Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-2018nr. 72, item 10

10 Verruiming sluitingsbevoegdheid ingevolge de Opiumwet

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Opiumwet (verruiming sluitingsbevoegdheid) ( 34763 ).

De voorzitter:

Aan de orde is het debat over de wijziging van de Opiumwet. Een hartelijk woord van welkom aan de minister van Justitie en Veiligheid.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Wij hebben zes sprekers van de zijde van de Kamer en de eerste is mevrouw Helder van de fractie van de Partij voor de Vrijheid. Zij gaat tien minuten het woord tot ons richten. Het woord is aan haar.

Mevrouw Helder (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Op grond van artikel 13b van de Opiumwet, ook wel de Wet Damocles genoemd, kan een burgemeester een last onder bestuursdwang opleggen, bijvoorbeeld het sluiten van een woning of lokaal. Voorwaarde hierbij is wel dat in de woning of het lokaal drugs worden verkocht, afgeleverd, verstrekt of voor die doeleinden aanwezig zijn. Die sluitingsbevoegdheid geldt echter niet als in een pand geen drugs worden aangetroffen, terwijl er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs. Denk bijvoorbeeld aan bepaalde apparatuur, chemicaliën of versnijdingsmiddelen.

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, regelt dat de sluitingsbevoegdheid ook geldt in geval van dergelijke strafbare voorbereidingshandelingen. De slagkracht van de burgemeester tegen het produceren, verhandelen en het bezit van drugs wordt hiermee groter. Overigens is het wel een beetje dubbel. Burgemeesters kunnen hierdoor panden eerder sluiten, maar er zijn ook burgemeesters die op dit moment lobbyen om in aanmerking te komen voor het experiment met het telen van wiet. Ik mag toch hopen dat ook die burgemeesters straks voortvarend met dit wetsvoorstel aan de slag zullen gaan.

Voorzitter. Ik hoef de minister niet lang in spanning te houden. Ik kan meteen bevestigen dat mijn fractie voor het wetsvoorstel is. Het is een stapje — ik zeg: stapje — in de goede richting.

Ik heb wat meer spreektijd aangevraagd omdat ik het debat over dit wetsvoorstel graag wil gebruiken voor een poging een echte stap voorwaarts te kunnen doen in de slagkracht van de politie en het Openbaar Ministerie in de strijd tegen synthetische drugs. De minister is op werkbezoek geweest bij de Taskforce Brabant Zeeland. De minister heeft gisteren ook gesproken op de 35ste International Drug Enforcement Conference. De minister heeft gezegd: "Drugs worden geassocieerd met een 'happy time', alsof het erbij hoort. Ik accepteer die acceptatie niet. Achter een pil of 'lijntje' schuilt een wereld van keiharde criminaliteit, liquidaties, witwassen, corruptie, fraude en milieucriminaliteit. Drugs zijn het fundament van een ondermijnend systeem, en de acceptatie van drugs maakt de drempel lager om dat systeem in stand te houden."

Voorzitter, dit zijn woorden waar ik het helemaal mee eens ben, maar liever daden dan woorden. Daarom wil ik het debat over een vangnetbepaling in de Opiumwet een nieuw leven inblazen. De minister heeft tijdens zijn bezoek aan de taskforce vast gehoord over de grote wens voor een dergelijke bepaling bij de agenten op de werkvloer in de strijd tegen de synthetischedrugs- en precursorencriminaliteit. De minister heeft zelf tijdens een algemeen overleg op 22 februari jongstleden gezegd dat hij in gesprek gaat met België en Duitsland, die ervaring hebben met een generieke strafbaarstelling van precursoren, ofwel stoffen die gebruikt worden voor het maken van synthetische drugs. Het is dus ook niets nieuws. In een aangenomen motie in 2012 heeft mijn fractie al gevraagd naar de mogelijkheden van een generieke strafbaarstelling. Ook voormalig, moet ik inmiddels zeggen, collega Kooiman heeft de minister in het verleden gewezen op het belang van een dergelijke bepaling.

Ik begrijp dat het juridisch niet eenvoudig is, maar dat maakt de uitdaging alleen maar groter. En de belangen zijn groot. De minister heeft gisteren nog aangegeven dat Nederland wereldwijd bekendstaat als producent van synthetische drugs. Daarom heb ik zelf het voortouw genomen en heb ik een amendement voorbereid. Ik wil eerst even de reactie van de minister in eerste termijn afwachten alvorens het in te dienen. Of ik kan het indienen zodat de minister het in de schorsing van het debat kan beoordelen, en vervolgens kijken of ik het dan misschien toch maar zou moeten intrekken. Want het gaat mij niet om het politieke succes vandaag, maar om een adequaat instrument in de strijd tegen de synthetische drugs, iets waar de minister ook een voorstander van is. Mogelijk levert dit debat een afgewogen tekst op die in de Opiumwet kan worden opgenomen. Derhalve zal ik nu wel alvast een toelichting bij het amendement geven.

De Opiumwet regelt alleen de hard- en de softdrugs, ofwel lijst I- en lijst II-middelen. Precursoren, ofwel stoffen bedoeld voor de vervaardiging van synthetische drugs, vallen daar niet onder. Artikel 3a, lid 5 van de Opiumwet regelt dat de minister een middel onverwijld kan verbieden, maar hierbij gelden twee voorwaarden. Ten eerste moet het bij ministeriële regeling, en ten tweede moet gelijktijdig een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur met dezelfde inhoud door de minister van VWS ter beoordeling aan de ministerraad worden aangeboden. Die weg is te lang om snel te kunnen optreden.

De enige route is nu de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Dit komt erop neer dat de politie een bepaalde stof eerst meerdere malen in de praktijk moet zijn tegengekomen. Vervolgens moet de betreffende stof via de Europese Unie in de bijlage bij een van de EU-verordeningen worden opgenomen. Pas dan is sprake van een geregistreerde stof, waartegen via artikel 4 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën kan worden opgetreden. Dit maakt het snel en adequaat inspelen op nieuwe stoffen die gebruikt worden door criminelen onmogelijk. Het kat-en-muisspel met de georganiseerde drugscriminaliteit wordt zo niet gewonnen, want voordat een stof op de lijst staat, is de samenstelling zodanig aangepast dat er wederom een juridisch gat bestaat. Ik hoor dan ook graag de reactie van de minister op dit punt, want, zoals ik al heb gezegd: de politie en het Openbaar Ministerie hebben behoefte aan een adequaat instrument in de strijd tegen synthetische drugs.

Om de minister nog verder te overtuigen: bijna alle landen in Europa hebben inmiddels wetgeving inzake de zogenoemde nieuwe psychoactieve stoffen. Nederland loopt op dit punt ver achter. Wat zou het mooi zijn als de minister hier vandaag kan aangeven dat we een inhaalslag maken. Dat past mooi bij hetgeen hij gisteren heeft gezegd tijdens de conferentie die op dit moment nog bezig is. Want, in goed Nederlands: crime is constantly on the move, so we must move with it.

Dank je wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Een vraag van de heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Ik begrijp de achtergrond van het amendement dat mevrouw Helder nog gaat indienen. Ze zegt zelf terecht dat het juridisch nog best wel een ingewikkeld iets is. Dat zie ik ook. Is het dan niet logischer om een volledig wetstraject te doorlopen in plaats van, met alle respect, op een achternamiddag, een achterna-avond, een amendement er doorheen te jagen?

Mevrouw Helder (PVV):

Nou, dit is niet "doorheen jagen op een achternamiddag"; mijn fractie is er al vanaf 2012 mee bezig. Er is ook een onderzoek geweest, naar aanleiding waarvan de minister heeft gezegd dat het juridisch lastig is. Daar vinden we elkaar wel; op dat punt zijn we het eens. Vervolgens heb ik het de minister ook nog tijdens diverse algemene overleggen gevraagd, de laatste keer aan deze minister. Die heeft gezegd "ja, het is juridisch lastig" — daar zijn we weer — "maar België en Duitsland hebben een dergelijke bepaling wel en daar ga ik mee in gesprek. De Kamer zal daarover geïnformeerd worden". Dus ik vond dit wel een mooi moment om daarbij aan te sluiten.

De heer Groothuizen (D66):

Ik begrijp dat de PVV-fractie hier al langer mee bezig is en dat heeft ongetwijfeld veel kennis gegenereerd. Maar blijft natuurlijk staan dat we geen officiële standpunten hebben van Openbaar Ministerie, rechtsspraak, advocatuur en Raad van State. Is dat niet toch een beetje lastig met zo'n best wel lastige bevoegdheid?

Mevrouw Helder (PVV):

Ik denk dat het standpunt van het Openbaar Ministerie via de geëigende kanalen best snel te verkrijgen is. Ik denk dat de heer Groothuizen ook wel weet hoe dat standpunt luidt. Maar ik ga de stukken die ik gekregen heb natuurlijk niet zomaar ter beschikking stellen, daar moet ik ook eerlijk in zijn. Ik heb vandaag gewoon een aanzet gegeven. Als er behoefte is om een amendement ter beoordeling aan de Raad van State voor te leggen: ik weet dat voormalig collega Van der Steur die route een keer heeft gekozen dus ik denk dat niets mij in de weg staat om dat ook een keer te proberen.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Buitenweg van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel, mijnheer de voorzitter. Er staat hier een spreektijd van zeven minuten, maar ik had er helemaal geen rekening mee gehouden dat het een wetstraject is en ben helemaal afgesteld op vier minuten. Dus ik denk dat het iets korter wordt dan tien.

De voorzitter:

Misschien kunt u dan wat langzamer praten.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dat is een goede aanmoediging.

Wat voorligt, is de wijziging van de Opiumwet. Het idee is, zoals mevrouw Helder net ook zei, om de bevoegdheid van de burgemeesters uit te breiden. Nu kunnen zij panden sluiten als daar drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt, of voor de handel aanwezig zijn. Met dit voorstel kunnen burgemeesters ook opdracht geven tot het sluiten van panden als er geen drugs maar apparatuur, chemicaliën en versnijdingsmiddelen worden gevonden die duidelijk maken dat het pand een belangrijke plek is voor het bereiden of behandelen van drugs. Iedereen die weleens de serie Breaking Bad heeft gezien, kan zich hier van alles bij voorstellen.

Ik kan alvast zeggen dat mijn fractie niet principieel tegen de uitbreiding van de wet Damocles is. Wij snappen de noodzaak om deze sanctie in het gemeentelijk gereedschapskistje te hebben. Maar ik wil wel wat kritische noten kraken, ook over de bestaande wet. Die wordt namelijk steeds makkelijker toegepast. Toen de wet jaren geleden werd aangenomen, werd gezegd dat sluiting van panden een ultimum remedium was. Het zou alleen in ernstige gevallen gebeuren, om de verkoop van drugs tegen te gaan. Nu worden er panden gesloten omdat er meer dan tien hennepplanten staan. Uit een analyse van 271 rechterlijke uitspraken blijkt dat 30% van de woninguitzettingen vanwege cannabis achteraf onrechtmatig was — 30%! — omdat er geen sprake was van criminele drugshandel of overlast maar van drugsgebruik en beperkte hennepteelt voor privégebruik, bijvoorbeeld in geval van ziekte. Gezondheidssituatie en gezinssituatie worden vaak niet meegewogen door de burgemeester. Zo zijn in oost-Brabant drugsverslaafde bewoners hun woning kwijtgeraakt vanwege 8 gram cocaïne, 20 xtc-tabletten en 24 gram cannabis. Volgens de Groningse onderzoekster Michelle Bruijn worden mensen soms voor 5 wietplantjes of 50 gram cannabis hun huis uitgezet. Voor het sluiten van panden hoort de burgemeester de betrokkenen eerst te waarschuwen, behalve in uitzonderlijke gevallen. Maar wat we in de praktijk zien, is dat sluiten zonder waarschuwing de regel is geworden. Hoe beziet de minister deze ontwikkelingen?

Voorzitter. Volgens de minister is het sluiten van een huis geen straf, maar een ordemaatregel. En dat is juist vanuit juridisch perspectief. Maar menselijk gezien kan sluiting natuurlijk uitpakken als een heel zware straf, soms buitenproportioneel. Want als mensen hun huis verliezen om deze reden, komen ze ook niet in aanmerking voor vervangende woonruimte. Ze staan dan vaak op een zwarte lijst en verliezen definitief het zicht op huisvesting. Zijn we dan echt de georganiseerde misdaad aan het aanpakken of raken we dan mensen met wie het gewoon niet zo goed gaat?

Mijn fractie is het eens met D66, die in de schriftelijke inbreng liet weten dat een stevige motivering van het sluitingsbevel absoluut noodzakelijk is. Daarin moet aannemelijk worden gemaakt dat de aangetroffen drugs bestemd zijn voor de handel of, met de nieuwe wetswijziging, dat de inwoners de intentie hadden om met de aangetroffen spullen een drugsdelict te plegen. Ook moet de proportionaliteit van de maatregel in het voorliggende concrete geval worden getoetst. Ziet de minister dat ook zo? En hoe bevordert de minister dat de burgemeesters de besluiten goed motiveren? Wat zijn de criteria? Hoe wil hij dat monitoren? En welke conclusie trekt hij uit het rapport van de eerdergenoemde onderzoekster dat zo veel sluitingsbevelen de toets der kritiek niet kunnen doorstaan?

