Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 83, item 3

3 JBZ-meerjarenbeleid vanaf 2015

Aan de orde is het VAO JBZ-meerjarenbeleid vanaf 2015 (AO d.d. 23/04).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Veiligheid en Justitie van harte welkom.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Het is geen geheim dat de PVV vindt dat Nederland uit de Europese Unie moet treden. Zolang daar nog geen sprake van is, moeten we ervoor waken dat de Europese Unie zich zo weinig mogelijk bemoeit met onze wet- en regelgeving. De PVV pleit dan ook al sinds 2010 voor een opt-out op het gebied van asiel in immigratie, en nu ook voor een opt-out op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken. Derhalve dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland zich in een referendum op 1 juni 2005 tegen de Europese Grondwet heeft uitgesproken;

constaterende dat Nederland bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op geen enkel terrein een opt-out heeft bedongen;

overwegende dat Nederland zolang het lid is van de EU, op het terrein van Justitie en Binnenlandse Zaken over zijn eigen wetgeving dient te gaan;

constaterende dat een opt-out uit de Europese Unie gerealiseerd kan worden op grond van artikel 48, lid 2 tot en met 5 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

verzoekt de regering, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie open te breken en een opt-out te bedingen op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Helder, Wilders, Agema en Bosma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 229 (32317).

Mevrouw Helder (PVV):

Vanzelfsprekend moet er ook geen Europees Openbaar Ministerie komen in welke vorm dan ook, omdat dan vanuit Brussel zal worden bepaald wanneer en hoeveel Nederlandse politieagenten en officieren van justitie zullen worden ingezet. De PVV zal dan ook iedere mogelijkheid aangrijpen om tegen een dergelijk orgaan te pleiten. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in artikel 86 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is bepaald dat de Europese Raad in het kader van bestrijding van fraude met Europese subsidies een Europees Openbaar Ministerie kan instellen;

overwegende dat lidstaten van de Europese Unie zelf dienen te beslissen over opsporing en vervolging van misdrijven binnen de eigen landsgrenzen;

overwegende dat Eurocommissaris Reding geen enkele boodschap heeft aan de gele kaart die ten aanzien van het voorstel omtrent het Europees Openbaar Ministerie door diverse nationale parlementen, waaronder de Nederlandse Eerste en Tweede Kamer, is getrokken en het voorstel tot oprichting van een Europees Openbaar Ministerie ongewijzigd voortzet;

verzoekt de regering om niet in te stemmen met de instelling dan wel oprichting van een Europees Openbaar Ministerie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Helder, Wilders, Agema en Bosma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 230 (32317).

U moet echt gaan afronden, mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik zou nog één motie willen indienen. Ik kon de tijd niet bijhouden.

De voorzitter:

Maar ik wel.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik dacht dat het nog wel kon. Ik zou toch van de gelegenheid gebruik willen maken om de motie in te dienen. We hebben hierover ook diverse vragen gesteld, dus deze motie zal de minister niet verbazen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er nooit onderzoek is gedaan naar de invloed van de Europese Unie op de Nederlandse strafrechtelijke regelgeving in het bijzonder;

overwegende dat het jaarlijks overzicht van de uitvoering van het Stockholmprogramma onvoldoende is om te kunnen nagaan hoe groot de invloed van de wetgeving uit de Europese Unie is op onze nationale strafwetgeving;

verzoekt de regering, onderzoek te (laten) doen naar het percentage wetgeving vanuit instellingen van de Europese Unie op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken;

verzoekt de regering, dit onderzoek met de grootst mogelijke spoed te starten en de Tweede Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Helder, Wilders, Agema en Bosma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 231 (32317).

Mevrouw Helder (PVV):

Ik heb nog een korte afrondende opmerking. Wij zouden de antwoorden naar aanleiding van het schriftelijk overleg dat al een jaar geleden heeft plaatsgevonden, inmiddels toch wel graag ontvangen.

