Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 42, item 5

5 Geweld tegen hulpverleners

Aan de orde is het spoeddebat over geweld tegen hulpverleners.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Nu de definitieve cijfers bekend zijn, blijkt dat het geweld tegen hulpverleners tijdens de laatste jaarwisseling weer is toegenomen. Dit ondanks het terecht toegepaste lik-op-stukbeleid. Er is supersnelrecht toegepast. Ook heeft het Openbaar Ministerie de aangekondigde hogere straffen gevorderd.

Twee feiten zijn teleurstellend. Ten eerste hebben de rechters ondanks de hogere strafeisen geen hogere straffen opgelegd. De staatssecretaris kan hier helaas niets aan doen vanwege de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Ten tweede is er van het lik-op-stukbeleid blijkbaar onvoldoende preventieve werking uitgegaan, want het aantal aanhoudingen voor geweld tegen hulpverleners is met maar liefst 62% gestegen.

Aangezien ieder geval van geweld tegen hulpverleners er een te veel is, vraag ik aan de staatssecretaris om het lik-op-stukbeleid niet alleen tijdens de jaarwisselingen, maar het hele jaar door toe te passen.

Om het belang daarvan nog maar eens te onderstrepen, verwijs ik naar drie geweldsincidenten die eerder hebben plaatsgevonden, namelijk in het weekend van 8 en 9 januari jongstleden. In Steenbergen, Hoorn en in Almere is de politie belaagd door uitgaanspubliek. Een week later zijn agenten in Elsloo met een mes belaagd. Hieraan dient paal en perk te worden gesteld.

Daarom mijn verzoek aan de staatssecretaris om er ten eerste voor te zorgen dat het supersnelrecht het hele jaar door wordt toegepast daar waar het geweld tegen hulpverleners betreft. Ten tweede verzoek ik de staatssecretaris om erop toe te zien dat het Openbaar Ministerie in het tweede kwartaal van dit jaar de richtlijn aanpast en nog hogere straffen in dit soort zaken eist dan de huidige 200% indien blijkt dat het aantal geweldsincidenten tegen hulpverleners niet daalt. Tevens vraag ik de staatssecretaris om in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering een extra grond op te nemen voor voorlopige hechtenis, namelijk de grond dat iemand op een snelrechtzitting dient te verschijnen.

Tot slot verzoek ik de staatssecretaris om een gesprek te voeren met de Raad voor de rechtspraak om het belang van hogere straffen te benadrukken. Hoewel de rechterlijke macht onafhankelijk is – ik heb dit al eerder gezegd – geldt dat ook zij toch niet ongevoelig mag zijn voor dit soort zaken en dit in de straftoemeting tot uitdrukking brengt.

Helaas zijn er nog geen minimumstraffen voor dergelijke delicten in het Wetboek van Strafrecht, maar vanzelfsprekend zal de PVV zich hiervoor blijven inzetten. Geweld tegen hulpverleners dient immers altijd streng te worden bestraft. Als er geen respect is voor hulpverleners, moet het maar worden afgedwongen.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Voorzitter. Los van de berichtgeving over de gebeurtenissen rond de jaarwisseling kan hoe dan ook worden gesteld dat hulpverleners niet minder, maar eerder meer met agressie en geweld worden geconfronteerd. Sla na een willekeurig weekend de kranten er maar eens op na. Praat met de agent en de hulpverleners op straat. Geweld en agressie, bijvoorbeeld in het uitgaansleven, is helaas aan de orde van de dag.

De publieke taak is er voor iedereen, in gelijke omstandigheden. Het is beschikbaar en opeisbaar. Daarmee is het essentieel voor het functioneren van onze samenleving. De samenleving moet te allen tijde kunnen vertrouwen op de bescherming, hulp en diensten die zij redelijkerwijs van de overheid in dit kader mag verwachten. Types die dit uitgangspunt menen te moeten ondermijnen, dienen direct hard en zonder aarzelen te worden aangepakt.

Op 29 december jongstleden maakte het OM bekend dat er tijdens de jaarwisseling hard zou worden opgetreden tegen veroorzakers van ongeregeldheden: zo veel mogelijk lik-op-stukbeleid. Conform de afspraken uit het regeerakkoord kondigde het OM tevens aan, hogere straffen te vorderen dan vorig jaar indien sprake zou zijn van agressie of geweld tegen mensen met een publieke taak. Ook kondigde het OM maatregelen aan ten behoeve van supersnelrecht, themazittingen, sneller hoger beroep en het verhalen van de schade op de dader. Duidelijk moet zijn dat dergelijk normoverschrijdend gedrag niet wordt getolereerd. Het gebruik van supersnelrecht dan wel snelrecht, alsook de verhoogde strafeis bij agressie en geweld tegen hulpverleners, moet wat de VVD betreft de regel zijn, niet de uitzondering.

Op 1 april 2010 zijn de zogenoemde eenduidige landelijke afspraken voor politie en OM in werking getreden. Doel hiervan is een effectieve en snelle afhandeling van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak. Deze afspraken zullen conform de plannen na twee jaar worden geëvalueerd. Wat zijn echter de indrukken van de staatssecretaris tot op heden? De VVD hamert uiteraard op een strikte toepassing van deze afspraken en wil heel graag van de vorderingen op de hoogte gehouden worden.

De VVD wil ook graag weten wat de stand van zaken is van het verhalen van de schade op de daders. Als de omvang van de schade bekend is, zou het verhalen van de schade al mogelijk moeten zijn tijdens het proces van supersnelrecht dan wel snelrecht. Dit is mij althans verteld. Als dit niet het geval is, zou de benadeelde de gegevens van de strafzaak moeten krijgen om een civiele procedure te starten. Ik vraag de staatssecretaris om een concrete reactie.

Uiteraard houdt de VVD-fractie rekening met de aard en de complexiteit van de individuele zaak. Zij pleit voor een permanente toepassing van het supersnelrecht, dan wel snelrecht, in geval van agressie en geweld tegen hulpverleners. De verhoging van de strafeis met 200% is inmiddels vastgelegd in de OM-richtlijn en geldt voor onbepaalde duur. Ik vraag de staatssecretaris om dit te gebruiken. Er moet dus een permanent lik-op-stukbeleid komen. Met het oog op het belang van de publieke taak voor onze samenleving moeten daders direct, strafrechtelijk en financieel, verantwoordelijk worden gesteld voor hun gedrag.

De heer Van Raak (SP):

Voorzitter. Ik kreeg kort na de jaarwisseling een bericht van een agent. Hij schreef het volgende: "Ik reageer even op de uitspraak van de rechtbank in Den Haag met betrekking tot een verdachte die een agent gericht op het hoofd heeft geslagen met een tuinstoel. Toen ik de uitspraak las, werd ik emotioneel en heel erg kwaad. Als de man voor dit feit, een poging tot zware mishandeling, wegkomt met een straf van twee maanden, dan verlies ik ieder respect voor onze rechtspraak. Politiemensen waren, zijn en blijven vogelvrij."

Met de jaarwisseling was er weer veel geweld en het was weer heftig. Meer mensen zijn opgepakt en daders zijn sneller berecht. Daarvoor complimenteer ik de politie en de staatssecretaris. Er zijn hogere straffen geëist, maar niet altijd gegeven. Wat vindt de staatssecretaris bijvoorbeeld van de uitspraak van de rechtbank in Arnhem? Deze verlaagde de straf voor een man die een leeg flesje naar de ME had gegooid, louter en alleen omdat de man zo’n drukke baan zou hebben.

Agenten voelen zich door rechters vaak niet begrepen. Dat bleek ook uit het onderzoek dat de SP in november presenteerde, "Handen af van onze agenten". In dit onderzoek vertellen agenten hun verhalen over de agressie waarmee zij te maken krijgen. Deze grijpt soms diep in hun persoonlijk leven in. Een agent zei dat hij dit belachelijk vindt, omdat hij nooit meer zijn beroep als agent kan uitoefenen, sterker nog, nooit meer zijn tanden kan poetsen. En meneer krijgt 180 uur werkstraf! De SP heeft een aantal voorstellen gedaan om agressie altijd te laten meewegen in de strafbepaling en om ervoor te zorgen dat werkgevers de verantwoordelijkheid voor de strafzaak en de schadevergoeding op zich nemen. Ook staat in de voorstellen dat altijd moeten worden onderzocht of verdachten besmet zijn, zodat agenten niet maandenlang thuis moeten vertellen dat zij misschien wel een dodelijke ziekte hebben.

Ik ben blij met de reactie die de staatssecretaris vanochtend stuurde. Hij steunt de meeste voorstellen. Sterker nog, hij zegt dat de meeste voorstellen al op papier staan. Maar dat is vaak het probleem bij de politie. Afspraken staan op papier, maar in de praktijk lukt het niet altijd om ze na te komen.

Wij hebben onder andere voorgesteld om rechters, als onderdeel van hun bijscholing, minimaal een keer per jaar een dienst te laten meedraaien bij de politie. Wat vindt de staatssecretaris van dat voorstel? Wij overwegen om hierover een motie in te dienen.

Ik wil ook oog hebben voor de problemen van de rechters, die een hoge werkdruk hebben. Wij zijn voor snelrecht, als het kan supersnelrecht en als het moet supersupersnelrecht. Er moet echter ook goed recht worden gesproken. Is er soms niet te weinig tijd om een dossier te maken of überhaupt te lezen? Hebben rechters soms onvoldoende tijd om een zaak goed te bestuderen, waardoor zij besluiten om dan maar aan de voorzichtige kant te zitten, waardoor de straffen lager uitvallen? Kan het zo zijn dat door supersnelrecht de straffen niet hoger maar lager worden? Als dat namelijk het geval is, zouden de slachtoffers daarvan ernstig nadeel ondervinden en de daders er te makkelijk mee wegkomen.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik hoor de heer Van Raak niet over een ander aspect van het supersnelrecht. Wat vindt hij van de preventieve werking die daarvan uit zou kunnen gaan? Stel, iemand gaat lekker stappen op vrijdag- of zaterdagavond. Hij weet dan in zijn achterhoofd dat, als het supersnelrecht wordt toegepast, hij mooi blijft zitten – ik noem het populair maar even een "weekendarrangement" – en hij maandagochtend niet op tijd op zijn werk is. Daar gaat ook nog wel wat werking van uit. Wat vindt de heer Van Raak daarvan?

De heer Van Raak (SP):

Ik vind dat heel goed, heel erg goed. Maar meestal is er flink wat alcohol in het spel. Mevrouw Helder weet ook dat mensen dan niet al te zeer nadenken over wat zij allemaal doen. Dat probleem moeten wij dus aanpakken. Ik ben voor supersnelrecht, maar het kan lang niet voor alle zaken. Ik wil echt voorkomen dat die boeven door supersnelrecht niet de gevangenis in hoeven, omdat de rechter onvoldoende tijd heeft om de zaak goed te bestuderen, onvoldoende tijd heeft om de zaak überhaupt te lezen. Er is namelijk een grote werkdruk bij de rechters. Kortom: ik wil supersnelrecht, maar het moet wel kunnen. De PVV zal het met mij eens zijn dat wij, als dit leidt tot onnodig lagere straffen door de werkdruk bij de rechters, dit niet zullen moeten doen.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik ben deels blij met het antwoord van de heer Van Raak. Ik ben alleen niet met hem van mening dat het zou leiden tot lagere straffen vanwege de werkdruk van de rechters. Ik denk dat de werkdruk niet zozeer in gevaar komt. Dit soort zaken moet namelijk toch voor de rechter komen. De vraag is alleen of het via het supersnelrecht, via het snelrecht of via het reguliere strafrecht moet.

De heer Van Raak (SP):

Ik ben er dus voor om het zo snel mogelijk te doen. Als deze asociale types een maand of een halfjaar moeten wachten, is het verband met de straf in hun beleving alweer verdwenen. Dus lik op stuk, meteen hard straffen, want je komt aan onze agenten, onze brandweerlieden en onze ambulancebroeders. Daar ben ik het mee eens, maar het kan niet zo zijn dat de rechters zo weinig tijd krijgen dat zij in iets moeilijkere gevallen het dossier niet meer kunnen lezen en daarom maar denken: ik kan geen al te hoge straf uitdelen. Ik vraag aan de staatssecretaris of hij die geluiden ook hoort. Als dat niet zo is, is het goed en is er niets aan de hand, maar ik wil in ieder geval voorkomen dat wij supersnelrecht gaan toepassen om mensen hard te straffen, maar de straffen lager uitvallen doordat rechters geen tijd hebben. Dan schieten wij onszelf namelijk in de voet.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Het is terecht dat geweld tegen hulpverleners met een publieke taak op de politieke agenda staat. De incidenten zijn bekend en schandalig: ambulances die sommige wijken niet meer in durven gaan, verloskundigen en verplegers die slechts onder politiebegeleiding willen werken en brandweerlieden die het werken onmogelijk wordt gemaakt. Het zijn maar enkele voorbeelden. Dan heb ik het niet alleen over politieagenten maar ook over NS-conducteurs die soms voor de rest van hun leven getekend zijn door agressie.

