Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 42, item 7

7 Kindermishandeling/Geweld in afhankelijkheidsrelaties

Aan de orde is het VAO Kindermishandeling/Geweld in afhankelijkheidsrelaties (AO d.d. 24/09). 

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van harte welkom. 

Als eerste spreker geef ik het woord aan mevrouw Bergkamp van D66. 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Voorzitter. Ondercapaciteit bij de politie om kindermishandeling op te pakken, een tekort aan vertrouwensartsen, te weinig scholing van professionals als het gaat om het gebruik van de meldcode, wachtlijsten bij Veilig Thuis: er is dus een hoop werk te doen. Uit internationale onderzoeken blijkt echter één ding: een meldplicht werkt niet. Wat doet deze staatssecretaris? Hij kiest voor schijnveiligheid en hij voert een verkapte meldplicht in. Dat vind ik triest. De ontwikkelingen bevestigen dat er sprake is geweest van een uitruil tussen de PvdA en de VVD. We vinden het onbegrijpelijk dat er blind is gekozen voor een oplossing die geen oplossing is en waarvoor bewijs ontbreekt. We vrezen kinderen kwijt te raken in het systeem. Daarom dien ik vandaag twee moties in: een samen met mevrouw Keijzer en een andere motie wil ik nu voorlezen omdat er veel onduidelijkheid is. 

Mevrouw Agema (PVV):

Ik vraag mij af of dit wel binnen de orde is. We hebben het in het debat in september zeker wel gehad over het al dan niet invoeren van een meldplicht. Op 12 januari hebben we echter een brief van de staatssecretaris gekregen waarin hij zijn plannen echt concreet maakt en waarover we op 9 februari nog een debat zullen voeren. Ik begrijp uit de woorden van mevrouw Bergkamp dat zij reageert op de concreetheid waarover we nog een debat zullen voeren. Daarom twijfel ik. Ik zou graag eerst een debat hebben alvorens een oordeel te vellen over dit soort moties. 

De voorzitter:

Dat is inderdaad een procedurele opmerking. 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik heb het VAO al een lange tijd geleden aangevraagd omdat we in afwachting waren van een brief van de staatssecretaris over de wijze waarop hij zal omgaan met de meldplicht, de registratieplicht. Nu hebben we een voortgangsrapportage gekregen waarin hij zijn plannen aangeeft. Ik heb dit VAO twee keer uitgesteld. De reden daarvoor was om te kunnen reageren op de plannen van de staatssecretaris ten aanzien van de meldplicht. Dat is de reden waarom ik hier nu sta en ik mijn motie graag wil voorlezen. 

De voorzitter:

Nog een laatste interruptie, mevrouw Agema. 

Mevrouw Agema (PVV):

Ik wil toch aangeven dat dit buiten de orde is. Als de staatssecretaris in een brief zijn plannen concreet maakt die we op 9 februari zullen gaan bespreken, moeten we daarover eerst het debat voeren. Mevrouw Bergkamp gaat daarover, maar ik wil wel expliciet aangeven dat ik niet kan oordelen over moties die gaan over een debat dat nog gevoerd moet worden. 

De voorzitter:

Ik begrijp uw opmerking. U hebt die ook helder verwoord. U kunt er na indiening van de motie altijd voor kiezen om voor of tegen te stemmen. Misschien houdt mevrouw Bergkamp haar motie aan of brengt ze die wel of niet in stemming. 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik hoop dat mevrouw Agema rekening wil houden met het feit dat ik het VAO twee keer heb verzet omdat we in afwachting waren van een brief. Nu hebben we duidelijkheid, vandaar dat ik de volgende motie indien. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 20 november 2015 (34300-XVI, nr. 135) heeft aangegeven niet voor de invoering van een meldplicht te zijn; 

van mening dat de registratievereisten een verkapte meldplicht lijken te zijn, vanwege het feit dat de registratie bij Veilig Thuis vraagt om het verstrekken van persoonsgegevens, wat vraagt om een wettelijke doorbreking van het beroepsgeheim; 

verzoekt de regering, voorlichting bij de Raad van State in te winnen om te onderzoeken of er door de voorgestelde registratieplicht sprake is van het wettelijk, gedwongen, doorbreken van het medisch beroepsgeheim, en daarmee een meldplicht, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bergkamp en Keijzer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 154 (28345). 

