24 Food and Feed Safety Simplification Omnibus

Food and Feed Safety Simplification Omnibus

Aan de orde is het debat over de Food and Feed Safety Simplification Omnibus.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de Food and Feed Safety Simplification Omnibus. Ik heet de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in vak K van harte welkom, net als de elf sprekers van de Kamer. Ik stel voor interrupties niet te maximeren; wel mogen ze maximaal in drie keer. Laten we het een beetje kort en bondig houden, want dan kunnen we een goed en vruchtbaar debat met elkaar voeren. De eerste spreker van de Kamer is lid Kostić van de fractie van de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter. Ik heb een dochter van 1. Zij is dol op appels, zoals deze in mijn hand. Als ik haar een appel geef, wil ik zeker weten dat zij niet ziek wordt van de stoffen die erop worden gespoten. Daar gaat het debat vandaag over. Er wordt landbouwgif gevonden in de urine en luiers van Nederlandse baby's. Er is steeds meer bewijs voor de relatie tussen landbouwgif en de ziekte van Parkinson. Heel veel mensen hebben nu al zorgen over wat er allemaal over hun appels of andere eten wordt gespoten. Waterbedrijven zeggen dat er steeds meer schadelijke stoffen in ons grondwater terechtkomen. Het is steeds duurder om dat te reinigen en uiteindelijk betaalt de belastingbetaler dat.

Wat nu nodig is, is betere bescherming tegen landbouwgif; we hebben al helemaal geen verslechtering nodig. Onder het mom van een versimpeling van regels komt de Europese Commissie met een voorstel dat de bescherming verslechtert. Dat blijkt ook uit de vernietigende wetenschapstoets over het voorstel. Ik citeer: "Wij concluderen dat de voorstellen zoals gepresenteerd niet zullen leiden tot het behalen van de gestelde doelen. We zien niet dat de regelgeving zal versimpelen, en ook niet dat de plannen zullen leiden tot vermindering van administratieve lasten. De plannen zullen niet leiden tot een gelijk speelveld en zullen niet leiden tot versnelde innovaties en toelatingen. Ten slotte is onze inschatting dat de plannen niet zullen leiden tot een betere bescherming van mens en milieu tegen negatieve effecten van het gebruik van bestrijdingsmiddelen." Het voorstel van Brussel in de huidige vorm gaat dus zorgen voor minder bescherming van de gezondheid van Nederlanders, ons water en onze bijen, en zorgt waarschijnlijk voor meer kosten voor de belastingbetaler. Dat zouden links en rechts in deze Kamer niet moeten willen. De vraag die overblijft is: waarom zou je in hemelsnaam op extreme snelheid zonder fatsoenlijk proces de hele regelgeving willen aanpassen, als het uiteindelijke resultaat achteruitgang betekent?

De heer Flach (SGP):

Ik aarzelde om het te doen, want ik heb het al heel vaak gedaan, maar woorden doen ertoe. Ik weet dat er ook mensen zijn die het geloven. Door stelselmatig het woord "landbouwgif" te gebruiken, geven we mensen een angstgevoel dat nergens op gebaseerd is. Waar komt bij collega Kostić toch de fictie vandaan dat er fruittelers zijn die 's morgens met een tank met gif hun producten, hun fruit, besproeien? Het is simpelweg gewasbescherming. De andere fictie is dat we zonder gewasbescherming evenveel groenten en fruit zouden hebben. Kan lid Kostić daar een keer een reflectie op geven?

Kamerlid Kostić (PvdD):

Het is het goed recht van mijn collega van de SGP om hier naar de interruptiemicrofoon te lopen voor dit betoog. Ik had het over bescherming van de gezondheid van mijn kind, van kinderen in Nederland. Die zorgen leven in Nederland. Dat komt niet door wat wij zeggen, maar door wat wetenschappers zeggen. Die zorgen zijn terecht. Ik vind het opvallend dat de SGP dan naar de interruptiemicrofoon loopt om mij de les te lezen over welke woorden ik wel of niet gebruik, terwijl ze blijft zwijgen of zelfs de woorden herhaalt als het gaat om het wegzetten van mensen die hier veiligheid en asiel komen zoeken. Als er gediscrimineerd wordt in deze Kamer, zie ik de SGP nooit naar de interruptiemicrofoon lopen. Nogmaals, het is uw goed recht, maar waar ik het over heb … We kunnen van mening verschillen over de termen. Gewasbescherming is echt een frame vanuit de industrie. Als je het neutraal wil houden, heb het dan over bestrijdingsmiddelen. Maar landbouwgif is giftig voor planten, voor beestjes, voor onszelf en voor de bodem. Daar moeten we niet omheen draaien. U mag uw eigen woorden kiezen.

De heer Flach (SGP):

Ik wou discriminatie en vluchtelingen en dergelijke erbuiten laten. Het gaat hier over gewasbescherming. Daar had ik een vraag over. Is het lid Kostić bekend dat fruittelers ook gewoon mensen zijn die om hun eigen gezondheid geven, die kinderen hebben die ze willen beschermen en die echt niet elke dag opstaan en een tank met gif leegspuiten op ons prachtige Nederlandse fruit? Moeten we niet een keer stoppen met dit soort angstaanjagende teksten, terwijl mensen gewoon gebruikmaken van gewasbeschermingsmiddelen die volledig zijn toegestaan binnen Europese en nationale regelgeving, omdat het fruit anders wordt opgevreten door insecten?

Kamerlid Kostić (PvdD):

Die middelen zijn gif, dat ervoor zorgt dat diertjes afsterven en dat water wordt aangetast, waarvoor de belastingbetaler betaalt. Dat gaat ook om uw kiezer, zeg ik via de voorzitter. Ik wil de woorden die de SGP hier in mijn mond probeert te plaatsen verre van mij werpen. Ik had het helemaal niet over gifspuitende boeren en elke dag dit en dat. Ik heb gewoon het beestje bij de naam genoemd. Landbouwgif is giftig. Gif is landbouwgif. De boeren hebben hier geen schuld aan. Laat ik dat aangeven. Zij zitten vast in een systeem van moordende wereldwijde concurrentie en zijn gedwongen om hierin vast te zitten. Wij willen ze juist helpen om over te schakelen naar gifvrije landbouw. Dat is wat we willen. We geven niet de boeren de schuld; we geven de politiek die jarenlang heeft weggekeken de schuld. Nogmaals, ik heb het voorbeeld genoemd. Ik ben benieuwd naar het antwoord van de SGP. Hoe kan het dat er in Europa tegen mensen die gezondheid, natuur en sociale zekerheid beter willen beschermen, wordt gezegd: "nou jongens, jullie kennen het; politiek duurt lang, dus wacht nog een paar decennia"? Maar als het gaat om de lobby voor landbouwgifbelangen, voor commerciële belangen, om het neutraler te benoemen, dan kan het allemaal opeens in volle vaart erdoorheen worden geduwd.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Flach (SGP):

Ik geef het op. Collega Kostić zit gevangen in een zelfbedacht angstverhaal, dat echt geen recht doet aan alle fruittelers die gewetensvol proberen om een goed en vers product op tafel te krijgen, dat geen recht doet aan het Ctgb, dat die middelen heeft beoordeeld, en dat geen recht doet aan wetgevers, controleurs en iedereen die daar op een verantwoorde manier mee bezig is. Ik zeg het nog één keer: stop hiermee. Ik stop er nu ook mee.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik vind het zo jammer dat het lijkt alsof mijn collega niet luistert. Dit heeft hij waarschijnlijk van tevoren voorbereid en nu kan het weer lekker online worden gezet. Nogmaals, ik werp de bewering dat wij zouden vinden dat de boeren iets slechts doen verre van mij. De meeste boeren doen gewoon hun best, maar ze zijn een verkeerd systeem ingeduwd. Wij willen ze eruit krijgen. Voor ons staat de gezondheid van mens, dier en milieu altijd voorop. Met "mens" bedoelen we ook de boeren. Dat is de absolute ondergrens. Daarin zou ik de SGP toch aan mijn zijde moeten vinden.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Het maakt mij niet zo heel veel uit hoe we het noemen. Heel veel stoffen zijn giftig, ook koffie. Als je daar maar genoeg van neemt, is dat ook niet goed voor je. Ik wil het even over appels hebben. We hebben een hele mooie technische briefing gehad, waarin onder anderen neuroloog Bloem aanwezig was. Volgens mij zei hij dat je veel beter elke dag een appel kunt eten. Dat is veel gezonder en veel minder schadelijk dan wanneer je die appel niet eet. Het lid Kostić legt hier een beetje het frame neer dat die appel niet veilig is. Zou daar nog even op ingegaan kunnen worden? Want dat kan toch niet de intentie zijn van dit debat.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik vind de bijdrage van mijn collega van de VVD mooi. Het is goed om dat met elkaar scherp te hebben. Wat wetenschappers steeds meer zeggen … Deze ene appel gaat je geen kwaad doen. Ik geef ze ook aan mijn dochter. Dat zijn dan wel biologische appels, maar goed, die kan niet iedereen betalen. Je wilt voor iedereen een biologische appel, want dan weet je zeker dat het goed zit. Nogmaals, ook als er heel veel gif op één appel zit, ga je daar niet meteen dood aan. Het gaat om de stapeling. Op meerdere groente en fruit, die je door je hele leven eet, zitten landbouwgifstoffen, die je ook inademt en die uiteindelijk tot grote problemen kunnen leiden. Denk aan de ontwikkeling van kinderen. Het kan leiden tot parkinson. We moeten daar gewoon alert op zijn. Nogmaals, de Partij voor de Dieren vindt dat je uit voorzorg al moet optreden als daar grote twijfel over is. Dat gun ik iedereen in dit land.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat is een helder antwoord. Ik heb daar in die zin ook wel vrede mee, maar alles waar je te veel van eet, is niet goed. Een appel is gewoon gezond. Ik wil absoluut dat het helder wordt dat een appel eten gewoon gezond is.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ja, zeker. Het is beter dan vlees; dat klopt.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Vlees past ook gewoon in een gebalanceerd eetpatroon.

De voorzitter:

Ja, die opmerking had u kunnen verwachten, lid Kostić.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Het maakt mij wél uit hoe iets genoemd wordt. Het maakt mij heel veel uit. Door het steeds over gif te hebben, ben je gewoon bezig met angstzaaierij onder de bevolking. Of iets giftig is, heeft te maken met de dosis. Bij een bepaalde dosis is iets pas giftig. Als ik 60 koppen zwarte koffie achter elkaar drink, haal ik het einde van de dag niet. We moeten gewoon heel voorzichtig zijn met dat soort dingen zeggen, omdat het ertoe kan leiden dat mensen inderdaad bijvoorbeeld minder appels gaan eten. Maar mijn vraag aan mevrouw Kostić …

De voorzitter:

"Het lid Kostić."

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Sorry, het lid Kostić. Weet het lid Kostić hoeveel mensen er tussen 1845 en 1850 zijn doodgegaan in Ierland vanwege misoogsten door een aardappelziekte in een tijd waarin er nog geen gewasbeschermingsmiddelen waren?

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik ga niet meedoen aan dit soort quizjes. De vraag had een vraag. We hebben het hier over de bescherming van de gezondheid van mens, dier en milieu. Als we het hebben over voedselzekerheid, is juist die bescherming van de gezondheid van mens, dier en milieu belangrijk. We hebben te maken met bijen en andere bestuivers die in rap tempo uitsterven. Dat is zorgwekkend. Zij zijn cruciaal voor het meeste voedsel dat we verbouwen. Daar heeft mevrouw Van der Plas het nooit over, maar ze komt wel met dit soort quizjes naar mij toe. Dat ga ik niet accepteren. Het spijt me, maar daar ga ik niet aan meedoen. Dan stel ik de vraag terug: wat vindt u ervan dat bestuivers, die we keihard nodig hebben voor de voedselvoorziening, aan het uitsterven zijn, mede door het te veel gebruiken van landbouwgif? Nogmaals, dat komt niet doordat de boeren daar schuldig aan zijn, maar door slechte regelgeving.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik stel hier de vragen, volgens mij.

Kamerlid Kostić (PvdD):

En ik ga over de antwoorden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Als het lid Kostić straks een vraag aan mij wil stellen, dan kan dat. Ik ga daar nu niet op antwoorden.

Het gaat om 1 miljoen mensen. Er zijn in Ierland 1 miljoen mensen gestorven vanwege de aardappelziekte, de fytoftora. Dat was in een tijd waarin er geen gewasbeschermingsmiddelen waren. Het zijn niet eens mensen die direct aan de honger zijn gestorven. Mensen zijn ook gestorven aan de gevolgen van honger, bijvoorbeeld aan tyfus en dysenterie. 1 miljoen mensen! Dat is compleet maatschappij-ontwrichtend geweest. Wat ik hiermee wil zeggen, is dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wereldwijd in de afgelopen decennia meer levens heeft gered dan het heeft gekost. Ik vind dat we dat verhaal ook moeten vertellen, los van het feit dat we kunnen zeggen dat we het goed moeten nakijken en dat we naar de regelgeving moeten kijken. De boeren willen dat ook. Maar dat zijn de cijfers: er zijn 1 miljoen mensen gestorven aan hongersnood en de gevolgen van hongersnood, doordat er geen gewasbeschermingsmiddelen waren.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ten eerste: ik ga daar niet op in. Historisch klopt dit gewoon niet. Wat ik wel wil benadrukken richting de BBB, is het volgende: BoerBurgerBeweging, denk nou ook een keer aan die burgers. Denk ook aan de boeren, overigens. Doe dat in samenhang en kijk wat wetenschappers zeggen over specifiek dit wetsvoorstel uit Europa, dat ze in rap tempo door onze neus proberen te boren. Er wordt daarin niet eens geborgd dat het huidige beschermingsniveau wordt gehandhaafd. Dat wordt niet eens geborgd. Er is dus sprake van verslechtering. We gaan daar weer lekker belastinggeld inpompen. De belastingbetaler gaat daar weer voor betalen: voor vervuilder water en de kosten voor de gezondheid. Ik snap het echt oprecht niet. Ik snap echt niet dat de BBB daarmee akkoord gaat.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Wij kijken gewoon naar een realistisch beleid. Ook fruittelers zijn heel erg bezig met andere middelen. Ze zijn bezig met het inzetten van biologische gewasbeschermingsmiddelen, maar bijvoorbeeld ook met het gebruik van insecten om bepaalde andere insecten uit de boomgaard te houden. Ik vind dat lid Kostić echt wel aan angstzaaierij doet, want het lid Kostić zegt net: "Ik zeg dat niet van alle boeren, elk gif en elke dag." Maar nog niet zo lang geleden heeft het lid Kostić hier gestaan en gewoon gezegd dat het gif tegen de ramen op klotst in Noord-Holland. Dat is angstzaaierij. Het lid Kostić gaat natuurlijk over haar eigen woorden, maar ik wil vragen om daar toch ook eens een keer een nuance in aan te brengen. Heel veel mensen worden nu namelijk gewoon bang als ze al een machine op het land zien rijden, los van wat die machine doet.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Wat ik zo vervelend vind, is dat mevrouw Van der Plas hier steeds zo'n ophitspolitiek probeert te voeren door mij allemaal woorden in de mond te leggen die ik niet heb uitgesproken. Ik vind dat gewoon jammer. Laten we elkaar een keer vinden in de bescherming van boeren en andere burgers en in het ervoor zorgen dat boeren ook kunnen blijven boeren. Zonder die bestuivers, zonder die bijen, komt het namelijk ook niet goed. Als het gaat om problemen oplossen, wat de Omnibus zegt te willen doen, dan doet die dat in dit geval niet. Als je dus wilt dat die processen rondom de herbeoordeling van middelen worden versneld, dan heb ik hier een plan voor hoe je dat wel op een effectieve wijze kan doen. Dat wil ik straks even aan de staatssecretaris geven, maar dat wil ik ook best aan de BBB presenteren. Oplossingsgericht dus, maar we gaan gewoon niet akkoord met broddelwerk dat Brussel ons door de neus probeert te duwen. Daar ga ik gewoon niet mee akkoord.

De voorzitter:

De heer Goudzwaard. Ik wijs er ook op dat we het over de Omnibus hebben vandaag. Laten we het daar dan ook over hebben, want dat is het onderwerp van het debat. Meneer Goudzwaard.

De heer Goudzwaard (JA21):

Ik probeer hem toch wat milder aan te vliegen dan wat andere collega's van de rechterflank wellicht deden. Het zou mooi zijn als we elkaar kunnen vinden. Dat kunnen we proberen. Wat ik van lid Kostić hoor, is dat zij vooral zegt: mijn kant van het verhaal is de juiste kant van het verhaal; dat is namelijk de EU-wetenschapstoets. Maar we hebben allemaal vreselijk veel stukken gelezen. We hebben de Europese Commissie, waar allerlei experts zitten die behoorlijk wat rapporten hebben aangeleverd. We hebben het Ctgb, als zelfstandig bestuursorgaan. We hebben allerlei stakeholders, zoals de LTO. Ga zo maar door. Wat maakt nu dus dat het lid Kostić zegt: ja, maar deze paper die ik er nu uithaal, weet precies hoe het zit?

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dan ga ik dat inderdaad schetsen. De wetenschapstoets is duidelijk. Het Ctgb kan ook niet bevestigen dat dit leidt tot verbetering of hetzelfde beschermingsniveau. Daar zijn flink wat aanpassingen voor nodig. Zelfs het kabinet bevestigt dat in het BNC-fiche. Maar het wordt ook bevestigd door internationale wetenschappers. De Europese Ombudsman heeft over het proces, die versnelling, al echt een vernietigend oordeel geveld. Bij de rondetafel waren alle experts het ook daarmee eens, hè. Het was alleen maar de industrie aan tafel die daar andere gedachten bij had. Tegen die mensen, die oprecht verbetering willen op de punten waar zorgen over zijn, zeg ik nogmaals: daar zijn effectieve oplossingen voor. Wat er nu voorligt … Ik hoop toch dat JA21 dat ook ziet. Anders hoor ik graag een bron en hoor ik graag op basis van welke wetenschappers JA21 zegt dat dit een geweldig voorstel is dat al deze genoemde problemen gaat oplossen.

De heer Goudzwaard (JA21):

Om daar toch even op te reageren: het is niet zo alsof er geen enkele expertise aanwezig is bij een instantie zoals het Ctgb. Daar zitten ook allerlei experts in.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Zeker, ja.

De heer Goudzwaard (JA21):

Natuurlijk was ik ook aanwezig bij het rondetafelgesprek en heb ik dat meermaals teruggekeken. Ik hoop dat lid Kostić in het vervolg van haar betoog toch wat meer probeert om met een handreiking te komen, ook richting die andere belanghebbenden, die andere wetenschappers, die andere experts om te laten zien …

Kamerlid Kostić (PvdD):

Welke?

De voorzitter:

Niet door elkaar heen spreken.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Oké, ik wil het gewoon weten.

De voorzitter:

Nee, nee, nee, nee, nee.

De heer Goudzwaard (JA21):

Ik wil gewoon even het hele verhaal rondkrijgen waar lid Kostić haar mening op heeft gebaseerd. Daar ben ik gewoon heel erg nieuwsgierig naar. Dat hoor ik vast in het vervolg van haar betoog.

De voorzitter:

Lid Kostić, kort. En dan vervolgt u uw betoog.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik zei het net. De Kamer heeft een wetenschapstoets aangevraagd. Universiteit Leiden, Wageningen, die vragen we wel vaker. Die kent JA21 ook. Die omarmen ze ook. Ook het Ctgb, maar ook, nogmaals, het kabinet, en internationale wetenschappers zeggen: "Dit is niet goed op deze manier. Dit gaat niet zorgen voor bescherming van gezondheid. Daar moet nog echt flink werk aan gebeuren." Ik hoor niet van JA21 welke andere wetenschappers dan iets anders zouden zeggen. Het is goed voorbereid, maar ik hoor het toch net niet.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dat is niet helemaal waar, want ik heb meermaals die expertsessies teruggekeken. Dan zijn het ook heel vaak de wetenschappers zelf die aankaarten en heel duidelijk zeggen: wij verwachten dat iets nadelig gaat uitpakken; dat is helemaal niet honderd procent gestaafd. Wat u zegt, is echt niet waar. Volgens mij weet u zelf ook wel dat u dat aan het doen bent.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik vind het jammer. Ik doe hier de handreiking, ook richting mijn collega van JA21, en doe heel erg mijn best om hier een gezamenlijke grond in te vinden. Die hoop ik te vinden in gezondheid, die we iedereen gunnen. Nogmaals, het is consensus. Iedereen hangt er een ander label aan, maar de consensus is dat dit voorstel echt niet goed is en dat het de gezondheid nu niet goed beschermt. Het is de vertegenwoordiger van de Europese Commissie geweest die hier in de Kamer was, die ik op de man af heb gevraagd: "Beste man, u zegt dit allemaal goed is voor de gezondheid en dat op z'n minst het beschermingsniveau van de gezondheid wordt gehandhaafd. Op welke wetenschappelijke toetsen baseert u zich?" Toen zei hij: "Dat heb ik niet. Ik kan het niet toetsen. Ik heb dat niet getoetst, maar wij geloven erin." Ja, en dat van een hoge vertegenwoordiger van de Europese Commissie hier in de Tweede Kamer. Volgens mij zou je dan alles moeten weten over het niveau van dit voorstel op dit moment.

De voorzitter:

U vervolgt.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Het antwoord weten we al: de landbouwgiflobby en commerciële belangen. Dan kan Brussel opeens wél leveren. Burgers die vragen om betere bescherming van hun gezondheid, de natuur, hun drinkwater of dierenwelzijn, moeten vaak jarenlang wachten op actie van Brussel. Maar zodra grote, commerciële belangen op tafel liggen, blijkt Brussel opeens wél in staat om binnen enkele maanden radicale wetswijzigingen door te drukken. Dat tast het vertrouwen van mensen in de politiek aan.

Voorzitter. In deze Kamer kunnen we over van alles van mening verschillen, maar bescherming van de gezondheid van onze inwoners en hun leefomgeving zou ons in de Kamer moeten verbinden. De bescherming moeten we op z'n minst op gelijk niveau houden; dat zou de absolute ondergrens moeten zijn. Eigenlijk wil je het liefst verbetering. Wat heb je precies aan nieuwe wetgeving voor voedsel en bestrijdingsmiddelen in 2026 als het niet iets positiefs doet voor de gezondheid van mens, dier en milieu? Door dit voorstel komen mogelijk alle extra kosten terecht bij de belastingbetaler. Kan de staatssecretaris voordat er definitief wordt besloten zo goed mogelijk in kaart brengen wat de kosten van het Omnibus zullen zijn?

Voorzitter. Eén kernvraag staat voor ons centraal. Kan de staatssecretaris bevestigen dat Nederland niet akkoord gaat met het Omnibusvoorstel als, na alle goede inspanningen van de staatssecretaris tot verbetering, uit een laatste wetenschappelijk advies toch blijkt dat de bescherming van gezondheid van mens, dier en milieu wordt aangetast? Voor de Partij voor de Dieren is een voorstel waarvan onbewezen is dat het de gezondheid en veiligheid van mens, dier en milieu beter beschermt volstrekt onacceptabel.

Voorzitter. Nederlanders willen geen door Brussel opgedrongen voorstellen die leiden tot meer vervuiling, meer gezondheidsrisico's en hogere rekeningen. Tegen de staatssecretaris zeg ik dus: wees moedig in Brussel en houd bescherming van gezondheid als toetssteen voor ogen. Nederlanders willen gewoon met een gerust hart een appeltje geven aan hun kinderen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik geef de alternatieve voorstellen nog aan de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank u wel. De bode zal dat voor u verzorgen, zodat het ook deel uitmaakt van de beraadslaging. Dank u wel. Ik zie dat de appel ook wordt overhandigd. Die heeft de staatssecretaris al binnen. Het woord is aan mevrouw Beckerman namens de SP. Het is een rode appel, mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

Prachtige appel.

Voorzitter. Waar hebben we het vandaag over? De Omnibus Food and Feed: een pakket maatregelen met als doel de landbouw te verduurzamen door snellere toelating van biologische gewasbeschermingsmiddelen en het wegwerken van de lange wachttijden voor herbeoordeling. Dat is op papier een heel nobel doel. Maar wel op papier, want in de praktijk dreigt precies het tegenovergestelde te gaan gebeuren. Middelen waarvan is aangetoond dat ze onveilig zijn mogen langer gebruikt gaan worden. Deze zogenaamde "grace period" gaat van anderhalf naar drie jaar.

De definitie van wat biologische middelen zijn is veel te ruim. Er is geen gegarandeerde herbeoordeling van middelen, terwijl we weten dat soms pas na gebruik blijkt dat middelen toch onveilig zijn. Het is onduidelijk hoe die risicogestuurde herbeoordeling nu precies gaat werken en hoe het werkprogramma er precies uit gaat zien. De kans bestaat ook dat middelen die we hier in Nederland niet willen toch in Nederland zullen worden toegelaten. Dit voorstel kan de innovatie remmen en het zorgt niet voor vereenvoudiging. Richting mijn collega's zeg ik ook: dat blijkt niet alleen uit de wetenschapstoets; dat blijkt ook uit de vele andere stukken die we hebben gekregen, ook vanuit het Ctgb zelf.

Voorzitter. De gepresenteerde voorstellen zullen niet leiden tot het behalen van de gestelde doelen. Bovendien brengen ze belangrijke risico's voor de verduurzaming en voor het beschermingsniveau van de gezondheid van mens en milieu met zich mee. Laat dat tot je doordringen: een voorstel dat bedoeld is voor de verduurzaming en versnelling zorgt er níét voor dat we de doelen gaan halen. Tegelijkertijd dreigt het ervoor te gaan zorgen dat de risico's voor de gezondheid van mens en milieu groter worden.

Voorzitter. De Europese Commissie heeft ervoor gekozen om geen impactassessment uit te voeren om de effectiviteit van de voorstellen te beoordelen. Er is niet nader onderbouwd of de gewenste versimpeling van regelgeving en versnelling van toelating daadwerkelijk bereikt zullen worden. Dat is nogal wat. Boeren, bewoners van het platteland, dieren en het milieu worden in gevaar gebracht met een voorstel dat als doel zou moeten hebben om hen beter te beschermen, juist in deze tijd waarin de biodiversiteit verslechtert en waarin er steeds meer wetenschappelijk bewijs is voor een relatie tussen bestrijdingsmiddelen en neurodegeneratieve ziektes zoals de ziekte van Parkinson. Juist nu zouden we dus ook moeten kiezen voor echte oplossingen.

