Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 21, item 13

13 Publieke mediadienst

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst ( 34264 ).

De beraadslaging wordt hervat. 

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Een kleine maand geleden stonden we hier voor de eerste termijn van de plenaire behandeling van de wijziging van de Mediawet. Het is goed om te horen dat ook vandaag we met z'n allen het belang delen van een sterke publieke omroep, waarin de omroeporganisaties en de NPO samen werken aan een waardevolle en pluriforme programmering voor een breed en divers publiek. Ik wil dat die sterke omroep er ook in de toekomst is. Daarvoor moet er echter wel iets veranderen. De publieke omroep moet slagvaardiger, onderscheidender en platform-onafhankelijker worden, met meer creatieve competitie en meer gezamenlijkheid. Dat is nodig om relevant te blijven voor het publiek. Al deze dingen regelen we met dit wetsvoorstel. 

In de eerste termijn werd duidelijk dat de Kamer daarvoor aanpassingen van een aantal onderdelen van de voorstellen noodzakelijk acht. Ik heb daarover toezeggingen gedaan. Ik heb deze samengevat in een brief die ik op 12 februari aan de Kamer heb gestuurd. In deze brief heb ik verschillende fracties genoemd, maar ben ik vergeten om daarbij de fractie van D66 te noemen. Dat is niet mijn bedoeling geweest. Integendeel, de toezeggingen over de benoemingen heb ik mede op basis van de inbreng van D66 gedaan. Ik heb de heer Schnabel goed gehoord toen hij in eerste termijn zei dat meer macht bij de NPO minder invloed van de overheid zou moeten inhouden om de onafhankelijkheid van de publieke media beter te kunnen garanderen. 

De inbreng van de Kamer vandaag geeft verdere aanknopingspunten voor de manier waarop deze wijzigingen vorm zouden moeten krijgen. Het gaat de Kamer concreet om drie dingen. Ten eerste gaat het om de wijze van de benoeming van de bestuurders en de toezichthouders bij de NPO en de RPO. Ten tweede gaat het om de verhouding tussen de NPO enerzijds en de omroeporganisaties anderzijds. Ten derde gaat het om de manier waarop de NPO het publiek betrekt. Ik doe daarom vanavond een voorstel tot aanvulling van de Mediawet op deze drie onderdelen. 

In mijn beantwoording sta ik allereerst stil bij deze drie onderdelen. Ook bespreek ik graag met de Kamer hoe we deze aanvullende onderdelen het beste in de Mediawet kunnen opnemen. In het tweede blok van mijn beantwoording ga ik graag in op de vragen die zijn gesteld rondom de recente benoemingen bij de NPO en NTR. Ook ga ik in dit blok in op vragen van de Kamer over enkele andere onderdelen van het wetsvoorstel, onder meer over transparantie, levensbeschouwelijke programmering, het programmastatuut, de ruimte voor jonge makers, innovatie, talentontwikkeling en de Kijkwijzer in relatie tot Ster. In het derde blok rond ik mijn bijdrage af met de beantwoording van de vragen over de regionale omroep. De Kamer vroeg onder meer aandacht voor de realisatie van de bezuinigingen voor Omrop Fryslân, voor de brief met de zorgen van Omroep Zeeland en RTV Drenthe en voor redactiestatuten. 

Meerdere Kamerleden hebben zorgen geuit over de rol van de minister bij de benoeming van bestuurders en toezichthouders van publieke media-instellingen. In de huidige benoemingsprocedures, die soms al enige tijd vastliggen, is inderdaad ruimte voor verbetering. Dat was ook de aanleiding voor de verkenning die ik eerder aankondigde. Die verkenning betreft de huidige procedures voor benoemingen in de mediasector waarbij de minister betrokken is. Ik constateer alleen dat er voor de NPO en de RPO een wens tot directere aanpassing van de procedures leeft bij de Kamer. De Kamer geeft daar grofweg twee redenen voor. In de eerste plaats maakt de sturende rol van de NPO een grotere afstand van de overheid noodzakelijk. In de tweede plaats voorkomen de huidige procedures onvoldoende de schijn van politieke inmenging. 

Deze inbreng van de Kamer levert in mijn ogen concrete aanknopingspunten voor het veranderen van de procedures. De overheid moet op grotere afstand komen van de benoemingen. Ik ben bereid om daarvoor op korte termijn aanpassingen in de wet aan te brengen. Uiteraard zal ik de eerder toegezegde verkenning naar het geheel van de benoemingen in het medialandschap, de mediasector, dit voorjaar starten. Ik zal daarbij ook de eerdere aandachtspunten van deze Kamer betrekken. De wijzigingen van de procedure voor de NPO en de RPO zullen daarbij als uitgangspunt aan de onderzoekers worden meegegeven. Tegen mevrouw Sent van de PvdA zeg ik dat ik daarbij ook onafhankelijke deskundigen — of zoals zij dat noemt "domeinexpertise" — zal betrekken. 

De aanpassingen die ik echter op dit moment al voorstel, zijn als volgt. Voor de benoeming van de raad van bestuur van de NPO en de RPO betekenen de aanpassingen kortgezegd dat het instemmingsrecht van de minister bij benoeming, schorsing en ontslag verdwijnt. Ik heb dit al toegezegd in de eerste termijn. De leden van de raad van bestuur worden direct benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht van de NPO en de RPO. Het kan zijn dat de raden van toezicht al een benoemingsbesluit moeten nemen voordat de wijziging in werking is getreden. Ik zeg toe dat ik het voorstel van de raad van toezicht integraal zal overnemen in alle gevallen, waardoor ik de facto al uitvoering geef aan deze nieuwe werkwijze. 

Voor de benoemingsprocedure voor de raad van toezicht van de NPO is mijn voorstel dat het wervings- en selectieproces volledig buiten de minister wordt gelegd. Dat betekent onder meer het volgende. De raad van toezicht benoemt zelf een onafhankelijke benoemingsadviescommissie en schakelt een wervingsadviesbureau in. De raad van toezicht stelt de functieprofielen voor de nieuwe leden op en vraagt daarover de zienswijze van onder andere de raad van bestuur, het College van Omroepen en de centrale ondernemingsraad. De raad van toezicht is daarmee ook verantwoordelijk voor een open, transparante werving. Denk daarbij aan openbare bekendmaking van vacatures in landelijke kranten, zodat iedereen er kennis van kan nemen en kan solliciteren. 

Vervolgens selecteert de benoemingsadviescommissie een of meerdere kandidaten, afhankelijk van het aantal vacatures, en geeft een bindend advies aan de minister. De minister doet alleen een marginale toets vanwege zijn ministeriële verantwoordelijkheid, voordat hij de kandidaat voordraagt voor een benoeming bij Koninklijk Besluit. Zo'n marginale toets houdt in feite in dat alleen van de voordracht wordt afgeweken bij strijdigheid met de wet, het niet naleven van de eisen van zorgvuldigheid, of andere zwaarwegende belangen. Ik vind het belangrijk dat dit vervolgens schriftelijk wordt vastgelegd, zodat er volledige openheid over bestaat. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

De staatssecretaris spreekt over een marginale toets en noemt drie aspecten. Het laatste aspect is zwaarwegende belangen. Kan hij dat iets toelichten, want zwaarwegende belangen kun je in van alles vinden. Ik ben benieuwd hoe hij dat duidt. 

Staatssecretaris Dekker:

Mevrouw Bikker heeft gelijk. Als het gaat om zwaarwegende belangen, kunnen dat geen lichte redenen zijn. Het gaat om onvoorziene omstandigheden die dermate zwaar wegen, waarvan we niet van te voren precies weten hoe ze uitwerken, maar die een goede benoeming in de weg staan. In combinatie met de schriftelijke motivatie, waardoor er dus altijd een discussie met de Kamer mogelijk is, wordt voorkomen dat daar licht over gedacht wordt. Er wordt in ieder geval politieke verantwoordelijkheid over afgelegd. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

De staatssecretaris zegt dus toe dat hij het schriftelijk toelicht aan de Tweede Kamer als uit de marginale toets ook bij de andere twee zou komen dat het niet kan doorgaan? 

Staatssecretaris Dekker:

Exact. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Die toezegging staat. Dank u. 

Staatssecretaris Dekker:

Er is nog een vraag van mevrouw Sent over het rooster van aftreden. Ik gaf al aan dat ik daarmee aan de slag ga. Als we de wet aanpassen op dit punt kan het geen kwaad om ook het rooster van aftreden wettelijk te verankeren. 

De Kamer vroeg om een verduidelijking van de verhouding tussen de NPO en de omroeporganisaties. 

De heer Atsma (CDA):

De staatssecretaris gaat over naar een volgend onderwerp, maar ik wil nog even terug naar de RPO. Ik meen mij te herinneren dat in eerste termijn verschillende fracties hebben gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot benoemingen voor de RPO. Ik heb nog geen namen gezien. Betekent dit dat deze nieuwe lijn voor de RPO, de Regionale Publieke Omroepen, alvast van toepassing wordt? 

Staatssecretaris Dekker:

Dat is niet het geval. Dat kan ook niet, omdat er nog geen raad van toezicht van de RPO is. Als wij de benoemingsprocedure in handen van een raad van toezicht willen geven, wat bijvoorbeeld wel kan bij de NPO omdat daar al een raad van toezicht is, zal er een keer een eerste raad van toezicht voor de RPO moeten worden benoemd. In mijn ogen moet dat zorgvuldig gebeuren met een onafhankelijke benoemingscommissie, met onafhankelijke profielen en met openbaarheid van profielen. We zullen hierbij de noodzakelijke zorgvuldigheid betrachten. 

De heer Schnabel (D66):

Stel dat het misgaat. Stel dat er zwaarwegende belangen zijn, waarvan de staatssecretaris of zijn opvolger zegt dat dit echt niet kan. Wat gebeurt er dan? Ik zei vanmorgen dat het mij belangrijk lijkt dat dit helder is. Mijn voorstel was dat de commissie dan opnieuw aan het werk moet. Het is best een punt hoor, als blijkt dat er zulke zwaarwegende belangen zijn die niet van tevoren gezien zijn. Het lijkt bijna een theoretische situatie. Laten we er echter vanuit gaan dat elke theoretische situatie een keer in de praktijk voorkomt en dat er dan een oplossing moet zijn. Mijn voorstel was vanmorgen dat de commissie in dat geval opnieuw aan het werk gaat. Het moet niet zo zijn dat de staatssecretaris of de minister nog wel een aardig iemand weet voor wie geen zwaarwegende belangen gelden om niet benoemd te worden. Ik chargeer het een beetje, maar ik wil graag helderheid hierover. 

Staatssecretaris Dekker:

De heer Schnabel noemt een heel terecht punt. Het zou in dat geval te gemakkelijk worden om iemand af te wijzen, zodat de bewindspersoon toch iemand van zijn of haar gading naar voren kan schuiven. Eigenlijk moet de gehele procedure opnieuw doorlopen worden. Waarschijnlijk zal de raad van toezicht zich ook achter de oren krabben en zich afvragen hoe hij ervoor kan zorgen dat het de tweede keer wel goed verloopt. 

Ik wil ingaan op de verhouding tussen de NPO en de omroeporganisaties. Dat is immers een thema dat heel veel woordvoerders tijdens het debat hebben benoemd. De Kamer vroeg om een verduidelijking in de verhoudingen. De regering ziet het versterken van de rol van de NPO, uiteraard met het behoud van de unieke kracht van de omroeporganisaties, als een voorwaarde om meer gemeenschappelijkheid te bereiken. Dat is een belangrijk uitgangspunt in het wetsvoorstel. Ik ben het er tegelijkertijd mee eens dat er geen onduidelijkheid mag zijn over de kaders waarbinnen de NPO zijn sturende taak uitvoert en de verhouding tot de verantwoordelijkheden van de omroepen. Daarom ben ik bereid om dit in de wet te verduidelijken. Ik stel voor om in de wet op te nemen dat de NPO zijn sturende rol verricht op basis van de gezamenlijke afspraken en strategie. Deze worden beschreven in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, de profielen van de aanbodkanalen en het coördinatiereglement waaronder de jaarplannen vallen. Bij de totstandkoming van al deze kaders en documenten zijn ook de omroeporganisaties betrokken. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

De staatssecretaris zegt dat hij op dat punt een aanpassing van de wet wil. Ik neem aan dat hij die aanpassing doet om te voorkomen dat we steeds weer discussie hebben over de inhoud van het begrip "sturing" en over het feit dat het steeds meer kan worden. Het tweede deel van de discussie is telkens de vraag waar de omroepen over gaan. Hoe borgt de staatssecretaris artikel 2.88, dat gaat over de zelfstandigheid van de omroepen, als het gaat om de inhoud en de vorm? Ook als het begrip "sturing" wordt ingekaderd, waar hij nu een begin mee maakt, kan de kant van de omroepen nog steeds verwateren. 

