Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1999-2000
Kamerstuk 25839 nr. 13

Gepubliceerd op 27 maart 2000
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



25 839
Tegoeden Tweede Wereldoorlog

nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER-PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN EN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 maart 2000

1. Inleiding

De afgelopen jaren is de nationale en internationale aandacht gegroeid voor het grote leed dat vervolgingsslachtoffers tijdens en na de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. De ontberingen van de Tweede Wereldoorlog hebben bij de getroffenen ernstige pijn veroorzaakt, pijn die tot op de dag van vandaag voelbaar is. De Nederlandse samenleving als geheel was zwaar getroffen, sommige groepen daarbinnen onevenredig zwaar. De Tweede Wereldoorlog heeft tot onherstelbare verliezen geleid in de verschillende gemeenschappen van vervolgingsslachtoffers. Daar is lange tijd binnen de Nederlandse samenleving te weinig begrip voor getoond.

De maatschappelijke aandacht voor vervolgingsslachtoffers nam toe vanaf 1970. De totstandkoming in 1972 van de Wet Uitkeringen Vervol- gingsslachtoffers 1940–1945 is een erkenning van het leed en van de bijzondere solidariteit met deze groepen, en een uiting van de verantwoordelijkheid van de overheid dienaangaande voelt.

Vervolgingsslachtoffers hebben te zeer alleen hun verdriet moeten dragen. In elke discussie over dit onderwerp kwam dit de afgelopen jaren naar voren. Met de inzichten en met de ogen van nu terugkijkend op de jaren na de Tweede Wereldoorlog stelt de regering vast dat velen in de Nederlandse samenleving, zij die beleidsverantwoordelijkheid droegen niet uitgezonderd, daar lange tijd niet voldoende aandacht voor hadden.

Naast het leed is er ook een materiële kant. Gedoeld wordt op de roof en recuperatie van bezittingen. Bezittingen waren ontnomen door de bezetter en na de Tweede Wereldoorlog kwamen deze bezittingen niet in alle gevallen terug. Het naoorlogse rechtsherstel is een wettelijk instrument geweest om het materiële onrecht zoveel mogelijk te herstellen. Ruim vijftig jaar later kwamen roof en rechtsherstel van financiële tegoeden en goederen wereldwijd opnieuw centraal te staan in verschillende onderzoeken. In december 1997 werd in Londen een grote regeringsconferentie gehouden over het Nazi-goud. Daarna verschoof de aandacht in veel landen naar de tegoeden Tweede Wereldoorlog. In Nederland heeft de regering sedert 1997 verschillende commissies ingesteld waarvan de werkzaamheden dit brede terrein bestrijken. Inmiddels hebben vier commissies hun eindrapport ingediend. De regering is deze commissies erkentelijk voor de verrichte werkzaamheden.

De regering geeft met deze brief haar reactie op de inmiddels verschenen rapporten. Zij stond hiermee voor de opgave om zich een mening te vormen over het beleid dat ruim een halve eeuw geleden inhoud kreeg. Dit is een lastige opgave zoals prof. P.W. Klein nog eens heeft verwoord in zijn exposé in het rapport-Van Kemenade over het rechtsherstel. «Het vermogensrechtsherstel is in naoorlogs Nederland niet een zaak van louter recht en rechtvaardigheid geweest waarover nog betrekkelijk eenvoudig te oordelen valt. In het geding was een wisselende veelheid van krachten en machten. Zij kwamen voort uit de politieke, de staatkundige, de economische, de sociaal-psychologische en sociale verhoudingen, ja uit het hele veld van maatschappelijke betrekkingen. Oordelen over het naoorlogse vermogensrechtsherstel is – zo gezien – oordelen over Nederland en zijn natie. Dat maakt de geschiedenis van het naoorlogse rechtsherstel er niet eenvoudiger op.»

De regering meent dat lering moet worden getrokken uit de historische analyse die de commissies de regering geschetst hebben. Belangrijk is dat het boek over dit verleden nooit gesloten mag worden, dat regering en samenleving zich daarvan bewust blijven en dat daar ook voor de toekomst conclusies aan verbonden worden. De regering erkent ten volle – terugkijkend met de wetenschap en de ogen van nu – dat er teveel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel is geweest. Daarvoor spreekt de regering oprechte spijt en verontschuldigingen uit naar degenen die toen hebben geleden, zonder overigens verkeerde bedoelingen te veronderstellen bij degenen die toen verantwoordelijkheid droegen. Desalniettemin dringt zich uit de rapporten geen andere conclusie op dan dat de verantwoordelijkheid bij de uitvoering van het beleid en de toepassing van wetgeving niet altijd op de juiste manier is genomen. Er zijn fouten en tekortkomingen geconstateerd die onder ogen moeten worden gezien en waar conclusies aan verbonden moeten worden.

2. Het rechtsherstel

Alvorens in te gaan op de instelling van vijf onderzoekscommissies en enige vervolgactiviteiten wordt een summier overzicht gegeven van het rechtsherstel in Nederland en in Nederlands-Indië.

Tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog zijn door de bezetter maatregelen genomen tegen de joden, Sinti en Roma en andere groepen in Nederland. Deze maatregelen waren niet alleen bedoeld om hen persoonlijk te vervolgen, maar ook om hen al hun bezittingen te ontnemen en hun deelname aan het Nederlandse economische en maatschappelijke leven te beëindigen. De beroving van de Nederlandse joden verliep uiterst systematisch, meestal op grond van verordeningen. De roof heeft zich tot vrijwel alle vermogensbestanddelen uitgestrekt en werd zelfs administratief bijgehouden door de Duitse bezetter. De regelgeving en uitvoering waren dwingend en lieten weinig mogelijkheden zich eraan te onttrekken.

De beroving van Sinti en Roma verliep geheel anders. Hun beroving vond grotendeels in één klap plaats op 16 mei 1944 toen er een razzia op Sinti en Roma gehouden werd. 245 Sinti en Roma zijn gedeporteerd en slechts 30 keerden terug. Hun bezittingen, veelal goederen, werden op last van de Duitse politiediensten in beslag genomen. Na terugkeer uit de kampen of de onderduik waren in het merendeel van de gevallen alle bezittingen verdwenen. De commissies hebben op deze gebeurtenissen geen nieuw licht kunnen werpen.