Hoe zouden we de doelen wel kunnen halen? In de wetenschapstoets zijn heel goede voorstellen gedaan om de doelen wel te halen en mens en milieu te beschermen. Zo stellen zij: behoud de periodieke herbeoordeling voor alle stoffen. Behoud het voorzorgprincipe van het huidige systeem. Zet green lanes in voor biocontrols. Het ontwikkelen van zogenaamde green lanes voor biocontrols maakt het mogelijk om beoordelingen te maken voor de specifieke klassen van middelen. Sta geen verlenging van grace periods toe. Verlenging van grace periods zal leiden tot een langer gebruik van middelen, met in principe onacceptabele risico's, terwijl niet is duidelijk gemaakt of het probleem van noodtoelating wordt opgelost. Wij vragen het kabinet opnieuw of het bereid is om al die aanbevelingen over te nemen. We zien dat het dat nu deels doet.

Belangrijker is misschien nog wel wat de strategie wordt van dit kabinet. We hebben daar een deeltje van gezien, maar ik ben daar nog niet tevreden over. We zien dat ze kritisch zijn, maar we zien tegelijkertijd ook dat ze sterk argumenteren vanuit het bestaande systeem, dat niet zou werken, en daarom meebewegen met de falende oplossingen die nu gepresenteerd zijn. Wil het kabinet in Brussel een streep trekken en met andere vooroplopende lidstaten echt inzetten op het schrappen van alle bepalingen die leiden tot minder innovatie en tot lagere bescherming van mens en natuur? Wil het tegen het voorstel stemmen als dit niet lukt?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Bromet voor haar bijdrage namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik moest net in het kleine debatje over het gebruik van het woord "landbouwgif" even denken aan de zwaluwen die dood waren gegaan doordat ze insecten hadden gegeten die verdelgd waren met toegelaten gif. Dat is waar we het vandaag over hebben: de basis van ons bestaan. Mijn fractie, een meerderheid van de Kamer en het kabinet zeggen eigenlijk hetzelfde: de Omnibus waarover we het vandaag hebben, mag nooit ten koste gaan van de bescherming van mens, dier en milieu. De komende periode moeten we gaan gebruiken om vast te stellen of in deze Omnibus Food and Feed aan die voorwaarde wordt voldaan. Welke conclusies zijn we vervolgens bereid te trekken?

Hoe gaan we daar komen, vraag ik aan het kabinet. Heeft het kabinet op dit moment voldoende informatie om een goede afweging te maken over de Omnibus Food and Feed? Welke informatie mist er nog vanuit de Commissie? Is voor het kabinet het uitvoeren van een impactassessment — mijn collega Beckerman had het daar net ook al over — zoals gevraagd werd in de motie-Kostić van afgelopen december, een voorwaarde om überhaupt over de Omnibus te gaan onderhandelen? Wanneer verwacht het kabinet dat lidstaten over de Omnibus Food and Feed gaan stemmen? Welke aanvullende informatie komt er voor die tijd nog naar de Kamer, zodat we een oordeel kunnen vellen? Kan het kabinet alle ambtelijke analyses en onderzoeken die zijn gebruikt om het kabinetsstandpunt te bepalen, in volledigheid met de Kamer delen?

De periodieke herbeoordeling van pesticiden en chemische stoffen is wat ons betreft geen oplossing voor de grote achterstanden bij de toelatingscommissie. Door stoffen voor onbepaalde tijd toe te laten, laten we het voorzorgsprincipe los. Het is nog onduidelijk welk systeem dit moet gaan vervangen en of dat beter werkt. Daarover heb ik de volgende vragen. Ziet het kabinet manieren om de achterstanden bij de toezichthouders terug te dringen zonder de periodieke herbeoordeling af te schaffen? Waarom zetten we daar dan niet op in? Waaruit blijkt de effectiviteit van de nieuwe methode en de zogenaamde werkprogramma's die worden opgesteld? Kan de staatssecretaris daar meer informatie over delen?

Ook is mijn fractie bezorgd over de gevolgen voor andere doelen die we moeten halen, zoals de Kaderrichtlijn Water. Vanaf 2027 — dat is volgend jaar — is die juridisch bindend. We zijn daar totaal niet op voorbereid. Om te voorkomen dat er giftige stoffen in ons water komen, moet Nederland in de positie zijn om in te grijpen, door als lidstaat het recht te houden om riskante stoffen opnieuw te beoordelen en dat niet over te laten aan Europa, en door prioritaire stoffen uit de Kaderrichtlijn Water uit te zonderen van de toelating voor onbepaalde tijd. Daarvoor zal ik straks een motie indienen, maar eerst heb ik nog wat vragen. Heeft het kabinet in kaart gebracht welke gevolgen de Omnibus heeft voor de bindende doelen voor waterkwaliteit? Zo ja, kan deze analyse gedeeld worden? Zo niet, kan dat dan alsnog worden gedaan? Zegt het kabinet toe dat voldoen aan de Kaderrichtlijn Water een randvoorwaarde is voor steun aan de Omnibus, en dat het expliciet tegen zal stemmen als die bindende doelen voor Nederland in gevaar komen?

Voorzitter. Tot slot. Er is brede consensus in deze Kamer. We zien dat mens, milieu en gezondheid onverminderd beschermd moeten blijven. Ik wil dat wij in de positie zijn om die voorwaarde te toetsen voordat het kabinet voor de Omnibus stemt of die verwerpt. Dat zal ik ook met een motie bekrachtigen.

Ik sluit af met de allerbelangrijkste vragen. Hoe stelt het kabinet vast of aan de voorwaarden van het BNC-fiche wordt voldaan? Wanneer en op welke basis trekt het kabinet straks zijn eindconclusies? Is het voor het kabinet denkbaar dat Nederland uiteindelijk tegen de Omnibus zal stemmen als niet aan de Nederlandse voorwaarden wordt voldaan? Is dat een stap die het kabinet zelf zou nemen, of is de Kamer daarvoor aan zet?

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bromet. Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas voor haar bijdrage namens de BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Sinds het begin van de landbouw, waar mensen dieren gingen houden en gewassen gingen verbouwen voor voedsel, zijn ziektes en plagen een uitdaging. 10.000 jaar waren er geen gewasbeschermingsmiddelen. Dit leidde vaak tot misoogsten, met als gevolg grote hongersnoden waarbij tienduizenden, soms miljoenen, mensen omkwamen. Denk aan de Ierse famine, de hongersnood tussen 1845 en 1850, die ontstond toen de gevreesde aardappelziekte fytoftora 1 miljoen mensen raakte. Zij stierven van de honger of door aan honger gerelateerde ziektes als tyfus en dysenterie. De Finse hongersnood van 1866 tot 1868 en de daaropvolgende Zweedse hongersnood waren de laatste grote hongersnoden in Noordwest-Europa met een natuurlijke oorzaak. Ze werden dus niet veroorzaakt door een oorlog, maar door misoogsten. 15% tot 20% van de bevolking stierf toen aan de honger. We praten dan over 270.000 mensen in drie jaar tijd.

Sindsdien is de landbouw gemoderniseerd, niet alleen met betere technieken, maar ook door de komst van gewasbeschermingsmiddelen. Ik hoop dat mensen zich eens goed gaan realiseren dat het belangrijk is om ziekten en plagen in de landbouw te lijf te gaan, niet alleen voor de boeren en tuinders, maar ook voor de héle maatschappij. Mensen gingen namelijk niet alleen dood aan de honger; hongersnoden zorgden ook voor grote maatschappelijke ontwrichting.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

In het betoog van lid Kostić verweet mevrouw Van der Plas haar dat zij aan bangmakerij deed en mensen angst aanjaagde. Ik hoor haar nu over allerlei hongersnoden uit het verleden, suggererend dat als wij geen landbouwgif meer hebben, er een hongersnood uitbreekt. Klopt dat?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dan kunt u niet goed luisteren, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Bromet. Ik som hier gewoon historische feiten op. Ik vertel wat er is gebeurd toen er geen gewasbeschermingsmiddelen waren en er een ziekte als fytoftora woekerde. Ierland was afhankelijk van de aardappelteelt. Die ziekte woekerde toen. Omdat die niet bestreden kon worden, hadden mensen geen eten en geen inkomen meer. Ik wil graag nog een klein historisch feitje uit het meest recente verleden erbij pakken. In Sri Lanka werd een aantal jaren geleden van de ene op de andere dag overgegaan op biologische landbouw, zonder het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dat heeft tot voedseltekorten geleid, omdat er misoogsten kwamen. Het leidde tot voedselrellen en bijna tot een burgeroorlog. Je kunt het teruglezen. Ik denk dat het een jaar of vijf geleden is. Er is dus zeker wel een relatie tussen voedselveiligheid en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. We moeten er natuurlijk voor zorgen dat het gebruik binnen de perken blijft. Mensen moeten niet zoals in Brazilië op een scootertje door de velden gaan rijden met een tank achterop en alleen maar spuiten. Dat doen onze boeren ook niet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Heel snel gaat dit debat, als het aan de BBB ligt, over voedselzekerheid en worden er angstbeelden over hongernoden voorgespiegeld. Maar als je kijkt naar het gebruik van landbouwgif in Nederland, zie je dat het grootste aandeel bespuitingen plaatsvindt in de bollenteelt, in de lelieteelt. Dat zijn planten die je niet kunt eten. Ik snap niet waarom er nooit een antwoord komt als ik aan de BBB vraag: zullen we daarmee stoppen in het kader van voedselzekerheid?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

De gewasbeschermingsmiddelen die in de lelieteelt worden gebruikt … Er is geen speciaal bollengewasbeschermingsmiddel. Dat zijn middelen die ook in de akkerbouw worden gebruikt. Dat zijn middelen die ook gewoon toegelaten zijn, die streng gecontroleerd zijn. Ook het Ctgb is daarbij betrokken. Dat is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zeg ik om de afkorting even uit te leggen. Mensen hebben altijd het idee dat het een speciaal middel is dat alleen maar door de lelietelers wordt gebruikt. Dat is niet zo. Het zijn akkerbouwmiddelen die ook in de akkerbouw worden gebruikt en waar wij allemaal ons verse, gezonde en veilige voedsel van krijgen van onze boeren.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dat zijn inderdaad die middelen, maar die worden in veel grotere hoeveelheden toegepast op de bloementeelt dan op voedsel. Het zijn er meer en het volume is ook meer, dus dat lijkt mij zonde. Mevrouw Van der Plas zegt dat het allemaal goedgekeurd is. Maar wat vindt zij er dan van dat de insectensterfte elk jaar groter wordt? Wat vindt zij ervan dat zwaluwen dood gevonden worden, omdat ze insecten hebben gegeten die verdelgd zijn door goedgekeurde middelen?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Het laatste voorbeeld dat mevrouw Bromet gebruikt, heb ik recent ook gelezen. In dat artikel wordt expliciet gezegd dat het middelen zijn die niet in de landbouw worden gebruikt. Dat gaat om de middelen permethrin en tetramethrin. Die zijn in de landbouw óf al lang niet meer toegestaan, al twintig jaar niet, óf nog helemaal nooit gebruikt hier. Dus ze kan wel een verhaal ophangen en dan even slinks wijzen, zo van "ja, dat komt door de boeren", maar dat zijn middelen die helemaal niet door boeren worden gebruikt. Ze mogen wel in de humane kanalen gebruikt worden. Dat zien we bijvoorbeeld ook bij fipronil. Dat mag in de pluimveehouderij en de veehouderij helemaal niet meer gebruikt worden, maar de gemiddelde kat of hond in Nederland heeft een vlooienband of wordt even gespoten met fipronil. Je moet maar eens achter op het pakje kijken, dan schrik je je echt helemaal het leplazarus, zou ik bijna willen zeggen — nou ja, ik heb het gezegd — van wat daar aan stoffen in zit. Gewoon stoppen met constant naar de boeren wijzen en gewoon goed de stukken lezen. Dat waren middelen die helemaal niet door boeren worden gebruikt.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik kom er nog even op terug: in Ierland daalde het bevolkingsaantal na de famine, de hongersnood, van 8 miljoen naar 4 miljoen mensen. Niet alleen door de doden, maar daarna ook doordat veel Ieren emigreerden omdat ze niks meer hadden en het land vele decennia in armoede verkeerde. Tot op de dag van vandaag is Ierland zich aan het herstellen van de grote hongersnood van destijds. Zo'n 80 jaar geleden kwamen er gewasbeschermingsmiddelen. Die werden gebruikt om de gevreesde ziekten en plagen te bestrijden en ervoor te zorgen dat wij hier nooit meer een hongersnood hadden, veroorzaakt door ziekten en plagen. We houden de Hongerwinter er even buiten, want die had een andere oorzaak; dat was de oorlog.

Met de voedselproductie steeg ook de welvaart en kon Noordwest-Europa zich ontwikkelen tot een belangrijke speler in de wereldwijde voedselvoorziening. Vanzelfsprekend kwam daar ook wetgeving bij kijken, eerst op landelijk niveau en later op Europees niveau. Door het in lijn brengen van die regels werden mensen, dieren en milieu beter beschermd. De regelgeving is echter wel aan het doorslaan. Een opeenstapeling van regels leidt ertoe dat het Europese toelatingssysteem vastloopt. Innovaties, waaronder biologische middelen, bereiken de markt niet, terwijl de dreiging van ziekten en plagen toeneemt en de gereedschapskist van telers kleiner wordt.

Voorzitter. De beschikbaarheid en betaalbaarheid van ons voedsel komen daarmee in gevaar. Zeker nu de wereld instabiel is, met oorlogen op diverse continenten — zelfs op ons eigen continent — moeten we als Nederland en als Europa zelf grip houden op onze voedselproductie. Beseft men wel, ook in het kabinet, hoe belangrijk die voedselzekerheid is? Daar maak ik me grote zorgen over.

En ja, iedereen wil minder afhankelijk worden van synthetische middelen. BBB ook. Boeren en tuinders ook. Natuurlijk willen ze dat. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kost een akkerbouwbedrijf gemiddeld al €35.000 per jaar. Waarom zouden ze überhaupt ik-weet-niet-wat in het rond spuiten? Dat doen ze sowieso niet, ook omdat zij goed kijken naar hun omgeving, naar het milieu en natuurlijk naar hun eigen gezondheid.

Voorzitter. Je gooit geen oude schoenen weg voordat je nieuwe hebt, zeker niet als het om onze voedselproductie gaat. Ik heb drie vragen aan de staatssecretaris; daar ga ik even heel snel doorheen. Kan hij toezeggen dat Nederland in Brussel niet kiest voor het simpelweg afbouwen van middelen, maar voor een beleid waarbij boeren en tuinders kunnen blijven produceren en alternatieven eerst beschikbaar zijn voordat bestaande middelen verdwijnen? Hoe laat zich dat zien? Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij de Kamer conform de aangenomen motie-Flach/Vedder op korte termijn een nieuwe actualisatie stuurt van de verwachte teeltknelpunten voor de komende vijf jaar? Kan hij dan niet alleen een lijstje met problemen sturen, maar ook een concreet plan van aanpak, met informatie over welke werkgroepen worden ingericht, welke vrijstellingen worden voorbereid, welke groene middelen worden versneld en welke actie hij per kwetsbare teelt onderneemt om te voorkomen dat Nederlandse telers stoppen omdat de middelenkas leeg blijft?

Ik heb nog één vraag, maar …

De voorzitter:

Nee!

Mevrouw Van der Plas (BBB):

… die laat ik gaan, want ik weet dat ik door mijn tijd heen ben. Ik dank u voor uw coulance. Mijn derde vraag zal ik ergens in een interruptie stellen.

Dank u wel. U bent heel aardig voor mij.

De voorzitter:

Altijd toch, mevrouw Van der Plas. Dat weet u. We gaan kijken of mevrouw Den Hollander net zo aardig is voor u.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik ben enorm benieuwd wat de laatste vraag is die mevrouw Van der Plas had willen stellen, dus wellicht kan ze die toch nog stellen.

Verder zou ik willen vragen of mevrouw Van der Plas met de VVD deelt dat het ook enorm belangrijk is dat er innovatieve technieken, zoals de NGT's, komen. Daardoor zijn er inmiddels 47 fytoftora-resistente aardappelrassen. Is dit niet juist een kans om die ontwikkelingen verder te stimuleren?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank voor deze vraag, mevrouw Den Hollander. Mijn laatste vraag was deze. Ik had de staatssecretaris willen vragen — dat doe ik bij dezen — of hij het met BBB eens dat voedselzekerheid en strategische autonomie geen papieren ambitie mogen zijn, maar beginnen bij de simpele vraag of boeren en tuinders in Nederland en Europa hun gewassen nog kunnen beschermen en hun oogst nog van het land kunnen halen. Is hij bereid om dit punt structureel in te brengen in Brussel?

Dank u wel.

Dan het antwoord op uw tweede vraag. Daar kan ik kort over zijn: ja, ik ben er heel erg voor om weerbare rassen te telen. Maar zoals ik al zei: je moet geen oude schoenen weggooien voordat je nieuwe hebt.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Allereerst dank ik mevrouw Van der Plas voor het alsnog stellen van haar laatste vraag. Wij delen met u dat we op dit moment echt niet zonder gewasbeschermingsmiddelen kunnen, maar het is ook heel belangrijk om een stimulans voor innovatie te houden. Zolang alles volop beschikbaar blijft, is die stimulans er wellicht minder. Deelt mevrouw Van der Plas dat met ons?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat vind ik een hele lastige, want die vraag stellen wij onszelf natuurlijk ook. Als je die middelen niet meer hebt of niet meer mag gebruiken, is het gevaar dat hele teelten zullen verdwijnen, te groot. Ik heb hier een hele lijst van teelten die nu al onder druk staan, maar die zal ik u besparen. Het is wel een lastige vraag. Wij zijn zeker voor innovatie. Wij zijn ook zeker voor de snellere toelating van "groene middelen", zoals ze dat dan noemen. Het zijn biologische gewasbeschermingsmiddelen. Ik wil de mensen thuis wel even zeggen dat ook een vliegenzwam giftig is. Dat is een organisch iets, maar het is niet echt handig om die te eten. Het beeld dat biologische gewasbeschermingsmiddelen niet schadelijk zijn of niks kunnen doen, moeten we ook niet hebben. Ik ben er heel eerlijk in dat ik dit een lastige vraag vind. Ik vind dat we heel erg moeten uitkijken met alle beleidsregels die wij maken. Het kan er wel echt toe leiden dat teelten verdwijnen en dat we daardoor — dit is m'n laatste zin, voorzitter — afhankelijk gaan worden van import uit landen die onze regels niet hebben, maar die ook middelen gebruiken die hier niet eens toegelaten zijn.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Tot slot. Dank voor het delen van deze ambitie. Ik denk dat het belangrijk is dat we daar ook vooral samen in optrekken. We moeten niet alleen blijven hangen in hoe het is; we moeten ook kijken naar de toekomst en wat er in de toekomst nodig is voor voedselzekerheid, ook over 100 jaar.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik blijf zeker niet hangen in hoe het is. Er zijn ontzettend veel ontwikkelingen geweest in de agrarische sector, zeker ook op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen. Als er één groep bezig is met gezond voedsel op het bord willen leggen, dan zijn het de boeren, de tuinders en de telers wel.

Mevrouw Podt (D66):

Ik hoorde mevrouw Van der Plas zeggen dat de regelgeving hier en daar toch wel een beetje aan het doorslaan is. Nou vraag ik me het volgende af. Stel dat je nou voor de versnelling van die toelating bent, zoals de Commissie beoogt. Er zit dan eigenlijk één aspect in dat mij enorm heeft verbaasd. Dat gaat over die respijtperiode. Die gaat over hoelang je middelen nog mag gebruiken die eigenlijk gewoon al zijn beoordeeld als hartstikke schadelijk. Nou vraag ik me af hoe mevrouw Van der Plas daarnaar kijkt. Het verlangen van zo'n respijtperiode is toch voor omwonenden, maar zeker ook voor boeren die ermee moeten werken, een heel slecht idee?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dan gaat mevrouw Podt ervan uit dat die middelen zodanig worden gebruikt dat het bijvoorbeeld veel te veel residuen, resten, van gewasbeschermingsmiddelen oplevert op het gewas of het stuk fruit dat geteeld wordt. Nogmaals, boeren zijn als geen ander … Ik weet dat mevrouw Podt nog niet zo lang geleden samen met mij en andere Kamerleden een ontbijtbijeenkomst bijgewoond waarbij ook een boerin aanwezig was. Zij gaf aan hoe voorzichtig boeren zelf al zijn met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Als er andere alternatieven zijn, kiezen ze daar liever voor. De zorg, het er alert op zijn: ja. Maar het moet niet zo zijn dat we daarmee eigenlijk zeggen: die boeren doen maar wat. Het is vaak ook maar de vraag of die boeren dat middel überhaupt gebruiken. Nogmaals, de dosis bepaalt of iets giftig is.

Mevrouw Podt (D66):

Dat ontkent ook helemaal niemand. Misschien komt het nog, maar tot nu toe heb ik nog helemaal niemand horen zeggen dat het aan de boeren ligt of dat mensen onvoorzichtig spuiten. Er zijn natuurlijk ook middelen die op een bepaalde manier gebruikt moeten worden. Daar gaat het ook helemaal niet om. Sterker nog, bij die respijtperiode gaat het om middelen waarvan het Ctgb en de EFSA hebben gezegd: het maakt niet uit hoe je ze gebruikt; je moet het gewoon helemaal niet meer doen. Daarvan zeggen we nu dus: die mag je straks alsnog drie jaar gebruiken. Mijn vraag is dan: dat is voor de boeren die daarmee moeten werken toch eigenlijk geen goed idee?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nogmaals, dan gaat mevrouw Podt ervan uit dat ze dat gaan doen, bijvoorbeeld in doses die misschien niet zo verstandig zijn. Volgens de regels mag het misschien nog wel, maar dat is niet wenselijk. Dat is natuurlijk het hele punt: het is niet zo dat boeren dat überhaupt gaan doen. Ik vind wel dat je middelen in je gereedschapskist moet hebben voor het geval iets anders echt niet werkt. Dat is ook hoe boeren kijken naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: als dit niet werkt doe ik dat, als dat niet werkt doe ik dat en als dat niet werkt doe ik dat. Met antibiotica werkt dat hetzelfde in ons menselijke leven. Als je naar een arts gaat, krijg je eerst een lage dosis antibiotica, om te kijken of het helpt. De arts grijpt pas naar het vierde keuzemiddel als het echt helemaal misgaat. Zo moet je het een beetje vergelijken; dat is hoe boeren ernaar kijken. Ik vind dat je het in ieder geval in de gereedschapskist moet houden, mocht het echt helemaal uit de klauwen lopen met de oogst. Dat is hoe ik ertegen aankijk.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Podt (D66):

Dank voor dat antwoord, maar daarin zit wel precies mijn probleem. Wat we boeren dan eigenlijk dwingen te doen, is het volgende. We zeggen als politiek en als overheid niet: we zetten volop in op al die andere dingen, namelijk op green lanes, op extra capaciteit voor de EFSA, om het sneller te doen, en op innovatie. Innovatie werd net ook al genoemd. In plaats daarvan zeggen we tegen boeren: je moet een keuze maken tussen je teelt en je gezondheid. Dat vind ik kwalijk.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat vind ik wat kort door de bocht, eerlijk gezegd. Nogmaals, dan gaat mevrouw Podt ervan uit dat de middelen worden gebruikt. Het is een politieke keuze om wel heel erg in te zetten op innovaties en allerlei alternatieven. Dan heb je de boeren juist aan je zijde. Zij zeggen: geef ons de mogelijkheden om met innovatieve middelen, met andersoortige middelen of met een snellere toelating te komen. Boeren zijn daar bij uitstek groot voorstander van.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik werd een beetje getriggerd door de Potato Famine in Ierland, omdat die veel meer te maken had met bestuur. Engeland dwong Ierland, met militairen erbij, om vee, graan en zuivel te exporteren. Engeland weigerde in te grijpen in de economie, weigerde om ervoor te zorgen dat er voldoende voedsel was, wat er gewoon was. Er kwam geen noodhulp op gang.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Beckerman (SP):

Mijn vraag aan mevrouw Van der Plas is: ging dit niet ook veel meer over onderdrukking, uitbuiting en eigenlijk vernedering van een volk, nog los van de misoogst?

De voorzitter:

Dit is een beetje een geschiedenisles. Laten we snel teruggaan naar de Omnibus.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja, daar heeft mevrouw Beckerman zeker een punt. Ik vind het een heel pijnlijk onderwerp. Mijn moeder is Ierse. Ook mijn familie is … Mijn generatie is eigenlijk de eerste die het relatief goed heeft gehad. Mijn moeder is opgegroeid met heel weinig. De kinderen van mijn tante zijn ook allemaal opgegroeid met heel weinig. Dat is wat ik bedoelde toen ik zei dat men nog steeds aan het herstellen is van de maatschappelijke ontwrichting. Dat had zeker deels te maken met het bestuur van de Britten destijds. Dat ontken ik zeker niet. De aardappelen die er nog waren, moesten naar de grote Britse landlords, want die wilden natuurlijk wel te eten hebben. Dat is een lange tijd van onderdrukking geweest. Er is niet voor niks uiteindelijk een vrijheidsstrijd geweest. Ik kan met trots zeggen dat mijn opa daarbij betrokken is geweest begin jaren 1900. Mevrouw Beckerman heeft dus zeker een punt, maar het is natuurlijk wel zo dat de fytoftora hele oogsten compleet wegvaagde.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter, u kijkt mij moeilijk aan, omdat u denkt: waar gaat dit heen? De reden waarom ik dit noem, is de volgende. Ik ben gepromoveerd op een van de eerste landbouwgemeenschappen van Noord-Holland. Mevrouw Van der Plas zegt: we hebben pas kort gewasbescherming. Nee. Boeren hebben vanaf het begin van de landbouw nagedacht over gewasbescherming. Dit debat — daarom stelde ik eerst misschien een beetje een gekke vraag — moet helemaal niet gaan over boeren. Dit gaat over bestuur. Ik wil dit voorstel op geen enkele manier vergelijken met de manier waarop Engeland bestuurde, maar volgens mij moeten we dat debat voeren. We moeten het juist hebben over de afhankelijkheid. Boeren zijn voor een groot deel afhankelijk gemaakt van dit soort grote bedrijven die deze middelen produceren, maar ook van dit soort voorstellen van de Europese Commissie. Laten we het vanuit dat oogpunt bezien. Dit voorstel is niet eens gekomen met een impactassessment. Snapt mevrouw Van der Plas waarom wij zeggen: wacht eens even, hier is bestuurlijk gezien zo veel twijfel over, dus niet vanuit de boeren maar vanuit de manier waarop dit bestuurlijk wordt gedaan?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

We hebben hier het debat. Iedereen kan hier kritische vragen stellen. Het mooie van onze democratie is dat we dat hier in alle openheid kunnen doen met elkaar. Maar ik steun dit wel. Ik ben het in die zin niet eens met mevrouw Beckerman. Ik denk juist wel dat dit een hele goede stap is die we gaan zetten.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u zeer.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we aanbeland bij een bijzonder heuglijk moment, namelijk de maidenspeech van de heer Lohman, die ik uitnodig bij het spreekgestoelte voor zijn maidenspeech, zijn bijdrage namens het CDA. Het is gebruikelijk dat we niet interrumperen tijdens maidenspeeches. Als u zover bent, dan heeft u het woord.

