Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 4, item 4

4 Vragenuur: Vragen Bosman

Vragen van het lid Bosman aan de staatssecretaris van Defensie over het bericht "Militair moet zelf jas kopen".

De voorzitter:

Dan gaan we nu naar de vraag van de heer Bosman namens de VVD aan de staatssecretaris van Defensie, die ik ook van harte welkom heet, over het zelf aanschaffen van militaire uitrusting.

De heer Bosman (VVD):

Voorzitter. Toen ik het bericht in De Telegraaf "Overleven op de pof" las, dacht ik terug aan 16 maart jongstleden, toen wij met de vaste Kamercommissie voor Defensie op bezoek waren bij de Enhanced Forward Presence, onze mannen en vrouwen in Litouwen. Toen was het ook heel koud. Er werd melding gemaakt van hoe moeizaam het ging om kleding voor dat koude weer te krijgen. Er stond geen vinkje bij "voor koud weer geschikt". Die discussie is stevig gevoerd en uiteindelijk is het goed gekomen, maar het heeft wel tijd gekost. Dat was toen al een slechte zaak en dat is het nog steeds. Onze mannen en vrouwen hebben gewoon goede spullen nodig. Punt.

Uit ervaring weten we dat het in Noorwegen in de winter heel koud is. Sterker nog, heel veel eenheden, bijvoorbeeld de mariniers, doen daar een koudweertraining. De kennis over de omgeving, de temperatuur en het klimaat is dus aanwezig. Dan is de aanschaf van dit soort materieel toch onderdeel van de hele voorbereiding van een dergelijk grote oefening? Kan de staatssecretaris mij uitleggen wanneer bekend werd dat deze oefening gehouden zou worden en wanneer men tot de conclusie kwam dat er niet genoeg kleding was? Want hoe kan het zijn dat er wel geld is voor kleding en dat een marktpartij deze gespecialiseerde kleding ook in grote hoeveelheden kan leveren, terwijl de daarvoor in het leven geroepen organisatie van Defensie, het Kleding- en Persoonsgebonden Uitrustingsbedrijf, het KPU, daar niet toe in staat is?

De voorzitter:

Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Visser:

Dank u wel, voorzitter. Het is goed om te horen dat u samen met de vaste Kamercommissie in Litouwen bent geweest. Ik ben er zelf ook geweest, en ook in Noorwegen. Het is er inderdaad koud. De oproep van de heer Bosman dat onze militairen de beste kleding verdienen, kan ik alleen maar onderschrijven. Om concreet op uw vraag in te gaan: ik denk dat hier sprake is van een uitzonderingssituatie, en wel een uitzonderingssituatie die ik zelf ook niet meer wens mee te maken, want het is belangrijk dat onze militairen gewoon de kleding krijgen die zij verdienen. Die aanschaf zouden zij niet zelf hoeven doen in een situatie als deze, met een voorschot dat zij krijgen. Het is dus niet zo dat zij dat zelf moeten voorschieten; zij krijgen gewoon het geld om zelf die kleding aan te kunnen gaan schaffen.

Maar ik wil u wel meenemen in hoe het is gegaan, want dat was toch eigenlijk ook uw vraag. We hebben binnen de landmacht te maken met een verschuiving van de inzet van wat warmere gebieden naar wat koudere gebieden zoals Litouwen. Nu gaan wij meedoen aan een grote oefening in Noorwegen. Dat hebben we jarenlang niet meer gedaan. Dat we daar nu weer aan meedoen, zegt iets over de inzet van de landmacht en over wat wij als landmacht ook konden. Juist met de ervaringen die we in Litouwen hebben opgedaan — u hebt daar zelf ook kennis van kunnen nemen — hebben we gezien dat we meer moeten doen als het gaat om het koude weer. Dat besef is ingebracht in de voorbereiding van Noorwegen.