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter. Ook op het gebied van justitie geldt wat de SP betreft voor de EU: superstaat nee, samenwerken ja. Wij moeten grensoverschrijdend samenwerken om boeven te vangen, maar wij hebben geen behoefte aan steeds verdergaande bemoeienis op tal van terreinen. Ik heb de regering gecomplimenteerd voor de in gang gezette koerswijziging, want die is er namelijk, op papier. De regering vindt ook dat de Europese Commissie terughoudend moet zijn met het voorstellen van nieuwe regels. Wij blijven de regering hier dan ook uiterst kritisch op volgen. Ter aanmoediging heb ik twee moties voorbereid om concrete initiatieven van de Europese Commissie tegen te houden. Mijn eerste motie gaat ook over het Europees Openbaar Ministerie, maar die heeft een net iets andere strekking.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Commissie met voorstellen is gekomen voor de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie, dat zich in eerste instantie zal toespitsen op de bestrijding van fraude;

van mening dat het oprichten van een Europees Openbaar Ministerie onwenselijk is omdat er tal van andere maatregelen genomen moeten worden om de bestrijding van fraude en andere grensoverschrijdende criminaliteit te verbeteren en het strafrecht en het strafprocesrecht nationale aangelegenheden zijn en moeten blijven;

constaterende dat de Nederlandse regering geen voorstander is van dit voorstel van de Europese Commissie en nu een afwachtende houding aanneemt ten aanzien van eventuele nieuwe voorstellen voor een Europees Openbaar Ministerie;

verzoekt de regering, niet langer deel te nemen aan de gesprekken en onderhandelingen over een Europees Openbaar Ministerie zodat, als er al een Europees Openbaar Ministerie wordt opgericht, Nederland hier niet aan meedoet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 232 (32317).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland steeds te kennen heeft gegeven geen voorstander te zijn van een Europees Burgerlijk Wetboek en zich te zullen verzetten tegen voorstellen in die richting;

constaterende dat er nu sprake is van een gemeenschappelijk Europees kooprecht, een optioneel contractenrechtenregime dat identiek is binnen de gehele Europese Unie, waarvan de meerwaarde niet is aangetoond;

verzoekt de regering, zich hiertegen te blijven verzetten en de Kamer te rapporteren over de inspanningen om het voorstel alsnog van tafel te krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 233 (32317).

De voorzitter:

Wij wachten even tot alle moties zijn gekopieerd en in het bezit zijn van de minister.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng. Dat brengt mij allereerst bij de punten van mevrouw Helder in haar moties. In het algemeen overleg hebben wij hierover natuurlijk al uitvoerig gesproken. De motie op stuk nr. 229 gaat over de opt-out. Wij zijn daar niet voor, dus die motie moet ik ontraden. Wij voeren langs de lijnen van het verdrag het debat met de 28 lidstaten. Ook de heer Van Nispen sprak daar even over. Dan gaat het over drie punten, te weten consolidatie, implementatie en kosteneffectiviteit. Dat betreft het voortdurend aan de orde stellen van de nut-en-noodzaakdiscussie. Een opt-outbenadering is echter geen goede zaak. Derhalve moet ik deze motie ontraden.

Ook de motie van mevrouw Helder over het EOM op stuk nr. 230 wil ik ontraden. In de kern is hierover al eerder een uitspraak door de Kamer gedaan. In dit soort situaties moeten we richting Brussel ook consistent opereren. Er is een gele kaart getrokken door deze Kamer en de senaat. Ik ben het ermee eens dat de Commissie en de verantwoordelijk Eurocommissaris daarop in onvoldoende mate hebben gereageerd. Ik heb ook altijd gezegd dat wij dat voorstel nooit zullen steunen. Wel is het belangrijk dat we goed kijken naar wat anderen doen en dat wij op basis daarvan ook heel kritisch opereren. Ik zal wat dat betreft dan ook geen stap zetten in Brussel voordat wij het er hier over hebben gehad. Dus om altijd, ongeacht wat er ook nog gaat komen, nee te zeggen, is niet de positie van waaruit we richting Brussel moeten opereren. Deze motie wil ik dan ook ontraden.

Over de motie van mevrouw Helder op stuk nr. 231 heb ik eigenlijk al voldoende gezegd. Gelet op de lijnen waarlangs we samenwerken, vind ik het doen van een onderzoek naar wat we hebben bereikt niet zinvol. Ik kan nu natuurlijk een hele opsomming geven van wat we hebben bereikt en van wat we hebben afgewezen, maar ik denk dat dat geen zin heeft. Langs de lijnen zoals ik die net heb aangegeven, wil het kabinet verder werken, ook in de BJZ-operatie. Wij vinden het jaarlijks overzicht voldoende en adequaat en zullen dat ook blijven benadrukken. Dus ook deze motie wil ik ontraden.