De heer Lohman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik weet nog goed dat ik voor het eerst een biologische boerderij bezocht. Ik was 22 en ik was net met vrienden een beweging gestart voor een beter voedselsysteem: de Youth Food Movement, tegenwoordig SFYN. Wij gingen de wereld verbeteren via het bord. Ik ontmoette een van de coolste boeren van het land, Boy. Boy is naast biologisch melkveehouder ook kaasmaker, en hij levert melk aan de meest chique koffiebarretjes van Amsterdam. Ik vond zijn bedrijf, zijn kijk op boeren mét de natuur en zijn ondernemerschap fantastisch. Dit is hoe het moet. Dit is de toekomst. "Ho ho", zei Boy. "De wereld is groter dan Weesp en Amsterdam. Laten we in gesprek gaan met boeren, tuinders en vissers in het hele land." En zo geschiedde. Samen met een groep jonge mensen uit alle hoeken en gaten van het land en samen met alle schakels uit de voedselketen zetten wij een academie op, met als doel: leren, vragen en verwonderen.

Een van de eerste dingen waar we over struikelden, is het onderwerp waar wij vanavond over debatteren. Waar Boy de chemische spuit liet staan, ontmoette ik ook boerin Iris uit Drenthe. Die sprak over "gewasbescherming". Zij zag het als een noodzakelijk kwaad; "we kunnen niet zonder en we doen het zorgvuldig." Ik sprak ook met vertegenwoordigers uit de sector over "medicijnen voor planten". Tot op de dag van vandaag is dat iets waar ik enigszins over moet grinniken. De één noemt het "landbouwgif". Dat hebben we net gehoord. De ander noemt het "gewasbescherming". De één zegt: het is onveilig voor mens, dier en milieu. De ander zegt: risico's worden schromelijk overdreven. Bijna nergens is het debat zo gepolariseerd. En bijna nergens helpt die polarisatie zo weinig. In voorbereiding op het debat en mijn eerste inbreng ben ik beide geloofssystemen ook weer tegengekomen.

Maar het systeem loopt vast. Je zou kunnen stellen dat het Omnibuspakket van de Europese Commissie belooft de tegenstellingen te overbruggen: vereenvoudiging, versnelling en ruimte voor groene alternatieven. Het huidige systeem loopt vast. Toelatingstrajecten voor nieuwe middelen duren acht tot tien jaar, herbeoordelingen duren ook tien jaar, en alle capaciteit bij het Ctgb en de EFSA gaat op aan het bijhouden van achterstand terwijl groene middelen in de wachtrij staan. Maar de vraag is hoe je dat oplost.

Laten we niet vergeten waar het Omnibusvoorstel oorspronkelijk voor bedoeld is: het moderniseren van het herbeoordelingssysteem zodat die wachttijden korter worden. Ik ben, net als een aantal collega's hier, nogal geschrokken van de EU-wetenschapstoets, die het voorstel bij alle vier de doelstellingen een onvoldoende geven. Wat mij betreft is dat ook een signaal dat we als parlement absoluut niet kunnen negeren. Tegelijkertijd kunnen we ons niet permitteren om dit voorstel bij voorbaat te blokkeren. Elke maand die we langer wachten, is een maand waarin groene middelen niet op de markt komen. Dat raakt dus niet alleen de boer die daarmee moet werken maar zet uiteindelijk ook het milieu verder op achterstand. Daarnaast is er ook net een proces voor een convenant gewasbescherming gestart. Op dit moment loopt dat proces. Het verdient het voordeel van de twijfel. We moeten ons dus wat mij betreft niet keren tegen de ingezette richting maar het voorstel op specifieke punten gaan verbeteren.

Er zijn een aantal weeffouten die in de onderhandelingen gerepareerd moeten worden. Het CDA wil dus drie dingen. Ten eerste: het beschermingsniveau behouden. Het CDA steunt de modernisering van het herbeoordelingssysteem, maar het resultaat moet zijn dat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu overeind blijft. Ten tweede wil het CDA groene busbanen waar ook op gereden wordt. Zonder de nieuwe groene stoffen op Europees niveau en zonder nieuwe groene middelen voor de boer gaat dat niet lukken. Wij willen biocontrolmiddelen en laagrisicomiddelen een eigen snelle toelatingsprocedure geven op basis van risicoprofiel, niet op basis van de vraag of iets chemisch of biologisch van oorsprong is. Ten derde: zet in op geïntegreerde gewasbescherming. Weerbare rassen, gezonde bodems, mechanische onkruidbestrijding en groene middelen moeten de eerste keuze zijn. Dat vraagt om investeringen in kennis en praktijk, en om een convenant om die transitie ook daadwerkelijk te ondersteunen.

Ik vraag de staatssecretaris of hij bereid is om deze waarborgen mee te nemen in de Raadsonderhandelingen en om daarbij als doel te stellen dat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu aantoonbaar overeind blijft. Ik vraag hem ook of hij bereid is om in te zetten op versnelde procedures voor groene stoffen op basis van een risicoprofiel. En is hij bereid om gericht te investeren in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe middelen voor teelt en plagen waarvoor nu nog geen effectieve alternatieven bestaan of op de markt komen? Ik citeer Rowan Williams: "Geloof is het meest authentiek en het meest levensschenkend als het je de ogen opent en je een wereld openbaart die groter is dan je ooit had gedacht en daarmee onvermijdelijk ook onthutsender dan je ooit had gedacht."

Voorzitter, ik rond af. 22 jaar geleden stapte ik de wereld van landbouw en voedsel in. Vandaag mag ik in dit parlement dit debat voeren. Ik ben dankbaar en trots en weet dat mijn ouders ook trots geweest zouden zijn. Wetenschap is niet de waarheid vinden, maar steeds opnieuw durven te twijfelen aan wat we denken te weten en elkaars geloofssystemen respecteren. In deze nieuwe rol gun ik mezelf en mijn collega's de ruimte om te blijven leren, om vragen te stellen en om te verwonderen, maar ook om onze idealen vast te houden.

Dank u wel.

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Meneer Lohman, vele leden van de landbouwcommissie kenden uw passie voor dit onderwerp al voordat u lid werd van deze Kamer. Het is heel mooi om die passie ook vandaag weer terug te horen in uw maidenspeech. Ik wil u van harte feliciteren met uw maidenspeech. Ik schors kort zodat u voor het rostrum de felicitaties in ontvangst kunt nemen. De vergadering is kort geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan mevrouw Ten Hove voor haar bijdrage in de eerste termijn namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dank u wel, voorzitter. Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie het zogenoemde Omnibuspakket gepresenteerd, dat onder andere gaat over voedsel- en diervoederveiligheid. Het is een omvangrijk pakket, met aanpassingen van meerdere richtlijnen en verordeningen die raken aan gewasbeschermingsmiddelen, dierenwelzijn en voedselveiligheid.

Laat ik helder zijn: mijn fractie steunt de inzet om het systeem te verbeteren, zeker als het gaat om het versnellen van toelating van nieuwe middelen. Het is simpelweg onacceptabel dat een aanvraag voor een nieuw gewasbeschermingsmiddel nu zes tot tien jaar duurt. Daarmee zetten we innovatie op achterstand en maken we het vrijwel onmogelijk om snel nieuwe, vaak duurzamere, soorten middelen op de markt te brengen. Op Europees niveau wordt voorgesteld om werkzame stoffen risicogestuurd te herbeoordelen, terwijl lidstaten tegelijkertijd vastzitten aan periodieke herbeoordelingen van middelen. Dat is inefficiënt, het is kostbare capaciteitsverspilling en het leidt tot uitvoeringsproblemen. Dat moeten we niet willen. Gelukkig vindt het kabinet dit ook. Wat gaat de inzet van het kabinet zijn om dit voorstel van de EU om te buigen? Mijn fractie wil geen aanvullende nationale verplichtingen die onze boeren op achterstand zetten. Nederland moet niet strenger willen worden dan de rest van Europa, want dat leidt tot oneerlijke concurrentie. Hoe gaat het kabinet hierbij opkomen voor de belangen van de Nederlandse sector?

Vanuit deze gedachte steunen we het principe dat middelen die in de EU verboden zijn vanwege risico's voor mens en milieu niet via import alsnog op onze markt terecht mogen komen. Dat is niet alleen eerlijker voor de sector, maar ook beter voor de consument. We moeten waken voor een situatie waarin middelen worden verboden zonder dat er werkbare alternatieven beschikbaar zijn. Want wat is dan het gevolg? Het gevolg is dan dat boeren hun gewassen niet meer effectief kunnen beschermen, dat opbrengsten onder druk komen te staan en dat de voedselzekerheid afneemt. Dat kan en mag niet de uitkomst zijn.

Tegelijkertijd erkennen wij dat er zorgen leven in de samenleving over gezondheid, leefomgeving en resistentie bij schimmels en bacteriën. Die zorgen moeten we serieus nemen, maar de oplossing ligt niet in het simpelweg wegnemen van middelen zonder perspectief. De oplossing ligt in versnelling van innovatie en het sneller beschikbaar maken van nieuwe, veilige en effectieve alternatieven. Juist daar moet het kabinet meer op inzetten: een gelijk speelveld in Europa, realistische en uitvoerbare regelgeving en een versnelling van alternatieve gewasbescherming, zodat we zowel onze boeren als onze voedselvoorziening toekomstbestendig houden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Podt voor haar bijdrage namens D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Podt (D66):

Voorzitter. Iedereen heeft recht op een gezonde leefomgeving. Als je fruit van Nederlandse bodem eet, naast akkerland woont of erop werkt, moet je ervan uit kunnen gaan dat het veilig en gezond is. Dat Nederland en Europa de hoogste voedsel- en milieustandaarden ter wereld hebben, is daarom niet iets om voor lief te nemen. Daar moeten we aan blijven werken. Het goede nieuws is dat de vraag naar groene middelen groeit. Maar de toelating stokt. De EFSA, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, is ondergefinancierd en onderbemand.

Voorzitter. De Europese Commissie wil nu de toelating van middelen versnellen met het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder. Maar hoe begrijpelijk ook, het voorstel dat er nu ligt, gaat te kort door de bocht. Als we echt willen zorgen voor versnelling én onze hoge standaarden willen behouden, moet het voorstel scherper, duidelijker en beter. Als D66 zijn we positief over de duidelijke kritiek van het kabinet en het Ctgb. We willen de staatssecretaris echter op pad sturen met een aantal aanscherpingen, zodat het pakket daadwerkelijk gaat doen wat het belooft.

Voorzitter. Ik begin — ik zei het net ook al even — met de respijtperiode, de periode waarin afgekeurde en aantoonbaar giftige middelen nog gebruikt mogen worden om voorraden op te maken. De huidige periode, namelijk anderhalf jaar, is op zichzelf al een raar idee, want dan blijven we werken met middelen waarvan we weten dat ze mensen ziek kunnen maken of het milieu schaden. Echter, in het Omnibuspakket staat dat deze periode verdubbeld moet worden. Is de staatssecretaris het met me eens dat deze maatregel niets te maken heeft met de beoogde versnelling van toelating, dat het innovatie in de weg zit en al helemaal niks te maken heeft met het behouden van het beschermingsniveau van mens en milieu? Kan hij toezeggen dit niet te accepteren?

Voorzitter. Met afstand het belangrijkste punt, waar het ook het meest over gaat vandaag, is het afwijken van het systeem van automatische herbeoordeling van bestrijdingsmiddelen, zonder dat hier afdoende iets voor in de plaats komt. Juist de herbeoordeling zorgt ervoor dat we tijdig zien dat middelen met op het eerste gezicht lage risico's soms in veldomstandigheden afwijken van laboratoriumtesten, en dat we wetenschappelijke kennis en monitoringsdata van de jaren ervoor kunnen meenemen. In de afgelopen vijftien jaar zijn er door de herbeoordeling 162 stoffen van de markt gehaald. Dat zijn meer dan tien giftige stoffen per jaar. Het gaat om stoffen die boeren hebben toegepast en waarmee zij en mogelijk hun families en omwonenden in aanraking kunnen zijn gekomen. Dat deze veiligheidsmaatregel in het Omnibus wordt geschrapt, vind ik niet uitlegbaar richting al die mensen. Hun veiligheid mag niet ten koste gaan van een vastgelopen systeem. Is de staatssecretaris het met D66 eens dat het schrappen van deze herbeoordeling, zeker op de manier zoals de Commissie nu bepleit, in strijd is met het voorzorgsbeginsel? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat dit tijdens de onderhandelingen wordt meegenomen?

Voorzitter. De herbeoordeling moet wat D66 betreft terug op tafel, vanwege de leefomgeving en gezondheid, maar ook omdat het pakket zijn eigen doel mist. Versimpeling en versnelling worden beloofd, maar wat de Commissie voorstelt, is een ingewikkeld en traag proces, terwijl het anders kan. Ons eigen Ctgb gebruikt al een groene busbaan, een apart en sneller beoordelingstraject voor groene middelen naast de chemische snelweg. Dat werkt, dus laten we dat model naar Europa brengen. Met een duidelijk gedefinieerde busbaan voor biologische middelen en biocontrols zijn we sneller, zonder concessies te doen aan gezondheid en milieu. Combineer dat met meer capaciteit bij de EFSA en dan lossen we volgens mij de grootste knelpunten op. Mijn vraag aan de staatssecretaris is — daarna ga ik naar mevrouw Bromet — of hij kan toezeggen dit als concreet alternatief in te brengen in plaats van in te stemmen met het schrappen van de herbeoordeling en of hij hierin samen met andere lidstaten een kopgroep kan vormen.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde van uw termijn?

Mevrouw Podt (D66):

Ik had nog twee zinnen.

De voorzitter:

Spreekt u ze maar uit.

Mevrouw Podt (D66):

Voorzitter. Groen, gezond en snel. Dat kan ons toelatingssysteem voor gewasbescherming zijn, zolang we ons daar echt hard voor maken.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het heel goed dat D66 zegt: het voorstel zoals het er nu ligt, is nog niet goed genoeg en wij stellen extra eisen. Ik hoorde dat ook in het betoog van het CDA, maar dat mocht ik niet interrumperen, dus dat neem ik dan meteen maar even mee. Heeft D66 ook al een idee wat er gebeurt als het de staatssecretaris niet lukt om die aanpassingen voor elkaar te krijgen in Brussel?

Mevrouw Podt (D66):

Ik denk dat ik er heel kort over kan zijn. Het voorstel zoals het nu wordt voorgesteld door de Europese Commissie, is wat D66 betreft in ieder geval echt onvoldoende.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dus als het ongewijzigd aangenomen wordt, of als het de staatssecretaris in onderhandelingen niet lukt om dat aangepast te krijgen, dan zegt D66: tegenstemmen.

Mevrouw Podt (D66):

Ja, dan zouden wij willen dat er tegengestemd wordt. Dan moeten we elkaar daar natuurlijk nog op vinden. Dat is volgens mij ook wat we vandaag met elkaar hebben geprobeerd en waar we voor een deel goed in zijn geslaagd. Als namelijk alleen D66 het zegt, dan schiet het niets op, maar als we die boodschap op dat moment met z'n allen meegeven, denk ik dat dat zou kunnen lukken.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik had ongeveer dezelfde vraag. Ik denk namelijk dat heel veel mensen, of ze nou voor of tegen dit voorstel zijn, geschrokken zijn van het moordende tempo waarin dit ineens gaat. Terwijl heel veel Europese voorstellen veel te lang duren, gaat dit ineens heel snel. Ik hoorde mevrouw Podt, die ik nu een andere vraag stel, spreken over ondergefinancierd en onderbemenst. Welke oplossingsrichtingen zouden we als alternatief daarvoor neer moeten leggen?

Mevrouw Podt (D66):

Daar heb ik in principe twee voorstellen voor. Het ene is nog een beetje in wording, moet ik heel eerlijk zeggen. Ik doe zo graag een voorstel voor die green lanes. Ik denk dat dat een manier van organiseren is, die de Europese toelatingsinstantie kan helpen om juist de aandacht te verleggen naar waar we die groene middelen echt het allerhardst nodig hebben. Volgens mij vragen niet alleen wij in deze Kamer daarom, maar natuurlijk ook heel erg veel boeren en omwonenden. Het tweede is dat ik denk dat er extra financiering naar de EFSA zou moeten. Ik denk dat dat altijd even zoeken is hoe we dat op een goede manier doen, zoals ook in deze Kamer, maar ik zou daar wel voorstander van zijn.

Mevrouw Beckerman (SP):

Green lanes of groene busbanen zijn, denk ik, breed gedeeld. Volgens mij heb ik daarover ook weleens voorstellen van de SGP gezien, die ik gesteund heb. Ik vind het heel opvallend dat iedereen eigenlijk heel kritisch is, ook het Ctgb en ook het kabinet, maar dat ze heel erg in de modus zitten: het bestaande systeem faalt, dus we gaan maar langzaam mee in dat nieuwe systeem, ondanks dat we een kritische houding hebben. Het probleem is natuurlijk dat het nu te lang duurt voor die herbeoordeling er is. Wij willen die ook graag behouden. In welke richting moeten we daarbij kijken? Die green lanes zijn natuurlijk voor de nieuwe middelen. Hoe kunnen we dit probleem oplossen zodat we wel dat voorzorgsbeginsel behouden?

Mevrouw Podt (D66):

Dat vind ik nog best een moeilijke vraag. Ik denk dat ik een antwoord heb gegeven met de twee voorstellen die ik nu heb gedaan. Ik denk dat dat in ieder geval een begin is. Of je er daarmee 100% bent, weet ik ook niet. Ik denk dat dat voorstel van die green lanes enorm gaat helpen, omdat het eigenlijk gewoon een aparte baan vrijmaakt voor die middelen waar zo vreselijk veel behoefte aan is. Ik denk dat dat echt een hele goede start zou zijn.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Beckerman (SP):

Tot slot. Zeker, maar in Nederland hebben we die al, dus daar ben ik het helemaal mee eens. Waar ik ook mee zit, is dat we strenger moeten zijn op de dossiers die moeten worden aangeleverd. Ik zie in dit voorstel, afhankelijk van het moment waarnaar je kijkt, een verschuiving van de bewijslast richting consumenten, de maatschappij en andere wetenschappers in plaats van de producent. Daar is veel discussie over, dus je moet daar heel specifiek in zijn. Moeten we niet juist richting de grotere producenten strenger zijn op het goed aanleveren hiervan? Want daar ontstaat ook vertraging in.

Mevrouw Podt (D66):

Het punt dat mevrouw Beckerman nu opbrengt, vind ik heel mooi. Dat is inderdaad iets wat verschillende keren voorbij is gekomen. Er zijn veel bedrijven die hun middelen voorleggen bij de EFSA of het Ctgb, maar die incomplete dossiers aanleveren, waardoor het hele systeem stokt. Ik ben het zeer met mevrouw Beckerman eens en ik hoop dat we daar iets aan kunnen doen. Overigens wil ik ook nog even reageren op haar eerste punt. Zij heeft er helemaal gelijk in dat we in Nederland al green lanes hebben, maar de EFSA zou daarin een voorbeeld kunnen zijn voor heel Europa. Heel veel lidstaten komen op dit moment in Nederland terecht, waardoor ons systeem alleen nog maar meer vastloopt. Dat zijn weer twee dingen.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Podt (D66):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dan is het woord aan de heer Flach voor zijn bijdrage in de eerste termijn namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Flach (SGP):

Dank u wel, voorzitter. De politiek was gewaarschuwd, maar heeft het laten lopen en nu zit Nederland met de gebakken peren, want het duurt jaren voordat dit probleem opgelost kan worden. Ik heb het over het enorme congestieprobleem op het elektriciteitsnet. In het gewasbeschermingsdossier zie ik echter eenzelfde naïviteit. Er worden in rap tempo oude schoenen weggegooid, terwijl de nieuwe er nog niet zijn. Dit kan grote gevolgen hebben voor de continuïteit van teelten en dat is niet zomaar terug te draaien. We moeten met elkaar werken aan weerbare teelten, minder middelengebruik en een snellere toelating van groene middelen, maar de huidige focus op een strengere toelatingsbeoordeling leidt af van waar het werkelijk om gaat: minder milieubelasting in de praktijk. De toelatingsbeoordeling houdt geen rekening met technieken voor emissiereductie, risico's op resistentieontwikkeling en de inzet van hogere doses van alternatieve en minder effectieve middelen.

De SGP waardeert de inzet van de Europese Commissie op risicogestuurde herbeoordeling en versnelling van de toelating van groene middelen, maar er is meer nodig. Eerst wil ik het hebben over het voorliggende voorstel. Het grootste discussiepunt is de risicogestuurde herbeoordeling van werkzame stoffen in plaats van de periodieke herbeoordeling. Wat de SGP betreft is dat een verstandige keuze. De periodieke herbeoordelingen vergen veel beoordelingscapaciteit en het duurt vele jaren voordat middelen aan de beurt zijn. Bij een risicogestuurde herbeoordeling kunnen écht problematische stoffen juist sneller beoordeeld worden ten opzichte van nu. Het speelt ook capaciteit vrij voor snellere toelating van groene middelen.

De wetenschapstoets is kritisch, maar kortzichtig. De bewijslast zou van de fabrikant naar de overheid verschuiven. Dat klopt niet, bevestigt het Ctgb. De wetenschappers stellen daarop dat de bewijslast voor het starten van herbeoordeling wél naar de overheid verschuift. Ja, dat is iets anders. Klopt het dat Brussel op basis van de risicoanalyse de bevoegdheid heeft om een herbeoordeling te vereisen zonder een sluitende bewijslast? De risicoanalyse moet op orde zijn. Wetenschappers en het Ctgb pleiten voor een Europees signaleringssysteem. Hoe gaat de staatssecretaris dit inbrengen? Hoe worden de criteria voor het starten van een herbeoordeling uitgewerkt?

Het voorstel kiest voor een risicogestuurde herbeoordeling op stofniveau. Hoe is dat te rijmen met het handhaven van de periodieke herbeoordeling van middelen door lidstaten? Ingebrachte nieuwe informatie over de werkzame stof moet dan alsnog op nationaal niveau worden gewogen. Ik vrees voor onduidelijkheid en vertraging. Het Ctgb pleit ook op middelniveau voor een risicogestuurde herbeoordeling. Gaat de staatssecretaris hierop inzetten? Wetenschappers adviseren om bij biologische gewasbeschermingsmiddelen te zorgen voor classificatie ten behoeve van een "green lane"-beoordeling. Pakt de staatssecretaris dit op? Het Ctgb waarschuwt ervoor dat er ook breedwerkende natuurlijke giftige stoffen onder deze biocontrolmiddelen vallen. Die verdienen een aparte behandeling. Gaat de staatssecretaris hiervoor pleiten, vraag ik hem.

Verder wil Brussel de importtoleranties schrappen voor residuen van in de EU verboden gewasbeschermingsmiddelen. Dat is een begrijpelijke inzet, die wel grote gevolgen kan hebben voor bijvoorbeeld groente- en fruitimport. Gaat de staatssecretaris aandringen op een impactassessment op dit onderdeel? De omstandigheden en de risico's van middelen zijn niet een-op-een vergelijkbaar. Wat de SGP betreft ligt de focus op teelten, waarbij sprake is van internationale concurrentie.

Zoals ik in het begin heb gezegd, is er meer nodig. De SGP maakt zich zorgen over de in het verleden aangescherpte beoordelingscriteria. Er wordt niet langer rekening gehouden met het gebruik in de praktijk, maar er wordt alleen gekeken naar het potentiële gevaar van een stof, los van de dosis. Zet de staatssecretaris in op aanpassing, vraag ik hem. Zet hij ook in op het meewegen van het gebruiksprofiel en de praktijkrisico's? Bij het gebruik van precisietechnieken zou er in ieder geval ruimte moeten zijn om een breder palet aan gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Zet hij daarop in?

Tot zover, voorzitter.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Het is me niet helemaal duidelijk waar de SGP precies staat. Aan de ene kant zegt de SGP: het is een goed voorstel. Zo beluister ik de heer Flach. We hebben net ook partijen horen zeggen dat het nog niet goed genoeg is en dat ze de staatssecretaris gaan vragen om te onderhandelen over aanscherping. Is de SGP van mening dat dit voorstel te ver gaat? Wat vindt de SGP er dan van als de staatssecretaris het verder aan gaat scherpen, zoals GroenLinks-PvdA en andere fracties zouden willen?

De heer Flach (SGP):

Ik heb letterlijk gezegd dat de SGP de inzet op twee punten waardeert: op de risicogestuurde herbeoordeling en op de versnelling van de toelating van groene middelen. Die inzet zien wij terug in de herinrichting van het systeem, maar er is meer nodig. Dat heb ik vervolgens in bijna drie pagina's opgesomd. Ik denk niet dat ik van de voorzitter de ruimte krijg om dat te herhalen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dat hoeft ook niet. Volgens mij zijn we het sowieso eens over die groene middelen. Daar hoeven we bij wijze van spreken niet eens een motie over in te dienen, want dat is Kamerbreed. Het gaat juist over de vraag of je wil dat er meer borging van de risico's komt, zoals wij bepleiten, of dat je vindt dat het eigenlijk allemaal te streng is. In dat laatste geval kom je met een hele lijst, die je niet gaat herhalen, en vind je dat er versoepelingen moeten plaatsvinden ten opzichte van het huidige voorstel.

