2 Belastingplan 2014

Aan de orde is de voortzetting van de gezamenlijke behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014) (33752);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2014) (33753);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele wetten met het oog op de bestrijding van fraude in de toeslagen en fiscaliteit (Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit) (33754);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting- en invorderingsrente (Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente) (33755),

en van:

(Zie vergadering van 16 december 2014.)

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Financiën van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Weekers:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar belangstelling voor het pakket Belastingsplan 2014 en voor haar bereidheid om dit pakket wederom in een zeer korte periode af te ronden, namelijk tussen half november en nu. Onder anderen senator Reuten heeft erop gewezen dat die periode erg kort is. Deze periode is niet korter dan in andere jaren, maar ik besef ten volle wat het kabinet van de Eerste Kamer vraagt. Wij doen er op het ministerie van Financiën alles aan om zo veel mogelijk vragen op voorhand te beantwoorden. Er zijn twee schriftelijke vragenrondes geweest. Met name senator Reuten heeft daar uitvoerig gebruik van gemaakt. Hij heeft gevraagd of de stukken en de begroting niet eerder dan Prinsjesdag ingediend kunnen worden. Dat is helaas niet mogelijk. In elk geval ben ik blij dat de Eerste Kamer er toch in is geslaagd om het pakket tijdig te behandelen. Ik ben haar daar ook erkentelijk voor.

Bij de beantwoording houd ik de volgende volgorde aan. Ik begin bij het Belastingplan 2014 en de overige fiscale maatregelen. Hierbij ga ik achtereenvolgens in op het inkomensbeleid en de belastingmix, dan op vergroening, grenseffecten en oldtimers en tot slot kom ik toe aan de overige vragen. Daarna ga ik in op het fraudewetsvoorstel. Aan het eind van mijn betoog komen kort de overige vragen aan bod, die in beginsel losstaan van het pakket Belastingplan 2014. Als de tijd het toelaat, zit daar een flink blok internationaal bij. De heer Ester heeft daar met name op gewezen. Binnenkort spreken wij daar nader over, zoals de heer Van Boxtel gisterenavond zei. Ik verwacht daar vandaag geen uitvoerig en diepgaand debat over, maar dat wil niet zeggen dat wij dat debat niet gaan voeren in deze Kamer.

Diverse sprekers, mevrouw De Boer, de heer Reuten en de heer Nagel hebben gevraagd wat het kabinet bedoelt met een evenwichtige inkomens- en lastenverdeling. Het kabinet neemt ingrijpende maatregelen om de overheidsfinanciën op orde te krijgen en streeft daarbij naar een evenwichtige inkomensontwikkeling en een evenwichtige verdeling van de lasten over verschillende groepen. Je kunt je natuurlijk afvragen wat evenwichtig is. De ene politieke stroming zal dit anders inkleuren dan de andere. Het kabinet beseft dat wanneer je behoorlijk moet ombuigen, fors moet bezuinigingen en ook moet ingrijpen in een aantal inkomensvoorzieningen er bij de lastenverzwaringen een extra bijdrage van de mensen met hogere inkomens moet worden gevraagd. Ingrepen in de uitgaven treffen eerder de onderkant dan de bovenkant van het inkomensgebouw. Er zijn ook ingrepen in de lasten, zeker als het gaat om de inkomstenbelasting. Degenen die geen belasting betalen, tref je niet met maatregelen in de inkomstenbelasting. In het kader van een evenwichtige inkomensverdeling heeft het kabinet besloten om met name wat extra's te vragen aan de mensen met hogere inkomens, bijvoorbeeld in de sfeer van de afbouw van de arbeidskorting en de afbouw van de algemene heffingskorting. Ik kom daar zo meteen nog even op terug.

Daarbij is het wel van belang om werken lonender te maken. Met name mevrouw De Boer heeft gevraagd wat het kabinet bedoelt met het uitgangspunt dat werken moet lonen. Binnen onze beperkte mogelijkheden hebben wij met name gefocust op de mensen met een laag inkomen. Wanneer je bijvoorbeeld vanuit een uitkering aan het werk gaat, moet je er wel behoorlijk op vooruitgaan.

De heer Nagel (50PLUS):

De staatssecretaris zei dat de inkleuring per politieke partij kan verschillen. Het cijfermateriaal kun je echter niet laten verkleuren. Gisteren zijn bijvoorbeeld de 4,25% en de 4,5% genoemd die de mensen er in de sfeer van de AOW op achteruitgaan. Mensen die veel zorg nodig hebben en een inkomen hebben van € 400 per maand gaan er tot 6,1% op achteruit. Dat heeft niets met inkleuren te maken, maar dat is een heel scheve lastenverzwaring. Het zou de staatssecretaris sieren als hij dit toe zou geven en als hij bovendien een visie wil ontwikkelen om dit recht te breien.

