Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 13, item 3

3 Begroting Veiligheid en Justitie

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2016 ( 34300-VI ).

De voorzitter:

Ik heet de minister en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom in de Eerste Kamer. 

De beraadslaging wordt geopend. 

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Voorzitter. De begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie is dit jaar onderwerp geweest van een stevige politieke strijd. De directe inzet van die strijd was een geldbedrag van 200 miljoen euro structureel op jaarbasis. Daarmee hing de begroting van Veiligheid en Justitie aan een zijden draadje. Zonder dat bedrag was de kans op verwerping namelijk aanzienlijk geweest. Voor de CDA-fractie was de verhoging van dat bedrag met 200 miljoen euro in elk geval cruciaal. De indruk kan ontstaan dat met dit geldbedrag alles in orde is, maar dat is allerminst het geval. 

Ten eerste: het is de overtuiging van mijn fractie dat het extra bedrag voor Veiligheid en Justitie een absoluut minimum aan verbeteringen mogelijk maakt om essentiële functies van de rechtsstaat te kunnen garanderen. Bokkesprongen zoals een eigen detentiebijdrage — die niets oplost en eigenlijk alleen een afwenteling is op gemeenten of andere ministeries — zijn gelukkig verleden tijd. Maar dan nog liggen er claims op tafel, bijvoorbeeld voor verbetering van de politie-cao of de noodkreet van de Raad voor de rechtspraak. 

Ten tweede: het gaat er niet alleen om dát er een verhoging van de begroting is, maar vooral om de vraag wat er met die verhoging gedaan wordt, dus of die geldbedragen op een vruchtbare manier worden ingezet. Ook Veiligheid en Justitie kan meepraten over weggegooid geld voor bijvoorbeeld grote ICT-projecten. Het systeem Radar bijvoorbeeld dat automatisch fraude zou kunnen opsporen, liep ook op een enorm fiasco uit. Dat heeft miljoenen gekost. Dus niet alleen de verhoging is van belang, maar ook de manier waarop bedragen worden ingezet. 

Ten derde: door de focus op de begrotingsbedragen dreigt buiten beeld te vallen dat er ook kwesties zijn op het terrein van Veiligheid en Justitie die niet in eerste instantie te maken hebben met financiën. Het functioneren van het ministerie is daarvan al een voorbeeld. Kwesties als de "bonnetjesaffaire" en de zogenaamde foto van Volkert van der G. zijn daarvan enkele uitvloeisels, maar de kwestie gaat natuurlijk wel dieper. 

Is de minister het eens met deze drie eerste observaties? 

Deze drie observaties vooraf vormen het startpunt van mijn betoog. Een betoog waarin ik de staat van veiligheid en justitie wil bespreken in het licht van de rechtsstaat. Ik ga daarbij in op de politie, het OM, de rechtspraak en uiteraard de toegang daartoe, de keten en het functioneren van het ministerie. De kern van mijn betoog valt uiteen in drie delen: 

1. Het is nodig om de oriëntatie in het denken te veranderen. Daarmee bedoel ik dat de rechtsstaat niet alleen in abstracto, vanuit het staatsrechtelijk denken over de trias moet worden benaderd, maar ook vanuit de alledaagse werkelijkheid, vanuit de beleving van de burger; 

2. Het is nodig om de focus van de overheid te verleggen. Daarmee bedoel ik: minder focus op vergezichten in beleid en wetgeving, en meer aandacht voor de uitvoering. De uitvoering moet effectief en efficiënt zijn en structureel goed in elkaar zitten, zodanig dat niet steeds een incident de aanleiding moet zijn om overheidsdiensten weer bij de les te krijgen; 

3. Het is nodig dat een ministerie als organisatie hanteerbaar blijft. Daarmee bedoel ik dat een ministerie geen onbeheersbare moloch mag worden, maar een goed geoutilleerde organisatie moet zijn met voldoende ook inhoudelijk gekwalificeerde vakmensen, die zich ten dienste stelt van hetgeen waartoe het op aarde is, namelijk het bijdragen aan een betrouwbare overheid met geloofwaardige bewindspersonen die handelen in het algemeen belang. 

Deelt de minister deze visie? Mijn fractie is van mening dat een koerswending nodig is om deze visie te realiseren. Ik begin eerst met een paar opmerkingen over de rechtsstaat. 

De democratische rechtsstaat blijft een onderwerp van aanhoudende discussie. Alleen al het feit dat wij het nieuwe jaar ingaan met een debat over een eventueel in te stellen staatscommissie voor de herziening van het parlementaire stelsel maakt dit duidelijk. De rechtsstaat is geen onveranderlijke grootheid. Het is van belang om de verworvenheden van de rechtsstaat niet te vereenzelvigen met de concretisering daarvan op een bepaald moment in de tijd. Hij moet altijd gezien worden tegen de achtergrond van de samenleving die hij moet normeren en tegelijkertijd ook de samenleving waarbinnen hij moet functioneren. 

In 2014 en 2015 is pijnlijk duidelijk geworden dat onze soms vanzelfsprekend geachte veiligheid erg kwetsbaar is. En ook dat de scheidslijn tussen binnenlandse veiligheid en veiligheid in het buitenlanddomein steeds minder duidelijk te trekken is. In onze optiek betekent dit, dat het antwoord van Nederland moet zijn dat er meer moet worden geïnvesteerd in veiligheid, meer in internationale veiligheid en meer in veiligheid en justitie in Nederland, het onderwerp van dit debat. Sinds vorig zien wij juist dat er wordt geknaagd aan de basisinfrastructuur van de rechtsstaat. Ik noem maatregelen als de verhoging van het griffierecht en de beperking van de gesubsidieerde rechtsbijstand. 

De CDA-fractie is verontrust over het functioneren van de verschillende onderdelen in de keten en de keten zelf. Ik begin bij de politie. 

Voor de beleving van de rechtsstaat is de politie van cruciaal belang. Bij de dagelijkse veiligheid en het gevoel van die veiligheid neemt de politie misschien wel de belangrijkste plaats in. Niet voor niets wordt er zo gehecht aan blauw op straat. De Nationale Politie is gecreëerd met het oog op het effectiever maken van de politieorganisatie, maar de CDA-fractie maakt zich juist grote zorgen over die Nationale Politie. Al vier jaar, vier jaar, is die reorganisatie aan de gang. Nog steeds worden de nationale en regionale leiding van de politie daardoor in beslag genomen ten koste van het eigenlijke werk. Tientallen politiebureaus worden gesloten, duizenden politiemensen verkeren nog in onzekerheid over hun plaatsing en de kosten van de reorganisatie zijn zwaar onderschat. In de strijd voor betere arbeidsvoorwaarden zijn veel kostbare politie-uren verloren gegaan, zoals wij bij de stakingen hebben gemerkt. Dat "verloren" bedrag loopt zelfs op tot 60 miljoen. Het aantal wijkagenten is nog niet op orde en er is een stop op de werving van rechercheurs. En de korpschef is opgestapt als gevolg van de mislukkingen bij de reorganisatie. 

Daarbij komt nog dat de beschikbare politie op dit moment niet volledig kan worden ingezet voor de normale kerntaken. Vorige week vrijdag verscheen het bericht dat de politie over het afgelopen jaar de extra gemaakte kosten voor de opvang van asielzoekers gaat verhalen bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Het gaat daarbij om de inzet van zo’n 1.500 tot 2.000 politiemensen en een bedrag van 10 miljoen euro. Dit heeft dan niet betrekking op de gewone mankracht, maar slechts op de extra kosten van overuren en extra materiële kosten. Eerder werd al duidelijk dat de inzet ten koste gaat van de opsporing. 

Een climax vormde de politiemol die zware criminelen informeerde en die onlangs ontmaskerd werd. Dit debacle maakte duidelijk dat de screening op bredere schaal niet in orde was. Helaas was deze man niet de enige die zonder screening toegang had tot geheime informatie, maar een van de waarschijnlijk meer dan honderd mensen. 

Burgers moeten op de politie kunnen rekenen. Wanneer heeft de minister hier orde op zaken gesteld? Wanneer verwacht hij een nieuwe korpschef te kunnen benoemen? Wanneer denkt hij dat alle toegezegde wijkagenten geplaatst zijn? Wanneer is de recherche op orde? 

Hoe gaat de minister om met de structurele capaciteitsproblemen? Hoe garandeert hij voldoende blauw op straat, rekening houdend met de reorganisatie en ervan uitgaande dat de inzet voor het waarborgen van orde en veiligheid in en rond asielzoekerscentra de komende tijd nog nodig blijft? Ik zeg het meer algemeen: hoe denkt hij het ingedeukte vertrouwen te kunnen herstellen? 

Ik wil nu graag aandacht vragen voor het OM. De commissie-Hoekstra bracht dit jaar een vernietigend rapport uit over het falen van het OM en de politie bij de behandeling van de latere verdachte van de moord op oud-minister Els Borst. Pijnlijk werd duidelijk dat de verdachte al veel eerder opgepakt, ingerekend en behandeld had moeten worden. De commissie-Hoekstra ontleedde dat structurele problemen schuilgingen achter deze betreurenswaardige en schrijnende gebeurtenis. Kan de minister aangeven welke concrete verbeteringen als reactie op de aanbevelingen daadwerkelijk al zijn doorgevoerd? 

Dit vraagt mijn fractie meer specifiek vanwege een bericht dat vorige week donderdag verscheen. In dat bericht stond dat het OM van circa 12.000 veroordeelden ten onrechte geen DNA heeft afgenomen. Daaronder waren, volgens het bericht, alles bij elkaar tientallen personen die voor moord, doodslag, verkrachting of aanranding veroordeeld waren. Ook de verdachte van de moord op mevrouw Borst had eerder in beeld kunnen zijn, wanneer zijn DNA tijdig was afgenomen. Van ruim 10.000 veroordeelden schijnt volgens hetzelfde bericht geen adres bij de politie bekend te zijn. Inmiddels is door de minister een "inhaalslag" aangekondigd en schijnen hiervoor meer mensen geworven te worden bij het OM. Is dat juist? Wanneer is een en ander op orde en welke reële perspectieven zijn er? Voorziet de begroting in voldoende ruimte hiervoor? 

In het begin van mijn betoog vroeg ik aandacht voor uitvoering in plaats van wetgeving. Wij hebben de laatste jaren verscheidene wetsvoorstellen te behandelen gekregen die het strafrecht beoogden aan te scherpen, zoals die over de verhoging van strafmaxima. Dat laatste gold zelfs voor een delict waarvoor nog nooit iemand veroordeeld is, de huwelijksdwang. Maar op het gebied van veiligheid en justitie is strengere strafwetgeving een heel indirect sturingsinstrument. Om daadwerkelijk effect te hebben, moet iemand eerst opgespoord en vervolgens vervolgd en berecht worden. Dan is het aan de rechter om in concreto de strafmaat te bepalen. De eerste lijn is meer gediend met de uitvoering van wat al mogelijk is: een goede en adequate uitvoering van opsporing en vervolging. En daar schort het dus nog weleens aan. 

Vorige week is een nieuwe serie aanbevelingen verschenen voor het OM. Het gaat om de aanbevelingen die de commissie-Oosting heeft uitgebracht naar aanleiding van de zogenaamde "bonnetjesaffaire". De minister heeft bij het uitkomen van het rapport meteen besloten de aanbevelingen over te nemen. Op welke termijn zal dit zijn beslag krijgen? Hoe verhoudt deze reorganisatie — zo noem ik het maar — zich tot de al lopende maatregelen? 

Voor een goed functionerende rechtsstaat is een goed functionerende rechterlijke macht een vereiste. Met "goed functionerend" bedoel ik allereerst een kwalitatief goede rechtspraak. Van groot belang is ook de toegang tot de rechter. Die norm zal binnenkort in de Grondwet verankerd worden ter uitvoering van een motie van mijn oud-fractiegenoot Pia Lokin-Sassen. Rechtspraak moet toegankelijk zijn voor iedereen. De intrekking van de bezuiniging op de gesubsidieerde rechtsbijstand heeft de instemming van mijn fractie. Rechtspraak moet toegankelijk zijn, niet alleen voor on- en minvermogenden en voor grote bedrijven. Dat is belangrijk uit het oogpunt van de rechtsstaat. Heffing van griffierechten is op zich legitiem en kan lichtzinnig procederen voorkomen. Maar verhoging van griffierechten om de overheidskas te spekken, waardoor de toegang tot de rechter in het gedrang komt, is dat niet. Mijn fractie is daarom ook gelukkig dat de voorziene verhoging van de baan is. 

Goede rechtspraak betekent ook dat de procesduur niet uit de hand mag lopen. Hieromtrent bereiken mijn fractie ook zorgelijke berichten. Het is bekend dat de druk op de rechterlijke macht groter wordt door de combinatie van de bekostigingssystematiek en het aanbod van zaken. De Raad voor de rechtspraak spreekt van een budgettair tekort van 25 miljoen op jaarbasis. Hoe denkt de minister hierin te voorzien? 

Ik ga nu verder met het onderwerp de keten. Langzaam maar zeker worden de gevolgen duidelijk van de bezuinigingen op het OM, de politie, het NFI en de rechtspraak, inclusief de toegankelijkheid daarvan. Het CDA heeft vertrouwen in al die ketenorganisaties: in de politie, in het OM, in het NFI en in de rechtspraak. Maar aan alles is een grens. Geen enkele organisatie kan functioneren wanneer de beschikbare budgetten en het beschikbare, specialistische personeel de ondergrens overgeschreden hebben. 

Er is echter ook nog iets anders. Enkele jaren geleden verscheen een onthutsend rapport van de Algemene Rekenkamer over de prestaties in de strafrechtketen. Als reactie daarop zijn initiatieven genomen om in elk geval meer inzichtelijk te krijgen wat de prestaties zijn in alle onderdelen van de keten en in de keten zelf. Dit systeem van transparante informatievoorziening zou in 2016 gereed zijn. Dat is dus jaren na dato. Als ik het goed heb begrepen, gaat het hierbij alleen nog maar om de informatievoorziening en nog niet eens direct om de inhoudelijke verbeterresultaten. Kan de minister hier nader op ingaan? 

Ik kom nu op een betrouwbare overheid en daarmee op het ministerie zelf. Daarover maakt het CDA zich ook grote zorgen. Er lijkt een kloof te ontstaan tussen de werkelijkheid en de beelden die daarvan worden gecreëerd. Soms lijkt dat wel tegen beter weten in. Dat is schadelijker dan het misschien op het eerste gezicht lijkt. Het schaadt namelijk het vertrouwen van de Nederlanders in de politiek en in de rechtsstaat. 

Zo bleef de minister ontkennen dat de reorganisatie van de Nationale Politie was vastgelopen, tot de politie zelf liet weten dat het echt niet meer ging. Zoals ik al zei, stapte zelfs de korpschef op. Nu blijkt dat er drie jaar extra tijd en een dubbel zo hoog bedrag nodig zijn voor het op orde krijgen van de Nationale Politie. Dat is een gênante situatie. 

Ook horen wij positieve berichten over de veiligheid, terwijl soms later blijkt dat de zaken net iets anders liggen dan op het eerste gezicht het geval leek. Het aantal door de politie geregistreerde misdrijven nam bijvoorbeeld inderdaad af tot 1 miljoen. Sinds de totstandkoming van de Nationale Politie in 2013 worden er echter minder misdrijven opgelost, ondanks de daling van het aantal misdrijven. Volgens de cijfers ging het bij de overgang naar de Nationale Politie om 50.000 misdrijven minder. 

Ik noem nog een ander voorbeeld. Op het terrein van I&A wisselen geruststellende berichten over veiligheidsrisico's en andere berichten over achterstanden in en ontoereikende registratie en identiteitscontrole van binnengekomen vluchtelingen elkaar af. Die verschillende berichten zijn moeilijk met elkaar te rijmen. Imago mag nooit voor inhoud gaan. De werkelijkheid moet niet verhuld worden, want wanneer dan bekend wordt hoe het werkelijk zit, is de schade des te groter. Erkent de minister dat de kloof tussen de door de communicatie-experts van het ministerie gepresenteerde werkelijkheid en de feitelijke werkelijkheid soms te groot is geworden? En hoe gaat hij hier verandering in brengen? 

De NRC schreef zelfs over de "zeven plagen" van justitie. Op het ministerie zou imago voor alles gaan. Wat er misgaat wordt niet ontkend, maar geneutraliseerd. Het ministerie heeft zich ontpopt tot een organisatie die gevormd wordt door bijna 100.000 mensen. Dat is te groot, wat het CDA betreft. Het is steeds moeilijker geworden alle belangen op een lijn te brengen. 

Wij leven in een rechtsstaat. Wij leven in een democratische rechtsstaat. Mijn fractie heeft daarom de nodige bedenkingen tegen de manier waarop de laatste tijd met de lokale democratie wordt omgesprongen onder auspiciën van de staatssecretaris. Bij de opvanglocaties voor asielzoekers lijkt de doorzettingsmacht van de centrale overheid, inclusief het COA, bepalend. De lokale democratie en zelfs de lokale informatievoorziening lijken daarvoor te moeten wijken. Ik ontvang graag een reactie van de minister op dit punt. 

Ik kom langzamerhand tot het laatste deel van mijn betoog. Dat wil ik beginnen met de opmerking dat waar gehakt wordt, spaanders vallen. En er valt op het terrein van Veiligheid en Justitie veel te hakken. De bijdrage van mijn fractie aan dit debat is er niet op gericht om kleine incidentjes, die zich overal wel zullen voordoen, onder een vergrootglas te leggen en dan met luide stem "schande!" te roepen. Het gaat er de CDA-fractie wel om dat wij nu en in de toekomst een democratische rechtsstaat moeten verzekeren, structureel en niet alleen in staatsrechtelijke termen op papier. Het moet een democratische rechtsstaat zijn die een beleefde werkelijkheid is; een rechtsstaat die in zijn uitvoering werkt met een geloofwaardig ministerie, geloofwaardige bewindslieden en een geloofwaardig kabinet. Daar schort het op vele fronten nog aan. 

Graag verneem ik het volgende van de minister. Ten eerste of hij de door mijn fractie gepresenteerde visie op de rechtsstaat, de nodige koerswijzigingen en de genoemde problemen deelt en welke reële obstakels hij in de praktijk ziet bij het verleggen van die koers. Het is gemakkelijk om te zeggen dat we zaken anders gaan doen, maar we weten allemaal dat de praktijk van het echte leven soms wat weerbarstiger is. Dus welke obstakels ziet de minister? Ten tweede vraag ik de minister welke concrete maatregelen — dus niet algemene maatregelen — hij gaat nemen om op die punten verbeteringen aan te brengen. Ten derde vraag ik hem welke concrete resultaten hij op deze punten kan toezeggen voor het komend jaar. Wat zal er het komend jaar bereikt zijn? En waarom vraag ik dit? Om te voorkomen dat wij over één of twee jaar weer in deze Kamer staan en genoodzaakt zijn om precies hetzelfde debat weer te voeren. 

