Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 21, item 3

3 Publieke mediadienst

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst ( 34264 ).

(Zie vergadering van 2 februari 2016.) 

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom in de Kamer. Ik breng de Kamer in herinnering dat het debat op 2 februari jongstleden na de eerste termijnen van de Kamer en de regering is geschorst. We zijn nu toegekomen aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. 

De beraadslaging wordt hervat. 

De heer Atsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter, collega's, staatssecretaris. Het is inderdaad een maand geleden dat wij spraken over de wijziging van de Mediawet zoals de staatssecretaris die aan beide Kamers heeft voorgelegd. Een maand geleden was deze Kamer buitengewoon kritisch over de voorstellen die er lagen. De NPO zou te sturend zijn. Er was discussie over het budget voor de omroepen. Het voorafgaand toezicht was ook een punt van discussie. De benoemingen hebben veel stof doen opwaaien en daaraan gekoppeld heeft de governance in meer algemene zin het nodige losgemaakt. Ten slotte is er ook uitvoerig gesproken over de positie van de regionale omroepen. 

De staatssecretaris heeft in zijn beantwoording in eerste termijn nogal wat naar voren gebracht. Ik durf in alle eerlijkheid te concluderen dat het er daardoor niet helderder op is geworden. De Kamer heeft dan ook terecht, via u, mevrouw de voorzitter, gevraagd om het debat te schorsen tot vier weken later, dus tot vandaag. In de afgelopen weken hadden wij, gelet op de forse kritiek van de Kamer, van de staatssecretaris verwacht dat hij zou aankondigen dat hij de wet zou wijzigen, dan wel dat er een novelle zou komen. Dat is echter niet gebeurd en dat vinden wij spijtig. Dat had veel discussie kunnen wegnemen. 

In eerste termijn heb ik de vraag gesteld welk probleem wij nu eigenlijk oplossen. Is dat het probleem van het benutten van de nieuwe media? Is dat het probleem van het bereiken van jongeren? Ik heb daar in eerste termijn geen helder antwoord op gekregen van de staatssecretaris. Ik blijf de vraag herhalen of dit wel lukt met de voorgestelde wijzigingen van de Mediawet. Ook werd gesuggereerd dat Hilversum minder met zichzelf in discussie zou moeten gaan. Hoeveel procedures van de omroepen richting NPO zijn er de afgelopen twee jaar eigenlijk geweest? Misschien kan de staatssecretaris daarop ingaan. Dat zou op z'n minst een indicatie kunnen zijn van hoezeer Hilversum met zichzelf in discussie is. Misschien kan de staatssecretaris ook nog even aangeven hoeveel omroepen wij per 1 januari van dit jaar nog hebben. Wij hebben er 22 gehad en zitten wij daar nu niet ver, heel ver onder? Kortom, de beelden die worden opgeroepen dat Hilversum een verdeeld huis is en dat het een Poolse landdag is, willen er bij mij niet in. Wij hebben trouwens de vorige keer uitgebreid over Polen gesproken. 

Het bestel moet opener. In eerste termijn heb ik gevraagd wie bepaalt wat bijvoorbeeld de achtergrond is van degenen die externe programma's aanleveren. Moet daar ook naar gekeken worden? Moet daar een soort ventiel op zitten? Moet daar een soort controleklep op zitten? Het kan toch niet dat elke willekeurig belangenorganisatie maar programma's kan aanleveren? Op het moment dat die door de NPO worden geaccordeerd zouden dergelijke programma's ook worden uitgezonden. Onder de procedure voor de totstandkoming van omroepen van de afgelopen tientallen jaren zit bepaald een zorgvuldiger afweging. Maar goed, daar komt de staatssecretaris wellicht nog op terug. 

Met betrekking tot de benoemingen heeft de staatssecretaris de afgelopen weken een aantal vragen uit de Tweede Kamer beantwoord. Ik moet zeggen dat de beweging die hier in eerste termijn al door de staatssecretaris werd gemaakt, in de schriftelijke ronde naar aanleiding van de vragen uit de Tweede Kamer nog eens is bevestigd. Het is positief dat er voor de benoemingen — wellicht in het algemeen — een aangepaste procedure komt. De vraag is natuurlijk wel wanneer en op welke wijze een en ander in gang wordt gezet. 

Er is veel meer gebeurd. De staatssecretaris was de afgelopen weken bijna een soort van straatssecretaris. Hij is zo'n beetje door het hele land getrokken om te kijken of er wel of niet voldoende steun voor zijn wetsvoorstel kon worden gevonden. Hij buurtte hier in de omgeving van het Binnenhof. Hij buurtte in Utrecht en hij heeft in tal van digitale straten gebuurt. Op zichzelf is daar niks mis mee, maar het zegt wel iets. Het lijkt bijna een soap. Ik zou bijna de conclusie kunnen trekken dat het hier en daar iets van amusement in zich had. Laat nu uitgerekend deze staatssecretaris tegen amusement op de buis zijn, dus dat is wellicht niet de beste kwalificatie. Misschien moet ik zeggen dat het meer weg heeft van een drama. 

Wat is er nog meer gebeurd? Gisterenmorgen hebben wij een brief gekregen van de NPO en enkele omroepen. Het is positief — ik ben daar helder over — dat daarin wordt aangegeven dat de NPO zich vooraf niet meer gaat bemoeien met bijvoorbeeld de vraag wie wel of niet de presentator van een programma mag zijn of wie nu wel of niet als gasten mogen acteren. Overigens is het wel bijzonder dat dit nu op papier staat, want tot nu toe werd steeds ontkend dat dit aan de orde zou zijn. Als het echt niet aan de orde was geweest, dan had men dit niet op papier hoeven te zetten. Het staat nu op papier dus was er kennelijk wel iets aan de hand. Achteraf kan er echter nog wel een beoordeling plaatsvinden. De vraag blijft hoe zich dat verhoudt tot hetgeen in eerste termijn door veel fracties naar voren is gebracht. Sturing blijft in algemene zin recht overeind. 

De brief van gisteren gaat ook uitvoerig in op de werkwijze met betrekking tot de toelating van externe producties. Conform de verduidelijking in de motie-Segers/Heerma in de Tweede Kamer wordt daarover een en ander uitgelegd. Daarover hebben wij verder geen directe opmerkingen. Het is wel interessant om vast te stellen dat in een voortraject van de brief die gisteren is verstuurd er sprake zou zijn van een convenant tussen de NPO en alle omroepen. Daarin stond onder andere dat er een maximering zou moeten komen van 20% van de omroepbudgetten voor externe producties. Wat vindt de staatssecretaris van zo'n maximering? Kennelijk is dit niet voor niets niet in de brief terechtgekomen en kennelijk is daar in het overleg van de staatssecretaris met Hilversum het nodige over gezegd. Ik ben daar wel benieuwd naar. 

Andere vragen hebben bijvoorbeeld betrekking op de beroepsmogelijkheid van de omroepen richting de NPO als achteraf stappen worden gezet. Hoe kunnen omroepen zich verweren als zij het er inhoudelijk niet mee eens zijn? Voor ons is van wezenlijk belang hoe de wettelijke verankering van de ruimte die de omroepen zouden moeten hebben, gerealiseerd wordt. In eerste termijn heeft de staatssecretaris gezegd dat er ruimte moet worden geboden. Wil de staatssecretaris dit echt? Wij vinden dat de omroepen zoals wij die nu kennen een groot goed zijn. Die hebben alle ruimte en mogelijkheden nodig om datgene uit te dagen wat op grond van missie, doelstelling en/of identiteit uitgedragen moet worden. Die ruimte en mogelijkheden moeten geborgd worden. De omroepen moeten niet via een U-bocht aan banden worden gelegd via de NPO. Op dit punt dien ik een motie in. Ik heb haar inmiddels bij u neergelegd, voorzitter. 

De voorzitter: 

Door de leden Atsma, De Vries-Leggedoor en Martens wordt de volgende motie voorgesteld: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de wijziging van de Mediawet (34264) ingrijpende gevolgen kan hebben voor het Nederlandse publieke bestel; 

overwegende dat de staatssecretaris met betrekking tot de governance binnen de NPO inmiddels heeft aangekondigd met aanpassingen te komen; 

overwegende dat de voorgestelde sturing vanuit de NPO haaks staat of kan staan op de ruimte en de mogelijkheden die autonome omroepen binnen het Nederlandse publieke bestel dienen te hebben; 

verzoekt de staatssecretaris, met wettelijke waarborgen te komen waardoor omroepen met inachtneming van hun missie, doelstellingen en/of identiteit alle ruimte krijgen om programma's te produceren en uit te zenden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Zij krijgt letter J (34264). 

De motie is nog niet voldoende ondertekend, maar ik begrijp van de heer Atsma dat dit in orde komt. 

De heer Atsma (CDA):

Ik neem aan dat als de Kamer er geen bezwaar tegen heeft dat deze motie wordt ingediend, dit ook akkoord is. 

De voorzitter:

Maar de motie moet nog wel voldoende ondertekend worden. 

De heer Atsma (CDA):

Er zitten hier ongetwijfeld nog Kamerleden die dit willen doen. De motie is door drie Kamerleden ondertekend. Ik heb niet de gelegenheid gehad, gezien het vroege tijdstip van deze vergadering, om meer ondersteuning te zoeken. 

De voorzitter:

Ik zie aan de vingers die worden opgestoken, dat dit het geval is. 

De heer Atsma (CDA):

Dan is dat geregeld bij dezen. 

We hopen dat de staatssecretaris op dit punt de CDA-fractie tegemoet kan komen omdat met name de elementen die ik naar voren bracht, zijnde de ruimte voor missie, doelstelling en/of identiteit, voor ons echt cruciaal zijn als het gaat om de toekomst van het mediabestel. 

Vorige maand hebben we ook uitgebreid gesproken over de regionale omroepen. We hebben de afgelopen weken gezien dat het speelveld daar — misschien moet ik wel zeggen helaas — meer en meer verdeeld is geraakt. Zo hebben we het afgelopen weekend brieven gekregen van de voorzitters van de regionale omroepen van Drenthe en Zeeland, dat zij zich op dit moment niet meer kunnen vinden in de ambities van het ROOS-plan. De CDA-fractie is benieuwd hoe de staatssecretaris dit duidt en wat het betekent als enkele omroepen zich onttrekken aan het collectieve plan. Wat heeft dat voor consequenties, zowel voor de omroepen als voor het totaal? 

Ik heb vorige keer gevraagd of er een mogelijkheid is om een concessie per provincie te verlenen. De staatssecretaris reageerde daarop in de zin dat dit tot bureaucratie kan leiden. Dat laatste zal zeker niet aan de orde zijn als je per provincie concessies verleent. Het geeft wel de ruimte die sommige provincies graag willen hebben om meer over hun eigen omroep te kunnen blijven gaan dan in het voorliggende wetsvoorstel naar voren komt. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris inmiddels op dit punt van gedachten is veranderd. Alle provincies, heeft de staatssecretaris nog eens bevestigd, hebben recht op één regionale omroep. Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de situatie in Zuid-Holland, voor de discussie rondom West en Rijnmond? Wat betekent het voor het verzoek van AT5 en Noord-Holland om samen te gaan? Ik heb begrepen dat de staatssecretaris daar afwijzend op heeft gereageerd. En ten slotte noem ik de positie van de regionale omroep in Fryslân. Collega Ten Hoeve zal ongetwijfeld straks een motie indienen waarmee hij verder ingaat op de positie van Omrop Fryslân. Ik ben wel benieuwd welke concrete toezegging de staatssecretaris de afgelopen vier weken — dat zijn vier keer zeven dagen en elke dag telt 24 uur — op dit punt heeft gedaan aan het provinciaal bestuur van Fryslân, dat ook een- en andermaal heeft verzocht om meer ruimte gelet op de eigen identiteit en vooral op de positie van de tweede rijkstaal, die geborgd zal moeten worden voor de lange termijn. 

Kortom, er zijn nog steeds veel vragen. Het element van de sturing is voor ons cruciaal in het debat. Er zijn kleine stappen vooruit gezet door de staatssecretaris. Wij zouden graag, afhankelijk van de beantwoording, onze definitieve conclusie aan de vooravond van de finale stemming over dit wetsvoorstel willen trekken. 

De heer Kops (PVV):

Voorzitter. Eindelijk, de tweede termijn van de behandeling van de Mediawet. Het heeft even geduurd, een maand om precies te zijn, maar dan is het ook zover. Op 2 februari vond de eerste termijn plaats. Niet alleen de PVV, ook de andere partijen waren toen bijzonder kritisch. Wat dat betreft: prima. Heel goed, ga zo door! Het beeld vormde zich dat dit wetsvoorstel in dit huis mogelijk geen meerderheid zou halen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de PVV toen dacht: waarom dan langer wachten met de tweede termijn? Maar nee, zo werkt het natuurlijk niet, want in werkelijkheid is het als volgt. Dit wetsvoorstel moet hoe dan ook door de Eerste Kamer gejast worden. Zeg nu zelf: nog een wetsvoorstel dat sneuvelt in deze Kamer, dat gaat dit kabinet, waarin het vertrouwen van de burgers daalt en daalt, natuurlijk geen goed doen. En hoe zit het met de overige partijen? Nou ja, wanneer er daarbij iets te halen valt, al is het maar iets kleins, maakt niet uit wat, desnoods iets voor de bühne, dan doen zij daar natuurlijk graag aan mee. 

In eerste termijn heeft de staatssecretaris een aantal toezeggingen gedaan. Daarover hebben we een brief ontvangen. Daarover eerst twee vragen. Ten eerste: hebben wij momenteel inhoudelijk iets aan de gedane toezeggingen? Niet heel veel. Daar kom ik dadelijk op terug. Ten tweede: gaan de gedane toezeggingen dan politiek gezien iets uithalen? Dat is natuurlijk interessant en dat zal blijken bij de stemming over dit wetsvoorstel, namelijk of de andere, ogenschijnlijk kritische partijen voet bij stuk zullen houden en dus tegen deze wet zullen stemmen of dat zij zich door de staatssecretaris hebben laten overhalen, hebben blij laten maken met een dooie mus en toch gewoon voor zullen stemmen. We zullen het zien. 