De heer Flach (SGP):

Ik heb al vaak aandacht gevraagd voor de verstopping van het systeem van de toelating van middelen, waardoor er te weinig capaciteit is voor de beoordeling van de toelating van nieuwe middelen en er heel veel tijd kwijt was aan herbeoordelingen. Door nu meer risicogericht te gaan inzetten, wordt er capaciteit vrijgespeeld. Dat vinden wij heel positief. Daarmee ben je er nog niet. Ik heb wat gezegd over die biocontrolmiddelen. Die kun je niet allemaal over één kam scheren. Daar zul je ook naar moeten kijken. Waar zit het initiatief voor zo'n herbeoordeling? Kan Brussel daar zomaar mee starten, zonder bewijslast? Dat zijn nog onduidelijkheden in het voorstel die wij graag ingevuld of aangescherpt zien, maar de algemene lijn steunen wij wel.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik vind die vermenging — de heer Flach doet dat niet alleen; dat zie je door het hele voorstel heen — van "er is een gebrek aan capaciteit om middelen snel goed te keuren", waarbij met name die groene middelen als voorbeeld gegeven worden, en de aanpassing en deregulering van de Omnibus … Die worden op één hoop gegooid. Je kan ook, net als mijn collega van de SP net, zeggen: er moet gewoon geld en capaciteit bij, want dan kom je ook tot een snellere beoordeling. Hoe staat de SGP daarin?

De heer Flach (SGP):

Het een hoeft het ander niet uit te sluiten. Wij hebben eerder inderdaad al gepleit voor meer capaciteit voor beoordelingen. Tegelijkertijd ben ik ook wel gecharmeerd van de nuchtere houding dat we ons vooral moeten focussen op het risicogericht benaderen. Dat hebben we onlangs ook gezien bij hoe de NVWA te werk wil gaan. Ga nou risicogericht controleren en zorg dat je niet bezig bent met middelen die je steeds maar aan het beoordelen bent. Gooi ook geen oude schoenen weg, voordat je nieuwe hebt. Die nuchterheid in het voorstel van de Europese Commissie verrast me eigenlijk wel.

Mevrouw Beckerman (SP):

Helemaal aan het begin van het debat ging de heer Flach het lid Kostić interrumperen over woordkeuze. Nou ben ik zelf helemaal niet zo van die debatjes over woordkeuze, maar nou viel me iets op in de woordkeuze van de heer Flach, namelijk dat hij het woord "kortzichtig" gebruikte bij iets wat de wetenschappers van de wetenschapstoets hebben gezegd. Die wetenschappers hebben vrijdag ook toegelicht waar ze op doelen. Het gekke is dat de heer Flach net, in antwoord op mevrouw Bromet, precies dezelfde zorg uitsprak als die wetenschappers hebben uitgesproken. Waarom dan kiezen voor zo'n woord, "kortzichtig"? We hebben het hier namelijk wel over wetenschappers die voor ons dit werk hebben gedaan.

De heer Flach (SGP):

Ik heb verder niet veel over die wetenschappers gezegd. Ik heb daar de classificatie "kortzichtig" aan gegeven. Dat betekent dat je bepaalde elementen niet in beeld hebt gebracht. Als ik gewoon even kijk naar de reactie van het Ctgb op die wetenschapstoets: die is niet mals; daar zijn best stevige kritiekpunten op. Daarmee is "kortzichtig" volgens mij een hele milde classificatie daarvan. Dat neemt niet weg dat ik misschien best bepaalde zorgen kan delen. Dat is de achtergrond van het gebruik van dit woord.

Mevrouw Beckerman (SP):

Het Ctgb gaat ook heel erg ver mee in de kritiek van de wetenschapstoets. Het interessante is dat de heer Flach zegt: ja, maar die wetenschapstoets is eigenlijk beperkt en heeft niet alles in beeld gebracht. Ik denk dat we daar een gedeelde grond hebben. Daar kunnen wetenschappers uit de wetenschapstoets niet zo veel aan doen. Volgens mij is het probleem veel fundamenteler, namelijk dat de Europese Commissie niet heeft gekozen voor een impactassessment. We zien nu dat dit voorstel, ongeacht of je voor- of tegenstander bent, wel heel snel wordt doorgedrukt. Zouden we, omdat we hier misschien een gedeelde grond vinden dat we aspecten missen, maar ook dat er geen impactassessment is, daar niet méér een pas op de plaats in moeten maken?

De heer Flach (SGP):

Ik heb ook aangedrongen op een impactassessment op in ieder geval de importimpact — met name dat. Wat mij betreft ligt er met de wetenschapstoets én de reactie van het Ctgb én de brief van het kabinet voldoende om daar nu besluiten over te nemen. Ik heb verder geen behoefte aan nog meer onderzoek.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Flach. Dan is het woord aan de heer Goudzwaard voor zijn inbreng namens JA21 in eerste termijn.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dank u, voorzitter. De boeren zien het aantal mogelijkheden om gewassen te beschermen tegen ziekten en plagen steeds meer slinken. Door bijvoorbeeld klimaatverandering nemen ziekten en plagen toe, terwijl het aantal toegelaten werkzame stoffen juist afneemt. Bij hoge ziektedruk in een nat jaar hebben boeren straks niet meer genoeg instrumenten om ziekten onder controle te houden. Natuurlijk zijn er ook lichtpuntjes binnen onze sector zichtbaar, want onze sector investeert steeds meer in groene alternatieven — dat juicht JA21 van harte toe — en precisielandbouw. Die ontwikkelingen verlagen kosten en beperken de impact op mens en milieu. Maar daarmee alleen gaan onze ondernemers het niet redden, want het pijnpunt is al enige tijd geleden gelokaliseerd.

Binnen de Europese Unie kan de toelating van nieuwe gewasbeschermingsmiddelen oplopen tot wel tien jaar, terwijl andere landen een dergelijk traject binnen twee jaar kunnen afronden. Hierdoor blijven telers binnen de EU langer aangewezen op bestaande middelen dan nodig is. Dat gebeurt terwijl innovatieve en groene alternatieven vaak al in ontwikkeling zijn, maar veel en veel te traag beschikbaar komen. Tel daar de hoge energiekosten, de hoge administratieve lasten, de strengere milieueisen en de hogere arbeidskosten nog eens bij op. Wel, dan is het bijna een prestatie van formaat dat onze ondernemers nog steeds in staat zijn om te concurreren. Dit Europese initiatief is daarom meer dan welkom. Los van de eerdergenoemde ballast waarmee de Nederlandse regering onze agro-ondernemers opzadelt, raakt dit namelijk niet alleen de concurrentiepositie van boeren, maar ook de strategische voedselproductie van Europa zelf.

JA21 steunt de koers van deze Omnibuswet: minder bureaucratie, snellere toelatingen en een betere toegang tot innovatieve, groene gewasbeschermingsmiddelen zijn hard nodig om concurrerend te blijven. Wel is het belangrijk dat de nieuwe systematiek rondom herbeoordelingen zorgvuldig wordt ingericht. De Europese Commissie wil af van automatische volledige herbeoordeling op vaste momenten en meer inzetten op risicogerichte monitoring. Dat kan efficiënter werken, maar vraagt wel om duidelijke criteria en snelle opvolging wanneer risico's zich voordoen. Daarom enkele vragen aan de staatssecretaris. Welke typen signalen of wetenschappelijke inzichten kunnen aanleiding zijn voor een dergelijke herbeoordeling? Hoe wordt geborgd dat nieuwe risico's snel genoeg worden opgepakt? Kan de staatssecretaris ook toelichten hoe deze aanpak enerzijds ruimte geeft aan innovatie en anderzijds een deugdelijk beschermingsniveau voor mens, dier en milieu overeind houdt?

Voorzitter. JA21 wil van de staatssecretaris ook graag duidelijkheid over de koers van het kabinet rondom het convenant gewasbescherming, want recente ontwikkelingen in Friesland laten zien dat handhavingsverzoeken rondom gewasbescherming nabij Natura 2000-gebieden opnieuw kunnen leiden tot juridische onzekerheid en eventuele nieuwe vergunningsproblemen. Het kabinet werkt nog aan landelijke afspraken via het convenant gewasbescherming, terwijl provincies onder druk van juridische procedures en rechterlijke uitspraken eigenlijk al richting bepaalde extra beperkingen bewegen, nog voordat werkbare alternatieven beschikbaar zijn voor boeren. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat provincies vooruitlopend op dat convenant eigen kaders en beperkingen gaan invoeren, waardoor er opnieuw een vergunningschaos kan ontstaan rondom Natura 2000-gebieden en gewasbescherming?

Voorzitter. Als Brussel ervoor zorgt dat oude middelen verdwijnen, dan moet Brussel ook zorgen dat alternatieven tijdig beschikbaar komen, want anders jaag je simpelweg productie Nederland uit door de creatie van weer een ongelijk speelveld. Wat JA21 betreft is een systeem dat tien jaar nodig heeft voor een herbeoordeling, niet automatisch veiliger; het is vooral bureaucratischer. Boeren vragen ook geen vrijstelling van regels; zij vragen een systeem dat werkt. Wij vragen aan de staatssecretaris om alles op alles te zetten om een tekort aan beschikbare gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen en de voortgang van het Food and Feed Omnibuspakket te steunen.

Dank u wel, voorzitter.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Zoals mijn collega van JA21 schetste, is er ook heel veel niet bekend. Laten we even teruggaan naar het verbinden dat we net samen probeerden te doen. Volgens mij hoorde ik mijn collega net in een interruptiedebatje zeggen dat hij ook goed kijkt naar de wetenschappers. Dan is mijn vraag, ook gezien zijn woorden over dat de gezondheid goed moet worden geborgd, of het eindresultaat ook getoetst moet worden door de wetenschappers onder leiding van het kabinet.

De heer Goudzwaard (JA21):

Ik kijk natuurlijk heel erg uit naar de beantwoording van de vragen die wij de staatssecretaris hebben voorgelegd. JA21 wil heel erg graag dat het Omnibuspakket wordt aangenomen. Wij zien dat de concurrentiepositie van Nederlandse telers onder druk staat. Wij zien ook de wil van deze mensen om te vergroenen, maar dat moet wel hand in hand gaan met een verantwoord beschermingsniveau. Ik heb daarom ook een aantal vragen gesteld aan de staatssecretaris. Het is zo dadelijk aan de staatssecretaris om daarop antwoord te geven. Vervolgens gaan wij kijken hoe wij dat moeten interpreteren.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik hoor dus een ja. JA21 is dus ook geïnteresseerd in wetenschappelijke adviezen over het eindresultaat en specifiek over het punt van de gezondheid. Dat is fijn.

Dan nog even over een ander, misschien net zo belangrijk punt: de kosten. Normaal gesproken vraagt iedereen als we hier wet- en regelgeving maken: "Maar wat gaat het de belastingbetaler uiteindelijk kosten? Hoe gaan we dat voor elkaar krijgen?"

De voorzitter:

Uw vraag.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik heb meerdere malen gevraagd wat de kosten zullen zijn, maar dat is nog niet in beeld gebracht. Daar kan de staatssecretaris niks aan doen; de Europese Commissie heeft dat gewoon niet goed gedaan. Ook op dat punt is mijn vraag: wil JA21 samen met ons optrekken om de staatssecretaris op te roepen te zorgen dat die kosten in ieder geval voor het volgende debat hierover zo veel mogelijk in beeld worden gebracht?

De heer Goudzwaard (JA21):

JA21 is natuurlijk een groot voorstander van zo veel mogelijk transparantie over kosten, maar volgens mij gaat dit Omnibuspakket ons ook heel veel geld besparen. Wellicht begrijp ik lid Kostić een beetje verkeerd. Ik weet niet precies op welke kosten lid Kostić nou precies doelt. Wellicht zou u dat kunnen toelichten.

De voorzitter:

Tot slot.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Jazeker. Ten eerste: er is geen enkel bewijs dat dit ons kosten gaat besparen. Dat is iets wat de Europese Commissie zegt, maar dat zegt ze dus ook over gezondheid. Zoals niet alleen het kabinet, maar ook wetenschappers terecht zeggen, is daar tot nu toe onvoldoende bewijs voor. Er is dus geen bewijs dat het tot kostenvermindering gaat leiden. Sterker nog, wetenschappers die we in de Kamer hebben gesproken, zeggen: "Pas op, het gaat waarschijnlijk meer capaciteit vergen, ook in de monitoring. Zorg dat je de kosten scherp krijgt." Is JA21 dus in ieder geval bereid om de staatssecretaris op te roepen om die scherp te krijgen? Het kan zijn dat het resultaat is dat het ons geld gaat besparen, maar dan hebben we het in ieder geval goed in beeld met elkaar.

De heer Goudzwaard (JA21):

Daar wil ik zeker in meegaan. Ik wil daarbij nog wel even kort zeggen dat de Europese Commissie en het Ctgb natuurlijk ook enorm veel kennis huisvesten. Daarmee kom ik, denk ik, ook even terug op ons eerdere korte debatje. Ik had het nog even opgezocht: zij herbergen ook allerlei ecotoxicologen, toxicologen, specialisten blootstelling aan chemische stoffen, artsen en aquatische ecologen. Die wil ik ook niet allemaal wegzetten alsof ze niks voorstellen. Ik geloof dus heel erg in de aanbevelingen van die partijen. Ik geloof heel erg dat we echt kosten kunnen reduceren en ook naar een groene landbouw- en teeltsector toe kunnen werken. Aan de andere kant snap ik natuurlijk ook uw verzoek, dus ja, ik denk dat we elkaar daar wel in kunnen vinden.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Podt.

Mevrouw Podt (D66):

Sorry, voorzitter, ik was even op zoek naar het voetpedaal. Ik heb wel waardering voor de zoektocht van de heer Goudzwaard naar hoe we dat herbeoordelen moeten doen. Hij stelt een aantal, ik denk heel terechte, vragen aan de staatssecretaris. Ik zie alleen een probleem en dat probeerde ik in mijn spreektekst ook een beetje neer te zetten. Het mooie van de herbeoordeling die we nu hebben, hoe je verder ook denkt over het tempo waarin dat gebeurt, is dat het ons de kans geeft om opnieuw te testen in een lab. Het geeft ons ook de kans om de kennis van de afgelopen tien jaar die we wetenschappelijk opnieuw hebben opgedaan mee te nemen en om signalen uit de buitenwereld mee te nemen.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Podt (D66):

De heer Goudzwaard zegt nu: we moeten die signalen uit de buitenwereld gaan oppikken. Maar het lastige is natuurlijk dat de middelen die de afgelopen tijd zijn gevonden, die alsnog uit de markt zijn gehaald als gevolg van herbeoordelingen, ook best vaak middelen zijn die in eerste instantie als laagrisicomiddel zijn beoordeeld. Die worden dus niet aan de voorkant geflagd.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Podt (D66):

Als u dan zegt dat u dat verantwoorde beschermingsniveau wil behouden, dan zit hier wel een probleem. Bent u dat met mij eens?

De heer Goudzwaard (JA21):

Ja, ik zie wel een beetje waar de schoen wringt en waar dat ongemak bij u zit. Ik heb daar zelf ook wel mee geworsteld, om heel eerlijk te zijn. Natuurlijk vraag ik mij dan zelf ook af: kun je in een maatschappij leven waarin nul risico's zijn? Volgens mij hebben wij als Nederland al heel veel zaken gewoon heel erg goed voor elkaar en goed geborgd, ook op het gebied van veiligheid, in allerlei facetten. De vraag is of wij dat tot nul kunnen reduceren. Dat is een heel lastige vraag. Ik denk van niet. Ik heb de adviezen gelezen van de andere partijen, van de Europese Commissie, van een partij als LTO, van het Ctgb en van andere onderzoekers. Mijn fractie vindt dat we op dit moment een verantwoord risico nemen, gezien wat we er allemaal voor terug zouden kunnen krijgen. Dat neemt niet weg dat ik natuurlijk nog een bepaalde mate van ongemak zal ervaren.

Mevrouw Podt (D66):

Ik waardeer in ieder geval dat de heer Goudzwaard dat uitspreekt. Kijk, nul risico's: nee. Ik denk dat niemand hier dat kan garanderen. Daar staan we volgens mij ook helemaal niet voor. Maar de heer Goudzwaard had het net, ik denk terecht, over het concurrentievermogen. Een van de dingen waar Nederland in de wereld, internationaal, om bekendstaat, is onze hoge standaarden, ook op het gebied van voedselveiligheid en milieu. Daar moet je natuurlijk aan blijven werken. Dat zei ik ook in mijn spreektekst. Bent u dat met mij eens?

De heer Goudzwaard (JA21):

Ik onderschrijf dat helemaal. Ik onderschrijf het helemaal. Dus die ambitie zul je moeten hebben. Tegelijkertijd vind ik het gewoon niet te verantwoorden richting onze agro-ondernemers, die al heel wat voor hun kiezen krijgen, zoals de Kaderrichtlijn Water, stikstof en alle gevolgen daarvan, dat Brazilië, Amerika of Canada twee jaar doen over bepaalde procedures, terwijl wij er tien jaar voor nemen. Dan is dat level playing field niet in de haak. Dat lijkt mij ook niet iets wat we zouden moeten nastreven. Ik vraag me af hoe mevrouw Podt daarnaar kijkt. Dat is volgens mij de reden waarom dit initiatief er is gekomen. Nu komt de Europese Unie snel met een adequaat pakket. Dan lijkt het alsof dat ook weer niet goed is. Daar heb ik toch best wel wat moeite mee, om eerlijk te zijn. Laat ik het daarbij houden.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Podt (D66):

Ja, de worsteling, de worsteling … Het probleem is denk ik ook een beetje — u gaf dat eerder ook al aan — dat snel met een adequaat … Nou, "snel" is gelukt, maar ik denk dat we allemaal een beetje twijfelen aan "adequaat". Dat is volgens mij het probleem. Daar moet deze staatssecretaris mee op pad.

De heer Goudzwaard (JA21):

Ik onderschrijf het helemaal. Ik heb het net ook al gezegd en ik zal het nogmaals zeggen: wij kijken gewoon heel erg uit naar de antwoorden van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Jansen voor zijn bijdrage namens de PVV.

De heer Chris Jansen (PVV):

Voorzitter. Vandaag bespreken we een pakket maatregelen uit Brussel dat ons wordt verkocht als een vereenvoudiging. Wie de kleine lettertje leest, ziet al snel dat deze Food and Feed Safety Simplification Omnibus allesbehalve een verbetering is voor Nederland. Voor de PVV staat één principe als een paal boven water: onze nationale soevereiniteit. Wij geloven in een zelfstandig en waardig Nederland dat de regie voert over zijn eigen voedselketen, zijn eigen veiligheid en zijn eigen toekomst, iets waar andere landen soms minder capabel in lijken te zijn. Dit Brusselse voorstel dreigt die regie echter volledig bij ons weg te halen. Nederland verliest de controle op de veiligheid van middelen. De Europese Commissie wil het mandaat om risico's te beoordelen simpelweg overhevelen naar Brussel, zonder dat er garanties zijn dat er rekening wordt gehouden met de specifieke belangen van onze Nederlandse boeren en burgers. Dit kabinet strompelt daar vaak gedwee achteraan.

Voorzitter. Wat de PVV betreft laten we ons de wet niet voorschrijven door ongekozen bureaucraten die de Nederlandse realiteit niet kennen. Het staat als een paal boven water dat de Nederlandse agrarische sector tot de absolute wereldtop behoort. We hebben in Nederland al een zeer streng en hoogwaardig beleid als het gaat om toelatingen en veiligheid. Onze boeren zijn geen vervuilers. Het zijn innovators. Terwijl Brussel droomt over meer bureaucratie, zijn wij in de Nederlandse praktijk allang bezig met een enorme verlaging van het volume aan gewasbeschermingsmiddelen. Alleen met hetzelfde resultaat en tegen dezelfde kosten kunnen biologische middelen dit overnemen. Er mag wat ons betreft geen middel verboden worden zonder dat er een gelijkwaardig alternatief is. Door middel van baanbrekende technieken zoals spot spraying en precisielandbouw laten onze boeren zien dat bescherming van gewassen hand in hand gaat met efficiëntie en goede zorg voor de leefomgeving. Dít is de weg naar voren: innovatie in plaats van beperkingen. We moeten onze boeren de ruimte geven om deze voortrekkersrol op het wereldtoneel te blijven vervullen. Dat is onze verantwoordelijkheid voor de Nederlandse en wereldwijde voedselzekerheid. Nederland voedt de wereld. Dat kan alleen als onze boeren toegang houden tot een werkbaar en effectief middelenpakket.

Voorzitter. Dit EU-voorstel schiet op fundamentele punten tekort. Het creëert een ongelijk speelveld tussen nieuwe en reeds toegelaten stoffen. Het vertraagt innovaties van nieuwe, groene middelen waar de sector juist om vraagt. Het verschuift de bewijslast weg van de producenten. Dat leidt tot een onwerkbare situatie voor de uitvoerende instanties. Zelfs experts waarschuwen dat dit pakket helemaal niet leidt tot minder werkdruk, maar juist tot meer administratieve lasten en langere procedures. Daar willen vele kabinetten al langere tijd van af. Of denkt dit kabinet daar soms anders over?

De PVV is van mening dat we de regeldruk voor onze ondernemers moeten verlagen, en dat we die niet moeten verhogen onder het mom van versimpeling. De PVV eist dan ook dat de staatssecretaris in Brussel een streep zet. Wij accepteren geen bepalingen die onze eigen beoordelingsvrijheid inperken of die leiden tot een verslechtering van het vestigingsklimaat voor onze boeren. Nederland moet zelf kunnen bepalen welke middelen veilig en noodzakelijk zijn voor onze unieke polderstructuur. De PVV blijft kiezen en zich inzetten voor een koers van vertrouwen in onze boeren, voor inzet op technologische innovatie en bovenal voor het behoud van onze eigen zeggenschap. Stop met het braafste jongetje van de klas zijn en wordt eens een verstandige volwassen man, die eindelijk eens kiest voor het Nederlandse belang.

Dank u wel.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

In het verleden was er eigenlijk altijd vrij snel een meerderheid te vinden in de Kamer als het ging over het verbieden van bijvoorbeeld glyfosaat. Door gemeentes mag dat niet meer gebruikt worden. De PVV hielp partijen als de Partij voor de Dieren en GroenLinks-PvdA dan vaak aan een meerderheid, omdat zij opkwam voor de burger. Ik hoor de PVV nu eigenlijk alleen maar over het bedrijfsleven, over de boeren en over het belang van het gebruik van die middelen. Waar is dat belang van de burger eigenlijk gebleven? Is de burger die zich zorgen maakt over zijn gezondheid en over het uitsterven van insecten helemaal uit beeld bij de PVV?

De heer Chris Jansen (PVV):

Deze vraag is natuurlijk te zwart-wit, want de veiligheid van onze inwoners is voor de PVV juist heel belangrijk. Tegelijkertijd moet je ook bekijken wat de gevolgen zijn op het moment dat je middelen gaat verbieden terwijl er nog geen gangbaar alternatief is. We hebben net het debat met mevrouw Van der Plas gezien over de sterfte in Ierland. Dat kan nog steeds ook gewoon in Nederland gebeuren. Op het moment dat wij bepaalde gewassen niet meer kunnen beschermen, gaan we slechte of misoogsten krijgen. Op dat moment krijgen we misschien wel import uit andere landen, waarbij we totaal geen zicht hebben op wat daar gebeurt. Het gaat dan om landen in Midden-Amerika, Zuid-Amerika, Afrika en het Verre Oosten. Daar wil je helemaal niet van afhankelijk zijn. Je moet uiteindelijk dus zorgen dat je binnen Nederland en Europa hier op een goeie manier mee omgaat. Dan kom je ook bij een paar andere facetten die al in het onderlinge debat aan de orde zijn gekomen. Het is niet zo dat onze boeren dit middel heel veel wíllen gebruiken. Ze móéten het af en toe gebruiken. Als er een groen alternatief is, willen ze dat heel graag gebruiken, maar dat is er niet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Er zijn een heleboel opmerkingen die vragen om een aparte discussie. Daar ga ik allemaal niet op in. Er wordt altijd gezegd dat er geen alternatief is, maar er is wel een alternatief. Dat is namelijk de biologische landbouw, waarin deze middelen niet gebruikt worden. Die boeren zijn vaak heel gelukkige boeren, die prachtig voedsel produceren. Wil de PVV dat dan niet onderschrijven, in het kader van die zorgen van de burger?

De heer Chris Jansen (PVV):

Als biologische landbouw kan wedijveren met de normale landbouw, is dat prima. Daar ligt alleen vaak de crux. Kijk naar de biologische producten in de schappen in de supermarkt. Die zijn vaak fors duurder dan de andere producten. Daar heb je dus een probleem. Als GroenLinks-PvdA daar een oplossing voor weet, sta ik daar zeker voor open.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dat is mooi, want bij het begrotingsdebat hebben we met de minister daarover van gedachten gewisseld. Op initiatief van GroenLinks-PvdA komt hij nog voor de zomer met een plan. Ik hoop dan ook op steun van de PVV.

De heer Chris Jansen (PVV):

We wachten het rustig af.

De voorzitter:

Lid Kostić, kort en bondig.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter, dit is mijn tweede ronde van interrupties. Ik zou dus graag die tijd even nemen.

De voorzitter:

Ze duren gemiddeld een minuut. We hadden 30 seconden afgesproken; dan zijn ze onbeperkt.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik probeer het een beetje te compenseren.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ten eerste heeft de PVV ons inderdaad gesteund bij een motie waarin werd verzocht dat Nederland glyfosaat van de markt haalt en verbiedt. Ik hoop dus dat de PVV na dat verstandige besluit nu niet opeens gaat draaien. Wat ik vandaag nog meer voor verstandigs hoor van de PVV, is dat de PVV doorziet dat ons vanuit Brussel inderdaad in rap tempo en op kosten van de belastingbetaler hele slechte voorstellen door de strot worden gedrukt. Die voorstellen komen niet ten goede aan de boeren en niet aan de gezondheid van onze burgers. Daar wil ik de PVV voor complimenteren. Mijn vraag is dan: stemt de PVV tegen het Omnibusvoorstel? Is de PVV daar in de huidige vorm dan tegen?

De heer Chris Jansen (PVV):

Als ik kijk naar de plussen en de minnen in het voorstel, zie ik op dit moment meer minnen dan plussen. Ik zal dus niet voor het voorstel stemmen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat is dan weer zo'n verstandig besluit van de PVV, zou ik zeggen. Als laatste wil ik nog zeggen dat we hier in de Kamer en in Brussel niet weten waar we uiteindelijk op uitkomen. Is de PVV het met ons eens dat we als Kamer op z'n minst het recht hebben om inzichtelijk te krijgen wat het onze belastingbetaler gaat kosten? Kunnen we dat samen aan de staatssecretaris vragen?

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik denk dat het altijd goed is om te zien wat het ons kost. Als dat inzichtelijk kan worden gemaakt, wil ik dat heel graag zien. Aan de andere kant zijn waarschijnlijk niet alle kosten inzichtelijk te maken. Je praat namelijk over heel veel neveneffecten. Je kunt dan bij wijze van spreken over alles wat wij hier bespreken een hele waslijst aan kosten opstellen. Wel ben ik het met het lid Kostić eens dat het goed zou zijn als we daar meer inzage in hebben.