De voorzitter:

Ik heb op mijn lijst nu mevrouw Volp staan, maar ik zie haar niet in de zaal. 

Het woord is dan aan mevrouw Keijzer namens het CDA. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Voorzitter. Mijn inleiding is eigenlijk dezelfde als die van mevrouw Bergkamp. Er wordt nu een meldplicht ingevoerd — de staatssecretaris noemt het een registratievereiste — die niet werkt. Het doel dat je wilt bereiken, namelijk het tegengaan van kindermishandeling, wordt niet gerealiseerd. Sterker nog, dit leidt tot een gigantisch stuwmeer van meldingen. Ook in het buitenland blijkt dat die jaren later nog niet zijn uitgezocht. Zelfs kinderartsen zijn ertegen. De staatssecretaris voert het toch in en dan nog op zo'n manier dat het niet helemaal duidelijk is wat hij wil. Daarvoor is dit onderwerp te belangrijk. 

Daarbij zijn wij eind vorig jaar geconfronteerd met grote problemen bij de organisatie Veilig Thuis. Ik vind het onvoorstelbaar in de brief te lezen dat de werkwijze van Veilig Thuis moet worden aangescherpt door ontwikkeling van het werk dat daar wordt gedaan. Dan denk ik: zullen wij niet eerst proberen om de zaken daar op orde te krijgen voordat wij de organisaties confronteren met meldingen van alles waar maar een vermoeden bestaat van kindermishandeling? Daarom de volgende motie. 

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Er worden nu allerlei zaken geponeerd die hier al jaren in het debat worden geponeerd op basis van een aantal onderzoeken. Ik zou mevrouw Keijzer een vraag willen stellen. Vindt zij dat het oude protocol Haaglanden ofwel de kindcheck, zoals het nu wordt genoemd, geen goede maatregel is? 

De voorzitter:

Ik wijs erop dat deze discussie uitgebreid is gevoerd, ook in verschillende algemeen overleggen. Dit is een VAO, dat wil zeggen de afronding van debatten die eerder zijn gevoerd. Eventuele vragen moeten dus betrekking hebben op hetgeen nu aan de orde is en wat niet helemaal is uitgesproken tijdens het algemeen overleg. Het is niet de bedoeling om het debat opnieuw te doen. Ik vraag ook aan mevrouw Keijzer om kort te reageren en ik vraag haar om dan haar motie voor te lezen. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Kort reageren is ingewikkeld bij zo'n vraag. Het lijkt mij goed dat ik de motie voorlees en dat wij de beoordeling van de staatssecretaris afwachten. 

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Ik ben het daar niet mee eens. Dit is een relevante vraag die betrekking heeft op de stelling die mevrouw Keijzer en mevrouw Bergkamp hier poneren. Dit was onderdeel van het debat dat in oktober is gevoerd. Nu is er een VAO. Ik ben van mening dat wij het recht hebben om een vraag te stellen nu hier allerlei dingen worden geponeerd alsof het waarheden als een koe zijn. Ik stel een vraag aan mevrouw Keijzer die betrekking heeft op dit onderwerp en ik krijg graag een antwoord op die vraag. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Dan kan ik kort zijn: een kindcheck is iets anders dan een meldplicht. Er is sprake van een kindcheck als iemand met bijvoorbeeld verslavingsproblematiek zich meldt bij organisaties en er vervolgens wordt bekeken of de persoon in kwestie minderjarige thuiswonende kinderen heeft. Dat is dus iets anders dan dat je denkt: dit is iemand met een verslaving die kinderen heeft, uit onderzoek blijkt dat het met kinderen van verslaafde mensen slechter gaat, dat is ingewikkeld en wij kunnen niet helemaal uitsluiten dat er sprake is van kindermishandeling of verwaarlozing van kinderen, wat ook kindermishandeling is; en vervolgens moet er worden gemeld. 

De voorzitter:

Ik stel voor dat u overgaat tot het voorlezen van de motie. 