Voorzitter, ten slotte. De maatregelen dienen om de leefbaarheid in een wijk te verbeteren, de weerbaarheid in een wijk te versterken. Ik kan me voorstellen dat grote xtc-laboratoria moeten worden ontmanteld, maar hoe voorkom je nou dat het sluiten van een pand en het dichtspijkeren van de ramen juist leidt tot een minder prettige wijk om te wonen?

De voorzitter:

Dank u wel. U had het uitstekend getimed op vier minuten. Het woord is aan de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Acht minuten, voorzitter.

We spreken hier over een vrij eenvoudige wetswijziging. Nu kunnen burgemeesters een woning of lokaal of het daarbij behorende erf sluiten als daar harddrugs en/of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt of als de drugs voor die redenen in het pand aanwezig zijn. Dit wetsvoorstel verruimt deze bevoegdheid door te regelen dat burgemeesters panden kunnen sluiten als daar voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor onder meer de productie van harddrugs of grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt, voorbereidingshandelingen dus. Je hoeft dan niet meer te wachten tot van de grondstoffen drugs is gemaakt.

Ook de SP kent de geluiden van gemeenten die graag panden zouden sluiten, maar daarbij nu tegen muren aanlopen, bijvoorbeeld in Tilburg. Daar werd 3.200 liter aan grondstoffen voor de productie van xtc gevonden, maar omdat grondstoffen nog geen drugs zijn, kon de burgemeester het pand niet sluiten. Wij snappen dus de roep van de gemeenten om verruiming van de sluitingsbevoegdheid, maar tegelijkertijd willen wij ook graag in herinnering roepen waar die sluitingsbevoegdheid eigenlijk vandaan komt en waar die eigenlijk voor bedoeld is. Artikel 13b van de Opiumwet is niet zozeer bedoeld om drugsgebruikers en kleinschalige henneptelers uit hun woning te zetten, maar vooral om illegale verkooppunten te kunnen sluiten. Overlast tegengaan, dat is het doel, bijvoorbeeld de in- en uitloop van gebruikers en dealers. Dat geeft heel veel overlast. Denk ook aan mogelijk gevaarlijke situaties. Die wil je niet hebben in woonbuurten en dus wil je drugspanden kunnen sluiten.

Maar wanneer is iets nou een drugspand? Tijdens de behandeling van de Wet Damocles, zoals artikel 13b van de Opiumwet ook wel genoemd wordt, achtte de regering het enkel aantreffen van een handelshoeveelheid verdovende middelen nog onvoldoende om over te gaan tot sluiting van panden. De regering zei toen ook dat de sluiting van een woning gezien moet worden als een laatste middel, maar tegenwoordig is het sluiten van woningen zonder voorafgaande waarschuwing aan de orde van de dag. De wet is dus in die jaren opgerekt. Daar schuilt wel een gevaar in.

Geregeld worden burgemeesters ook teruggefloten door de rechter, bijvoorbeeld in de zaak van Angelique. We hebben dat kunnen lezen in het Brabants Dagblad en onder anderen collega Van Toorenburg heeft daar toen Kamervragen over gesteld. In 2015 werden in haar woning twee xtc-pillen en 129 gram hennep gevonden, achtergelaten door haar ex. Ze werd samen met haar zoon op straat gezet. Twee jaar later kreeg ze haar gelijk van de rechter: ze hadden niet het huis uitgezet mogen worden wegens de te grote hoeveelheid drugs van haar ex. Hier was dus geen sprake van een drugspand met loop naar het pand, waar de wet voor bedoeld is. Dit soort voorbeelden zijn er helaas veel en veel meer. Collega Buitenweg zei het al: 30% van de woninguitzettingen vanwege de vondst van cannabis blijkt achteraf onrechtmatig, dus drie op de tien. Dat blijkt uit het onderzoek van Michelle Bruijn. Jaarlijks worden meer dan 1.000 mensen uit hun huis gezet. Het zijn er ook ieder jaar meer.

Maar als burgemeesters in drie op de tien gevallen worden teruggefloten door de rechter, moet dat toch te denken geven. Ik maak me daar ook echt zorgen over, want huisuitzettingen hebben vergaande consequenties voor de mensen die er wonen, soms gezinnen met kinderen. Of denk aan de mensen die om medicinale redenen cannabis kweken. Een woning wordt vaak drie tot zes maanden gesloten. Dat betekent dat de verhuurder gedurende die periode zijn woning niet kan verhuren, zelfs als de huiseigenaar zelf aan de bel trekt. Bewoners die hun woning definitief kwijtraken vanwege sluiting lopen de kans dat ze op een zwarte lijst komen te staan of zelfs geen vervangende woonruimte kunnen vinden. In Oss werden bijvoorbeeld drie mensen die te grote hoeveelheden in bezit hadden voor eigen gebruik, uit hun sociale huurwoning gezet met als consequentie dat zij zich gedurende vijf jaar niet opnieuw konden inschrijven. Een particuliere woning huren is vanwege de financiën geen optie, maar wat dan? Mensen moeten uiteindelijk toch ergens wonen?

Daarom vraag ik de minister op dit punt het volgende. Vindt hij dat we in de praktijk zijn afgedreven van het doel van deze wet, het sluiten van illegale verkooppunten? Als iemand meer dan een gebruikershoeveelheid in bezit heeft, bijvoorbeeld meer dan vijf gram softdrugs of bijvoorbeeld zes hennepplanten, is er dan reden om het te bestempelen als drugspand en de woning te sluiten? Is het eigenlijk wel een goede ontwikkeling dat er ieder jaar meer panden dichtgetimmerd worden en de rechter de handelswijze van het bestuur zo vaak afkeurt? Wat denkt de minister daarvan? Waarom weten we eigenlijk niet hoe vaak bestuursrechters de vergaande besluiten van burgemeesters om gezinnen uit hun woningen te zetten vernietigen? Als een onderzoek dit kan analyseren, waarom heeft de minister deze cijfers dan niet en waarom kon dat dan niet in de nota naar aanleiding van het verslag gegeven worden toen we daarom gevraagd hebben?

Ik ben niet per se tegen de inzet van het bestuursrecht, want vanuit de openbare-ordetaak is de burgemeester degene die verantwoordelijk is voor de rust en veiligheid in woonwijken. Maar we hebben daarnaast natuurlijk gewoon het strafrecht, dat we kunnen gebruiken om mensen straf te geven als dat nodig is. Het doel van deze wet is niet mensen, gezinnen op straat te zetten en ervoor te zorgen dat zij nergens meer kunnen wonen. Dat zou disproportioneel zijn. Die balans mag niet zoekraken. Dus hoewel ik de verruiming begrijp dat de bestuurders niet hoeven te wachten tot van grondstoffen drugs zijn geproduceerd, wil ik er wel op wijzen dat het verruimen van de huidige wet niet zonder risico's is. Lopen we dan niet het gevaar dat deze gevallen zich nog vaker gaan voordoen? Hoe ziet de minister dit? Welke handvatten worden burgemeesters aangereikt om zorgvuldig om te gaan met de verruimde bevoegdheden? Wordt in de gaten gehouden of burgemeesters in het land deze bevoegdheid heel verschillend gaan gebruiken? Wordt willekeur voorkomen en worden de verschillen in aanpak tussen de gemeentes dus niet te groot?

Er rust geen bewijslast op de burgemeester, maar hij heeft straks wel veel verantwoordelijkheid. Want op zichzelf legale gedragingen kunnen met de invoering van deze wet straks toch strafbaar zijn vanwege de intentie waarmee ze verricht worden. Dan is het aan de burgemeester om de intentie te verduidelijken. Klopt het dat de burgemeester dan zal kunnen volstaan met een constatering van de feitelijke omstandigheden zoals ze door de politie ter plaatse zijn vastgesteld? Is de enkele verklaring van de feitelijke omstandigheden, aangeleverd door de politie, daarbij voldoende en welk tegenbewijs vanuit de betrokkene is daarbij mogelijk?

Dan over de leegstand. Ik sluit aan bij de vragen van collega Buitenweg dat het langdurig sluiten van panden niet per se tot verbetering van de woonwijk leidt. Integendeel zou ik zelfs zeggen. Op welke wijze wordt daar rekening mee gehouden? Is het altijd zinvol en nodig om panden waarin voorbereidingshandelingen zijn getroffen maandenlang leeg te laten staan?

Tot slot het punt waar collega Helder al uitgebreid over sprak en dat door voormalig collega Nine Kooiman al in 2014 is voorgesteld en ook eerder door andere collega's. De snelle opkomst van telkens nieuwe grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs, is haast niet bij te houden door de Opiumwet. Het steeds maar weer wijzigen van die wet is ongeschikt. Dat duurt te lang, terwijl de ontwikkelingen van de praktijk vragen om een oplossing. Ook de minister is zich daar volgens mij goed van bewust. Hij is daar bij werkbezoek op gewezen, ook door rechercheurs.

Een aantal collega's en ik hoorden dat vorige week weer van de burgemeesters en de taskforce Zeeland-West-Brabant in een gesprek over ondermijning. Zij dringen bij de wetgever aan op de vangnetbepaling, een restcategorie in de Opiumwet waarvoor al veel denkwerk is verricht, nogmaals, uitgebreid toegelicht door collega Helder net. Ik maak dit punt vandaag opnieuw. De SP heeft dat eerder gedaan. Vandaag maak ik het ook nadrukkelijk naar Attje Kuiken van de Partij van de Arbeid, die hierbij niet aanwezig kan zijn. Vanuit het ministerie is het voorlopig stil gebleven op dit punt en ik begrijp niet zo goed waarom. Is er volgens de minister geen probleem, anders dan de rechercheurs, de burgemeesters en de taskforce in het zuiden dagelijks in de praktijk ondervinden? Als de minister dat kan toelichten, dan zou dat toch een uitgebreide toelichting verdienen.

Ik heb waardering voor het amendement in voorbereiding van collega Helder. Ik kies zelf voor de weg van de motie, namelijk via de oproep aan de regering om een wetsvoorstel in consultatie te brengen. We gaan in het debat ondervinden hoe het vandaag verdergaat met de antwoorden van de minister en mogelijk een amendement, maar ik heb zelf voor de tweede termijn een motie die ik namens de collega's zal indienen, mocht dat nodig zijn, om de regering te vragen met een voorstel op dit punt te komen en dat inderdaad via de weg van de consultatie tot stand te brengen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Groothuizen van de fractie van D66.

De heer Groothuizen (D66):

Voorzitter. Panden met drugslaboratoria of panden waarin drugs aanwezig zijn, brengen vaak overlast met zich mee. Dealers komen af en aan, bij het maken van drugs komen giftige dampen vrij of een lab kan ontploffen. Dat is een duidelijk gevaar voor de veiligheid. Zo werd begin vorige maand in vakantiepark De Banjaard in Zeeland maar liefst 750 liter chemicaliën aangetroffen en hadden giftige dampen het huisje al flink beschadigd. Daar bewijst zich wat mij betreft het nut van de geïntegreerde aanpak. Door goede samenwerking tussen politie, OM en gemeentebestuur zijn de verdachten gepakt en gaat de burgemeester zich buigen over de vraag of sluiting van het huisje nodig is.

Zeeland is een voorbeeld van betrokken overheidsinstanties die goed samenwerken. Waar in Zeeland in 2013 nog geen enkel pand werd gesloten, waren dat er twee jaar geleden al 35. Deze geïntegreerde aanpak is mede succesvol dankzij de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester. Die verhoogt de kwaliteit van woon- en leefomgeving en verbetert de lokale veiligheid. Bovendien heeft het sluiten van panden natuurlijk ook een signaalfunctie.

De Opiumwet kent in artikel 13b nu al de bestuursbevoegdheid tot het sluiten van een pand waarin drugs worden aangetroffen, maar niet — meerdere collega's hebben dat ook onderstreept — als alles aanwezig is om die drugs te maken, maar de drugs zelf nog niet. Dat is wel vreemd. Alsof je oma's appeltaart eigenlijk niet kunt verwachten wanneer je thuiskomt, het deeg ligt te rusten in de koelkast, oma de appels staat te schillen en de oven al wordt voorverwarmd. Deze wetswijziging lost dat probleem op. De burgemeester kan met dit voorstel ook een pand sluiten als er geen drugs zijn aangetroffen, maar eigenlijk wel alles aanwezig is om ze te gaan maken. Daarmee wordt een rafelrandje aan de bestuursbevoegdheid van de burgemeester weggewerkt.