Staatssecretaris Dekker:

Mevrouw Bikker noemt een terecht punt. Ik stelde daarnaast voor dat in de wet geëxpliciteerd wordt dat de NPO rekening moet houden met de vrijheid en de verantwoordelijkheid van de omroeporganisaties voor de vorm en de inhoud van het media-aanbod. Dit kan door op te nemen dat de NPO artikel 2.88 van de Mediawet in acht moet nemen. We kaderen de verhoudingen dus eigenlijk wat duidelijker in. We vertellen waar de NPO over gaat, maar ook waar zijn verantwoordelijkheid ophoudt en wanneer hij het stokje moet overdragen aan de omroepen. De NPO gaat over inhoudelijke kaders aan de voorkant, maar als er een goede afspraak over gemaakt is, is het de verantwoordelijkheid van de omroep om er een mooi programma van te maken. 

De voorzitter:

Mevrouw Bikker wilde nog reageren. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat klinkt heel goed. Ik zou dat wel graag uitgeschreven zien. Nu wordt het snel in een opsomming opgenomen, maar ik hoop dat de staatssecretaris later nog even op de procedure komt van wat hij nu toezegt. We hebben afgelopen week allemaal een brief gezien, waarin de NPO en een gedeelte van de omroepen het eens werden en die betrekking heeft op hetgeen wij vandaag wisselen. Zegt de staatssecretaris dat hetgeen is afgesproken een veel sterker wettelijk kader krijgt, maar dat het precies de afspraken raakt zoals die daar liggen? Anders krijgen we de discussie weer opnieuw. Ik wil dat even goed scherp hebben. Het zou me een lief ding waard zijn als we daarna ook klaar zijn met de discussie. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik denk dat we allemaal graag in een fase willen komen waarin we kunnen zeggen: nu is het klaar, nu gaan we aan de slag. Ik ben zelf heel erg blij dat partijen in Hilversum ook zelf actie hebben ondernomen en afspraken hebben gemaakt over de uitwerking van het wetsvoorstel. Dat staat in de brief die de Kamer onlangs heeft ontvangen. Ik onderschrijf die afspraken volledig. Ik vind het goed dat we een stap verder zijn gekomen, ten opzichte van de eerdere brief die zij in september al aan de Kamer hebben geschreven. In mijn ogen sluiten ze goed aan bij de aanpassingen in de wet die ik zojuist heb voorgesteld. Je legt het dan dus eigenlijk op twee plekken vast. Je zou kunnen zeggen: dubbel gestikt houdt beter. Dan weten we in elk geval zeker waar we aan toe zijn. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Ik wil het toch nog wat scherper krijgen. Het is mooi dat de omroepen en de NPO met elkaar een brief hebben geschreven waarin zij uitleggen hoe zij gaan werken. Dat vind ik allemaal fantastisch, maar het begint met wat er in de wet staat. De staatssecretaris begon zijn beantwoording net met het concessiebeleidsplan en andere producten die omroepen en NPO met elkaar maken. Ik wil dat graag omdraaien en daar geen misverstand over laten bestaan: de kaders worden geschetst door wat er in de wet staat en op basis daarvan gaan CvO en NPO met elkaar aan slag, maar niet in de omgekeerde volgorde. Ik hoop dat de staatssecretaris dat bedoelde. Als dat niet zo is, heb ik een vervolgvraag. 

Staatssecretaris Dekker:

Dat is volledig wat ik bedoel. Daarom begon ik ook met aangeven wat we in de wet kunnen expliciteren. Ik ben alleen heel erg blij om te zien dat de brief die de NPO en een groot deel van de omroepen nu hebben gestuurd daar eigenlijk heel goed in past en daar op een aantal onderdelen nog weer een verdere operationalisatie van geeft. In die zin begint het bij de wet. Die wet — mevrouw Bikker heeft dat volgens mij goed aangegeven — kon op dit punt duidelijker, om daar geen misvattingen over te laten bestaan. Nu ligt er ook nog een brief waarin wordt aangegeven dat men langs deze lijn verder gaat en dat is alleen maar heel erg mooi. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik heb een verduidelijkende vraag. Ik hoor de staatssecretaris een aantal keren spreken over aanpassingen van de wet. Kan hij nog eens verduidelijken hoe dat dan procedureel gaat? Betekent dit dat deze wet wordt aangepast en dus weer naar de Tweede Kamer gaat of komt er nog een wet? 

Staatssecretaris Dekker:

Als de Kamer het mij toestaat, zou ik dit punt even willen afmaken en ook het punt van publieksbetrokkenheid. Ik heb een aantal leden namelijk horen zeggen dat dat nog zou moeten terugkomen in een aanvulling in de wet. Die punten zou ik willen doorlopen en dan zou ik een procedurevoorstel willen doen voor hoe we dat in mijn ogen kunnen realiseren. Dan kom ik bij de vraag hoe we dat uiteindelijk in de wet gaan krijgen. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik ben het daar eigenlijk niet mee eens. De staatssecretaris doet hier een aantal toezeggingen. Als die straks in een wet hun beslag gaan vinden, wil ik daar over mee kunnen discussiëren en debatteren. Ik wil daar ook input voor geven. Ik wil graag nu van de staatssecretaris weten of hij met een novelle gaat komen of niet. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik heb een ander voorstel dan met een novelle komen en daar kom ik straks graag op terug. Ik denk dat we op een andere manier de belangen die hier in de Eerste Kamer naar voren worden gebracht kunnen dienen met het wetsvoorstel, zonder dat het hoeft te worden opgehouden. Dat zou namelijk zeer nadelige gevolgen hebben voor het tempo waarmee in de regio aan de slag kan worden gegaan om vaart te maken met de reorganisatie die nodig is om de bezuiniging op te vangen. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Dan vraag ik de staatssecretaris om nu te benoemen welke procedure hij wil volgen, zodat we daarover kunnen debatteren. Dit is namelijk volgens mij een novum. 

De voorzitter:

Mijnheer Atsma, hebt u een vraag over hetzelfde punt? 

De heer Atsma (CDA):

Ja, voorzitter. Ook de CDA-fractie wil graag weten welke procedure de staatssecretaris voor ogen heeft. Het lijkt me handig, ook gelet op de vragen van de collega van GroenLinks en anderen, om te weten waar we het over hebben. Als iedereen het in een wet wil zien en de staatssecretaris dat niet wil en een ander idee heeft, horen wij graag eerst dat idee even van hem. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik hoor steun in deze Kamer voor de uitgangspunten van het wetsvoorstel dat wij vandaag hebben besproken. Tegelijkertijd constateer ik dat er bij verschillende fracties nog zorgen leven. De voorgestelde aanpassingen van de Mediawet kan ik regelen via een aanvullend wetsvoorstel, dat ik voor het zomerreces in deze Kamer hoop te behandelen. Ik streef er in elk geval naar om het nog deze maand in de ministerraad te behandelen. Bij de aanvaarding van dit wetsvoorstel — ik maak het even af — zullen op korte termijn alleen de artikelen in werking treden die betrekking hebben op de regionale omroep, zodat we daar tempo mee kunnen maken. De overige artikelen, de artikelen die betrekking hebben op de landelijke publieke omroep, zullen pas in werking treden nadat de Eerste Kamer heeft ingestemd met de aanvullende wet die zij voor het zomerreces kan verwachten. Zo vinden we volgens mij een balans tussen de noodzakelijkheid die er nu is voor de regionale omroepen om met deze wet verder te gaan en het respecteren van de wens van de Kamer om de Mediawet pas in zijn geheel in te laten gaan zodra de aanvullingen per wet zijn geregeld. 

De heer Atsma (CDA):

Dit lijkt, met alle goede bedoelingen die de staatssecretaris heeft, toch wel een beetje op een rommeltje, want ik neem aan dat ook de Tweede Kamer weer in dit proces moet worden betrokken. Het kan toch niet zo zijn dat hij nu even een deal met de Eerste Kamer maakt, hoe belangrijk wij onszelf wellicht ook vinden? Hij zal ook met de Tweede Kamer hierover moeten praten. Ik vraag me overigens in alle oprechtheid af of het maken van een knip bij de inwerkingtreding van de wet zomaar kan. Ik ben sowieso wel benieuwd wat bijvoorbeeld de Raad van State daarvan zal vinden. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe hij daarover oordeelt. 

De voorzitter:

Mevrouw Teunissen heeft aansluitend nog een vraag op dit punt. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Het lijkt of de staatssecretaris verstrikt is geraakt tijdens alle gesprekken die hij in de tussentijd heeft gevoerd met alle partijen die zijn uitgenodigd in dit huis. Wij krijgen nu zaken te horen als "dit gaan wij nader uitwerken" en "dat gaan wij nader uitwerken". Wij voeren echter nu het debat en wij hebben baat bij duidelijkheid over de vraag waarover wij kunnen debatteren. Heel veel partijen hebben niet deelgenomen aan de gesprekken in dit huis. Kan de staatssecretaris in een brief een verslag geven van de gesprekken die in de tussentijd zijn gevoerd? Ik ben er wel benieuwd naar. Dan kunnen wij die nog voor de stemmingen bekijken en daarop ons oordeel baseren. Ik krijg graag een toezegging. 

Staatssecretaris Dekker:

Er zijn geen verslagen van de vele gesprekken die ik heb gevoerd. Daar was de aard ervan ook niet naar. Ik kan er wel voor zorgen dat er voor de stemmingen van 8 maart een brief ligt in de Kamer waarin ik zwart-op-wit uiteenzet wat ik hier zojuist heb toegezegd en straks ook nog zal toezeggen. Ik was namelijk nog niet helemaal klaar met mijn voorstel. Daar zitten ook nog de aanpassingen ten aanzien van de benoemingen in, de verduidelijking van de relatie tussen de NPO en de omroepen, de publieksbetrokkenheid alsmede de gefaseerde inwerkingtreding van het wetsvoorstel, het tijdpad van het aanvullende wetsvoorstel in relatie met het wetsvoorstel ten aanzien van de regionale omroepen. Op die manier kan in mijn ogen voor de stemmingen duidelijkheid bestaan over mijn voorstel en kan de Kamer dit in alle rust bekijken en betrekken bij de afweging op 8 maart. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Volgens mij heeft deze Kamer heel duidelijk gezegd dat zij aanpassingen wil op het wetsvoorstel zoals dat hier nu ligt. De staatssecretaris suggereert nu dat hij garanties kan geven. Hij zegt dat hij komt met wetswijzigingen. Kan hij mij vertellen hoe hij de Kamer kan garanderen dat die wetswijzigingen het in de Tweede Kamer zullen halen? Daar lagen immers de stemverhoudingen totaal anders dan hier. Hoe weet de staatssecretaris dat? Heeft hij ergens een glazen bol? Zo ja, dan zou ik die graag even willen consulteren, want ik heb nog wel wat vragen over de toekomst. 

Staatssecretaris Dekker:

Of de stemverhoudingen in de Tweede Kamer heel anders lagen dan hier dat weet ik nog niet, want hier hebben nog geen stemmingen plaatsgevonden. Ik heb er goed vertrouwen in dat een aantal van deze verduidelijkingen van en aanvullingen op de wet ook daar in goede aarde zullen vallen. Ik heb zojuist toegezegd dat ik de wet niet in werking zal laten treden, althans de onderdelen die betrekking hebben op de landelijke publieke omroep, alvorens die verduidelijkingen en aanpassingen door de Eerste Kamer zijn gegaan. We moeten dat traject dus wel netjes doorlopen, van ministerraad, Raad van State, Tweede Kamer en Eerste Kamer. Dat kan met grote spoed, net zo goed als dat het met een novelle altijd heel erg snel kan. Dit is in mijn ogen een elegante manier om ervoor te zorgen dat we met het onderdeel dat voor de regio echt nodig is snel tempo kunnen maken. 

De voorzitter:

Mevrouw Gerkens, kom tot uw punt. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Een elegante manier voor de Eerste Kamer is een novelle. Dit is geen elegante manier. Ik begrijp echter van de staatssecretaris dat hij er alle vertrouwen in heeft dat het goed gaat komen en dat hij in de tussentijd die onderdelen van de wet buiten werking stelt. Stel nu dat het niet goed komt. Wat gebeurt er dan? 

Staatssecretaris Dekker:

Als het niet goed komt, treden die onderdelen niet in werking. Ik kan dat zwart-op-wit in het inwerkingtredingsbesluit laten meenemen. 