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Dit geeft aan wat een onzin hier wordt gedebiteerd, want bij de kindcheck wordt niet eens gecontroleerd wat er aan de hand is. Er wordt alleen geconstateerd dat er kinderen zijn en dan gaat er een melding naar Veilig Thuis. Dat is de kindcheck en in die gevallen wordt gecontroleerd. Dan blijkt dat 91% van de kinderen inderdaad in een situatie van mishandeling verkeert. 

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Burg. Op 9 februari komt dit onderwerp uitgebreid aan de orde in een algemeen overleg. Ik ben van mening dat dit debat daar inhoudelijk thuishoort. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Moet je nagaan. Je meldt je eindelijk bij iemand omdat je een probleem hebt met een verslaving en meteen gaat er, althans in de beleving van mevrouw Van der Burg, een melding naar Veilig Thuis. Zij verzuipen daar straks in de meldingen. Dan zien zij ook niet meer de gevallen waar echt iets aan de hand is en de hulpverlening het niet af kan. 

Mevrouw Agema (PVV):

Ik denk dat dit wel aangeeft dat wij eerst het debat moeten voeren. Het gaat over zo'n klein blokje uit een brief van 26 pagina's. Wat mevrouw Keijzer zegt, is feitelijk onjuist. Het gaat niet over de suggestie van kindermishandeling. Ik wil hier duidelijk stellen dat de vijfde stap van de meldcode dan al lang en breed heeft uitgewezen dat er sprake is van kindermishandeling en dat er daar dan ook nog een afweging wordt gemaakt. Mevrouw Keijzer schudt met haar hoofd, maar dat is volkomen onterecht. Ze doet hier de feiten echt geweld aan. Ik vind dat het debat eerst moet plaatsvinden. 

De voorzitter:

Ik stel voor dat u overgaat tot het indienen van de motie. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik zal kort zijn. In de brief staat expliciet dat er gemeld moet worden bij Veilig Thuis als er vermoedens zijn van kindermishandeling. Het is niet anders. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat Veilig Thuisorganisaties momenteel al kampen met ondercapaciteit, wat leidt tot wachtlijsten; 

van mening dat onderzocht moet worden hoeveel extra capaciteit, en middelen, Veilig Thuis nodig heeft om te waarborgen dat kinderen niet verloren raken in een systeem dat overspoeld kan raken door meldingen; 

van mening dat er door de registratievereisten een extra taak bij Veilig Thuis komt te liggen, waarvoor een risicotaxatie uitgevoerd zou moeten worden; 

verzoekt de regering, de voorgestelde plannen door te rekenen en een inschatting te maken van de te verwachten kosten, en een risicotaxatie te laten uitvoeren naar de mogelijke gevolgen voor kinderen door het Trimbos-instituut, en de Kamer hierover voor de zomer van 2016 te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Keijzer en Bergkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 155 (28345). 

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Keijzer. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik heb nog zes seconden. Daarin hecht ik eraan te melden dat ik hier sta, want dat delen wij hier met elkaar, voor een goed beleid ter voorkoming van kindermishandeling en het aanpakken daarvan. We verschillen alleen fundamenteel over de manier waarop. Heel veel mensen die dit werk dagelijks doen staan in ieder geval achter mij en mevrouw Bergkamp. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Ik heb bekeken waar het debat over ging en dacht toen: we hebben al ontzettend veel besproken, ook de dbc of de DOT bij kindermishandeling. Het is een heel ingewikkeld verhaal, maar het gaat erom dat mishandelde kinderen in ieder geval een behandeling krijgen. Ik heb daartoe een heel mooie motie voor de bewindslieden gemaakt. Ik lees haar dus voor. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van mening dat het van belang is dat kinderen die slachtoffer zijn geworden van kindermishandeling toegang hebben tot behandeling om psychische problemen of stoornissen te voorkomen; 

constaterende dat de huidige situatie is dat behandeling pas mag worden ingezet wanneer er al sprake is van een psychisch probleem of een psychische stoornis, terwijl behandeling die juist zou kunnen voorkomen; 

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat er bij kindermishandeling behandeling kan worden ingezet om een ziekte of stoornis te voorkomen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 156 (28345). 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dat is precies het probleem waarover de staatssecretaris het in zijn brief had. Ik krijg graag de toezegging dat dit wordt geregeld. 

