Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 70, pagina 6004-6019

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van regels over referentieniveaus voor de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen (Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen) (32290).

De voorzitter:

Ik heet de bewindslieden van harte welkom.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Anker (ChristenUnie):

Voorzitter. De taal- en rekenprestaties in het Nederlandse onderwijs zijn nog niet op het gewenste niveau. Nog te veel scholen zijn taal- of rekenzwak en dat is zorgwekkend. De ChristenUnie is van mening dat wij scholieren niet als taal- of rekenzwak van de basisschool of van een school voor voortgezet onderwijs mogen sturen. De commissie-Dijsselbloem trok die conclusie al en pleitte voor heldere leerstandaarden. Het is goed dat wij vandaag kunnen bespreken hoe een en ander vorm gaat krijgen.

De ChristenUnie is voor het vastleggen van wat leerlingen aan het eind van hun schoolloopbaan moeten kennen en kunnen op het gebied van taal en rekenen. Via de kerndoelen hebben wij voor ogen wat wij verwachten, maar nog niet heel precies. Dat hoeft ook niet, omdat scholen zelf prima in staat zijn om invulling te geven aan het onderwijs dat nodig is om kinderen voor te bereiden op hun verdere schoolcarrière of een plek in de samenleving.

Voor rekenen en taal is het nodig gebleken om exacter vast te leggen wat wij mogen verwachten. Dat is beter voor de ontwikkeling van kinderen en voor de houvast en verwachtingen van docenten. Ik maak hierbij nog wel de kanttekening dat het bestrijden van achterstanden zich beperkt tot de school. Met name taalachterstanden moeten wij al vroeg bestrijden. Een kind dat zonder al te veel kennis van de Nederlandse taal op de basisschool start, zal een grote inhaalrace moeten houden om de referentieniveaus te halen. Dat vergt onder meer dat thuis de Nederlandse taal wordt gesproken. Daarnaast vindt de ChristenUnie het vanzelfsprekend dat Nederlands als voertaal in het basis- en voortgezet onderwijs geldt en blijft gelden.

De ChristenUnie vindt het wel belangrijk om hier een streep te trekken. Met de referentiekaders hebben wij de doelen preciezer geformuleerd. Het stellen van doelen gaat over het wat. Daarmee hebben wij de grenzen aan wettelijke eisen bereikt. Het hoe is aan de scholen. Het kabinet noemt de referentieniveaus echter nieuwe examenstof die een geringe beperking van de vrijheid van inrichting met zich meebrengt. De lesstof kan hierdoor ook aan verandering onderhevig zijn. Hier is echt meer duidelijkheid gewenst. Hoe zit het nu precies? Als aansluiting bij de kerndoelen wordt gevonden, mogen scholen dan toch nog steeds zelf invullen hoe zij die doelen halen? Ik kijk dan ook met interesse uit naar het amendement van collega Van der Vlies en de reactie van het kabinet op dit amendement.

De referentiekaders zullen de norm vormen van wat wij van leerlingen verwachten op het gebied van rekenen en taal. Het is belangrijk deze heldere doelen ook te toetsen. Een toetsmoment zal voor een middelbare schoolleerling niet heel ingrijpend zijn. Voor de basisschoolleerling is terughoudendheid meer op zijn plaats, zeker als het gaat om het inrichten van vaste toetsmomenten. De Cito-toets is een goed voorbeeld van een toets waarvan niet de volledige schoolcarrière van een kind afhankelijk mag zijn. Het is een belangrijk ijkpunt, maar het kan ook een momentopname zijn. Het proces dat het kind doormaakt van groep 1 naar groep 8 kan niet in en door één toets worden gemeten. De staatssecretaris erkent dit ook wel en noemt de beoordeling van het taal- en rekenniveau een continu proces.

Aan de andere kant spitst het toetsen van kennis zich heel sterk toe op deze ene toets. Veel scholen willen de Cito-stress niet vaker per schooljaar meemaken. De ChristenUnie is tegen een verplicht toetsmoment op de basisschool. Vandaar de vraag hoe de door het kabinet benoemde ruimte voor scholen om zelf te kiezen voor de manier van toetsen vorm krijgt. Verwacht de minister dat scholen iets anders dan de Cito-toets de invulling van dit toetsmoment zullen laten zijn? Daarnaast moeten we zien te voorkomen dat scholen in het voortgezet onderwijs de referentieniveaus als toelatings- of weigeringsgrond gaan gebruiken. De Onderwijsraad heeft hiervoor gewaarschuwd. Ik hoor graag hoe we in de praktijk gaan voorkomen dat een toets de schoolcarrière van een kind gaat bepalen.

De commissie-Meijerink heeft gesteld dat de referentieniveaus haalbaar zijn. Dat is een belangrijke conclusie, al zijn we nog niet helemaal zeker van de haalbaarheid. Vooral aan de onderkant van het onderwijssysteem is het de vraag of de lat ambitieus of eerder onhaalbaar lijkt. Zo zal de beroepsgerichte leerweg in het vmbo de niveaus met moeite halen. Ik verwijs naar de 13% die in het vmbo-bb op dit moment voor de rekentoets een voldoende krijgt. Hoe lang duurt het voordat we een realistisch niveau te pakken hebben? Komt de invoering in het komende schooljaar daarmee niet te vroeg?

Het uitgangspunt blijft dat leerlingen worden beoordeeld op hun kwaliteiten. Hoe zorgen we ervoor dat we nog steeds beoordelen op de talenten van leerlingen en daar niet de aandacht te veel van afleiden, bijvoorbeeld bij opleidingen in techniek? Wat hebben de referentieniveaus voor gevolgen voor het aantal leerlingen dat een startkwalificatie op mbo-niveau haalt? Klopt het signaal van de MBO Raad dat er in het vmbo op korte termijn minder strenge eisen worden gesteld dan zij later tegenkomen op mbo-niveau?

Leerlingen met dyslexie of dyscalculie zullen grote moeite hebben om de referentieniveaus te halen. Voor deze leerlingen zal het eindresultaat geen eerlijke weerspiegeling zijn van wat ze echt kunnen. Ik hoor graag van de minister en de staatssecretaris hoe we oog kunnen houden voor deze groep leerlingen. Hoe zorgen wij ervoor dat deze leerlingen door de strenge eisen niet onder hun daadwerkelijke onderwijsniveau terechtkomen? Het kabinet neemt pas definitieve beslissingen als blijkt dat genoemde groepen verantwoord niveaus kunnen halen. Houdt dat nu in dat er uitzonderingen worden gemaakt of aanpassingen komen? Zo ja, hoe gaan die er dan uitzien?

De ChristenUnie-fractie wil alvast een blik op de toekomst van de referentieniveaus werpen. De regering ziet mogelijkheden tot het gebruik van referentieniveaus voor de beoordeling van de leerresultaten van scholen. Daar zijn de referentieniveaus in de ogen van de ChristenUnie-fractie niet voor bedoeld. Dit geldt met name vanwege de eerdergenoemde beperkingen aan deze cijfers. De vorming van een leerling is niet alleen aan een toetsmoment af te lezen. Daarvan mag zeker de beoordeling of zelfs de bekostiging van een school niet gaan afhangen. Wat houdt het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs dus precies in? Lopen wij nu het risico dat het halen van de referentieniveaus ook weer zo'n jaarlijks scoremoment wordt waarvoor bijvoorbeeld kranten of weekbladen zich gaan interesseren? Het kan niet de bedoeling zijn dat scholen daar op zo'n manier op worden afgerekend.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. We spreken over de invoering van referentieniveaus voor taal en rekenen in het onderwijs. Voor het eerst wordt vastgelegd wat leerlingen moeten kunnen en kennen op verschillende leeftijden. Dat is lovenswaardig, want taal en rekenen behoren tot het hart van het onderwijs. De SP-fractie ziet dit voorstel dan ook als een verbetering, mits er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

Er is reden voor deze wet, want er zijn forse achterstanden. Een kwart van de basisscholen is rekenzwak en maar liefst 72% van de vmbo-leerlingen op het basis- en kaderniveau heeft een achterstand in taal, met name als het gaat om tekstbegrip. Nederland daalt op de lijstjes met internationale vergelijkingen. Dat is zeer onwenselijk, want leerlingen krijgen daardoor onnodig problemen, bijvoorbeeld op hun vervolgopleiding.

In het middelbaar beroepsonderwijs zien we deze achterstanden terug. De leerlingen gaan hiermee de arbeidsmarkt op. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de kansen van deze jongeren, ook hun zelfredzaamheid loopt gevaar. Ik noem als voorbeeld het lezen van een contract. Dat vergt bepaalde vaardigheden, misschien wel meer dan "het lezen van teksten met een heldere structuur waarin de verbanden duidelijk worden aangegeven en die een overwegend lage informatiedichtheid hebben". Einde citaat. Dit is basisreferentieniveau 2F. De F staat voor fundamenteel.

Waarom daalt het niveau van ons onderwijs? Dat komt niet alleen door het ontbreken van een referentieniveau of een minimumstandaard; dat heeft te maken met bezuinigingen, met de verhoging van de werkdruk, met grote klassen. Het werk van docenten is zwaarder geworden. Scholen zijn groter geworden. Besturen zijn met andere dingen bezig dan het verzorgen van onderwijs. Veel leraren zijn daardoor teleurgesteld. Elke leraar wil graag kwaliteit leveren, maar als niet aan de basisvoorwaarden wordt voldaan, helpen standaarden niet om het niveau op te krikken. Ik verwijs daarvoor naar ons onderzoek "De leraar aan het woord".

Bij de hoorzitting over dit wetsvoorstel zeiden vertegenwoordigers van veel organisaties dat de invoering van de wet tot extra werk zal leiden. Dit komt volgens hen niet alleen door de andere werkwijze, maar ook door de focus op taal en rekenen. Die focus zal ertoe leiden dat andere zaken moeten worden geschrapt. De scholen mogen zelf bepalen welke zaken ze schrappen. Voor leraren blijft het dus onzeker of en hoe dat gaat gebeuren. Wat doet de regering als de werkdruk navenant zal toenemen?

De wet moet ertoe leiden dat leraren meer opbrengstgericht gaan werken. "Opbrengstgericht werken" is de nieuwe toverformule van het ministerie en de inspectie. Van elke leerling moet de specifieke voortgang aantoonbaar zijn. Dat leidt natuurlijk tot meer differentiatie en tot meer individuele begeleiding. Docenten zullen hun lessen daaraan moeten aanpassen. Het vergt feitelijk meer begeleiding en meer personeel, want hoe meer je focust op de individuele leerling, hoe meer tijd je eraan kwijt bent. Hierdoor wordt ook wel gezegd dat dit wetsvoorstel een onderwijsvernieuwing zou bewerkstelligen. Het is niet een onderwijsvernieuwing omdat de focus op taal en rekenen komt te liggen, maar omdat het voorstel een nieuwe manier van werken impliceert.

De inspectie zal scholen gaan beoordelen op het opbrengstgericht werken. Als docenten meer aandacht besteden aan de groep, en minder aan het individu, zal de inspectie met een didactisch advies komen. Ik heb dat zelf meegemaakt tijdens een schoolbezoek van de inspectie. Dat is uiteraard niet volgens het devies van de commissie-Dijsselbloem. Die commissie wil namelijk niet dat wij leraren op het "hoe" beoordelen. Ik vind ook dat leraren hierin ruimte moeten kunnen houden zolang hun werkwijze aantoonbaar tot kwaliteit leidt.

Scholen zullen worden beoordeeld op het halen van de referentieniveaus. Op zich is dat goed, maar er zijn uiteraard verschillende scholen met verschillende leerlingen. Wat gebeurt er met scholen die meer moeite hebben om de referentieniveaus te halen? Hoe worden zij beoordeeld? Hoe voorkomt de minister dat scholen leerlingen gaan selecteren omdat er een afrekencultuur ontstaat?

Alles overziend kleven er twee bezwaren aan het voorliggende wetsvoorstel. Ik nodig de regering uit om deze bezwaren tijdens dit debat weg te nemen. Ik doel in de eerste plaats op de verhoging van de werkdruk en in de tweede plaats op de haalbaarheid van de referentieniveaus voor de lagere niveaus, met name in het vmbo. De staatssecretaris ziet deze problemen ook wel, maar het lijkt wel of zij daaraan, in al haar enthousiasme, niet al te veel tijd wil besteden. Het is immers een mooi voorstel. Meer aandacht voor rekenen en taal; wie kan daar nu tegen zijn? Dit moet echter wel zorgvuldig gebeuren. Haastige spoed is zelden goed.