Maar, voorzitter, net als meerdere collega's voor mij zie ik ook een aantal problemen. Ik snap de aanpassing van deze bevoegdheid wel, om de reden die ik net noemde, maar ik heb wel behoorlijk wat vragen over het gebruik van de sluitingsbevoegdheid in de praktijk. Uit onderzoek blijkt immers dat de rechter de burgemeester behoorlijk vaak terugfluit: 30% van de woningsluitingen is onrechtmatig. Dat kun je natuurlijk zien als een bevestiging dat ons systeem werkt, maar wel pas nadat het kwaad al is geschied. Een uithuiszetting heeft immers een grote impact. Een integrale aanpak is wat mij betreft een goed ding, maar ik weet ook uit mijn eigen praktijk dat doorgaans vooral de minkukels worden geraakt, en dan vaak meerdere keren: met een strafzaak, een woninguitzetting en dan vaak ook nog een gepeperde rekening van de energiemaatschappij. Net als meerdere collega's voor mij, maar ook bijvoorbeeld de NVvR, vraag ik me dan ook af of de manier waarop de burgemeesters de bevoegdheid tot woningsluiting gebruiken, niet wat te ver gaat. Niet voor niets fluit de rechter de burgemeester immers zo vaak terug.

Voorzitter. De burgemeester heeft in ons recht diverse grondslagen om een woning te sluiten. Bijvoorbeeld in geval van verstoring van de openbare orde op grond van de Gemeentewet, of als er vrees is voor de gezondheid, veiligheid of leefbaarheid op grond van de Woningwet. Het lijkt er echter op dat die bevoegdheden veel minder vaak worden gebruikt dan 13b Opiumwet. Waarschijnlijk is dat zo omdat het simpelweg veel eenvoudiger is om de Opiumwet te gebruiken.

In het beleid dat gemeenten hanteren voor toepassing van dit artikel is vaak vastgelegd dat het moet gaan om een handelshoeveelheid drugs. Maar wanneer is daar eigenlijk sprake van? Wanneer gaat het niet meer om een hoeveelheid voor eigen gebruik? Dat is best wel lastig te bepalen. Ik geef u een voorbeeld. De burgemeester van Oss besloot in 2016 de woning van een drugsverslaafd stel voor drie maanden te sluiten. Het stel was in therapie voor een verslaving, heeft drie schoolgaande kinderen en kon een andere woning niet betalen. In de woning was slechts 100 milliliter GHB en 14,5 xtc-pil gevonden. Niet echt een recordvangst. Ik vraag me hardop af of dit soort sluitingen nog wel proportioneel is en nog wel bijdraagt aan het doel, namelijk het voorkomen van ernstige overlast. Is de maatschappij niet veel meer gediend bij een succesvolle afgesloten therapie tegen verslaving? Graag hoor ik van de minister of hij dit probleem ook ziet en wat voor mogelijkheden hij ziet om artikel 13b Opiumwet meer proportioneel te laten gebruiken.

Voorzitter. De rechter had in de casus van mijn voorbeeld blijkbaar ook twijfels, want hij schortte het besluit op. Dat roept bij mij de verdere vraag op of bij dit soort ingrijpende bevoegdheden de rechter niet eerder in beeld zou moeten komen. Zou je de bevoegdheid tot sluiting, zeker bij woningen, niet bij de rechter zelf moeten leggen, in plaats van alleen achteraf een besluit van een bestuursorgaan te toetsen? Ik hoor graag hoe de minister ertegen aankijkt.

Verder heb ik nog een vraag aan de minister over de vergoeding van eventuele schade. Als een besluit wordt vernietigd door de rechter, worden de bewoners dan voor die ingrijpende maatregel gecompenseerd en, zo ja, hoe gaat dat dan? Hoe ingewikkeld is het eigenlijk in de praktijk om dan je recht te halen? Graag een reactie van de minister.

Voorzitter, ik rond af. Ik constateer dat de voorgestelde wetswijziging inhoudelijk een logische uitbreiding is, omdat er een hiaat in de wet wordt opgevuld. Maar ik heb wel vragen over de toepassing van de bevoegdheid om panden, vooral woningen, te sluiten in de alledaagse praktijk. Ik hoop dat de minister op dat punt ideeën heeft om ervoor te zorgen dat die bevoegdheden in de juiste gevallen worden ingezet.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mevrouw Van Toorenburg van de fractie van het CDA.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. "Je kunt niet zeggen dat je het erg vindt dat criminelen de samenleving ondermijnen en tegelijkertijd een lijntje coke of een pilletje op een festival doodnormaal vinden. Gebruikers zijn medeverantwoordelijk voor de afvaldumpingen en andere vormen van ondermijning." Het was een treffende uitspraak van recherchebaas Paulissen. Hij geeft aan: "Pas wanneer drugsgebruikers snappen dat ze met hun xtc-pillen de georganiseerde misdaad steunen, is de war on drugs te winnen. De politie kan het niet alleen." Het leek mij wel passend om hiermee vanavond onze inbreng te beginnen.

Voorzitter. Verschillende leden hebben helder uitgelegd — "helder" zeg ik altijd expres, want mevrouw Helder begint daar altijd heel netjes mee — waar we vandaag precies over spreken, dus dat ga ik niet herhalen. Dat scheelt een heel stuk van mijn spreektekst. Wij hebben als CDA vaker gevraagd waar men in de praktijk tegenaan loopt als men op dit moment een pand wil sluiten, want dat is heel lastig. We hebben daar ook voorbeelden van aangedragen. Wij hopen dat het straks makkelijker is. Maar ik steun wel de verschillende kritische geluiden die vandaag ook weer zijn gehoord: wanneer is het proportioneel en wanneer gaat het mis? Want als de rechter te vaak corrigeert, is dat natuurlijk niet goed voor het openbaar bestuur en uiteindelijk ook niet voor een gemeenschap.

Kan de minister aangeven hoe hij er bijvoorbeeld voor zorgt dat de burgemeesters beter getraind worden in wanneer ze een bepaalde maatregel wel of niet moeten gebruiken? Hoe zorgen we ervoor dat er geen fouten worden gemaakt? Dat wil namelijk niemand. We willen ervoor zorgen dat panden gesloten worden, maar we willen er ook voor zorgen dat de rechter niet daarna zegt: het had niet gemogen. Ik geloof dat het de heer Groothuizen was of mevrouw Buitenweg die het volgende vroeg. Stel dat eigenaren zelf aan de bel trekken omdat ze echt het idee hebben dat het niet goed gaat en er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat iemand daar zelf op enige manier schuld aan heeft. Hoe beschermen we eigenaren die een pand hebben dat ze moeilijk kunnen verkopen, dat tijdelijk wordt verhuurd en waar iemand iets rottigs mee doet? Stel dat een eigenaar denkt: dit wil ik zo niet. Hij trekt aan de bel maar durft zelf niet op te treden. En vervolgens krijgt hij het zelf in zijn gezicht; het ontploft. Dat is toch niet wat wij willen?

Dus die balans is belangrijk. Ik improviseer expres, voorzitter, want mijn spreektekst is te veel een herhaling. Dat vind ik nooit leuk. Dat vind ik ook niet in mijn eer om dat te doen. Ik wil goed luisteren naar wat de rest zegt. Tegelijkertijd vind ik ook dat we moeten kijken naar de balans de andere kant op. Wij hebben als Kamer een tijdje geleden onze Italiaanse collega's op bezoek gehad. Die zeiden tegen ons: "Wij maken eigenlijk nu pas echt vorderingen met het aanpakken van de maffia, omdat we laten zien dat ook de kleintjes er echt aan bijdragen dat de groten kunnen functioneren. Dus misschien moeten jullie je niet alleen maar richten op de grote vissen, maar ook gericht de kleine visjes aanpakken. Ook dat is nodig." Dat is de balans die ik erin wilde brengen.

Voorzitter. Ik zag dat de burgemeester van Rotterdam een vrij stevig stuk heeft geschreven dat hij heeft gepresenteerd aan de gemeenteraad, waarin hij zegt dat hij wil dat zaken, goederen maar zeker ook panden veel sneller kunnen worden teruggegeven aan de gemeenschap. Ik denk dat het belangrijk is dat wij de minister daar vandaag weer over horen. Heeft hij een lichtpuntje aan ons aan te bieden in die zin dat we toch een stap verder kunnen maken? Eerder kon het ten aanzien van een boot. Wij willen nog steeds dat wat wordt afgepakt, wordt teruggegeven aan de gemeenschap, juist ook omdat we ook niet willen, zoals vandaag terecht is aangegeven, dat panden ergens zinloos dichtgespijkerd staan, want daar wordt een samenleving ook niet sterker van. Dan heeft de bevolking nog niet het idee: het helpt ons wanneer we aangeven dat iets ontspoort. Ze hebben er immers geen voordeel bij. Wanneer je daar iets moois van maakt en het wordt teruggegeven aan de samenleving, dan denken de mensen op een bepaald moment: wacht eens even, wie zijn eigenlijk mijn vrienden, is dat de overheid of zijn dat de misdadigers? Dat is vaak fout gegaan in andere landen. Daarom is de ondermijning daar vaak nog veel groter. Het is een kant die wij niet op willen.

In de schriftelijke ronde hebben wij nog wat vragen gesteld over het aantreffen van vervoermiddelen en grote sommen geld, als bedoeld in artikel 11a Opiumwet. Wanneer kan dat wel of niet bijdragen aan sluiting van panden? Dan heb je het eigenlijk niet zo vaak over huizen maar wel over panden en lokalen. Kan de minister daar niet nog een keer op reflecteren? Je wilt natuurlijk wel dat ook langs die weg kan worden opgetreden, en dat de zaken in ieder geval in beslag kunnen worden genomen.

Voorzitter. Tot slot de situatie rondom de restbepaling. We hebben daar vaak over gesproken. Ook mijn voorganger, collega Peter Oskam, heeft daar vaak over gesproken. Het voorstel dat we ertoe moeten komen dat die restbepaling uiteindelijk in de wet terechtkomt, steun ik volledig. Of het voorstel zoals mevrouw Helder het geformuleerd heeft, mede op aanraden van de burgemeesters en de taskforce, het is, hoor ik graag van de minister. Ik hoop ook dat ze het snel aan de minister geeft, zodat hij daarop kan reflecteren. Anders proberen we het mogelijk via een motie te doen, want het is echt iets waarvan ook het CDA zegt: zorg er nou voor dat we niet hijgerig achter de misdadigers aanhobbelen om iedere keer maar weer iets wat zij veranderen strafbaar te krijgen. Want we zijn op werkbezoek geweest in Eindhoven, en we weten dat met name de Chinezen er meesters in zijn om net een klein stofje te veranderen in een aan te voeren stof, waardoor het vervolgens niet precies is wat strafbaar is. En dan staan we met z'n allen weer te kijken naar zo'n situatie. Het is dus belangrijk dat wij die restbepaling doen. Bij de Wet wapens en munitie werkt die fantastisch. Ik denk dat ze hier ook heel erg dienstbaar kan zijn.

Voorzitter, dank u wel. Ook ik had nog één minuut over.

De voorzitter:

Die geven we aan een goed doel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Arno Rutte van de fractie van de VVD.

De heer Arno Rutte (VVD):

Voorzitter. De bereiding van drugs, de doorvoer van drugs en de handel in drugs staan aan de basis van zware ondermijnende criminaliteit in ons land. Met alleen maar strafrechtelijke maatregelen lukt het onvoldoende om de ondermijnende drugscriminaliteit te bestrijden. Een aanvullende bestuursrechtelijke maatregel, het sluiten van panden, is van groot belang om de ondermijnende drugscriminaliteit een directe slag toe te kunnen brengen. Dit is een bevoegdheid waar burgemeesters begrijpelijkerwijs vaak gebruik van maken. De illegale situatie wordt gestopt en de norm wordt hersteld.

Op 26 november 2015 diende mijn fractiegenoot Van Oosten samen met zijn toenmalige CDA-collega Oskam een motie in waarin de regering werd opgeroepen om "het bestuursrechtelijk instrumentarium aan te passen, zodat het mogelijk wordt voor de burgemeester om panden en woningen waarin grote hoeveelheden versnijdings- dan wel hulpmiddelen worden aangetroffen, te kunnen sluiten". De wet die vandaag voorligt, breidt de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester uit naar gevallen waarin in een pand of woning voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, chemicaliën en versnijdingsmiddelen. Met dit wetsvoorstel wordt dus uitvoering gegeven aan die motie uit 2015, die destijds bijna Kamerbreed werd gesteund. Het mag duidelijk zijn dat de VVD blij is met het voorliggende wetsvoorstel.

Voorzitter. De afgelopen dagen zijn berichten naar buiten gekomen over gevallen waarin de sluiting van een woning onredelijk zou zijn. Veel collega's zijn daar al op ingegaan. Ik sluit mij graag aan bij de vragen die daarover zijn gesteld in het kader van proportionaliteit. Sluitingsbevoegdheid is van belang, maar is echt bedoeld om de zware situaties te kunnen stoppen. In de kleine situaties wordt het ook vaak door de tuchtrechter teruggedraaid, maar dan heeft het weer tijd gekost, en tussentijds kunnen mensen in diepe ellende terechtkomen. Is dat nou echt de bedoeling van de wet? Het is terecht dat die vragen worden gesteld. Ik ben ook heel erg benieuwd naar de antwoorden op dat gebied.

