20 454 Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen

Nr. 178 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 november 2022

Sinds mijn aantreden als Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heb ik in het kader van de portefeuille «Oorlogsgetroffenen en Herinnering WOII» op verschillende manieren kennis mogen maken met nabestaanden, vrijwilligers en organisaties betrokken bij deze portefeuille. Met name de gesprekken met de nabestaanden hebben een grote indruk op mij gemaakt. Dit geldt ook voor de herdenkingen die ik heb mogen bijwonen. Het is bijzonder om te zien hoe men met elkaar ervoor zorgt om – bijna 80 jaar na dato – de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog en de viering van onze vrijheid levend te houden.

Ik vind het dan ook een grote eer deze portefeuille onder mijn hoede te mogen hebben. Allereerst vanwege de verantwoordelijkheid voor de ereschuld die de Nederlandse samenleving heeft ten aanzien van hen die zich hebben ingezet voor de vrijheid van ons allemaal en voor hen die onvoldoende bescherming hebben genoten en slachtoffer zijn geworden van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Via het stelsel van pensioenen, uitkeringen en dienstverlening wordt inhoud aan deze ereschuld gegeven tot de laatst levende eerste generatie oorlogsgetroffenen (zie verder onder paragraaf 2).

Ten tweede omdat ik als coördinerend bewindspersoon verantwoordelijk ben voor het blijven vertellen van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en het blijven herdenken en herinneren hiervan. De gesprekken die ik met nabestaanden heb gevoerd, maken duidelijk hoe de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog doorwerkt in het leven van mensen van opeenvolgende generaties. Daarnaast is deze geschiedenis van grote invloed geweest op de inrichting van de maatschappij waarin wij leven en de grote waarde die wij hechten aan democratie en vrijheid.

In deze brief schets ik mijn ambitie en inzet voor de komende jaren. In de daaropvolgende paragrafen geef ik tevens een uitgebreidere stand van zaken over een aantal onderwerpen, te weten:

  • 1. Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging;

  • 2. Zorg en Ondersteuning;

  • 3. Collectieve erkenning Indische en Molukse gemeenschap;

  • 4. Sinti en Roma:

  • 5. Internationale samenwerking.

Over mijn ambitie en inzet ten aanzien van het bevorderen van samenhang en samenwerking op het gebied van educatie/kennis verspreiding, digitalisering en het museale aanbod zal ik uw Kamer naar verwachting in december van dit jaar nader informeren. Ook over de stand van zaken ten aanzien van de motie van het lid Van Gerven c.s. (een mogelijke backpay-regeling voor weduwen)1 wordt uw Kamer separaat geïnformeerd.

Ambitie en inzet

Mijn ambitie voor de komende jaren is dat:

  • Alle inwoners van Nederland in iedere levensfase op een kwalitatief goede manier in aanraking (kunnen) komen met het verhaal van de Tweede Wereldoorlog in al haar facetten, verbonden met hedendaagse maatschappelijke vraagstukken zoals democratie, rechtsstaat en vrijheid.

Uiteraard kan ik dit niet alleen en strekt deze ambitie verder dan deze kabinetsperiode en mijn portefeuille. Zij vloeit voort uit de noodzaak de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog niet te mogen vergeten. De geschiedenis van deze oorlog is er een van groot menselijk leed, grove schending van mensenrechten, gruwelijke vervolgingen en genocide (Holocaust). Ook is het een geschiedenis van het buiten werking stellen van de democratie en de rechtsstaat en het ontnemen van vrijheid. Recente maatschappelijke ontwikkelingen laten zien hoe kwetsbaar deze waarden (nog altijd) zijn.

Deze ambitie is niet nieuw en ik bouw voort op het beleid van mijn voorgangers. In de brief van 12 april 2021 van de voormalig Staatssecretaris van VWS aan uw Kamer2 wordt uiteengezet wat er de afgelopen jaren is bereikt. Ik noem enkele van de belangrijkste punten:

  • Er is een solide basis gelegd voor het blijvend vertellen van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog, onder andere vanwege investeringen in de vernieuwing van herinneringscentra en oorlogsmusea en in educatie.

  • Er zijn belangrijke stappen gezet in het kader van digitalisering en digitale representaties.

  • De extra inzet voor de collectieve erkenning van de Indisch en Molukse gemeenschap is verder vormgegeven.

Daarnaast is de sector volop in beweging. Enkele voorbeelden. De vrijwilligers-organisaties, betrokken bij de Stichting Centraal Orgaan Voormalig Verzet en Slachtoffers (COVVS) zijn op zoek naar vernieuwing en verjonging. In het kader van haar 75-jarig bestaan organiseerde de Oorlogsgravenstichting (OGS) onder andere samen met het Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) bijeenkomsten over het «nieuwe herdenken» en hoe toekomstige generaties daarbij te betrekken. Het Platform WOII heeft samen met ARQ, kenniscentrum oorlog, vervolging en geweld bijeenkomsten georganiseerd ter voorbereiding op het Themajaar 2023 «Leven met oorlog». En in het kader van de regeling «collectieve erkenning van Indisch en Molukse Nederland» en regeling voor Sinti en Roma zijn er veel mooie projecten die ons kennis laten maken met hun verhaal.