Mijn fractie kijkt met heel veel belangstelling uit naar de beantwoording van deze vragen door de minister en de staatssecretaris. 

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van Bijsterveld, ook omdat u ruim binnen de tijd bent gebleven. Dan is nu het woord aan mevrouw Duthler. 

Mevrouw Duthler (VVD):

Mijnheer de voorzitter. Het is eerder uitzondering dan regel dat er in deze Kamer een begrotingsdebat wordt gehouden. Dat gebeurt nu voor de begroting van Veiligheid en Justitie voor de tweede keer op rij en niet voor niets. Laat ik beginnen met uit te spreken dat in de aanloop naar dit begrotingsdebat de regering een aantal positieve stappen heeft gezet. De VVD-fractie waardeert het dat de verhoging van de griffierechten definitief niet doorgaat, alsook dat de regering het wetsvoorstel eigen bijdrage detentie heeft ingetrokken. Voor 2016 wordt er 310 miljoen extra vrijgemaakt voor de begroting van Veiligheid en Justitie, vanaf 2017 structureel 250 miljoen en tijdens de behandeling van de Voorjaarsnota 2016 wordt opnieuw bezien of dit genoeg is. 

Dit zijn goede berichten — laat ik dat onderstrepen — maar we zijn er nog niet, want goed kijkende naar de begroting en inzoomende op onderwerpen als Nationale Politie, de rechtspraak en de strafrechtketen houdt mijn fractie grote zorgen. Hiervoor wenst zij dan ook tijdens dit debat nadrukkelijk aandacht te vragen. Daarbij merk ik op dat in deze Kamer in de afgelopen jaren diverse debatten zijn gevoerd over rechtsstatelijke onderwerpen. Ook dat was niet voor niets. De onderwerpen die mijn fractie hierna aan de orde zal stellen, houden hiermee nauw verband en overigens ook onderling hangen zij nauw met elkaar samen. 

Ik kom bij toegang tot de rechtspraak en dan allereerst de rechtspraak zelf. De rechter heeft in de rechtsstaat een centrale rol. De VVD-fractie heeft grote zorgen over de staat van de rechtspraak. Het lijkt erop dat de rechtspraak steeds verder dichtslibt. Procedures in eerste aanleg kunnen zomaar vier jaar duren, weet ik uit eigen ervaring. Tussenvonnissen bijvoorbeeld voor het benoemen van deskundigen kunnen keer op keer worden uitgesteld. Zelf kreeg ik afgelopen najaar een brief van de Haagse deken waarin stond aangekondigd dat het vragen van pleidooi in hoger beroep bij het Hof 's Hertogenbosch mogelijk pas in 2017 gehonoreerd kan worden. Ik begrijp dat een dergelijke lange doorlooptijd ook geldt voor het Hof Leeuwarden-Arnhem. Dit is niet uit te leggen aan rechtzoekenden. Van werkelijke toegang tot de rechtspraak is dan de facto geen sprake. Deelt de regering deze zorgen en heeft de regering een verklaring? 

De rechtspraak heeft te maken met grote tekorten die zijn ontstaan door de taakstelling van Rutte II, de investeringen in KEI en de afname van de instroom. De afname van de instroom betreft zowel de afname in strafzaken als de afname in civiele zaken. Waardoor wordt de afname in strafzaken veroorzaakt? Mogelijk door de afname van criminaliteit, maar liggen de interne reorganisatieperikelen van de Nationale Politie niet veel meer voor de hand? Wordt op dit moment de capaciteit van de politie wel goed genoeg benut? Er waren tot voor kort nog 65.000 personeelsleden die in onzekerheid verkeerden over hun arbeidspositie en plek in de organisatie. Er is nog geen nieuwe korpschef benoemd. Rond Sinterklaas zouden de voorlopige plaatsingsbesluiten worden gecommuniceerd aan het personeel. Hoe zijn die gevallen? Is er al zicht op een percentage bezwaarschriften dat is of wordt ingediend? 

Daar komt voor de Nationale Politie nog een zorg bij, namelijk de zorg voor ICT-systemen en de daarmee samenhangende mijlpalenplanning. Deze loopt al jaren niet goed. De 25 ICT-systemen zijn nog steeds niet geïntegreerd en enig zicht op realisatie daarvan is er nog steeds niet. Goed functionerende ICT-systemen zijn wezenlijk voor een vitale bedrijfsvoering van de politie. Dan heb ik het nog niet over de beveiliging zoals goede en controleerbare autorisaties van ICT-systemen. Mevrouw Van Bijsterveld refereerde al aan de mol, de politiemol. De minister maakte eerder een onderscheid tussen harde planning, potloodplanning en zelfs penseelplanning. Alleen al het maken van een dergelijk onderscheid doet alarmbellen afgaan. lk zou zeggen, via de voorzitter, beste minister, spreek een harde planning af en houd daarbij rekening met uitloop in tijd en kosten. Daar ontkomt geen enkel ICT-project aan. Met een potloodplanning, laat staan penseelplanning, zou de minister geen genoegen mogen nemen. 

Van de 250 miljoen extra die structureel bij de begroting van Veiligheid en Justitie worden geplust, zijn er 138 miljoen bestemd voor de Nationale Politie. De VVD-fractie wil er dan wel van op aan kunnen dat de extra 138 miljoen ook goed besteed worden en dat de minister strak de vinger aan de pols houdt. Dat zal de minister waarschijnlijk zelf ook niet anders willen. Hoe heeft hij dit voor ogen? Welke maatregelen treft de minister hiertoe? 

Er zijn niet alleen zorgen over de Nationale Politie. De Nationale Politie maakt onderdeel uit van de strafrechtketen. Deze strafrechtketen kraakt in zijn voegen en dreigt vast te lopen. Uit een uitgevoerde risicoanalyse op de begroting van Veiligheid en Justitie kwam naar voren dat de bezuinigingen bij het OM — en ik citeer — "niet haalbaar zijn zonder risico's voor het primaire proces". Het tempo van bezuinigingen gaat te snel, zo was de conclusie. Dit is vanzelfsprekend zeer zorgelijk. Welke conclusies verbindt de regering aan deze risicoanalyse en nog belangrijker, welke acties en maatregelen? Is de regering bereid om bij de aangekondigde Voorjaarsnota 2016, waarin zij beziet of er nog extra geld bij moet, ook het OM te betrekken? 

En dan nog even terug naar de rechtspraak en de instroom van nieuwe zaken. De rechtspraak kampt met ingewikkelde vraagstukken. Aan de ene kant neemt de werklast toe en aan de andere kant is er minder budget. De instroom van zaken neemt af. Minder q betekent op basis van het q x p-principe, minder geld van het ministerie voor de rechtspraak. Tegelijkertijd constateerde ik zojuist dat civiele procedures in eerste aanleg eindeloos kunnen duren en dat aanvragen voor pleidooien in appel pas in 2017 zullen worden gehonoreerd. Hoe valt dit met elkaar te rijmen? Zouden we dan niet eens opnieuw naar de wijze van bekostiging moeten kijken? Hoe kijkt de regering hier tegenaan? 

Ik kom bij het KEI-programma. Zoals gezegd loopt er een zogenaamd KEI programma. KEI staat voor kwaliteit en innovatie, waartoe ook behoort de digitalisering van de rechtspraak. De besparingen die dit programma moet opleveren worden deels gebruikt om de taakstelling te realiseren die door de regering is opgelegd aan de rechtspraak. In 2020 wordt gerekend met 50 à 52 miljoen euro. Hoe realistisch is dit? De overheid is bepaald geen kei als het gaat om ICT-projecten. Dikwijls loopt het uit in tijd en kosten en kunnen niet alle functionaliteiten worden gerealiseerd. Dat gaat overigens niet alleen bij de overheid zo. De invoering van KEI is uitgesteld tot de resultaten bekend zijn van de uitgevoerde pilots. Wat is daarvan de status en wat is de prognose? Zijn de reeds ingeboekte besparingen realistisch? 

Ik kom bij het volgende onderwerp, de rechtbanklocaties, het meerjarenplan en de rol van de Raad voor de rechtspraak, meer in het bijzonder ten opzichte van de bevoegdheden van de minister en het parlement. Blijven de zeven rechtbanken open voor grote zaken? De berichtgeving hierover is niet eenduidig. De Eerste Kamer heeft met gefronste wenkbrauwen kennisgenomen van de inhoud van het meerjarenplan van de Raad voor de rechtspraak, meer in het bijzonder van het zogenoemde locatiebeleid en de gevolgen daarvan voor de wettelijk geregelde zittingsplaatsen. Niet voor niets heeft de Kamer over de implicaties die de Raad aan dat locatiebeleid verbindt, een aantal indringende vragen gesteld, waarvan de strekking kort kan worden samengevat met: wie gaat hier eigenlijk over? 

In de wetstekst en in de wetsgeschiedenis van zowel de instelling van de Raad voor de rechtspraak in 2002 als de Wet herziening gerechtelijke kaart (Wet HGK) in 2012 is niets te vinden van een vergaande besluitbevoegdheid van de Raad voor de rechtspraak. Integendeel, de wetgever heeft de Raad gedacht een beheersorgaan voor de bedrijfsvoering van de rechtspraak te zijn. De opdracht en bevoegdheid tot verdeling van de zaakspakketten over de zittingsplaatsen binnen een rechtbank is in de wet uitdrukkelijk bij de gerechtsbesturen gelegd. Het zijn de gerechtsbesturen die in eerste instantie moeten bepalen welke grote en welke kleine zaken in een zittingsplaats worden behandeld. Ook zij moeten daarbij de geest van de wet respecteren, die inhoudt dat alle bestaande zittingsplaatsen materieel volwaardig dienen te zijn en blijven. 

Hoe heeft de Raad kunnen komen tot het beeld dat zijn bevoegdheden zo veel verder zouden gaan dan de wetgever heeft bepaald en belangrijker nog, waarom heeft de minister dit beeld zo lang onweersproken gelaten? De VVD-fractie hecht zeer aan klaarheid in deze zaak en wel om de volgende reden. Bij de totstandkoming van de Wet HGK heeft de Eerste Kamer ingestemd met het voorstel om de aanwijzing van zittingsplaatsen uit de wet te halen, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat wijziging van de zittingsplaatsen zou plaatsvinden via een AMvB met voorhangprocedure. Deze uitdrukkelijke voorwaarde is door de ambtsvoorganger van deze minister tijdens het debat in de Eerste Kamer eveneens uitdrukkelijk aanvaard. 

Het in het meerjarenplan van de Raad voor de rechtspraak collectief reduceren van zeven rechtbanken waar nu alle grote en kleine zaken worden behandeld, tot evenzovele zittingsplaatsen voor louter kleine zaken, is in strijd met deze voorwaarde. Als dit de norm zou worden voor het omgaan met niet alleen de letter, maar ook de geest van de wet, zou de Kamer nu spijt moeten hebben dat zij in 2012 niet heeft geëist het AMvB-vereiste in de reparatiewet op te nemen. Mijn fractie vindt dit een slecht voorbeeld van de wijze waarop het verkeer tussen regering en volksvertegenwoordiging behoort te verlopen en is geïrriteerd over deze gang van zaken. 

Wat opvalt is dat de gang van zaken lijkt te passen in een patroon. De bestuurlijke ambities van de Raad en de presidentenvergadering in huidige samenstelling zijn de laatste jaren gegroeid. We zien een groeiende bureaucratisering en reglementering, zonder aanwijsbare wettelijke grondslag. Zoals hiervoor al is opgemerkt heeft een dergelijke ontwikkeling de wetgever bepaald niet voor ogen gestaan. 

Interessant is in dit verband het interview met de oud-vicepresident van de Raad van State, mr. Tjeenk Willink, in het decembernummer van het u allen ongetwijfeld bekende blad Mr. Daarin neemt hij onverbloemd stelling tegen wat hij noemt de "verbestuurlijking" van de rechterlijke macht, aangejaagd door de Raad voor de rechtspraak, waardoor het evenwicht tussen bestuur, politiek en rechter uit het lood dreigt te worden geslagen. "Het is nooit de bedoeling geweest", zo stelt hij, "dat de Raad de plaatsvervanger zou worden van de minister tegenover de rechters". Deze kritiek sluit naadloos aan bij de inhoud van het Leeuwarder Manifest van december 2012. 

Het geheel overziend vindt mijn fractie het tijd dat de wetgever zich nog eens diepgaand bezint op de plaats en de taakopdracht van de Raad voor de rechtspraak. Wij menen dat de komende evaluatie van de Wet HGK een geschikt moment zou zijn om ook de in 2002 genomen beslissing tot instelling van de Raad grondig te evalueren. Is de minister dat met de VVD-fractie eens? 

Tot slot kom ik bij de toekomst van de gefinancierde rechtsbijstand en het rapport van de commissie-Wolfsen. De commissie-Wolfsen adviseert om de regie op het stelsel te versterken en knelpunten hierin te verbeteren. Knelpunten die deze commissie signaleert, zijn het ontbreken van een goede coördinatie, een gebrekkige uitwisseling van informatie tussen partijen en instanties en het structureel niet innen van eigen bijdragen van rechtzoekenden. Ook is de kwaliteit van rechtsbijstandsverleners nog te vaak van wisselend niveau. In voorkomende situaties is de kwaliteit zelfs onder de maat. Deskundigheidseisen voor verschillende gebieden moeten over de hele linie op een hoger niveau komen te liggen, en qua niveau met elkaar te vergelijken zijn. 

Het viel de VVD-fractie op dat de kostenstijgingen van 329 miljoen in 2002 tot 440 miljoen in 2014 vooral het gevolg waren van de groei van het aantal toevoegingen met 41%. De begroting van V en J bevat een post van ruim 1,4 miljard euro voor rechtspleging en rechtsbijstand. Bijna een derde daarvan gaat op aan gefinancierde rechtsbijstand. Dat is erg fors. De commissie-Wolfsen geeft in haar rapport aan dat onder meer de financieringsmodellen niet bijdragen aan een efficiënte afhandeling van bijvoorbeeld echtscheidingsverzoeken. Dat voorbeeld haalt de commissie-Wolfsen aan. Dit sluit aan bij mijn eerdere constatering dat het verstandig zou zijn om eens naar de wijze van bekostiging van de rechtspraak te kijken. Wil de regering dit punt bij haar kabinetsreactie expliciet betrekken? Welke prikkels zouden kunnen worden geïntroduceerd om het beroep dat op de gefinancierde rechtsbijstand wordt gedaan, af te remmen? In het debat over de staat van de rechtsstaat vorig jaar heeft mijn fractie gesuggereerd om alternatieve vormen van financiering van rechtsbijstand te onderzoeken. Heeft de regering deze suggesties ter harte genomen en zo ja, wat is de status daarvan? 

Opvallend is ook dat de commissie adviseert om de puntenaantallen per toevoeging te evalueren en de puntenvergoeding licht te laten stijgen. De VVD-fractie wenst nu alvast te markeren dat zij dit kritisch zal beoordelen. Zij vraagt zich af of dit bijdraagt aan een rem op de groei van het aantal toevoegingen. Ik heb begrepen dat de kabinetsreactie in het voorjaar kan worden verwacht. Is de regering bereid, met deze Kamer in mondeling overleg te treden alvorens acties te verbinden aan deze kabinetsreactie? 

Ik kom tot een afronding. Er valt nog zo veel meer te zeggen, maar de VVD-fractie heeft zich beperkt tot de meest prangende punten. Zoals gezegd is de VVD-fractie positief gestemd — laten we ook wat positieve geluiden laten horen — over de intrekking van de verhoging van de griffierechten en de eigen bijdrage detentie, als ook de extra financiële middelen die de regering reeds heeft toegezegd voor de begroting van V en J. De zorgen die zij heeft met name ten aanzien van de Nationale Politie, de vastgelopen strafrechtsketen en de organisatie en toegang tot de rechtspraak zijn substantieel. De VVD-fractie ziet met belangstelling uit naar de reactie van de regering op de door haar gestelde vragen en suggesties, en gaat er overigens van uit dat ook daarna het laatste woord daarover nog lang niet is gezegd. 

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Duthler. Ik merk op dat wij dankzij mevrouw Van Bijsterveld nog binnen de tijd zijn. Ik zeg dat met enige dreiging voor de volgende sprekers, die ik verzoek om zich aan de spreektijd te houden. Het woord is aan de heer Engels. 

De heer Engels (D66):

Nou, dank u wel, mijnheer de voorzitter, zal ik dan maar zeggen. Ik zal mijn best doen. 

De op Prinsjesdag aangeboden conceptbegroting bevestigde voor de D66-fractie het beeld van een zich al enkele jaren voordoende problematiek: 1) de baten van aangekondigde maatregelen worden voor de kosten uit ingeboekt; 2) wetsvoorstellen die opbrengsten zouden moeten genereren, blijven hangen; 3) hervormingsplannen en reorganisaties vallen veel duurder uit dan aanvankelijk begroot, en 4) met voortgaande bezuinigingen op de hoofdrolspelers in de strafrechtsketen (politie, OM, advocatuur en rechtspraak) dreigt het rechtssysteem vast te lopen of zelfs te ontsporen. Niet voor niets was ook de Rekenkamer erg kritisch. De rapportage met aandachtspunten bij de ontwerpbegroting van 29 oktober geeft aan dat er sprake is van een kwetsbare verhouding tussen ambities, middelen en tijd. De informatiewaarde met betrekking tot bijvoorbeeld de Nationale Politie is beperkt en de doelstellingen voor de verbetering van de prestaties in de strafrechtketen na 3,5 jaar zijn nog steeds niet geformuleerd. 

Gaandeweg deze herfst is de kritiek op het ministerie en dus ook op de bewindslieden heviger en indringender geworden. Dat is voor een deel terug te voeren op het dit jaar tot een dieptepunt gedaalde imagoverlies van het ministerie. Met name de acceptatiegraad bij vrijwel alle stakeholders in de rechtspraktijk voor het in de afgelopen jaren gevoerde beleid is substantieel afgenomen. 

