monitoring van maatregelen gaat echter niet zo ver dat uit de monitoring zelf een positief of negatief evaluatieoordeel kan volgen. Voor de evaluatie van een maatregel is een breder onderzoek nodig waarbij de doeltreffendheid en doelmatigheid van een maatregel wordt onderzocht. Daarbij zijn de monitoringsgegevens uiteraard van belang, maar moet ook aandacht worden besteed aan bijvoorbeeld de gebleken mate van uitvoerbaarheid en administratieve lasten, de proportionaliteit van eventuele neveneffecten op de reële economie, en alternatieve beleidsopties om hetzelfde beleidsdoel te bereiken.

Welke andere alternatieve manieren van effectmeting heeft het kabinet overwogen en waarom (niet)?

Het kabinet kijkt per maatregel wat de meest geschikte manier van monitoren is op grond van de beschikbaarheid van gegevens. In de monitoringsbrief28 belastingontwijking van mei 2020 heeft het kabinet per maatregel beschreven hoe deze worden gemonitord. Het kabinet heeft bijvoorbeeld besloten om de aanvullende Controlled Foreign Companies (CFC)-maatregel te monitoren door de budgettaire opbrengst van de maatregel in kaart te brengen. Het kabinet heeft echter overwogen om andere beschikbare aangiftegegevens te gebruiken voor de monitoring van de aanvullende CFC-maatregel. In de aangifte vennootschapsbelasting wordt belastingplichtigen namelijk gevraagd een overzicht te geven van de door hen gehouden (directe) deelnemingen. Daarbij wordt gevraagd te specificeren waar deze deelnemingen zijn gevestigd. Ook geeft een belastingplichtige aan of sprake is van buitenlandse ondernemingswinsten waarop de objectvrijstelling van toepassing is en uit welk land deze buitenlandse ondernemingswinsten afkomstig zijn. Het kabinet heeft overwogen deze gegevens te gebruiken om het aantal CFC’s te monitoren. Om twee redenen kan echter op basis van enkel deze gegevens geen nauwkeurige nulmeting worden uitgevoerd van het aantal CFC’s dat belastingplichtigen aanhouden. In de eerste plaats omdat vanwege de uitzonderingen niet alle CFC’s onder de aanvullende CFC-maatregel zullen vallen. Dit komt bijvoorbeeld doordat zij wezenlijke economische activiteiten uitoefenen of doordat de voordelen die de CFC geniet hoofdzakelijk bestaan uit andere voordelen dan besmette voordelen (zoals de winst die wordt behaald met operationele activiteiten). In beide gevallen is de aanvullende CFC-maatregel niet van toepassing. Daarnaast bieden de aangiftegegevens uitsluitend zicht op direct gehouden CFC’s, terwijl de aanvullende CFC-maatregel aangrijpt bij zowel direct als indirect gehouden CFC’s.

Ondanks een afname van de inkomensstromen van en naar laagbelastende jurisdicties (LBJ’s), is de totale doorstroom in 2019 nog respectievelijk 264 en 219 miljard euro. Bedragen die volgens hoogleraar Jan Vleggeert niet in verhouding zijn tot de positie van Nederland in de wereldeconomie. Bent u het met de leden van GroenLinks en de PvdA eens dat een afname van de doorstroomactiviteiten geen indicatie is of Nederland an sich een doorstroomland is? Vindt u de huidige afname voldoende en zo niet, welke afname ambieert u?

Het kabinet heeft de afgelopen jaren veel maatregelen genomen tegen doorstroomactiviteiten. Het kabinet blijft inzetten op de aanpak van doorstroomvennootschappen in de strijd tegen belastingontwijking. Het kabinet verwacht dat ongewenste doorstroomactiviteiten door deze aanpak zullen afnemen. Het is echter niet mogelijk om te bepalen welk deel van de totale financiële stromen door Nederland is ingegeven door belastingontwijking, en welk deel niet. Een deel van de stromen bestaat namelijk uit beloningen voor reële activiteiten. Ook de Commissie Doorstroomvennootschappen heeft geen onderscheid kunnen maken tussen reële en niet-reële stromen. Het is daarom niet mogelijk een doelstelling te formuleren in termen van afname van de totale financiële stromen.

