Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 61, item 8

8 Opleggen taakstraf

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (32169).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heerVan der Steur (VVD):

Voorzitter. Het voorliggende wetsvoorstel is voor de VVD-fractie een belangrijk wetsvoorstel. Het is met name belangrijk omdat taakstraffen en de manier waarop die worden toegewezen en uitgevoerd een heet hangijzer zijn in de samenleving. Waarom is het een heet hangijzer? Dat is het omdat een groot aantal mensen de relatie tussen de aard van het delict, de aard van de crimineel die het delict heeft begaan en de straf die uiteindelijk wordt opgelegd, niet goed begrijpt. Het is dan ook terecht dat de regering, eigenlijk het vorige kabinet, komt met een voorstel om daarin wijzigingen aan te brengen.

Het voorliggende voorstel voorziet erin dat er geen taakstraffen meer worden opgelegd en niet meer mogelijk zijn bij ernstige zeden- en geweldsdelicten. Ook kunnen ze niet meer worden opgelegd als iemand eerder een taakstraf opgelegd heeft gekregen en vervolgens binnen een bepaalde periode weer in de fout gaat. Wat de VVD-fractie betreft zijn dat belangrijke uitgangspunten die in dit wetsvoorstel worden geregeld. Het is ook belangrijk dat in de nieuwe wetgeving allerlei afwijkingen niet meer mogelijk zijn of worden beperkt.

Er is veel onderzoek gedaan naar het fenomeen taakstraffen. Het WODC, het onderzoeksinstituut van het ministerie van Veiligheid en Justitie, constateerde dat ondanks het relatieve succes van de taakstraffen, er gemiddeld genomen sprake is van een recidive van 42%. Kijkend naar de publieke tribune waar veel dames zitten, is er goed nieuws voor hen, want van die 42% is maar 18% recidive door meisjes, en mannen en vrouwen. Het recidivecijfer van criminele jongeren is 75%.

Interessant om te zien is dat als het Openbaar Ministerie in het kader van een OM-afdoening met een dader tot een taakstraf komt, het recidivecijfer lager is, dan wanneer de taakstraf door de rechter wordt opgelegd. Aldus de conclusie in hetzelfde rapport van het WODC. Dat betekent dat de OM-afdoening of OM-strafbeschikking een succesvoller wapen is in combinatie met de taakstraf dan wanneer deze door de rechterlijke macht wordt opgelegd. Ten slotte wil ik nog een opmerking maken bij datzelfde onderzoek, namelijk dat we nog steeds niet precies weten wat de pakkans is. Genoemde cijfers zijn best onrustbarend: bij 75% van de jongeren die al eerder in aanraking is gekomen met justitie, is sprake van recidive. Overigens wordt dat punt opgelost door dit wetsvoorstel. Wel is de vraag gerechtvaardigd wat nu de effectiviteit is in al die groepen. We weten niet wat de pakkans precies is en dus ook niet of iedereen die ooit een taakstraf heeft gekregen, bij het begaan van een nieuw misbedrijf, in contact komt met politie en justitie omdat we niet zeker weten dat ze worden opgepakt.

Het cijfer van 75% betekent dat veelplegers niet succesvol in aanmerking komen voor een taakstraf. Dat blijkt ook uit een onderzoek van, uit mijn hoofd gezegd, de heer Vollaard van de Universiteit van Tilburg. Hij heeft vastgesteld dat bij veelplegers alleen de ISD-maatregel, het langdurig opsluiten, succesvol is. Als je vervolgens kijkt naar een onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut naar de manier waarop veelplegers hun taakstraf voltooien, dan zie je ook dat veelplegers die taakstraf gemiddeld genomen het minst succesvol voltooien. Dit is een volgende onderbouwing voor het standpunt van de regering, namelijk dat in situaties waarin men al eerder in aanraking is gekomen met justitie, een taakstraf niet meer volstaat. Uit een Zwitsers onderzoek bleek overigens dat er weinig verschil in recidive en dus in effectiviteit zit tussen werkstraffen en gevangenisstraffen. Kan de staatssecretaris mij zeggen of dat ook voor Nederland geldt? Uit de cijfers die ik zojuist citeerde, zou je volgens mij kunnen opmaken dat het in Nederland wel enigszins positief werkt.

Voorzitter. Het standpunt van de VVD-fractie. Wij stemmen in met de lijn die in het wetsvoorstel is neergelegd. Overigens kijken wij wel met interesse naar de diverse amendementen. Ik ben dan ook benieuwd naar de reactie van de regering op deze amendementen.

Een of meer amendementen raken aan een belangrijke vraag over verkrachting. Verkrachting is een ernstig zedenmisdrijf, maar de definitie in het Wetboek van Strafrecht, een definitie die in 1998 is bevestigd in een uitspraak van de Hoge Raad, bepaalt dat het gedwongen toepassen van een tongzoen juridisch gezien ook verkrachting is. Hoe kijkt de staatssecretaris hier tegenaan? Naar de letter van de wet is het verkrachting, maar kun je als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, straks nog wel een taakstraf opleggen voor dit vergrijp?

Uit het onderzoek dat ik zojuist aanhaalde, blijkt dat een taakstraf lik-op-stukbeleid moet zijn. Ik vraag de regering dan ook – ik heb hierover overigens al een motie in concept klaar liggen – ervoor te zorgen dat een door het OM of de rechter toegewezen taakstraf zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. Uit allerlei onderzoeken is gebleken dat dit ongelooflijk belangrijk is.

Ik heb verder ook een motie klaarliggen over de beleving van de taakstraf. Ik spreek inmiddels uit persoonlijke ervaring, want ik heb met eigen ogen gezien hoe sommige taakstraffen van de reclassering er in de praktijk uitzien. Ik zag daar mensen werk doen ten behoeve van de samenleving. Dat is op zichzelf heel goed, maar gezien de aard van het werk had het ook vrijwilligerswerk kunnen zijn! In dit geval ging het om werken in een groenomgeving, het zagen van takken en bomen, en ik weet uit eigen ervaring dat sommige mensen dit soort werk zo leuk vinden dat ze het als vrijwilligerswerk doen.

De VVD-fractie heeft er grote moeite mee dat een taakstraf zo wordt ingevuld dat die in essentie zelfs leuk zou kunnen worden gevonden. Een ander voorbeeld hiervan haal ik uit een onderzoek van deskundigen naar taakstraffen door jeugdigen. In dat onderzoek staat opgetekend wat die jongeren van werkstraffen vinden. Het gaat om jongeren, maar desalniettemin is het wel illustratief. In het rapport van die deskundigen staat: "De meeste jongeren vinden dat er positieve kanten aan hun werkstraf zitten: een relaxte sfeer en een leuke werkplek." De aard en variatie worden ook genoemd, maar dan komt het: "Maar op zaterdag een taakstraf uitvoeren ervaren veel jongeren meer als een straf evenals het verrichten van saai of vervelend werk."

Dat moet wat de VVD betreft echt afgelopen zijn. Het is van groot belang dat een opgelegde taakstraf daadwerkelijk als een straf wordt ervaren, niet alleen door degene die de straf ondergaat, maar ook door de slachtoffers. De slachtoffers moeten kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk een straf wordt uitgevoerd door de dader.

De heerDibi (GroenLinks):

Ik ben het helemaal eens met dat laatste punt. Daarom moet de kwaliteit van de taakstraf in de toekomst worden verbeterd. Daarvoor zijn overigens ook al heel wat interessante suggesties gedaan.

Dit wetsvoorstel is tot stand gekomen naar aanleiding van een uitzending van ZEMBLA met de titel Moord, doodslag, taakstraf. In die uitzending werd de indruk gewekt dat rechters bij ernstige misdrijven massaal taakstraffen op zouden leggen. Na wat graafwerk bleek echter dat er bij moord of doodslag nog nooit een taakstraf was opgelegd. Deze wet regelt echter wel dat iemand na een gedwongen tongzoen altijd een gevangenisstraf opgelegd zou moeten krijgen. Ik doe daarover overigens zeker niet denigrerend, want het is wel een inbreuk op iemands integriteit.

De heer Van der Steur ontneemt de rechter de mogelijkheid om te kijken naar de specifieke omstandigheden van een zaak en naar de meest passende straf. Hij legt de vragen hierover wel heel gemakkelijk bij het kabinet neer, want ik wil natuurlijk ook weten hoe de VVD-fractie hier zelf tegenaan kijkt.

De heerVan der Steur (VVD):

Daarover ben ik heel duidelijk geweest, want ik zei al dat de VVD-fractie geen bezwaren heeft tegen het wetsvoorstel.

Wij spreken vandaag over de straf voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. De VVD is het principiële uitgangspunt toegedaan dat daar een taakstraf niet bij hoort. Die keuze maken wij niet omdat wij de rechters willen beperken in de uitoefening van hun functie, maar omdat het niet past om bij zoiets ernstigs als een zeden- of geweldsmisdrijf een taakstraf op te leggen. Dat mag natuurlijk al helemaal niet gebeuren als iemand al eerder een taakstraf voor een dergelijk misdrijf opgelegd heeft gekregen.

Ik denk overigens dat niemand in Nederland zou begrijpen waarom iemand een amendement indient waarin dat verschil wordt hersteld. Ik realiseer mij nu dat dit misschien het amendement van de heer Dibi was. Naar het oordeel van de VVD-fractie twijfelt niemand eraan dat je deze mogelijkheid gewoon niet moet bieden, omdat het een onterechte mogelijkheid is.

De heerDibi (GroenLinks):

Prima. Het hele antwoord van de heer Van der Steur zou mijn reactie kunnen zijn. Over het amendement kom ik zo nog te spreken. Kan de heer Van der Steur één voorbeeld noemen van een ernstig misdrijf, geweldszaak of zedenzaak waarvoor een taakstraf is opgelegd?

Als je niet alleen op basis van krantenkoppen debatteert maar ook op basis van de inhoud, moet je constateren dat onder verkrachting bijvoorbeeld ook een gedwongen tongzoen gerekend wordt. De vraag is of dat altijd moet leiden tot een zware gevangenisstraf. Of zegt de heer Van der Steur dat de rechter op dat punt rekening kan houden met individuele omstandigheden en een alternatieve straf kan opleggen? De eerste vraag was dus of hij één voorbeeld kan noemen ...

Devoorzitter:

Dat weten wij nog.

De heerVan der Steur (VVD):

De heer Dibi heeft veel woorden nodig om zijn vragen te stellen, zo valt mij op. Dat is een verwijt dat hij andere Kamerleden vaak maakt.

Devoorzitter:

Maar u kunt kort antwoorden, mijnheer Van der Steur.

De heerVan der Steur (VVD):

Dat ga ik zeker doen, voorzitter.

Het is niet nodig om een voorbeeld te noemen om de simpele reden dat het een principiële keuze is die hier wordt gemaakt. Natuurlijk is het voorgekomen. De heer Dibi moet het mij niet vragen, want ik zou dat voorbeeld niet kunnen geven. Hij kent het zelf misschien wel. Hij hoeft het mij echter niet te vragen omdat het een principiële keuze is. Het is heel simpel: wil je het of wil je het niet? Het antwoord is: ik wil het niet en ik wil dus ook dat de mogelijkheid niet bestaat. Dat is de keuze die de VVD-fractie maakt en zij vindt daarin de regering aan haar zijde.

Het tweede punt van de heer Dibi betreft exact de vraag die ik net bij het kabinet heb neergelegd. Die tongzoen is een voorbeeld; een arrest van de Hoge Raad uit 1998. Ik heb het net zelf verteld en de heer Dibi vraagt mij nu wat ik daarvan vind. Het antwoord is dat ik dat heb gevraagd aan de regering. Hoe kijkt de regering daartegenaan? Het ligt redelijk voor de hand dat als ik die vraag aan de regering stel, ik er twijfels over heb. Daarom stel ik de vraag aan de regering.

De heerDibi (GroenLinks):

Geen eigen mening dus bij de grootste partij van Nederland over een wet die wel degelijk ingrijpt in de rechterlijke vrijheid. Ik stel de vraag nogmaals. Wij behandelen dit wetsvoorstel omdat de indruk is gewekt dat er massaal taakstraffen werden opgelegd bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Vervolgens kan de heer Van der Steur geen enkel voorbeeld noemen waaruit blijkt dat deze wet nodig is. Zijn wij hier nu niet gewoon een probleem aan het creëren in plaats van een probleem aan het oplossen? Dat is mijn eerste vraag. Mijn tweede vraag is wat de mening is van de fractie van de VVD zelf als de rechter bij een gedwongen tongzoen geen andere straf kan opleggen dan een detentiestraf.

De heerVan der Steur (VVD):

Het herhalen van een vraag leidt in het algemeen niet noodzakelijkerwijs tot een ander antwoord. Het antwoord is dan ook dat wij een principiële keuze maken, los van de voorbeelden. Ik ben ervan overtuigd dat die voorbeelden er zijn, want de situatie heeft zich natuurlijk voorgedaan. Ik kan echter geen voorbeeld geven. Als de heer Dibi dat vervolgens niet principieel zou vinden lijkt mij dat sterk, want het is een principiële keuze. Wij willen niet dat taakstraffen in die situatie kunnen worden toegewezen.

Wat was de tweede vraag van de heer Dibi?

De heerDibi (GroenLinks):

De gedwongen tongzoen gaat zo meteen waarschijnlijk een eigen leven leiden in het debat, want het is een goed voorbeeld ...

De heerVan der Steur (VVD):

Oh ja, de grootste partij van Nederland ...

Devoorzitter:

Wat u daarvan vindt.

De heerVan der Steur (VVD):

Het antwoord daarop is dat ik mij daar zorgen over maak. Ik ben nieuwsgierig naar het antwoord van het kabinet. Ik zal in tweede termijn zeggen wat mijn fractie daarvan vindt, maar als ik mij er geen zorgen over zou maken, had ik de vraag niet gesteld.

De heerRecourt (PvdA):

Dit wetsvoorstel fietst via de achterdeur minimumstraffen naar binnen. Ik hoorde de heer Van der Steur zich zorgen maken omdat minimumstraffen per definitie knellen en onrecht opleveren, bijvoorbeeld bij die tongzoen. Ik heb een ander voorbeeld en een andere vraag om voor te leggen aan de heer Van der Steur vanuit zijn opmerking dat zijn fractie er principieel in staat. Dit kabinet en ook de VVD-fractie steunen het van harte dat wanneer een inbreker wordt aangetroffen, een huiseigenaar hem het huis weer uit mag slaan. Dat kan wel eens letsel opleveren. Het kabinet maakt de regel dat je niet wordt opgepakt als je je op noodweer beroept. De wetgeving wordt alleen niet veranderd. De kans dat het noodweer niet wordt erkend door de rechter, is dus aanzienlijk of in ieder geval aanwezig. Met dit wetsvoorstel wordt vervolgens geregeld dat de huiseigenaar dan, nadat hij de inbreker zijn huis uit heeft geslagen en deze daarbij letsel heeft opgelopen, verplicht een gevangenisstraf krijgt. Is dat inderdaad de principiële keuze die de VVD-fractie maakt?

De heerVan der Steur (VVD):

De heer Recourt legt mij in de mond dat de VVD-fractie zich zorgen zou maken over de minimumstraffen. Ik verwijs hem naar het regeerakkoord, waarin expliciet staat dat er minimumstraffen voor een heel specifieke situatie zullen worden ingevoerd. Hij heeft mij verkeerd begrepen als hij zegt dat ik mij daar zorgen over maak. Als liberale partij vindt de VVD wel dat er heel zorgvuldig naar het desbetreffende wetsvoorstel zal moeten worden gekeken. Het is een wijziging van de manier waarop wij tot op heden naar straffen hebben gekeken.

Wij doen net – dat gold dus ook voor de heer Dibi – alsof de rechter bij dit wetsvoorstel geen mogelijkheid meer heeft om een voorwaardelijke detentie op te leggen. Die mogelijkheid is er. Dat weet de heer Recourt zelfs beter dan ik, want hij is rechter geweest. Ik ben maar een eenvoudige advocaat geweest en heb nota bene nooit strafrecht gedaan. Ook na aanvaarding van dit wetsvoorstel heeft de rechter wel degelijk alle mogelijkheden om te doen en te laten wat hij wil. Het zal de heer Recourt niet verbazen dat ik het overigens volledig eens ben met de wijziging van de aanwijzing aan het Openbaar Ministerie over het omgaan met gevallen van zelfverdediging. Ik heb dat al meermalen in de pers uitgesproken. Het is een belangrijk punt, maar ik zie niet goed in waarom ik daarop zou moeten ingaan in het kader van dit wetsvoorstel. De heer Recourt hoeft zich geen zorgen te maken; ik heb er alle vertrouwen in dat de rechterlijke macht ook binnen de kaders van dit wetsvoorstel in staat is om te differentiëren bij het opleggen van straffen.

De heerRecourt (PvdA):

Ik heb het over minimumstraffen, omdat het de rechter onmogelijk wordt gemaakt om in een aantal gevallen een taakstraf op te leggen. Hij moet een gevangenisstraf opleggen, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk. Dus ook aan de huiseigenaar die een inbreker, achteraf ten onrechte, een paar tikken op zijn kop verkoopt. U gaat er een beetje omheen, maar uit uw antwoord begrijp ik dus dat u dat een goed initiatief vindt.