Over het ministerie van Veiligheid en Justitie is al vanaf de instelling bij de start van het kabinet-Rutte I veel te doen geweest. De overgang van het gehele cluster van openbare orde en veiligheid naar het ministerie van Justitie heeft het ministerie van BZK verweesd achtergelaten en binnen het nu monstrueuze departement van Justitie de aandacht voor de rechtspleging en rechtsstatelijke waarden verminderd. Mijn fractie heeft meerdere malen aangegeven dat de gemaakte politieke keuze voor een heringericht ministerie van Veiligheid en Justitie een totaal verkeerde is geweest. Wat als een versterking van zowel veiligheid als justitie werd beoogd, draaide na de samenvoeging uit op een verzwakking van beide. De gecreëerde machtsconcentratie van politie en justitie suggereert bovendien een osmose die het belang van optimale rechtsstatelijkheid op voorhand relativeert. De terugkeer naar de oorspronkelijke departementale indeling op grondslag van "checks and balances", met een striktere scheiding van opsporing en openbare orde en daarmee een betere balans tussen rechtsstaat en democratie, is het onontkoombare signaal dat mijn fractie recentelijk bij Algemene Beschouwingen nog weer eens heeft afgegeven. Een daartoe strekkende motie-De Graaf is in deze Kamer aanvaard. Het moet het kabinet en de bewindslieden niet zijn ontgaan dat buiten de VVD niemand deze onzalige figuur nog ondersteunt. Ik kan dan ook niet nalaten om de bewindslieden nu meteen maar te vragen hoe het staat met de voorbereiding van deze ontvlechting. Het antwoord denk ik echter wel te weten. 

Wat deze foute keuze heeft verergerd, is het feit dat de bewindslieden Opstelten en Teeven zich op het nieuwe superministerie ontpopten als overijverige crimefighters. Zij keken vooral naar veiligheid, handhaving en vervolging. De klassieke kwaliteiten van Justitie, dat wil zeggen de bewaking en versterking van de rechtsstaat en de zorg voor kwalitatief goede, samenhangende, systeemconforme en aan fundamentele rechtsbeginselen appellerende wet- en regelgeving, verdwenen naar de achtergrond. De ambitie was zo veel mogelijk repressie, gemotiveerd door de mantra dat "de" — overigens niet nader gedefinieerde — samenleving dat wil. Deze eenzijdige focus op het bedienen van het in bepaalde maatschappelijke segmenten levende ongenoegen leverde een reeks van slecht doordachte en van de klassieke rechtsbeginselen losgezongen plannen en gelegenheidswetgeving op. Ik noem de verhoging van de griffierechten, het verminderen van de rechtsbijstand, een verdere uitkleding van de rechtbanken, bezuinigingen op het OM, een niet goed gelukte invoering van de Nationale Politie, de eigen bijdrage aan proceskosten en detentie, een uitbreiding van de voorlopige hechtenis, ruimere mogelijkheden om vrijgesproken verdachten opnieuw te vervolgen, de uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers, de invoering van hogere straffen, en een groter arsenaal aan opsporingsbevoegdheden. Zo werden de vorige minister en staatssecretaris de "bewindslieden van straf" zoals een fractiegenote in de vorige periode eens treffend opmerkte. 

Intussen stapelden de affaires zich op en is het ministerie het spoor steeds meer bijster geraakt. Ook ik verwijs naar het artikel over de zeven plagen van het ministerie van V en J in de NRC van 9 juli 2015. De plagen zijn al door collega Van Bijsterveld genoemd, dus die zal ik nu niet herhalen. 

Het ministerie creëerde een eigen werkelijkheid en probeerde elke vorm van kritiek daarop met een vaste politieke meerderheid en een eendimensionale mediastrategie onder het vloerkleed te vegen. Hoe gaan de nieuwe bewindslieden dit allerminst florissante beeld bijstellen? Dat is de cruciale vraag die velen zich bij hun aantreden hebben gesteld. Een voortzetting van het bestaande beleid en de bestaande cultuur ligt na al die deconfitures en zwaar beschadigde reputatie niet in de lijn der verwachting, zo meent mijn fractie. Graag hoor ik van de bewindslieden hoe zij daar tegen aankijken. 

Dan de begroting voor 2016. In de oorspronkelijke begroting melden de nieuwe bewindslieden nog trots dat zij blijven doorwerken aan een sterke en moderne rechtsstaat. Zo moeten de kwaliteit en prestaties van de strafrechtspleging omhoog. De kwaliteit van de opsporings- en vervolgingsprocessen zal stijgen doordat de kwaliteit van de aangiften en afhandeling daarvan door de politie wordt verbeterd, de aanbevelingen van de commissie-Hoekstra richting OM zullen worden uitgevoerd, de planning van de zittingen wordt strakker gemaakt en straffen zullen sneller ten uitvoer worden gelegd. De aanpak van de criminaliteit wordt krachtig doorgezet. 

Dit klinkt op het eerste gezicht ambitieus, maar bij nader inzien ontstaat toch de nodige twijfel of dit alles kan worden waargemaakt. Het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2012, Prestaties in de Strafrechtketen, is bijvoorbeeld alweer drie jaar oud, maar de strafrechtpleging hapert nog steeds. De jongste voortgangsrapportage over het programma Versterking Prestaties Strafrechtketen van 14 september jl. stemt nu niet direct tot grote vrolijkheid. Blijkens onderzoek van het WODC is in 2010-2011 slechts 7% binnen twee jaar na instroom in de keten afgehandeld dan wel in de afhandelingsfase. Uit de monitoring van de werkhoeveelheden van het OM in 2014 blijkt dat de verdere stijging van de werkhoeveelheden tot staan is gebracht. Voor de komende jaren durft de minister voor een hogere uitstroom zelfs nu nog geen concrete doelstelling te formuleren en ten aanzien van een verbetering van de doorstroom vestigt hij zijn hoop op de Nationale Politie; hetgeen, dat moet gezegd, bijzonder dapper is. Is dit nu een perspectief dat tot herstel van vertrouwen in de strafrechtketen zal leiden, zo vraag ik de bewindslieden. 

De signalen uit het rechtsbedrijf zelf zijn intussen niet mis te verstaan. De uitgevoerde bezuinigingen op de rechtsketen beginnen hun tol te eisen. De tekorten bij politie, OM en rechtspraak groeien, en er is minder mankracht beschikbaar. Intussen moet er wel worden gereorganiseerd en worden nieuwe, digitale procesvormen ingevoerd. Door dit geld- en tijdgebrek wordt het voor alle betrokkenen in de strafrechtketen steeds moeilijker om op het vereiste niveau te blijven presteren en tegemoet te komen aan de eisen die de politiek stelt. Niet voor niets zagen wij in het afgelopen jaar een ongebruikelijk activisme onder rechters en advocaten. Rechters kwamen met een manifest over de werkdruk en met demonstraties bij rechtbanken, advocaten gingen in toga de straat op, de politie hield acties en het OM gaf een winstwaarschuwing af. De paradox is met andere woorden dat dit kabinet aan de ene kant eendimensionaal focust op veiligheid en criminaliteitsbestrijding door maximaal in te zetten op strenge straffen, opgerekte opsporingsbevoegdheden en bijzondere aandacht voor slachtoffers. Aan de andere kant leiden de bezuinigingen in de strafrechtketen nu juist tot onvoldoende politiecapaciteit en middelen om signalen van onveiligheid uit de samenleving adequaat te adresseren, tot onvoldoende capaciteit bij het OM om verdachten te vervolgen in ernstige zaken, tot de situatie dat ten onrechte verdachte burgers niet meer kunnen rekenen op een gespecialiseerde advocaat en tot het feit dat de rechtspraak verder vastloopt en meer risico loopt om fouten te maken. Deze aanzienlijke en meerjarige bezuinigingen, met als gevolg daarvan toenemende druk op het rechtsbedrijf is niet langer verantwoord. Als dit zo doorgaat, zal dit leiden tot veel tijd- en energievretende verdere reorganisaties, een verdere schaalvergroting en een eenzijdige en verschralende focus op efficiency en kwaliteitsverlies. Tegelijkertijd staan we aan de vooravond van een volledig gedigitaliseerde procesvoering. Dit alles overziende, zou mijn fractie menen dat het roer op het ministerie flink om moet. Graag hoor ik van de bewindslieden of zij bereid zijn zich minder tegenover de spelers in de justitieketen op te stellen en of zij zich meer als partner van de rechters, het OM en de politie willen ontwikkelen. 

Een positief eerste begin is dat het kabinet voorafgaand aan de behandeling van de begroting van V en J in de Tweede Kamer bij brief van 20 november een pakket met extra middelen heeft aangereikt, waarmee 310 miljoen extra kan worden geïnvesteerd. Het op onverantwoorde wijze vullen van gaten binnen de bestaande begroting lijkt daarmee voorshands tot staan gebracht. Veel van de beoogde extra bestedingen klinken ook positief: 60 miljoen voor het asielbeleid, 200 miljoen voor de strafrechtketen en 50 miljoen om de wetsvoorstellen over een verhoging van de griffierechten en een eigen bijdrage van gedetineerden in te kunnen trekken. Met name het voornemen om een aantal fragwürdige wetsvoorstellen in te trekken mag worden aangemerkt als een buitengewoon goede en, wat mijn fractie betreft, zeker ook bemoedigende keuze. Het wetsvoorstel inzake een eigen bijdrage aan proceskosten blijft helaas staan, maar daar komen we hier nog wel over te spreken waarna ook dat voorstel alsnog kan worden ingetrokken. 

Maar met deze eenmalige financiële injectie zijn niet alle zorgen in één keer weggenomen. In een democratische rechtsstaat is onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak een wezenlijk uitgangspunt. Naast zorgvuldige en democratisch gelegitimeerde wetgeving en verantwoordelijk en behoorlijk bestuur is goede, tijdige en rechtsstatelijk gelegitimeerde rechtspraak essentieel. Het ministerie van Justitie, eerst- en eindverantwoordelijk voor rechtsstaat en rechtspleging, moet op dit punt een nadrukkelijke verantwoordelijkheid voelen daarin adequaat te investeren. De begroting laat echter, ook in meerjarenperspectief, een structureel tekort van 32 miljoen zien voor de functie rechtspraak. Een van de gevolgen daarvan leek aanvankelijk het uitkleden van zeven regionale rechtbanken, terwijl het stof van de herziening gerechtelijke kaart nog niet is neergedaald. Hoewel de dreiging van niet-volwaardige of geheel ontmantelde rechtbanken door toedoen van de Tweede Kamer voorshands deels lijkt te zijn afgewend — hiervoor is naar ik heb begrepen 16 miljoen nodig — zijn er nog genoeg aandachtspunten over die het wegwerken van dit tekort rechtvaardigen. 

Er is een te hoge werkdruk die risico's oplevert voor voldoende kwaliteit en er is te weinig lucht om op nieuwe ontwikkelingen als KEI te kunnen inspelen. De extra 20 miljoen in de nota van wijziging is met andere woorden niet genoeg. Daar zal in de Voorjaarsnota nog zo'n 30 miljoen bij moeten om structureel van een verantwoorde bedrijfsvoering te kunnen spreken. Een daartoe strekkende motie in de Tweede Kamer is voor mijn fractie een begrijpelijk en verstandig signaal. Graag verneem ik van de bewindslieden hoe zij deze benadering beoordelen en met welke intentie zij op weg gaan naar de Voorjaarsnota. 

Rondom het Openbaar Ministerie heb ik inmiddels heel wat staatjes met cijfers voorbij zien komen. Vanuit een zekere zelfbescherming, maar ook om proceseconomische redenen veronderstel ik die allemaal bekend: De Galan I, De Galan II en de contra-expertise van De Jong. Mijn fractie meent, dit alles overziende, dat het bezuinigingstempo bij het OM omlaag moet. Het komt ons voor dat de opgelegde bezuinigingen qua tempo en omvang een te grote druk leggen op het OM en daarmee op de strafrechtketen. We praten voor 2016 nog over een taakstelling van 100 miljoen. Wat mijn fractie betreft moeten de in de nota van wijziging opgenomen 15 miljoen en de 6,8 miljoen voor de uitvoering van het rapport-Hoekstra worden opgehoogd naar 35 miljoen. De politieke en maatschappelijke druk op het OM is onverminderd hoog en neemt eerder toe dan af. Ik noem de georganiseerde misdaad, de cybercrime, het vluchtelingenvraagstuk, toenemend huiselijk geweld, de doorontwikkeling van ZSM, het rapport-Hoekstra en de ontwikkeling in het sociaal domein. Intussen komen er nieuwe ontwikkelingen op het OM af, die ook weer vorm moeten krijgen. Hoe gaan de bewindslieden ook met dit verhaal naar de Voorjaarsnota, zo vraag ik hen. 

De Nationale Politie moet nog een kwaliteitsslag maken, zo staat in de begroting, met name in de opsporing. Dat geldt vooral voor de specialistische recherche. Daarvoor is een deel van de 180 miljoen uit de pot van 310 miljoen beschikbaar. Maar dat wordt moeilijk vanwege het uitblijven van concrete verbeterplannen voor de nog steeds niet voltooide inrichting van de Nationale Politie. Dat er een herprioritering en een nadere fasering in het reorganisatieproces nodig is, blijkt genoegzaam uit het in september gevoerde overleg in de Tweede Kamer en uit het hier gevoerde overleg daarna. In het kader van de herijking heeft de minister aangegeven dat er extra middelen ter beschikking komen. Tot dusver gaat het om 250 miljoen, maar daaruit moet blijkbaar ook de nieuwe cao worden bekostigd. Mijn fractie is er zich overigens van bewust dat het vraagstuk van de Nationale Politie niet alleen een kwestie van geld is. De gekozen schaal en de zware druk die dat legt op de eindverantwoordelijken, met name de korpschef, vraagt een snelle introductie van adequate spelregels en omgangsvormen. Zo is er te weinig geïnvesteerd in de relatie met het lokaal gezag en te veel in centrale besluitbevoegdheden. Wat is op dit moment de stand van zaken, zo vraag ik de bewindslieden en wat is het financiële perspectief richting de Voorjaarsnota? 

Ik kom op het asielbeleid. Er bestaat in onze fractie zorg over een concrete en adequate aanpak van de grote toestroom van vluchtelingen. Daarvoor is uit het bedrag van 310 miljoen nu incidenteel 60 miljoen extra beschikbaar gesteld, maar de vraag is of dit, gelet op de zich thans voordoende ontwikkelingen, voldoende zal blijken. De ontwikkelingen in het Midden-Oosten suggereren een verdere toename van de instroom, terwijl in Europees verband wordt geprobeerd die instroom beheersbaar te houden. Deze Kamer heeft gevraagd om een realistische inschatting van de cijfers rondom de asielketen en de vluchtelingen, waaronder de opvang in de regio. Uit de brieven van 11 december blijkt dat de in de Najaarsnota 2015 nog gehanteerde cijfers alweer achterhaald lijken. De actuele raming voor 2016 is overigens met de nodige onzekerheden omgeven. Ook hier moet de Voorjaarsnota meer helderheid bieden. Met welke verwachting kijkt de staatssecretaris naar het proces rond de Voorjaarsnota, zo vraag ik hem graag. In dat verband merk ik op dat het kabinet een hypotheek op het toekomstige ODA-budget lijkt te nemen door nu al de stijging van het ODA-budget in te boeken voor de opvang van asielzoekers. Hier rijst de vraag of het uitgeven van een groot deel van het ODA-budget in Nederland niet haaks staat op het streven naar de opvang van asielzoekers in de regio van herkomst. 

De voorgenomen bezuiniging op de rechtsbijstand is in dit huis zwaar bekritiseerd. De vorig jaar hier aangenomen motie-Scholten en de motie-Franken vormen daarvan het overtuigende bewijs. Terecht hebben de bewindslieden vervolgens een pas op de plaats gemaakt. Het recentelijk gepubliceerde rapport-Wolfsen maakt duidelijk dat de toegevoegde waarde van een stelsel van rechtsbijstand te vinden is in een sterke en brede eerste lijn, waarin niet alleen het juridisch loket en de advocatuur complementair opereren, maar ook andere bijstandsverleners en belangenorganisaties een rol spelen. 

De uitgaven van het ministerie zijn sinds 2002 gestegen van 329 naar 469 miljoen in 2013. In 2014 daalden de uitgaven overigens weer naar 440 miljoen. De groei van het aantal toevoegingen hangt samen met een reeks van uiteenlopende factoren: de verharding en juridisering van de samenleving, complexe regelgeving, meer mondige burgers en een haperend forfaitair puntensysteem. Deze ontwikkelingen zien we met name terug in het strafrecht en het echtscheidingsrecht. Gelet op de decentralisaties in het sociale domein en de toenemende instroom van vluchtelingen zullen de kosten voor het sociale domein en het vreemdelingenrecht gaan stijgen. De commissie doet voorstellen voor een duurzamer en meer uitgebalanceerd rechtsbijstandssysteem, waarmee de toegang tot het recht wordt verbeterd en de kosten beheersbaar blijven. Ook in het inmiddels verschenen rapport van de commissie-Barkhuysen wordt gepleit voor een duurzaam stelsel, onder meer door de financiële regels daarvoor wettelijk vast te leggen en op basis van de aldus geobjectiveerde criteria een openeindesysteem te hanteren in plaats van een vast budget. Graag geeft mijn fractie de bewindslieden voor de komende begroting mee, de tot dusver beoogde bezuiniging op de rechtsbijstand te laten voor wat die is en te investeren in de adviezen van de zojuist besproken rapporten. Graag hoor ik of de minister deze lijn tot de zijne wil maken. 

Het is op zichzelf genomen goed, ik wil wel zeggen heel goed, dat er nu met de nota van wijziging blijkbaar een keerpunt is bereikt in het dekken van gaten met nieuwe gaten, zodat structureel iets gedaan kan worden aan de in de afgelopen jaren opgebouwde financiële risico's en de budgetspanning in de begroting. De Voorjaarsnota zal echter duidelijk moeten maken hoe de bewindslieden dit probleem nog volledig gaan rechtzetten. Ik zeg nadrukkelijk hóé, en niet óf. En dan zeg ik er voor de goede orde bij dat mijn fractie niet zit te wachten op verhalen met een kasschuif. En zijn de bewindslieden zich ervan bewust dat in het geval deze missie onverhoopt niet zou slagen, zij bij de volgende begroting op herhalingsoefening zullen moeten bij zowel de Tweede als de Eerste Kamer? Ik wil de minister kortom met nadruk vragen met welke instelling en inzet hij op weg gaat naar de ministerraad in verband met de komende Voorjaarsnota. 

Ik kan er niet omheen nog enkele expliciete opmerkingen te maken over het rapport-Oosting. Ik doe dat met de nodige terughoudendheid nu de Tweede Kamer hierover nog moet spreken, hetzij morgen, hetzij op een andere dag. De indringende analyses en conclusies bevestigen dat het hoog tijd is voor een substantiële cultuurverandering. Allereerst in de politieke cultuur in het algemeen, bijvoorbeeld in de omgang met de politieke verantwoordelijkheid van parlementariërs, met de ministeriële verantwoordelijkheid, met de parlementaire inlichtingenplicht, met het nemen van verantwoordelijkheid voor onjuist handelen en met het te veel vooropstellen van het partijbelang. Het vertrouwen in de parlementaire democratie is nadrukkelijk in het geding. Maar voor dit probleem zijn deze bewindslieden hier en nu niet de eerstverantwoordelijken. 