Mevrouw Besselink (PvdA):

In vorige debatten hebben wij veel gesproken over het laagste niveau. Hoe zit de SP-fractie daar nu in? Wil die fractie daarover van tevoren niets afspreken? Of vindt zij dat ieder kind een goed basisniveau verdient, en dat wij daarom met elkaar die ambitie moeten formuleren?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik hoop dat mevrouw Besselink heeft gehoord dat ik positief sta ten opzichte van dit wetsvoorstel. Ik vind de inzet goed. Taal en rekenen vormen immers het centrum van het onderwijs. Daarop moeten wij daarom volop inzetten. Wat gebeurt er echter als een heel groot deel van de leerlingen het niveau niet haalt dat wij nu afspreken? Dan moeten wij wel voorkomen dat dat een hoop ellende oplevert. Wij moeten dus geen afrekencultuur gaan organiseren door het invoeren van deze wet. Die afrekencultuur dreigt te ontstaan voor scholen en voor leerlingen. Ik vind het dus prima om de niveaus vast te leggen, maar dat moet niet leiden tot een keiharde afrekening met leerlingen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Vindt de SP-fractie dat de leerlingen op het laagste niveau juist meer aandacht verdienen, waardoor wij ervoor kunnen zorgen dat wij de ambitie met elkaar kunnen waarmaken?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat lijkt mij een inkopper.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Het handhaven van de ambitie is dus van belang. In de spreektekst van de heer Van Dijk klinkt een beetje door dat hij op dat punt niet al te veel wil regelen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee, als mevrouw Besselink dat zegt, heeft zij mij verkeerd begrepen. Ik zeg nogmaals dat ik het eens ben met de inzet. Ook de fractie van de PvdA zal het echter toch zorgwekkend vinden als blijkt dat een groot aantal leerlingen het afgesproken niveau niet haalt? Als dat gebeurt, raken deze leerlingen gefrustreerd en komen zij aan de zijlijn van de samenleving te staan, alleen omdat zij het niveau niet hebben gehaald. Dat moeten we niet hebben.

Daarom zei ik: haastige spoed is zelden goed. Je krijgt een beetje de indruk dat het wetsvoorstel nu als een soort haastklus wordt opgelegd omdat hij zo goed op het cv van de gevallen regering staat. Er zijn nog veel punten die de regering moet uitwerken. Er wordt ook nog van alles onderzocht, maar de regering wil de wet nu al invoeren. Daar zit een risico aan, namelijk als het later allemaal anders moet.

De regering verwacht dat de invoering van de referentieniveaus nauwelijks extra werk van leraren vraagt. Leraren moeten ook nu al iedere leerling een goed onderwijsaanbod bieden, maar de referentieniveaus komen daar bovenop. Zoals gezegd, veel leraren hebben nu al te maken met een hoge werkdruk en grote klassen. De roep om kleinere klassen zal alleen maar toenemen als leraren meer individueel les moeten geven. Docenten moeten dat nu ook al, ook vanwege de vele leerlingen met aandoeningen, zoals dyslexie, dyscalculie, autisme en ADHD. Ambitie is goed, maar de regering moet wel beseffen dat docenten met nieuwe taken worden opgezadeld. Graag een toelichting op hoe de regering de docenten gaat uitleggen hoe zij dat moeten gaan doen. De SP onderschrijft de doelstelling om het niveau te verhogen, maar voor sommige leerlingen zit dat er gewoon niet in. Wat gebeurt er met deze groep leerlingen? Kunnen zij hun diploma nog wel halen? Worden zij niet het slachtoffer van een afrekencultuur? Wat is de toekomst van deze groep?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik heb tijdens de hoorzittingen begrepen dat de docenten zich vooral zorgen maken over in hoeverre ze voldoende worden voorbereid om de referentieniveaus straks op een goede manier te kunnen onderwijzen. Ik kreeg niet de indruk dat men vindt dat er dingen bovenop komen. Men vraagt zich vooral af hoe ervoor wordt gezorgd dat men er voldoende op is voorbereid. Is het knelpunt van de hoge werklast, de hoge werkdruk voor docenten geen tijdelijk iets in plaats van een permanent gegeven? De heer Jasper van Dijk stelt nadrukkelijk dat de referentieniveaus zorgen voor een permanent hoge werkdruk, maar ik kreeg tijdens de hoorzittingen de indruk dat het een tijdelijk fenomeen is.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik denk dat het allebei is. Docenten moeten zich hierop voorbereiden. Dat vergt bijscholing, maar het zal het onderwijs in de klassen blijvend veranderen. Ik heb de feitelijke referentieniveaus bekeken. Het zijn nogal wat pagina's, want de kerndoelen zijn uitgewerkt. Het is prima dat wij daar vol op inzetten, maar als je dit wilt doen, moet dat ertoe leiden dat ook zaken worden geschrapt. Daar heeft het CDA ook een punt van gemaakt. Je kunt niet alles doen, vooral niet omdat de werkdruk nu ook al hoog is.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wij hebben daar ook een suggestie voor neergelegd, namelijk dat er niet meer maatschappelijke taken bij het onderwijs moeten worden neergelegd. De SP heeft daar de afgelopen periode nog wel iets aan toegevoegd.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is onzin.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij is er een motie over dat onderwerp aangenomen, maar laten wij dat maar even loslaten.

De voormalige staatssecretaris wilde dit aan de scholen zelf overlaten. Zij wilde dat de scholen zelf een bepaalde keuze zouden maken. Staat de heer Jasper van Dijk achter dat standpunt, of vindt hij dat dit vanuit het schoolbestuur Den Haag Centraal moet worden geregeld?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat moeten wij goed bekijken, want we moeten niet nog meer taken op het bordje van de school leggen. Dat zei de heer Jan Jacob van Dijk zojuist ook. Daar ben ik het mee eens. Het punt is echter dat er nu al veel taken op het bordje van de school liggen en dat deze wet erbovenop komt. Dit is een goede wet, maar onvermijdelijk gaat die met deze referentieniveaus tot uitvoeringsproblemen leiden. Ik begrijp dus goed dat de regering de komende jaren gaat bekijken hoe het gaat en dat zaken worden bijgesteld als dat nodig mocht zijn.

Dan kom ik op de rekentoets die in 2014 voor het eerst moet worden afgenomen. Dat is weer een extra opdracht voor de leraren. De toets wordt onderdeel van het eindexamen voortgezet onderwijs. Ook hiervoor geldt dat dit prachtig klinkt, maar de scholen zullen het wel in hun lessen moeten integreren. Het is iets anders dan wiskunde. Er komt een heel nieuwe taak bij, maar komt er ook geld bij voor docenten en extra begeleiding? De rekentoets gaat deel uitmaken van het examen. Je kunt er dus op zakken. Hoe zit het met een zak-/slaagregeling in dat verband?

De regering vindt het goed denkbaar dat scholen taalfouten meewegen in het schoolexamen. Het is echter niet verplicht en bij het centraal examen geldt alleen de inhoud van het vak. Zullen hierdoor niet grote verschillen ontstaan tussen scholen? Heeft de leerling op een school waar taalfouten bij aardrijkskunde niet worden meegerekend een hogere slagingskans dan de leerling op een school waar taalfouten wel worden meegerekend? Ik kan mij ook voorstellen dat bij een tweede correctie veel onnodige discussie zal ontstaan tussen correctoren, omdat de een gewend is taalfouten mee te rekenen en de ander niet. Moet hier niet een standaard komen? Het past natuurlijk bij deze wet dat taalfouten worden meegerekend.

Veel leraren hebben met bureaucratie te maken, bijvoorbeeld rond de registratie van leerlinggegevens. De referentieniveaus komen bovenop de bestaande registratie. Kan de regering uitleggen waarom dit volgens haar niet zal leiden tot extra bureaucratie?

De inspectie wil dat er vaker getoetst wordt dan alleen aan het einde van de opleiding. Voor het basisonderwijs zijn er tussendoelen en voor het voortgezet onderwijs en het mbo komen er diagnostische toetsen. Deze wet biedt de mogelijkheid om het gebruik van die toetsen te verplichten. Wij moeten wel oppassen dat wij geen toetscircus krijgen. Dat is niet in het belang van de leerling, die hierdoor eenzijdig wordt gevormd, en ook niet van het onderwijs. Hoe gaat de minister waarborgen dat scholen geen toetsfabrieken worden?

De wet zal komend schooljaar, 2010/2011, in werking moeten treden, zodat leerlingen in 2014 examen kunnen doen op basis van de referentieniveaus. Tegelijkertijd is er nog veel onduidelijkheid. Hoe zit het met de algemene maatregelen van bestuur? In de brief van 21 januari jongstleden staat dat de AMvB basisonderwijs eindtermen taal en rekenen en de AMvB rekentoets voortgezet onderwijs nog worden toegestuurd. Krijgen wij nog een aparte behandeling van deze AMvB's? Dezelfde vraag geldt voor de wijziging van de sectorwetten. In dit geval gaat het immers om een bovensectorale wetswijziging, maar de wetten voor het voortgezet onderwijs en het basisonderwijs moeten ook nog allemaal gewijzigd worden.

Voor het speciaal onderwijs moeten nog leerlingvolgsystemen, toetsen, leerlijnen en leerroutes ontwikkeld worden. In het mbo ...

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De heer Jasper van Dijk veronderstelt dat er ook nog allerlei sectorale wetten aangepast moeten worden. Hoe komt hij daarbij? Volgens mij was de bedoeling van deze bovensectorale wet juist dat dit niet hoeft.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb gelezen in de nota naar aanleiding van het verslag dat ook binnen de sectorwetten zaken veranderd moeten worden. In ieder geval komen er nog AMvB's aan volgend jaar.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wat die AMvB's betreft, ben ik het met u eens. Maar volgens mij hoeven er geen wetten meer gewijzigd te worden. Dat was nu juist het dispuut dat er bestond tussen de Raad van State en het departement. Uiteindelijk heeft men gezegd: nee, wij doen het op deze manier, zodat wij niet al die sectorale wetten moeten gaan wijzigen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat zou alleen maar goed zijn. Laten wij even het antwoord van de regering op dit punt afwachten.

In het mbo worden de referentieniveaus in de eindtermen verwerkt. Dat betekent dat scholen die op competentiegericht onderwijs zijn overgegaan, toch met eindtermen moeten werken. Ik kijk in het bijzonder even naar de staatssecretaris. Er zijn mbo-scholen die al competentiegericht werken, maar deze referentieniveaus zullen in de eindtermen verwerkt worden, dat is het oude systeem. Hoe gaat dat: komen er twee systemen door elkaar heen?

Welke gevolgen hebben de referentieniveaus voor leerlingen die deze niveaus niet halen? Dat is een kernvraag. Welke gevolgen heeft het voor scholen die evident slecht scoren? Hoe voorkomt men een afrekencultuur in het onderwijs? Hoe voorkomt men dat scholen de beste leerlingen gaan selecteren omdat ze goed voor de dag willen komen?

Het is vooralsnog ongewis. Niettemin staan wij positief tegenover de intentie van dit wetsvoorstel: meer aandacht voor taal en rekenen. Er is nog veel onduidelijk, en daarmee is het wetsvoorstel een sprong in het diepe. Daar houdt deze staatssecretaris van. Ik vind ook dat je daadkrachtig moet zijn als iets duidelijk voordelen biedt. Aan de andere kant kan het verstandiger zijn om zaken eerst zorgvuldig uit te zoeken. Een gefaseerde invoering kan dus nodig zijn. De regering houdt deze mogelijkheid open. Maar hoe lang kun je de zaken eigenlijk uitstellen met dit wetsvoorstel? Vooralsnog zullen wij zien of de regering ons kan overtuigen van een snelle invoering.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Toen ik ter voorbereiding op de behandeling van dit wetsvoorstel de cijfers over de kwaliteit van ons taal- en rekenonderwijs opnieuw op een rijtje zette, schrok ik weer. Uit een inspectierapport over basisvaardigheden taal in het basisonderwijs uit 2008 bleek dat een kwart van de leerlingen de basisschool verlaat zonder behoorlijk te kunnen lezen. Een kwart. Deze leerlingen hebben daardoor ook moeite met andere vakken. Natuurlijk belemmert dit hen enorm in het voortgezet onderwijs en vervolgonderwijs. Eerder, in 2007, meldde de inspectie dat 20% tot 30% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs niet zelfstandig de eigen leerboeken kan lezen. Dat geldt niet alleen voor vmbo-leerlingen, hoewel bij hen het percentage een stuk hoger ligt, maar ook voor onze slimste kinderen op het vwo. Een op de vijf vwo-leerlingen begrijpt niet zelfstandig het lesboek. Er zijn nog meer zorgwekkende cijfers. Het kabinet noemt er een paar in de memorie van toelichting. 10% tot 15% van de leerlingen in groep acht heeft moeite met technisch lezen. 12% van de scholen in het primair en voortgezet onderwijs scoort zwak op taalonderwijs. Bijna 25% van de basisscholen scoort slecht op rekenonderwijs.

Het is dus heel goed dat de taal- en rekenvaardigheden hoog op het prioriteitenlijstje van het kabinet gezet zijn. Ik heb eerder complimenten aan de staatssecretaris gegeven, maar herhaal ze vandaag graag. Het is voor mij ook geen verrassing, want het is een van de aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem. Die stelde dat wij moeten komen tot heldere leerstandaarden voor elementaire basisvaardigheden als rekenen en taal, waarbij wel rekening wordt gehouden met individuele niveauverschillen tussen leerlingen.