De heerVan der Steur (VVD):

Ik draai er helemaal niet omheen, mijnheer Recourt, maar de vraag is niet zuiver. Als er sprake is van een vervolging in het kader van wat al eerder zelfverdediging of een noodweersituatie werd genoemd, die een ernstig geweldsmisdrijf oplevert, ben ik de eerste om te zeggen dat daar absoluut geen taakstraf bij hoort, omdat de betrokkene die zichzelf aan het verdedigen was, over de hele linie volstrekt alle perken te buiten is gegaan, omdat het geweld dat hij gebruikt heeft disproportioneel was. Daar hoort een straf op te staan. Dat kan een voorwaardelijke straf zijn, maar als u diep in mijn hart kijkt, is er in de situatie waar de heer Recourt naar vraagt en waar ik het nu over heb, sprake van een ernstig geweldsmisdrijf en daar hoort wat de VVD betreft geen taakstraf bij. Er hoort dan ook een gevangenisstraf te volgen, al dan niet voorwaardelijk. Mijn persoonlijke mening zou zijn dat ik het niet prettig zou vinden in die situatie, waarin disproportioneel geweld wordt gebruikt, dat het een voorwaardelijke straf zou zijn, of een straf van zeer korte duur. Alleen dan komt in de situatie waarover de heer Recourt het heeft, deze straf om de hoek kijken. Als de heer Recourt bedoelt te zeggen dat hij vindt dat in de situatie waarin iemand een ernstig geweldsdelict pleegt en zegt dat het zelfverdediging is, een taakstraf moet worden opgelegd, kan ik de PvdA-fractie en de heer Recourt niet meer volgen.

De heerRecourt (PvdA):

Het lijkt mij dan verstandig om het meteen naar buiten te brengen als de premier en de minister zeggen: vanaf nu kunt u die inbreker even goed het huis uit tikken.

De heerVan der Steur (VVD):

Maar dat is nu precies wat de minister en de premier een- en andermaal en uit en te na in de openbaarheid hebben gezegd. Er is niet gezegd: u moet met een honkbalknuppel elke inbreker te lijf gaan. Er is gezegd: als er sprake is van mogelijkheden tot zelfverdediging, moet u dat doen, maar binnen de grenzen die de wet daaraan stelt. Als de heer Recourt de suggestie wil wekken dat de VVD-fractie ooit gezegd heeft: doe maar wat je wilt en gebruik maar zo veel geweld als je wilt om jezelf te verdedigen, moet ik daar echt bezwaar tegen maken, want dat is absoluut niet wat er is gezegd. Dat zou eerlijk gezegd een vrij verwerpelijk standpunt zijn, dat door de minister-president, door de minister van Veiligheid en Justitie, noch door de VVD-fractie ooit is ingenomen of zal worden ingenomen.

MevrouwGesthuizen (SP):

Ik hoorde dat de heer van der Steur zijn zorgen over de vraag of maatwerk door de rechter, bijvoorbeeld in het genoemde geval van tongzoenen, nog wel mogelijk blijft, graag bij de staatssecretaris neerlegt. Ik heb een vraag over de wijziging die juist dit kabinet heeft doorgevoerd in het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals wij dat van de vorige minister van Justitie toegestuurd hebben gekregen. Daarin bleef juist in het derde lid van artikel 22b de mogelijkheid bestaan voor de rechter om maatwerk te leveren, door bij bepaalde ernstige delicten wel een taakstraf op te leggen, omdat die delicten in zijn ogen niet zo ernstig zijn dat er een heel zware straf tegenover moet staan. Dat gebeurt dan in combinatie met een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat is eigenlijk het maatwerk waarnaar wij met elkaar op zoek zijn. Hoe denkt de heer Van der Steur daarover? Is het eigenlijk niet zo dat het vorige wetsvoorstel eigenlijk beter was?

De heerVan der Steur (VVD):

Nee, de VVD-fractie kan zich niet vinden in de suggesties die mevrouw Gesthuizen doet. De nota van wijziging kan op de instemming van de VVD-fractie rekenen. Daar ben ik overigens ook mee begonnen. Wij hebben daar wel een vraag over. Die vraag zullen we beantwoord krijgen. Ik denk overigens wel te weten in welke lijn die vraag over een voorwaardelijke dan wel onvoorwaardelijke gevangenisstraf beantwoord zal worden, want dat is in het debat zojuist aan de orde geweest. Maar vergist u zich niet: wij praten hier niet over een klap die uitgedeeld wordt op een schoolplein of over een ruzietje in een café waar iemand een ander tegen de muur aan duwt, met enige aandrang. We praten hier over ernstige geweldsmisdrijven en ernstige zedendelicten. Dan moeten we niet net gaan doen alsof het hier gaat om een lichtelijk uit de hand gelopen partijtje gezellig zoenen op een bankje. We praten hier over een zedenmisdrijf. Het enige probleem zit hem in de wettelijke omschrijving van "verkrachting". Bij geweldsdelicten is daar geen discussie over en bij zedenmisdrijven is die er over het algemeen ook niet meer, maar over verkrachting is die discussie er dankzij een uitspraak van de Hoge Raad wel. Daarom stel ik daar die vragen over. Het gaat hier niet om simpele kleine vergrijpen of om misdrijven die nauwelijks misdrijven mogen heten. Het gaat hier om ernstige zaken waar zware gevangenisstraffen op gesteld worden.

MevrouwGesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik ga gedeeltelijk met de heer Van der Steur mee, want inderdaad, het gaat hier ook om de zwaardere delicten, om zeer ernstige misdrijven. Daar gaat het ook over, maar het gaat juist eveneens om niet zo zware delicten. De heer Van der Steur loopt nu weg, ik weet niet precies om welke reden, voor het feit dat het ook kan gaan om wat minder zware delicten. Hij loopt er ook voor weg dat we er in dit land een goede gewoonte van hebben gemaakt dat de rechter naar iedere specifieke situatie kijkt, terwijl wij dat hier als wetgever in de Kamer niet doen. De trias politica, die zou de heer Van der Steur als liberaal toch hoog in het vaandel moeten hebben? Daarom is mijn eerste vraag ook zo van belang. Waarom weigert de heer Van der Steur om de rechter de mogelijkheid te geven om maatwerk te leveren? Dat is een heel simpele vraag. Waarom weigert de VVD-fractie dat?

De heerVan der Steur (VVD):

Voorzitter. Dat weigert de VVD-fractie helemaal niet. De VVD-fractie maakt een principiële keuze, verankerd in haar verkiezingsprogramma, voor een deel verankerd in het regeerakkoord, dat wij bij dit soort misdrijven een taakstraf niet gepast vinden. Dan gaat het niet om alle andere vormen en variaties waarin je straffen kunt opleggen, maar om de taakstraf. Wat ik in sommige gevallen echt "verplicht vrijwilligerswerk" noem, past niet bij de delicten waar we het hier over hebben. Dat is het antwoord. Dat heeft niets te maken met de al dan niet liberale grondslag van de VVD-fractie. Het heeft er wel mee te maken dat wij een principiële keuze maken en dat deze regering ook een principiële keuze maakt waar de VVD-fractie volledig achter staat, namelijk dat je ook kijkt naar de mate waarin slachtoffers begrijpen wat de straf is en wat de functie van de straf is die wordt opgelegd voor het leed dat zij geleden hebben. Dat is een principiële keuze die de VVD maakt. Misschien dat de SP die keuze niet maakt, dat begrijp ik dan niet. Het uitvloeisel van die principiële keuze is het wetsvoorstel dat hier voorligt, met de vraag die ik daarover aan de staatssecretaris heb gesteld, namelijk hoe hij aankijkt tegen bijvoorbeeld de gedwongen tongzoen. Hoe werkt dat in zijn visie uit? Daar zullen we met interesse naar luisteren.

MevrouwGesthuizen (SP):

Voorzitter. Er is nog geen tegenhanger geproduceerd voor het voorbeeld van de gedwongen tongzoen dat de heer Dibi hier in het debat inbracht. Kan de heer Van der Steur hier een voorbeeld noemen, waarin het in zijn ogen helemaal verkeerd is gegaan bij de rechter, die een totaal onbegrijpelijk vonnis heeft opgelegd in een specifieke situatie? Dat is nu precies het punt waar het hier om gaat. De VVD maakt in mijn ogen een begrijpelijke draai door te zeggen: wij gaan hier als wetgever voortaan toch op de stoel van de rechter zitten. Ik kan mij wel voorstellen dat hij dat onder druk van een bepaalde publiciteit doet en dat hij dat ook wenselijk vindt tegenover de mensen die alsmaar roepen om zwaardere straffen. Ik kan een heel eind met hem meegaan dat er toepasselijke straffen moeten worden gegeven, maar we moeten als wetgever niet de fout maken dat wij zeggen hoe de rechter recht moet spreken. Dat wil ik de heer Van der Steur bij dezen toch meegeven.

De heerVan der Steur (VVD):

Voorzitter. Ter afronding. Ik gun de heer Dibi zijn successen in de Kamer, maar het was wel de VVD-fractie die het voorbeeld van een tongzoen heeft aangedragen. De heer Dibi heeft mij daar vervolgens in de letterlijke bewoording, zoals ik het had gezegd, een vraag over gesteld. Ik stel vast dat dit dan juist in het verslag komt te staan. Overigens kan het ook in het verslag worden nagelezen.

Het tweede punt van mevrouw Gesthuizen is de vaststelling dat wij er samen niet uit dreigen te komen. De VVD-fractie maakt ook de keuze voor minimumstraffen, exact zoals het in het regeerakkoord is opgeschreven. Ik weet nu al, zeg ik tegen mevrouw Gesthuizen, welke discussie daarover zal worden gevoerd tussen de VVD-fractie en die van de SP. Die discussie moeten wij ook voeren. Het is een goede discussie, zou de minister van Veiligheid en Justitie zeggen. Dat wij die vraag hebben en dus ook stellen doet niets af aan het feit dat de VVD de principiële keuze maakt om het slachtoffer in dit geval een voorkeursbehandeling te geven ten opzichte van de dader.

Mevrouw Gesthuizen vraagt mij concrete voorbeelden te noemen. Ik kan een voorbeeld noemen uit mijn werkbezoek bij Reclassering Nederland. Ik sprak daar met een van de gedetineerden, van de taakgestraften. Hij zei tegen mij: ik begrijp niet wat die zedendelinquenten hier doen, want volgens mij is dat niet de bedoeling. Hij had maar een vrij simpel vergrijp gepleegd, een geweldsdelict. Hij begreep niet wat die zedendelinquenten in het bos deden om takken te snoeien. Dat is overigens normaal gesproken vrijwilligerswerk, maar in dit geval verplicht vrijwilligerswerk. Ik snap dat ook niet. Ik kan dat niet uitleggen aan mijn achterban en de bevolking en al helemaal niet aan de slachtoffers. Dat is de principiële keuze die ook in dit regeerakkoord is opgenomen. De coalitiepartijen en de gedoogpartij kiezen er principieel voor om de positie van de slachtoffers te verbeteren en het respect voor de slachtoffers in het strafrecht te vergroten.

Er is nog één belangrijk punt, namelijk onderzoek. In de aanloop naar dit debat heeft de VVD-fractie, andere fracties waarschijnlijk ook, een ongelooflijke hoeveelheid onderzoeken van diverse onderzoeksinstituten bekeken. Eigenlijk geeft geen enkel onderzoek goed aan wat de recidivecijfers zijn gerelateerd aan de pakkans. Dat is essentiële informatie. Uit de recidivecijfers blijkt hoeveel mensen opnieuw in contact komen met justitie. Daarbij is de vraag wat de pakkans is, essentieel. Als het recidivecijfer onder criminele veelplegers 75% is en de pakkans 20%, vrees ik dat die overige 25% ook recidivist zou kunnen zijn. Dat weet ik echter niet. Is de staatssecretaris bereid om daar nog eens heel concreet onderzoek naar te laten doen?

De heerRecourt (PvdA):

De positie van het slachtoffer is leidend voor de VVD, begrijp ik van de heer Van der Steur. Hij wil altijd aan het slachtoffer denken. Ik wil hem een casus voorleggen. In de toekomst mag het niet meer voorkomen dat een taakstraf wordt opgelegd in het geval van ernstige zedenzaken. In een zedenzaak heeft de verzorgende ouder iets heel ernstigs met het slachtoffer gedaan, maar het is eenmalig en relatief bescheiden in de zedenhoek. Kan hij zich een situatie voorstellen waarin het ook voor het slachtoffer beter is als de verzorgende ouder een taakstraf krijgt en een behandeling dan wanneer deze gelijk de gevangenis indraait?

De heerVan der Steur (VVD):

Neem mij niet kwalijk. Er wordt nu een beeld geschetst van een verzorgende ouder die een ernstig zedenmisdrijf heeft begaan en een taakstraf krijgt. Juist een ouder heeft een verzorgende taak en moet de beschermer zijn van degene die het misdrijf heeft ondergaan. Er zijn grenzen overschreden. Ik denk toch niet dat het daadwerkelijk de bedoeling van de heer Recourt is om hier in deze zaal de suggestie op te werpen dat het verstandig is om in een geval van een dergelijk geschonden vertrouwen tussen het kind en de verzorgende ouder, de moeder of vader met een taakstraf even een paar uur het bos in te sturen, letterlijk en figuurlijk. Is dat de samenleving waar de heer Recourt voor staat, een samenleving waarin je dat geschonden vertrouwen – het is de ernstigste schending van vertrouwen die je maar kunt verzinnen – wordt bestraft met een taakstraf? Als dat gebeurt, snap ik dat het kind nooit en te nimmer meer vertrouwen in de rechtsstaat heeft zoals ik vind dat die er moet zijn.

De heerRecourt (PvdA):

Demagogie bedrijven is ook een kunst, en dat wordt op dit moment gedaan.

De heerVan der Steur (VVD):

Voorzitter, ik moet daar een opmerking over maken.

De heerRecourt (PvdA):

U mag zo reageren, mijnheer Van der Steur. Nu is het volgens mij mijn beurt om te reageren.

De heerVan der Steur (VVD):

Voorzitter, u moet het mij toestaan om te reageren. Ik vind dat de heer Recourt ten onrechte suggereert dat ik demagogie bedrijf wat betreft dit punt dat mij persoonlijk raakt. Ik vind het het grofste schandaal dat een ouder op die manier met zijn vertrouwensband met zijn kind omgaat.

Devoorzitter:

Dat punt hebt u gemaakt, mijnheer Van der Steur. Vervolgt u uw vraag, mijnheer Recourt.

De heerRecourt (PvdA):

Ik vraag de heer Van der Steur of hij zich niet kan voorstellen dat er een situatie kan zijn – in alle complexiteit die de praktijk met zich meebrengt en die altijd veel gekleurder is dan wij hier met elkaar kunnen bedenken – waarin het ook in het belang van het slachtoffer is dat er een taakstraf wordt opgelegd in combinatie met een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, lees behandeling. Kan hij zich voorstellen dat er een situatie kan zijn waarin dit ook voor het slachtoffer beter is? Kan zo'n situatie zich voordoen?

De heerVan der Steur (VVD):

Die vraag van de heer Recourt kan alleen maar met "ja" worden beantwoord. Natuurlijk, onder de duizenden zaken van ernstige gewelds- of zedendelicten die per jaar door het strafrechtelijk systeem gaan, zal er ongetwijfeld een zijn waarin je kunt denken dat het ouderwetse idee van een taakstraf misschien een oplossing geweest zou zijn. Dat doet echter niets af aan het principiële uitgangspunt dat een dergelijke straf ongepast is in het geval van dit soort delicten. Het doet ook niets af aan de principiële keuze die wij hopelijk vandaag, of althans zeer binnenkort, in deze Kamer gaan maken dat wij dat niet langer acceptabel vinden. De heer Dibi vroeg mij ook al om een voorbeeld te noemen. Die voorbeelden zullen er zijn. Dat is het nadeel van regels stellen: er is altijd een uitzonderingspositie mogelijk. Het gaat om het grote aantal gevallen. Wij praten hier over ernstige zedendelicten en over ernstige geweldsmisdrijven. Daarvoor geldt in algemene zin dat een taakstraf absoluut niet meer passend is.

Devoorzitter:

Tot slot, mijnheer Recourt.

De heerRecourt (PvdA):

Als de heer Van der Steur zich één voorbeeld kan voorstellen, waarom laat hij dan niet ook de rechter recht doen in dat ene geval? Als je de rechter in dat ene geval geen recht laat doen, laat je hem dus onrecht doen.

De heerVan der Steur (VVD):

Dat ben ik niet met de heer Recourt eens. Wij kiezen hier absoluut voor een principieel uitgangspunt, namelijk dat taakstraffen niet passen bij dit soort misdrijven. Als de rechter dan vervolgens in de knoop komt, weet ik zeker – ik vertrouw de rechterlijke macht daarin, dat heb ik er ook al gezegd – dat de rechterlijke macht daarvoor een passende oplossing zal vinden. Die is er ook, want je kunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een taakstraf wil de VVD in dit soort gevallen niet.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

De heer Van der Steur komt al een beetje de kant op die ik op wilde gaan, want er ontstaat een beetje het beeld alsof je in Nederland straks alleen nog maar een taakstraf kunt opleggen of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat is natuurlijk niet zo. Dus is de heer Van der Steur met ons van mening dat je in heel schrijnende gevallen een rechter altijd de ruimte blijft geven om een voorwaardelijke straf op te leggen, of een korte onvoorwaardelijke straf, omdat de verdachte al een tijdje in voorlopige hechtenis heeft gezeten, wat misschien bij heel schrijnende situaties ook is gebeurd is? Dan koppel je er dus een voorwaardelijk deel aan. Laten wij daarom de mist even laten optrekken dat wij spreken over alleen maar of-of.

De heerVan der Steur (VVD):

Ik ben dat geheel met mevrouw Van Toorenburg eens. Ik heb dat zelf ook aangegeven. De rechterlijke macht heeft ruimschoots de mogelijkheid om te kiezen tussen onvoorwaardelijk en voorwaardelijk en in de lengte van straffen, om daarmee bij het soort misdrijven waarover wij het hier hebben om te gaan. Dat heb ik net ook al letterlijk tegen de heer Recourt gezegd. Ik vertrouw de rechterlijke macht er volledig in om daarmee flexibel om te gaan in die situaties, maar dat doet niet af aan het principe dat een taakstraf hier niet meer bij hoort.

