20 454 Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen

Nr. 146 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 12 juni 2019

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 6 september 2018 inzake beantwoording vragen commissie over de evaluatie Uitkeringsregeling Backpay en subsidieregeling collectieve erkenning Indisch en Moluks Nederland (Kamerstuk 20 454, nr. 131).

De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 11 juni 2019. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De adjunct-griffier van de commissie, Clemens

1.

Hoeveel mensen hebben zich beklaagd over de ten aanzien van hen in eerste aanleg genomen beslissing en/of de wijze waarop die tot stand is gekomen? Hoe is met die klachten/bezwaren omgegaan?

Antwoord vraag 1:

De actuele cijfers (d.d. 01-03-2019) zijn als volgt:

  • In totaal is 260 keer bezwaar ingediend tegen een besluit op basis van de uitkeringsregeling Backpay. Dit heeft in drie zaken alsnog tot een toekenning geleid.

  • Eén organisatie heeft drie formele klachten ingediend. Deze klachten zijn ongegrond verklaard.

Deze bezwaarschriften en klachten zijn behandeld conform de daarvoor geldende procedures.

2.

In hoeveel gevallen is in tweede aanleg alsnog een positieve beslissing genomen?

Antwoord vraag 2:

Er is 31 keer beroep ingediend. Dit heeft tot op heden in geen geval geleid tot toekenning. Drie beroepszaken staan nog open.

3.

Hoe vaak is gebruikgemaakt van een (al dan niet formele) «hardheidsclausule» en een positieve beslissing genomen?

Antwoord vraag 3:

Uit het oogpunt van coulance is bij het opstellen van de Backpayregeling in artikel 7 een hardheidsclausule opgenomen. In totaal zijn 59 uitkeringen op basis van deze hardheidsclausule verstrekt (51 ambtshalve, 6 bevestigingsformulieren en 2 aanvragen).

4.

In hoeveel gevallen is uit «coulance» een positieve beslissing genomen?

Antwoord vraag 4:

Uit het oogpunt van coulance is bij het opstellen van de Backpayregeling in artikel 7 een hardheidsclausule opgenomen, zie verder mijn antwoord op vraag 3. «Coulance» is dus geen losstaande, buiten de regels vallende, mogelijkheid om voor een positieve beslissing in aanmerking te komen.

5.

Ziet u voor uzelf een rol weggelegd als het gaat om verbetering van de verhoudingen tussen het Indisch Platform en het Indisch Platform 2.0?

Antwoord vraag 5:

Uiteraard wijs ik partijen op het belang van samenwerking binnen de Indische gemeenschap. Ook heb ik onderzocht of mediation een mogelijkheid is. De standpunten van beide partijen liggen echter zover uit elkaar dat het op dit moment niet mogelijk lijkt nader tot elkaar te komen. Het is verder niet aan mij om onderlinge geschillen tussen maatschappelijke organisaties op te lossen.

6.

Wat gaat u doen nu het hoopvolle gevoel, dat veel mensen uit de Indische gemeenschap bij het introduceren van de Backpayregeling hadden, heeft plaatsgemaakt voor teleurstelling door de wijze waarop die regeling nu heeft uitgepakt?

Antwoord vraag 6:

Zoals ook uit de evaluatie van de uitvoering van regeling door Regioplan blijkt, heeft de teleurstelling bij een deel van de gemeenschap voornamelijk betrekking op het bereik van de Uitkeringsregeling (waaronder de gestelde datum van in leven zijn), waardoor weduwen en andere nabestaanden werden uitgesloten van de regeling en het feit dat de Uitkeringsregeling pas 70 jaar na de capitulatie van Japan werd ingesteld. Het vereiste van in leven zijn op 15 augustus 2015 is voorafgaand aan de publicatie in de Staatscourant met uw Kamer besproken en in de regeling zelf opgenomen.

Ik begrijp dat deze afbakening voor een deel van de gemeenschap leidt tot teleurstelling en een gevoel dat deze regeling geen of onvoldoende recht doet aan gevoelens die binnen de Indische gemeenschap leven. Voor vervolgstappen verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.

7.