Wat die gedane toezeggingen betreft, komt het onder andere op het volgende neer. In zijn brief heeft de staatssecretaris aan de Kamer geschreven dat de rol van de minister bij benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van bestuur van de NPO in het eerstvolgende wetsvoorstel uit de Mediawet wordt verwijderd en dat het instemmingsrecht van de minister bij de raden van bestuur van NPO en RPO wordt geschrapt in het wetsvoorstel over de regionale omroep. Dat komt op het volgende neer. De minister zal zich niet meer bemoeien met de raden van bestuur van NPO en RPO en dat zal dan in het eerstvolgende wetsvoorstel worden vastgelegd. Het eerstvolgende wetsvoorstel! Er zijn hier dus toezeggingen gedaan die in een toekomstig wetsvoorstel nog moeten worden vastgelegd. Dan is de vraag: wat hebben wij daar nu aan? Vrij weinig. We behandelen hier immers nog steeds hetzelfde onveranderde wetsvoorstel, waarover we ook in eerste termijn hebben gesproken. Is het dan niet gek om bij die behandeling een toekomstig wetsvoorstel te betrekken; een wetsvoorstel dat dus nog gemaakt moet worden? Het antwoord is natuurlijk: ja, dat is heel gek. 

Verder heeft de staatssecretaris toegezegd dat hij totdat dit toekomstige wetsvoorstel in werking zal treden, in de geest van deze wijziging zal handelen en zal instemmen met alle besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag die de raden van toezicht van NPO en RPO aan hem zullen voorleggen. Ja, dat klinkt natuurlijk allemaal leuk en aardig, dat klinkt veelbelovend, maar wel nadat de staatssecretaris een VVD-partijgenoot heeft benoemd tot voorzitter van de raad van toezicht. Dus de vraag is: hoeveel beter zal het in de praktijk allemaal worden? Immers, besluiten tot benoemingen, ontslagen en schorsingen blijven in de achterkamertjes binnen VVD-huize. Die benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht heeft op z'n minst de schijn van vriendjespolitiek gewekt en op z'n minst de mogelijkheid van onverenigbaarheid met de Mediawet. Maar desondanks is de staatssecretaris er niet toe bereid om de benoeming ongedaan te maken. Kan de staatssecretaris nog even uitleggen waarom niet? Waarom is hij daar niet toe bereid? Waarom zo koppig, zou ik haast zeggen. Waarom niet alle schijn van tafel, benoemingen ongedaan maken en met een schone lei beginnen? De staatssecretaris zal het toch met mij eens moeten zijn dat hij dan in ieder geval van alle commotie en gezeur af is. Ik hoor graag een reactie. 

Hoe serieus kunnen wij de gedane toezeggingen nemen? Hoe kan de staatssecretaris garanderen dat die toezeggingen niet slechts een doekje voor het bloeden zijn? Immers, in het verleden zijn in dit huis door ministers en staatssecretarissen toezeggingen gedaan die ondertussen al jarenlang openstaan. Dit gezegd hebbend, ga ik nog even terug naar de vraag waarom de tweede termijn van dit debat met een maand moest worden uitgesteld. Ja, werd er gezegd, dan kon de staatssecretaris zijn toezeggingen uitwerken, op papier zetten. Wat een flauwekul! Is hiervoor een maand nodig geweest, voor deze brief? Had het niet ook in een weekje gekund? Was er werkelijk een maand voor nodig? Of lag het probleem misschien niet zozeer bij de staatssecretaris, maar bij de overige partijen? Dachten die misschien van de situatie te kunnen profiteren en er iets uit te kunnen halen? Dachten zij wellicht: "de Mediawet is als een pijpkaneel, iedereen zuigt eraan en krijgt zijn deel"? 

Als de andere partijen dat hebben gedacht, hoe teleurstellend moet het dan nu voor hen zijn dat dit slechts op papier een aantal toezeggingen heeft opgeleverd waar wij feitelijk helemaal niets aan hebben. Tegen die partijen, tegen de ogenschijnlijk kritische partijen die dankzij de gedane toezeggingen toch overstag zullen gaan en toch voor zullen stemmen, zeg ik dan ook: de gekregen lolly is inderdaad niet meer dan een dooie mus. 

Het is al even geleden, een maand, maar hoe heeft de staatssecretaris gereageerd op de eerste termijn van de kant van de Kamer? Een paar citaatjes. De staatssecretaris vindt de publieke omroep van groot belang. De publieke omroep vertelt het verhaal van Nederland. De publieke omroep geeft ons een blik op de bredere wereld. De publieke omroep is er voor iedereen, is onafhankelijk en hoogstaand. Het is een uniek, hybride systeem, verrassend, inspirerend. Het brengt diepgang. De veelkleurigheid van Nederland. Pluriformiteit. Wat een grote woorden: onafhankelijk, pluriformiteit. Ik ben benieuwd hoeveel burgers het hiermee eens zullen zijn. Ik denk niet heel veel, maar goed, de publieke omroep is, zoals de PVV in eerste termijn al heeft gezegd, een links, elitair multicultifeestje en de verhullende woorden van de staatssecretaris gaan daar helemaal niets aan veranderen. 

Dat is conclusie één. Dan conclusie twee. Dat het niet goed gaat met dit kabinet, is ook hier in de Eerste Kamer te merken. Afgelopen zaterdag stond er in De Telegraaf een artikel met de titel "Crisis in Hilversum". Dat klinkt dramatisch. De ondertitel luidde: staatssecretaris probeert zijn wet te redden. Dat klinkt dan weer wanhopig. Wat was het geval? In Utrecht heeft de staatssecretaris gesproken, beter gezegd onderhandeld, met drie senatoren van oppositiepartijen. Zo zien wij maar weer, dat is de beruchte achterkamertjespolitiek: ik geef jou dit en jij geeft mij dat. Zo gaat dat. Wij zien dat het in werkelijkheid allang niet meer draait om het wetsvoorstel zelf. Het draait allang niet meer om de letter van de Mediawet, het draait om het al dan niet vermijden van een nederlaag voor de staatssecretaris en daarmee voor dit kabinet. Daarmee is dit kabinet chantabel geworden. Debatten moeten nu zelfs al gebroken worden gevoerd. Het is dan ook wachten op het breken van de coalitie. Wat dat betreft zegt de PVV-fractie: ach, houd de eer aan uzelf en stap op! 

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. De slotbehandeling in deze Kamer van de wijziging van de Mediawet wordt gekenmerkt door vele tegenstrijdigheden. Hoewel amusement niet hoog in het vaandel van de staatssecretaris staat geschreven, viert het theater van de lach hoogtij als het gaat om benoemingen, de alom gevraagde rust in medialand, de interpretatie van het voorafgaande toezicht op de programmering en het verzoek een krakkemikkige wet toch maar aan te nemen omdat er op diverse momenten in de toekomst talrijke wijzigingen en verbeteringen bij het parlement zullen worden ingediend. Zotter kan het eigenlijk niet: een alom bekritiseerde wet maar aannemen want de verbeteringen komen er aan. 

De staatssecretaris spoedde zich op zijn Rocinante naar Utrecht en Hilversum, waarbij het rassoort onduidelijk is gelet op de vele malen dat aan dezelfde steen gestoten werd. Over zijn pogingen toch een meerderheid in de senaat te formeren, hebben wij een eerste belangrijke vraag. De Eerste Kamer heeft geen recht van amendement. Is het juist dat de staatsecretaris bij bepaalde partijen is langsgegaan om te vragen wat hij moest toezeggen om zijn wet aangenomen te krijgen? Is het juist dat er zelfs complete teksten van moties bij hem zijn ingediend waarop hij gereageerd heeft? Wat is de staatsrechtelijke visie van de staatssecretaris in dezen? 

Over de benoemingen merk ik het volgende op. De staatssecretaris suggereert steeds dat die volstrekt onafhankelijk zijn gedaan conform een aan hem gedane voordracht. Maar het is zonneklaar dat bij de benoeming van een voorzitter van de NTR de staatssecretaris zich in een vroeg stadium met de kandidatenlijst heeft bemoeid en duidelijk heeft gemaakt welke kandidaten voor hem niet aanvaardbaar zouden zijn. Zoals de staatsecretaris het hier in deze Kamer verwoordde: ik heb ze gezegd dat ze hun huiswerk over moesten doen. En zie, het wonderbaarlijke gebeurde: tot verrassing van de staatsecretaris kwam er een voordracht van een VVD-wethouder uit Amsterdam en hij aarzelde geen moment of hij van deze voordracht zou afwijken. 

Ook bij de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de NPO conformeerde de staatssecretaris zich aan de gedane voordracht. Wat moet hij opgekeken hebben toen bleek dat er wederom een VVD-partijgenoot en oud-wethouder voorgedragen werd, en nog meer dat het een oude bekende was, namelijk de wethouder in Den Haag toen hij daar zelf VVD-fractievoorzitter was! Thuis gekomen moet hij gezegd hebben: wat me vandaag nou is overkomen met de benoemingsadviescommissie; straks denken ze nog dat ik er bemoeienis mee heb gehad. Ja, zulke verrassingen kunnen er zijn. Het is niet waar dat men lid van de "Vrienden Van Dekker", afgekort VVD, moet zijn om in Hilversum benoemd te worden. Nee, een onafhankelijke commissie kwam geheel op eigen initiatief met dit voorstel. 

De staatssecretaris zegt toe ook in de toekomst benoemingen te zullen doen volgens de voordracht van de onafhankelijke benoemingsadviescommissie. Maar als een dergelijke, uit drie leden bestaande commissie bestaat uit twee relatief onbekende Nederlanders en de derde een zwaargewicht VVD'er is, namelijk een oud-vicevoorzitter van de Tweede Kamerfractie, oud-VVD campagneleider en momenteel commissaris van de Koning in Gelderland, dan zien sommigen dat toch niet als een redelijk evenwichtig samengestelde commissie. De vraag is hoe we die garantie in de toekomst wel kunnen krijgen. 

De 50PLUS-fractie gaat op de benoeming bij de NPO nader in om twee belangrijke redenen. Zoals de toen fungerende raad van toezicht schreef, was deze benoeming onverstandig en in strijd met het profiel. Dat profiel werd als volgt omschreven: belangstelling en gevoel voor de dynamiek in de landelijke politiek zonder zelf politiek actief te zijn. De door de staatssecretaris benoemde voorzitter was wel degelijk politiek actief op het moment dat hij benoemd werd. Dat hij daarna zijn politieke activiteiten staakte, doet daar niets aan af. Het gaat hier om een voor de publieke omroepen zeer schadelijke benoeming. De benoemde heer Bruins was ten tijde van zijn benoeming lid van de commissie die het VVD-programma voor de Tweede Kamerverkiezingen maakte. En we weten wat dat betekent als we kijken naar het huidige VVD-verkiezingsprogramma, waaraan de staatssecretaris ook het zijne heeft bijgedragen. In dat programma staat: de omroepen moeten een kleinere rol krijgen en er zijn maximaal twee publieke televisienetten nodig. En juist mensen die een kleinere rol voor de omroepen onderschrijven, worden benoemd in de raden van toezicht die omstreden invloed vooraf op de omroepen kunnen gaan uitoefenen als deze wetswijziging tenminste wordt aangenomen. Daarbij komt nog dat de benoeming volgens velen in strijd is met de Mediawet; ik zal de argumenten hiervoor niet herhalen. Bijna alle partijen hebben in eerste termijn hierop gewezen, maar de staatssecretaris blijft Oost-Indisch doof. 

Intussen is de ravage in medialand door toedoen van de staatssecretaris groot en is er geen sprake van de rust waarom met name door de NPO zo gevraagd was. Uit de brief met toezeggingen van de staatsecretaris van 12 februari blijkt het volgende. 

  • -De rol van de minister bij benoeming, schorsing en ontslag van leden van de raad van bestuur wordt in een komend wetsvoorstel verwijderd. 

  • -Er wordt naar gestreefd voor de zomer bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel in te dienen om het instemmingsrecht van de minister te schrappen bij de raden van bestuur van de NPO en de RPO. 

  • -Er komt een serieuze verkenning naar de procedures voor benoemingen in de gehele publieke mediasector en dat kan leiden tot wetswijzigingen. 

  • -Er komt ook een verkenning naar de onafhankelijkheid en samenstelling van de benoemingsadviescommissie. De aanpassingen die volgen uit de verkenning zullen zo snel mogelijk in een wetsvoorstel worden opgenomen. 

  • -Er komt een wetsvoorstel over de regionale omroep. 

  • -Door onder andere de PvdA is in eerste termijn gezegd dat voor het verplicht verstrekken van contractinformatie door NPO en omroeporganisaties een afzonderlijke wettelijke regeling nodig is. De staatssecretaris blijft halsstarrig en komt niet verder dan te zeggen dat hij het nog eens zal bekijken. 

  • -Het omstreden punt van het toezicht vooraf is niet weggenomen. De NPO mag bindende inhoudelijke kaders stellen, zie ook de memorie van toelichting. De staatssecretaris is ongevoelig voor artikel 7, tweede lid, van de Grondwet en artikel 10 EVRM, dit ondanks de adviezen van de Raad van State en het advocatenkantoor Stibbe. Voor 50PLUS is dit onaanvaardbaar. 

  • -De grote onduidelijkheid over de genrecoördinatoren is volledig blijven bestaan. 

  • -De vraag waarom gewoon amusement niet mag en André van Duin en Heel Holland Bakt naar de commerciële omroep moeten worden gejaagd is niet beantwoord 

  • -Talrijke en met klem gevraagde toezeggingen worden niet gedaan, zoals over de zelfstandigheid van Omrop Fryslân en het niet verbieden van geheimhoudingsclausules. De volgende spreekster heeft een aantal harde garanties gevraagd, maar grotendeels niet gekregen. We zijn benieuwd naar haar reactie. 

Conclusie: wat zijn de toezeggingen waard als het kabinet voortijdig valt? De staatssecretaris heeft een ondeugdelijk wetsvoorstel ingediend; daar kan geen twijfel over zijn. Nu al staat vast dat er vele ingrijpende wijzigingen of aanvullingen nodig zijn. De staatssecretaris heeft de afgelopen jaren voldoende tijd gehad om wel met deugdelijke wetgeving te komen. In plaats daarvan heeft hij geen rust, maar een verdeelde omroepwereld gecreëerd waarin NPO en omroepen tegenover elkaar staan. Naar de mening van de 50PLUS-fractie mag de Eerste Kamer een dergelijke wet niet laten passeren, zelfs niet als er wel voldoende toezeggingen zouden zijn. Het verkiezingsjaar is ingegaan, een kabinet kan voortijdig naar huis gaan en wat er daarna met de aanvullende wetgeving zou moeten gebeuren, komt dan waarschijnlijk in handen van een geheel andere coalitie. Ik zeg met grote nadruk tegen de partijen die wel grote bezwaren hebben tegen dit wetsvoorstel maar overwegen zich te laten paaien door toezeggingen, dat er een situatie kan ontstaan waarin de toezeggingen totaal niets meer waard zijn. Dat mag niet gebeuren. Laat de staatssecretaris snel met een wel degelijk en deugdelijk nieuw wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gaan. Dat is het advies dat wij hem graag geven. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter! Graag feliciteert mijn fractie collega Krikke als laatste maiden uit onze Kamer met haar speech. Vanwege de lange schorsing van het debat over de Mediawet was ik niet eerder in de gelegenheid dit plenair te doen. 