Ook werd al gezegd dat een huiseigenaar soms zelf aangifte doet en vervolgens toch ook in de ellende komt. Zelf ben ik benaderd door ondernemers die aangaven te goeder trouw een bedrijfspand te hebben verhuurd dat vervolgens na het aantreffen van een wietplantage of drugslab gesloten werd, de ondernemers met grote schade achterlatend. Om dit soort ondernemers te kunnen helpen, heeft de Kamer tot mijn vreugde een motie van VVD, CDA en D66 aangenomen die het kabinet oproept te onderzoeken hoe een vorm van screening ontwikkeld kan worden, zodat zakenpartners er van tevoren inzicht in kunnen krijgen of een ondernemer pluis of niet pluis is. Ik hoop dat dat onderzoek snel tot actie kan gaan leiden.

Een burgemeester moet, voordat hij tot sluiting over kan gaan, daarvoor de benodigde zorgvuldigheidsstappen nemen. Daarbij gelden de uitgangspunten van de Algemene wet bestuursrecht, waarin onder andere vastligt dat de maatregel niet disproportioneel mag zijn. Collega's gingen daar al op in. Kan de minister aangeven of en op welke wijze de goede trouw van de verhurende ondernemer een rol kan of zelfs moet spelen in de weging van de proportionaliteit? Ik denk dan inderdaad in het bijzonder aan de situatie waarin de verhuurder zelf bemerkt dat er in het verhuurde pand illegale activiteiten plaatsvinden en daarvan melding maakt. Dat is geen hypothetische kwestie. Collega's gingen daar ook al op in. De ondernemer die het overkwam en die met mij contact opnam, werd na de melding geconfronteerd met een sluiting van het pand gedurende een halfjaar en had grote schade.

Ten aanzien van de restbepaling sluit ik me graag aan bij collega's die zeggen dat het echt de moeite waard is om daar nu eens een keer werk van te maken. Ik vind het wel heel belangrijk dat het op een zorgvuldige manier gebeurt en het ministerie de kans krijgt om zelf invulling te geven aan die restbepaling. Ik sluit niet uit dat mevrouw Helder daarvoor goed werk heeft verricht en ik kan me voorstellen dat daarover onderling contact plaatsvindt.

Voorzitter. Ik rond af. Het is van groot belang dat we zo veel mogelijk paal en perk stellen aan de zware ondermijnende drugscriminaliteit in ons land. Het wetsvoorstel van vandaag is daarvoor een goed instrument. De VVD zal het voorstel daarom van harte steunen.

De voorzitter:

Dank u wel.

De vergadering wordt van 20.12 uur tot 20.32 uur geschorst.

De voorzitter:

Het woord is aan de minister.

Minister Grapperhaus:

Dank u, voorzitter. Versterking van de aanpak van de georganiseerde ondermijnende criminaliteit is een belangrijke prioriteit voor dit kabinet. Ik heb dat inderdaad gisterochtend nog eens onderstreept. Om die aanpak te versterken zijn er, zoals ik in mijn brief van 16 februari heb beschreven, gerichte maatregelen nodig, onder meer op het terrein van wetgeving.

Dit wetsvoorstel is een van die antiondermijningsmaatregelen, waaraan ook de proeve van wetgeving die door de regioburgemeesters is opgesteld een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Het wetsvoorstel geeft het lokale bestuur ruimere bevoegdheden om panden te kunnen sluiten als er sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Het is een instrument dat effectief kan bijdragen aan een krachtigere aanpak. Uw Kamer heeft daar ook om gevraagd met het aannemen van de motie-Van Oosten/Oskam in 2015. Het is dus goed dat we hier vandaag met elkaar over kunnen spreken.

De afgelopen weken zijn we geconfronteerd met — ik zal het maar gewoon zeggen — de meest verachtelijke excessen van georganiseerde drugscriminaliteit, met de moord op de onschuldige broer van een kroongetuige als nieuw dieptepunt. Het geweld waarvan we getuige zijn, wordt gedreven door geld, grote hoeveelheden geld. Dat geld komt van de handel in drugs. Die drugseconomie ondermijnt elk aspect van de samenleving en bedreigt ook de legitieme economie. Die drugseconomie bedreigt ook onze normen, waarden en veiligheid. Er zijn buurten waar mensen terughoudend zijn om verdachte activiteiten te melden, misschien omdat ze bang zijn voor represailles of omdat ze niet geloven dat er nog iets zal gebeuren, misschien omdat ze zien dat verliezers die veel geld verdienen in de onderwereld, eruitzien als winnaars in de legitieme wereld, of omdat ze het gevoel hebben dat ze de drugscriminaliteit gewoon als onderdeel van het leven moeten accepteren. Daar moeten wij gezamenlijk met kracht tegen ingaan.

Het wetsvoorstel dat we vandaag in uw Kamer behandelen biedt ons daartoe ook extra mogelijkheden. Ten eerste biedt het mogelijkheden om overlast in buurten aan te pakken, zodat de omgeving zich weer veilig weet. Ten tweede biedt het mogelijkheden om het verdienmodel van de criminelen te bemoeilijken, zo niet tegen te gaan. Het wetsvoorstel regelt namelijk dat burgemeesters ook panden kunnen sluiten die worden gebruikt voor teelt, productie of handel zonder dat het eindproduct, de drugs, wordt aangetroffen. Dat zijn panden waar voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die duidelijk bestemd zijn voor die teelt, productie of handel. Het voorstel past in de koers die we de laatste decennia hebben ingezet om van een louter strafrechtelijke aanpak toe te werken naar een meer geïntegreerde aanpak. Dat is een aanpak waarbij overheidsinstanties samenwerken tegen ondermijnende criminaliteit en waarin een belangrijke rol is weggelegd voor de burgemeesters die bestuursrechtelijk kunnen optreden. Dit wetsvoorstel beoogt een verruiming van de al bestaande sluitingsbevoegdheid in de Opiumwet. Dat instrument heeft zijn waarde in de integrale aanpak inmiddels ruimschoots bewezen.

Het criminele circuit blijft altijd op zoek naar alternatieve manieren van opereren. Dat leidt ertoe dat het huidige instrumentarium niet altijd meer toereikend is. Er zijn tal van voorbeelden aangedragen waar evident sprake is van drugscriminaliteit en waarin nu alleen strafrechtelijk kan worden opgetreden. Die zijn ook in de stukken genoemd. Dit wetsvoorstel dient ertoe om ook in die situaties de integrale aanpak mogelijk te maken. Dit is een belangrijke aanvulling.

Ik wil nog eens benadrukken dat sluiting geen punitieve sanctie is, maar een bestuursrechtelijke herstelsanctie waarmee de overtreding wordt beëindigd en herhaling wordt voorkomen. Sluiting richt zich op het pand dat wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Het strafrecht richt zich op de dader.

Ik heb dit nog eens opgezocht in de stukken. Daarin zit de nota naar aanleiding van het verslag waar ik op bladzijde 2 nog eens heel duidelijk aan de hand van de beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 november 2017 heb uiteengezet hoe een en ander werkt met die herstelsanctie in vergelijking tot de punitieve sanctie, ook aan de hand van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Omdat velen van u binnen de spreektijd zijn gebleven, ga ik u herhaling daarvan besparen. Maar het staat daar heel duidelijk.

Concluderend ben ik van mening dat het wetsvoorstel een goede en noodzakelijke bijdrage levert aan de aanpak van drugscriminaliteit en ondermijning. Ik beantwoord uiteraard graag de vragen die door de leden gesteld zijn.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

In mijn inbreng had ik gezegd dat het inderdaad juridisch alleen een ordemaatregel is. Het is dus inderdaad geen punitieve sanctie. Maar mijn punt gaat over hoe het uitpakt voor mensen. Het kan wel degelijk worden ervaren als een sanctie. Is de minister dat met mij eens?

Minister Grapperhaus:

Dan moet ik gaan treden in de beleveniswereld van mensen en dan met name mensen waarvan inderdaad het pand gesloten is, omdat er is vastgesteld dat zich daar zaken bevinden waarmee men drugs kan produceren. Laten we er dan even van uitgaan dat dit gebeurde zonder motiveringsgebrek en met toepassing van de proportionaliteit. Het kan natuurlijk zijn dat iemand die ziet dat zijn drugslaboratorium wordt gefrustreerd, doordat het in wezen niet meer verder kan en gesloten wordt, dit in zijn subjectieve beleving als een soort straf beschouwt. Want dan kan hij dus niet meer illegale winsten maken. Maar vanuit het perspectief van de samenleving is het precies wat de Afdeling rechtspraak beschrijft. Er is namelijk sprake van een overtreding. Wij willen ervoor zorgen dat die overtreding stopt, dus dat de spullen waarmee drugs gemaakt worden, er niet meer zijn en het pand niet meer toegankelijk is. Zo kijk ik ertegenaan.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Zo kijkt de minister ertegenaan, maar hij weet ook dat er heel vaak sprake is van een situatie waarin er niet een enorm drugslab is. Hoe ziet de minister de situatie waarin een moeder met een zoon van 18 met tien hennepplantjes het huis uit wordt gezet en vervolgens nergens anders een woning kan vinden? Kan zij dat legitiem zien als een straf? Is dat een straf of is dat echt alleen een ordemaatregel?

Minister Grapperhaus:

Kijk, ik noemde net al het proportionaliteitsbeginsel. Ik ga een beetje vooruitlopen op de beantwoording van de vragen. Ik ga het straks nog een keer zeggen, maar ik wil het nu alvast tegen mevrouw Buitenweg zeggen. Er zit natuurlijk in de afweging die het bestuur moet maken de verplichting om naar proportionaliteit te kijken. Ook in de huidige jurisprudentie ziet u dat. Dan is er vervolgens een toets mogelijk door de rechter. En laten we wel wezen, dat kan al de voorzieningenrechter zijn. We moeten ons goed realiseren dat als er morgen door de burgemeester van gemeente X een pand wordt gesloten in de straat Y waar drugs zijn aangetroffen in de hoeveelheid van een handelsvoorraad, dan is het voor degenen van wie dat pand is of die dat pand bewonen nog altijd mogelijk om aan de voorzieningenrechter een spoedvoorziening te vragen om die sluiting te schorsen. Dan zal de voorzieningenrechter kijken of er inderdaad, met name op grond van het proportionaliteitsbeginsel, daartoe aanleiding is. Maar goed, dat zijn afwegingen die de rechter op dat moment moet maken. Ik ga daar zo meteen wat gestructureerder op in, maar juist hier zie je dat dit een bestuursrechtelijke herstelactie is en niet een punitieve actie.

Ik wil door naar de vragen en dan kom ik meteen bij mevrouw Buitenweg. Zij vroeg: hoe oordeelt de minister over de conclusies in het onderzoeksrapport van mevrouw Bruijn? In de recente mediaberichtgeving wordt het beeld geschetst dat één op de drie sluitingen door burgemeesters onrechtmatig zou zijn. Maar dat beeld in de media is, denk ik, ongenuanceerd. Ik ga ervan uit dat het gebaseerd is op het onderzoek van Michelle Bruijn naar 217 gepubliceerde uitspraken over artikel 13b Opiumwet van 2008 tot 2016. Uit dat onderzoek blijkt dat bij 30% van de uitspraken van de lagere rechter het beroep tegen de sluiting gegrond wordt verklaard. Maar als u het nader bekijkt, dan ziet u dat het in de meeste gevallen gaat om een zogenaamd motiveringsgebrek. Dat kan de burgemeester herstellen door een nieuw besluit te nemen en dat opnieuw en dan beter te motiveren.

Voorzitter, wat ik ook heel belangrijk vind, is dat in die 30% niet is meegerekend dat het aantal feitelijke sluitingen per jaar vele malen hoger is en dat dus een groot deel van de betrokkenen niet naar de rechter gaat om het besluit aan te vechten. Dus die 30% is 30% van slechts een deel van de sluitingen, namelijk de zaken die bij de rechter zijn beland. In dat opzicht moeten we dus echt de cijferexercitie nuanceren.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik probeer te begrijpen welke conclusie de minister trekt uit het feit dat sommige mensen niet naar de rechter gaan. Is de conclusie van de minister dat zij dat dan ervaren als een legitieme maatregel? Of kan het ook zo zijn dat het mensen zijn die helemaal de weg kwijt zijn geraakt in het juridisch systeem?

Minister Grapperhaus:

Vooropgesteld zij dat Nederland een zeer vertakt juridisch systeem heeft met goede lokale manieren om aan rechtshulp te komen, ook gefinancierde rechtshulp. Dus ik ga er toch van uit dat het goede stelsel van rechtshulp, rechtsbijstand en rechtspraak er niet toe leidt dat hele grote aantallen mensen juridisch niet op een pad terechtkomen waar ze eigenlijk wel aanspraak op zouden kunnen hebben. Dat is één. Ten tweede is het zo dat de mensen die zich neerleggen bij de beslissing dat om hen moverende redenen doen. Dat betekent in ieder geval dat het getal van 30% van de zaken waar de rechter de beslissing van de burgemeester vernietigt, gewoon veel lager zou moeten zijn als je het over het gehele aantal beslissingen neemt. Dus ja, dat lijkt me een logische gevolgtrekking.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Volgens mij is dat laatste juist niet mogelijk. Als we de redenen niet weten waarom mensen geen procedure aanspannen, erken ik helemaal dat het heel goed zo kan zijn dat ze wel degelijk de weg naar de rechter wisten maar daar om allerlei redenen niet heen zijn gegaan. Ik zeg alleen dat de minister het niet zichzelf kan toerekenen en niet kan zeggen: dus al deze mensen hebben het eigenlijk aanvaard. Volgens mij zou het dus goed zijn als er wat meer onderzoek zou zijn dat dit helemaal goed in kaart brengt. De minister kan het cijfer dus niet helemaal naar zichzelf toe trekken, zou ik zeggen.