Bij de planning van deze oefening, die twee jaar geleden begon, had men het idee dat wij in oktober nog niet over al die arctische kleding hoeven te beschikken. Dat was de reden waarom toen niet dat verwervingstraject is ingezet. Dat besef is er nu wel, juist ook door de ervaring van de afgelopen periode in Litouwen, waar wij helaas te maken hebben gehad met het koude weer en met militairen die daar last van hebben gehad. Men is dus te laat begonnen met de inzet op de verwerving van arctische kleding. Dat is de eerste constatering. Daarom is er gekozen voor deze noodgreep, ik noem het maar even zo. We willen onze militairen wel met de juiste kleding uitrusten en gaan de militairen dus een voorschot geven, zodat ze die kleding zelfstandig kunnen kopen. Wat mij betreft is dat echt een uitzonderingspositie en niet voor herhaling vatbaar.

De heer Bosman (VVD):

Goed te horen dat het een uitzonderingspositie is, maar het bevreemdt mij toch wel enigszins. Nogmaals, we hadden die kennis over Noorwegen. Daar is het heel koud. Dat is bekend bij Defensie, maar er is kennelijk te laat besloten om over te gaan tot aanbesteding. Maar dan blijft mijn vraag hoe het mogelijk is dat een marktpartij die kleding wel kan leveren aan individuele militairen. Het geld is er bij Defensie kennelijk wel. Het is goed dat Defensie een voorschot geeft, maar uit ervaring weet ik dat voorschotten dan ook wel heel snel verrekend worden met salarisstroken, waardoor allerlei mannen en vrouwen weer in de problemen kunnen komen. Zo'n voorschot is niet ideaal. Mijn vraag blijft dus: waar in de organisatie is er besloten om het niet te doen, om die koudeweerspullen niet te kopen, waardoor men uitkwam in een panieksituatie, waarin we bij wijze van grote uitzondering moeten zeggen: ga het maar zelf kopen?

Staatssecretaris Visser:

Om allereerst iets weg te nemen: men krijgt dat geld gewoon extra voor de aanschaf van die kleding. Dus uw zorg dat dat met het salaris verrekend wordt ...

De heer Bosman (VVD):

Oké.

Voorzitter: Tellegen

Staatssecretaris Visser:

Er wordt gewoon €1.000 uitgekeerd voor de aankoop van de kleding. Dat wordt niet verrekend met het salaris, dat komt er gewoon bij. Het lijkt mij goed om dat op te merken.

Het tweede belangrijke punt is dat u terecht aangeeft dat het erin had moeten zitten, maar op basis van de ervaring in Litouwen dacht men niet dat het in oktober al zulk koud weer zou zijn in Noorwegen. Eigenlijk heeft men vanwege extra veiligheidsmaatregelen besloten om een koudeweerpakket in te voeren. Het paste niet in de reguliere aanbesteding die nu loopt vanuit het kledingbedrijf van Defensie om die inzetvoorraden uit te gaan breiden. In die lopende aanbesteding kon het niet meegenomen worden. Vandaar dat er is gekeken naar een praktische manier om hier invulling aan te geven, en vandaar dat er is gekozen voor deze optie. Ik gaf het al aan: deze optie heeft niet mijn voorkeur en ze heeft ook niet de voorkeur van heel de defensieorganisatie. Er loopt nu dan ook een aanbesteding, breder, voor koudeweerkleding om herhaling in de toekomst te voorkomen, want we zitten nog wel even in Litouwen en wie weet welke grote oefeningen we nog gaan doen in noordelijk gebied.

De heer Bosman (VVD):

Ik maak me toch een beetje zorgen over de aanbestedingsprocedures. Dat is een probleem dat we vaker horen bij Defensie. Is de staatssecretaris het met mij eens dat de veiligheid van de mannen en vrouwen die wij op oefening sturen en uitzenden primair de verantwoordelijkheid van de werkgever is en dat goed materieel daarbij essentieel is? Hoe weet de staatssecretaris als werkgever dat de mannen en vrouwen de goede spullen hebben dan wel dat ze die hebben gekocht? Als er onverhoopt toch iets misgaat en achteraf blijkt dat de kleding niet op orde was, wie is er dan verantwoordelijk? Dat kan toch niet de individuele militair zijn, zo vraag ik de staatssecretaris.