Het deel van de financiële stromen dat vanuit Nederland naar laagbelastende landen stroomt acht het kabinet in ieder geval onwenselijk. De Commissie Doorstroomvennootschappen schat in dat de reële inkomensstromen naar deze jurisdicties verwaarloosbaar zijn. Het kabinet is daarom blij dat de financiële stroom naar laagbelastende landen is afgenomen van € 38,5 miljard in 2019 naar € 6 miljard in 2021.

Welke verklaring geeft u voor de afname van uitgaande stromen door doorstroomjurisdicties van 51 naar 40 miljard euro?

De cijfers voor 2021 betreffen voorlopige cijfers en moeten dus met voorzichtigheid worden bezien. De daling in de voorlopige cijfers wijkt weinig af van de schommelingen in eerdere jaren, waardoor uit deze daling weinig kan worden afgeleid. DNB wijst in een analyse op het mogelijke effect van de internationale initiatieven tegen belastingontwijking («BEPS») en de recente Amerikaanse belastinghervorming.29

Overweegt u de definitie van LBJ’s te baseren op het effectieve, in plaats van statutaire tarief voor bronbelasting en daarin de in een land aanwezige fiscale ontwijkingsconstructies mee te nemen, en waarom (niet)?

Het kabinet begrijpt de wens om aan de hand van het effectieve tarief te toetsen of is voldaan aan de definitie van laagbelastende jurisdicties. Om de gevolgen voor de uitvoering en de administratieve lasten te beperken, is echter gekozen voor een benadering met een lijst van jurisdicties gebaseerd op het algemeen geldende statutaire tarief en de lijst van de Europese Unie van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Het is namelijk uitermate complex om op basis van objectieve criteria een lijst samen te stellen met jurisdicties met een laag gemiddeld effectief tarief. Bovendien is het effectieve tarief afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Het effectieve tarief kan dus verschillen per individuele belastingplichtige. Iedere individuele ontvanger zou daarom afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Dit vergt erg veel van de uitvoering. Daarom is gekozen voor een statutaire tarieftoets.30

Landen die een schadelijk preferentieel regime kennen, kunnen wel worden opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden. Op die basis kwalificeren deze landen alsnog als een laagbelastende jurisdictie.

Overweegt u de bronbelasting uit te breiden naar alle rente-, royalty- en dividendstromen en waarom (niet)?

Met de invoering van de Wet bronbelasting 2021 (die per 1 januari 2021 in werking is getreden) en de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden (die per 1 januari 2024 in werking treedt) zijn belangrijke stappen in de strijd tegen belastingontwijking gezet. Bij de invoering van de wet is ervoor gekozen een bronbelasting in te voeren die enkel ziet op rente-, royalty en dividendbetalingen naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties. Hiermee wordt gewaarborgd dat kapitaalstromen naar jurisdicties die daar voldoende worden belast, niet onnodig worden belemmerd. Een bronbelasting op betalingen naar dergelijke jurisdicties (die voldoende belasten) en in niet-gelieerde verhoudingen zou namelijk leiden tot dubbele belastingheffing en een verhoging van de administratieve lasten, wat het investeringsklimaat kan schaden.31

In dit kader wordt ook gewezen op het eindrapport van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals. De adviescommissie heeft de niet-conditionele bronheffing op renten en royalty’s opgenomen als aanvullende maatregel in haar eindrapport (maatregelen waarover binnen de commissie geen consensus bestond over de wenselijkheid).32 Een dergelijke maatregel zou een aanzienlijke uitbreiding zijn. Daarmee zou ook het karakter van de wet wijzigen. Hierdoor vindt immers ook heffing plaats in gevallen waarbij de stromen in het ontvangende land voldoende worden belast. De adviescommissie constateert dat deze maatregel een negatief effect heeft voor de (reële) investeringen in Nederland.