Mevrouw Helder (PVV):

Met heel kleine stapjes kom je toch nog wel een beetje vooruit, ook al is het weinig. Ik hoor de minister nu zeggen dat hij wel een opsomming kan geven van we allemaal hebben bereikt. Welnu, daar heb ik al zo vaak om gevraagd terwijl we die nog steeds niet hebben. Dus als die dan naar de Kamer zou kunnen komen … En dan heb ik het niet over het overzicht van het Stockholmprogramma, wat ook blijkt uit het schriftelijk overleg. Dus we blijven om de hete brij heen draaien. Ik ben in ieder geval heel blij dat de minister zegt die opsomming te kunnen geven. Dus als hij de toezegging kan doen dat hij die ons schriftelijk wil doen toekomen, dan zijn we er uit.

Minister Opstelten:

Nee, ik wil wat dat betreft consistent blijven. Dat hebben we altijd al in de post-Stockholmrapportages aangegeven. Daar kan ik dus naar verwijzen. Ik kan ook verwijzen naar de maandelijkse AO's over de JBZ-Raad en naar de Handelingen ervan, want daar staat het allemaal in. Ik denk dat we onze effectiviteit in de Brusselse arena en in de internationale arena moeten gebruiken richting de toekomst. Dat doe ik langs de lijnen zoals ik die heb geschetst. Dat is consolidatie, implementatie en kosteneffectiviteit. Dat betekent ook dat je terugkijkt naar wat goed is en wat minder goed is. De nut-en-noodzaakdiscussie is keihard op de agenda geplaatst door ons. Nogmaals, ik ontraad deze motie.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik vroeg niet naar implementatie en consolidatie, want daar hebben we het in het AO al over gehad. Ik heb toen gezegd dat als je iets wilt consolideren, je eerst moet weten wat je hebt. De minister zegt: ik weet wat we hebben. Welnu, stuur dat overzicht dan naar de Kamer. Dat is dan niet dat post-Stockholmoverzicht. Ik heb er al heel vaak om gevraagd en ik kan nu dan ook niet anders dan tot de conclusie komen dat de minister het niet wil laten zien. Dan trek ik namens de PVV de conclusie dat de invloed van de Europese wetgeving op de Nederlandse wetgeving zo groot is dat de minister het hier niet wil zeggen.

Minister Opstelten:

Dat is niet zo. Er kan nu een aantal voorbeelden worden genoemd, maar die zijn in het AO aan de orde geweest. Ik heb geantwoord op schriftelijke vragen van mevrouw Helder. Wij blijven bij deze consistente lijn; niet omdat mevrouw Helder dat vraagt, maar omdat het gewoon de beste en meest effectieve lijn is. Ik herhaal dat ik de motie ontraad.

Dan kom ik bij de heer Van Nispen. Dank voor zijn ondersteuning van de inzet die wij plegen. Dat is niet op papier, want ik spreek. Het is dus niet een brief, het is natuurlijk ook een document. Het gaat om de inzet ten aanzien van de voorstellen.

Hoewel de motie op stuk nr. 232 anders is dan de motie van mevrouw Helder, denk ik dat dit niet de wijze is waarop wij moeten opereren in de Brusselse arena. Ik heb dat een- en andermaal gezegd. Degene die op alles nee zegt, doet niet mee in de arena en kan ook niet bediscussiëren waarom je dingen niet moet doen. Meepraten kan erger voorkomen. Het is dus niet goed om niet verder deel te nemen aan de gesprekken en onderhandelingen over een Europees Openbaar Ministerie, zoals wij dat blijven doen onder de voorwaarden die ik heb aangegeven. Ik moet de motie dus ontraden.

De motie op stuk nr. 233 moet ik ook ontraden. Laat er geen misverstand over bestaan. Wij verzetten ons ertegen. Ik heb dat al een aantal malen gezegd bij de voorstellen die op tafel liggen. Ik rapporteer daarover voortdurend. Een motie waarin wordt aangegeven wat wij doen, moet ik ontraden. Ik denk dat dat niet de wijze is waarop wij met elkaar moeten werken. Ik wil de motie dus ontraden omdat ik het herhaaldelijk heb gezegd. Ook wat dat betreft moet duidelijk zijn dat wij deze lijn blijven voortzetten.