Staatssecretaris Visser:

Ik denk dat ik alleen maar kan onderschrijven wat de heer Bosman zegt als het gaat om de verantwoordelijkheid van de werkgever. Dus daar staan we ook voor. Het is goed om onderscheid te maken tussen de kledingpakketten. Het gaat om onderkleding en handschoenen en dergelijke. Het gaat niet om gevechtskleding. Ik denk dat het belangrijk is om dat te benadrukken. U heeft helemaal gelijk. De werkgever is hiervoor verantwoordelijk en moet ervoor zorgen dat dit op orde is. Dat neem ik ook zeer ter harte.

De heer Bosman (VVD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank meneer Bosman. Dan is nu het woord aan mevrouw Bruins Slot.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik heb twee vragen. Ik begin met de eerste. Het is echt een bizarre gang van zaken dat militairen op het laatste moment hun eigen kleding moeten kopen. Het gaat er bij mij niet in dat men Noorwegen niet kent. Mariniers trainen echt al tientallen jaren in Noorwegen. De landmacht gaat er ook naartoe. Het is niet nieuw. Het risico dat een militair loopt als hij niet de juiste kleding heeft, is dat hij koudeletsel krijgt: afgestorven tenen, afgestorven vingers. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: wie gaat nu controleren of de militairen ook de juiste spullen hebben? Ze hebben het zelf gekocht, maar is het ook geschikt?

Staatssecretaris Visser:

Ik kan u geen toezeggingen doen over de manier waarop er gecontroleerd gaat worden. Uiteraard gaat het erom dat men de juiste kleding koopt. We zullen kijken hoe we daarop kunnen toezien. Ik denk dat de zorg die mevrouw Bruins Slot uitspreekt een terechte is. We hebben met de huidige kleding de afgelopen periode helaas ook koudeletsel gehad in Litouwen. Dat is precies waarom er voor Noorwegen aanvullende maatregelen zijn genomen. Terecht zegt u: dat had je misschien kunnen voorzien. Ik constateer alleen dat het niet op die manier is gelopen. Men heeft dit later in het kader van veiligheidsmaatregelen voorzien. Dat is de reden dat het nu wel wordt ingeregeld, alleen helaas is dat te laat voor een groep militairen.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

De oefening Trident Juncture staat al jaren op de agenda. De discussie over de arctische kleding voor Litouwen is meer dan een jaar gevoerd. Dan is het de vraag wanneer dit precies bekend was. Wanneer is men die maatregel gaan nemen? Daarbij komt nog een tweede punt. Wie controleert nu echt? Straks staat die militair daar met -27˚C met niet de juiste kleding die hij gekocht heeft omdat we het met elkaar niet geregeld hebben.

Staatssecretaris Visser:

Die verantwoordelijkheid ligt bij de werkgever en dat ben ik. Namens mij is het aan de C-LAS, dus de landmacht zelf om dit te gaan controleren. Ik denk dat de C-LAS op dit moment meeluistert. Men is zich er zeer van bewust dat dit gewoon opgelost moet worden. Dat zullen we dus ook gaan doen.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ik zit nu anderhalf jaar in deze commissie en met regelmaat valt mij de mond open, om niet een ander woord te gebruiken. Het is natuurlijk bespottelijk wat er nu weer aan de hand is bij Defensie. Ik ben echt niet de persoon om steeds dit soort termen te gebruiken, maar bij Defensie kan het bijna niet anders. De situatie is absurd. Dat u mensen vraagt om hun eigen spullen te gaan kopen, ik begrijp niet hoe het bij u, hoe het überhaupt bij de landmacht is opgekomen om dit zo te organiseren. Ik heb een vraag en een opmerking. De vraag is: is KPU feitelijk wel in control? Als je een oefening niet twee jaar van tevoren ziet aankomen, dan ben je er niet heel vlug bij, om het maar even vriendelijk samen te vatten.

Het andere punt dat ik wil maken, is het volgende. Wanneer zorgt u er na deze commotie alsnog voor — u ziet al die mensen hier staan — dat de landmacht gewoon zelf de goede spullen voor de mensen koopt? Dat ze het nu verrekenen en voorschotten geven, ik wil er niets meer over horen.