GroenLinks heeft een heel heldere lijn. Er moet sprake zijn van twee zekerheden. Daders moeten de zekerheid krijgen dat zij snel opgepakt en veroordeeld worden en er moeten geld en zekerheid zijn voor een eerlijk proces. Ook dat laatste is voor de GroenLinks-fractie altijd van groot belang. Wij zijn daarom ook altijd voorstander geweest van het snelrecht. Ik wil mij eigenlijk ook aansluiten bij een aantal kritische vragen van collega Van Raak over die voorbereidingstijd die rechters nodig hebben. Zij hebben een compleet en overzichtelijk dossier nodig om tot een rechtvaardig oordeel te komen. Kan dat altijd wel met het supersnelrecht? Als het aan mij ligt, moeten wij zo snel mogelijk overgaan tot mega-ultrasupersupersupersnelrecht, maar niet als dat ten koste gaat van een eerlijk proces. Daarom sluit ik mij aan bij de vragen van de heer Van Raak en kijk ik uit naar het antwoord van de staatssecretaris.

Ik ben een beetje in verwarring omdat de woordvoerder van de PVV stelt dat er sprake is van een toename, maar uit de cijfers van het kabinet juist blijkt dat er sprake is van een daling. Toen ik de stukken las, dacht ik dat een permanent lik-op-stukbeleid dus vruchten afwerpt. Het leidt ertoe dat het aantal aanhoudingen fors is toegenomen. Consequent handhaven lijkt dus te werken. In de eerste week van 2011 stonden de eerste verdachten al terecht. Op basis van berichten in De Telegraaf of in andere kranten wordt echter gesuggereerd dat er sprake is van een toename. Omdat het belangrijk is om bij dit soort gevoelige kwesties de feiten op tafel te hebben, vraag ik de staatssecretaris op te helderen of er sprake is van een toename of een daling.

Mevrouw Helder (PVV):

Het gaat om het rapport "Oud en Nieuw 2010–2011. Landelijk beeld van de incidenten die tijdens de jaarwisseling 2010–2011 in Nederland hebben plaatsgevonden" van 6 januari 2011. Op pagina 11 staat dat het aantal aanhoudingen van verdachten van geweld tegen werknemers met een publieke taak met 62% is toegenomen ten opzichte van vorig jaar.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik focus niet alleen op oud en nieuw, maar op het gehele jaar. Geweld tegen hulpverleners moet altijd snel bestraft worden. In de stukken van het kabinet staat dat het aantal geweldsincidenten tegen werknemers met een publieke taak is teruggelopen van 303 vorig jaar naar 173 dit jaar. Het aantal zwaardere delicten hierin is fors afgenomen. Dat lijkt haaks op elkaar te staan. Ik zeg niet dat de cijfers die mevrouw Helder aandraagt, niet kloppen. Ik wil juist dat de staatssecretaris opheldert of er sprake is van een toename of een daling, zodat we weten of er extra inzet en inspanningen nodig zijn.

Het is belangrijk dat werkgevers van hulpverleners met een publieke taak zich solidair verklaren met hun werknemers. Zij moeten niet afzien van aangiften omdat het allemaal bureaucratische rompslomp zou zijn, maar te allen tijde de vinger aan de pols houden bij hun werknemers. Ze moeten in de gaten houden of er sprake is van geweld en of zij kunnen bijdragen aan een oplossing. Ik zie graag dat de staatssecretaris in gesprek gaat met werkgevers, zodat werknemers weten dat zij te allen tijde melding kunnen maken of aangifte kunnen doen en op steun kunnen rekenen van de leiding.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik begrijp de verwarring bij de heer Dibi over de cijfers. Ik was zelf eerst ook in verwarring daarover. Op pagina 10 staat namelijk het aantal van 303 van vorig jaar tegenover het aantal van 173 dit jaar. Dat gaat over de incidenten. Die 62% is gebaseerd op de specificatie van een pagina verder. Het aantal incidenten is gedefinieerd op pagina 3. Ik begrijp de verwarring, maar het is echt toegenomen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Die vraag leg ik dan ook bij de staatssecretaris neer. Ik wil wel benadrukken dat het kabinet concludeert dat het geweld tegen werknemers met een publieke taak rond de jaarwisseling is afgenomen. Dat is in ieder geval zijn algemene conclusie. Daarbinnen kunnen misschien fluctuaties liggen, maar laten we de staatssecretaris de kans geven om deze cijfers op te helderen.

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. Geweld tegen hulpverleners is onacceptabel. Wat zijn de feiten? De politie hield geen 138 personen aan voor geweld tegen mensen met een publieke taak, maar tot nu toe al 177 personen. Het aantal geweldsincidenten tegen hulpverleners nam niet toe met een kwart, maar nam juist af met 40%: van 303 vorig jaar naar 173 dit jaar. Op pagina 12 staat dat het aantal beledigingen, dat waren er 92, wordt meegeteld in de kolom geweld. Nu kun je een discussie voeren over de vraag of een belediging geweld is. Ik denk dat het voor de nuancering wenselijk is als de staatssecretaris hierop reageert. Feit is ook dat de pakkans is toegenomen. Verder het is een feit dat elk geweldsincident tegen hulpverleners er één te veel is. De feiten zouden een prominentere plek moeten krijgen in het veiligheidsdebat. Beter zicht op wat er echt aan de hand is, zorgt immers voor betere oplossingen.

D66 is ook voor het verkorten van de periode tussen overtreding en straf via het lik-op-stukbeleid en het supersnelrecht. Het Openbaar Ministerie verdient een compliment, want het heeft echt een topprestatie geleverd. Mogelijke uitbreidingen van het supersnelrecht zijn wat de fractie van D66 betreft dan ook mogelijk, maar wel onder stringente voorwaarden. Wij staan hier namelijk niet bij de groenteboer om een extra pond aardappelen te kopen. Er moeten daaraan dus stringente voorwaarden verbonden zijn. Het gaat immers om de kwaliteit van het proces-verbaal. Het gaat ook om eenvoudige zaken en om budget. Ik vraag de staatssecretaris om een zorgvuldige studie naar de mogelijkheden te doen, maar dan wel geconditioneerd.

Ik vraag de staatssecretaris bovendien om nog een aantal dingen te doen om geweld tijdens oud en nieuw echt terug te dringen. Ten eerste moet er niet bezuinigd worden op de middelen van gemeenten voor de inzet van handhavers op straat voor de sociale veiligheid. Dit is ook dit jaar weer gebeurd met oud en nieuw en dat was heel preventief en succesvol. Ten tweede vraag ik de staatssecretaris om het succesvolle preventieproject Kleurkracht Escamp/Rolmodellen in Den Haag, dat de Hein Roethofprijs heeft gekregen, gewoon landelijk uit te rollen. Dit is een supergoed preventieproject dat ongelofelijk goed werkt. Ten derde vraag ik de staatssecretaris of hij kan bevorderen dat alle burgemeesters in dit land een brief schrijven aan de bij hen bekende onruststokers, zodat die weten dat zij rond de feestdagen in de gaten worden gehouden.

Ik rond af met de volgende vragen. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de inzet van de voetbalwet met oud en nieuw, zoals in Den Haag is gebeurd? Hoe beoordeelt de staatssecretaris verder het gesprek binnen het Nederlands Genootschap van Burgemeesters over het al dan niet instellen van een vuurwerkverbod, juist om de geweldincidenten rond oud en nieuw terug te dringen?

De heer Çörüz (CDA):

Voorzitter. De landelijke aanpak van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak, onder wie hulpverleners, gaat ervan uit dat agressie en geweld nooit mogen lonen. Een klap in het gezicht van een agent is immers een klap in het gezicht van de rechtsstaat en dit mogen wij nooit accepteren.

Supersnelrecht dan wel snelrecht is een middel om het lik-op-stukbeleid handen en voeten te geven. Het is een middel en dus geen doel. Hulde aan al de agenten, OM-mensen en rechters die het voor elkaar hebben gekregen om aardig wat zaken middels supersnelrecht te berechten. De resultaten van handhaven, oppakken en straffen zijn echter wisselend. Straffen is voor de CDA-fractie namelijk ook betalen en behandelen. Het zijn namelijk vaak lieden die hebben gerecidiveerd en die dus agressie in hun hoofd hebben. Agressiereguleringstrainingen zouden voor deze lieden een heel goed en probaat middel zijn. Kan de staatssecretaris inzicht geven in hoe vaak is betaald of zou moeten worden betaald? Wat is bovendien de specifieke positie van de verzekeraars? Die betalen namelijk uit en subrogeren. Vervolgens ontstaat er een ingewikkeld spel waarin de verzekeraars schade op de daders willen verhalen, maar geen informatie krijgen. Hoe zit dit?

Mijn collega van D66 refereerde al aan de voetbalwet. Volgens mij heeft de voetbalwet goed gewerkt tijdens oud en nieuw. Kunnen wij deze wet niet breder inzetten voor evenementen? Is mijn constatering juist dat met gebruikmaking van deze wet de aanpak van de rellen tijdens oud en nieuw goed heeft gewerkt? Alcohol en drugs spelen met name bij dit soort van gewelddadigheden een rol. Ik dacht mij te herinneren dat de vorige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Guusje ter Horst, dat als een strafverzwarende omstandigheid zou laten meewegen. Gebeurt dit ook? Ik ben daarnaar benieuwd.

Vervolgens supersnelrecht dan wel snelrecht. Uiteindelijk is het een middel, maar wij willen dat de klap uiteindelijk snel wordt uitgedeeld. Dat moet natuurlijk wel zorgvuldig gebeuren en dat kan ook. Wat de CDA-fractie betreft kunnen wij dat ook uitbreiden. Wat te denken van bijvoorbeeld dieven, van winkeldieven die recidiveren, die op heterdaad zijn betrapt en waarbij er geen benadeelde partij is? Dat kunnen wij toch heel snel met supersnelrecht aftikken? Ik denk daarbij ook aan mensen met valse documenten op Schiphol. Iemand biedt een document aan; dat is vals of niet vals. Volgens mij is het niet ingewikkeld en is er geen benadeelde partij. Wat mij betreft kunnen wij dit uitbreiden.

Wat het aftikken betreft vraag ik de staatssecretaris in de lijn van de collega van de PVV om toch in gesprek te gaan met de raad. Het OM kan de strafeis verhogen met 100%, 200% of 300%, maar uiteindelijk gaat het om de finale klap. Die moet eenduidig zijn. Ik heb de indruk dat de resultaten wisselend zijn. Er zijn heel goede, maar er zijn ook straffen die niet zijn uit te leggen. De heer Van Raak heeft daarvan een aantal voorbeelden genoemd.

De heer Marcouch (PvdA):

Begrijp ik nu dat de CDA-fractie ervoor pleit om een superstrafrecht in te voeren? Wij praten nu over supersnelrecht voor geweldplegers jegens hulpverleners en dienstverleners, maar de heer Çörüz praat nu ook over winkeldieven, et cetera. Wil hij dat alle strafbare feiten supersnel worden afgedaan?

De heer Çörüz (CDA):

Nee. Supersnelrecht leent zich absoluut niet voor alle zaken, maar wel voor zaken die eenvoudig bewijsbaar zijn, zonder ontkennende verdachten en zonder benadeelde partij. Ik noemde al het voorbeeld van een winkeldief, die op heterdaad met de spullen wordt betrapt. De spullen worden teruggegeven en dan is het raar om die persoon eerst een paar dagen op het politiebureau te houden, die dan heen te zenden en vervolgens eventueel terug te laten komen. Ik vraag om te bekijken of dit soort zaken, die eenvoudig te bewijzen zijn, kan worden afgetikt met supersnelrecht.

De heer Marcouch (PvdA):

Dit getuigt niet van realiteitszin. Ik vraag mij af in hoeverre u realistisch bent en geen karikatuur maakt van het bestrijden van misdaad en criminaliteit, als u niet tegelijkertijd de 3000 agenten die u had beloofd, en de ondersteuning van het OM en de rechtspraak aanlevert. Uiteindelijk is het mensenwerk. U vraagt veel, maar u zet er niets tegenover.

De heer Çörüz (CDA):

Ik durf de stelling wel aan dat het juist mensen oplevert. Als u dit via de reguliere lijnen doet, bijvoorbeeld bij die recidiverende winkeldief, dan wordt iemand opgepakt, zit hij een aantal dagen vast, wordt hij vervolgens met een dagvaarding heen gestuurd, moet hij na een aantal maanden weer terugkomen en dan gaat een andere rechter ernaar kijken. Ik zeg dat er bij het einde van de verzekeringstelling een rechter-commissaris is, die de pet van de politierechter op zet en de zaak aftikt. Dat kan juist heel veel tijd schelen. Die kunnen wij inzetten voor het vangen van echte boeven.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Er zijn heel wat spoeddebatten gevoerd de afgelopen jaren, ook over het onderwerp van geweld tegen hulpverleners en geweld tegen werknemers met een publieke taak. De aandacht daarvoor is terecht, want het is toch iedereen een doorn in het oog dat hulpverleners en gezagsdragers worden belaagd. Dat is echt de wereld op zijn kop. Geweld mag nooit worden getolereerd, maar al helemaal niet als het zich tegen gezagshandhavers en hulpverleners richt.