De heerVan der Staaij (SGP):

Voorzitter. De SGP-fractie heeft in de schriftelijke inbreng al aangegeven dat wij positief staan tegen over dit wetsvoorstel en tegenover het uitgangspunt dat eraan ten grondslag ligt, namelijk dat taakstraffen aan de orde zijn bij lichtere delicten en dat het uitgangspunt moet zijn dat bij ernstige delicten geen taakstraffen worden opgelegd. Er is in de wetgeving ook een enorm uitgebreid sanctiearsenaal vastgelegd en wij vinden dat het niet alleen aan de rechter in individuele zaken moet worden overgelaten welke straf moet worden toegepast, maar dat het ook aan de wetgever is om duidelijke kaders te stellen, ook van een taakstraf. Wanneer vind je die wel en niet aan de orde? In dat licht beschouwen wij ook dit wetsvoorstel en is ook onze visie op de taakstraf dat er niet de suggestie van moet uitgaan dat wij de taakstraf niet zouden zien zitten. Integendeel, wij denken dat het een heel nuttige en waardevolle straf is, juist ook voor lichtere delicten Aan een concrete vernieling kan heel duidelijk een taak worden gekoppeld om die vernieling te herstellen. Daarvan gaat ook een grote pedagogische waarde uit, dus wij zien een heel waardevolle functie voor de taakstraf, maar die is wel begrensd. Juist als je de taakstraf te ruim toepast, ook bij zwaardere delicten, kan dat uiteindelijk ook het draagvlak voor die waardevolle taakstraffen uithollen en aantasten.

Is daar sprake van? Het beeld is genuanceerd, maar wij hebben ook wel begrepen uit de stukken dat bij de verdubbeling van taakstraffen in tien jaar de zaken soms wat scheef zijn gegroeid. In ieder geval is in 14% van de gevallen, zo lezen wij in de stukken, ook bij ernstige misdrijven, volstaan met het opleggen van een taakstraf. Wij vinden het terecht als beoogd wordt om daarin verandering te brengen.

Het wetsvoorstel is beperkt tot ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Dat is gezien de grote maatschappelijke impact verdedigbaar. Tegelijkertijd vragen wij ons wel af waarom niet voor alle ernstige delicten de mogelijkheden voor taakstraffen worden beperkt. Je zou in algemeenheid kunnen denken aan misdrijven waarvoor een straf van ten minste zes jaar mogelijk is. Als daarvan sprake is, dan heb je het toch sowieso over ernstige misdrijven? Waarom is niet voor die route gekozen?

De heerDibi (GroenLinks):

Ik kom even terug op het percentage van 14 dat de heer Van der Staaij noemde. In 2006 zijn in totaal 150.000 strafzaken in eerste aanleg door de rechter afgedaan. In 1,7% van deze strafzaken ging het om ernstige misdrijven. 14% van deze zaken over ernstige misdrijven werd inderdaad afgedaan met als enige straf een taakstraf. Die 14% zaken is vervolgens echter geanalyseerd. Daarbij bleek dat als alle omstandigheden erbij werden betrokken, en ook waar het OM om vroeg, er reden was om niet te kiezen voor een gevangenisstraf. De heer Van der Staaij noemt het percentage van 14. Ik vraag hem om bij de feiten te blijven. Om welke gevallen en welke misdrijven gaat het daarbij precies? Waarom heeft volgens de heer Van der Staaij de rechter in die zaken iets fout gedaan? Dat moeten wij duidelijk kunnen uitleggen, omdat wij anders het wantrouwen jegens de rechtspraak voeden terwijl wij dat niet kunnen onderbouwen.

De heerVan der Staaij (SGP):

Voor mij is het uitgangspunt dat je niet kunt stellen dat er nooit bij ernstige delicten alleen met het geven van een taakstraf wordt volstaan. Dat vond ik, bij de discussie over de positionering van de taakstraf, een aanleiding om mijzelf de vraag te stellen of wij als wetgever de kaders wellicht duidelijker moeten stellen. Ik heb er geen behoefte aan om naar elk geval afzonderlijk te kijken en te oordelen of de rechter het wellicht fout heeft gedaan. Ik zie er echter wel een aanleiding in om heldere kaders te stellen. Dat doen wij met dit wetsvoorstel. De heer Dibi vraagt zich af of er in de praktijk wel echt iets is misgegaan en of dit nu wel allemaal nodig is. Je kunt je echter ook afvragen wat er mis mee is om naar aanleiding van zo'n discussie een en ander op een zo helder mogelijke manier in te kaderen.

De heerDibi (GroenLinks):

Ik vind principieel dat de wetgever het volste recht heeft om in te grijpen als de rechtshandhaving niet strookt met wat wij in de Kamer hebben afgesproken of met wat wij eigenlijk wenselijk achten. Als wij dus vinden dat taakstraffen niet mogen worden opgelegd bij bepaalde misdrijven, dan moeten wij dat hier met elkaar afspreken. Dat is heel logisch en dat legt de heer Van der Staaij terecht op tafel. Nu is echter iets anders aan de hand. De indruk werd namelijk gewekt dat rechters massaal taakstraffen opleggen bij ernstige misdrijven. Die indruk klopt niet. Als wij de discussie vervolgens toespitsen op de 14% die de heer Van der Staaij in dit debat noemt, dan blijft daarvan niet heel veel over. In veel van deze gevallen is wat de rechter heeft gedaan heel redelijk. De rechter blijkt niet af te wijken van wat wij eigenlijk ook wenselijk achten. De heer Van der Staaij hoort bij een partij die heel zuiver wil opereren. Als hij echt vindt dat er iets moet veranderen, dan vraag ik hem om met naam en toenaam te noemen waar het fout gaat. Wij moeten hier geen debatten voeren en wetsvoorstellen behandelen alleen maar op basis van beelden en krantenkoppen. Ik hoop niet dat dat de nieuwe trend wordt.

De heerVan der Staaij (SGP):

De SGP-fractie vindt het niet nodig dat het beeld ontstaat of wordt gecreëerd dat de rechter het dramatisch fout doet. Het is voor mijn fractie voldoende dat wij een discussie voeren over de positionering van taakstraffen. Wij vinden daarin een aanleiding om hiervoor heldere en duidelijke kaders te stellen.

De heerDibi (GroenLinks):

Dat is duidelijk. Ik ga dit concreet maken met het voorbeeld van de gedwongen tongzoen. Die wordt onder verkrachting gerekend. Een verkrachting of een poging tot verkrachting sec, is volgens de wet een ernstige zedenzaak. Bij de subcategorieën daarbij staat onder andere de gedwongen tongzoen genoemd. Vindt de heer Van der Staaij dat een rechter in zo'n zaak nooit een taakstraf mag opleggen?

De heerVan der Staaij (SGP):

De gedwongen tongzoen is een helder voorbeeld. Er is zojuist al even gestreden om het eerstgeboorterecht ervan. Dit voorbeeld wordt zelfs in de memorie van toelichting al genoemd, namelijk op pagina 9. Dit is juist een voorbeeld waarmee bij uitstek rekening is gehouden bij deze normstelling. Daarom staat in artikel 22b, eerste lid, onderaan, niet alleen maar de grens genoemd van zes jaar of meer. Als dat er alleen zou staan, zou de rechter bij een zaak over een gedwongen tongzoen – waarover wij trouwen niet al te makkelijk moeten doen – inderdaad geen taakstraf meer mogen opleggen. De regering heeft er echter nog iets bij gezet. Er staat ook: "en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad". Juist om dit soort problemen bij zaken als die over een gedwongen tongzoen te voorkomen, is dit opgenomen. Dat wordt ook duidelijk in de memorie van toelichting gesteld. Bij een zaak over alleen een gedwongen tongzoen zal niet voldaan zijn aan de eis dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dan kan er dus wel een taakstraf worden opgelegd. Dat komt volgens mij voldoende helder naar voren uit de gedachtewisseling. Ik zou verwachten dat er een nieuw punt naar voren komt waarbij de vraag kan worden gesteld of een en ander voldoende helder is.

Ik heb eigenlijk een zorg over het omgekeerde. Ik begrijp de achtergrond. Gaan wij het niet nodeloos ingewikkeld maken als in de toepassing van artikel 22b, eerste lid, onder a, niet alleen bewezen moet worden dat sprake is van een misdrijf waarop zes jaar of meer staat, maar ook dat dit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit tot gevolg heeft gehad? Kun je daar weer geen discussie over krijgen? Is het niet helderder – dit voorstel heb ik in mijn amendement gedaan – om als regel in eerste instantie te volstaan met te zeggen "bij een misdrijf van zes of meer geen taakstraf" en om in een afzonderlijk artikellid nadrukkelijk als uitzondering op te nemen dat ervan afgeweken kan worden als het misdrijf geen ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolg heeft gehad? Je krijgt hiermee dus een andere motiveringslast voor de rechter. De vraag is of dit vanuit het oogpunt van rechtszekerheid niet de voorkeur zou verdienen. Zoals gezegd, heb ik dit in mijn amendement op stuk nr. 14 vastgelegd. Ik hoor vanzelfsprekend graag de reactie van de staatssecretaris hierop.

Naast de regel dat een taakstraf niet mogelijk is voor delicten waarop minimaal zes jaar staat, wordt de taakstraf ook onmogelijk gemaakt in het geval van recidive bij een soortgelijk delict. Wij steunen ook die benadering. Wel heb ik nog een vraag over de term "soortgelijke delicten". Kan de staatssecretaris hierop wat nader ingaan? Kan dit geen discussie en daarmee enige rechtsonzekerheid oproepen over de vraag wanneer wel of niet sprake is van een "soortgelijk delict"?

Ik heb een vraag van technische aard over 22b, lid 2, onder ten tweede. Waarom is het noodzakelijk om uitdrukkelijk te vermelden dat de taakstraf ook daadwerkelijk verricht is, dan wel dat vervangende hechtenis is bevolen? Waarom is deze voorwaarde aanvullend nodig in het kader van dit wetsvoorstel?

Tot slot blijkt uit de stukken dat er nogal eens een taakstraf wordt opgelegd als sprake is van vertraging in de rechtspleging. Dat is niet bevredigend. Graag benadrukken wij dat verder werk moet worden gemaakt van versnelling van de rechtspleging, opdat dit geen reden hoeft te zijn voor strafmatiging.

MevrouwGesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik heb nog eens zitten nadenken over het voorbeeld dat de heer Van der Steur gaf van de zedendelinquenten die werden aangetroffen bij het uitvoeren van een taakstraf, waarover een andere veroordeelde zich verbaasde. Het kan goed mogelijk zijn dat dit zedendelinquenten waren die eerder een andere straf hadden uitgezeten. Sinds de aanwijzing van de vorige minister van Justitie in, naar ik meen, 2008 kan de rechter immers een combinatie van een vrijheidsstraf met een taakstraf op te leggen. Wat mij betreft is dat dan ook geen perfect voorbeeld.

Ik wil hier nog een andere kanttekening bij maken. Er werd zo-even net gedaan alsof het voorbeeld van die tongzoen, als schending van de integriteit, het enige voorbeeld zou zijn van een situatie waarin je je kunt voorstellen dat het opleggen van een vrijheidsstraf niet direct passend is. Er zijn bepaalde omstandigheden denkbaar waaronder je voor een misdrijf dat in het Wetboek van Strafrecht wel genoemd wordt als een ernstig misdrijf, toch niet zo'n zware straf zou willen opleggen.

Ik noem één voorbeeld. Stel, een vrouw woont samen met haar partner. Hij zet haar jarenlang onder verschrikkelijke psychische terreur. De vrouw wordt emotioneel gezien zwaar mishandeld. Op een gegeven moment barst de bom. De vrouw pakt iets en gooit het. Het is raak: ernstig lichamelijk letsel. Wat gaan wij daarmee doen? Wat zegt de rechter dan? Ik denk dat hij waarschijnlijk rekening zal houden met de omstandigheden waarin deze vrouw jarenlang geleefd en geleden heeft. Dit toont maar aan dat het verschrikkelijk moeilijk is om, eventjes een stukje lezend in de krant, over een zaak waarvan wij niet de ins and outs kennen te zeggen: dit kan echt niet. Dat is verschrikkelijk moeilijk. Dat is ook precies de reden dat wij dit niet doen. Daarvoor hebben wij rechters in Nederland. Zij spreken recht, niet wij.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

Ik kan het niet laten. Zou mevrouw Gesthuizen misschien met de CDA-fractie een serieus begin willen maken met een initiatiefwetsvoorstel om ervoor te zorgen dat de noodweerbepalingen veel minder discriminerend worden dan ze nu zijn? Overigens is onze fractie daar al een tijdje mee bezig. Die bepalingen zijn namelijk helemaal ingericht op personen die onmiddellijk de kracht hebben om een einde te maken aan het geweld. Maar sommige vrouwen worden zo geterroriseerd dat ze eigenlijk alleen maar een stoeptegel op iemands hersens kunnen gooien als hij slaapt. Daar heb ik twee vrouwen van in de gevangenis gehad. In die gevallen zegt iedereen: ze had ook weg kunnen lopen. Zullen wij daar eens serieus naar kijken? Maar het is wel een ander probleem.

MevrouwGesthuizen (SP):

Ik vind het een heel goed voorstel en ben zeker bereid om daarnaar te kijken. Misschien moeten wij dat doen na dit debat. Maar waarom zouden wij dit aan de ene kant repareren in de ogen van mevrouw Van Toorenburg om vervolgens aan de andere kant de problemen die hiermee ontstaan, weer te repareren? Waarom zouden wij niet vertrouwen op de rechtspraak? En dan heb ik nog een ander voorstel. Als wij vinden dat rechters hun vonnissen niet voldoende motiveren of de zaken niet genoeg bekijken, niet voldoende doordrongen zijn van de ernst van het delict en daardoor slechte straffen opleggen, laten wij dan eens wat beter luisteren naar bijvoorbeeld de Raad voor de Rechtspraak of de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Die waren hier een paar weken geleden en hebben ons doordrongen van het feit dat er niet bezuinigd moest worden. Bij een heleboel rechters, die ik verschillende keren heb gesproken het afgelopen jaar, staat het water aan de lippen omdat er eigenlijk te weinig tijd is. Laten wij daar dan naar kijken. Als rechters hun vonnissen beter moeten motiveren, dan moeten wij dat niet bewerkstelligen door te zeggen: dan moet je het maar op deze manier doen.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

Ik denk niet dat dat direct met geld op te lossen is, maar ik begrijp dat dat de SP vooral aangrijpt. Maar ik wil teruggaan naar ons debatje van daarnet. Er is niet alleen maar een keuze tussen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Ook in de enorm schrijnende situatie die mevrouw Gesthuizen terecht beschrijft, is het altijd nog mogelijk om een voorwaardelijke straf op te leggen of een heel korte onvoorwaardelijke met een belangrijk voorwaardelijk deel. Er zijn dus wel oplossingen. Het probleem is alleen dat je met een taakstraf een ander signaal geeft. Dan is het namelijk een licht delictje.

MevrouwGesthuizen (SP):

Ik hoor geen vraag. Wij verschillen daarover fundamenteel van mening. Ik zal daar dadelijk in mijn bijdrage nog uitgebreid op ingaan. En ik geloof zeker wel in de combinatie. Vandaar het amendement dat ik heb ingediend. Ik heb gezien dat mevrouw Van Toorenburg ook een amendement heeft ingediend om een combinatie mogelijk te maken. Ik geef daar net een wat andere uitleg aan maar daar kom ik straks nog op.

MevrouwHelder (PVV):

Mevrouw Gesthuizen zei bij de vorige interruptie dat wij niet op de stoel van de rechter moeten gaan zitten. Toen kwam zij met een heel concreet voorbeeld waardoor wij bijna gedwongen worden om dat wel te doen. In haar casus suggereert zij dat deze mevrouw, nu de rechter het arsenaal van taakstraffen niet meer zo zou kunnen toepassen, een gevangenisstraf zou krijgen terwijl ze eigenlijk een taakstraf had moeten krijgen. Dat ben ik helemaal niet met haar eens. Er zijn namelijk ook zaken als schulduitsluitingsgronden. Dan zou deze mevrouw helemaal geen straf hebben gekregen.

MevrouwGesthuizen (SP):

Dat zou heel goed kunnen maar dit is precies waar het mij om te doen is. Ik kan daar niet zomaar over oordelen. Ik geef alleen maar dat voorbeeld omdat wij het net hebben gehad over een zedendelict waarvan iedereen kan zeggen: heel vervelend een afgedwongen tongzoen – ik moet er ook niet aan denken – maar is het iets waar wij dezelfde straf voor moeten opleggen als een echte verkrachting? Zo zijn er ook op het gebied van geweldsdelicten omstandigheden waarbij de Kamer zou moeten zeggen: het is heel goed als de rechter hier in zijn totaal naar kijkt.

MevrouwHelder (PVV):

Dat was geen antwoord op mijn vraag. Er zijn schulduitsluitingsgronden, waarbij je helemaal niet eens aan straf toekomt, namelijk de psychische overmacht van de mevrouw die mevrouw Gesthuizen in de casus schetst. Ik ben het dus niet met haar eens als zij zegt: dan moeten wij in het straffenarsenaal gaan kijken. De schulduitsluitingsgronden staan immers gewoon in de wet. Deze mevrouw zou de straf zelfs ontlopen.

MevrouwGesthuizen (SP):

Dat klopt maar het is niet aan ons om dat te bepalen. Dat is in iedere specifieke casus weer anders. Misschien was het geweld in dit geval wel echt disproportioneel en wist die mevrouw: als ik dit op zijn hoofd gooi, dan weet ik dat hij in één keer van hier naar de andere wereld is geholpen. Ik kan daar niet over oordelen, want ik ben geen rechter.

Voorzitter. Ik heb nog een tweede punt. De heer Van der Steur zei ook in zijn inbreng dat de recidive enigszins lager is bij taakstraffen. Hij camoufleert daarmee dat er bij taakstraffen veel minder recidive is. In een onderzoek daarnaar dat wij hebben mogen inzien en waar ook het kabinet op hamert, gaat het over 50% minder veroordelingen over acht jaar. Dat is geen kleine daling. Ik snap dat hij dat anders wenst te zien maar dat is geen klein verschil; dat is een groot verschil in mijn ogen.