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Gerkens. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Waarom dan niet gewoon een novelle? 

Staatssecretaris Dekker:

Het antwoord daarop is dat de regio bepaalde onderdelen in het wetsvoorstel heel hard nodig heeft om snel aan de slag te kunnen gaan. Verder zijn ze nodig om een knip te kunnen maken als het gaat om de inwerkingtreding. 

De voorzitter:

Ik moet even goed op de volgorde letten, want er staat hier een hele club. We beginnen met de heer Schnabel. 

De heer Schnabel (D66):

De staatssecretaris maakte net een heel belangrijke opmerking. Die heb ik graag wat scherper. Eigenlijk ging de staatssecretaris er eerst vanuit dat het in de Eerste Kamer terug zou komen nadat het in de Tweede Kamer goed zou zijn geregeld, zodat de Eerste Kamer zou krijgen wat zij graag heeft. Tegelijkertijd is het punt van mevrouw Gerkens natuurlijk heel belangrijk. Eigenlijk moet ik dat andersom formuleren. Stel dat het de staatssecretaris niet lukt om in de Tweede Kamer geregeld te krijgen wat hier in de Eerste Kamer voorgesteld wordt, blijft er dan in feite van de wet alleen een wet op de RPO over? Maakt de staatssecretaris dan toch van zijn macht gebruik om het deel over de NPO alsnog zonder veranderingen in te voeren, hoe jammer ook voor de Eerste Kamer? Het lijkt mij belangrijk dat de staatssecretaris nog even heel klip-en-klaar duidelijk maakt dat dat niet het geval is en dat hij alleen een soort rompwet voor de RPO overhoudt. Klopt dat? 

Staatssecretaris Dekker:

Daar mag de heer Schnabel mij aan houden, al gaan we dan uit van het worstcasescenario dat de Tweede Kamer zich hierin niet zou kunnen vinden. U kunt zich ook voorstellen dat ik mij de afgelopen dagen heb kunnen beraden en mij heb verstaan met een aantal woordvoerders in de Tweede Kamer over de vraag of dit soort dingen bij de Tweede Kamer in goede aarde vallen. Ik heb er het vertrouwen in dat we dat voor de zomer hier ook in de Eerste Kamer kunnen krijgen, wat impliceert dat het ook al door de Tweede Kamer is. Natuurlijk moet dat daar nog zorgvuldig gebeuren. Mocht het onverhoopt niet goed gaan, dan vallen we terug op het scenario van de heer Schnabel. Ik heb er wel vertrouwen in. 

De heer Schnabel (D66):

Dat staat genoteerd. Dank u wel. 

De heer Nagel (50PLUS):

Ik heb voor de staatssecretaris een suggestie, want ik vind dat de politiek hier onnodig ingewikkeld wordt gemaakt. Ik begrijp goed dat de staatssecretaris zegt dat de artikelen over de regionale omroep urgent zijn en in werking moeten treden. Wat let hem om te verhinderen dat de Eerste Kamer moet instemmen met een kreupele wet? Hij doet de ene toezegging na de andere over wat er moet veranderen. Je kunt een Eerste Kamer die zorgvuldigheid moet betrachten toch niet vragen om in te stemmen met een wet die zoveel wijzigingen kent? Mijn oplossing zou zijn dat de staatssecretaris alle artikelen voorlopig intrekt en alleen de regionale artikelen doet. Dan bereikt hij hetzelfde effect. En is hij klaar met de Tweede Kamer, dan kunnen we hier verder. Dat is de enige logische, politiek correcte en fatsoenlijke weg. 

Staatssecretaris Dekker:

Het voorstel van de heer Nagel kan in theorie, maar het is een illusie om te veronderstellen dat dat snel kan. Ook dat vergt namelijk een wetsaanpassing die eerst door de ministerraad, dan door de Raad van State en daarna door de Tweede Kamer moet. Dat leidt tot hetzelfde oponthoud als de novelle. 

De heer Nagel (50PLUS):

Het oponthoud is inderdaad hetzelfde. Daarover zijn wij het eens. Het is gewoon niet correct om een verkeerde wet aan te nemen. De staatssecretaris kan de dingen die hij nodig heeft door laten gaan en de dingen die niet deugen in hetzelfde tijdstraject dat hij nu ook moet ingaan, afhandelen. Dan behoedt hij de Eerste Kamer voor instemming met iets wat niet kan. De wet is kreupel, doordat de staatssecretaris met zoveel wijzigingen komt. Hij mag dat niet eens vragen, vind ik! 

Staatssecretaris Dekker:

Ik zie de emotie bij de heer Nagel. Het vellen van een oordeel over de wet zoals hij er nu ligt, is natuurlijk aan iedere fractie, aan ieder lid van deze Eerste Kamer. Ik denk dat het voldoende doorwrocht is om er een uitspraak over te vragen van de Eerste Kamer. Wat ik beoog kan niet in hetzelfde tempo het traject doorlopen dat de heer Nagel voorstelt. Dat kost namelijk echt drie, vier maanden vertraging in de aanloop naar de zomer. Dat zou ik echt doodzonde vinden voor de snelheid die nu nodig is om ervoor te zorgen dat de regio klaar is voor de bezuinigingen die in 2017 ingaan. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

De heer Schnabel liet net een worstcasescenario passeren: de Tweede Kamer gaat niet akkoord. De staatssecretaris heeft gezegd dat in dat geval alleen het gedeelte van de RPO blijft staan en dat de rest afvalt. Er is ook een ander scenario dat de staatssecretaris en misschien meer mensen hier niet prettig vinden: het kabinet valt. Ook dan hebben we de situatie dat er een stukje wet ligt, om het zo maar te zeggen. Ik hecht er zeer aan dat de staatssecretaris zwart-op-wit zet dat de hele Mediawet voor het stuk dat vervalt echt alleen van toepassing wordt op het moment van aanvaarding en inwerkingtreding van de aanpassingen die hij voorstelt. Kan hij dat zwart-op wit-zetten? Ik heb zo nog een tweede vraag. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik zal dat zwart-op-wit zetten. Ook dit is een worstcasescenario. Mocht het zich voordoen en vertrekt het kabinet, dan is deze Eerste Kamer nog niet vertrokken. De toezegging die ik gedaan heb, is dan ook geen persoonlijke toezegging, maar een toezegging gedaan in functie. Daaraan kunt u mijn opvolger ook houden. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat is scherp. 

Het tweede punt is dat de staatssecretaris het RPO-verhaal wil laten doorgaan. Wil hij steviger toelichten waarom het zo belangrijk is dat het doorgaat? Wil hij daarbij ook de vraag betrekken hoe het verder moet met de RPO? Daarop kwam hij in zijn derde termijn. Mijn zorg is dat we dit nu aannemen en dat het echt een rompwet blijft. Het andere wetsvoorstel dat nog moet volgen, moet namelijk ook inhoud hebben om hier wat van te maken. 

Staatssecretaris Dekker:

Dat klopt. Daarom is er ook goed nagedacht over de aanpassingen, de verduidelijking en de aanvulling die we op het wetsvoorstel kunnen maken. Daar hebben natuurlijk wel gesprekken over plaatsgevonden. Op een gegeven moment voel je of dat kan rekenen op draagvlak. In mijn ogen is dat zo. Dat scheelt natuurlijk wel in het traject dat we in de komende drie, vier maanden naar de zomer toe gaan doorlopen. 

De vraag is waar nu tijdsdruk achter zit. Vanaf 1 januari gaan de bezuinigingen in voor de regio. De regio heeft een plan gemaakt om in gezamenlijkheid een aantal dingen te organiseren. Ik vind dat ze daar echt haar nek voor heeft uitgestoken. Door die dingen raken de bezuinigingen de programmering zo min mogelijk. Iedere maand die we nu kwijtraken, neemt de financiële druk toe. Ik zie dat er in de regio grote onzekerheid is, ook bij het personeel. Dat vraagt om duidelijkheid, zodat het weet waar het aan toe is. Het personeel wil graag door. Ik geef het die zekerheid graag. 

De heer Atsma (CDA):

De staatssecretaris heeft toch in eerste termijn toegezegd dat hij de financiële consequenties van het uitstel draagt zolang de wet niet in finale stemming is gebracht? Ik neem aan dat de staatssecretaris nog steeds pal staat voor zijn uitspraak over de regionale omroep en de financiële consequenties. Als hij zegt dat het een maand of twee langer moet duren en dat consequenties heeft, dan staat hij toch ook in voor de financiële gevolgen? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik sta nog steeds voor die woorden. Dat heb ik ook zo gedeeld met de regio. Die heeft natuurlijk al vertraging opgelopen. In mijn ogen moeten we extra vertraging, die in die zin nog meer kosten oplevert, voorkomen. Daarbovenop zie ik dat er sprake is van grote onzekerheid. De regionale omroepen en het personeel dat daarvoor werkt hebben een plan ingediend. Ze hebben gevraagd of ze daarmee door kunnen. Ik hoop dat u net zoals ik vindt dat de politiek verantwoordelijk is voor het geven van helderheid daarover. Op deze manier kan dat in mijn ogen goed. 

De heer Atsma (CDA):

Dan blijft het natuurlijk de vraag aan wie die vertraging ligt. Misschien is het een idee dat de staatssecretaris daarop zelf antwoord geeft. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik constateer dat deze parlementaire behandeling langer heeft geduurd. Aan wie ligt dat? Ik heb steeds gezegd dat het mij goed leek dat we er de tijd voor namen. Als er in de Eerste Kamer veel vragen leven, moeten we er geen haastklus van maken, maar er iets langer de tijd voor nemen. Volgens mij hebben we dat de afgelopen weken gedaan, maar komen we langzaam maar zeker tot het moment waarop de standpunten helder zijn en er een uitspraak van de Eerste Kamer kan worden gevraagd. 

De voorzitter:

Ik ga de volgorde volgen van de file die hier staat. Mevrouw Teunissen. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik hoor de staatssecretaris eigenlijk zeggen: we gaan eerst de wet aannemen en wat daarna gebeurt, is een kwestie van vertrouwen. Waar baseert de staatssecretaris dat vertrouwen op? Hier in huis zingt rond dat de staatssecretaris zou hebben gezegd dat er al 40 zetels binnen zijn. Heeft de staatssecretaris dat echt gezegd? Wordt hier geen schijnvertoning opgevoerd, ook voor de mensen op de tribune? Heeft het zin dit debat verder te voeren? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik kan me die uitspraak niet herinneren. Maar ik spreek natuurlijk wel met verschillende fracties om te kijken of mijn lijn op steun kan rekenen. Dan komt uiteindelijk alles samen in een debat. Of de toezeggingen die ik hier doe helder genoeg zijn voor iedereen, zodat iedereen daar volmondig ja tegen kan zeggen, weet ik niet. Ik wil straks graag nog een aantal toezeggingen doen, want ik heb het lijstje nog niet af kunnen maken. 

De voorzitter:

Kort, mevrouw Teunissen, gevolgd door de heer Lintmeijer en mevrouw Sent. Dan geef ik de staatssecretaris de gelegenheid om zijn betoog te vervolgen en zijn toezeggingen verder aan ons te kunnen vertellen. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Dat is een heel goed idee. Mij lijkt het veel handiger dat we die verheldering krijgen, dat ze ook transparant wordt en dat de gesprekken die de afgelopen tijd zijn gevoerd, voor het publiek transparant zijn. Waarom dan niet gewoon een nieuw voorstel met heldere afspraken naar de beide Kamers? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik denk niet dat het nodig is om met een heel nieuw voorstel te komen, want het wetsvoorstel ligt er en het is zoals het is. Daarop komt een aanvulling als het gaat om de benoemingen. Ik kan die zwart-op-wit zetten, zodat u zich daarover een goed oordeel kunt vormen. De aanvulling bevat een verduidelijking van de relatie tussen de NPO en de omroepen. Ook die kan ik zwart-op-wit zetten, zodat u daarvan voor de stemmingen iets kunt vinden. 

De voorzitter:

Echt tot slot op dit punt, mevrouw Teunissen. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Het is goed dat die aanvulling zwart-op-wit komt te staan. Maar is ze dan ook openbaar? 