Bij de jaarwisseling ging het weer op tal van plaatsen mis. Het goede nieuws is – het staat in de brief van de regering, als dat klopt, daar is nog wat discussie over gevoerd, maar ik hoor nog graag de precieze feiten van de staatssecretaris – dat er uiteindelijk minder incidenten van geweld tegen hulpverleners zijn geweest bij de jaarwisseling. Dat is op zichzelf goed nieuws. Ik zeg er echter in één adem achteraan dat het slechte nieuws is en blijft dat dit nog altijd te veel gebeurt. Het is belangrijk om dat te onderstrepen, want het is voor veel mensen een ergernis als er rond de jaarwisseling wordt gezegd dat het allemaal gelukkig is meegevallen, terwijl dat wordt afgemeten aan het jaar daarvoor. Maar het blijft onacceptabel veel wat er gebeurt bij de jaarwisseling en ook verder in de loop van het jaar. Daarom moet er krachtig werk gemaakt blijven worden van het tegengaan van geweld tegen werknemers met een publieke taak. Wij hoeven gelukkig niet bij nul te beginnen en te doen alsof wij nu voor het eerst bedenken dat het echt niet kan. Er zijn veel debatten over gevoerd en er is ook heel wat in gang gezet in het programma Veilige Publieke Taak. Het is belangrijk dat daaraan de hand wordt gehouden en dat die goed gevulde gereedschapskist echt wordt gebruikt. Dit betekent voor de SGP-fractie dat onruststokers snel in de kraag worden gegrepen, dus dat er een hoge pakkans is, dat er vervolgens snel wordt berecht in een lik-op-stukbeleid en dat er een stevige straf wordt opgelegd die vervolgens daadwerkelijk snel wordt uitgevoerd.

Ik vraag de staatssecretaris om in te gaan op dat laatste onderdeel. Ik hoor het verhaal vaak tot en met de strafoplegging, maar wordt er ook snel werk gemaakt van de uitvoering? Anders ontbreekt er een belangrijk element in die keten. Je moet het echt krachtig merken, als je iets doet wat niet kan. Een lastig verhaal is ook het betalen van de schade die bijvoorbeeld rond de jaarwisseling wordt aangericht. In hoeverre zijn de regels voor groepsaansprakelijkheid, of juist het ontbreken van groepsaansprakelijkheid, te verruimen zodat mensen die zich in een groep aan iets schuldig hebben gemaakt makkelijker ook als groep kunnen worden aangesproken op het betalen van de schade?

Ik heb nog twee korte puntjes. Ik wil net als collega Çörüz aandacht vragen voor de rol van alcohol rond de jaarwisseling. Iedereen ziet toch dat het feit dat er zoveel wordt gezopen rond zo’n jaarwisseling een prominente en zelfs katalyserende rol speelt en geweld in de hand werkt? Dit leidt er wel eens toe dat iedereen zit te wachten op het voorbijgaan van de jaarwisseling, zoals men op Caribische eilanden zit te wachten op een orkaan die voorbijraast. Dat blijft absurd.

De voorzitter:

De heer Dibi en de heer Schouw komen tegelijk naar voren. De heer Dibi.

De heer Dibi (GroenLinks):

De echte liberale partijen staan natuurlijk meteen op. Hoe moet ik deze woorden interpreteren? Mensen zijn vrij om alcohol te drinken en om een beetje gek te doen met oud en nieuw. Welke consequentie trekt de heer Van der Staaij uit deze relatie tussen alcohol en geweld?

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik trek de relatie dat wij moeten uitdragen dat het gewoon gezellig en een goede jaarwisseling kan zijn zonder dat je dronken over straat loopt. Misschien beginnen wij nog maar heel voorzichtig, maar ik maak mij nu bijna zorgen of dat niet te hoog gegrepen was; ik dacht dat het heel voorzichtig was. Wij weten dat alcohol een heel belangrijke katalysator voor geweld is. Dan vind ik het hypocriet om aan de ene kant te zeggen dat het geweld zo erg is en aan de andere kant te zeggen dat de jaarwisseling nu eenmaal de mogelijkheid is om alle grenzen een beetje te laten vieren. Dan worden dus ook die grenzen gevierd in geweld tegenover anderen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Dan begrijp ik het. De SGP doet een moreel appel op mensen om tijdens oud en nieuw de wijn of de bacootjes te laten staan en nuchter het nieuwe jaar in te gaan. Zo’n oproep van de SGP zou wel eens averechts kunnen werken. Politici moeten oppassen met mensen proberen te beknotten in de vrijheid om bijvoorbeeld alcohol te drinken. De oproep zou veel beter kunnen zijn: drink met mate of als u wilt drinken, natuurlijk, maar laten wij allemaal uitspreken dat geweld tegen hulpverleners onacceptabel is. Je kunt natuurlijk gewoon iets drinken met oud en nieuw zonder dat je geweld pleegt.

De voorzitter:

Het was een opmerking.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ja, het was een opmerking. Ik denk er diep over na. Ik kan wel reageren op dingen die de heer Dibi denkt dat ik bedoel of gezegd zou hebben. Mag ik het meer positief zo samenvatten dat ook de heer Dibi zegt "laten wij juist een grens stellen aan overmatig alcoholgebruik rond de jaarwisseling" en dat GroenLinks een krachtig moreel appel doet: ga niet stomdronken op straat, want dan kan het wel eens misgaan met die agenten op de hoek?

De voorzitter:

Ik wil eigenlijk deze discussie stoppen, omdat u nu elkaar oproept tot bepaalde uitspraken. Iedereen gaat over zijn eigen inbreng. Dit lokt weer een reactie van de heer Dibi uit.

De heer Dibi (GroenLinks):

Mag ik heel even de samenvatting corrigeren? De heer Dibi zegt: overmatig drankmisbruik is te allen tijde niet goed, maar doe lekker waar je zelf zin in hebt, als je maar geen geweld pleegt.

De voorzitter:

U hoeft hier niet op te reageren, mijnheer Van der Staaij. Het is echt een opmerking van GroenLinks.

De heer Van der Staaij (SGP):

"Overmatig drankgebruik is niet goed, maar doe lekker waar je zelf zin in hebt." Ik geloof niet dat die het gaat halen in een campagnespotje, want het lijkt mij een beetje dubbel.

De voorzitter:

U moet echt afronden.

De heer Van der Staaij (SGP):

Dan vraag ik de staatssecretaris nog één ding. Worden successen in de zin van krachtig optreden en stevige straffen ook uitgevent? Laat men het publiek duidelijk zien wat er is gebeurd met iemand die een lawinepijl naar een agent schoot? Er kan een preventieve werking uitgaan van het zichtbaar maken van het lik-op-stukbeleid.

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Hulpverleners, politieagenten, brandweerlieden en ambulancebroeders zijn onze helden. Het zijn mensen die, als gewone mensen zich van het gevaar afwenden, erop afgaan. Daarom verdienen zij waardering en respect. Het dient de gewoonste zaak van de wereld te zijn dat een ieder zich van agressie en geweld onthoudt. De burgers dienen daarin ondersteunend te zijn aan deze helden op het moment dat zij hun werk doen. Dat zou vanzelfsprekend moeten zijn, maar blijkbaar is dat niet het geval. Daarom dit spoeddebat.

De incidenten die in het rapport over de jaarwisseling staan, zijn voor gewone burgers ellendige, angstwekkende gebeurtenissen, die zij elk jaar weer met vrees en beven tegemoet zien. Geïntimeerde en bedreigde mensen hebben de afgelopen weken contact met mij gezocht. Een Amsterdams echtpaar schreef mij dat zij met oud en nieuw in feite gegijzeld werden, gedwongen werden in hun huis te blijven. De vrouw des huizes heeft haar siervuurwerk in de achtertuin moeten afsteken. Hoezo de politie in heel Nederland de baas op straat? Ik stel voor dat de staatssecretaris deze uitspraak terugneemt. De lichte daling is volgens het rapport een positieve trend: 30% meer zware mishandelingen, maar iets minder brandstichting, iets minder vernielingen en iets minder openlijke geweldpleging. Iets, iets, iets. Is dat een positieve trend? Wat een misplaatste relativering! Bij overvallen zou de staatssecretaris nooit zeggen dat het wel meevalt.

Voor oud en nieuw is de norm "feest op straat" en een trend van ietsje beter is dan helemaal niet goed. Wij hebben een echte trendbreuk nodig, een omslag van angst naar feest. Daar zijn wij nog ver weg van. Dagen voor de jaarwisseling lijkt sprake van een militaire operatie. Wij zien tekenen van angst, de straat ademt vrees. Parkeerwachters brengen stalen platen aan op parkeerpalen, vuilnismannen sluiten vuilcontainers af, postbodes schroeven brievenbussen los en nemen ze mee om ze in veiligheid te brengen. In de nieuwjaarsnacht zijn ruim 170 hulpverleners uitgescholden, geïntimideerd en bedreigd. En dat gebeurt het hele jaar door. Terwijl nu wat gepakte daders met snelrecht taakstraffen uitvoeren, zitten meerdere hulpverleners getraumatiseerd thuis. Nog maanden zullen zij de naweeën ondervinden.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Krachtige taal, spierballentaal van de heer Marcouch. Collega’s van hem hebben concrete voorstellen gedaan waarvan een belangrijk maatschappelijk signaal, een preventieve werking uitgaat. De heer Marcouch heeft die voorstellen weggezet als "gebakken lucht". Kan hij die uitspraak duiden na deze spierballentaal?

De heer Marcouch (PvdA):

Wij zijn voor snelrecht en supersnelrecht, maar het moet wel supergoed gebeuren. Het moet goed voorbereid worden. Het slachtoffer moet centraal worden gesteld en niet niet het middel. In de uitspraken rond snelrecht en supersnelrecht was dat niet het geval. Het gaat ons erom dat de daders veroordeeld worden na een goede voorbereiding. Daar moeten wij de tijd voor nemen. Het gaat om ernstige delicten waar de beste agenten en de beste officieren op moeten worden gezet. Dat is waar het mij om gaat en dat heb ik mevrouw Hennis niet horen zeggen.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Ik denk dat de heer Marcouch mij heel goed heeft horen zeggen dat het gaat om de aard en de complexiteit van de zaak. Die moeten leidend zijn. Natuurlijk moet er de tijd worden genomen om een zaak rond te krijgen. Maar vele gevallen van agressie en geweld tegen hulpverleners lenen zich wel degelijk voor supersnelrecht, dan wel snelrecht. Ik stel voor dat de heer Marcouch terugkomt op zijn woorden over gebakken lucht.

De heer Marcouch (PvdA):

De aanpak van geweld jegens hulpverleners moet supersnel gebeuren, maar dat is niet ons doel. Ons doel is dat het supergoed gebeurt, dat die daders daadwerkelijk bestraft worden en de materiële en emotionele schade van hun gedragingen betalen.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik hoor mijnheer Marcouch spreken over een trendbreuk die hij wil, maar ik denk dat er dan ook een trendbreuk is binnen de PvdA. Ik lees hier namelijk: de PvdA wil supersnelrecht, lik op stuk is populair, voormalig PvdA-Kamerlid Ton Heerts komt daarom vanmiddag, december 2008, met een voorstel tot supersnelrecht, met name tegen rellende jongeren die zich misdragen tegenover de politie.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik heb helemaal niet gezegd dat wij tegen supersnelrecht zijn. Het gebeurt al. We hebben immers net een aantal veroordelingen gehad, en daar verwijs ik ook naar. Waar het om gaat, is dat de reactie moet zijn: hoe zorgen we ervoor dat de rechter een deugdelijk dossier krijgt, omdat wij het belangrijk vinden dat de daders ook daadwerkelijk worden veroordeeld en de slachtoffers, deze helden, recht wordt gedaan? Dat staat bij mij centraal.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik zie dat toch als ondersteuning van mijn verzoek voor het toepassen van supersnelrecht. Er gaat namelijk ook een preventieve werking vanuit. Ik hoor meneer Marcouch zeggen dat angst regeert op de straat, voorafgaande aan oud en nieuw. Ik denk dus dat hij zich daarbij kan aansluiten.

De heer Marcouch (PvdA):

U zit in de regering, en ik constateer dat u deze helden enigszins in de steek laat. U waardeert en erkent hun belang niet, door bijvoorbeeld te bezuinigen op extra agenten. Uiteindelijk is veiligheid echt mensenwerk. Ik ben zelf politieman geweest: je moet de daders horen, je moet getuigen horen en er moet een deugdelijk onderzoek worden aangeleverd bij de rechter om vervolgens daadwerkelijk tot vervolging over te gaan. Als u dat belangrijk vindt, moeten we het daarover hebben, en niet alleen maar roepen "supersnelrecht". De voorbereiding van de zaak, daar gaat het om en uiteindelijk om een veroordeling, en schadeverhaal op de daders.

De heer Çörüz (CDA):

Kan supersnelrecht niet samengaan met supergoed?

De heer Marcouch (PvdA):

Daarover zijn vragen gesteld aan de staatssecretaris. Ik ben benieuwd wat hij daarvan vindt, maar mijn indruk is dat een aantal taakstraffen wordt opgelegd en dat een aantal mensen wordt vrijgesproken, omdat rechters een flinterdun dossiertje aangeleverd krijgen, en dus geen recht kunnen spreken. Dat wil ik voorkomen door in te zetten op een supergoede voorbereiding van de zaak. We nemen geweld tegen hulpverleners, een ernstig delict, zwaar op en serieus. De daders moeten worden veroordeeld, doordat de politie en het OM de tijd krijgen om het goed te doen. Als het supersnel kan, prima, maar het gaat mij er primair om dat het supergoed gebeurt.