De voorzitter:

Tot slot.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Tot slot. Dat is opnieuw een goed, mooi en verstandig besluit van de PVV. Ik denk namelijk dat de basis van heel veel wet- en regelgeving is om te kijken wat we wel aan kosten in kaart kunnen brengen. Dat doen we dan ook en dat vinden we belangrijk. Dat is dus opnieuw fijn en ik zal de PVV straks opzoeken om daarin samen op te trekken.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik ben daar blij mee, want het blijkt toch dat de PVV niet draait, zoals een aantal collega's hier suggereren en denken.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Jansen. Het woord is aan mevrouw Den Hollander, de laatste spreker van de zijde van de Kamer in de eerste termijn van dit debat. Zij spreekt namens de fractie van de VVD.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Voorzitter. Er is in de afgelopen maanden al veel gezegd over de Food and Feed Safety Simplification Omnibus. Al voordat deze officieel uitkwam, zijn er zorgen ontstaan naar aanleiding van een uitgelekte versie. Er werden direct standpunten ingenomen en voor- en tegenstanders hebben zich uitgesproken. Als woordvoerder ben ik in de afgelopen periode in gesprek gegaan met diverse partijen. Ook hebben wij via de mail bijzonder veel informatie toegezonden gekregen. De meningen over dit Omnibusvoorstel lopen stevig uiteen. Nu is het aan ons als politiek om al deze meningen, analyses, inzichten en uitspraken te wegen en te komen tot een advies aan dit kabinet waarmee het de Nederlandse Staat gaat vertegenwoordigen in Brussel. Er zijn vanavond al veel fracties aan het woord gekomen en er is al veel gezegd. Ik wil niet in herhaling vallen en zal mijn inbreng dan ook kort houden.

Voorzitter. De VVD is van mening dat er goede kanten zitten aan het Omnibusvoorstel. Denk aan het verminderen van regeldruk en administratieve lasten, het mogelijk maken van innovatieve concepten zoals fermentatie met genetisch gemodificeerde micro-organismen en het versnellen van de markttoegang voor biocontrolmiddelen. Dit is belangrijk voor boeren om sneller toegang te krijgen voor duurzame alternatieven voor traditionele chemische middelen. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat zulke green lanes snel en wetenschappelijk zorgvuldig worden ingericht?

We zien echter ook bepaalde zaken in het Omnibusvoorstel die ons zorgen baren. De VVD neemt zowel de aanbevelingen uit de EU-wetenschapstoets als de inbreng van het Ctgb serieus. We zien dat het kabinet deze zaken ook meeneemt in de reacties richting de Kamer. We hebben daarmee veel vertrouwen in de inzet van deze staatssecretaris om die zorgen op een juiste manier te adresseren in Brussel en uiteindelijk te komen tot een goede afweging.

Voorzitter. Als we het voorstel in één zin zouden moeten beoordelen, is een reactie die wij gisteren nog hebben ontvangen eigenlijk de mooiste samenvatting: borg de bescherming en versnel de alternatieven.

Dank u wel.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik had niet verwacht dat mevrouw Den Hollander zo snel zou zijn, voorzitter. Eén vraag. Mijn collega van de VVD had het over genetische modificatie. Nou ben ik afgelopen donderdag op bezoek geweest bij Agrico Research in Emmeloord. Zij zijn een heel grote speler op de aardappelmarkt. Zij gaven aan dat ze op jaarbasis 225.000 stekjes hebben, om het maar even zo te noemen. Na acht jaar blijven er uiteindelijk misschien drie à vier over die daadwerkelijk op de markt komen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Chris Jansen (PVV):

Mijn vraag is als volgt. Een van de grootste dingen waar zij tegenaan liepen was onvoldoende geld. Zij gaven aan: als wij meer middelen zouden hebben, zouden we deze processen ook kunnen versnellen. Uiteindelijk is het bij hen gewoon een kosten-batenafweging. Staat de VVD ervoor open om daar eventueel meer middelen voor te reserveren voor de hele sector, om op die manier het proces te kunnen versnellen?

Mevrouw Den Hollander (VVD):

De VVD heeft tijdens de begrotingsbehandeling een verzoek aan het kabinet gedaan om te komen tot een innovatiefonds voor juist dit soort initiatieven. Het is dan natuurlijk de vraag wat je daaruit gaat financieren. We wachten eerst op het voorstel van het kabinet waarin dat verder wordt vormgegeven. Wij denken zeker dat de toekomst in innovatie zit; dat heb ik ook in het interruptiedebat met mevrouw Van der Plas aangegeven. Je moet echter natuurlijk ook de markt de markt laten. Ik denk dat we dan echt kritisch moeten gaan kijken wat aan de overheid is en wat aan de markt is.

De voorzitter:

Kort en bondig.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dat is precies de reden dat ik deze vraag stel. Zij zeggen heel simpel: onze aandeelhouders kijken ook gewoon naar de centen. Op het moment dat er te veel geld in gaat zitten, wordt hun dus gezegd "stop daar maar mee", terwijl het op lange termijn misschien wel goed kan zijn voor de samenleving, voor de mensen en voor de ondernemers.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat is helder en dat is ook waarom ik daarstraks heb aangegeven: op het moment dat er minder middelen beschikbaar komen, is de drive om toch verder te gaan met die innovatieve technieken ook groter. Uiteindelijk moet het terugverdiend worden in de markt.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik was eigenlijk wel blij met de laatste opmerking van de VVD, dat het gaat over de borging van de gezondheid, het milieu en de effecten op dieren. Ik zal straks bij de beantwoording door de staatssecretaris ook goed opletten hoe hij denkt over die borging. Ik vroeg me af of de VVD zelf ook ideeën heeft over hoe je dat nou kan borgen, hoe je je er nou van kan verzekeren dat dat niet verslechtert.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Het is best ingewikkeld om altijd zekerheid te krijgen. Kijkend naar in eerste instantie het BNC-fiche, maar ook naar de beantwoording die in reactie op de wetenschapstoets in de laatste weken nog van de kant van het kabinet is gekomen, denk ik dat het kabinet er ook heel erg op inzet om in ieder geval te zorgen dat de bescherming niet minder wordt. Dat doen we op basis van signalen en onderzoeken die we nu ook hebben. Dat is volgens mij een heel goede inzet. Zekerheid krijg je nooit, maar we willen er wel het maximale aan doen om te zorgen dat dit geen verslechtering van de veiligheid is.

De heer Flach (SGP):

Ik hoorde mevrouw Den Hollander in een eerder interruptiedebat en ook net zeggen dat het de innovatie remt als middelen beschikbaar blijven. Je zou kunnen zeggen dat dat een economische reactie is. Tegelijkertijd zou je ook wel een enorm risico nemen als je die middelen uit de markt neemt en denkt: dan ontstaat er wel iets. Want wat nu als het niet lukt of als het middel niet wordt toegelaten? Met andere woorden, klopt die redenering wel?

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Het is belangrijk om het niet om te draaien. Ik zeg niet: laten we zo veel mogelijk uit de markt nemen om innovatie te stimuleren. De VVD staat ervoor dat je middelen die bewezen onveilig zijn, niet moet willen toepassen, waar dan ook: niet op dieren, niet in vlooienmiddelen, niet in de landbouw. Dat is een proces dat nu gaande is. Je ziet dat steeds meer middelen van de markt gaan en dat daardoor meer innovatiedruk ontstaat om alternatieven te vinden. Die alternatieven zitten in integrated crop management, in groene middelen en in genmodificatie. Dat is een mooie ontwikkeling en een goede beweging. Kun je dan nooit je oude schoenen weggooien als je geen nieuwe hebt? Dat is wat de SGP en de BBB inbrachten. Dat is een risico, maar daarmee accepteer je dat middelen die bewezen onveilig zijn, op de markt blijven. Dat vinden wij als VVD toch geen goed idee.

De heer Flach (SGP):

Dat laatste ben ik eigenlijk wel met de VVD eens. Voor middelen die bewezen onveilig zijn, is volgens mij nu al geen ruimte op de markt, maar er zijn natuurlijk ook middelen waar discussie over is, waarover in het ene rapport staat "misschien wel" en in het andere rapport "misschien niet". Daarvan zeggen wij: gooi die nou niet weg voordat je nieuwe alternatieven hebt. Maar ik denk dat het al heel erg helpt dat we duidelijk het signaal afgeven dat er voor de producenten vooral winst is in groene middelen. Dat snappen ze heel goed, denk ik. Ik zou dus toch de waarschuwing willen geven: pas ermee op om dat drukmiddel in te zetten.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat delen wij. Daarom zei ik ook: het is voor ons geen doel op zich om middelen van de markt te halen, maar als er middelen van de markt gaan, is het gevolg wel dat de innovatiekracht versterkt.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 22.00 uur en dan gaan we luisteren naar het antwoord van de staatssecretaris.

De vergadering wordt van 21.39 uur tot 22.00 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn van de zijde van het kabinet in het debat over de Food and Feed Safety Simplification Omnibus. Ik zou de staatssecretaris willen vragen langs welke lijnen hij zijn beantwoording heeft gestructureerd. Ik zou de leden willen voorstellen om interrupties te doen na afronding van ieder deelonderwerp, zodat we er enige structuur en vaart in kunnen houden. We hoeven dan in deze termijn het aantal interrupties ook niet te maximeren. Staatssecretaris, hoe heeft u uw beantwoording gestructureerd?

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Ik heb een korte inleiding. Ik begreep van u dat die niet te lang mocht zijn. Dan heb ik een viertal blokjes. Het eerste blokje gaat over het proces van dit voorstel in Brussel en bevat enkele algemene vragen over de inzet. Het tweede blokje gaat over het risicogebaseerde herbeoordelingssysteem. Het derde blokje gaat over de beschikbaarheid van groene en laagrisicomiddelen en over enkele vragen over strategische autonomie. Het vierde blokje is het blokje overig.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie waar wij vanavond over spreken is een zeer breed voorstel dat tien verordeningen en vier richtlijnen omvat. Dit pakket is voorgesteld in het kader van de versimpeling van regelgeving, een doel dat wij als kabinet ook onderschrijven. Nederland heeft in aanloop naar dit Omnibusvoorstel ook nadrukkelijk in Europa gepleit voor een betere en snellere toelating van groene middelen en laagrisicomiddelen. Dat is al jaren de beleidsinzet. Dit voorstel is daar deels een gevolg van. Het is dringend nodig dat er meer nieuwe alternatieven voor gewasbescherming op de markt komen. Vooral groene middelen en laagrisicomiddelen kunnen helpen bij een transitie naar een weerbaarder en duurzamer teeltsysteem.

Deze oproep heb ik afgelopen week ook gehoord bij het convenant voor het verminderen van het gebruik van de schadelijke gewasbeschermingsmiddelen. Het huidige toelatings- en herbeoordelingssysteem is vastgelopen. Dit zorgt voor lange wachttijden, bijvoorbeeld voor het op de markt krijgen van deze nieuwe alternatieven voor onze telers. Bovendien zorgt het vastgelopen systeem ervoor dat de herbeoordeling van werkzame stoffen vaak ook heel lang kan duren en dat er daardoor ook regelmatig procedurele herbeoordelingen plaatsvinden. Daarom hebben we een positieve grondhouding ten opzichte van een Omnibusvoorstel dat zorgt voor het van het slot halen van het probleem.

Daarbij beoog ik een duidelijk en helder gedefinieerd herbeoordelingssysteem, met een Europees georganiseerd signaleringssysteem. Uiteraard staat de veiligheid van mens, dier en milieu voorop. Dat is ook het uitgangspunt van het kabinet. Daar hoort bij dat we gewassen willen beschermen en oogsten willen verzekeren. Dat doen we voor een deel ook met gewasbeschermingsmiddelen. Het is ook de insteek in het debat van veel Kamerleden om op dit onderwerp tot elkaar te komen. Ik onderstreep het ook ten zeerste om te bekijken wat ons bindt op dit onderwerp. Dat is ook de inzet van dit kabinet. Het voorgestelde herbeoordelingssysteem in het Commissievoorstel is nog niet zoals wij het beogen. We zetten erop in om dat wel te realiseren. We gaan voor een goedwerkend signaleringssysteem en bijbehorend werkprogramma op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Ook vragen we aandacht voor bijvoorbeeld prioritaire stoffen uit de Kaderrichtlijn Water. Daarnaast zetten we ons in voor het stimuleren van groene middelen, in dit voorstel ook wel "biocontrol" genoemd, zoals door het instellen van green lanes bij de toelatingsautoriteiten.

Voorzitter. Ik zoek wel naar verbetering op een aantal onderdelen van het Omnibusvoorstel. Wij zijn bijvoorbeeld tegen het verruimen van de respijttermijnen en de te ruime definitie van biocontrol, waardoor ook stoffen met een hoger risico daar mogelijk onder kunnen vallen. Met die inzet verhouden we ons ook tot de adviezen van het Ctgb en tot de auteurs van de wetenschapstoetsen die zijn gedaan. Op basis van recente geluiden uit Brussel zal een definitief voorstel voor de Omnibus waarschijnlijk pas onder het volgende voorzitterschap komen. Dat is dat van Ierland. Het zal dus pas in kwartaal drie of vier voor besluitvorming voorkomen. Ik blijf uw Kamer uiteraard meenemen in en informeren over verdere ontwikkelingen in dit proces.

Voorzitter. Dan zijn er een aantal algemene vragen. Ik begin met een vraag van het lid Beckerman. Wat wordt de strategie van dit kabinet? "We zien dat het kabinet kritisch is, maar ook beargumenteert vanuit het huidige systeem." Onze inzet is om in Brussel ons verhaal goed in de compromistekst van de Raad te gaan laten landen. Dat doen we in eerste instantie via de Raadswerkgroepen, in het zoeken van medestanders uit andere lidstaten en het vormen van coalities voor de verschillende punten die ik net noemde. We blijven in contact met medebewindspersonen maar ook met de Eurocommissaris die daarvoor verantwoordelijk is. Het huidige systeem is vastgelopen, dus we proberen in deze onderhandelingen te komen tot een systeem dat daadwerkelijk tot verbetering leidt en de veiligheid van mens, dier en milieu bewaakt.

Voorzitter. Er was een soortgelijke vraag van het lid Kostić. Waarom zou je die regelgeving willen aanpassen? Dat komt omdat het huidige systeem ook piept en kraakt. Herbeoordelingen moeten bijvoorbeeld procedureel verlengd worden. Er zijn vaak enorme wachttijden voor de toelating van nieuwe duurzame stoffen. We hebben in Brussel al vaak aangedrongen op verandering, zodat die groene middelen ook veel sneller beschikbaar komen. Dit voorstel probeert het systeem te veranderen, zodat het van het slot komt, maar tegelijkertijd zijn er nog verbeteringen nodig.

Voorzitter. Het lid Ten Hove vroeg: wat gaat de inzet zijn om dit voorstel van de Europese Commissie om te buigen? De inzet op het Omnibusvoorstel doe ik op basis van het mandaat dat met het BNC-fiche is vastgesteld. We baseren onze inzet op moties van de Kamer, onder andere de motie van de leden Podt en Bromet en de motie van de leden Den Hollander en Bromet van maart. In het kort is de inzet dat we regelgeving versimpelen waar dat kan, zolang het veiligheidsniveau voor mens, dier en milieu blijft gewaarborgd en niet verslechterd. We doen in Brussel concrete voorstellen om het Commissievoorstel te verbeteren.

Voorzitter. Dan een vraag van het lid Bromet: kan het kabinet alle ambtelijke analyses en onderzoeken die zijn gebruikt om het kabinetsstandpunt te bepalen, in volledigheid met de Kamer delen? Enkele stukken zijn met uw Kamer gedeeld, namelijk de Ctgb-analyse en het BNC-fiche. Ik kan uitvragen of er nog andere onderzoeken en analyses zijn die we waarschijnlijk voorafgaand aan het debat over gewasbescherming met uw Kamer kunnen delen.

Voorzitter. Dan andere vragen van het lid Bromet: "Heeft het kabinet op dit moment voldoende informatie om een goede afweging te maken over de Omnibus Food and Feed? Welke informatie mist er?" We hebben genoeg informatie om een goede afweging te kunnen maken over de inzet van het voorstel. Ik heb het over wat Nederland wil bereiken. Daarbij putten we uit de adviezen van het Ctgb, gesprekken met stakeholders, interne consultaties die we hebben gedaan en de staff working document van de Commissie. Tegelijkertijd is meer informatie natuurlijk altijd goed. Als we meer informatie over het voorstel krijgen, zoals vanuit de wetenschapstoets, nemen we die uiteraard mee. Uiteindelijk zal de weging van het kabinet plaatsvinden na alle onderhandelingen, ook langs de lijnen vanuit het BNC-fiche. Aan de hand daarvan zullen we afwegen of we het voorstel kunnen steunen of niet. We zullen voorafgaand daaraan het Ctgb vragen om hun advies op het definitieve voorstel.

Voorzitter. Dan nog een vraag van het lid Bromet: "Hoe stelt het kabinet vast of aan de voorwaarden uit het fiche wordt voldaan? Op welke basis trekt het kabinet die eindconclusie?" Dat heb ik net beschreven. Het is een politiek proces, waarbij we de Nederlandse belangen wegen. We kunnen niet vooruitlopen op de vraag of die in het eindvoorstel worden opgenomen, want ik heb dat eindvoorstel natuurlijk nog niet. Tegelijkertijd heb ik net wel gezegd dat het een proces zal zijn waarin we de Kamer informeren voorafgaand aan de stemming. We zullen daarbij ook het Ctgb vragen om een laatste toetsing te doen voor ons. Dat is op basis van de tijd die er zit tussen een definitief voorstel en de stemming. We zullen de Kamer zo goed mogelijk proberen te informeren en mee te nemen voorafgaand daaraan, zodat u zich daarover nog kan uitspreken, mocht u dat noodzakelijk vinden gezien de conclusie die ik zal trekken.

Voorzitter. Ik heb hier nog een drietal vragen. Wanneer gaan we stemmen? Die vraag had ik al beantwoord. De verwachting is dat het in de tweede helft van dit jaar plaatsvindt. We zullen u voor die beslismomenten informeren.

Er zijn ook vragen gesteld over de kosten voor Nederland die mogelijk door dit voorstel gemaakt worden. De vraag was of we daar een definitieve doorrekening van kunnen laten doen. Door de Europese Commissie is in het staff working document al een overzicht gemaakt van de kosten en de gereduceerde kosten met het Omnibusvoorstel. Onze inzet is dat het veiligheidsniveau hierbij gehandhaafd blijft. We zullen op basis van de definitieve compromistekst u daar nog een aantal kwalitatieve opmerkingen over kunnen geven. Maar de inschatting vanuit de Commissie is dat het over de linie zal zorgen voor soortgelijke kosten als nu of voor een daling. Er is één stukje in het BNC-fiche waardoor er verwarring ontstaan is, denk ik. Kijk naar diervoederadditieven. Je ziet dat daar mogelijk een kostenstijging voor komt. De inzet van Nederland is erop gericht om die kostenstijging inzichtelijk te krijgen en te beperken. Daar zullen we u over informeren. De verwachting is niet dat de kosten gaan stijgen op het gebied van gewasbescherming.

Voorzitter. Het lid Bromet vroeg: is het kabinet bereid om een impactassessment te vragen? Het doen van impactassessments is niet voorwaardelijk voor de stem hierin. We zien namelijk dat er bij Omnibusvoorstellen geen impactassessments gedaan worden. We hebben het als Nederland wel gemeld in het proces. We zullen het kunnen blijven melden. De verwachting is niet dat die nog zal plaatsvinden, omdat de Commissie die eigenlijk bij geen enkel Omnibusvoorstel doet. We zien ook dat er weinig medestanders voor zijn onder de andere lidstaten.

Voorzitter. Ik rond dit blokje bijna af. Het lid Beckerman vroeg: wil het kabinet een streep trekken en zich met andere lidstaten ervoor inzetten om alle bepalingen te schrappen die leiden tot minder innovatie en lagere bescherming, en tegen het voorstel te stemmen als dat niet lukt? Zoals ik net heb aangegeven, steunen we de intentie achter het voorstel. Denk aan vereenvoudiging, groene middelen sneller op de markt krijgen en middelen zo effectief mogelijk inzetten. Tegelijkertijd zijn wij van plan om onze inzet te plegen op het borgen van de innovatie, het toelaten van die groene middelen en ook het handhaven van ten minste het huidige beschermingsniveau van mens, milieu en dier, en idealiter het verbeteren daarvan.

Voorzitter. Het lid Ten Hove heeft nog gevraagd hoe we opkomen voor de belangen van de Nederlandse sector. Het doel is om regelgeving te versimpelen om daarmee Europa competitiever te maken, zeker in de geopolitieke situatie waarin we zitten. Het kabinet weegt daarbij de belangen af van alle Nederlanders, inclusief die van de Nederlandse sector. Wat dat betreft kan dit een goed middel zijn, mits die verbeteringen inderdaad plaatsvinden. Het kan er namelijk voor zorgen dat ook onze telers sneller nieuwe middelen beschikbaar krijgen en dat ook die procedures, die nu heel lang lopen, versneld kunnen worden.

Dan kom ik bij de vraag van het lid Goudzwaard. Ik heb toch nog twee mappen; het is iets uitgebreider dan ik verwachtte. Lid Goudzwaard vroeg nog hoe er wordt geborgd dat risico's worden opgevolgd en dat er voldoende zekerheid is voor de borging van de veiligheid van mens, milieu en dier. Die vraag heb ik net al meermaals beantwoord, dus hier kan ik snel doorheen.

Lid Kostić had nog de vraag wat je in 2026 aan nieuwe wetgeving voor voedsel en bestrijdingsmiddelen hebt als het niet iets positiefs doet voor mens en milieu. Onze inzet is, zoals ik net al zei, om het beschermingsniveau ten minste gelijk te houden. Als het beschermingsniveau ten minste gelijk is en daarbovenop zal zorgen voor een versnelde toelating van duurzame middelen, dan zou het effect positiever kunnen worden. Dat is dan ook de insteek van het kabinet.

De voorzitter:

Dank u wel. Was dit het blokje proces en inzet Brussel?

Staatssecretaris Erkens:

Ja, proces, stemmingen en inzet Brussel. We komen dadelijk nog op een aantal specifieke onderdelen waar veel meer vragen over gesteld zijn.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Het is goed dat het kabinet opnieuw bevestigt dat de inzet is dat het beschermingsniveau voor gezondheid ten minste hetzelfde blijft en daarbovenop nu ook zegt dat te gaan toetsen. Ik ben ook blij om te horen dat er wordt gekeken naar hoe we dat verder kunnen verbeteren. Maar ik wil het even hebben over die kosten. De staatssecretaris zegt nu te verwachten dat daar geen hogere kosten in komen, maar kan de staatssecretaris bevestigen dat er in het BNC-fiche staat dat daar nu onvoldoende zicht op is?

Staatssecretaris Erkens:

In het BNC-fiche gaat het specifiek om die diervoederadditieven. Daar is de verwachting inderdaad dat de kosten flink zullen stijgen. Daarom zitten we daarbovenop. Tegelijkertijd is de inschatting van de Commissie op basis van de informatie die we hebben, dat de kosten gelijk blijven of zouden kunnen dalen. Natuurlijk heb je daar liever meer detail in. We zouden daar in het proces ook zeker een aantal vragen over kunnen stellen. Ik wil wel een verwachting managen: een hele doorrekening op basis van wat we hebben zal niet tot andere inzichten leiden dan die we nu hebben.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Feit is dat in het BNC-fiche staat dat diervoeder sowieso tot hogere kosten voor de belastingbetaler leidt. Van de bestrijdingsmiddelen weten we het gewoon niet. Het kan de verkeerde kant op vallen en het kan ook de goede kant op vallen. Daar is vanuit de Europese Commissie geen onderbouwing voor. Dat zien we bij andere elementen ook. Onze vraag aan de staatssecretaris is dus juist de volgende. Ik snap dat het niet met twee cijfers achter de komma kan, maar kunt u ons een zo goed mogelijk beeld geven van hoeveel het in de komende periode gaat kosten voor de Nederlandse belastingbetaler, zodat we het mee kunnen wegen? Normaal gesproken doen we dat ook met wetgeving.

Staatssecretaris Erkens:

Ik wil die verwachting managen omdat wij dat uiteindelijk niet op dat detailniveau kunnen aanleveren. Wat de kosten kunnen zijn voor Nederland hangt af van heel veel verschillende factoren. De inschatting van de Commissie is dat die impact op onze kosten neutraal of positief is. Tegelijkertijd heeft u wel gelijk; er zit een onzekerheid aan. Op momenten verderop in het proces wanneer ik uw Kamer informeer, kan ik u aangeven of ik daar nieuwe informatie over heb of dat nieuwe signalen mij bereiken. Ik ben ook bereid om die vraag aan de Commissie te stellen. Tegelijkertijd zal een volledige doorrekening daarvan uiteindelijk niet realistisch zijn in het proces dat er nog is.

De voorzitter:

Tot slot.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ten eerste dank voor de toezegging om in ieder geval aan de Europese Commissie een betere toelichting te vragen. Want nogmaals, we hebben gezien dat de Europese Commissie, ook hier in de Kamer, van alles roept maar dat vervolgens niet kan onderbouwen. Dat is zorgelijk. Maar het gaat ook om de eigenstandige verantwoordelijkheid van het kabinet, want uiteindelijk gaat het kabinet samen met de Kamer over de begroting. Het kabinet moet goed op dat budget van de belastingbetaler passen. Het is dus goed als het kabinet zich in ieder geval inzet en kijkt hoeveel dit ongeveer gaat kosten. Daar heeft het de Europese Commissie verder niet voor nodig. Nogmaals, het hoeft niet met twee cijfers achter de komma; het gaat om de beweging waardoor we in ieder geval een beter plaatje krijgen dan we nu hebben, want we hebben nu eigenlijk niks.

Staatssecretaris Erkens:

Nee, maar wat ik net heb gezegd is wel het maximale wat we hierin realistisch gezien kunnen leveren; dan heb ik het over de Commissie verzoeken of er meer inschattingen gemaakt kunnen worden. We zullen uiteraard ook aan het Ctgb vragen wat zij verwachten dat het betekent voor hun werklast als er een definitief compromisvoorstel ligt. Dat is wat anders dan een doorrekening van wat dit allemaal gaat kosten. Dat is inherent aan het Omnibusproces: je moet op dit detailniveau met elkaar uiteindelijk de politieke weging maken of je verwacht dat die inschatting realistisch is of niet. Daar kunnen wij uiteraard iets over zeggen op basis van het definitieve voorstel, maar dat is wel echt iets anders dan een doorrekening.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een vraagje over dat impactassessment. De staatssecretaris zegt eigenlijk dat dit een verloren zaak is en dat we dit niet meer voor elkaar gaan krijgen. Wat is de reden dat Brussel, of andere landen, daar geen behoefte aan hebben? Is dat omdat ze niet willen weten wat de impact is of omdat ze bang zijn voor een gebrek aan impact?