Staatssecretaris Dekker:

Uiteraard. Ik stuur die brief aan de Eerste Kamer, en die brief is openbaar. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Als ik het goed begrijp, zegt de staatssecretaris: er komen straks, onder voorbehoud van de stemmingen die nog worden gehouden, twee nieuwe uitwerkingen van wetten, eentje voor de RPO die nog verder moet worden ingevuld op basis van het kader dat nu in de Mediawet voorstaat en eentje die regelt dat de wijzigingen die deze Kamer graag wil, via de Tweede Kamer ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Ik mag hopen dat dat wel twee gescheiden trajecten worden. In deze Kamer is eerder een motie aangenomen waarmee gevraagd wordt te voorkomen dat allerlei onderwerpen met elkaar worden verknoopt, waardoor het lastig wordt het geheel te beoordelen. In zo'n situatie zitten we feitelijk nu ook. Ik doe echt een dringende oproep aan de staatssecretaris om in alle samenhang die er is twee transparante, onderscheiden wetstrajecten te maken, zodat de Tweede Kamer, maar zeker ook deze Kamer ze beide op hun eigen merites kunnen beoordelen. Dan komen we niet opnieuw in een situatie waarin onderdelen moeten worden uitgesteld of juist niet moeten worden uitgesteld et cetera. Ik zou bijna zeggen: een hartenkreet om het scherp, eenduidig en transparant te regelen, zodat de Kamers beide voorstellen op hun merites kunnen beoordelen. 

Staatssecretaris Dekker:

De zojuist door mij opgesomde aanpassingen wil ik niet belasten met allerlei andere zaken die nog geregeld moeten worden. Ik zal dat doen in een zeer beknopt wetsvoorstel, wat ook nodig is als we daar spoed achter willen zetten. Dan moet het niet te ingewikkeld zijn. Ik kan meegaan in uw betoog. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb de staatssecretaris in een bijzin iets horen zeggen wat mij zorgen baart. Zijn uitgangspunt lijkt te zijn dat de regionale programmering zo min mogelijk wordt geraakt. Misschien komt hij hierover nog te spreken, want ik heb hem de toezegging gevraagd dat het behoud van kwalitatief goede en onafhankelijke journalistiek in de regio gewaarborgd dient te worden. Komt hij daar nog op? 

Staatssecretaris Dekker:

Jazeker. Ik heb nog een heel blok over de regio. Daarbij zal ik ook uitvoerig op dit punt ingaan. 

De voorzitter:

Ik geef u nu de gelegenheid om even vooruit te komen. Ik verzoek de leden even piano, piano met interrupties te zijn. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik ga terug naar de drieslag waarmee ik bezig was, te weten een aantal aanpassingen die ik meeneem in een aanvullend wetsvoorstel. We waren gebleven bij de relatie tussen NPO en omroepen, de wet en de brief die daarop aansluit. De Partij voor de Dieren vroeg hoe het zit met de net- en genrecoördinatoren. Zij zijn onderdeel van de NPO, zodat ze altijd gehouden zijn aan de wet. Ik ga ervan uit dat ze ook zijn gehouden aan de brief, want die is ondertekend door de NPO. Net- en genrecoördinatoren werken onder hun mandaat. De brief wordt onderdeel van het coördinatiereglement. Dat betekent dat, als partijen zich niet aan de afspraken uit de brief of de wet houden, beroep en bezwaar open staan voor de omroepen. Gelukkig komt dat in de praktijk nauwelijks voor. De afgelopen twee jaar was dat maar een of twee keer. Het is natuurlijk niet de bedoeling om het hele programmeerproces te juridificeren, maar het is wel goed dat er een mogelijkheid voor beroep en bezwaar open staat, zodat de wet en de afspraken in regelingen daadwerkelijk kunnen worden gehandhaafd. De brief biedt, in samenhang met mijn voorstel tot aanvulling in de wet, helderheid voor de manier waarop afspraken met externe partijen tot stand komen. Op het moment dat de afspraken er liggen en de keuze is gemaakt dat een omroep het programma gaat maken, wordt het stokje overgedragen en bemoeit de NPO zich hier niet meer mee. Achteraf, dus na het uitzenden van een programma — dit in antwoord op een vraag van de heer Atsma — kan er dan een gesprek plaatsvinden in de verschillende redacties waar omroepen en NPO bij betrokken zijn. Dat wordt in de brief aangestipt. 

Er ligt een motie van het CDA. Die motie gaat ook over de verhouding tussen omroepen en de NPO, maar ze gaat eigenlijk nog een stap verder. De motie vraagt niet alleen om een inkadering van de taken van de NPO, wat ik nu voorstel om in de wet op te nemen, maar ook om een verabsolutering van de vrijheid en de ruimte van de omroeporganisaties, zonder enige vorm van sturing. Dat druist in tegen het doel van dit wetsvoorstel. De NPO krijgt bijvoorbeeld de bevoegdheid om voorstellen van externe partijen binnen te halen, zodat de pluriformiteit en diversiteit van de programmering kunnen worden vergroot. Als afspraken zijn gemaakt tussen NPO en omroepen over netprofielen, is het aan de omroep om zich aan deze afspraken te houden. Dat gaat dus altijd om het samenspel tussen die twee. De motie gaat ook verder dan wat de omroepen en de NPO samen in een brief hebben afgesproken, moet ik constateren. Daarom ontraad ik deze motie. Desalniettemin heb ik de indruk dat met deze concretisering in de wet, waarvan ik het idee heb dat er brede steun voor is, ook wel enige zorgen van het CDA kunnen worden weggenomen. 

De voorzitter:

Is het heel dringend, mijnheer Atsma? 

De heer Atsma (CDA):

Ja. Ik werd namelijk aangesproken door de staatssecretaris. Kan ik hem in dit geval om een paar verduidelijkingen vragen? Hij heeft het over een verabsolutering. Kan de staatssecretaris aangeven waar dat staat in de motie? Heeft hij moeite met het dictum van de motie? Want als ik vanmorgen goed heb geluisterd naar collega Bikker van de ChristenUnie, heeft zij eigenlijk exact hetzelfde gezet. Zij vroeg, sterker nog, om een novelle. Waar zit het verschil? Wat vindt de staatssecretaris van het dictum? Dan laten we de overwegingen even terzijde. 

Staatssecretaris Dekker:

Mijn probleem zit hem deels in de overwegingen, waarin allerlei veronderstellingen worden gedaan, die vervolgens weer effecten hebben op het dictum. Wij lezen dat, en alles wat daarvoor staat. Daarin staat dat de omroepen alle ruimte krijgen om programma's te produceren en uit te zenden. Terwijl we juist met dit wetsvoorstel, ook in concretisering van de afspraken in de wet en in de brief van de NPO en de omroepen, het samenspel beogen, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, de NPO en de omroepen. In de motie wordt echt wat anders gevraagd. 

De heer Atsma (CDA):

Dan leg ik bij dezen een gewijzigde motie aan de Kamer voor, waarbij ik de overwegingen één en twee laat vervallen en in het dictum het woordje "alle" schrap. Ik wil de voorzitter vragen om de motie voor te lezen. Bij dezen dien ik de gewijzigde motie in. 

De voorzitter:

En de rest van het verhaal blijft staan? U ging toch overwegingen schrappen, of zeg ik dat verkeerd? 

De heer Atsma (CDA):

Ja, de overweging … 

De voorzitter:

Dan wordt het toch een andere motie. We laten het uitwerken. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik wil nog even terug. Ik heb de staatssecretaris eerder een goede toezegging horen doen over de wijze waarop hij de wettelijke inkadering voor ogen heeft. Maar door de vraagstelling van de heer Atsma hoorde ik de staatssecretaris nu zeggen dat het gaat om het vastleggen van het samenspel. Terwijl we juist, ook in antwoord op de vraag van de heer Lintmeijer, met elkaar hebben gezegd dat de wet vooropgaat en dat de spelregels volgen. Ik deel dat van harte. De wet moet bepalen dat de wettelijke inkadering van de sturingsrol van de NPO in orde is, zodat we daar geen discussie over hebben, en dat artikel 2.88 onverminderd geldt voor de omroepen bij die sturende taak. Voordat we nu weer helemaal opnieuw beginnen met waar we ooit waren, hoop ik dat de staatssecretaris dit wel kan bevestigen. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik heb hier geen woord aan toe te voegen, maar dat laat onverlet dat wat de heer Atsma in zijn dictum vraagt, echt nog wel een stapje verdergaat dan dat. Mijn probleem zit hem ook niet zozeer in de eerste twee overwegingen, maar wel in de derde overweging, die een enorme tegenstelling impliceert. 

Dan kom ik bij het derde punt. Ik heb al wat gezegd over benoemingen en over de relatie tussen de NPO en de omroepen. Het derde punt is de publieksbetrokkenheid door de NPO. Ik vind het van belang dat de NPO in gesprek gaat met het gehele publiek, in aanvulling op de publieksbetrokkenheid door de omroeporganisaties, die die betrokkenheid traditioneel natuurlijk al hebben als ledenorganisaties. Omroepen betrekken op dit moment vanuit hun missie en identiteit hun leden, kijkers en luisteraars. Dat is en blijft heel belangrijk en dat vormt de basis van het bestel. De NPO krijgt in het huidige wetsvoorstel de aanvullende taak om het gehele publiek te betrekken. Niet iedereen is immers lid van een omroep. Het wetsvoorstel laat de manier waarop de NPO invulling geeft aan deze taak geheel vrij. De Kamer uitte de zorg of hiermee wel is verzekerd dat het publiek ook daadwerkelijk wordt betrokken en of er wel wordt gezocht naar een representatieve afspiegeling van de maatschappij. Ik meen dat de heer Lintmeijer dat in zijn betoog het meest pregnant heeft gedaan. Om dit te verzekeren, ben ik bereid om de NPO in de wet expliciet de taak te geven om een representatieve publieksvertegenwoordiging te organiseren. De manier waarop de NPO deze publieksvertegenwoordiging organiseert, kan divers zijn. We moeten de NPO de ruimte bieden om te experimenteren. Te denken valt bijvoorbeeld aan publiekspanels die zorgen voor een directe respons op de programmering en op het beleid. Je kunt ook denken aan publieksenquêtes en sociale media. Daarnaast hoor ik de Kamer zeggen dat het belangrijk is dat er direct contact is tussen kijkers en luisteraars en de NPO. Daarom krijgt de NPO in de Mediawet de taak om een representatieve maatschappelijke adviesraad in te stellen. Het voordeel van zo'n maatschappelijke adviesraad is dat hij ook zijn zienswijze zal geven op de profielen van de toekomstige leden van de raad van toezicht. Daarmee is de cirkel eigenlijk rond. 

Ik kom tot een afronding van dit eerste blok. Ik heb al het een en ander gezegd over de manier waarop ik het wil laten terugkomen naar de Kamer, met een brief, zwart-op-wit, zodat de Kamer die heeft voor de stemming. 

De voorzitter:

Dan moet die brief er wel vrijdag voor 12.00 uur zijn. 

Staatssecretaris Dekker:

Uiteraard. 

Dan ga ik wat dieper in op deze wet. Ik heb net gehoord wat de woordvoerders hebben meegegeven en de Kamer heeft gehoord dat ik een aantal veranderingen wil aanbrengen in de benoemingsprocedures. In mijn ogen hebben we het daarmee voor de toekomst goed geregeld. In reactie op de eerste termijn van de heer Schnabel, wil ik een positief antwoord geven op zijn vraag of ik de onafhankelijkheid van de publieke media beter kan garanderen. Ik denk dat dit belangrijk is. Eerlijk gezegd, betreur ik het beeld dat is ontstaan rond de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de NPO, temeer omdat ik echt vind dat dit beeld niet strookt met hoe het feitelijk is gegaan. De procedure is transparant en onafhankelijk verlopen. De benoeming is in mijn ogen verenigbaar met de Mediawet. Tegelijkertijd vind ik dat dit naar de toekomst ook duidelijk moet zijn. Daarom zal ik in de verkenning die ik laat uitvoeren ook vragen op welke wijze de juridische kaders verhelderd kunnen worden. Dan is eigenlijk de vraag van mevrouw Sent nog relevant: kan de heer Bruins nu onafhankelijk en met gezag functioneren? Mijn antwoord daarop is een volmondig "ja". Ik sta daar ook volledig voor in. Ik vind dat de procedure zowel procedureel als juridisch goed is gegaan. De NPO en de raad van toezicht staan op afstand. Als we kijken naar de profielen van de heer Bruins als voorzitter, maar ook naar die van de totale raad van toezicht, heb ik het volste vertrouwen in de competenties van deze leden. 

Mevrouw Gerkens heeft gelijk dat er een WOB-verzoek is gedaan rond de voordracht van de raad van toezicht van de NPO. Daar gaan we netjes een besluit op nemen, zoals dat bij ieder WOB-verzoek gebeurt. Dat besluit wordt vervolgens openbaar en gepubliceerd op rijksoverheid.nl, zodat iedereen daarvan kennis kan nemen. 