De heer Çörüz (CDA):

Eens. Is de PvdA-fractie ook van mening dat je supersnelrecht ook voor andere zaken zou kunnen gebruiken? Dat heeft uw collega namelijk wel gezegd. Op 28 september zei uw voorganger, Ton Heerts: "Ook PvdA’er Ton Heerts en CDA-Kamerlid Cokun Çörüz pleiten voor uitbreiding van het supersnelrecht." Omdat u mij net interrumpeerde en zei: voor die winkeldief kunnen we dat niet gebruiken, zeg ik: uw voorganger was het daar wel mee eens.

De heer Marcouch (PvdA):

Mijn interruptie sloeg op het feit dat de heer Çörüz de indruk wekte dat supersnelrecht maar voor het hele strafrecht moet worden toegepast. Ik ben overigens in principe altijd voor snelheid. Wat mij betreft moet een dader zo snel mogelijk worden veroordeeld, en worden geconfronteerd met zijn daden. Maar het moet wel redelijk zijn, en ik vraag u om in te zien dat dat ook een kwestie van capaciteit is. Daarop is in de laatste begroting bezuinigd, en u bent niet van plan er meer geld in te investeren. Dat is de andere kant.

De voorzitter:

Ik denk dat u inmiddels klaar bent met uw betoog, mijnheer Marcouch, want u bent allang over uw spreektijd heen. U krijgt de mogelijkheid om snel af te ronden.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik zal afronden. We hebben een beschavingsoffensief nodig. Dat begint ermee dat de staatssecretaris behalve de politie ook de burgemeesters aanspoort om wettelijke mogelijkheden daadwerkelijk te gebruiken. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de voetbalwet, maar ook aan de bijna vergeten bevoegdheid uit 2000 die burgemeesters in staat stelt recidiverende criminelen bestuurlijk op te houden. Jongens van wie we nu al weten dat zij over 345 dagen de straat zullen terroriseren, moeten we een nachtje in de cel zetten met oud en nieuw. Dat is wat mij betreft effectieve preventie. Ik roep de staatssecretaris op om de burgemeesters hiertoe aan te sporen. Laten we werkelijk de strijd aangaan met deze criminelen en staan voor onze helden, niet met woorden, maar met daden.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik zat een beetje op deze woorden te wachten. Ik vroeg me al af wanneer de heer Marcouch zou komen met zijn voorstel om mensen die wel eens iets fout hebben gedaan met oud en nieuw, preventief op te pakken. Misschien volgt er in tweede termijn nog een motie als de staatssecretaris geen gehoor geeft aan dit voorstel. Hoe moet ik deze oproep precies duiden? Moet iemand die bij deze jaarwisseling geweld heeft gepleegd, niet alleen nu worden bestraft en veroordeeld, maar ook preventief worden opgepakt voor de volgende jaarwisseling omdat hij of zij mogelijk opnieuw geweld zal plegen? Is dat het voorstel van de PvdA?

De heer Marcouch (PvdA):

Ik heb tot nu toe gezien dat rechters bij veroordelingen heel slim straffen. Daar ben ik blij mee; complimenten daarvoor. Tegen een aantal daders is reeds gezegd dat ze er de volgende keer niet bij zijn. Het gaat mij hier om een gemeentelijke bevoegdheid, waarover ik de mening van de staatssecretaris wil horen. Burgemeesters kunnen een bestuurlijke maatregel toepassen op daders van wie zij een dossier hebben. Je kunt iemand op basis van dossierkennis een gebiedsverbod opleggen. Op basis van het genoemde artikel in de Gemeentewet moet je op dezelfde manier tegen iemand kunnen zeggen dat hij, vanwege de kennis die we van hem hebben uit zijn dossier, niet mag deelnemen aan het feestje en een aantal uur zal worden opgehouden. Dat kan via opsluiting of via huisarrest, afhankelijk van het individu en de taxatie die de burgemeester maakt.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik snap wel wat de heer Marcouch wil, maar ik stelde een andere vraag. Hij zegt: als iemand nu iets heeft gedaan met oud en nieuw, straffen we diegene pas bij de volgende jaarwisseling rond 20.00 uur tot de volgende dag zodat hij de jaarwisseling mist. Mijn vraag is: waar trekt de heer Marcouch de grens? Als iemand bij deze jaarwisseling geweld heeft gepleegd, pakken we diegene dan preventief op voor volgend jaar? Straffen we hem later? Dat is geen snelrecht, want we straffen dan heel laat, maar het is wel een pijnlijke straf. Of wil de heer Marcouch hem nu al straffen en hem ophouden bij de volgende jaarwisseling? Ik vraag dit omdat ik dit voorstel gevaarlijk vind. Het heeft namelijk een hellend vlak in zich. Kunnen we er van tevoren van uitgaan dat mensen de wet zullen overtreden?

De heer Marcouch (PvdA):

Er zit een element van slim straffen in mijn voorstel. Daar hoort bij dat je tegen iemand kunt zeggen dat hij er de volgende keer niet bij is omdat hij met oud en nieuw geweld heeft gepleegd. Ik wijs erop dat deze daders over het algemeen bekende figuren zijn bij het lokaal bestuur. Ze plegen niet alleen met oud en nieuw geweld; ze doen het aldoor. De professionals in de wijk kunnen voorspellen welke daders met oud en nieuw rotzooi gaan trappen. Met die kennis moet je niet alleen een gebiedsverbod kunnen opleggen, maar ook het bestuurlijk oponthoud in de Gemeentewet kunnen toepassen om te voorkomen dat onze helden worden geconfronteerd met voorspelbaar raddraaien.

De vergadering wordt van 12.30 uur tot 12.40 uur geschorst.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik constateer dat het kabinet en de Kamer een aantal uitgangspunten delen, namelijk dat er op een goede manier supersnel recht moet worden gesproken en dat er supersnel voor gezorgd moet worden dat men met de handen afblijft van mensen met een publieke taak. Overigens heb ik wel goed de nuances en de kanttekeningen gehoord in de bijdragen van de verschillende woordvoerders.

Wat het kabinet betreft kunnen agressie en geweld tegen functionarissen in de publieke taak nooit worden getolereerd. De publieke taak is essentieel voor het functioneren van de samenleving. Wanneer functionarissen met een publieke taak worden geconfronteerd met lichamelijk of verbaal geweld, intimidatie of bedreiging, is dat altijd onacceptabel. De gevolgen van dat geweld en die agressie raken niet alleen die functionaris maar brengen ook de uitvoering van de publieke taak, zoals hulpverlening, toezicht en dienstverlening, in gevaar. De heer Marcouch zei het heel treffend: bescherm onze helden. En zo is het ook precies en zo ziet het kabinet het ook. Vandaar dat dit onderwerp in het regeerakkoord expliciet is genoemd. Overigens vindt er de volgende week in dit huis een algemeen overleg over plaats met de ministers van Binnenlandse Zaken en van Veiligheid en Justitie.

Met de start van dit kabinet zijn meteen plannen in gang gezet voor zwaardere straffen, zoals ook staat in het regeerakkoord. Op 19 november jongstleden heeft de Kamer van ons een brief ontvangen met ons voornemen om de strafeisen naar plus 200% te verhogen in deze zaken. Dat betekent dat verdachten van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak een drie keer zo hoge strafeis te horen krijgen in de rechtszaal. Inmiddels is dat ook ingevoerd en heeft het Openbaar Ministerie dat sinds 31 december 2010 toegepast.

Eerder waren er vragen vanuit de Kamer in hoeverre het Openbaar Ministerie de adviezen voor strafeisen uit BOS/Polaris ook daadwerkelijk volgt. Het Openbaar Ministerie heeft in 2010 aangegeven dat in 86% van de gevallen officieren van justitie die strafeisen, die richtlijnen zoals ze zijn afgesproken als het gaat om mensen met een publieke taak, ook daadwerkelijk volgen. In de andere gevallen waarbij is afgeweken van adviezen omdat de richtlijnen niet alle factoren verdisconteren, is dat ook apart gemotiveerd door het Openbaar Ministerie. Dat kan bijvoorbeeld een jeugdige leeftijd zijn maar dat kan niet zijn het gebruik van alcohol en drugs. In een ver verleden zag je nog weleens dat dit laatste een dempende werking had op een straf. Dat is nu niet meer zo. Uiteraard is dat een verantwoordelijkheid van eenieder die het aangaat. Het kan eerder een reden zijn om de straf naar boven bij te stellen. In vergelijking met twintig jaar geleden hebben wij dus al een hele ontwikkeling meegemaakt. Die cijfers hebben wij overigens ook aan de Kamer doen toekomen.

Interessant is de vraag van een aantal leden van de Kamer of de leden van de zittende magistratuur deze strafeisen ook volgen. Uit het rapport dat met de plannen voor hogere strafeisen is meegestuurd, blijkt dat rechters de hogere strafeisen van het Openbaar Ministerie in grote lijnen volgen. De gemiddelde straf bedraagt 93% van de gemiddelde strafeis en in 58% van de gevallen volgt de rechter exact de geëiste straf. In 9% van de gevallen legt de rechter – dat is ook in lijn met wat de aflopen weken is gebeurd – zelfs een zwaardere straf op dan geëist. Mij lijkt dan ook dat het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht duidelijk voor ogen hebben dat agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak ontoelaatbaar is.

De heer Marcouch (PvdA):

Gaat de staatssecretaris het alcoholmisbruik als verzwarend element nu wel of niet meenemen? Hij is op dat punt niet echt duidelijk. Het is wel een aangekondigde maatregel. Gaat hij die maatregel uitwerken?

Staatssecretaris Teeven:

Het moet volstrekt helder zijn dat het beleid daarop is gericht. Dat is ook aangekondigd. Er zal in individuele zaken door een officier van justitie in eerste instantie en vervolgens door een rechter worden beoordeeld of alcoholmisbruik uiteindelijk zal leiden tot een verhoging van de strafeis en een verhoging van de strafoplegging.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat de rechters de verhoogde strafeis van het OM vaak volgen. Ik heb echter begrepen dat bij de laatste jaarwisseling de verhoogde strafeisen in geen enkel geval zijn gevolgd. Kan de staatssecretaris dat verklaren?

Staatssecretaris Teeven:

Dat is niet het beeld dat ik heb. Als wij kijken naar de eerdere verhoging van de eisen door het Openbaar Ministerie, plus 150%, zien wij dat het enige tijd heeft geduurd voordat rechters die eisen ook gingen volgen. Er was een bepaalde inwerkperiode. Mijn ambtsvoorganger heeft de Kamer daar ook over bericht. Als je op 31 december een verhoging van de eis van plus 200% invoert, moet je niet verwachten dat dat ogenblikkelijk wordt gevolgd. Dat vergt gewoon enige tijd. Het is vandaag 20 januari en het zou wel erg snel zijn, gezien de invoeringsdatum van 31 december 2010, als ik nu al zou constateren dat rechters niet bereid zijn om die hogere eisen van het Openbaar Ministerie te volgen. Ik wil die constatering in ieder geval niet voor mijn rekening nemen. Ik heb er wel zorgen over, maar wij kunnen nu niet constateren dat rechters het nooit doen en ook nooit gaan doen. Ik denk dat dat iets te vroeg is, kijkend naar wat er het afgelopen jaar is gebeurd.

De heer Van Raak (SP):

Sommige rechters denken dat geweld bij het politiewerk hoort. Dat is niet helemaal waar. Geweld tegen agenten hoort niet bij dat werk, zeker niet het geweld dat wij de afgelopen tijd zien. Volgens mij is het heel goed als rechters tijdens de bijscholing een dagje meelopen met de politie. Is de minister bereid om dat te overwegen en overleg te voeren met de rechters om te kijken of dat in het bijscholingsprogramma kan worden opgenomen?

Staatssecretaris Teeven:

De heer Van Raak heeft daar een specifieke vraag over gesteld. Ik kom daar straks nog op terug. Vroeger zag je in vonnissen inderdaad wel eens de overweging – deze jaarwisseling is die, voor zover wij hebben kunnen constateren, niet in de vonnissen teruggekomen – dat een hulpverlener met een publieke taak een extra stootje moest kunnen verdragen. Dat zijn overwegingen die ik en die anderen in deze Kamer ook wel eens hebben gezien, maar dat zijn overwegingen in individuele zaken. Ik moet wel zeggen dat ik altijd met verbazing – dat zeg ik ook vanaf deze plaats – naar dat soort overwegingen heb gekeken. Die hulpverleners met een publieke taak vervullen die namelijk voor ons allemaal en de overweging dat je dan een extra stootje moet kunnen hebben, vond ik altijd een bijzondere. Ik heb die tijdens deze jaarwisseling niet teruggezien in vonnissen.

Ik kom nog terug op de specifieke vraag van de heer Van Raak over het meelopen van rechters met de politie. Wij hebben daar overigens in de brief die ik vanmorgen naar de Kamer heb gestuurd, over bericht dat daar al aan wordt gewerkt, dat er rechters zijn die dat al zelfstandig doen en dat dat vanuit sommige rechtbanken ook wordt gestimuleerd.