Welke vervolgstappen (en op welke termijn) bent u voornemens te zetten in het kader van de Indische kwestie, of beschouwt u deze met de Backpayregeling nu als afgedaan?

Antwoord vraag 7:

In de brieven aan de Tweede Kamer (Kamerstukken 26 049 en 20 454, nr. 84 en Kamerstuk 20 454, nr. 126) is de collectieve erkenning van Indisch en Moluks Nederland beschreven als vervolgstap op de Regeling Backpay. Deze bestaat uit drie programma-lijnen, namelijk de inrichting van een centrale plek om te ontmoeten, te herinneren en ten toon te stellen (de Sophiahof), het herdenken (15 augustus) en de contextgebonden zorg voor de eerste generatie.

Aanvullend daarop heb ik besloten tot instelling van een regeling ter subsidiëring van cultuurhistorische activiteiten, educatie en welzijn van deze gemeenschappen (Kamerstuk 20 454, nr. 130). Het daarvoor beschikbare bedrag heb ik recent verhoogd tot € 1 miljoen in 2019 en 2020 (Kamerstuk 20 454, nr. 141). Hiermee is vormgegeven aan de ambitie om het Nederlands-Indische verleden te verankeren in de Nederlandse samenleving en aan te sluiten bij de verscheidenheid van de Nederlands-Indische doelgroepen en generaties.

De Indische kwestie is een voor sommigen zeer pijnlijke kwestie waarin te lang niets is gezegd of gedaan. Ik hecht eraan geen verkeerde verwachtingen te wekken bij deze doelgroep. Zowel de collectieve erkenning als de subsidieregeling zijn wat mij betreft het sluitstuk waarmee de Indische en Molukse geschiedenis wordt verankerd in de Nederlandse samenleving. Ik wil graag in gezamenlijkheid vooruitkijken.

8.

Waarom is de evaluatie van de Backpayregeling alleen gericht op de uitvoering van de regeling maar niet op de totstandkoming en de inhoud van de regeling? Waar en met wie is dit afgesproken en wanneer heeft de Kamer met deze inperking ingestemd?

Antwoord vraag 8:

Inhoudelijke keuzes in de regeling zijn uitvoerig in uw Kamer besproken alvorens de regeling is vastgesteld en gepubliceerd. De evaluatie van de regeling is primair gericht op de uitvoering waarbij de vraag centraal stond of alle rechthebbenden zijn bereikt. Ik heb deze evaluatie aangekondigd op 22 december 2017 (Kamerstuk 20 454, nr. 127) naar aanleiding van de gewijzigde motie van het lid Agema (Kamerstuk 34 775 XVI, nr. 115).

9.

Is met de Backpayregeling en de collectieve erkenning voor u de Indische kwestie afgesloten?

Antwoord vraag 9:

Zie het antwoord op vraag 7.

10.

Welk budget heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gekregen voor de uitvoering van de Backpayregeling en hoe verhoudt dit zich tot de totaal beschikbare middelen voor de regeling?

Antwoord vraag 10:

Het gereserveerde budget in 2016 voor de uitkeringen bedroeg € 20 miljoen incidenteel. Er is aan 594 rechthebbenden een uitkering verstrekt met een totaalbedrag van € 18,6 miljoen.

De middelen voor de SVB om de regeling uit te voeren zijn separaat gebudgetteerd. De SVB heeft € 0,8 miljoen ontvangen voor de uitvoering van deze regeling.

11.

Waarom is de collectieve erkenning gestart voordat deze in een algemeen overleg is besproken in de Kamer? Het sturen van een brief aan de Kamer over de erkenning is toch iets anders dan een bespreking van de plannen op basis waarvan de Kamer de plannen kan accorderen?

Antwoord vraag 11:

De Tweede Kamer is over de vormgeving en invulling van de collectieve erkenning geïnformeerd in de brieven d.d. 16 februari en 11 augustus 2017 (Kamerstukken 26 049 en 20 454, nr. 84 en Kamerstuk 20 454, nr. 126). Het staat uw Kamer vrij om naar aanleiding van brieven van het kabinet vragen te stellen of een Algemeen Overleg aan te vragen. Het is echter niet zo dat het beleid pas wordt uitgevoerd nadat er over is gedebatteerd. Tussen het verzenden van de brieven en het eerstvolgende Algemeen Overleg zaten respectievelijk 21 en 15 maanden.