Het wetsvoorstel referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is een van de maatregelen om het taal- en rekenonderwijs te versterken. Het is er één. Het kabinet erkent dit ook, maar ik vind het belangrijk om dit extra te onderstrepen, omdat ik soms een te groot vertrouwen bespeur in de papieren werkelijkheid. Zo schrijft het kabinet op blz. 17 van de memorie van toelichting: "De competentiegerichte kwalificatiestructuur stelt de deelnemers in staat om (...) ook de beroepshouding te verwerven (...)." Dat lijkt mij toch niet. Een kwalificatiestructuur stelt net zo min als een referentieniveau leerlingen ergens toe in staat, tenzij die handjes, voetjes en een mond heeft en kan praten. Leraren stellen leerlingen in staat zich de benodigde kennis en vaardigheden eigen te maken. Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken, is dan ook ondergeschikt aan een veel belangrijkere prioriteit: de beste leraren voor alle leerlingen. Nu wordt toch al 50% van de lestijd op de basisschool besteed aan rekenen en taal? Dat lijkt mij heel veel tijd en toch levert dat niet altijd de gewenste kwaliteit op. De referentieniveaus zullen ook dat niet veranderen. Met de referentieniveaus en de aanscherping van de exameneisen wordt alleen bewerkstelligd dat de lat hoger wordt gelegd en dat wij een bepaald ambitieniveau met elkaar afspreken. Maar om over die lat heen te kunnen springen, moeten leerlingen individuele aandacht krijgen. De leraar moet daar zowel de tijd als de kwaliteit voor hebben. Dat is de doorslaggevende factor bij dit wetsvoorstel.

Ik heb net mijn complimenten gegeven, maar dat betekent niet dat ik geen vragen heb bij het wetsvoorstel. Bij het invoeren van een nieuwe wet moet je altijd uitkijken dat er geen ongewenste effecten optreden. Bij dit wetsvoorstel zijn wij er een beetje huiverig voor dat de invulling van taal- en rekenvakken wordt verengd tot het behalen van toetsen. "Teaching to the test" wordt dit ook wel genoemd. De Cito-toets en de ervaring op veel scholen leren ons dat er wordt toegewerkt naar het allesbepalende moment dat vaak het vervolgonderwijs van de leerling bepaalt, en dat daarbij niet per se sprake is van kwalitatief onderwijs, waar de leerlingen nog lang iets aan hebben.

De bewindspersonen stellen in de nota naar aanleiding van het verslag dat dit wordt voorkomen door de referentieniveaus zo breed mogelijk in te vullen. Dat draagt echter het gevaar in zich dat de referentieniveaus zich begeven op het "hoe" en dat er voor scholen en leraren weinig ruimte overblijft om een eigen invulling te geven aan het onderwijs. Graag krijg ik een reactie van de staatssecretaris daarop.

In navolging van een aantal sprekers heb ik een vraag over de diagnostische toetsen. De heer Van der Vlies heeft daar een heel interessant amendement over ingediend. Ik wacht de reactie van de staatssecretaris daarop met veel belangstelling af, maar ook wij zeggen: handen af van de didactiek! Ik heb zelf diagnostische toetsen gehad op de middelbare school. De ene leraar ging daar anders mee om dan de andere. Die vrijheid moeten zij kunnen bewaren. Daar moeten wij ons niet mee bemoeien.

Een ander mogelijk effect is dat de nadruk op rekenen en taal ten koste gaat van andere vakken. Ik ben mij er natuurlijk van bewust dat taal en rekenen niet voor niets basisvaardigheden worden genoemd. De commissie-Dijsselbloem noemde het essentiële basisvaardigheden. Leerlingen die niet goed kunnen lezen, zullen met moeite het vak geschiedenis kunnen volgen. Leerlingen die niet kunnen rekenen, struikelen ook bij scheikunde. Maar toch wil ik mijn onderbuikgevoel met het kabinet delen. Mijn onderbuik zegt dat wij moeten uitkijken dat wij scholen niet reduceren tot taal- en rekenfabrieken en leerlingen tot enkel cognitieve wezens. Om je staande te kunnen houden in de samenleving is het van groot belang om goed te kunnen lezen. Het is ontzettend zorgelijk dat 7% van de 15-jarigen niet genoeg leest om zich zelfstandig te kunnen redden in de samenleving. Maar goed kunnen lezen is niet de enige vaardigheid die je nodig hebt om je staande te kunnen houden. Een soort algemene gemeenschappelijke vorming – dat is dat een beetje dat linksige in mij, voorzitter – is net zo belangrijk. Volgens mij is dat voor christelijke politici ook een belangrijk gegeven.

Om snel in te kunnen grijpen als deze negatieve effecten zich voordoen, heb ik een amendement gemaakt waarin wordt geregeld dat de wet na drie jaar wordt geëvalueerd en daarna telkens om de vijf jaar.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De heer Dibi stelt voor om de wet na drie jaar te evalueren. Op welk moment wordt er dan voor het eerst geëvalueerd? In feite zijn de eerste toetsen pas in het jaar 2014. Bedoelt hij dan dat er voor de eerste keer wordt geëvalueerd in 2017 of gebeurt dit al in 2013?

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik heb zelf ook geworsteld met de vraag wanneer je zou moeten beginnen met de evaluatie. Moet je beginnen met de eerste lichting die klaar is met die toetsen? Daar ben ik voorstander van, maar tegelijkertijd wil ik ook tussentijds de vinger aan de pols houden. Hoe valt het op scholen? Dan zou je eigenlijk al na drie jaar vanaf nu de eerste evaluatie kunnen doen. Dat zal een minder heftige evaluatie zijn dan de evaluatie die je doet in 2014, wanneer die eerste lichting klaar is.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Zou het dan niet beter zijn dat de heer Dibi zijn amendement omvormt tot een motie waarin hij vraagt om een jaarlijkse voortgangsrapportage om te weten hoe het er precies voorstaat?

De heer Dibi (GroenLinks):

Daar sta ik voor open. Misschien kunnen de heer Jan Jacob van Dijk en ik hier zo direct over verder praten en een initiatief nemen. Toch zou ik in de wet wel een soort garantie inbouwen dat wij om de zoveel tijd kijken hoe de wet landt. Als wij met een motie kunnen afdwingen dat de regering jaarlijks een rapportage maakt en ons daarover informeert, dan kan ik daar ook mee leven.

De heer Anker (ChristenUnie):

Bij een evaluatiebepaling is altijd de vraag: waar doe je die wel en waar niet? Ik vraag mij af of het bij een onderwijsveld dat ons altijd zo feilloos weet te vinden en met een onderwijswoordvoerder zoals de heer Dibi, die zo ontzettend in de haarvaten van het onderwijsveld zit, nu echt nodig is om er ook nog eens een evaluatiebepaling in te stoppen. Is dat niet enigszins overdreven? Volgens mij weten we allang hoe het gaat tegen de tijd dat het kabinet begint met evalueren.

De heer Dibi (GroenLinks):

Dank voor dit compliment. Het doet mij altijd heel veel genoegen om gastlessen te geven in het onderwijs en om op bezoek te gaan bij onderwijsorganisaties. Ik vind dat je bij de indiening van een wetsvoorstel ook altijd iets moet regelen rondom evaluatie. Natuurlijk, het onderwijsveld weet ons altijd te bereiken, vaak als het fout gaat. Maar misschien is het goed als wij zelf proactief op zoek gaan naar de plekken waar het fout kan gaan. Met een evaluatie of een jaarlijkse voortgangsrapportage zou je dat zelf proactief kunnen regelen.

Voorzitter. Er is een groep leerlingen die de referentieniveaus nooit zal halen. De staatssecretaris erkent dat ook, maar erkent zij ook ...

Sorry, voorzitter, ik krijg de slappe lach door staatssecretaris Van Bijsterveldt.

De voorzitter:

Niet anderen de schuld geven.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Erkent de staatssecretaris het gevaar dat deze leerlingen vroegtijdig op een zijspoor worden geparkeerd? Het zal nooit zo zijn dat alle leerlingen alle toetsen halen. Maar de 10% die nu onder zijn kunnen presteert, moet niet vroegtijdig worden afgeschreven. De heer Anker heeft in zijn inbreng al gezegd dat scholen het misschien als toelatings- of weigeringsgrond gaan zien. Als ik heel erg kwaadwillend denk, kan ik mij voorstellen dat scholen denken: hé, dat is misschien wel een extra toets voor ons op basis waarvan we kunnen selecteren en de beste leerlingen binnenhalen; degenen die een vlekje hebben, houden we buiten de deur, omdat die onze prestaties naar beneden halen. Dat mag toch nooit zo zijn? Graag een reactie van beide bewindslieden op de vraag hoe zij gaan voorkomen dat hierbij gaat gebeuren wat wij ook nog te vaak bij de Cito-toets zien, namelijk dat het voortgezet onderwijs die toets ziet als het heilige bewijs van het kunnen van een leerling, terwijl het slechts een momentopname is die vaak al na een jaar heel anders kan zijn. De individuele leerling is op zijn dertiende soms al totaal anders dan op zijn twaalfde. Je moet ook niet te veel ophangen aan die toetsen.

Dan het mbo. Mijn fractie maakt zich grote zorgen over het mbo en dan met name de zeer zwakke opleidingen. Wij hebben laatst een uitzending gezien van NOVA. Dan breekt je klomp toch wel als je ziet dat leerlingen geen Nederlands krijgen en zo'n bestuurder zegt: ik ga niet over de roosters. Dan kunnen wij wel een referentieniveau inbouwen in de wet, maar als uiteindelijk roosters niet goed georganiseerd worden en als er constant sprake is van lesuitval, dan maakt het referentieniveau helemaal niets uit. Dus graag een reactie van de staatssecretaris hoe zij ervoor gaat zorgen dat ook op het gebied van roosters alles goed georganiseerd is. Dat kunnen wij natuurlijk vanuit Den Haag niet doen, maar wij kunnen wel strikte eisen stellen, ook aan bestuurders, om lesuitval te voorkomen. Als je geen Nederlands krijgt, kom je ook niet op een bepaald niveau op het gebied van Nederlands.

Tot slot. Wij hebben het hier vaak over allerlei zorgelijke ontwikkelingen in het onderwijs, over de leerlingen die steeds slechter kunnen lezen, schrijven en rekenen. Vaak als er een onderwijsprobleem wordt geconstateerd, wordt dat ook direct op het conto van het onderwijs zelf geschreven en zelden kijken wij naar allerlei omliggende factoren. Ik vraag mij eigenlijk wel af waar de ontwikkeling precies vandaan komt dat er sprake is van een dalend taal- en rekenniveau. Ik hoor graag de visie van beide bewindspersonen hierop. Ik heb daar nog geen standpunt over ingenomen, maar wel wil ik een aantal overwegingen met ze delen. Heeft het misschien te maken met de snelle digitale samenleving van tegenwoordig, waarin jongeren veel prikkels op zich af zien komen en waarin zij steeds meer tijd besteden aan allerlei games en internet en steeds minder tijd aan het lezen van een boek? Er zijn mensen die zeggen dat het hiermee te maken heeft. Of heeft het te maken met een andere nadruk op vaardigheden? Als ik nu jongeren tegenkom, kinderen, leerlingen, dan kunnen zij zich heel goed presenteren. Dan zijn ze heel erg mondig. Dan weten ze hoe ze zich moeten kleden en hoe ze moeten onderhandelen met volwassenen. Het kan zijn dat door de nadruk op dat soort vaardigheden een aantal andere basisvaardigheden minder de aandacht hebben gekregen en dat dit uiteindelijk ook ten koste is gegaan van taal en rekenen. Mijn vraag is of de bewindspersonen ook het grotere plaatje in zicht hebben en ze niet alleen maar het onderwijs verantwoordelijk maken voor het oplossen van dit soort problemen.

De heer Harbers (VVD):

Voorzitter. Terugkijkend op mijn eigen schooltijd denk ik dat ik geluk heb gehad. Ik zat op een wat ouderwetse basisschool. Er gebeurden heel weinig spannende of vernieuwende dingen, zelfs in die tijd al niet, maar mijn ouders constateerden meestal dat je er in ieder geval goed leerde lezen, rekenen en schrijven. Als kind had je dat niet zo door, vandaar dat ik nu pas kan constateren dat ik geluk heb gehad. Want ook in die tijd, 30 jaar geleden, waren er al opkomende zorgen over de beheersing van taal en rekenen.

In de tussentijd is het er niet beter op geworden. En dan druk ik mij mild uit. Jaarlijks verschijnen er rapporten die laten zien hoe bedroevend het gesteld is met taal en rekenen in ons onderwijs. Ook in de memorie van toelichting bij de wet die wij vandaag behandelen, worden dergelijke onderzoeken aangehaald. Welk onderzoek je er ook op naslaat – ook vorige sprekers hebben er al wat over gezegd – je schrikt van de cijfers. Maar los van de onderzoeken merk je de zorg ook als je een willekeurige school binnenstapt. In Nederland belanden we, als we niet uitkijken, in een cultuur waar taal en rekenen er blijkbaar niet meer zo toe doen. We moeten die lat weer hoger leggen. Taal en rekenen zijn van belang. Nederland zet zichzelf op achterstand als we de achteruitgang accepteren. Taal en rekenen zijn zo essentieel om te slagen in onze doelstelling om onderwijs tot de top vijf van de wereld te laten behoren dat dit vraagt om snelle verbetering.