Graag wil ik wat er in de sector gebeurt, verder ondersteunen, bij elkaar (laten) brengen, stimuleren en faciliteren. Ook is het voor mij van grote waarde in gesprek te blijven met personen en organisaties uit de sector.

Binnen mijn ambitie wil ik de volgende accenten leggen:

  • Ten eerste vind ik het belangrijk dat we met elkaar nadenken over hoe in de toekomst het verhaal van de Tweede Wereldoorlog te blijven vertellen en te blijven herdenken en herinneren. Hoe ziet deze toekomst er over 20, 30, 40 jaar uit?

  • Daaraan gekoppeld gaat het er ook om hoe toekomstige generaties te betrekken bij het verhaal van de Tweede Wereldoorlog, daarbij rekening houdend met de diversiteit qua achtergronden. In het bijzonder wil ik kijken wat er onder jongeren leeft en speelt als het gaat om dit verhaal en het herdenken en herinneren hiervan.

  • Bijzondere aandacht wil ik ook geven aan de ondersteuning van de vrijwilligersorganisaties die zowel in Nederland als in andere landen de herinnering aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog levend houden.

  • Het verhaal van de Tweede Wereldoorlog is meerstemmig en kent vele perspectieven. Ik vind het belangrijk ruimte te creëren voor de verhalen die nog niet worden of zijn verteld, die worden genegeerd of verzwegen3. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de verhalen van verzetsstrijders en dwangarbeiders, maar ook aan verhalen over het grijze gebied tussen goed en fout en over de nasleep van de Tweede Wereldoorlog.

  • Ten slotte – al lijkt het nog vroeg – staan we aan de vooravond van 80 jaar einde Tweede Wereldoorlog in 2024 en 2025. Ik zal mij van harte inzetten voor de voorbereiding om dit te herdenken en te vieren.

Deze accenten zal ik de komende periode verder uitwerken samen met betrokken departementen, provincies en gemeenten, nabestaanden, organisaties uit de sector zoals het COVVS, het Platform WOII4, het fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranen (vfonds), de Coalitie (Theater na de Dam, Oorlog in mijn buurt, Vrijheidscolleges en Open Joodse Huizen/Huizen van Verzet), Indische en Molukse organisaties, Sinti en Roma en de organisaties betrokken bij de zorg en ondersteuning. Ook wil ik leren van de ervaringen van andere landen.

1. Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging

Onmiddellijk na de bevrijding is in Nederland begonnen met de berechting van de Nederlanders die met de vijand hadden gecollaboreerd, ook wel de bijzondere rechtspleging genoemd. Deze rechtspleging was bijzonder complex en politiek en emotioneel beladen. De rechtspleging is uiteindelijk zorgvuldig centraal gearchiveerd. Dit Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) is zeer omvangrijk (4 kilometer archief) en is nu alleen op aanvraag toegankelijk voor onderzoekers en voor belanghebbenden. Op 1 januari 2025 vervalt deze beperking op de openbaarheid in het kader van de archiefwet en is het archief voor iedereen toegankelijk.

Een consortium van het Nationaal Archief (NA), ING Huygens, het NIOD en het Netwerk Oorlogsbronnen (NOB) heeft een projectplan gemaakt voor de digitalisering, verrijking en toegankelijkheid van het CABR. Basis voor dit plan zijn de veelbelovende resultaten van de pilot «Tribunaal archieven als digitale onderzoeksfaciliteit» (Triado). Een belangrijke uitkomst van deze pilot was dat 85% van de goed leesbare processtukken machine leesbaar kan worden gemaakt. De archieven zouden, eenmaal gedigitaliseerd, voor een groot deel digitaal doorzoekbaar kunnen worden. Bovendien kunnen de documenten worden gecontextualiseerd, zodat het ook voor volgende generaties begrijpelijk gemaakt kan worden. Een van de vormen hiervoor is de verbinding van namen, plaatsen en gebeurtenissen uit het CABR te koppelen aan de infrastructuur van oorlogsbronnen.nl.

Voor de totale digitale ontsluiting van het archief is € 25 miljoen begroot. Samen met de Ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Justitie en Veiligheid (JenV) voer ik overleg over deze begroting. Binnen de begroting is voor de verrijking van de informatie en de aansluiting op andere digitale oorlogsbronnen een bedrag opgenomen van € 7 miljoen voor een periode van 6 jaar. Om de volgende redenen heb ik besloten deze € 7 miljoen bij te dragen:

  • de ontsluiting betekent allereerst dat nabestaanden van slachtoffers, verdachten en daders veel meer informatie kunnen krijgen over het lot van hun familieleden. Zonder digitalisering is de informatie onvindbaar, omdat het archief is opgebouwd op naam van de vermeende dader, niet op naam van het slachtoffer.

  • Daarnaast zal het een impuls geven aan het verhaal over en de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, omdat de stille getuigen uit het archief gehoord kunnen gaan worden en er allerlei nieuwe digitale toepassingsmogelijkheden ontstaan. Dit draagt bij aan een meervoudig perspectief op de Tweede Wereldoorlog (collaboratie).

  • Bovendien zal de openstelling van deze bron, verbonden aan andere bronnen, wetenschappelijk onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog vergemakkelijken.