12.

Waarom heeft u geen overdrachtsdossier ten aanzien van de Backpay-kwestie ontvangen van uw voorganger? Was het achteraf gezien niet handig geweest als u wel een dergelijk overdrachtsdossier had ontvangen?

Antwoord vraag 12:

Bij het aantreden van een nieuwe bewindspersoon wordt door het departement een introductiedossier gemaakt dat actuele thema’s benoemt en samenvat. De ambtenaren van VWS zorgen ervoor dat de historische kennis van dossiers, indien relevant, ook bij mij terecht komt. Ook over dit dossier ben ik kort na mijn aantreden geïnformeerd.

13.

Waarom gelooft u dat het opnieuw openstellen van de regeling enkel zal leiden tot aanvragen die moeten worden afgewezen?

Antwoord vraag 13:

De backpay regeling zou een jaar opengesteld worden van 25 december 2015 tot en met 31 december 2016. In overleg met het Indisch Platform en de SVB was afgesproken de regeling met een jaar te verlengen tot en met 31 december 2017. Met name om (potentiële) aanvragers uit het buitenland, die mogelijk niet allemaal van meet af aan in beeld waren bij de SVB, meer tijd te geven een aanvraag in te dienen en personen die in aanmerking konden komen op grond van het door de SVB in het eerste jaar geformuleerde beleid ten aanzien van anti-hardheidbeleid in staat te stellen aan te vragen.

Het jaar verlenging in 2017 leverde in totaal drie nieuwe aanvragen op die konden worden toegekend (2 uit het buitenland en 1 binnen Nederland), naast 243 aanvragen die moesten worden afgewezen – voornamelijk vanwege een overlijden voor 15 augustus 2015 of het ontbreken van een voor de regeling relevant dienstverband. Om uitvoering te geven aan de gewijzigde motie van het lid Agema (Kamerstuk 34 775 XVI, nr. 115) werden in 2018 nieuwe aanvragen beoordeeld alsof de regeling nog gewoon van kracht was. In deze laatste periode kwamen nog 69 nieuwe aanvragen binnen die echter niet tot een toekenning hebben geleid. Daarnaast heeft de SVB in 2017 nog een aantal zaken ambtshalve onderzocht die waren aangeleverd door de Stichting Vervolgingsslachtoffers Jappenkampen. Dit heeft nog geleid tot twee ambtshalve toekenningen. In totaal ging het dus in 2017 om vijf nieuwe zaken die tot een toekenning hebben geleid, drie op basis van een individuele aanvraag, twee op basis van ambtshalve onderzoek.

Bij het beantwoorden van deze vragen, heb ik geconstateerd dat ik de Kamer tot mijn spijt niet bij alle gelegenheden goed heb geïnformeerd. Mijn brieven van 29 juni en 6 en 7 september 2018 over dit onderwerp (Kamerstuk 20 454, nrs. 130, 131 en 132) beschrijven conform de feiten dat zich op het moment van schrijven geen nieuwe rechthebbenden hebben aangediend in 2018. Het antwoord op de vraag van uw Kamer hierover naar aanleiding van het jaarverslag van VWS over 2017 (verzonden op 15 juni 2018) is echter niet correct. Daar staat dat in januari 2017 nog één uitkering is toegekend, die is aangevraagd in 2016. Daar had moeten staan dat op het moment van schrijven twee in 2017 ingediende aanvragen waren toegekend en dat nog één aanvraag van een potentieel rechthebbende uit december 2017 in behandeling was. Vervolgens heb ik bij het AO op 8 november 2018/VAO op 11 december 2018 (Kamerstuk 20 454, nr. 140; Handelingen II 2018/19, nr. 34, item 27) in lijn met dit schriftelijke antwoord gezegd dat zich in 2017 geen nieuwe rechthebbenden hebben gemeld. Vanzelfsprekend betreur ik dat dit is gebeurd.