In de literatuur is veelal stilzwijgend aangenomen dat zigeuners nauwelijks over bank- en girotegoeden beschikten, en ook niet of nauwelijks levens- of pensioenverzekeringen hadden gesloten. De vraag in hoeverre ten onrechte tegoeden bij banken, verzekeringsinstellingen of de staat berusten, blijft daarmee, in beginsel, onbeantwoord. Een verkennend onderzoek van de commissies heeft geen concreet resultaat geboekt.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft er in Nederland gedurende een aantal jaren een uitgebreid rechtsherstel plaatsgevonden. Het herstel in eigen- domsrechten werd toevertrouwd aan de Raad van het Rechtsherstel, ingesteld bij het Londense Besluit Herstel Rechtsverkeer, Stb. E 100. De Raad was een overkoepelend lichaam, geïnstalleerd op 20 augustus 1945.

De Raad bestond uit een:

– afdeling rechtspraak

– afdeling effectenregistratie

– afdeling beheer (o.a. Nederlands Beheersinstituut)

– afdeling voorzieningen voor afwezigen

– afdelingen voorzieningen voor rechtspersonen

– afdeling roerende goederen.

De voorzitter van de Raad vormde met de voorzitters van de verschillende afdelingen het dagelijks bestuur van de Raad. Iedereen in Nederland die kennis droeg van de feiten die tot rechtsherstel konden leiden, was verplicht daarvan aangifte te doen bij de overheid. Dus niet alleen de gedupeerden zelf, maar ook familie, kennissen, vrienden, banken, verzekeringsmaatschappijen etc. Banken moesten bijvoorbeeld kluisjes/safeloket- ten noemen van joodse cliënten die niet waren teruggekeerd en waarvan de inhoud niet bij de roofbank Lippmann-Rosenthal (Liro)was aangemeld. Onder toezicht van een notaris diende die kluizen te worden geopend en werd de inhoud onder beheer gesteld van Liro.

Bij het rechtsherstel voor de joodse gedepossedeerden speelde de afdeling beheer van de Raad voor het Rechtsherstel, met name het Nederlands Beheersinstituut (NBI) een belangrijke rol. Het NBI beheerde na de Tweede Wereldoorlog het vijandelijk vermogen dat door de Nederlandse regering in beslag was genomen op grond van de Bijzondere Rechtspleging en vermogens waar geen erfgenamen voor gevonden waren.

De Raad voor het Rechtsherstel bestond tot 1 juni 1967, de afdeling Effectenregistratie ging zelfs tien jaar langer door als zelfstandige eenheid. De voornaamste taak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel bestond uit het wijzen van vonnis bij eigendomsclaims over bezittingen, die burgers tijdens de Tweede Wereldoorlog waren kwijtgeraakt. Ook bemiddelde de Raad bij de totstandkoming van minnelijke schikkingen. Het archief van de Raad bestaat uit circa 200 000 dossiers en bevindt zich bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en het Algemeen Rijksarchief.

De situatie in Nederlands-Indië week af van de situatie in bezet Nederland. De bank- en verzekeringstegoedenproblematiek vindt hier niet zijn directe oorsprong in de periode van de Japanse bezetting, maar in de verbreking van de verbindingen met Nederland na mei 1940. Banktegoeden en levensverzekeringen van Nederlanders in Nederlands-Indië werden tijdens de Japanse bezetting niet aangetast. Ook na de Tweede Wereldoorlog bleven de rechten van bankcliënten en polishouders in het algemeen gehandhaafd. Dat neemt niet weg dat tegoedhouders in Nederlands-Indië door opeenvolgende maatregelen op het gebied van geldcirculatie en deviezenbeheer wel veel problemen hebben ervaren. Gelden bij banken en levensverzekeraars kwamen daardoor in de naoorlogse jaren niet of slechts gedeeltelijk ter beschikking. Met de uiteindelijke devaluatie van de roepiah na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië en de nieuwe geldsaneringsmaatregelen van de Indonesische regering werden de nadelige gevolgen nog groter.

In Nederlands-Indië vielen kwesties van rechtsherstel onder de Indische Raad voor het Rechtsherstel. Deze instantie had het beheer over vijandelijk vermogen, vermogen van afwezigen en vermogen waarvan de eigenaar voorshands onbekend was of niet getraceerd. De Raad schiep het juridische kader om tegoedhouders en/of hun nabestaanden te bescher- men en te handelen wanneer claimanten via de herstelrechter een uitspraak wensten. Het ging hier voornamelijk om rechtsherstel inzake levensverzekeringen.

Een oordeel over het rechtsherstel inzake de Indische tegoeden valt moeilijk te geven omdat weinig literatuur voorhanden is en veel belangrijke archiefbescheiden ontbreken. Zo is het archief over de Indische Raad voor het Rechtsherstel niet meer aanwezig.

3. Bevindingen van de commissies

3.1 Van Kemenade

De Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog, de commissie-Van Kemenade, werd ingesteld in maart 1997. Op 27 januari 2000 heeft de commissie haar rapport gepubliceerd. Deze commissie had tot doel het volgen van onderzoek naar oorlogstegoeden in het buitenland en van de in vele landen ingestelde fondsen, waarop door Nederlanders of Nederlandse organisaties een beroep zou kunnen worden gedaan. Ter ondersteuning van hen die een beroep wilden doen op een van de fondsen of een claim bij een buitenlandse bank overwegen in te dienen, is – mede op verzoek van de commissie-Van Kemenade – met financiële steun van de overheid het Centraal Meldpunt Joodse Oorlogsclaims opgericht.

Ook heeft de commissie onderzoek gedaan naar de Nederlandse claim op door de Duitsers geroofd monetair goud.

Voorts heeft de commissie onderzoek gedaan naar de omvang en roof van bezittingen van joden in Nederland. Tenslotte is de opzet en uitvoering van het vermogensrechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog beoordeeld.