Gelet op het voorgaande, ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om de bronbelasting uit te breiden. Daarnaast is het kabinet – zoals eerder opgemerkt – van mening dat de resterende risico’s van kunstmatige winstverschuiving, het meest effectief kunnen worden aangepakt in een zo groot mogelijk internationaal verband. In dat kader zijn inmiddels belangrijke stappen gezet binnen het Inclusive Framework van de OESO en de EU in Pijler 2 voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing. Het conceptwetsvoorstel strekkende tot implementatie van de zogenoemde Pijler 2-maatregelen die waarborgen dat multinationals altijd ten minste een minimumniveau aan winstbelasting betalen is op 24 oktober jl. voor internetconsultatie aangeboden.33 Het is de verwachting dat het definitieve wetsvoorstel in het voorjaar van 2023 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. In de eerste plaats beoogt het conceptwetsvoorstel de prikkel voor bedrijven om winsten te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Daarnaast beoogt het conceptwetsvoorstel een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet een race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven.

Overigens kent de Nederlandse wet voor dividenden al een niet-conditionele heffing in de vorm van een dividendbelasting. Deze wordt in beginsel geheven van aandeelhouders over de opbrengsten die zij behalen uit aandelen in een Nederlandse vennootschap.

De fractieleden van GroenLinks verzoeken u daarnaast om de data over inkomende en uitgaande inkomensstromen voor doorstroomjurisdicties, de Europese Monetaire Unie, LBJ’s, ontwikkelingslanden en opkomende landen uit te splitsen (en per land weer te geven). Graag een reactie.

Een uitsplitsing van de data over inkomende en uitgaande inkomensstromen naar elk land afzonderlijk is niet mogelijk vanwege het gevaar van onthulling van bedrijfsgevoelige informatie. Er is daarom een clustering van landen nodig. De indeling in de tabel in de monitoringbrief (conform tabel 12.21 op de statistieken-website van DNB) is gekozen op inhoudelijke gronden, waarbij is aangesloten bij de noodzaak van het volgen van het effect van de bronbelasting (categorie laagbelastende jurisdicties) en het volgen van een eventuele verschuiving van stromen naar andere landen, mede op verzoek van de Tweede Kamer (categorie doorstroomjurisdicties).34

De fractieleden van GroenLinks en de PvdA vernemen dat het totale aandeel buitenlandse directe investeringen (BDI’s) is gestegen van 4,5 biljoen euro in 2020 naar 4,7 biljoen euro in 2021. Welk deel van de totale hoeveelheid BDI’s bestaat uit reële investeringen? Wat is het aandeel van waardestijging van activa in deze toename?

Het onderscheid tussen reële en niet-reële BDI’s valt niet te maken, zoals ook de Commissie Doorstroomvennootschappen heeft vastgesteld. Dit komt doordat er geen (statistische) definitie bestaat van wat een reële investering is. Het laat zich ook moeilijk denken dat een onderscheid tussen reële en niet-reële investeringen gekwantificeerd kan worden. Het is bijvoorbeeld niet bekend wat de drijfveer is achter elk van de waargenomen investeringen.

DNB splitst de gegevens over BDI op in activa en passiva.35 In principe zijn de directe investeringen, waar mogelijk, gewaardeerd tegen marktwaarde, maar DNB splitst de oorzaken van toe- en afnames in de BDI-voorraad niet uit.

Wat gaat u doen aan het deel BDI’s dat naar LBJ’s te herleiden is, dat volgens de Commissie Doorstroomvennootschappen een indicatie is van belastingontwijking?36

Het kabinet wil voorkomen dat Nederland nog langer fungeert als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties. Met dat doel heeft Nederland de afgelopen jaren meerdere maatregelen genomen. In het bijzonder heeft het kabinet per 2021 een conditionele bronbelasting op renten en royalty’s naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties geïntroduceerd die bovendien per 2024 wordt uitgebreid met een bronbelasting op dividenden. Het kabinet is van mening dat de resterende risico’s van kunstmatige winstverschuiving naar laagbelastende jurisdicties het meest effectief kunnen worden aangepakt in een zo groot mogelijk internationaal verband. In dat kader zijn inmiddels belangrijke stappen gezet binnen het Inclusive Framework van de OESO en de EU in Pijler 2 voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing. De invoering van Pijler 2 vermindert de prikkel voor bedrijven om winsten te verschuiven naar laagbelastende jurisdicties.