Graag danken wij de staatssecretaris voor de beantwoording van onze vragen, zowel in eerste termijn als in de brief van 12 februari jl. Geheel in lijn met het onderwerp waarover wij vandaag debatteren, doet de Mediawet me denken aan het tv-spel "Wie van de drie". Voor degenen die het niet kennen, de aandacht ging hierbij naar drie personen, die beweerden hetzelfde beroep te hebben. Bedoeling was dat het panel raadde wie de echte persoon in kwestie was. Dat deed het panel door "slimme" vragen te stellen over het beroep van de kandidaat. Als ik de behandeling van de Mediawet volg, dan vraag ik me wel eens af wat nou de echte Mediawet is. Is dat die van de stemmingen in de Tweede Kamer, die van de behandeling in deze Kamer of die van de meest recente brief van de staatssecretaris? Het spel onder leiding van Herman Emmink was amusant — ik durf zelfs te beweren dat het geen plat amusement was — maar de Mediawet is geen spel. Ik wil vandaag volstrekte duidelijkheid van de staatssecretaris zodat ik niet met dubbelzinnige grappen hoef te vragen of de echte Mediawet wil opstaan. Daarvoor zijn de publieke media mij veel te dierbaar. Immers, een onafhankelijke en pluriforme publieke mediadienst is een cruciaal onderdeel van ons democratisch bestel. Daarom loop ik de onderwerpen die ik in eerste termijn heb geadresseerd graag in volgorde door. 

Het eerste onderwerp betreft de behoefte aan transparantie. Wij zijn blij met de toezegging dat van standaardrapportage op genreniveau alleen wordt afgeweken in geval van vragen van een Kamerlid, en met de toezegging dat geheimhoudingsclausules niet verboden worden. Daarbij hebben wij toegelicht dat artikel 68 van de Grondwet op zichzelf geen grondslag biedt om NPO en particuliere omroeporganisaties te verplichten tot het geven van inlichtingen. Bovendien bieden artikel 2.15 en artikel 2.178 Mediawet daar geen basis voor. Het eerste betreft de werkzaamheden van de NPO en het tweede deugdelijke informatie. Wij vroegen de staatssecretaris de harde toezegging deze lezing van de Grondwet en de Mediawet te respecteren. 

Met dank markeren wij op dit punt de toezegging dat de redenering en de kaders voor de afspraken over transparantie worden voorgelegd aan onze Kamer. Mogen wij dit lezen als materieel in lijn met het ingetrokken amendement van de leden Segers en Heerma? Dit betreft het voorstel om artikel 2.172, derde lid, te wijzigen en daarmee het geven van inzicht in de kosten van programmering bij AMvB te regelen. De PvdA hecht hier veel waarde aan, omdat er anders toch een achterdeur lijkt te zijn tot opgave aan de minister zonder dat de Kamer erom vraagt. Wellicht nog meer in lijn met de toezegging is om deze aanpassing in het voorstel geheel te schrappen. 

De heer Nagel (50PLUS):

In de brief van de staatssecretaris lees ik dat hij het nogmaals juridisch zal bekijken. Dat kun je toch geen echte harde toezegging noemen, zoals u die gevraagd heeft? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Er staat: de redenering en de kaders voor de afspraken over transparantie worden voorgelegd aan onze Kamer. Dat vind ik een harde toezegging. 

De heer Nagel (50PLUS):

Op pagina 3 staat bij de transparantie over de kosten dat dit juridisch nog een keer zal worden bekeken, maar u hebt gezegd dat daar een harde toezegging over moest worden gedaan. Als het juridisch nog een keer wordt bekeken, dan heb je toch geen harde toezegging? 

Mevrouw Sent (PvdA):

De toezegging bestaat uit twee delen. Het eerste deel is dat de redenering en de kaders voor de afspraken over transparantie worden voorgelegd aan onze Kamer. Het tweede deel is dat de achterliggende redenering nogmaals juridisch wordt nagekeken. Ik was evenwel nog niet toegekomen aan mijn vragen over dat deel van de brief. 

De heer Nagel (50PLUS):

Dan neem ik aan dat u straks na het spel "Wie van de drie" ook even ingaat op het programma Ochtendgymnastiek. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Wellicht is het meer in lijn met de toezegging om deze aanpassing in het voorstel geheel te schrappen. Graag vernemen wij van de staatssecretaris op welke wijze hij deze toezeggingen in de Mediawet zal verankeren. Voorts geeft de staatssecretaris aan, de achterliggende redenering nogmaals juridisch te laten nakijken. Graag vragen wij hem, hierbij onafhankelijke juridische deskundigen te betrekken. Is hij bereid dit toe te zeggen? Daar is geen ochtendgymnastiek voor nodig. 

Bovendien lezen wij de gevraagde toezegging niet volledig terug in de brief van 12 februari jongstleden die aanhaakt bij artikel 2.178 Mediawet. Dit artikel gaat nadrukkelijk niet over de verantwoordingsplicht. Artikel 2.178 heeft betrekking op de inrichting van bedrijfsprocessen en het voeren van een deugdelijke administratie waaruit voor onder andere de minister de benodigde informatie voor het uitvoeren van zijn taak kan worden verkregen. Verantwoording aan de Kamer valt derhalve niet uit dit artikel af te leiden. Graag een bevestiging van de staatssecretaris dat hij deze lezing van artikel 2.178 Mediawet deelt. 

Het volgende punt betreft de taakopdracht van de publieke omroep en de rol die amusement daarbij speelt. Wij vroegen de staatssecretaris de toezegging af te zien van onmogelijke bewijslast ten aanzien van amusement. Wij hebben dan het volgende voor ogen. De NPO heeft een inspanningsverplichting om — binnen redelijkheidsgrenzen qua tijd, geld en benodigde menskracht — zo goed mogelijk aannemelijk te maken dat een amusementsprogramma bijdraagt aan de binding van een breed publiek en specifieke groepen aan de kanalen van de NPO en het overige aanbod van de NPO, en daarmee aan het bereik van informatie, educatie en cultuur. Daarmee is volgens mijn fractie voldaan aan de bepalingen in het voorliggende wetsvoorstel en de duiding in de memorie van toelichting. Daarom vroegen wij de harde toezegging van de staatssecretaris dat hij deze interpretatie van de bewijslast respecteert. 

Wij hebben uit de mond van de staatssecretaris opgetekend dat hij hier geen woord aan toe te voegen heeft. En wij lezen een bevestiging hiervan in zijn brief van 12 februari jongstleden, waarvoor dank. 

Het volgende punt betreft de verhouding tussen de NPO en omroepen. Daar vroegen wij de staatssecretaris uitvoering te geven aan de aangenomen motie-Segers/Heerma op stuk nr. 30 over een leidende rol van de NPO en de omroepen ten opzichte van de buitenproducent. 

Ook daar mochten wij een volmondig "ja" uit de mond van de staatssecretaris optekenen. 

Voorts vroegen wij de staatssecretaris te erkennen dat redactionele vorm en inhoud de verantwoordelijkheid van de omroeporganisaties zijn en blijven, zoals vastgelegd in artikel 2.88 Mediawet. Voorts vroegen wij aandacht voor goede, interne "checks and balances" met heldere beroepsmogelijkheden. 

Hier menen wij met de staatssecretaris dat de overeengekomen werkwijze van de NPO en het College van Omroepen, zoals die is beschreven in de gezamenlijke brief van 30 september 2015, het uitgangspunt dient te zijn. En op dit punt zijn wij zeer verheugd met de brief van de NPO en een meerderheid van de omroepen van 28 februari jongstleden. In die brief leggen zij helder uit hoe zij met elkaar de procedure zien met betrekking tot de zogenoemde openstelling van het bestel, de rol daarbij van de omroepen en dit alles in relatie tot artikel 2.88, eerste lid Mediawet. 

De heer Nagel (50PLUS):

Als wij praten over een meerderheid in de Eerste Kamer, tellen wij dan het aantal partijen dat ergens voor is of het aantal leden? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Dan tellen wij het aantal leden. 

De heer Nagel (50PLUS):

Mevrouw Sent sprak over een meerderheid van de omroepen. Daar geldt hetzelfde. Gelet op de achterban van de diverse omroepen is een meerderheid tegen. Hier wordt een vertekend beeld geschetst en ik ben van mening dat mevrouw Sent dat niet zou moeten gebruiken. 

Mevrouw Sent (PvdA):

k ben blij met een grote steun van de omroepen zoals die is neergelegd in de brief van 28 februari jongstleden. Ik vraag de staatssecretaris of hij de werkwijze die in die brief wordt uiteengezet, deelt en omarmt. 

De heer Atsma (CDA):

AVROTROS, KRO-NCRV, MAX en PowNed ondersteunen die brief niet. Zij hebben daarvan afstand genomen, omdat zij van mening zijn dat er veel vragen resteren. Die betreffen het sturende karakter, maar ook de vraag hoe de NPO achteraf zaken zal beoordelen. Heeft mevrouw Sent in de brief daarover iets gelezen? Heeft zij iets gelezen over consequenties als achteraf iets wordt getoetst en de NPO komt tot de conclusie dat de omroepen iets hebben gedaan wat in zijn ogen niet kan? Heeft zij dat gelezen? Heeft zij iets gelezen over beroepsmogelijkheden? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Daar kom ik nog over te spreken. Ik ben echter van mening dat in de brief een goede werkwijze wordt beschreven waarin de omroepen en de NPO elkaar kunnen vinden. Ik wijs erop dat in de brief van 30 september wel degelijk een meerderheid van de omroepen heeft getekend, namelijk het College van de Omroepen samen met de NPO. 

De heer Atsma (CDA):

Dat is geen antwoord op de vraag. Ik heb gezegd dat AVROTROS, KRO-NCRV, MAX en PowNed zich daar niet achter hebben geschaard. Ik zeg met de heer Nagel dat zij een substantieel deel van het Nederlandse omroepledenbestand vertegenwoordigen. Telt dat niet voor mevrouw Sent? Waar heeft zij gelezen welke beroepsmogelijkheden de omroepen hebben of dat er sprake is van het achterwege laten van sturing? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik sloeg aan op een eerder punt van de heer Atsma. 

De heer Atsma (CDA):

Ik wil wel even helpen door te verwijzen naar de reacties van de omroepen. Zij zeggen klip-en-klaar dat zij hier niet mee uit de voeten kunnen. Slechts een klein deel wordt geregeld van een klein aantal aspecten dat is benoemd. Ik heb in mijn bijdrage het voorbeeld gegeven dat de NPO toezegt dat hij zich niet zal bemoeien met het aanwijzen van presentatoren of gasten. Dat is allemaal winst, maar er is veel meer aan de orde. Waar heeft mevrouw Sent gelezen dat dit "meer" goed wordt geborgd? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Wat er wat mij betreft meer aan de orde is, is dat niet alleen de bestaande omroepen in Hilversum aan zet zijn, maar dat dit wetsvoorstel juist beoogt om meer ruimte voor buitenproducenten te creëren. Ik begrijp dat dit tot onrust leidt. Naar mijn mening heeft de brief van 30 september daar duidelijkheid in verschaft en heeft de brief van 28 februari jongstleden nog meer duidelijkheid gegeven. Ik kom nog terug op het voorstel voor een programmastatuut om nog meer duidelijkheid te geven. Interne checks and balances zijn er natuurlijk al in Hilversum. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Het baart mij zorgen dat deze afspraken buiten de wet worden geregeld. Slechts een deel van de omroepen, groot in aantal maar klein in aantal leden, heeft zich hierachter geschaard. Hoe hard zijn die afspraken nu eigenlijk? Als de NPO volgende week zegt: dit gaat niet werken, zijn wij weer terug bij af. Als er toch al zo veel draagvlak in het werkveld is, zouden wij dan niet beter aan de staatssecretaris kunnen vragen om dit in een novelle te regelen? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb aan de staatssecretaris gevraagd of hij de werkwijze die in de brief wordt verwoord, deelt en omarmt. Ik laat het vervolgens aan hem op welke wijze hij dit wettelijk zal verankeren, voor zover dat nodig is. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Dat antwoord zou de staatssecretaris eventueel kunnen geven, maar ik hoor graag van mevrouw Sent of zij van mening is dat deze afspraken in een novelle moeten worden vastgelegd. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Het lijkt mij verstandig dat daar verankering voor komt. Ik hoor graag van de staatssecretaris of er een novelle komt of dat er een andere werkwijze wordt gekozen. 

Voorts vroegen wij de staatssecretaris de NPO te vragen om de ideeën van de Raad voor Cultuur over een programmastatuut en een programma-adviesraad uit te werken met consultatie en instemming van de omroepen. De heer Atsma stelde dit punt ook aan de orde. Daarbij hechten wij eraan dat makers en redacties goed geïnformeerd kunnen worden over de achtergronden bij de programmatische keuzes van de NPO. Een programmastatuut schept duidelijkheid over het verloop van de besluitvormingsprocessen rondom de programmering en de mogelijkheden voor makers en redacties om inzicht te krijgen in besluiten over de plaatsing van individuele programma's. 

In zijn brief van 12 februari jongstleden zegt de staatssecretaris toe, de NPO te vragen dit idee uit te werken. Graag vraag ik de staatssecretaris een afschrift van deze uitwerking met onze Kamer te delen. Daarbij lezen wij in zijn brief niks over een programma-adviesraad noch over de consultatie en instemming van de omroepen. Graag vraag ik hem in tweede termijn op deze suggesties te reageren. 

Mijn volgende punt heeft betrekking op de wenselijkheid van transparantie en onafhankelijkheid van benoemingen in de publieke media. Wij kijken uit naar de toegezegde serieuze verkenning, waarbij wij aandacht hebben gevraagd voor de domeinexpertise bij de verkenning. Wij hebben een aantal specifieke zwakten benoemd. 

Wij zijn blij met de toezegging, bevestigd in de recente brief, dat de rol van de minister bij benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van bestuur van de NPO in het eerstvolgende wetsvoorstel uit de Mediawet 2008 wordt verwijderd. En wij zijn blij dat de aandachtspunten die mijn fractie noemde, bij de verkenning worden betrokken, te weten de onafhankelijkheid en samenstelling van de benoemingsadviescommissie en de mogelijkheid het advies van deze commissie bindend te laten zijn. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Laat ik in ieder geval even duidelijk maken dat dit niet een cadeau aan de Eerste Kamer is, maar dat dit een uitwerking is van een motie uit de Tweede Kamer waarover op 13 oktober jl. is gestemd en die is aangenomen. Het is nu 1 maart 2016. De staatssecretaris had dit in de tijd die inmiddels verstreken is, kunnen regelen. Hoe beoordeelt mevrouw Sent het feit dat de staatssecretaris er niet voortvarend mee aan de slag is gegaan? 