De commissie-Van Kemenade heeft op basis van het verrichte onderzoek geconcludeerd dat samenleving en overheid destijds onvoldoende doordrongen zijn geweest van hetgeen de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan en van de noodzaak alleen al daarom een snel en efficiënt rechtsherstel te bewerkstelligen. Daarnaast concludeert zij dat het rechtsherstel, met uitzondering van aspecten van het effectenrechtsher- stel, in het algemeen rechtmatig en nauwgezet is geweest. Desalniettemin stelt zij vast dat er verschillende tekortkomingen waren, die voor veel betrokkenen onbillijke en onrechtvaardige consequenties hebben gehad, en dat overigens sommige aspecten van het overheidshandelen laakbaar zijn geweest. Achteraf trekt zij de conclusie dat deze gebreken destijds beter hadden kunnen worden voorkomen. De commissie concludeert dat veelal niet is vast te stellen in welke mate daardoor materiële schade is berokkend aan de joodse bevolking.

Ook trekt de commissie de conclusie dat over het eventuele verschil tussen roof en restitutie op basis van de daarover nu nog beschikbare gegevens geen verantwoorde uitspraken zijn te doen. Evenmin is vast te stellen wie voor een eventueel verschil verantwoordelijk en aanspreekbaar zou zijn.

3.2 Scholten

De Begeleidingscommissie onderzoek financiële tegoeden Tweede Wereldoorlog in Nederland, de commissie-Scholten, heeft haar eindrapport met de definitieve bevindingen op 15 december 1999 gepresenteerd. De commissie kreeg bij haar installatie op 13 juli 1997 als taakopdracht mee om een onderzoek te doen naar de feitelijke systematiek rond het rechtsherstel aangaande financiële tegoeden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bij banken en verzekeraars in Nederland. Daarbij kon de rol van banken en verzekeraars, alsmede – waar relevant – de rol van de overheid aan de orde komen. Als onderzoeksobjecten waren aanvankelijk bepaald: geld en verzekeringen. In maart 1998 werd dit op verzoek van de Minister van Financiën uitgebreid met effecten, rechten, uitkeringen volgens sociale verzekeringen en vorderingen/debiteuren.

De commissie-Scholten oordeelt dat, alhoewel het rechtsherstel een operatie is geweest die wegens zijn enorme omvang en complexiteit respect afdwingt, er toch ook kritische kanttekeningen geplaatst moeten worden. Die betreffen ten eerste de lange duur ervan waardoor het merendeel van de slachtoffers van de roof jarenlang, een deel zelfs tot halverwege de jaren vijftig, op de volledige afronding van hun zaak heeft moeten wachten. Ten tweede werd het rechtsherstel op een aantal punten gekenmerkt door een strikt bureaucratisch handelen, waarbij weinig soepelheid betracht is en vaak weinig oog geweest is voor de bijzondere positie en belangen van de slachtoffers.

De kritiek van de commissie-Scholten spitst zich met name toe op aspecten van het rechtsherstel ten aanzien van de geroofde effecten. De materiële uitkomst daarvan is weliswaar bevredigend geweest, maar de totstandkoming en uitvoering van de naoorlogse regelgeving met betrekking tot effecten waren op bepaalde punten niet in overeenstemming met grondslagen van de Nederlandse rechtsorde.

Zo was het volgens de commissie onjuist dat de Vereniging voor de Effectenhandel, die zich in de oorlogsjaren zo weinig eervol had gedragen, een zo grote invloed heeft gehad op het rechtsherstel en zo nauw bij het beleid werd betrokken, ook al was het zo dat de feitelijke kennis van de materie in hoge mate daar geconcentreerd was. De regering heeft op verschillende momenten de belangen van de beurs en de effectenhandel laten prevaleren boven een adequaat en voortvarend rechtsherstel van de betrokken vervolgingsslachtoffers en daarmee afbreuk gedaan aan de rechtsgang die in de herstelwetgeving was vastgelegd. Mede daardoor kwam tot 1953 van feitelijk rechtsherstel in de vorm van teruggave van effecten – zelfs waar kwade trouw bij de aankoop van joodse effecten aannemelijk was – zo goed als niets terecht.

3.3 Kordes

De Commissie Onderzoek Liro-archieven, de commissie-Kordes werd ingesteld op 10 december 1997. De commissie heeft zich beziggehouden met onderzoek naar tastbare goederen (zaken). Op 29 januari 1998 bracht de commissie-Kordes haar eerste rapport uit over de verkoop van kleinoden, afkomstig uit de kluis van Lippmann-Rosenthal omstreeks 1968. De commissie heeft op 9 december 1998 haar tweede rapport uitgebracht aan de Minister van Financiën. Daarin is uitgebreid aandacht besteed aan verschillende categorieën van joodse individuele claims. Tegelijkertijd met het rapport-Kordes is de onderzoeksgids Archieven joodse oorlogsgetroffenen verschenen. Deze onderzoeksgids is door het Algemeen Rijksarchief in samenwerking met het Ministerie van Financiën en het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie op verzoek van de commissie-Kordes opgesteld.

Het onderzoek van de commissie-Kordes naar de daarmee verband houdende archieven heeft geleid tot uiteenlopende conclusies over het onderhavige rechtsherstel, die zowel een positieve als een negatieve strekking hebben. De commissie constateert een grote inspanning en zorgvuldigheid van de beheerders-vereffenaars om gelden en goederen, die joden tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden moeten afstaan, zoveel als mogelijk bij de rechthebbenden terug te bezorgen. Ten aanzien van de afwikkeling van claims en daarmee verband houdende zaken is het de commissie opgevallen dat van de zijde van de overheid en anderen een nogal formeel-zakelijke benadering aan de dag is gelegd. Dat heeft in verschillende gevallen geleid tot een lange behandelingstijd, waardoor benadeelden vele jaren in onzekerheid bleven verkeren. De commissie is voorts kritisch over de aan de joodse boedels in rekening gebrachte apparaatskosten van het rechtsherstel en het via Liro geïnde deel van belastingbedragen. Het meest pregnant oordeelt de commissie over de weigering van de Staat om aan de joodse boedels het volledige bedrag te vergoeden dat in de Tweede Wereldoorlog op last van de Duitse bezetter door de joodse boedels ter beschikking was gesteld voor bouw, onderhoud en exploitatie van de kampen Westerbork en Vught. De commissie oordeelt dat dit in feite betekent dat de joden dit onderdeel van hun deportatie zelf hebben betaald. Dat moet voor de Nederlandse regering toch een ondraaglijke gedachte zijn, aldus de commissie-Kordes.