Daarnaast duid ik op een cultuurverandering op het ministerie. In dat licht wil ik de bewindslieden vragen of zij zich ervan bewust zijn dat het tijdperk- Opstelten/Teeven voorbij is en dat er nieuwe wegen ingeslagen moeten worden. Realiseren zij zich dat de brede verwachting leeft dat zij zich nu aan het hoofd moeten stellen van een ommekeer, of beter nog terugkeer naar de oorspronkelijke kwaliteit en het degelijke imago waarover het ministerie van Justitie ooit beschikte? Graag geef ik hun mee dat zij dit kunnen doen als dienaren van de Kroon en dat zij in die hoedanigheid hun oren niet meer alleen hoeven te laten hangen naar de partijpolitieke retoriek van "hard aanpakken" en meer van dat type ongerijmdheden. Dit onderdeel afsluitend vraag ik de bewindslieden hoe zij het beeld van een substantieel geschaad vertrouwen in het ministerie gaan bijstellen. 

Een in de Voorjaarsnota bestendigde solide financiële basis onder het justitiebeleid, waarvoor in de Tweede Kamer al via verschillende moties de richting is aangegeven, kan een aanzet bieden voor een terugkeer naar een justitiedepartement dat de rechtsstaat weer nadrukkelijk voorop stelt, en dan niet een rechtsstaat die strikt formeel en armoedig wordt gedefinieerd in termen van repressie, machtsuitoefening, revanchisme en handhaving — kortweg: de "law and order"-benadering — maar een echte rechtsstaat: een rechtsstaat waarin recht en macht in evenwicht zijn, een rechtsstaat waarin het recht en de toepassing van het recht zijn gebaseerd op algemeen aanvaarde rechtsbeginselen, beginselen van rechtvaardigheid, rechtszekerheid, evenredigheid en zorgvuldigheid en een rechtsstaat waarin wetgeving aansluit bij het algemene rechtsbewustzijn. Een rechtsorde behoort niet te zijn gegrondvest op subjectivistische of partijpolitieke normativiteiten, maar op een bij de algemene rechtsontwikkeling aansluitend rechtsbewustzijn onder alle rechtsgenoten. Ik kijk uit naar de reactie van de bewindslieden. 

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. Vandaag bespreken we de begroting van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2016, de eerste begroting van deze minister en deze staatssecretaris. Beide bewindslieden hebben inmiddels gemerkt dat het grote belang van hun beleidsterrein zich ook vertaalt in grote aandacht van samenleving en volksvertegenwoordiging voor hun begroting. Zo is in beide Kamers zowel bij de Algemene Politieke Beschouwingen als bij de Algemene Financiële Beschouwingen gewezen op de risico's en knelpunten in de begroting. Een en ander heeft ertoe geleid dat nog voor de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer aanpassing van de begroting is aangekondigd, welke aanpassing heeft plaatsgevonden met de nota van wijziging van 26 november jl. 

De PvdA-fractie is ingenomen met die wijzigingen, hoewel niet al onze zorgen daarmee zijn weggenomen, maar daarover straks meer. Eerst wil ik kort stilstaan bij de zegeningen die de nota van wijziging en de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer hebben opgeleverd. Het wetsvoorstel inzake de verhoging van griffierechten wordt ingetrokken. Hetzelfde geldt voor het wetsvoorstel inzake een eigen bijdrage bij detentie, terwijl de in het wetsvoorstel inzake de eigen bijdrage bij een strafproces bedoelde eigen bijdrage wordt verlaagd. De regering heeft in de nota van wijziging bovendien de bijdragen aan het Openbaar Ministerie, de rechtspraak, het Nederlands Forensisch Instituut en de reclassering verhoogd. Ook is er extra geld gereserveerd voor de Nationale Politie en voor rechtsbijstand. 

De dekking van deze wijzigingen wordt voor een belangrijk deel gevonden in de opbrengst uit grote schikkingen en uit de intensivering van de aanpak van witwassen en corruptie. De PvdA-fractie heeft bij deze dekkingsvoorstellen aarzelingen. Wij vragen de minister of de regering door al bij voorbaat te rekenen op opbrengsten uit grote schikkingen, niet het risico loopt dat de afweging in concrete zaken om de zaak voor de rechter te brengen of te schikken, door budgettaire overwegingen wordt beïnvloed. Het moet niet zo zijn dat, omdat de minister het geld zo goed kan gebruiken, kapitaalkrachtige fraudeurs wegkomen met een schikking en zich niet hoeven te verantwoorden voor de rechter. Ten aanzien van de verwachte opbrengst uit de intensivering van de aanpak van witwassen en corruptie hebben wij behoefte aan een nadere en zo concreet mogelijke toelichting van de minister: om welke opbrengsten gaat het en hoe worden deze verkregen? Voorts vragen wij de minister wat hij gaat doen als de feitelijke opbrengst onverhoopt lager is dan de verwachte opbrengst. 

Bij de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer zijn diverse belangrijke moties ingediend en aangenomen. Ik denk daarbij in het bijzonder aan de motie-Oskam over het vrijmaken van middelen om de zeven bedreigde rechtbanken volwaardig open te houden, de motie-Pechtold over voldoende middelen voor nieuwe taken van het Openbaar Ministerie — daarbij denk ik ook aan taken van het OM op het snijvlak van straf en zorg — en de motie-Kooiman over voldoende middelen voor de primaire taken van de politie. In elk van deze drie moties wordt de regering verzocht om de bedoelde middelen bij de Voorjaarsnota van 2016 vrij te maken. De PvdA-fractie verneemt graag van de minister of hij deze moties gaat uitvoeren. 

Ondanks de besproken aanpassingen van de begroting op basis van de nota van wijziging en zelfs met uitvoering van de genoemde moties leeft er bij de PvdA-fractie nog een belangrijk punt van zorg. Die zorg betreft de benarde financiële positie waarin de rechtspraak verkeert. De Raad voor de rechtspraak heeft enkele weken geleden aan de minister bericht dat zelfs als de in het meerjarenplan voorziene maximale besparing op huisvesting, waarvan zeven rechtbanken het slachtoffer dreigden te worden, zou worden gerealiseerd, sprake is van een structureel tekort van 32 miljoen euro op de begroting voor de rechtspraak. Gelukkig is het ontmantelen van de zeven rechtbanken van de baan. Vorige week heeft de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak in een gesprek met de commissie voor Veiligheid en Justitie het nog eens ondubbelzinnig geformuleerd: aan de huidige zaakspakketten van de zeven rechtbanken wordt niet getornd. Des te belangrijker is dus het antwoord van de minister op mijn vraag of hij de motie-Oskam gaat uitvoeren, maar zelfs als het volledig openhouden van de zeven rechtbanken door de regering financieel wordt gecompenseerd, resteert een fors structureel tekort op de begroting van de rechtspraak. Dit tekort wordt met name veroorzaakt door de bezuinigingstaakstelling die de regering aan de rechtspraak heeft opgelegd en door investeringen in KEI, het digitaliseringsproject van de rechtspraak, die niet in de kostprijs van de rechtspraak zijn meegenomen. Voor het zo belangrijke project KEI zijn dus in het geheel geen extra middelen beschikbaar gesteld door de regering! 

Het voorgaande heeft ertoe geleid dat het eigen vermogen van de rechtspraak dit jaar op nul uitkomt en dat de begroting voor de rechtspraak in 2016 het genoemde structurele tekort van 32 miljoen euro vertoont. Onlangs verscheen in het Nederlands Juristenblad een artikel van een groep rechters die erop wezen dat door de verhoging van het griffierecht in het verleden en door de afdoening door het OM van de lichtere strafbare feiten veel kleine zaken zijn weggevallen. Ik citeer de groep rechters: "De resterende zaken zijn intussen complexer en tijdrovender geworden, onder meer door de toepasselijkheid van het Europees recht. Betaling aan de gerechten vindt plaats op basis van outputfinanciering, waarbij wordt afgerekend per afgedane zaak. Indien de prijs per "product" onvoldoende aan de complexiteit van de zaak wordt aangepast, komt dit per saldo ook neer op een bezuiniging. De prijzen zijn echter voor 2016 zelfs naar beneden bijgesteld. De rechtspraak heeft al lang de bodem bereikt en verdere bezuinigingen zijn ontoelaatbaar. De Raad lijkt eraan voorbij te gaan dat de rechtspraak de derde staatsmacht vormt en dat van bijzonder belang is dat zij haar essentiële rol in onze democratie goed kan vervullen." 

Deze rechters richten hun verbale pijlen vooral op de Raad voor de rechtspraak, maar ik vraag de minister of het niet de minister van Justitie is die eraan voorbijgaat dat de rechtspraak de derde staatsmacht vormt die zijn essentiële rol in onze democratische rechtsstaat goed moet kunnen vervullen. In dit kader wil ik niet onvermeld laten de hartenkreet van de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, zeer recent in de media: "Dat de derde staatsmacht uit onze democratie in zo'n precaire financiële situatie verkeert, is een ontwikkelde democratische rechtsstaat als Nederland onwaardig." De PvdA-fractie vraagt de minister om een reactie op deze uitspraak. Ik meld maar even vooraf … Ik zie de minister spreken en ik zeg het dus nog een keer. De PvdA-fractie vraagt de minister om een reactie op deze uitspraak. Ik meld maar even vooraf dat wij geen genoegen nemen met een verwijzing naar de in de nota van wijziging uitgetrokken extra gelden voor de rechtspraak. Ik heb begrepen dat het in die nota opgenomen dekkingsvoorstel Herijking huurverlaging Rijksvastgoedbedrijf een afroming bevat van zo'n 10 miljoen euro op de huisvestingsmiddelen van de rechtspraak. Ik vraag de minister of ik dit goed heb begrepen en, zo ja, waarom hij met de ene hand middelen geeft om de financiële nood van de rechtspraak enigszins te lenigen en gelijktijdig met de andere hand in feite een groot deel daarvan terugneemt. Wat gaat de minister doen om werkelijk een einde te maken aan de nijpende financiële situatie van de rechtspraak, onze derde staatsmacht? En dat niet alleen: wat gaat hij doen om de rechtspraak financieel in staat te stellen om te digitaliseren, te investeren in kwaliteit, in lijn met de conclusies en aanbevelingen van de commissie-Cohen, de hoge werkdruk aan te pakken en daarmee de werkachterstanden en dus de door mevrouw Duthler zo beeldend besproken wachttijden voor de justitiabelen terug te dringen? 

Ik zou de minister ook willen vragen hoe het staat met de bestrijding van georganiseerde criminaliteit in Nederland en in Europees verband. Eerder hebben wij als Kamer via de motie-De Vries onze verontrusting geuit over het feit dat de georganiseerde criminaliteit zeer ernstige vormen aanneemt. Ook heeft de Kamer op 26 mei 2015 met algemene stemmen aangedrongen op een drastische intensivering van de bestrijding daarvan. Graag hoor ik van de minister wat de inspanningen van de regering zijn om deze motie uit te voeren en wat het effect daarvan tot dusverre is geweest. 

Voorzitter: Broekers-Knol

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ook wil ik nog stilstaan bij de gesubsidieerde rechtsbijstand; daar is al meer over gezegd. Onlangs hebben wij het rapport van de commissie-Wolfsen ontvangen over de oorzaken van de kostenstijgingen van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand en de vernieuwing van dat stelsel. Dit onderzoek is aan deze Kamer toegezegd in reactie op de bij de behandeling van de begroting van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 aangenomen motie-Scholten en motie-Franken. Bijna gelijktijdig heeft de door de Nederlandse orde van advocaten ingestelde commissie Duurzaam stelsel gefinancierde rechtsbijstand haar rapport uitgebracht. Beide rapporten bevatten belangwekkende inzichten, conclusies en aanbevelingen. De minister heeft bij de aanbieding van het rapport van de commissie-Wolfsen aan de Kamer meegedeeld dat hij alvorens met een uitgebreide kabinetsreactie, inclusief beleidsvoornemens, te komen, niet alleen het rapport zorgvuldig wil bestuderen, maar ook de visies van betrokken partijen uit het veld wil vernemen op de uitkomsten van het onderzoek en het rapport van de door de NOvA ingestelde onderzoekscommissie. De PvdA-fractie is ingenomen met deze brede oriëntatie van de minister. Namens mijn fractie wil ik de minister vast meegeven dat wij verwachten dat hij op basis daarvan komt met voorstellen voor een werkelijk duurzaam stelsel voor de gesubsidieerde rechtsbijstand dat recht doet aan de belangen van de rechtzoekenden en aan de belangen van de rechtsbijstandsverleners. Wij zullen de vervolgstappen van de minister op dit onderwerp dan ook nauwgezet volgen. 

Tot slot maak ik van de gelegenheid gebruik om de minister te bevragen op het punt van de rechtsbijstand op de ZSM-locaties. De minister heeft naar aanleiding van de eindrapportage Werkwijze ZSM en Rechtsbijstand in zijn brief van 12 november jl. aan de Tweede Kamer meegedeeld dat voor hem vooropstaat dat de ZSM-werkwijze vergezeld moet gaan van adequate rechtsbijstand aan verdachten. Wij delen dit uitgangspunt, vandaar dat ik dit onderwerp nu extra aandacht geef. De minister beraadt zich nog op de wijze waarop een verruiming van de mogelijkheid van rechtsbijstand structureel vorm zou moeten krijgen. Ik heb signalen uit het veld gekregen — daarin staan advocatuur en OM volledig aan dezelfde kant — dat adequate rechtsbijstand bij de ZSM-werkwijze dringend noodzakelijk is en niet langer kan wachten. De vraag van de PvdA-fractie aan de minister is dan ook of deze rechtsbijstand vanwege het rechtstatelijk belang en gezien de succesvolle pilots op zeer korte termijn, het liefst per omgaande, kan worden ingevoerd. Wij wachten de antwoorden van de minister met belangstelling af. 

De heer Markuszower (PVV):

Voorzitter. L'histoire se répète. De geschiedenis herhaalt zich, en dat is niet altijd prettig. Vorig jaar toen deze Kamer de begroting van Veiligheid en Justitie voor 2015 behandelde, waren Parijs en de wereld geschokt door terroristische aanslagen in Parijs. Zeventien onschuldige Franse burgers werden ritueel geslacht. Slechts twee dagen voordat ook in deze Kamer de respectievelijke woordvoerders hun afschuw en medeleven betuigden, declameerden miljoenen mensen: je suis Charlie. Nu, nog geen jaar later, staan we weer in deze Kamer. Nu spreken wij over de begroting van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2016 en net als vorig jaar doen wij dat enkele dagen — deze keer weken — na terroristische aanslagen in Frankrijk. Er is wel een verschil. De meest recente aanslagen waren tien keer zo krachtig, met bijna tien keer zo veel doden. En wat in Frankrijk kan gebeuren, kan natuurlijk ook in Nederland gebeuren. Mijn bijdrage zal zich derhalve vooral concentreren op de vraagstukken omtrent veiligheid. Mijn fractiegenote mevrouw Van Weerdenburg zal haar bijdrage vooral wijden aan de vraagstukken omtrent het asielbeleid van het kabinet. 

Zowel in de Eerste Kamer als in de Tweede Kamer is reeds geconstateerd dat de initieel ingediende begroting van Veiligheid en Justitie voor 2016 onverantwoord was: te weinig geld voor te veel verantwoordelijkheden. Belangrijke verantwoordelijkheden want het fundament van onze democratische rechtsstaat is de zekerheid die burgers hebben dat de overheid de veiligheid van de burgers garandeert. De VVD en de PvdA hebben na dat parlementaire gebrul voor de bühne van de andere elitepartijen wat pleisters op de meest zichtbare wonden geplakt, vervolgens een beetje gedeald en gewheeld in de achterkamertjes en, zie daar, een meerderheid is voor een nog steeds gemankeerde begroting van Veiligheid en Justitie. 

De PVV is naar het zich laat aanzien, de enige partij in deze Kamer die tegen deze begroting zal stemmen, omdat wij de waarheid zeggen. Die waarheid is ongemakkelijk, maar die waarheid moet gezegd worden. Immers, voor een blinde mag geen struikelblok worden gelegd. Deze begroting biedt de burgers van Nederland niet voldoende veiligheid. Met deze begroting bekent de VVD kleur. De VVD is niet langer de zelfbenoemde partij van de crimefighters, want de VVD en de PvdA weigeren om voldoende middelen beschikbaar te stellen om de straten van Nederland veilig te maken. Is er dan niet genoeg geld? Jawel hoor, alleen de VVD alloceert dat beschikbare geld niet naar die onderdelen die daadwerkelijk voor meer veiligheid zorgen. 

Hetzelfde geldt voor de middelen. De politie in het bijzonder, maar eigenlijk het ministerie van V en J in zijn algemeenheid, was in 2015 veel aandacht en capaciteit kwijt aan het beheersen en onder het tapijt schuiven van de grote ellende die de gelukszoekers — dit kabinet blijft ze hardnekkig vluchtelingen noemen — veroorzaken. In 2016 zal dit zeker ook het geval zijn. Ook is de politie volledig gepreoccupeerd met de reorganisatie. Zo groot is de capaciteitsellende van de politie dat de Raad voor de rechtspraak een significante afname ziet van het aantal strafzaken dat nog moet worden behandeld. Zijn er opeens minder criminelen in Nederland? Nee. Is er minder misdaad in Nederland? Nee. Is Nederland veiliger dan vorig jaar? Nee. Maar de politie is te druk met andere dingen. Zij komt niet toe aan haar kerntaak: boeven vangen. Ik hoor graag van de minister of hij de opmerkingen van de Raad voor de rechtspraak herkent en of er inderdaad minder verdachten voor de rechter verschijnen, simpelweg omdat de politie te druk is met reorganiseren en de problematiek omtrent de asielstromen. 

Eind vorige week declareerde de politie bij het ministerie van V en J 10 miljoen euro voor gemaakte kosten bij de opvang van vluchtelingen in ons land. De identificatie van asielzoekers, maar ook het waarborgen van de veiligheid heeft tot nu toe 10 miljoen euro gekost. In dat bedrag zit niet eens de inzet van mankracht. Klopt het dat 10 miljoen euro ook minimaal vier extra agenten per jaar per gemeente had kunnen zijn? Nederland is een crime paradise. Ook in 2016 zullen boeven, als zij al gepakt worden, in de gevangenissen in grotere luxe leven dan onze ouderen in de verzorgingshuizen, zolang die niet door de VVD- en PvdA-bewindslieden worden gesloten. Waarom versobert de minister de gevangenissen niet? Zijn ministerie heeft geld nodig en boeven verdienen geen luxe. 

