Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201726049 nr. 82

26 049 Indonesië

Nr. 82 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN, VAN DEFENSIE EN STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 december 2016

Op 29 september 2016 verzocht u het kabinet te reageren op de studie van de Zwitserse onderzoeker dr. Rémy Limpach over gebruik van geweld in de periode 1945–1949 in toenmalig Nederlands-Indië. Deze brief beschrijft allereerst kort de voorgeschiedenis rondom publicaties en onderzoek over deze periode. Vervolgens wordt ingegaan op de inhoud van de studie en afsluitend wordt ingegaan op vervolgonderzoek.

Inleiding

De studie van dr. Limpach, getiteld «De brandende kampongs van Generaal Spoor», is de meest recente in een reeks van publicaties over de periode 1945–1949 in toenmalig Nederlands-Indië. Zoals op 14 augustus 2012 (Kamerstuk 26 049, nr. 74) gecommuniceerd, verwelkomt het kabinet dergelijke studies, omdat een zo volledig mogelijk beeld van het verleden van groot belang is. Dit geldt in het bijzonder voor de periodes in de nationale geschiedenis die tot op de dag van vandaag in de actualiteit staan. De dekolonisatieperiode is sinds begin jaren vijftig onderwerp van het maatschappelijke debat in binnen- en buitenland.

Eind januari 1969 gaf het toenmalige kabinet onder leiding van premier De Jong opdracht tot een onderzoek. Dit onderzoek, ook wel bekend als «de Excessennota», werd in maart 1969 voltooid en in juni 1969 naar de Tweede Kamer gezonden. In de aanbiedingsbrief bij de nota betreurde het kabinet De Jong dat zich excessen hadden voorgedaan, maar stelde het kabinet tevens vast «... dat de krijgsmacht als geheel zich in Indonesië correct heeft gedragen. De verzamelde gegevens bevestigen, dat van systematische wreedheid geen sprake is geweest.1» Hierbij maakte het kabinet een voorbehoud voor de Zuid-Celebesaffaire en de wijze waarop inlichtingen werden verzameld. Het kabinet gaf een vervolgopdracht voor nader onderzoek. Dit kreeg vorm in een omvangrijke, meerjarige bronnenpublicatie van beleidsdocumenten met de titel «Officiële bescheiden betreffende de Nederlands Indonesische betrekkingen 1945–1950» (20 delen)2.

Voorts verscheen in de jaren tachtig de serie «Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog» van professor dr. L. de Jong over een deel van de betreffende periode. Mede naar aanleiding van bij de Staat ingediende claims van Indonesische slachtoffers van geweld door de Nederlandse krijgsmacht in Nederlands-Indië, zijn er ook studies verricht naar het geweldsgebruik in Zuid-Sulawesi en is er onderzoek gedaan naar geweldsgebruik in Rawagadeh.

Het maatschappelijke debat is sinds 2009 ook in de rechtszaal voortgezet. In 2011 wees de rechtbank Den Haag claims van weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies in Rawagedeh toe. In 2013 stelde het kabinet een tijdelijke regeling vast voor de schadevergoeding aan weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies. Deze regeling is in 2015 met twee jaar verlengd. Voorts gaf het kabinet het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in augustus 2016 toestemming om de gegevens over 350 onderzochte geweldsincidenten voor lopende rechtszaken openbaar te maken.

Beoordeling van de inhoud van de studie van Limpach

De studie van dr. Limpach is een uitvoerig onderzoek naar het gebruik van extreem geweld door militairen van diverse zijden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog van 1945 tot 1949. Het boek beschrijft schokkende vormen van extreem geweld waaronder marteling en standrechtelijke executies van gevangenen. In 2005 heeft Minister Bot namens de Nederlandse regering spijt betuigd voor de vele mensen die zijn omgekomen of gewond zijn geraakt in deze periode en toen is onderkend dat de scheiding tussen Indonesië en Nederland gepaard ging met meer geweld en langer heeft geduurd dan nodig was geweest. Minister Koenders sprak op 25 maart 2016 in Rawagedeh met nabestaanden van slachtoffers van de standrechtelijke executies. Hij bood namens de Nederlandse regering excuses aan voor de executies. Op 23 november 2016 verwees ook Minister-President Rutte in zijn toespraak tot het Indonesische parlement naar de pijnlijke scheiding die volgde op het einde van de Tweede Wereldoorlog.