3.4 Van Galen

De Begeleidingscommissie Onderzoek Indische Tegoeden, de commissie- Van Galen heeft onderzoek verricht naar de particuliere Nederlandse bank- en verzekeringstegoeden in Nederlands-Indië. De commissie werd op 3 februari 1998 geïnstalleerd mede naar aanleiding van Kamervragen. Deze waren op 27 juli 1997 gesteld na oproepen uit Indische kring om deze materie apart te laten onderzoeken. De commissie heeft op 17 januari 2000 haar eindrapport gepubliceerd.

De conclusies leren dat er geen directe aanwijzingen te vinden zijn voor het systematisch in beslag nemen van particuliere bank- en verzekeringstegoeden door de Japanse bezetter. Na de Tweede Wereldoorlog zijn de rechten van bankcliënten en polishouders overigens vrijwel onverminderd gehandhaafd gebleven.

De commissie wijst op de opeenvolgende maatregelen van diverse overheden na 1945 op het gebied van geldcirculatie en deviezenbeheer voor de particuliere tegoedhouders die tot aanzienlijke problemen hebben geleid bij het opnemen van banktegoeden en het voortzetten van polissen. De Bevriezingsordonnantie, de krapgeldpolitiek en het deviezenregime waren vooral gericht op het herstel van macro-economische processen, waaraan de particuliere belangen ondergeschikt bleken. Het door de genoemde maatregelen niet of in mindere mate beschikbaar komen van gelden bij banken en levensverzekeringsmaatschappijen, heeft voor menig Nederlander geleid tot teleurstelling na terugkeer in Nederland of na emigratie naar andere landen. De Indische Raad voor het Rechtsherstel en de in het leven geroepen Rehabilitatieregeling boden de mogelijkheid aan polishouders om premieachterstand aan te zuiveren. Hierdoor konden royementen alsnog worden afgewend. Rechtsherstel en de Rehabilitatieregeling konden deze gevolgen slechts ten dele verzach- ten.

Naast de commissie heeft een Indisch Meldpunt gefunctioneerd waar veel mondelinge en schriftelijke reacties binnen konden komen. Uit deze brieven is duidelijk geworden hoezeer naast alle persoonlijke leed en ontberingen, de belanghebbenden ook getroffen zijn door roof en het verdwijnen van persoonlijke bezittingen buiten de onderzochte bank- en verzekeringstegoeden.

3.5 Ekkart

Op 2 oktober 1997 ving de commissie-Ekkart haar werkzaamheden aan. De commissie kreeg als opdracht een proefonderzoek uit te voeren naar de herkomst van de collectie van de Stichting Nederlands(ch) Kunstbezit. Dit is het restant van gerecupereerde kunstwerken dat nog berust bij de staat. In deze rijkscollectie zijn deze schilderijen, beelden en kunstnijver- heidsobjecten geïnventariseerd en te herkennen aan hun inventarisnummer dat steeds begint met de letters «NK». Naar verwachting zal het onderzoek in 2002 zijn voltooid. Er wordt gestreefd naar tussentijdse rapportages. Het eerste tussenrapport is op 14 oktober 1999 uitgebracht. Van ruim 10% van de collectie (530 kunstwerken) afkomstig van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) is thans de herkomst onderzocht. Bij de kunstnijverheid bleek dat voor het merendeel van de objecten geen enkel herkomstgegeven kon worden achterhaald. Door de geringe individualisering van het voorwerp en de summiere beschrijvingen op aangifteformulieren en in andere bronnen is hier bijzonder moeilijk een verband te leggen tussen documentatie en voorwerp. Bovendien is op dit moment niet duidelijk hoe men bij de recuperatie van dit soort voorwerpen vanuit Duitsland te werk is gegaan.

Bij de schilderijen is geconstateerd dat vrijwel altijd herkomstgegevens achterhaald kunnen worden en dat die in ongeveer in ongeveer de helft van de gevallen leiden tot een sluitende herkomst. Tegelijkertijd kon vaak niet achterhaald worden of de bezitsovergang vrijwillig of gedwongen geweest is.

In al die gevallen waarin uit het onderzoek aanwijzingen voortkomen dat er mogelijk niet eerder gesignaleerde rechten van derden op kunstwerken uit de NK-collectie rusten of die aanvullende informatie bieden die bij een vroegere afwijzing van claims niet bekend was, wordt nader onderzoek ingesteld door de Inspectie Cultuurbezit. Dit wordt uitgevoerd zodra daarvoor aanwijzingen zijn en hoeft niet te wachten op de afronding van het gehele onderzoeksproject.

Ook zal de commissie een overzicht geven van de handelswijze en de besluitvorming bij de Stichting Nederlands(ch) Kunstbezit over het al dan niet teruggeven van gerecupereerde kunstwerken aan gedepossedeerden tegen de achtergrond van het naoorlogs rechtsherstel.

3.6 Hoofdaanbevelingen van de commissies

De commissies die zich toegespitst hebben op joodse tegoeden hebben aanbevelingen gedaan aan de regering. Voorts hebben zij aanbevelingen gedaan aan financiële instellingen. Dit heeft geleid tot overleg van verzekeraars, banken en beurs met het Centraal Joods Overleg (CJO). De commissie-Van Galen heeft omdat het een eerste beschrijvend onderzoek betrof, volstaan met het trekken van conclusies.

De aanbevelingen van de commissies-Kordes, -Scholten en -Van Kemenade aan de regering vormen een oproep een bedrag ter beschikking te stellen aan de joodse gemeenschap. De commissie-Kordes spreekt over een collectieve uitkering van f 48,4 miljoen ter beschikking te stellen van de joodse gemeenschap, te bestemmen voor sociale, onderwijskundige en culturele doelen. Zij stelt voor de verdeling van dit smartengeld te doen geschieden op basis van bestemmings-, c.q. projectvoorstellen ter beoordeling van een onafhankelijke en onpartijdige van regeringswege ingestelde commissie. Over de toewijzingen zou publieke verantwoording dienen te worden afgelegd.