Toch hebben enkele media bericht dat in supersnelrechtzaken de rechters de strafeisen niet zouden volgen. Dat beeld, ik zeg het nogmaals, is gebaseerd op een eigen rondgang waarbij de strafeisen en de opgelegde straffen met elkaar zijn vergeleken. Af en toe zijn echter appels en peren met elkaar vergeleken. De vergelijking is niet juist omdat in deze telling onder andere ook zaken zijn meegenomen waar het ten laste gelegde niet kon worden bewezen, wat leidt tot vrijspraak. Het is geen juiste cijfermatige vergelijking, zeg ik ook tegen mevrouw Helder, om te zeggen dat in geval van vrijspraak de straf nul is en de strafeis niet is gevolgd. Dat mag niet meegenomen worden in de telling. Anders krijg je een heel rare vertekening van feiten. Dat sluit ook een beetje aan bij wat de heer Marcouch in zijn bijdrage zei, namelijk dat soms tijd genomen moet worden om wat langer aan een zaak te werken. Het is nog te vroeg om te zeggen dat rechters de hogere strafeisen niet volgen. Wij hebben bij eerdere zaken gezien dat het enige tijd duurde alvorens rechters de hogere strafeisen overnamen.

Een aantal woordvoerders heeft opmerkingen gemaakt over de cijfers in mijn brief over de situatie tijdens de jaarwisseling. Over het verloop van de jaarwisseling is de Kamer op 6 januari geïnformeerd. Ik herhaal nog maar even dat er tijdens de jaarwisseling 173 geweldsincidenten waren tegen werknemers met een publieke taak, tegen 103 incidenten tijdens de vorige jaarwisseling. Er zijn 177 personen aangehouden in verband met deze incidenten tegen werknemers met een publieke taak, tegen 108 personen tijdens de vorige jaarwisseling. De uitspraak moet in een aantal zaken nog volgen. Over de zwaarte van de straf kan dus nog geen uitspraak worden gedaan. Voor het totale beeld van 2010 ten opzichte van 2009 moet ik verwijzen naar het sociaal jaarverslag van het Rijk. Die objectieve cijfers zijn er nog niet. Die ontvangt de Kamer in mei 2011 bij de jaarverantwoording. Op dat moment worden de cijfers van 2010 ten opzichte van 2009 geplaatst.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat het uitblijven van hogere straffen en het ontstaan van vrijspraak enigszins te maken hebben met de cultuur bij de rechtbank. De rechters hebben volgens hem tijd nodig om te wennen aan de ontwikkelingen. Waar baseert de staatssecretaris dat op? In hoeverre ligt hier een relatie met het tijdsbestek waarin zaken worden voorbereid en de kans om tot een stevig oordeel te komen?

Staatssecretaris Teeven:

De heer Marcouch heeft mijn woorden niet helemaal goed begrepen. Ik heb iets anders gezegd in antwoord op de vraag van mevrouw Helder. Ik heb gezegd dat helder moet zijn dat er een verhoging in strafeisen is geweest naar 150%. Ik heb gezegd dat toen dat gebeurde, het ook niet direct heeft geleid tot de situatie dat rechters het ook gingen volgen. Ik heb daar nog niet de conclusie aan verbonden over wat de reden daarvoor is. Er kunnen tal van redenen zijn. Ik heb ook het woord "cultuur" niet gebruikt. Ik heb enkel de kale constatering gedaan dat het enige tijd heeft geduurd. In reactie op de vraag van mevrouw Helder heb ik gezegd dat als de strafeisen met 200% worden verhoogd, het enige tijd kan duren voordat de rechters het gaan volgen. De constatering dat rechters die verhoging niet willen, is te snel. Dat heb ik erover willen zeggen, niet meer en niet minder.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik heb de staatssecretaris inderdaad verkeerd begrepen. Wat bedoelt hij dan met de opmerking dat de rechters meer tijd nodig hebben?

Staatssecretaris Teeven:

Wij moeten constateren dat het Openbaar Ministerie de richtlijnen heeft aangescherpt. De rechters zijn daar ogenblikkelijk na het nieuwe jaar mee geconfronteerd. In het supersnelrecht soms al binnen drie dagen. Dat leidt vervolgens tot de situatie dat rechters even moeten wennen aan de eisen. In het verleden hadden zij te maken met 150% en nu met 200% verhoging. Dat betekent dat zij dit moeten wegen in individuele situaties. Ik denk dat de buurman van de heer Marcouch, de heer Recourt, dit vanuit zijn eigen verleden heel goed begrijpt. Het is vaak zo dat richtlijnen van het Openbaar Ministerie niet ogenblikkelijk worden gevolgd en dat enige tijd nodig is om eraan te wennen. Dat wil ook niet zeggen dat de rechter de hogere eis in elke individuele situatie moet volgen. Die is daar uiteraard geheel vrij in. Het is wel zo, zeg ik tegen de heer Marcouch, dat binnen rechtbanken en rechtbankenbesturen afspraken worden gemaakt om te voorkomen dat binnen een rechtbank afwijkende vonnissen plaatsvinden. Enige afspraken over dit soort zaken worden wel gemaakt binnen rechtbanken.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik wil dit gewoon even heel scherp krijgen: zegt de staatssecretaris daarmee dat dit iets te maken heeft met een beperkte voorbereidingstijd, zowel voor het OM als voor de rechters? Kan hij daarover iets zeggen?

Staatssecretaris Teeven:

Ik wilde daar juist nu iets over zeggen, want het betreft een belangrijk gedeelte van wat de Kamer aan de orde heeft gesteld. In het algemeen is het belangrijk dat regering en Kamer het eens zijn over het uitgangspunt dat supersnel recht moet worden gesproken, en dat je zo weinig mogelijk tijd moet laten verstrijken tussen het moment van plegen en het moment van berechten. Overigens is het moment van opleggen van straf en de uitvoering daarvan, nog iets anders: recht spreken is één, beginnen met een sanctie is twee. Het kan bijvoorbeeld heel effectief zijn om wel snel recht te spreken, maar bijvoorbeeld een sanctie als binnenblijven met oud en nieuw pas met vertraging na elf maanden haar beslag te laten krijgen. Er zijn een aantal modaliteiten voor de vormgeving van supersnel, goed en gedegen rechtspreken en een goede voorbereiding van de dossiers, en er zijn verschillende mogelijkheden om de data van plegen en berechting zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen. Dat kan met supersnelrecht binnen drie dagen, met supersupersnelrecht, volgens artikel 375 van het Wetboek van Strafvordering, kan het zelfs binnen één dag. Binnen het ministerie wordt bekeken hoe dit artikel 375 Sv kan worden uitgewerkt.

Maar naast het supersnelrecht hebben we natuurlijk het gewone snelrecht, dat ook leidt tot een heel spoedige berechting, namelijk binnen 17 dagen: 3 dagen inverzekeringstelling en vervolgens 14 dagen inbewaringstelling. Laat dit helder zijn: als je lik-op-stukbeleid wilt uitvoeren, kan dat dus via het supersnelrecht – dat is met oud en nieuw gedaan – maar ook heel goed via het gewone snelrecht. Daarin bestaat echter een aantal omissies en die gaten wil het kabinet graag dichten.

De heer Van Raak (SP):

Een van die problemen kan wel eens zijn dat de dossiers niet op orde zijn, dat er niet genoeg informatie is. Bij supersnelrecht kan wel eens het geval zijn dat niet alles bekend is, dat er niet genoeg onderzoek is gedaan, dat de rechter soms zelfs onvoldoende tijd heeft om alles goed te bestuderen. Is de staatssecretaris net als ik bang dat, als gevolg van supersnelrecht, straffen wel eens lager kunnen worden?

De voorzitter:

Volgens mij hebt u dit in uw inbreng aan de orde gesteld, maar de staatssecretaris is nog niet toegekomen aan de beantwoording van de specifieke vragen. Ik wil u voorstellen om hem die ruimte te geven. Als er echt onbeantwoorde vragen zijn, kunt u daarop terugkomen.

De heer Van Raak (SP):

Ik weet niet of de staatssecretaris daar wel aan toekomt. Hij had het net over supersnelrecht, dus ik wilde hem dit even vragen. Als hij er later op wil terugkomen, ga ik nu rustig zitten en wacht ik dat af, maar volgens mij was hij daar nu mee bezig.

Staatssecretaris Teeven:

Supersnelrecht heeft twee grote problemen, waarmee de Kamer ook wel bekend is. Het eerste probleem is dat alles heel snel moet, ook de dossiervoorbereiding, wat soms kan leiden tot het opleggen van lagere straffen dan via het gewone snelrecht. Dat kan gebeuren, bijvoorbeeld als een eenvoudige mishandeling direct bewezen kan worden verklaard, maar je met enig doorrechercheren en het horen van nog wat getuigen, na 17 dagen op een gewone snelrechtszitting kunt komen met een tenlastelegging van zware mishandeling. Bij een bewezenverklaring kan zoiets weer leiden tot een hogere strafoplegging. Zo’n situatie zou zich kunnen voordoen en doet zich in de praktijk ook wel voor. Het Openbaar Ministerie wordt bij supersnelrecht natuurlijk soms geconfronteerd met situaties waarin delicten niet zo zwaar ten laste kunnen worden gelegd als in situaties waarin nog enig recherchewerk zou kunnen worden verricht. Dat is het eerste probleem, dat kan leiden tot een lagere strafoplegging. Dat hoeft niet, als het blijft binnen de bandbreedte van de verdenking, maar het kan dus wel; de rechter bepaalt dit in individuele zaken. Een ander groot probleem is dat slachtoffers zich moeilijk kunnen voegen binnen de periode van het supersnelrecht. Dat probleem heeft de vorige minister van Justitie al aan de orde gesteld toen het ging om de invoering van supersnelrecht en snelrecht. Het voegen van slachtoffers binnen drie dagen, de schadeclaim in behandeling nemen, ervoor zorgen dat het ook op het bordje van de rechter komt, zijn bij supersnelrechtszittingen soms ook problemen. Om die reden kan het de voorkeur verdienen om niet dat supersnelrecht te hanteren maar te zeggen: sommige zaken doen wij volgens het gewone snelrecht. Dan worden het probleem dat de heer Van Raak impliciet aanduidde en het probleem van de slachtoffers in één keer geregeld. Daarvoor ontbreekt nog wel wat en daarover zou ik graag nog iets zeggen.

Voorzitter. Als dat snelrecht goed moet worden gehanteerd, dan moet er in sommige situaties een grond worden toegevoegd aan de voorlopige hechtenis. De vorige minister van Justitie heeft in de brief van 29 januari 2010 aan de Kamer aandacht hiervoor gevraagd. Als iemand wordt gedagvaard voor het snelrecht binnen zeventien dagen, dan kan dat op zich een grond zijn om iemand vast te houden vanaf het moment van aanhouding tot het moment van berechting. Dit gebeurt overigens niet in de situatie waarin er nog onderzoek moet worden verricht of waarin sprake is van een veelpleger of iemand die recidiveert. Dit gebeurt in situaties waarin het onderzoek is afgerond maar de schadeclaim van het slachtoffer nog onvoldoende is uitgekristalliseerd. In die situatie kan dat gebeuren. Ook als het een lichter feit betreft en de huidige gronden van de voorlopige hechtenis van artikel 67a er niet op zien, zou het invoeren van de specifieke grond een reden kunnen zijn om iemand niet via het supersnelrecht maar het gewone snelrecht te vervolgen. Op die manier kan ook direct de schadeclaim van het slachtoffer worden afgewikkeld. Dat is het complete verhaal. Ik kan u zeggen dat de regering bezig is met het toevoegen van die specifieke grond voor de voorlopige hechtenis. Wij hopen dat in maart in consultatie te geven. Bovendien hopen wij dit voorstel aan het einde van het voorjaar in de ministerraad te kunnen brengen.

De heer Van Raak (SP):

Dat klinkt veelbelovend. Dan zijn wij het eens. Wij zorgen ervoor dat deze boeven snel worden berecht, maar niet via het supersnelrecht als daardoor de straf mogelijk lager wordt. Ik zie uit naar de uitwerking van de regering. Wij kunnen mensen beter snel en goed berechten in plaats van supersnel en slecht.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Van Raak (SP):

Als de staatssecretaris een voorstel heeft gedaan, mag ik vervolgens zeggen dat ik het daarmee eens ben en om welke redenen. Dank u voorzitter, dat u mij die mogelijkheid biedt.

De voorzitter:

Het is goed.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik zeg tegen mevrouw Helder graag nog dat daarmee het toepassen van het supersnelrecht niet weg is. Er zijn veel situaties en delicten waarbij dat supersnelrecht heel goed kan worden gebruikt, zo zeg ik ook tegen de andere leden die dat hebben gemeld. Ik denk dat wij uit moeten gaan van het basisprincipe dat er supersnel en goed recht wordt gesproken, met daarbij een aantal aspecten die ik heb genoemd, en dat het aan de keuze is van het Openbaar Ministerie hoe dat uiteindelijk in de afdoeningstrajecten wordt geregeld. De heer Marcouch zei ook al dat de Kamer niet op de stoel van politie en Openbaar Ministerie moet gaan zitten. Ik ben het daarmee eens.

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Ik ga graag nog even in op het punt van het toevoegen van een grond voor het verlengen van voorlopige hechtenis. Dat voorstel lijkt mij sympathiek en goed, want dat komt ten goede aan het behartigen van de belangen van de slachtoffers en de berechting van de daders. Daarmee wordt dus een goed signaal afgegeven. Tegelijkertijd loopt de staatssecretaris het risico dat het gezag aangetast wordt als elke keer weer blijkt dat de dader of de verdachte in voorlopige hechtenis al zijn straf heeft uitgezeten of misschien zelfs langer heeft gezeten dan hij gestraft is. Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat dat niet gebeurt?