Al vele malen is er in deze Kamer gedebatteerd over het beleid ten aanzien van taal en rekenen. Vandaag vervang ik in dit debat mijn collega mevrouw Dezentjé Hamming, dus ik was daar zelf niet bij, maar ik heb wel begrepen dat bijvoorbeeld ook de commissie-Dijsselbloem reeds de aanbeveling deed om te komen tot heldere onderwijsdoelen en leerstandaarden op elementaire basisvaardigheden zoals rekenen en taal. Er is heel veel nodig om de achteruitgang te doorbreken. De VVD stelde reeds de eindtoets op de pabo voor, meer tijd voor taal en rekenen – en die tijd dus niet besteden aan iets als een maatschappelijke stage – en een verplichte peutertoets. Het voorliggende wetsvoorstel is een onderdeel van zo'n brede aanpak. Het is een stap in de goede richting, omdat het de kwaliteit waarnaar scholen moeten streven, concreet invult.

Voor het grootste deel is de verbetering van het onderwijs in taal en rekenen, zoals ook wordt geschetst in de memorie van toelichting, de verantwoordelijkheid van scholen. Maar op het punt van kwaliteit en doorlopende leerlijnen ligt er ook een verantwoordelijkheid voor de overheid. De VVD heeft overigens nog wel een paar kanttekeningen bij het wetsvoorstel, waarvoor ik graag aandacht vraag.

Om te beginnen is dat de vraag of referentieniveaus dwingend genoeg zullen zijn voor de scholen. Zullen scholen echt het maximale uit iedere leerling gaan halen? Of is het fundamentele niveau goed genoeg? Ik ben bang dat er straks scholen zijn die te veel gefocust zijn op het behalen van het fundamentele niveau en waar de docenten onvoldoende tijd en aandacht hebben voor het herkennen van leerlingen die meer in hun mars hebben en leerlingen die het streefniveau moet worden voorgehouden of misschien wel meer, want zelfs het streefniveau mag wat mij betreft geen absolute bovengrens zijn, aangezien er altijd wel een paar leerlingen zijn die sneller vorderen en/of meer in hun mars hebben.

Daarom heeft de VVD ook zo'n grote voorkeur voor het werken met toegevoegde waarde in het onderwijs. Als wij zouden kijken naar de toegevoegde waarde per leerling, zorgen wij ervoor dat iedereen zich blijft ontwikkelen op zijn of haar eigen niveau. Dat is nu juist zo belangrijk, omdat er scholen zijn waar veel achterstandsleerlingen binnenkomen. Dat zijn scholen die een enorme inspanning moeten leveren om hun leerlingen op een fundamenteel niveau te krijgen. Daarnaast zijn er scholen waar de meeste instromende leerlingen al een veel hoger basisniveau hebben en de feitelijke toevoeging aan het niveau van die leerlingen geringer is, zelfs als ze allemaal het streefniveau zouden halen.

De vraag is welke school dan kwalitatief beter is. Vaak zal de school met matige resultaten door de inspectie daarop worden beoordeeld, terwijl op die scholen soms een veel grotere onderwijsinspanning is geleverd. In dat kader vraag ik de bewindslieden waarom scholen wel een eindtoets moeten afnemen, maar geen begintoets in het primair onderwijs. Hoe verhoudt zich dat tot het streven naar een doorlopende leerlijn? Daar zit toch zeker een begin aan, want anders kun je de toegevoegde waarde niet meten. De VVD heeft om die reden bij herhaling gepleit voor begintoetsing, voortgangstoetsing en eindtoetsing. Helaas is de voormalige staatssecretaris daarin nooit meegegaan. Daarom breng ik het hier nog maar eens onder de aandacht. Het lijkt mij dat, bijvoorbeeld als onderdeel van de systematiek van de nieuwe wet, ook een beginreferentieniveau zou kunnen worden vastgesteld, waaraan leerlingen bij binnenkomst worden getoetst.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wij hebben al vaker met de VVD-fractie gedebatteerd over de vraag of er een begintoets moet komen. In een van de laatste debatten die ik met een collega van de heer Harbers, mevrouw Dezentjé, mocht voeren, kreeg ik nu juist het gevoel dat er bij haar sprake was van voortschrijdend inzicht. Ik kreeg van haar namelijk de indruk dat de VVD niet meer zou praten over een begintoets en dat er een veel grotere nadruk zou worden gelegd op leerlingvolgsystemen. Is de heer Harbers weer terug bij het oorspronkelijke standpunt of zet hij toch in op het leerlingvolgsysteem?

De heer Harbers (VVD):

Het staat elkaar niet in de weg. Maar los daarvan: ook binnen het leerlingvolgsysteem is het niet verplicht om zo'n toetsingssysteem te hanteren. Het heeft toch iets vrijblijvends, wat overigens niet wegneemt dat het een stap op weg is naar een systeem waarmee je leerlingen bij voortduring in kaart brengt. Het was en is echter onze allergrootste wens dat wij uiteindelijk ook gaan bepalen waar leerlingen aan het begin van hun schoolcarrière staan.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Het viel mij op dat mevrouw Dezentjé na drie jaar Kamerdebatten niet was overtuigd, maar dat een avondje bezoek van een hoogleraar haar op andere gedachten had gebracht. Zij was er vanaf dat moment namelijk opeens van overtuigd dat wij dat niet meer moeten gaan doen. Wat is het nu? Vindt de heer Harbers nu wel of niet dat er een begintoets moet komen? Een leerlingvolgsysteem geeft nauwkeuriger aan hoe een kind zich ontwikkelt en aan de hand daarvan kun je misschien uiteindelijk de toegevoegde waarde van een school beoordelen.

De heer Harbers (VVD):

Ik denk dat het een het ander niet in de weg hoeft te staan. Een leerlingvolgsysteem is prima, maar dan wel graag met een begintoets.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Als de heer HarbersHarbers vasthoudt aan het onverstandige standpunt dat er een begintoets moet worden ingevoerd, dan neem ik aan dat hij daartoe vandaag een voorstel zal doen, want als er een wet is waarin hij dat zou kunnen regelen, dan is het deze wet wel.

De heer Harbers (VVD):

Als de heer Jasper van Dijk goed heeft opgelet, dan heeft hij kunnen horen dat ik hierover vragen stelde aan de regering. Laten wij het antwoord op die vragen even afwachten, want zo nodig kan ik in tweede termijn altijd nog komen met een nader voorstel.

Voorzitter. In dat kader stel ik tevens de vraag waarom scholen niet worden beoordeeld aan de hand van de referentieniveaus, terwijl het hele kwaliteitsbeleid erop wordt gebaseerd. In mijn optiek geldt: wie a zegt, moet ook b zeggen. Scholen moeten toch worden beoordeeld op de kwaliteit? Waarom kiest de regering er niet – of nog niet – voor om het behalen van de referentieniveaus mee te nemen in de beoordeling van scholen? De Raad van State merkte reeds op dat er nu vier typen kwaliteitsmaatstaven zullen ontstaan voor het basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Is het dan niet raadzaam om duidelijk de ambitie uit te spreken dat de referentieniveaus straks ook afrekenbaar worden ondergebracht in een van de andere drie kaders, bijvoorbeeld bij de kerndoelen? Laat ik de vraag omdraaien. De regering geeft aan wat de referentieniveaus toevoegen aan de globale kerndoelen, maar dan kan zij de kerndoelen voor taal en rekenen wellicht toch ook vervangen?

Een andere kanttekening betreft de toetsen. Graag hoor ik welke waarborg de regering biedt dat er objectieve toetsen zijn en blijven. Ik bedoel daarmee dat we niet de toets aanpassen aan het niveau van de leerlingen. Mijn fractie wil dus dat de referentieniveaus objectief worden vastgesteld en getoetst. In de toetsing van de referentieniveaus, nu of in de toekomst, mag dus niet de glijdende schaal opdoemen waaronder het onderwijs al zo lang heeft geleden. Het stelt mij in dit opzicht namelijk niet gerust dat de staatssecretaris in de memorie van toelichting op pagina 11 schrijft, ik citeer, "voor sommige leerlingen zal het functioneel niveau te hoog gegrepen zijn. Bij het omgaan met deze leerlingen gaat het erom hen niet te ontmoedigen door eisen aan hen te stellen die niet realistisch zijn." Dat kan ik volgen, maar ik vind wel dat wij ons niet zomaar daarbij moeten neerleggen. Kijkend naar de ambities moet mij van het hart dat we toch moeten proberen om de lat hier zo hoog mogelijk te leggen. De Onderwijsraad bepleit bijvoorbeeld dat 90% van de leerlingen op niveau 2F zou moeten uitkomen. De commissie-Meijerink zegt dat dit percentage op dit moment op 75 ligt. De regering zegt niet meer dan dat moet worden gemonitord of er een verhoging kan worden bewerkstelligd. Dat lijkt me wat te vrijblijvend. Het gaat dan niet, zoals bij vorige sprekers aan bod kwam, om de negatieve afweging of het een toelatingsgrond of een weigeringsgrond kan zijn. Het gaat mij erom dat wij ons in het belang van de leerlingen er niet bij kunnen neerleggen dat slechts 75% dat niveau haalt en 25% dus niet. Ik zou graag inspanningen zien om erachter te komen hoe de lat zo hoog mogelijk kan worden gelegd, zodat zo veel mogelijk leerlingen het halen. Dat kan bijvoorbeeld in een stappenplan op weg naar het schooljaar 2013/2014, wanneer de toetsen worden ingevoerd. Hoe zorgen wij ervoor dat wij dan zo veel mogelijk leerlingen op het gewenste niveau krijgen?

Ik vraag de aandacht van de staatssecretaris voor het probleem dat de MBO Raad onder de aandacht van de Kamer bracht. Mbo-4-leerlingen moeten voldoen aan niveau F3, terwijl ze bij uitstroom op het vmbo niveau F2 nog niet hoeven te beheersen. Is dat niet een te grote discrepantie? Waarom telt de toets op het vmbo niet mee voor de slaag-/zakregeling? Hiermee lopen wij het risico dat het mbo een ondermaatse instroom krijgt die niet gemakkelijk is weg te werken in het mbo. In dat verband ben ik overigens ook benieuwd hoe de staatssecretaris vordert met haar toezegging om een einde te maken aan de drempelloze instroom in het mbo.

Heeft het invoeren van deze referentieniveaus ook gevolgen voor de leermiddelen in andere vakken? Ons bereiken geluiden uit bijvoorbeeld het vmbo dat leermiddelen, zoals boeken voor aardrijkskunde of andere vakken, een te hoog niveau hebben om te passen bij het toekomstig referentieniveau. Daarmee bieden de scholen als het ware geen onderwijs aan, want een boek dat door de leerlingen niet wordt begrepen, staat wat mij betreft gelijk aan geen onderwijs. Ik denk dus dat er straks een verband moet liggen tussen het niveau van de leermiddelen in andere vakken en datgene wat wij als niveau voorschrijven voor een bepaalde onderwijsvorm in de verschillende onderwijssoorten.

Het voorliggende wetsvoorstel is niet voldoende om de beheersing van taal- en rekenvaardigheden op een hoger peil te brengen. Wat de VVD-fractie betreft, is het echter wel een helaas noodzakelijk onderdeel om de normstelling weer op een hoger peil te brengen. De regering trekt er ook extra middelen voor uit. Dat is goed. Vandaag voegen wij er de referentieniveaus aan toe. Als ik echter terugkijk op mijn eigen schooltijd, denk ik dat de aandacht voor taal en rekenen ook te maken had met de tijd, de aandacht en de inzet die docenten ervoor hadden, waarbij ze niet werden afgeleid door al te veel andere maatschappelijke vragen die op hun bordje terechtkwamen. Als we dat in ons achterhoofd houden, worden deze referentieniveaus geen papieren normen, maar zorgen we ervoor dat er vooral in de praktijk de aandacht is voor taal en rekenen die de samenleving zo nodig heeft.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Voorzitter. Goed onderwijs vormt de spil van onze kenniseconomie. De PvdA staat dan ook voor de kwaliteit van het onderwijs. In het rapport-Dijsselbloem over onderwijsvernieuwingen, dat begin 2008 uitkwam, is er een hoofdstuk gewijd aan de kwaliteit van het Nederlands onderwijs. Helaas moesten wij de conclusie trekken dat de overheid haar kerntaak, namelijk het ter beschikking stellen van deugdelijk onderwijs, heeft verwaarloosd. Dit is een ernstig gegeven en daarom moet het nodige gedaan worden. De term "heldere leerstandaarden" voor elementaire basisvoorwaarden als rekenen en taal is vandaag in dit verband al vaker voorbijgekomen. Een belangrijke aanwijzing voor de verwaarlozing is dat Nederland internationaal achterblijft op het gebied van taal en rekenen. Wij beheersen deze beide aandachtsgebieden te weinig. Daarom heeft de PvdA het nu voorliggende wetsvoorstel van harte gesteund. Wij steunen bovendien de wettelijke verankering van referentieniveaus voor taal en rekenen. Reken- en taalvaardigheid vormen immers de basis voor wat jonge mensen moeten leren om te kunnen meedoen in onze maatschappij. Deze basis moet op orde zijn. Wij moeten daarom terughoudend zijn met extra taken voor het onderwijs, omdat anders juist deze basis in het gedrang dreigt te komen. Als wij hier inderdaad terughoudendheid betrachten, maakt dit het mogelijk dat die reken- en taalvaardigheid op orde komen, hoewel het geen garantie biedt.