De voorzitter:

Dank u wel.

Staatssecretaris Visser:

KPU doet een aanbesteding en is dus in control. Er kwam nu een aanvullend verzoek van de landmacht bij. Daarvan heeft KPU gezegd dat dat niet inpasbaar was in de lopende aanbesteding. Daar kunt u van alles van vinden, maar dat is het inkoopcontract dat nu wordt opgesteld.

Eigenlijk gaat het ook nu om de vraag van mevrouw Bruins Slot. De landmacht zal hier zelf op toezien. Het zijn ook hun mensen. Zij zijn de decentrale werkgever die ervoor moet zorgen dat hun mensen op de juiste manier op pad gaan. Er is juist voor gekozen dat mensen aanvullende kleding hebben. Dit was niet voorzien en in eerste instantie ook niet nodig geacht. Vanuit veiligheidsperspectief is gezegd dat we dit wel nodig achten en is er gezocht naar een hele praktische oplossing, waarbij is gezegd dat militairen dit zelfstandig mogen gaan aanschaffen. Verdient dat de schoonheidsprijs? Nee. Moet dat beter de volgende keer? Ja.

Mevrouw Belhaj (D66):

Mijn collega's hebben vele belangrijke vragen gesteld en voor ons geldt natuurlijk hetzelfde: wij vinden het nogal absurd dat wij in de Tweede Kamer moeten praten over de jassen van militairen. Op het moment dat je daarover praat en we spreken over vertrouwen hebben dat de krijgsmacht bezig is om de zaak weer op orde te krijgen, dan moet ik wel zeggen dat dat tot een dieptepunt daalt. Dit is zo primair. Iedereen begrijpt dat het logisch is dat je dit nodig hebt voor je werk. Mijn vraag is dan ook de volgende. Ik ben mee geweest op een werkbezoek in Litouwen. Die mensen hadden daar tijdens hun oefeningen niet de juiste jassen. Vervolgens is geconstateerd dat ze inderdaad jassen nodig hadden. Ik hoop toch van harte — ook wellicht omdat meerdere politici hadden geconstateerd dat de mensen in Litouwen niet de goede jassen hadden — dat vervolgens jassen ingezet zijn die eigenlijk bedoeld waren voor de missie in Noorwegen, waarvan u wist dat die er al een jaar aan zat te komen. Dat is toch wel belangrijk voor mij. Ik wil dat de staatssecretaris ook echt belooft dat de militairen daar niet gaan werken met jassen die niet voldoen.

Staatssecretaris Visser:

Ik probeer de vraag te begrijpen, maar ik begrijp 'm niet helemaal. U stelt dat de jassen die in Litouwen niet correct waren, mogelijk in Noorwegen worden ingezet? Nee? Dan heb ik het verkeerd begrepen.

Mevrouw Belhaj (D66):

De mensen in Litouwen hadden niet de juiste jassen. Die zijn uiteindelijk geleverd, ik denk in de afgelopen drie, vier maanden. Die jassen, kan ik me voorstellen, kunnen ook oorspronkelijk bedoeld zijn geweest voor de missie in Noorwegen. Dus mijn vraag aan u is: u heeft toch niet, omdat u problemen in Litouwen heeft geconstateerd, de jassen van Noorwegen aan Litouwen gegeven; zo, dat hebben we opgelost, en dan zien we wel wat we nog kunnen doen voor de Noorwegenmissie?

Staatssecretaris Visser:

Het antwoord is nee. Het is niet zo dat er voor Noorwegen een pakket klaarlag dat vervolgens voor Litouwen is ingezet.

De voorzitter:

Dit is uw tweede vraag.

Mevrouw Belhaj (D66):

Nee.

De voorzitter:

Ja.

Mevrouw Belhaj (D66):

Maar ze heeft één vraag niet beantwoord, voorzitter.

De voorzitter:

Nee, maar u heeft uw vraag al een keer opnieuw geformuleerd. Dat is het dan. Of u moet nog een tweede vraag stellen. Nee? Dan is nu het woord aan de heer Stoffer.