De studie van dr. Limpach sluit voor een belangrijk deel aan bij feiten die ook in voorgaande publicaties zijn beschreven, maar het onderzoek bevat ook nieuwe feiten. Dr. Limpach gaat ook in op de context van het conflict. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog, de (te) ambitieuze doelstellingen van de Nederlandse autoriteiten, het beperkt aantal troepen, het eenzijdige vijandsbeeld, de wetteloosheid in grote delen van het land en het geweld tegen Nederlanders na de Japanse capitulatie zijn voorbeelden van factoren die een rol speelden bij het gebruik van extreem geweld. De studie stelt dat het extreem geweldsgebruik door de Nederlandse krijgsmacht een structureel karakter had. Tegelijkertijd constateert dr. Limpach dat het merendeel van de Nederlandse militairen zich niet schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van extreem geweld.

De studie van dr. Limpach is een zeer waardevolle aanvulling op de reeds bestaande publicaties. Het onderzoek stelt dat de structuur van de politieke, militaire en justitiële top extreem geweld in de hand werkte of ten minste toeliet. Dat de analyse van dr. Limpach verder gaat dan die van de Excessennota uit 1969 is mede verklaarbaar door de gehanteerde kaders. De Excessennota kwam tot stand na een bronneninventarisatie van slechts enkele maanden en had niet de pretentie alomvattend te zijn. De aard en opzet van het onderzoek van dr. Limpach is wezenlijk anders. In de periode tussen 1969 en 2016 verschenen bovendien tal van nieuwe studies met nieuwe inzichten en maakt de geschiedschrijving zelf een ontwikkeling door. Ook veranderde het (politieke) denken over de dekolonisatieperiode, mede in het licht van publicaties over andere conflicten en oorlogen met daarin aandacht voor individuele misdragingen en structureel geweld.

Veteranen

Het kabinet bevestigt de waardering voor alle oud-militairen die in opdracht van de Nederlandse regering zijn uitgezonden naar conflictgebieden en wil nogmaals onderstrepen dat een belangrijke conclusie van dr. Limpach is dat het merendeel van de Nederlandse militairen niet betrokken was bij extreme gewelddaden.

De Indië veteranen hebben inmiddels een hoge leeftijd bereikt. Het kabinet realiseert zich dat negatieve berichtgeving over het optreden van Nederlandse strijdkrachten in Nederlands-Indië onmiskenbaar impact heeft op hun welzijn. Mede daarom heeft het kabinet een aantal veteranen en veteranenorganisaties via de Inspecteur Generaal der Krijgsmacht (IGK) geïnformeerd over de studie van dr. Limpach voorafgaand aan publicatie. Tijdens een bijeenkomst bij de IGK op 28 september jl. is tevens stilgestaan bij de kabinetsreactie en bleek dat de emoties diep zijn en vlak aan de oppervlakte liggen. Op 28 november jl. is tijdens een vervolgbijeenkomst gesproken over een eventueel vervolgonderzoek door wetenschappelijke instellingen.

Indonesië

Zoals eerder aan uw Kamer gecommuniceerd, is er een periode aangebroken waarin Nederland en Indonesië intensief samenwerken om de toekomstgerichte relatie tussen de beide regeringen, het bedrijfsleven en burgers, onderling nader vorm te geven. Het uitgangspunt hierbij is een verdere verdieping van de relatie tussen beide landen. Minister-President Rutte bevestigde deze toekomstgerichte koers tijdens zijn bezoek aan Indonesië van 21–23 november in gesprekken met president Widodo en leden van zijn regering, tegenover het bedrijfsleven en in zijn toespraak tot het Indonesische parlement. Voorts hecht het kabinet ook veel waarde aan goede communicatie met Indonesië over de dekolonisatieperiode en de wijze waarop dit onderwerp leeft in Nederlandse media en de politiek en leidt tot maatschappelijke discussie. Het kabinet heeft de Indonesische autoriteiten voorafgaand aan de publicatie geïnformeerd over de studie van dr. Limpach en heeft de autoriteiten ook verder op de hoogte gehouden van de discussie. Tijdens het bezoek van Minister-President Rutte is het onderwerp opnieuw besproken met president Widodo. Vooralsnog heeft noch de publicatie van de studie van dr. Limpach, noch de initiële Nederlandse kabinetsreactie, geleid tot enige publiciteit in Indonesië.

Nader onderzoek

Tijdens zijn bezoek aan Jakarta in augustus 2005 stelde toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken Bot namens de Nederlandse regering «In retrospect, it is clear that its large-scale deployment of military force in 1947 put the Netherlands on the wrong side of history» en ook Minister Koenders benadrukte in maart 2016 in Indonesië «If a society wants to go into the future with its eyes open, it must also have the courage to confront the dark pages of its own history». Meest recent refereerde premier Rutte naar deze periode in zijn toespraak voor leden van het Indonesische parlement op 23 november 2016. De aanhoudende reeks van publicaties en lopende rechtszaken over de periode 1945–1949, markeert een blijvende worsteling met dit verleden.