Zoals aangegeven, hebben wij 9 februari inderdaad een debat over Veilig Thuis. Er zal inderdaad een hele hoop worden gewisseld, onder andere over de meldplicht. Ik hecht er wel aan, te noemen dat Defence for Children en ECPAT een quickscan hebben gemaakt over Veilig Thuisorganisaties. Daarover hebben wij een mooie brief ontvangen met allemaal aanbevelingen en punten van zorg. Ik vraag de staatssecretaris en mogelijk de minister, op wiens terrein dit gedeeltelijk ook ligt, om een reactie op deze quickscan. Dan kunnen wij het debat in zijn volledigheid voeren. 

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Voorzitter. Er is al gezegd dat we op 9 februari een uitgebreid debat hebben. Collega Bergkamp heeft nog, gesteund door ons als andere Kamerleden, een debat aangevraagd over de situatie bij Veilig Thuis. Dat gaan we uitgebreid voeren. We zijn met een buitengewoon ernstig onderwerp bezig. In Nederland wordt namelijk in elke klas gemiddeld een kind mishandeld. Er sterft ook elke week gemiddeld een kind door mishandeling. Van die naar schatting 118.000 mishandelde kinderen missen we de helft. Daarom heb ik goed nagedacht over een manier waarop we kindermishandeling beter kunnen aanpakken, want dat moet. Bij het wetgevingsoverleg van 16 november jl. heb ik daarvoor een plan ingediend. Dat gaat over beter signaleren, beter bestrijden, het beter behandelen van kinderen en voor een stuk ook over preventie. Ik ben blij dat de staatssecretaris en de minister dit plan in hun voortgangsrapportage in elk geval een heel eind uitvoeren en overnemen. Ik vind dat we het debat daarover moeten voeren op 9 februari. Vandaar dat ik alleen kort dit statement maak, want ik wilde mijn erkentelijkheid laten blijken aan beide bewindslieden. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

De voorzitter:

Het woord is aan de staatssecretaris. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Ik zal een korte duiding geven van de moties die zijn ingediend, in het besef dat wij op 9 februari uitgebreid te spreken komen over de voortgangsrapportage die ik zeer onlangs naar de Kamer heb gestuurd. Ik begrijp wel waarom dit VAO nu plaatsvindt, want er is in het vorige debat over gesproken en ik heb nu de voortgangsrapportage gestuurd. Ik denk echter dat mevrouw Agema er terecht op heeft gewezen dat we nog een uitgebreid debat krijgen. Ik neem aan dat we daarbij een aantal discussies kunnen voeren. 

Twee moties gaan uitgebreid in op wat in de voortgangsrapportage "de registratievereiste" is gaan heten. Ik heb behoefte aan twee kanttekeningen, waarna ik kom op de duiding van de moties. We praten over situaties in stap 5 van de meldcode. Daarbij is het niet de vraag of er misschien sprake is van kindermishandeling. Nee, stap 5 van de meldcode bereik je niet voor niets, zoals mevrouw Agema ook al zei. Er is dan een ernstig vermoeden van kindermishandeling, waarbij er handelingsopties zijn: ofwel melden, waarbij de zaak wordt overgenomen door Veilig Thuis, ofwel het zelf inzetten van een traject. De registratievereiste beoogt dat er dan een seintje gaat naar Veilig Thuis, zodat men dat van elkaar weet. 