De heerVan der Steur (VVD):

Ik wil het helemaal niet anders zien, zoals mevrouw Gesthuizen suggereert. Het vervelende is dat je een relatie moet leggen met de pakkans, welk onderzoek je ook doet. Als de pakkans laag is en het recidivecijfer ook zegt dat per saldo niets over de recidive. Dat is mijn grote probleem. Daarom heeft de VVD-fractie aan de staatssecretaris gevraagd of we kunnen zoeken naar een manier om de recidivecijfers helder en echt inzichtelijk te maken. Als de pakkans tussen de 20% en de 30% ligt, betekent dit dat 70% van de misdrijven niet wordt opgelost. Al die mensen kunnen dus ook recidivisten zijn. We kunnen namelijk niet verwachten dat alle mensen die niet worden gepakt first offenders zijn. Zo gaat dat niet.

MevrouwGesthuizen (SP):

Ik vraag me werkelijk af of de heer Van der Steur nu niet appels met koeien vergelijkt. Ja, appels met koeien. Hij doet nu net alsof de pakkans van een recidivist die een taakstraf heeft opgelegd gekregen significant kleiner is dan de pakkans van een recidivist die een vrijheidsstraf heeft opgelegd gekregen. Het onderzoek dat ons is toegestuurd, is een prima onderzoek. Daaruit blijkt dat er 50% minder veroordelingen zijn, of zo u wilt 50% minder pakkans. Daaruit blijkt ook dat het een veel meer effect heeft dan het ander.

De heerVan der Steur (VVD):

Dit is een interessante discussie, die vooral wetenschappelijk is. Mevrouw Gesthuizen zou helemaal gelijk hebben als de pakkans in Nederland 100% zou zijn. Dan zouden de recidivecijfers precies laten zien wat ze zouden moeten laten zien. Ik zou willen dat het zo was. Ik wil heel graag geloven dat bepaalde straffen, zoals tbs, taakstraffen voor kleine overtredingen en misdrijven of gevangenisstraf, effectief zijn. Ik wil niets liever dan dat. Zolang de pakkans echter niet 100% is, weten we niet of je de recidivisten pakt. Daar kan mevrouw Gesthuizen onder verwijzing naar onderzoeken van zeggen wat zij wil, maar ook de onderzoekers zelf – en daar praat ik regelmatig mee – zullen bevestigen dat het zo is.

MevrouwGesthuizen (SP):

Het zou me heel veel waard zijn als we – ik doe dat graag samen met de heer Van der Steur – werk kunnen maken van het vergroten van de pakkans in Nederland. Dan hebben we niet alleen betere cijfers maar ook een veel veiliger land.

Het is belangrijk om hierover te discussiëren en vast te stellen dat het niet past een taakstraf op te leggen bij zeer ernstige misdrijven, zoals bij doodslag, verkrachting of grootschalige fraude. Ook bij dat laatste komen mensen nog wel eens weg met een taakstraf. We mogen niet over het leed en de verontwaardiging van slachtoffers en anderen in de maatschappij heenstappen. Het is goed dat er een aanwijzing is geweest van de vorige minister van Justitie en dat we nu een wetswijziging behandelen. De SP-fractie vindt de taakstraf geen geschikt middel voor zwaardere delicten. Plegers van geweld- en zedenmisdrijven, maar ook witteboordencriminelen zouden niet weg moeten kunnen komen met een taakstraf. Ook kan bij iemand die bij herhaling strafbare feiten pleegt, een zwaardere straf nodig en gepast zijn.

Dit gezegd hebbende, wil ik ook benadrukken dat we niet uit het oog moeten verliezen dat een taakstraf veel voordelen heeft. Er is aantoonbaar minder recidive. Mensen behouden een dagritme of doen dat op. De gevangenis is helaas – dat is een ander punt waar we aan moeten werken – de hogeschool voor criminaliteit. Je doet daar over het algemeen geen heel zinnige contacten op voor je verdere leven. Helaas moeten we vaststellen dat mensen daar, in de criminologische zin van het woord, soms slechter uitkomen dan ze erin gingen. Een taakstraf kan betekenen dat iemand voor de maatschappij nuttig werk gaat verrichten. Schade kan bijvoorbeeld hersteld worden. Een taakstraf is bovendien vele malen goedkoper. Het laten uitvoeren van een taakstraf is ongeveer acht keer zo goedkoop als iemand opsluiten. De taakstraf is een echte straf. Je wordt beperkt in je tijd en je bezigheden. De taakstraf heeft als het goed is een zeer dwingend karakter.

Ik vind het van het allergrootste belang dat de rechter maatwerk kan leveren. Het lijkt me een heel slecht idee als we een lijst met artikelen uit het Wetboek van Strafrecht zouden willen vaststellen waarvoor de rechter geen taakstraf op zou kunnen leggen. Soms gaat achter de juridische kwalificatie van een handeling namelijk een feitelijk andere gedraging schuil. Ik noem nogmaals het voorbeeld van de afgedwongen tongzoen die juridisch gezien als verkrachting geldt. Het is niet eenvoudig om een balans te zoeken. Er is bovendien een spanningsveld tussen de wetgevende en de rechtsprekende macht. Is het verstandig de mogelijkheden van de rechter zover te beperken zoals vandaag dreigt te gebeuren? Daar ben ik niet van overtuigd.

Ik was er wel van overtuigd dat de vorige minister van Justitie er redelijk in was geslaagd om een goede balans te vinden. In het wetsvoorstel stond: geen taakstraf opleggen bij een ernstig strafbaar feit en ook niet als de laatste vijf jaar al een taakstraf voor een soortgelijk misdrijf is opgelegd. Zijn voorstel bevatte de suggestie voor een derde lid van artikel 22b: een taakstraf kan wel, in uitzonderingsgevallen, samengaan met een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Het huidige kabinet heeft deze uitzonderingsmogelijkheid er bij tweede nota van wijziging uit gehaald. Ik heb echter een amendement ingediend om deze mogelijkheid er juist weer in te krijgen. In de ogen van de SP-fractie is een taakstraf zinniger, omdat deze mogelijkheden biedt om te werken aan gedragsverandering, in combinatie met bijvoorbeeld een voorwaardelijke gevangenisstraf. Je hebt bovendien de mogelijkheid om allerlei voorwaarden te stellen. Zo kun je iemand een alcohol- of gebiedsverbod opleggen. Tegelijkertijd – ik zei dat net al – dwing je iemand om een strak dagritme te houden of te krijgen. Als we deze deur, het derde lid dat ik weer in het wetsvoorstel wil krijgen met mijn amendement, openhouden voor de rechter, kunnen er uiteindelijk wellicht zelfs zwaardere straffen worden opgelegd. Heeft de staatssecretaris daarover nagedacht? Een rechter zou nu kunnen besluiten dat hij, met de mogelijkheden die de wetgever hem heeft gegeven, een vrijheidsstraf voor een bepaald delict te zwaar vindt; dan legt hij wellicht geen straf op. Graag krijg ik hierop een reactie van de staatssecretaris. Ook krijg ik graag een reactie op mijn amendement.

Dan kom ik op de uitvoering van de taakstraf. De taakstraf moet zo veel mogelijk nut hebben en moet, zo mogelijk, in relatie tot het delict staan, bijvoorbeeld door de dader de schade te laten herstellen. Soms kan een taakstraf ook nuttig zijn voor de delinquent: hij kan wellicht bepaalde vaardigheden leren en hij doet arbeidsritme op. Wel is het dan van belang dat de taakstraf in zijn geheel en zorgvuldig wordt uitgevoerd. Ik ben het er volledig mee eens dat een celstraf moet volgen als de veroordeelde niet meewerkt. Dat is nu echter ook al zo. Het OM zet taakstraffen die niet worden uitgevoerd om in vrijheidsstraffen. Slechts in zeer incidentele gevallen, bijvoorbeeld bij ernstige ziekte van de veroordeelde, ziet het Openbaar Ministerie hiervan af.

Met de tweede nota van wijziging heeft het kabinet deze bevoegdheid weggehaald bij het Openbaar Ministerie. In een reactie op onze vragen daarover zegt de staatssecretaris: het OM mag daar nog wel van afwijken, maar dat kan alleen als de veroordeelde een bezwaarschrift indient. Het bezwaarschrift heeft echter geen opschortende werking. Met andere woorden: iemand moet in hechtenis worden genomen, ook als hij of zij buiten zijn schuld de taakstraf niet kon uitvoeren. Het lijkt mij beter om artikel 22g in stand te laten, zodat het OM kan blijven beslissen en maatwerk kan blijven leveren. Vandaar mijn tweede amendement.

Ik heb begrepen dat de Raad voor de Rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak zeer kritisch zijn geweest op de beoogde wetsvoorstellen van het kabinet. Wat heeft het kabinet met deze kritiek gedaan? De tweede nota van wijziging heeft in mijn ogen een cruciaal punt van het wetsvoorstel, een punt dat in het hart van de wet ligt, gewijzigd. Waarom is er niet voor gekozen om het wetsvoorstel met de nota van wijziging voor te leggen aan de Raad van State?

De heerSchouw (D66):

Voorzitter. Te veel mensen in ons land voelen zich niet veilig. Dat is onaanvaardbaar. Wij willen ons beschermd voelen tegen misdaden, zoals geweld of verkrachting. Als ons onrecht wordt aangedaan, moet het recht zegevieren. Daarover zijn wij het in dit huis volgens mij allemaal eens. De fractie van D66 vindt de kwaliteit van politieoptreden en van de rechters cruciaal voor het vertrouwen van burgers in onze rechtsstaat. Met de kwaliteit en het vertrouwen moeten wij dus heel zorgvuldig omgaan.

Dit kabinet wil een streep zetten door de taakstraf. Het kabinet en de staatssecretaris – het is vooral de staatssecretaris – vinden de taakstraf niet passen bij ernstige zeden- en geweldsdelicten. Daar is de D66-fractie het in beginsel mee eens. Natuurlijk laat je iemand die een medemens het ziekenhuis in heeft geslagen, of iemand seksueel heeft gemolesteerd, geen papieren prikken in het park. Het is ons echter niet helder waarom de rechter volgens dit kabinet niet zelfstandig tot een oordeel kan komen.

De D66-fractie vraagt zich dan ook af wat de bewindslieden hiermee willen suggereren. Vreest dit kabinet werkelijk dat een rechter voor dit soort ernstige situaties een taakstraf oplegt in plaats van een vrijheidsbenemende straf of tbs? Nut en noodzaak van het schrappen van een taakstraf in combinatie met een vrijheidsbenemende straf, zijn mijn fractie niet duidelijk. Twijfelt dit kabinet aan het vermogen van de rechters om een straf op te leggen die past bij de ernst van de begane misdaad? Als het antwoord op deze vragen ja is, dan wil mijn fractie een onderbouwing daarvan met harde cijfers en voorbeelden. Hoe vaak is dit gebeurd en in welke gevallen? De opvatting moet gevalideerd worden, maar die validatie hebben wij tot nu toe nog niet in de stukken gevonden.

De rechter is het sluitstuk van ons rechtsgevoel. Van rechters verwachten wij hoge kwaliteit en een onafhankelijk oordeel over een zaak. Daarom moeten rechters de instrumenten worden geboden om die kwaliteit te kunnen leveren. Wij moeten rechters niet onnodig beperken in hun mogelijkheid om maatwerk te leveren. Daarom willen wij ook geen invoering van minimumstraffen. Daarmee wordt de rechter namelijk de mogelijkheid ontnomen om in het individuele geval een passende straf op te leggen. De taakstraf biedt bij uitstek mogelijkheden om het gedrag van daders te veranderen en herhaling van de misdaad te voorkomen. Dat lijkt mij zeer wenselijk voor onze samenleving. Het kabinet erkent dit. De D66-fractie hecht er net zo goed belang aan dat de taakstraf in gepaste situaties wordt opgelegd.

Het Openbaar Ministerie werkt al, of gaat heel snel werken, met een richtlijn om in ernstige gevallen geen taakstraf meer te eisen bij de rechter. Kan de staatssecretaris aangeven in hoeveel procent van de gevallen een rechter de eis van de officier van justitie op dit punt volgt? Het kabinet geeft in zijn toelichting zelf aan dat een rechter op grond van artikel 359, lid 5, van het Wetboek van Strafvordering, het opleggen van een taakstraf steeds moet motiveren. Uit onderzoek van het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak blijkt dat rechters dit in de praktijk ook steeds nauwkeurig doen. Mijn fractie vraagt zich dan ook af welke urgentie er voor het kabinet bestaat om met regels een kader voor de rechter te scheppen. Wij willen toch juist af van de regelzucht?

De straf die een rechter oplegt, moet in verhouding staan tot de ernst van de begane misdaad. Dat wil dit kabinet van de rechter, maar kunnen we dezelfde proportionaliteit ook niet vragen van het kabinet en de wetgever? Moet een wettelijke regeling niet passen bij het probleem dat zich voordoet? Als je het hebt over het probleem: in het stuk uit 2009 staat al met zoveel woorden dat er geen probleem is. Er is onderzoek naar gedaan. Als het dus geen probleem is, laten wij onze tijd en energie dan aan andere dingen besteden.

Heeft het kabinet overwogen om op een andere, eenvoudige, wijze voor de burgers inzichtelijk te maken wanneer een taakstraf wordt opgelegd, wat ermee wordt beoogd en wat in de praktijk het effect ervan is? Als het kabinet de effectiviteit en de betekenis van de taakstraf in de samenleving niet onweersproken laat, is het kabinet volgens ons niet verstandig bezig. Op basis waarvan vindt het kabinet de taakstraf dus wél een nuttig instrument? Kan dat niet wezenlijk bijdragen aan het maatschappelijke draagvlak voor de taakstraf?

Dit wetsvoorstel gaat over het beperken van de mogelijkheid voor rechters om een taakstraf op te leggen; een oplossing voor iets wat wij niet kunnen definiëren als een probleem. Op een iets fundamenteler niveau gaat het over het vertrouwen dat wij in rechters stellen, om hun werk naar behoren te kunnen doen. Het vertrouwen in de rechtsstaat wordt steeds vaker en openlijker in twijfel getrokken. De D66-fractie vindt dat een onwenselijke ontwikkeling. De kwaliteit van ons vertrouwen in de rechtspraak hangt namelijk samen met ons gevoel van rechtsbescherming. Wij willen een onafhankelijke rechtspraak en rechtsstaat. Dat kunnen niet veel landen ons nazeggen en dat moeten wij koesteren als een groot voorrecht.

Dit wetsvoorstel roept vooralsnog bij de fractie van D66 meer vragen op dan dat zij antwoorden heeft gekregen over dit wetsvoorstel. Het lijkt ook vrij dubieus in zijn bedoelingen. Het lijkt vooral symbolisch, omdat wij het probleem niet goed vast kunnen pakken; het kabinet zegt eigenlijk met zoveel woorden: er is geen probleem maar toch gaan we iets anders doen.

MevrouwHelder (PVV):

Voorzitter. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: de PVV is geen voorstander van de taakstraf. Alle goede bedoelingen ten spijt, is een taakstraf naar de mening van de PVV geen echte straf. Bij de invoering van deze alternatieve sanctie in 1989, toen nog Onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, is door de toenmalig minister gesteld dat de taakstraf een goede sanctie moest zijn in het kader van de speciale preventie. In gewoon Nederlands: de veroordeelde zou zich nog wel twee maal bedenken om nog een keer het criminele pad op te gaan nadat hij of zij een taakstraf had ondergaan. Onder de Nederlandse bevolking is er echter nauwelijks draagvlak voor het fenomeen taakstraf. Ik wijs op een onderzoek met de naam "Taakstraffen langs de lat: strafopvattingen van Nederlanders", gepubliceerd in Rechtstreeks 2010, nr. 3.

Het wetsvoorstel beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige gewelds- en zedendelicten bij recidive is volgens de PVV wel een stap in de goede richting geworden, zeker na de laatste nota van wijziging, zij het dat het een kleine stap is. Deze nota van wijziging sluit namelijk het opleggen van taakstraffen bij ernstige gewelds- en zedendelicten uit. Ook in het geval van recidive is het opleggen van een taakstraf in bepaalde situaties niet meer mogelijk. Dit is echter niets nieuws. Dit was al de bedoeling van de toenmalige minister van Justitie bij de invoering ervan in 1989.

Zoals gezegd, een stap in de goede richting maar ook niet meer dan dat, want waarom het onderscheid tussen ernstige gewelds- en zedendelicten en niet ernstige gewelds- en zedendelicten? Is dit onderscheid wel te maken? In juridische zin wel, maar daar gaat het niet om. Het gaat om de dader, het slachtoffer en om de maatschappij. Wat vinden zij ernstige gewelds- en zedendelicten? Ik wijs hierop omdat het doel van straf drieledig is. Ten eerste vergelding ofwel een terechtwijzing van de dader. Ten tweede enige genoegdoening voor het slachtoffer. Ten derde preventie, algemene en speciale preventie. In dat kader is de PVV van mening dat het onderscheid tussen ernstige en niet-ernstige gewelds- en zedendelicten niet is te maken. Mijn eerste vraag aan de staatssecretaris is dan ook of hij het hiermee eens is en, zo ja, of hij bereid is om dit in het wetsvoorstel te wijzigen. Mocht dat niet het geval zijn, dan heb ik daartoe een amendement ingediend. Voor de volledigheid wijs ik in dit kader op een motie, ingediend door de staatssecretaris in zijn vorige functie, waarin de regering wordt verzocht de taakstraffen uit te sluiten bij zedenmisdrijven, levensdelicten, mishandeling, doodslag of lichamelijk letsel door schuld waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Wellicht ten overvloede wijs ik op het bericht in De Telegraaf van 8 maart jongstleden met als titel "Werkstraf na doodrijden van twee meisjes". De dader kreeg een werkstraf van 180 uur. Dat is aan niemand uit te leggen. Hoewel ik besef dat dit niet het reguliere strafrecht betreft maar de Wegenverkeerswet, is die uitkomst volstrekt onacceptabel. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of dit kan worden meegenomen in het nieuwe artikel 22b en wel zodanig dat ook dood, zwaar lichamelijk letsel of lichamelijk letsel door schuld, zoals omschreven in de Wegenverkeerswet, niet meer kan worden bestraft met een kale taakstraf.