  • Ten slotte levert de digitalisering van het CABR een belangrijke bijdrage aan het beheer en behoud van dit bijzondere archief.

2. Zorg en ondersteuning oorlogsgetroffenen

De Nederlandse samenleving voelt een bijzondere solidariteit met en heeft een ereschuld aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Vanuit deze solidariteit en ereschuld is het stelsel van pensioenen, uitkeringen en ondersteuning voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen opgebouwd. Het doel is verbetering van de levensomstandigheden van personen uit de eerste generatie die in bijzondere mate getroffen zijn door de Tweede Wereldoorlog, te waarborgen en de financiële gevolgen van de door de oorlogsomstandigheden veroorzaakte invaliditeit, ziekte of gebreken, te compenseren.

Het kabinet heeft de toezegging gedaan het stelsel tot de laatst levende te waarborgen. De belangrijkste uitdaging voor de komende jaren is de kwaliteit van de dienstverlening op peil te houden. Door de gestage daling van de eerste generatie verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen bestaat het risico dat dit ten koste gaat van deze kwaliteit. Over de maatregelen die nodig zijn voor het behoud van de kwaliteit van dienstverlening, ben ik in gesprek met de betrokken organisaties, te weten het Joods Maatschappelijk Werk (JMW), het Nederlands Veteraneninstituut (NLVi), Stichting Pelita, de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

Het stelsel is bestaat uit twee pijlers:

  • 1. de pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen;

  • 2. maatschappelijk werk en immateriële ondersteuning.

1. Pensioenen en uitkeringen

Via de oorlogspensioenen en -uitkeringen komen verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, zoals vervolgings- en burgerslachtoffers, in aanmerking voor een aanvulling op hun inkomen en extra zorg. Voorwaarde is dat zij blijvende gezondheidsschade hebben opgelopen in de Tweede Wereldoorlog of de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië en door de gezondheidsschade geen of minder inkomen hebben verdiend of daardoor extra kosten maken.

De PUR is een zelfstandig bestuursorgaan en verantwoordelijk voor de toelating van personen tot de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. De PUR stelt het beleid voor deze regelingen vast en adviseert de SVB. De SVB is verantwoordelijk voor de uitvoering van de diverse wetten en regelingen.

Het stelsel van pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen bestaat uit de volgende wetten en regelingen:

  • Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv);

  • Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo);

  • Algemene oorlogsongevallen-regeling (AOR);

  • Wetten buitengewoon pensioen (Wbp, Wbpzo en Wiv)5;

  • Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie naoorlogse generatie (Tvp).

Het aantal personen uit de eerste generatie dat een beroep doet op de oorlogspensioenen en -regelingen, neemt ieder jaar af. Het cliëntenbestand van de SVB lag op 1 januari 2022 op 18.286 personen. Dit is een daling van ongeveer 8,2% ten opzichte van het jaar daarvoor. Het aantal cliënten dat gebruik maakt van de oorlogswetten en -regelingen, is de afgelopen twee jaar significant sneller afgenomen dan de jaren daarvoor. Het lijkt erop dat deze daling zich ook in 2022 voortzet. Deze ontwikkeling zal de komende jaren nauwlettend worden gevolgd.

De waardering voor de dienstverlening van de PUR en de SVB is onverminderd hoog. Uit het eind 2020 gehouden klanttevredenheidsonderzoek bleek dat cliënten de dienstverlening met een 8,6 waarderen6. Dit oordeel is vergelijkbaar met het vorige klanttevredenheidsonderzoek dat in 2019 is uitgevoerd.

2. Maatschappelijk werk en immateriële ondersteuning

Erkende verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen komen in aanmerking voor gespecialiseerd maatschappelijk werk en immateriële ondersteuning. Dit wordt verstrekt door het JMW, Stichting Pelita en het NLVi. Door deze organisaties worden oorlogsgetroffenen bijvoorbeeld ondersteund bij het indienen van aanvragen voor de oorlogspensioenen en -uitkeringen. Daarnaast organiseren zij sociale activiteiten, zoals bijeenkomsten voor lotgenoten. Zo organiseert Stichting Pelita zogeheten Masoek Sadja’s, maandelijkse inloopmiddagen en Indische eettafels om het contact tussen Indische ouderen te bevorderen en hen in contact te brengen met vrijwilligers voor persoonlijke ondersteuning en nazorg.

Convenant tweede generatie oorlogsgetroffenen

De gevolgen van de oorlog werken door in de tweede generatie oorlogsgetroffenen, die opgroeit met (groot)ouders die getraumatiseerd zijn door hun oorlogservaringen. Ook zij moeten kunnen rekenen op gepaste immateriële ondersteuning bij het verwerken van dit leed. Om hieraan erkenning te geven heb ik op 8 juni 2022 het Convenant «Vindbaar en toereikend aanbod van ondersteuning voor de tweede generatie oorlogsgetroffenen» ondertekend en aan uw Kamer gestuurd7. Het convenant gaat in op 1 januari 2023 en eindigt op 31 december 2027 en is medeondertekend door JMW, Stichting Pelita, NLVi en Stichting ARQ.