Het wetsvoorstel van vandaag wil hiervoor een wettelijke verankering maken en daarmee een waardevolle stap zetten op weg naar een betere borging van de basisvaardigheden. De PvdA ziet de invoering als een stimulans voor de hogere ambities voor de kwaliteit van het onderwijs. Alle leerlingen hebben er recht op dat het beste uit hen wordt gehaald. Natuurlijk verschillen leerlingen onderling op het vlak van de cognitieve mogelijkheden. Aan deze verscheidenheid moet daarom recht worden gedaan. Dit betekent echter niet dat altijd gemakkelijk geconcludeerd mag worden dat er nu eenmaal niet meer in een leerling zit. Dat werd mij ook glashelder bij een werkbezoek aan een vmbo-school in Utrecht enige tijd geleden. De leeropbrengsten bleken daar onder de maat te zijn en de leraren hadden een beetje de hoop opgegeven dat er nog meer uit deze leerlingen te halen viel. Nadat er een nieuwe directie met nieuwe leraren kwam, is het binnen een jaar gelukt om 75% van deze leerlingen op voldoende niveau te brengen.

Dit bewijst de meerwaarde van ambitie in het onderwijs en van het formuleren van leeropbrengsten. De commissie-Meijerink heeft de formulering van referentieniveaus destijds kwalitatief en niet vanuit een getalsmatige benadering aangepakt. Het ging om de niveaus van de beheersing van rekenen en taal die noodzakelijk zijn voor het functioneren in onze maatschappij. De PvdA is daarom blij met de ambitie van dit kabinet om in principe iedereen op het basisniveau te tillen. Wij stimuleren die ambitie. Het uitgangspunt is dat iedereen mee moet komen, desnoods met wat meer aandacht voor degenen die dat nodig hebben. Het percentage dat het minimumniveau gaat behalen, moet in de loop der tijd dan ook omhoog wat betreft de fractie van de Partij van de Arbeid. Nu is 75% geformuleerd, maar de Onderwijsraad geeft aan dat 90% tot 95% ook mogelijk moet zijn. Dit moet niet geschieden door de referentieniveaus dan maar omlaag te halen, maar door het beste uit de leerlingen te halen. Deelt de staatssecretaris deze visie? Hoe geeft zij vorm aan een strategie om dat hogere niveau te bereiken? Zij heeft namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag aangegeven dat zij die verhoging in de loop der tijd wel ziet zitten. Wat zijn voor haar de criteria om dit daadwerkelijk door te voeren en hoe wordt de Kamer daarvan op de hoogte gesteld?

Ook de ambitie van de staatssecretaris om leerlingen met dyslexie en dyscalculie op het gewenste eindniveau te krijgen, steunen wij. Het vraagt extra inzet om dat te bereiken met deze leerlingen, maar dat is het waard. Hetzelfde geldt voor de ambitie van de staatssecretaris voor bbl-leerlingen in het mbo. Ik ben het er ook zeer mee eens dat dit wel haalbaar moet zijn binnen de onderwijstijd. Hoe gaat de staatssecretaris monitoren welke resultaten op dit gebied behaald worden?

Nu ik het woord monitoren uitspreek, kijk ik even naar de heer Dibi. Hij had het in een debatje met de heer Jan Jacob van Dijk over een evaluatie en een eventuele voortgangsrapportage. Ik vind het zeer belangrijk dat wij in dit proces de vinger aan de pols houden, zeker omdat hierna nog veel volgt. Ik steun die gedachte van harte, kijk met belangstelling naar de uitkomsten en zal mijn bijdrage leveren.

Zoals in het vorige debat is aangegeven, maakt de PvdA zich er zorgen over dat wij in Nederland veel minder talenten benutten dan mogelijk is, met name de talenten van onze zorgleerlingen. In de ons omringende landen zie je dat die talenten door passende begeleiding beter benut kunnen worden. Kunnen de ervaringen die wij nu opdoen met deze referentie- en ambitieniveaus om meer uit leerlingen te halen ook gebruikt worden om hierin een slag te maken?

In het verleden hebben wij gesproken over de leerstandaarden. Dat klonk wat dwingender dan referentieniveaus, waar nu sprake van is. Hoe beoordeelt de staatssecretaris het verschil in terminologie? In hoeverre zullen scholen beoordeeld worden op het aantal leerlingen dat die referentieniveaus haalt? Als een scholier het minimumniveau niet haalt, dan vindt de PvdA-fractie dat de school daar ten minste een gedegen verklaring voor moet kunnen geven. Indien dit niet lukt, dan rechtvaardigt dit een stevig gesprek en uiteindelijk ingrijpen. Deelt de staatssecretaris deze visie?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit is het punt waarop mevrouw Besselink mij interrumpeerde. Uit een onderzoekje van Trouw blijkt dat 90% van de vmbo-basisleerlingen waarschijnlijk het rekenniveau niet zal halen. Dit is een enorm aantal. Stel dat die leerlingen daardoor geen diploma meer krijgen, wat gaat de PvdA dan tegen die leerlingen zeggen?

Mevrouw Besselink (PvdA):

De heer Jasper van Dijk en ik zijn het helemaal met elkaar eens dat leerlingen niet onnodig moeten uitvallen. De vraag is hoe je bereikt dat het beste uit hen kan worden gehaald. Ik zeg het net iets anders dan de heer Jasper van Dijk, namelijk dat ik vind dat wij die ambitie moeten hebben, niet van tevoren mensen moeten opgeven en met elkaar moeten proberen om met deze maatregelen en desnoods met extra begeleiding te zorgen dat zij dat niveau wel zullen halen. We moeten daarop inzetten. We moeten niet bij voorbaat zeggen dat we het dan maar niet moeten doen. Dat vind ik onrecht doen aan die leerlingen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is een misverstand dat ik dat zou zeggen. Daarover verschillen wij niet van mening: die lat moet zo hoog mogelijk liggen. Dat is helder.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Helder.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Maar als je kijkt naar wat er gebeurt als er referentieniveaus worden ingevoerd, dan blijkt dat 90% van de vmbo-basisleerlingen dat niveau niet haalt. Mijn simpele vraag is: betekent dit voor de PvdA dat deze leerlingen dan geen diploma krijgen?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Voor de PvdA betekent deze wet dat wij ervoor moeten zorgen dat zij die basis wel halen. Dit houdt in dat wij daaraan waarschijnlijk extra aandacht moeten besteden. Ik wil die ambitie voorlopig niet laten vallen. Daarom vind ik het fijn dat we constateren dat we de vinger aan de pols moeten houden en met elkaar moeten kijken wat er gebeurt. Ongewenste effecten willen we geen van allen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is altijd weer interessant hoe de PvdA om het antwoord heen kan draaien. Wij zijn het over de ambitie eens: zo veel mogelijk leerlingen zo hoog mogelijk opleiden. Maar als ze het niet halen, moet je die leerlingen ook iets bieden. Wat mij betreft moeten ze altijd doorstromen naar het mbo. Is de PvdA het daarmee eens, ja of nee?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik ben het helemaal met de heer Jasper van Dijk eens dat je een leerling altijd wat moet bieden en dat je dus moet bekijken wat je uit een leerling kunt halen en hoe je hem zo veel mogelijk helpt. Tegelijkertijd vind ik de ambitie om eruit te halen wat erin zit zo belangrijk, dat wij daarop moeten koersen. Als het echt allemaal niet kan – dit heb ik al gezegd – moet er een goede uitleg zijn waarom het niet lukt en moet er maatwerk worden geleverd. Volgens mij staan onze standpunten niet zo ver van elkaar af.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Misschien dat ik door mag gaan op hetgeen de heer Jasper van Dijk naar voren brengt. Is het risico niet groot dat je de leerlingen uiteindelijk frustreert wanneer ze in het leerwegondersteunend en praktijkonderwijs het niveau niet halen? Daarover hebben wij in de hoorzittingen uitgebreid met elkaar van gedachten gewisseld. Als ze het toch niet halen, waarom zouden ze er dan nog iets mee moeten doen?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Met deze redenering kan ik niet zo veel. Er staan professionals voor de klas en die weten heel goed hoe je het beste uit de leerlingen moet halen. Nogmaals, ik wil die ambitie vasthouden. Laten we proberen die met elkaar te bereiken. Als dat niet lukt, moet daar een goede verklaring voor zijn en is het aan de professional in de klas en voor de klas om te bekijken hoe men daar het beste mee om kan gaan.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wat is dan de consequentie van het feit dat iemand het niet haalt?

De voorzitter:

Die vraag is al twee keer gesteld.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Volgens mij komt dat ook verder in de uitwerking aan de orde. Dat staat ons gezamenlijk nog niet helder voor ogen. Je moet dat nu dus ook niet willen vastleggen. Ik geef alleen aan dat voor de fractie van de Partij van de Arbeid de ambitie heel belangrijk is. Ga dus niet direct opgeven en probeer eruit te halen wat erin zit! Ik herinner in dit verband aan mijn voorbeeld dat ik zojuist heb genoemd. Ook leraren zeiden namelijk: wij kunnen niet zoveel meer met deze groep, maar als je er anders mee omgaat, is er toch een enorme stap voorwaarts te maken. Welnu, die mogelijkheden wil ik te allen tijde open houden. Daarom moeten wij goed polsen en uitwerken op welke wijze met die leerlingen wordt omgegaan. Ik ben het wel met de heer Jan Jacob van Dijk eens, als hij zegt: als het er echt niet in zit, moet je mensen verder niet frustreren, maar wij moeten wel proberen om het meeste eruit te halen.

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. De referentieniveaus vereisen ook dat de docenten hun beheersing van rekenen en taal op peil hebben en houden. Daartoe moeten scholen de docenten genoeg ruimte en aandacht geven om die kennis bij te houden. Kan de staatssecretaris toelichten of dit aandachtspunt geheel een kwestie blijft van de beleidsvrijheid dan wel dat er voldoende waarborgen zijn ingebouwd zodat scholen deze aandacht en ruimte aan docenten kunnen bieden?

Dan heb ik nog een vraag over de zak-/slaagregeling. De wijze waarop de taal- en rekentoets te zijner tijd wordt opgenomen in de zak-/slaagregeling wordt nader bepaald op basis van informatie van projecten, proeflessen en monitors. Voor het voortgezet speciaal onderwijs komt er nog een sectorspecifiek invoeringsplan. Deze zaken wacht de fractie van de PvdA af.

Toch heb ik nog wel vragen over de tijdsplanning van de invoering van mbo-4. Aangegeven wordt dat in 2013/2014 deze studenten moeten gaan voldoen aan de eisen van het referentieniveau 3F. De instroom van het mbo bestaat echter vooral uit vmbo-leerlingen, voor wie tot dan toe nog geen referentieniveau gold. Als het aan de staatssecretaris ligt, wordt het referentieniveau 2F ook niet opgenomen in de zak-/slaagregeling van het vmbo. Natuurlijk is het terecht dat van mbo-4-studenten een voldoende beheersing van taal en rekenen verwacht mag worden. Wij moeten de opleidingen echter ook niet voor onmogelijke opgaven stellen. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit probleem en hoe wil zij instellingen in staat stellen om dat probleem op te lossen?

Een onderwerp van discussie naar aanleiding van dit wetsvoorstel is de integraliteit waarmee taal- en rekenniveau bij alle vakken aan de orde moet komen. De PvdA-fractie is een groot voorstander van die integrale aanpak om te voorkomen dat dit slechts een klus voor de docent Nederlands of de docent wiskunde wordt. Daarom steunen wij de staatssecretaris in haar voornemen om dit breed in te zetten en te laten uitlopen op een onderdeel in het examen Nederlands en een aparte toets voor het rekenen. Dit doet ook recht aan de havo-leerlingen zonder het vak wiskunde in hun profiel.

Ik kom nu te spreken over de amendementen van de heer Van der Vlies over de diagnostische toetsen. Graag verneem ik een reactie van de staatssecretaris, want de scheiding van het hoe en het wat moeten wij helder hebben. Vandaar mijn vraag aan de staatssecretaris hoe zij dat beoordeelt.

Ik heb tot slot nog twee hartenkreten. In 2008 heeft de Kamer de motie-Spekman/Spies aangenomen waarmee 50 mln. beschikbaar werd gesteld voor taal en rekenen in het mbo. Deze gelden moeten wel structureel voor deze doelstelling beschikbaar blijven. Kan het kabinet dat toezeggen?

Met het volgende loop ik een beetje vooruit op een nieuwe situatie. Op de BES-eilanden ontstaat namelijk een nieuwe situatie, als de Eerste Kamer daarmee akkoord gaat; zij worden dan Nederlandse gemeenten. Ook voor het onderwijs op de BES-eilanden moeten dan de referentieniveaus gaan gelden. Op dit moment is dat echter nog niet vanzelfsprekend vanwege de tweetaligheid en het niveauverschil bij docenten. Dit betekent dat op dit punt stapsgewijs voortgang geboekt moet worden. Kan de staatssecretaris hiervoor een stappenplan toezeggen?