Verder verbaast het de PVV dat het wetsvoorstel het jeugdstrafrecht ongemoeid laat. Mijn volgende vraag aan de staatssecretaris is dan ook waarom het opleggen van een taakstraf bij dergelijke delicten, dus de ernstige zeden- en geweldsmisdrijven, in het jeugdstrafrecht nog wel mogelijk is. Ik noem weer twee gevallen die de media hebben gehaald. Een 15-jarige jongen kreeg een werkstraf voor het filmen van een verkrachting, waarbij het slachtoffer tevens had gedreigd dat hij het filmpje op internet zou zetten. Tegen een jeugdbende van 40 jongeren, gezamenlijk verantwoordelijk voor maar liefst 225 misdrijven in de omgeving van Veldhoven, is weliswaar nog geen uitspraak gedaan maar zijn door het OM werkstraffen gevorderd. Op 7 maart jongstleden konden wij lezen dat uit een in opdracht van dit ministerie uitgevoerd onderzoek, met de titel Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen, is gebleken dat veel jongeren een werkstraf "helemaal zo gek nog niet vinden". Veel indruk maakt het allemaal dus helaas niet. De taakstraf wordt niet als een straf ervaren.

De heerDibi (GroenLinks):

Ik kom terug op die twee voorbeelden uit de media. Heeft mevrouw Helder de dossiers ter inzage? Weet zij precies wat er is gebeurd? Is het OM nog in beroep gegaan? Werd die taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke gevangenisstraf? Kunnen wij daar iets meer informatie over krijgen of poneert mevrouw Helder dit in dit debat en moet dat dan maar meteen gezien worden als waarheid?

MevrouwHelder (PVV):

Ik voer dit aan ter onderbouwing van de opvatting van de PVV dat taakstraffen in dergelijke situaties niet opgelegd zouden moeten worden en niet opgelegd en gevorderd zouden moeten kunnen worden. Ik debatteer dus niet aan de hand van krantenkoppen. Ik debatteer aan de hand van het wetsvoorstel dat hier vandaag wordt behandeld. Ik haal deze voorbeelden aan ter onderbouwing van mijn pleidooi.

De heerDibi (GroenLinks):

Nee, mevrouw Helder haalt die voorbeelden aan om aan te tonen dat in zeer ernstige situaties toch een taakstraf wordt uitgedeeld en dat dit niet acceptabel is. Dan zou ik meer van die voorbeelden willen weten, want wij weten inmiddels al dat de uitzending waarop dit wetsvoorstel is gebaseerd, eigenlijk ook helemaal niet klopte. We nemen nu dus krantenkoppen aan als waarheid ter onderbouwing van een wet. Dat zou ik heel treurig en heel ernstig vinden. Kan mevrouw Helder ons iets meer informatie over die zaken geven of noemt zij hier gewoon een mediabericht dat verder niet veel betekent?

Devoorzitter:

Mevrouw Helder.

MevrouwHelder (PVV):

Ja, mevrouw Helder gaat daar zeker antwoord op geven. Ik ga eerst in op het punt van de ZEMBLA-uitzending, want daar had ik mij natuurlijk op voorbereid. Aan de hand daarvan is een onderzoek uitgevoerd met als titel "Moord, doodslag, taakstraf? Een ZEMBLA-uitzending nader bekeken." Dat brengt mij meteen bij de vraag van de heer Dibi, want in die ZEMBLA-uitzending werd gezegd dat een ware hausse aan taakstraffen werd opgelegd. In 250 gevallen was voor de derde keer een misdrijf begaan, 40 keer was voor de vierde keer een misdrijf begaan en een keer was zelfs voor de negentiende keer een misdrijf begaan. In 2006 kregen 883 zedendelinquenten een taakstraf, 54 vanwege een verkrachting en 225 vanwege een aanranding. Dit zijn enige feiten, geen krantenkoppen. In 590 gevallen was sprake van andersoortige zedenmisdrijven, zoals kinderporno. De bestrijding daarvan gaat ook de heer Dibi na aan het hart; daarom noem ik dat. In het daarna uitgevoerde onderzoek wordt inderdaad gesteld dat de informatie in ZEMBLA niet geheel waar was, "want taakstraffen voor moord of doodslag worden niet gegeven". Maar er zijn dus wel taakstraffen gegeven aan die 883 zedendelinquenten, waarvan – ik herhaal het – 54 voor een verkrachting, 225 voor een aanranding en 590 wegens andersoortige zedenmisdrijven. Mijn vraag aan de heer Dibi is dan ook of hij dit niet ernstig genoeg vindt. Hij noemt nu één voorbeeld. Ik kaats de bal terug: als dat voorbeeld waar zou zijn, vindt de heer Dibi dan echt dat iemand die onschuldige, op straat spelende kinderen doodrijdt, met een taakstraf weg zou moeten komen?

De heerDibi (GroenLinks):

Voorzitter. Mevrouw Helder noemde twee voorbeelden en ik wilde checken of die wel kloppen met de realiteit. In dat onderzoek is gehakt gemaakt van de uitzending van ZEMBLA. Net heb ik al duidelijk gemaakt dat "verkrachting" uiteraard heel ernstig klinkt, maar dat daar ook vele zaken onder vallen die minder ernstig zijn dan een echte verkrachting. Als mevrouw Helder het beeld wil oproepen dat taakstraffen door rechters worden opgelegd bij zeer ernstige misdrijven, moet zij dat kunnen onderbouwen, en wel op basis van feiten en niet op basis van krantenkoppen. Ik zou graag één voorbeeld willen horen van mevrouw Helder, waaruit blijkt dat bij een ernstige gewelds- of zedenzaak een taakstraf is opgelegd. Als zij mij één voorbeeld kan noemen, waarbij zij ook beschikt over het dossier, ga ik zitten.

Devoorzitter:

Dat weet ik nog niet zo net met u.

MevrouwHelder (PVV):

Dan kan de heer Dibi nu al gaan zitten, want ik heb er net 883 genoemd: 883 zedendelinquenten.

De heerDibi (GroenLinks):

Noemt u mij van eentje de details: waarover gaat het, over wat voor zaak gaat het, wat heeft de rechter geëist, wat heeft het OM gedaan? Of gaat u puur af op "zedenzaken", als u dat ziet staan, en bent u er dan klaar mee?

MevrouwHelder (PVV):

De heer Dibi is altijd heel goed in meten met twee maten en doet dat nu weer. Hij zegt: één voorbeeld en dan ga ik zitten. Ik heb er 883 genoemd. Hij meet met twee maten. Hij zei dat er vele zedendelicten zijn waarvoor je een andere straf zou kunnen opleggen, maar hij is zelf met één voorbeeld gekomen: die tongzoen, die al in de memorie van toelichting stond. De heer Dibi gaat inderdaad zitten, dus ik vervolg mijn betoog.

Het derde punt van kritiek op het wetsvoorstel. Een taakstraf kan niet meer worden opgelegd als sprake is van recidive van een soortgelijk delict. Maar waarom is het opleggen van een taakstraf bij recidive niet geheel uitgesloten? Als iemand recidiveert, heeft diegene toch niets geleerd van de taakstraf? Ofwel: geen speciale preventie. In ieder geval heeft die geen indruk gemaakt. Ik wijs in dit kader op de motie van mijn collega De Roon, welke mede is ingediend door de staatssecretaris in zijn vorige functie, inhoudende dat een taakstraf niet vaker dan eenmaal aan eenzelfde persoon kan worden opgelegd.

Een volgende vraag: waarom is in het wetsvoorstel niet tevens voorzien in de beperking dat een taakstraf niet kan worden opgelegd aan een persoon die in de voorgaande vijf jaar een vrijheidsstraf heeft ondergaan? Een motie met deze strekking is in het verleden ook door collega De Roon ingediend en mede-ingediend door deze huidige staatssecretaris, in zijn vorige functie. Graag ook daarover het oordeel van de staatssecretaris. Mijn laatste vraag aan de staatssecretaris is dan ook of hij bereid is om het wetsvoorstel overeenkomstig eerdergenoemde voorstellen aan te passen.

Ik kom tot de afronding. Dit kabinet heeft het voorkomen van recidive en het tegengaan van criminaliteit hoog in het vaandel staan. Derhalve wordt regelmatig gehamerd op de harde aanpak die dit kabinet voorstaat. Een taakstraf hoort daar niet bij, en al helemaal niet bij zeden- en geweldsmisdrijven, van welke ernst dan ook.

De heerRecourt (PvdA):

Voorzitter. De PVV heeft uiteraard, zoals iedere partij, recht op een mening. Maar nu het voorkomen van recidive. We hebben over een aantal onderzoeken gehoord. Het ene is wat succesvoller dan het andere, maar alle geven ze als uitkomst met betrekking tot de voorkoming van recidive – het gaat dan niet zozeer over vergelding, want daarover kun je denken wat je wilt – dat de taakstraf beter werkt dan een gevangenisstraf. Hoe past dat in de opmerkingen van mevrouw Helder?

MevrouwHelder (PVV):

Ik vind dat die onderzoeken appels met peren vergelijken; niet appels met koeien, zo ver wil ik niet gaan, maar wel appels met peren. Niet iedere persoon is immers hetzelfde. Recidive slaat terug op de persoon zelf. Iemand die een taakstraf opgelegd heeft gekregen en recidiveert, is iemand anders dan iemand die een vrijheidsstraf opgelegd heeft gekregen en recidiveert; diegene heeft een vrijheidsstraf ondergaan en geen taakstraf. Ik vind dat je die niet met elkaar kunt vergelijken. Op die vraag kan ik dus helemaal geen antwoord geven, behalve dat ik die onderzoeken en hun resultaten wel wil meenemen, maar niet meer dan voor kennisgeving; ik vind dat je dat niet kunt vergelijken.

De heerRecourt (PvdA):

Ik kan mevrouw Helder niet volgen. In het onderzoek dat ik ken, is gekeken naar vergelijkbare delicten. Bij het ene delict hebben daders een taakstraf gekregen, bij het andere delict een korte gevangenisstraf en er is gekeken wie daarna vaker in de fout ging. Nu, degenen met een gevangenisstraf gingen twee keer zo vaak in de fout. Waarom is dat niet te vergelijken?

MevrouwHelder (PVV):

Dat is heel goed niet te vergelijken, omdat de ene persoon de andere persoon niet is. De heer Recourt zei zojuist zelf al dat de ene persoon een vrijheidsstraf opgelegd heeft gekregen en de andere een taakstraf. Hoe moet ik die twee nu met elkaar vergelijken?

De heerRecourt (PvdA):

Ik concludeer dat voor mevrouw Helder überhaupt geen cijfermatige en wetenschappelijke onderbouwing te geven is als de cijfers niet vergelijkbaar zijn.

MevrouwHelder (PVV):

Nee, dat klopt. Daarom zeg ik ook dat ik het voor kennisgeving aanneem, want iemand die een vrijheidsstraf heeft ondergaan, zou misschien anders gehandeld hebben als hij een taakstraf had ondergaan. We kunnen dat niet meten, want hij heeft een vrijheidsstraf ondergaan. Iemand die een taakstraf heeft ondergaan, heeft die vrijheidsstraf niet ondergaan. Wie weet zou hij niet gerecidiveerd hebben, wanneer hij die vrijheidsstraf had ondergaan. Dat kunnen we niet meten.

MevrouwGesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik snap het echt niet. Bedoelt mevrouw Helder nu eigenlijk te zeggen dat degene die een taakstraf opgelegd heeft gekregen, wellicht ook een minder ernstig feit heeft ondergaan en daarom een minder grote kans heeft om te recidiveren?

MevrouwHelder (PVV):

Ik zeg hetzelfde als wat ik eerder heb gezegd: persoon A is niet persoon B en die kun je dus niet met elkaar vergelijken.

MevrouwGesthuizen (SP):

Gelooft de PVV-fractie dan überhaupt niet in enige vorm van statistisch onderzoek? We doen namelijk statistisch onderzoek op allerlei terreinen, in de gezondheidszorg, in de handel, eigenlijk overal. Je vergelijkt altijd groepen mensen met groepen mensen, want anders is het niet meer te doen.

MevrouwHelder (PVV):

Dat vind ik nu echt appels met koeien vergelijken en er iets met de haren bij trekken. Daar geef ik geen antwoord op, mevrouw Gesthuizen. Ik zeg dat, en nu ga ik toch antwoord geven, persoon A niet met persoon B te vergelijken is. Dat is toch iets heel anders dan de meetbare resultaten van het succes van een medische … Weet ik wat u er allemaal bij wilt halen? Persoon A is niet te vergelijken met persoon B. Persoon A heeft een vrijheidsstraf ondergaan en persoon B een taakstraf. Ik kan persoon A dus niet met persoon B vergelijken.

MevrouwGesthuizen (SP):

Dat zou dan ook betekenen dat als in het ene ziekenhuis 50% van de patiënten aan een openhartoperatie overlijdt, terwijl dat in het andere ziekenhuis bij een vergelijkbare operatie voor maar 3% geldt, er dus geen verschil in kwaliteit tussen de ziekenhuizen zou zijn omdat je patiënt A nooit met patiënt B zou mogen vergelijken. Ik vind dat echt een kolderredenering en ik vind het eigenlijk heel verdrietig dat ik op deze manier moet debatteren.

MevrouwHelder (PVV):

Ik ga niet herhalen wat ik al drie keer heb gezegd.

De heerDibi (GroenLinks):

Voorzitter. Misschien kan ik de vraag iets scherper formuleren. De afgelopen jaren zijn we doodgegooid met vergelijkingen van de PVV-fractie tussen Marokkaans-Nederlandse verdachten en autochtone verdachten. Marokkanen waren zes keer vaker verdacht dan autochtonen. Kunnen we die mensen dan ook niet meer met elkaar vergelijken? Neemt mevrouw Helder daar nu afstand van?

MevrouwHelder (PVV):

Dit valt volstrekt buiten de reikwijdte van dit debat. Ik ga hier niet eens antwoord op geven.

De heerDibi (GroenLinks):

Voorzitter. Mevrouw Helder zegt dat personen die een taakstraf opgelegd krijgen en daardoor minder recidiveren onvergelijkbaar zijn met personen die een gevangenisstraf krijgen en daardoor meer recidiveren. Ze kan persoon A niet met persoon B vergelijken, maar ze doet dat constant. Ook de PVV-fractie doet dat constant in debatten: personen met elkaar vergelijken op basis van afkomst. Neemt de PVV-fractie daarvan nu afstand omdat dat statistisch gezien niet kan, omdat personen nu eenmaal verschillend zijn en er andere sociaal-economische omstandigheden zijn, of zegt mevrouw Helder dat dat wel degelijk kan?

MevrouwHelder (PVV):

Ik zeg voor de vierde keer wat ik al drie keer heb gezegd: persoon A is in het geval van recidive na een taakstraf of een vrijheidsstraf niet met persoon B te vergelijken. Ik laat mij niet verleiden tot allerlei rare uitspraken.

De heerSchouw (D66):

Voorzitter. Ik liet die laatste opmerking nog even resoneren. Ik heb in de inbreng van de PVV-fractie gehoord dat zij eigenlijk af wil van taakstraffen. Dat komt neer op een stap op weg naar de gevangenissamenleving. Kan mevrouw Helder heel kort een kleine kritische beschouwing geven over die gevangenissamenleving? Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het element van kosten, het element van recidive en het feit dat mensen vaak slechter uit de gevangenis komen dan ze er ingaan.

MevrouwHelder (PVV):

De heer Schouw doet nu voorkomen alsof we alleen maar een taakstraf en een vrijheidsstraf hebben, en dan nog een onvoorwaardelijk vrijheidsstraf ook. Zo is het helemaal niet. Het gaat de PVV-fractie erom dat wij niet geloven in het strafelement van taakstraffen. Een rechter heeft dan nog voldoende arsenaal over. Hij zou bepaalde dingen ook af kunnen doen met een boete of een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, want het minimum is één dag. Veel van de effecten die u noemt, zie ik dus niet.

De heerSchouw (D66):

Het is voor mij een belangrijk punt. Ik ga daarom nog maar even door op de politieke positionering van de PVV, overigens ook omdat de PVV een grote fractie is.

Over taakstraffen zegt de PVV-fractie: daarin geloven wij niet en daar moeten wij van af. Verder hoor ik PVV'ers vaak zeggen dat er langer en intensiever moet worden gestraft. Dat gebeurt volgens mij heel vaak in een gevangenis of heb ik dat misschien ook verkeerd begrepen? Nu hoor ik mevrouw Helder echter op haar beurt zeggen dat er naast een gevangenisstraf ook alternatieven mogelijk zijn als boetes en dergelijke. Betekent dat dat de PVV-fractie de alternatieven voor een taakstraf daarin zoekt en dus niet in vrijheidsontneming?

MevrouwHelder (PVV):

De heer Schouw noemt als voorbeeld de kosten van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen. Ik vind dat je het om moet draaien. Van een straf moet een afschrikwekkende werking uitgaan. Ik noemde dat de speciale en de generale preventie. Als mensen weten dat er een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf kan worden opgelegd, dan bedenken ze zich echt wel twee keer. Ik ga er verder van uit dat mensen die toch het criminele pad op zijn gegaan en een vrijheidsstraf opgelegd hebben gekregen, zich een tweede keer heus wel bedenken als het maar een passende straf was. Uiteindelijk vallen de kosten daardoor lager uit.

De heerSchouw (D66):

Dank voor het antwoord. Maar voor zover ik kan nagaan in wetenschappelijke analyses gaat deze vlieger echt niet op.