In het convenant zijn (financiële) afspraken gemaakt over wat de uitvoering van een vindbaar en toereikend aanbod van immateriële ondersteuning inhoudt, te weten:

  • een vindbaar loket voor hulpvragers en professionals;

  • een bijscholingsaanbod voor de reguliere zorg en ondersteuning; en

  • een basisaanbod van sociale dienstverlening en specifiek maatschappelijk werk.

Ook is voorzien in een evaluatie van de uitvoering van het convenant om onder andere te bekijken of het aanbod aansluit bij de vraag van cliënten. De evaluatie zal na twee en na vier jaar na de start van het convenant plaatsvinden. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de voortgangsrapportages over het beleid «Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog».

3. Collectieve Erkenning van de Indische en Molukse gemeenschap in Nederland

In de afgelopen periode is er veel belangstelling geweest voor de Indische en Molukse gemeenschap en haar geschiedenis. Zo hebben de publicatie van het onderzoeksprogramma «Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950» en de daaropvolgende excuses van het kabinet veel teweeggebracht8. Ook waren er verschillende tentoonstellingen zoals Revolusi in het Rijksmuseum, was er de nodige aandacht voor de aankomst van de Molukse gemeenschap in Nederland 70 jaar geleden en kreeg de Nationale Indië-herdenking op 15 augustus van dit jaar door de uitzending live op televisie een breder bereik.

De publieke aandacht voor de geschiedenis van de Indische en Molukse gemeenschap benadrukt het belang van het doel van het beleid van de collectieve erkenning en laat zien dat het een onderwerp is dat in de samenleving leeft. Dit beleid is in 2017 gestart9 en in de loop der jaren steeds verder vormgegeven. De ambitie van het beleid is de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië in de samenleving te verankeren als onderdeel van onze Nederlandse geschiedenis. Ook staat de erkenning voor wat de Indische gemeenschap heeft meegemaakt en wat deze gemeenschap voor Nederland heeft betekend en nog steeds betekent.

Het beleid van de collectieve erkenning bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1. De reguliere collectieve erkenning met de programmalijnen «Pleisterplaats Museum Sophiahof – van Indië tot nu» (hierna: Sophiahof), «Herdenken en Herinneren», «contextgebonden zorg» en de subsidieregeling collectieve erkenning Indisch en Molukse Nederland (CEWIN).

  • 2. De extra impuls 2021 – 2024 met de actielijnen Kennis, Erfgoed, Zorg en Initiatieven10.

Met de reguliere collectieve erkenning, het ophogen van de CEWIN-regeling en de extra impuls is er de afgelopen jaren flink in de collectieve erkenning geïnvesteerd. Daarom wil ik graag weten hoe de collectieve erkenning er nu voor staat. Hiertoe ben ik een reflectietraject gestart, dat de komende twee jaar door een onderzoeksbureau wordt uitgevoerd. De voortgang en de resultaten van de extra impuls worden gemonitord. Ook wordt onderzocht wat de resultaten zijn die sinds 2017 met genoemde vaste programmaonderdelen zijn behaald. Mede aan de hand van de reflectie die in 2024 wordt afgerond, zal worden bepaald hoe het beleid van de collectieve erkenning vanaf 2025 verder moet worden vormgegeven.

Hieronder ga ik in op de stand van zaken van de twee onderdelen van de collectieve erkenning, voortbouwend op het beleid van mijn voorganger11.

1. De reguliere collectieve erkenning

Programmalijn Pleisterplaats Sophiahof

De Sophiahof heeft een moeilijke beginfase gekend. Kort na de opening in 2019 brak de coronapandemie uit, waardoor het museum lange tijd moest sluiten. Vanaf 8 februari 2022 was de Sophiahof weer toegankelijk voor publiek en is de semipermanente tentoonstelling «Ons Land – Dekolonisatie, generaties, verhalen» geopend. De stemmen van acht families vormen de kern van deze tentoonstellen. De persoonlijke en diverse maar voor velen herkenbare verhalen geven een beeld van de complexe postkoloniale geschiedenis en hoe verschillend die beleefd werd en wordt.

De Sophiahof moet een ontmoetingsplek worden om uit te wisselen, te ontmoeten, kennis te verspreiden en te delen, te verbinden en elkaar te versterken. Steeds meer organisaties die zich bezighouden met Indische en Molukse cultuur en geschiedenis, weten de weg naar de Sophiahof te vinden. Zo worden er CEWIN-projecten in de Sophiahof gepresenteerd, bijvoorbeeld het project «Tabee Nieuw-Guinea» bestaande uit een video-installatie met fragmenten uit interviews met 33 inwoners van Nieuw-Guinea waarin zij vertellen over het dagelijks leven en hun gedwongen vertrek.

Programmalijn Herdenken

Op 15 augustus 1945 kwam voor het Koninkrijk der Nederlanden een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Daarom herdenken we ieder jaar op deze dag alle slachtoffers van de oorlog tegen Japan en de Japanse bezetting van voormalig Nederlands-Indië. Met het oog op de toekomst is de stem van de derde en vierde generatie Indische Nederlanders hierbij onmisbaar. Daarom organiseert de stichting Nationale herdenking 15 augustus 1945 «Indische Dialogen» voor jongeren van 18 tot en met 35 jaar. Ook verzorgt de stichting informatiebijeenkomsten voor lokale comités om herdenken in de regio te bevorderen.