Staatssecretaris Erkens:

Dan zou ik in de hoofden moeten kruipen van alle andere kabinetten in Europa. Maar ik kan u wel vertellen dat de belangen tussen verschillende lidstaten flink uiteenlopen. Wij trekken op in verschillende coalities om op bepaalde onderwerpen de boel aan te scherpen. Er zijn natuurlijk ook lidstaten die de boel verder versoepeld willen zien. De belangen lopen dus echt behoorlijk uit elkaar. Als ik het zou weten, zou ik het u vertellen.

De heer Lohman (CDA):

Dank voor de uitgebreide beantwoording. Ik denk dat we als Kamer heel erg op zoek zijn naar een bepaalde mate van garanties en waarborgen. Het is echt een zoektocht naar hoe we ervoor kunnen zorgen dat we niet blokkeren. Er ligt nu toch een hele grote hoeveelheid vraagtekens bij u op het bord. Zou u nog één keer willen uitleggen hoe die weging tot stand gaat komen? Ik zou het namelijk jammer vinden als we dit debat over een paar weken opnieuw gaan doen. Er is eigenlijk niet één lijn te vinden in wat het Ctgb en wat de andere wetenschappers zeggen. Wat gaat er anders zijn als we over een aantal weken opnieuw dit debat hebben waarmee wij als Kamer gerustgesteld worden over het voorstel?

Staatssecretaris Erkens:

Ik kan de heer Lohman geruststellen. Nog gefeliciteerd met uw maidenspeech trouwens. Dat had ik wel in mijn inleiding staan, maar heb ik niet genoemd. Dat had ik wel moeten doen. Over een aantal weken hebben we weer een debat over gewasbescherming. Ik ga er dus van uit dat we een deel van dit debat dan opnieuw gaan voeren met elkaar. Dat stemt mij vreugdevol.

Volgens mij is het belangrijkste in dezen het feit dat de inzet vrij breed gedeeld wordt, zowel door de Kamer als door het kabinet. Als kabinet gaan we alles op alles zetten in dit proces om dat voor elkaar te boksen. Dan zal ik uw Kamer informeren over wat onze weging is op basis van het definitieve voorstel en wat onze richting zal zijn op dit voorstel. Dan kunt u zich daar nog over uitspreken.

Wat ik daarbij wil zeggen is: het zal natuurlijk niet gebeuren dat we op alle punten exact onze zin gaan krijgen, maar er zijn een aantal grotere doelen die voor ons, als kabinet, wel pal overeind staan. Eén daarvan is inderdaad het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu. Daar hadden we het net over. Dat moet niet verslechteren door het voorstel. Een risicogebaseerd systeem kan ervoor zorgen dat het verbetert, mits goed ingericht. Als het niet goed is ingericht, zitten er inderdaad grote risico's aan. Dat is een belangrijke randvoorwaarde voor ons als kabinet om dat er echt in te krijgen, net als de versnelling van de alternatieven en het mogelijk maken van innovatie. Daarnaast zijn er nog heel veel andere voorstellen in deze Omnibus waar we het vandaag niet over gehad hebben, die natuurlijk ook geraakt kunnen worden door een stem hierop. Die algehele politieke weging zal ik zo goed mogelijk proberen te maken. Ik zal proberen om u daar zo goed mogelijk in mee te nemen. Dan heeft u als Kamer natuurlijk ook nog uw zegje daarover.

De heer Lohman (CDA):

Als ik u goed beluister, hoor ik het volgende. Het blijft een politieke weging. We krijgen zullen niet wonderbaarlijk veel meer nieuwe wetenschappelijkeconsensusinformatie hebben dan nu, misschien wel iets meer. Echte garanties over het niet verslechteren voor mens, dier en milieu kan je eigenlijk nooit geven, maar u heeft voldoende vertrouwen dat wij met die nieuwe informatie tot een politieke weging kunnen komen, waarmee we niet bij voorbaat de Omnibus af hoeven te schieten.

Staatssecretaris Erkens:

Nee, politiek ben ik me sowieso bewust van alle risico's op het geven van garanties. Dat doe ik dus niet. Wat ik toezeg, is dat wij u zo goed mogelijk zullen meenemen in wat wij verwachten dat de impact is. Ik zal voorafgaand aan de stemmingen aan het Ctgb vragen om daar vanuit hun expertise een advies op te geven, zodat we ook aan de hand van die informatie met elkaar kunnen zeggen: zien we dat het risico inderdaad groot is of hebben we er met elkaar vertrouwen in dat het een verbetering is?

De voorzitter:

U vervolgt met het onderdeel herbeoordelingssysteem.

Staatssecretaris Erkens:

De mapjes worden steeds dunner, kan ik u vertellen, voorzitter. Dat vindt u misschien fijn.

Het lid Bromet had een aantal vragen. Ziet het kabinet manieren om de achterstanden bij toezichthouders terug te dringen zonder de periodieke herbeoordeling af te schaffen? Waarom zetten we daar niet op in? Een aanzienlijk deel van de achterstanden en de werklast komt voort uit de verplichte herbeoordeling, zonder dat daar altijd een wetenschappelijke aanleiding voor is. In die zin is het logisch dat we kijken naar aanpassing van het systeem. Tegelijkertijd is het wel belangrijk dat we tot herbeoordeling kunnen overgaan als daar een wetenschappelijke aanleiding toe is. Dat moet echt geborgd worden in dat nieuwe systeem. U heeft gelijk: er zijn manieren om die achterstanden ook op andere wijzen in te lopen. Eén daarvan is inderdaad het tijdelijk opplussen van de mensen die bij EFSA werken. Ze gaan daar ook naar kijken, begreep ik. Ook op die route zal ingezet worden, want zelfs met een nieuw systeem is er gewoon een enorme bulk aan achterstand die je moet inlopen met elkaar.

Voorzitter. Het lid Podt vroeg of we het ermee eens zijn dat het schrappen van de periodieke herbeoordeling in strijd kan zijn met het voorzorgsbeginsel en hoe we dat meenemen. Het voorzorgsbeginsel is op dit moment ingebed omdat in stand blijft dat alle stoffen getoetst worden op risico's voor mens, dier en milieu voordat ze op de markt komen. Dat blijft hetzelfde in het nieuwe model. Tegelijkertijd moet er dus wel herbeoordeeld worden als er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn. De inzet in Brussel is om dat te borgen en daarmee het voorzorgsbeginsel goed tot zijn recht te laten komen.

Dan een vraag van het lid Goudzwaard en de heer Flach. Welke typen signalen kunnen een aanleiding zijn voor een herbeoordeling? De wetenschap over risico's van chemische stoffen ontwikkelt zich voortdurend. Deze inzichten worden verwerkt in nieuwe Europese richtsnoeren voor de beoordeling van deze stoffen. Het richtsnoer verplicht de Commissie om een werkprogramma op te stellen voor de herbeoordeling van een groep stoffen. Denk aan een nieuw bijenrichtsnoer — daar ging het net trouwens ook al over — en de herbeoordeling van insecticiden. Als die nieuwe inzichten er zijn, moeten die meegenomen worden in de werkprogramma's, zodat de herbeoordeling niet plaatsvindt op basis van oude kennis. Uit het onderzoek kunnen ook directe aanwijzingen komen die aanleiding geven tot een herbeoordeling. Het gaat dan bijvoorbeeld over de nieuwe informatie over pfas in grondwater. Dat was een aanleiding voor het Ctgb om een aantal stoffen en middelen waar dit in zit, te gaan herbeoordelen. Dat proces loopt nu ook. Zij hebben er oog voor dat beide typen signalen goed in het voorstel geborgd worden.

Dan een vraag van het lid Bromet en de heer Goudzwaard. Waaruit blijkt de effectiviteit van de nieuwe methode en de zogenaamde werkprogramma's? Kunnen we daar meer informatie over delen? Zoals ik net al zei, moeten stoffen worden herbeoordeeld als daar een wetenschappelijke aanleiding voor is. In het voorstel gebeurt dit via werkprogramma's. Ik vind dat wij ook beter moeten vastleggen onder welke voorwaarden je dus in zo'n werkprogramma terechtkomt. Dat is op dit moment gewoon nog te onduidelijk. Een van de speerpunten van onze inzet is dus om dat te borgen. Daarin trekken we natuurlijk samen op met een aantal andere lidstaten.

Voorzitter. Dan een vraag over de effectiviteit van de werkprogramma's. Nou, die heb ik volgens mij net beantwoord. Als een signaleringssysteem wel goed in het voorstel komt, zou het mooie kunnen zijn dat je daarmee op basis van nieuwe, wetenschappelijke inzichten veel sneller tot herbeoordeling kan overgaan. Daardoor kan je juist de schadelijke effecten beperken en zou het misschien inderdaad tot een verbetering kunnen leiden van de effecten op mens, milieu, natuur en dieren. Dat zou het systeem effectiever maken, maar dat hangt wel af van de randvoorwaarde dat wij dit signaleringssysteem goed opgenomen krijgen in dit voorstel.

Hoe worden de criteria voor het starten van een herbeoordeling uitgewerkt? Dat was een vraag van de heer Flach. In het Omnibusvoorstel wordt gewerkt met werkprogramma's, waarin herbeoordelingen worden gestart voor stoffen waarvoor dit noodzakelijk wordt geacht. Er moet beter worden opgenomen hoe deze werkprogramma's worden opgesteld. Dat heb ik net besproken.

Het lid Beckerman had vragen over de voorstellen van de wetenschapstoets: behoud het voorzorgsprincipe en sta geen verlenging van een respijtperiode toe. Zijn we bereid die aanbevelingen over te nemen? Ik heb met veel interesse kennisgenomen van die wetenschapstoets. We hebben drie van de vier aanbevelingen overgenomen. Dat is inderdaad het goed borgen van de green lanes. Denk ook aan het verlengen van de zogeheten grace periods, de respijtperiode. Dat is gelukkig iets wat we in Nederland nog steeds zelf beoordelen, ook al wordt die periode opgerekt. Idealiter wil je in het kader van een gelijker speelveld dat die ook in andere landen niet opgerekt wordt. Vandaar dat we ook proberen dit uit het voorstel te krijgen en ook het voorzorgsprincipe te behouden, conform het antwoord dat ik zojuist gaf. Het enige waar we vanaf wijken, is dat we wel willen inzetten op een goed ingericht en wetenschappelijk onderbouwd risicogestuurd herbeoordelingssysteem, ook conform het antwoord dat ik eerder gaf.

Dan waren er nog meer vragen over de respijtperiode. Die heb ik net al beantwoord. Het Ctgb laat een dergelijke respijtperiode dus afhangen van de mogelijke risico's die het middel met zich meebrengt. Die bevoegdheid blijft er ook. Dan kan Nederland inderdaad ook gewoon zelfstandig het beschermingsniveau blijven waarborgen, maar idealiter staat dit niet in het voorstel.

De heer Flach vroeg: klopt het dat het op basis van een risicoanalyse …

De voorzitter:

Nee, mevrouw Beckerman, we handelen eerst even de blokjes af, dus het was niet een aansporing.

Mevrouw Beckerman (SP):

Sorry. Ik dacht dat u gebaarde: loop eens wat sneller!

De voorzitter:

Nee, mevrouw Beckerman, het spijt me, maar zo komt u wel aan uw stappen.

Staatssecretaris Erkens:

Ik ben intussen door de bulk van het blokje heen, hoor.

De voorzitter:

Bij de aanvang van de beantwoording van de zijde van het kabinet hadden we gezegd: we doen het gestructureerd, in dit geval nadat de staatssecretaris het onderdeel over het herbeoordelingssysteem heeft afgerond. Maar uw loopje zag er bijzonder interessant uit!

Staatssecretaris Erkens:

Dat kan een interessant gifje worden, toch? Dat zeg ik even tegen de collega's hier in de zaal.

De voorzitter:

De staatssecretaris doet dat zo, hoor!

Staatssecretaris Erkens:

Ja, maar die moet nu antwoorden.

De heer Flach vroeg: klopt het dat op basis van een risicoanalyse de Europese Commissie de bevoegdheid heeft om een herbeoordeling te vereisen, ook zonder sluitende bewijslast? Het klopt dat er geen sluitende bewijslast nodig is voor een herbeoordeling. Hier is de herbeoordeling juist voor. De producent is verplicht om met bewijslast te komen om te bewijzen dat zij voldoen aan de goedkeuringscriteria. De Commissie kan dit nog steeds doen, maar moet in ieder geval wel een deel van de lidstaten hierin meekrijgen. Maar er is inderdaad een bevoegdheid om dit te doen zonder het hele proces te doorlopen en die bevoegdheid blijft er ook.

De heer Flach had nog een vraag. Hij vroeg: het Ctgb pleit ervoor om ook op middelenniveau te kiezen voor een risicogestuurde herbeoordeling; gaan we hierop inzetten? Dat is ook onze inzet, maar uiteraard wel conform alle waarborgen die ik net genoemd heb.

Ik heb nog een vraag van de heer Flach. Hij vroeg: "In het voorstel wordt op het niveau van de werkzame stof gekozen voor een risicogestuurde herbeoordeling. Op middelenniveau moeten lidstaten periodiek herbeoordelen. Hoe is dat te rijmen?" Hij gaf net zelf aan dat we die systemen moeten synchroniseren, zodat ze aansluiten op elkaar. Daar kijken we inderdaad naar, omdat dit anders voor significante uitvoeringsproblemen zal zorgen bij het Ctgb, bijvoorbeeld omdat de termijnen niet op elkaar aansluiten en het daardoor misgaat. Dat kan voor problemen zorgen bij de nationale toelatingsautoriteiten, omdat bij de herbeoordeling van een middel de meest recente informatie over de werkzame stof gebruikt moet worden. Daarmee wordt de herbeoordeling van de werkzame stof door de nationale toezichthouders in feite doorvertaald naar de middelen waarin die stoffen zitten. Daarom is het ook logisch dat we de herbeoordeling van middelen blijven koppelen aan de herbeoordeling van de werkzame stoffen, zodat het in de tijd niet uit elkaar gaat lopen. Je wilt voorkomen dat je een situatie hebt waarin een stof door Europa van de markt wordt gehaald, terwijl wij het middel pas zeven jaar daarna gaan herbeoordelen.

Dan zijn er nog twee vragen van de heer Flach. "Zowel de wetenschap als het Ctgb pleiten voor een Europees signaleringssysteem. Hoe gaan we dat inbrengen?" Binnen de onderhandeling draag ik aan dat een signaleringssysteem van grote waarde is om mogelijke risico's van stoffen in beeld te brengen. Hierbij refereren we in de onderhandeling bijvoorbeeld ook aan Frankrijk, waar men al met succes een dergelijk systeem ontwikkeld heeft. Het zou ook goed zijn om dit systeem naar het Europese niveau op te schalen, ook onder de vlag van EFSA, zodat je al die kennis kan vergaren op één punt. Dan kan je op basis van dat signaleringssysteem die werkprogramma's ook goed invullen.

Dan is er nog een hele lange vraag van de SGP. "Nemen we ook een gebruiksprofiel en de risico's in de praktijk mee? Hebben we dus nog steeds ruimte voor een breder palet aan gewasbeschermingsmiddelen bij precisietechnieken en zetten we daarop in?" De gebruikte dosis van een middel maakt nog steeds onderdeel uit van de Europese beoordeling van een stof. Binnen het voorliggende voorstel blijven deze beoordelingscriteria ook intact. Bij de beoordeling van stoffen en middelen wordt daarbij gekeken naar de mogelijke risico's voor mens, dier en milieu, maar inderdaad ook de dosering en wat de impact daarvan is. Voor een aantal kenmerken wordt ook gekeken naar de gevaarkwalificatie van de stof, waarbij sommige wel al uitgesloten worden van goedkeuring aan de voorkant, omdat ze te gevaarlijk zijn. Bij andere telt de dosering inderdaad wel mee. Stoffen die bijvoorbeeld kankerverwekkend zijn, worden vooraf uitgesloten van goedkeuring hierin.

Voorzitter. Dan heb ik misschien nog één interessant feitje dat ik nog in het debat miste, maar dat ik wel zou willen delen. We hebben circa 400 werkzame stoffen die goedgekeurd zijn op dit moment op Europees niveau. Dat wordt allemaal doorvertaald naar een veelvoud aan middelen, die we zelf nationaal beoordelen. Van die 400 werkzame stoffen is inderdaad een deel uitgezonderd van het risicogebaseerde systeem. Dat gaat om drie stoffen, de zogeheten "candidates for substitution". Dat zijn stoffen waarvan de Europese Commissie eigenlijk zegt: daar wil je op termijn van af. Die worden dus nog wel gewoon periodiek herbeoordeeld. Die vallen niet onder het nieuwe systeem. Hetzelfde geldt voor stoffen met een tijdelijke goedkeuring en stoffen waar een kennishiaat bij bestaat, dus waar de wetenschap gewoon nog niet rond genoeg voor was op dat moment. Die vallen dus ook buiten het risicogebaseerde systeem, waardoor je de meest riskante stoffen op basis van de kennis die we nu hebben in ieder geval wel onder de periodieke herbeoordeling blijft houden.

De voorzitter:

Mevrouw Beckerman schrijdt naar de interruptiemicrofoon.

Staatssecretaris Erkens:

Niet rennend deze keer.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik zou niet durven, voorzitter. Is nou eigenlijk het belangrijkste argument van het kabinet tegen periodieke herbeoordeling dat het huidige systeem zulke lange wachtlijsten kent?

Staatssecretaris Erkens:

Dat is een van de argumenten. Tegelijkertijd is periodieke herbeoordeling ook niet de efficiëntste inzet van capaciteit. We zien dat er gewoon wachtlijsten ontstaan. Dat betekent dat ook de herbeoordeling van stoffen waar je misschien meer zorgen over hebt, vaak later in de tijd plaatsvindt. Daar kan je dus ook pas later op ingrijpen. Het is een systeem dat gewoon best wel bot is, waardoor we alle middelen op alles net zo stevig moeten inzetten. Een risicogebaseerd systeem zou er juist voor kunnen zorgen dat we a die middelen effectiever inzetten en b dat we misschien eerder op basis van signalen aan de slag gaan met die herbeoordeling.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik denk dat er brede consensus is van links tot rechts in de Kamer dat het huidige systeem vastloopt. Dat zeiden we net ook: capaciteitsgebrek, een gebrek aan menskracht. Tegelijkertijd zijn er ook heel veel vraagtekens bij het nieuwe systeem. Ik snap het argument dat je met risicogestuurd ook bepaalde middelen kunt prioriteren en opnieuw kunt beoordelen, maar je mist misschien ook middelen die er bij een herbeoordeling wel uitgepikt gaan worden. Ik probeer dan toch een soort middenweg te vinden. Zou je niet ook, hoewel ik voorstander blijf van periodiek herbeoordelen, af en toe middelen die misschien niet uit een risicoprofiel komen, moeten herbeoordelen of toetsen? De wetenschap is namelijk nou eenmaal ook gebaat bij dit type onderzoek.

Staatssecretaris Erkens:

Ik snap de redenatie en de vraag. Ik denk wel dat je daarmee nog steeds middelen op een niet-effectieve wijze inzet, want ik wil liever inzetten op de middelen waar wij een groter risico zien. Ik denk wel dat dit iets is wat je moet borgen in een signaleringssysteem. Bij een signaleringssysteem wil je niet alleen maar aan de hand van signalen die je ontvangt vanuit lidstaten of vanuit wetenschappers kijken naar wat je in zo'n werkprogramma stopt. Je wilt ook dat er van tijd tot tijd voor alle stoffen gekeken wordt naar de laatste academische literatuur op dat vlak. Als u zou zeggen "borg dit in een signaleringssysteem", dan ben ik het ermee eens.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Beckerman (SP):

Daarbij merken wetenschappers natuurlijk ook op dat de praktijk soms dingen laat zien die je niet wetenschappelijk verwacht. Ik vind de antwoorden van de staatssecretaris in de hele termijn eigenlijk gewoon heel goed. Alleen, het probleem dat ik zie, is dat Brussel het "risicogestuurd" noemt en tegelijkertijd met andere voorstellen in dit Omnibuspakket juist risico's vergroot. Er wordt bijvoorbeeld gezegd "we gaan risicogestuurd onderzoeken, want dan halen we de gevaarlijkste stoffen er als eerste uit", zoals ik het kabinet hoor zeggen, maar tegelijkertijd krijg je de verlenging van de grace period. Herkent de staatssecretaris dat we bij wat hij verstaat onder "risicogestuurd" nog niet per definitie de zekerheid hebben dat dit ook in dit Omnibusvoorstel zit?

Staatssecretaris Erkens:

Dat herken ik. De insteek van het kabinet is om dit Omnibusvoorstel aan te grijpen als een kans om tot een beter systeem te komen. Dat vergt nog wel aanpassingen. Op dit moment zitten er ook nog zaken in die het risico inderdaad mogelijk laten toenemen. Onze inzet zit niet voor niks op de punten die de Kamer net heeft genoemd, dus dit punt herken ik.

Mevrouw Podt (D66):

De staatssecretaris zegt dat een voordeel van dat risicogestuurde systeem ook is dat je makkelijker tussentijds zou kunnen beoordelen, dus eigenlijk ook sneller dan in het huidige systeem. Nou is volgens mij het probleem dat je ook in het huidige systeem al tussentijds zou kunnen herbeoordelen. Dat geldt ook als je net tien jaar hebt gezegd. Dat is ons indertijd bijvoorbeeld ook over glyfosaat gezegd: als er aanwijzingen zijn, dan kunnen we dat herbeoordelen. Dat kan nu al. Maar dit betekent dat alle lidstaten moeten meestemmen. De EFSA weigert in de praktijk vaak om dat alsnog te doen, ook als er wetenschappelijke aanleiding is daarvoor. Dat hebben die wetenschappers ook in voorbeelden aangegeven.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Podt (D66):

Wat geeft de staatssecretaris het vertrouwen dat wat nu niet goed werkt, in dat nieuwe systeem wel ineens gaat werken?

Staatssecretaris Erkens:

Op dit moment heb ik dat vertrouwen nog niet volledig omdat het systeem nog niet compleet is, omdat het nog aangepast en verbeterd moet worden. Dat zit met name in of je een goed borgend signaleringssysteem kan maken waarin wij als lidstaat ook vertrouwen hebben.

Mevrouw Podt (D66):

Als de staatssecretaris spreekt over "goed borgend", hoe ziet dat er in de praktijk dan uit?

Staatssecretaris Erkens:

In de praktijk zou ik het liefste zien dat het bij EFSA geborgd wordt, dus dat EFSA periodiek de stoffen langsloopt om te bekijken wat de laatste academische literatuur is, wat het laatste onderzoek is, wat kan worden meegenomen vanuit de lidstaten. Maar ook moet er een proces zijn waarin signalen gegeven kunnen worden vanuit zowel de wetenschap in Europa als vanuit verschillende lidstaten wanneer zij zelf ook zaken zien waar zij zich zorgen om maken. Ik kan me zomaar situaties voorstellen waarin het Europees nog niet op het netvlies staat en wij tegelijkertijd aan de hand van de discussies die we misschien wel in Nederland hebben omdat we meer dingen weten, omdat we ook meer dingen meten op dat moment in Nederland, signalen goed in het proces kunnen stoppen. Daarbij zit je niet meer in een proces waarbij de herbeoordeling de grote uitzondering is omdat je op zo'n brede consensus moet rekenen. Zo'n systeem kan er juist ook voor zorgen dat we inderdaad niet meer in dit omslachtige proces zitten.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Podt (D66):

Dat betekent dus wel een echt heel andere visie op hoe er nu wordt omgegaan met die tussentijdse beoordeling. Ik heb nog één andere, veel kortere vraag. Die gaat over de respijtperiode. Daarover zei de staatssecretaris: dat doen we in eigen land al. Dat is natuurlijk hartstikke leuk, zeg ik dan. Alleen, via het water, via de lucht, op allerlei manieren komt dat wat in de ons omringende landen gebeurt ook ons land binnen. Is de staatssecretaris het met mij eens dat het daarom echt onwenselijk is dat die respijtperiodes ook op Europees niveau uitgebreid gaan worden?

Staatssecretaris Erkens:

Daar ben ik het mee eens.

De voorzitter:

U vervolgt met het onderdeel groene en laagrisicomiddelen.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Dat begint met een vraag van het lid Podt en de VVD over de groene busbanen. "Die hebben we al nationaal. Laten we die naar de Europese Unie brengen en combineer die met de EFSA-capaciteit, die dan moet toenemen. Kan er een alternatief ingebracht worden en kunnen we hierin samen met andere lidstaten optrekken?" Het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie heeft als doel om te komen tot snellere en prioritaire beoordeling van groene middelen. In deze zin geeft het Omnibusvoorstel invulling aan het creëren van die zogeheten groene busbanen, de Omnibus-groene busbanen. Het ov wordt veel gebruikt als metafoor in dit debat. Ik blijf er scherp op dat die voorstellen ook daadwerkelijk leiden tot snellere markttoegang voor groene middelen en laagrisicomiddelen. In Nederland heeft het Ctgb deze groene busbanen inderdaad al ingericht. Dat geldt ook als goed voorbeeld voor andere lidstaten, merken wij. Vanuit de Commissie is er veel interesse in een doorvertaling om dat ook op EFSA-niveau zo in te richten.

Voorzitter. De heer Flach had ook een vraag. Hij had het erover dat de wetenschappers de aanbeveling doen om bij biocontrolmiddelen, onder andere biologische gewasbeschermingsmiddelen, te zorgen voor een classificatie ten behoeve van de green lane. Hij vroeg of we dat oppakken. Ik zei net dat het Ctgb in Nederland al een groen loket kent waar ze daarvan gebruik kunnen maken. Dat is ook een voorbeeld voor andere lidstaten. Binnen het huidige voorstel wordt ingezet op de versimpeling en prioritering van de beoordelingen van deze biocontrolmiddelen. In feite komt dat dus neer op een versnelling van de beoordeling van deze groep middelen, conform de vraag van de heer Flach. Het afdwingen van een green lane is wel een verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf. Wij hebben het in Nederland al geregeld. Dat betekent niet dat elke lidstaat dat gaat doen. EFSA doet de goedkeuring van de stoffen. In Europa zitten de stoffen bij EFSA en de middelen bij de lidstaten. Bij die goedkeuring komt nu inderdaad ook een green lane. Het voorstel in de Omnibus is nu om die prioriterende behandeling daarin op te nemen. Dat zou ook goed aansluiten bij het systeem dat we in Nederland hebben.