Mevrouw Sent (PvdA):

De motie vroeg de staatssecretaris slechts om dit te onderzoeken. Nu heeft de staatssecretaris toegezegd om het door te voeren zoals in de motie is gevraagd. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Maar het gevoelen in de Tweede Kamer was heel duidelijk en ook het gevoelen in de Eerste Kamer was heel duidelijk. Het gaat er niet zozeer om hoe je het op welk moment regelt, als wel om het idee erachter namelijk dat het onwenselijk is dat de politiek zo veel invloed heeft op de omroep. Ik denk dat de staatssecretaris best een slimme man is. Ik heb laatst nog gelezen dat mijnheer Rutte dat ook vindt. De staatssecretaris had dit toch wel eerder kunnen bedenken? Hoe oordeelt mevrouw Sent erover dat de staatssecretaris zo laat bedenkt dat het niet zo handig is dat de politiek zo veel invloed heeft? 

Mevrouw Sent (PvdA):

De politiek heeft niet alleen invloed op NPO, maar op een reeks benoemingen in de publieke media. Ik ben erg blij dat de staatssecretaris heeft toegezegd op dat punt een serieuze verkenning te gaan uitvoeren. De alternatieven zijn niet altijd overduidelijk. Co-optatie heeft zo zijn nadelen. Je kunt andere structuren bestuderen. Dit vraagt om een serieuze verkenning. Nogmaals, de motie in de Tweede Kamer vroeg slechts naar een onderzoek naar de mogelijkheid om de bestuurders onafhankelijk te benoemen en niet om dat met onmiddellijke ingang in te voeren. Ik zie geen dralen van de kant van de staatssecretaris. Ik zie eerder een versnelling van de ideeën op dit terrein nadat wij er in de Eerste Kamer over hebben gedebatteerd. 

Wat wij missen in de toezegging is ons verzoek om domeinexpertise, bijvoorbeeld in de vorm van een deskundigencommissie, expliciet bij de verkenning te betrekken. En wat wij graag van de staatssecretaris vernemen is hoe hij kan borgen dat er roosters van aftreden komen waarin niet alle toezichthouders tegelijkertijd aftreden. Ten slotte kunnen wij op dit punt op grond van artikel 2.6, lid 1, van de Mediawet niet anders dan vraagtekens plaatsen bij de verenigbaarheid van lidmaatschap van de raad van toezicht NPO met het voorzitterschap van de raad van bestuur UWV. Volgens lid f is lidmaatschap van de raad van toezicht onverenigbaar met een dienstbetrekking bij een instelling vallende onder de verantwoordelijkheid van de minister. Het begrip "vallende onder verantwoordelijkheid van" wordt in wetgeving in verschillende betekenissen gebruikt. De staatssecretaris verwijst naar artikel, 1 lid 2, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en meent dat het hiërarchische ondergeschiktheid betekent. Daarvan is bij een zbo als het UWV geen sprake. Echter, in artikel 3, lid 1, van de Wet openbaarheid van bestuur wordt gedoeld op overwegende maar niet alle invloed. Daarvan is bij een zbo als het UWV wel sprake. Bovendien is in lid g van het voornoemde artikel uit de Mediawet expliciet aangegeven dat het lidmaatschap van de raad van toezicht onverenigbaar is met "het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn." 

Gegeven de bijzondere positie van de raad van toezicht van de NPO vragen wij de staatssecretaris of hij meent dat de voorzitter van die raad van toezicht zijn functie als toezichthouder onafhankelijk en met gezag kan vervullen. Graag horen wij ook van de staatssecretaris hoe hij meent de onduidelijkheid in de interpretatie van de Mediawet op dit punt in de toekomst te kunnen voorkomen. 

De heer Atsma (CDA):

Dat zijn twee vragen aan de staatssecretaris maar daarvoor heeft de geachte afgevaardigde heel helder neergezet wat in haar ogen de interpretatie van de wet is. Ik ben erg benieuwd wat haar slotconclusie is over de verenigbaarheid of onverenigbaarheid van beide functies 

Mevrouw Sent (PvdA):

Het is niet helder, dat is het probleem. In de Mediawet staat dat dit onverenigbaar is met een dienstbetrekking bij een instelling vallende onder de verantwoordelijkheid van de minister. De grote vraag is: hoe interpreteer je "vallende onder de verantwoordelijkheid van de minister"? Verwijs je daarbij naar de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal dan betekent "vallende onder de verantwoordelijkheid van de minister" hiërarchische ondergeschiktheid. Daarvan is geen sprake bij het UWV, dus zouden de functies raad van toezicht NPO en raad van toezicht UWV wel verenigbaar zijn. Kijk je naar artikel 3, lid 1, van de Wet openbaarheid van bestuur, dan wordt er niet geduid op hiërarchische ondergeschiktheid en dan is er wel onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de raad van toezicht NPO en de raad van bestuur UWV. Er is onduidelijkheid omdat het begrip "vallende onder de verantwoordelijkheid van" in de Mediawet niet is toegelicht. Daarvoor moet je naar andere wetsgeschiedenissen gaan en die zijn daar niet helder over. Ik heb vooral aan de staatssecretaris gevraagd om te voorkomen dat er in de toekomst onduidelijkheid over deze interpretatie bestaat. 

De heer Atsma (CDA):

Met andere woorden: het is onduidelijk, dus laat maar zo. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Er kunnen vraagtekens bij geplaatst worden. 

De heer Atsma (CDA):

Dat deed u. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat deed ik en vervolgens vraag ik aan de staatssecretaris welke conclusies hij daaraan verbindt, aangezien hij degene is die benoemt en niet ik. Ik vraag hem ook of hij meent dat de toezichthouder op deze manier nog wel met gezag en onafhankelijkheid kan opereren. 

De heer Atsma (CDA):

Wat is uw eigen conclusie? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Daar ben ik nog niet uit. Ik laat mij graag door de staatssecretaris overtuigen dat de onduidelijkheid die ik meen te bespeuren er niet is of dat die in ieder geval wordt weggenomen in de Mediawet. 

De heer Atsma (CDA):

Ook niet na vier weken denken? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb vier hoogleraren hiernaar gevraagd en zij verschillen alleen van mening over de vraag hoe je dit moet interpreteren. Zij zeggen niet dat het eenduidig onverenigbaar is. 

Mevrouw Gerkens (SP):

ik wil nog even terug naar wat mevrouw Sent in het begin zei. Er zijn twee soorten verantwoordelijkheid. In de eerste is naar haar oordeel geen sprake van een hiërarchische verhouding. Ik meen dat zij daarmee bedoelt dat er een soort werkgeversverhouding is. Ik lees op de website van de rijksoverheid dat zbo's zelfstandig zijn, maar dat de minister er wel zeggenschap over heeft. De minister is verantwoordelijk voor het beleid dat een zbo uitvoert en voor het toezicht daarop. Ook moet de minister verantwoording over een zbo kunnen afleggen in de Eerste en Tweede Kamer. Hij is verplicht om bij een zbo bestuurders te benoemen, te schorsen of te ontslaan. Dan lijkt mij wel sprake van een hiërarchische verhouding. Hoe denkt mevrouw Sent daarover? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Als je kijkt naar artikel 1, lid 2, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal dan wordt geen hiërarchische ondergeschiktheid bedoeld bij het verantwoording afleggen aan. Het is niet zo klip-en-klaar als mevrouw Gerkens in haar citaten probeert te suggereren. 

Mevrouw Gerkens (SP):

De compatibiliteit met de Staten-Generaal wordt expliciet in de wet benoemd en overigens ook in de statuten. In de statuten en in de wet is dit apart benoemd. Hier is wel sprake van een hiërarchische verhouding. Hoe oordeelt u daar dan over? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Dan grijp ik toch weer terug op mijn eerdere antwoord. Het begrip "vallende onder de verantwoordelijkheid van" kan op meerdere manieren worden geïnterpreteerd. In de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal wordt het geïnterpreteerd als hiërarchische ondergeschiktheid en in de Wet openbaarheid van bestuur niet. Dat laatste zou erop duiden dat er een onverenigbaarheid is. De Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal duidt op verenigbaarheid. De wetsgeschiedenis op dit terrein is onduidelijk. 

De voorzitter:

Mevrouw Gerkens, tot slot op dit punt. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik heb nog steeds geen antwoord gekregen. Er is toch sprake van een hiërarchische verantwoordelijkheid. Deze meneer kan ontslagen worden door de minister. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik verval in herhalingen. Het ligt er maar aan hoe je verantwoording afleggen aan interpreteert. Je kan dat hiërarchisch interpreteren of niet. Het is afhankelijk van welke wetsgeschiedenis je hanteert of je dit zo moet lezen of niet. 

De voorzitter:

Uiteindelijk zal de rechter er een beslissing over nemen. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Precies. 

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. Geen ochtendgymnastiek, we zijn nu toe aan het echte trapezewerk. Mevrouw Sent zegt dat het onduidelijk is of zo. Weet zij wat zij vier weken geleden in deze Kamer zei: ik wil graag vernemen van de staatssecretaris welke consequenties hij verbindt aan het feit dat de benoeming strijdig is met de Mediawet. Zij zei toen klip-en-klaar "strijdig met de Mediawet" Vandaag zegt mevrouw Sent heel iets anders. Dat is trapezewerk. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat is geen trapezewerk, maar dat is het resultaat van nog wat meer experts consulteren die onafhankelijk naar de rechtsgeschiedenis hebben gekeken. Zij geven aan dat er op meerdere manier geïnterpreteerd kan worden. 

De heer Nagel (50PLUS):

We mogen toch aannemen dat het goed was nagegaan toen mevrouw Sent, die hier altijd degelijk werk aflevert, in haar speech met feiten onderbouwd concludeerde dat het in strijd was met de Mediawet. Nu is zij naar mij gevoel een draai aan het maken om de weg te effenen naar een stem voor dit wetsvoorstel. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Juist omdat de juristen hierover van mening verschilden, heb ik gemeend nog wat meer hoogleraren daarover te moeten raadplegen. Die komen met een uitleg waarover het geschil is. Het geschil gaat over welke wetsgeschiedenis je aanhaalt als je het hebt over verantwoording afleggen aan of onder de verantwoordelijkheid vallen van de minister. 

De heer Nagel (50PLUS):

Ik ben benieuwd naar wie van de drie: mevrouw Sent in eerste instantie, mevrouw Sent vandaag en straks bij de stemming. Ik ben benieuwd wie van de drie het wordt. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb zorgvuldig onderzoek gedaan en ik heb daardoor goed boven water gekregen waar het meningsverschil op hangt, waarom de een denkt dat het wel compatibel is en de ander niet. Ik hoop dat we daar ons voordeel mee doen, zodat deze onduidelijkheid in de toekomst niet zal bestaan. 

Met betrekking tot de regionale omroep hebben wij aangegeven dat wij het onwenselijk achten als de bezuiniging wel ten koste zal gaan van de kwaliteit en inhoud van het media-aanbod. We hebben gevraagd om de toezegging van de staatssecretaris dat hij het behoud van kwalitatief goede en onafhankelijke journalistiek in de regio zal waarborgen. Volgens de staatssecretaris ligt er een plan waardoor het onwaarschijnlijk is dat de bezuiniging ten koste gaat van de kwaliteit en inhoud van het regionale media-aanbod. Hij acht dit voorts een verantwoordelijkheid van de regionale omroepen. Maar wat als de financiële middelen ontoereikend blijken om die verantwoordelijkheid te nemen? Wat als het plan onvoldoende onderbouwd blijkt te zijn? 

Wij zijn hier niet gerust op en hebben meer nodig van de staatssecretaris om overtuigd te worden. Daartoe leg ik graag een aantal vragen aan hem voor. Hoe programmatisch en redactioneel onafhankelijk kan een regionale omroep nog zijn met een bestuurlijke bovenbouw die landelijk bepaald wordt? Welke beleidsmatige armslag heeft een regionale omroep om invulling te geven aan de eigen identiteit als de regio de zeggenschap wordt ontnomen over "de knullen (m/v) en de spullen"? Voor de regio's is het van belang een krachtige en vitale omroep te hebben. Het is maar zeer de vraag of met inachtneming van het bovenstaande de door de staatssecretaris toegezegde Beleidscommisie Media Aanbod voor de actuele journalistieke berichtgeving niet een gekunsteld tandeloos construct is tegenover een krachtige landelijke directie. Kortom, wij zijn er nog niet gerust op en vragen de staatssecretaris nogmaals om de toezegging dat hij het behoud van kwalitatief goede en onafhankelijke journalistiek in de regio zal waarborgen. 

Voorts hebben wij speciale aandacht gevraagd voor de bijzondere positie van Omrop Fryslân en de staatssecretaris verzocht zich in te zetten voor handhaving van de bestaande doelstelling van Omrop Fryslân. In de brief van 12 februari jl. zegt de staatssecretaris toe het bestuursakkoord met de provincie Friesland te actualiseren teneinde de programmering voor het Friese taal- en cultuurgebied zowel inhoudelijk als financieel te kunnen verzekeren. Dat is mijn fractie te vaag. Wij wensen nu reeds meer zicht op de door de staatssecretaris gewenste en verwachte uitkomst van het bestuursakkoord met de provincie Friesland. Meer in het bijzonder verwachten wij van hem de toezegging dat hij het behoud van de programmering voor het Friese taal- en cultuurgebied zal waarborgen. Graag steunen wij de motie die het lid Ten Hoeve van de OSF in zijn termijn op dit punt zal indienen. 

Ik rond af met een citaat uit de gezamenlijke brief van de NPO en het College van Omroepen van 30 september 2015 aan onze collega's aan de overkant. 

De heer Atsma (CDA):

Nog even op het laatste punt over de regionale omroepen en Omrop Fryslân. Er ligt nog geen bestuursakkoord. Is dat voor u een absolute voorwaarde met het oog op de eindstemming van volgende week over dit wetsvoorstel? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Het is een beetje onhandig om over een motie te spreken die nog niet is ingediend, maar ik heb haar al wel stiekem mogen lezen. Die motie geeft mij voldoende comfort, als zij brede steun in de Eerste Kamer kan krijgen, dat er voldoende aandacht is voor het behoud van de programmering voor het Friese taal- en cultuurgebied. 