Programmalijn Contextgebonden zorg

In het project «Contextgebonden Zorg 2019 – 2021» heeft stichting Pelita zich gericht op het verbeteren van de contextgebonden en cultuursensitieve ondersteuning van de Indische en Molukse gemeenschap. Pelita is er in verschillende regio’s in geslaagd de brug te slaan tussen de Indische en Molukse gemeenschap, gemeenten en reguliere zorg- en welzijnsinstellingen. Daarnaast is het scholingsaanbod voor reguliere zorg- en welzijnsmedewerkers verbeterd, onder andere door het introduceren van de digitale cultuurkist. Dit project heeft een vervolg gekregen vanuit de extra impuls (zie verder onder 2 van deze paragraaf).

Programmalijn CEWIN

In 2022 zijn via de CEWIN-regeling 29 nieuwe projecten gestart. Sinds het begin van de regeling in 2018 zijn er in totaal 122 projecten gesubsidieerd12. De regeling laat een rijke geschakeerdheid van de meerstemmigheid en diversiteit van de Indische gemeenschap zien. Een kleine greep uit de projecten uit 2022:

  • Het ontsluiten en beschikbaar maken van het archief van de Molukse Eenheidspartij Badan Persatuan, uitgevoerd door Stichting Vrienden van het Rijksarchief in Drenthe;

  • Themabijeenkomsten voor 2e en 3e generatie Papoea’s die bijdragen aan de identiteitsvorming van deze groep. Ook worden een verhalenbundel en een podcast gemaakt over de geschiedenis van de Nederlandse Papoea’s;

  • Het programma «Ontdekt een monument» en het educatieve spel «Glitch» door de stichting Oost-Indisch Doof, gericht op scholieren in Nederland en Indonesië om inzicht te krijgen in de eigen geschiedenis en de verschillende perspectieven.

Momenteel loopt een voorhangprocedure bij uw Kamer om de CEWIN-regeling met twee jaar te verlengen tot en met 202413. Het was de bedoeling dat op 15 januari 2023 een nieuwe aanvraagronde zou starten. Omdat de behandeling van de voorhang langer duurt dan op voorhand was verwacht, gaat de subsidieronde waarschijnlijk enkele maanden later van start.

2. De extra impuls 2021–2024

Op 25 oktober 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de nadere invulling van de extra impuls14. Deze invulling is gebaseerd op een uitgebreide raadpleging en dialoogsessies met de Indische gemeenschap. De rijke opbrengst aan ideeën is samengevat in vier concrete actielijnen die aansluiten op de activiteiten die in het kader van de reguliere erkenning in gang gezet zijn. Hieronder ga ik per actielijn in op de stand van zaken van de uitvoering.

Actielijn kennis

Doel van deze actielijn is het vergroten van de kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië. Uit de raadpleging en de dialoogsessies kwam dit naar voren als prioriteit.

Hiervoor is op 25 oktober 2021 de commissie «Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië» gestart onder leiding van voorzitter prof. dr. M. (Jet) Bussemaker15. De commissie heeft tot taak adviezen uit te brengen over duurzame verankering van de kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië in de Nederlandse samenleving.

De commissie is voortvarend van start gegaan en op 7 juni 2022 organiseerde zij een werkconferentie. Doel hiervan was om samen met professionals, betrokkenen en belangstellenden op het terrein van de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië van gedachten te wisselen en de ideeën van de commissie te bespreken. De conferentie werd door meer dan 100 experts, historici, jongeren en vertegenwoordigers van diverse organisaties bezocht en leverde vele mooie en nieuwe inzichten op. De commissie levert naar verwachting in het voorjaar van 2023 haar eindrapport op. Eerder zou de commissie voor 1 januari 2023 haar eindrapport gereed hebben. Vanwege de omvang en complexiteit van de opdracht heeft de commissie een paar maanden extra de tijd nodig om tot een eindadvies te komen.

Actielijn Erfgoed

Doel van deze actielijn is het behouden en het beschikbaar en toegankelijk maken van het Indisch erfgoed, ook voor de volgende generaties. Deze actielijn wordt door middel van twee grote projecten uitgevoerd.

• Project 1. Regeling versterking Indisch en Moluks immaterieel erfgoed

Aan het vfonds heb ik subsidie verstrekt om een regeling te ontwikkelen voor projecten die bijdragen aan het versterken en borgen van het Indische en Molukse immaterieel erfgoed in Nederland, zodat dit wordt overgedragen op volgende generaties. Hierbij gaat het om alle verschijningsvormen van immaterieel erfgoed16, zoals rituelen en feestelijke gebeurtenissen, traditionele ambachten en podiumkunsten.

Op 1 december 2022 treedt de regeling in werking en kunnen personen en organisaties voorstellen indienen bij het vfonds. Het vfonds zal verschillende bijeenkomsten door heel Nederland organiseren om de regeling bij de gemeenschap onder de aandacht te brengen.