Terugkijkend op de afgelopen jaren kunnen we concluderen dat vijf nieuwe zaken uit 2017 (3 individuele aanvragen en 2 ambtshalve onderzoeken), hebben geleid tot een toekenning en geen enkele zaak die in 2018 is ingediend, kon worden toegekend. Op basis van die feiten blijf ik van mening dat het opnieuw openstellen van de mogelijkheid om aanvragen in te dienen binnen deze regeling vooral zal leiden tot nieuwe, onrealistische verwachtingen. Het voeden van verwachtingen bij deze kwetsbare groep, gezien de leeftijd en de geschiedenis die deze mensen met zich mee dragen, vind ik onwenselijk.

14.

U heeft een onderzoek gedaan naar de uitvoering van de Backpayregeling. Heeft u aan Regioplan de opdracht gegeven de Stichting Indisch Platform (oud) en de Stichting Indisch Platform 2.0 beide gelijk- en volwaardig te betrekken bij het onderzoek? Dat wil zeggen vanaf het moment van de onderhandelingen met Staatssecretaris Van Rijn in 2015 tot en met de totstandkoming van de collectieve erkenning, toen de partij Stichting Indisch Platform uit elkaar gevallen is en scheidende (2016) delegatieleden van de Stichting Indisch Platform 2.0 (in augustus 2017 opgericht) nog in functie handelden voor wat betreft de opvang van de Indische gemeenschap (zie IP-lijsten)? Met andere woorden heeft u aan beide partijen evenveel gewicht gegeven in uw opdracht zodat u een realistisch beeld van de uitvoering heeft kunnen laten schetsen ten behoeve van de Kamerleden?

Antwoord vraag 14:

Aan beide partijen is gevraagd om in de evaluatie hun reactie te geven. Daarbij heeft het onderzoeksbureau aan beide partijen evenveel gewicht gegeven.

De schriftelijke reactie van het IP2.0 op de regeling is verwerkt, o.a. op pagina 16 van de evaluatie van de Uitkeringsregeling Backpay.

15.

Wat heeft u concreet met de klachten van het Indisch Platform 2.0 gedaan nadat Regioplan deze met u besproken heeft (nadat IP2.0 u en de Kamerleden volledig heeft geïnformeerd over de gang van zaken ten aanzien van een uitvoerig gesprek tussen IP2.0 en Regioplan)? Heeft er daarna een wijziging in de opdracht plaatsgevonden?

Antwoord vraag 15:

De standpunten van het IP2.0 zijn verwerkt in de evaluatie. Er was geen reden de onderzoeksopdracht te wijzigen. Zie ook de antwoorden op vragen 8 en 14.

16.

U meldt dat het Indisch Platform 2.0 u en Regioplan verrast heeft met een journalist. U schetst hierin een vorm die door uzelf frequent gekozen is ten opzichte van de Kamer. Wat is daar in uw geval mis mee?

Antwoord vraag 16:

Ik heb aangegeven dat Regioplan het niet passend vond bij de fase van het onderzoek om onaangekondigd een journalist aanwezig te laten zijn. Op dat moment was het onderzoek nog niet afgerond en de Kamer nog niet geïnformeerd. Ik vind het belangrijk uw Kamer eerst te informeren voor de uitkomsten in de media verschijnen.

De stelling dat ik zelf frequent kies voor de aanwezigheid van een journalist bij een lopend onderzoek herken ik niet, ervan uitgaand dat ik hiermee dit deel van de vraag goed heb begrepen.

17.

Wat heeft u gedaan met de meldingen van het Indisch Platform 2.0 welke door hen overhandigd zijn aan Regioplan en aan de Kamerleden? Wat heeft Regioplan met deze informatie gedaan en waarom is deze niet opgenomen in het onderzoek?

Antwoord vraag 17:

Op pagina 16 van de evaluatie gaat Regioplan in op de meldingen die destijds door het IP2.0 aan de SVB zijn overhandigd.

18.

