Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 65, pagina 5176-5178

Aan de orde is de behandeling van:

het verslag van een algemeen overleg met de minister van Justitie over slachtofferbeleid (31101, nr. 4).

De voorzitter:

Dit VAO is aangevraagd door de heer De Roon. Hij wordt vanavond vervangen door de heer Fritsma.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik wil twee moties indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het voor slachtoffers van misdrijven zeer belastend en soms onmogelijk is om hun schade daadwerkelijk te verhalen op de daders;

verzoekt de regering om te komen met voorstellen waardoor strafrechtelijke conservatoire beslaglegging ook tot doel kan hebben: schadeverhaal ten behoeve van slachtoffers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Fritsma en De Roon. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 5(31101).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat conservatoire strafrechtelijke beslaglegging ook een nuttig instrument kan zijn bij de bestrijding van misdrijven als diefstal, openlijke geweldpleging, mishandeling en vernieling;

verzoekt de regering om te komen met voorstellen waardoor strafrechtelijke conservatoire beslaglegging ook mogelijk wordt bij verdenking van misdrijven waarop een geldboete van de vierde categorie is gesteld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Fritsma en De Roon. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 6(31101).

De heer Teeven (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie heeft er, mede naar aanleiding van de toelichting van de staatssecretaris in het vragenuur van dinsdag 10 maart, nog niet veel vertrouwen in dat het systeem in risicozaken er zorg voor draagt dat burgemeesters en politiechefs worden geïnformeerd over de vrijlating van veroordeelden en problemen met verdachten. Wij verwachten ook niet dat dit voor de zomer gaat gebeuren. Er is lang gepraat over een plan van aanpak. Dat is mooi, maar nu komt het aan op de uitvoering. Daarom dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat burgemeesters en politiechefs in woonwijken nog niet in heel Nederland worden geïnformeerd over de vrijlating van veroordeelden van zeer ernstige gewelds- en zedendelicten die een bedreiging kunnen zijn voor hun voormalige slachtoffers;

constaterende dat er nu inmiddels anderhalf jaar wordt gesproken over een plan van aanpak, waar nog lang geen volledig begin van uitvoering mee is gemaakt;

overwegende dat de bescherming van slachtoffers van zeer ernstige gewelds- en zedencriminaliteit een taak is van een krachtdadige overheid;

spreekt uit dat de regering zo spoedig mogelijk er zorg voor draagt dat daadwerkelijk wordt overgegaan tot het informeren van plaatselijke burgemeesters en politiechefs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Teeven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 7(31101).

De heer Heerts (PvdA):

Dit pleidooi van u is niet nieuw, mijnheer Teeven. Wij kennen het wel. U noemt nu ook politiechefs expliciet. Ik dacht dat het u vooral steeds ging om de burgemeesters.

De heer Teeven (VVD):

Anderhalf jaar geleden is een motie aangenomen over dit onderwerp. Wij hebben daarover diverse keren van gedachten gewisseld met de regering. De motie ging over de burgemeesters, maar juist ook over de politiechefs in de wijken waar die veroordeelden terugkomen en dan hun slachtoffers ontmoeten. Wij hebben daarover een discussie gehad met de burgemeester van Utrecht naar aanleiding van de terugkeer van een veroordeelde persoon die zijn jongere slachtoffer weer ontmoette. Anderhalve week geleden hebben wij hier in het vragenuur over gesproken met de staatssecretaris van Justitie, in afwezigheid van de minister. Toen werd mij duidelijk dat er nog steeds met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt gesproken over het plan van aanpak, maar dat er nog lang geen volledig begin van uitvoering is. In deze motie wordt aan het kabinet niet meer gevraagd dan dat hiertoe zo snel mogelijk wordt overgegaan omdat de Kamer zich hierover zorgen maakt. Dit is eigenlijk een herhaling van zetten. Daarin heeft de heer Heerts op zich wel een beetje gelijk. Het is nog steeds niet geregeld.

De heer Heerts (PvdA):

Dat begrijp ik. De heer Teeven wil met deze motie het kabinet een extra stimulans geven opdat dit voor de zomer echt gebeurt. Maar slaat het voorstel op zowel de burgemeester als de politiechef? Of bepaalt de burgemeester of deze de politiechef informeert?

De heer Teeven (VVD):

Het is en-en.

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. Ik dank de Kamerleden die het woord hebben gevoerd voor de invalshoek die zij hebben gekozen. Deze invalshoek ondersteunt onze aanpak van het slachtofferbeleid. Daarbij hoort inderdaad financiële genoegdoening voor slachtoffers. Daar hoort ook bij dat er informatie wordt gegeven wanneer dit nodig is. Vanuit deze optiek wil ik de moties bezien.