MevrouwHelder (PVV):

Het is geen vraag, maar een stelling. De stelling van de PVV is dat een straf afschrikwekkend moet zijn en het slachtoffer genoegdoening moet bieden.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie is van mening dat bij het opleggen van straffen gedifferentieerd moet worden. Maatwerk is geboden! Net als een persoonsgerichte aanpak, iets waarvoor onze vorige minister, Ernst Hirsch Ballin, zich zo sterk heeft gemaakt en wat door dit kabinet is overgenomen.

De taakstraf is een van de bestraffingsmogelijkheden. Voor het behoud van het maatschappelijke en politieke draagvlak voor de taakstraf moet het duidelijk zijn wanneer deze vorm van straf wel en wanneer niet behoort te worden opgelegd. De CDA-fractie is van mening dat de taakstraf beslist een passende straf is voor lichte delicten. Ik verwijs daarvoor naar de successen die worden geboekt met taakstraffen in de buurt, iets waarvoor het CDA hard heeft gepleit, want die blijken heel goed te werken.

Wat de CDA-fractie betreft zijn taakstraffen bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven in beginsel niet aan de orde, zeker wanneer het delict een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft. Dat laatste wordt met dit wetsvoorstel geregeld. Helemaal prima!

Het opleggen van een kale taakstraf is door dit wetsvoorstel straks niet meer mogelijk. In het oorspronkelijke voorstel stond echter wel de mogelijkheid om een taakstraf op te leggen, indien naast die taakstraf een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel werd opgelegd. Die mogelijkheid is nu geschrapt. Op zichzelf kan ik mij daar iets bij voorstellen, maar die keuze vraagt wel om een uitvoeriger toelichting. Die staat nu niet op papier, want in één alinea in de tweede nota van wijziging wordt de hele redenering waarom een combinatie van straffen effectief kan zijn, van tafel geveegd. Dat is te kort door de bocht! Ik vraag mij zelfs af of het voorstel zo wel door de Eerste Kamer zal komen. Een nadere motivering is geboden.

In de nota naar aanleiding van het verslag – op het oorspronkelijke voorstel dus – staat dat de zwaarte van een voorwaardelijke straf niet moet worden onderschat. Gewezen wordt onder andere op de zwaarte van bepaalde bijzondere voorwaarden: het strikte toezicht door het Openbaar Ministerie en de reclassering en de proeftijd die kan oplopen van drie tot twaalf jaar. Het kabinet hecht ook zeer aan voorwaarden om iemand in het gareel te krijgen en te houden. Wij bespreken immers over een week een wetsvoorstel over de voorwaardelijke veroordeling en invrijheidstelling. Kan de staatssecretaris ons vandaag dan wat uitvoeriger uitleggen waarom hij de combinatie taakstraf/voorwaardelijke straf in dezen in het geheel niet meer wenselijk acht?

Laat meteen gezegd zijn dat ook de CDA-fractie haar bedenkingen heeft bij de combinatie van een taakstraf en een voorwaardelijke straf bij de delicten waarover wij vandaag spreken: delicten met een strafbedreiging van meer dan zes jaar en een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het ene ernstige delict is echter het andere niet. Wij kunnen weer verwijzen naar die gedwongen tongzoen. Misschien blijft de heer Dibi nu zitten; ik geef hem dan alvast antwoord zonder dat hij het aan mij vraagt. Terwijl wij hier het debat voerden, liep mijn mailbox alweer vol met voorbeelden waarvan je helemaal akelig wordt. Dat waren voorbeelden van mensen die zware delicten pleegden, waarbij het met name gaat om zedendelicten met kinderen onder de dertien, en die wegkwamen met een taakstraf. Daar krijgen wij een heel lijstje van binnen. Ik denk dan: dat is niet mogelijk.

Het is ook de reden dat ik mijn kinderen iedere keer van een brug af terroriseer wanneer zij denken dat het leuk is om te krijten op het asfalt. Ik zie dan weer het beeld voor mij van een – ik meen – beschonken rijder die de brug opkomt en die kinderen doodrijdt. Zo iemand is weggekomen met een taakstraf. Er zijn meer voorbeelden van de afgelopen weken waarin mensen die roekeloos hebben gereden en waarbij doodslag de kwalificatie was, uiteindelijk een taakstraf opgelegd hebben gekregen. Ik heb wat meer spitwerk gedaan omdat ik gewoon wilde weten waarover wij spreken. Vorige week is er een bende – een jeugdbende met wat oudere mensen ertussen – opgerold die ernstige delicten had gepleegd die onder deze kwalificatie zouden vallen. De leden ervan hebben uiteindelijk een taakstraf gekregen. Wat de CDA-fractie betreft, past dat niet. Ik zie dat de heer Dibi toch bij de interruptiemicrofoon is gaan staan.

De heerDibi (GroenLinks):

Zeker, voorzitter. Voor de GroenLinksfractie geldt dat een taakstraf onacceptabel is voor het soort misdrijven dat mevrouw Van Toorenburg noemt. Daarover kunnen wij wat mij betreft niet genoeg debatteren in deze Kamer. Elke keer als de lijstjes worden opgevraagd die mevrouw Van Toorenburg noemt en elke keer als er een voorbeeld wordt genoemd en wij kijken dieper naar de zaak, blijkt er echter helemaal niets van over te blijven. Als dit echt gebeurt in de praktijk – ik heb nog geen enkel voorbeeld kunnen vinden van moord of doodslag dat is afgedaan met een taakstraf – moet deze wet natuurlijk zo snel mogelijk worden ingevoerd. Ik zou die voorbeelden dan wel tot in detail willen zien. Misschien is dat een vraag aan de staatssecretaris en aan mevrouw Van Toorenburg. Laten wij om de tafel gaan zitten om de lijstjes die circuleren, goed met elkaar te bekijken. De Raad voor de Rechtspraak en alle betrokkenen kunnen die voorbeelden namelijk niet vinden.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

Dat laatste geloof ik niet. Dat geloof ik echt niet, want ik kan ze wel vinden. Daarom heb ik ook gespit. Daarom weet ik ook dat toen in 's-Hertogenbosch op de Hekellaan iemand werd doodgereden en deze dader een taakstraf kreeg, heel Den Bosch op zijn achterste benen stond. Mijn eigen stad. Ik ken de voorbeelden dus wel. Ik hoef er ook maar een te hebben. Ik wil gewoon niet dat wanneer iemand een delict pleegt waar zes jaar of meer voor staat en dat een ernstige inbreuk is op de lichamelijke integriteit, hij kan wegkomen met een taakstraf. Dat past er niet bij. Wij hebben taakstraffen bedacht voor lichte delicten. Er zijn geweldige projecten in de buurt waarvan jongeren echt iets leren en waardoor ze denken: misschien moet ik een keer een andere route in mijn leven kiezen. Helemaal prima. Ik weet ook dat ik dat soort kinderen als directeur van een jeugdinrichting niet zo vaak terugzag. Daarom zal ik de amendementen ook niet steunen die daarover gaan. Dat waren jongeren die op een andere manier leren omgaan met wat ze fout hebben gedaan. Bij ernstige delicten past dit echter niet. Als wij het daarover eens zijn, kan de heer Dibi dit wetsvoorstel volgens mij glansrijk steunen.

De heerDibi (GroenLinks):

Daar zijn wij het hartgrondig over eens. De Raad voor de Rechtspraak, het Openbaar Ministerie en belangrijke juristen – ik noem de heer Knoops – hebben gezocht en gezocht en hebben gekeken of dit nu echt gebeurt of niet. Behalve een paar incidentele afwijkingen hebben zij niets gevonden. Wij kunnen het hierover eens worden. Ik wil best voorstemmen als dit wetsvoorstel alleen zou regelen dat wij nooit meer taakstraffen opleggen bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven, maar dat doet dit wetsvoorstel niet. Dit wetsvoorstel doet veel meer en grijpt veel meer in op de vrijheid van de rechter.

Devoorzitter:

Het moet echt korter, mijnheer Dibi!

De heerDibi (GroenLinks):

Voorzitter, heel kort dan: dit wekt allemaal de indruk dat onze rechters het allemaal fout doen. Ik hoop dat mevrouw Van Toorenburg mij dat nazegt. Het geldt ook voor de voorbeelden die mevrouw Van Toorenburg heeft genoemd. Ik zou willen, dat het CDA daar afstand van neemt.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

Ik zeg niet, dat rechters het allemaal fout doen. Wij geven de rechter wetten en de rechters hanteren die wetten. Wij hebben er behoefte aan om rechters meer richting te geven. Dat hebben wij niet voor niets bij de begrotingsbehandeling aangegeven. Dit is de richting die wij ze op willen sturen. Dat is de taak van de wetgever. Ik zal nooit zeggen dat de rechters daarmee fouten maken, als wij hun de ruimte geven om iets te doen. Maar wij van het CDA mogen wel zeggen dat wij het niet passend vinden dat bij bepaalde delicten bepaalde straffen worden opgelegd. Dat pad wordt hiermee afgesneden.

Devoorzitter:

Met het oog op de klok ga ik echt proberen, een beetje tempo te maken.

Het woord is aan de heer Schouw.

De heerSchouw (D66):

Mevrouw Van Toorenburg zei heel juist dat er een groot risico is dat dit wetsvoorstel niet door de Eerste Kamer komt, vooral ook omdat de Eerste Kamer, in het verlengde van het advies van de Raad van State, zich zal afvragen wat het probleem is. Hoe kijkt mevrouw Van Toorenburg aan tegen de opmerking van de Raad van State dat er geen probleem is? Hoe kijkt zij aan tegen de constatering van dit kabinet, maar ook van het vorige kabinet, dat er eigenlijk geen enkel probleem is, gelet op wat er uit onderzoek blijkt rond taakstraffen enzovoort?

Devoorzitter:

Mevrouw Van Toorenburg, u kent de vragen.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

Ja, ik ken de vragen. De vraag is eigenlijk vergelijkbaar met die van zojuist. Ik zie wel een probleem. Ik zie af en toe een situatie waarvan ik denk: daarvoor hebben wij de taakstraffen niet bedacht. Ik wil niet meer dat het in de toekomst nog gebeurt. Daarom wil ik hierin rechters richting geven. Dit is niet het pad waarop u wilt gaan. Ik vind dus niet dat de Raad van State hierin gelijk had, want anders zou ik meteen hebben gezegd: regering, trek het wetsvoorstel rustig in, wat de CDA-fractie betreft. Dat heb ik niet gezegd, omdat ik erin geloof.

Voorzitter. De CDA-fractie aarzelt om bij zware zaken de combinatie van de taakstraf en de voorwaardelijke straf op te leggen. Ergens rijst toch wel de vraag waarom het pad van de combinatie van taakstraf en een onvoorwaardelijke straf moet worden afgesneden. Past dit niet juist in de lijn van de persoonsgerichte aanpak, die ook dit kabinet onderschrijft? Voor de goede orde: wij hebben een amendement ingediend om deze ruimte te laten bestaan. Uit onderzoek blijkt dat taakstraffen uit oogpunt van het voorkomen van recidive effectiever kunnen zijn dan gevangenisstraf alleen. Slachtoffers voorkomen is ook in het belang van het slachtoffer. Feitelijk ontstaat dan de keuze tussen een taakstraf met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een straf zoals wij die over een week bespreken, namelijk een deels voorwaardelijke straf, met allerlei specifieke voorwaarden. Uiteindelijk hebben wij dan nog meer maatwerk.

Het wetsvoorstel geeft grenzen aan voor gevallen waarin taakstraffen niet kunnen worden opgelegd, zoals bij veroordelingen voor misdrijven waarop een straf van zes jaar staat, of bij als er eerdere veroordelingen waren. Wij hebben die gevallen genoemd. Alle grenzen, zeker wanneer er sprake is van ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit, kunnen arbitrair zijn. De vraag kan dus zijn of de aangegeven grenzen misschien te hoog of te laag zijn. In onze inbreng voor het verslag hebben wij aangegeven dat wij uit de over het wetsvoorstel uitgebrachte adviezen de indruk kregen dat de rechtspraktijk aan het begrip lichte delicten die voor een taakstraf in aanmerking komen, een wat ruime interpretatie geeft. De regering stelt, die indruk niet te hebben, en wijst op alle eerder genoemde relevante factoren waarmee de rechter rekening moet houden. Die indruk heeft iets onbevredigends. Uiteindelijk gaat het om de overtuiging dat ernstige misdrijven op een geloofwaardige manier worden bestraft. Daarom vinden wij een goede evaluatie van de uitwerking van dit wetsvoorstel van belang, in samenhang met het wetsvoorstel dat wij over anderhalve week bespreken. In de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven dat de regering voornemens is, naar de effecten van het onderhavige wetsvoorstel te kijken en die te evalueren. Daarbij zal de regering de aanscherping van het strafvorderingsbeleid van het openbaar ministerie te betrekken. Wanneer kan die evaluatie naar de Kamer komen?

In het verslag over het oorspronkelijke voorstel hebben wij gevraagd naar de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, indien een taakstraf niet of niet naar behoren is verricht. Het antwoord was, dat slechts in uitzonderlijke gevallen, zoals ziekte, ongeval of geestelijke stoornis, geen omzetting plaatsvindt. Op het punt van de omzetting is er ook een wijziging aangebracht. Die wijziging steunen wij. Het moet echt geen lachertje worden. Ik herinner mij nog zo goed de frustraties van de reclasseringsmedewerkers, die opnieuw iemand voor zich kregen die een taakstraf moest vervullen die hij eerder niet had uitgevoerd. Ik doe het niet voor, mevrouw de voorzitter, maar zij staken hun middelvinger op en zeiden lachend: je denkt toch werkelijk niet dat ik het nu wel ga doen? Iedere keer zeiden die reclasseringsmedewerkers tegen mij: wij worden hier helemaal gillend gek van, want waarom is het nu zo dat, wanneer wij hebben gezien dat iemand het niet wil en zijn straf gewoon verzaakt, een rechter zegt: ga het nog maar een keer doen. Dan zitten zij weer voor ons. Wij worden gewoon uitgelachen. Wat de CDA-fractie betreft mag het niet zo zijn dat iemand, wanneer hij laat zien dat hij niet van plan is een taakstraf uit te voeren, nog een keer de gelegenheid krijgt om het wel te gaan proberen. Eén keer, en dan is het afgelopen!

De heerDibi (GroenLinks):

Voorzitter. Jaarlijks leggen strafrechters ruim 30.000 taakstraffen op. De taakstraf is populair bij strafrechters. Dat is begrijpelijk, want terwijl het recidivepercentage van ex-gedetineerden boven de 70 uitstijgt, recidiveert van de taakstraffers 50%. Dat recidivecijfer is nog steeds hoog, maar substantieel beter dan de resultaten van detentie. "Aan de bak in plaats van in de bak" werkt vaak beter. Toch is een taakstraf niet altijd even wenselijk. Daarom vind ik ook dat de Kamer het volste recht heeft om in te grijpen als wij zien dat de rechtshandhaving niet werkt zoals wij het zouden willen of dat ze zo veel weerstand oproept in de samenleving en bij de slachtoffers dat we er misschien wel iets aan moeten veranderen.

De heerVan der Steur (VVD):

Voorzitter. Ik moet het betoog van de heer Dibi toch op dit punt onderbreken, omdat ook hij de redeneerfout maakt die eerder al door mevrouw Gesthuizen werd gemaakt. Ik doel op het punt dat zolang de pakkans niet 100% is, het recidivecijfer strikt genomen niets zegt. Dan is dus de vraag hoe de heer Dibi daartegenaan kijkt.

De heerDibi (GroenLinks):

Voorzitter. De heer Dibi kijkt daar als volgt tegenaan: komt u maar met die 3000 extra agenten die beloofd waren, dan kunnen we de pakkans aanzienlijk verhogen. Dan hebben we het echt over de kern van de zaak. Als wij uiteindelijk echt minder criminelen willen hebben en als we een criminaliteitsvrije toekomst willen, dan is dat ook afhankelijk van voldoende capaciteit voor de handhaving.

De heerVan der Steur (VVD):

Ik gebruikte de heer Dibi vroeger ook al voor mijn trainingen debatkunst. Een voorbeeld is het niet-beantwoorden van een vraag. De vraag was heel eenvoudig de volgende. Als de pakkans niet 100% is, wat zeggen dan de recidivecijfers? Dan komt de heer Dibi met een totaal ander onderwerp, een totaal ander issue. De vraag blijft echter overeind. Wat zeggen nu de recidivecijfers als die pakkans niet 100% is? Het antwoord daarop is dus: niets. Dat is ook het vervelende aan die cijfers en het is de reden waarom ik aan de staatssecretaris heb gevraagd of hij daar nu eens inzicht in wil geven. Het is maar de vraag of het enthousiasme dat de heer Dibi uitstraalt voor de taakstraffen en de recidivecijfers bij taakgestraften terecht is. Ik hoop dat het zo is. Dat zou prachtig zijn, maar noch de heer Dibi, noch mevrouw Gesthuizen kan het bewijzen.

De heerDibi (GroenLinks):

Ik wil best erkennen dat de vergelijking niet 100% opgaat. Dat neemt echter niet weg dat de taakstraf op dit moment veel beter werkt dan detentie. Al zijn die straffen niet makkelijk een-op-een met elkaar vergelijkbaar – ik wil niet aan makkelijke politiek doen – dan nog zien we gewoon dat een delinquent die een taakstraf opgelegd krijgt, minder vaak in herhaling valt. Dat is ontzettend mooi en dat moeten we koesteren. Daarom is het ook wel begrijpelijk dat onze strafrechters soms de voorkeur geven aan een taakstraf.

De heerVan der Steur (VVD):

Voorzitter. Ik ben onder de indruk van ook dit trucmatige antwoord van de heer Dibi, met name omdat hij zegt: "wij zien gewoon dat het werkt". Met dat antwoord was ik net niet weggekomen als ik op de vraag: "geef mij één voorbeeld waaruit een en ander blijkt" had gezegd: wij zien gewoon dat het werkt. Ik stel echter vast dat de heer Dibi geen bewijs kan leveren voor zijn stellingen en dat zijn stellingen niet kloppen, al hopen wij allemaal dat ze waar zijn.