De heer Van Nispen (SP):

Mijn moties zijn inderdaad bedoeld als aanmoedingsmoties om de koerswijziging kracht bij te zetten. Wat het Europees Openbaar Ministerie betreft zijn de ervaringen tot nu toe — wij zien dat ook bij het Europees Burgerlijk Wetboek dat nu een kooprecht is, maar dat zou kunnen uitgroeien tot — dat heel vaak iets wat wij niet willen, er na verloop van tijd toch komt. Bij het Europees Openbaar Ministerie biedt op dit moment nee zeggen duidelijkheid. Aan tafel blijven zitten leidt ertoe dat het er uiteindelijk toch komt. Het aardige van dit voorstel is dat Nederland gewoon nee kan zeggen; dan is het er niet aan gebonden. Ik begrijp dus niet waarom wij die duidelijkheid niet kunnen geven.

Minister Opstelten:

Ik zeg het nog een keer en wij hebben dit het afgelopen jaar continu gezegd, met steun van de Kamer. De Kamer heeft er ook een uitspraak over gedaan. Ik werk langs de lijnen van de Kamer. De Kamer en ik zitten op één lijn wat betreft de wijze waarop we opereren. Ik heb ook gezegd dat ik eerst met de Kamer overleg pleeg, voordat ik een stap zet. Het uiteindelijke oordeel is gewoon de stem die je uitbrengt. Dat is belangrijk. Er zijn vele zaken die behandeld moeten worden en er is eigenlijk ook nooit een collega die niet aan tafel verschijnt, ook al is hij tegen. Dat heb ik nog niet meegemaakt. Dat wekt ook geen vertrouwen en is niet goed voor de samenwerking. Je hebt elkaar nodig. Ik blijf dus gewoon aan tafel zitten.

De voorzitter:

De heer Van Nispen tot slot.

De heer Van Nispen (SP):

Ik roep ook niet op om overal nee tegen te zeggen of om niet meer samen te werken. Mijn verzoek aan de minister is om duidelijkheid te geven over het Europees Openbaar Ministerie, waarvan Nederland een- andermaal heeft gezegd dat het dat niet wil en dat het er niet moet komen. Ik vind het jammer dat de minister dit niet doet. Wat het Europees Burgerlijk Wetboek betreft begrijp ik ook niet goed dat de minister de motie ontraadt. Hij zou hooguit kunnen zeggen dat die ondersteuning van beleid is en dat hij het al doet. Ook dan is de motie een aansporing om het voorstel van tafel te krijgen in Europees verband. Zo expliciet heb ik de minister dat nog niet horen zeggen.

Minister Opstelten:

Ik heb gezegd wat hier staat. Ik heb het ook op verzoek van de VVD een- en andermaal gezegd. Het moet natuurlijk geloofwaardig blijven wat je aan het doen bent. Het moet niet zo zijn dat alles wat je zegt, ingehaald wordt door allerlei moties. Ik zou zeggen: trek deze motie in. Het is duidelijk dat wij tegen het voorstel zijn. Ik informeer de Kamer en ik wil hierover geen enkel misverstand laten bestaan. Het moet niet zo zijn dat mijn woorden voortdurend met een motie aangescherpt worden. Dat moeten wij niet doen. Dat maakt onze positie in de Europese arena niet sterk. Men volgt allemaal wat hier gebeurt. Als ik iets in het AO zeg, dan is het zo. Daar heb ik geen motie voor nodig. Ik wil er geen enkel misverstand over laten ontstaan en moet de motie ontraden. Het zou beter zijn om de motie in te trekken.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik stel vast dat zowel collega Helder als collega Van Nispen moties indient die door de minister worden ontraden. Het gaat om onderwerpen die wij eerder in het algemeen overleg hebben besproken. De motie van collega Helder wordt min of meer aangepast. De collega heeft althans gesuggereerd dat zij de minister wil vragen om een overzicht van lopende projecten etc. Begrijp ik het nu goed dat de minister zegt: beste Kamer, u hebt het allemaal al en u krijgt het ook voortdurend bij de opeenvolgende JBZ-Raden? Klopt dat? Ook wij willen dat Europees Burgerlijk Wetboek niet. Spant de minister zich in om dat van tafel te krijgen en worden wij daarover voortdurend teruggerapporteerd?

Minister Opstelten:

Op beide vragen is het antwoord ja. Daarom heb ik ook dat judicium aan de motie gegeven.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zullen wij volgende week dinsdag stemmen.

De vergadering wordt van 10.38 uur tot 10.45 uur geschorst.