Dat brengt mij tot de suggestie om alle moties te betrekken bij de manier waarop wij uitvoering geven aan de reeds door het kabinet in gang gezette beleidsmaatregelen. Het versterken en vergemakkelijken van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is onderdeel van het kabinetsbeleid. Daar hoort de strafrechtelijke conservatoire beslaglegging ook bij. De afbakening van de misdrijven waarvoor dit kan worden toegepast, vormt uiteraard een belangrijk aandachtspunt bij de verdere ontwikkeling van de wetgeving. Ik wil dan ook de heer Fritsma in overweging geven om de moties op stuk nrs. 3 en 4 aan te houden tot het moment dat het wetsvoorstel voorligt. Dat zal binnenkort het geval zijn en dan kan hij beoordelen of het al dan niet aan zijn doelstellingen beantwoordt. Als dat niet het geval is, is dat voor de heer Fritsma wellicht reden om een amendement erop in te dienen. In de tussentijd zullen wij bij de voorbereiding van het wetsvoorstel uiteraard goed kijken naar de gedachten die in zijn moties tot uitdrukking zijn gebracht.

Voorzitter. Wellicht is het praktisch dat ik even van de heer Fritsma kan vernemen of hij zich in deze gedachtegang kan vinden. Dan kan ik vervolgens daarvan laten afhangen of ik op dit moment een oordeel moet geven over zijn moties of dat wij dat kunnen bekijken wanneer het wetsvoorstel voorligt.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Het mogelijk betrekken van deze punten bij het wetsvoorstel is voor mijn fractie toch niet genoeg. Mijn fractie wil de moties toch in stemming brengen. Ik handhaaf ze dus hier.

De voorzitter:

Akkoord. Dan is het aan de minister.

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. In dat geval moet ik deze moties ontraden, want dan zou dat neerkomen op een toch wat premature uitspraak over wat hier aan de orde is. Ik vind het jammer dat de heer Fritsma het zo benadert. Ik probeer een constructieve reactie te geven op zijn moties, maar als hij op dit moment dit wil, zonder dat wij dat hebben kunnen betrekken bij de afweging voor het wetsvoorstel, dan komt dat echt te vroeg en moet ik zijn moties ontraden.

De heer Teeven gaf eigenlijk zelf al aan dat zijn motie op stuk nr. 5 overbodig is. Nu deze er zo ligt, wil ik graag die overbodigheid vanuit vak K bevestigen. Zoals ik de Kamer al heb laten weten – staatssecretaris Albayrak heeft dat onlangs ook gezegd – bevinden wij ons nu in de afrondende fase van de besprekingen met de VNG. Daar zal een goed systeem voor informatieverstrekking uit voortkomen. Ik ga er daarbij wel vanuit dat de informatie behoort te belanden bij het bevoegd gezag en dat de politie wordt benaderd hetzij via het OM zelf bij het strafrechtelijk optreden, hetzij via de burgemeester bij de handhaving van de openbare orde. Er bestaan ook situaties waarbij het gemeentebestuur als zodanig moet worden benaderd.

Het ziet er dus wellicht net een slagje anders uit dan in de formulering van de motie-Teeven, maar, zoals de heer Teeven terecht aangaf, wij zijn ermee bezig. Ik vind dit een buitengewoon belangrijk punt; daarover verschillen wij met elkaar absoluut niet van mening. Het is een langslepende discussie, waarbij ook niet altijd voldoende helder was wie welke informatie op welk moment wilde hebben en welke afweging moest worden gemaakt. Er moest worden bekeken hoe gedetailleerd de informatie was. Je gaat niet over elke veroordeelde die op vrije voeten is als het ware alle gegevens aan iedereen kenbaar maken. In bepaalde situaties moet dat echter wel; daarover zijn wij het met elkaar eens. Ik vind het echt een doorbraak dat wij op het punt zijn beland dat deze langslepende discussie tot een einde wordt gebracht. Als de heer Teeven nu een Kameruitspraak van mij vraagt, dan zou ik zeggen dat zijn motie overbodig is, maar misschien wil hij nog even op zich laten inwerken of hij na alle toezeggingen van de bewindslieden van Justitie zijn motie nu echt nodig vindt of niet.

De heer Teeven (VVD):

Kunt u toezeggen dat het voor 1 juli nu daadwerkelijk zijn beslag zal krijgen?

Minister Hirsch Ballin:

Ik zeg u graag toe dat de Kamer voor de zomer bericht krijgt, inclusief het invoeringsplan van de informatievoorziening. Dat vergt een aantal voorzieningen in de gegevensverwerking. Ik zeg dus niet toe dat voor 1 juli alles werkt, maar ik zeg graag toe dat de Kamer voor 1 juli een precies bericht daarover ontvangt.

De heer Teeven (VVD):

Voorzitter. In dat geval houd ik mijn motie aan.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Teeven stel ik voor, zijn motie (31101, nr. 7) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

De beraadslaging wordt gesloten.

De vergadering wordt van 18.15 uur tot 18.30 uur geschorst.