De verhoging van de schijfgrens in de vennootschapsbelasting wordt teruggedraaid in de Voorjaarsnota 2022.37

Het doel van het verlagen van de schijfgrens vennootschapsbelasting (Vpb) naar € 200.000 en het verhogen van het lage tarief naar 19% is om een bijdrage te leveren aan de middelen van het Rijk en de disbalans in het belasten van werknemers, IB-ondernemers en dga’s te verkleinen. In het IBO «Vermogensverdeling» wordt aangegeven dat het lage Vpb-tarief de balans in het belasten van werknemers, IB-ondernemers en dga’s verstoort. Met het verlagen van de schijfgrens en het verhogen van het lage tarief wordt deze disbalans kleiner. In de afgelopen jaren is het voordeel van het lage tarief toegenomen. Dit zorgt voor een sterke arbitrageprikkel om vaker gebruik te maken van dit lage tarief, door het opsplitsen van bedrijven. Met de verlaging van de schijfgrens en het verhogen van het lage Vpb-tarief wordt het fiscaal minder aantrekkelijk om (ondernemings)activiteiten te verdelen over meerdere (Vpb-plichtige) lichamen of fiscale eenheden.

Deze leden zien het onderzoek naar het fiscaal opsplitsen van activiteiten over zelfstandig belastingplichtige lichamen met interesse tegemoet. Bent u bereid een analyse van de anticipatie-effecten op zowel de verhoging van de schijfgrens in de Vennootschapsbelasting (Vpb) in 2021 en 2022, als de voorgenomen verlaging van de schijfgrens van 2023, in dit onderzoek mee te nemen?

Op 27 september heb ik de brief «Opsplitsen vanwege het lage Vpb-tarief en CbCR-statistieken»38 naar de Tweede Kamer verzonden. In dit onderzoek worden trends in de structuren van aangiften tot en met 2021 onderzocht. Cijfers over 2022 zijn niet meegenomen in deze brief omdat deze gegevens nog onvolledig zijn.

De fractieleden van GroenLinks en de PvdA lezen dat er naar verwachting pas in 2025 gerapporteerd kan worden over de monitoring van de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel.39 Kunt u de keuze voor 2025 nader toelichten? Komen er al eerder gegevens beschikbaar die geschikt zijn voor een tussentijdse evaluatie en zo ja, bent u bereid een dergelijke evaluatie uit te voeren en de Kamer hierover te rapporteren in de jaarlijkse voortgangsrapportage?

De maatregelen die in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn opgenomen om mismatches bij toepassing van het zakelijkheidsbeginsel te bestrijden zijn met ingang van 1 januari 2022 in werking getreden. In 2025 zijn de aangiften over 2022 volledig en kan er gerapporteerd worden over deze wet. Eerder zijn er dus geen gegevens beschikbaar voor een tussentijdse evaluatie.


X Noot
1

De letter U heeft alleen betrekking op 25 087.

X Noot
2

Samenstelling:

Essers (CDA) (voorzitter), Prast (PvdD), Backer (D66), Ester (CU), Faber-van de Klashorst (PVV), Van Apeldoorn (SP), Van Strien (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), N.J.J. van Kesteren (CDA), Schalk (SGP), Van Rooijen (50PLUS), Vos (VVD), Van Ballekom (VVD), Berkhout (Fractie-Nanninga), Crone (PvdA), Frentrop (Fractie-Frentrop), Geerdink (VVD), Karimi (GL) (ondervoorzitter), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Otten (Fractie-Otten), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), De Boer (GL), Van der Voort (D66), Raven (OSF) en Fiers (PvdA).

X Noot
3

Kamerstukken I 2021/22, 25 087 / 35 927, R.