Bent u zich ervan bewust dat de Backpayregeling en -uitvoering heel gevoelig liggen, gezien de geschiedenis? De Minister-President verwijst in zijn speech van 15 augustus 2015 zelfs naar de papieren rompslomp waarmee hij in zijn bewoordingen bevestigt dat dit geen schoonheidsprijs verdient. Deze speech wordt door Staatssecretaris Van Rijn in diens brief van 3 november 2015 aan de Kamer beschreven. Hoe komt het dat u de 140 vragen op deze ambtelijke manier terugkoppelt, zonder reflectie van de nadelige effecten en de missers die er geweest zijn in de uitvoering door de instanties, onder andere Pelita en de SVB?

Antwoord vraag 18:

Ik ben mij zeer bewust van het feit dat de Backpay en de uitvoering ervan gevoelige kwesties zijn. Bij de beantwoording van vragen hierover streef ik altijd naar zorgvuldigheid. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie is vastgesteld dat de regeling goed is uitgevoerd en dat zoveel als mogelijk potentieel rechthebbenden zijn bereikt. Het beeld dat u schetst van missers in de uitvoering, wordt door de evaluatie niet bevestigd.

19.

U stelt in een van uw eerste optredens in de Kamer met betrekking tot de motie Agema inzake verlenging van de Backpayregeling: «Ik volg daarin het kabinet». Wat bedoelt u hiermee? Ligt hier een opdracht aan ten grondslag? En zo ja, welke? Zo nee, waarom heeft u deze opmerking gemaakt?

Antwoord vraag 19:

Tijdens de begrotingsbehandeling op 14 december 2017 (Handelingen II 2018/19, nr. 35, item 6) heb ik gereageerd op de motie van mevrouw Agema. Ik heb die motie ontraden. Na haar reactie daarop heb ik gezegd: «Ik heb het commentaar namens het kabinet gegeven en daar blijf ik bij».

20.

In de brief van 3 november 2015 (Kamerstuk 20 454, nr. 115) stelt uw ambtsvoorganger dat er «vooralsnog» geen openingen zijn om de Indische kwestie conform de eisen en onderhandelingen van het toenmalige voltallige delegatieteam van het Indisch Platform (inclusief de delegatieleden van IP2.0), en bestaande uit S. D., J. – de J. (SVJ, inmiddels overleden), J. – van W. (JES), A.- te M., P. S., T. L., A. – de P. en H. B. (inmiddels overleden) in te willigen. De initiator, de heer D., heeft een aantal delegatieleden, A.- te M. en P. S. (beiden later IP2.0), zonder motivatie uit hun functie ontheven en distantieert zich van de Backpay en het vervolg. Inmiddels is er nu een collectieve erkenning vlak na de Backpay in het leven geroepen. Impliceert dit dat u hiermee de Indische kwestie als afgesloten beschouwt? Wanneer kan het vervolg op de brief van 3 november 2015 worden verwacht zoals IP2.0 voortdurend aangeeft tijdens zijn gesprekken met u?

Antwoord vraag 20:

Zie het antwoord op vraag 7.

21.

Zijn er voor de Kamer nog nieuwe ontwikkelingen omtrent de 140 eerder gestelde vragen?

Antwoord vraag 21:

Zie antwoorden 1 en 2 voor actuele gegevens met betrekking tot de lopende en afgeronde procedures. Verder zijn er voor zover ik weet geen nieuwe ontwikkelingen.

22.

Hoe gaat u om met de tijdens de uitvoering van de Backpay gescheiden partijen (twee platforms)? Begrepen wordt dat het Indisch Platform 2.0 al vanaf de scheiding openstaat voor mediation en dat de voorzitter van het Indisch Platform (oud) heeft aangegeven géén mediation te willen aangaan. Wat gaat u hieraan doen in het belang van de doelgroep? Waarom zijn de Kamerleden niet betrokken bij dit overleg?

Antwoord vraag 22:

Zie het antwoord op vraag 5. Het staat Kamerleden vrij om contact te onderhouden met maatschappelijke organisaties.

23.

Stelt u naar aanleiding van de stem van de doelgroep via het meldpunt Indisch Platform 2.0 hen wel genoeg in de gelegenheid de werkelijke bevindingen binnen de doelgroep met u te bespreken?