De heerDibi (GroenLinks):

Voorzitter. Ik bedenk het niet zelf. Ik heb slechts in antwoord op een kritische vraag van de heer Van der Steur een nuancering gepleegd. Het onderzoek ligt er en de heer Van der Steur kent het. In dat onderzoek staat keihard – de mensen die het hebben opgesteld, zijn heus niet gek – 50% recidive bij taakstraffen en 70% recidive bij detentie. Als de heer Van der Steur dit echt zo belangrijk vindt, dan zeg ik: laten wij werk maken van die 3000 extra agenten.

Devoorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heerDibi (GroenLinks):

Graag. Wat GroenLinks betreft, zijn taakstraffen volwaardige straffen. Toch knaagt het soms. Ik ga daar twee redenen voor noemen. Ik begin bij de strafbeleving bij met name jongeren. Er zijn jongeren die, wanneer zij een taakstraf opgelegd krijgen, ons allemaal keihard uitlachen. Mevrouw Van Toorenburg zei al dat ze een dikke middelvinger opsteken. De heer Van der Steur noemt ook voorbeelden: als het maar niet in het weekend is, als het maar niet in mijn eigen buurt is, als ik maar geen werkkleding hoef te dragen, dan vind ik het allang best dat ik een taakstraf krijg. Daar moet iets aan veranderen. Wat ons betreft moet de kwaliteit van de taakstraf omhoog. Het aspect van vergelding – ook GroenLinks vindt dat belangrijk, naast resocialisatie – moet er wel inzitten. Er zijn interessante suggesties gedaan voor verbetering van de taakstraf. Ik vraag de staatssecretaris of hij bereid is om binnen afzienbare tijd met een plan te komen om de taakstraf te vernieuwen, te moderniseren en wat steviger te maken. Wij willen niet dat de taakstraf wordt afgeschaft, zoals sommige fracties willen, omdat het recidivecijfer lager is.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

De heer Dibi zegt dat verschillende fracties de taakstraf willen afschaffen. Zou hij willen aangeven welke fracties dat zijn?

De heerDibi (GroenLinks):

Het was misschien een verspreking, maar zeker geen freudiaanse. Ik doelde op de PVV-fractie. Zij zijn met zo veel tegenwoordig, dat ik soms denk dat het verschillende fracties zijn. Ik doelde echter op één politieke beweging.

Er is een tweede reden dat taakstraffen toch soms knagen, namelijk het onderzoeksprogramma ZEMBLA. GroenLinks juicht de waakzaamheid van de media en het publiek wat betreft het functioneren van de strafrechtspleging enorm toe. Blijf alstublieft goede programma's maken over de vraag of dingen goed gaan of niet. In de gewraakte uitzending van ZEMBLA uit 2007 werd gerapporteerd over de toepassing van taakstraffen in gevallen van moord, doodslag en zedendelicten. Daarvoor zijn taakstraffen toch niet bedoeld? Rechters kunnen toch niet zo losgezongen zijn van de realiteit dat zij verkrachtingen en moorden met leer- en werkstraffen afdoen? Dat was een beetje het algemene gevoel na afloop van die uitzending.

Groot is dan ook de opluchting om te lezen dat de realiteit veel minder schokkend is dan gedacht. Sterker nog, het blijkt eigenlijk een beetje een broodjeaapverhaal te zijn. Uit het onderzoek "Moord, doodslag, taakstraf?" van de Raad voor de rechtspraak en het Openbaar Ministerie blijkt dat de werkelijkheid veel genuanceerder is. Sterker nog, strafrechters blijken helemaal geen taakstraffen te hebben opgelegd in gevallen van moord en doodslag. Waar werd gesproken over verkrachting, ging het bijvoorbeeld om een gedwongen tongzoen. Daar mogen wij nooit denigrerend over doen, want het is een flagrante aantasting van de integriteit van het slachtoffer. Qua ernst is een gedwongen tongzoen echter net iets minder zwaar te kwalificeren dan een verkrachting.

De heerVan der Steur (VVD):

Ik ben niet zo voor lijstjes, maar ik heb er wel een in mijn hand. De heer Dibi zal ongetwijfeld straks zeggen dat hij het hele dossier moet zien.

De heerDibi (GroenLinks):

Ja, zeker.

De heerVan der Steur (VVD):

Dat ben ik volledig met hem eens. Het voorbeeld dat hier staat, is echter gewoon zoals het is. Een man wordt veroordeeld wegens het meermalen seksueel binnendringen van een meisje van 14 of 15 jaar, niet onder dwang maar onder grote emotionele druk. Het Openbaar Ministerie vraagt 30 maanden gevangenisstraf en de veroordeling is 8 maanden voorwaardelijk en 240 uur werkstraf. Dat kan de VVD-fractie aan niemand uitleggen.

De heerDibi (GroenLinks):

Dat kan de fractie van GroenLinks ook aan niemand uitleggen. Nogmaals, het is vervelend om te zeggen, maar ik wil meer van die zaak weten. Waarom is het Openbaar Ministerie niet in beroep gegaan? Was er sprake van een combinatie met een andere straf? Wat was er precies aan de hand in die zaak? Als wij hier alleen maar op basis van horen zeggen gaan bepalen wat de rechter had moeten doen, hoeven wij geen rechters meer te hebben. Dan zetten wij gewoon allemaal Kamerleden in al die rechtbanken. Ik wil hier echt serieus naar kijken. Als blijkt dat dit de alledaagse realiteit is in onze rechtshandhaving, moeten wij daar meteen een einde aan maken. Dat is echter nog maar de vraag.

De heerVan der Steur (VVD):

Hiermee moet de heer Dibi heel voorzichtig zijn. De aanvliegroute die hij nu kiest, is een totaal andere dan de route die de VVD-fractie kiest. De heer Dibi zegt: de rechter heeft het niet goed gedaan.

De heerDibi (GroenLinks):

Nee.

De heerVan der Steur (VVD):

Dat is niet het standpunt van de VVD-fractie. Zij stelt dat de Kamer de wetgevende macht is en dat zij moet bepalen wat de grenzen zijn waarbinnen de rechtspraak moet plaatsvinden. In het geval van dit soort delicten zeggen wij om principiële redenen dat de wetgevende macht vindt en moet vinden dat dit niet meer kan. Dat zegt niets over de uitvoering. Dat is een gevoelig punt. Daar wil ik verre van blijven.

De heerDibi (GroenLinks):

De heer Van der Steur creëert heel opzichtig een tegenstelling die er helemaal niet is. Het Openbaar Ministerie heeft een aantal richtlijnen waar openbare aanklagers zich aan moeten houden en rechters moeten gewoon simpel toetsen aan de wet, waarbij zij moeten kijken naar alle omstandigheden. Als dat niet gebeurt, kunnen er fouten worden gemaakt. Als het niet gebeurt doordat de wet niet duidelijk is, moeten wij hier die wet duidelijker of strenger maken. Daar bestaat geen verschil van mening over. De vraag is of deze wet in de Kamer ligt omdat er een probleem is in de praktijk of omdat wij naar aanleiding van een uitzending van een of ander televisieprogramma een wet hebben gemaakt die totaal niet strookt met wat onze rechters doen, waarmee wij onze rechters onterecht in het verdachtenbankje zetten. Dat is de kernvraag, wat mij betreft.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

Het is bijna geen retorische vraag, maar ik kan er wel heel duidelijk in zijn. Onder het vorige kabinet is deze wet gemaakt omdat er voorbeelden zijn die wij niet willen zien. Dat is het debat dat wij net hebben gevoerd. Die voorbeelden hebben wij ook net weer opnieuw genoemd. Zolang er voorbeelden zijn waarin rechters de ruimte nemen die hun geboden wordt, waarbij wij vinden dat dat niet moet, zijn wij aan de beurt om ervoor te zorgen dat die ruimte wordt dichtgeschroeid. Dat is de reden waarom die wet hier ligt.

Devoorzitter:

Dit punt hebben wij al een aantal keren uitvoerig behandeld, dus ik stel voor dat de heer Dibi zijn betoog vervolgt.

De heerDibi (GroenLinks):

Voorzitter, die voorbeelden zijn dus niet duidelijk genoeg. Mevrouw Van Toorenburg noemt ook een aantal voorbeelden als het gaat om verkeersongevallen. Dat is niet aan de orde als het gaat om deze wet, want dan gaat het om dood door schuld, waar een strafbedreiging van vier jaar op staat. Dat valt dus automatisch niet onder deze wet. Het probleem met voorbeelden is dat zij nooit recht doen aan de algemene tendens.

Ik ken de voorgeschiedenis heel goed van deze wet. Ik weet precies wanneer de uitzending van ZEMBLA was en wat er toen gebeurde in het mondelinge vragenuurtje – daarbij was de huidige staatssecretaris Teeven betrokken als Kamerlid – wat er toen gebeurde in het AO en waarom deze wet precies in het leven is geroepen. Er is een causaal verband tussen de uitzending van ZEMBLA en deze wet. Ik zou het jammer vinden als een ander, structureel probleem ten grondslag ligt aan die uitzending van ZEMBLA – dat is ook wat ik vraag aan het kabinet – want dan is het niet meer dan terecht dat wij hierover praten, maar dat moet eerst duidelijk worden.

MevrouwVan Toorenburg (CDA):

Onze vorige minister van Justitie heeft geen wet gemaakt omdat hij ZEMBLA had gezien, laat dat even heel duidelijk zijn. Daarnaast is het beslist niet altijd zo dat wanneer iemand wordt doodgereden in het verkeer alleen maar sprake is van dood door schuld. Dat kan wel degelijk doodslag zijn geweest. Dat zijn de zaken waarop ik heb gedoeld.

De heerDibi (GroenLinks):

Ik ga niet in casuïstiek vervallen. Het ging volgens mij om een beschonken man en dan is het toch een andere zaak.

De heerVan der Staaij (SGP):

Mijn vraag is niet flauw bedoeld, maar het valt mij wel op dat de heer Dibi nu om voorbeelden vraagt. Zijn dat niet bij uitstek dingen die ook heel goed in de schriftelijke gedachtewisseling passen? Waarom heeft de fractie van GroenLinks die vragen niet ook aan de orde gesteld in plaats van daarmee eigenlijk pas in de laatste fase van de plenaire behandeling te komen?

De heerDibi (GroenLinks):

Dat is inderdaad een heel flauwe vraag, omdat mijn fractie helaas heel vaak niet kan meedoen aan de schriftelijke rondes vanwege het feit dat wij niet groot genoeg zijn. Als ik heel flauw zou willen doen, zou ik nu ook aan u kunnen vragen waar u was bij het debat over de bezuinigingen op de jeugdzorg in Limburg. Laten wij elkaar niet op die manier de maat nemen.

De heerVan der Staaij (SGP):

Het was niet bedoeld om de heer Dibi de maat te nemen, maar als hij nu nogal fors een punt aanzet en en vraagt waar alle voorbeelden blijven … Inderdaad gebeurt het ons als kleine fractie ook wel dat wij niet kunnen meedoen, maar dan heeft dat ook gevolgen voor de inbreng in de allerlaatste fase van de behandeling van een wetsvoorstel. Dat is het enige punt dat ik wilde noemen.

De heerDibi (GroenLinks):

Ik vind dit een onterecht punt. Wat de heer Van der Staaij mag verwachten van een Kamerlid, van welke partij dan ook, is dat hij of zij goed voorbereid deelneemt aan het debat. Dat heb ik gedaan. Ik heb de onderzoeken gelezen en de grondslag van deze wet, namelijk dat de rechtspraktijk niet strookt met wat wij hier hebben afgesproken. Dan is het niet meer dan normaal dat ik ook in dit debat, dus niet alleen maar via een papieren, schriftelijke ronde, de vraag neerleg bij de verschillende fracties, maar ook bij het kabinet waarom wij op deze wijze ingrijpen in de vrijheid van rechters. Dus natuurlijk had ik graag meegedaan aan de schriftelijke ronde, maar in die periode hadden wij zeven Kamerleden en dan kan dat niet altijd. Dat moet de heer Van der Staaij als geen ander weten. Wat hij van mij mag verwachten, is dat ik hier op basis van de feiten een debat voer. Ik wil er graag mee verdergaan, want dit duurt best lang.

Strafrechters blijken maatwerk te prefereren boven de dwangbuis. De praktijk wijst uit dat de keuze tussen een taakstraf en een gevangenisstraf afhangt van de opstelling van de verdachte, de omstandigheden van het geval, de erkenning van de verdachte dat er iets vreselijk mis is gegaan wat niet meer mag voorkomen en de bereidheid van de verdachte om daaraan te willen werken. De taakstraf kan dan voorzien in een sanctiemodaliteit die schuld vergeldt – dat is belangrijk – maar die ook handvatten biedt voor een criminaliteitsvrije toekomst, dus die recidive voorkomt.

Kort en goed, de reden waarvoor dit wetsvoorstel is geschreven, is welbeschouwd komen te vervallen als dat echt de uitzending van ZEMBLA was. Oneerbiedig gezegd, de gelegenheid voor deze gelegenheidwet is er niet meer. Kan de staatssecretaris aangeven wat volgens hem de grondslag is voor deze wet? Graag krijg ik van de staatssecretaris feiten en cijfers over de toepassing van taakstraffen bij ernstige delicten die als levens- of zedendelict worden aangeduid, met uitzondering van strafzaken waarin de klassieke vertekening, zoals de gedwongen tongzoen, speelt. De fractie van GroenLinks kan alleen instemmen met dit wetsvoorstel als "een ernstig en precies omschreven probleem zal worden opgelost". Ik gebruik hierbij de woorden uit het advies van de Raad van State. Ook dat advies heb ik gelezen. Vooralsnog ben ik er niet van overtuigd dat hiermee een ernstig en precies omschreven probleem wordt opgelost. Lezing van het wetsvoorstel en het onderzoeksrapport van de Raad voor de rechtspraak doet vermoeden dat hier eigenlijk slechts een bestaande praktijk wordt gecodificeerd. Met andere woorden: wij leggen nog even vast in de wet wat rechters eigenlijk iedere dag al doen. Dat kan. Wij kunnen die principiële keuze maken. Maar schijn bedriegt. Rechters worden hiermee namelijk beknot in hun straftoemetingsvrijheid. Dat is een aantasting – ik gebruik opnieuw de woorden van de Raad van State – die stevige onderbouwing vergt. Die onderbouwing is er niet. Het voorstel dat nu voorligt, is ook niet ter consultatie aan de Raad van State voorgelegd.

De Nederlandse strafrechtspleging wordt gekenmerkt door een groot vertrouwen in de strafrechter. De rechter onderzoekt alle omstandigheden van de zaak en levert, zoals gezegd, maatwerk bij de sanctionering. Die sanctionering kan bestaan uit een op vergelding gerichte gevangenisstraf, maar ook uit een therapie die is gericht op een toekomst van de veroordeelde die vrij is van criminaliteit, en alles daartussenin. Binnen de bestaande wettelijke grenzen is veel variatie mogelijk. Uit dit wetsvoorstel blijkt dat het kabinet, de coalitiepartijen en de gedoogpartner de strafrechter eigenlijk helemaal niet zo vertrouwen. Dat is wederom niet terecht, gezien het rapport van de Raad voor de rechtspraak en het OM. GroenLinks is, met het oog op noodzakelijk rechterlijk maatwerk in strafzaken, een principieel en verklaard tegenstander van de invoering van minimumstraffen. Dit wetsvoorstel is eigenlijk "minimumstraffen-light" of betekent eigenlijk de invoering van een minimumstraf in vermomming.

De heerVan der Steur (VVD):

Ik moet de heer Dibi wederom wijzen op het feit dat hij echt een denkfout maakt. De wetgevende macht is de wetgevende macht. De rechtsprekende macht is de rechtsprekende macht. Het lijkt wel of hij de verschillen daartussen niet goed ziet. De wetgevende macht bepaalt binnen welke kaders de rechters moeten oordelen. Daarover kunnen wij onze eigen principiële en wellicht morele oordelen hebben. Wij kunnen daarbij vanuit het liberalisme aanvliegen, vanuit het socialisme of vanuit wat de heer Dibi doet. Dat is allemaal prima en dat zijn keuzes. Je kunt echter niet roepen dat het feit dat wij onze wetgevende taak serieus nemen, betekent dat wij de rechterlijke macht niet vertrouwen. Dat is een principiële denkfout. Ik werp die suggestie namens de VVD-fractie in ieder geval verre van mij.

De heerDibi (GroenLinks):

Wat ik hier doe, beschouw ik als echt liberalisme. GroenLinks heeft veel vertrouwen in de rechtspraak. De geestelijk vader van de gedwongen tongzoen, de heer Van der Steur, heeft zelf ook aan het kabinet gevraagd of wij hiermee de rechter niet onnodig beperken. Hij kan de bal dus wel terugkaatsen, maar wij zijn het volgens mij eens over een aantal kritische punten. De heer Van der Steur doet heel stoer en zegt: er mogen nooit taakstraffen worden opgelegd bij ernstige zedenmisdrijven. Daarmee ben ik het helemaal eens. Ik ben er echter nog niet van overtuigd dat dit nu echt plaatsvindt.

Wij moeten niet vanuit de plenaire zaal van de Tweede Kamer op basis van een krantenkop of een actualiteitenprogramma het signaal afgeven dat strafrechters stevigere straffen moeten opleggen, of dat zij totaal losgezongen zijn van de realiteit. Strafrechters moeten maatwerk kunnen blijven leveren, waardoor veroordeelden zo worden gestraft dat aan de samenleving, slachtoffers én daders recht wordt gedaan. Als je slachtoffers vraagt wat ze het belangrijkst vinden, zegt het merendeel: ik wil niet dat de dader nog meer slachtoffers maakt. Daarin moet de strafrechtspleging ook voorzien. Zij mag dus niet alleen de vergeldende motieven dienen.