De commissie-Scholten spreekt over een te maken financieel gebaar omdat de Staat op verschillende momenten niet onbelangrijke bedragen aan de algemene middelen heeft kunnen toevoegen die direct of indirect afkomstig waren uit de systematiek van roof en rechtsherstel. Ook zou de door regering en parlement in 1976 genomen beslissing om het batig saldo van het Waarborgfonds ad f 11,5 miljoen te doen afvloeien naar de algemene middelen, gegeven de concrete herkomst van deze middelen en de besluitvorming terzake, ongedaan dienen te worden gemaakt.

Tenslotte is er de aanbeveling van de commissie-Van Kemenade die zich mede baseert op de rapporten-Kordes en -Scholten. Zij spreekt over een tegemoetkoming van f 250 miljoen. Daarmee wordt niet gedoeld op een vergoeding van geleden schade die individueel of collectief toerekenbaar zou zijn. Voor de uitwerking denkt de commissie-Van Kemenade eraan om in overleg van de regering met vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap vormen te vinden waardoor een dergelijk door de overheid vastgesteld bedrag zinvol en verantwoord kan worden besteed aan zowel collectieve als meer individueel gerichte bestemmingen voor deze gemeenschap en of personen daarbinnen. Daarbij denkt de commissie aan de instelling van een fonds, waaruit bedragen voor dergelijke bestemmingen zonder belastingheffing beschikbaar kunnen worden gesteld. Het fonds zou een publiekrechtelijk karakter moeten dragen waarvan de doelstellingen door de overheid worden bepaald, maar de concrete bestemmingen daarbinnen worden vastgesteld door een bestuur dat tenminste in meerderheid bestaat uit vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap.

4. Regeringsreactie

4.1 Regeringsreactie op de conclusies en hoofdaanbevelingen

Algemeen

De rapporten hebben veel inzichtelijk gemaakt over de houding van de Nederlandse samenleving als geheel, het lot van de specifieke groepen van vervolgingsslachtoffers en de rol van de Nederlandse regering in de periode na de Tweede Wereldoorlog. De rapporten hebben inmiddels tot een maatschappelijk debat geleid over hoe men destijds gehandeld heeft met de tegoeden en over de vraag wat er nu zou moeten gebeuren. De regering acht dit een goede zaak, mede omdat de rapporten inzicht geboden hebben in een problematiek waarvan men tot dusverre geen diepgaande kennis had. Ze bevatten een waardevolle weergave hoe de Nederlandse samenleving en de regering na de Tweede Wereldoorlog omgegaan zijn met het rechtsherstel. Tegelijkertijd is gebleken dat de onderzoeken niet op alle vragen antwoord hebben kunnen geven.

Na de Tweede Wereldoorlog is naar vermogen getracht een ieder zoveel mogelijk in zijn of haar rechten te herstellen. Dat is, zo geven de rapporten aan, in redelijke mate gelukt. Dat neemt niet weg dat erkend moet worden dat het rechtsherstel bezien met de ogen van nu met meer begrip uitgevoerd had kunnen en moeten worden. Sommige gehanteerde procedures moeten nu als formalistisch, bureaucratisch en zelfs kil worden getypeerd. Op een enkel punt zijn deze in strijd met de toen geldende regelgeving geweest. De commissies hebben daar in hun rapporten voorbeelden van gegeven.

De regering stelt voorop dat het voor rechthebbenden mogelijk blijft om verzoeken tot restitutie in te dienen. De Staat zal individuele claims van (nabestaanden van) rechthebbenden, die voortvloeien uit het rechtsherstel, onder bepaalde voorwaarden alsnog in behandeling nemen. Uit overwegingen van coulance zal in die gevallen worden afgezien van een beroep van louter verjaring.

Joodse tegoeden

Na de Tweede Wereldoorlog was rechtsherstel voor hen die bezit ontno- men was, met name voor de joodse vervolgingsslachtoffers, slechts één van de vele zaken die in het ontregelde Nederland hun beslag moesten krijgen. Het ging de Nederlandse regering allereerst om het herstel van het economisch verkeer van het bijna failliete Nederland. De Nederlandse regering heeft zich van meet af aan niet aansprakelijk geacht voor de roof en de schade die de Duitse bezetter heeft toegebracht.

De constatering van de commissies is juist dat overheid en samenleving na 1945 meer in beslag waren genomen door andere zaken zoals de wederopbouw van het land en het conflict met Indonesië dan dat zij oog hadden voor de implementatie van een snel rechtsherstel voor hen die door de Tweede Wereldoorlog het zwaarst waren getroffen. Wel had de Nederlandse regering al in de Tweede Wereldoorlog een beleid uitgewerkt om hen die hun bezit ontnomen was, zoveel mogelijk in hun rechten te herstellen. Hierbij werd geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende groepen vervolgingsslachtoffers. Deze aanpak die in algemene zin in de tweede helft van de jaren veertig en jaren vijftig breed parlementair werd ondersteund, is nu in de commissierapporten voorwerp van kritiek.

Zo komen daarin naast de algemene kritiek punten naar voren waaruit kritiek blijkt op bepaalde aspecten van het rechtsherstel, zoals het effectenrechtsherstel. Ook is sprake van fouten en tekortkomingen in het overheidshandelen die tot onredelijke en onbillijke consequenties geleid hebben voor de betrokken groepen. Overeenkomstig de adviezen van de commissies is er echter geen aanleiding het rechtsherstel over te doen. Er zijn destijds in het algemeen geen onrechtmatige overheidsbeslissingen genomen. Uiteindelijk heeft het beoogde rechtsherstel in verreweg de meeste gevallen plaatsgevonden. De beslissingen van de Nederlandse regering uit de jaren veertig en vijftig zijn echter naar huidig inzicht legalistisch geweest en het proces was stroef, formeel en bureaucratisch.