Antwoord vraag 23:

Ik ben in gesprek met diverse gesprekspartners binnen de Indische gemeenschap. Daarbij voer ik ook gesprekken met IP 2.0.

24.

Bent u ervan op de hoogte dat de voorzitter van het Indisch Platform niet aan zijn eerder financieel aangegane verplichtingen voldoet?

Hoe kan het dan zijn dat u deze voorzitter betrekt bij financiële zaken rondom de pleisterplaats Sophiahof in Den Haag?

Antwoord vraag 24:

Ik ben bekend met het feit dat het Indisch Platform en IP 2.0 over verschillende zaken onenigheid hebben.

Dat staat los van het feit dat ik met het Indische Platform en andere Indische en Molukse partijen spreek over de Sophiahof.

25.

Kunt u de Kamer een overzicht van de uitgaven verschaffen van de reeds bestede subsidiegelden (verstrekt in 2017) voor genoemde pleisterplaats? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 25:

In 2017 is een subsidie van € 321.399 verleend voor de inrichting en faciliteiten van de Sophiahof. Dit is verdeeld in twee posten: huur en eenmalige kosten € 284.975 (waaronder huur € 93.750, overname inventaris € 90.000, makelaarskosten € 27.225 en overige eenmalige kosten) en beheer- en servicekosten € 36.424.

Het Indisch Herinneringscentrum is aangewezen als tijdelijke kwartiermaker voor de Sophiahof.

26.

Kunt u uw antwoord op vraag 1 van de 140 eerder gestelde vragen nader toelichten?

De vraag was: Waarom heeft Regioplan de totstandkoming en de inhoud van de regeling niet meegenomen in de evaluatie, waardoor niet de volledige Backpayregeling is geëvalueerd?

Uw antwoord was: Inhoudelijke keuzes in de regeling zijn uitvoerig in de Tweede Kamer besproken alvorens de regeling is gepubliceerd. De evaluatie van de regeling is primair gericht op de uitvoering waarbij de vraag of alle rechthebbenden zijn bereikt centraal stond.

Opmerking vanuit de Kamer: De regeling is niet uitvoerig besproken wegens het kerstreces.

Antwoord vraag 26:

In mijn antwoord op vraag 1 van de 140 eerder gestelde vragen doelde ik op de debatten met uw Kamer tijdens de Algemene Overleggen van 14 oktober en 10 december 2015 en op het Voortgezet Algemeen Overleg van 10 januari 2016. Tijdens die debatten zijn de regeling en de inhoudelijke keuzes daarin uitvoerig door mijn voorganger met uw Kamer besproken. De opmerking vanuit uw Kamer over het kerstreces kan ik in dit verband niet plaatsen.

27.

De door u beantwoorde 140 vragen en de behandeling daarvan in de Kamer heeft niet plaatsgevonden. De antwoorden bevatten onjuistheden, zijn niet volledig en onduidelijk. Bent u voornemens dit alsnog met spoed (in een debat) met Kamerleden te bespreken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 27:

De beantwoording van de 140 vragen (Kamerstuk 20 454, nr. 131) maakte deel uit van de convocatie van het Algemeen Overleg op 8 november 2018 (Kamerstuk 20 454, nr. 140). Het debat hierover heeft plaatsgevonden. Ik heb de 140 vragen zo volledig en duidelijk mogelijk proberen te beantwoorden.

Uw Kamer gaat uiteraard zelf over de planning van debatten in de Tweede Kamer.

28.

Het Indisch Platform 2.0 heeft aangegeven dat het onderzoek van Regioplan niet onafhankelijk is. Dit speelt ook bij verschillende ministeries. Een onderzoek hiernaar wordt gewenst. Kunt u aangeven wanneer u samen met alle partijen (Pleisterplaats stichtingen en IP2.0) een vergadering belegt waarin een en ander goed met een onafhankelijke partij wordt uitgezocht? Dit ook naar aanleiding van de WOB-procedure die is opgestart door IP2.0 en de transparantie naar de doelgroep zoals deze moreel gezien zou moeten zijn na meer dan 70 jaar.