Minister Grapperhaus:

Ik meen dat ik dat juist niet heb gedaan. Ik heb althans gepoogd om hoffelijk te zijn door het niet helemaal te gaan ontleden. Ik heb gezegd: het is 30% op basis van 217 gepubliceerde uitspraken over acht jaar. Het aantal sluitingen over die periode is vele malen hoger. Laten we for the sake of argument — om in het Nederlands te blijven spreken, zoals mevrouw Helder zei — toch maar zeggen dat dit er tien keer zoveel zijn geweest. Het zijn er veel meer, maar laten we zeggen dat er 2.000 sluitingen zijn geweest. Dan gaat die 30% al een factor tien omlaag. Ik denk dus dat we er met elkaar de relativering van moeten inzien. Ik wil naar mevrouw Buitenweg nogmaals benadrukken dat het zeker mogelijk kan zijn dat mensen niet de weg naar het rechtssysteem hebben gevonden die hun toekwam, dus dat ze, kortom, niet de rechtsbijstand hebben kunnen vinden die alsnog tot een vernietiging van de sluiting heeft geleid. Maar er is geen enkele aanwijzing dat dit vaker dan incidenteel zou zijn gebeurd.

De voorzitter:

Op dit punt, neem ik aan, nog de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Dat veel mensen de weg om hun recht te halen niet weten te vinden, lijkt me absoluut een juiste constatering, maar dat vind ik toch een iets andere discussie. Ik begrijp de minister zo dat hij zegt: het onderzoek waaruit zou blijken dat 30% van de beslissingen van burgemeesters teruggefloten wordt door de rechter moeten we ernstig relativeren. Ik vind dat ingewikkeld te volgen. Ik hoor het de minister zeggen, maar ik hoor de minister daar niet een ander cijfer tegenover plaatsen. Mijn vraag aan de minister is dus: hoeveel van de beslissingen van burgemeesters om met behulp van de wet Damocles mensen hun huis uit te zetten, blijft overeind bij de rechter? Of het omgekeerde: hoeveel procent van de zaken wordt volgens de minister teruggefloten door de rechter?

Minister Grapperhaus:

Als 30% van die 217 uitspraken door de lagere rechter ...

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

271!

Minister Grapperhaus:

Ik weet dat even niet. In mijn tekst staat 217, maar als mevrouw Buitenweg het zegt, ga ik er onmiddellijk van uit dat het er 271 zijn, met voorbijgaan van mijn eigen getal 217. 30% van de 271 gepubliceerde uitspraken is dus vernietigd op grond van, laat ik dat eerst nog eens even benadrukken, een motiveringsgebrek. Dat betekent dat de beslissing niet goed of helder gemotiveerd was. De burgemeester kan dat herstellen door zijn besluit beter te motiveren. Bij 70% van de zaken, toch wel een forse meerderheid, heeft de rechter de sluiting gewoon in stand gelaten. Ik had net met mevrouw Buitenweg een kleine gedachtewisseling over het feit dat je die percentages moet relativeren, omdat dit alleen maar gaat over de zaken die bij de rechter zijn gekomen. Al die zaken die niet bij de rechter zijn gekomen omdat men zich neerlegt bij sluiting, zitten dus niet in die statistiek. Ik hoop dat ik het nu wat helderder heb kunnen uitleggen.

De heer Van Nispen (SP):

Eerlijk gezegd niet. De minister relativeert het onderzoek van een ander wel, maar heeft zelf niet precies de cijfers over hoe het dan wel precies zit. Ik constateer dat we ieder jaar meer huisuitzettingen zien op grond van de wet Damocles. We kennen casuïstiek waarvoor de wet overduidelijk niet bedoeld was. In bepaalde zaken oordeelt de rechter dat de beslissing disproportioneel was, met grote gevolgen: gezinnen met kinderen die op straat komen te staan. Dan is de vraag aan de minister toch legitiem of hij bezorgd is over de ontwikkeling in de praktijk waarbij geregeld rechters burgemeesters terugfluiten die wat al te enthousiast gebruik hebben gemaakt van deze bevoegdheid. Hoe vaak dat gebeurt weet de minister dus niet en ik ook niet. Volgens het onderzoek zou het 30% zijn, maar dat cijfer relativeert de minister.

Minister Grapperhaus:

Eigenlijk congrueert die vraag bijna volledig met deze vraag van de heer Van Nispen, die ik dan maar meteen behandel: vindt de minister dat wij in de praktijk zijn afgedreven van het doel van de wet? Met het wetsvoorstel werd het mogelijk om drugspanden aan te pakken. In de praktijk blijkt dat mensen in bepaalde gevallen hun woning als drugslab gebruiken. Dat veroorzaakt overlast en openbareordeproblemen. Er kunnen incidenteel situaties zijn waarin de sluiting niet voor de hand had gelegen, laat ik het zo maar zeggen. In die situaties is het goed dat er een rechterlijke toets is. Dat kan een toets zijn op zeer korte termijn, namelijk bij een voorlopige voorziening, waarbij de sluiting kan worden geschorst. Achteraf kan zelfs blijken dat die voorlopige voorziening niet rechtmatig was en dat sluiting eigenlijk wel terecht was. Maar goed, die mogelijkheid van de voorlopige voorziening is er en daarnaast is er de mogelijkheid dat de rechter in de bodemzaak definitief oordeelt over de sluiting. Het onderzoek van Michelle Bruijn gaat natuurlijk over de uitspraken van rechtbanken. In hoogste instantie zijn er nauwelijks sluitingen vernietigd.

Vind ik dat besluiten proportioneel en goed gemotiveerd moeten zijn, is een vraag van mevrouw Buitenweg. Ja, dat vind ik. De burgemeester weegt op basis van de rapportage van de politie af of een sluiting passend is om de overtreding van de Opiumwet te beëindigen en herhaling te voorkomen. Daarbij kijkt hij of de nadelige gevolgen voor de betrokkene niet onevenredig zijn. Dit is een belangrijk punt, want daar keek u met name naar. Een sluiting mag geen onevenredige gevolgen hebben en moet goed onderbouwd zijn. Die vereisten volgen uit de jurisprudentie hierover.

Lopen we dan niet het gevaar dat door verruiming van de wet nog vaker panden worden gesloten? Dat is een vraag van de heer Van Nispen. Wordt willekeur voorkomen door verschillende aanpak van gemeenten? Welnu, er komt een grond bij om panden te kunnen sluiten, dus naar verwachting zullen inderdaad vaker panden worden gesloten, namelijk in die situaties waarin de drugs, het product, niet meer aanwezig zijn, maar nog wel de spullen worden aangetroffen waarmee je ze fabriceert. Dan zijn dat dus panden waar strafbare voorbereidingshandelingen ter zake van drugs worden gepleegd. Het is de bedoeling dat die worden gesloten. Gemeenten hebben een eigen bevoegdheid en stellen eigenlijk altijd wel een handhavingsbeleid op ter zake van de toepassing van artikel 13b. Zij stemmen een en ander ook vaak onderling af, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de vijf grote gemeenten in Brabant. Ook de landelijke jurisprudentie geeft natuurlijk aan hoe de wet kan worden toegepast.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

De minister herformuleerde mijn vraag en wist er toen heel goed antwoord op te geven. De vraag was volgens de minister namelijk: vindt de minister dat de burgemeesters hun besluit goed moeten motiveren? Hij vond dat die inderdaad goed gemotiveerd moesten worden. Maar mijn vraag was een andere, namelijk: hoe bevordert de minister dat de burgemeesters hun besluit goed motiveren en wat zijn dan de criteria voor een goede motivering? Op welke wijze wil hij dat monitoren, gezien het feit dat er toch wel de nodige problemen zijn?

Minister Grapperhaus:

Ja, dan moet ik even kijken. Ik had wel een aantal vragen genoteerd die hieraan raken, zoals de vraag van de heer Rutte of ik ervoor kan zorgen dat de burgemeesters goed getraind worden wanneer zij wel of niet die maatregel moeten opleggen. In antwoord daarop antwoord ik ook meteen op wat mevrouw Buitenweg zegt. Het is primair aan de burgemeester om zijn motivering sluitend te maken en de proportionaliteit van deze maatregelen aan te tonen, maar ik ben uiteraard bereid om bij de implementatie van het wetsvoorstel bij te dragen aan de informatievoorziening aan gemeenten op dit punt.

De voorzitter:

Het was een heel scherpe vraag van mevrouw Van Toorenburg.

Minister Grapperhaus:

Ik ga door. De heer Van Nispen vroeg: wanneer is iets een drugspand? Wat moet daarvoor de situatie in het pand zijn? Daar is geen sluitende definitie voor te geven. Het is wel duidelijk dat het moet gaan om een pand dat op enige manier gerelateerd kan worden aan drugshandel of -productie of de voorbereiding daarvan. Wat ik heb gedaan, is in de toelichting bij het wetsvoorstel duidelijk maken voor welke situaties de uitbreiding van de sluitingsbevoegdheid is bedoeld. De omstandigheden in het individuele geval zijn heel bepalend voor de beoordeling of sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Voor de vraag of sluiting in die situatie een proportionele en effectieve maatregel is, kan ik geen lijstje geven in welke gevallen de burgemeester van de nieuwe bevoegdheid gebruik kan maken.

Is het altijd zinvol en nodig om panden waarin voorbereidingshandelingen worden getroffen, maandenlang leeg te laten staan? Op die vraag van de heer Van Nispen zeg ik dat het aan de burgemeester is om de duur van een sluiting te bepalen en te motiveren. De burgemeester zal voor de rechter de proportionaliteit van deze maatregel moeten kunnen aantonen. Dat geldt ook voor de duur van de maatregel. Ik kan dat niet genoeg benadrukken. Het is weliswaar een, wat wij noemen, herstelactie en geen punitieve actie, maar de burgemeester moet zich op die punten gewoon echt voor de rechter kunnen verantwoorden. Ik heb al eerder gezegd dat gemeenten steeds meer met elkaar kennis uitwisselen op dit gebied. Er wordt steeds meer beleid op ontwikkeld, ook tussen gemeenten onderling.

De heer Van Nispen vroeg of het klopt dat de burgemeester kan volstaan met de constatering van de feitelijke omstandigheden zoals vastgesteld door de politie. Is tegenbewijs mogelijk? Zonder tegenbewijs mag de burgemeester afgaan op de bestuurlijke rapportage van de politie. Dat is op ambtseed opgemaakt. Maar de rechtspraak biedt de betrokkene expliciet de mogelijkheid van tegenbewijs. Dat hoeft niet keihard te zijn. Zo kan een helder en consistent betoog onder omstandigheden voldoende zijn voor de conclusie dat sprake is van eigen gebruik, ondanks een geringe overschrijding van de grens voor een handelshoeveelheid.

Is het steeds meer sluiten van panden een goede ontwikkeling? Nou ja, mevrouw Helder en/of mevrouw Van Toorenburg brachten al naar voren dat burgemeesters hierom vragen. De taskforce heeft hier echt dringend op gewezen. Het is een extra instrument in de strijd tegen drugscriminaliteit. Ik denk dat het een goede ontwikkeling is dat we dit doen.

Kan of moet de goede trouw van de verhurende ondernemer een rol spelen in de weging of sprake is van disproportionaliteit? Die vraag zal ik zo beantwoorden.

De heer Van Nispen (SP):

Ik hoop dat de minister mijn vraag een beetje in de context van mijn verhaal wil plaatsen. Ik heb uitdrukkelijk gezegd dat ik deze verruiming van de wet steun, maar dat ik heel veel zorgen heb over de toepassing van de huidige wet in de praktijk. Ik heb diverse voorbeelden genoemd, net als andere collega's dat hebben gedaan. In dat kader heb ik de vraag opgeworpen of de minister het nou een goede ontwikkeling vindt dat burgemeesters naar het lijkt steeds enthousiaster gebruikmaken van de huidige bevoegdheid. Het is mijn indruk dat het begrip "drugspand" in de praktijk wat wordt losgelaten. Eerst ging het erom dat er een zekere loop naar het pand moest zijn met overlast of een zeker gevaar voor de buurt tot gevolg. Dat zien wij in diverse casussen terug waarin rechters burgemeesters hebben teruggefloten. Deelt de minister die zorgen op dat punt?