Ik vat mijn bijdrage als volgt samen. Deze wet is een belangrijke stap in het herstellen van het vertrouwen van de samenleving in het onderwijs. Wij kijken dan ook met belangstelling uit naar de AMvB's die daarop volgen over onder andere een inbedding van de zak-/slaagregeling, de sectorplannen en de uitvoering van de nog niet vastgestelde referentieniveaus.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De PvdA is heel ambitieus en dat is mooi. Wat vindt de PvdA van het meerekenen van taalfouten in het eindexamen van het voortgezet onderwijs? Is dat voor haar belangrijk? De regering zegt dat de scholen dat zelf moeten weten.

Mevrouw Besselink (PvdA):

In het vorige debat hebben wij daar ook over gesproken. Als een leerling zijn taaltoets goed heeft gemaakt, is dat prima, maar het is wel raar als zijn examenopgave voor aardrijkskunde dan vol spelfouten zit. Ik vind dat daar aandacht voor moet zijn en dat er ook helderheid over moet komen. De heer Van Dijk had het daarover in zijn eerste termijn, toen hij sprak over het dilemma dat op de ene school wel de taalfouten bij een ander vak worden meegerekend en op een andere school niet. Ik ben het met hem eens dat daardoor heel scheve situaties ontstaan. Ik ben heel benieuwd hoe de staatssecretaris hierop reageert.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Hoe reageert mevrouw Besselink daar zelf op?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik vind dat een leerling te allen tijde fatsoenlijk Nederlands moet kunnen schrijven. Dat zou dus altijd een rol kunnen spelen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter. Wij reageren met het voorliggende wetsvoorstel op een punt van zware zorg over en in het onderwijs: het onderwijs in taal en rekenen. Een terecht punt, helaas. Dat moet dus beter. Er moet meer en meer kwaliteit worden geleverd. Mijn fractie heeft geen twijfel over de inzet hier en daar, maar helaas blijven de resultaten achter bij het gewenste niveau.

Als wij de kwaliteit van het onderwijs willen verbeteren en ook garanderen, is het onmisbaar dat wij vertrouwen uitspreken in scholen. Deze constatering is geen overbodige luxe, als wij letten op het dossier taal en rekenen. De broodnodige aandacht voor taal en rekenen, die mijn fractie onderkent, gaat gauw gepaard met een trend van toenemende sturing en een behoefte aan beheersing, terwijl het maar de vraag is of een dergelijke ontwikkeling tot het beoogde resultaat leidt. Vertrouwen is juist nodig wanneer wij het vermoeden hebben dat er sprake is van een neerwaartse trend in de resultaten. De SGP-fractie heeft eigenlijk nog geen antwoord gehad op de vraag hoe het komt dat scholen in het verleden met minder sturing hogere resultaten hebben bereikt, terwijl de regering dit nu door juist weer meer sturing wil bereiken. Dat klemt te meer daar de regering in de nota naar aanleiding van het verslag stelt dat het wetsvoorstel bedoeld is om een daling te voorkomen, om te anticiperen dus. Misschien willen de bewindslieden dit nog eens toelichten.

Ze zijn daar ook toe uitgedaagd door mijn collega de heer Dibi, die eigenlijk dezelfde vragen stelde. Hij heeft daarbij enkele veronderstellingen gelanceerd die ik herken. Het gaat te ver om mij daarbij aan te sluiten, maar ik ben wel heel erg benieuwd naar de reactie van de regering. Digitalisering, tempo, de beeldcultuur meer dan de woordcultuur, het zijn zaken die ook mij aanspreken en die mij een begin van nadenken geven over hoe het allemaal komt. Graag de visie van de bewindslieden hierop. Het is mij een vreugde om in de meervoudsvorm te kunnen spreken, want voor zover ik mij herinner is het de zoveelste keer dat ik met de staatssecretaris een debat voer over een onderwijsaangelegenheid, maar doe ik dat voor de eerste keer met de heer Rouvoet als minister van OCW. Die kans laat ik niet lopen.

De SGP-fractie heeft de vraag gesteld in hoeverre er met dit wetsvoorstel sprake is van een onderwijsvernieuwing. Zie de nota naar aanleiding van het verslag. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien een onnozele vraag, die je niet gauw zou verwachten van een SGP-fractie, omdat het simpelweg zou gaan om het vaststellen van feitelijke niveaus. Laat duidelijk zijn dat er voor de SGP-fractie geen sprake van onderwijsvernieuwing hoeft te zijn. Toch geeft de ambitie van de regering op dit punt enige zorg, in het bijzonder de inkleuring met het opbrengstgericht werken. Zo zei staatssecretaris Dijksma in het overleg van 9 december jongstleden: "Opbrengstgericht werken vraagt een andere manier van kijken naar kinderen en van kijken naar jezelf." Dat is een opmerkelijke zin, die nogal wat implicaties heeft. Tijdens de hoorzitting bleek ook wel dat er de nodige didactische haken en ogen bestaan.

De SGP-fractie vindt ook dat wij in het onderwijs doelgericht en zo efficiënt mogelijk moeten werken. Het is echter een illusie dat wij dit met cijfers helemaal in de vingers hebben. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Goed onderwijs, goed bestuur heb ik daar uitgebreider aandacht aan besteed. Graag ontvang ik een nadere toelichting op de koers van de regering.

De rol van de inspectie is in het voorliggende wetsvoorstel niet onbelangrijk. Er bestaat wat dat betreft nog veel onduidelijkheid. De belangrijkste vraag is hoe het toezicht op de implementatie van referentieniveaus gecontroleerd wordt. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt op pagina 13 bijvoorbeeld vermeld dat de inspectie gaat controleren of de lesmethoden dekkend zijn voor de referentieniveaus. Zelfs als dit pas zou gebeuren na een analyse van leerresultaten, blijft dit een vergaande bevoegdheid gezien het detailniveau van de referentieniveaus. Welke extra verantwoordingslast ontstaat bovendien voor scholen, om te kunnen aantonen dat hun onderwijsaanbod is afgestemd op de referentieniveaus? Graag een toelichting en een geruststelling. De SGP-fractie is in ieder geval geen voorstander van deze implementatierichting.

De SGP-fractie steunt de ontwikkeling en de toepassing van referentieniveaus in het onderwijs. Als het maar even kan, wil mijn fractie dus ook voor het wetsvoorstel stemmen. Het verbeteren van de doorlopende leerlijn is belangrijk. Referentieniveaus zijn hoofdzakelijk nodig om de overgangen tussen schoolsoorten vloeiender te laten verlopen. Drempels moeten geen obstakels zijn. In deze context kan de SGP-fractie de opmerking van de regering niet helemaal plaatsen, dat de referentieniveaus nodig zouden zijn omdat scholen niet meer uit de voeten kunnen met de bestaande kerndoelen. Die zouden te vaag zijn voor de inrichting van het onderwijs. Volgens de SGP-fractie is het probleem vooral dat de niveaubeschrijving bij de scharnierpunten tussen de schoolsoorten onvoldoende duidelijk is.

Voor de SGP-fractie is de wijze van uitwerking van de referentieniveaus van cruciaal belang. De referentieniveaus zouden verwerkt moeten worden op het niveau van de eindtoetsen en de eindexamens, in tegenstelling tot het niveau van het onderwijsproces. Deze werkwijze leidt ook tot het beoogde resultaat, maar voorkomt een hoop problemen en mogelijke negatieve gevolgen. Als de toetsen en examens zijn toegesneden op de referentieniveaus, past het onderwijsproces zich daaraan vanzelf aan. Dat werkt nu ook al zo. Er moet wel een fatsoenlijke invoeringstermijn gelden. Om dat nog wat te expliciteren is er intussen op dit punt een amendement uitgedeeld onder stuk nr. 9.

De verhouding tussen kerndoelen en referentieniveaus, die door dit wetsvoorstel ontstaat, verdient geen schoonheidsprijs. Beide hebben de status van een wettelijk voorschrift en beide worden dus als zodanig door de inspectie getoetst. Maar omdat de inspectie met de inhoud van de referentieniveaus beter uit de voeten kan, worden de kerndoelen eigenlijk buitenspel gezet. De regering heeft deze concurrentie proberen te vermijden door de referentieniveaus als uitwerking van de kerndoelen te beschouwen. Inhoudelijk is dat evident, maar het wordt lastig als wij letten op de verwoording daarvan in de tekst van het wetsvoorstel. De opzet van het referentiekader voor taal sluit bijvoorbeeld niet bepaald naadloos aan bij de verwoording in het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO. Wie de structuur van het referentiekader beziet, herkent in de kerndoelen niet echt gemakkelijk de basis. De kerndoelen zouden, met behoud van het huidige abstractieniveau, opnieuw geformuleerd moeten worden. De kerndoelen worden dan eigenlijk gedestilleerd uit het referentiekader. Deelt de regering deze conclusie? Als dat zo is, hoe wordt daarmee dan omgegaan?

Het standpunt van de regering over diagnostische toetsen heeft de SGP-fractie verbaasd. De regering stelt terecht dat de keuze van methoden en pedagogische benaderingen, zoals diagnostische toetsen, aan de scholen is. De overheid bepaalt enkel het "wat", aan de scholen is het "hoe" toevertrouwd. Merkwaardig genoeg stelt de regering dat het zich nu aan dit uitgangspunt wil houden, maar in de toekomst mogelijk niet meer. Daarom creëert ze nu alvast een grondslag om diagnostische toetsen verplicht te kunnen stellen. Dat vinden wij een heel merkwaardig standpunt. Om dit terug te draaien en ongedaan te maken, hebben wij een amendement ingediend op stuk nr. 10. Ik hoor hierop uiteraard graag een reactie van de regering.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Kan de heer Van der Vlies nog eens uitleggen waarom hij speciaal bezorgd is over de diagnostische toetsen? Waarom vindt hij dat de diagnostische toetsen een inbreuk zouden zijn op het "hoe" dat aan de scholen is, en alle andere toetsten die er nu ook al zijn niet?

De heer Van der Vlies (SGP):

De laatste conclusie heeft de heer Van Dijk uit mijn mond nog nooit gehoord. Ook mijn fractie is best kritisch over alle toetsen. We moeten heel goed nagaan waarvoor ze worden ingesteld, waartoe ze dienen, wat we er wel mee willen, wat we er niet mee willen, welke conclusies we er aan willen verbinden en welke niet. Bij diagnostische toetsen gaat het echter niet alleen om een behaald cognitief of vormend resultaat, maar ook om het "proces onderweg". Het gaat dus om de pedagogisch-didactische dimensies die daaraan verbonden zijn. Wij vinden dat dit aan de scholen is. Bij de diagnostische toetsen gaat het om de hoe-vraag, niet om de wat-vraag. Daarom hebben wij ons in het voorliggende wetsvoorstel nu gericht op deze onderdelen.

Voor bijzondere scholen bestaat de mogelijkheid om alternatieve kerndoelen vast te stellen. Ik weet dat van die mogelijkheid gebruikgemaakt wordt. Omdat de referentieniveaus dezelfde wettelijke status hebben als de kerndoelen, zou die mogelijkheid er dus hierbij ook moeten komen, vooral ook omdat de referentieniveaus veel veelomvattender zijn. Mijn fractie kan zich voorstellen dat scholen, bijvoorbeeld op het gebied van taal en literatuur, eigen wegen willen gaan, uiteraard met behoud van het totale kwalitatieve kader. De formele bevoegdheid om alternatieven vast te stellen, dient wat mijn fractie betreft dus te bestaan. Ik zeg nogmaals dat daarbij dezelfde vereisten gelden als bij de kerndoelen. Daarin is voorzien in het wetsvoorstel dat wij indertijd behandelden. Wil de regering dit hiaat zelf oplossen? Als daartoe niet wordt besloten, heeft mijn fractie daarvoor een amendement achter de hand.

Over het amendement-Dibi op stuk nr. 8 met de evaluatiebepaling zeg ik dat de gedachte om de vinger aan de pols te houden en op gezette tijden te evalueren, geheel die van mijn fractie is. Deze beoordeling geef ik los van de vraag vanaf wanneer de periode van drie jaar gaat tikken. Ik vraag mij af of dit per se al in 2013 moet als wij in 2014 over de eerste concrete resultaten beschikken. Daarover valt met mij te spreken.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voorzitter. Ik begin mijn betoog over dit wetsvoorstel met een korte beschouwing over de aanleiding om te komen tot het vaststellen van referentieniveaus. Daarna ga ik in op een aantal specifieke onderdelen. Ik wil daarover nog wat meer informatie voordat wij definitief instemmen met het wetsvoorstel.

Degenen die in 2005 en 2006 hun oor te luisteren hebben gelegd in de samenleving werd het duidelijk dat er erg veel kritiek was op de kwaliteit van het onderwijs, vooral wat betreft de kennis van rekenen en taal. Iemand stelde dat zijn kinderen wel naar een goede school gingen, maar hij plaatste vraagtekens bij de stand van zaken met betrekking tot het totale onderwijs. Als gevolg daarvan heeft dit kabinet de commissie-Meijerink ingesteld. Deze commissie moest de referentieniveaus neerzetten. Ik zie dan nog af van wat in de commissie-Dijsselbloem allemaal naar voren is gebracht.