Staatssecretaris Teeven:

Je moet natuurlijk een goede weging houden in relatie tot het snelrecht en het vasthouden van mensen. Zo kan niet de volle termijn van zeventien dagen worden gebruikt maar geprobeerd worden om mensen eerder volgens het snelrecht te berechten. Vroeger was de termijn ook drie plus tien en werd men dus binnen dertien dagen via het snelrecht berecht. Bij sommige delicten is er dus een mogelijkheid om de snelrechtzitting naar voren toe te halen. Er moet echter altijd in de gaten worden gehouden dat het anticipatiegebod niet wordt overtreden en mensen langer in voorlopige hechtenis zitten dan de uiteindelijke strafoplegging. Het adagium van dit kabinet is niet, en moet ook niet zijn, dat pas na de voorlopige hechtenis de zaak voor de rechter komt. Feit is wel dat je er een aantal onvolkomenheden van het supersnelrecht uit haalt en dat je een groot aantal delicten waarin toch nog wat werk moet gebeuren, op deze manier wel heel snel afdoet.

De heer Schouw (D66):

Voor de fractie van D66 staat de kwaliteit van de rechtsstaat eigenlijk wel bovenaan. Wij zijn er erg voor als daarbij het gewone snelrecht, het supersnelrecht en alle mogelijkheden en kansen die de collega’s hebben aangegeven, kunnen helpen. In het debat komen de mogelijkheden en de aanpassing mij wat gefragmenteerd voor. Daar kan de staatssecretaris denk ik heel weinig aan doen, maar ik koppel er een vraag aan. Zou de staatssecretaris ook, met als uitgangspunt de kwaliteit van de rechtsstaat, een meer beleidsachtig verhaal kunnen voorbereiden en daarover in gesprek willen gaan met de Kamer als het gaat om alle mogelijkheden, de do’s en don’ts en de condities waaronder wij dit kunnen gaan organiseren? Anders doen wij dat naar mijn smaak veel te gefragmenteerd. Dat is niet goed voor de kwaliteit van de rechtsstaat.

Staatssecretaris Teeven:

Ik hoor de opmerkingen van de heer Schouw, maar ik heb ook gehoord wat hij in eerste termijn zei. Voor de kwaliteit van de rechtsstaat heeft hij toen ook aandacht gevraagd. De kwaliteit van de rechtsstaat is natuurlijk niet alleen het snel en goed berechten van daders, maar is ook aandacht voor het slachtoffer en zorgen dat die zijn schadeclaim op een goede wijze krijgt. Ik denk overigens, met verwijzing naar de brief van de vorige minister van 29 januari van het vorig jaar, dat hij die discussie ook al uitgebreid met uw Kamer heeft gevoerd. Ik probeer hier vandaag aan te geven dat dat belangrijke uitgangspunten zijn en dat zij nu verdiept zijn in het regeerakkoord. Een aantal dingen in de gereedschapskist, om de woorden van uw Kamer maar te gebruiken, ontbreekt nog. Ik denk dat het verstandig is, ook kijkend naar die kwaliteit van de rechtsstaat en naar het uitgangspunt van het kabinet voor een lik-op-stukbeleid, dat het kabinet dan ook aangeeft aan uw Kamer wat er concreet nog mist, want anders wordt het een beetje luchtfietserij. Dat zou ik ook een beetje willen voorkomen als het om dit belangrijke onderwerp gaat.

De heer Schouw (D66):

Ik vraag gewoon om een compacte visie met een aantal maatregelen, om die in samenhang te kunnen bespreken, waarin ook bijvoorbeeld de opvattingen van de Raad voor de rechtspraak zijn opgenomen. Op die manier voeren wij in deze Kamer een ordentelijke discussie over deze kwestie. Ik vraag de staatssecretaris om op dat punt met mij mee te denken.

Staatssecretaris Teeven:

Zeker, dat probeer ik ook te doen, juist om te zeggen dat de beroepsgroepen zich ook kunnen uitlaten over de maatregelen waarover ik nu spreek en die nog ontbreken in de gereedschapskist. Die gaat op een ordentelijke manier in consultatie. Dan kunnen wij er vervolgens ook met uw Kamer over spreken, maar ik denk dat het wel goed is om het op dit moment al aan te kondigen, zodat iedereen precies weet waar wij staan.

De heer Marcouch (PvdA):

Misschien is het handig als de staatssecretaris aan de Kamer inzichtelijk maakt hoe de praktijk tot nu toe is geweest. Dus het voorarrest en de voorlopige hechtenis versus de uiteindelijk opgelegde onvoorwaardelijke straf. Dan kunnen wij aan de hand daarvan zien wat de risico’s kunnen zijn van de uitbreiding van de gronden.

Staatssecretaris Teeven:

Op het moment dat het wetsvoorstel in consultatie gaat, wordt uw Kamer daar uiteraard over geïnformeerd. Dit is overigens te plaatsen in een wat breder verband. De minister heeft al tijdens de begrotingsbehandelingen gesproken over de invulling van het lik-op-stukbeleid. Dus dit moet u ook in die bredere context zien.

Als u mij toestaat, ga ik in op de vragen die nog zijn blijven liggen van de individuele leden. Mevrouw Helder heeft vragen gesteld over onder meer het aanpassen van de richtlijn. Zij wil nog hoger dan de plus 200%. Ik denk dat het op dit moment niet verstandig is om dat nu al, na drie weken – want daar praten wij dan concreet over – nogmaals te verhogen. Ik denk dat dat een lijn is die wij nu niet zouden moeten volgen en dat wij eerst even moeten bezien hoe dit in de praktijk uitwerkt. Ik denk dat drie weken echt op dat punt te kort is. Uiteraard is de minister van Veiligheid en Justitie in gesprek met de Raad voor de rechtspraak. Periodiek gebeurt dat ook. U kunt ervan uitgaan dat die onderwerpen, zoals het volgen van richtlijnen van het Openbaar Ministerie, ook regulier aan de orde komen.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik ben het met de staatssecretaris eens dat dit in drie weken te snel is, maar daarom heb ik ook gezegd: indien zou blijken dat het aantal geweldsincidenten niet zou dalen.

Staatssecretaris Teeven:

Wij weten in mei 2011 hoe dat precies zit als wij 2010 afzetten tegen 2011.

Ik ben al uitgebreid ingegaan op de vraag over het aanpassen van artikel 67a Strafvordering.

Mevrouw Hennis vraagt naar de indruk van het kabinet wat betreft het toepassen van de eenduidige landelijke afspraken. Zowel politie als OM heeft de eenduidige landelijke afspraken herhaaldelijk gecommuniceerd binnen de eigen organisatie. Op het eerste gezicht lijken politie en OM deze afspraken goed op te pakken en te werken volgens de afspraken. Ook politiemensen en officieren hebben soms te maken met agressie en geweld. Daardoor zijn ze zich goed bewust van deze maatregelen. Het is inderdaad goed om systematischer na te gaan hoe het staat met de bekendheid – dat zeg ik ook in de richting van de heer Van Raak – en de invoering van de eenduidige landelijke afspraken. Vandaar dat de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid dat zal onderzoeken. Wij houden de Kamer op de hoogte van de vorderingen. De minister van BZK stuurt de Kamer periodiek voortgangsrapportages over het programma Veilige Publieke Taak dat hij onder zijn hoede heeft. Dat is recentelijk ook nog op 19 november gebeurd.

Mevrouw Hennis vraagt ook naar de stand van zaken als het gaat om het verhalen van de schade. Uit de tussenmeting van het programma Veilige Publieke Taak, dit in aanvulling op wat ik over het schadeverhaal heb gezegd, van de minister van BZK blijkt dat van de respondenten die schade hebben geleden door een geweldsdelict, gemiddeld 14% zijn schade (deels) heeft verhaald. Er is wel sprake van een groot verschil tussen de diverse sectoren. Bij de politie is het schadeverhaal 52%, maar in het onderwijs is het minder dan 10%. In 29% van de gevallen heeft de werkgever de schade overgenomen en in een civiele procedure verhaald. Van de hoogte van de schadebedragen is alleen informatie bekend bij het UWV. Bij het UWV hebben zich in een halfjaar 34 gevallen van materiële schade voorgedaan, waarbij 33 gevallen daadwerkelijk zijn verhaald. Dat is een behoorlijk percentage.

Andere opmerkingen van mevrouw Hennis heb ik beantwoord in het kader van de algemene zienswijze.

Het kabinet heeft een uitgebreide reactie gegeven op het stuk van de fractie van de SP. Het is een interessant stuk. Dat geldt ook voor de voorbeelden van politieambtenaren van wat zij hebben meegemaakt. De heer Van Raak gaf zelf ook twee voorbeelden. Het eerste betreft die agent in Den Haag die is mishandeld met een stoel. Ik was met oud en nieuw zelf in Den Haag. Het gestelde daarover van mijn kant betrof geen spierballentaal – dit terloops tegen de heer Marcouch – maar een beschrijving van hoe het in het veld gaat. Ik was zelf in Den Haag, dus ik heb die zaak van dichtbij gezien. De uitspraak in die zaak was twee maanden onvoorwaardelijk. Het tweede voorbeeld betreft de zaak in Arnhem. De heer Van Raak zal het mij niet euvel duiden dat ik als vertegenwoordiger van de regering niet inga op individuele zaken, maar ik ben met hem en de andere sprekers van mening dat dit soort zaken diep ingrijpt in het leven van in dit geval agenten. Deze mensen verdienen onze steun op straat heel nadrukkelijk. Daarom zullen wij dit onderwerp steeds blijven volgen.

Dan iets over de besmetting met hiv en de lange onzekerheid als het idee bestaat dat men is besmet met hiv. Met de inwerkingtreding van de regelgeving inzake de verplichte bloedtest in strafzaken op 1 juli 2010 kunnen verdachten van een misdrijf worden verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar de aanwezigheid van onder andere hiv en hepatitis B.

De heer Van Raak vraagt naar mijn oordeel over het voorstel om rechters te verplichten om een keer per jaar een dienst mee te draaien met de politie. Ik keek terloops naar de heer Recourt. Ik vroeg mij af of hij dat al eens heeft gedaan in zijn praktijk als rechter. Ik zie hem ja knikken. Dat is dus al een voorbeeld uit de praktijk, maar ik weet dat het meer gebeurt. De minister van Veiligheid en Justitie bespreekt dit voorstel momenteel met de Raad voor de rechtspraak, ook naar aanleiding van wat de minister al heeft toegezegd bij de begrotingsbehandeling. De Raad voor de rechtspraak neemt dit mee in de discussie over de permanente educatie en de invulling van de maatschappelijke stage. Niet voor iedere rechter is dat nodig. Veel rechters zijn, al dan niet via een tussenstapje bij het Openbaar Ministerie, afkomstig uit politiekringen en andere delen van het opsporingsapparaat. Je kunt je voorstellen dat je van die mensen mag verwachten dat ze wel een beetje weten hoe het gaat. De suggestie van de heer Van Raak is echter heel goed.

De heer Dibi heeft een aantal zinnige opmerkingen gemaakt over de cijfers. Hij heeft ook gevraagd of sprake is van een daling. Ik denk dat ik dit met betrekking tot de jaarwisseling duidelijk heb gezegd. Er zijn minder incidenten. Ik heb de cijfers genoemd. Er zijn wel meer aanhoudingen. Als de heer Dibi dit vertaalt – de heer Marcouch vertaalde dit enigszins als spierballentaal van de staatssecretaris – als een positieve ontwikkeling, dan ben ik dat met hem eens. Dat geeft je echter nog niet het recht – hierin heeft de heer Marcouch gelijk – om je op de borst te kloppen. Dat is precies wat ik na oud en nieuw heb gezegd: het is een voorzichtige positieve tendens, maar ik ben zeker niet tevreden. Ik heb dit kort na oud en nieuw gezegd en ik zeg het nu weer. Ik ben zeker niet tevreden. Er zijn minder incidenten en meer aanhoudingen. Dat betekent dat de tolerantiegrens omlaag is gegaan, dat er sneller is opgetreden. Dat kun je in ieder geval constateren. Dat betekent echter dat er nog veel te veel incidenten zijn. Ik ben dat met de heer Marcouch eens. Dat is precies wat ik na oud en nieuw heb gezegd. Er is dus sprake van een goede ontwikkeling, maar wij moeten zeer waakzaam zijn en er is nog veel werk voor dit kabinet.

De heer Dibi (GroenLinks):

Het is zeker een goede ontwikkeling; mijn complimenten en waardering voor al die mensen die hieraan hebben gewerkt opdat het geweld tegen hulpverleners daalt. Ik heb een andere vraag. Het is belangrijk dat politieke partijen een goede en juiste voorstelling van zaken geven. Anders maken wij de mensen in het land onnodig bang en creëren wij het gevoel dat het heel erg onveilig is. Dit debat is aangevraagd onder het mom dat sprake is van een stijging. De staatssecretaris zegt nu, als ik hem goed begrijp, dat sprake is van een daling. Voor mij is het belangrijk om te weten wat het startpunt is voor de komende jaren om te bepalen of wij meer moeten doen of dat het goed gaat.