Minister Grapperhaus:

Laten we vooropstellen dat het een goede zaak is dat de rechter de burgemeester terugfluit in die situaties waarin, als ik het even simpel mag zeggen, de burgemeester op een niet juiste wijze gebruikmaakt van deze bevoegdheid. Ik laat dan even in het midden of het disproportioneel was of anderszins. Dat is één.

Twee. Ik weet niet of de burgemeesters nu ineens overenthousiast zijn geworden of iets dergelijks. Ik denk dat het meer een kwestie is dat deze regelgeving inmiddels in de bestuurlijke aderen begint te stromen. Het is gewoon voor veel gemeentes duidelijk geworden hoe het werkt. Zoals ik al een paar keer heb gezegd, overlegt men met elkaar en wisselt men kennis uit. De procedures worden steeds beter. Ik denk ook dat men alerter is. Ik zeg mét u dat met deze aanvulling van de wet het aantal sluitingen zal toenemen. Maar ik denk dat dat ook nodig is. Er zijn namelijk gewoon toch nog panden waar de boeven, of de mensen die drugs produceren, inmiddels zo verstandig zijn om hun handelsvoorraad meteen naar elders te brengen. Volgens de huidige wetgeving zou je dan niet meer iets kunnen, maar volgens de nieuwe wetgeving die we beogen, kun je ook het pand sluiten waar de drugs geproduceerd zijn maar waar alleen nog de machines staan.

De heer Van Nispen (SP):

Dat snap ik wel. Precies daarom heb ik ook gezegd dat ik die verruiming wel begrijp. Maar tegenover elk voorbeeld dat ik aandraag, plaatst de minister een evident voorbeeld waarbij het logisch en goed is dat het pand gesloten wordt. Een geval van evidente overlast voor de buurt, drugsrunners die af en aan lopen, gevaren voor de buurt: daarvoor is het inderdaad bedoeld. Maar nét iets meer dan een gebruikershoeveelheid in een pand aanwezig, achtergelaten door een ex, en een pand wordt gesloten. Dan zegt de minister: het is goed dat de rechter dat vervolgens terugfluit. Maar wij hebben er juist op gewezen dat het soms twee jaar duurt voordat een rechter een finaal oordeel heeft geveld. Het kan enorme consequenties hebben voor betrokkenen als zij, achteraf bezien ook nog eens ten onrechte, uit hun woning zijn gezet. Dat mis ik nog steeds in het verhaal van de minister. De gevolgen daarvan schetst hij onvoldoende. Ik denk dat hij ze wel onderkent, maar ik hoor het nog niet terug in de zorgen van de minister. Ik hoor ook nog niet wat hij daaraan denkt te gaan doen.

Minister Grapperhaus:

Ik heb zo-even juist op een casus gewezen van een geringe overschrijding van de grens voor een handelshoeveelheid als voorbeeld van een betoog of een uitleg waarin tegenbewijs wordt geleverd tegen de van ambtswege opgemaakte rapportage van de politie. U heeft zo'n voorbeeld aangehaald, evenals naar ik meen mevrouw Buitenweg en mevrouw Van Toorenburg. Er zijn natuurlijk altijd zaken die, terecht, de krant halen omdat daarin iets niet goed is gegaan en waarin die bevoegdheid niet op juiste gronden is uitgeoefend. Dat is dan misschien gebeurd omdat de burgemeester voordat hij zijn actie ondernam qua voorlichting op het verkeerde been was gezet, of misschien omdat er een verkeerde inschatting was gemaakt. Dat leidt soms tot schrijnende consequenties; daarom haalt het de krant. Ik kom terug op het punt dat er in Nederland gelukkig een heel goede, snelle spoedprocedure is, waarbij iemand die dat overkomt aan de rechter kan voorleggen: luister, er wordt mij hier groot onrecht aangedaan. Dan kan de rechter die beslissing schorsen. Dat betekent dat de sluiting voorlopig van de baan is. Dan moet voor de bodemrechter worden bekeken of het besluit inderdaad wel of niet onrechtmatig is geweest. Maar goed, dat is de rechtspraktijk. Daar moeten we nu verder niet al te casuïstisch in gaan treden. Maar ik meen dat ik tot nu toe in mijn betoog steeds naar voren heb gebracht dat bestuurders die regelgeving uiteraard op een juiste, rechtmatige en proportionele wijze moeten toepassen. Dank u wel.

Ik wou eigenlijk naar het volgend punt.

De voorzitter:

Nou, mevrouw Van Toorenburg nog even.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik sprak laatst een paar burgemeesters. Zij waren aan elkaar aan het vertellen welke cursus in het boekje dat zij aangereikt hadden gekregen, zij aan het volgen waren. Ik heb dat boekje eens doorgekeken. Er staan inderdaad allerlei leergangen in over met name gebruikmaking van dit soort bevoegdheden. Kan de minister met zijn collega van Binnenlandse Zaken niet even specifiek kijken of juist de casuïstiek voldoende verankerd is, voldoende wordt aangereikt aan de burgemeesters? Is het niet veel beter om te voorkomen dan te genezen door een rechter?

Minister Grapperhaus:

Dit zeg ik u zonder lange reflectie bij dezen toe. Ik vind het ook een goed idee om daar nog eens naar te kijken. Ik wil via u ook wel echt benadrukken in de richting van meneer Van Nispen dat het me zeker aan het hart gaat dat burgemeesters deze bevoegdheden goed toepassen. Ook al heb ik die 30% nogal genuanceerd, zo zeg ik via u aan mevrouw Buitenweg, dan nog is het natuurlijk altijd de uitdaging om ook dat genuanceerde getal nog omlaag te brengen.

Dan was er nog de vraag over de goede trouw van de verhurende ondernemer. Daar was ik al mee bezig. Dat huiseigenaren en andere verhuurders getroffen worden door een sluiting is evident. Maar, daar krijg je dat punt weer, dan gaat het niet om een straf. De sluiting is bedoeld om herhaling te voorkomen. Dat is ook nodig, getuige de problemen die er zijn met drugslabs en hennepkwekerijen in woningen.

Mevrouw Helder heeft gerefereerd aan een werkbezoek dat ik heb afgelegd en dat de vaste Kamercommissie volgens mij ook heeft afgelegd. Je werd met een touringbusje — "minitouringbusje" moet ik jammer genoeg zeggen — door een Eindhovense wijk geleid. En dan kon je precies die panden zien, gewoon in een heel normale buurt, met gewone, bescheiden, hardwerkende mensen. Het ene pand met kogelgaten, het volgende pand waar enorme voorraden drugs stonden opgeslagen en ook een garage, te midden van doorzonhuizen, waar een of ander pillenspul werd geprepareerd door twee achterneven die nog in Pulp Fiction hadden gefigureerd. In ieder geval deden ze dat zo gevaarlijk dat ze zelf bedwelmd waren geraakt op enig moment. Daardoor werden brandweer en ambulance gealarmeerd. Maar het had dus ook voor de buurt heel slecht kunnen aflopen. U kent dat, want u bent daar geweest. Ik wil er niet te veel een drama van maken, maar ik wil wel nog eens benadrukken dat dit echt gewoon de problemen zijn die de mensen overkomen die in die buurten wonen.

De heer Groothuizen heeft de vraag gesteld of de sluitingsbevoegdheid niet bij de rechter zou moeten liggen. Het is een bestuursbesluit. Het zou dus heel ingewikkeld worden. U wilt mij vergeven dat ik met de heer Groothuizen een klein stukje juridica inga. Het ingewikkelde is dat de rechter geen bestuurlijke besluiten kan nemen. Hij kan ze marginaal toetsen, zoals u weet. Dan zou je iets heel bizars krijgen, namelijk dat de rechter een bestuursbesluit neemt dat slechts marginaal op orde is. Dat zou dus alleen maar betekenen dat we achteruitgaan in het leven. Dat is één. Twee, dat wil ik dan toch wel tot troost zeggen, is dat de rechtspraak laat zien dat de bestuursrechter uitstekend in staat is om ook ingrijpende besluiten indringend te beoordelen op hun rechtmatigheid. In zoverre kun je de 30% ook als een positief getal zien. Ik wil voor de zoveelste keer zeggen — ik herhaal het gewoon — dat de mogelijkheid er is om direct een voorlopige voorziening te vragen.

De heer Groothuizen (D66):

Ik begrijp uiteraard dat de rechter geen bestuursbesluiten kan nemen. Bij het systeem van de Awb neemt een bestuursorgaan het besluit en kan de rechter het besluit toetsen. Nou is de minister natuurlijk niet alleen de minister van de Algemene wet bestuursrecht maar ook wat breder. En ik kan mij toch voorstellen dat er andere modellen zijn om een rechter een bepaalde beslissing te laten nemen. Dat doen we ook als het gaat om het verbieden van een rechtspersoon. Daar kan de rechter een rol in spelen. In een civiele procedure kan een rechter panden sluiten. Er zijn andere mogelijkheden. Volgens mij is de principiële vraag die over dit debat en wel meer debatten zweeft, of het voor de hand liggend is dat we dit soort ingrijpende bevoegdheden in het bestuursrecht verankeren. Of is het beter om het op een andere manier te doen, waarbij de rechter een centralere rol heeft?

Minister Grapperhaus:

Ik denk dat dat niet beter is. Het gaat erom dat de overlast en de inbreuk op de openbare orde gestopt worden. Het gaat niet om de berechting van het misdrijf van drugshandel of het misdrijf van drugsproductie. Het gaat om het stopzetten van de situatie waarin een pand faciliteert dat er drugs geproduceerd worden. Als we dat in het strafrecht gaan beleggen, komen we in de eerste plaats, inderdaad, met heel andere waarborgen, die te maken hebben met de verdachte in het strafrecht. Maar in de tweede plaats gaan we dan ook die bestuurlijke maatregel die noodzakelijk is, ineens het odium meegeven van een strafrechtelijke maatregel. En nu ga ik iets bijzonders zeggen. Het feit dat iemand in een pand zit waar een handelsvoorraad drugs is aangetroffen — ik heb gisteren in mijn lezing op de IDEC-conferentie in het Engels het voorbeeld genoemd van de single mother die onder druk is gezet door een drugsbende om haar zolder ter beschikking te stellen — betekent misschien dat de burgemeester, als men daarachter komt, moet besluiten om dat pand, of die schuur of die garage of iets dergelijks, te sluiten. Maar dat betekent nog niet dat die single mother meteen als een verdachte van drugshandel ...

De voorzitter:

Een alleenstaande moeder, hè, op z'n Nederlands.

Minister Grapperhaus:

Een alleenstaande moeder, ja. U heeft gelijk. Ik was even … Excuus. Die alleenstaande moeder belandt niet meteen als verdachte in het bankje. En weet u, omdat er zo'n waarborg in zit van een goede bestuursrechtelijke toetsing met een spoedvoorziening heeft de justitiabele een goede, rechtvaardige kans op een eerlijke beoordeling van het gebruik van dat bestuursmiddel, de sluiting van het pand, zonder dat die justitiabele als verdachte wordt aangemerkt. Ik vind dat een belangrijk onderscheid. Zo zit ik er ook conceptueel — of hoe moet je dat ook alweer noemen? — in. Het is niet zomaar dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens of de Afdeling bestuursrechtspraak zegt: dit is een bestuursrechtelijke sanctie. Ik denk ook dat dat recht doet aan de positie van de justitiabele.

De heer Groothuizen (D66):

Mooi dat de minister in antwoord op mijn eerste vraag iets meer ruimte ziet en een beetje uit het systeem van de Awb durft te denken. Terecht zegt hij dan dat de waarborgen in het strafrecht over het algemeen hoger zijn. Dat zou een oplossing kunnen zijn, maar er zijn misschien ook andere mogelijkheden. Tegelijkertijd legt hij in zijn antwoord wel precies het dilemma bloot, want hij zegt: we moeten zorgvuldig zijn met de waarborgen in het strafrecht, want het is nog niet gezegd dat de alleenstaande moeder in kwestie verdachte is of eventueel veroordeeld wordt. Maar tegelijkertijd staat diezelfde mevrouw in de bestuursrechtelijke route wel buiten haar woning. Dat is precies de spanning die zit op de huidige ontwikkeling, waarbij we steeds meer bevoegdheden in het bestuursrecht beleggen.

Minister Grapperhaus:

Maar daar geldt dan weer een proportionaliteitsbeoordeling. Die is weer veel minder aan de orde in het strafrecht, op het moment dat een feit bewezen is. Maar in het bestuursrecht ligt die proportionaliteitsbeoordeling in ieder geval voor. En laten we wel wezen, de burgemeester heeft de opdracht om deze bevoegdheid op proportionele wijze toe te passen.

De heer Groothuizen (D66):

Dat is dan die proportionaliteitstoetsing waarvan de rechter in 30% van de gevallen vindt dat die in ieder geval slecht gemotiveerd is, stel ik vast.

Minister Grapperhaus:

Ja, slecht gemotiveerd. Dat zegt die rechter in 30% van de voor de rechter gebrachte gevallen. U zou ook kunnen zeggen: de rechter vindt in 70% van de gevallen dat er geen enkele discussie over mogelijk is. Ik heb die getallen al eerder genuanceerd. Ik wou dat niet nog een keer doen, voorzitter.