De heer Atsma (CDA):

Dat is niet wat ik vraag. Een motie is in principe gestolde emotie. Daar is niks mis mee, maar meer is het niet. Het is geen bestuursakkoord. Als er geen bestuursakkoord ligt tussen de staatssecretaris aan de ene zijde en de provincie Fryslân aan gene zijde, vraag ik mij af of dat voor u een probleem is. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik ben geen partij in het bestuursakkoord. Ik vind het ook niet aangenaam om me te laten gijzelen door partijen in het bestuursakkoord. Ik vind het vooral belangrijk, omdat wij vandaag een debat hebben met de staatssecretaris, dat wij hem meegeven wat de inzet zou moeten zijn teneinde te zorgen dat het aanbod in het Friese taal- en cultuurgebied goed verzorgd zal worden. 

De heer Atsma (CDA):

Ten slotte het volgende. Over de voorlaatste alinea over de regionale omroepen in het algemeen werden stevige woorden geuit door mevrouw Sent als het gaat om de redactionele onafhankelijkheid. Zij zei dat de omroepen moeten kunnen doen wat zij tot nu toe hebben gedaan en ook willen blijven doen. De omroepen, ondernemingsraden en redactieraden zien allen een een-op-een verband met de opgelegde bezuinigingen. Vraagt mevrouw Sent eigenlijk aan de staatssecretaris om ervoor te zorgen dat als men problemen heeft met het waarmaken van de opdracht, er meer geld op tafel ligt voor de regionale omroepen? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik kan het niet anders formuleren dan ik al gedaan heb. Ik heb gevraagd om de toezegging van de staatssecretaris dat hij het behoud van kwalitatief goede en onafhankelijke journalistiek in de regio zal waarborgen. Dat lijkt me een redelijk sterke toezegging. Ik ben erg geïnteresseerd in wat de staatssecretaris hierop zal antwoorden. 

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mijnheer Atsma. 

De heer Atsma (CDA):

Dat zou dus kunnen betekenen dat er meer geld moet komen. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat laat ik in het midden. 

Voorzitter. Dan het citaat uit de brief van 30 september 2015:"We zetten een ambitieuze koers uit door in nauwe samenwerking in te spelen op nieuw mediagedrag, globalisering en digitalisering. Met oog en oor voor ons publiek, onze partners en maatschappelijke omgeving." 

Dat hoort de politiek in onze ogen te faciliteren, niet met een televisiespelletje maar met helderheid. Daartoe hebben wij de staatssecretaris in tweede termijn een aantal indringende vragen gesteld. Wij wachten op zijn antwoorden. 

De heer Kops (PVV):

Nog even kort een vraag. Ik ga terug naar de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht en de mogelijke strijdigheid. Mevrouw Sent heeft verschillende keren gezegd dat zij meerdere hoogleraren heeft geconsulteerd. Ik heb zelf eerst even gegoogeld, maar ik kan het niet vinden. Welke hoogleraren heeft zij geconsulteerd? Waar kunnen wij hun uitleg terugvinden? 

Mevrouw Sent (PvdA):

De uitleg die ik van meerdere hoogleraren heb gekregen, kunt u terugvinden in mijn plenaire inbreng. Ik heb er geen behoefte aan om nu allerlei namen te noemen van mensen die mij informeren over de interpretatie van de wetsgeschiedenis. 

De heer Kops (PVV):

Dat klinkt vrij vaag. Geen bron blijkbaar dus. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Die is er wel. Of er nu bronnen zijn of niet, ik denk dat mijn inbreng heel duidelijk de vinger op de zere plek legt. De zere plek is de vraag hoe je "verantwoording afleggen aan" interpreteert. Daarover bestaat onduidelijkheid, afhankelijk van welke wetsgeschiedenis je nakijkt. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Dit is een wetsvoorstel met een hoop haken en ogen, zoveel is wel duidelijk. De problemen nog eens nalopen en proberen, hier en daar vast te stellen wat er nu opgelost is en wat er nog opgelost moet worden, lijkt de voornaamste functie van deze tweede termijn. Ik doe dat ook. 

De benoemingen. Waarschijnlijk zijn deze formeel wel min of meer in orde, maar op z'n minst is het erg onhandig gegaan. Afgezien van de formele aspecten, zou dit zo niet voor moeten kunnen komen. 

De governance. Nog lang niet klaar; wel de beste bedoelingen op de korte termijn om er praktisch mee om te gaan, ook de beste bedoelingen voor een later dit jaar nog te treffen definitieve regeling, maar duidelijkheid daarover is er nog niet. Ik moet zeggen dat ik dat ook niet heel makkelijk vind. De raad van bestuur van de NPO laten benoemen door de raad van toezicht zonder instemming van de minister is een heldere en acceptabele zaak, maar de benoeming van de raden van toezicht bij de diverse instanties, vooral bij de NPO en de RPO, is niet zo makkelijk. Coöptatie lijkt mij niet echt de oplossing. Het zou toch gezocht moeten worden in een regeling waarbij recht gedaan wordt aan enerzijds de onafhankelijkheid van de toezichthouders maar anderzijds toch ook aan de systeemverantwoordelijkheid, zoals de staatssecretaris zelf zo fraai schrijft, van de rijksoverheid en ook wat de RPO betreft aan het belang van de andere overheden. Dat is allemaal nog niet simpel, lijkt mij. Dus de vraag is: waar komt de staatssecretaris uiteindelijk mee? 

De sturing door de NPO is een ander punt. Volgens mij is nog niet helemaal afgedekt dat artikel 288 van de Mediawet over de onafhankelijkheid van de omroepen en het verbod van voorafgaand toezicht wel in volle omvang blijft gelden. Daarvoor zou een duidelijker wettelijke regeling nuttig zijn, bijvoorbeeld zoals voorgesteld door de AVRO, in aanvulling op de afspraken die door de NPO en enkele maar zeker niet de meerderheid van de omroepen in een brief aan ons zijn opgenomen. 

Over de toelaatbaarheid van amusement is naar mijn gevoel wel genoeg gezegd. Ik kan mij wel vinden in de gebruikte formuleringen. 

Ik kom op de regionale omroepen. Praktisch gezien is het op dit moment het belangrijkst dat de vertraging die optreedt, zich moet kunnen vertalen in een uitstel van de bezuinigingen. In de laatste brief van ROOS die wij mochten ontvangen, wordt geschat dat het om 8,5 tot 12 miljoen euro gaat die gedekt moet worden, door de staatssecretaris natuurlijk. Daarbij komt dat langzamerhand in een aantal perifere provincies, niet-Randstadprovincies, het gevoel ontstaat dat de operatie weleens tot een heel sterke centralisering zou kunnen leiden. Daar schuilt wel een gevaar in voor de toekomst van de regionale omroepen in het algemeen. Misschien kan de oplossing daarvoor deels worden gevonden in het voorstel van de heer Atsma om de regionale omroepen toch allemaal een eigen zendmachtiging te gunnen. Dat komt de mate van zelfstandigheid die in de regio kan worden uitgeoefend, wel ten goede. 

Het gevaar van die centralisatie wordt overigens blijkbaar niet door iedereen even sterk gevoeld. Door de Randstadorganisaties wordt dat in ieder geval minder gevoeld. Die zien in centralisatie blijkbaar meer de efficiency en minder het gevoel van gebrek aan identiteit. Als binnenkort gekeken zal worden naar de positie van lokale omroepen, is het mogelijk niet verkeerd om een wat minder strakke scheiding tussen regionaal en grootschalig lokaal te maken. Collega Schnabel noemde de vorige keer het Amsterdamse AT5. Bij de verdeling van regionale omroepen gaat het uiteindelijk om de binding die wordt gevoeld in de regio en daarbinnen soms, niet altijd, het regionale identiteitsgevoel. Een probleem voor de regionale omroepen blijft het punt dat mevrouw Sent zo-even uitgebreid heeft behandeld. De bezuinigingen lijken ertoe te zullen leiden dat de gevolgen van de bezuinigingen niet alleen puur praktisch zullen zijn maar ook inhoudelijk te zwaar gevoeld worden. Dat betekent dat deze bezuinigingen op termijn wellicht te ambitieus zijn opgezet. Ik denk dat wij daarvoor oog moeten blijven houden en dat de staatssecretaris daar uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid voor houdt. 

Daarmee komen wij ten slotte bij Friesland, een provincie met een aparte positie waarvoor dus ook een aparte regeling moet worden getroffen. De vraag is hoe dat moet als wij aan de ene kant voldoende zelfstandigheid willen laten bij de Friestalige omroep en de provincie de gelegenheid willen geven om haar deel van de verantwoordelijkheid te nemen en wij aan de andere kant Omrop Fryslân willen laten meedraaien met de in de RPO gebundelde mogelijkheden voor efficiency die op zich nuttig kunnen zijn. 

Om een naar ons gevoel begaanbare weg daartoe aan te leggen, dien ik een motie in. Stel dat de wet wordt aangenomen en de RPO er dus komt. Dan gaat de omroep deel uitmaken van de RPO. In de motie wordt gevraagd om de instelling van een orgaan als mediaraad dat weliswaar geen raad van toezicht kan heten in de nieuwe situatie, maar dat de taak van de raad van toezicht grotendeels kan voortzetten. Als deze motie met een meerderheid wordt aangenomen, is dat winst voor Friesland. Overigens blijven de provincie en de staatssecretaris verantwoordelijk voor het bestuursakkoord, voor de definitieve formuleringen en de daaruit voortvloeiende regelingen. 

De voorzitter: 

Door de leden Ten Hoeve, Bikker, Sent, Schalk en Nagel wordt de volgende motie voorgesteld: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het op grond van de bijzondere positie van het Fries als tweede rijkstaal en de daarmee samenhangende nationale en internationale verplichtingen van belang is dat er voldoende voorzieningen door de overheid getroffen worden voor een kwalitatief hoogwaardig programma-aanbod in de Friese taal; 

overwegende dat Omrop Fryslân een bijzondere taak en positie heeft ten aanzien van het behoud, de bevordering, de ontwikkeling, de overdracht en het levende gebruik van het Fries als tweede rijkstaal; 

overwegende dat het wenselijk is de genoemde posities en belangen binnen het geheel van de RPO voor nu en in de toekomst extra te waarborgen; 

verzoekt de regering, daartoe een mediaraad voor Fryslân in te stellen waarin onafhankelijke kennis en deskundigheid worden samengebracht, waarbij deze raad een extra waarborg voor de provincie Fryslân vormt om het belang van de Friese taal, cultuur en identiteit en in het verlengde daarvan de positie van Omrop Fryslân binnen het geheel van de RPO te verzekeren; 

verzoekt de regering voorts, deze mediaraad taken en bevoegdheden te geven die direct verband houden met voornoemde posities en belangen, waaronder een instemmingsrecht bij het benoemen van de hoofdredacteur van Omrop Fryslân en bij de vaststelling van de jaarplannen van de omroep en een zwaarwegend advies bij de middelenverstrekking aan Omrop Fryslân voor een volledige en veelzijdige Friestalige programmering op radio, televisie en internet; 

verzoekt de regering tevens om deze mediaraad een adviesrecht te geven voor de benoeming van de bestuurder van de RPO die het onderwerp Friese taal, cultuur en identiteit in zijn portefeuille heeft; 

verzoekt de regering verder om de budgetten van Omrop Fryslân, na verwerking van de bezuinigingen, op hetzelfde programmatische activiteitenniveau te waarborgen; 

verzoekt de regering ten slotte, op grond van het bovenstaande in samenspraak met de RPO, Omrop Fryslân en de Provincie Fryslân tot een regeling te komen en dit vast te leggen in de bestuursafspraak Friese taal en cultuur, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Zij krijgt letter K (34264). 

De heer Atsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter, mag ik een vraag stellen aan de heer Ten Hoeve? 

De voorzitter:

Ja, ga uw gang. 

De heer Atsma (CDA):

In mijn termijn heb ik al verwezen naar deze motie, dus er is zeker sympathie, maar toch wil ik nog even een precisering van de positie van de mediaraad in relatie tot de financiële middelen. Ik proef een beetje dat de mediaraad zou kunnen meesturen ten aanzien van het beschikbaar stellen van middelen. Heb ik dat goed verstaan? 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Dat element is inderdaad opgenomen in de motie, dus dat de mediaraad een zwaarwegend advies kan geven over de verdeling van de middelen. Daarenboven worden de middelen zoals die nu worden verstrekt, afgezien van de bezuiniging die nog wordt aangebracht, gegarandeerd in deze motie. Een verder element is dat de mediaraad het recht krijgt om ten aanzien van de jaarplannen van de omroep — wat betekent de omroep concreet voor Friesland? — instemming te verlenen. Dat heeft waarschijnlijk ook effect op de besteding en de beschikbaarheid van de middelen. 

De heer Atsma (CDA):

De vraag is natuurlijk over welke middelen wij het dan hebben. Hebben wij het dan over de middelen uit de brede pot voor alle regionale omroepen? Dat is de enige methode, lijkt mij, om extra geld voor dit doel bijeen te krijgen. Dat leidt volgens mij tot een discussie met veel andere omroepen. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Ja, maar de situatie dat vanuit de centrale pot geld verdeeld moet worden over de regionale omroepen, bestond altijd al, afgezien van de extra middelen voor Omrop Fryslân vanuit de rijksmiddelen buiten de regionale omroepen om. Bovendien lijkt het mij niet uitgesloten dat de provincies, zeker de provincie Friesland vanuit haar verantwoordelijkheid, extra middelen beschikbaar stellen. De besteding daarvan komt dan mede onder toezicht van deze mediaraad. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Mevrouw de voorzitter. Hoewel het alweer een maand geleden is, wil ik mevrouw Krikke hartelijk feliciteren met haar maidenspeech. Dank aan de staatssecretaris voor zijn eerdere beantwoording en toezeggingen. Ik heb uit de media begrepen dat de staatssecretaris in het reces is doorgegaan met het mondeling beantwoorden van vragen en het doen van toezeggingen aan slechts enkele partijen in dit huis. Kan de staatssecretaris aangeven hoe hij tot zijn selectie is gekomen voor het uitnodigingsbeleid in deze tussentermijn? 