• Project 2. Programma Indisch Erfgoed Digitaal

Het programma Indisch Erfgoed Digitaal is een grootschalig digitaliseringstraject van de Koninklijke Bibliotheek (KB), het NOB en het Indisch Herinneringscentrum (IHC). Via dit programma wordt een eenmalige inhaalslag gemaakt om het digitale collectieaanbod van bruikbaar en zichtbaar bronnenmateriaal substantieel en duurzaam te versterken. Hiermee wordt een online basisinfrastructuur gecreëerd voor belangstellenden en educatie- en onderzoeksdoeleinden. Onderdeel hiervan is ook het digitaal ontsluiten en presenteren van oral history-bronnen. Door ooggetuigen aan het woord te laten wordt algemene kennis aangevuld met persoonlijke geschiedenissen en individuele herinneringen.

De KB is verantwoordelijk voor de digitalisering en het beheer van de erfgoedcollecties. Het NOB zorgt vervolgens voor het vindbaar en bruikbaar maken van de gedigitaliseerde bronnen, waarna het gedigitaliseerde materiaal in 2024 of 2025 wordt gepresenteerd op het webportal «Indisch Geheugen voor de Toekomst» door het IHC.

Actielijn Zorg

Bij deze actielijn gaat het om het versterken van de contextgebonden zorg en ondersteuning van de Indische en Molukse gemeenschap. MantelzorgNL, Stichting ARQ, kenniscentrum oorlog, vervolging en geweld en Stichting Pelita voeren daarvoor in nauwe samenwerking drie projecten uit. De looptijd van deze projecten is twee jaar (tot en met eind 2023).

  • MantelzorgNL is in drie pilotgemeenten een project gestart om mantelzorgers van Indische en Molukse ouderen te ondersteunen. De pilotgemeenten zijn Weerden, Wierden en Tilburg. Het doel van dit project is dat mantelzorgers van Indische en Molukse ouderen zich gezien voelen, de weg naar ondersteuning beter weten te vinden en beter geholpen worden door reguliere zorg- en welzijnsinstellingen.

  • Stichting ARQ richt zich op deskundigheidsbevordering van contextgebonden en cultuursensitief werken van professionals in de zorg. Dit betreft onder andere het verbeteren van producten voor deskundigheidsbevordering die gericht zijn op praktijkondersteuners, huisartsen, wijkverpleegkundigen, sociaal werkers en cliëntondersteuners. Het doel is binnen de reguliere zorg de kennis over de doorwerking van traumatische ervaringen in de Tweede Wereldoorlog en de cultuur van Indische en Molukse ouderen te vergroten.

  • Pelita ondersteunt MantelzorgNL en ARQ bij de hierboven genoemde projecten en voert daarnaast een project uit dat voortbouwt op het Programma Contextgebonden zorg 2019-2021 (zie ook onder 1 van deze paragraaf) De doelstelling van dit vervolgproject is om de keten van contextgebonden en cultuursensitieve ondersteuning en zorg te verbeteren.

Actielijn Initiatieven

In deze actielijn heeft de gemeenschap zelf het voortouw. Vanwege de grote vraag is vanaf 2021 het budget van de CEWIN-regeling opgehoogd tot € 1 miljoen per jaar (zie ook onder 1 van deze paragraaf). Verder zijn in 2020 en 2021 individuele initiatieven gesteund, die inmiddels vrijwel allemaal zijn afgerond17. Mede door steun vanuit de extra impuls was er van 2 tot en met 10 september 2022 weer een nieuwe succesvolle editie van de Tong Tong Fair. Met het virtueel Indisch monument bestaat er een plek om te herdenken, verhalen te delen en te laten zien wat ons bindt. Er zijn al 1015 individuele verhalen op terug te vinden.

4. Sinti en Roma

Vanaf 2015 bestaat de subsidieregeling voor projecten ten behoeve van de bevordering van de participatie en emancipatie van Sinti en Roma in Nederland. Deze regeling vloeit voort uit het rechtsherstel voor Sinti en Roma dat sinds 2000 gestalte heeft gekregen en eerder een regeling voor individuele tegemoetkomingen en een collectieve regeling omvatte18.

Onderwerpen waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, zijn onder andere de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, het tegengaan van discriminatie en vooroordelen, het stimuleren van onderwijs en respect voor cultuur en identiteit. In 2022 zijn er 22 aanvragen (gedeeltelijk) gehonoreerd en 7 studiebeurzen aangevraagd. De volgende voorbeelden van in 2022 toegekende aanvragen geven een goed beeld van de diversiteit aan projecten:

  • Borging van de crossmedia-installatie Rati Thai Rat, een kennis-, herinnerings- en ervaringsplek in Amsterdam dat de geschiedenis en cultuur van de Sinti en Roma op een originele manier vertelt;

  • Sinti en Roma gastconservatorschap bij Herinneringscentrum Kamp Westerbork;

  • Het organiseren van cursussen houtbewerking voor jonge Sinti en Roma.

Een infographic met gegevens over de activiteiten wordt op een later moment gepubliceerd.

Het totale budget van ruim € 4 miljoen dat oorspronkelijk met deze subsidieregeling te verdelen was, is na de subsidieronde van 2022 volledig uitgeput. Dit betekent dat in 2023 geen nieuwe ronde van start zal gaan en dat de subsidieregeling ten einde komt.

Vanaf het begin, bij de opstelling van de regeling en vervolgens bij de uitvoering werden mijn voorgangers en ik bijgestaan door de adviescommissie «participatie en emancipatie Sinti en Roma», bestaande uit leden uit beide gemeenschappen. Deze leden waren cruciaal voor het goede verloop van de regeling. Ik ben hen dan ook zeer erkentelijk voor hun jarenlange inspanningen gedurende het gehele traject.