De heer Stoffer (SGP):

Ook wij vinden dit echt gewoon niet normaal, en voordat wij die term in de mond nemen, moet er heel wat gebeuren. Als ik het goed lees in De Telegraaf, gaat het over 1.000 mensen die voor €1.000 iets aan moeten schaffen. Als je dat vermenigvuldigt, kom je op een miljoen. Mijn eerste vraag is: is er binnen Defensie niet iemand die een mandaat heeft voor 1 miljoen? Zo ja, laat die heel snel een handtekening zetten en gewoon deze dingen aanschaffen. Dat is veel makkelijker dan 1.000 keer mensen naar een winkel toe sturen om dit aan te schaffen, met het risico dat ze de verkeerde spullen hebben. Ik roep de staatssecretaris echt op om gewoon die ene handtekening te zetten. Voor mijn part gaat dat een beetje mis met de controle enzovoorts, maar dat is mijn vraag. Ik hoop daar een positief antwoord op te krijgen.

Staatssecretaris Visser:

Ik snap de vraag van de heer Stoffer. Ik denk dat het ook een terechte vraag is. We gaan ernaar kijken of we het nog op een andere manier kunnen organiseren. Dus uw oproep neem ik over in die zin. Ik denk dat het wel belangrijk is om nog te zeggen — misschien dat dat ook de vraag van mevrouw Belhaj is, die ik dan verkeerd heb begrepen — dat substantieel wordt geïnvesteerd in gevechtskleding en uniformen in de komende periode. U heeft recent een brief van mij gekregen over de gevechtskleding en de pakketten die we daarvoor aanschaffen. Die worden vanaf 2020 geleverd. Alle mannen en vrouwen die nu op missie gaan, krijgen nieuwe gevechtskleding, krijgen nieuwe helmen, krijgen nieuwe gevechtsvesten. Dus daar wordt substantieel in geïnvesteerd om ervoor te zorgen dat de mannen en vrouwen op een goede manier op missie kunnen gaan, ook op het gebied van oefeningen. Ik vind het belangrijk om dat te herhalen, want anders wordt het beeld neergezet dat er nog steeds, straks ook, sprake zou zijn van achterstanden. Wij zijn die hard aan het inlopen. Vanaf 2020 geldt dat voor iedereen. In de tussenperiode moeten we kijken naar hele praktische oplossingen. Daarvoor is hier door de landmacht op deze manier gekozen. Terecht dat de heer Stoffer zegt "kijk er nog een keertje naar", zoals mevrouw Bruins Slot dat eigenlijk ook aangaf, zodat je ook de controlecheck hebt. Daar ga ik nog een keer naar kijken. Dus die vraag van u neem ik over. Maar dit is gedaan vanuit het perspectief hoe we er toch voor kunnen zorgen dat we dit op korte termijn alsnog voor mekaar konden krijgen, want in een lopende aanbestedingsprocedure is het niet voor mekaar te krijgen en we vinden het wel van belang in het kader van de veiligheid van onze militairen.

De voorzitter:

Meneer Stoffer, uw tweede vraag.

De heer Stoffer (SGP):

Die mag ik nu stellen, toch?

De voorzitter:

Ja.

De heer Stoffer (SGP):

Ja, dat dacht ik ook. Dank voor het antwoord van de staatssecretaris. Mijn vraag is: wanneer krijgen wij daar antwoord op? Ik zou graag als Kamer geïnformeerd worden, op heel korte termijn, of dat kan.

Staatssecretaris Visser:

Ik ga daar zo snel mogelijk achteraan. Dus ik laat u zo snel mogelijk weten of het kan.

De heer Stoffer (SGP):

Eind deze week?

Staatssecretaris Visser:

Als ik daar eind deze week een antwoord op heb, doe ik het eind deze week, maar als het langer duurt, komt het later. Dus ik ga het zo snel mogelijk voor u doen.

De heer Stoffer (SGP):

Dank.