De maatschappelijke ontwikkelingen sinds het onderzoek uit 1969 en de toegenomen publicaties, rechtszaken en onderzoeken sinds 2012, zoals het onderzoek van dr. Limpach, over de toepassing van geweld tijdens de dekolonisatieperiode en het door de rechtbank Den Haag gelaste onderzoek in Indonesië door professor Robert Cribb creëren een nieuwe, eigen dynamiek. Deze dynamiek, oordeelt het kabinet, vraagt om een heroverweging van een overheidsrol bij aanvullend onderzoek naar de periode 1945–1949. Het onderwerp is zowel relevant voor de discussie in Nederland als voor de vormgeving van buitenlands beleid. Dit vraagt om een open houding ten opzichte van ons verleden. Een onderzoek stelt ons in staat om deze periode beter te duiden, vragen te beantwoorden en lessen uit het verleden toe te passen in het huidige en toekomstige beleid. Betrokkenheid van het kabinet bij een onafhankelijk onderzoek bevat een erkenning van de maatschappelijke relevantie van dit onderwerp.

Het kabinet realiseert zich dat een vervolgonderzoek pijn zal kunnen veroorzaken bij de groep Indië veteranen, maar acht het van belang dat een nader onderzoek juist ook aandacht geeft aan de moeilijke context waarin Nederlandse militairen moesten opereren, het geweld van Indonesische zijde, de inzet waarbij geweld geen of nauwelijks een rol speelde en de verantwoordelijkheid van de politieke, bestuurlijke en militaire leiding. Daarnaast zal een onderzoek tevens in moeten gaan op het leed van slachtoffers en nabestaanden van de «Bersiap», een periode gekenmerkt door een gezagsvacuüm waarin vele slachtoffers vielen onder diverse bevolkingsgroepen, die weinig erkenning kregen in onderzoek en publicaties.

Alles afwegende concludeert het kabinet dat er inmiddels, en in tegenstelling tot het eerder genomen besluit, voldoende aanleiding is voor een breed opgezet onderzoek naar de context van het geweldsgebruik en de periode van dekolonisatie.

Een dergelijk onderzoek dient zich niet te beperken tot de geweldspleging door alle partijen waar veel deelstudies zich op richten, doch nadrukkelijk in te gaan op de brede context van de naoorlogse dekolonisatie (inclusief samenleving) en het politiek, bestuurlijk, justitieel en militair optreden in 1945–1949 in voormalig Nederlands-Indië /Indonesië, zowel vanuit Haags als vanuit lokaal perspectief. Het is belangrijk dat een vervolgonderzoek een integrale benadering hanteert en dieper ingaat op zaken die aan bod zijn gekomen in de studie van dr. Limpach. De geweldsspiraal tijdens de zogenaamde «Bersiap» zal in een onderzoek worden betrokken. Ook de politieke besluitvorming in Den Haag over de dekolonisatie, de brede steun in Nederland voor het behoud van de relatie met Nederlands-Indië/Indonesië en de uitzending en het optreden van de Nederlandse militairen, de beperkte informatievoorziening, als ook de nasleep na 1949 en de veteranenzorg, verdienen nader onderzoek.

Waar mogelijk wordt samenwerking gezocht met partners in het buitenland, zoals Indonesië, het Verenigd Koninkrijk, Japan, Australië en de Verenigde Staten. Verder moeten belanghebbenden de gelegenheid krijgen informatie aan te reiken, waar gewenst in de vorm van interviews met betrokkenen die dat wensen, inclusief veteranen, en via het ter beschikking stellen van brondocumenten. Een dergelijk onderzoek zal naar verwachting een aantal jaren in beslag nemen.

De onderzoeksinstituten Koninklijk Instituut voor Taal-, Land en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) willen een dergelijk onderzoek gaan uitvoeren. Het kabinet is bereid hier een financiële bijdrage aan te verlenen waar deze aansluit bij het bovengenoemde kader.

We zullen uw Kamer informeren over de onderzoeksopzet en de kosten van het onderzoek.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Tweede Kamer 1968–1969, Kamerstuk 10 008, nr. 3. De Excessennota: Nota betreffende het archiefonderzoek naar de gegevens omtrent excessen in Indonesië begaan door Nederlandse militairen in de periode 1945–1950.

X Noot
2

Officiële Bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945–1950, 20 delen samengesteld door S.L. van der Wal (1978), P.J. Drooglever en M.J.B. Schouten (Den Haag 1971–1996).