De staatssecretaris begon zijn eerste termijn met een heuse liefdesverklaring aan de publieke omroep. Ik vrees dat veel landelijke en regionale publieke omroepen de nieuwe Mediawet ervaren hebben als een wurgende omhelzing van een politieke bestuurslaag die je liever niet al te dicht bij je hebt. Dat de liefde van de staatssecretaris een nogal kille zakelijke kant heeft, blijkt duidelijk uit het antwoord op mijn vraag wat er gebeurt als de wet het in dit huis niet mocht halen en de RPO niet in werking kan treden. In zijn brief schrijft de staatssecretaris de regionale omroepen tegemoet te komen binnen wat redelijkerwijs mogelijk is aan extra frictiekosten die voortvloeien uit enkele maanden vertraging. De regionale omroepen die vaak nauwelijks over reserves beschikken, mogen echter niet de dupe worden van een onvoldragen wet. Uit de eerste termijn bleek dat er geen vangnet is geregeld voor de regionale omroepen indien deze wet het niet haalt. En daarom wil ik de volgende motie indienen. 

De voorzitter: 

Door de leden Teunissen, Koffeman, Nagel, Gerkens en Ten Hoeve wordt de volgende motie voorgesteld: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het kabinet in onvoldoende mate geanticipeerd heeft op de gevolgen van mogelijke verwerping van de Mediawet; 

overwegende dat bij niet-inwerkingtreding van de Mediawet de RPO geen doorgang zal vinden; 

overwegende dat veel kleine regionale omroepen over onvoldoende reserves beschikken om de gevolgen van het niet doorgaan van de RPO in combinatie met ingeboekte bezuinigingen te absorberen; 

verzoekt de regering, alles in het werk te stellen om regionale omroepen niet te duperen wanneer de RPO niet doorgaat, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt letter L (34264). 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter. Ik heb nog een tweede punt. Tussen de NPO en enkele omroepen is onder andere, zo blijkt ook uit de brief van gisteren, overeenstemming bereikt over een invulling van de wijze waarop externe partijen bij de NPO programmavoorstellen kunnen indienen. Mijn fractie is er niet van overtuigd dat dit gaat voorkomen dat de autonomie van de omroepen verder wordt aangetast. Wat wel en niet onderdeel uitmaakt van het inhoudelijke kader dat de NPO als beoordelingsbevoegdheid krijgt, is niet verankerd bij wet maar is slechts neergelegd in een paar afspraken in een brief. Een fors deel van de omroepen heeft daar grote zorgen over. Voorts biedt het wetsvoorstel nog steeds ruimte voor de mogelijkheid dat de NPO in het proces van plaatsing van programma's op de aanbodkanalen te dicht komt op de inhoudelijke autonomie van de omroeporganisaties en hun onafhankelijke redacties. Verschillende fracties hebben zojuist al gesproken over de autonomie van de omroepen. Mijn fractie is van mening dat willen wij omroepen die zich autonoom kunnen gedragen ten opzichte van de NPO, de NPO niet vooraf moet toetsen, maar achteraf. Graag een reactie van de staatssecretaris. 

In de afspraken met enkele omroepen staat onder andere dat keuzes voor presentatoren, gasten, onderwerpen of specifieke onderdelen van de vorm en inhoud van de programma's of ander media-aanbod geen onderdeel uitmaken van het inhoudelijke kader. De Partij voor de Dieren wil dat onder andere deze afspraak in de wet verankerd wordt, waardoor ook duidelijk wordt dat de invloed van de net- en genrecoördinatoren geen verdere afbreuk zal doen aan de autonomie van de omroepen. Tot slot: zonder een duidelijke verankering van de autonome rol van de omroepen in dit wetsvoorstel is het voor mijn fractie onverantwoord om ermee in te stemmen. 

Mevrouw Krikke (VVD):

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris via u hartelijk danken voor de brief, waarvan mijn fractie met belangstelling kennis heeft genomen. De VVD-fractie vindt dat de rust in het bestel voor deze erkenningsperiode 2016-2020 een mooi streven is en deelt dat met de staatssecretaris. En je hoeft ook maar de hectiek rond dit debat, binnen en buiten deze zaal, gade te slaan of je ziet dat rust in het bestel voor iedereen echt goed zou zijn. 

Een belangrijk punt in de voorstellen is de governance, ofwel de wijze van benoeming van de raad van toezicht en de raad van bestuur van de NPO. In mijn vorige bijdrage wees ik er al op dat de VVD eraan hecht dat de mogelijkheid van politieke inmenging bij de benoemingen tot een minimum beperkt wordt. De staatssecretaris zet in zijn brief een belangrijke eerste stap, door de leden van de raad van bestuur voortaan rechtstreeks te laten benoemen door de raad van toezicht. De mogelijke ministeriële inmenging is op dat punt dus tot nul teruggebracht en dat waardeert mijn fractie. 

Ook het voorstel van de staatssecretaris om een rooster van aftreden te maken voor de raad van toezicht, zodat er niet ineens een geheel nieuwe raad van toezicht hoeft te worden gevormd, waardeert mijn fractie. Voorts zegt de staatssecretaris een serieuze verkenning toe naar de procedure voor benoemingen in de hele publieke mediasector. Die laatste toezegging gaat de VVD niet ver genoeg. Wij vinden het natuurlijk prima om een serieuze verkenning te doen naar de procedure voor benoemingen in de hele publieke mediasector, maar vandaag ligt met name de benoeming van de raad van toezicht en raad van bestuur van de NPO voor. De VVD geeft de staatssecretaris in overweging om in navolging van de stappen die hij zet voor de benoeming van de raad van bestuur, ook voor de benoeming van de raad van toezicht verdere stappen te zetten. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door voor de benoeming van leden van de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingscommissie in te stellen, die profielen opstelt, een transparante sollicitatieprocedure opzet en uiteindelijk een bindende voordracht voor de benoeming van leden van de raad van toezicht doet aan de staatssecretaris, die daar alleen gemotiveerd van kan afwijken. Dit alles is bedoeld om te komen tot een transparante procedure waarbij de mogelijkheid van politieke inmenging bij de benoeming van de raad van toezicht van de NPO tot een minimum beperkt wordt. Is de staatssecretaris bereid om verdergaande stappen te zetten in de benoeming van de raad van toezicht van de NPO en hiervoor met voorstellen te komen? 

Dan de toegang van externe partijen tot het bestel, die geregeld wordt in artikel 2.88. In mijn vorige bijdrage heb ik hierover nadere vragen gesteld aan de staatssecretaris, want dit is een cruciaal onderdeel van de Mediawet. Het verheugt mijn fractie daarom zeer dat er op 28 februari een brief is gestuurd door de raad van bestuur van de NPO en een meerderheid van de omroepen. Daarin staat beschreven hoe externe partijen zich tot de NPO kunnen wenden en hoe de redactionele eindverantwoordelijkheid van de coproducerende omroepen dan kan worden geborgd. Het is erg prettig dat deze hele concrete en precieze manier van werken nu op papier staat en inzichtelijk is voor iedereen. Zo is er dan nu al een uitwerking gemaakt voor de kaders die de wet stelt, waardoor zowel de omroepen als de NPO, en daarmee wij allen, helderheid hebben. En dat is een groot goed. 

Dan de RPO. Het is prettig dat de staatsecretaris in zijn brief opneemt dat de eventuele extra frictiekosten, die de regionale omroepen moeten maken omdat de wet later in werking treedt, door het ministerie van OCW worden opgevangen. Dat laat echter onverlet dat de wet nu wel in werking moet treden om de RPO te laten starten. Voor de regionale omroepen is het cruciaal dat de RPO alles wat ondersteunende diensten zijn, na het aannemen van de wet overneemt van de regionale omroepen, zodat zij zich dan helemaal kunnen focussen op het maken van goede programma's voor de regio. Een spoedige wettelijke basis voor de RPO is daarvoor heel belangrijk. 

Voorzitter, wij kijken uit naar de reactie van de staatssecretaris. 

De heer Schalk (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Meestal danken wij de staatssecretaris voor de antwoorden in eerste termijn. Dat doe ik natuurlijk ook, maar eerst wil ik complimenten maken aan de Kamer. De wijze waarop het debat een paar weken geleden werd onderbroken zodat zowel de staatssecretaris als de senatoren zich konden bezinnen, vind ik een voorbeeld van respectvol omgaan met elkaar in een moeizaam proces. Zo wordt ruimte gecreëerd om wetgeving in goede banen te leiden. Ik vind dat een mooie manier. 

Vervolgens is natuurlijk wel van belang wat in de tussentijd is gebeurd. Ik richt mij daarbij op drie punten. 1. Good governance. 2. De rol en positie van de NPO versus de omroepverenigingen met speciale aandacht voor levensovertuiging. en 3. De doorzetting van de Kijkwijzer op reclame-uitingen op alle platforms, dus radio, televisie en internet. 

Ik begin met good governance. Dat betekent heel simpel: goed bestuur. Uit de beantwoording van de staatssecretaris blijkt dat hij ervan overtuigd is dat hij tot nu toe zuiver heeft gehandeld bijvoorbeeld bij de diverse benoemingen die in de eerste termijn uitvoerig zijn besproken. Maar nu er zo veel vragen zijn over dit thema, is het verstandig om nog eens goed naar die governancestructuur te kijken. Uit de toezeggingen die zijn verwoord in de brief van 12 februari jongstleden, blijkt dat de staatssecretaris een heldere governancestructuur wil creëren. De fractie van de SGP is benieuwd hoe hij die zal uitwerken. 

Het tweede heikele punt is de positie van de NPO versus de omroepverenigingen. Daar is gewoon spanning. Paradoxaal genoeg wil iedereen graag dat deze wet wordt aangenomen om daarmee enige rust te creëren in het veld van de publieke media. Nu de coördinerende rol van de NPO echter wordt omgebogen naar een sterk sturende rol in de programmering, zou die onrust juist weer kunnen toeslaan. Ik begrijp dat de staatssecretaris zoekt naar een mix van traditionele omroepverenigingen en nieuwe aanbieders. Als de NPO echter al van tevoren een groot deel van het budget richting nieuwe aanbieders positioneert, ontstaat er geen rustgebied waarin de nieuwe werkwijze van de publieke omroep zich kan inbedden in de samenleving. Zeker als de NPO sturend op zoek gaat naar externe producenten, gaat dit veel verder dan programmatische sturing. Juist dan zal de inhoud sterk worden bepaald door de NPO en dat vind ik ongewenst. Daarom vraag ik de staatssecretaris hoe hij de rol van de NPO ten opzichte van de omroeporganisaties beter kan inkaderen. Wil hij op die vraag antwoorden met inachtneming met de brief van de NPO en de omroepverenigingen die op 28 februari jongstleden is verzonden? Dat was op zondag en dat was voor mijn fractie niet echt nodig. 

Het aspect van de levensovertuiging blijft belangrijk. Juist dit aspect vormde de basis van het ontstaan en bestaan van omroepvereniging. Juist dit aspect van levensovertuiging was voor veel burgers de reden om zich aan te sluiten bij specifieke omroepen. Ik leg daarom heel nadrukkelijk de vraag aan de staatssecretaris voor hoe hij kan bevorderen dat levensovertuiging een speerpunt blijft of wordt in de prestatieovereenkomst en dat er goede waarborgen zijn dat levensovertuiging juist bij de publieke omroep ruimte krijgt. 

Tot slot wil in ingaan op de toezegging van de staatssecretaris om de Kijkwijzer toe te passen op reclame-uitingen op alle platforms, dus op radio, televisie en internet. In het debat in eerste termijn heeft de staatssecretaris toegezegd dat hij dit zal onderzoeken, sterker nog, dat hij zich hiervoor hard zal maken. In zijn brief van 12 februari schrijft hij zelfs dat hij zal bevorderen dat de criteria van de Kijkwijzer in het kader van de bescherming van jongeren, ook worden toegepast bij reclame. Dat is een heldere toezegging. Een eerste stap zou zijn dat de Ster zich bij het NICAM aansluit. Heeft de staatssecretaris aanwijzingen dat de Ster dit ook zal doen? Er zijn inmiddels een paar weken verstreken en dit zou zomaar al aan de orde kunnen zijn. 

Ik realiseer mij overigens dat dit thema aan de rand van dit debat meeloopt. Dat heeft twee kanten. Ik dank mijn collega's voor hun geduld op dit punt. Daarnaast zou ik het op prijs stellen als de staatssecretaris zich op dit punt aan de toezegging zou houden, zelfs als de voorliggende wet niet wordt aangenomen. Het gaat hier immers om inhoudelijke en morele afwegingen die uitstijgen boven de inrichting van de publieke omroep. 

Voor dit moment blijft de vraag over op welke termijn de staatssecretaris de Kamer zal kunnen informeren over de wijze waarop de Kijkwijzer wordt toegepast op reclame-uitingen op radio, televisie en internet. Net als de vorige keer zie ik uit naar de reactie van de staatssecretaris. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter. Drie punten markeerde de fractie van de ChristenUnie in eerste termijn bij de beoordeling van dit wetsvoorstel. Allereerst de sterke positie van omroepverenigingen als ledenorganisaties, daarnaast een bescheiden rol voor de NPO en ten slotte de ruimte voor levensbeschouwelijke inbreng. Daarnaast had mijn fractie zorgen over het benoemingsbeleid. 

Ik dank de staatssecretaris voor zijn brief met toezeggingen uit de eerste termijn; hij heeft aangegeven bereid te zijn tot aanpassing van de wet. Dat waardeert mijn fractie, maar zij wil wel precies weten waar dit nu op neerkomt. Daarvoor dient dit debat. Bovendien hebben alle bewegingen gevolgen voor het wetgevingsproces. Aanvaarding en inwerkingtreding van het huidige wetsvoorstel en dan wachten op de aanvullingen, vindt mijn fractie niet een vanzelfsprekend vervolg. Ik begrijp dat met name voor de RPO wachten tot een ingewikkelde situatie leidt. Daarom verneem ik graag hoe de staatssecretaris dit dilemma weegt en welke exacte route hij voor ogen heeft. 

Inhoudelijk hebben de beantwoording in eerste termijn en de brief van 12 februari niet alle bezwaren tegen het wetsvoorstel weggenomen en zijn sommige punten onduidelijk gebleven. Ik begin bij de sterke positie van omroepverenigingen en een bescheiden rol voor de NPO. Allereerst de positie van de omroepverenigingen. Voor de fractie van de ChristenUnie is artikel 2.88 daarbij de kern die garandeert dat omroepen zelf over inhoud en vormgeving van de programma's gaan. Maar doordat dit artikel zich heeft te verhouden tot de sturende bevoegdheid van de NPO, is uitholling van die eigenstandige positie een risico. In de brief van NPO en een meerderheid van de omroepen zijn afspraken gemaakt die bijdragen aan het vertrouwen dat het zo'n vaart nu niet loopt. Maar de wettekst moet in zichzelf ook helder zijn. 