Ik denk dat we nog uitgebreid te spreken komen over de ins en outs daarvan. De Kamer heeft al gezien dat we nog allerlei regelgevingsvoorstellen moeten wegen op dat punt. Ik hecht er echter aan om het voorgaande te zeggen, omdat het in het debat misschien even door elkaar liep. Ik heb overigens geprobeerd om zo goed mogelijk te luisteren naar de taskforce en naar de Kinderombudsman. Ik denk dat we heel dicht bij zijn opmerkingen zitten, net als bij mevrouw Dettmeijer, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, die over dit punt een aantal behartigenswaardige opmerkingen heeft gemaakt. Ik zou de Kamer dus willen vragen om in de loop naar het debat van 9 februari nog eens even goed naar het voorstel te kijken, net als naar de voorliggende debatten en de aanbevelingen van de diverse adviserende organen, zodat we het debat kunnen voeren op de best mogelijke wijze. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik vraag de staatssecretaris om met een aanvullende brief te komen, vooral omdat ik wel de gevoelens van mijn collega's begrijp. Wanneer hulpverlening wordt ingezet, moet dat vaak ook worden gemeld bij bijvoorbeeld Veilig Thuisorganisaties. Dat georganiseerd wantrouwen van hulpverleners snap ik. Kan de staatssecretaris ingaan op de punten van zorg die mijn collega's hebben aangedragen, zodat wij een volledig debat kunnen voeren? 

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik heb geprobeerd in de voortgangsrapportage aan te geven wat mijn voornemen is. Waar het helpt om met een nadere toelichting te komen of om het te bekijken in het licht van de adviezen die wij hebben gekregen ter voorbereiding van het debat, ben ik daar alleszins toe bereid. Ik wijs er wel op dat het voornemen nog uitgewerkt moet worden in verdere wet- en regelgeving, waarbij wij nog uitgebreid met elkaar zullen spreken over de ins en outs, de voor- en nadelen en de risico-inschatting. Nu ligt er een voortgangsrapportage waarin het voornemen staat. Het is goed om daar op 9 februari over te spreken. Vervolgens vindt uitwerking in wet- en regelgeving plaats. Er is dus nog alle kans voor de Kamer om erop te reageren. 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik vind de suggestie van mevrouw Kooiman wel een goede. Stel dat een professional adviseert over bepaalde zorg, bijvoorbeeld als sprake is van een vechtscheiding. Dat is tegenwoordig kindermishandeling. De arts adviseert om gebruik te maken van een mediator. Moet dit dan gemeld worden bij Veilig Thuis? Misschien kan de staatssecretaris een dergelijke casus meenemen. De staatssecretaris geeft verder aan dat is gesproken met de taskforce en mevrouw Dettmeijer. Is ook gesproken met de KNMG, de LHV en de PO-Raad? Is gesproken met alle sectoren, met de artsen, met de onderwijzers, die uiteindelijk ermee van start moeten gaan in de praktijk? Is daarmee ook gesproken en zo nee, waarom niet? 

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja, voortdurend. Dit is precies een onderwerp waarover verschillend wordt gedacht. Er wordt gewoon verschillend over gedacht. Ook in de tijd wordt verschillend gedacht. Dat heeft te maken met de vraag waar wij het over hebben. Ik wijs nog wel op het volgende. Ik benadruk dat, want in het debat zit het steeds een beetje eronder. Wij spreken over stap 5. Stap 1 is het in kaart brengen van de signalen. Stap 2 is collegiale consultatie en het zo nodig raadplegen van een deskundige op het gebied van letselduiding. Daar hebben wij uitgebreid over gesproken. Stap 3 is het gesprek met de cliënt. Stap 4 is het wegen van het risico. Stap 5 is beslissen wat je doet. Het lijkt mij inderdaad goed om uitgebreid in te gaan op alle adviezen die wij krijgen van alle organen. Ik neem die heel serieus. Dat is ook precies de reden dat ik geprobeerd heb om met de registratievereiste niet naar de platte meldplicht, zoals mevrouw Bergkamp het wel eens genoemd heeft, te gaan, maar juist te kijken of wij ervoor kunnen zorgen dat er signalen zijn opdat wij de kinderen zo goed mogelijk op de radar krijgen. 

De voorzitter:

Ik wil u vragen … 

Staatssecretaris Van Rijn:

Maar u hebt gelijk, voorzitter. Volgens mij voeren wij nu eigenlijk het debat van 9 februari. 