Dan kom ik op het punt "levensbeschouwing". Ik ben het met de Kamer eens dat levensbeschouwelijk media-aanbod bij de landelijke publieke omroep van groot belang is en blijft. Heel expliciet heb ik daar de heer Schalk, de heer Lintmeijer, maar vooral ook mevrouw Bikker over gehoord in hun bijdragen in de tweede termijn. Het aanbod geeft mede invulling aan de opdracht om de pluriformiteit in onze samenleving te weerspiegelen. Het is belangrijk dat er ruimte en budget blijven voor die programmering. Dat geldt niet alleen voor het aanbod dat eerst door de zogeheten 2.42-omroepen werd gemaakt, maar wat mij betreft geldt dat ook voor de bredere levensbeschouwelijke programmering. We hebben al afgesproken dat de NPO 12 miljoen oormerkt voor levensbeschouwelijke programmering; dat leggen we vast in een prestatieovereenkomst. De motie die mevrouw Bikker heeft ingediend, gaat nog wat verder, want die gaat ook over de bredere programmering op het vlak van levensbeschouwing. Ik heb daar geen problemen mee en ik wil het oordeel over de motie dan ook aan de Kamer laten. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik dank de staatssecretaris voor die toezeggingen. We hebben in dit huis als goed gebruik dat als de staatssecretaris zegt dit te gaan doen, je met een motie aangeeft op welke wijze je daarmee omgaat. Ik wil ook aan de andere collega's toelichten waarom ik twee verzoeken doe, ook ten aanzien van die 12 miljoen. Daarover blijft in Hilversum gedoe. De staatssecretaris heeft het weliswaar een aantal keren toegezegd, maar ik zou er erg aan hechten als dat ook in een motie wordt uitgesproken. Ik dank hem dus voor zijn toezegging, maar ik hoop ook dat dit voortaan in de praktijk geen gedoe meer oplevert en dat er weer gewoon programma's worden gemaakt. 

Staatssecretaris Dekker:

Dat hoop ik ook. Ik heb ook niet de indruk dat het gedoe in Hilversum nu komt vanuit de Staten-Generaal of de discussies die we hebben gehad in de Tweede Kamer of hier in de Eerste Kamer. Misschien is er onduidelijkheid geweest in Hilversum. Met deze motie kunnen we die onduidelijkheid wegnemen. Beide elementen kan ik ook goed opnemen in de prestatieovereenkomst. 

Dan kom ik tot het programmastatuut. Mevrouw Sent en de heer Lintmeijer hebben daar vragen over gesteld. Ik heb al aangegeven dat de NPO heeft toegezegd met zo'n statuut te komen. Ik zeg de Kamer toe daarover tevens een afspraak te maken met de NPO in de prestatieafspraken. Als de publieke omroep het programmastatuut heeft uitgewerkt, kan ik dat ook aan de Kamer toesturen. Het doel van zo'n statuut is dat er meer duidelijkheid komt over de wijze waarop de rollen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de NPO in de dagelijkse praktijk zullen uitwerken. Ik kan de Kamer alvast meegeven dat de NPO daar op dit moment mee aan de slag is en dat men ook al gesprekken heeft gevoerd met de Nederlandse Vereniging van Journalisten. Ook gaat men praten met programmamakers en zal men de redactie daarbij betrekken. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Die laatste zin wilde ik eigenlijk horen van de staatssecretaris. Hij preludeerde op mijn vraag voordat ik hem gesteld had, dus dank daarvoor. 

De voorzitter:

Dat is nog eens samenwerking. 

Staatssecretaris Dekker:

Dit is zo constructief. 

Mevrouw Sent vroeg naar de transparantie over kosten. Zij vroeg mij nogmaals of de Mediawet voldoende basis biedt voor transparantie over de kosten van de programmering als de Kamer daarom vraagt. We hebben al van gedachten gewisseld over de interpretatie van de artikelen die zij in de eerste termijn noemde. Ik heb toen toegezegd dat ik in het voorstel dat ik de Tweede Kamer zal doen toekomen, de juridische redenering nog eens zal laten dubbelchecken. Ik kan dat ook laten doen door onafhankelijke juridische experts zodat ik, voordat ik met de NPO afspraken maak over transparantie en deze worden vastgelegd in een protocol, de hele redenering — heb ik de Tweede Kamer nu goed begrepen op dit punt; daar hebben we namelijk ook een discussie over gehad — en de kaders voor de afspraken ook aan beide Kamers kan voorleggen. In die zin kan ik tegen de Partij van de Arbeid zeggen: ja, u kunt mijn toezegging lezen in lijn met het ingetrokken amendement van de leden Heerma en Segers. Ik heb toegezegd om mijn voorstel ook aan de Tweede Kamer te doen toekomen. Volgens mij bevatte de bijdrage van mevrouw Sent de hint "dat is leuk zo'n toezegging, maar zou je dat ook nog wettelijk kunnen borgen?" Ik wil daar serieus naar kijken. Of dat via een AMvB of anderszins moet, moeten we nog even goed bekijken, omdat zo'n financieel handboek qua vorm wel iets anders is dan een AMvB. Ik vind het in essentie echter een goede suggestie dat het wordt voorgehangen of in ieder geval altijd wordt voorgelegd aan de Tweede Kamer, zodat er een discussie over kan plaatsvinden. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Mogen we die suggestie dan in de aanpassingen tegemoetzien? 

Staatssecretaris Dekker:

Exact. Ja. 

De heer Lintmeijer heeft een aantal vragen gesteld over een belangrijke taak van de publieke omroep. Hij vroeg namelijk welke rol de publieke omroep heeft bij het aanjagen van innovatie en het ondersteunen van jonge makers. Ik hoorde zorgen over schaalvergroting en de grote internationale spelers die het media-aanbod overheersen. Ik vind dat er bij de publieke omroep altijd ruimte moet zijn voor jonge makers, innovatie en talentontwikkeling en dat dit ook moet zijn verzekerd. In het wetsvoorstel is het stimuleren van innovatie expliciet opgenomen in de taakopdracht van de publieke omroep. Dat stond er eerst niet in, maar als er iets publiek is, dan is dit het wel. Daarnaast is het bevorderen van talentontwikkeling een wettelijke taak van de publieke omroep. Dat is conform het amendement dat de heer Mohandis heeft ingediend tijdens de behandeling in de Tweede Kamer. Voor talentontwikkeling en jonge individuele makers is er straks geld beschikbaar uit het NPO-fonds, zoals dat nu het geval is bij het Mediafonds. Dat houdt op te bestaan, maar die functie zal in de toekomst vervuld worden door de NPO. Ik wil benadrukken dat het publieke mediabestel tegelijkertijd wordt geopend voor iedereen met een goed idee. Ook dat zal weer leiden tot meer innovaties en ook daar kunnen jonge talentvolle makers op inschrijven. Al deze mogelijkheden bieden opties en ruimte. De NPO heeft inmiddels een aantal interessante programma's opgezet — denk aan 3Lab en NPO Campus — waarbij geprobeerd wordt om jonge talenten dicht bij de publieke omroep te halen en verder te trainen en op te leiden. Dat is interessant. 

Ik kom op de inbreng van de heer Schalk. Hij vroeg nogmaals hoe het zit met de Kijkwijzer die je ook zou kunnen toepassen op reclames. Er is overleg tussen de Ster en het NICAM gestart om te onderzoeken op welke wijze de Ster kan aansluiten bij de Kijkwijzer van het NICAM. Ik verwacht de Kamer ruim voor de zomer hierover verder te kunnen informeren. Het is in mijn ogen in ieder geval volledig helder wat de bedoeling is. 

Mijn laatste blok gaat over de regio. Voor de regionale omroepen geldt net als voor de landelijke omroepen dat zij gezamenlijk een opgave hebben om voor de toekomst door te ontwikkelen en een aantal uitdagingen het hoofd te bieden. Denk aan snelle veranderingen in het medialandschap, ook regionaal het bedienen van de kijkers en luisteraars, de belangrijke waakhondfunctie van de journalistiek in de regio en het opvangen van de bezuinigingen op het regiobudget. Ik heb grote waardering voor het plan van ROOS. Ik zou me graag maximaal willen inspannen om ROOS en de omroepen te helpen om dat plan daadwerkelijk te realiseren. Met het nu voorliggende wetsvoorstel worden de regionale omroepen geholpen om snel aan de slag te gaan met de vormgeving van de regionale publieke omroep in de toekomst. Daarmee kan de bezuiniging van 17 miljoen op een verantwoorde manier worden gerealiseerd, zoals de eigen berekeningen van ROOS in het plan ook aangeven. De regionale omroepen hebben zelf het voortouw bij de invulling van de bezuinigingen. In die zin staan ROOS en de individuele omroepen aan de lat. De organisatie van de regionale omroep moet slagvaardiger en efficiënter. Dat betekent ook dat er in een aantal dingen moet worden gesneden waar de kijker en luisteraar niet direct wat van merkt. Geen dertien directeuren met backoffices, maar meer samenwerken en meer gemeenschappelijk beleid. 

De opdracht aan de regio is om bij de bezuinigingen de programmering te ontzien. Volgens ROOS is en blijft dit mogelijk, zeker als we de omroepen helpen met een vertraging van drie maanden, ook op financieel gebied. Een belangrijk uitgangspunt is dat er in elke regio een volwaardige en onafhankelijke journalistieke voorziening moet zijn, ook na de bezuiniging. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat het de verantwoordelijkheid van ROOS en de dertien omroepen is om ervoor te zorgen dat die verandering nu wordt gerealiseerd, want alleen onder die voorwaarde weten we zeker dat het de programmering zo min mogelijk raakt. 

Mevrouw Sent vroeg of ik dat kan garanderen. Het is wel mijn inzet dat het zover komt, maar of het gehaald wordt, is echt aan deze dertien omroepen. Er ligt een mooi plan waarin staat dat het kan, maar bij de omroepen moet er ook de wil zijn om daar volmondig en vol enthousiasme in mee te draaien. Als dat niet gebeurt, dan hebben we weer een ander verhaal, maar ik denk dat een snelle aanname van dit wetsvoorstel ertoe kan bijdragen dat er in de regio snel mee aan de slag wordt gegaan. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

De staatssecretaris zegt dat we een ander verhaal hebben als dat niet lukt. Dan hebben we inderdaad een ander verhaal, maar waar komen we dan terecht? Die vraag zie ik nu toch graag beantwoord. Wat is de consequentie als blijkt dat het niet lukt? Ik wil ook de aandacht op het volgende vestigen. We hebben het over de programmering. Die moet in stand blijven. In heel veel gevallen betekent dat ook dat er materiële voorzieningen in stand moeten blijven. In de programmering zitten nu ook programma's die alleen met bepaalde materiële voorzieningen te realiseren zijn. Wanneer we te veel gaan centraliseren onder druk van de bezuinigingen, dan is het mogelijk dat de materiële infrastructuur onvoldoende is juist om de programmering in stand te houden. 

Staatssecretaris Dekker:

Er zal bij een toekomstige regionale publieke omroep ook goed bekeken moeten worden wat er nodig is om de individuele omroepen goed te accommoderen qua techniek en andere services. Dat laat onverlet dat de omroepen veel meer gemeenschappelijk kunnen doen. Niet iedere omroep hoeft zelf het wiel opnieuw uit te vinden. Als je wilt werken met interactieve internetvoorzieningen, dan kun je je afvragen of het heel zinvol is dat iedere omroep dat zelf doet met een net iets andere techniek en of je dat in gezamenlijkheid niet efficiënter kunt doen. Met het wetsvoorstel en eigenlijk ook met de plannen van ROOS wordt een combinatie van de voordelen beoogd. Er wordt mee beoogd om een goede backbone, een goede shared service en een goede gemeenschappelijkheid te organiseren met tegelijkertijd in de provincie onafhankelijke redacties die moeten zorgen voor hoogstaande regionale journalistiek. Dat is de ambitie. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Ik wil hier kort nog even op reageren. We zijn dat van plan. Deze bedoeling is op zichzelf niet verkeerd. Natuurlijk moet er een hele hoop aan gebeuren. Er kan ook een hele hoop aan gebeuren. Het gaat mij echter om het volgende, datgene wat in wezen ook mevrouw Sent in eerste instantie vroeg. Als er gaten beginnen te vallen, wat doen we dan? Houden we het in de gaten en repareren we het dan? Of laten we het dan gaan? Maken we daar nu plannen voor of laten we het in eerste instantie open? 