Het lot van Sinti en Roma in de Tweede Wereldoorlog is vaak te lang onderbelicht gebleven en verdient onze blijvende aandacht. De afronding van de subsidieregeling mag niet betekenen dat er ook een einde komt aan deze aandacht. Daarom wil ik de komende tijd de balans opmaken van wat er de afgelopen jaren is bereikt en hoe verder. Ik zal hierover in overleg gaan met onder andere de adviescommissie. Naar verwachting zal ik uw Kamer in het eerste kwartaal van 2023 informeren over de uitkomsten hiervan.

5. Internationale samenwerking

De internationale portefeuille van Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II betreft de samenwerking in drie internationale organisaties. Nederland is actief lid van (1) de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA), (2) de internationale commissie van Arolsen Archives en (3) de International Steering Committee Sobibor (ISC Sobibor).

1. IHRA

IHRA is het platform waar regeringsvertegenwoordigers en experts elkaar ontmoeten en beleid ontwikkelen over de herinnering aan, onderwijs over en onderzoek naar de Holocaust en de genocide op Sinti en Roma. IHRA heeft momenteel 35 lidstaten, enkele landen met een status als observant en internationale partners zoals UNESCO, de Europese Unie en Organization for security and cooperation in Europe (OCSE).

IHRA publiceerde in 2022 «Aanwijzingen voor de toegang tot Holocaust gerelateerd materiaal»19. Het doel van deze aanwijzingen is het onderzoek naar de Holocaust voor academici en geïnteresseerden te vereenvoudigen. De aanwijzingen gaan in op welke collecties en welke objecten aan de Holocaust gerelateerd kunnen zijn, maar ook op de toegankelijkheid van het materiaal. Dit betreft bijvoorbeeld de taal van beschrijvingen van archiefcollecties en de openbaarheid van specifieke archiefcollecties.

Een IHRA-projectgroep heeft vooraf aan het opstellen van de aanwijzingen de toegankelijkheid van Holocaust-gerelateerd materiaal in Nederland (in het bijzonder de archieven van het Rode Kruis) en drie andere landen onderzocht. De uitkomsten, die de projectgroep tijdens de IHRA-vergadering van 1 december 2022 zal presenteren, laten zien dat het ontbreken van een Engelse vertaling van de dossierbeschrijvingen en het niet volledig toepassen van Recital 158 van de General Data Protection Regulation de toegankelijkheid van Holocaust-gerelateerde archieven compliceren. Recital 158 maakt het mogelijk om uitzonderingen te maken voor archiefcollecties die aan de Holocaust of andere genocides zijn te relateren voor wat betreft de bescherming van persoonsgegevens. Samen met mijn collega’s van OCW en JenV onderzoek ik de mogelijkheden om de toegankelijkheid van Holocaust gerelateerde collecties te verbeteren, zodat wetenschappers en geïnteresseerden verantwoord en gedegen onderzoek kunnen blijven doen.

Met de vorige voortgangsrapportage heb ik uw Kamer het in 2020 vanwege IHRA geschreven country report over Nederland toegezonden20. Ik heb u tevens gemeld dat de IHRA-experts drie aanbevelingen hebben gegeven naar aanleiding van het country report. Per aanbeveling meld ik u de voortgang.

Aanbeveling 1: Het intensiveren van de bestrijding van antisemitisme, vooral online antisemitisme

De per 1 april 2021 aangestelde Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) heeft op 6 oktober 2022 zijn eerste werkplan aangeboden aan uw Kamer21, met een beschrijving van de drie pijlers in de strijd tegen antisemitisme, te weten «monitoren en opvolgen», «onderwijs en preventie» en «herdenken en vieren». Door zijn aanstelling en het werkplan wordt de bestrijding van antisemitisme verder geïntensiveerd. In het Coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst» (bijlage bij Kamerstuk 35 788, nr. 77) uit 2021 is voor de NCAB een half miljoen euro structureel budget gereserveerd. Dit budget voorziet in de NCAB en een kleine ondersteunende staf.

Aanbeveling 2: Het verbeteren van de coördinatie van het onderwijs en de educatie over Holocaust en het versterken van het internationaal perspectief in het onderwijs over de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust

Op basis van de huidige kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs moet in het onderwijs aan alle leerlingen aandacht besteed worden aan de Holocaust. Deze kerndoelen worden in het kader van de herziening van het curriculum van het primair en voortgezet onderwijs herzien. Bij deze herziening zal de aandacht voor de Holocaust worden gewaarborgd. De Minister van OCW heeft hierin de primaire verantwoordelijkheid.

Aanbeveling 3: Besteed meer aandacht aan de Porajmos en de hedendaagse situatie van de Sinti en Roma gemeenschappen

In overleg met andere betrokken departementen is het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een flexibele dialoog gestart met vertegenwoordigers uit de Sinti- en Romagemeenschappen. Thema’s, zoals de werkdefinitie antiziganisme van de IHRA, het recente rapport van de Fundamental Rights Agency over de leefomstandigheden van de Sinti en Roma in Nederland22 en het Werkprogramma Roma 2030 van de Europese Commissie, worden tijdens deze dialoog met de gemeenschappen besproken. De Minister van SZW heeft hierin de primaire verantwoordelijkheid.