De heer Öztürk (DENK):

We weten dat al een hele tijd heel veel soldaten Defensie verlaten. Een van de redenen is dat ze niet genoeg of helemaal niet de materialen krijgen die ze zouden willen. Nu komt het jasverhaal erbij. Twee weken geleden hoorden wij dat die uniformen wel naar terroristische groeperingen in Syrië gaan, terwijl ons eigen personeel, onze eigen Defensie, de eigen soldaten niet de mogelijkheid krijgen om een fatsoenlijke jas te halen. Hoe legt u dat uit aan ons Defensiepersoneel? En wat doet dat met het verloop van onze medewerkers en de aanwas die nu eigenlijk moet aantreden om ons land te gaan verdedigen? Hoe legt u dat uit? Schaamt u zich niet een beetje ...

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Öztürk (DENK):

... voor deze gebeurtenissen?

Staatssecretaris Visser:

Samen met de minister sta ik voor een organisatie die trots is op wat ze doet en ik denk dat de mensen die daar werken trots zijn op wat ze doen en daar de juiste middelen voor willen. Ik heb meerdere debatten met u gevoerd waarin u vooral heeft gezegd: geen investeringen in materieel. Ik hoop dat u zich er met mij in de komende periode voor gaat inzetten dat Defensie meer kan gaan investeren. We komen van ver. Het is een organisatie waar 30 jaar lang op is bezuinigd. Dat doet wat met een organisatie. Dat laat ook zien waar je vandaan komt. Maar deze organisatie en deze mensen zijn bereid om ervoor te gaan. De minister en ik zijn bereid om ervoor te gaan. We moeten er heel hard aan gaan trekken om ervoor te zorgen dat we die investeringen zo snel mogelijk weten te realiseren. Dat is precies de reden waarom al die investeringen nu lopen. Nu worden de bestellingen gedaan voor de gevechtskleding. Die wordt in 2020 geleverd. Dat betekent dat u in 2020 die investeringen in de begroting zult terugzien. Juist al die mensen verdienen het om goede helmen, goede vesten en goede gevechtsuniformen te hebben. Daarin wordt nu ook geïnvesteerd. Ik hoop juist op uw steun daarvoor, want die heb ik de afgelopen periode niet altijd gezien.

De voorzitter:

Uw tweede vraag.

De heer Öztürk (DENK):

Ja. Wat je hoort in de samenleving is dat de terroristen de uniformen sneller krijgen dan ons eigen Defensiepersoneel. Ook weten we nu al dat 25 miljoen euro naar terroristische organisaties in Syrië is gegaan. En nu staat u hier te vertellen: ik ben daarmee bezig. Hoe kan dat nou? Dit verhaal kunt u niet meer verdedigen. Of we zorgen er vanaf nu voor dat al ons personeel alle materialen krijgt die het verdient, of we houden op met het steunen van terroristische organisaties. Het is van tweeën één ...

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Öztürk.

De heer Öztürk (DENK):

... maar je kan niet aan de ene kant terroristen steunen en aan de andere kant ons Defensiepersoneel ...

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Öztürk.

Staatssecretaris Visser:

Voorzitter, de heer Öztürk haalt er iets bij, maar laten we in ieder geval kijken naar wat we gemeen hebben, namelijk dat ik blij ben dat u nu al uw steun uitspreekt voor al de brieven die ik de afgelopen periode naar u heb gestuurd. Daarin vraag ik u om een mandaat voor extra investeringen, om investeringen in gevechtsvesten, in gevechtsuniformen, in helmen en in nachtkijkers. Die heb ik allemaal naar u gestuurd in de afgelopen periode. Daar hebben we binnenkort een debat over. Ik hoop op uw terechte steun, want het is meer dan nodig om dit voor elkaar te krijgen. Laten we dus niet allerlei vergelijkingen maken, maar ervoor zorgen dat die militair krijgt wat hij of zij verdient. Ik ben blij met uw steun daarvoor, dus we gaan dat debat op een goeie manier voeren.