Staatssecretaris Weekers:

Dat debat had naar mijn oordeel vorige week in dit huis gevoerd moeten worden. Toen is de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid besproken. In de stukken heb ik uitvoerig antwoord gegeven op met name de vragen van senator Reuten aangaande het inkomensbeleid. Daarbij heb ik er een aantal keren op gewezen dat het debat over de integrale inkomenspolitiek gevoerd moet worden met de collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Minister Asscher is de chef koopkracht van het kabinet. Hij is er verantwoordelijk voor dat het totale beeld goed in de gaten wordt gehouden. Het Belastingplan geeft slechts een partieel beeld. Via een aantal inkomensondersteunende maatregelen op de begroting van Sociale Zaken, zoals de zorgtoeslag, wordt ervoor gezorgd dat mensen die door het ijs dreigen te zakken, worden geholpen. Als je naar de inkomensontwikkeling kijkt, dus naar de koopkrachtcijfers, kan ik niet anders concluderen dan dat er een evenwichtig plaatje is uitgekomen. Werkenden met een klein inkomen gaan erop vooruit. Mensen met een wat hoger inkomen gaan erop achteruit. Voor mensen op het sociaal minimum doen we wat mogelijk is. Naar het oordeel van het kabinet is dit alles bij elkaar evenwichtig.

Ik kom terug bij de vraag van mevrouw De Boer. Zij vroeg zich af of de lijn tussen werken moet lonen en wie niet werkt zal ook niet eten, niet erg dun is. Daar kan ik mij niet in vinden. In Nederland hanteren wij niet het adagium wie niet werkt zal niet eten. Eind negentiende eeuw stond dit nog wel op de stoep van bepaalde fabrieken, maar gelukkig wordt dat niet meer gehanteerd. Wij hebben een sociale welvaartsstaat waarin wij ervoor zorgen dat iedereen in Nederland zo nodig een uitkering krijgt waarvan eten, het opvoeden van kinderen, een dak boven het hoofd en essentiële gezondheidszorg kan worden betaald. Daar bestaat een breed draagvlak in de samenleving voor.

Er zijn mensen die vanuit een uitkering aan het werk gaan, zoals alleenstaande ouders die in de bijstand zaten. Wanneer een alleenstaande ouder vier dagen gaat werken, gaat die er nu niet op vooruit. Bij een werkweek van vijf dagen gaat men er wel op vooruit, maar dat is niet voor iedereen met kinderen weggelegd. Daarom heeft het kabinet een heel pakket maatregelen opgenomen in het wetsvoorstel inzake de kindregelingen. Ik noem de fiscale faciliteit voor het levensonderhoud van kinderen. Deze faciliteit komt samen met andere faciliteiten in een nieuw pakket kindregelingen. Dit leidt er uiteindelijk toe dat een alleenstaande ouder in de bijstand die vier dagen gaat werken er niet op achteruit, maar op vooruit gaat. Dit wetsvoorstel bespreken wij vandaag niet verder, want het ligt nog in de Tweede Kamer. Bovendien verdedigt collega Asscher dit wetsvoorstel. Dit is een voorbeeld van de wijze waarop het kabinet met dit uitgangspunt omgaat. Een ander voorbeeld is de arbeidskorting die wij nu fors verhogen, maar uiteindelijk voor degenen die het niet echt nodig hebben, tot nul afbouwen. Werk moet lonen, geldt natuurlijk voor de hele linie. De middelen zijn echter beperkt en dat betekent dat wij ons focussen op de onderkant van het inkomensgebouw.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ik ben het helemaal met de staatssecretaris eens dat wij er alles aan moeten doen om het werken van alleenstaande ouders lonender te maken. Ik heb mijn twijfels over het volgende. In het koopkrachtoverzicht staat dat alleenstaande ouders op het sociaal minimum – ouders die nog wel in de bijstand zitten – er ruim 3,5% op achteruit gaan. Door welke specifieke maatregelen wordt dat veroorzaakt en zouden wij dat niet moeten voorkomen?

Staatssecretaris Weekers:

Dat komt in elk geval niet door fiscale maatregelen die wij vandaag bespreken. Door de algemene economische malaise gaan heel veel mensen erop achteruit. Daar waar mogelijk repareert het kabinet dit, maar het kabinet kan niet alles repareren. Een aantal pensioenfondsen stempelt de pensioenen af of de pensioenen worden niet geïndexeerd. Het kabinet kan dat niet allemaal repareren. Uiteindelijk is dit ook niet de verantwoordelijkheid van het kabinet. Als er echter zeer forse effecten zijn, kijkt het kabinet wel wat het daaraan kan doen. Mensen met een klein inkomen worden bijvoorbeeld via de zorgtoeslag gecompenseerd. Ouderen worden ook via de zorgtoeslag gecompenseerd. Het is een totaalpakket aan maatregelen waarbij wij trachten binnen de marges waar wij mee te maken hebben toch met een evenwichtig pakket te komen. Wij leven onder een slecht economisch gesternte waardoor wij behoorlijk moeten bezuinigen en de lasten moeten verhogen.