Staatssecretaris Dekker:

De Eerste Kamer heeft met een vorig wetsvoorstel de bezuinigingen voor de regionale omroep al doorgevoerd. Die zijn overigens verzacht. Na het herfstakkoord zijn die ongeveer gehalveerd, maar er blijft een bezuiniging van 17 miljoen over. Het is nu de taak van de politiek, onze taak, om ervoor te zorgen dat we de regionale omroepen de instrumenten geven om die bezuinigingen op een goede manier op te vangen. Ze hebben daar zelf een heel mooi plan voor gemaakt. Met de berekeningen laten ze zien dat ze daarmee de bezuinigingen voor een heel eind kunnen invullen, maar we moeten hen daarvoor dan wel in de gelegenheid stellen. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Om het scherp te krijgen: die bezuinigingen kunnen pas later ingaan en die zijn dan helemaal naar rato van het moment dat ze ingaan. Er staat nu 17 miljoen. Deze maand gaat het niet lukken. Er gaat dus een kwart vanaf. Heb ik het zo scherp? Ik vraag dit, want anders krijgen we daar weer gesteggel over. Heb ik het zo goed begrepen? 

Staatssecretaris Dekker:

Ja, dat hebt u goed begrepen. Er was vanochtend een discussie, volgens mij aangezwengeld door mevrouw Sent en de heer Lintmeijer: kun je van "wat redelijkerwijs mogelijk is" niet "wat redelijkerwijs noodzakelijk is" maken? Ja. Bij drie maanden vertraging haal je drie twaalfde van de bezuiniging af. Ik wil hen daar graag in tegemoet komen. Dan is wel de vraag hoe we dat op een goede manier doen. Het zal uiteindelijk leiden tot wat hogere frictiekosten. Mijn vermoeden is dat we daar met de regio heel goed uit kunnen komen. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Het is toch ook onze taak als politici om te monitoren of er onbedoelde gevolgen zijn van besluiten die wij nemen en om consequenties te verbinden aan het optreden van die gevolgen? Is de staatssecretaris dat met mij eens? En welke consequenties verbindt hij daaraan voor de programmering bij de regionale omroep? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik ben het volledig met mevrouw Sent eens dat we de vinger aan de pols moeten houden en moeten bekijken of de bezuinigingen bij de regionale omroep op een goede manier worden gerealiseerd. Ik wil er echter ook voor uitkijken dat we te veel uitstralen dat, als die bezuinigingen niet worden gerealiseerd, de politiek die 17 miljoen wel even oplost. Dat is natuurlijk een verkeerd signaal aan alle regionale omroepen die nu hebben gezegd dat ze meedoen aan dit plan. Die zouden dan kunnen zeggen: nou, we hoeven het plan niet te realiseren, want de politiek lost ons probleem wel op. Daarom leg ik zo nadrukkelijk die verantwoordelijkheid daar neer. Maar natuurlijk houden we de vinger aan de pols. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

De staatssecretaris zei: mijn vermoeden is dat we er heel goed uit komen. Maar de basis is dat hij naar rato minder zal bezuinigen, dat hij er dus een kwart van af zal halen. 

Staatssecretaris Dekker:

Ja. Die drie maanden, dat is voor mij helder. Sterker nog: als er nog andere aspecten zijn waardoor het nog iets meer wordt dan dat, dan wil ik daar ook in alle redelijkheid naar kijken. Ik vind het belangrijk dat het plan van de regio's op een goede manier wordt uitgevoerd. Dan heb je het misschien over iets hogere incidentele frictiekosten. Als dat voor de toekomst zeker kan stellen dat er een goede voorziening is, met een goede backbone en onafhankelijke lokale media, dan vind ik het niet erg om er een onsje meer bij te doen. Wat mij betreft gaan we dus minimaal dat kwart oplossen, maar mochten er nog andere dingen zijn, dan ben ik bereid om ook daar met een positieve blik naar te kijken, maar wel zonder dan een soort blanco cheques uit te delen. 

De heer Atsma (CDA):

Dit sluit mooi aan bij mijn volgende vraag. Die laatste zin van de staatssecretaris wekt in ieder geval de verwachting dat hij ROOS — de staatssecretaris had complimenten voor hem en ik wil me daar wel bij aansluiten — wil gaan helpen. Nu heeft ROOS tegen de ondernemingsraden en de redactieraden al gezegd dat de bezuinigingen hoe dan ook ten koste van de inhoud van de programma's zullen gaan. Het aantal uren verhoudt zich niet meer tot het budget dat beschikbaar is. Hoe gaan we dit oplossen? 

Staatssecretaris Dekker:

Als ik kijk naar de berekeningen van ROOS, dan constateer ik toch dat ze met een combinatie van twee maatregelen, namelijk goede shared services en het vormen van een aantal regioclusters, een heel eind zouden moeten kunnen komen. Deze vertraging heeft een aantal tegenvallers opgeleverd. Ik wil in goed overleg met ROOS bekijken hoe we die ook financieel kunnen compenseren. 

De heer Atsma (CDA):

De tegenvallers door de vertraging, daar zijn we al uit: dat betaalt de staatssecretaris. Maar ROOS heeft de redactieraden en de ondernemingsraden gezegd dat de bezuinigingen hoe dan ook ten koste gaan van de inhoud. Gaan we dat ook oplossen? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik zou het graag willen omdraaien. Ik hoor wat de heer Atsma zegt. Als echter het plan-ROOS niet wordt uitgevoerd, dan zullen de gevolgen voor de programmering en voor kijkers en luisteraars nog vele malen groter zijn. Precies daarom moeten we er tempo mee maken en moeten we eraan vasthouden. 

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mijnheer Atsma. 

De heer Atsma (CDA):

Hiervoor heeft de staatssecretaris juist gezegd dat het plan van ROOS goed is. Dat is prima, maar ROOS zegt zelf dat de bezuinigingsoperatie ten koste van de inhoud gaat. Het is van tweeën een: of dat klopt, of het verhaal van de staatssecretaris klopt. 

Staatssecretaris Dekker:

Met permissie: het is niet het een of het ander. We hebben ROOS gevraagd om te komen met een goed voorstel, een voorstel dat de kijkers en luisteraars zo veel mogelijk ontziet. Ik gaf zojuist al aan dat het de verantwoordelijkheid van de regio's is om ervoor te zorgen dat het zo goed mogelijk wordt gerealiseerd, zodat het de programmering zo min mogelijk raakt. Maar — ik draai het om — als je het niet doet, dan blijft nog wel die bezuiniging staan. Die wordt dan pondspondsgewijze verdeeld over de verschillende regionale omroepen. De gevolgen voor de programmering zullen dan vele malen groter zijn. Daarom geloof ik nog steeds in het plan-ROOS. Dat is de beste manier om de kijkers en luisteraars zo veel mogelijk te ontzien. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Er komt een metafoor bij me op. De staatssecretaris heeft een tijdje geleden met een hakmes diep in de duimen van de regionale omroepen gesneden. Die lopen nu bloedend rond. ROOS heeft gezegd: weet je wat, we spalken het en dan komt het misschien wel goed. De staatssecretaris zegt dat we het heel snel moeten spalken, terwijl we eigenlijk allemaal weten dat spalken niet gaat helpen als je de boel moet gaan hechten. De staatssecretaris stelt dus voor om iets wat al slecht is, dan maar op een nog slechtere manier zo veel mogelijk op te lossen. Dat vind ik frappant. Hij zegt namelijk: precies dit deel moet snel doorgaan. En: het nationale deel haal ik nu uit de Mediawet, want dan kunnen we doorgaan met het regionale deel, waarvan de Kamer vindt dat het niet de goede kant opgaat. Daarom vraag ik me af waarom de staatssecretaris zo veel haast heeft met het regionale deel. Er zitten nog heel wat haken en ogen aan het overeind houden van een onafhankelijke, kritieke, journalistieke taak van de regionale omroep, die we volgens diverse organisaties straks heel hard nodig zullen hebben, gelet op de door dit kabinet gewenste burgerparticipatie. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik wil graag proberen om mevrouw Gerkens gerust te stellen. De onafhankelijke redactionele eenheden op provincieniveau zullen niet verdwijnen. Die willen we juist in stand houden. Die koesteren we ook. Met het plan-ROOS worden de bezuinigingen juist op heel andere vlakken gehaald. Mevrouw Gerkens heeft echter wel een punt. Het heeft er ook mee te maken dat we twee jaar geleden op heel veel terreinen moesten bezuinigen. Een heel groot deel daarvan is toen door de landelijke publieke omroep voor zijn kap genomen. Een ander deel was voor de regionale publieke omroepen. Toen hebben we de regionale publieke omroepen gevraagd om te komen met een plan waarin die bezuiniging op een zo verantwoord en verstandig mogelijke manier wordt verwerkt. Dat is het plan dat nu voorligt. Ik zou heel graag met deze wet dat plan accorderen. 

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mevrouw Gerkens. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik begrijp dat de staatssecretaris dat wil, maar dit plan is desastreus. Het klopt niet wat de staatssecretaris zegt. Als je tegen een reporter van zo'n regionale omroep gaat zeggen "behalve het journalistieke interview voorbereiden, moet je ook nog de camera draaien, het geluid doen en daarna de montage", dan weet je dat dat ten koste van iets gaat. Dit gaat dus ten koste van de regionale publieke journalistieke taak. Dat komt door de bezuinigingen. Ik ben blij dat de staatssecretaris dat toegeeft. Maar dan zou ik denken: misschien moet de staatssecretaris met een ander plan komen, namelijk een plan om de financiële pijn op te lossen. Want dit gaat gewoon de verkeerde kant op. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik kijk toch met andere ogen naar dit plan, moet ik constateren. Mevrouw Gerkens en ik zijn het niet met elkaar eens. Als het echt een desastreus plan zou zijn, hadden ook de voorzitters en de directeuren van al die regionale omroepen zich er niet achter geschaard. Dat is de reden waarom ik hierin het volste vertrouwen heb. 

Er zijn een aantal vragen gesteld over de concessies. Eén concessie voor de regionale omroep, is dat nou echt nodig? Het antwoord daarop is: ja, het is nodig om straks gezamenlijk beleid te kunnen maken. Voor de regionale omroepen geldt, net als voor de landelijke omroep, dat zij gezamenlijk de opgave voor de toekomst beter het hoofd kunnen bieden als ze ook in gezamenlijkheid een aantal van de grote veranderingen tegemoet treden, als zij meer in gezamenlijkheid nadenken over de vraag hoe zij de kijkers en de luisteraars kunnen bedienen en als zij gezamenlijk nadenken over een manier om de bezuinigingen op te vangen. Het toekomstplan van ROOS vormt daarvoor een goede basis. Overigens kent ook de landelijke publieke omroep één concessie, en daar is ook sprake van individuele omroepen die elk een zelfstandige taak hebben. Die twee dingen kunnen dus goed samen bestaan. 

Ik ben het wel met het CDA eens dat iedere provincie een regionale omroep moet hebben. Daarom blijft er per provincie minimaal één regionale redactie bestaan en blijven deze redacties eigen regionale aanbodkanalen voor zowel radio als televisie behouden. Dat is overigens in lijn met de motie-Heerma/Segers, die een meerderheid heeft gehaald in de Tweede Kamer. Daarnaast blijft het mogelijk dat er in de provincie Zuid-Holland twee regionale omroepen zijn. 

Er is ook een vraag gesteld over AT5 en RTV Noord-Holland. Ik heb toegezegd dat ik in deze regeerperiode met een reactie kom, mede op basis van het onderzoek van het Commissariaat voor de Media naar de bekostiging van de lokale omroepen door gemeenten. De heer Lintmeijer vroeg daar specifiek naar. Ik zal daarop uiteraard een reactie geven en bekijken welke maatregelen nodig zijn om ook de lokale functie eventueel in streekverband te versterken. 

Het uitgangspunt van de wet is de redactionele onafhankelijkheid in de regio. Die wordt ook wettelijk vastgelegd, onder meer met een wettelijk verplicht redactiestatuut. Dat is overigens nu ook al verplicht. Binnen de budgettaire kaders blijft de regionale omroep volledig onafhankelijk zijn programma's maken, met de knullen en spullen die daarvoor nodig zijn, zo zeg ik tegen mevrouw Sent. Ook heeft elke regio een eigen beleidscommissie media-aanbod voor de binding met de regio. Die stelt op voordracht van de hoofdredacteur het media-aanbod voor die regionale redactie vast, zodat ook daar een goede lokale binding bestaat. 

Ik noem één provincie in het bijzonder, en daarbij kijk ik de heer Ten Hoeve aan. Vanwege de bijzondere taak en positie van het Fries als tweede rijkstaal worden er in het volgende wetsvoorstel een aantal extra waarborgen opgenomen. Ik kan kort zijn. De waarborgen die de heer Ten Hoeve in zijn motie op letter K opsomt, met een versterkte mediaraad die ook een aantal bevoegdheden krijgt, vormen in mijn ogen goede contouren voor de nadere uitwerking van zowel het wetsvoorstel als de nieuwe bestuursafspraken. Ik zou het oordeel over deze motie daarom graag aan de Kamer laten. 