Voorzitter. Dan kom ik bij een vraag van de heer Lohman. Het was eigenlijk een mooie inzet van het CDA, zou ik zeggen, met de drie punten die u zelf noemde. Als ik ze nu ga voorlezen, dan ben ik een minuut verder. Het ging met name over het signaleringssysteem, de groene busbanen en ook gewoon investeringen in de praktijk, dus geïntegreerde gewasbescherming. Dat is gewoon een inzet waarbij het kabinet zich goed kan aansluiten. Die is ook conform onze inzet, dus ik neem de opmerkingen van de heer Lohman uiteraard mee in de inbreng bij het Omnibusvoorstel. Daarbij geven we ook uitvoering aan het amendement van de heer Flach van 19 maart waarin hij vraagt om middelen beschikbaar te stellen voor een praktijkprogramma plantgezondheid. Daarmee gaan we inderdaad meer alternatieven proberen te ontwikkelen.

De heer Lohman vroeg ook of we bereid zijn te investeren in het onderzoeken en ontwikkelen van nieuwe middelen voor teelt en plagen waarvoor nu nog geen effectieve alternatieven bestaan. Ik ben bereid daarnaar te kijken. Ik denk wel dat het in beginsel ook aan de markt is om die middelen te ontwikkelen. De overheid kan het inderdaad wel stimuleren via innovatiesubsidies. Daarnaast loopt er nu dus een proces voor een convenant gewasbescherming, waarin dit onderwerp ongetwijfeld ook de revue zal passeren.

De heer Lohman vroeg ook naar de strategische autonomie. Hij vroeg of we bereid zijn om in te zetten op versnelde procedures voor groene middelen op basis van het risicoprofiel. Daar zijn we toe bereid. Dat wordt nu ook voorgesteld in de laatste versie van het Omnibusvoorstel. We hebben in Nederland een groen loket ingericht om dat te bewerkstellingen.

Voorzitter, ik heb nog twee vragen in dit blokje. Het lid Van der Plas had een vraag over strategische autonomie. Ze vroeg of we het ermee eens zijn dat boeren in het kader van strategische autonomie in staat moeten zijn om middelen te gebruiken, of zij hun gewassen nog kunnen beschermen en de oogst nog van het land kunnen halen en of wij dit structureel inbrengen in Brussel. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, groen of chemisch, is een belangrijke randvoorwaarde voor een robuuste voedselproductie. Tegelijkertijd is de maatschappelijke vraag natuurlijk duidelijk. Ik merk echter ook een bereidheid van de sector om daar via het convenant aan te werken. Ik heb zeker oog voor wat er de laatste jaren al gebeurd is. We zien inderdaad dat het gebruik van de meest schadelijke middelen is afgenomen in Nederland en dat daarin geïnnoveerd wordt. Die lijn wil ik eigenlijk in gezamenlijkheid verder doortrekken. Dat zal wat mij betreft ook een deel van onze inbreng in Brussel op dat punt zijn.

Dan heb ik nog één vraag, van de heer Goudzwaard. Hij zei dat Brussel moet zorgen voor alternatieven om een ongelijk speelveld te voorkomen en vroeg of we alles op alles gaan zetten om een tekort aan middelen te voorkomen. Ook vroeg hij ons de voortgang van de Omnibus te ondersteunen. Het stimuleren van alternatieven, zoals groene middelen en laagrisicomiddelen, is een speerpunt van Nederland hierin. Dit Omnibusvoorstel zou een deel van de oplossing kunnen vormen, mits het inderdaad aangescherpt en verbeterd wordt. Tegelijkertijd zal daarmee niet alles binnen twaalf maanden opgelost zijn, want er is gewoon nog een grote bulk van achterstallig onderhoud waar extra op ingezet moet worden. Wij hebben in Nederland ook nog een hele bulk werk om in te lopen. Dat doen we hopelijk binnenkort, onder andere via het amendement van het lid Podt daarover, dat is aangenomen door de Kamer.

De heer Flach (SGP):

Ik weet niet of ik van de staatssecretaris een goed antwoord heb gehad op de vraag die ik stelde over de biocontrolmiddelen. Het Ctgb legt er terecht de vinger bij dat de Europese Commissie een definitie hanteert waaronder ook "breed werkende giftige stoffen van natuurlijke oorsprong" vallen. Ik stelde in mijn inbreng dat die eigenlijk een aparte behandeling zouden moeten hebben en niet onder de prioritaire behandeling van biocontrolmiddelen zouden moeten vallen. Gaat de staatssecretaris daarop inzetten?

Staatssecretaris Erkens:

Ja, daar ga ik op inzetten. Onze inzet in Brussel is erop gericht om de definitie van biocontrolmiddelen aan te scherpen, omdat er natuurlijk ook schadelijke of zeer risicovolle stoffen van biologische oorsprong zijn, zoals ook in het debat gewisseld is. Die definitie proberen we dus inderdaad aan te passen, ook omdat het natuurlijk een proces is waarbij die risico's nog steeds terecht kunnen komen in Nederland als die stoffen worden toegelaten op de markt.

De voorzitter:

U rondt uw beantwoording af met de overige gestelde vragen.

Staatssecretaris Erkens:

Ja, voorzitter, het mapje overig. Er waren een aantal vragen van het lid Bromet over de waterkwaliteit. "Heeft het kabinet in kaart gebracht welke gevolgen Omnibus heeft voor de bindende doelen voor waterkwaliteit? Zo ja, kan die analyse gedeeld worden? Zo nee, kan het alsnog worden uitgevoerd?" Het kabinet heeft de gevolgen van het Omnibusvoorstel voor de bindende doelen van waterkwaliteit niet in kaart gebracht. Het voorstel verandert niet de goedkeuringscriteria voor werkzame stoffen en heeft de Kaderrichtlijn Water ook niet als scope. Omdat het voor het kabinet wel een belangrijke richtlijn is, is de inbreng van Nederland erop gericht om de prioritaire stoffen die in de KRW zijn geïdentificeerd mee te nemen in het lijstje van stoffen die periodiek herbeoordeeld worden. Dus de inzet van het kabinet is wel om die niet in het nieuwe systeem te plaatsen. Daarnaast zetten we ook in op aanvullende veiligheidsvoorwaarden en nemen wij ook de adviezen van het Ctgb over ten aanzien van de risico's hierop. Daarom doen we niet nog een losse nationale impactanalyse hierop. We proberen het gewoon in het voorstel geborgd te krijgen.

Voorzitter. De tweede vraag hierover is: zegt het kabinet toe dat het voldoen aan de KRW een randvoorwaarde is voor steun aan Omnibus en dat het expliciet tegen zal stemmen als de bindende doelen van Nederland in gevaar komen? We zeggen dit niet toe met betrekking tot de algehele Kaderrichtlijn Water. Volgens mij heeft dit ook te maken met het volgende. A, krijgen we die KRW-stoffen in het oude systeem gehouden? En b, als dat niet zo is, hebben we dan een risicogebaseerd systeem dat in ieder geval niet zorgt voor een verslechtering in de bescherming van mens, milieu en dier? Want als dat het geval zou zijn, zou je meer risico nemen. Dan is het inderdaad ook geen vanzelfsprekendheid dat het kabinet dit voorstel zal steunen in Brussel.

Voorzitter. Dan een vraag van het lid Van der Plas: kunnen wij toezeggen dat wij in Brussel kiezen voor het niet simpelweg afbouwen van middelen maar voor beleid waarbij boeren en tuinders kunnen blijven produceren, de voedselzekerheid overeind blijft en alternatieven eerst beschikbaar zijn voordat bestaande middelen verdwijnen? Hoe laat zich dat zien? Ik vind het inderdaad belangrijk dat boeren goed kunnen werken en dat de voedselzekerheid overeind blijft. Hierbij is het heel belangrijk dat telers ziekten en plagen kunnen blijven bestrijden op een goede wijze. Daarbij is het wel van belang dat we alleen middelen toepassen wanneer dat aangetoond veilig kan. Daarom staan we ook positief tegenover het Omnibusvoorstel, omdat er ook alternatieve groene of laagrisicomiddelen beschikbaar moeten komen. We zien dat er de laatste jaren steeds meer stoffen van de lijst verdwijnen, net als middelen. Maar de goedkeuring van de alternatieven die nodig zijn, al die mooie innovaties, gaat veel te traag. Daar herkent u ook de inzet van het kabinet in.

Voorzitter. Dan een vraag, ook van het lid Van der Plas, over de motie-Flach/Vedder over een actualisatie van de verwachte teeltknelpunten voor de komende vijf jaar. Willen we daarbij niet alleen een lijstje van problemen meesturen maar ook een plan van aanpak? Zoals toegezegd aan uw Kamer sturen we jaarlijks die lijst met knelpunten toe. De laatste update is van mei vorig jaar. Ik kan u toezeggen dat we een nieuwe versie sturen voorafgaande aan het commissiedebat Gewasbescherming op 11 juni. Dus dat komt naar de Kamer.

U vraagt ook om inzichten voor de langere termijn. Dat zou ik graag meenemen in het convenant gewasbeschermingsmiddelen, waarbij we ook kijken naar het langetermijnplan, precies wat mevrouw Van der Plas noemde, om telers te helpen in de transitie naar een gereduceerd gebruik van schadelijke middelen en alle alternatieven die nodig zijn om de teelt te beschermen.

Dan een vraag van het lid Flach over de MRL's. De Europese Commissie stelt voor om de importtolerantie voor residuen van in de EU verboden gewasbeschermingsmiddelen te schrappen. Dat is een begrijpelijke inzet, zei de heer Flach. Het kan wel grote gevolgen hebben voor de import van groente en fruit, dus gaan wij aandringen op het afwachten van een impactassessment op dit onderdeel? Tot nu toe wordt gepleit voor het afwachten van een assessment. De Europese Commissie heeft deze eerder aangekondigd in de visie voor voedsel en landbouw. U zult zich afvragen waarom er hiervoor wel een impactassessment is. Dat heeft te maken met het feit dat dit impactassessment al gestart is voordat het hele Omnibustraject in Europa op gang kwam. Het is pas daarna in het Omnibusvoorstel gestopt. Ik dacht zelf dat dit anders misschien een mooi haakje zou zijn om alsnog hierom te vragen, maar helaas is de geschiedenis hierbij anders gelopen.

Dan heb ik nog twee vragen, voorzitter. Het lid Goudzwaard had nog een vraag over de koers van het kabinet rondom het convenant gewasbeschermingsmiddelen: hoe voorkomen we dat provincies eigen kaders en beperkingen invoeren waardoor er chaos gecreëerd kan worden rondom gewasbeschermingsmiddelen? Ik ben me ervan bewust dat provincies worden geconfronteerd met juridische procedures over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de effecten ervan op de natuur, en dat telers daardoor ook in onzekerheid verkeren. Dat is gewoon een ongewenste situatie. In de bestuurlijke afspraken met provincies richten wij ons op een robuust pakket aan maatregelen om die effecten weg te halen. Het is aan de ene kant onderdeel van de samenhangende aanpak van de landbouw-, natuur- en stikstoftaskforce, én van de gesprekken in het convenant gewasbeschermingsmiddelen. De minister en ik streven ernaar om u voor de zomer over allebei te informeren, dus aan de ene kant over de maatregelen van het bredere pakket en aan de andere kant over de afspraken op hoofdlijnen met de convenantpartijen op het gebied van gewasbescherming.

Voorzitter. De laatste vraag, of meer een pleidooi of statement, was van de heer Jansen. Wij staan in principe positief tegenover het Omnibuspakket en onderschrijven de doelstelling van vereenvoudiging, versnelling en ook harmonisatie, omdat dat het voor ondernemers makkelijker zou maken. Het betekent inderdaad wel dat we het voorstel moeten verbeteren. Ik hoop de heer Jansen hierbij te kunnen vinden, ondanks zijn kritische grondhouding. We moeten juist ook voor onze telers zorgen dat er alternatieve middelen op de markt kunnen komen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mevrouw Bromet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Nog even over de Kaderrichtlijn Water. Er wordt een eis gesteld om volgend jaar te zorgen voor schoon water. Daar zijn we al twintig jaar mee bezig, maar het is nog lang niet zover en we hebben nu nog ongeveer een jaar. Ik begrijp heel goed dat het niet allemaal via dit dossier geregeld kan worden, maar ik zou het ook een gemiste kans vinden als we het niet doen. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen: er mag geen verslechtering optreden. Maar dat is niet aan de hand bij de Kaderrichtlijn Water. Er moet verbetering optreden. Daar zou ik dus graag nog even een reflectie op krijgen van de staatssecretaris, want "geen verslechtering" is niet genoeg.

Staatssecretaris Erkens:

Nee, dat klopt. Er moet geen verslechtering komen door dit voorstel, dat niet specifiek ziet op de Kaderrichtlijn Water. Maar voor de Kaderrichtlijn Water moeten we onze prestaties inderdaad flink gaan verbeteren.

De heer Goudzwaard (JA21):

Even een verduidelijkende vraag. Je zag in mijn provincie, Friesland, dat er een handhavingsverzoek werd ingediend dat betrekking had op lelieteelt, maar dat het provinciebestuur toen zei: iedere teler die een vorm van gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, krijgt een waarschuwingsbrief en moet binnen een jaar laten zien dat het niet schadelijk is. Dat is een enorme opgave voor die agro-ondernemers. Ik vraag me even af of de staatssecretaris bekend is met dit soort acties vanuit provinciebesturen. Of handelt elke provincie daarin weer verschillend? Ik ben daar heel erg benieuwd naar. Kan de staatssecretaris daar iets over zeggen?

Staatssecretaris Erkens:

Ja, daar ben ik mee bekend. Dat geldt trouwens ook op gemeentelijk niveau. Dit komt doordat we als Rijk op dit onderwerp onvoldoende regie hebben genomen. Mijn voorstel is om het convenant gewasbescherming te gebruiken om die regie zo snel als mogelijk te nemen en daarmee ook te zorgen voor eenduidige verwachtingen, zodat provincies en gemeentes daar uniform aan kunnen voldoen. Dat heeft gewoon te maken met het feit, vind ik ... Je merkt dat ook bij de convenantpartijen. We hebben aan de ene kant provincies en gemeentes aan tafel zitten, evenals de waterschappen en Natuur & Milieu, maar aan de andere kant ook gewoon de sectorpartijen, om te komen tot die afspraken. Je wilt voorkomen dat het per provincie of gemeente, uiteraard wel binnen de eigen bevoegdheidsruimte die zij nog hebben, te veel gaat verschillen. Maar zij moeten zich nu natuurlijk ook ergens op baseren.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dank voor deze toelichting. Het gaat mij er dan even om wat er gebeurt tot het moment dat het convenant wordt gepresenteerd. Is dat dan een beetje een grijs gebied waarin andere overheden of andere bestuurslagen feitelijk vrijelijk gaan bewegen, vrijelijk acties gaan uitzetten en vrijelijk brieven gaan sturen, met allerlei consequenties voor ondernemers? Dat lijkt mij niet heel erg wenselijk. Ik denk ook niet dat de staatssecretaris daar heel erg voor warmloopt. Wat kunnen wij nou dus doen voor de overbruggingsperiode? Wat is daarin de concrete actie van de staatssecretaris?

Staatssecretaris Erkens:

Dat is de reden waarom we met zulke spoed werken aan het convenant gewasbeschermingsmiddelen. We proberen voor de zomer afspraken op hoofdlijnen te hebben, zodat we daar samen met provincies en gemeenten handen en voeten aan kunnen geven. Maar in het proces van die enkele weken daarvoor is dat gewoon een bevoegdheid die provincies hebben. Het is aan ons als Rijk om nieuwe afspraken te maken met elkaar, waardoor we de ondernemers in deze situaties kunnen helpen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Op dit punt. Volgens mij gaat het niet om een bevoegdheid maar om een verplichting, omdat er een rechtszaak is geweest waarin burgers hebben gevraagd om vergunningen voor het gebruik van bepaalde gifstoffen. Het is dus allemaal niet zo vrijblijvend dat we het wel even kunnen oplossen met een convenant. Kan de staatssecretaris dat bevestigen?

Staatssecretaris Erkens:

Nee, dat klopt. Er is jurisprudentie op dit onderwerp, maar ik denk dat er ook steeds meer juridificering is omdat er onvoldoende regie op dit dossier zit, waardoor je ook steeds meer tegenover elkaar komt te staan. Dat willen we in de toekomst voorkomen met het convenant.

De voorzitter:

Er is nog een interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik wil de staatssecretaris toch een aantal teelten noemen die nu echt in gevaar zijn. Dat zijn onder andere de teelt van de bosui, sla, uien, spruiten en andere koolgewassen en pootaardappelen. Nederland zorgt ervoor dat wereldwijd 800 miljoen mensen kunnen eten, dankzij onze pootaardappelsector. Kool en zacht fruit staan ook echt onder druk. Dit zijn de teelten die nu letterlijk in gevaar zijn. Ik heb nog een pagina van teelten waarbij het niet lang meer duurt voordat ze dreigen te verdwijnen, maar die zal ik niet opnoemen. Ik wil de staatssecretaris vragen of hij zich goed realiseert dat het heel hard kan gaan met het einde aan deze teelten in Nederland, aan de voedselproductie. Er wordt altijd wat bagatelliserend over gedaan, maar dit is niet niks.

Staatssecretaris Erkens:

Nee, dat realiseer ik me. Mevrouw Van der Plas heeft daar gelijk in. Dat is precies de reden waarom we aan de ene kant werken aan een nieuw Europees systeem om te zorgen dat er voldoende alternatieven op de markt komen en dat we heel veel aandacht gaan hebben in het convenant gewasbescherming om te zorgen voor die alternatieven, of in een middelpakket of in alle andere stappen in het proces waarmee we teelt kunnen beschermen. Zonder voldoende middelen in het pakket zullen sommige teelten in Nederland inderdaad steeds slechter renderen, de voedselproductie kwijtraken en gaan importeren vanuit landen die waarschijnlijk wat minder streng zijn met de regels dan wij zijn.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Zeker, dat is waar. Daar komt nog bij dat als wij importeren uit landen die onze regelgeving niet hebben, er wereldwijd iets kan gebeuren waardoor landen hun voedsel zelf nodig hebben en dus even niet meer exporteren. In de covidperiode hebben we gezien dat een aantal landen even niet meer exporteerden. Daardoor worden wij heel erg kwetsbaar. Wat vindt de staatssecretaris ervan dat mensen in Nederland erg bang worden gemaakt voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor ook provincies en gemeentes hierin meegaan en er nog meer extra regelgeving ontstaat die telers en boeren in de weg zitten?

Staatssecretaris Erkens:

Ik wil daar twee dingen over zeggen. Vorige week zat ik bij Nieuwsuur. Daar ging het om "landbouwgif". Dat was de term die daar gebruikt werd. Ik heb daarvan wel gezegd dat ik het "gewasbescherming" noem, omdat ik wil voorkomen dat we die groepen tegenover elkaar krijgen in de samenleving. Aan de ene kant denken mensen dat er bij elk veld dat naast hun huis zit gif gebruikt wordt. Het gaat om bepaalde middelen in bepaalde doseringen op bepaalde plekken waar een risico aan zit. Aan de andere vind ik wel dat als we inzetten op de gewasbescherming, als we letten op de woorden die we in deze discussie gebruiken, we niet blind moeten zijn voor de effecten. Dat zegt mevrouw Van der Plas hier ook niet. We hebben de laatste tien, vijftien jaar ook gezien dat de telers in Nederland al bepaalde middelen uitgefaseerd hebben en overgestapt zijn op alternatieven. Die beweging willen we doorzetten. Ik zie het echt als mijn doel om te proberen om die twee kampen weer bij elkaar te brengen. Volgens mij kunnen die belangen namelijk prima naast elkaar bestaan.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Tot slot wil ik de staatssecretaris het volgende meegeven. In de periode dat de landelijke uitkoopregeling veehouderij nog niet echt in werking was, stonden er nog heel veel koeien in de wei. Die koeien zijn verdwenen. Er stond zelfs een column in Tubantia, een Twentse krant, waarin de columnist zich afvroeg waar de koeien gebleven zijn. De koeien waren namelijk weg, maar er kwamen wel andere teelten voor in de plaats. Denk bijvoorbeeld aan de maisteelt en de lelieteelt.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Het gevolg was dat mensen ervan schrokken en dachten: dit was helemaal niet de bedoeling. Dat wil ik de staatssecretaris wel meegeven. Laten we ook op dit gebied, ook in gesprekken met provincies en gemeentes, wel even uitkijken waar we mee bezig zijn.

Staatssecretaris Erkens:

Dat signaal vind ik helder. Ik heb in de brief over het convenant gewasbescherming ook aangegeven dat waar gemeentes bijvoorbeeld deels kunnen wachten, ook te wachten op de regie en duidelijkheid van het Rijk, zodat we geen postcodebeleid krijgen op dat vlak. Het is volgens mij zowel verwarrend voor omwonenden als heel moeilijk om mee om te gaan voor de ondernemer als het in de ene gemeente wel mag en in de andere niet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik vind "gewasbescherming" overigens helemaal geen neutrale term, omdat ik dan denk aan het doden van de dieren die je daarvoor nodig hebt. Maar goed, dat is even een zijpad.

Ik had de staatssecretaris nog gevraagd: is het denkbaar dat het kabinet tegen de Omnibus gaat stemmen als niet aan de voorwaarden voldaan wordt? Mijn aanvullende vraag daarop is: hoe gaat het kabinet nou bepalen dat er aan die voorwaarden voldaan is? Hoe doet de staatssecretaris dat?

Staatssecretaris Erkens:

Daarover kan ik het volgende zeggen. Als wij denken dat het voorstel leidt tot een verslechtering van de bescherming van mens, dier en milieu, als het niet leidt tot het toelaten van duurzame middelen, is het inderdaad een mogelijkheid dat het kabinet tegenstemt. Dat is een optie die op tafel ligt. Mijn intentie hierbij is wel om te zorgen voor een goed voorstel, dat we wél kunnen steunen. Die ruimte zien we ook echt de komende periode. Hoe gaan we dat wegen met elkaar? Wij zullen tot onze laatste snik, tot de laatste onderhandeling, proberen om al die voorstellen opgenomen te krijgen. Dan ligt er een definitieve compromistekst. Daar zit altijd een beperkte periode tussen waarin je de weging kunt maken of je politiek voor of tegen gaat stemmen. Dat kan een periode van dagen zijn, maar dat kan ook een periode van weken zijn. Dat weten we op dit moment niet. We zullen in dit geval uiteraard pleiten voor een aantal weken, dus voor een wat langere termijn, zodat we ook het Ctgb nog uitvoerig kunnen vragen of de verwachting is dat ook voldaan wordt aan de adviezen die het Ctgb gegeven heeft. Wij hebben ambtelijk natuurlijk ook een aantal hele goede experts die erbovenop zitten. Aan de hand daarvan informeer ik de Kamer over het voornemen van het kabinet en vertel ik waar we dat op baseren. Dan maken we met elkaar een gecalculeerde inschatting: geloven we inderdaad dat het beter is of niet?

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik wil benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de Kamer zich er dan nog even over buigt.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Daar gaan we zeker een motie over indienen, maar de staatssecretaris sprak goede woorden. Ik hoorde de staatssecretaris net iets zeggen over de bevoegdheid van het Ctgb: die blijft; het Ctgb kan nog steeds zelfstandig de middelenbeoordeling doen op basis van onderzoek, als zij zorgen hebben en die kunnen onderbouwen. Maar volgens mij is dat niet zo. Het Omnibusvoorstel verbiedt nou juist precies dat wij in Nederland via het Ctgb of op een andere manier kunnen kijken of die middelen nog steeds veilig zijn en dan een besluit kunnen nemen. Het wordt nu juist veel politieker gemaakt, waardoor we nog afhankelijker worden van andere lidstaten en hun politieke wil om onze eigen burgers en ons eigen milieu te beschermen. Kan de staatssecretaris bevestigen dat daar wel een knelpunt zit?

Staatssecretaris Erkens:

Nee. Op dit moment gaat in het Omnibusvoorstel de EFSA over de toelating van de stoffen. Het Ctgb zal ook blijven gaan over de middelen. Dat zou niet moeten veranderen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat is misschien iets om verder uit te diepen, want volgens mij wordt de bevoegdheid van Nederland hierin zwaar beperkt en worden we afhankelijker van andere landen.

Een ander punt. Ik begrijp oprecht niet dat … Ik begrijp dat je iets moet doen aan de lange processen voor beoordeling en herbeoordeling. Daar hebben we het vaak over gehad. Maar feitelijk is er geen onderbouwing voor het idee dat de oplossing is om de periodieke herbeoordeling te schrappen of zwaar in te perken.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Kamerlid Kostić (PvdD):

Mijn vraag is de volgende. EFSA zelf heeft aanbevelingen gedaan om de lange wachtrijen, om het zo maar te noemen, op te lossen. Daarbij gaat het om extra geld — dat is beperkt extra geld, namelijk 15 miljoen; dat is twee extra medewerkers per lidstaat — en bijvoorbeeld de aanpak van de industrie die halve dossiers aanlevert en daardoor voor vertraging zorgt. Waarom kijkt de staatssecretaris daar niet naar, als er zo'n duidelijke boodschap is van de EFSA?

Staatssecretaris Erkens:

Daar kijken we in de breedte wel naar. Ik kan in de tweede termijn nog verder ingaan op wat EFSA al precies zal krijgen aan extra budget. Er komt dus al een opschaling bij EFSA. Ik zal straks dan specifiek terugkomen op de vraag om hoeveel mensen en welk budget het gaat. Daarnaast kijkt het Ctgb ook nog naar de mogelijkheid om medewerkers tijdelijk te detacheren. We zijn nog met elkaar aan het invullen aan de hand van welke middelen we dat doen, maar we kijken ook wel degelijk naar andere voorstellen om de knelpunten weg te werken, ook omdat dit losstaat van de vraag of je een risicobaseersysteem hebt of niet, want ook met een risicobaseersysteem moeten we de hele bulk aan achterstand nog wegwerken, zoals ik net zei. Zeker, dus.

De voorzitter:

Kort, tot slot.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat is supergoed nieuws, maar het bevestigt wel dat er eigenlijk geen onderbouwde reden is om af te stappen van de periodieke herbeoordeling. Heel concreet: we hebben nu een systeem waarin we regelmatig bekijken of de stoffen wel echt zo veilig zijn. Vaak blijkt dat ze niet veilig zijn, helaas. Dat systeem is, met alle mitsen en maren, toch een goede waarborg. De staatssecretaris stelt nu echter een systeem voor waardoor iemand aan de alarmbel moet trekken: oe, dit is misschien toch niet veilig. Wie moet dat doen? Is dat de arts om de hoek? Zijn wij dat hier, in de Kamer, die extra goed in onze tuin moeten kijken? En als we het gaan doen, bij wie moeten we dan aankloppen? Moeten we dan aankloppen bij het waterschap, bij het Ctgb, bij de staatssecretaris? Hoe ziet dat eruit?

Staatssecretaris Erkens:

Bij mij kunt u in dezen altijd aankloppen. Ik wil twee punten maken. Het huidige systeem heeft echt knelpunten en beperkingen. Herbeoordelingen vinden plaats tien tot vijftien jaar nadat de stof goedgekeurd of voor het laatst beoordeeld is. We zien dat er enorme vertragingen beginnen op te treden omdat we gewoon de capaciteit niet hebben om die stoffen weg te werken. Soms krijgen we dan inderdaad nog een procedurele verlenging van een stof die mogelijk niet veilig is. Het is dus niet zo dat we nu een systeem hebben dat echt soepel werkt.

Aan de andere kant moet er wel een goed signaleringssysteem komen. Hoe wij dat voor ons zien, en ook inbrengen, is dat EFSA die autoriteit krijgt. Dat betekent dat EFSA op een aantal niveaus signalen moet meenemen. Aan de ene kant moet dat door structureel te kijken naar het laatste wetenschappelijke onderzoek. Daar hadden we het net in een interruptiedebat ook over. Dat betekent dat je ook voor stoffen waarvoor misschien niemand aan de bel trekt, nog steeds bekijkt of er nieuwe inzichten zijn. Aan de andere kant wil je dat die signaleringsfunctie de ruimte biedt voor nationale toezichthouders en wetenschappers om die signalen ook af te geven. Als je ziet dat meerdere wetenschappers uit meerdere lidstaten een signaal afgeven, kan EFSA ook zeggen: dit zou voor ons misschien iets zijn om in het werkprogramma mee te nemen. Ik zou het mooi vinden als wij via onze nationale toezichthouder, maar ook als lidstaat, zaken mee kunnen blijven geven die wij in Nederland misschien eerder zien dan in andere landen.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee komt de staatssecretaris aan het einde van zijn eerste termijn.

Ik geef het woord aan lid Kostić voor haar bijdrage in tweede termijn. In tweede termijn hebben de leden een derde van de spreektijd uit de eerste termijn. Het woord is aan het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet in het BNC-fiche als voorwaarde voor steun voor het Omnibusvoorstel heeft gesteld dat het in ieder geval aantoonbaar niet zal leiden tot een verminderd beschermingsniveau van gezondheid van mens, dier en milieu;

constaterende dat het kabinet in het BNC-fiche al twijfels heeft geuit over het halen van de doelen, maar dat er uit de wetenschapstoets aanwijzingen naar voren komen dat er zelfs afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau;

overwegende dat de Kamer eerder heeft uitgesproken (21501-32, nr. 1744 en 21501-32, nr. 1771) dat het Omnibusvoorstel nu leidt tot een inbreuk op de bescherming van de volksgezondheid, natuur en milieu;

overwegende dat in tijden van stijgende maatschappelijke zorgen over de effecten van bestrijdingsmiddelen van de politiek aantoonbaar betere bescherming van gezondheid van mens, dier en milieu wordt verwacht;

verzoekt de regering niet in te stemmen met een voorstel dat leidt tot verslechtering van het huidige beschermingsniveau van mens, dier en milieu, en zich in de beoordeling te laten bijstaan door adviezen van betrokken wetenschappers van Universiteit Leiden, Wageningen University & Research en het Ctgb, en hierover aan de Kamer te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić, Podt, Bromet en Beckerman.

Zij krijgt nr. 4328 (22112).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het heel slecht gaat met onze bestuivers en de Kamer eerder het kabinet de opdracht heeft gegeven om hiervoor extra maatregelen te nemen (21501-08, nr. 942);

verzoekt de regering om zich er in Brussel in het kader van de onderhandelingen over het Omnibusvoorstel voor in te zetten dat het uiteindelijke voorstel geen afbreuk doet aan de bescherming van bestuivers, zoals bijen en vlinders, maar juist bijdraagt aan de doelen van herstel van populaties, in verband met het grote belang voor de voedselzekerheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 4329 (22112).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet in het BNC-fiche over de Omnibus al stelt dat niet duidelijk is of het voorstel de vertraging en werkdruk in de (her)beoordeling van stoffen zal oplossen en ook niet welke kosten ermee gemoeid zijn;

overwegende dat het voor verantwoorde besluitvorming nodig is dat de Kamer een realistische indicatie krijgt van de kosten voor de belastingbetaler;

verzoekt de regering om voordat de Kamer definitief besluit over de uiteindelijke versie van het Omnibusvoorstel onafhankelijk te laten uitzoeken wat ongeveer de extra capaciteitsvraag en kosten die voortvloeien uit het voorstel zullen zijn voor Nederland en de belastingbetaler, aan te geven hoe dat betaald wordt, en de Kamer hierover ruim voor de besluitvorming te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić en Bromet.

Zij krijgt nr. 4330 (22112).

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Ik besluit deze motie buiten de orde van de vergadering te verklaren, want hij was buiten de spreektijd. Het woord is aan mevrouw Beckerman.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Nee, ik was ermee begonnen binnen de spreektijd.

De voorzitter:

Het was buiten uw spreektijd.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Nee, ik was er echt mee begonnen bínnen de spreektijd, voorzitter.

De voorzitter:

De motie wordt buiten de orde van de vergadering verklaard.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Nee, ik zag het: ik was er écht mee begonnen!

Mevrouw Podt (D66):

Even een punt van orde. Ik snap dat we hier in de Kamer richtlijnen hebben over hoe om te gaan met een tweede termijn. Tegelijkertijd vind ik dit heel erg ingewikkeld. Dit hele debat kent een hele lange aanlooptijd. We hebben met elkaar een hele lange voorbereiding gehad. Ik vraag om enige clementie van de voorzitter voor het indienen van de moties, zodat we de staatssecretaris ook goed voorbereid richting Brussel kunnen sturen.

De voorzitter:

Ik begrijp dat u hierover nog heel snel komt te spreken in een debat over de gewasbeschermingsmiddelen … Maar ik wil het voor nu toestaan.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik zeg tegen u, lid Kostić: u bent echt ver buiten de orde van tijd. Let erop in de lengte van uw moties. Ze zijn echt te lang.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ja, zeker.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de schadelijkheid van stoffen vaak pas na gebruik in het veld zichtbaar wordt;

overwegende dat bij afschaffing van de periodieke herbeoordeling de kans groot is dat stoffen op de markt blijven die bij langdurige blootstelling schadelijke effecten hebben op milieu en gezondheid;

verzoekt de regering in Europa te pleiten voor het behoud van periodieke herbeoordelingen voor alle stoffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 4331 (22112).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Vereenvoudigingspakket voedsel- en diervoederveiligheid een langere respijtperiode voor het gebruik van stoffen die schadelijk zijn bevonden toestaat dan nu het geval is;

overwegende dat dit zal leiden tot een langer gebruik van schadelijke middelen met onacceptabele risico's;

verzoekt de regering in Europa te pleiten tegen het verruimen van de respijtperiodes voor gewasbeschermingsmiddelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 4332 (22112).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een van de doelen van het Vereenvoudigingspakket voedsel- en diervoederveiligheid is om toelating van biocontrols te versnellen;

overwegende dat dit onvoldoende is uitgewerkt in de voorliggende plannen;

overwegende dat green lanes een succesvolle manier zijn om dit proces te versnellen;

verzoekt de regering om verder in te zetten op het ontwikkelen van green lanes voor biocontrols, daarbij een adequate definitie van biocontrols te hanteren en hier ook op Europees niveau voor te pleiten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 4333 (22112).

Mevrouw Beckerman (SP):

Daar laat ik het bij. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Bromet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik vond het een goed debat. Ik heb twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland nog een grote opgave heeft om vanaf 2027 te voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit die volgen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW);

overwegende dat het versoepelen van regels voor de herbeoordeling van stoffen, waaronder mogelijk de prioritaire stoffen uit de KRW, pfas en TFA, afbreuk doet aan de voorwaarde die het kabinet en de Kamer stellen om de waterkwaliteit, volksgezondheid en milieu onverminderd te beschermen;

van mening dat Nederland goede wil moet tonen dat het zich committeert aan de juridisch bindende doelen van de KRW, en dat het hiertoe van belang is dat de Omnibus Food and Feed in geen enkel geval deze opgave bemoeilijkt;

verzoekt de regering om bij de Omnibus Food and Feed gerichte voorstellen te doen die Nederland bewezen in staat stellen om de doelen van de Kaderrichtlijn Water sneller te behalen en in ieder geval niet in te stemmen met voorstellen die dat bewezen bemoeilijken;

verzoekt de regering om tijdig vóór het definitieve beslismoment over de Omnibus Food and Feed op basis van wetenschappelijke inzichten in kaart te brengen wat de gevolgen van het pakket zijn op het gebied van waterkwaliteit en het voldoen aan de KRW, en dit zwaar mee te wegen in het definitieve kabinetsstandpunt over het totaalpakket,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bromet en Kostić.

Zij krijgt nr. 4334 (22112).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer via de motie-Podt/Bromet (21501-32, nr. 1744), de motie-Den Hollander/Bromet (215011-32, nr. 1771) en de motie-Kostić (21501-08, nr. 1020) voorwaarden heeft gesteld aan de Nederlandse inzet met betrekking tot de Omnibus Food and Feed;

van mening dat de Kamer te allen tijde in de positie moet zijn om de kosten, baten, en risico's die voortvloeien uit de Omnibus Food and Feed integraal af te wegen op basis van alle beschikbare informatie;

verzoekt de regering om voorafgaand aan belangrijke stemmingen over de Omnibus Food and Feed de Kamer een definitief beslismoment voor te leggen, zodat zij de voor- en nadelen integraal kan afwegen;

verzoekt de regering om geen onomkeerbare stappen te zetten of toezeggingen te doen in het kader van de Omnibus Food and Feed zonder dat de Kamer de kans heeft gehad zich hierover uit te spreken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bromet, Podt, Lohman, Beckerman, Den Hollander en Kostić.

Zij krijgt nr. 4335 (22112).

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dank voor de clementie.

De voorzitter:

Mevrouw Bromet, ook voor u geldt: de moties moeten de volgende keer echt korter. U bent ver over de spreektijd heen. Mevrouw Van der Plas. U gaat laten zien hoe het moet, denk ik.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Voorzitter, gaat u nu een beetje boos tegen mij doen?

De voorzitter:

Nooit, mevrouw Van der Plas!

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Omnibusvoorstel beoogt procedures rond voedsel- en diervoederveiligheid te vereenvoudigen;

verzoekt de regering om in Brussel voedselzekerheid, teeltzekerheid en strategische autonomie en weerbaarheid volwaardig mee te nemen in de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over het Omnibusvoorstel, en de Kamer hierover regelmatig te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 4336 (22112).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de motie-Flach/Vedder (27858, nr. 690) de regering verzoekt de Kamer jaarlijks te informeren over verwachte teeltknelpunten in de vijf volgende jaren en zo nodig werkgroepen in te stellen voor kwetsbare teelten;

constaterende dat steeds meer werkzame stoffen en middelen onder druk staan, terwijl alternatieven niet altijd tijdig beschikbaar of effectief zijn;

overwegende dat een knelpuntenoverzicht alleen niet voldoende is als telers in de praktijk zonder werkbare middelen komen te zitten;

verzoekt de regering om bij de eerstvolgende actualisatie van de verwachte teeltknelpunten tevens een concreet actieplan per kwetsbare teelt aan de Kamer te sturen, waarin ten minste wordt aangegeven welke middelen wegvallen of onder druk staan, welke alternatieven beschikbaar zijn, welke vrijstellingen of toelatingsroutes mogelijk zijn, welke werkgroepen worden ingesteld en welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat teelten uit Nederland verdwijnen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 4337 (22112).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Stop de tijd.

De voorzitter:

Kijk, geachte afgevaardigden: zo kan het ook! Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Meneer Lohman, het is uw tweede termijn. Die vier seconden van mevrouw Van der Plas krijgt u er niet bij! Gaat uw gang.

De heer Lohman (CDA):

Voorzitter. Als we stoppen met automatisch herbeoordelen, moet er een goed systeem voor in de plaats komen. In dat licht dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Europese Commissie op 16 december 2025 een pakket maatregelen heeft gepresenteerd om de toelating en toepassing van biocontrol- en laagrisicomiddelen te versnellen, maar dat zowel het kabinet als het Ctgb hebben aangegeven dat het voorstel op wezenlijke punten moet worden verbeterd;

overwegende dat het Ctgb adviseert de voorgestelde risicogestuurde herbeoordeling aan te vullen met een Europees signaleringssysteem, een verplicht en periodiek bij te stellen werkprogramma en een koppeling tussen de herbeoordeling van werkzame stoffen en middelen;

overwegende dat ook de EU-wetenschapstoets aandacht vraagt voor de risico's van het voorstel voor het beschermingsniveau en het gelijke speelveld;

verzoekt de regering zich in Europees verband in te zetten voor een spoedige verbetering van het Omnibusvoorstel, in lijn met het BNC-fiche en het advies van het Ctgb;

verzoekt de regering tevens in het aanstaande convenant gewasbescherming nadrukkelijk in te zetten op niet-chemische maatregelen voor zowel de gangbare als de biologische sector;

verzoekt de regering tevens gericht in te zetten op onderzoek en ontwikkeling voor teelten en plagen waarvoor nu nog geen effectieve alternatieven beschikbaar zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Lohman.

Zij krijgt nr. 4338 (22112).

Dank u wel, meneer Lohman. Het woord is aan mevrouw Podt.

Mevrouw Podt (D66):

Ik ga mijn best doen, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in de Omnibus Food and Feed Safety voorstellen voor versnelde toelating van biocontrol worden gedaan;

overwegende dat biocontrolstoffen en -middelen belangrijk zijn voor weerbare teelten met minimale inzet van gewasbeschermingsmiddelen en dat de sector al jaren vraagt om versnelde toelating van biologische middelen;

overwegende dat de huidige "green lane" van het Ctgb leidt tot snellere (her)beoordeling van biocontrolmiddelen;

overwegende dat bij EFSA en andere lidstaten onvoldoende kennis en capaciteit is om biocontrolstoffen en -middelen te beoordelen;

overwegende dat een goede beoordeling van biocontrols noodzakelijk is, omdat ook hier extreem toxische stoffen tussen kunnen zitten, die de gezondheid van boeren, omwonenden, de waterkwaliteit en de natuur bedreigen;

overwegende dat de door de Commissie voorgestelde definitie voor biocontrol heeft geleid tot kritiek en zorgen bij het kabinet, het Ctgb en maatschappelijke organisaties;

verzoekt de regering om samen met gelijkgestemde lidstaten te pleiten voor een versnelde beoordeling van biocontrol in een variant op de Nederlandse "green lanes" bij zowel EFSA als verplicht bij alle lidstaten, voor micro-organismen en chemische stoffen die aan de door het Ctgb aangescherpte definitie van biologische middelen voldoen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Podt, Lohman en Bromet.

Zij krijgt nr. 4339 (22112).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de lange doorlooptijden bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en bij de nationale beoordelingsinstanties een belangrijke oorzaak zijn van het tekort aan toegelaten biologische gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

constaterende dat volgens de EFSA een investering van 15 miljoen euro om 50 extra experts aan te nemen voldoende is om de bestaande achterstanden weg te werken;

overwegende dat het aanpakken van de capaciteitsproblemen bij de bron effectief en betrouwbaar is;

verzoekt de regering zich in Europees verband in te zetten om extra financiering te vinden voor capaciteit bij de EFSA om bestaande achterstanden in beoordelingsprocedures op te lossen en toekomstige achterstanden te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Podt en Bromet.

Zij krijgt nr. 4340 (22112).

Mevrouw Podt (D66):

Ik had er ook nog eentje over respijtperiodes, maar die is al ingediend door mevrouw Beckerman. Daar ben ik heel blij mee.

De voorzitter:

Nou, het mag nog iets korter de volgende keer; dan ben ik helemaal gelukkig. Het woord is aan de heer Goudzwaard. O, die ziet af van zijn tweede termijn. Meneer Jansen, heeft u behoefte aan een tweede termijn? Dat is niet het geval. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors zes minuten. Dan volgt de beantwoording van het kabinet.

De vergadering wordt van 23.12 uur tot 23.20 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Erkens:

Er was een vraag van het lid Kostić, over dat EFSA extra budget krijgt. Het voorstel van de Europese Commissie is vijftien extra medewerkers om die achterstand in te halen. Ze hebben daar op termijn 2,5 miljoen euro per jaar voor vrijgemaakt.

Voorzitter, dan de moties. De motie op stuk nr. 4328 geef ik oordeel Kamer, met een interpretatie erbij. Het is mijn inzet om te voorkomen dat het veiligheidsniveau verslechtert. Idealiter verbetert die. Daarnaast ben ik ook blij met de adviezen van de Ctgb en de wetenschapstoets. Ik vraag het Ctgb nogmaals om een finaal advies. Het Ctgb heeft mij laten weten dat zij ook in gesprek gaan met de wetenschappers van de wetenschapstoets, om hun inzichten mee te kunnen nemen. Dus met de interpretatie dat ik niet drie losse toetsen laat uitvoeren en dat via het Ctgb laat lopen, kan de motie oordeel Kamer krijgen.

De voorzitter:

Ik kijk even of lid Kostić kan leven met die interpretatie. Ik zie een duim, dus dat is het geval. Ik zie ook mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik had deze ook ondertekend, maar dat is weggevallen op een of andere manier. Ik wilde alleen vragen of ik er weer op mocht.

De voorzitter:

Dat gaan we regelen. Mevrouw Beckerman dient de motie op stuk nr. 4328 mede in.

Staatssecretaris, de motie op stuk nr. 4329.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 4329 krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 4330.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 4330 moet ik ontraden onder verwijzing naar het debat. Ik kan niet voldoen aan het verzoek om een extra doorrekening te doen, omdat ik niet meer informatie heb om dat verder concreet te maken. Ik kan wel toezeggen dat ik u erover zal informeren in een Kamerbrief als er meer inzicht is of het concreter wordt.

De voorzitter:

Eén vervolgvraag.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Nogmaals, ik vraag niet naar een doorrekening. Dat staat ook niet in de motie. Ik snap de opmerking van de staatssecretaris, maar dit is een betere indicatie, want nu hebben we eigenlijk niks concreets. We hebben geen goede inschatting van wat de kosten zullen zijn. Voor verantwoorde besluitvorming vraag ik alleen maar om een betere inschatting. That's it.

Staatssecretaris Erkens:

Nou, de motie vraagt mij om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de extra capaciteitsvraag en kosten. Dat gaat wel een stuk verder dan dat ik kwalitatief nog een paar opmerkingen toevoeg. Ik denk dat ik niet aan die verwachtingen kan voldoen. Daarom moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 4331.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 4331 ontraad ik ook, onder verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 4332 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 4333 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 4334 moet ik ontraden. Dat wil ik wel heel even toelichten, omdat het gaat om het tweede deel van de motie, namelijk de impactstudie. Die kan ik niet toezeggen. Die kan ik ook moeilijk uitvoeren, want dit is geen voorstel dat ziet op de Kaderrichtlijn Water. Het eerste deel van het dictum zou ik wel oordeel Kamer kunnen geven, maar het is aan het lid Bromet of zij bereid is om de motie aan te passen.

De voorzitter:

Is lid Bromet daartoe bereid?

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik mag best mevrouw genoemd worden, voorzitter. Ik zie niet dat het gaat over een impactassessment. Het tweede deel gaat over iets zwaar meewegen in het definitieve kabinetsstandpunt. Ik begrijp de toelichting dus niet zo heel erg. Ik ben best bereid om iets te schrappen, hoor, maar ...

Staatssecretaris Erkens:

Ik ben bereid om het te laten meewegen. Dat heb ik net gezegd: geen verslechtering op het gebied van mens, dier en milieu. Daar moet dit voorstel aan voldoen. Daar valt de Kaderrichtlijn Water ook onder. Het gaat mij om "op basis van wetenschappelijke inzichten in kaart brengen wat de gevolgen zijn op het gebied van waterkwaliteit". Daar ziet het voorstel gewoon niet op.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Oké. Ik ga even overwegen of ik dat eruit haal.

Staatssecretaris Erkens:

Check, dank.

De voorzitter:

De staatssecretaris zegt hiermee dus dat als het tweede dictum wordt geschrapt, de motie aan het oordeel van de Kamer wordt gelaten.

Staatssecretaris Erkens:

Grotendeels aangepast, maar daar komen we vast wel uit. Als mevrouw Bromet bereid is dat te doen: oordeel Kamer. Maar op dit moment wordt de motie ontraden.

De voorzitter:

Oké. Dan wordt de motie in deze vorm ontraden en constateren we voor de Handelingen dat als het tweede dictum wordt geschrapt, de motie aan het oordeel van de Kamer wordt gelaten.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Even voor de efficiëntie: ik ga het tweede deel schrappen, dus dan kan de motie oordeel Kamer krijgen.

Staatssecretaris Erkens:

Dan krijgt de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

Dan wil ik mevrouw Bromet wel vragen om inderdaad een gewijzigde versie in te dienen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik wil even terug naar de motie op stuk nr. 4332, die oordeel Kamer krijgt. In deze motie staat het eigenlijk als feit dat er een langere respijtperiode wordt bepleit in de Omnibus, maar dat is niet zo. Als het echt niet anders kan of als er echt geen alternatieven zijn, dan geeft de Omnibus het Ctgb en de EFSA, de Europese voedselveiligheidsautoriteit, de mogelijkheid om van die drie jaar gebruik te maken. Ik vind het bijzonder dat deze motie oordeel Kamer krijgt op basis van iets wat eigenlijk helemaal niet zo omschreven wordt in de Omnibus.

Staatssecretaris Erkens:

Dit is de huidige kabinetsinzet, dus daarom krijgt de motie oordeel Kamer. Dat hebben we ook eerder gecommuniceerd. Ik denk dat er twee dingen door elkaar lopen. De respijtperiodes zijn inderdaad vrij lang, terwijl Nederland vaak kiest voor een korte variant. Vandaar onze zorg over een gelijk speelveld. Bij een landbouwkundige noodzaak is het mogelijk om vrijstellingen te verlenen wanneer er geen alternatieven zijn. Dat zal volgens de huidige procedure blijven lopen. Die belanden ook van tijd tot tijd op mijn bureau.

De voorzitter:

Ik wil het eigenlijk bij één vervolgvraag houden. We zijn bij de motie op stuk nr. 4335, staatssecretaris.

Staatssecretaris Erkens:

Die krijgt oordeel Kamer, met een hele kleine interpretatie, die mevrouw Bromet vast zal kunnen volgen. Ik zal de Kamer op de hoogte brengen als er besluitvorming zal plaatsvinden. Dat doe ik van tevoren, dus tussen de definitieve tekst en de besluitvorming. Maar dat kan wel op een hoog tempo gebeuren, want de termijnen kunnen erg kort zijn. Het is dus aan de Kamer om mij spoedig hierheen te sommeren, want als het een korte periode is, moet ik uiteindelijk wel stemmen. Maar ik kom graag.

De voorzitter:

Mevrouw Bromet stemt daar non-verbaal mee in, dus daarmee wordt het oordeel aan de Kamer gelaten. Dan de motie op stuk nr. 4336.

Staatssecretaris Erkens:

Die krijgt oordeel Kamer. Dat vind ik belangrijk, ook gezien de balans in dit debat.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 4337.

Staatssecretaris Erkens:

Die krijgt oordeel Kamer, met een interpretatie. Ik gaf eerder aan dat het overzicht van de actualisatie volgt voorafgaand aan het commissiedebat over gewasbescherming. Maar dat gaat niet in twee of drie weken lukken voor de actieplannen. Ik wil daar wel bij zeggen dat we dit in het convenant verder gaan uitwerken in de komende maanden, dus het zal dit jaar in een of andere vorm de Kamer moeten bereiken. Met de interpretatie dat ik het niet in twee of drie weken kan doen, krijgt de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Van der Plas knikken.

Staatssecretaris Erkens:

Fijn. De motie op stuk nr. 4338 van het lid Lohman laat ik aan het oordeel van de Kamer.

De motie op stuk nr. 4339 krijgt oordeel Kamer, met ook een hele kleine interpretatie. Het is uiteindelijk aan de lidstaten zelf of de green lanes verplicht worden voor alle lidstaten, maar alle andere onderdelen volg ik uiteraard.

De voorzitter:

Ik kijk naar mevrouw Podt en ik zie een duim, dus daarmee wordt de motie aan het oordeel van de Kamer gelaten.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 4340 krijgt oordeel Kamer, met de interpretatie dat we gaan kijken of we de middelen kunnen vinden binnen de huidige begroting. Dat betekent dat we misschien iets anders minder gaan doen, ook gegeven de bredere discussie die het kabinet nu voert over de toekomstige begroting in Brussel.

De voorzitter:

Er is één vervolgvraag van mevrouw Podt.

Mevrouw Podt (D66):

Mijn gedachte was echt dat dit ging over Europese middelen. De staatssecretaris hoeft dus niet per se binnen zijn eigen begroting te zoeken.

Staatssecretaris Erkens:

Nee, dat klopt. Maar het is kwetsbaar als ik ga pleiten voor meer geld op de Europese begroting als de premier en de minister van Financiën nu hun best doen om de uitgaven van Nederland daaraan zo veel mogelijk te beperken. Vandaar dat ik zeg: ik zal mij inzetten voor budget hiervoor, maar dan wel binnen de begroting van de Commissie op dat vlak.

De voorzitter:

Daarmee is de staatssecretaris aan het einde gekomen van zijn beantwoording in de tweede termijn en zijn wij aan het einde gekomen van dit debat. Ik dank de staatssecretaris en de deelnemende leden voor het gevoerde debat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik sluit de vergadering, maar niet voordat ik zeg dat er aanstaande dinsdag over de ingediende moties zal worden gestemd. Ik sluit de vergadering van dinsdag 12 mei.

Naar boven