De Marokkaanse straatterroristjes van een aantal jaren geleden zijn inmiddels uitgegroeid tot topcriminelen. De pakkans in Nederland is bedroevend laag. Henk en Ingrid worden in hun eigen huis overvallen, mishandeld en beroofd, en de daders hebben niets te vrezen. Die rijden met hun gestolen buit rustig de open grenzen over, want die grenzen zijn nog steeds niet dicht en worden nog steeds niet gecontroleerd. Onze veiligheidsdiensten en onze overheid die wij burgers het mandaat hebben gegeven om over onze veiligheid te waken, hebben geen flauw benul wie in ons land binnenkomt en wie er uitgaat. Een hardwerkende Nederlander die een paar kilometer te snel rijdt, ja voor hem of haar is de pakkans nagenoeg 100%. Zolang de topcrimineel, de zwartwerker, de dief, de verkrachter, de illegale terrorist niet te hard rijdt, kan hij jarenlang zijn gang gaan in dit land. Het is een gruwelijke schande. 

Over die terrorist gesproken, komen onze bewindslieden uit een ei of zo? Zij moeten toch ook weten dat het met het binnenhalen van tientallen miljoenen migranten in Europa ook het terrorisme is geïmporteerd? Het is voor mijn fractie onbegrijpelijk dat de minister deze begroting voor 2016 niet aangrijpt om drastische antiterreurmaatregelen te nemen om ons, onze kinderen en onze kleinkinderen te beschermen. 

Agenten moeten anders worden getraind. Zij moeten anders worden bewapend. De 9 millimeter houdt geen IS-kalasjnikov tegen. Kan de minister helderheid verschaffen over de reden waarom de KMar op Schiphol met zwaardere wapens staat dan bijvoorbeeld in de straten van Den Haag? In de media verschenen berichten dat de burgemeester van Den Haag, Jozias van Aartsen, die wapens onwenselijk vindt in het straatbeeld. Herkent de minister deze uitspraak van Van Aartsen? Lopen de KMar en de burgers die zij moeten beschermen, niet onnodig gevaar nu zij onderbewapend hun belangrijke taken moeten uitvoeren? 

De Dienst Speciale Interventies moet worden uitgebreid en de antiterreurwetgeving moet worden aangepast. De oude Romeinen wisten het al: si vis pacem, para bellum, zeiden zij; wilt u vrede, bereidt u dan voor op oorlog. Is de minister werkelijk van mening dat de huidige wetgeving Nederlanders voldoende beschermt tegen terrorisme? Zo nee, wat zal hij dan voorstellen in 2016 om Nederlanders beter te beschermen tegen die dreigingen? Kan de minister opsommen welke maatregelen dit kabinet het afgelopen jaar heeft genomen om terrorisme te bestrijden en welke maatregelen nog ontbreken? Overlegt de minister met een land als Israël dat sinds zijn bestaan bijna dagelijks met dezelfde moordenaars te maken heeft en de afgelopen zeventig jaar veel ervaring heeft opgedaan met het bestrijden van terrorisme? Uit mijn inleiding kan worden gedestilleerd dat het terrorisme niet vanzelf zal verdwijnen. Dit kabinet zal echt stevige antiterreurmaatregelen moeten nemen. Wij Nederlanders verdienen veiligheid. Zal de minister in 2016 onze dappere politieagenten, die met gevaar voor eigen leven door de straten van Nederland patrouilleren, adequaat beschermen en bewapenen? 

De fouten die onder meer door het Openbaar Ministerie worden en zijn gemaakt, zijn een grote bron van zorg voor mijn fractie. Van bijna 12.000 veroordeelden is geen DNA afgenomen, terwijl dat wel had gemoeten. Hier zitten tientallen moordenaars en zedendelinquenten bij. Zij hebben door die fouten meer kunnen moorden en verkrachten. In dat kader is de vraag aan de minister hoe hij beterschap kan beloven. Hoe denkt hij dat de top van de Nationale Politie die tot nu toe niet in staat is gebleken tijdig en binnen het budget de reorganisatie af te ronden, dit nu wel kan doen? Wat gaan diezelfde mensen de komende jaren anders doen? Waarom worden de mensen die de verkeerde plannen hebben bedacht en die die niet adequaat hebben uitgevoerd, niet vervangen? Zijn zij de komende jaren wel in staat om datgene goed te doen wat zij tot nu toe overduidelijk niet konden doen? Wat gaan die mensen de komende jaren anders doen? 

Ik zie dat de minister goed geluimd blijft. Ik zou peentjes zweten als ik hem was, want deze begroting is een aanslag op de veiligheid van Nederland. Ik weet dat, u, voorzitter, weet dat en de minister weet het stiekem ook wel. 

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Voorzitter. Bovenop het weinig rooskleurige beeld dat mijn collega Markuszower zojuist schetste, komt nog eens een asieltsunami van ongekende proporties. Vele tienduizenden gelukszoekers zijn onze grens inmiddels gepasseerd en voor 2016 valt ook niet veel goeds te verwachten. En dat onder leiding van een staatssecretaris van VVD-huize, al is het verschil tussen de PvdA en de VVD tegenwoordig amper te zien. Beide partijen delen immers het gedachtegoed dat er in het kort op neerkomt dat wij de humanitaire plicht hebben om de halve moslimwereld hier op te vangen ten koste van de Nederlandse bevolking. In heel Nederland worden allerlei kantoorpanden, verzorgingshuizen en andere gebouwen omgekat tot tijdelijke opvang voor asieleisers, met recreatieruimtes, kookfaciliteiten en alles erop en eraan. Deed dit kabinet ook maar zo veel moeite voor ouderen of studenten die ook dolblij zouden zijn met zo'n plek. 

De staatssecretaris zegt steeds dat hij begrijpt dat mensen het niet zo leuk vinden als zij een asielzoekerscentrum of een opvanglocatie in hun straat krijgen. Het gaat niet om wel of niet leuk vinden, het gaat erom dat mensen 's nachts wakker liggen omdat zij hun tienerdochter niet meer alleen over straat durven laten gaan uit angst dat zij wordt lastiggevallen door gefrustreerde asieleisers. In Amstelveen komt de asielopvang zelfs midden in de joodse wijk. Beeldt u zich dat even in. Van verveling op straat rondhangende gefrustreerde Syrische asieleisers waar joodse kinderen op weg naar school langs moeten fietsen, wat kan daar nu misgaan? Wacht, minister Asscher zal hen een participatieverklaring laten tekenen en dan komt alles goed. Ongelooflijk naïef en gevaarlijk bovendien. Op de terechte zorgen van de omwonenden, die toch al dagelijks te maken hebben met extra beveiliging bij scholen en synagogen, zegt de gemeente dat zij het COA heeft gevraagd om een gemengde groep te huisvesten. Oftewel het veelgebruikte verhaal: maakt u zich geen zorgen, er komen families met kindertjes in. 

Maar die fotogenieke vluchtgezinnen met kindertjes zijn uitermate schaars, zo schaars zelfs dat wij ze nu al importeren uit het buitenland. Vorige week arriveerden er een aantal op Schiphol die op speciale uitnodiging van Nederland hierheen waren gevlogen. De gezinnen moesten eerst uitgebreid op de foto en in de krant, want dat houdt het verhaal mooi in stand. De cijfers liegen er echter niet om. Van de in Nederland en in Europa binnengekomen asieleisers is maar liefst 73% man. De beelden uit Oost-Europa waar hordes jonge moslimmannen Allah akbar schreeuwend, vechten tegen de politie, doen elk weldenkend mens de rillingen over de rug lopen. 

Eerdere waarschuwingen dat IS zijn strijders zou meesturen met de vluchtelingenstroom, werden door deze staatssecretaris betiteld als onwaarschijnlijk. Nu blijkt dat minstens twee van de aanslagplegers in Parijs inderdaad als Syrische vluchteling Europa zijn binnengekomen, zegt de staatssecretaris dat hij heeft gezegd dat wij dat niet kunnen uitsluiten. Dat hebben wij gezien. De PVV-fractie maakt zich grote zorgen over de veiligheid in Nederland. Amper twee weken geleden verkondigde een achttienjarige Syriër op een asielzoekersboot in Zaandam dat hij een IS-strijder is. Hoeveel lopen er inmiddels rond in Nederland? Een nieuwe aanslag is een kwestie van tijd. Zolang dit kabinet de grenzen wagenwijd openhoudt, is het mede verantwoordelijk voor de onschuldige burgers die daarbij het leven zullen laten. De VVD moet zich kapot schamen. Zij denkt waarschijnlijk dat de kiezer dit allemaal vergeten zal zijn tegen de tijd dat er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn, maar ik verzeker u, het azc op de hoek waar zij langs rijden op weg naar het stembureau, zal hen eraan herinneren. 

Nederland is inmiddels een groot asielzoekerscentrum geworden. In bijna elke gemeente is wel een opvanglocatie en in de meeste gevallen tegen de wil van de omwonenden. Dit beleid kent louter verliezers. Burgers liggen wakker door de zorgen over hun veiligheid en die van hun kinderen, en de asieleisers zijn ook niet tevreden. Volgens hen is het in Nederland te koud en te nat, in de bossen stinkt het naar hout en de wifi met internetverbinding is meestal ook niet snel genoeg. Alsof dat allemaal niet erg genoeg is, krijgen zij iedere ochtend een boterham met kaas. Pure marteling. Zij hebben inmiddels zelfs de Nationale ombudsman ingeschakeld. Dit is, zoals de Engelsen zo mooi zeggen, beyond parody. 

Het einde van deze asieltsunami is nog lang niet in zicht. De staatssecretaris heeft de verwachte instroom voor volgend jaar meer dan verdubbeld, maar hij geeft ook aan dat dit een gok is en dat dit aantal hoger of lager kan uitvallen. Wij weten het niet; het is niet te voorspellen. Eventuele extra financiële tegenvallers repareren wij wel bij de Voorjaarsnota. Lekker gemakkelijk. 

Het kabinet heeft Nederland lang voorgehouden dat de oplossing voor deze crisis in EU-verband moest worden gevonden, dat er hard werd gewerkt en dat een oplossing in zicht was. Die zogenaamde oplossing is er nu in de vorm van een deal met Turkije. Dictator Erdogan ziet zijn chantagepolitiek optimaal bekroond: 3 miljard euro Europees belastinggeld, visumvrij reizen voor Turken en de toetredingsonderhandelingen worden hervat. Of wij door de kat of de hond worden gebeten, de islamisering van Nederland zal doordenderen in ruil voor al die toezeggingen, bijvoorbeeld dat Turkije de grenzen dichtgooit en dat de vluchtingelingenstroom naar Europa zal opdrogen. Tot Erdogan meer geld wil of iets anders bedenkt. Dan zet hij de grens weer open en begint de ellende opnieuw. De Hongaarse premier Orbán zei onlangs dat Angela Merkel tijdens de onderhandelingen met Erdogan heeft toegezegd om nog eens 500.000 zogenaamde vluchtelingen uit Turkije in Europa te hervestigen. De staatssecretaris ontkent dit: er zou nooit over getallen zijn gesproken. Durft hij daarvoor zijn hand in het vuur te steken? 

"We beslissen iets. We brengen dat dan in en wachten enige tijd om te zien wat er gebeurt. Volgt er geen misbaar, breekt er geen opstand uit — de meesten begrijpen toch niet wat er is beslist — dan gaan we weer wat verder. Stap voor stap tot er geen terugkeer meer mogelijk is." Dit zei Jean-Claude Juncker, voormalig voorzitter van de eurogroep en de huidige president van de Europese Commissie, in 1999. Nu, zestien jaar later, lijkt het erop dat de strategie niet is veranderd. Aan het begin van de zomer kregen de EU-lidstaten te horen dat ze onderling 40.000 zogenaamde vluchtelingen moesten herverdelen. In september kwamen er daar nog eens 120.000 bij. Nu is er volgens de Hongaarse premier Orbán dus een geheime afspraak gemaakt met Turkije om 500.000 vluchtelingen over te nemen. Dat gebeurt stap voor stap tot er geen terugkeer meer mogelijk is, tot ons mooie Nederland onherkenbaar veranderd is en ook hier de gure wind van de sharia waait. 

Ik sluit af met een klemmende oproep aan beide bewindspersonen: kom in verzet. Kom in verzet tegen de PvdA. Nederland heeft genoeg geleden onder het politiek correcte waanzinbeleid van het kabinet-Rutte II. Trek de stekker eruit. 

De heer Ruers (SP):

Mevrouw de voorzitter. Het jaar 2015 heeft op het terrein van V en J een aantal opzienbarende ontwikkelingen laten zien. Daarbij valt in de eerste plaats de motie-Franken op, die in januari bij de behandeling van de begroting van 2015 in deze Kamer is aangenomen. Met deze motie legde de meerderheid van deze Kamer vast dat de Kamer zich grote zorgen maakte over de begroting. Geconstateerd werd dat de voorgenomen bezuinigingen tot een onaanvaardbare aantasting van de gefinancierde rechtsbijstand hadden geleid en daarmee tot een aantasting van de rechtsstaat. De Kamer verzocht zodoende de regering om de voorgenomen bezuinigingen van 85 miljoen euro achterwege te laten en alternatieve financieringsmogelijkheden te zoeken. 

Het tweede opvallende feit was het gegeven dat de minister van V en J begreep dat er iets moest veranderen, hoewel hij weigerde de genoemde motie uit te voeren. Dat leidde tot het instellen van de commissie-Wolfsen, met de taakopdracht onderzoek te doen naar de oorzaken van de kostenstijgingen in het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand. Kennelijk was de minister op voorhand al zo overtuigd van zijn eigen gelijk, dat de mogelijkheid dat er helemaal geen kostenstijging zou worden vastgesteld, niet bij hem opkwam. Over het rapport van de commissie-Wolfsen kom ik later nog te spreken. 

Het derde opmerkelijke feit was de waarschuwing die een ruime meerderheid in deze Kamer aan de regering deed uitgaan bij de Algemene Politieke Beschouwingen met de motie-Brinkman/Kox van 13 oktober jongstleden. Die waarschuwing aan de regering kwam bepaald niet uit de lucht vallen. Deze Kamer heeft de afgelopen jaren meermalen de regering te verstaan gegeven grote moeite te hebben met de bezuinigingen op de rechtsstaat. Ik wijs op de volgende moties: de motie-Kox van 29 oktober 2013, de moties-Franken van 11 maart 2014, de motie-Ruers/Strik van dezelfde datum, de motie-Kox van 14 oktober 2014 en de voorgemelde motie-Franken van 13 januari van dit jaar. Daar komt bij dat de bezwaren van deze Kamer niet alleen voortkomen uit de bezuinigingen, maar ook uit het gebrek aan inzicht bij de regering voor het feit dat we door de vloer kunnen zakken bij het garanderen van de rechtsstaat. 

Twee jaar geleden toonde de fine fleur van juridisch Nederland in een hoorzitting in deze Kamer aan dat het idee van de regering dat de rechtsstaat een "gewoon" onderdeel zou zijn van de begroting, onjuist is. De motie van 13 oktober jongstleden, met de daarbij gegeven toelichting, was naar mijn mening een politiek unicum. Deze Kamer deelde de regering mee dat er rekening mee moest worden gehouden dat de hele begroting kon worden verworpen als de regering onverkort zou vasthouden aan haar voornemen om de bezuinigingen in de begroting van V en J te handhaven. Daaraan voegde deze Kamer toe dat het van wijs beleid zou getuigen als de regering met de Tweede Kamer daarover zaken zou doen. 

En zie: de regering haalde bakzeil. En dat was niet een beetje, maar fors. Spitste bij de begroting voor 2015 de discussie zich nog toe op een bedrag van 28 miljoen, nu bleek de regering voor 2016 bereid om, om te beginnen, een bedrag van 215 miljoen structureel op tafel te leggen. De constatering is op zijn plaats dat de meerderheid in deze Kamer hiermee een terechte overwinning heeft behaald. 

Er is nog meer. Het wetsvoorstel voor de verhoging van de griffierechten is ingetrokken en ook het wetsvoorstel inzake de eigen bijdrage in een strafproces wordt aangepast. Daarnaast zijn een aantal belangrijke moties in de Tweede Kamer aangenomen. Daar is ook al eerder over gesproken. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de motie waarmee wordt uitgesproken dat er voldoende middelen moeten worden vrijgemaakt voor de primaire taken van de politie, de motie die het vrijmaken van middelen behelst om rechtbanken in de krimpregio's open te houden en de motie die inhoudt dat er voldoende middelen komen voor extra taken van het OM. Weliswaar heeft de regering tijd gevraagd en gekregen tot de Voorjaarsnota om deze middelen op tafel te leggen, maar we gaan er zonder meer van uit dat de regering zo verstandig is om deze moties uit te voeren. Dat zou betekenen dat er nog circa 150 miljoen bijkomt. Dat is, kortom, een overwinning voor de partijen die het behoud van de rechtsstaat hoog in het vaandel dragen en die daarom de bezuinigingen die in de afgelopen jaren al veel te veel schade hebben aangebracht, een halt toeroepen. 

Mevrouw de voorzitter, mogen we nu achteroverleunen? Absoluut niet. Wie alle knelpunten — anderen hebben hier ook al over gesproken — in de begroting ziet en kennis neemt van de vele maatschappelijke problemen op het gebied van V en J, moet wel tot de conclusie komen dat de regering begin volgend jaar over de brug moet komen. We gaan er daarbij van uit dat de regering dan niet gaat zeuren dat het geld op is. Ik hoor in dat verband graag van de minister dat hij voor het geld dat nodig is, ook daadwerkelijk zal zorgen. 

Was het beeld van V en J begin 2015 al niet rooskleurig, nadien is de situatie snel van kwaad tot erger gegaan. Anderen, zoals de eerste vier sprekers van vandaag, hebben er heel veel voorbeelden van gegeven. Ik noem er een paar op die naar mijn mening typerend zijn. Het zijn berichten die komen uit publicaties in kranten, vakbladen en tijdschriften. 