Ik realiseer mij dat regionale omroepen en hun personeel zich zorgen maken over mogelijke vertraging van het voorliggende wetsvoorstel. Daarom is het van belang dat er snel duidelijkheid komt. Ik zal bovendien vaart maken met het volgende wetsvoorstel, zoals mevrouw Bikker vroeg. 

De heer Atsma (CDA):

Ik wil even terug naar de motie van collega Ten Hoeve. De staatssecretaris omarmt de motie en ik begrijp waarom hij dat doet. Ik heb de discussie tussen de staatssecretaris en de heer Ten Hoeve in de afgelopen dagen een beetje gevolgd en het was raar geweest als hij dat niet had gedaan. Kan de staatssecretaris echter precies duiden wat de plussen zijn voor Omrop Fryslân in vergelijking met de andere regionale omroepen? De staatssecretaris heeft namelijk al gezegd dat elke regionale omroep redactionele onafhankelijkheid en zelfstandigheid behoudt. Ik zou graag willen weten wat op basis van de motie de plussen zijn die Omrop Fryslân in de wacht sleept. Ik heb begrepen dat er nog geen bestuursakkoord is, maar dat terzijde. Dat zal er ongetwijfeld komen, maar ik ben ook benieuwd wat daar dan nog aan toegevoegde waarde uit te halen is. 

Staatssecretaris Dekker:

Voor Friesland geldt natuurlijk dat we een wettelijke taak hebben op het gebied van taal en cultuur. Dat rechtvaardigt ook dat we wat extra's doen voor Omrop Fryslân. De motie somt die extra's in mijn ogen heel goed op. Het gaat bijvoorbeeld om het instemmingsrecht bij het benoemen van de hoofdredacteur van Omrop Fryslân. Dat is iets wat speciaal voor deze omroep zal gelden en dus niet voor de andere omroepen. Ook gaat het om het zwaarwegende adviesrecht voor de budgetten; dat lees ik voor uit de motie. Het gaat ook om adviesrecht voor de benoeming van de bestuurder in de RPO die Friesland in zijn portefeuille heeft. Dat zijn allemaal bevoegdheden die specifiek voor Friesland worden geregeld. 

De heer Atsma (CDA):

Maar dan is het goed om een nadere precisering te horen. Wat houdt dat budgetrecht dan precies in? 

Staatssecretaris Dekker:

Dat betekent dat we de inzet van middelen specifiek voor de Friese taal en cultuur gaan zekeren dat er voor de inzet van middelen vanuit het mediabudget daarbovenop er een zwaarwegend adviesrecht is, mocht de RPO daarin wijzigingen willen aanbrengen. 

De voorzitter:

Mijnheer Atsma, tot slot op dit punt. 

De heer Atsma (CDA):

Maar er is nu al geoormerkt geld vanwege de positie van het Fries als tweede rijkstaal, dus daar verandert niks in, zou ik bijna willen zeggen. Dus welke extra mogelijkheden krijgt men door deze passage in de motie? U hebt er zelf ook over nagedacht, dus u hebt er ongetwijfeld een beeld bij. Het is ook handig voor de provincie om straks, in het kader van het met u te sluiten bestuursakkoord, te weten waarop zij van uw kant op kan rekenen. 

Staatssecretaris Dekker:

Er zijn specifieke middelen die samenhangen met de taal en de cultuur. Die zijn al geoormerkt voor Friesland. Daarnaast is er echter een totaal mediabudget, dat niet geoormerkt is. Daarop krijgt deze mediaraad nu een zwaarwegend adviesrecht. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging om snel te komen met een inhoudelijke regionalepubliekeomroepwet. Ik noem het maar even zo; misschien heeft de staatssecretaris een kortere term, die bij scrabble minder goed scoort. Dat is mooi, maar die wet moet er nog wel komen. Ik heb de volgende zorg. Stel dat er daarbij iets niet lukt, om een of andere reden die ik nu niet ga invullen. Wat is dan de waarde van de wet die we nu hebben? Straks zitten we bijvoorbeeld met een raad van toezicht, maar waar gaat die over? Hoe ziet de staatssecretaris dat voor zich? 

Staatssecretaris Dekker:

Dit is natuurlijk de opmaat naar de volledige uitvoering van de plannen van ROOS, die ook met de Tweede Kamer zijn gedeeld en in de brief zijn beschreven. Om die goed te kunnen voorbereiden, hebben we nu een entiteit nodig die een aantal dingen kan doen. Daarom houden we het nu ook klein. Daar zal vervolgens een wat groter wetsvoorstel uit voortvloeien, waarvan ik hoop dat dat op een breed draagvlak zal kunnen rekenen. Ik krijg de indruk, ook uit de gesprekken die ik heb gevoerd in de Tweede Kamer, dat dit brede draagvlak er ook zou kunnen zijn. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Als ik het goed begrepen heb, is het niet per se die kleine entiteit die al die bezuinigingen kan gaan waarmaken, maar zit de meerwaarde juist ook in het volgende wetsvoorstel. Hoe weegt de staatssecretaris dit, nu alles enigszins is vertraagd? Dat andere wetsvoorstel moet er toch ook zijn om die bezuinigingen te kunnen waarmaken? Ik vraag hem om daarop te reflecteren. 

Staatssecretaris Dekker:

Daar heeft mevrouw Bikker zeker gelijk in. Hiermee is het niet geregeld, maar kunnen wel de voorbereidingen worden getroffen. Er zal straks ook een aanvullend wetsvoorstel zijn om de inrichting en de ophanging van de RPO meer in detail te kunnen uitwerken. In de combinatie van die twee kan het plan-ROOS dus worden uitgevoerd. 

De voorzitter:

Tot slot op dit punt en kort, mevrouw Bikker. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat betekent dus ook dat er naar de bezuinigingen wordt gekeken, in alle redelijkheid. Als er wat vertraging optreedt met dat andere voorstel, zullen die bezuinigingen dan ook naar rato verlaagd worden op dit punt? 

Staatssecretaris Dekker:

Laten we niet op voorhand al te veel preluderen op nog meer vertraging. Ook daarvoor geldt dat er van onze kant tempo op wordt gezet. Ik hecht zeer aan een zorgvuldige behandeling in het parlement, zowel aan de overkant als hier. Ook daarvoor geldt dat het wel mooi zou zijn als die wet er voor het einde van het jaar is, zodat we met ingang van 1 januari van start kunnen gaan, of laten we die drie maanden vertraging die het heeft opgeleverd, in ieder geval incalculeren. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Voor mijn duidelijkheid, het is ook een worstcasescenario als de tweede fase van deze wetgeving niet tot stand komt, zoals door mevrouw Bikker wordt genoemd. Dan is toch de consequentie dat de regionale omroepen als zelfstandige entiteiten blijven bestaan? Daar verandert dan helemaal niets aan. Dan gaan de bezuinigingen in principe wel door. Omdat het dan niet mogelijk is om die bezuinigingen op een fatsoenlijke manier te verwerken, neemt u die voor uw rekening. 

Staatssecretaris Dekker:

Die laatste conclusie van de heer Ten Hoeve gaat mij iets te snel. Alles is erop gericht om dat wetsvoorstel wel aan te nemen. Als dat niet het geval is, dan zullen de regionale omroepen op een andere manier moeten kijken hoe zij die financiële taakstelling realiseren. Die is niet verdwenen als het volgende wetsvoorstel niet wordt aangenomen. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Kan de staatssecretaris toelichten in hoeverre het aanvullende wetsvoorstel, dat er nog aan zit te komen, nodig is om de bezuinigingen te realiseren? 

Staatssecretaris Dekker:

Dat is een integraal onderdeel van het plan-ROOS. Dat zal dan ook gerealiseerd moeten worden. Dan zal het volgende wetsvoorstel ook aangenomen moeten worden. Wij gaan uiteraard om de tafel zitten met het IPO, met ROOS en met verschillende andere betrokkenen, om te kijken of we dat kunnen doen op een goede manier, die kan rekenen op breed draagvlak. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Maar is het dan nog geloofwaardig om in die termijn, na het aannemen van dat wetsvoorstel, de bezuinigingen te realiseren waar de regionale omroepen zich voor gesteld zien? 

Staatssecretaris Dekker:

Minus de vertraging van drie maanden die nu is opgetreden, denk ik dat dit mogelijk moet zijn. In de oorspronkelijke planning zat dat zij daar een vol jaar voor zouden krijgen. 

De heer Schalk (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Ik heb mij net niet in de file gemengd, maar ik heb langzamerhand wel behoefte aan een beetje zicht op de procedure in de komende periode. Dit gaat over een stukje wetgeving over de RPO. We hebben een aantal toezeggingen gekregen. De staatssecretaris heeft aangekondigd dat er wetswijzigingen komen. De heer Lintmeijer heeft terecht gevraagd om deze zo soepel en overzichtelijk mogelijk te houden. Hoeveel krijgen we er nu? Zou de staatssecretaris voor volgende week ervoor kunnen zorgen dat we scherp hebben welke we krijgen? Wat is de tijdsvolgorde ervan? Gaan we die verschillende wetsvoorstellen allemaal gefaseerd invoeren of mogen we zeggen: nu gaat het even over de RPO en de rest komt later? 

Ik heb nog een andere vraag, die daaraan gekoppeld is. De staatssecretaris zoekt naar draagvlak. Straks kan de RPO aan de gang, maar de NPO en de omroepen hebben nog enige tijd. Nu heeft de NPO, samen met een aantal omroepen, een brief gestuurd op 28 februari. Ziet de staatssecretaris voor zichzelf nog een rol om de omroepen die zich daar niet bij hadden aangesloten, in de komende periode bij de extra wetsvoorstellen toe te voegen? 

Staatssecretaris Dekker:

Misschien mag ik deze vragen opknippen. De eerste is welke wetsvoorstellen eraan komen. Ik kan dat in de brief meenemen, net als de opmerking van de heer Lintmeijer om het regiowetsvoorstel en de zojuist toegezegde aanvulling op het wetsvoorstel niet in elkaar te schuiven, want dan wordt de boel te veel vermengd. Dat worden twee afzonderlijke trajecten. Ik vind dat we voor de regio net even iets meer tijd moeten nemen. Dat eerste is een klein onderdeel dat wat sneller kan. 

De heer Schalk (SGP):

U zegt nu dat het eerste een klein onderdeel is, maar dat waren ook verschillende onderdelen. Ik had begrepen dat de heer Lintmeijer bedoelde te vragen om datgene wat de staatssecretaris wil regelen voor de governancekant en voor de publieksvertegenwoordiging en dergelijke even op te knippen. We weten op een gegeven moment niet meer precies welke we allemaal hebben. Of heb ik de heer Lintmeijer daarnet verkeerd begrepen? 

De voorzitter:

Daar komt de heer Lintmeijer al aan. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Dat is bijna uitlokking. Ik beoogde om het wetsvoorstel dat de uitwerking van de RPO gaat regelen, niet te vermengen met de toezeggingen die de staatssecretaris doet voor reparatiewetgeving — dit is even mijn woord — om tegemoet te komen aan de wensen van deze Kamer. Ik heb niet beoogd om allemaal afzonderlijke wetsvoorstellen te maken over al die losse onderdelen waarover de staatssecretaris toezeggingen doet. Het lijkt mij wel handig om dat in één deel te houden, maar ik wil af van die vermenging tussen RPO en NPO, omdat die het debat hier ook niet vergemakkelijkt heeft. Dat was mijn opmerking. 

Staatssecretaris Dekker:

Dan heb ik de heer Lintmeijer goed begrepen en dan klopt ook mijn uitleg en mijn toezegging aan de heer Schalk. 

De tweede vraag was of we in de tussentijd stil gaan zitten. Ik zal uiteraard mijn uiterste best doen om ook de omroepen die niet mee hebben gedaan aan de brief, te betrekken bij de afspraken. De wet geldt straks voor iedereen, of je mee hebt getekend met de brief of niet. Ik wil wel kijken naar de redenen om niet mee te tekenen. Dat hoeft niet te betekenen dat zij tegen de afspraken in die brief zijn. Misschien hebben enkele omroepen de afweging gemaakt om eerst de behandeling van dit wetsvoorstel in de Kamer af te wachten. Wellicht dat ook daar bereidheid is om mee te doen, zodra duidelijk is dat we verdergaan met deze wet. 