2. De internationale commissie Arolsen Archives

Arolsen Archives beheert ’s werelds meest uitgebreide archief over de slachtoffers en overlevenden van nazi-vervolging. De in de vorige voortgangsrapportage beschreven crowdsourcing campagne #everynamecounts is vanwege succes voortgezet. De campagne creëert een digitaal monument voor de slachtoffers van nazivervolging dankzij de vrijwillige inzet van Duitse scholieren, maar ook professionele organisaties die namen van slachtoffers van nazivervolging indexeren. Arolsen Archives moderniseert momenteel haar informatievoorziening waarmee het de digitale toegankelijkheid van de collecties verbetert. De rol van Arolsen Archives voor de informatie over Nederlandse slachtoffers van nazivervolging kan daarmee verder worden vergroot. De online tentoonstelling Oorlogslevens.nl van het NOB is een goed voorbeeld hoe Arolsen Archives wordt gebruikt als belangrijke bron.

Daarnaast spant de organisatie zich in om persoonlijke eigendommen afkomstig uit de vernietigingskampen aan onder andere Nederlandse nabestaande terug te geven. Een waardevol en belangrijk initiatief omdat nabestaanden hiermee iets tastbaars van hun dierbaren in handen krijgen.

3. ISC Sobibor

Op donderdag 12 oktober 2023, vlak voor de 80ste verjaardag van de gevangenenopstand in Sobibor, is de ceremonie gepland die de opening markeert van het museum en het herinneringscomplex bij het voormalig nazivernietigingskamp Sobibor. Het belang van de Nederlandse betrokkenheid bij ISC Sobibor ligt primair bij de nabestaanden van de ruim 34.000 Nederlanders die in Sobibor zijn vermoord en de enkelen die Sobibor hebben overleefd. Daarom werk ik vanuit de ISC Sobibor nauw samen met de Stichting Sobibor, het Nederlands Auschwitz Comité en de Herinneringscentra Kamp Westerbork en Kamp Vught (vanwaar de transporten naar Sobibor hebben plaatsgevonden).

Het NIOD-instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies bereidt momenteel met een groep internationale experts publicaties voor over de archeologische opgravingen nabij het voormalig nazivernietigingskamp. Eén publicatie is gericht op de academische gemeenschappen voor het delen van de opgedane kennis over oorlogs- en genocidearcheologie. De andere publicatie die zich op het grote publiek richt, zal ingaan op de bodemvondsten en de betekenis van de vondsten voor de geschiedschrijving over kamp Sobibor.

Met deze brief heb ik getracht uw Kamer inzicht te geven in mijn ambitie en inzet voor de komende jaren als het gaat om de portefeuille oorlogsgetroffenen. Ook heb ik een beeld gegeven van de stand van zaken op de verschillende thema’s.

Door met elkaar de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog levend te houden kunnen we lessen trekken uit het verleden en het belang van onze rechtsstaat en democratie voor onze samenleving blijven onderstrepen.

Hoogachtend,

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. van Ooijen


X Noot
1

Kamerstuk 35 570 XVI, nr. 125.

X Noot
2

Kamerstuk 20 454, nr. 170.

X Noot
3

Tegen heldere verhalen. Over het belang van meerstemmigheid, Sinan Cankaya, 2022, Nationaal Comité 4 en 5 mei.

X Noot
4

Aan het Platform nemen deel: het NIOD, instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocide studies, Nationaal Comité 4 en 5 mei, Stichting Musea en Herinneringscentra ’40-’45, Netwerk Oorlogsbronnen, Liberation Route Europe en de Oorlogsgravenstichting.

X Noot
5

Wet buitengewoon pensioen (Wbp), Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Wbpzo) en Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Wiv).

X Noot
6

Jaarverslag 2021 Pensioen- en Uitkeringsraad (maart 2022).

X Noot
7

Kamerstuk 20 454, nr. 175.

X Noot
8

Kamerstuk 26 049, nr. 92.

X Noot
9

Kamerstukken 26 049 en 20 454 , nr. 84.

X Noot
10

Kamerstuk 20 454, nrs. 163 en 173.

X Noot
11

Kamerstuk 20 454, nrs. 170 en 171.

X Noot
13

Kamerstuk 20 454, nr. 176.

X Noot
14

Kamerstuk 20 454, nr. 173.

X Noot
15

Stcrt. 2021, nr. 46800, 19-11-2021 en Kamerstuk 20 454, nr. 173.

X Noot
16

Hierbij wordt aangesloten bij de definitie van de UNESCO over immaterieel erfgoed, zoals vastgelegd in het Verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed (Parijs, 17 oktober 2003).

X Noot
17

Kamerstuk 20 454, nr. 163.

X Noot
18

Kamerstuk 25 839, nr. 13.

X Noot
20

Kamerstuk 20 454, nr. 170.

X Noot
21

Bijlage bij Kamerstuk 30 950, nr. 317.

X Noot
22

Roma and Travellers in six countries, European Union Agency for Fundamental Rights, 2020.

Naar boven