In januari vinden politieagenten dat de minister niet weet wat er op de werkvloer leeft. In de NRC staat in dezelfde maand: "Opstelten dreigt voor kabinet blok aan het been te worden". In februari is er te lezen over het onderzoek van de procureur-generaal van de Hoge Raad naar het gebruik strafbeschikking door het OM. Het OM blijkt het niet zo nauw te nemen met de wet. In maart waarschuwt de algemeen deken van de Nederlandse Orde van Advocaten dat de bezuiniging op de rechtsbijstand op een achtbaan begint te lijken. Jensma schrijft in de NRC in maart: "Is de rechtsstaat bij de VVD in goede handen?" In april lezen we dat de minister de feiten over de wietteelt verdraaide. Dan is er in juli het artikel van professor Ahsmann: "KEI, steengoed of drijfzand?" In juli rapporteert de NRC — anderen noemden het al — over de zeven plagen van het ministerie van Veiligheid en Justitie, over een falend ICT-systeem, over gedemotiveerde agenten en over de dejuridisering van de ambtelijke top. Het blad TREMA meldt in september: "Het rapport Beschikt en gewogen heeft laten zien dat er in de praktijk van het OM-strafbeschikking ernstige fouten worden gemaakt." In september laat het gerechtshof 's-Hertogenbosch aan de advocatuur weten dat de achterstanden zo groot zijn geworden dat nieuwe pleidooien pas in 2017 behandeld kunnen worden. Anderen hebben er al op gewezen dat er wellicht bij andere hoven hetzelfde aan de hand is. Ik wil daaraan toevoegen: je zult maar advocaat zijn, zo'n brief krijgen en je cliënt moeten gaan uitleggen dat er de eerste anderhalf jaar niets te verwachten is. Eigenlijk vind ik dat hiermee een grens is overschreden die niet overschreden mag worden. Recht moet tijdig geschieden, niet over anderhalf of twee jaar. 

Ik vervolg mijn opsomming. In september laat de Raad voor de rechtspraak weten dat "het tegemoet treden van deze uitdagingen" niet mogelijk is "zonder moeilijke en pijnlijke beslissingen te nemen". In oktober schrijft de NRC: "En nu zijn de rechters woedend" over de reorganisatie van de rechtspraak en de bezuinigingen op de rechtbanken. Ook schrijft de NRC een maand later over een "Ministerie dat stommetje blijft spelen". Dan volgt de belangrijke bijdrage van professor Veraart op het Gebrandy-debat — sommigen zullen zich dat nog herinneren — dat getiteld was "Rechtspleging blijkt genadebrood te zijn geworden". Jensma schrijft iets later in de NRC: "Politie en OM hebben er de kracht niet meer voor". In november wordt ook door de NOvA over de begroting geschreven: "De zittende magistratuur staat onder zodanige werkdruk dat zij niet de kwaliteit kan leveren waarvoor zij moet staan", "Het OM werd en wordt geconfronteerd met immense bezuinigingen", "De politie heeft te kampen met structurele tekorten" en "Advocaten die gefinancierde rechtsbijstand verlenen, hebben moeite het hoofd boven water te houden." 

Ik ben er bijna. Ik ben in november. De Raad voor de rechtspraak zegt dat de werkdruk in de rechtspraak een groot probleem is. Diverse onderzoeken toonden dat aan. De NRC schrijft in dezelfde maand in het artikel "Grote bezuiniging, kleine verzachting" dat het geld schaars is op Veiligheid en Justitie en er volop problemen zijn. En dan is er nog het artikel "Tegenlicht". Anderen noemden het al. Het is een opmerkelijk artikel van negen rechters van de rechtbank Midden-Nederland. Ik kom daar nog over te spreken. En ten slotte: het NRC schrijft in december eerst "Streep door bezuinigingen rechtbank, nu nog het geld". En dan de laatste conclusie in het commentaar van het NRC: "Begroting van Justitie blijft voorlopig een krakend vehikel". 

Een korte samenvatting van een aantal opmerkelijke artikelen over de precisie van Veiligheid en Justitie. Ondertussen stappen op 9 maart van dit jaar de minister en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op en kregen we een nieuwe minister en staatssecretaris. Welkom! 

Het beeld van V en J is dus allesbehalve florissant. Bij bijna alle essentiële onderdelen bestaan grote problemen qua kwaliteit en geld, met als belangrijke oorzaak de jarenlange bezuinigingen. Het is natuurlijk volkomen terecht dat de regering, mede onder druk van deze Kamer, alvast 250 miljoen extra heeft uitgetrokken voor V&J, maar het mag ons niet de ogen doen sluiten voor het feit dat dat bedrag te weinig is en in ieder geval een half jaar te laat beschikbaar komt, want de kritieke grens is bij vele onderdelen van het ministerie helaas al overschreden. 

Dat brengt mij bij één onderdeel daarvan en dat is een heel rot beeld. Anderen hebben dat beter geschetst dan ik. Ik wil de aandacht vragen voor één onderdeel en dat is de rechtsstaat. Een essentieel aspect van de rechtsspraak is de trias politica en daarbinnen de positie van de rechterlijke macht. Ik wijs in dat verband op het opmerkelijke artikel van de negen rechters van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november. Dit is een opiniestuk waarin de groep rechters naar aanleiding van een meerjarenplan zijn zorgen uit over de ontwikkelingen in de rechtspraak. Die zorgen lichten zij in dat artikel toe aan de hand van vijf problemen. Ik citeer, zoals anderen ook hebben gedaan, een enkel stukje uit dat artikel: 

"Het onder de grootste geheimhouding ontwikkelde meerjarenplan gaat ervan uit dat de rechterlijke macht aanzienlijk moet bezuinigen. De rechtspraak heeft allang de bodem bereikt en verdere bezuinigingen zijn ontoelaatbaar. De Raad voor de rechtspraak had de bezuinigingsopdracht niet moeten aanvaarden en dient deze alsnog terug te geven. De door de rechter gevoelde verantwoordelijkheid voor kwaliteit kan hij ter zitting lang niet altijd waarmaken, omdat hij niet over voldoende speelruimte beschikt. Opmerkelijk is dat de doelstelling van de herzieningen van de rechterlijke kaart kwaliteitsverbetering was. Echter, met de schaalvergroting ontstaat door toenemende standaardisatie juist een situatie waarin de kwaliteit meer onder druk komt te staan. De rechters en medewerkers van de rechtbank voelen zich niet vertegenwoordigd door de raad en ook de verhouding tussen rechter/medewerkers en gerechtsbesturen staat onder druk." 

En dan het laatste citaat: "Er wordt een groot voorschot genomen op het verwachte resultaat van KEI. Er zijn helaas geen historische voorbeelden die dit optimisme rechtvaardigen. Onze ervaring is dat automatiseringsprocessen in de rechtspraak moeizaam en traag verlopen." 

Ik kan daar nog een belangrijk feit aan toevoegen. De rechters in kwestie waar ik net over sprak, hebben op basis van het NJB-artikel onlangs een enquête verstuurd naar alle 2.500 rechters in Nederland. De respons op deze enquête is opzienbarend. In korte tijd is een zeer hoge responsgrens bereikt. Bijna 900 rechters hebben inmiddels in antwoord op de enquête hun mening kenbaar gemaakt en ik heb vernomen dat het overgrote deel van de respondenten zich in de kritiek, verwoord in het artikel in Tegenlicht, kan vinden. Dat gegeven is naar mijn mening een niet mis te verstaan signaal van de rechters aan de wetgever, de minister van Veiligheid en Justitie en de Raad voor de rechtspraak. Ik hoor graag de mening en de reactie van de minister daarop. We moeten wel beseffen dat wij hier te maken hebben met rechters die over het algemeen bekendstaan als zeer loyaal aan de minister en aan de rechtsstaat. 

Een soortgelijke ontwikkeling is te zien bij het uithollen van de functie van de strafrechter door het verplaatsen van de strafoplegging van de strafrechter naar het bestuur. Het artikel van professor Bovend'eerd in het NJB van 27 november, met de titel "Herstel het domein van de rechter in de rechtsstaat", maakt dat duidelijk. Graag hoor ik of de minister de opvatting van deze auteur deelt. 

Een ander schrijnend punt is de bezuiniging op de rechtshulp. De rapporten van de commissie-Wolfsen en de commissie-Barkhuijsen tonen aan dat de bewering van de minister dat er een voortdurende toename van de gefinancierde rechtshulp zou zijn, onjuist is. Reeds om die reden dient naar de mening van de SP-fractie de bezuiniging op de rechtshulp die op 1 februari van dit jaar door middel van een AMvB is doorgevoerd, direct te worden teruggedraaid. 

Graag verneem ik in dat verband van de minister of hij bereid is het bedrag dat gerelateerd is aan deze bezuiniging, te betalen uit de reservering van 138 miljoen, genoemd in de aangepaste begroting, als vermeld in de nota van wijziging van 26 november jl. Gezien het feit dat de minister op een wijze die op gespannen voet staat met de democratie, de motie-Franken van deze Kamer van 13 januari 2015 niet heeft uitgevoerd, zou het deze minister sieren als hij hiertoe alsnog overgaat en het daarvoor benodigde bedrag haalt uit genoemde reservering. 

Maar nog belangrijker dan het terugdraaien van de bezuinigingen is naar onze mening dat de minister erkent en uitspreekt dat de toegang van de burger tot het recht en de rechter een onaantastbaar beginsel is in onze democratische rechtsstaat, ook als dat zou betekenen dat de uitgaven voor de rechtshulp en de rechterlijke macht zouden moeten toenemen. De SP-fractie is tot de conclusie gekomen dat door alle bezuinigingen de bodem bereikt is en dat er her en der al gaten in het gebouw van de rechtsstaat zijn gevallen. 

Wij zijn derhalve van oordeel dat het beroep op de gefinancierde rechtshulp niet mag worden beperkt om louter financiële redenen van staatswege. Graag hoor ik of de minister die opvatting steunt. 

Ik teken daarbij aan dat als de burger geen daadwerkelijke toegang meer heeft tot het recht en de rechter en de samenleving op een hellend vlak terechtkomen, waarin geen recht meer geldt maar de macht van de sterkste en de brutaalste, dat het einde van de democratische rechtsstaat zou zijn. Als we de rechtsstaat dan kwijt zijn, zullen we pas beseffen hoe kostbaar dat verlies is. 

Tegen die achtergrond vind ik het verontrustend dat, ondanks het bovenstaande, de regering in de voorliggende begroting voor 2016 opnieuw bezuinigt op het recht en de rechtsstaat, inclusief de belangrijkste organen als politie, OM, rechterlijke macht en rechtshulp. De inhoud van de achtereenvolgende begrotingen van V en J, inclusief de hier voorliggende begroting, baart ons grote zorgen. Het laat immers zien hoe kwetsbaar de rechtsstaat is en hoe weinig serieus de regering daarmee omgaat. 

Tot slot, vraag ik nog aandacht voor een kwestie, die op het eerste gezicht misschien niet direct past bij de behandeling van de begroting van V en J, maar die naar mijn overtuiging van groot belang is. Ik bedoel de staat van de rechtsstaat. De zorgen daarover zijn niet direct links of rechts en ook niet van vandaag of gisteren, maar het zijn wel grote zorgen. 

Ik denk dat ik daarbij het best kan verwijzen naar de recente uitspraken — anderen noemden die al — hierover van onze oud-voorzitter Tjeenk Willink. Het evenwicht binnen de trias politica wordt volgens hem bedreigd. Hij pleit ervoor dat de instituties van de rechtsstaat onderhouden worden, maar stelt vast dat er aan de instituties gemorreld wordt, met name door reorganisaties en bezuinigingen, ook bij de rechterlijke macht. Daarbij wordt het uiteindelijke doel uit het oog verloren, namelijk de verbetering van de kwaliteit van het rechterlijke werk. Ook heeft Tjeenk Willink forse kritiek op de rol van de Raad voor de rechtspraak, die volgens hem het vuile werk opknapt voor de minister. Dat schrijft hij letterlijk. 

Sprekend over het Leeuwarder manifest stelt Tjeenk Willink dat hij daar verheugd over was, maar dat de discussie naar zijn mening te weinig ging over de inhoud van de rechterlijke functie en dat het manifest te weinig heeft opgeleverd. Ook heeft hij kritiek op het feit dat in het bestuur de nadruk ligt op financieel beheer en daadkracht, waardoor de trias politica uit het lood geslagen is. Op de vraag wie de grotere thema's die de inhoud van de rechterlijke functie bepalen, aan de orde zou moeten stellen antwoordt Tjeenk Willink dat een permanent forum voor dat soort inhoudelijke vragen ontbreekt. Ik denk dat dit een belangrijke constatering is. Hij voegt daaraan toe dat de Raad voor de rechtspraak een onderdeel van het probleem is en dat ongetwijfeld ook de geringe actiebereidheid van rechters een verklarende factor voor het uitblijven van een inhoudelijk tegenwicht is. 

Tegen die achtergrond en gelet op hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, wil ik de Kamer de suggestie voorleggen om te onderzoeken of er niet een taak voor deze Kamer is weggelegd bij het verwerven van een beter beeld van de problemen die de staat van de rechtsstaat bedreigen. Daarbij zou naar mijn mening gebruik gemaakt kunnen worden van het middel van een parlementair onderzoek door deze Kamer. Ik hoor graag de reactie van de andere fracties. Wij zien als altijd met belangstelling het antwoord van de minister tegemoet. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Deze tijden vergen veel van onze rechtsstaat. Onze samenleving is opgeschrikt door een nabije aanslag en het gevoel van dreiging duurt voort. Dat doet een appel op een weerbare overheid die niet alleen ons beschermt, maar ook de waarden van de rechtsstaat. De wereldwijde vluchtelingencrisis leidt ertoe dat ook in Nederland meer vluchtelingen om bescherming verzoeken. Ook zij doen een beroep op onze rechtsstaat. 

De justitiële keten is de ruggengraat van onze rechtsstaat, zou je kunnen zeggen, maar juist daarin is het vertrouwen op dit moment niet bijster groot. In praktisch elk onderdeel van die keten zijn er structurele problemen, en de vele incidenten die naar buiten komen, bevestigen de tekortkomingen en het beeld van een onbeheersbaar ministerie. Het sleept zich voort van crisis naar crisis. Die crises tekenen de wankele staat van de rechtsstaat. Dat leidt onvermijdelijk ook tot problemen in de top van het ministerie. Bewindslieden lijken geen grip te hebben en komen in politieke problemen. Ook deze week weer houdt de Tweede Kamer een spoeddebat hierover. Dat schaadt niet alleen individuen, maar ook het vertrouwen in de politiek en het openbaar bestuur. Zo raken de onbeheersbaarheid en het gebrek aan transparantie de hele samenleving. De minister geeft nog weinig blijk van inzicht, laat staan van oplossingen. Wat is de analyse van de minister en hoe gaat hij de keten structureel versterken? 

Terwijl het ministerie is uitgebouwd met het beheer van de politie, vanuit het idee dat dit de samenwerking tussen politie en OM zou verbeteren, liggen beide ketenpartners nu onder vuur. Moeten we niet concluderen dat het experiment van de overheveling is mislukt? Stabiliteit en kwaliteit in een rechtsstaat verhouden zich slecht tot geëxperimenteer met publiekstaken, zo blijkt nu weer. Door de focus op veiligheid kunnen de andere kerntaken van het ministerie in het gedrang komen; denk aan rechtszekerheid, de bescherming van het individu tegen een willekeurige, nalatige of discriminerende overheid, de grondrechten en de toegang tot het recht. Justitie is immers veel meer dan veiligheid alleen. 

De begroting was voor het kabinet een kans geweest om de urgentie te tonen waarmee het de problemen op het ministerie aanpakt, maar het oorspronkelijke voorstel bewees vooral het tegendeel. Pas na veel politieke druk, onder andere vanuit deze Kamer, is er een reparatie uitgevoerd. Mijn fractie is daar blij mee, maar zit nog wel met vragen, zoals waaraan de extra bedragen precies besteed worden en ten koste waarvan. De belangrijkste vraag is of de problemen werkelijk opgelost zijn met 250 miljoen structureel erbij. Wat is er echt nodig om de hele justitiële keten weer robuust en effectief te maken? De Algemene Rekenkamer concludeert dat de verhouding tussen de ambities en het budget scheef is. Volgens de Rekenkamer is het de vraag of de nieuwe planning van de reorganisatie van de politie nu wel haalbaar is, ondanks de verdubbeling van het budget hiervoor. Graag een reactie. 

De politie staat onder grote druk. De reorganisatie zuigt veel energie en menskracht weg uit het reguliere werk, en het lijkt nog lang te duren voordat de reorganisatie de politie gaat ondersteunen in plaats van andersom. In vijf jaar tijd krimpt de politieorganisatie met 10%. Die reductie van vijfduizend formatieplaatsen is ergens voelbaar, bijvoorbeeld bij de wijkagenten die we nu zo hard nodig hebben om uitsluiting en radicalisering tegen te gaan. Ik zie de minister nee schudden en hoor daar graag een reactie op. Investeren in de recherchetaken is hard nodig, kijk alleen al naar het magere opsporingspercentage van 19. Hoe denkt de minister deze cruciale taken te versterken in de huidige context? 

De samenwerking tussen het OM en de politie, maar ook binnen het Openbaar Ministerie zelf, moet echt efficiënter en effectiever, is de cri de coeur van elk onderzoeksrapport. Kwaliteitsverbetering vergt ook financiële investeringen. Meent de minister dat met de extra 15 miljoen de gewenste kwaliteitsimpuls is geborgd? En waarvoor is dat geld precies bestemd? 

Ook voor de rechtspraak geldt dat een vereist kwaliteitsniveau een bepaalde investering vergt. De locaties die op de nominatie stonden voor sluiting, zijn gered, maar de kwaliteit van de rechtspraak zelf nog niet. De heer Ruers refereerde er al uitgebreid aan: rechters hebben de noodklok geluid en stellen dat de bodem is bereikt. Al jaren kampen zij met een te hoge werkdruk. Dat levert risico's op voor de toegang tot de rechter en de kwaliteit en snelheid van uitspraken, maar ook voor een onafhankelijke oordeelsvorming. De extra investeringen van 15 miljoen structureel zijn welkom, maar de Raad voor de rechtspraak becijferde zelf dat dit de helft is van wat nodig is om de rechtspraak op een aanvaardbaar niveau te krijgen. Graag een reactie daarop. Overigens sluiten wij graag aan bij het verzoek van de VVD-fractie om bij de evaluatie van de Wet herziening gerechtelijke kaart ook de taakstelling en de rol van de Raad voor de rechtspraak te betrekken. 