Een tweede element was dat scholen, vooral "afnemende" scholen, steeds meer gingen klagen over leerlingen die ze van andere scholen binnenkregen. Het hbo klaagde over leerlingen die afkomstig waren van havo en vwo. Het mbo klaagde over leerlingen die van het vmbo kwamen. De voortgezet-onderwijsscholen klaagden over het niveau op het gebied van rekenen en taal van de leerlingen uit het primair onderwijs. Het primair onderwijs vond het jammer dat de ouders niet de schuld kon worden gegeven van de gebrekkige kennis op het gebied van taal en rekenen. Ook wat dat betreft moest er dus iets worden gedaan. Het kernthema bij de behandeling van het rapport van de commissie-Dijsselbloem was dat ervoor moest worden gezorgd dat het vertrouwen tussen de scholen weer omhoog zou gaan, zodanig dat wanneer een kind van een primair-onderwijsschool af zou komen, hij of zij voldoende kennis zou hebben op het gebied van rekenen en taal.

Het kabinet is daarop vooruitgelopen met de instelling van de referentieniveaus. Dat vonden wij een positieve ontwikkeling. Er is nog een reden waarom wij het van belang vinden dat de referentieniveaus worden vastgesteld, vooral als het gaat om rekenen en taal. Zonder een goede beheersing van rekenen en taal kun je tegenwoordig niet meer functioneren in deze samenleving. Laatst werd er bij Albert Heijn over geklaagd dat de caissières als zij legitimatiebewijzen checken de leeftijd van jongeren niet meer kunnen uitrekenen. Als je bij Albert Heijn drank wilt kopen moet je tegenwoordig je referenties, herstel je legitimatiebewijs laten zien; wellicht je referenties ook wel. De caissières kunnen echter niet goed genoeg meer hoofdrekenen om te zien of iemand wel of niet ouder dan zestien is. Daarmee is nut en noodzaak van dit wetsvoorstel wat mij betreft aangetoond. Dit wetsvoorstel is van groot belang.

Een belangrijk vraagstuk betreft datgene wat de heer Van der Vlies zojuist naar voren bracht. Dat is de vraag naar het hoe en het wat. In het rapport van de commissie-Dijsselbloem wordt nadrukkelijk gesteld dat het "wat" wordt vastgesteld door de overheid, maar dat het "hoe" nadrukkelijk thuishoort bij de onderwijsinstellingen. Het is hun taak om de benodigde kennis op de beste manier over te dragen. Hoe nauwkeuriger en hoe gedetailleerder wij het "wat" gaan vaststellen, des te dichter komen wij bij de grens van het "hoe". Dat is een van de zorgpunten waar de heer Van der Vlies terecht op wees toen hij sprak over de diagnostische toetsen. Wij hebben daar ook vragen over gesteld in de nota naar aanleiding van het verslag. Waarom vindt de regering dat er nu al moet worden gekomen met een grondslag in de wet op basis waarvan straks gemakkelijk kan worden gekomen met een AMvB? Wordt daarmee niet geraakt aan de grenzen van het hoe en worden die niet bijna overschreden? Het amendement zoals de heer Van der Vlies dat op dit moment heeft ingediend, zou een stuk van onze zorg kunnen wegnemen. Op dit moment zit het op de grens, maar als er straks inderdaad AMvB's komen waarmee die diagnostische toetsen worden voorgeschreven, dan zeggen wij: hiermee zijn wij die grens ten onrechte overgegaan.

Er was nog een dispuut met de Raad van State over de vraag of er niet beter sectorale wetten zouden kunnen komen, dan wel of er volstaan kon worden met bovensectorale wetten. Onzes inziens is het van groot belang dat wij gekomen zijn tot bovensectorale wetgeving. Het gaat hier namelijk om iets wat op het totale onderwijs van toepassing is. Dan kan het niet zo zijn dat je het alleen specifiek in het primair onderwijs regelt of alleen in het voortgezet onderwijs of in andere onderdelen. Wij denken dat het van belang is dat je dat in een bovensectorale wet regelt. Dat dit consequenties heeft voor andere wetgeving is al meegenomen in dit wetsvoorstel. Het lijkt ons echter van groot belang dat een en ander op een goede manier in bovensectorale wetgeving wordt geregeld.

Wij moeten ons er wel van bewust zijn dat de referentieniveaus, als wij die eenmaal hebben, een mooi instrument zijn maar dat wij er dan nog lang niet zijn. In die referentieniveaus wordt immers alleen maar vastgelegd wat wij willen dat er uiteindelijk gaat gebeuren. Wij zullen ervoor moeten zorgen dat de kennis op een goede manier wordt overgedragen. Daar hebben wij goede docenten voor nodig. Om goede docenten te krijgen zul je ervoor moeten zorgen dat in docentenopleidingen voldoende verankering heeft plaatsgevonden van deze referentieniveaus. De staatssecretaris heeft gezegd dat het in de kennisbasis van tweedegraadsdocenten wordt meegenomen. Wij gaan er ook van uit dat het voor de pabo's gaat gelden. Maar onze zorg is ook: hoe gaan wij ervoor zorgen dat docenten die kennis vasthouden? Hoe zorgen wij ervoor dat wij dat misschien ook regelmatig toetsen? Wij hebben daar in een algemeen overleg al eens met elkaar over van gedachten gewisseld. Zou het niet verstandig zijn dat de staatssecretaris een keer met de werkgevers van gedachten wisselt over de vraag: op welke manier kunnen docenten permanent getoetst worden, zodat hun kennis van taal en rekenen scherp wordt gehouden, net zoals mensen in andere sectoren scherp worden gehouden?

Daarmee kom ik op een ander thema: taal en rekenen. Het wetsvoorstel heet: referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Alleen bekruipt mij naar aanleiding van de hoorzitting en besprekingen met diverse personen het gevoel dat het steeds meer "referentieniveaus op het terrein van wiskunde en Nederlands" aan het worden is. Nu kun je denken dat dit een semantische discussie is, maar dat is zij niet. Het lijkt alsof de exclusieve verantwoordelijkheid wordt neergelegd bij docenten Nederlands en wiskunde. Als dat het effect is van wat wij hier aan het doen zijn, dan is dat volstrekt verkeerd. Als wij het niveau willen verhogen, dan zullen wij een integrale benadering moeten kiezen en zal er vanaf nu bij een geschiedenistentamen niet alleen naar de feitenkennis gekeken moeten worden, maar ook naar de manier waarop de leerling iets opschrijft, zoals de heer Jasper Van Dijk ook naar voren bracht. Die integrale benadering moet er veel meer komen in het primair, middelbaar, beroeps- en voortgezet onderwijs. Anders zullen wij de doelstellingen die wij met elkaar hebben geformuleerd, niet kunnen halen.

Die integrale benadering staat een beetje haaks op een aparte rekentoets. Wij hebben daar in het schriftelijk overleg ook aandacht voor gevraagd. Waarom komt de staatssecretaris nog met een aparte rekentoets? Daar zitten nogal wat vraagstukken aan vast. Als er een aparte rekentoets komt, dan zal er een apart vak worden gegeven op school, want op een andere manier zal het niet gerealiseerd worden en zullen leerlingen niet voorbereid worden op een examen op dat terrein. Er zal dus een apart vak ontstaan, terwijl er op dit moment al wordt geklaagd over de hoeveelheid vakken die in het voortgezet onderwijs geëxamineerd en getentamineerd worden. Dat is ons eerste argument om ons af te vragen of wij wel moeten komen tot een aparte rekentoets. Het tweede argument is de vraag of wij voldoende docenten hebben die dat vak op een goede manier kunnen geven. Wij vragen ons af of er op dit moment al voldoende docenten opgeleid zijn om het aparte vak rekenen in het voortgezet onderwijs voldoende gestalte te geven. Het derde argument is: als binnen de 1000 uur die wij in het voortgezet onderwijs hebben, ook nog het nieuwe vak rekenen moet worden gegeven, ten koste van wat gaat dat dan? Ten koste van welk vak zal dat gaan? Of stellen wij onze eisen voor een aantal andere vakken naar omlaag bij?

Hoe zit het precies met een zak-/slaagregeling? Het kabinet heeft daar wel iets over gezegd in verband met het profiel cultuur en maatschappij, maar verder weet het nog niet precies hoe die handen en voeten moet krijgen. We hebben op dit terrein nogal wat vraagpunten rond die aparte rekentoets in het voortgezet onderwijs.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vind dat de punten van de heer Jan Jacob van Dijk hout snijden. De vervolgvraag is natuurlijk of het CDA vindt dat we die rekentoets maar moeten laten zitten of vindt het CDA dat die wel degelijk moet blijven, maar dan ook volwaardig, als apart vak?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wat we tot op dit moment hebben gezegd is dat je het rekenen moet toetsen. Alleen, je zou dit voor een deel integraal in een aantal andere vakken kunnen meenemen. Je zou het mee kunnen nemen in vakken als natuurkunde, scheikunde, biologie en – misschien wat minder – in het vak aardrijkskunde. Je zou het ook in economie en wiskunde mee kunnen nemen. Voor de mensen die geen van die vakken hebben, zou je een aparte rekentoets kunnen doen. Voor het profiel cultuur en maatschappij, waar geen van die vakken in zit, zou je een aparte rekentoets kunnen doen. En in die andere vakken neem je het gewoonweg mee als een integraal onderdeel van dat vak. Ik heb het kabinet gevraagd hoe het daartegen aankijkt.

Wij hebben daar ook over nagedacht. Wij lopen tegen het volgende dilemma aan. Aan de ene kant willen wij zeker weten dat er getoetst wordt op het rekenen, zodat aan het einde van het voortgezet onderwijs voldoende tussen de oren van de leerlingen blijft zitten dat zij bezig moeten zijn met het rekenen. Aan de andere kant stellen wij ons de vraag of je dit echt in een apart vak en in een aparte toets moet doen. Is dat niet te zwaar, is dat niet te veel en kun je dat niet veel beter in die integrale benaderingen meenemen? Voor dat dilemma staan wij. Ik leg hier de vragen op tafel met onze kanttekeningen, samen met een alternatief waarover nagedacht kan worden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is helder. Dan stel ik vast dat het CDA, zoals het er nu naar uit ziet, niet akkoord gaat met de rekentoets zoals de regering die graag ziet.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wij zijn op dit moment nog niet overtuigd dat er een aparte rekentoets zou moeten komen voor iedere leerling in het voortgezet onderwijs.

Mevrouw Besselink (PvdA):

In eerste termijn heb ik daar ook een aantal woorden aan gewijd dat uit dezelfde startpositie kwam, namelijk dat integraliteit belangrijk is. Ik trok wel een andere conclusie: doe daarom maar wel een aparte toets, want dan weet je zeker dat het vak gegeven wordt. Zojuist hebben we het erover gehad dat je eigenlijk jaarlijks zou moeten kijken hoe het gaat. Is dit nu niet uitgerekend iets wat wij daarin moeten meenemen? Ik kan mij namelijk voorstellen dat mensen de redenatie van de heer Jan Jacob van Dijk volgen, maar er zullen ook scholen zijn die mijn redenatie zullen volgen. Moeten we niet gewoon de vinger aan de pols houden?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ja. Maar een van de punten waarover in het onderwijs wordt geklaagd is: wanneer we nu een regeling instellen, doen we dat voor drie jaar; dan wordt die geëvalueerd, daarna komen we tot de conclusie dat die niet goed is en vervolgens schaffen we de regeling weer af. Men wordt daar hoorndol van. Laten we wat dat betreft nog even wat beter nadenken over de vraag wat wij precies willen. Mijn voorstel is om voorzichtig te zijn op dat punt en om het mee te nemen in de integrale toetsing bij de vakken, of een aantal daarvan, die ik zojuist heb genoemd. Laten we niet nu al een apart vak in het leven roepen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Gaat u dan niet heel erg over het "hoe"? Het is toch aan scholen zelf hoe ze dat willen doen? Dat bepalen wij hier toch niet in Den Haag? Wij leggen het "wat" vast: wij willen dat leerlingen na hun opleiding dit niveau hebben. De school gaat erover hoe hij dat doet.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat ben ik helemaal met u eens. Maar dan zou het ook niet zo moeten zijn dat wij nu een rekentoets vastleggen, want die behoort ook tot het hoe.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Nee.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Jawel. Wat dat betreft bent u niet consistent in uw redenering, want nu moet er een aparte rekentoets komen die meegenomen wordt in een zak-/slaagregeling. Die maakt onderdeel uit van het verplichte onderdeel van het centraal examen. Als u bezwaar maakt tegen mijn redenering, bent u volgens mij inconsistent in uw eigen redenering.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Wij gaan over het "wat" en het "wat" is: wat vinden wij dat onze leerlingen moeten kennen en kunnen? Dat toets je. Dus daar gaan wij over. Hoe een school komt tot dat niveau, dat is het "hoe". Volgens mij ben ik heel consequent en volgens mij moet u er nog even over nadenken.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Nee, volgens mij absoluut niet. Ik ben het volstrekt met u eens wanneer wij het "wat" gaan vastleggen in de referentieniveaus en dat wij ook gaan vastleggen dat wij aan het eind van de rit dit getoetst willen hebben. Echter, er is nu verplicht voorgeschreven dat er een aparte rekentoets gaat komen. En dat is dus weer het "hoe". Dus als u bezwaar maakt tegen mijn opmerking om het integraal mee te nemen in een aantal vakken, dan gaat die opmerking net zoveel over het "hoe" als dat u op dit moment instemt met de redenering "een apart vak zou ook mogen of een aparte toets zou moeten".