De fractie van de ChristenUnie mist een wettelijke inkadering van de sturende rol van de NPO. Daardoor kan het begrip sturing een containerbegrip worden dat steeds minder inhoudelijke vrijheid aan de omroepen laat. Is de staatssecretaris bereid om de sturing van de NPO terug te brengen tot de wettelijke taken gebaseerd op het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, de afspraken over publieksbetrokkenheid en de coördinatie van aanbodkanalen? Ook bij de uitvoering van al die taken zal de vrijheid van omroepen om zelf verantwoordelijk te zijn voor de inhoud en vormgeving, overeind moeten blijven, anders is art. 2.88, dat juist betrekking heeft op de inhoud en vormgeving, krachteloos. De ChristenUnie-fractie vindt een heldere en afgebakende wettekst belangrijk. Ik hoop dat de staatssecretaris hierover duidelijkheid kan verschaffen. 

Dan de ruimte voor levensbeschouwelijke inbreng, maar de heer Atsma trekt nu een sprintje. 

De heer Atsma (CDA):

Nieuwe alinea, nieuw onderwerp. Mevrouw Bikker vraagt nogal wat aan de staatssecretaris. Zij zegt eigenlijk: voordat wij over deze wet kunnen besluiten, zou de staatssecretaris op het punt van de sturing met een verduidelijking en aanpassing van de wet moeten komen. Heb ik het zo goed verstaan? 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik ben van mening dat artikel 2.2 waarin duidelijk wordt benoemd dat de NPO een sturende taak krijgt, zich lastig verhoudt tot artikel 2.88, omdat de sturende taak van de NPO in artikel 2.2 onvoldoende is ingekaderd. Ik ben inderdaad van mening dat op dat punt duidelijk moet worden wat die sturing inhoudt en dat de wet dat kader moet bepalen. Ik heb zojuist benoemd welke punten de wet bevat en hoe die sturing vorm kan krijgen. Dat klopt. 

De heer Atsma (CDA):

Dan zijn wij het op dat punt eens. Als ik de woorden van mevrouw Bikker goed interpreteer, zou dit betekenen dat de staatssecretaris voor de eindstemming met een aanpassing van de wet zou moeten komen. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

De heer Atsma trok net een sprintje en dit is ook weer een heel snelle stap. Ik leg nu heel duidelijk voor dat ik het belangrijk vind te weten wat de sturing van de NPO inhoudt, omdat ik wil voorkomen dat het een containerbegrip wordt. Daarover hoor ik de staatssecretaris straks graag en dan kunnen wij met elkaar bezien wat dit betekent voor het vervolg. Als ik zeg dat de wetstekst nu in zichzelf niet helder is, dan zult u begrijpen dat ik mooie woorden of mooie brieven, bijvoorbeeld over de spelregels zoals door de NPO en de meerderheid van de omroepen is besproken, heel goed vind, maar dat er wel een stapje verder gezet moet worden. 

De heer Atsma (CDA):

Ik wil nog even op die brief voortborduren. Ik heb er zelf ook al het nodige over gezegd. Het is volstrekt onduidelijk wat nu de rol van de NPO vooraf is. Uit de brief kun je de conclusie trekken dat de NPO vooraf mede het inhoudelijk kader bepaalt. Dat wilt u toch ook niet? Als u daar ja op zegt, ben ik het met u eens. Ik wil dat toch even vast laten leggen met het oog op de geschiedschrijving. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Zelfs als de brief volledig helder was, zou ik nog niet gerustgesteld zijn omdat de wetstekst in zichzelf onhelder is. Op dat punt sla ik aan. Dat is ook mijn rol in deze Kamer. Ik vind het fantastisch dat men in Hilversum afspraken weet te maken. Daar ben ik ook van. Het is heel goed dat men in het maatschappelijk middenveld elkaar weet te vinden. Volgens mij houdt het CDA daar ook erg van. Wij moeten hier wel wetten vaststellen die duidelijk zijn. 

Voorzitter. Ik was op het punt van de levensbeschouwing. Ik dank de staatssecretaris voor zijn robuuste uitspraak dat levensbeschouwing integraal onderdeel is van de publieke mediaopdracht. Tegelijk is zo'n uitspraak van betrekkelijke waarde als deze een beperkt praktisch gevolg heeft, zeker nu levensbeschouwing niet zelf in de wet staat. Bovendien wordt nog steeds in Hilversum gesteggeld over het bedrag dat is vrijgemaakt voor de programmering van de kleine levensbeschouwelijke omroepen. Een bedrag van 12 miljoen, in de Kamer geoormerkt toen deze kleine omroepen werden opgeheven en opgingen in de grote acht. Naast deze programmering zijn er ook de grote erkende omroepen die vanuit hun identiteit levensbeschouwelijke programma's maken. Zowel qua budget als qua zendtijd hebben zij altijd dezelfde rechten gehad als elke andere willekeurige omroep. Dat moet elkaar nu niet gaan bijten. Het verdwijnen van levensbeschouwing uit de wetstekst en de ontwikkelingen in Hilversum stellen ons daarom niet gerust. Tezamen moet dat niet leiden tot een vermagering van de levensbeschouwelijke programmering. Want levensbeschouwing is juist een van de pijlers onder de pluriformiteit van de publieke omroep. Om het budget voor programmering van voormalige 2.42-omroepen te bevestigen en de positie van levensbeschouwelijke programmering in den brede te borgen zodat het niet steeds meer naar de marge schuift, dien ik daarom de volgende motie in. 

De voorzitter: 

Door de leden Bikker, Sent, Lintmeijer, Schnabel, Krikke en Schalk wordt de volgende motie voorgesteld: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat levensbeschouwing integraal onderdeel uitmaakt van de publieke mediaopdracht; 

constaterende dat aandacht voor levensbeschouwing mede invulling geeft aan de opdracht van de publieke omroep om de pluriformiteit van onze samenleving adequaat te weerspiegelen; 

overwegende dat bij de opheffing van de kleine levensbeschouwelijke omroeporganisaties (2.42-omroepen) een bedrag van minimaal 12 miljoen euro per jaar is geoormerkt voor levensbeschouwelijke programmering die deze omroepen eerder verzorgden; 

overwegende dat daarnaast alle erkende omroepverenigingen recht hadden en houden op budget om programma's te maken vanuit hun eigen identiteit, ook waar deze van levensbeschouwelijke aard is; 

overwegende dat erkende omroepverenigingen ook in de toekomst financiële ruimte moeten houden om aanbod te kunnen maken vanuit hun levensbeschouwelijke identiteit en daarnaast vanuit het geoormerkte budget invulling zullen moeten geven aan programmering die eerder verzorgd werd door de 2.42-omroepen; 

verzoekt de regering om in de prestatieovereenkomst tussen de regering en de NPO op te nemen dat het bedrag van minimaal 12 miljoen euro per jaar toekomt aan programmering die voorheen verzorgd werd door de 2.42-omroepen; 

verzoekt de regering voorts om te bevestigen dat de NPO daarnaast ruimte en budget vrij blijft maken voor brede levensbeschouwelijke programmering en dit vast te leggen in de prestatieovereenkomst, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Zij krijgt letter M (34264). 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u, voorzitter. Ik zie uit naar de reactie van de staatssecretaris op deze motie. 

Ten aanzien van het benoemingenbeleid moet de afstand tussen Hilversum en Den Haag groter worden en bovendien moet dit punt snel een concrete wetstekst worden. Er is al door meerdere sprekers over gesproken. Ik sluit me aan bij de kritische vragen van de fractie van de PvdA op dit punt. De staatssecretaris heeft toezeggingen gedaan die ik graag als wetstekst zou zien. Dan kan ik beoordelen hoe het er precies uit gaat zien, ook op de punten die nu nog wat vaag zijn. Ik denk ook aan de benoeming van de raad van toezicht van de NPO. Hoe ziet de staatssecretaris die voor zich? 

Ik betreur het dat er nog steeds geen bestuursakkoord met de provincie Fryslân is. Ik steun daarom van harte de motie van collega Ten Hoeve. Ik vraag de staatssecretaris nadrukkelijk om in zijn plannen uiting en gevolg te geven aan de constatering dat het Fries de tweede rijkstaal is. 

Het wetsvoorstel dat bepalend is voor de inhoud van de regionale omroep moet nog volgen. Graag krijg ik de toezegging van de staatssecretaris dat hij daarmee uiterste vaart zal maken. Dan kunnen wij inhoud en vorm snel aan elkaar koppelen. 

De toekomst van de publieke omroep is volgens de ChristenUnie gebaat bij sterke omroepen die vol vaart bezig zijn met de inhoud, met vorm geven aan de pluriformiteit en aan de overdracht van waarden, zodat kijkers kennisnemen van elkaars diepste overtuigingen. De publieke omroep wordt niet sterker van discussies over uitdijende sturing van de NPO of over benoemingen. Voor de ChristenUnie is het daarom belangrijk dat het wetsvoorstel meer stevigheid biedt voor de omroepen bij de invulling van hun redactionele vrijheid en meer inkadering biedt voor de sturende rol van de NPO. Daarnaast hebben wij onze zorgen met betrekking tot het punt van de levensbeschouwing. Het zijn de punten waarop wij dit wetsvoorstel zullen wegen en ik hoop van harte dat de staatssecretaris in dit debat verder wil gaan dan de aanpassing van de wet die hij reeds toezegde. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Voorzitter. In mijn eerste termijn heb ik namens de fractie van GroenLinks een aantal hoofdpunten benoemd, die voor ons zwaar wegen bij ons oordeel over de Mediawet. De reactie daarop van de staatssecretaris, heb ik toen gezegd, zal bepalend zijn voor ons uiteindelijke oordeel. In deze tweede termijn bekijken wij of de antwoorden van de staatssecretaris, waarvoor overigens dank, ver genoeg in onze richting komen. 

Ik begin op lokaal en regionaal niveau. Onze fractie heeft haar zorgen geuit over het steeds meer ontbreken van onafhankelijke media die de lokale politiek kritisch kunnen volgen. Veel lokale omroepen leiden een marginaal bestaan, kranten en dagbladen zien hun lezersbestand afkalven. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid van het Rijk voor de gehele publieke omroep hebben wij de staatssecretaris gevraagd initiatieven te nemen om tot een beter draagvlak voor de lokale omroep te komen. Ik dank de staatssecretaris voor zijn toezegging in het debat van 2 februari om ons nog in deze regeerperiode op de hoogte te brengen van de uitslag van het onderzoek van het Commissariaat voor de Media naar de bekostiging van de lokale omroep. We zijn natuurlijk niet alleen benieuwd naar de uitkomsten, maar vooral ook naar de reactie van het kabinet daarop. De inzet van mijn fractie is dat we het financiële draagvlak voor de lokale omroep verstevigen en dat we initiatieven voor samenwerking in sterke streekomroepen steunen. 

Veel fracties hebben hun zorgen geuit over de financiële situatie bij de regionale omroepen nu de RPO-vorming vertraagt en het kabinet toch de bezuinigingen van 17 miljoen in 2017 wil realiseren. Mijn fractie vroeg en vraagt een ruimhartige bijdrage van de staatssecretaris aan de frictiekosten. De formulering in de brief van 12 februari om eventuele frictiekosten op te vangen binnen wat redelijkerwijs mogelijk is, vindt mijn fractie wel erg voorzichtig. Wij zouden liever spreken van wat redelijkerwijs noodzakelijk is. Daarbij sluiten we ook meer aan bij de mondelinge toezegging in het debat, waar de staatssecretaris nog sprak van het opvangen van de frictiekosten. Graag een reactie hierop. 

In mijn bijdrage heeft mijn fractie ook gewezen op de redactionele onafhankelijkheid van de regionale redacties. Wij willen graag een toezegging dat in het wetsvoorstel dat later dit jaar komt over de regionale omroepen de redactionele onafhankelijkheid van de redacties geregeld wordt, bijvoorbeeld door het wettelijk vastleggen van het instellen van een redactiestatuut. Op dit punt heeft mijn fractie nog geen helder standpunt van de staatssecretaris gehoord. 

GroenLinks heeft een scherp punt gemaakt van de governance. Het is in onze optiek immers bij uitstek een taak van de Eerste Kamer om erop toe te zien dat er voldoende afstand is tussen politiek en media, zoals de Grondwet en het EVRM dat ook bedoelen. Nu de NPO gaat sturen in plaats van coördineren en stevige inhoudelijke kaders kan stellen, zijn extra stappen nodig om de politiek op afstand te zetten. Het langjarige patroon van politiek ogende benoemingen bij voorheen de NOS en nu de NPO willen doorbreken om elke schijn te vermijden. 

De staatssecretaris heeft inmiddels toegezegd zich niet meer te bemoeien met de benoemingen van de raad van bestuur van de NPO en een brede verkenning te willen doen naar het benoemingenbeleid bij NOS, NTR, NPO, RPO en Commissariaat voor de Media; wat een hoop afkortingen. Het eerste is een goede stap. Het tweede vinden wij prima. Maar zo’n verkenning kan natuurlijk nog alle kanten opgaan. Wij waarderen het dat de staatsecretaris aangeeft dat zijn streven ook gericht is op openheid en transparantie bij alle benoemingen bij toezichthouders en bestuurders in deze instellingen. Dat is heel mooi. Maar wij willen die extra stappen nu zetten. Laat ik het maar duidelijk zeggen: voor de benoemingen in zowel de raad van bestuur als in de raad van toezicht bij de NPO en de RPO willen wij nu boter bij de vis. Als de NPO gaat sturen in plaats van coördineren moet de politiek op zo groot mogelijke afstand staan. 

Ik heb beloofd in deze tweede termijn ook inhoudelijk op het hoe terug te komen. Mijn fractie wil een bindende voordracht van een onafhankelijke benoemingscommissie, die niet door de minister of staatssecretaris wordt ingesteld, maar door de organisaties zelf. Die benoemingscommissie moet aan de slag gaan op basis van vastgestelde profielen, die niet worden voorgekookt op het ministerie. Daarbij willen wij ook een rol voor het door ons voorgestelde klantenpanel, dat het bestuur van de NPO van advies kan dienen over de manier waarop de samenleving gerepresenteerd wordt in het publieke bestel. Dat breed samengestelde panel, dat de samenleving in al zijn veelzijdigheid kan representeren, een soort maatschappelijke adviesraad, willen wij in het leven roepen om ook in de praktijk de diversiteit van het publieke bestel te borgen. 

In onze eerste termijn heeft mijn fractie nadrukkelijk stilgestaan bij het belang van diversiteit binnen de NPO in haar kaderstellende rol als ook binnen de organisatie zelf. Zo'n adviesraad kan daar een belangrijke rol in vervullen. Een rol bij het benoemen van toezichthouders en bestuurders is daar wat ons betreft een belangrijk, maar niet uitsluitend onderdeel van. De antwoorden van de staatssecretaris op deze onderdelen vinden wij tot nog toe niet voldoende. We zien graag betekenisvolle stappen in onze richting. 