De voorzitter:

Voor een kleine opmerking, mevrouw Bergkamp. 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Mijn vraag ging niet over de verschillende stappen. Wij hebben gisteren signalen gekregen van de artsenorganisaties, die echt verbolgen zijn en verrast zijn. De staatssecretaris zegt dat hij het heeft afgestemd met het veld. Ik wil daarop graag een reactie. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Als de artsenorganisaties zeggen dat zij verrast zijn, dan zal dat zo zijn. Ik constateer wel dat wij zeer uitgebreid over de meldcode en wel of niet een meldplicht gesproken hebben. In deze Kamer hebben wij van gedachten gewisseld over de vraag hoe wij al die informatie verzamelen. Naar aanleiding van dat Kamerdebat heeft men mij gevraagd om met een nader voornemen te komen. Dat ligt er nu. Het lijkt mij dus goed om op 9 februari daarover te spreken. 

De voorzitter:

Nu de moties. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat betekent ook iets voor de duiding van de moties. In de motie op stuk nr. 154 wordt de regering gevraagd om voorlichting van de Raad van State in te winnen om te onderzoeken hoe het zit met de registratieplicht. Ik parafraseer even. De motie is deels voorbarig en deels overbodig. Zij is voorbarig omdat wij nog een heel debat krijgen. Zij is overbodig wat betreft het raadplegen van de Raad van State. Als wij het gaat doen, zal dat leiden tot wijziging van de wetgeving en dan zal automatisch de Raad van State worden geraadpleegd. Om die reden wil ik de motie ontraden. 

De motie op stuk nr. 155 krijgt dezelfde duiding. Het verzoek is om de voorgestelde plannen door te rekenen en een inschatting te maken van de kosten. Dat zal inderdaad allemaal aan de orde komen bij de voorbereiding van een eventueel wetsvoorstel. Dat betekent natuurlijk dat wij een risicotaxatie moeten maken en dat wij naar de uitvoeringsconsequentie en naar de kosten moeten kijken. Dat klopt. Dat is ook precies de reden waarom ik mijn voornemen aan de Kamer bekendgemaakt heb. Op die manier kunnen wij een ordelijk proces hebben. De Kamer kan met mij delen of zij het voornemen steunt. Als dat het geval is, ga ik door met de verdere uitwerking en komen al deze punten aan de orde. Mocht de Kamer het niet steunen, dan gebeurt het uiteraard niet. Om die reden ontraad ik de motie. 

Mevrouw Kooiman vroeg om een reactie op de quickscan. Mevrouw Volp heeft in dit kader Kamervragen gesteld; een reactie daarop ontvangt de Kamer nog. Voor zover die reactie op de quickscan nog niet gegeven is, zullen wij dat alsnog doen. Ik zal bekijken of het voldoende is. 

Ik kom op de motie van mevrouw Kooiman op stuk nr. 156, die ik kwalificeer als overbodig. Het systeem is erop ingericht. Het is aan professionals. Behandeling is in elk stadium mogelijk als dat naar het oordeel van de professionals noodzakelijk is. Als wij toch dat debat gaan houden, kunnen wij dat misschien nog even kruisen, maar ik ontraad de motie omdat ik haar overbodig acht. 

De voorzitter:

Mevrouw Kooiman, een korte vraag. 

Mevrouw Kooiman (SP):

De staatssecretaris schrijft in zijn brief dat eerst moet worden vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis. Daarom is de huidige behandeling vaak niet toereikend. Met name KOPP-kinderen moeten ook van de hulp gebruik kunnen maken. Dat is nu echt niet mogelijk. Daarom heb ik de motie ingediend. Het staat ook echt haaks op de brief van de staatssecretaris. Als hij de motie ontraadt, wil ik hem vragen om een brief vóór het komende debat waarom het niet kan. In dat geval kan ik de motie aanhouden. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Mevrouw Kooiman refereert aan de KOPP-kinderen. Het staat mij bij dat daar sowieso nog een brief over komt. Zal ik bevorderen dat die brief vóór het debat naar de Kamer komt? 

Mevrouw Kooiman (SP):

Als dat vóór 9 februari kan en als dan op deze motie wordt ingegaan, dan is dat goed. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat gaan wij doen. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dan houd ik de motie aan. 

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Kooiman stel ik voor, haar motie (28345, nr. 156) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Over de ingediende moties zullen wij volgende week stemmen. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.