De afgelopen periode hebben wij met het vaststellen van de referentieniveaus nog niet automatisch gegarandeerd dat men die niveaus ook uiteindelijk gaat halen. Er is een aantal steunpunten in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat scholen er kennis vandaan kunnen halen wanneer ze tegen vraagstukken aan lopen. Ik denk dat het verstandig is die te handhaven. Alleen, daarnaast hebben wij ook een heleboel aparte subsidieregelingen in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat scholen dan iets op het terrein van bijscholing of wat dan ook kunnen doen. Wij hebben bij de algemene politieke beschouwingen wel wat kritische kanttekeningen geplaatst bij dat instrument van subsidieverstrekking. Ik verneem van de bewindslieden graag of het niet verstandig zou zijn om voor deze subsidies die naar individuele scholen gaan niet langer aparte regelingen te hanteren, maar om ze onderdeel te laten zijn of ze over te hevelen in de richting van de lumpsumfinanciering.

Een element waarvoor ook de heer Jasper van Dijk aandacht heeft gevraagd betreft het moment waarop wij de examens in laten gaan. Nu willen de bewindslieden dat doen in het schooljaar 2013/2014. Er is in de hoorzitting nogal aandacht gevraagd voor de vraag in hoeverre docenten voldoende voorbereid zijn om dat op een goede manier te kunnen doen. Wil je die examens gaan doen in 2013/2014 dan moet je nu al gaan starten in het voortgezet onderwijs. Een van de elementen waar wij tegen aanliepen, was dat nog niet iedereen voldoende geëquipeerd was om dat rekenen voor zijn rekening te kunnen nemen of dat de huidige wiskunde- en natuurkundedocenten nog niet voldoende kennis hebben om ervoor te zorgen dat ze dat rekenen ook mee zouden kunnen nemen. In hoeverre zou het een bezwaar zijn om ten aanzien van dat punt van een gebrek aan draagvlak, de zaak met een jaar uit te stellen? In dat geval kan de wet nu dus wel aanvaard worden en zullen de examens in 2014/2015 kunnen worden gedaan. Dan weten wij ook zeker dat iedereen op een voldoende manier is bijgeschoold om ervoor te zorgen dat dan ook werkelijk die stappen kunnen worden gezet zoals beoogd.

Ten aanzien van het onderwerp toetsen is er in de nota naar aanleiding van het verslag gevraagd of het Cito aan het eind van het primair onderwijs ook die toets op het terrein van rekenen en taal voor zijn rekening mag nemen. Daar kregen wij als antwoord op: ja, dat mag, mits die toets geijkt is. Toen kwam bij ons de vraag op: wie zou dan dat ijkingsproces voor zijn rekening moeten nemen en wie moet dan uiteindelijk bepalen waar een dergelijke toets wel en niet aan moet voldoen? Is dat een nieuwe instantie? Is dat het departement? Is dat een bestaande instantie, bijvoorbeeld op het terrein van examens? Wie gaat uiteindelijk dat ijkingsproces gestalte geven en welke procedure hebben de bewindslieden daarbij voor ogen? Ik kan mij voorstellen dat er behoefte aan bestaat om hierover snel helderheid te hebben, niet alleen in de richting van het Cito maar ook in de richting van scholen, zodat zij weten bij wie zij bijvoorbeeld al een aantal proeftoetsen kunnen afnemen om te weten waar zij uiteindelijk op uit zouden moeten komen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik zit nog even te denken over het punt hier voor, waarbij u de vraag opwerpt om de zaak met een jaar uit te stellen. U wilt wel de wet nu invoeren maar u wilt alle scholen een jaar meer tijd geven. Is dat de gedachte, namelijk dat ze wat meer ademruimte krijgen om het zaakje in te voeren?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

U was ook aanwezig bij de hoorzitting waarin bleek dat nogal wat docenten zich hierover zorgen maken. Ofschoon er niet pas het afgelopen jaar aandacht is gekomen voor de referentieniveaus, blijken toch nogal wat scholen het gevoel te hebben dat het hen overkomt. Daarom vind ik dat wij het zorgvuldig moeten invoeren, want doen wij dat niet, dan wordt het geen succes. Is een jaar vertraging met het oog hierop niet acceptabel?

Voorzitter. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Goed onderwijs, goed bestuur is er gediscussieerd over de normen voor rekenen en taal die hierin worden vastgelegd. De Raad van State stelde dat deze deugdelijkheidsnormen aanvaardbaar zijn, mits zij objectiveerbaar zijn. Destijds hebben wij gesproken over de vraag hoe wij daarmee om zouden moeten gaan en hoe wij zouden kunnen komen tot objectiveerbare normen. Daarbij heeft de CDA-fractie aandacht gevraagd voor de referentieniveaus. De heer Anker denkt daar anders over, want hij heeft hiertegen grote bezwaren. Wat mij betreft zou het uiteindelijk echter een goede basis kunnen zijn voor objectiveerbare normen wanneer wij over een jaar of vier de wet Goed onderwijs, goed bestuur evalueren. Ik zou althans geen betere weten dan deze.

De heer Anker (ChristenUnie):

Hoe stelt u zich dit precies voor? De referentieniveaus zijn natuurlijk allereerst gericht op leerlingen. De heer Dibi wees er terecht op dat wij ons veel meer op scholen dan op leerlingen zullen richten als wij via toetsing dat referentieniveau proberen te halen. Volgens mij heb ik u daartegen ook wel eens horen waarschuwen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat klopt. Daaruit blijkt wel dat wij ons soms ook voor dilemma's zien gesteld. U was ook aanwezig bij de discussie over de objectiveerbare normen en toen hebben wij allemaal gesteld dat die een belangrijke voorwaarde zijn om het niveau bij rekenen en taal als een deugdelijkheidsvereiste te kunnen beschouwen. Dat was ook de voorwaarde van de Raad van State. Indertijd hebben wij ons afgevraagd wat een objectiveerbare norm zou kunnen zijn. Dat zouden dus de resultaten van de referentieniveaus kunnen zijn.

Ik wil niet toe naar een afrekencultuur, maar ik vind wel dat er een objectiveerbare norm zou moeten zijn aan de hand waarvan je kunt bepalen of een school inderdaad meerdere jaren functioneert als een zeer zwakke school. Dat zou dan kunnen blijken uit de voortgang die is geboekt bij rekenen en taal, voortgang die je kunt beoordelen aan de hand van referentieniveaus. Ik ben nieuwsgierig naar de opvatting van het kabinet, maar ik denk dat deze referentieniveaus hieraan wel degelijk een bijdrage zouden kunnen leveren. Ik ben het wel met u eens dat het geen absoluut afrekencriterium mag worden, iets wat anderen soms wel wenselijk lijkt.

Ik snap dus het dilemma dat u probeert te beschrijven.

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik ben blij dat u dat begrijpt.

De heer Harbers zei zojuist terecht dat de onderwijsprestatie in het basisonderwijs relatief veel groter kan zijn op een school met een leerlingenpopulatie met niet zo'n lekkere startpositie. Als je die leerlingen toch enigszins in de buurt van het referentieniveau kunt krijgen, doe je het beter dan een school in een buurt met kansrijke kinderen. Dat verschil zie je echter niet terug in het referentieniveau.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Niet in de referentieniveaus, maar wel in de systematiek van de Onderwijsinspectie om te bepalen of een school zwak of zeer zwak is. Het probleem dat u beschrijft, is dus eigenlijk al ondervangen in het toetsingskader van de Onderwijsinspectie. De Inspectie vergelijkt namelijk alleen scholen met min of meer dezelfde populatie.

De heer Dibi (GroenLinks):

Het is ook een dilemma voor de GroenLinks-fractie dat door de referentieniveaus de score van een school nog belangrijker wordt. Ranglijstjes zullen dus steeds belangrijker worden voor ouders, maar ook voor scholen zelf. Je krijgt dan de situatie dat scholen zeggen "deze jongen of dit meisje heeft niet zo'n goede score op rekenen en taal dus hij of zij komt er bij ons niet in". Wij worstelen heel erg met de vraag hoe wij dat kunnen voorkomen. Wij zien het nu al, bijvoorbeeld bij de Cito-toets. Heeft de CDA-fractie daarover nagedacht? Hoe denkt de heer Van Dijk hoe wij daarmee kunnen omgaan?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De gedachtegangen binnen GroenLinks lijken soms heel veel op de gedachtegangen die binnen de christendemocratische familie plaatsvinden. Net zo goed als de heer Dibi nog geen absoluut antwoord heeft, hebben wij dat ook nog niet. Het zijn processen die wij vanuit een macropositie heel nadrukkelijk zien. Wanneer je dan inzoomt op een individuele school, zie je het ook nog wel eens terugkomen. Je ziet echter ook dat dit soort dingen op heel veel scholen eigenlijk niet gebeurt. Als je dit helemaal wilt voorkomen, moet je weer met aparte regelgeving komen. Ook dat heeft weer perverse effecten. Eerlijk gezegd vrees ik dat we dit probleem nooit helemaal zullen oplossen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Met dat laatste ben ik het eens. Laat dit dan een duidelijk signaal zijn aan het kabinet om in de communicatie met scholen over de referentieniveaus duidelijk af te spreken dat ze niet zo maar leerlingen mogen weigeren maar dat ze dat heel goed onderbouwd moeten doen. Dit kan ook terugkomen in de jaarlijkse voortgangsrapportage, dus dat wij ons zorgen maken over het selecteren van leerlingen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wat dat betreft ben ik het eens met hetgeen de heer Dibi net naar voren heeft gebracht. Het punt was dat er nu, bijvoorbeeld in de lijstjes van Trouw omtrent het voortgezet onderwijs, wordt gekeken naar het slagingspercentage. Men ziet dat het een positief effect heeft wanneer dat hoog is. Wat doet men dan? Men selecteert bijvoorbeeld al in havo 4 of vwo 4, want als je de zwakkere broeders en zusters daar eruit laat vallen, heb je een hoog slagingspercentage. De Onderwijsinspectie is nu bezig om te kijken hoe dat soort dingen kan worden voorkomen, met als gevolg dat het straks in de derde klas al zal gebeuren, met alle gevolgen van dien. Op een of andere manier weten wij dit nooit helemaal uit te bannen.

Voorzitter. De Kamer had laten weten dat zij de algemene maatregelen van bestuur er graag bij had willen hebben. Dat is niet gebeurd. Wij hebben vandaag via de ambtelijke ondersteuning vernomen dat wij ze volgend jaar pas zullen krijgen. Ik ga ervan uit dat het algemene maatregelen van bestuur zullen zijn met een stevige voorhangprocedure, want ik kan me voorstellen dat we daarover nog wel even met elkaar van gedachten willen wisselen.

Mijn laatste onderwerp betreft de referentieniveaus. Wij hebben de referentieniveaus F en S: het fundamentele niveau en het streefniveau. In het interruptiedebatje met mevrouw Besselink kwam al naar voren dat wij weten dat er, met name in het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs, bepaalde groepen zullen zijn die zelfs het F-niveau niet halen. Hoe gaan we daar precies mee om? Wij worstelen daarmee omdat behoorlijk grote groepen dat waarschijnlijk niet halen. Natuurlijk is de ambitie dat iedereen het in principe wel moet halen en dat wij daarom uiteraard alles moeten inzetten om dit wel te behalen. Ik ben het daarmee helemaal eens. Natuurlijk moeten wij dat doen. Laten wij echter realistisch zijn. Over het algemeen zijn dit niet de leerlingen die zelfs met heel veel extra tijd voor rekenen en taal uiteindelijk dat niveau alsnog bereiken. Op de een of andere manier zijn ze niet ook ontvankelijk voor het doen van dergelijke dingen. Is het dan wel realistisch om eraan vast te houden dat ook zij per se het niveau 2F moeten halen?

Als dat niet zo is, is het dan niet verstandig om toch nog eens na te denken over wat zij dan echt minimaal moeten halen op dat niveau? Is het dan niet verstandig om na te denken over een praktijkniveau, een "P-niveau" zoals wij dat noemen, dat de leerlingen aan het eind van leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs moeten halen?

Aan de andere kant moet de lat omhoog en moeten wij de kennis vasthouden. Ik citeer nu de woorden van de staatssecretaris zelf. Is het niet interessant om een soort "E-niveau" voor excellente leerlingen te ontwikkelen? Er is namelijk een groep die – ik zal niet zeggen met twee vingers in de neus – bijna op zijn sloffen dat F-niveau haalt. Is het niet interessant om daar een extra uitdaging neer te leggen, zodat ook deze leerlingen op een iets hoger niveau dan nu kunnen komen? Graag horen wij van de staatssecretaris hoe zij daartegen aankijkt. Wij worstelen ermee hoe wij op verantwoorde wijze kunnen omgaan met de leerlingen die aan de onderkant zitten. Hoe kunnen wij aan het eind van de rit een realistisch beeld hebben, zonder dat wij de ambitie overboord gooien?

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 15.59 uur tot 17.00 uur geschorst.