De heer Kerstens (PvdA):

Collega's hebben het al gezegd: er blijven miljarden op de plank liggen en ondertussen laten we mensen in de kou staan. Het gaat hier niet om een oefening in het Caribisch gebied, waar gezegd wordt: misschien hebben we nog ergens een uurtje over, dan kun je nog even zwemmen, en koop zelf even een Speedo. Het gaat hier om een oefening onder bizarre en barre omstandigheden die al meer dan een jaar bekend is. Dan kun je mensen niet zelf naar de Perry Sport sturen, maar dan moet je ze gewoon van alle materialen voorzien. Ik heb begrepen dat er van alles is aan te merken op het aanbestedings- en inkoopproces. Een factor die meespeelt is dat het voor Defensie heel moeilijk is om aan mensen te komen en daar op de juiste plek achter de juiste knoppen te zetten. Voor mij heeft het toch ook iets te maken met de waardering en het respect die de mannen en vrouwen van onze krijgsmacht verdienen, de mensen in het veld, van hoog tot laag. Daar zijn hele mooie woorden aan gewijd, er is een hele mooie nota aan gewijd, maar ze zien het niet terug.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Kerstens (PvdA):

Ze zien het niet terug in het loonakkoord dat onlangs is gesloten. Ze zien het hier niet terug.

De voorzitter:

Meneer Kerstens, wat is uw vraag?

De heer Kerstens (PvdA):

Wanneer gaan de staatssecretaris en de minister al die mooie woorden concreet omzetten in het respect en de waardering die de mensen van Defensie, net als al hun collega's die voor de publieke zaak werken, verdienen?

Staatssecretaris Visser:

Voorzitter. Daar wordt hard in geïnvesteerd. U kent het onderhandelingsresultaat. Er wordt fors geïnvesteerd in de pensioenvoorziening van militairen; ze worden fors gecompenseerd voor de overgang van een eindloon naar een middenloonstelsel. Als het gaat om het loonbod: vergelijkbaar met iedere andere publieke sector. Er wordt fors geïnvesteerd in de publieke sector als het gaat om het loonbod. Of het nu gaat om militairen, de politie, het onderwijs of de zorg: dit kabinet investeert erin. Er zijn forse akkoorden gesloten. U heeft het over de werving van spullen. Daar zijn we keihard mee bezig. Ik noemde net al de brieven over de gevechtsuitrusting, de gevechtskleding. Als ik kijk in hoeverre we er de afgelopen periode in geslaagd zijn — ook door de inzet van de vorige minister — om bijvoorbeeld de reserveonderdelen weer op de plank te hebben. Dat was 30% en inmiddels zitten we op ongeveer 90%. Er is de afgelopen periode dus hard gewerkt om dit voor elkaar te krijgen. Twee weken geleden: een contract getekend voor het moderniseren van Apaches. Ik kan u een hele waslijst geven van zaken die u zelf ook wel weet. Ik kreeg namelijk in mei nog het verwijt van mevrouw Diks dat ik zo veel brieven over voornemens tot investeren naar de Kamer stuurde. Dat gaan we dus doen, maar soms duurt het een tijdje voordat het gerealiseerd is. Neem die F-35's die we hebben besteld. We hebben er nu twee en volgend jaar krijgen we er gelukkig acht. Maar dan hebben we nog de rest die we moeten krijgen. Dat ziet u in mijn begroting pas als ik de factuur krijg. Dan lijkt het alsof ik geld over heb, maar dat heb ik helemaal niet, want ik ben de verplichting gewoon aangegaan, dus dat geld is uitgegeven. Al die mannen en vrouwen van wie u zegt dat ze waardering willen, hebben behalve dat loonakkoord en die goede pensioenvoorziening ook goede militaire uniformen nodig om hun werk goed te kunnen doen.

De voorzitter:

Uw tweede vraag.

De heer Kerstens (PvdA):

Het gaat er niet om of wij het hier in de Kamer zien, het gaat erom of de militairen bij Defensie het voelen, en ik kan u vertellen dat ze het niet voelen, dat ze het onvoldoende voelen en dat ze het niet snel genoeg voelen. Vandaar mijn oproep: laat het meer zien, laat het op een andere wijze zien.