X Noot
4

Kamerstukken I 2021/22, 25 087 / 35 927, R.

X Noot
5

Tax Justice Network, «Corporate Tax Haven Index – 2021 Results», https://cthi.taxjustice.net/en/; Bijlage «Rapport Commissie doorstroomvennootschappen «Op weg naar acceptabele doorstroom» bij: Kamerstukken II 2021/22, 25 087, nr. 286.

X Noot
6

Bijlage «Rapport «Op weg naar balans in de vennootschapsbelasting»» bij: Kamerstukken 2019/2020, 31 066, nr. 623.

X Noot
7

Kamerstukken II 2018/19, 25 087, nr. 222; Kamerstukken II 2019/20, 25 087, nr. 259; Kamerstukken I 2021/22, 25 087 / 35 927, R, p. 7.

X Noot
8

Bijlage «Rapport Commissie doorstroomvennootschappen «Op weg naar acceptabele doorstroom» bij: Kamerstukken II 2021/22, 25 087, nr. 286.

X Noot
9

Kamerstukken II 2021/22, 36 120, nr. 1.

X Noot
10

Kamerstukken I 2021/22, 25 087 / 35 927, R, p. 6.

X Noot
11

Kamerstukken I 2021/22, 25 087, R.

X Noot
12

Kamerstukken I 2021/22, 25 087, R.

X Noot
13

Kamerstukken I 2021/22, 25 087 / 35 927, R.

X Noot
14

Kamerstukken II 2021/22, 25 087, nr. 299.

X Noot
16

Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 6, paragraaf 3, onderdeel F.

X Noot
17

Kamerstukken II 2022/23, 25 087, nr. 295.

X Noot
18

Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 6, paragraaf 3, onderdeel G.

X Noot
19

Tax Justice Network, «Corporate Tax Haven Index – 2021 Results», https://cthi.taxjustice.net/en/; Bijlage «Rapport Commissie doorstroomvennootschappen «Op weg naar acceptabele doorstroom» bij: Kamerstukken II 2021/22, 25 087, nr. 286.

X Noot
20

Kamerstukken I 2021/22, 32 140, M, blg-1035348 (Bijlage II: Verdieping ondernemen en belastingontwijking).

X Noot
21

Bijlage «Rapport «Op weg naar balans in de vennootschapsbelasting»» bij: Kamerstukken 2019/2020, 31 066, nr. 623.

X Noot
22

Kamerstukken I 2020/21, 35 430, G.

X Noot
23

Kamerstukken I 2021/22, 32 140, M, blg-1035348 (Bijlage II: Verdieping ondernemen en belastingontwijking).

X Noot
24

Kamerstukken II 2022/23, 32 545, nr. 180.

X Noot
25

Kamerstukken II 2020/21, 32 545, nr. 144.

X Noot
26

Kamerstukken II 2018/19, 25 087, nr. 222; Kamerstukken II 2019/20, 25 087, nr. 259; Kamerstukken I 2021/22, 25 087 / 35 927, R, p. 7.

X Noot
28

Kamerstukken II 2019/20, 25 087, nr. 259.

X Noot
30

Kamerstukken II, 2019/20, 35 305, nr. 6.

X Noot
31

Kamerstukken II, 2019/20, 35 305, nr. 6, blz. 3.

X Noot
32

Variant B6 (niet conditionele bronheffing op renten en royalty’s), zie bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 623.

X Noot
34

Kamerstukken II, 2019/20, 35 302, nr. 54.

X Noot
35

Website DNB statistieken, tabel 12.15.

X Noot
36

Bijlage «Rapport Commissie doorstroomvennootschappen «Op weg naar acceptabele doorstroom» bij: Kamerstukken II 2021/22, 25 087, nr. 286.

X Noot
37

Kamerstukken II 2021/22, 36 120, nr. 1. Hoe motiveert het kabinet deze koerswijziging?

X Noot
38

Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 7.

X Noot
39

Kamerstukken I 2021/22, 25 087 / 35 927, R, p. 6.

Naar boven