Ik wou eigenlijk, als u het goed vindt, naar een andere vraag van de heer Groothuizen. Ik doe mijn best om er snel doorheen te gaan. Wanneer is sprake van een handelshoeveelheid drugs? Wanneer is het niet meer voor eigen gebruik? Bij harddrugs wordt meer dan 0,5 gram gezien als handelshoeveelheid. Bij softdrugs wordt bij meer dan vijf planten uitgegaan van een handelshoeveelheid. Als het minder is dan die hoeveelheden wordt het aangemerkt als "voor eigen gebruik". Ik heb eerder al gezegd dat een sluitend betoog dat verklaart waarom er sprake is van een geringe overschrijding van die handelsvoorraad in het verleden gehonoreerd is.

Hoe beziet de minister de ontwikkeling dat sluiten zonder waarschuwing de regel is geworden? Nou ja, bij het aantreffen van een geringe handelshoeveelheid in een woning wordt doorgaans wel degelijk eerst gewaarschuwd, mits er verder geen indicaties zijn dat er in of vanuit die woning drugs worden verkocht. Ik denk dat het pijnlijke is dat die indicaties er vaak wel zijn. Dan wordt er dus meteen gesloten. De rechtspraak steunt die lijn en ik onderschrijf dat.

Dan kom ik op een belangrijk punt dat een aantal Kamerleden heeft genoemd, de vangnetbepaling. Ik versta daaronder een bepaling die gaat over het voorhanden hebben van een zekere voorraad precursoren. Daar kan ik in deze eerste termijn het best kort over zijn. Als ik van de Kamer de gelegenheid krijg om nog eens uit te zoeken of het zou kunnen om daarover een bepaling op te nemen in een apart wetsvoorstel, dan wil ik toezeggen dat ik dat zal uitzoeken en daar bij uw Kamer op terug zal komen. Ik wil het daar op dit moment even bij laten.

Mevrouw Helder (PVV):

Dat is alvast een stap in de goede richting, dus dank daarvoor. Mijn vraag zou alleen zijn of het dan helpt — ik moet natuurlijk ook naar collega's kijken — dat ik het amendement wel indien. Het is natuurlijk ook een beetje vreemd, als dat wordt verworpen. Ik zit nog wel een beetje te worstelen: moeten we daar een termijn aan verbinden? Ik heb zelf in mijn amendement een tekst voor een wetsartikel opgenomen met een toelichting, dus eigenlijk alles om het een beetje vooruit te helpen.

Minister Grapperhaus:

Dat wordt zeer gewaardeerd. Ik vind het wat lastig om nu meteen een termijn te noemen. Ik denk dat we daar binnen een maand of vier, een halfjaar op terug zouden moeten komen. Ik zeg "vier of een halfjaar", want er zit ineens een gat tussen zoals u weet. Uiterlijk in september zouden we daar toch wel op kunnen reageren.

De voorzitter:

Dat klinkt als een termijn.

Minister Grapperhaus:

Dan zouden we hier kunnen komen met wat we uitgezocht hebben. Dat kan ik bij dezen toezeggen.

Mevrouw Helder (PVV):

Dat klinkt inderdaad als een termijn. Dat ben ik met u eens, voorzitter. De vraag is alleen: een termijn voor wat? Is dat een brief of is dat een conceptwetsvoorstel?

Minister Grapperhaus:

Dat ligt eraan wat er uit dat uitzoekwerk komt. Laat ik het zo stellen, want dan wordt mevrouw Helder misschien het best bediend. Dat zou een brief zijn waarin wij ook meteen ingaan op een tekst die ik natuurlijk niet heb, maar op wat dan een mogelijke tekst zou zijn. Dan kun je het meteen uitleggen als het uitzoekwerk negatief oplevert "dit zou een mogelijke tekst zijn, maar om die reden niet" of "dit zou een mogelijke tekst zijn en om die reden wel". Maar dan zouden we het wel eerst met uw Kamer willen bespreken. Ja? Dan is die toezegging in ieder geval aan uw Kamer gedaan.

Dan is er nog de vraag van mevrouw Helder over een generieke strafbepaling voor de nieuwe psychoactieve stoffen, de NPS. Daarover zijn we inderdaad met de collega-diensten in Duitsland en België in gesprek. Daar heeft men eerste ervaringen opgedaan met het verbieden van groepen van die NPS. Wij verkennen de mogelijkheid om dat ook in Nederland in te voeren. De eerste ervaringen in België zijn positief, maar zeer complex en hebben ook alweer bijstelling nodig. Het is dus niet een een-tweetje, een abc'tje.

Er was ook nog een vraag van mevrouw Helder over het wietexperiment. De burgemeesters die daaraan meedoen, zullen toch wel voortvarend aan de slag gaan met dit wetsvoorstel? Ja, het experiment richt zich op het decriminaliseren van de toelevering aan coffeeshops. Illegale teelt zal blijven worden aangepakt. Daar verandert het experiment niets aan, ook niet in de gemeenten die meedoen. Illegale teelt en voorbereidingshandelingen daarvoor blijven ongewenst en kunnen met de voorgestelde verruiming van de sluitingsbevoegdheid worden aangepakt.

Ik ben bij mijn laatste twee antwoorden aan mevrouw Van Toorenburg. Ziet de minister mogelijkheden om dat wat wordt afgepakt van criminelen terug te geven aan de gemeenschap? Welnu, het afgepakte crimineel vermogen, de incasso, valt direct in de rijkskas van het ministerie van Financiën. Justitie en Veiligheid heeft daar geen beschikking over. Graag meld ik u dat het geld ook gaat naar slachtoffers van misdrijven. Het is natuurlijk op zichzelf een interessante gedachte om het helemaal terug te geven aan de gemeenschap, maar we moeten perverse prikkels, dat alleen afgepakt gaat worden als er wordt teruggegeven, zien te voorkomen. Een revolverend fonds is niet mogelijk, want daar verzetten de begrotingsregels zich tegen.

Allerlaatste vraag: wanneer kunnen vervoermiddelen en geld bijdragen aan inzet sluitingsbevoegdheid? De sluitingsbevoegdheid is in artikel 13b vormgegeven als een last onder bestuursdwang. Het is een reparatoire sanctie, als gezegd, dus niet een punitieve. Dat rechtskarakter van de sluiting vereist volgens rechtspraak dat de relatie tussen pand en drugsdelict niet te los is. Dat zou je wel hebben bij een auto of geld. Dus het pand moet echt een schakel zijn in de keten van de drugsproductie of -handel.

Dat is mijn inbreng in eerste termijn, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Heel goed. Een vraag nog van de heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Ja voorzitter, excuses als ik het gemist heb, maar ik had ook nog een vraag over hoe het zit met de schadeafwikkeling. We horen dat het soms een helse toer is om je schade vergoed te krijgen. Ik meen dat de minister die vraag nog heeft laten liggen.

Minister Grapperhaus:

Even kijken. Nee, ...

De voorzitter:

Toch goed opgelet, mijnheer Groothuizen.

Minister Grapperhaus:

Ik zit echt even te zoeken, maar die heb ik niet hier. Ik kan 'm zo gauw even niet vinden.

De voorzitter:

Mijnheer Groothuizen?

De heer Groothuizen (D66):

Misschien kan de minister de vraag meenemen in tweede termijn en dan specifiek ingaan, als er knelpunten zijn, op de vraag of hij mogelijkheden ziet om het te versnellen. Als mensen onrechtmatig uit hun huis zijn gezet, zou het wel heel zuur zijn als ze vervolgens ernstige schade lijden en ook nog heel veel moeite moeten doen om die schade vergoed te krijgen. Dat zal de minister toch met mij eens zijn.

Minister Grapperhaus:

Ik zit even te kijken. Ik heb hier wel de beantwoording dat de rechtsbescherming is geborgd in de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzitter:

Zullen we het gewoon in tweede termijn meenemen?

Minister Grapperhaus:

Het spijt me, ik kan 'm even zo gauw niet vinden. Ik had 'm wel, maar ik kan 'm nu niet meer vinden.

De voorzitter:

Dat geeft niets. Bestaat er behoefte aan een tweede termijn? Mevrouw Helder, het woord is aan u. Iedereen heeft een derde van de spreektijd uit eerste termijn.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter, ik kan heel kort zijn. Dank aan de minister voor de antwoorden op de vragen. Natuurlijk ook voor de toezegging dat hij de mogelijkheid van een vangnetbepaling gaat onderzoeken. Hij heeft zelfs een termijn aangegeven: september of om en nabij vier maanden. Afhankelijk van wat uit het onderzoek komt, komt er of een brief of mogelijk zelfs een conceptwetsvoorstel. Normaal tel je je zegeningen met een toezegging, zeker als PVV'er.

Ik heb toch aan Bureau Wetgeving verzocht om het amendement in te dienen, omdat dan tenminste de tekst openbaar is zoals ik denk dat het wetsartikel eruit zou moeten zien. Ik neem het risico. Ik ga ervan uit dat de minister dadelijk niet zijn toezegging intrekt. Dat zou een beetje jammer zijn.

Dan hebben we nog een belangrijk motie van collega Van Nispen. Voor nu kan ik het hier dan ook bij laten.

De voorzitter:

Heel goed. Mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Volgens mij hebben alle fracties vanavond gezegd dat ze zich heel goed konden voorstellen dat deze uitbreiding van de bevoegdheid in het instrumentarium van een burgemeester nodig of wenselijk was. Ik had de indruk dat de minister daar steeds op bleef hameren, maar dat punt was eigenlijk al binnen. Een van de grootste punten dat gemaakt werd door heel veel collega's en ook door mij, was de zorgen over de uitvoering. Ik vond dat de minister daar erg afwachtend op reageerde. Hij had het heel erg over de cijfers en bracht weinig zelf naar voren over in hoeveel gevallen er nou eigenlijk sprake is van een probleem. Hij kan wel steeds verwijzen naar de rechter, maar mensen hebben dan al een probleem. Vandaar mijn motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat 30% van de woninguitzettingen vanwege cannabis achteraf onrechtmatig wordt verklaard;

overwegende dat deze woninguitzettingen enorme consequenties voor betrokkenen hebben en als straf worden ervaren;

verzoekt de regering om het gebruik van de bestuurlijke sluitingsbevoegdheid te monitoren op rechtmatigheid, de zorgvuldigheid in de toepassing en de gevolgen voor betrokkenen en de Kamer hierover jaarlijks te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Buitenweg en Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8 (34763).

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik zou dat graag willen omdat we dan over de feiten beschikken en we daar dan verder met elkaar over kunnen discussiëren, terwijl we het op dit moment moeten doen met een rapport dat door de minister wordt betwist. Het is fijn als er iets tegenover staat wat ook in de praktijk is vervat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ook ik zal mijn fractie adviseren om voor deze wet te stemmen. Dat doe ik omdat ik het een goede wet vind. Ik snap de verruiming van de sluitingsbevoegdheid. Een burgemeester hoeft dus niet te wachten tot er van aangetroffen grondstoffen drugs is gemaakt. Maar mijn zorgen over de uitwerking in de praktijk zijn niet weggenomen. Ik sluit volledig aan bij de opmerkingen die daarover door collega Buitenweg zijn gemaakt. Volgens mij gaat het te vaak fout, bijvoorbeeld bij een geringe handelshoeveelheid. Ik wijs er nogmaals op dat een woninguitzetting enorm grote gevolgen kan hebben. Mensen komen op zwarte lijsten terecht, kunnen tot in lengte der dagen geen huurwoning meer krijgen en worden eigenlijk min of meer verbannen uit de gemeente waar ze woonden. Dat heeft dus heel grote gevolgen. Daarom is het des te wranger als het uiteindelijk door de rechter wordt teruggefloten. De minister kan wel zeggen dat dat goed is omdat het systeem dan werkt, maar de enorme gevolgen worden er niet minder om. Precies om die reden heb ik samen met GroenLinks de motie ingediend die zojuist is voorgelezen.

Op de vangnetbepaling heeft de minister welwillend gereageerd. Om het onderzoek richting te geven dien ik de reeds aangekondigde motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat nu via een ingewikkelde omweg (pre)precursoren bedoeld voor de vervaardiging van synthetische drugs dan wel verdovende middelen strafbaar worden gesteld op grond van de Opiumwet dan wel de Wet voorkoming misbruik chemicaliën;

constaterende dat het niet snel en adequaat in kunnen spelen op nieuwe stoffen die gebruikt worden door criminelen het voor de politie en het Openbaar Ministerie zeer moeilijk maken om deze vormen van drugscriminaliteit aan te pakken, en dat bijvoorbeeld de Taskforce Brabant Zeeland heeft aangedrongen op een oplossing hiervoor;

van mening dat het opnemen van een vangnetbepaling in de Opiumwet analoog dan wel soortgelijk aan artikel 2, categorie IV, sub 7 Wet wapens en munitie zinvol kan zijn, waarin naast de indeling en beschrijving van lijst I- en lijst II-stoffen, ook onbekende (pre)precursoren strafbaar gesteld worden waarbij, gelet op de specifieke feiten en omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan voor de productie van middelen die reeds zijn verboden op grond van lijst I en lijst II van de Opiumwet;

verzoekt de regering een bepaling voor de Opiumwet uit te werken zoals hierboven beschreven, de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren en een dergelijk wetsvoorstel in consultatie te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Kuiken, Van Toorenburg en Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9 (34763).