De commissies wijzen erop dat er sprake had moeten zijn van een gevoelvollere bejegening van vervolgingsslachtoffers. Ook worden enkele aspecten van het rechtsherstel en het overheidshandelen genoemd die naar huidige inzichten door de commissies als onbillijk of onrechtvaardig worden bestempeld. De commissies vragen de aandacht van de regering voor deze punten van kritiek en adviseren de regering als blijk van erkenning een bedrag beschikbaar te stellen aan de betrokken groepen. De regering neemt het advies van de commissies over en gaat ten aanzien van het bedrag en motivering een stap verder dan de commissies. Zij ziet het ter beschikking stellen van een bedrag als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen. De regering wil met het ter beschikking te stellen bedrag uitdrukkelijk finaal recht doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verdere bestaan.

Het CJO heeft zich in de gesprekken met de regering op het standpunt gesteld dat zaken en gelden die niet aan de oorspronkelijke rechthebbenden of hun erfgenamen kunnen worden teruggegeven, behoren te worden overgedragen aan de joodse gemeenschap in Nederland, zijnde de morele erfgenaam van de Nederlandse holocaust-slachtoffers. Men spreekt ook in termen van restitutie, moreel recht en een finale kwijting.

De commissies hebben onderstreept dat tegoeden langs wettelijke weg aan de Staat vervallen zijn, maar schetsen tegelijk een moreel dilemma. De wet (art. 879, tweede lid, Boek 4 BW) wijst de Nederlandse Staat aan als gerechtigde tot de nalatenschap indien wettelijke erfgenamen ontbreken, en niet een organisatie van de bevolkingsgroep waartoe de overledene behoorde.

De regering heeft echter begrip voor de voornoemde gevoelens die vanuit de joodse gemeenschap naar voren zijn gebracht en verwacht dat het ter beschikking stellen van f 400 miljoen hieraan tegemoet komt. Dit moet dus gezien worden als een erkenning van deze morele aanspraken. Het gaat hierbij zowel om bedragen die eertijds rechtmatig en wettelijk aan de Staat vervallen zijn alsmede om enkele specifieke kwesties als de kosten van de kampen Westerbork en Vught die begrijpelijkerwijs zeer gevoelig in de joodse gemeenschap liggen.

Van de f 400 miljoen zal in ieder geval f 50 miljoen aan projecten in het buitenland besteed worden. Het CJO staat er borg voor dat er voor collectieve joodse doelen in Nederland tientallen miljoenen beschikbaar gesteld zullen worden, hetgeen overeenkomt met de wens van de regering. De uitvoering zal plaatsvinden in een publiekrechtelijk kader.

Bezittingen van Sinti en Roma

Het onderzoek inzake de tegoeden van Sinti en Roma is gehinderd door het ontbreken van veel archiefmateriaal. Tegelijkertijd is evident dat juist Sinti en Roma na de Tweede Wereldoorlog vrijwel geen bezittingen teruggekregen hebben. Omdat de beroving in de Tweede Wereldoorlog vrijwel niet gedocumenteerd was, zijn Sinti en Roma ook grotendeels buiten het rechtsherstel gebleven. Bovendien zijn zij in de maatschappij met grote kilte bejegend. Om deze redenen stelt de regering een bedrag beschikbaar van f 30 miljoen. De gemeenschap van de Sinti en Roma zal met een voorstel komen over de bestemming van de gelden. De uitvoering van een ander vindt plaats binnen een publiekrechtelijk kader.

Uit gevoerde gesprekken met de Sinti en Roma kwamen aanwijzingen dat er toch meer historisch materiaal te vinden zou zijn dan eerder werd aangenomen. Het historisch materiaal kan licht werpen op de algemene systematiek van de beroving van bezittingen alsmede op de gang van zaken rondom individuele bezittingen. De Sinti en Roma hebben te kennen gegeven nader onderzoek te wensen. De regering zal aan deze wens tegemoetkomen.

Indische tegoeden

Het onderzoek naar de Indische Raad voor het Rechtsherstel is zoals gezegd uitermate summier geweest omdat de archieven daarvan voor het grootste deel niet meer aanwezig waren. Dit neemt niet weg dat er ook binnen het meer beperkte, eigen kader van het Indische rechtsherstel tekortkomingen naar voren zijn gekomen. De commissie-Van Galen wijst op de specifieke problemen rond de valutarestricties die het opnemen en overmaken van tegoeden bemoeilijkten en op de levensverzekeringen. Voorts ligt het in de rede dat het Indische rechtsherstel in de jaren 1945–1949 tenminste met dezelfde aanloopproblemen en vertraging heeft gekampt als het rechtsherstel in Nederland.

De gesignaleerde tekortkomingen in het Indische rechtsherstel krijgen meer gewicht in combinatie met diverse andere problemen waarmee de vervolgingsslachtoffers zich na de Japanse bezetting in Nederlands-Indië geconfronteerd zagen, met name de vijandig geworden bejegening door Indonesiërs die naar onafhankelijkheid streefden en de grenzen die de ontwikkelingen in de periode tot aan de soevereiniteitsoverdracht hebben gesteld aan het rechtsherstel. In dit verband acht de regering een gebaar op zijn plaats dat de grenzen van de gesignaleerde tekortkomingen van het Indische rechtsherstel met zijn relatief beperkte reikwijdte overstijgt maar wel recht doet aan de bijzondere omstandigheden waarbinnen het rechtsherstel in Nederlands-Indië heeft plaatsgevonden.

Om deze reden stelt de regering de Indische gemeenschap een bedrag beschikbaar van f 250 miljoen dat aan collectieve doelen besteed kan worden. In het overleg met het Indisch Platform is ook de mogelijkheid van individuele uitkeringen aan vervolgingsslachtoffers binnen de Indische gemeenschap besproken. Van de zijde van het Indisch Platform is hierop aangegeven dat dit niet mogelijk is vanwege de door de Indische gemeenschap gewenste gelijke behandeling van alle Nederlanders uit Nederlands-Indië. Het maken van een onderscheid tussen hen die wel of niet door de Japanse bezetter geïnterneerd waren, werd verworpen door het Indisch Platform. Gezamenlijk is toen afgesproken dat de bestemming een collectief karakter zou krijgen.

Op dit moment worden projectvoorstellen door het Indisch Platform voorbereid die liggen in de sfeer van herdenking, educatie, maatschappelijke zorg, welzijn, wetenschap en cultuur. De Indische gemeenschap zal met een voorstel komen over de bestemming van de gelden. De uitvoering van een ander vindt plaats binnen een publiekrechtelijk kader.