Hoe ziet u hierop volgend uw verplichting naar de doelgroep naar aanleiding van de beloftes van voormalig Staatssecretaris Van Rijn en de Kamerleden?

Antwoord vraag 28:

Regioplan is een onafhankelijk onderzoeksbureau en heeft alle partijen in haar onderzoek betrokken. Ik zie geen aanleiding dit onderzoek ter discussie te stellen.

Zie voor verdere vervolgstappen het antwoord op vraag 7.

29.

Onlangs heeft er een openbare (online te bekijken) vergadering plaatsgevonden van het onderzoeksteam van «Dekolonisatie» bij het NIOD. Daarbij waren de genodigde van de Grauwe Eeuw en de heer P. die opkomt voor de belangen van de Indonesiërs. Partijen die de doelgroep van de Indische kwestie kenschetsen als oorlogsmisdadigers en kolonialen, waar nog een onderzoek naar loopt in verband met belastende uitspraken. Kunt u aangeven waarom de Kamer en IP2.0 hierover niet van tevoren zijn ingelicht? Dit in verband met de kwetsbare doelgroep en de nog laatst levenden van de oorlog(en) vallend onder de Indische kwestie. Bent u zich volledig bewust van de herbeleving van alle jaren in het gevecht van deze oude mensen? Wat gaat u hieraan doen? Wie betaalt en faciliteert deze vergadering? En van welk geld? De Backpay en de collectieve erkenning direct daarop volgend? Uw motivatie van de collectieve erkenning druist dwars tegen bovenstaande in en opent nog meer oude wonden. Wat is uw antwoord hierop?

Antwoord vraag 29:

Op 2 december 2016 maakte het toenmalig kabinet bekend dat er voldoende aanleiding is voor een breed opgezet onafhankelijk onderzoek naar de context van het geweldsgebruik in de periode van dekolonisatie van voormalig Nederlands Indië (Kamerstuk 26 049, nr. 82). Op 23 februari 2017 heeft het kabinet de onderzoeksopzet aan de Tweede Kamer gestuurd, uitgevoerd door NIOD, NIMH en KITLV, samen met de daarbij behorende begroting, gefinancierd door de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstuk 26 049, nr. 83).

Regelmatig worden vanuit dit onderzoek openbare seminars en publieke debatten georganiseerd over de deelprojecten en de voortgang. Het is niet aan mij, maar aan de genoemde organisaties om te bepalen wie daarbij wel of niet aanwezig mag zijn. Uiteraard heb ik begrip voor het feit dat het onderzoek zeer gevoelig ligt en bij de mensen die het betreft herinneringen oproept. Wel acht ik het van belang dat het onderzoek wordt uitgevoerd en meer inzicht geeft in en aandacht vraagt voor de periode van dekolonisatie.

30.

U heeft gesprekken gevoerd met mevrouw Van de L. – van B. Bij het eerste gesprek heeft u haar uitleg gegeven waarom u het standpunt volgt van de SVB. In het tweede gesprek stelt u dat u na nader onderzoek niets heeft gevonden en bij de opmerking van de zoon van mevrouw Van de L. – van B. dat de archieven in Australië liggen heeft u gesteld dat dit buiten uw reikwijdte ligt? Klopt dit? Zo ja, wat gaat u daaraan doen zodat er alsnog een goed onderzoek kan plaatsvinden? Zo nee, kunt u verklaren waarom u mevrouw Van de L. – van B. een tweede keer heeft gebeld? Wat heeft u toen inhoudelijk verteld?

Antwoord vraag 30:

Ik kan niet ingaan op de inhoud van individuele casuïstiek. Ik heb de zoon van deze mevrouw gebeld, omdat ik het van belang acht dat de familie op de hoogte werd gesteld van mijn beslissing en de bevindingen rondom de archieven.

31.

Heeft u tijdens het telefoongesprek met mevrouw Van de L. – van B. aangegeven uw discretionaire bevoegdheid niet te zullen gebruiken? Zo nee, waarom gebruikt u deze niet? Zo ja, waarom belt u haar persoonlijk op met zo'n teleurstellende mededeling?

Antwoord vraag 31:

Zie het antwoord op vraag 30.

Naar boven