Dan resteert de motie van mevrouw Teunissen. Die gaat ook over de regio. Zij verzoekt de regering alles in het werk te stellen om regionale omroepen niet te duperen wanneer de RPO niet doorgaat. Ik moet die motie ontraden, ook omdat deze in mijn ogen veel te breed is geformuleerd. We zijn er natuurlijk niet om de regionale omroepen te duperen, maar ik hoop dat de Kamer straks akkoord gaat met dit wetsvoorstel. Dan is deze motie ook niet meer relevant. 

De voorzitter:

Ik begrijp dat de staatssecretaris klaar is met zijn beantwoording. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Voorzitter. Ik heb één vraag aan de staatssecretaris en één algemene opmerking. Mevrouw Teunissen heeft gevraagd om op papier te zetten welk proces in de afgelopen weken heeft plaatsgevonden, om daar transparant over te zijn. Dat heb ik ook gevraagd in mijn bijdrage. Ik vraag de staatssecretaris of hij kan aangeven wat hij effectief heeft gedaan. Heeft hij meegeschreven aan moties? Welke beloftes heeft hij gedaan? Welke uitspraken en dergelijke zijn er geweest? Daarvan zou ik graag een overzicht willen hebben. 

Ik heb begrepen dat de staatssecretaris dit allemaal op papier zet. Het is al heel wat. Ik zag net ook al wat verwarring bij de heer Schalk. We hebben allemaal wel wat verwarring. Ik moet het allemaal nog tegemoetzien, maar ik sluit niet dat ik een derde termijn aanvraag op het moment dat de brief binnen is. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter. Van harte steun voor een eventuele derde termijn. Ingaande op mijn motie, het gaat erom dat wij vanavond wegen. Het is belangrijk om bij die weging mee te nemen wat eventuele consequenties zijn indien deze wet het niet haalt. Los van de regionale omroepen zijn er ook nog andere redenen te bedenken waarom deze wet het vanavond niet zou halen. Dan is het wel goed om een duidelijk beeld te hebben van wat de staatssecretaris gaat doen indien deze wet het niet haalt. Er staat veel op het spel voor de regionale omroepen, indien dat vanavond gebeurt. Ik hoor graag van de staatssecretaris wat zijn plan is voor de regionale omroep. Ik wil dus graag van de staatssecretaris horen wat zijn plan is voor de regionale omroepen. 

De voorzitter:

Wilt u dat nu horen of kan het in de brief worden meegenomen, mevrouw Teunissen? 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Het lijkt mij goed om dit helder op papier te krijgen. Als de staatssecretaris het kan meenemen in zijn brief aan de Kamer, dan stel ik dat zeer op prijs. 

Staatssecretaris Dekker:

Er zijn twee vragen gesteld. De eerste vraag is of we op papier willen zetten wat er gebeurt als dit allemaal het niet haalt. Ik begrijp die vraag, maar ik wil alles inzetten om ervoor te zorgen dat het wetsvoorstel het wel haalt. In mijn ogen zou het met een aantal aanvullingen heel goed mogelijk zijn dat een meerderheid van deze Kamer daar dan ook ja tegen zegt. Ik zal dat op papier zetten. Dat krijgt de Kamer van mij. 

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mevrouw Teunissen. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik begrijp dat de staatssecretaris wil dat de wet het wel gaat halen, maar ik vraag om een vangnet voor de regionale omroepen. Ik wil dat dat vangnet duidelijk wordt uitgewerkt in een brief. 

Staatssecretaris Dekker:

Volgens mij is dat vangnet helemaal niet nodig. We hebben in het debat al heel goed besproken waarom dit wetsvoorstel nodig is en wat er gebeurt als dit wetsvoorstel er niet komt in relatie tot de bezuinigingen. Ik zie echt geen reden om dat nog eens op papier te zetten. Ik wil graag de wijzigingen die ik in dit debat heb toegezegd, op papier zetten, inclusief de procedure. Dat is ook mijn reactie op de vraag van mevrouw Gerkens. Het lijkt mij niet nodig om op papier te zetten hoe de gesprekken zijn gegaan en informatie te geven over alle telefoongesprekken, e-mails, oploopjes en kopjes koffie die ik heb gedronken met deze of gene. Dat is het politieke handwerk. Het lijkt mij niet nodig om daar verslag van te doen. 

De voorzitter:

Kort op dit punt, mevrouw Gerkens. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik hoef helemaal niet te weten hoeveel kopjes koffie de staatssecretaris heeft gedronken. Ik wil graag weten wat hij effectief heeft gedaan. Welke voorstellen zijn er gedaan, zijn er moties geschreven, et cetera? 

Staatssecretaris Dekker:

Nogmaals, het resultaat telt. Ik zal straks zwart-op-wit zetten wat mijn voorstellen zijn. Volgens mij kan uw Kamer daar goed mee uit de voeten. In ieder geval is het voldoende om een eindoordeel te vellen. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb de staatssecretaris ogenschijnlijk tegenstrijdige uitspraken horen doen. Ik heb gehoord dat de staatssecretaris de brief van de NPO en de meerderheid van de omroepen van 28 februari omarmt. Ik heb hem echter ook horen zeggen dat de NPO het stokje zal overdragen aan de omroepen, terwijl in de brief juist staat omschreven hoe de NPO en de omroepen op dat punt samenwerken. Ik wil dat de staatssecretaris bevestigt dat hij de inhoud van de brief van de NPO en de meerderheid van de omroepen omarmt. 

Staatssecretaris Dekker:

Daar kan ik heel kort over zijn: die omarm ik. Ik heb bedoeld te zeggen dat de NPO en de omroepen verschillende verantwoordelijkheden hebben en dat op een gegeven moment de verantwoordelijkheid van de NPO ophoudt zodra het gaat om het echt maken van programma's. 

De heer Nagel (50PLUS):

Ik heb nog twee korte vragen over de procedure, in het verlengde van wat D66 en de ChristenUnie eerder hebben gezegd in verband met de rol van de Tweede Kamer. Hoe gaat de staatssecretaris de Tweede Kamer informeren over de afspraken die hij met de Eerste Kamer maakt? In wezen krijgt de Tweede Kamer bij de nadere behandeling de rol van de Eerste Kamer, met het verschil dat de Tweede Kamer het recht van amendement heeft. Hoe denkt de staatssecretaris daarmee om te gaan? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik zal de Tweede Kamer een afschrift sturen van de brief die ik vóór het einde van de week naar de Eerste Kamer stuur. De te volgen route is dat eerst de Tweede Kamer zich over zo'n voorstel zal moeten uitspreken alvorens het naar de Eerste Kamer komt. Dat is de gebruikelijke procedure. 

Daarmee ben ik aan het einde gekomen van mijn betoog. 

De voorzitter:

Het is misschien toch wel goed om even helder aan te geven dat naar aanleiding van al hetgeen hier vanavond gewisseld is, de staatssecretaris in ieder geval heeft toegezegd dat hij vrijdag voor 12.00 uur met een uitgebreide brief komt, waarin zowel de "gewone" toezeggingen staan als de toezeggingen die een wetstraject met zich brengen alsook wetgeving over de RPO, en waarin uitgebreid staat hoe de procedure in de ogen van de staatssecretaris dient te verlopen. Het lijkt mij verstandig als de staatssecretaris dat allemaal in aparte blokken doet, zodat iedereen weet waar hij aan toe is en wat de procedure zal zijn. Alles wat hier vanavond over tafel is gegaan, is bij elkaar immers nogal ingewikkeld. Ik denk dat het zo zou moeten zijn. Ik zie iedereen een beetje knikken. Vrijdag vóór 12.00 uur wordt die brief gestuurd. 

Als ik nu vraag of iemand hierover stemmingen wil, dan gaan alle handen omhoog. Het antwoord op die vraag is sowieso ja. De kans dat er volgende week nog een derde termijn zal zijn, is nogal groot. Die is al aangevraagd door mevrouw Gerkens. Mevrouw Teunissen heeft het ook naar voren gebracht. Ik hoor de heer Atsma eveneens ja zeggen. En ik geef zo meteen ook nog kort het woord aan de heer Atsma omdat hij zijn motie wenst te wijzigen. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Als er sprake is van een derde termijn, betekent dat dan dat de stemmingen dinsdag niet doorgaan? 

De voorzitter:

Dat hangt een beetje af van de ontwikkelingen. Het kan zijn dat de brief dusdanig is dat een heleboel woordvoerders zeggen dat het helemaal helder is. Het is ook mogelijk dat de derde termijn een heel serieuze derde termijn moet worden. We moeten trouwens bekijken of die volgende week inpasbaar is, aangezien er volgende week Algemene Europese Beschouwingen zijn, die ook een groot tijdsbeslag met zich brengen. Stel dat het een heel serieuze derde termijn is. Ik kan mij niet voorstellen dat we dan aan het einde van de derde termijn meteen stemmen. Als het echt een serieuze derde termijn is, lijkt het mij dat de week daarna gestemd zal worden. Maar het hangt dus af van de ontwikkelingen, en met name van de intelligentie van de brief van de staatssecretaris. 

De heer Atsma (CDA):

De staatssecretaris heeft gezegd dat de brief naar beide Kamers wordt gestuurd. Ik kan mij goed voorstellen dat ook de Tweede Kamer, althans een groot deel van de Tweede Kamer, er behoefte aan heeft om over die brief te spreken. Dat maakt het misschien nog iets complexer. Ik vind dat de staatssecretaris ontzettend veel toezeggingen heeft gedaan. Wat mij betreft wordt het zo snel mogelijk op papier gezet. Dan kunnen we het beoordelen. Maar ik wil toch even dat element onder uw aandacht brengen, mevrouw de voorzitter. 

De voorzitter:

Ik vind het fantastisch dat u dat element onder onze aandacht brengt, maar dit wetsvoorstel wordt nu hier behandeld. Wat de staatssecretaris meent te kunnen schrijven naar deze Kamer, is voor deze Kamer bestemd. Hoe hij dat vervolgens regelt met de Tweede Kamer, is niet hier aan de orde. Het is een andere procedure. De staatssecretaris zal in de brief de gewone toezeggingen, de toezeggingen waarvoor een wetstraject is vereist, nadere wetgeving of andere wetgeving voor de RPO, de procedure enzovoorts uiteenzetten. Of dat voor u voldoende is om te denken dat de Tweede Kamer ermee akkoord zal gaan of juist niet, is een ander verhaal. Dat is niet hier aan de orde. Hier aan de orde is datgene wat de staatssecretaris toezegt aan deze Kamer, en daarmee uit! 

Mijnheer Atsma, u krijgt nog kort de gelegenheid voor het wijzigen van een motie. Daarna sluiten we de beraadslaging. 

De heer Atsma (CDA):

Ik heb inderdaad aangegeven dat ik op basis van de wijzigingsvoorstellen die de staatssecretaris heeft aangereikt voor de motie die wij in eerste termijn hebben ingediend, graag een gewijzigde motie wil indienen, met zijn teksten. Ik denk dat daarmee recht wordt gedaan aan de ambitie die de staatssecretaris zelf heeft en die dicht bij de ambitie komt die wij hebben uitgesproken. Ik zou die gewijzigde motie graag aan de staatssecretaris willen voorleggen. 

De voorzitter:

Ik neem aan dat u uw eerste motie intrekt. De gewijzigde motie vervangt de andere motie. 

De heer Atsma (CDA):

Zo is het altijd. 

De voorzitter:

Ja. Als ik de motie heb voorgelezen — de staatssecretaris heeft heel goed geluisterd — krijgt de staatssecretaris nog de gelegenheid om op de motie te reageren. 

De voorzitter:

De motie-Atsma c.s. (34264, letter J) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de wijziging van de Mediawet (34264) ingrijpende gevolgen kan hebben voor het Nederlandse publieke bestel; 

verzoekt de staatssecretaris, met wettelijke waarborgen te komen waardoor omroepen met inachtneming van hun missie, doelstellingen en/of identiteit ruimte krijgen om programma's te produceren en uit te zenden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze gewijzigde motie is ondertekend door de leden Atsma, De Vries-Leggedoor, Martens, Koffeman en Teunissen. 

Zij krijgt letter N, was letter J (34264). 

Staatssecretaris, u hebt het woord. 

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Daarmee is deze motie in mijn ogen volstrekt overbodig geworden, want die ruimte is er. Die is er in de oude wet en die zal er ook zijn in de nieuwe wet. In mijn ogen voegt deze motie in die zin weinig toe. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Dank. Wilt u de motie wel teruggeven aan de bode, want de originele handtekeningen staan eronder. 

Het is nu helder. Wij zijn in afwachting van de brief van de staatssecretaris deze vrijdag voor 12.00 uur. De kans op een derde termijn volgende week dinsdag is zeer groot.