Staatssecretaris Visser:

Dat gevoel herken ik. Dat is een van de belangrijkste dingen in de komende periode: het herstel van vertrouwen. Een organisatie die 30 jaar lang is verwaarloosd, met mensen die ook het gevoel hebben dat ze verwaarloosd zijn ... Dat kun je niet binnen, wat is het, tien maanden herstellen. Je hebt gewoon te maken met achterstanden. Dan moet je stap voor stap werken. Het gaat erom dat je perspectief weet te bieden. Met de 1,5 miljard extra die door dit kabinet wordt geïnvesteerd, is dat perspectief er weer. Is dat voor iedereen direct voelbaar? Nee, helaas niet. Ik zou willen dat het zo was. Met een nieuw pensioenresultaat, met een nieuw loonbod maar vooral ook met alle andere dingen die er op dit moment gebeuren — niet alleen door mij maar ook door al die commandanten en al die militairen — zie ik een verbetering. Maar ik ben het met u eens, we moeten van heel ver komen en we moeten hard werken aan het herstellen van vertrouwen, want we zijn er nog absoluut niet.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut tot slot.

Mevrouw Karabulut (SP):

Het is gewoon supergênant dat dit weer gebeurt, dat het weer gaat om de basisveiligheid van het militair personeel die niet gegarandeerd wordt. Als ik de staatssecretaris hier hoor, lijkt het alsof de problemen bij Defensie uit de lucht zijn komen vallen. Dat is beslist niet het geval. Het kabinet en voorgaande kabinetten hadden de keuze kunnen maken om prioriteit te geven aan het personeel, aan arbeidsomstandigheden, goed materieel, persoonlijke uitrusting, in plaats van mee te vechten in het hoogste geweldsspectrum. De keuze had gemaakt kunnen worden om die goede winterjassen aan te schaffen, in plaats van de JSF voor een paar miljard euro aan te schaffen.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, wat is uw vraag?

Mevrouw Karabulut (SP):

Mijn vraag aan de staatssecretaris is: wanneer was de staatssecretaris op de hoogte van dit probleem? Wanneer heeft de staatssecretaris de opdracht gegeven om dit probleem op te lossen? Waarom is niet ervoor gekozen om alsnog, via een aparte procedure, die jassen aan te schaffen? Is de staatssecretaris bereid om dat alsnog te doen?

Staatssecretaris Visser:

Van dit specifieke probleem wist ik voor het lezen van het Telegraafartikel net zo veel af als u. Dit wordt uitgevoerd door de commandanten die verantwoordelijk zijn voor de planning van zo'n oefening. Als u vraagt of ik bereid ben om te kijken ... Ik heb net tegenover de heer Stoffer aangegeven dat we uiteraard gaan kijken of we dit kunnen versnellen en ook makkelijker kunnen maken. U zegt: had u nou maar niet in de JSF geïnvesteerd, dan had u dit probleem niet gehad. Dat ben ik niet met u eens, dat herken ik totaal niet. De JSF is ook noodzakelijk. We hebben een grondwettelijke taak. Daar hoort bijvoorbeeld het verdedigen van ons eigen luchtruim bij. Daar heb je gewoon een jachtvliegtuig bij nodig. Daar is gekozen voor een F-35. Daar denkt u anders over. U denkt ook anders als het gaat om de militaire inzet. Daar hebben we hier iedere keer met elkaar een debat over. Er wordt democratisch besloten over de inzet van onze militairen, over de keuze die we hierin maken, ook bij de begroting. U kunt ieder jaar de investeringsplanning zien, inclusief wat wij voorstellen aan uw Kamer. U kunt dan zeggen dat u sommige dingen niet wil en andere dingen wel, maar het is niet zo dat de Kamer niet is geïnformeerd over de investeringen die door Defensie worden gedaan in materieel en ook in personeel. Daarin worden politieke keuzes gemaakt. Bij deze Defensienota is ervoor gekozen om uitdrukkelijk ook meer te investeren in het personeel. Dat is hoognodig.

De voorzitter:

Dank u wel. Dank voor uw komst naar de Kamer.