Veel is gezegd en gesproken over de duiding van artikel 2.88, en de checks-and-balances tussen NPO en omroepen. Mijn fractie wil helderheid hierover, geregeld in de wet, in navolging van wat de fractie van de ChristenUnie hierover zei. De NPO stelt kaders op, de omroepen zijn autonoom in de redactionele uitwerking daarvan. Als de wet helder is, kan Hilversum zelf de werkwijze invullen, maar dan moeten onze eigen wettelijke kaders geen ruimte laten voor misverstanden. Enige dubbelzinnigheid is helaas ontstaan doordat na het debat in de Tweede Kamer steeds net andere interpretaties op tafel kwamen. Daar willen wij van af. Wij willen graag van de staatssecretaris weten hoe hij gaat zorgen voor duidelijkheid in de wet en hoe hij de dubbelzinnigheden zal voorkomen. 

Tot slot. Een van de fundamenten van de nieuwe wet is dat het bestel meer open gaat voor initiatieven van externe producenten. Dat juichen wij toe als die openstelling leidt tot een nog diverser en veelkleuriger aanbod van kwaliteitsprogramma's. In het debat hebben wij onze zorgen geuit dat, gezien de schaalvergroting in het bredere medialandschap, grote, vaak internationale spelers, gemakkelijk het aanbod gaan overheersen. Het antwoord van de staatssecretaris willen wij op dit punt ook graag wat scherper en daarbij sluit mijn fractie ook aan bij de opmerkingen die mevrouw Bikker heeft gemaakt over de geoormerkte gelden voor levensbeschouwelijke programma's. Wij zien graag dat deze budgetten geoormerkt blijven en bij voorkeur worden benut door kleinere onafhankelijke producenten. 

Mijn fractie ziet uit naar de tweede termijn van de staatssecretaris en zal zijn antwoorden zorgvuldig meewegen in haar eindoordeel over deze wet. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Voorzitter. We vervolgen vandaag het pittige debat van enkele weken geleden. In dat debat werd duidelijk dat veel fracties moeite hebben met dit wetsvoorstel. Op zichzelf is dat mooi, want het is onze taak om te blijven kijken naar de kwaliteit van de wet. Wij moeten stil blijven staan bij hoe zo'n wet uitwerkt en of daarmee het beoogde doel wordt bereikt. Wij hebben de staatssecretaris gevraagd, zijn toezeggingen op papier te zetten. Ik dank de staatssecretaris ervoor dat hij ons die heeft toegezonden. Maar misschien was het ook een beetje wensdenken van mij, hopende dat de staatssecretaris goed geluisterd had naar deze senaat en dat hij gehoor had gegeven aan de zorgen die werden geuit. Uit de media moeten wij nu vernemen dat het debat buiten deze Kamer verder is gegaan. Kan de staatssecretaris transparant maken of en, zo ja, welke toezeggingen hij in de beslotenheid van het lobbycircuit heeft gedaan die hij kennelijk niet eerder wilde doen in het publieke debat? Wij zijn namelijk geen fan van dat circuit. Een debat over de toekomst van de publieke omroep hoort publiek gevoerd te worden. Welke konijnen had deze staatssecretaris in zijn hoed toen hij bij de partijen langsging? 

Nu hebben wij de tweede termijn en het is tijd om de balans op te maken. De staatssecretaris heeft mij nog niet kunnen overtuigen dat deze wetswijzigingen de publieke omroep toekomstbestendig zullen maken. Integendeel, de staatssecretaris wijzigt alleen de zeggenschap over de publieke omroep. Een visionair beeld heeft hij niet gegeven. De staatssecretaris zegt nu dat hij voortvarend aan de slag gaat met de wijze waarop de raad van toezicht en bestuursleden worden benoemd, niet alleen bij de NPO maar ook bij andere gremia. Dit zit mij toch nog het meeste dwars. Ik las in de NRC dat de staatssecretaris als een slimme man wordt gezien; in ieder geval door onze premier. Deze slimme man had dan ook kunnen bedenken dat meer staatsinvloed op de publieke omroep tegen alle normen van de vrijheid van omroep ingaat. Ik heb mij er ook over verbaasd dat dit soort voorstellen van een VVD'er komen; een partij die immers steeds pleit voor minder overheidsbemoeienis. De staatssecretaris had dit zeker zelf kunnen bedenken. Waarom heeft hij niet gelijk de wijze van benoemen aangepakt? 

Vervolgens benoemt de staatssecretaris een VVD'er als voorzitter van de raad van toezicht. In zijn eerste termijn zei hij dat hij zich zeer bewust was van die gevoeligheid, dat hij gewikt heeft en gewogen. Hij zei zelfs: als ik hem niet had benoemd, dan waren deze vragen er ook gekomen. Hij zat in een zogenaamde catch-22. En toch, ondanks deze worsteling, ondanks dit nadenken, koos de staatssecretaris voor deze voorzitter van de raad van toezicht. Over welke kwaliteiten beschikt deze mijnheer Bruins dat hij nu de uitgelezen persoon is voor deze functie, dat zelfs in die catch-22-situatie de staatssecretaris niet zei: ik kan hier ook een ander neerzetten? Dit geldt te meer omdat de heer Bruins ook voorzitter is van de raad van bestuur van het UWV. Het UWV is ook niet een geheel en al onbesproken zbo. Daarmee neemt de staatssecretaris ook een risico. Maar, zegt de staatssecretaris, in de wetsgeschiedenis worden de zbo's nadrukkelijk buiten de Mediawet gesteld. Wij weten natuurlijk allemaal dat het erom gaat of er een ander zwaarwegend belang is waardoor de onafhankelijkheid van de voorzitter in het geding kan komen. Al denkt de staatssecretaris dat de wet dit toestaat, de statuten van de NPO doen dat niet. Daarin wordt namelijk niet zo'n uitzondering gemaakt. Daar staat toch echt dat een functie bij een organisatie die onder de verantwoordelijkheid van een ministerie valt, onverenigbaar is. Wil de staatssecretaris mij nu eens antwoord geven op de vraag: valt het UVW onder de verantwoordelijkheid van een van onze ministeries? 

Inmiddels heb ik begrepen dat de hele gang van zaken rondom de benoeming gewobd wordt. Het lijkt mij goed om ons al die moeite te besparen. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om de stukken rondom die benoeming gewoon openbaar te maken. 

Dit debat gaat ook over geloofwaardigheid en vertrouwen. Dat vertrouwen is echt wankel door de stappen die de staatssecretaris heeft gezet. De brief die er nu van de NPO en enkele omroepen ligt waarin aangegeven wordt dat de NPO niet meer naar zaken zoals presentatoren, gasten, onderwerpen of op specifieke onderdelen naar de vorm en inhoud zal kijken bij de beoordeling van een programmavoorstel, is een fijne brief. Er worden toezeggingen in gedaan die echt geen enkele wettelijke grondslag hebben. Wanneer wij vandaag deze wet aannemen en de NPO morgen beslist om het toch anders te doen, dan hebben de omroepen geen poot om op te staan. Het is ook nog eens een brief die geen draagvlak heeft onder een groot deel van de leden van de publieke omroep omdat een aantal omroepen deze brief niet medeondertekend heeft. 

Mijn grootste zorg heb ik over een zin in deze brief. Er staat: "De keuze voor presentatoren, gasten, onderwerpen of specifieke onderdelen van de vorm en inhoud van de programma's of ander media-aanbod maken geen onderdeel uit van het inhoudelijk kader." Vervolgens staat er: "Dit onverlet latende de bevoegdheid van de NPO om elk programmavoorstel bij intekening of achteraf te toetsen aan de inhoudelijke kaders als hiervoor bedoeld." Hiervoor stond — ik heb Nederlands gestudeerd — keuze voor presentatoren, gasten onderwerpen et cetera. Kortom, dat wat wordt toegezegd, wordt in de tweede regel meteen weer omvergehaald. Ik vraag mij dus af in hoeverre wij die brief nog kunnen vertrouwen. 

Als laatste wil mijn fractie nog graag toevoegen dat de plannen desastreus zijn voor de regionale omroepen, dat de journalistieke mogelijkheden van de regionale omroepen beperkt zullen worden en dat de hiervoor genoemde bezwaren onverkort gelden, ook voor de RPO. De staatssecretaris heeft toegezegd dat hij met de frictiekosten gaat helpen, maar hoe dat zal gebeuren is nog erg vaag. Ik vraag de staatssecretaris om te garanderen dat deze kosten niet voorgefinancierd hoeven te worden uit de algemene reserves die hard nodig zijn om de hervormingen tot stand te brengen. 

Vooral de onafhankelijke informatievoorziening staat onder druk. Tegelijkertijd legt dit kabinet steeds meer verantwoordelijkheid bij de burger. Die moet zich goed weten te informeren. Ik verwijs naar het zojuist uitgekomen rapport van het SCP over de randvoorwaarden voor burgerbetrokkenheid in het nieuwe omgevingsbestel, de nieuwe Omgevingswet. Deze wet gaat een heel groot beroep doen op burgerschap en burgerparticipatie. In dit rapport wordt onder meer geschreven dat deze burgerparticipatie om een goed geïnformeerde burger vraagt. Zo gaat een flink stuk over de kwaliteit van de communicatie en de noodzakelijkheid van de kritische waarheidsvinding daarbij. De regionale nieuwsvoorziening staat echter onder druk door een teruglopend bereik, een verouderd publiek en een kwetsbare financiële situatie, aldus de schrijvers van het rapport. Hoe kan het dat het SCP dit als een zorgelijke ontwikkeling ziet en wij vandaag op het punt staan om de regionale en lokale omroepen nog verder te ontmantelen of te onthanden? Ik vraag om een reactie van de staatssecretaris. 

De staatssecretaris heeft de afgelopen weken druk gelobbyd om zijn plan door de senaat te krijgen. Dat hij hierbij de SP heeft overgeslagen, is een teken aan de wand. Zijn visie en die van ons staan mijlenver uit elkaar. Het vertrouwen heeft door het handelen van de staatssecretaris een deuk opgelopen. De NPO en een paar omroepen hebben een verhaal op papier gezet dat geen enkele wettelijke grondslag heeft en daar zelfs tegen indruist. Dit wetsvoorstel kunnen wij niet steunen. 

De heer Schnabel (D66):

Voorzitter. Bij het begin van het debat op 2 februari over de wijziging van de Mediawet verwees ik naar het ongemakkelijke gevoel dat na de deskundigenbijeenkomst in december bij mij en een aantal van de collega's over was gebleven; zo veel meningen en vooral zo veel verschil van mening over het wetsvoorstel. Still confused, zei ik toen, en ik voegde er hoopvol aan toe dat het minstens "confused on a higher level" zou zijn en hopelijk ook "about more important things". Voor zover dat bij het begin van het debat nog het geval was, was van dat hogere niveau aan het eind van de avond weinig meer te bespeuren. 

In zijn antwoorden op vragen uit deze Kamer leek de staatssecretaris het spoor aardig bijster. Hij liet ons behoorlijk verbijsterd achter. In zijn brief van 12 februari probeerde hij wel de weg terug te vinden, maar ik kan toch nog niet zeggen dat hij daarmee ook op het rechte pad is teruggekeerd. Daarvoor is de omweg toch te groot die hij meent te moeten maken om in de brief in het geheel niet in te gaan op de kritiek van D66 op zijn wetsvoorstel. We were not amused, kan ik u zeggen. Ik dank de staatssecretaris in dit geval dan ook niet voor het niet beantwoorden van onze vragen. 

Daarom wil ik deze tweede termijn graag gebruiken om nog eens heel duidelijk te stellen wat minstens nodig is om de steun van D66 voor dit wetsvoorstel te kunnen krijgen. Om zelfs op een hoger niveau geen verwarring te laten ontstaan, beperk ik me tot de more important things, de wat D66 betreft zelfs most important things. Allereerst moet uit de Mediawet klip-en-klaar blijken dat de selectie van leden van de raad van toezicht van de publieke omroep op een volstrekt transparante en van iedere politieke invloed ontdane wijze moet plaatsvinden. De voordracht bij minister of staatssecretaris moet door een onafhankelijke commissie gebeuren en de voordracht moet bindend zijn. Mochten er — dat kan natuurlijk altijd — zeer zwaarwegende redenen zijn om toch niet tot benoeming over te gaan, dan moet daarover opening van zaken worden gegeven en is het vervolgens aan de commissie om met een nieuwe voordracht te komen. 

De raad van bestuur van de publieke omroep wordt wat ons betreft benoemd en ontslagen door de raad van toezicht van de publieke omroep. Mutatis mutandis geldt dat ook voor de RPO. Het is duidelijk dat het zowel wat de raad van toezicht als wat de raad van bestuur betreft om belangrijke veranderingen in het wetsvoorstel gaat. Het is aan de staatssecretaris om ons daarover een goed voorstel te doen, maar ik zeg daar wel uitdrukkelijk bij dat voor D66 een simpele toezegging voor verandering in de toekomst na aanname en invoering van de wet in zijn huidige vorm niet aanvaardbaar is. 

Wij hechten zeer aan een goede governance van de publieke omroep. Dat is meer dan het versterken van de sturingskracht in en van de publieke omroep. Dat "meer" omvat ook de procedures en regels om te komen tot een sturing die gevrijwaard zal zijn van invloeden die de missie en de doelstellingen van de publieke omroep instrumenteel kunnen maken voor de behartiging van andere belangen dan het voorzien in hoogwaardige publieke mediadiensten. Probeer dat maar eens te citeren! De in het wetsvoorstel voorziene versterking van de sturing door de NPO kan wat D66 betreft slechts plaatshebben na de gewenste aanpassing in de governance. Wat ons betreft kan de volgorde niet worden omgedraaid. 

Voorzitter, D66 wil graag bijdragen aan het streven naar een meer open bestel, waarin er meer kansen zijn voor nieuwe aanbieders van buiten het nu al bijna 100 jaar geleden ontstane stelsel van verzuilde omroepen. D66 wil niet bijdragen aan een overgang van verzuiling naar verpolitieking van het bestel. "Meer openheid, pluriformiteit en creatieve competitie" belooft het voorstel van wet in de aanhef. Dat hoort ook in de governance zichtbaar te zijn. Ik hoor graag van de staatssecretaris dat hij dat ook zo ziet en daarnaar handelt. 

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Schnabel. 

De beraadslaging wordt geschorst. 

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor de lunchpauze. 

De vergadering wordt van 12.40 uur tot 13.34 uur geschorst.