Kort door de bocht gezegd, wordt met dit wetsvoorstel de doelgroep van de taakstraf beperkt tot first offenders. Het is de vraag of dit een vergaande beperking is van het toepassingsbereik van taakstraffen. Ik ontvang graag een overzicht in cijfers. In hoeveel gevallen leggen rechters eenzelfde persoon meermalen achtereen een taakstraf op? Lagen de specifieke omstandigheden daarbij toch niet net even anders? In het eerder genoemde onderzoeksrapport van de Raad voor de rechtspraak lees ik dat het opleggen van hoge aantallen taakstraffen aan dezelfde persoon vooral voorkomt bij overtredingen en wordt veroorzaakt door een wetstechnisch probleem. Ik heb hiervoor een amendement in voorbereiding. Maar ik zeg eerlijk dat ik zelf twijfel aan de juistheid ervan. Ik vind namelijk ook dat de taakstraf niet zomaar meermalen aan dezelfde offender moet worden opgelegd. Ik vraag mij echter wel af of dat ook gebeurt. En als het af en toe gebeurt, is het dan niet te begrijpen als wij de omstandigheden daarbij bezien? Ik twijfel hier dus nog over. Ik wil graag van de staatssecretaris weten of dit zich echt aan de lopende band voordoet en, zo ja, waarom.

De strafwetgever – dat zijn wij – moet zich rekenschap geven van zwaarwegende argumenten om de vrijheid van de strafrechter te beknotten. De rechterlijke macht doet jaarlijks meer dan 150.000 strafzaken af. Elke strafzaak wordt inhoudelijk diepgaand geanalyseerd en elke strafrechter – daarvan ben ik overtuigd – geeft zich niet alleen rekenschap van zijn of haar zware verantwoordelijkheid om de rechtsstaat te behoeden voor onterechte veroordelingen en, niet te vergeten, onterechte vrijspraken, maar vooral ook om recht te doen aan de gevoelens die in de samenleving en bij het slachtoffer leven. Strafrechters zijn hierin getraind en bedreven. Daar mag iedereen wat van vinden. Het gekke is echter dat mensen vanaf de zijlijn in hun oordeel opmerkelijk dicht bij de rechterlijke uitkomst komen naarmate zij meer van de strafzaak weten. Als burgers alle details van een strafdossier kennen – daarom stelde ik een vraag over al die voorbeelden – komen ze vaak tot hetzelfde oordeel als de rechter. Dit maant tot grote voorzichtigheid bij het beperken van de rechterlijke straftoemetingsvrijheid. Ik ontvang daarom graag een stevige onderbouwing van de noodzaak om dit wetsvoorstel te moeten willen. Welk probleem lossen wij hier precies mee op? Creëren wij niet juist problemen?

MevrouwHelder (PVV):

De heer Dibi deed het zo-even voorkomen alsof deze Kamer als volksvertegenwoordiger en medewetgever door te doen wat zij moet doen, namelijk zorgen voor wetgeving, geen vertrouwen heeft in de rechterlijke macht. De heer Van der Steur heeft dit namens de VVD-fractie verre van zich geworpen. Vanzelfsprekend doe ik hetzelfde namens de PVV-fractie. Het gaat ook om het vertrouwen van de Nederlandse burger in de rechtspraak, meer in het bijzonder in het strafrecht en de preventieve werking. Volgens het rapport Rechtstreeks 2010, nummer 3, beschouwt de Nederlandse bevolking de taakstraf niet echt als straf, terwijl deze wel deel uitmaakt van de sancties waaruit rechters kunnen kiezen. Hierdoor zou de legitimiteit van het Nederlandse strafrecht bij de burger onder druk komen te staan. Kan de heer Dibi hier een antwoord op geven?

De heerDibi (GroenLinks):

Ik vind dat een groot probleem. Het feit dat het draagvlak voor de taakstraf in de samenleving klein is, is reden om het kabinet te vragen om hier wel werk van te maken. Bij heel veel Nederlanders is het beeld dat een pedoseksueel wegkomt met een taakstraf. Dit wordt vaak gevoed door politieke partijen en door politici die dat soort dingen roepen. Politici die roepen dat rechters als ze niet straffen zoals gewenst, dan maar ontslagen moeten worden. Ik verwijs in mijn inbreng dan ook naar een onderzoek waaruit blijkt dat burgers vaak tot hetzelfde oordeel komen als de strafrechter als ze echt de details van een zaak kennen. Laat ik een aantal oplossingen noemen. Eén oplossing kan zijn dat rechters als ze een uitspraak doen in een gevoelige zaak, heel proactief uitleg geven aan de samenleving. Ze openen dus hun deuren en vertellen waarom ze tot een oordeel zijn gekomen. Voorheen waren rechters sterk gewend om zich op te sluiten in de eigen kring en de buitenstaander vooral niet toe te laten. Dit kan een manier zijn om het vertrouwen in de rechtspraak te vergroten. "Meet the judge" was een initiatief van de rechtspraak zelf. Burgers worden op een bepaalde dag uitgenodigd om op bezoek te komen. Ze kunnen dan uitleg krijgen over vragen als: hoe komt een vonnis tot stand en waarom wordt een rechter voor het leven benoemd ? Dat zijn dingen waarmee je het vertrouwen in de rechtspraak, en dus ook in taakstraffen, kunt vergroten.

MevrouwHelder (PVV):

Dat waren een heleboel woorden. Gedeeltelijk heb ik antwoord gekregen op mijn vraag, waarvoor dank. Mag ik uit dit antwoord afleiden dat als een rechter beter motiveert waarom hij een taakstraf heeft opgelegd, de heer Dibi vindt dat van een taakstraf voldoende strafwerking uitgaat?

De heerDibi (GroenLinks):

Wij verschillen principieel van mening over nut en noodzaak van de taakstraf. De Partij voor de Vrijheid is principieel tegenstander van de taakstraf. GroenLinks zegt: nee, behalve het aspect van vergelding mag in een straf ook een aspect van heropvoeding of resocialisatie zitten. Een vak leren, opdat je als je uit de bak komt of klaar bent met je straf, ook een toekomstperspectief hebt. Misschien moet ik het laten bij de opmerking dat wij hierover principieel van mening verschillen.

De heerRecourt (PvdA):

Voorzitter. Hard tegen misdaad en hard tegen de oorzaken van misdaad. Dit zijn de woorden, in Nederlandse vertaling althans, van een belangrijk sociaaldemocraat; het is ook precies hoe de Partij van de Arbeid er nog steeds over denkt. Als er gestraft moet worden, moet dat serieus zijn. Uit het palet van straffen moet de rechter de meest passende kiezen en daarin wordt hij namens de samenleving geadviseerd door de officier van justitie. Het is niet passend om een taakstraf op te leggen bij een serieuze zedenzaak of bij ernstig geweld. Dan wordt er onvoldoende rekening gehouden met de vergeldende elementen van een straf, de voorbeeldfunctie van een straf en de compensatie ten opzichte van het slachtoffer.

De boodschap aan de dader en aan iedereen die met verkeerde plannen rondloopt, moet wat de Partij van de Arbeid betreft helder zijn: je blijft met je puntje, puntje, puntje handen van een ander af. Als die boodschap niet helder is, bijvoorbeeld doordat in ernstige gevallen toch een kale taakstraf wordt opgelegd, doe je het slachtoffer geen recht, doe je wellicht zelfs de dader geen recht, maar doe je in ieder geval de taakstraf geen recht, want die is daar niet voor bedoeld. Daar zijn wij het Kamerbreed over eens, maar dit wetsvoorstel gaat niet alleen hierover. Het gaat ook over wat anders.

Daarmee kom ik bij de andere kant van de zaak. In de dagelijkse praktijk zijn de zaken zelden zwart-wit. Ik kan het weten: ik heb er duizenden langs zien komen en elke zaak heeft zijn eigen bijzonderheden. De realiteit is altijd gekker dan je kunt bedenken. Ik weet het als organisator van taakstraffen, later heel kort als officier van justitie – de staatssecretaris kan het weten – en nog later als rechter. Als de samenleving bij monde van de rechter geen rekening meer kan houden met die bijzonderheden, doen wij onrecht; dat moeten wij niet willen. Toch leidt het voorliggende wetsvoorstel precies tot dat onrecht. De voorbeelden zijn aan de orde geweest, maar mijn punt is juist dat je de voorbeelden nu niet kunt verzinnen. Er komt altijd een zaak langs die je niet hebt kunnen verzinnen en waarvan je dacht: daarvoor is een taakstraf geschikt.

Voor alle duidelijkheid: ook de Partij van de Arbeid wil geen taakstraffen in zedenzaken, en al helemaal niet in ernstige. Collega Arib heeft zich daarvoor eindeloos ingezet. Politiek is mogelijk zwart-wit, maar de realiteit is dat zeker niet. Laat dat in de rechtszaal een rol blijven spelen.

Het voorliggende wetsvoorstel behelst niets meer of minder dan het invoeren van minimumstraffen. Zoals de heer Dibi al zei, gebeurt dat via een light model, omdat je nog kunt vluchten naar de voorwaardelijke straf. Ik geloof echter niet dat dit bij ernstige zedenzaken de bedoeling is van de ondersteuners van dit wetsvoorstel. Die invoering is heel principieel, maar geschiedt wel door de achterdeur, want bij nota van wijziging. Waarom heeft de staatssecretaris geen advies gevraagd over die nota van wijziging bij de Raad van State en andere deskundigen?

De rechter verdient in de eerste plaats vertrouwen. Dat vertrouwen moet de rechter echter verdienen door heel goed uit te leggen waarom hij straft zoals hij straft. Als gemiddelde zie je dat de rechter ook luistert, want de hoogte van de straffen in zedenzaken gaat gestaag en terecht omhoog. Dat is echter niet wat wij, en iedereen die de krant leest, te zien krijgen. Wij zien slechts die zaken die in de media komen en waarvan wij zeggen: hoe kan dat? Die emotie kan terecht zijn, maar kan ook een gevolg zijn van selectieve informatie.

Het is aan de rechter om die informatie beter voor het voetlicht te brengen. Het is aan de burger om niet te snel moord en brand te schreeuwen en het is aan de politiek om zich eerst goed te informeren en vervolgens óf de minister aan te sporen om via de officier van justitie hogere straffen te eisen óf te constateren dat het hierbij een incident betreft dat in hoger beroep kan worden gecorrigeerd. Voor wat het goed informeren betreft: ik vraag hierbij de staatssecretaris of hij met cijfers kan staven in hoeveel gevallen er bij relevante delicten taakstraffen zijn opgelegd, terwijl een gevangenisstraf passend zou zijn geweest. Wij moeten namelijk geen wetten maken op gevoel. Wat wij als politiek in ieder geval niet moeten doen, is onrecht scheppen door niet ieder geval op zijn eigen merites te kunnen laten beoordelen, zoals dit wetsvoorstel beoogt. Wat wij als politiek ook niet moeten doen, is het kind met het badwater weggooien. Het kind is hierbij natuurlijk de taakstraf. De taakstraf is twee keer zo effectief voor het voorkomen van herhaling als een korte gevangenisstraf.

Wat wij wel moeten doen, is de taakstraf strenger organiseren. Na de zitting moet je zo spoedig mogelijk aan de slag. Je moet niet op een wachtlijst van maanden komen. Daarvan heb ik gisteren weer een praktijkverhaal gehoord. Als er vervolgens met de pet naar wordt gegooid, moet direct het gevolg intreden: hechtenis. Dat is nu niet het geval, terwijl er daarvoor wel wettelijke mogelijkheden zijn. Gaat de staatssecretaris die snelheid organiseren? Hierover heb ik ook schriftelijke vragen gesteld. Ik ben benieuwd naar de antwoorden nu en naar die op de schriftelijke vragen. Volgens mijn informatie is bijvoorbeeld de kans dat een jongere na het verprutsen van zijn taakstraf vervangende hechtenis moet ondergaan, zeer klein. Hiermee wordt de taakstraf tot een lachertje en zet je de mensen die controle uitoefenen en die vinden dat het genoeg is, in hun hemd. Ik heb dat zelf, tot mijn grote frustratie, meermalen ondervonden toen ik bij de reclassering werkte.

De heerVan der Steur (VVD):

De heer Recourt en ik hebben net, toen ik aan het woord was, een vrij heftige uitwisseling van standpunten gehad. Ik wil dat goedmaken door hem nu te vragen of ik zijn betoog dat de taakstraf echt een straf moet zijn, zo mag lezen dat hij met de motie die ik in tweede termijn zal indienen en waarin ik zeg dat de taakstraffen geen verplicht vrijwilligerswerk moeten zijn maar een echt strafkarakter moeten hebben, zal instemmen.

De heerRecourt (PvdA):

Natuurlijk moet de taakstraf een strafkarakter hebben, maar ik weet niet of ik de motie van de heer Van der Steur zal steunen. De heer Van der Steur gaf daarbij namelijk het voorbeeld van plantsoenonderhoud. Daarvan zei hij dat dit ook vrijwilligerswerk is en dat er mensen zijn die dat leuk vinden. Met dat argument is geen enkel werk straf, want ik ken zelfs mensen die schoonmaken leuk vinden. Ik behoor daar niet toe, maar ik wil maar zeggen dat het strafkarakter niet zozeer is te vinden in de aard van het werk. Daarin zocht de heer Van der Steur het volgens mij in zijn eerste termijn wel.

De heerVan der Steur (VVD):

Dan zal de heer Recourt de motie alsnog kunnen steunen, want ik kan hem nu alvast zeggen dat dit voorbeeld zich niet in de motie voordoet. Het gaat erom dat er moet worden afgewogen dat de taakstraf daadwerkelijk een straf is. Schoonmaken in algemene zin zou ik niet als een taakstraf willen zien; dat zijn de woorden van de heer Recourt. Ik denk dat er duizenden mensen in Nederland zijn die daarmee op een heel gewetensvolle manier hun geld verdienen. Die opmerking laat ik dus graag voor rekening van de heer Recourt. Ik weet wel dat er werkzaamheden, activiteiten zijn die echt als een taakstraf kunnen worden gezien, niet alleen door de dader, maar met name door het slachtoffer. Ik begrijp dus dat de heer Recourt het daarmee eens is.

MevrouwGesthuizen (SP):

Ik vind dit wat lastig, want ik ken die motie nog niet. Het gaat daar nu wel over. Ik zou dus wel graag van de heer Van der Steur willen weten welke voorbeelden hij in de motie noemt van het soort werk dat altijd als straf wordt gezien.

Devoorzitter:

U hoeft nu nog geen oordeel te vellen. De motie komt nog. Daarvoor hebben wij nog een tweede termijn. Laten wij de dingen wel in de goede volgorde doen. De heer Van der Steur compliceert inderdaad een en ander een beetje. Mijnheer Recourt, u vervolgt uw betoog.

De heerRecourt (PvdA):

Kort reagerend op de laatste interruptie van de heer Van der Steur: ik zal er welwillend naar kijken. Bij schoonmaken wilde ik niet meteen wc's noemen, maar daar doelde ik natuurlijk op.

Voorzitter. Het combineren van een taakstraf met aan een voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden bijzondere voorwaarden biedt veel mogelijkheden voor een slimme straf op maat. Het oorspronkelijke wetsvoorstel gaf dit mooi vorm. Op dit pad moet worden doorgegaan.

In het kader van de vraag hoe je de taakstraf beter kunt organiseren, merk ik tot slot nog op dat je moet bekijken of je de taakstraf zo kunt organiseren dat die statusverlagend werkt. In Amsterdam-West is een pilot gestart waarbij in de eigen buurt moet worden gewerkt. Hierover heb ik met collega Marcouch vragen gesteld. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris hierover denkt. In dezelfde lijn zie ik de plannen van burgemeester Van der Laan van Amsterdam, die zegt dat hij stelselmatige daders pas loslaat als zij zijn gestopt met hun misdadige gedrag.

Concluderend: zorg er allereerst eens voor dat de taakstraffen snel en streng worden uitgevoerd en dat het verprutsen van de taakstraf pijn doet. Neem de taakstraf serieus. Ten tweede: geen taakstraf waar die niet past. Bij ernstige zedenzaken of ernstig geweld is een taakstraf in beginsel niet gepast. Vergeld en kijk hoe herhaling kan worden voorkomen.

Ten derde leidt de invoering van minimumstraffen tot onrecht. Dat is precies het gevolg van dit wetsvoorstel. Wij zijn dus tegen, tenzij we terugkeren naar het oorspronkelijke wetsvoorstel, dat alleen strengere eisen stelt aan taakstraffen zonder de keuzevrijheid van de rechter substantieel te beperken. Daarom heb ik de twee amendementen van mevrouw Gesthuizen medeondertekend. We moeten streng zijn tegen de misdaad en tegen de oorzaken van de misdaad. Het gaat echter niet om het vullen van de cellen, maar om het zorgen voor meer veiligheid.

Devoorzitter:

Hiermee zijn we gekomen aan het einde van de eerste termijn van de Kamer.

Om 19.00 uur zou het VSO perceelregistratie/toeslagrechten moeten beginnen. Een dinerpauze van anderhalf uur is hier een goed gebruik. Als we zouden doorgaan met het debat, zou de staatssecretaris om 16.55 uur met zijn antwoord beginnen. Hij zou daarvoor de tijd hebben tot 17.30 uur. Dat is niet reëel; hij kan niet in een halfuur het hele antwoord geven. Bovendien heeft de Kamer nog een tweede termijn. Ik zal de beraadslaging daarom schorsen. Volgende week zullen we de behandeling hervatten, te beginnen met het antwoord van de staatssecretaris. Dit debat was vrij principieel. Ik heb de Kamer niet willen opjagen. Ik heb geprobeerd, het tempo erin te houden, maar met mate.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

Devoorzitter:

Ik dank de staatssecretaris. Ik heb van de nood een deugd gemaakt en het volgende onderwerp een halfuur naar voren gehaald.

De vergadering wordt van 16.45 uur tot 18.30 uur geschorst.

Voorzitter: Bosma