Staatssecretaris Teeven:

Met betrekking tot de jaarwisseling kan ik zeggen dat er minder incidenten zijn geweest en meer aanhoudingen. Dat is een positieve trend, maar niet meer dan dat. Het is helemaal geen reden om je op de borst te kloppen. Veel waakzaamheid is nodig. Wij kunnen niet achterover gaan zitten en zeggen: wij hebben het pleit gewonnen. Het zijn niet meer en niet minder dan alleen de cijfers over de jaarwisseling. In mei weten wij meer, want dan hebben wij de objectieve cijfers over het jaar 2010 ten opzichte van het jaar 2009. Er zijn wel signalen dat het afneemt, maar dat zijn subjectieve signalen. Ik denk dat wij het beste kunnen wachten tot de objectieve harde cijfers beschikbaar zijn.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik wil graag afstand nemen van de term "spierballentaal". Die heb ik niet in mijn mond genomen jegens de staatssecretaris. De staatssecretaris riep op nieuwjaarsdag, waarschijnlijk na de meegedraaide dienst, dat de politie overal in Nederland de baas was op straat. Dat strookt echter niet met de werkelijkheid. Neemt de staatssecretaris afstand van deze uitspraak, gaat hij deze nog relativeren?

Staatssecretaris Teeven:

Nee, ik neem geen afstand van deze uitspraak. Op basis van de rapportages die wij van de 26 korpsen ontvangen hebben, vind ik dat deze constatering gerechtvaardigd is. Dat laat onverlet – ik ken de casus waarop de heer Marcouch doelt; het desbetreffende echtpaar heeft mij aangeschreven – dat er altijd situaties in wijken en buurten kunnen zijn waarin de politie op dat moment misschien heel dringend gewenst is, maar er niet is. Bij burgers en ondernemers kan dan de indruk ontstaan dat de politie niet de baas is. Ik bedoel te zeggen dat de ontwikkeling die er is, ten goede is. In die 26 korpsen is nergens een onbeheersbare situatie geweest. Dat laat onverlet dat er nog heel veel werk te doen is. De heer Marcouch heeft een voorbeeld genoemd en er zijn voorbeelden in tal van andere dorpen en steden. De heer Marcouch en ik zijn het hierover niet oneens, maar het is iets anders of je de ME voor een gering incident moet inzetten, zoals in Ypenburg in de regio Den Haag, of dat je de ME door een hele politieregio heen op allerlei plaatsen tegelijk moet inzetten, met bijstand van andere korpsen. Een dergelijke situatie heeft zich niet voorgedaan. Ik wil niks relativeren, ik wil niet zeggen dat het allemaal geweldig is – dat doe ik ook niet – maar het is wel zo dat de politie steeds de baas is geweest op straat. Dat neem ik ook niet terug; dat is nog steeds de waarneming die ik heb.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u uw betoog vervolgt en de resterende vraag beantwoordt, ook in verband met de tijd.

Staatssecretaris Teeven:

Ik zou niet anders willen.

De heer Schouw van de D66-fractie heeft gevraagd hoe het kabinet de inzet van de voetbalwet beoordeelt. Het stemt tot tevredenheid dat de wet wordt benut. Zoals bij de totstandkoming van de wet is toegezegd, wordt de uitvoering van de wet gemonitord en geëvalueerd. De eerste tekenen zijn positief. Er zijn nog meer mogelijkheden om gebruik te maken van de wet.

De heer Schouw heeft verder het vuurwerkverbod, het project in Escamp en de brieven van burgemeesters aan ouders aan de orde gesteld. We zullen de uitkomsten van aanvullende maatregelen inventariseren. We zullen de Kamer daarover informeren. De cijfers heb ik op dit moment nog niet. Ik ontraad een vuurwerkverbod op specifieke plaatsen tijdens de jaarwisseling, omdat dit een handhavingsprobleem zou opleveren. Wij hebben nu al grote handhavingsproblemen. Die zouden nog groter kunnen worden. Het project in Escamp werkt wel goed. Ik ben in deze wijk zelf een aantal uren aanwezig geweest met oud en nieuw. De participatie van buurtbewoners om ervoor te zorgen dat het rustig is, was zeer positief. Dit heeft ertoe geleid dat er dit jaar geen auto’s in de brand zijn gestoken in deze wijk. In voorgaande jaren was dat wel het geval. Dit vraagt om nadere bestudering in het kader van preventie. Het draait wel op de persoonlijke inzet van individuele agenten en buurtbewoners. Je hebt dit niet zomaar in alle andere regio’s en wijken in Nederland ingevoerd. Dit is een initiatief uit Den Haag dat is uitgegroeid en goed werkt. We zullen bekijken hoe we hiermee verder kunnen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat de staatssecretaris alle vragen beantwoordt.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik wil een vraag stellen over het handhavingsprobleem. Dat lijkt mij een principiële zaak.

De voorzitter:

Ik stel voor dat de staatssecretaris alle vragen beantwoordt. Misschien kan de heer Marcouch deze vraag in zijn tweede termijn meenemen.

Staatssecretaris Teeven:

De heer Çörüz heeft gevraagd of de voetbalwet ook kan worden toegepast bij de jaarwisseling. De jaarwisseling kan worden opgevat als een evenement. Uiteraard dient voldaan te zijn aan wettelijke criteria als ernst van de overtreding en gevaar van herhaling.

Wordt alcoholgebruik een strafverzwarende omstandigheid in een strafzaak? Momenteel wordt in kaart gebracht wat de consequenties zijn voor de strafrechtketen. Daarna zal de minister van Veiligheid en Justitie daarover een beslissing nemen. Het moet helder zijn dat niet het gebruik van alcohol en drugs op zich, maar datgene waarvoor iemand is aangehouden, het belangrijkste criterium is voor het formuleren van een eis door het Openbaar Ministerie.

De heer Çörüz heeft gevraagd of er nog andere categorieën van delicten zijn voor het supersnelrecht. Ik wijs erop dat we ten behoeve van supersnel en goed rechtspreken al inrichtingen voor stelselmatige daders hebben. Ook hebben we zaken geregeld rondom recidiverende zaken. Dit zijn allemaal trajecten waarbij supersnelrecht al speelt, ook in de sfeer van de afdoening. Soms zou dit goed kunnen werken, maar de minister van Veiligheid en Justitie zal terugkomen op het totale pakket van lik-op-stukbeleid. Inmiddels is binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie een werkprogramma uitgerold. Eind februari, begin maart wordt bezien hoe kan worden gekomen tot verkorting van de afdoeningstrajecten in de justitiële keten. Wat de heer Çörüz daarover vraagt, hoort daar dus ook bij.

Op de opmerkingen van de heer Van der Staaij heb ik al gereageerd. Ik heb de discussie tussen de heer Dibi en de heer Van der Staaij met interesse gevolgd. Ik denk dat daarop geen reactie van het kabinet past.

De heer Marcouch heeft niet heel veel vragen gesteld. Ik ben er blij mee dat het geen spierballentaal was. Dat is ook nooit de bedoeling geweest. Dat is dus weer uit de wereld.

Wat de burgemeesters en het bestuurlijk ophouden betreft: dit is typisch iets wat de minister van Veiligheid en Justitie nog onder de aandacht kan brengen van de burgemeesters voor de volgende jaarwisseling. Het kan ook de komende tijd gaan spelen bij een aantal andere onderwerpen, zoals evenementen. Dat valt inderdaad in de categorie "geen woorden maar daden". Dat motto heeft dit kabinet, zeker bij dit onderwerp, hoog in het vaandel staan. Daarom ook, zo zeg ik nog één keer tegen de heer Schouw, moet je dan wel met concrete dingen komen en niet een beetje in luchtfietserij blijven steken. Wij delen de visie dat beleid breed moet worden geformuleerd, met alle aandacht voor de kwaliteit van de rechtsstaat, maar het gaat er ook om, concreet dingen te doen waar slachtoffers concreet wat aan hebben.

De voorzitter:

Is er nog behoefte aan een tweede termijn of misschien een aanvullende vraag? Dit is overigens niet uitnodigend bedoeld, maar als er een brandende vraag is, mag die ook worden gesteld.

Ik constateer dat er behoefte is aan een tweede termijn. Het woord is aan mevrouw Helder van de PVV. De maximale spreektijd is één minuut.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Die minuut gebruik ik voor het indienen van een motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat functionarissen met een publieke taak steeds vaker met agressie en geweld worden geconfronteerd;

overwegende dat de publieke taak essentieel is voor het functioneren van onze samenleving;

overwegende dat burgers in alle omstandigheden moeten kunnen vertrouwen op bescherming, hulp en diensten die zij van de overheid in dit kader mogen verwachten;

constaterende dat tijdens de afgelopen jaarwisseling lik-op-stukbeleid is gehanteerd tegen veroorzakers van ongeregeldheden en er hogere straffen zijn gevorderd in gevallen van agressie of geweld tegen functionarissen met een publieke taak;

verzoekt de regering, over te gaan tot een permanente toepassing van de verhoogde strafeis en het (super)snelrecht bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak, en er aldus voor te zorgen dat daders direct strafrechtelijk en financieel verantwoordelijk worden gesteld voor hun gedrag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Helder, Hennis-Plasschaert en Çörüz. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 299 (28684).

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik snap de zorgen van mevrouw Helder en de coalitiepartijen en de aandacht die zij vragen voor dit verschrikkelijke probleem. Volgens mij hebben wij de staatssecretaris toch duidelijk horen zeggen dat nog niet vastgesteld kan worden of er sprake is van een stijging. Ik zou het kwalijk vinden als wij, hoewel het kabinet voor ons een aantal cijfers op een rijtje heeft gezet, het land de boodschap meegeven dat er sprake is van een daling en wij toch allerlei extra maatregelen moeten nemen. Dat kunnen wij nog helemaal niet vaststellen.

Mevrouw Helder (PVV):

Die boodschap van daling heb ik ook niet gebracht. Ik heb het rapport van 6 januari aangehaald, ook in een interruptie op de heer Dibi. Ik deel niet de mening dat er sprake is van een daling.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik ook niet.

Mevrouw Helder (PVV):

Oké. Ik snap die vraag ook niet zozeer. Ik meen gewoon dat in ieder geval van agressie tegen functionarissen met een publieke taak snelrecht dan wel, als desbetreffende zaak zich daarvoor leent, supersnelrecht dient te worden toegepast.

De heer Dibi (GroenLinks):

Daar is geen verschil van mening over. Warempel, GroenLinks en de PVV zijn het op dit punt helemaal eens. U gaat echter uit van een stijging. U stelt vast dat er sprake is van een stijging. In het debat hebben wij juist gezegd dat wij dat nog helemaal niet weten. Misschien is er wel sprake van een daling; laten wij het hopen. Dat is geen reden om niets meer te doen – wij moeten juist nog extra stevig inzetten om geweld tegen hulpverleners te stoppen – maar er kan zeker niet van een stijging worden gesproken. Ik zeg dit ook vanwege de "fact-free politics", waarover de laatste tijd vaak gesproken wordt. Politiek moet gebaseerd zijn op feiten. Wij moeten het eerlijke verhaal vertellen en mensen niet onnodig bang maken. Houd u zich dus ook gewoon aan de feiten.

De voorzitter:

Ik maak hieruit op dat u geen gebruik maakt van de tweede termijn?

De heer Dibi (GroenLinks):

Dat klopt.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik ben dus niet van mening dat er sprake is van een daling. Ik verwijs daarvoor naar dat rapport. Ik heb in ieder geval gezegd – daar blijf ik ook bij – dat iedere situatie er een te veel is. Dat is ook de reden voor de indiening van de motie.

De heer Schouw (D66):

Het zou de indieners sieren om het bij de feiten te laten. Dat zou recht doen aan de manier waarop dit parlement functioneert. De zin over de verhoging zouden zij moeten schrappen, want die klopt dus niet. Is die permanente toepassing van de verhoogde strafeis ongeclausuleerd? In interruptiedebatjes hebben we het over de kwaliteit gehad. Daar zijn mitsen en maren aan verbonden en daarvan zie ik niets terug in de motie.

Mevrouw Helder (PVV):

Die mitsen en maren zie ik er wel in terug. Daarom staat "(super)" ook tussen haakjes. Het gaat om zaken die zich daarvoor lenen. De drie concrete zaken die ik in eerste termijn heb aangehaald, lenen zich voor snelrecht of supersnelrecht. Het is aan het OM om tussen die twee een keuze te maken.

De heer Schouw (D66):

Je moet ervoor waken ernstige problemen op te pakken met populistische oplossingen. Vandaar dat ik heb gevraagd om de voorwaarden waarop snelrecht en supersnelrecht kunnen worden toegepast. Het zou fijn zijn als mevrouw Helder dat in een gewijzigde motie zou willen aangeven.

De heer Van der Staaij (SGP):

Uit de discussie over de feiten heb ik in eerste termijn begrepen dat de indieners van de motie vinden dat functionarissen met een publieke taak onaanvaardbaar vaak met agressie en geweld worden geconfronteerd. Het zou misschien goed zijn als dat wordt bijgesteld in de tekst van de motie. Dan hoeven we daarover niet onnodig te steggelen.

Voor mijn begrip van de motie wil ik graag weten in hoeverre het in de motie voorgestelde anders of meer is dan het beleid van de regering zoals dat door de staatssecretaris naar voren is gebracht.

Mevrouw Helder (PVV):

Wij zijn van mening dat ieder geval er één te veel is. Ik vraag dus om een permanente toepassing van snelrecht of supersnelrecht in deze situaties. Ik meen dat daar een preventieve werking van uitgaat. Ik hoop dat dit straks een bijdrage zal zijn geweest aan de daling van de geweldsincidenten tegen hulpverleners met een publieke taak.