In het overleg van de regering met het Indisch Platform zijn specifieke onderzoekswensen op tafel gelegd. Gezien de onduidelijkheden rond de toegankelijkheid en het eventueel nog voorhanden zijn van onderzoeksmateriaal is door het Indisch Platform voorgesteld een inventariserend onderzoek op korte termijn te verrichten naar de haalbaarheid van onderzoek ten behoeve van het in behandeling nemen van individuele claims. De regering zal aan deze wens tegemoetkomen.

4.2 Regeringsreactie op specifieke punten/aanbevelingen

Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang

Het leed heeft voor de vervolgingsslachtoffers niet alleen met hun ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog te maken, maar ook met hun terugkeer en opvang destijds in de Nederlandse samenleving na de Tweede Wereldoorlog. De commissie-Kordes heeft hierop in een aanbeveling gedoeld. Op dit moment verricht de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) historisch-wetenschappelijk onderzoek naar in het bijzonder de immateriële aspecten van de terugkeer en opvang. Het onderzoek groep strekt zich bovendien uit tot de bredere groep van oorlogsslachtoffers. SOTO zal in 2001 haar verschillende publicaties uitbrengen.

Inventarisatie van alle depots en saldi op tussenrekeningen

De Commissie-Scholten beveelt aan door de banken en commissionairs een systematische inventarisatie van alle depots en saldi op «tussenrekeningen» te laten maken die betrekking heeft op de oorlogsjaren, terwijl verzekeringsmaatschappijen een vergelijkbaar onderzoek zouden moeten doen naar uit deze tijd daterende polissen die noch direct noch indirect tot uitkering zijn gekomen.

De regering is van mening dat op korte termijn aan deze aanbeveling zal zijn voldaan door de inspanningen van de financiële sector zelf. Het gaat hier om activiteiten van de bancaire sector en de verzekeringssector waardoor een systematische inventarisatie van tussenrekeningen beschikbaar komt. Het CJO is betrokken bij de onderzoeken in deze.

Onvindbare eigenaren van vermogenswaarden

De commissie-Scholten acht een betere regelgeving op het punt van onvindbare eigenaren van vermogenswaarden van belang. Gedacht wordt aan het publiceren van namen van onvindbare crediteuren, bijvoorbeeld een jaar voordat de saldi worden toegevoegd aan de reserves van de bank. De commissie adviseert om, conform de toezeggingen die door de Ministers van Justitie en Financiën in 1979 bij de behandeling van de Wet op de consignatie van gelden 1979 zijn gedaan, alsnog de problematiek van «onvindbare crediteuren» van de banken in studie te nemen (zie deel III, p. 605).

De uitvoering van de aanbeveling van de commissie-Scholten inzake een wettelijke regeling specifiek voor banken kan langs andere weg inhoud gegeven worden. Bij de lopende wijziging van de Wet Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) zal worden bezien in hoeverre de toegang van banken tot de GBA voor de opsporing van onvindbare crediteuren kan worden verbeterd. Daarnaast zal in overleg met de banken worden bezien in hoeverre de zorgplicht van banken bij onvindbare crediteuren verder kan worden ingevuld. Daarbij zal ook de suggestie van de commissie-Scholten worden meegenomen om namen van onvindbare crediteuren te publiceren, voordat de saldi worden toegevoegd aan de reserves van de bank.

Monitoring buitenlandse fondsen

De regering neemt de aanbeveling van de commissie-Van Kemenade over om zich op de hoogte te blijven stellen en het CJO en zijn Meldpunt te informeren over de buitenlandse fondsen waarop individuele vervolgingsslachtoffers en/of hun organisaties een beroep kunnen doen. De website van het Ministerie van Financiën (www.minfin.nl) bevat in deze veel informatie over buitenlandse fondsen.

Geschiedschrijving ten aanzien van andere groepen van vervolgings- slachtoffers

Gezien de opdracht aan de commissies is in de onderzoeksrapporten geen aandacht besteed aan andere groepen vervolgingsslachtoffers (onder andere homosexuelen, Jehova-getuigen, politieke gevangenen, verzetsdeelnemers). De regering zal nagaan in hoeverre nadere geschiedschrijving noodzakelijk en mogelijk is.

Uitvoering

De regering neemt een stelpost van f 50 miljoen op voor de uitvoeringskosten.

Over de definitieve vormgeving van de uitvoering zal nog nader overleg met de betrokken groeperingen plaatsvinden alvorens de Kamer eventueel noodzakelijke wetgeving zal bereiken. De ter beschikking gestelde gelden zijn onbelast, noch zal er een korting plaatsvinden op inkomensafhankelijke regelingen.

5. Enige andere onderwerpen

5.1 Nederlandse fondsen

Uit het vierde deel van de goudpool heeft Nederland in 1997 f 22,5 miljoen ontvangen. Dit geld is in overeenstemming met het advies van de commissie-Van Kemenade door de regering bestemd voor het nieuw opgerichte Nationaal fonds van de goudpool. Het geld uit dit fonds komt ten goede aan projecten. De bestemming van projectuitkeringen ligt op een drietal terreinen. Eén daarvan is zorg en/of dienstverlening aan de nog levende en in Nederland woonachtige groep slachtoffers van de Nazi-vervolging en hun nabestaanden. De andere bestemmingen betreffen de kennis- en cultuurtraditie, die door de Tweede Wereldoorlog grotendeels vernietigd was alsmede het instandhouden van de herinnering aan de omgekomenen in de Tweede Wereldoorlog.

Over de toewijzing van het geld aan de projecten heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in september 1999 besluiten genomen, daarbij geadviseerd door een onafhankelijk adviescollege onder leiding van de heer dr. D. Dolman.