De voorzitter:

De heer Groothuizen ziet af van zijn spreektijd. Mevrouw Van Toorenburg, het woord is aan u.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter, heel kort. Veel dank aan de minister voor de beantwoording. Ik denk dat we hiermee inderdaad een belangrijke stap zetten die inderdaad alleen zorgvuldig kan worden genomen. Daarom is het belangrijk dat iedereen weer scherp is op hoe die regelgeving zal moeten worden gebruikt, zeker nu de wet weer wordt aangepast. Het is niet genoeg om alleen achteraf een correctie te hebben. Men moet vooraf weten waar men aan begint.

Een ander punt dat ik zijdelings aan de orde heb gesteld, maar waarop ik nog wel graag een reactie van de minister zou willen hebben, is de berichtgeving over wat ze in Rotterdam doen. Dat is punitief; dat realiseer ik me. Dan pakt men echt iets af. Maar wanneer kunnen we ervoor zorgen dat datgene wat afgepakt wordt terug kan worden gegeven aan de samenleving? De burgemeester van Rotterdam stelt dat weer aan de orde. Ik denk dus dat ik het ieder debat maar blijf zeggen. Het is belangrijk om te kijken waar de mogelijkheden liggen. Kan de minister daar dus nog op ingaan?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Rutte van de VVD ziet eveneens af van zijn spreektijd. Dat betekent dat de tweede termijn van de Kamer is afgerond. Ik schors voor enkele minuten opdat de minister even naar de moties kan kijken.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

De geachte afgevaardigden zijn inmiddels verblijd met het amendement van het lid Helder. Dat bevindt zich in hun mailboxen, maar het is ook op papier uitgedeeld. We gaan ervan uit dat de minister ook dat gaat becommentariëren. Het woord is nu aan hem.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter. Ik wil eerst nog even ingaan op de vraag van de heer Groothuizen of de schadeprocedure sneller kan. Ik denk dat het bestuursrecht eerlijk gezegd goed werkt. Als besluiten als onrechtmatig worden beoordeeld, is er recht op schadevergoeding. Ik zie niet zo gauw een mogelijkheid om hier toe te zeggen dat die procedures altijd sneller zullen gaan, want de onrechtmatigheid van het besluit zal natuurlijk altijd eerst moeten vaststaan. Maar ik ben begonnen met te zeggen dat naar mijn overtuiging het bestuursrecht in dit opzicht al goed en voortvarend functioneert.

Dan kom ik op het amendement en de motie. Ik denk dat het goed is om eerst over de motie ...

De voorzitter:

We hebben twee moties gekregen.

Minister Grapperhaus:

Ja, we hebben twee moties. Pardon. Dan misschien eerst de motie van mevrouw Buitenweg op stuk nr. 8. Ik zal niet echt ingaan op het feit dat u zegt dat 30% van de woninguitzettingen onrechtmatig wordt verklaard, want dat is nou juist niet het statistisch juiste getal, denk ik. Maar ik wou het graag constructief benaderen. Als mevrouw Buitenweg bereid zou zijn om de motie zo aan te passen dat er staat "de Kamer hierover drie jaar na de inwerkingtreding te informeren", dan laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer.

De voorzitter:

Zijt gij daartoe bereid, mevrouw Buitenweg?

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik snap wat u zei over die 30%, omdat het alleen gaat over gevallen waarin er een zaak is. Dat snap ik. Het gaat de heer Van Nispen en mij niet alleen maar om monitoren na de inwerkingtreding, maar ik kan me wel voorstellen dat jaarlijks wat te veel is. Als we er nou driejaarlijks van maken, dan kunnen we binnenkort misschien al een eerste monitoring laten plaatsvinden van de praktijk zoals die nu is. Dan kom ik eraan tegemoet dat we niet elk jaar een heel circus hebben.

Minister Grapperhaus:

Driejaarlijks.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Elke drie jaar, maar dan wel niet pas ingaande met de nieuwe wet, maar vanaf nu. Dan kan dus het eerste rapport, over de afgelopen drie jaar, binnenkort worden gemaakt.

Minister Grapperhaus:

Mijn gebaar was echt bedoeld om te zeggen: de wet treedt in werking in het najaar van 2018 en dan zouden we in het najaar van 2021 zo'n eerste monitoring hebben op het gebied van rechtmatigheid, zorgvuldigheid enzovoorts. Dan hebben we ook echt een relevante periode.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Maar volgens mij hebben we nu ook al een periode. We hebben natuurlijk nog niet de verandering in de wet, die ook toeziet op het kunnen sluiten van panden als er geen drugs aanwezig zijn maar wel hulpmiddelen. Die hebben we dan niet, maar we hebben wel de zorg die door heel veel mensen geuit is over het feit dat panden misschien onterecht gesloten worden als maar een beperkte hoeveelheid drugs aanwezig is. Dus we kunnen in 2021 opnieuw een driejaarlijkse test hebben, maar we zouden nu al de periode 2015 tot 2018 of de periode 2014 tot 2017 in een eerste monitor kunnen behandelen.

Minister Grapperhaus:

We hebben nu het door uzelf aangeroerde rapport van Michelle Bruijn. In tegenstelling tot wat u zei, betwist ik dat rapport niet, zeker niet het bestaan ervan en ook niet dat het wetenschappelijk correct is. Mijn aanbod is het volgende. We hebben het hier over deze wijziging van de wet en mijn voorstel — ja, voorzitter, ik begin mijzelf te herhalen — zou zijn: drie jaar na de inwerkingtreding.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik zal er in overleg met een aantal collega's aan werken dat de overweging correct is. En dan wil ik gaan voor drie jaar, maar dan wil ik ook dat deel van de wet bestrijken dat al in werking is. Dat is dus vanaf, zeg maar, 2014 tot 2017 en daarna de rest.

Minister Grapperhaus:

Ja, maar wacht even. Dan hebben we het echt over de eerste keer in 2021. Anders moet ik de motie ontraden. Dan is het wat het is.

De voorzitter:

Helder. Dan is de motie ontraden.

Minister Grapperhaus:

Ja.

De voorzitter:

Dan staat het mevrouw Buitenweg en de heer Van Nispen vrij om nog met een nieuwe, gewijzigde motie te komen, maar deze motie is ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 9.

Minister Grapperhaus:

Dat is de motie van de heer Van Nispen en de dames Kuiken, Van Toorenburg en Helder. Als ik die motie mag uitleggen als de toezegging die ik eerder heb geformuleerd, dan laat ik het oordeel aan de Kamer.

De voorzitter:

Dat wilt u bevestigd hebben.

Minister Grapperhaus:

Ja.

De voorzitter:

Uw interpretatie.

Minister Grapperhaus:

Ja, anders moet ik erop ingaan. De motie is nu wat strakker geformuleerd, maar als ik die zo mag lezen dat de regering wordt verzocht om uit te zoeken in hoeverre een dergelijke bepaling in de Opiumwet haalbaar zou zijn, en met bevindingen te komen voor eind september 2018, kan ik het oordeel aan de Kamer laten.

De voorzitter:

Ik zag wat voorzichtige knikjes, en nu iets overtuigender, van de heer Van Nispen. Dus dan lezen we de motie zo en is die nu oordeel Kamer.

Minister Grapperhaus:

Was het ook te volgen hoe ik hem omschreef? Ja. Goed.

Dan heb ik het amendement van mevrouw Helder. Dat moet ik toch echt ontraden in het licht van de eerder gedane toezegging op de motie van de heer Van Nispen. Ik wil daarover ook zeggen dat het punt dat ik nou juist goed wil gaan uitzoeken voor uw Kamer, is hoe het zit met de voorzienbaarheid. Dan noem ik even het voorbeeld van een transporteur die een grote logistieke loods heeft waarin allerlei goederen staan opgeslagen voor klanten. Het kan heel goed zijn dat hij daar bepaalde precursoren in een voorraad heeft die ook, zoals u weet, voor legale doeleinden gebruikt kunnen worden. Dan is er gewoon geen voorzienbaarheid voor de betrokkenen. Dat is in strijd met de basisprincipes van het recht. Ik wil dat punt uitgezocht hebben. Om die reden moet ik het amendement van mevrouw Helder hier nu ontraden.

De voorzitter:

Dat is bij dezen gebeurd. Een vraag nog van mevrouw Helder. Kort, puntig!

Mevrouw Helder (PVV):

Op zich heb ik dat risico ook genomen. Daar gaat het mij niet om. Maar ik ga even in op dit voorbeeld. Daarom staat er in de door mij voorgestelde tekst ook "voor geen ander doel dan". Maar goed, dit wordt een hele exercitie. Dat gaan we vandaag niet doen. Dat hoeft ook helemaal niet.

De voorzitter:

Het amendement is ontraden.

Mevrouw Helder (PVV):

Dat was wel mijn reden om dit debat te kunnen voeren. In de toekomst dan, prima. Dat zien we dan in september gewoon.

Minister Grapperhaus:

Dat doet dan niet af aan mijn bezwaar. Maar goed, die discussie hoeven we nu niet te voeren.

De voorzitter:

Mevrouw Buitenweg nog even.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Mag ik mijn alternatieve motie voorleggen of moet ik dat schriftelijk doen?

De voorzitter:

Als u met een gewijzigde motie komt, moet u dat schriftelijk doen. Ja, ja, ja.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Oké. Maar misschien wil de minister alsnog positief adviseren.

De voorzitter:

Ja, dat kan.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dan zeg ik:

overwegende dat het met enige regelmaat voorkomt dat woninguitzettingen vanwege drugsdelicten achteraf onrechtmatig worden verklaard;

overwegende dat deze woninguitzettingen enorme consequenties voor betrokkenen hebben en als straf worden ervaren;

verzoekt de regering om het gebruik van de bestuurlijke sluitingsbevoegdheid en uitspraken van de rechter hierover te monitoren en de Kamer hierover driejaarlijks te informeren.

Minister Grapperhaus:

Als dat driejaarlijks begint in 2021 — laat ik dat even zeggen en wie weet gaat de wet pas later in werking — dan schenk ik u die maanden die dan korter zijn voor die eerste driejaarlijkse monitor. Dan kan ik me daarin vinden. Ik wil niet de illusie wekken dat we die monitor volgend jaar gaan doen.

De voorzitter:

We komen nu in een soort herhalinkje te zitten.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ja, maar ik snap werkelijk niet wat het uitmaakt dat die nieuwe wet van kracht is. Want er zijn nu maatregelen. Het is voor de Kamer van belang om te weten hoe vaak het misgaat. Het hoeft heus niet vandaag of in de komende maanden te zijn. Maar het kan best dat zo'n rapport in de loop van komend jaar komt, dus dat er gewoon een onderzoek komt. Ik snap werkelijk niet wat het probleem hieraan is.

Minister Grapperhaus:

Ik wil daar nog wel één ding over zeggen, via u, voorzitter, tot mevrouw Buitenweg. Ik zeg dit zeer gemotiveerd. We hebben een wet die echt goed werkt en waar de rechter in ieder geval in 70% van de gepubliceerde rechtspraak de sluiting in stand laat. Bij die overige 30% gaat het overwegend om motiveringsgebrek. Daarvan heb ik uiteengezet dat een burgemeester dat vrij eenvoudig kan herstellen. Die wet werkt goed, zozeer dat we besluiten om die wet wat uit te breiden. Daar is de Kamer het mee eens. We hebben nu al dit onderzoek van mevrouw Bruijn. Daar hebben we heel veel aan; laat ik dat vooropstellen. Als we met die wet in nieuwe vorm aan de slag gaan, dan moeten we die even de kans geven. Ik ga die niet meteen binnen een jaar monitoren. Ik zou hopen dat de uitleg die ik net noemde, toch alsnog in de 89ste minuut in orde zou kunnen worden bevonden. Anders moet ik die motie blijven ontraden.

De voorzitter:

Het is inmiddels blessuretijd geworden. Ik denk dat de minister duidelijk is, meneer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Dat hij uit de voeten kan met een eerste evaluatie volgend jaar? Dat lijkt me inderdaad duidelijk, ja.

De voorzitter:

Ik ga eens een eind maken aan dit debat. Het is mooi geweest! Heeft u nog een stichtelijk woord, meneer de minister? Want ik zie dat u klaarstaat om iets te zeggen.

Minister Grapperhaus:

Nou, het is nog een week of zoiets, misschien. Ik heb al gezegd dat ik het heel goed zou vinden als de motie zich zou richten op een eerste evaluatie drie jaar na inwerkingtreding van de wet, uiterlijk op 1 juni 2021. Vooruit, we gaan eens gek doen!

De voorzitter:

Helder. Tot zover dit debat.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Dinsdag stemmen wij over de beide moties, over het amendement en over de wet. Dank aan de minister voor zijn aanwezigheid. Dank aan de leden.