De heer Van der Staaij (SGP):

Dan lijkt het verschil vooral te zitten in het permanent of niet-permanent zijn. Ik heb de staatssecretaris niet horen zeggen dat de verhoogde strafeis en het toepassen van snelrecht tijdelijke maatregelen zijn. De inzet is toch juist om daarmee door te gaan?

Mevrouw Helder (PVV):

Het is inderdaad de bedoeling om ermee door te gaan. Ik meen dat er toch nog ruimte is, al is die klein. Ik vind dat dit in iedere situatie van toepassing zou moeten zijn.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Ik denk dat we simpelweg kunnen vaststellen dat we de woorden "steeds vaker" kunnen wijzigen in "onaanvaardbaar vaak". Ik vond dat een mooie suggestie van onze SGP-collega. Daarnaast staat voor de VVD en de rest van de Kamer de zorgvuldigheid voorop. Wat mij betreft houden we daarmee rekening in de finale versie van deze motie.

De voorzitter:

Het is wel een beetje lastig zo, omdat mevrouw Hennis-Plasschaert en mevrouw Helder allebei medeondertekenaar zijn.

Mevrouw Helder (PVV):

Met de wijziging in "onaanvaardbaar vaak" kan ik akkoord gaan. Daar past precies in wat ik heb gezegd, namelijk dat iedere situatie er één te veel is.

De voorzitter:

Procedureel is dit niet helemaal goed.

De heer Dibi (GroenLinks):

Inderdaad, daarom wil ik een vraag stellen. Dat is voor mijn begrip van de motie ook van belang. Wij willen weten hoe we moeten stemmen over deze motie. Mevrouw Hennis zei dat zorgvuldigheid bij snelrecht en supersnelrecht van groot belang is. Mevrouw Helder geeft de rechter alleen de keuze tussen snelrecht en supersnelrecht. Het kan echter zo zijn dat er een ander oordeel volgt. Die ruimte moet wel blijven bestaan. Deelt mevrouw Helder de interpretatie van mevrouw Hennis?

Mevrouw Helder (PVV):

Dat is niet echt meteen een vraag aan mij. Ik vind dat het een van beide moet zijn. Met dit soort zaken, waarvan ik drie voorbeelden heb genoemd, kom je er zeker met die keuze.

De voorzitter:

Omdat mevrouw Hennis-Plasschaert de motie mede ondertekend heeft, wil ik eigenlijk dat zij en mevrouw Helder in overleg gaan over de motie en beslissen op welke manier die, eventueel gewijzigd, ter stemming komt. Wij moeten hier geen discussie daarover voeren, want dat lijkt mij procedureel ingewikkeld.

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. Ik maak wel gebruik van de tweede termijn, al was het alleen om de staatssecretaris ook namens collega Dibi te bedanken voor zijn beantwoording. Over de motie hebben wij zojuist al eventjes gesproken. Die gaat eigenlijk precies over datgene waarover ik het in eerste termijn en ook in het tussendebatje met de staatssecretaris over had, namelijk over de kwaliteit van onze rechtsstaat. Als wij deze motie aannemen en ongeclausuleerd een soort dictaat opleggen over supersnelrecht en de condities daarvoor niet strak formuleren – daartoe heb ik de staatssecretaris dan ook uitgedaagd – gaan wij niet de goede kant op. Ik gebruik deze tweede termijn dan ook om de staatssecretaris nogmaals uit te dagen om heel precies en nauwkeurig de condities te formuleren waaronder je met behoud van de kwaliteit van de rechtsstaat toch het supersnelrecht geleidelijk zou kunnen uitbreiden.

Het onderwerp van dit debat is geweld tegen werknemers met een publieke taak tijdens de jaarwisseling. Wij hebben er van alles en nog wat bijgesleept. Ik vind echter dat het accent op preventie in dit debat onbelicht is. Daarom heb ik ook een aantal projecten genoemd. Ik vraag de staatssecretaris om zijn best te doen om met name de preventieprojecten uit te rollen over het land.

Ik mis bovendien het antwoord op de vraag over de tabel op pagina 12. Daarin vallen beledigingen ook in de categorie geweld. Daar valt veel over te zeggen, maar graag ontvang ik een antwoord waarom dit zo is.

De heer Çörüz (CDA):

Voorzitter. Het CDA wil een zerotolerancebeleid wat betreft agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden in dit kader. Er rest mij nog een aantal vragen.

Ik wil graag duidelijkheid over het gebruik van alcohol en drugs. De discussie daarover was op een gegeven moment enigszins verwarrend. Het vorige kabinet heeft besloten – althans zo heb ik het begrepen – om dit als strafverzwarende omstandigheid mee te wegen, omdat bij 80% van de geweldszaken alcohol in het spel is.

De CDA-fractie pleit echt voor uitbreiding van supersnelrecht dan wel snelrecht met betrekking tot andere zaken, zoals tot de door mij genoemde winkeldiefstal en tot andere eenvoudige zaken zoals het gebruik van valse documenten op Schiphol. De staatssecretaris is mij ook nog een antwoord schuldig over verzekeraars die schade uitbetalen. Hoe kunnen zij die verhalen op de daders?

Politiemensen zijn verplicht om aangifte te doen. Ik heb mij laten vertellen dat je heel veel agenten op zittingen ziet. Bij hulpverleners, ambulancemedewerkers en brandweerlieden, is dit niet het geval. Dit geeft een enigszins vertekend beeld.

Verder vraag ik mij af of iedereen vanaf het begin tot het eind anoniem aangifte kan doen. Ik hoor namelijk nog steeds geluiden dat je wel anoniem mag beginnen, maar dat je uiteindelijk toch je naam en je adres moet opgeven. Daar zitten mensen natuurlijk niet op te wachten. Ik wil dus een verzekering dat het anoniem kan, vanaf het begin tot aan het eind van de zaak.

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Ik dien een motie in omdat alcohol en drugs toch vaak wel degelijk een factor zijn bij het geweldsmisbruik door criminelen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het algemeen bekend is dat alcohol en sommige drugs ontremmend werken en daardoor de drempel voor het gebruik van geweld verlagen;

overwegende dat de officier van justitie in een individueel geval altijd mag afwijken van de strafeis zoals die wordt opgebouwd in BOS-Polaris;

verzoekt de regering om het daartoe te leiden dat het gebruik van alcohol en drugs bij geweldsdelicten leidt tot een zelfstandig strafverhogend element in de strafeis door de officier van justitie, zoals die wordt opgebouwd in het door het Openbaar Ministerie gehanteerde systeem BOS-Polaris,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Marcouch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 300 (28684).

Wij wachten heel even totdat de staatssecretaris de moties heeft.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng in tweede termijn.

De heer Schouw heeft opnieuw gesproken over en gepleit voor aandacht voor preventie. Wij verschillen niet van mening over het feit dat dit een heel belangrijk onderwerp is. Niet voor niets werd het project-Escamp aangehaald. Ook niet voor niets heb ik behalve het geven van een indruk van het repressieve optreden van politie en justitie rond de jaarwisseling, nadrukkelijk aandacht besteed aan preventie. Dit kabinet vindt dat ook belangrijk. Dat zijn niet alleen holle woorden. Dat blijkt ook uit het programma Veilige Publieke Taak. Daarin is er ook aandacht voor preventie. Op tal van terreinen vinden preventieve pilots plaats, bijvoorbeeld in het kader van alcohol en drugs. Ik noem het project-Safe Bar. Dat is een preventieproject waarover de regering al eerder heeft bericht. Hij kwam zelf met de Hein Roethofprijs als het gaat over de rolmodellenproject in Escamp. Dat is ook zo’n project.

De heer Schouw vroeg terecht waarom belediging is opgenomen onder deze categorieën van geweld. Ik ben hem het antwoord nog schuldig; dat is in eerste termijn weggevallen. Het wordt door het kabinet maar zeker ook door het Openbaar Ministerie gezien als verbaal geweld. Dat valt ook onder het programma Veilige Publieke Taak en onder de richtlijn van het Openbaar Ministerie. Dat heeft ook te maken met lik-op-stukbeleid en ten opzichte van publieke handhavers niet te veel toelaten. Als je tegen dit soort zaken niet in het eerste stadium consequent optreedt, zie je vaak dat het van kwaad tot erger wordt. Er zijn voorbeelden van, ook tijdens eerdere jaarwisselingen. Dat is een van de redenen waarom dat bij deze jaarwisseling nadrukkelijk is meegenomen.

De heer Çörüz heeft in tweede termijn gesproken over anonimiteit. Ik wijs hem op de brieven van februari en oktober 2010. De huidige minister en ook zijn ambtsvoorganger zijn uitgebreid ingegaan op de mogelijkheden van anonimiteit. De heer Çörüz vraagt die garantie. Laat ik het meteen helder zeggen: op dit moment is niet te garanderen dat het in alle gevallen tot het eind van de procedure zal gebeuren. Dat gaat gewoon niet. Als je dat wilt garanderen, kies je soms voor een situatie waarin niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring, doodeenvoudig omdat de bewijsmiddelen soms niet kunnen worden getoetst door de verdediging. De heer Çörüz en ik zijn het erover eens dat je al het mogelijke op dat terrein moet doen. Er zijn diverse modaliteiten in het Wetboek van Strafvordering en straks ook in de uitwerking. Wij kunnen niet garanderen dat het altijd gebeurt, maar wij gaan er wel alles aan doen om een maximale afscherming te verwezenlijken.

Ik kom op de kwestie van alcohol en drugs, ook naar aanleiding van de motie van de heer Marcouch. Nu al wordt in het professionele optreden van het Openbaar Ministerie in individuele strafzaken rekening gehouden met de omstandigheid van alcohol en drugs. Ik heb in eerste termijn gezegd dat dat in het verleden niet altijd gebeurde, maar dat is inmiddels wel het geval. U vraagt er terecht aandacht voor, maar het gebruik van alcohol en drugs wordt al meegenomen: hoeveel neem je tot je als verdachte, hoe breng je jezelf in bepaalde omstandigheden? In die zin is de motie van de heer Marcouch overbodig.

De heer Marcouch (PvdA):

Staat dat nu al standaard in BOS/Polaris of is het bij uitzondering? Wij willen dat het standaard wordt meegenomen en niet bij uitzondering.

Staatssecretaris Teeven:

Ik heb nu niet paraat of het in BOS/Polaris staat. Ik zeg dat het bij de professionele uitoefening van het vak al wordt meegenomen door mensen van het Openbaar Ministerie. De heer Marcouch vraagt iets anders: staat het in BOS/Polaris? Ik vraag hem of hij zijn motie wil aanhouden, zodat ik dat kan nagaan en hem erover kan berichten. Dan weten wij dat definitief. Ik heb het op dit moment niet paraat.

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Het lijkt mij een prima voorstel.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Marcouch stel ik voor, zijn motie (28684, nr. 300) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. De heer Çörüz heeft opnieuw een opmerking gemaakt over het uitbreiden van het supersnelrecht tot andere delicten. Wij zullen dat meenemen bij de bespreking van het programma ter uitwerking van het regeerakkoord. Er ligt nu een tijdtabel op een aantal facetten. De minister van Veiligheid en Justitie zal dat verder uitwerken richting de Kamer.

Ik kom bij de subrogatie van verzekeraars en het treden in de rechten van slachtoffers. Dat kan nu bijvoorbeeld spelen met de inwerkingtreding van de Wet positie versterking slachtoffers. Straks gaat de voorschotregeling na acht maanden gelden; dan wordt 80% uitbetaald. Er kan dan nog een claim liggen van de verzekeraar van, in dit geval, 20% bij geweldsdelicten. Dit is op dit moment onderwerp van bespreking en studie binnen mijn departement; daartoe is opdracht gegeven. Het zal terugkomen bij de bespreking van het concrete wetsvoorstel dat wij nog moeten verbeteren met betrekking tot slachtoffers. Het heeft aandacht, maar ik kan er op dit moment nog geen definitieve toezeggingen over doen.

Tot slot heb ik hier voor mij een inmiddels gewijzigde motie van de leden Helder, Hennis en Çörüz. Conform de feiten rondom de jaarwisseling moeten wij constateren dat het nog steeds onaanvaardbaar vaak gebeurt, maar als het om de jaarwisseling gaat, kun je niet zeggen dat het steeds vaker is. Over het jaar 2010 weten wij het gewoon nog niet. Dat weten wij pas in mei. Het is onaanvaardbaar vaak, want elke keer dat een hulpverlener wordt bedreigd, is een keer te veel. Laat daar geen misverstand over bestaan. In de motie wordt de regering gevraagd om over te gaan tot een permanente toepassing van de verhoogde strafeis. Dat gebeurt sinds 1 januari al met die plus 200%. Over het (super)snelrecht hebben wij uitgebreid van gedachten gewisseld. Er moet supersnel recht worden gesproken. Zo heb ik dat onder woorden gebracht. Het kan met supersnelrecht als het gaat om geweldsdelicten tegen handhavers openbare taak. Het kan ook met snelrecht. Ik heb gesproken over uitbreiding van de grond voor voorlopige hechtenis. Ik zie het dictum dus als ondersteuning van het beleid van het kabinet.

De voorzitter:

Volgens mij is er een vraag van de heer Schouw over belediging blijven liggen.

Staatssecretaris Teeven:

Nee hoor, die heb ik besproken.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Aanstaande dinsdag zal worden gestemd over de ingediende motie.

De vergadering wordt van 13.52 uur tot 14.30 uur geschorst.

Voorzitter: Verbeet

De voorzitter:

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.