De toegang tot rechtsbijstand hebben wij begin dit jaar bij de begrotingsbehandeling uitgebreid besproken. Het is nog steeds een belangrijk punt van zorg. Het debat en de aanvaarde moties hebben geresulteerd in twee rapporten hierover. Uit beide rapporten komt naar voren dat kortetermijnwijzigingen in de gefinancierde rechtsbijstand onwenselijk zijn en zelfs een averechts effect kunnen hebben. De minister heeft gelukkig toegezegd, geen maatregelen te nemen voordat de rapporten zijn besproken met deze Kamer. In navolging van mevrouw Beuving verzoek ook ik de minister om bij de uitwerking van die visie vooral de gewaarborgde toegang tot het recht als uitgangspunt te nemen. Wat betekent de bevriezing van de bezuiniging die dit jaar wel is ingevoerd, onder andere voor de puntentoekenning en de hoogte van de vergoedingen? Waarom wordt deze niet eveneens bevroren? Deze Kamer heeft daar begin dit jaar toe opgeroepen. 

Wat beide rapporten ook duidelijk maken, is dat het overheidsbeleid zelf van invloed is op een stijging of daling van het beroep op rechtsbijstand. Dat is logisch voor de griffierechten en eigen bijdragen voor rechtzoekenden, maar het geldt ook voor wetgeving in het strafrecht of sociaal zekerheidsrecht. De wetgever heeft dus door complexe of kwalitatief slechte wetgeving ook zelf de hand in het stijgende beroep op advocaten en de toenemende juridisering, wat overigens niet altijd hetzelfde is. En dat terwijl de minister nu juist uit is op dejuridisering en laagdrempelige geschillenbeslechting. Welke conclusie trekt de minister daaruit voor toekomstige wetgeving? En krijgen wij voortaan bij wetsvoorstellen inzicht in de mogelijke effecten op dit terrein? 

Al deze problemen in de keten en de reactie van het kabinet brengen ons bij de vraag: welke standaarden hanteert het kabinet voor de kwaliteit van onze rechtsstaat en wat hebben wij daarvoor over? Welk toetsingskader heeft het kabinet hiervoor ontwikkeld? De rechtsstaat mag nooit als sluitpost worden behandeld en daarom zou ik graag een visie van de minister horen op de vereisten van een adequate rechtsstaat. In dit kader wil ik graag ook reageren op de heer Ruers. Ik denk dat de Eerste Kamer al de discussie over de rechtsstaat op gang heeft gebracht de afgelopen jaren. Wij hebben daar goede deskundigheidsbijeenkomsten over georganiseerd en ik denk dat het inderdaad op onze weg zou kunnen liggen om hiermee voort te gaan, juist om ervoor te zorgen dat er meer reflectie plaatsvindt op de staat van de rechtsstaat en de ontwikkeling daarvan. Dus ik sluit mij aan bij de oproep van de SP-fractie. 

Een ander element van de rechtsstaat is dat burgers ook zelf mensenrechtenverdragen moeten kunnen inroepen als zij menen dat de overheid deze verdragen jegens hen niet naleeft. Om dat te verzekeren, heeft de regering al jaren geleden verdragen getekend die het individuele klachtrecht erkennen van het VN-Verdrag inzake culturele, economische en sociale rechten en het Kinderrechtenverdrag. Toch draalt het kabinet, net als het vorige kabinet overigens, eindeloos om deze verdragen door ons te laten ratificeren. Wat is dat toch? Heeft het kabinet zo weinig vertrouwen in de eigen naleving van deze verdragen dat het angst heeft voor een individuele klacht? Wat een rechtsstatelijk probleem op zichzelf aan het worden is, is dat het kabinet een motie van deze Kamer over een snelle ratificatie nu al bijna twee jaar lang negeert. Ondanks ontelbare malen rappelleren hult het kabinet zich in stilzwijgen. Onbestaanbaar, voorzitter. Een kabinet hoort een aangenomen motie in principe uit te voeren. Doet het dat niet, dan heeft het op zijn minst hierover verantwoording af te leggen. Daarom vraag ik de minister — nieuwe ronde, nieuwe kansen — om in dit debat tekst en uitleg te geven. 

Bij de ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is Nederland zo ongeveer hekkensluiter geworden. En zelfs nu gaat het ratificatievoorstel niet gepaard met een ambitieus plan van aanpak om echt een inclusieve samenleving te worden. Wanneer komt het kabinet met een daadwerkelijke implementatie van het verdrag? En wanneer zal het bij dit verdrag het facultatief protocol voor een individueel klachtrecht ondertekenen? 

Na jaren van kleine aantallen asielzoekers doen de afgelopen twee jaar een stijgend aantal vluchtelingen een beroep op bescherming en opvang. Het vergt een krachtsinspanning van de staatssecretaris en vooral van de IND en het COA om te leveren wat er gevraagd wordt. Wij complimenteren hen voor alle moeite die ze daarvoor doen. Toch zien we de wachttijden oplopen. Voor asielzoekers betekent dat niet alleen langere onzekerheid, maar ook langer wachten totdat ze hun gezinsleden naar Nederland kunnen halen. Dat is hun grootste zorg, want hun familieleden verblijven vaak in slechte en onveilige omstandigheden. Ziet de staatssecretaris dat ook en wat doet hij eraan om de wachttijden zo kort mogelijk te houden? 

Een groot deel van de huidige asielzoekers komt uit Syrië, Eritrea en Irak, en zal daarom ook mogen blijven. Toch mogen zij zich niet voorbereiden op de Nederlandse samenleving, ondanks een motie die in de Tweede Kamer met brede steun is aanvaard. De overheid biedt niet alleen zelf geen taal- of oriëntatielessen, ze weerhoudt op verschillende locaties ook derde partijen van het geven van taalles en het verspreiden van studiemateriaal. Dat raakt aan fundamentele rechten als de vrijheid van onderwijs en meningsuiting. Bovendien vindt mijn fractie dat je dergelijke burgerinitiatieven moet toejuichen in plaats van afremmen. Herkent de staatssecretaris deze lokale afhoudendheid en keurt hij die met ons af? Is hij bereid toe te zeggen dat op alle locaties ruimte wordt geboden aan private partijen om taalles te geven? 

Een van de locaties waar dit probleem speelde is Heumensoord. De omstandigheden daar bevestigen dat grootschalige opvang niet de voorkeur verdient. Nood breekt wet, uiteraard. Maar mijn fractie bereiken berichten dat het COA aanbiedingen van gemeenten voor kleinschaliger opvang afslaat. Kan de staatssecretaris ons uitleggen hoe dat zit? Als voor grootschalige opvang uit financiële overwegingen wordt gekozen, moeten we dan niet meer investeren in opvangvoorzieningen? Dat is namelijk van belang voor de asielzoekers, voor hun mogelijkheid om te integreren en voor het draagvlak van de omgeving. Graag ontvang ik een reactie. 

Mijn fractie heeft bij de begroting OS en de Algemene Financiële Beschouwingen al vragen gesteld over de dekking van de kosten van extra asielopvang. Mijn fractie wil dat dit niet ten koste gaat van het toch al lage OS-budget. Is het kabinet bereid om een alternatieve financiering te overwegen of om anders het ODA-budget te verhogen? 

Op EU-niveau zijn afspraken gemaakt over de herverdeling van asielzoekers uit Griekenland en Italië, maar de daadwerkelijke overplaatsing blijft hopeloos achter. Nog maar enkele weken geleden heeft Nederland de eerste 50 plaatsen beschikbaar gesteld. Ook andere lidstaten blijven enorm achter. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom het zo lang duurt? Er is al uitgerekend dat, als dit tempo aanblijft, de 160.000 vluchtelingen pas in 2050 zijn herverdeeld. Welke maatregelen neemt de Europese Unie om het te versnellen? Is het juist dat Frontex momenteel bepaalt wie wordt doorgelaten naar een asielprocedure of naar de UNHCR? Iedereen die asiel verzoekt, zou toch moeten worden beoordeeld door daartoe opgeleide ambtenaren? Het loopt slecht met de hotspots, het ontbreekt aan alle randvoorwaarden en het lijkt alsof iedereen op elkaar wacht. Zouden de lidstaten niet meer nationale beslisambtenaren beschikbaar moeten stellen om die processen te ondersteunen? Dit zou niet alleen moeten gelden voor de hotspots, maar ook voor de asielprocedures in Griekenland. Die komen tergend langzaam van de grond, terwijl duizenden mensen ervan afhankelijk zijn, omdat ze niet mogen doorreizen. Het blijft toch een vreemde situatie dat bepaalde asielzoekers ervan worden weerhouden om door te reizen, terwijl het mensenrechtenhof vaststelt dat de mensenrechten van asielzoekers in Griekenland geschonden worden. Graag ontvang ik een reactie hierop. 

Ten aanzien van het akkoord met Turkije heeft de staatssecretaris een aantal vragen van mijn fractie schriftelijk beantwoord. Ik dank hem nogmaals voor de uitgebreide beantwoording van alle vragen van onze Kamer. Op één antwoord wil ik toch nader ingaan. Het betreft de wens om vluchtelingen terug te sturen naar Turkije als veilig derde land, terwijl zij daar geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Ook de toegang tot het onderwijs is daar problematisch. Het Vluchtelingenverdrag geeft hen echter wel degelijk recht op arbeid en onderwijs. Dit is daarom naar onze mening een vereiste om een land als veilig derde land te definiëren. Turkije voldoet daarom ons inziens niet aan de criteria. 

De staatssecretaris stelt echter eenvoudig dat Turkije zijn verplichtingen van het Vluchtelingenverdrag moet nakomen. Maar het probleem is nu juist dat Turkije het Vluchtelingenverdrag alleen heeft erkend voor Europese vluchtelingen, dus voor vluchtelingen uit Europa zelf. Niet-Europese vluchtelingen kunnen zich in Turkije niet op dit verdrag beroepen. Waarop baseert de staatssecretaris de verwachting dat Turkije het Vluchtelingenverdrag gaat naleven, terwijl het zichzelf daar niet aan heeft gebonden met betrekking tot deze groep? 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter. Het eerste lustrum was dit jaar een feit: het ministerie van Veiligheid en Justitie bestond vijf jaar. Het ministerie startte met grote pretenties en met als terugkerend thema "crime fighting". Maar ondertussen werd er bezuinigd, vielen er gaten bij rechtspraak, politie en justitie en kwamen de berichten van een gebrek aan handhavers en rechercheurs. Veiligheid werd in het beeld vooropgezet en helaas kwam dat de rechtsstaat niet ten goede. Vandaag bespreken we de begroting van dit ministerie. Het is tijd om schoon schip te maken en te kijken naar het echte ministerie van Veiligheid en Justitie, in plaats van het door de opeenvolgende kabinetten-Rutte gewenste ministerie. 

Er is ook een andere reden waarom deze begrotingsbehandeling voor mijn fractie belangrijk is. We hebben de afgelopen weken stil moeten staan bij de gruwelijke gebeurtenissen in Parijs en ondenkbare terroristische misdaden elders in de wereld. Ze staan op ons netvlies gebrand. Het zijn onzekere tijden, waarin het erop aankomt dat onze rechtsstaat robuust is en gehandhaafd wordt. Dat maakt des te meer dat de begroting van dit ministerie zich in de brandhaard van de actualiteit bevindt. 

Het is daarom goed dat er inmiddels een gewijzigd begrotingsvoorstel ligt. Er is een hele rij aan zorgen: de verschillende incidenten en de daarop volgende onderzoeksrapporten, de herijking van de Nationale Politie, de tekorten bij de rechtspraak, het Openbaar Ministerie en de reclassering, de cijfers die de realiteit van het aantal vluchtelingen miskennen en daarmee ook weer een opmaat vormen voor te verwachten tekorten bij het COA en de IND. Om al deze zorgen blijft mijn fractie de oorspronkelijke Prinsjesdagbegroting van dit ministerie wonderlijk vinden. Hoe kon de minister denken dat daarmee een antwoord werd gegeven op de opgaven voor 2016? Waarom was de stevigere analyse van de problemen niet eerder beschikbaar? Is dat een vorm van wensdenken geweest? Of was dat echt gebaseerd op modellen die gehanteerd worden binnen het ministerie om tot een begroting te komen? En wat zegt dat dan over de begrotingssystematiek? Graag hoor ik een reflectie hierop. 

We kunnen zeggen dat de herinrichting van het ministerie van Justitie niet goed heeft uitgepakt. Het ministerie van Veiligheid en Justitie weet zich geconfronteerd met problemen van bestuurbaarheid en een moeizaam functionerende strafrechtketen. Mijn fractie heeft bovendien meermalen gewezen op het rechtsstatelijk argument dat het wenselijk is om te zorgen voor een scheiding van machten en van checks-and-balances. Dat heeft deze Kamer trouwens ook in meerderheid uitgesproken in de motie-De Graaf. Het ministerie is een te grote samenklontering. Het beheer van de politie moet terug naar Binnenlandse Zaken. Tot mijn vreugde deelt inmiddels ook de grootste partij in ons midden, de VVD, deze analyse. Ik vraag de minister juist ook daarom of hij de voorbereiding van het herstel van de checks-and-balances en het terugbrengen van het beheer van de politie naar het ministerie van Binnenlandse Zaken al ter hand heeft genomen. Graag hoor ik hoe hij de Kamer over de vorderingen informeert. 

Ik hoop dus dat de minister de voorbereidingen al ter hand heeft genomen. Ik wil hem ook complimenteren met het feit dat hij de waarschuwingen in deze Kamer over de houdbaarheid van zijn begroting kordaat heeft opgepakt. De begroting biedt het begin van een oplossing voor de politie, de rechtbanken, het OM en de reclassering. Tegelijk valt echter op dat in de analyse van de problemen eigenlijk alleen de opsomming staat die reeds in de weken hiervoor in de kranten is vermeld. Is daarmee nu alles boven water? Is het crisismanagement inmiddels op orde? Of wordt richting de Voorjaarsnota, of eventueel de Begroting 2017, nog een spade dieper gestoken? Hoe informeert hij de Kamer hierover? 

Zoals gezegd waardeert mijn fractie de inzet van de minister om op de meest knellende punten extra te investeren en wetsvoorstellen met onvoldoende draagvlak terug te trekken. Maar zowel ten aanzien van de investeringen als de daarbij gevonden dekking, leven vragen. 

Het heeft de fractie van de ChristenUnie zeer verbaasd dat de grote vluchtelingenproblematiek geen vertaling vond in de begroting. In het voorliggende voorstel is dat voor 2016 wel het geval. Maar dat is dan ook alleen voor 2016. Graag ontvangen wij daarom een nadere toelichting op deze keuze. En waarom kiest het kabinet ervoor om elk jaar op een andere manier de eerstejaarsopvang van asielzoekers te bekostigen? 

Daarnaast valt op dat de middelen die de Europese Unie beschikbaar heeft gesteld voor de herverdeling van vluchtelingen, worden aangewend. Dat is zeer legitiem, als Nederland zich ook aan de afspraken houdt. Kan de staatssecretaris een actueel beeld geven? Wat is zijn streven voor 2016? Neemt Nederland de gehele afspraak dan voor zijn rekening? Een ander belangrijk onderdeel in deze dekking is een kasschuif. Dat is een hap uit de toekomst, terwijl al conservatief is geraamd wat betreft de instroom van asielzoekers. Mijn fractie vreest dat we hier de tekorten van het toekomstige kabinet accorderen. Kan inzichtelijk worden gemaakt welke gevolgen de kasschuif heeft en hoe dit in de komende jaren haalbaar is? 

De Najaarsnota sprak nog over een extra investering voor de IND, het COA en gemeenten. Maar er zijn meer betrokkenen. Ik denk aan de politie en het door meerdere collega's al opgemerkte tekort van 10 miljoen. Ik denk aan onderwijs en hulpverlening. Is hier rekening mee gehouden? Hoe komt dat voor wat betreft de politie tot uitdrukking in de begroting? Of krijgen we dat op een later moment terug en ten koste waarvan is dat dan? De ChristenUnie heeft veel waardering voor de inzet van de staatssecretaris om op korte termijn adequate opvang te bieden binnen de mogelijkheden die er zijn. Maar wij moeten ook onderkennen dat dit probleem langer zal duren. Er zijn bijvoorbeeld getraumatiseerde kinderen die nu nog te vaak moeten verhuizen en te laat onderwijs of hulp krijgen. Dat moet anders. Ik vraag de staatssecretaris om alles op alles te zetten om dit zo snel mogelijk te veranderen. Wat is zijn streven? Mevrouw Strik sprak al over andere vormen die bijdragen aan integratie, bijvoorbeeld taallessen. Ik sluit mij daarbij aan. 

Ik kom op de rechtspraak. Het kraakt en het piept. De zeven rechtbanken blijven open, maar voor de ChristenUnie-fractie telt hierbij wel de onderliggende overweging, namelijk de toegang tot het recht en de nabijheid van de rechtspraak. Dat vinden wij belangrijk. Houdt de minister bij zijn voorstel in het voorjaar vast aan het locatiebeleid zoals afgesproken bij de Wet herziening gerechtelijke kaart en aan de gedachte daarachter? Voordat nieuwe keuzes worden gemaakt, zou mijn fractie trouwens eerst een evaluatie van deze wet wensen, ook omdat daarmee een kwaliteitsverbetering werd beoogd. Ik ontvang graag een toezegging. 

Over KEI hebben meerdere collega's gesproken, dus dat sla ik even over, maar ik sluit mij wel aan bij hun bezorgde vragen. Ik vraag de minister overall of hij ervan overtuigd is dat met de huidige maatregelen en de oplossingen die hij voor ogen heeft bij de Voorjaarsnota, de rechtspraak definitief uit de rode cijfers is. Ik ontvang graag een duidelijk antwoord. 

Het klonk zo goed toen in november bekend werd dat 250 miljoen structureel en 310 miljoen voor het komende jaar extra zou worden gestoken in de aanpak van de problemen van dit ministerie. Maar nadere bestudering levert op dat de dekking van die miljoenen op veel punten rammelt: een kasschuif, geld van andere ministeries maar nog niet concreet gemaakt hoe en wat, middelen van het Rijksvastgoedbedrijf zonder inzicht wat de gevolgen daarvan zijn. Dat alleen al geeft een rommelig beeld. Ten aanzien van de geraamde opbrengst bij de schikkingen houdt mijn fractie moeite, omdat dit nooit het eerst beoogde einddoel kan zijn indien Justitie start met vervolging van verdachten. Nu heeft de minister met de minister van Financiën een constructie bedacht waarmee de rechtsstatelijke bezwaren ondervangen zouden moeten zijn. Dan blijven echter de financiële bezwaren staan. Voorheen kreeg het ministerie de hele opbrengst aan het einde van het jaar. Die meevaller valt weg en kan dus ook niet worden ingezet voor incidentele tegenvallers die er elk jaar wel waren. Het ministerie zit met deze maatregel nog krapper in zijn jasje en alleen op de begroting lijkt er meer ruimte te zijn. Hoe vangt de minister toekomstige tegenvallers op? Zijn daar afspraken over? Is dit, gezien de grote recente schikkingen, niet eigenlijk gewoon een heel lucratieve afspraak voor het ministerie van Financiën? Ik hoor het graag. 