Naast de oprichting van het nationaal fonds van de goudpool heeft de Nederlandse regering het besluit genomen f 20 miljoen te storten in het internationale fonds van de goudpool (Nazi Persecutee Relief Fund). Het doel van het dit fonds is enerzijds het door middel van projecten verlenen van diverse vormen van steun aan behoeftige Nazi-slachtoffers en anderzijds het financieren van projecten die ten goede komen aan gemeenschappen die het zwaarst zijn getroffen door de Nazi-vervolging. Het gaat ook hierbij om projecten die de herinnering aan diegenen die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen in stand houden en projecten met als initiatief om de kennis en cultuurtraditie die door de Tweede Wereldoorlog grotendeels vernietigd was, weer te revitaliseren.

Van deze f 20 miljoen krijgt f 10 miljoen een Oost-Europese bestemming en f 10 miljoen komt ten goede aan Nederlandse oorlogsgetroffenen in den vreemde, met name in Israël.

5.2 Internationale conferenties

Het Nazi Persecutee Relief Fund is opgericht op de Londen-conferentie over het Nazi-goud van 2–4 december 1997. In vervolg op de conferentie in Londen is eind 1998 in Washington een regeringsconferentie gehouden waar de verschillende geroofde particuliere tegoeden en goederen centraal stonden. Alle aanwezige landen hebben uitgebreid bericht over de vorderingen van de onderzoekscommissies in de verschillende landen. Ook heeft men toen afgesproken om in het vervolg over de verschillende deelaspecten conferenties te houden. Dit is in 1999 ook gebeurd met bijeenkomsten over verzekeringen, kunst, «communal properties», banktegoeden etc. Ook via het koppelen van relevante websites is veel onderzoeksmateriaal internationaal beschikbaar gekomen waaronder de Nederlandse rapporten.

In Washington werd in het bijzonder stil gestaan bij de noodzaak om de holocaust blijvend te herdenken en te onderzoeken. Daartoe is ook educatie van groot belang. Tijdens de Washington conferentie is hiertoe een zogeheten «Task Force for International Cooperation on Holocaust Education, Remembrance and Research» gevormd. Leden van deze Task Force zijn Zweden, Duitsland, V.S., Israël, Engeland, Italië, Polen en Nederland. Van 25 tot 27 januari 2000 vond in Stockholm een grote conferentie plaats over holocaust-educatie. Hieraan nam ook Minister-president Kok deel. Het voorzitterschap rouleert en zal van 1 november 2000 tot 1 juni 2001 in Nederlandse handen zijn.

Om invulling te geven aan de internationale samenwerking en overdracht van expertise is er een nationale werkgroep in het leven geroepen waarin deskundige vertegenwoordigers van non-gouvernementele organisaties op het terrein van educatie en herdenking, en ambtelijke deskundigen zitting hebben. Deze werkgroep zorgt voor kennisoverdracht aan geïnteresseerde landen door hen uit te nodigen voor een bezoek aan Nederland en door deel te nemen aan in de desbetreffende landen georganiseerde conferenties op dit terrein. Op verzoek van Tsjechië wordt meegeholpen aan het holocaustbewustmakingsproces aldaar. Inmiddels hebben ook Argentinië, Bulgarije, Hongarije, Letland, Litouwen, Roemenië, Rusland en Slowakije hun belangstelling getoond voor samenwerking met de werkgroep.

5.3 Grotere toegankelijkheid van archieven, behandeling van brieven/claims

Naar aanleiding van de sterk toegenomen aandacht voor de tegoeden Tweede Wereldoorlog heeft het Ministerie van Financiën eind 1997 het initiatief genomen tot een afstemmingsoverleg met alle betrokkenen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de tegoeden Tweede Wereldoorlog. Alle onderzoekscommissies, SOTO, CJO, Joods Maatschappelijk Werk, Joods Meldpunt, banken, verzekeraars, Algemeen Rijksarchief hebben doorlopend informatie uitgewisseld over het lopende onderzoek. Ook werd ingegaan op de beantwoording van de verschillende brieven van burgers die bij verschillende instanties binnenkwamen. Enkele vraagstukken die hierin aangesneden werden, zijn gemeenschappelijk besproken.

Dit overleg heeft verder geleid tot concrete stappen. Zo heeft het Ministerie van Financiën overzichten gepresenteerd van de onbeheerde nalatenschappen die vermoedelijk van joodse origine zijn. Ook heeft het Ministerie de Consignatiekas gedigitaliseerd. Via Internet kan iedereen kijken of familiegegevens voorkomen in dit bestand. Andere acties betreffen het verfilmen en digitaliseren van het archief over Duitse schade-uitkeringen in Berlijn en van de Memories van Successies in het archief in Apeldoorn. Tot slot is aan het Algemeen Rijksarchief gevraagd om de bestaande Archievengids aan te vullen.

5.4 Inspanningen van de financiële sector

Naar aanleiding van met name het rapport-Scholten over de financiële tegoeden hebben de verschillende partijen in de marktsektor ook inspanningen gepleegd. Het Verbond van Verzekeraars heeft reeds in een vroegtijdig stadium onderzoek gedaan naar tegoeden uit de Tweede Wereldoorlog. Op grootschalige wijze is informatie bijeengebracht die voor de behandeling van individuele claims van belang kon zijn. Men heeft verzekeraars aangeschreven voor informatie over «verloren polissen». Mede naar aanleiding van aanvragen van het Joods Meldpunt heeft men op gecoördineerde wijze archieven berustende bij het Algemeen Rijksarchief, het Ministerie van Financiën en het Joods Maatschappelijk Werk doorgenomen. Dit heeft ertoe geleid dat sedert 1997 enige tientallen individuele claims gehonoreerd konden worden. Hierbij heeft men geen beroep gedaan op verjaring en geen al te strenge eisen gesteld aan de bewijslast bij de onderbouwing van individuele claims Ook heeft men al snel overleg geopend met het CJO hetgeen uiteindelijk eind 1999 geleid heeft tot een akkoord over de nooit uitgekeerde joodse polissen.

In soortgelijke mate geldt dit voor de banken. De Nederlandse Vereniging van Banken heeft met het CJO vanaf 1999 onderzoek laten uitvoeren naar nog openstaande joodse creditsaldi in Nederland en in het buitenland. Het onderzoek is hier in de praktijk veel lastiger gebleken vanwege het ontbreken van de nodige archieven.

De Minister-President,

Minister van Algemene Zaken,

W. Kok

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

De Minister van Financiën,

G. Zalm


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl