3 Fiscale arbitrage

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Invoering van een wettelijk mechanisme ten behoeve van de beslechting van belastinggeschillen tussen lidstaten van de Europese Unie (Wet fiscale arbitrage) ( 35110 ).

De voorzitter:

Aan de orde is het wetsvoorstel Wet fiscale arbitrage. Ik heet welkom van de zijde van het kabinet de staatssecretaris van Financiën. Voor dit debat hebben zich vijf sprekers gemeld.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

We beginnen met mevrouw Lodders van de VVD.

Mevrouw Lodders (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Nederland heeft met veel landen belastingverdragen. Dat is een groot goed en van toegevoegde waarde. Dat is van toegevoegde waarde voor de ondernemer die in de grensstreek zaken doet met Duitsland of België of voor de ondernemer die wereldwijd zaken doet. Het is net zo belangrijk voor mensen die in Nederland wonen, maar werken voor een bedrijf in het buitenland of voor mensen die in het buitenland wonen, maar hun inkomsten in Nederland hebben. Belastingverdragen moeten ervoor zorgen dat mensen en ondernemers geen dubbele belasting betalen. Sommige landen interpreteren de verdragen net even anders dan bedoeld of gaan om welke reden dan ook over tot het heffen van belasting, terwijl de belanghebbende ook in Nederland belasting betaalt. Als er een geschil ontstaat, mag je verwachten dat de Nederlandse Belastingdienst in gesprek gaat met het betreffende land en tot een oplossing komt.

Voorzitter. Helaas heb ik meerdere voorbeelden waarin een oplossing voor een geschil achterwege blijft. Mensen zitten dan jarenlang in onzekerheid. In sommige gevallen leidt dit tot grote financiële problemen, met alle gevolgen van dien, zoals gevolgen voor hun gezin of zelfs het einde van een onderneming. De wet die we vandaag behandelen, de Wet fiscale arbitrage, moet een oplossing bieden voor deze problemen. Bij een geschil over een belastingverdrag tussen twee landen gaan de landen eerst met elkaar in overleg. Als beide landen, oftewel de belastingdiensten, er niet uitkomen of als dit te lang duurt, kan een belanghebbende een beroep doen op bindende arbitrage. De voorliggende wet is een Europese richtlijn, die van toepassing is op de Europese lidstaten. Dat wil zeggen dat deze wet voor een aantal mensen een belangrijke stok achter de deur kan zijn. Eerst is er overleg. Komen lidstaten er dan niet uit, dan kan men een beroep doen op bindende arbitrage.

Zoals ik aangaf, zijn er veel schrijnende voorbeelden. Een gezin. Man werkt als internationaal vrachtwagenchauffeur voor een Noors bedrijf dat in Noorwegen is gevestigd. Dit gezin betaalt logischerwijs belasting over de werkzaamheden in Noorwegen aan de Noorse belastingdienst. Over de werkzaamheden verricht in andere landen dan Noorwegen betaalt het gezin ook belasting in Noorwegen. Nederland ziet dat anders. De Nederlandse Belastingdienst wil dat deze vrachtwagenchauffeur belasting betaalt in Nederland over de inkomsten gehaald uit werkzaamheden in andere landen dan Noorwegen. De vrachtwagenchauffeur moet nauwkeurig bijhouden waar en hoelang hij heeft gewerkt. Elk uurtje buiten Noorwegen moet bij de Nederlandse Belastingdienst terechtkomen. De Nederlandse en de Noorse belastingdienst hebben voor dit gezin enkele jaren een afspraak gemaakt, maar sinds 2014 moeten deze mensen dit zelf oplossen. Ik vind dit een schrijnende situatie. Dit voorbeeld staat niet op zich. Gezinnen in dezelfde situatie hebben te maken met deurwaarders en financiële problemen. Van een van de gezinnen zijn de ouders gescheiden om op die manier het hoofd boven water te houden. Staatssecretaris, dit is toch niet hoe wij met elkaar zouden willen omgaan?

Voorzitter. Het vervelende aan deze casussen is dat de voorliggende wet voor deze mensen geen oplossing biedt. Over deze casussen heb ik al schriftelijke vragen gesteld, maar ik hoor ook graag nu van de staatssecretaris wat hij voor deze mensen kan doen.

Een ander voorbeeld: een man met een eenmanszaak. Hij woont in België. Kantoor in Nederland. Hij deed zijn werk vanuit het kantoor in Nederland en had activiteiten alleen in Nederland. De Belgische belastingdienst wil de belasting heffen omdat de eenmanszaak volgens de Belgische fiscus op het huisadres van de man in België was gevestigd. De belastingdruk was in totaal ongeveer 100%. Deze meneer was zo wanhopig dat hij wilde stoppen met zijn onderneming. Na een procedure van ongeveer twee jaar is er voor deze meneer een oplossing gekomen. Nederland heeft zich teruggetrokken, wat op zich vreemd is omdat de activiteiten in Nederland plaatsvonden, maar voor deze meneer was wel de dubbele belastingheffing opgelost.

Dat brengt mij bij de vraag hoeveel geschillen er in de afgelopen tien jaar zijn geweest en met welke lidstaten. En kan de staatssecretaris een overzicht geven van de vlakken waarop deze geschillen bestonden en hoe deze geschillen tot een einde zijn gebracht? Hoe vaak heeft Nederland afgezien van een heffing? Welke bedragen zijn hiermee gemoeid en hoe pakt de balans voor Nederland uit? Deze vragen zijn relevant, omdat er in het wetsvoorstel, vooruitlopend op een bindende arbitrage, ruimte is voor overeenstemming tussen lidstaten. Als Nederland de handdoek te snel in de ring gooit, is dat vanuit de Nederlandse schatkist bezien niet handig. Dit biedt overigens wel een oplossing voor de betreffende mensen.

Voorzitter. Er zijn natuurlijk nog meer voorbeelden. Het gaat te ver om deze allemaal naar voren te brengen. Ik wil graag van de staatssecretaris horen hoe hij in deze casussen omgaat met Nederlanders die tegen problemen aanlopen. Mogen deze mensen rekenen op de steun van de Belastingdienst, met als inzet een oplossing voor de problemen?

Voorzitter. De keuzemogelijkheden in de richtlijn zijn beperkt. De VVD ondersteunt de gekozen lijn van een bredere toegang tot arbitrage. Niet alleen in gevallen met een dubbele belasting maar ook bij andere geschillen is het belangrijk dat mensen uitzicht hebben op het oplossen van hun probleem. Het mag dan zeker geen invloed hebben of je als individu — het voorbeeld van de Belgische ondernemer in Nederland — of als kleine groep gedupeerden tegen problemen aanloopt. Deze mensen hebben recht op bijstand in het oplossen van problemen.

Mijn fractie onderschrijft ook het weigeren van arbitrage bij geconstateerde belastingfraude. Ik ben overigens nog wel benieuwd hoe dat uitpakt. Misschien kan de staatssecretaris daar iets meer over zeggen: is dat eenmalig of werkt dat een langere periode door?

Voorzitter. Ik wil mijn fractie adviseren om voor deze wet te stemmen. Voor veel mensen kan de wet fungeren als een sluitstuk bij een geschil. Ik vind overigens dat bindende arbitrage zo min mogelijk ingezet moet worden en dat problemen in een vroeg stadium moeten worden opgepakt. Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij het gebruik en de inzet van bindende arbitrage gaat monitoren en de Kamer daarover zal informeren? Voor gezinnen waar de man als internationaal vrachtwagenchauffeur werkt bij een Noors bedrijf, zal deze wet dus geen oplossing bieden, maar ik vraag de staatssecretaris om de toezegging dat hij op korte termijn in gesprek zal gaan en het probleem van deze mensen zal oplossen en dat hij de Kamer hierover voor het einde van dit jaar zal informeren.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Leijten van de SP.

Mevrouw Leijten (SP):

De voor ons liggende Wet fiscale arbitrage is een instrument om kleine ondernemingen en zelfstandigen te helpen die klem dreigen te raken tussen belastingwetten in meerdere landen. Dat instrument willen we graag zo goed mogelijk vormgeven om te voorkomen dat het weggekaapt wordt door de haaien van de professionele belastingadviespraktijk en de financiële sector, die wat ons betreft op de loer liggen. Wij zien het nut van deze wet. Zo kennen we het geval van Nederlandse sporters en musici die zowel in het bronland, dus in het land waar ze hun geld verdienen, belasting betalen als in hun woonland, in Nederland. Buitenlandse sporters betalen soms juist geen belasting. Nederland belast de sporters en de musici dus in hun woonland en de meeste Europese landen doen dat in het bronland. Dat leidt al een tijdje tot ophef onder sporters en musici en hun vertegenwoordigers. Dat moeten we oplossen. Wij gaan ervan uit dat deze fiscale arbitrage een uitkomst kan bieden voor dit soort zaken. Ziet de staatssecretaris dit ook zo?

Wij willen vooral aandacht vragen voor de bredere context van maatregelen waarbinnen deze fiscale arbitragecommissie wordt ingevoerd, namelijk de maatregelen van de Europese Unie en van de OESO die tot doel hebben om belastingontwijking en grondslaguitholling tegen te gaan. Omdat belastingstelsels van verschillende landen daardoor meer met elkaar te maken krijgen, is één deel van de maatregelen het oprichten van een commissie waar belanghebbenden — lees: belastingbetalers — heen kunnen als ze vinden dat hun onrecht wordt aangedaan door de afstemming van deze belastingstelsels of door een gebrek aan afstemming.

Een ander probleem dan de hoge of onterechte heffing door het niet afgestemd zijn van verschillende stelsels lijkt ons dat er weinig of helemaal geen belasting wordt geheven waar mensen of bedrijven in meerdere landen belastingplichtig zijn. Zo is Nederland het belastingparadijs voor Amerikaanse multinationals die via de cv/bv-structuur 477 miljard aan winst onbelast boven de oceaan hebben geparkeerd en die niet in Nederland belastingplichtig zijn en ook niet in de Verenigde Staten. En nu de Europese Unie, nog net voordat ze een onderzoek is gestart naar illegale staatssteun, besloten heeft deze constructie in 2020 de nek om te draaien, hebben deze multinationals hun volgende vluchtroute voor dat geld al gevonden, namelijk informeel kapitaal. We hebben het er gisteravond in een algemeen overleg over gehad. Het gaat erom dat als je hen de pas afsnijdt voor belastingontwijking, ze altijd wel weer een nieuwe pas vinden om diezelfde belasting te ontwijken. Vorige week zijn we door Oxfam Novib erop gewezen dat hier wereldwijd 5 miljard tot 10 miljard op jaarbasis mee gemoeid is.

Zou het mogelijk zijn om naast de belastingplichtige ook een belastingheffer toegang te geven tot een fiscale arbitragecommissie als die meent dat er sprake is van recht op belasting en het onterecht niet krijgen van belasting door een mismatch tussen internationale belastingwetten, zo vragen wij. Want ook belastingheffers zijn volgens ons belanghebbenden, of ze opereren namens andere belanghebbenden, te weten mensen en bedrijven die belasting betalen en die een hogere belasting moeten betalen omdat anderen die níét betalen. Hoe ziet de staatssecretaris dat?

Ik heb een paar concrete vragen. Mag je naast deze arbitragecommissie ook gewoon naar de voorzieningenrechter? Welke stappen moet iemand of een organisatie doorlopen hebben om bij deze arbitragecommissie aan te mogen kloppen? Zijn de uitspraken van de commissie in een zaak individuele uitspraken of hebben ze precedentwerking? Ik lees in de memorie van toelichting dat er geen precedentwerking is, maar hoe zit het dan met de rechtszekerheid van iemand die precies dezelfde zaak heeft? Moet die dan ook helemaal dat traject doorlopen om het recht te krijgen? Dat lijkt mij eerlijk gezegd nodeloze werkverschaffing. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Zou het ook niet goed zijn om periodiek te analyseren welke zaken voorliggen bij of voorgelegd zijn aan een arbitragecommissie en hoe die afgelopen zijn? Dan kunnen we daar lessen uit trekken, bijvoorbeeld waar onze wetgeving of de uitvoering van onze wetten eenvoudiger kan of wellicht juist strenger moet worden. Zou de staatssecretaris bereid zijn zoiets te doen?

Het is geen geheim dat de belastingadviespraktijk in Nederland een bloeiende sector is, die de belastingafdracht "optimaliseert". Dat betekent in gewonemensentaal dat multinationals geen belasting betalen. Met de toepassing van deze wet hebben ze een nieuw instrument in handen om de internationale belastingafspraken nog eens verder uit te werken in hun voordeel. Wij denken dat het goed zou zijn als de regering het tweede deel van de richtlijn wél invoert, precies om deze reden. Mevrouw Lodders zei het al: als je om belastingfraude bekendstaat, heb je geen toegang tot de arbitragecommissie. Maar als je een zaak hebt die niet over dubbele belastingheffing gaat maar bijvoorbeeld over hoe je bedrijf eruitziet en of je daarmee optimaal gebruik kunt maken van belastingstelsels, dan is de arbitragecommissie niet de commissie waar deze organisaties en bedrijven een beroep op zouden moeten doen. Ze hebben al een adviespraktijk van belastingadviseurs waar ze een beroep op kunnen doen. Ze kunnen al bij de Belastingdienst toetsen of hun constructie rechtmatig is en of ze een ruling krijgen. Dan moet je niet ook nog die arbitragecommissie daarvoor openstellen.

Want laten we niet naïef zijn. Voor de financiële sector geldt dat deze alles wat niet bij wet verboden is, gewoon wel doet of wel gebruikt. Daarom gokken banken met het spaargeld van spaarders, want nergens in de wet staat dat dat niet mag. Daarom maken ze totaal onbegrijpelijke financiële producten, die de reële economie ernstig kunnen schaden. Zo was er vandaag het nieuws over kleine start-ups die in de klauwen vallen van zogenaamd goedwillende crowdfundingbedrijven, omdat crowdfunding een financieel product is dat hen eigenlijk al bij voorbaat het faillissement in jaagt. We zien dat dit soort financiële producten de reële economie ernstig kunnen ontwrichten. Nergens staat in de wet dat het niet mag, dus de financiële sector zegt: dan doen we het.

Dat geldt ook voor de belastingadviespraktijk. We hadden hier vorige week nog de belastingadviesman van Shell in huis. Die heeft op de radio uitgelegd waarom Shell geen belasting betaalt. Dan zegt hij doodleuk: als jij als adviseur een advies geeft aan een bedrijf en als dat inhoudt dat dat bedrijf belasting moet betalen, dan heb je het niet goed gedaan, dan moet je terug naar school. Dat is de moraal van de belastingadviespraktijk. Als zij nou ook nog de fiscale arbitragecommissie als nieuw instrument krijgen om grenzen te verkennen waar zij wel of niet overheen kunnen om belasting te ontwijken, zijn we volgens mij verkeerd bezig, want de oorsprong van dit instrument is nu juist meer samenwerking om belastingontwijking tegen te gaan. Hoe ziet de staatssecretaris dit?

Je kan wel zeggen — dat zien we in de memorie van toelichting en in de antwoorden op vragen van GroenLinks en andere fracties bij de wetsbehandeling — dat het niet de bedoeling of intentie van de wet is dat hij daarvoor gebruikt wordt, maar ja, de belastingadviseurs komen ons dan met uitgestreken smoeltjes vertellen: er staat niet in de wet dat het niet mag, dus het mag wel; dan moet u maar betere wetten maken. Dat is wat ze dan zeggen. Nou, we zijn vandaag een wet aan het maken. Volgens de SP maken we de wet beter door dit een halt toe te roepen. Kom je bij de fiscale arbitragecommissie met als doel het verkennen van grenzen om de grondslag nog verder uit te hollen, dan zeggen we: ho, stop, daar is hij niet voor, integendeel; dat willen we helemaal niet hebben, die mag u daarvoor niet gebruiken. Daarom heb ik daarvoor een amendement ingediend. Aanvankelijk was dat het amendement op stuk nr. 8. Na advies van het ministerie over hoe het wetstechnisch beter kon, is het nummer gewijzigd. Het is nu het amendement op stuk nr. 9. Ik krijg hier graag een positief antwoord op.

Vorig jaar spraken wij met de minister van Financiën over de Wet toezicht trustkantoren. In de wet stond heel duidelijk beschreven wat een trustkantoor moest doen om te achterhalen of de klant die zij bedienden, wel te goeder trouw was en of het geld niet uit criminaliteit of terrorisme afkomstig was of naar terrorisme zou gaan. Ze moesten zo vaak contact hebben gehad, ze moesten dat en dat hebben opgevraagd, maar er stond nergens dat je de dienstverlening niet aangaat als je dat allemaal niet is gelukt. Dat hebben wij wel in de wet gezet, omdat je anders krijgt te horen: we hebben alle stappen doorlopen en we zijn de dienstverlening aangegaan, want er staat nergens dat het niet mag. Wij hebben als Kamer gezegd: doorloop al die stappen en kom je er dan niet uit, dan mag je de dienstverlening niet aangaan. Je moet die wetten dus veel scherper maken en zeggen: hier ligt echt een harde grens. Dat is mijn vaste overtuiging en vandaar dus dat amendement.

Tot slot over de vraag hoe wij de arbitragecommissie betalen. Ik ben het ermee eens dat je je daar moet kunnen melden op het moment dat je een geschil hebt dat voortkomt uit wetten en gaat over belasting betalen. Mevrouw Lodders gaf al een aantal voorbeelden waaruit blijkt hoe ontzettend schrijnend dat kan uitvallen. Dat is een dienst van de overheid, maar het is mogelijk om bepaalde proceskosten te verhalen op het moment dat je een zaak terugtrekt of verliest. Ik wil nou juist niet de kleine ondernemer, de werknemer in de grensstreek of de musici of sporters waarover ik net sprak, benadelen, maar als een grote multinational met een leger juristen en een leger belastingadviesmensen tienduizenden, soms zelfs honderdduizenden euro's uitgeeft om zo optimaal mogelijk geen belasting te betalen, dan vind ik het eigenlijk niet prettig dat zo'n bedrijf gratis gebruik kan maken van zo'n arbitragecommissie. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Zou er een mogelijkheid zijn om een grens te leggen? Bij de omvang van bedrijf of organisatie X zeggen we dat je de proceskosten moet betalen als je een zaak terugtrekt of verliest. Ik zou eigenlijk wel naar zo'n soort instrument willen kijken.

Laten we deze wet dus ten goede laten komen aan de mensen die je het gunt, die het nodig hebben, die dit ook als breekijzer kunnen gebruiken, maar laten wij deze wet niet meteen laten belanden tussen de tanden van die belastingadviespraktijk en de financiële sector. Dat is mijn oproep voor vandaag.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan meneer Mulder van de PVV.

De heer Edgar Mulder (PVV):

De Wet fiscale arbitrage brengt rechtsbescherming en rechtszekerheid. Deze arbitragerichtlijn geeft een belanghebbende de mogelijkheid om in bepaalde gevallen arbitrage af te dwingen.

Voorzitter. Een wet die bijdraagt aan het verminderen van het risico op het betalen van dubbele belasting is goed. Ik wil mijn fractie dan ook vragen om deze wet te steunen.

De PVV heeft nog wel twee vragen aan de staatssecretaris. Kan de staatssecretaris toezeggen dat er straks geen arbitrage-instituut staat in Brussel, u weet wel met directeuren, dure patserbakken en veel D66-voorlichters en -woordvoerders?

Twee: is deze wet ook van toepassing op de disputen die op dit moment ontstaan nu diverse landen alvast en eenzijdig een digitaks hebben ingevoerd of gaan invoeren?

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat was vlot. Dan gaan we door met meneer Snels van GroenLinks.

De heer Snels (GroenLinks):

Voorzitter. Vandaag behandelen wij het wetsvoorstel fiscale arbitrage, een uitwerking van de Europese arbitragerichtlijn. Het wetsvoorstel is vooral ook procedureel en formeelrechtelijk van aard en heeft als belangrijkste doel om een procedure te introduceren waarmee belanghebbenden binnen de EU de mogelijkheid krijgen om in bepaalde gevallen arbitrage af te dwingen. Mijn fractie zal dit wetsvoorstel steunen, want het is goed om goede procedures te hebben als belanghebbenden, zowel natuurlijke personen als bedrijven, benadeeld worden. Wel heb ik nog vragen over de keuzes die het kabinet gemaakt heeft. Voor een deel is dit ook in het schriftelijk verslag aan de orde geweest, maar het is goed om dat ook plenair aan de orde te stellen.

Ten eerste valt het mij op dat de Kamer eigenlijk nog steeds niet goed weet hoe andere lidstaten zijn omgegaan met de lidstaatopties. Een aantal fracties heeft hier al schriftelijke vragen over gesteld. Verder heeft de Kamer vorig jaar een motie aangenomen — daar heb ik hard aan gewerkt — die de regering verzoekt om beter inzicht te geven in het Europese speelveld: welke lidstaatopties kiezen andere landen? Ik moet toch zeggen dat de manier waarop deze motie door het kabinet uiteindelijk steeds weer wordt uitgevoerd mij toch tegenvalt. Over een paar weken moet deze richtlijn overal zijn geïmplementeerd. Dan zou het toch mogelijk moeten zijn dat het kabinet meer inzicht geeft in de manier waarop andere lidstaten met de lidstaatopties omgaan? Volgens mij is dat relevant, want pas als we de afweging zien die in andere landen wordt gemaakt, kunnen wij een goed oordeel geven over de keuzes die het kabinet maakt.

Ik geef een aantal voorbeelden daarvan. Een lidstaat mag toegang tot de arbitragecommissie weigeren als een geschilpunt geen betrekking heeft op dubbele belasting. Daar zit enige logica in. Toch neemt de regering deze optie niet over vanwege het uitgangspunt dat alle geschillen met betrekking tot belastingverdragen opgelost zouden moeten worden. Ook daar zie ik zeker wel enige logica in. Het was volgens mij D66 die in het schriftelijk overleg vroeg: is deze lidstaatoptie niet juist tot stand gekomen om te voorkomen dat we dubbele niet-belasting niet meer kunnen aanpakken? Naar mijn mening is deze vraag volgens mij nog steeds niet helder beantwoord. Ik stel hem opnieuw in dit debat. Zou het niet beter zijn als Nederland wél gebruikmaakt van deze lidstaatoptie, zodat we zeker weten dat er alleen een arbitragecommissie komt als mensen daadwerkelijk dubbele belasting hebben betaald? Ik zie mevrouw Leijten bij de interruptiemicrofoon staan. Ik neem aan dat zij hier vragen over gaat stellen. Mijn antwoord vooraf aan mevrouw Leijten is dat ik het met een groot deel van haar argumentatie eens ben.

De voorzitter:

Mevrouw Leijten, ik hoop niet dat het gras voor uw voeten is weggemaaid.

Mevrouw Leijten (SP):

Die twee opties gaan over wanneer de arbitragecommissie kán weigeren. Het is dus niet een verplichting om te weigeren. Maar ja, als een bedrijf met een leger aan belastingadviseurs en juristen binnen komt wandelen, zo van "hallo, wij willen iets", en men ziet evident dat het gaat om grondslaguitholling en grensverkenning, dan kunnen zij wel zeggen: sorry, maar daar zijn wij niet voor. En dat is toch eigenlijk wat je wilt?

De heer Snels (GroenLinks):

Nee. Ik heb goed naar uw verhaal geluisterd en uw amendement bezien. Ik heb daar zeker sympathie voor, maar tegelijkertijd wil ik ook wel het antwoord van de staatssecretaris hebben.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Snels (GroenLinks):

Dus mijn antwoord vooraf was toch vrij accuraat geloof ik.

Voorzitter. De tweede lidstaatoptie staat de regering toe om toegang tot de arbitragecommissie te weigeren als aan een belanghebbende sancties zijn opgelegd in verband met gecorrigeerde inkomsten of gecorrigeerd vermogen voor belastingfraude, opzettelijk verzuim of grove nalatigheid. De regering kiest ervoor om deze lidstaatoptie alleen toe te passen bij strafrechtelijke sancties. Waarom vindt de regering een fiscale boete geen terechte grond voor het weigeren van een verzoek tot arbitrage? Andere lidstaten vinden het wel rechtvaardig om te bepalen dat mensen die een bestuursrechtelijke straf hebben gekregen vervolgens geen kans meer krijgen om mogelijke dubbele belasting aan te vechten. Ook hier zitten natuurlijk mitsen en maren aan, maar ook hier is het weer relevant waarom andere lidstaten blijkbaar tot een andere keuze zijn gekomen. Welke landen zijn dit dan en welke argumenten worden dan in andere lidstaten gebruikt?

Dan heb ik nog een vraag over het verhalen van de kosten. Daar had mevrouw Leijten ook al een interessant betoog over. In de richtlijn staat dat de kosten van de procedurehandelingen in principe gelijk verdeeld worden tussen de lidstaten en dat lidstaten de kosten op de belanghebbende kunnen verhalen. Bij het OESO-modelverdrag wordt uitgegaan van het principe dat elke partij bij de arbitrageprocedure, waaronder de belanghebbende, de kosten draagt waarop deze partij zelf invloed kan uitoefenen. En toch wil de regering deze mogelijkheden niet gebruiken om kosten eventueel te verhalen op belanghebbenden en wil zij andere lidstaten ervan proberen te overtuigen dat ook niet te doen. Gisteren hadden wij een beetje een vergelijkbaar debat over de leges bij de rulings. Ook hier zitten weer mitsen en maren aan. Wij willen ook geen drempels opwerpen voor mensen die terecht hun recht halen; ook daarover was ik het helemaal eens met mevrouw Leijten. Tegelijkertijd is er nog zeker een argumentatie te verzinnen en te bedenken waarom het wel rechtvaardig is dat kosten verhaald worden. Dus waarom kiest het kabinet in dit geval hier zo hard voor, zelfs met de boodschap dat het andere landen hierop gaat aanspreken, zodat er echt helemaal geen drempels worden opgeworpen?

Dan nog wat vragen over de financiële gevolgen van het wetsvoorstel. In de uitvoeringstoets staat dat er alleen incidentele uitvoeringskosten zijn van €380.000. Voor 2018 stond de teller al op 366 binnengekomen verzoeken. Hoeveel geld heeft de Nederlandse Belastingdienst de afgelopen jaren moeten teruggeven vanwege dubbele belasting? Als we verwachten dat de procedures nu gemakkelijker worden gemaakt, zal dat dan niet leiden tot lagere belastinginkomsten vanwege een hoger aantal teruggaven en, zo ja, is hier rekening mee gehouden in de budgettaire ramingen?

Voorzitter, tot slot, nog iets wat meer filosofisch van aard is. In het geval van dubbele belastingen laten belanghebbenden wel van zich horen, zeker als het gaat over grote bedrijven met fiscale experts en adviseurs. Er zal dan ook wel wat gemakkelijker gebruikgemaakt worden van de arbitragecommissies. Aan de andere kant weten we ook dat Nederland beschikt over een omvangrijk belastingverdragennetwerk en dat dubbele niet-belasting daar soms een ongewenst gevolg van kan zijn. Heeft de staatssecretaris hierover cijfers? Hoe verhoudt het aantal gevallen van dubbele niet-belasting zich tot de gevallen van dubbele belasting? Waarom is er eigenlijk — dit is iets meer filosofisch van aard en sluit een beetje aan bij de vragen van mevrouw Leijten — geen meldpunt of een arbitragecommissie voor gevallen van dubbele niet-belasting voor de Belastingdienst of maatschappelijke organisaties? Want uiteindelijk zijn we als samenleving allemaal gedupeerden als er sprake is van dubbele niet-belastingen. Ik begrijp dat het geen onderdeel uitmaakt van dit wetsvoorstel maar ik hoop wel dat dit kabinet de prioriteit blijft waarmaken om dubbele niet-belasting te voorkomen. Graag een reflectie van de staatssecretaris hierop.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we ten slotte van de zijde van de Kamer luisteren naar de bijdrage van meneer Omtzigt namens het CDA.

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter. Vorige week hebben we in deze Kamer een interessante hoorzitting gehad over de vraag of multinationals wel winstbelasting betalen over de in Nederland behaalde winst. Dit wetsvoorstel gaat een beetje over de andere kant. De balans is altijd hoe je ervoor zorgt dat iemand een keer belasting betaalt, dus niet twee keer en niet nul keer. Mevrouw Lodders had net heel nare voorbeelden van vrachtwagenchauffeurs in Noorwegen die twee keer belasting betalen. Meerdere Kamerleden hebben Kamervragen gesteld over Rijnvarenden die de facto twee keer sociale premies moeten afdragen. Ieder land zegt dat ze gelijk hebben en ze worden vermorzeld tussen de bureaucratie. Sommige bedrijven lijken iets onder die factor een te zakken, zullen we maar zeggen. Dus het lijkt mij goed om behalve waar het gaat om dit wetsvoorstel, een commissie te laten kijken naar wat nou een eerlijke vorm van belastingheffing zou zijn voor deze multinationals. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om daarop te reflecteren.

Bedrijven die met meerdere landen te maken hebben, hebben in beide of meerdere landen winstbelasting te betalen. Dat is voor een bedrijf niet vol te houden, maar burgers kunnen er ook het slachtoffer van worden. Denk bijvoorbeeld aan een Nederlander die in Polen gewerkt heeft en uit Polen pensioen ontvangt. Beide landen beweren dat zij belasting mogen heffen over dat pensioen. Dan kun je je voorstellen dat er maar weinig van dat pensioen overblijft en dat mensen in de financiële problemen kunnen komen. Ik zou wat dat betreft niet alleen op dat Poolse voorbeeld graag een reactie willen hebben maar ook op het voorbeeld dat we in de praktijk gezien hebben van Nederlanders die in België wonen en een ABP-pensioen hebben, waarbij op een gegeven moment een conflict tussen de Nederlandse en de Belgische autoriteiten ontstond wat betreft dat ABP-pensioen of de heffing door Nederland of België gedaan moest worden en beide belastingdiensten zo vriendelijk waren om deze mensen een aanslag te sturen. Hoe werkt dat hier uit? In dit soort gevallen kun je natuurlijk bezwaar maken tegen de aanslag maar als de rechters in beide landen de eigen belastingdienst gelijk geven, schiet je daar niet zo heel veel mee op. De onderlinge overlegprocedure biedt dan uitkomst. Belastingplichtigen kunnen de twee landen dwingen om uit te vechten welk land er belasting mag heffen, en — heel belangrijk — welk land dat dus níét mag. In Nederland zorgt dat bijna altijd voor een oplossing, maar helaas niet altijd. Ik ken het voorbeeld van een bedrijf met problemen in Frankrijk, waarbij Nederland de onderlinge overlegprocedure heeft stopgezet omdat Frankrijk volgens de Nederlandse Belastingdienst te bizarre standpunten innam. Dan loop je met z'n tweeën volledig vast. Met deze wet volgt er dan verplichte arbitrage en komt er dus wel altijd een oplossing voor de belastingplichtige. Dat aspect van deze wet acht ik zeer positief.

En richting mijn PVV-collega zou ik willen zeggen: hij was vergeten dat dit toch de uitkomst is van Europese regelgeving, die soms best wel positief kan uitpakken en warm omarmd wordt. Dat is best wel aardig.

Wel heb ik nog een aantal vragen voor de staatssecretaris. Welke waarborgen zijn er dat de arbitragecommissie geheel onafhankelijk en gekwalificeerd is om een besluit te nemen? Wordt het voor particulieren en kleine bedrijven niet erg ingewikkeld als zij moeten kiezen tussen drie soorten arbitrage, namelijk de arbitragerichtlijn, het EU-arbitrageverdrag en arbitrage op grond van een belastingverdrag? Waarom is er niet voor één goede arbitrageroute gekozen? Komt daar op een gegeven moment nog een vorm van stroomlijning in? Hoe worden belastingplichtigen geïnformeerd over de verschillende overlegmogelijkheden en de verschillen daartussen? Want zo'n belastingplichtige kent, zeker als het een klein bedrijf of individu is, de weg meestal niet zo goed in dit doolhof. In welke gevallen is de onderlinge overlegprocedure voor een belastingplichtige gunstiger dan de route van de arbitragerichtlijn? En het kabinet verwacht door deze wet op termijn meer arbitragezaken en daarmee ook extra werkzaamheden, maar er zijn geen extra fte's nodig bij de Belastingdienst. Kan dat allebei kloppen?

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we schorsen tot 11.00 uur. Daarna gaan we luisteren naar de beantwoording van de staatssecretaris in eerste termijn.

De vergadering wordt van 10.47 uur tot 11.03 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is de beantwoording door de staatssecretaris van Financiën in eerste termijn vanwege de Wet fiscale arbitrage. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Snel:

Voorzitter. Ik heb even snel de papieren een beetje proberen te ordenen en mijn best gedaan om voor deze beantwoording weer een aantal blokjes te gaan gebruiken. Het is misschien handig dat ik die nu meteen even aankondig, zodat we weten welke volgorde we aanhouden.

Allereerst wil ik nog even in algemeenheid neerzetten wat ook alweer de bedoeling was van het wetsvoorstel, waarom we dat zo belangrijk vinden en wat de verbeteringen zijn ten opzichte van de praktijk. Dan zal ik al een of twee vragen in algemeenheid van de leden proberen te beantwoorden.

Daarna ga ik in op de wat specifiekere vragen, bijvoorbeeld rond de lidstaatopties, de cijfers over de arbitragepraktijk en de samenstelling van de arbitragecommissie. Dan over de kosten. Vervolgens was er een klein blokje over dubbele niet-heffing, waar twee vragen over zijn gesteld. En, zoals te doen gebruikelijk, is er dan nog het blokje overig, maar ook dat is relatief kort. Het zijn allemaal overigens korte blokjes, maar dan hebben we toch iets van een volgorde in het geheel.

Dat gezegd hebbende, zal ik snel beginnen, misschien wel gewoon met de conclusie dat het wat mij betreft ook een genoegen is om over dit wetsvoorstel vandaag met uw Kamer te kunnen praten en de leden te bedanken voor de gestelde vragen.

Het wetsvoorstel ziet dus op de implementatie van de zogenaamde arbitragerichtlijn. Met de komst van deze richtlijn wordt de arbitrage in het internationale belastingrecht binnen de EU verder verstevigd. Dat is, zoals uw Kamer ook constateerde, gelukkig een goede zaak. Ik zal dat natuurlijk verder nader toelichten.

Op fiscaal terrein is de Nederlandse inzet eigenlijk al jarenlang om dubbele belastingheffing zoveel mogelijk te voorkomen. Mensen, burgers, bedrijven, grote bedrijven, kleine bedrijven, iedereen kan ermee te maken krijgen en het is dan eigenlijk aan ons om ervoor te zorgen dat die mensen een oplossing krijgen. Een belangrijke stap daarbij is om arbitrage mogelijk te maken, zeg maar als sluitstuk van de overlegprocedure ingeval de landen er niet uitkomen en de bedrijven of de burgers daar vervolgens de dupe van worden. De richtlijn voorkomt dus eigenlijk langdurige procedures óf de situatie dat landen echt helemaal niet tot een oplossing weten te komen omdat er geen verplichte arbitrage is aan het eind van het proces. Nederland maakt zich dus al jarenlang internationaal sterk hiervoor en streeft er ook naar om in alle individuele belastingverdragen, dus ook buiten die van de Unie, een arbitragebepaling op te nemen.

Wij zien dit wetsvoorstel dus als een belangrijke stap voorwaarts in het licht van de alreeds bestaande procedures en instrumenten. We hebben er — dat klopt inderdaad — al een aantal verschillende. Overigens wil ik hier ook bij opmerken dat wij onlangs ook het multilateraal instrument hebben aangenomen. Dat is heel erg belangrijk omdat ook daarin arbitrage weer naar voren is gebracht. Ook daarvoor geldt dat wij alle landen zo snel mogelijk met ons willen vinden in een spoedige oplossing van de problemen die kunnen bestaan op het moment dat je actief bent in meerdere landen.

Het EU-arbitrageverdrag is voorlopig bovendien nog wel beperkt geweest tot transfer pricing, waardoor andere zaken daar niet onder vielen. Dus er zijn allerlei verschillende vormen — de heer Omtzigt vroeg daar ook naar — en niet alle arbitrageverdragen hebben dezelfde reikwijdte.

De arbitragerichtlijn in het wetsvoorstel gaat nu een stuk verder dan de bestaande procedures en regelt bijvoorbeeld op veel terreinen een meer sluitende en ook resultaatgerichte procedure. De arbitragerichtlijn is bijvoorbeeld qua reikwijdte van de procedure nu veel ruimer geworden. Hij ziet op een geschilpunt over de uitleg, van toepassing op alle belastingverdragen. Hij ziet dus ook op zaken die gaan om dubbele belastingheffing, maar ook bijvoorbeeld om meningsverschillen op het moment dat er verdragsinterpretatie aan de orde is. Het is niet alleen zo dat je probeert dubbele belastingheffing te voorkomen, maar soms is er ook echt een andere interpretatie. Ook daar kan deze arbitragerichtlijn verbetering in brengen.

De procedures zijn bovendien minder vrijblijvend geworden en er zijn er ook een flink aantal meer geformaliseerd. De bevoegde autoriteiten zijn nu gebonden aan termijnen — er is dus altijd een eindtermijn — en de verplichting richting de belastingplichtige wordt daarmee beter nagekomen.

De nieuwe procedure van het wetsvoorstel brengt hierdoor ook meer rechtsbescherming, rechtszekerheid en transparantie voor de belanghebbenden met zich mee. En doordat de procedure uitvoerig in de wet is beschreven, zijn de betreffende voorwaarden, termijnen, rechten, rechtsmiddelen, maar ook plichten voor alle betrokkenen vooraf bekend.

Misschien nog wel het belangrijkste: elke procedure onder het wetsvoorstel kan potentieel tot arbitrage leiden. Arbitrage na de procedure voor onderling overleg werkt dus eigenlijk op twee manieren positief. Ten eerste is het een stok achter de deur. Het is dus altijd een extra motivatie voor de lidstaten om ook echt tot een oplossing te komen. Ten tweede: mocht er uit de onderlinge overlegprocedure toch geen oplossing komen, dan kan de arbitragecommissie zich erover buigen, zodat er alsnog een oplossing wordt gevonden.

De heer Omtzigt vroeg of het, gegeven al die arbitragemogelijkheden, bijvoorbeeld voor particulieren en kleine bedrijven, nou niet erg ingewikkeld wordt, omdat ze moeten kiezen. De heer Omtzigt vroeg ook waarom er niet voor één goede arbitrageroute gekozen is. Hoe worden belastingplichtigen over de verschillende overlegmogelijkheden geïnformeerd? Dat is een beetje de samenvatting. Ik ben het op zich met de heer Omtzigt eens dat er behoorlijk wat te kiezen is voor de belastingplichtige en dat de situatie die we nu hebben, vooral iets is wat historisch gegroeid is. Nederland heeft al heel lang een actief verdragsbeleid om arbitrage af te spreken. Nederland heeft daar ook met een aantal landen afspraken over gemaakt. Daarnaast is arbitrage een optioneel onderdeel van het MLI, het multilaterale instrument, waar ik het net over had. Maar niet alle landen kruisen dat aan. Dat zouden wij graag willen, maar dat doet niet iedereen. Maar binnen Europa zorgt deze richtlijn er nu voor dat arbitrage de norm gaat worden en dat er een goede arbitrageroute beschikbaar is voor alle landen binnen de Unie.

Dit was een kort aanloopje tot het geven van een aantal antwoorden. Ja, het klopt dat het een ingewikkelde situatie is waarbij er veel te kiezen valt. Maar Nederland blijft zich ervoor inzetten dat de route zo helder mogelijk gaat worden. In ieder geval vind ik — ik geloof dat veel Kamerleden dat met mij eens zijn — dat het goed is dat de EU-lidstaten zich nu met deze richtlijn aan de arbitrage hebben verbonden. Dat lidstaten dit belangrijk vonden, blijkt ook wel uit de snelheid waarmee de richtlijn tot stand is gekomen. Binnen één jaar na de publicatie van het richtlijnvoorstel door de Commissie, heeft de Raad het goedgekeurd.

Welke problemen zijn we dan nu precies aan het oplossen? Ik geef even een korte toelichting. Om dubbele belastingheffing weg te nemen, beschikt Nederland over veel verdragen — ik zei het al — waardoor heffingsrechten worden verdeeld. Soms is het echter zo dat verschillende landen de belastingverdragen op verschillende manieren uitleggen of toepassen. Ondanks dat je dat probeert te voorkomen in zo'n verdrag, kan er dan toch nog dubbele belastingheffing ontstaan. In principe kan elke belastingplichtige die buiten de Nederlandse grenzen een inkomen verkrijgt, met deze dubbele belastingheffing worden geconfronteerd. Mevrouw Lodders en ook de heer Omtzigt hadden net een aantal voorbeelden die duidelijk aangeven dat, ondanks dat er een belastingverdrag is en er ook procedures zijn, er toch nog dubbele belastingheffing kan ontstaan. Wij willen dat altijd zien te voorkomen.

Een groot deel van de lopende zaken ziet voornamelijk op deze particulieren, en niet op grote multinationals of andere zaken; dat zeg ik er ook alvast bij. Dus bij veruit het grootste deel gaat het om particulieren. Maar natuurlijk kunnen ook andere ondernemingen, zowel groot als klein, te maken krijgen met de onduidelijkheden van een verdragsbeleid. Ook voor hen biedt dit een oplossing.

Dan wat cijfers. Ik zal er zo preciezer op ingaan. Het gaat gemiddeld om 200 verzoeken per jaar. Dan gaat het om allerlei soorten Nederlandse belastingplichtigen. De heer Snels noemde eerder dat het er in 2018 366 waren. Dat klopt. Dat getal had ik volgens mij ook in de nota naar aanleiding van het verslag genoemd. Maar het was wel een beetje een vertekening, bijvoorbeeld omdat in één keer ruim 160 mensen aan een MAP-procedure meededen. Daarbij ging het om de zaak die ook de heer Omtzigt noemde, namelijk de pensioenproblematiek met België. We hebben deze situaties in de MAP-procedure uiteindelijk met één generieke afspraak opgelost; dat zeg ik ook alvast richting de heer Omtzigt. Dat is dus een voorbeeld waarbij arbitrage uiteindelijk het eindstuk is. Ook al duurt het soms te lang, soms lukt het ons gelukkig ook om in onderling overleg eruit te komen. Van die 366 hebben we er 160 in één klap kunnen oplossen. Als je die eruit haalt, zie je dat het om ongeveer 200 procedurezaken per jaar gaat. Dat zie je eigenlijk ook in de jaren daarvoor.

De uitstroom — hoeveel zaken lossen we op? — is ook ongeveer 200 per jaar. Je ziet dus eigenlijk dat we ongeveer evenveel zaken kunnen afwerken als dat er binnenkomen. Tegelijkertijd kunnen we de achterstanden die er soms zijn — sommige zaken duren echt jaren — niet oplossen. Het zou prettig zijn als dat wel zou kunnen. Dan de wijze van implementatie. De arbitragerichtlijn wordt zuiver geïmplementeerd. Dat wil zeggen dat met het wetsvoorstel alleen de inhoud en bijbehorende aspecten van de Arbitragerichtlijn in de nationale wetgeving worden opgenomen. Ik zeg dat richting die fracties die altijd pleiten voor geen nationale kop. Dat is hier dus het geval. We hebben hier geen nationale kop. Het is een rechtstreekse implementatie van het richtlijnvoorstel.

Dan iets over de procedure. Gezien de inhoud van de Arbitragerichtlijn is het wetsvoorstel voornamelijk — dat werd ook al geconstateerd door de heer Snels — procedureel en formeelrechtelijk van aard. Het is misschien iets minder sexy in wat we beleidsmatig doen, maar het geeft een belangrijk kader voor alle belangrijke besluiten die wij vervolgens te nemen hebben als het gaat om het wegnemen van bijvoorbeeld die dubbele belasting.

Dan de arbitragecommissie. Ik kom nog specifiek op de vragen daarover. Uitgaande van de normale situatie die we proberen te creëren, bestaat een raadgevende arbitragecommissie uit een voorzitter, een of twee vertegenwoordigers van de minister van Financiën, een of twee vertegenwoordigers van de andere bevoegde autoriteiten, bijvoorbeeld een ministerie van Financiën van een ander land, en dan ook nog twee of maximaal vier vooraanstaande, onafhankelijke personen. In totaal zal een arbitragecommissie bestaan vijf of negen personen, een aantal dat niets met de zaken te maken heeft en een aantal dat er door beide partijen kan worden neergezet en een toelichting kan geven op de wetstoepassing in hun land. Deze vooraanstaande, onafhankelijke personen worden door de minister van Financiën, en dat geldt ook voor de andere landen, benoemd uit een lijst die bij de Commissie ligt. De arbitragecommissie geeft advies over de beslechting van het geschilpunt en de lidstaten kunnen, indien de arbitragecommissie ook als raadgevend is vastgesteld, van het advies afwijken, maar ze zijn dan wel gehouden, in een uitzonderingssituatie — wij pleiten er overigens altijd voor om het advies wel bindend te laten zijn — om zelf met een oplossing te komen. In alle gevallen is er sprake van een eindbesluit dat wordt voorgelegd aan belanghebbenden waaraan vervolgens uitvoering wordt gegeven door een zogenaamde vaststellingsovereenkomst. Dat woord komt vaker voor in onze discussies.

Dan de specifieke vragen. Ik begin met de lidstaatopties. De heer Snels verwees naar zijn eerdere motie met het verzoek aan de regering om elke keer wanneer de Kamer zich bezighoudt met de implementatie van een wetsvoorstel ook informatie te verstrekken over hoe het met de andere landen zit. Vaak, en ook in dit geval, zal blijken dat wij die informatie dan nog niet hebben. Zoals wij in de Kamer ook nog praten over de implementatie ervan, en er misschien nog amendementen worden ingediend, zo geldt dat ook voor de andere lidstaten. Ik snap dat het relevant kan zijn om te weten wat de rest van de wereld doet, maar soms moeten wij, in dit geval helemaal vind ik, zelfstandig aan de verplichtingen van de richtlijn voldoen. Dat willen we ook, zeker in het geval van deze implementatie waarbij eigenlijk maar heel weinig sprake is van nationale lidstaatopties. Ik vind dat wij in dit geval vooruit kunnen zonder die kennis. Ik beloof wel dat op het moment dat wij weten wat de keuzen van andere lidstaten zijn, wij dat aan de Kamer meedelen. Nu hebben wij die informatie echter nog niet. Ik vraag me ook af of die informatie momenteel überhaupt ergens beschikbaar is.

De heer Snels vroeg ook nog waarom de toegang tot de arbitragecommissie wordt geweigerd in het geval van strafrechtelijke sancties en waarom dat bijvoorbeeld niet gebeurt bij boetes. Andere lidstaten maken daar soms andere keuzen in. Het komt erop neer dat Nederland zegt: op het moment dat er sprake is van een strafrechtelijke veroordeling, is er echt iets misgegaan en dan heb je geen recht meer op de verdragstoepassing. Iets anders is als je een boete hebt gehad. Je hebt iets gedaan wat niet helemaal correct was en je hebt een boete gehad, je zou kunnen zeggen een soort verkeersovertreding. Dan heb je voor dat vergrijp al een boete gehad en dan is het erg hardvochtig als je nog een keer wordt gestraft door geen verdragstoepassing te geven. Dat is de keuze die Nederland maakt. Andere landen kunnen kiezen voor iets anders, maar wij trekken daar de Nederlandse grens.

Mevrouw Lodders vroeg op dit punt nog of ik iets meer kon zeggen over hoe deze wet werkt met betrekking tot belastingfraude. Stel je bent echt veroordeeld, is het dan eenmalig of heb je daar de rest van je looptijd last van? De strafrechtelijke veroordeling dient in direct verband te staan met het geschilpunt. Dat is, denk ik, het belangrijkste. Het is dus niet zo dat je, als je op gebied A die fout hebt gemaakt, je op gebied B levenslang veroordeeld blijft. Het gaat echt om dat rechtstreekse verband. Het kan overigens wel meerdere belastingjaren betreffen, zolang er sprake is van dat directe verband. Fraude kan meer dan één jaar beslaan; er kan over meerdere jaren fraude zijn gepleegd. Bij een strafrechtelijke veroordeling met een direct verband kan toegang tot de arbitragecommissie dus worden geweigerd.

Dan waren er vragen over een aantal cijfers. Ik heb zojuist al grofweg een paar genoemd, maar er waren volgens mij nog preciezere vragen van mevrouw Lodders. Zij vroeg hoeveel het er precies zijn geweest in de afgelopen tien jaar en of wij kunnen aangeven om welk soort geschillen het daarbij precies ging. Dat heb ik niet zo snel naar voren kunnen halen. Wij weten wel dat het over het algemeen vooral gaat om verrekenprijszaken en interpretatiezaken. Verrekenprijszaken gaan eigenlijk altijd over ondernemingen. Waar deel je de winst aan toe? Dat geldt zowel voor het kleinbedrijf als ook voor het grootbedrijf. Interpretatiezaken hebben juist vaak betrekking op natuurlijke personen. Zoals ik al heb gezegd: het overgrote deel van de zaken die wij zien, gaan over natuurlijke personen.

In 2017 bijvoorbeeld zagen wij 40 verrekenprijszaken en 180 interpretatiezaken. Van die interpretatiezaken hebben we 140 afgedaan, evenals ongeveer 40 verrekenprijszaken. Daar zie je dus dat de verrekenprijszaken wel zijn afgedaan, maar dat er nog 40 interpretatiezaken over zijn. Over het algemeen zien we ongeveer 200 zaken inkomen en uitgaan per jaar. Het merendeel, 75% van die zaken, zijn zaken met EU-lidstaten: Duitsland, België en, ook belangrijk, Italië, Frankrijk en Spanje. Dat is de grootste categorie landen waarmee wij te maken hebben. Ik heb geen een-op-eentoelichting. Dat scheelt ook van jaar op jaar, maar dan zie je een beetje waar het vaak om gaat.

Landen buiten Europa komen ook voor, al is het niet het grootste gedeelte. Daar zien we vooral zaken in de VS en in Indonesië ontstaan. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik eerder al gegevens gedeeld met de Kamer over de hoeveelheid zaken en over de doorloop van zaken. Daar wou ik mevrouw Lodders dan ook naar terugverwijzen. Wij zullen die cijfers ook jaarlijks blijven publiceren. Dat doet de OESO overigens ook, maar dan voor alle landen onderling. Dat geeft echt een heel mooi beeld daarvan.

Voorzitter. Ik zie mevrouw Lodders naar voren komen.

Mevrouw Lodders (VVD):

Komt de staatssecretaris nog terug op mijn vraag of hij dit verdrag gaat monitoren?

Staatssecretaris Snel:

Ja, daar kom ik volgens mij ook op terug.

De voorzitter:

Dan zien we u later terug, mevrouw Lodders. Gaat u verder, staatssecretaris.

Staatssecretaris Snel:

Dan stelde mevrouw Lodders nog een vraag. Kan de staatssecretaris een overzicht bieden van de geschillen die zijn opgelost, van hoe die tot een einde zijn gekomen, van de bedragen waar het over ging en van hoe dit voor Nederland uitpakte? Als ik het goed begrijp, waren dat vier vragen, die volgens mij om hetzelfde gaan. Ook hier denk ik dat het het beste is om te kijken naar de cijfers die we van de OESO hebben gekregen. Bijvoorbeeld uit de cijfers over 2016 en 2017 blijkt dat het merendeel van de zaken is afgedaan, bijvoorbeeld door een onderlingoverlegprocedure. Gelukkig, zou je kunnen zeggen, dat dat ook af en toe een oplossing biedt, waarbij dubbele belasting kon worden weggenomen.

Soms wordt een verzoek ook ingetrokken, omdat unilateraal een van beide landen zegt: weet je wat, ik trek mijn punt terug en ik laat dit geschil tot een einde komen, zodat we een oplossing hebben voor de belastingplichtige. Dat kan dan bijvoorbeeld omdat er ook nationaal voldoende rechtsmiddelen zijn om dat toe te staan. In totaal leidde het in de twee jaar waar ik het over heb, in minder dan 10% van de zaken níet tot een volledige oplossing. Juist voor die gevallen — en dat is nog best een hoog aantal — biedt dus deze arbitragerichtlijn een uitkomst. Maar 90% kan gewoon uiteindelijk in goed overleg worden opgelost. Gelukkig, zeg ik daar bij.

Cijfers over de hoeveelheid zaken per type belanghebbende heb ik niet. Ik kan wel aangeven dat het in het merendeel van de zaken gaat om natuurlijke personen.

Mevrouw Leijten vroeg hoe het zit met de rechtszekerheid. Een arbitrage-uitspraak kan ook iets zeggen over de toekomst. Er wordt echter duidelijk aangegeven dat er bij dit wetsvoorstel geen sprake kan zijn van precedentwerking. De doelstelling van de wet is om de rechtszekerheid, de rechtsbescherming en de transparantie te vergroten. De procedures zijn in de wet beschreven. Daardoor zijn de voorwaarden, de termijnen en de rechtsmiddelen bekend. Is zo'n uitspraak dan van toepassing op wat er daarna komt? Het antwoord is nee. Er is geen directe precedentwerking. Dat komt omdat veel van deze zaken op zichzelf staan. Er is bijna nooit een identiek geval. Dat zou ook bijzonder zijn. Tegelijkertijd kan zo'n procedure inzichten bieden aan nationale wetgevers en belanghebbenden. Er zit geen officieel rechtsgevolg aan, maar natuurlijk zullen mensen kijken naar wat er daar gebeurd is. Een officiële precedentwerking zit er niet aan.

Mevrouw Leijten (SP):

Dat bleek ook al uit het wetsvoorstel. Ik wil dan toch pleiten voor een periodiek overzicht of een analyse van zaken die daar voor hebben gelegen. Een zaak is misschien nooit identiek, maar kan wel heel grote gelijkenissen hebben. Ik denk aan een geschil met een bepaalde lidstaat over de vraag of er belasting in het woonland of het bronland betaald moet worden. Daaruit zou je de conclusie kunnen trekken dat wij iets moeten wijzigen of dat we een verdrag met dat land moeten sluiten om het op te lossen voor andere gevallen. Ik zou het interessant vinden om daar periodiek een analyse van te zien. Is de staatssecretaris bereid om die te maken?

Staatssecretaris Snel:

De bedoeling van een overlegprocedure en uiteindelijk ook van een arbitragezaak is dat een individuele belastingplichtige zekerheid krijgt. Eigenlijk zegt mevrouw Leijten: stel nu dat we tientallen zaken hebben die over hetzelfde punt gaan, dan moet toch op een gegeven moment een lichtje gaan branden en moet je je afvragen of er niet iets is dat niet goed is. Dat is waar. Dat is ook eigenlijk wat wij doen. Wij updaten onze belastingverdragen keer op keer. De Belgische pensioenen werden net genoemd. Dat is een goed voorbeeld. Wij weten naar aanleiding van de overlegprocedure dat keer op keer blijkt dat dingen onduidelijk zijn. Dat komt daar misschien nog wel duidelijker naar voren dan bij arbitragezaken. Dat nemen we mee. Ik probeer aan te geven dat we moeten oppassen dat we uit individuele gevallen niet een soort nieuwe rechtsgeschiedenis gaan maken. Dat is precies de reden dat er geen officiële precedentwerking is. Je wilt dat de mensen die zich met die arbitragezaak bezighouden, zich geen zorgen hoeven te maken over wat de uitspraak betekent voor alle andere gevallen. We willen dat zij helpen om via de arbitrage een probleem op te lossen. Dat mag ook via een shortcut of wat dan ook. Ik denk dat wij in onze beleidsontwikkeling doen wat mevrouw Leijten vraagt. Zij wil een overzicht waaruit blijkt dat we er lering uit trekken, als ik het goed begrijp.

Mevrouw Leijten (SP):

Je zou ook voor de precedentwerking kunnen kiezen. Dan geldt de oplossing van een individueel geschil voor vergelijkbare situaties in de toekomst. Daar is nu niet voor gekozen en ik kan dat best volgen. Ik vind dat je dan moet kiezen voor een periodiek overzicht. Dat kan jaarlijks of tweejaarlijks, dat maakt mij niet uit. Daaruit kan blijken dat er heel veel zaken over pensioenen gaan of over bedrijfsinrichting. Dan kun je een analyse maken of er eenzelfde probleem aan ten grondslag ligt. Dan hoeven al die mensen niet meer naar die arbitrage toe.

De voorzitter:

Meneer Snels. O sorry, de staatssecretaris.

Staatssecretaris Snel:

De verwarring over de namen neemt nog steeds niet af. Maar het zal wel een keer goedkomen, misschien aan het eind van deze kabinetsperiode.

Ik geloof dat ik mevrouw Leijten goed begrijp. Ik ga erover nadenken of we dat kunnen doen. Nogmaals, ik wil niet suggereren dat we op basis van die zaken een soort nieuwe wetsontwikkeling krijgen. Ik snap wat zij zegt en ik wil even nadenken over de vraag hoe ik dat het beste vorm kan geven. Dus dat zal ik doen.

Mevrouw Lodders gaf het voorbeeld van een vrachtwagenchauffeur in de Noorse situatie. Zij heeft daarover eerder schriftelijke vragen gesteld, die ik aan het beantwoorden ben. Ik hoop die antwoorden overigens snel af te hebben; het is best een ingewikkelde zaak. Het klopt inderdaad dat wat we nu aan het doen zijn, daarop niet direct van toepassing hoeft te zijn. Maar ik vond het een goed voorbeeld om aan te geven dat mensen soms willen dat iemand eens kijkt naar een specifieke situatie. Ik zeg er tegelijkertijd bij dat het ook kan zijn dat in sommige gevallen een casus via een onderling-overlegprocedure niet tot een uitkomst leidt, waarvoor vervolgens arbitrage wordt aangevraagd, die tot een uitkomst leidt waarmee mensen het niet eens zijn. Dat kan ook. Nederland is heel erg voor arbitrage, maar als een belastingplichtige toch volledig zijn eigen gelijk wil halen, kan dat betekenen dat wij ons daar echt wel bij neerleggen. Anders heeft arbitrage geen zin: het is het sluitpunt. Maar ik zal daar schriftelijk nog verder op reageren. Ik wil alleen maar aangeven dat het echt een arbitragezaak is.

De heer Omtzigt noemde een voorbeeld uit de praktijk van Nederlandse en Belgische pensioenen. Dat klopt; we hebben het daar eerder in de Kamer over gehad. Ik heb net al kort gezegd dat dat inderdaad een pijnlijk voorbeeld was, met een langdurige onduidelijkheid over wie de heffingsrechten had. Toen besloot iedereen: dan hebben we beide heffingsrechten, zodat er ineens dubbel werd belast. Uiteindelijk hebben we gelukkig in goed onderling overleg met de Belgen daarvoor een oplossing kunnen vinden. Maar het was een exact voorbeeld waarom we deze arbitragerichtlijn echt nodig hebben, want het heeft gewerkt als een stok achter de deur.

De heer Omtzigt vroeg: als de verwachting is dat deze wet op termijn leidt tot meer arbitragezaken — dat zou kunnen — en daarmee tot extra werkzaamheden, waarom worden er dan geen extra fte's ingeboekt? Kan dat wel kloppen samen? Het klopt inderdaad dat wij verwachten dat er meer arbitragezaken gevoerd kunnen worden, zodat we meer oplossingen kunnen bieden. Maar tegelijkertijd is in de nota naar aanleiding van het verslag ook aangegeven dat we verwachten dat de extra werkzaamheden kunnen worden opgevangen binnen de huidige formatie. Hoe kan dat nou als er meer zaken zijn? Dat heeft ermee te maken dat wij verwachten dat de hoeveelheid werk per geschilbeslechting kan afnemen. De prikkel van het wetsvoorstel leidt ertoe dat wij denken ook sneller klaar te zullen zijn met het vinden van een oplossing, waardoor er sneller meer zaken worden afgedaan en er dus per saldo geen extra fte's nodig zijn.

De heer Snels van GroenLinks vroeg of er ook cijfers waren over de situatie van dubbele niet-belasting. Daar kwam de filosofische vraag uit naar voren of het niet goed zou zijn om een arbitragecommissie voor dubbele niet-heffing te hebben voor beursbedrijven. Het antwoord is vrij kort: ik heb geen cijfers over de situatie van dubbele niet-belasting. Dat is ook niet zo raar, omdat in zaken waarin een bedrijf of een burger geen last heeft van dubbele niet-belasting dezen zich niet snel bij ons zullen melden. Dat is een soort interne logica: als je vindt dat je dubbel betaalt, zul je dat sneller melden dan wanneer je denkt dat er sprake is van een meevaller, omdat je twee keer niet hoeft te betalen. Om die reden is het lastig om dat in beeld te brengen. Maar goed, zijn filosofische punt snap ik wel en sluit eigenlijk heel dicht aan bij de discussie die we hier vaker hebben gevoerd dat ik het ook belangrijk vind dat we belastingontwijking aanpakken, dat ik het ook belangrijk vind dat we dat niet alleen via wetgeving doen, maar dat het bedrijf zelf daar ook een zekere verantwoordelijkheid in moet gaan willen nemen. Ik ben blij dat in de maatschappelijke discussie steeds meer druk gaat ontstaan op bedrijven om dat ook te doen. Dat even om een klein beetje terug te filosoferen richting de heer Snels.

De heer Omtzigt vroeg mij in welke gevallen de onderlinge overlegprocedure voor een belastingplichtige gunstiger was dan de route van de arbitragerichtlijn. Het is lastig om in zijn algemeenheid te zeggen in welke gevallen de ene route gunstiger zou zijn dan de andere, want per situatie zou dat anders kunnen zijn. Over het algemeen verwacht ik wel dat de route van de Wet fiscale arbitrage de meest gunstige is en dat binnen Europa vooral van die route gebruik zal worden gemaakt. Dat is geen advies of uitkomst, maar onze verwachting. Dat komt omdat de Wet fiscale arbitrage betere waarborgen biedt voor de toegang tot de procedure en daadwerkelijk een tijdige oplossing van het geschil met zich mee kan brengen. We denken dus dat het die kant op zal gaan.

Dan over de arbitragecommissie die in het leven is geroepen. Daar had de heer Omtzigt ook een vraag over, namelijk: welke waarborgen zijn er om ervoor te zorgen dat de arbitragecommissie geheel onafhankelijk en gekwalificeerd is om een beslissing te nemen? Ik heb net al aangegeven dat die commissie uit vijf of negen leden samengesteld kan worden. Het is belangrijk dat bij een oneven aantal altijd een meerderheid van de leden onafhankelijk is. Dat is geregeld en wij denken dat dat helpt. Bovendien willen wij behoorlijk wat waarborgen hebben en eisen stellen aan de mensen die daar in kunnen treden. Niet iedereen kan daar zomaar deel van uitmaken. We willen echt weten wie dat zijn en welke ervaring ze hebben. Het kunnen bijvoorbeeld oud-rechters of rechters zijn. Dat hoeft niet, maar dat zou heel goed kunnen. Zo iemand mag bijvoorbeeld geen belastingadviseur zijn; laat dat ook helder zijn. We hebben dus een aantal voorwaarden. Verder kunnen de minister van Financiën en de andere bevoegde autoriteiten eisen dat een benoemd vooraanstaand onafhankelijk persoon of diens plaatsvervanger openheid van zaken geeft om zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid volledig te kunnen toetsen. We hebben het idee dat er een aantal stevige waarborgen zijn ingezet om dat te kunnen doen.

Mevrouw Leijten stelde een procesvraag over de voorzieningenrechter. Welke stappen moeten worden doorlopen voordat je uiteindelijk bij de arbitragecommissie terecht kan komen? De voorzieningenrechter komt in principe alleen in het spel als een bevoegde autoriteit niet aan haar verplichtingen voldoet. Kort gezegd zijn de stappen als volgt. De belanghebbende dient als eerste een klacht of een geschilpunt over een belastingverdrag in bij de bevoegde autoriteit. Als dat wordt geaccepteerd, kan de bevoegde autoriteit een onderlinge overlegprocedure starten. Als die vervolgens geen oplossing biedt, kan een arbitragecommissie worden ingesteld op verzoek van de belanghebbende. De belanghebbende is dus degene die aan de regieknoppen zit. Dat waren de vragen op dit punt.

Er waren ook vragen over de kosten. Mevrouw Leijten had daar een vraag over en ik dacht ook de heer Snels. Waarom kiest de Nederlandse regering er niet voor om de kosten te verhalen op de belanghebbende? Kan er bijvoorbeeld geen grens worden ingebouwd, zodat een groot bedrijf moet betalen voor de kosten maar een particulier of klein bedrijf niet? De richtlijn biedt de mogelijkheid om bepaalde kosten van de arbitrageprocedure, bijvoorbeeld de vergoeding voor de vooraanstaande onafhankelijke personen, te verhalen op de belanghebbende. Dat klopt. Dit kan in een situatie waarin een belanghebbende zijn klacht intrekt of een arbitragecommissie constateert dat een klacht terecht is afgewezen. Ik heb aangegeven zeer terughoudend te willen omgaan met het verhalen van de kosten in deze situaties, omdat ik het belangrijk vind dat de toegang tot arbitrage voor iedereen zo laagdrempelig mogelijk is. Gisteren hadden we al een kleine discussie over de vraag of de Belastingdienst de kosten in rekening moet brengen die zijn gemaakt. In dit geval gaat het niet om de Belastingdienst, maar om het arbitrageproces. Ik denk dat ik hier in eerste instantie heel terughoudend mee om wil gaan, omdat ik vind dat iedereen, groot of klein, zijn recht moet kunnen halen. Ik vind het zonde als je in een rechtsstaat een drempel legt of belemmeringen opwerpt. Dat wil ik liever niet. Ik weet dat er mogelijkheden zijn in de richtlijn om daar eventueel voor te kiezen en die ga ik ook niet uitsluiten, maar de beginlijn is dat we ervoor willen zorgen dat het voor iedereen toegankelijk is.

Als ik het mij goed herinner, vroeg de heer Snels waarom wij iets anders deden dan in de OESO-richtlijn is opgenomen. Dat klopt. Het OESO-modelverdrag gaat ervan uit dat elke partij haar eigen kosten draagt. Het principe is hetzelfde onder deze richtlijn. Kort gezegd geldt dat de kosten die zien op de arbitrageprocedure worden verdeeld tussen de betrokken landen. Op grond van de richtlijn geldt hiervoor een gelijke verdeling. Kosten voor vertegenwoordiging van belanghebbende in het arbitrageproces zijn zowel in het wetsvoorstel als in het OESO-modelverdrag voor rekening voor belanghebbende. Dus grotendeels zien we wel degelijk op dezelfde principes, maar op het laatst kiezen wij inderdaad voor iets anders dan in het OESO-modelverdrag staat. Wij zijn overigens niet het enige land dat daarvoor kiest.

Ik zie nog een vraag van de heer Snels staan: kan er meer inzicht worden gegeven in de financiële gevolgen van het wetsvoorstel? Het wetsvoorstel leidt naar verwachting alleen incidenteel tot hogere uitvoeringskosten. De heer Snels noemde zelf die €380.000 voor de Belastingdienst al. De reden voor deze hoge uitvoeringskosten is dat we een tijdelijke versnelling in de afhandeling van zaken via de onderlinge overlegprocedure verwachten. Verder is er geen sprake van gederfde inkomsten of van extra inkomsten. Dat hangt samen met het wezen van de procedure van onderling overleg. Het belangrijkste doel van een procedure is het wegnemen van dubbele of onterechte belastingheffing. Hiertoe wordt in overleg met een ander land de afspraak gemaakt aan welk land de heffing toekomt. Per definitie doe je dan eigenlijk wat de bedoeling was en is er geen sprake van derving of extra inkomsten. We hebben alleen extra uitvoeringskosten en daarvan hebben we opgenomen hoe hoog die zouden zijn.

Ik heb nog een aantal laatste antwoorden. De heer Snels zei — eerder kwam dit ook in een opmerking in het schriftelijk overleg voor naar aanleiding van een D66-vraag — dat hij nog steeds niet helemaal helder had waarom Nederland ervoor kiest om alleen maar arbitrage toe te staan als er sprake is van dubbele belastingheffing en niet van dubbele niet-belastingheffing. Aan de hand van een voorbeeld kan ik illustreren waarom het logisch lijkt maar in de praktijk misschien minder logisch is. Stel dat je een Nederlands pensioenfonds bent en dividenden ontvangt uit een land waar Nederland een belastingverdrag mee heeft gesloten. Stel dat op grond van het belastingverdrag met dat land er geen dividendbelasting mag worden ingehouden op de betaling aan de pensioenfondsen. In de situatie dat het bronland toch dividendbelasting inhoudt, moet het pensioenfonds naar mijn mening een beroep kunnen doen op de procedure voor onderlinge arbitrage om ook in aanmerking te komen. Dat heeft te maken met het feit dat wij in eerste instantie de storting in het pensioenfonds vrijstellen van belasting maar dat er later, als er wordt uitbetaald uit het pensioenfonds, over de uitkering belasting moet worden betaald. Op het moment dat het ene land zegt over de opbouw belastingheffing te willen inhouden, bijvoorbeeld over de dividenden die daarbij horen en er later ook betaald moet worden bij de uitkering, heb je toch dubbele belasting. Weliswaar niet op dat moment, maar per saldo zal het leiden tot dubbele belasting. In dat geval willen wij dat ook zo'n Nederlands pensioenfonds gebruik kan maken van de bestaande rechten. Zo zijn er meer voorbeelden, maar dit is denk ik het voorbeeld dat het beste illustreert dat het niet makkelijk een-op-een te koppelen is. Dat geldt voor dubbele belasting maar ook in andere gevallen waarin je wil dat het belastingverdrag van toepassing is op de spelers in het geheel.

In zijn algemeenheid geldt overigens wel dat wanneer er sprake zou zijn van verdragsmisbruik, we gewoon proberen binnen onze eigen belastingverdragen antimisbruikbepalingen op te nemen; dat is ons beleid. Dat doen we niet alleen bilateraal, maar ook in het MLI, bijvoorbeeld bij de PTT, de Principle Purpose Test; sorry voor mijn Engels, voorzitter. Dat is eigenlijk de meest efficiënte manier om te kijken of de doelstelling van een bepaalde opzet is om belasting te ontwijken of niet.

De heer Snels (GroenLinks):

Een korte vraag, want mevrouw Leijten is weer aanwezig, zie ik. Gaat de staatssecretaris ook nog in op het amendement van mevrouw Leijten? Dat ziet namelijk op deze discussie over dubbele niet-belasting en wanneer wel en niet toegang. Volgens mij houdt het amendement rekening met de argumenten van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Snel:

Ja, daar ga ik zo op in. Ik ben inmiddels bij het blokje overig. Ik zie ondertussen ook het antwoord op de vraag over de precedentwerking waar ik net driftig naar op zoek was. Dat zat dus in het blokje overig. Ik denk dat ik net het antwoord al heb gegeven. Het is inderdaad zo dat lidstaten al een generieke oplossing kunnen afspreken en ook kunnen publiceren als een specifiek probleem vaker voorkomt, bijvoorbeeld in een situatie met Nederland en België. We hebben dat met die Belgische pensioenen gedaan. Het is inderdaad zo dat je zelf al meteen actie kan ondernemen op basis van de kennis die je hebt uit procedures die voorkomen. Dat doen we ook elke keer als dat relevant en nodig is. Dat is dus logisch, zoals ik al dacht, en dat gebeurt dus ook in de praktijk.

Mevrouw Leijten (SP):

Voorzitter, ik zou u en de staatssecretaris willen vragen of we tot de beoordeling van het amendement kunnen overgaan, want ik moet zo helaas eventjes de zaal uit voor een andere afspraak. Ik voel dat er wel sympathie voor is, maar dat er ook bezwaren zijn. Ik wil eigenlijk kijken of we dat kunnen oplossen, zodat we wel een wat duidelijker mandaat hebben voor die commissie, waardoor zij die multinational met dat leger aan adviseurs en juristen niet van dienst is, maar tegelijkertijd kleine ondernemers die daadwerkelijk een gerechtvaardigde vraag hebben de pas niet afsnijdt.

De voorzitter:

Is de staatssecretaris in de gelegenheid om het amendement nu te bespreken?

Staatssecretaris Snel:

Ja, dat kan. Ik was bijna bij het einde. Ik had nog drie kleine andere punten, maar ik kan ook in één keer doorgaan naar het amendement. Ik heb dat daarnet snel nog gelezen. Het gaat deels natuurlijk over de weigering van de toegang tot de arbitragecommissie indien het geschilpunt geen betrekking heeft op dubbele belastingen. Ik denk dat het amendement daarnaar vraagt. Ik merk dat er dus ook zorgen zijn over de mogelijkheid om de procedure voor onderling overleg en arbitrage open te stellen voor situaties waarin er geen sprake is van dubbele belastingheffing. Die zorgen zijn misschien niet helemaal terecht. Ze zijn ook gebaseerd op een misverstand over het wezen van de procedure voor onderling overleg en arbitrage.

De procedures zijn bedoeld om dubbele belastingheffing en belastingheffing in strijd met het belastingverdrag op te lossen. Bij belastingheffing in strijd met het verdrag kan het ook gaan om situaties waarin er geen sprake is van dubbele belastingheffing. Ik heb dat net toegelicht. Ik heb het voorbeeld van die pensioenfondsen genoemd. Ik blijf het belangrijk vinden dat deze personen of instanties ook in dergelijke situaties voor de procedure voor arbitrage in aanmerking kunnen komen. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat fiscale arbitrage kan worden ingezet om belasting te ontwijken. Dat ben ik met iedereen eens. Dat willen we niet en dat kan ook niet. Met de antimisbruikbepalingen in de verdagen, al dan niet via het MLI, dat ik zojuist heb genoemd, zullen deze landen dit soort situaties van belastingontwijking ook kunnen tegengaan. Ik zie in die antimisbruikbepalingen dus eigenlijk veel meer leverage zitten om dat aan te pakken dan in de mogelijkheid om dat indirect via geschillenbeslechting en arbitrage te doen. Al met al ontraad ik het amendement dus, omdat ik denk dat je daarmee mensen die het wel nodig hebben de toegang ontzegt.

Mevrouw Leijten (SP):

Ik wil wijzen op die twee keuzemogelijkheden. Die geven de commissie de mogelijkheden om een zaak te weigeren, maar niet de verplichting om dat te doen. Er staat ook duidelijk in de wettekst "de minister kan weigeren". Dat is het geval als het om een geschilpunt over een niet-dubbele belasting gaat. Als je niet in de wet opneemt dat de fiscale arbitragecommissie niet mag worden gebruikt voor maximale belastingontwijking, bijvoorbeeld middels grensverkenning, dan zal die daar wel voor gebruikt worden. Juist dat dilemma zou ik graag willen oplossen. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om dit amendement zo aan te passen dat dat daarin duidelijk wordt?

Staatssecretaris Snel:

Het uitgangspunt is volgens mij dat eigenlijk iedereen recht heeft op helderheid over hoe twee belastingstelsels in internationale situaties bijvoorbeeld op elkaar aangrijpen. Dan kun je heel erg proberen om dat van tevoren in te schatten, maar is dat dan om belastingontwijking toe te staan? Dat is echt niet de ervaring die wij hebben. In veruit de meeste gevallen die wij zien, gaat het gewoon om burgers. Het gaat echt om mensen die misschien worden klemgereden door twee systemen en die daardoor worden vermorzeld. De heer Omtzigt zei dat ook. In het overgrote deel van de gevallen gaat het ook echt om mensen, om individuen die dat niet weten. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die over de grens werken en wonen. Die mensen willen wij echt volop de mogelijkheid geven om daar gebruik van te maken. Dat geldt ook voor bedrijven die over de grens ondernemen. Ik snap de politieke interesse misschien wel om ook dit weer te maken tot een grote discussie over belastingontwijking en concurrentie, maar daar gaat het niet om. Dit gaat gewoon om mensen en bedrijven die geen zekerheid krijgen over wat het betekent voor hen. Als het gaat om het proberen onderscheid te maken tussen dubbele belasting en dubbele niet-belasting, heb ik net aangegeven waarom ook dubbele niet-belasting uiteindelijk onterecht kan uitpakken voor een Nederlands pensioenfonds. Dat zijn wij allemaal, zullen we maar zeggen. Daarom willen we dat die mogelijkheid blijft bestaan. Als we in een amendement iets inbouwen waarmee we alvast zelf als land zeggen dat er geen arbitragemogelijkheden zijn, nemen we afstand van het grote goed dat we hier wel proberen te bereiken, namelijk dat iedereen meedoet, niet alleen bilateraal, maar ook binnen de Unie. We moeten allemaal meedoen met het feit dat een rechthebbende oplossingen krijgt of in ieder geval een uitkomst krijgt van zijn geschil.

De voorzitter:

Ten slotte, mevrouw Leijten.

Mevrouw Leijten (SP):

Ik vind het een beetje bizar hoe groot de staatssecretaris dit maakt. Hij doet alsof ik iets voorstel wat echt totaal buiten de orde is. Nee, dit is uitdrukkelijk een van de twee keuzemogelijkheden die je hebt vanuit de implementatierichtlijn. Deze implementatiewet kiest voor één keuzemogelijkheid wel, namelijk fraudegevallen met belastingen. Daar kán je weigeren als commissie, maar daar hóéf je niet te weigeren. Ik zeg dat je ook moet kunnen weigeren als er evident geen geschil is van dubbele belastingheffing, maar er bijvoorbeeld evident wel grensverkenning is van een multinational die gewoon wil weten hoe die nog meer belasting kan ontwijken. Juist naar dat dilemma vraag ik: kunnen we naar elkaar toekomen opdat dit daar helder uit wordt? En dan zegt de staatssecretaris dat ik met iets heel vreemds bezig ben en dat ik mensen de toegang wil ontzeggen. Ik wil juist de multinationals, die nu al weinig of geen belasting betalen of zelfs negatieve belasting betalen, waarbij ze dus belastinggeld toe krijgen, de pas afsnijden bij deze fiscale arbitragecommissie als zij die misbruiken. Ik snap niet dat de staatssecretaris niet de ruimte voelt om een beetje tegemoet te komen om het amendement zo vorm te geven dat dit helder wordt.

Staatssecretaris Snel:

Het amendement gaat uit van een grondslaguitholling en winstverschuiving. Ook wordt BEPS genoemd, net als belastingontwijking. Nogmaals, dit wetsvoorstel gaat daar niet over. Ik ben het ermee eens dat we al die punten moeten aanpakken. Daarvoor hebben wij, hoop ik, de afgelopen jaren laten zien dat we samen met uw Kamer stappen vooruit kunnen zetten en dat we daar die wetsvoorstellen voor maken. Maar we moeten echt ervoor oppassen dat we er zelfs op het arbitrageterrein een soort belastingdiscussie van maken. Ik heb het voorbeeld gegeven dat zelfs als het onschuldig lijkt — ik zei: bijna iedereen voelt dat mee — je toch ergens terecht kan komen waar je niet terecht wil komen. Ik vind het gewoon onverstandig om een dergelijk amendement aan te nemen omdat het het belangrijkste is dat we arbitrage openstellen voor iedereen.

De heer Snels (GroenLinks):

Ik sta sympathiek tegenover het amendement en tegelijkertijd sta ik ook sympathiek tegenover de argumentatie van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Nou, dat is ingewikkeld.

De heer Snels (GroenLinks):

Dat is ingewikkeld, en daarom heb ik toch nog een vraag. Ik heb het amendement goed gelezen. Daarin staat inderdaad dat er kán worden geweigerd, dus er wórdt niet geweigerd. Ik ben het eens met de staatssecretaris dat er allerlei mogelijkheden zijn voor legitieme geschillenbeslechting, tot aan arbitrage toe, waarbij het niet gaat om dubbele belasting. Die mogelijkheden moeten er ook zijn. Dat ben ik allemaal met de staatssecretaris eens. Volgens mij maakt het amendement dit mogelijk. Maar ik kan me voorstellen dat bijvoorbeeld in de toelichting nog eens expliciet gemeld wordt dat bij de pensioenfondsen of bij interpretatieverschillen bij verdragen nog steeds de mogelijkheid van arbitrage is. Die wordt dan niet geweigerd. Maar bij grensverkenning, bij overduidelijke pogingen om aan belastingontwijking of grondslaguitholling te doen, zou ik toch vinden dat we de toegang tot arbitrage zouden moeten afsnijden.

Staatssecretaris Snel:

Nogmaals, ik snap echt wel de gedachten die erachter zitten, maar de misvatting is dat arbitrage over dit soort zaken gaat. Dat herkennen wij helemaal niet. En dan over het erin brengen van wat wel of niet grensverkennend is. U moet zich voorstellen dat we dit binnen alle EU-landen met mekaar gaan doen en dat ook andere landen zeggen dat wat Nederland doet, grensverkennend is. Dan zeggen wij: wij willen eigenlijk geen arbitrage meer hebben. Daar lossen wij al die problemen niet mee op. Mijn punt is niet dat ik het oneens ben met de onderliggende gedachten, maar ik ben er echt tegen om deze arbitrage te vermengen met de discussie over belastingontwijking. Deze Nederlandse mensen die pensioenen krijgen, zijn helemaal niet daarmee bezig. Ik heb net de aantallen genoemd. Dat zijn veruit de grootste getallen. Stel dat Nederland zegt dat als wij iets "grensverkennend" noemen, we geen helderheid geven. U moet zich voorstellen dat alle andere landen dat ook doen. Ik vind het dus echt ontzettend belangrijk dat we die discussie over belastingontwijking hard met elkaar voeren. Heerlijk, elke dag weer. Dat vind ik prima en dan gaan we dingen bedenken, maar we moeten ervoor oppassen dat we dit niet mengen met de discussie die gaat over mensen en belastingplichtigen, of ze nou groot of klein zijn, die zeggen: mag ik alsjeblieft een beetje duidelijkheid over wat die wet voor mij betekent? Dat wil ik ze gewoon niet ontzeggen.

De heer Snels (GroenLinks):

Het blijft een dilemma, want ik ben het eigenlijk met bijna alle argumenten van de staatssecretaris eens, maar het punt is natuurlijk dat deze lidstaatoptie juist gemaakt is om belastingontwijking te voorkomen. Er zijn dus andere landen die dit wel doen. Met al die argumenten van de staatssecretaris gaat het erom dat we grensverkenningen en belastingontwijking, die we eigenlijk allemaal niet willen, wel de pas moeten afsnijden. Daar zoek ik naar. Kan dat bijvoorbeeld in de toelichting? Juridisch schijnt het ook ingewikkeld te zijn om het nog anders te formuleren. Dit is inderdaad maar een van de mogelijkheden om daar iets aan te doen, maar ik zoek nog steeds naar de mogelijkheden om hier een stap verder te komen.

Staatssecretaris Snel:

Ik heb daar ook geen oplossing voor.

De voorzitter:

Ten slotte, meneer Snels.

De heer Snels (GroenLinks):

Mevrouw Leijten heeft ook de discussie gevoerd met de wetgevingsjuristen hier en met de wetgevingsjuristen van het ministerie van Financiën. Ik kan me voorstellen dat wij — dat wil ik ook best samen met mevrouw Leijten doen — nog een poging doen om dat amendement iets anders vorm te geven en om de toelichting nog wat te verhelderen en te verduidelijken, ook met alle argumenten van de staatssecretaris, zodat echt duidelijk is dat we de toegang blijven garanderen voor burgers en bedrijven die gewoon legitieme zaken hebben, maar zodat we toch iets doen aan die grensverkenning. Dan kan de staatssecretaris daar op een ander moment, bijvoorbeeld met een brief voor de stemmingen, nog een definitief oordeel over geven, want ik denk dat we er nu even niet uit komen.

Staatssecretaris Snel:

Ik vind het ook heel ingewikkeld. Als je kijkt hoe dit precies zit, dan zie je dat er natuurlijk nog een mogelijkheid is, iets wat ook heel goed zou kunnen gebeuren. Nogmaals, wij denken niet dat dit een, twee, drie de hoofdmoot is. Maar stel nu dat een multinational probeert om via een structuur een grensverkenning op te zetten. Hij zegt dat hij gewoon wil weten hoe het precies zit en dat hij graag wil dat dit in arbitrage wordt gebracht. Dan moet er iets van een conflict of zo zijn geweest waarbij je dat kan doen, maar stel nu dat dat allemaal is gebeurd. Als dan de belastingautoriteiten van beide landen zeggen dat bij deze structuur eigenlijk aan beide kanten geen belastingheffing wordt toegepast, dan denk ik dat je in veruit de meeste gevallen meteen zal zien dat het belastingverdrag, dat niet alleen moet voorkomen dat er dubbele belasting wordt betaald maar ook dat er dubbele niet-belasting is, zal zeggen dat dit raar is en dat dit niet de uitkomst kan zijn. Dan stopt de procedure dus en vervalt de arbitrage. Toch maar even meedenkend, is zelfs binnen de huidige procedure de conclusie dus al heel vaak dat dit nooit de bedoeling kan zijn. Wat doet deze procedure? Die legt uit hoe het belastingverdrag tussen die twee landen uitwerkt. Als daarbij een mogelijkheid is ontstaan dat er geen belasting wordt betaald — dat is dus een dubbele niet-belasting — dan zal het belastingverdrag over het algemeen natuurlijk zeggen dat dat niet de bedoeling kan zijn. Ik heb net een voorbeeld gegeven waarom het soms toch de bedoeling kan zijn, maar dat ging niet om een grensverkenning of om structuren. Dat ging gewoon om een Nederlands pensioenfonds, dat zegt dat je niet twee keer kan betalen. Dat vinden wij een terecht punt, maar als er sprake is van een onterecht punt of, in de woorden van mevrouw Leijten, een grensverkennende situatie, dan zal dat belastingverdrag al zeggen: ho, hier gaat iets mis; we trekken die arbitrage dus gewoon in. Die arbitrage kan geen uitkomst geven die gunstig is voor die multinational. Dus nogmaals, ik vind het lastig om te zien wat dit amendement oplost in de praktijk die al bestaat.

Voorzitter. Er zijn nog twee vragen die de heer Mulder op de kortst mogelijke manier wist te stellen. Ik zal dus proberen om die vragen ook op de kortst mogelijke manier te beantwoorden. Kan ik toezeggen dat er geen arbitrage-instituut zal ontstaan met allerlei duur betaalde Brusselse directeuren en zo? Daarop is het antwoord dat het inderdaad niet de bedoeling is dat er een nieuw internationaal orgaan wordt opgezet met — om maar eens gewoon Nederlands te gebruiken — allerlei diplomatieke toeters en bellen. Dat kan overigens ook niet op basis van wat in de richtlijnen overeen is gekomen, maar het is ook niet de bedoeling.

De heer Mulder vroeg ook of deze wet ook van toepassing is op disputen die ontstaan in landen die bijvoorbeeld alvast eenzijdig een digitaks zijn gaan heffen, zoals een aantal landen in Europa hebben gedaan. Het korte antwoord daarop is ja. Dan wordt namelijk onderzocht of de eventuele digitaks al of niet in strijd is met het Belastingverdrag, want dat zou best het geval kunnen zijn. Het korte antwoord hierop is dus "ja".

Hiermee ben ik volgens mij door mijn vragen heen, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel.

Dan schors ik de vergadering tot 12.00 uur. Mevrouw Leijten springt nog op.

Mevrouw Leijten (SP):

Ik wil toch nog één poging doen.

De voorzitter:

Nee, dan doen we niet. U hebt beiden in drievoud een vraag gesteld over het amendement en u komt niet verder tot elkaar. Het is niet gebruikelijk om dan nog een keer een rondje te doen op hetzelfde onderwerp.

Mevrouw Leijten (SP):

Maar als de staatssecretaris zegt: ik begrijp echt niet wat dit amendement oplost; mag ik toch wel toelichten wat ik daarmee wil oplossen?

De voorzitter:

U heeft dat in drievoud gedaan, meneer Snels heeft dat in drievoud gedaan. U komt er niet uit met elkaar. Dat is heel spijtig, want ik zie liever dat Kamerleden, oppositie, coalitie en regering wel tot elkaar komen. In dit geval is dat niet gelukt.

Ik schors de vergadering tot 12.00 uur.

De vergadering wordt van 11.56 uur tot 12.02 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is de tweede termijn van de Wet fiscale arbitrage. Mevrouw Leijten verexcuseert zich en de heer Mulder verexcuseert zich. Meneer Snels ziet af van zijn spreektijd in tweede termijn.

Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Lodders van de VVD.

Mevrouw Lodders (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Ik begin met de staatssecretaris te danken voor het beantwoorden van de vragen. Deze belangrijke wet is redelijk eenvoudig, maar de Kamer is toch in staat gebleken om een aantal kritische vragen te stellen, zeker ook over de uitwerking van deze wet. Mijn fractie ziet deze wet echt als sluitstuk van een geschil. Daarmee kan hij ook een belangrijke bijdrage leveren.

Voorzitter. Ik ben wel getriggerd door de cijfers over 2017. Er staan met name nog best veel zaken van natuurlijke personen open. Dat is geen verwijt, maar ik constateer het wel. Dat is vaak wel schrijnend, want dit betreft vaak individuen, of soms een groepje van een aantal individuen, en de gevolgen zijn heel groot. Met name dat punt heb ik aan de orde gesteld bij de vrachtwagenchauffeurs die internationaal werken, in het voorbeeld in Noorwegen. Daarvoor zou ik graag de volgende motie willen indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat burgers en kleine bedrijven tussen wal en schip kunnen raken vanwege complexe (fiscale en socialezekerheids)wetgeving en de toepassing en interpretatie van belastingverdragen;

verzoekt de Nederlandse regering binnen vier maanden met een oplossing te komen voor de problematiek van de Nederlandse/Noorse vrachtwagenchauffeurs en Rijnvarenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lodders, Omtzigt en Aukje de Vries. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10 (35110).

Mevrouw Lodders (VVD):

Voorzitter. Ik had nog een vraag gesteld over de rapportage naar aanleiding van de wet die nu van kracht zal worden. Volgens mij heb ik daar geen antwoord op gehad. Is de staatssecretaris bereid om ons over een jaar of twee toch eens te rapporteren over het aantal keren dat de bindende arbitrage is ingezet, over de wijze waarop de geschillen zijn beslecht en over de personen om wie het daarbij gaat? Dat vraag ik niet zozeer alleen voor de weet, maar juist om te kijken wat we daarmee kunnen en of onze belastingverdragen, die wij met regelmaat in deze Kamer behandelen, actueel, accuraat en degelijke zijn. Dan kunnen we met die uitkomst daar een stap in zetten. Ik hoop dus dat de staatssecretaris daarop nog wil ingaan.

Dan dank ik zowel de staatssecretaris als u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik ten slotte het woord aan de heer Omtzigt.

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter. Debatten met deze staatssecretaris kunnen soms uitermate saai en rustig zijn, en dat is op zich een goed teken, want er ligt gewoon een wetsvoorstel en er liggen duidelijke antwoorden die, als het goed is, individuele burgers gaan helpen als ze in de klem komen. Misschien kan de staatssecretaris in de tweede termijn nog aangeven of wij over een jaar of vier vijf, of wanneer dat gepast is, eens kunnen horen hoe het allemaal in de praktijk werkt. Dat hoeft niet allemaal op stel en sprong, maar uiteindelijk moet zo'n wet zich natuurlijk in de praktijk bewijzen. Het is ook handig als er een keer een evaluatie komt om te zien of er nog zaken zijn die buiten het bereik van de wet vallen terwijl ze eronder hadden moeten vallen, en om bijvoorbeeld te zien of bepaalde landen wel meewerken — ik vermoed zomaar dat het met België wel gaat — en andere landen binnen de Unie dat misschien wat moeilijker vinden. Misschien kan de staatssecretaris daarop nog reflecteren.

Dank verder voor de duidelijke en inhoudelijke antwoorden, ook over het amendement van mevrouw Leijten. Daar heeft mijn fractie verder geen vragen over.

Wel ben ik mijn inleiding begonnen met te zeggen dat we in principe streven naar één keer belasting betalen: niet nul keer, niet twee keer, maar één keer. Bij de Nederlandse hoofdkantoren bleek daar vorige week toch wel af en toe een probleem te zijn. Daarom zou ik de volgende motie willen indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door bedrijven met een Nederlands hoofdkantoor niet in alle gevallen vennootschapsbelasting betaald wordt over de in Nederland behaalde winst;

overwegende dat in een eerlijke economie ieder bedrijf een bijdrage dient te leveren aan het financieren van collectieve lasten en dus aan het creëren van de benodigde infrastructuur om te kunnen ondernemen;

verzoekt de regering een commissie in te stellen, bestaande uit experts, intern en extern, die over een half jaar adviseert over maatregelen om de belastingheffing over winsten van multinationals eerlijker te maken, terwijl Nederland aantrekkelijk blijft voor Nederlandse hoofdkantoren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Omtzigt, Lodders, Van Weyenberg en Bruins. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (35110).

Dan zijn we hiermee gekomen aan het einde van de tweede termijn van de Kamer. Ik heb de indruk dat de staatssecretaris meteen kan antwoorden. Is dat het geval? Dat is het geval. Dan geef ik het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Snel:

Voorzitter, dat ga ik in ieder geval trachten. Laat ik even beginnen met de vraag van mevrouw Lodders waarop ik nog niet helemaal was ingegaan en die gaat over het rapporteren over de geschilbeslechtingen. Ook mevrouw Leijten had er eerder al een dergelijke vraag over gesteld. Ik had er al iets over gezegd, in de zin dat we dat wel bijhouden, maar eigenlijk is gevraagd of dit niet wat concreter kan worden vormgegeven. Ik heb net zitten denken en misschien is het goed om dit op te nemen in de toezeggingenbrief. Dat is typisch iets waarbij we kijken wat er allemaal is gebeurd en wat we nog zullen gaan doen. Of het dan echt helemaal op het niveau van het bedrijf moet, waarom mevrouw Lodders vroeg, lijkt mij niet verstandig. Ik denk dat het verstandig is om aan te geven om welke soort het gaat en wat het betekent, dus zo'n beetje in de zin van waar we net over hebben gesproken. Dus dat zou mijn toezegging zijn richting mevrouw Lodders.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik heb niet gevraagd om het specifiek op bedrijfsniveau aan te geven, maar wel waar het gaat om het onderscheid tussen bedrijven en natuurlijke personen. Wellicht dat er ook nog iets te duiden valt wat betreft de aard van de bedrijven, zoals groot of klein, maar het gaat er met name om dat we zicht kunnen krijgen op de omvang en de inhoud van de geschillen.

Staatssecretaris Snel:

Oké, dus als zodanig heb ik het nu opgevat.

De voorzitter:

Dus de motie krijgt oordeel Kamer?

Staatssecretaris Snel:

Dit was nog een vraag. Dan ga ik nu in op de motie van mevrouw Lodders, de heer Omtzigt en mevrouw De Vries op stuk nr. 10. Die motie gaat over zowel een algemene situatie als een meer specifieke situatie. Ten aanzien van die meer specifieke situatie heb ik gezegd dat we bezig zijn om de antwoorden aan uw Kamer te doen toekomen. Ik geloof dat ik het met de eerste constatering van de motie wel eens ben. Ik zou mij kunnen voorstellen dat de motie nog even wordt aangehouden totdat we de antwoorden hebben kunnen geven die ik verwacht begin volgende week aan uw Kamer te kunnen doen toekomen. Anders moet ik de motie oordeel Kamer geven.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik hoor de staatssecretaris zeggen: oordeel Kamer maar wellicht is het goed om de antwoorden even af te wachten. Nou, als die antwoorden begin volgende week naar de Kamer komen, dan houd ik deze motie even aan, zodat ik de antwoorden kan bestuderen.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Lodders stel ik voor haar motie (35110, nr. 10) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Snel:

Dan de motie van de leden Omtzigt, Lodders. Van Weyenberg en Bruins op stuk nr. 11. Laat ik vooropstellen dat het hierbij gaat om een belangrijk onderwerp dat een van de hoofdpunten of misschien wel het hoofdpunt van mijn eigen politiek agenda is. Iedereen dient een fair share te betalen. Dan kunnen we als politiek dagen en dagen doorpraten over wat dat precies betekent, maar de motie geeft duidelijk aan dat het in ieder geval niet nul is als je wel gebruikmaakt van allerlei zaken. Er zitten allerlei overwegingen bij met betrekking tot hoofdkantoren en wat we willen. Het is een onderwerp dat wij overigens ook in de bouwstenenbrief die ik aan de Kamer heb toegezegd uitgebreid aan de orde willen laten komen. Desalniettemin denk ik gewoon, als je kijkt wat hier staat, dat ik het met alle overwegingen eens ben. Dus ook hier zou ik graag oordeel Kamer geven aan deze motie.

De voorzitter:

Dank u wel. De motie op stuk nr. 11 krijgt oordeel Kamer en het amendement op stuk nr. 9 kreeg in eerste termijn reeds het oordeel ontraden.

Staatssecretaris Snel:

Ja. Waarbij ik nog een keer wil aangeven, want ik zag dat mevrouw Leijten een beetje teleurgesteld was over het geheel, dat ik een toezegging deed in het laatste deel van mijn reactie. Op een moment dat Nederland in zo'n arbitrageproces denkt dat hier sprake is van grensverkenning — nogmaals, ik zie dat niet één, twee, drie gebeuren, maar áls dat zo is — dan beloof ik dat wij ons ook hard gaan maken om te zeggen dat dit arbitrageproces tot een einde komt. Dat is mijn toezegging. Ik vind het belangrijk dat we dat doen. Het is denk ik het beste wat ik hiervan kan maken om toch een beetje tegemoet te komen. Dus mijn oordeel over het amendement blijft hetzelfde, maar ik wou dan toch even zeggen dat dat niet helemaal is weggevallen en dat ik die toezegging in ieder geval graag wil doen.

De voorzitter:

Dank u voor deze toezegging. Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw tweede termijn?

Staatssecretaris Snel:

Ja.

De voorzitter:

Goed. Dan zijn we daarmee ook tegelijkertijd aan het einde gekomen van de beraadslaging over de Wet fiscale arbitrage. Ik dank de staatssecretaris voor zijn aanwezigheid en beantwoording, ik dank de leden voor hun aanwezigheid en inbreng.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de wet, het amendement en de motie zal aanstaande dinsdag worden gestemd.

De vergadering wordt van 12.13 uur tot 13.30 uur geschorst.

Voorzitter: Arib

Naar boven