Het verdienmodel bij de intensivering van fraudebestrijding, €1 investeren levert €4 op, wordt bij het CPB bij het samenstellen van het verkiezingsprogramma nooit goedgekeurd. Wij vonden het wel een tip, maar tot nu toe is het nooit gelukt. Het is gewoon €1 investeren en €1 opbrengst. Staat het ministerie van Financiën hier ook garant voor? Is het dekkingsvoorstel van de aanpassingen op de begroting al doorgerekend door het CPB? Al met al zijn de dekkingsvoorstellen erg dun en een punt van zorg voor mijn fractie. Ik zie uit naar een reactie van de minister op de verschillende onderdelen. Wij weten dat een gedeelte bij de Voorjaarsnota weer terugkomt, maar wij hebben dan echt meer stevigheid nodig om te bezien of deze dekking haalbaar is en in de toekomst niet tot onoverkomelijke bezwaren leidt. 

Ten slotte een heel ander onderwerp. In mijn periode als raadslid in Utrecht heb ik gezien hoezeer het een gemis is dat er nog steeds geen Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche is. Dat proces duurt nu al jaren. Ik ken de rol van deze Kamer, maar ik weet ook dat het wetgevingsproces sindsdien heel langzaam verloopt. Daar zijn allerlei redenen voor, maar kan de minister toezeggen dat hij alles op alles zet om deze wet in 2016 de Staten-Generaal te laten passeren of in ieder geval door de Staten-Generaal te laten behandelen? 

Het zijn woelige tijden voor het ministerie van Veiligheid en Justitie en ik vrees dat die voorlopig nog niet voorbij zijn. Het is goed om te zien dat de bewindslieden zich inspannen voor een verbetering van de begroting. Onwillekeurig vraag je je af: wat kost het brengen van recht, wat kost het brengen van gerechtigheid, het vinden van rechtsherstel, het brengen van barmhartigheid voor hen die bijvoorbeeld vanwege oorlogsgeweld op de vlucht zijn geraakt? Dat zijn onmogelijke vragen die niet met een financiële optelsom te beantwoorden zijn. Toch is deze behandeling van de Justitiebegroting een poging, in het besef dat het nu gaat om de getallen, maar uiteindelijk draait om het brengen van recht. Dat kan alleen door de tomeloze inzet van allen die het recht dienen, ook hier op straat: de politie, de rechtspraak, het OM en de reclassering. 

Tot slot een hartenkreet. Het brengen van gerechtigheid heeft een prijs die niet eindeloos naar beneden bijgesteld kan worden. Ik zie deze nota van wijziging als een opmaat naar een nieuwe versterking van de rechtsstaat. Ik wens de bewindslieden daarom ook in het komend jaar veel wijsheid toe en zie uit naar de beantwoording. 

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Voorzitter. Er was eens een zigeuner. En die zigeuner wilde gaan biechten. De priester vertrouwde het niet zo en dus vroeg hij hem of hij Gods geboden wel kon opnoemen. Waarop de zigeuner antwoordde: "Nou ja, mijnheer, ik zou die wel uit mijn hoofd gaan leren, maar ik hoorde via de tamtam dat ze binnenkort worden afgeschaft." 

Dit verhaaltje wordt aangehaald in het recentelijk opnieuw vertaalde boek van José Ortéga y Gasset, De opstand van de massamens. Nu de Tweede Kamer voor ons al een aantal concrete knelpunten op het terrein van Justitie heeft opgelost, wilde ik kort voortborduren op dit verhaaltje en daarmee tevens voorkomen dat ik al te zeer in herhaling verval ten opzichte van punten die voorgaande sprekers hebben gemaakt. 

De Eerste Kamer sprak vorig jaar tijdens de begrotingsbehandeling over de democratische rechtsstaat en over hoe belangrijk de toegang tot het recht is. Maar daaraan gaat een nog belangrijker vraag vooraf, namelijk de vraag wat de vooronderstellingen van onze democratische rechtsstaat zijn. Wat schraagt die democratische rechtsstaat? Wat geeft hem inhoud? Dan gaat het niet allereerst over de hoogte van griffierechten, het aantal rechtbanken, gesubsidieerde rechtsbijstand, zorgvuldige procedures of representativiteit. Dan gaat het over de vraag welke mensen die rechtsstaat vorm moeten geven. Hoe staan zij in het leven, met welke waarden, normen en idealen? Welke opvoeding hebben zij genoten? Door welk moreel kompas laten zij zich leiden? 

De zigeuner uit het verhaaltje vertelt over het afschaffen van Gods geboden. 

Dat is, puur feitelijk gezien, wat de afgelopen decennia in Nederland of breder in West-Europa heeft plaatsgevonden. Veel christelijke waarden en normen zijn min of meer weggewuifd, ook uit het publieke leven. Niet omdat er zich iets beters aandiende. De vroegere waarden en normen zijn teruggedrongen zonder dat er een andere moraal aan de horizon is verschenen. Dat heeft bij veel mensen tot opluchting geleid. Weg met wat herinnert aan een christelijk verleden en aan het gezag van de kerk! Weg met al die verplichtingen en voorgeschreven normen. Eerlijk is eerlijk, die opluchting is soms nog te begrijpen ook. 

Hoewel … Oud-senator Hans Hillen schrijft in zijn recente boek "God vergeten" terecht dat de overheid inmiddels meer regels heeft gemaakt dan de kerk ooit heeft gehad. In die zin komt de vrijheidszoekende burger van een koude kermis thuis. Nu de fase van opluchting achter ons ligt, mag misschien wel de vraag worden gesteld: hoe nu verder? Is de huidige moraal niet vooral een negatieve moraal, het spiegelbeeld van de oorspronkelijke christelijke moraal? Restanten die herinneren aan het christelijk verleden, zijn vervangen door hun tegenpolen. Dan denk ik aan de bescherming van het leven, de bescherming van wat heilig is, het huwelijk, de seksuele moraal of de plaats van de zondag. 

We herinneren ons dat zelfs een verwijzing naar het onmiskenbaar en onloochenbaar christelijk verleden in de concept-EU-grondwet taboe was. We hebben ons gericht op een nieuwe cultuur die schitterend lijkt, maar heeft zij wel wortels? Deze nieuwe, achristelijke cultuur teert en parasiteert immers op de oude beschaving die tegelijkertijd wordt verworpen. Hoe lang gaat dat goed? Is onze democratische rechtsstaat denkbaar zonder christelijke moraal? 

Gasset schrijft over de opstand van de massamens, een opstand tegen de culturele, politieke en morele standaarden uit het verleden. Begrijp mij goed, die massamensen zijn zeker geen wilde horden. Zij zijn nette, intelligente mensen die zich niet willen conformeren aan welke specifieke moraal dan ook. Zij zijn mensen die talloze rechten opeisen, maar die weinig verplichtingen willen hebben. Zij hebben geen vertrouwen in een god en evenmin in een hogere autoriteit buiten henzelf. Deze mensen hebben geen eerbied voor de geschiedenis of voor beproefde instituties. Zij worden gedreven door een verlangen naar vrijheid en gelijkheid. Ze zijn echter ook zo vrij en ongebonden dat ze zich leeg weten, schrijft Gasset. Ze zijn meester van alle dingen, maar ze zijn geen meester van zichzelf. Deze mensen missen richting en zingeving. Gasset schrijft in die onheilspellende jaren dertig van de twintigste eeuw waartoe die leegte van de massamens zal leiden. Ik citeer zijn woorden: "Spoedig zal een overweldigende schreeuw opklinken, smekend om iets of iemand die de leiding neemt, die een opdracht, bezigheid of verplichting kan opleggen." Het bleken helaas profetische woorden te zijn. 

De klassieken leren al dat een democratie kan omslaan naar een ochlocratie, waarin de samenleving wordt geregeerd door de massamens en chaos op de loer ligt. De huidige oproepen tot bindende referenda zijn een teken aan de wand, evenals de verslaving van karakterloze politici aan kiezersonderzoeken en opiniepeilingen. Gasset waarschuwt voor de opkomst van de hyperdemocratie en voor politici die van alles beloven, zonder dat ze dit kunnen waarmaken. Vervolgens is het volgens hem slechts een kleine stap voordat de roep klinkt om een sterke man die wel orde op zaken stelt. "Er is wieder da." 

Dit brengt mij bij mijn vraag aan de minister. Zoals gezegd hebben die christelijke normatieve principes afgedaan. Maar welke principes schragen nu onze democratische rechtsstaat? Welke morele code draagt onze democratie? Is dat niet een zorg voor de minister? Het is opvallend dat iemand als bondskanselier Merkel wel uitdrukkelijk de Duitse bevolking opriep om wat vaker naar de kerk te gaan en de Bijbel te lezen, om te staan voor de christelijke traditie en cultuur. Blijkbaar is het ook mogelijk om vanuit de politiek zo'n oproep te doen. Vindt de minister het niet aanstekelijk om zo'n oproep te doen en is hij bereid om als verantwoordelijk bewindspersoon voor de relatie met de kerken hierover eens met de kerken door te spreken? Als onze rechtsstaat van binnenuit wordt bedreigd of dit gebeurt door een radicale ideologie van buitenaf, vraag ik mij af welke samenbindende en bezielende invloed dan kan uitgaan van het louter seculiere levensideaal dat zijn hoogste waarde lijkt te vinden in een vrije seksuele moraal en een onbeperkt recht tot kwetsen. Ik hoop oprecht dat de minister meer kan noemen dan concert- of terrasbezoek. 

Ik maak een paar concrete opmerkingen over de voorliggende begroting. De begroting die op Prinsjesdag is gepresenteerd, was onvoldragen. Dat is opvallend, omdat eigenlijk voor iedereen duidelijk was dat het budget voor veiligheid te laag was. De SGP vindt het een belangrijke stap dat de begroting is gewijzigd. Wel blijft staan dat onduidelijk is of we komend jaar wel vooruit kunnen met deze begroting. De Tweede Kamer heeft moties aangenomen over de primaire taken van de politie, de noodzaak van voldoende budget voor de rechtbanken en over extra budget voor het Openbaar Ministerie voor onder andere terrorismebestrijding. Die moties maken duidelijk dat er binnenkort weer een wijziging komt, namelijk bij de Voorjaarsnota. Waarom komt de minister niet ineens met de noodzakelijke reparatie? De SGP krijgt de indruk dat er te weinig inzicht is in wat nu werkelijk nodig is voor de veiligheid en voor het behoud van onze rechtsstaat. Deels is dit een gevolg van niet goed te kwantificeren taken, bijvoorbeeld bij de politie. Deels heeft dit te maken met politieke afwegingen: vind je dat er een rechtbank dicht bij de burger mag zijn, of dat die er ook op grotere afstand mag zijn? 

Graag willen wij in ieder geval dat de minister toezegt dat hij bij de Voorjaarsnota ook heldere rapporten voegt die duidelijk maken wat de dreiging van terrorisme en de gevolgen van de grote toestroom van asielzoekers precies voor gevolgen hebben voor het gewone werk van politie, justitie en rechterlijke macht. Dan kunnen wij, leden van de Eerste Kamer, duidelijk krijgen of de budgetten inderdaad afgestemd zijn op de taken. 

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. Ik ben de laatste spreker in de eerste termijn, die tot 12.30 uur gepland staat. Ik kan u echter helaas niet garanderen dat ik die tijd zal vullen. 

De fractie van 50PLUS heeft steeds gesteld dat zij voorstander is van een humaan beleid voor de vluchtelingen, maar dat de bijdragen wel in verhouding moeten staan tot de positie die Nederland als klein en dichtbevolkt land heeft. Juist om in de toekomst een dergelijk beleid te kunnen voeren, is draagvlak noodzakelijk van onze overwegend goedwillende bevolking. Ons bekruipt weleens de vrees dat de regering te lichtvoetig met de werkelijke situatie omgaat en dat het vertrouwen van de Nederlandse bevolking daardoor kan worden geschaad. Wat dat betreft vinden wij de argumentatie van de regering vaak vaag en mistig. Wij zullen hiervan enkele voorbeelden geven. 

In de brief van staatssecretaris Dijkhoff van 11 december jl. aan deze Kamer staat dat de instroomraming voor dit jaar met 25.000 personen is bijgesteld en dat de raming van de bijbehorende meerkosten met ruim 1 miljard is bijgesteld. Op de vraag wat de bijstelling is voor volgend jaar — dat jaar begint over twee weken — antwoordt het kabinet dat het daarin totaal nog geen inzicht heeft. De staatssecretaris schrijft dat er ontwikkelingen zijn die erop duiden dat er in 2016 meer asielzoekers verwacht kunnen worden vanwege de trendontwikkeling en de situatie in het Midden-Oosten. Toch rekent men zich een beetje rijk, omdat er Europese inspanningen zijn met als doel die instroom te beperken. Dat vindt 50PLUS een vreemde zaak. Mocht het aantal vluchtelingen stijgen — die kans is groot — dan zullen er immers toch voorbereidende maatregelen genomen moeten worden. In hoeverre worden die momenteel genomen? In de brief wordt gemeld dat in 2014 de ketenbrede terugkeer bijna 16.000 personen bedroeg en dat het beeld in 2015 wat dit betreft ongeveer hetzelfde zal zijn. Is dit in het licht van de sterk toegenomen instroom niet aan de lage kant? 

Ook het punt van binnenkomst van mogelijke terroristen in Nederland vinden wij onderbelicht. De geweldige vluchtelingenstroom is een nagenoeg oncontroleerbare dekmantel. Kan de regering bevestigen dat het Nederlandse volk rustig kan gaan slapen? De staatssecretaris schrijft dat het instellen van binnengrenscontroles op dit moment voor Nederland niet aan de orde is, maar dat de Koninklijke Marechaussee het mobiel toezicht verscherpt heeft. Acht het kabinet dit in de huidige situatie een voldoende garantie, voor zover die gegeven kan worden? 

Bij dit alles is een van de belangrijke vragen of de uitslagen van de regionale verkiezingen die vorige week en afgelopen zondag in Frankrijk bekend werden, geen invloed zullen hebben op de besluitvaardigheid in Europa. De gebleken grote aanhang van het Front National kan leiden tot minder besluitvaardigheid in diverse landen. Met 28% van de kiezers was deze partij ook in de tweede ronde de grootste van Frankrijk. Allen vrezen dat men de extreem rechtse partijen aan populariteit helpt. Andere landen zijn daarvan voorbeelden. Denk aan Polen, Finland, Zweden en Denemarken. En in ons land is de PVV volgens de peilingen sterk gegroeid en zou zij, als er nu verkiezingen waren, de grootste partij zijn geworden. 

Ook tijdens de regionale verkiezingen in Frankrijk stonden immigratie en veiligheid centraal. Te verwachten is dat deze thema's ook in de nabije toekomst het debat van de politiek en dat van de kiezers zullen domineren, ongeacht of men dit wil of niet. In dat licht bezien, is het voorstel dat de Europese Commissie vandaag presenteert, interessant. Daarin wordt voorgesteld dat Europese grenswachten de bewaking van de EU-buitengrenzen overnemen als de betrokken lidstaten daarin tekortschieten. De Europese Commissie acht deze overdracht van de soevereiniteit noodzakelijk om de vluchtelingenstroom in te dammen en het vrij reizen in de Schengenzone te behouden. De Commissie komt met deze verregaande voorstellen nu er dit jaar naar schatting al meer dan 1,5 miljoen migranten illegaal de Europese Unie zijn binnengekomen. Volgens de Volkskrant krijgt een nieuw op te richten Europees Grens- en Kustwacht Agentschap de beschikking over minstens 1.500 grenswachten van de lidstaten, die ook verplicht zijn om het noodzakelijke materieel zoals trucks, helikopters en boten te leveren. Daarnaast komen er 1.000 vaste medewerkers en een budget van 280 miljoen. Kan de regering de juistheid van deze berichtgeving bevestigen en een indruk geven van de mogelijke gevolgen voor Nederland? 

Volstrekt onvoldoende bewaking van de buitengrenzen en het falen op dit punt door onder andere Griekenland zijn de oorzaken waarom deze maatregelen genomen moeten worden. In het nader schriftelijk overleg over de aanpak van de vluchtelingencrisis schrijft staatsecretaris Dijkhoff dat er een spanningsveld is tussen het goed registreren van asielzoekers aan de buitengrenzen en de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de asielaanvraag, zeker wanneer er grote migratiestromen zijn. Dat zijn nette bewoordingen voor het feit dat het aan de buitengrenzen van met name Griekenland en ook Italië zo rammelt. Ook de niet altijd uitgesproken angst voor het ongehinderd binnenkomen van terroristen onderstreept dit. De Commissie meent dat het tijd is voor een beslissende stap naar een geïntegreerd beheer van de buitengrenzen. Opmerkelijk is dat het nieuwe Europese grensagentschap de bevoegdheid krijgt om grenswachten te sturen als de bewaking van de buitengrenzen faalt, ook als dit tegen de wil van de betreffende lidstaat is. De opdracht van de Commissie kan alleen door een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten worden tegengehouden. Dit roept de vraag op welke consequenties het kan hebben als een bepaald land zich met klem blijft verzetten. Graag horen wij de visie van de regering op dit punt. 

Ook het terugsturen van illegale migranten kan op verzoek van een lidstaat door het nieuwe agentschap opgepakt worden, maar dit kan ook op eigen initiatief. Hoe moeten we ons dat in Nederland voorstellen? Opnieuw is de vraag aan de orde wat er gebeurt als lidstaten zich gaan verzetten, bijvoorbeeld om electorale redenen. Later deze week zullen Europese regeringsleiders de plannen bespreken en zal moeten blijken of deze voorstellen op voldoende steun kunnen rekenen. Vervolgens zullen zowel de lidstaten als het Europees Parlement het voorstel van de Commissie moeten goedkeuren. Makkelijk zal dat wellicht niet worden, maar een tovermiddel om het te bereiken mag niet onvermeld blijven: het voorzitterschap van Nederland van de Europese Unie per 1 januari 2016. 

We wachten met grote belangstelling de beantwoording van onze vragen en de visie van de regering af. 

De voorzitter:

Mijnheer Nagel, u hebt uw woord gestand gedaan: u hebt de tijd niet tot 12.30 uur weten vol te praten, maar ik denk dat iedereen blij is dat we een iets langere schorsing hebben voor de lunch. 

Ik constateer dat verder niemand nog het woord wenst in de eerste termijn. 

De beraadslaging wordt geschorst. 

De vergadering wordt van 11.49 uur tot 13.35 uur geschorst.