De Essers vraagt wat het kabinet de komende jaren doet om de belasting op arbeid te verlagen. Het kabinet verhoogt daartoe de arbeidskorting. Ik ben daar zojuist al op ingegaan. De eerste schijf wordt met 0,75 procentpunt verlaagd. Dit geldt overigens niet alleen voor werkenden, maar ook voor mensen die niet werken maar wel belasting betalen. De maatregelen met betrekking tot de woningmarkt – ook die van het Lenteakkoord van vorig jaar – worden teruggesluisd via de verlaging van de tarieven en een verlenging van de derde tariefschijf IB/LB. Ik erken dat dit uiteindelijk pas het volle effect heeft bereikt wanneer de heer Essers bejaard is. Mijn ambitie zou zijn om dat sneller te doen, maar de heer Essers weet net zo goed als ik dat de middelen beperkt zijn waardoor wij die versnelling niet kunnen aanbrengen. Wel belangrijk is het uitgangspunt dat nu wordt gehanteerd. Het schrappen of geleidelijk afbouwen van een aftrekpost die zorgt voor een lagere effectieve druk, verband houdend met het eigen huis wordt teruggegeven via belastingverlaging. Dit wordt gedaan met het wetsvoorstel dat vanmiddag nog uitvoerig in dit huis aan de orde komt.

De heer Essers (CDA):

Inkomsten uit de eigen woning belasten wij tegen het progressieve tarief, terwijl de uitgaven tegen een ander tarief aftrekbaar worden gemaakt. Ik hoorde gisteren mevrouw Sent het nieuwe belastingplan van de PvdA presenteren. Zij zei dat uitgaven, kosten moeten worden omgevormd tot heffingskortingen. Dat is eigenlijk precies hetzelfde verhaal. Inkomsten worden tegen het progressieve tarief belast, terwijl uitgaven beperkt aftrekbaar zijn. Is de staatssecretaris niet bang dat wij hiermee een gevaarlijk precedent scheppen gelet op het draagkrachtbeginsel?

Staatssecretaris Weekers:

Het woord gevaarlijk zou ik niet in de mond willen nemen, want dan had ik dit voorstel niet samen met mijn collega Blok moeten doen. Of hier een precedent wordt geschapen, kan ik niet zeggen. We kennen deze figuur nog niet. We weten natuurlijk wel dat aftrekposten en forfaitaire bedragen bij de belastingherziening 2001 zijn omgezet in heffingskortingen, maar de regeling die voor de eigen woning gaat gelden, vermits de Eerste Kamer daarmee vanmiddag instemt, waarbij het aftrekpercentage met het jaar lager wordt, kennen wij nog niet. Ik zou dat ook niet als voorbeeld willen nemen voor allerlei andere aftrekposten. Dan gaat mijn voorkeur ernaar uit om in het kader van de discussie over het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen te bekijken of aftrekposten kunnen worden omgezet in een eenvoudiger systeem met lagere tarieven.

Ten aanzien van de eigen woning is daar in elk geval niet voor gekozen. Wanneer je dit voor de eigen woning doet, betekent dit dat heel veel mensen acuut in financiële problemen komen. Als je een aftrekpost gaat omzetten in een lager tarief voor iedereen, heeft dat een enorme herverdeling tot gevolg en de eigen woning is over het algemeen de belangrijkste kostenpost van een huishouden. Daarom gebeurt dat heel geleidelijk aan. Nogmaals, belangrijk is dat we die aftrekpost niet alleen afbouwen maar dat we die tegelijkertijd omzetten in een lager belastingtarief. Dit is een punt dat besproken wordt in het wetsvoorstel over de woningmarkt, waar vanmiddag en vanavond over wordt gesproken. Dus ik stel voor dat wij deze discussie dan ook verder voeren. Maar met dat wetsvoorstel kom je uiteindelijk – en ik geef toe dat dit op de heel lange termijn is – ongeveer uit op een sociale vlaktaks zoals het CDA altijd heeft bepleit. Een soort tweetactsysteem met een tarief van 38% en 49,5%. Dat zou de heer Essers toch in elk geval moeten aanspreken.

De heer Essers (CDA):

Zeker, maar ik zie de staatssecretaris ook glimlachen. We moeten daar wel bijna 30 jaar op wachten en in die 30 jaar kan er van alles gebeuren. In ieder geval noteer ik voor het debat over het Belastingplan dat er geen sprake is van een verborgen agenda om straks alleen nog maar bruto-inkomens te belasten en kosten daarbij niet meer in aftrek te brengen, omdat die alleen nog via een heffingskorting of via een lager tarief worden verwerkt. Ik heb toch goed begrepen dat het kabinet daar op dit moment nog zeker niet aan denkt?

Staatssecretaris Weekers:

Dat heeft de heer Essers zeer goed begrepen, waarbij ik natuurlijk niet vooruitloop op de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen. Dat vereist een integrale benadering. Ik zal daar straks nog wel een enkele opmerking over maken. Een belastinghervorming gaat natuurlijk altijd gepaard met de nodige inkomenseffecten. We zitten in een situatie waarin we geen geld hebben voor netto-lastenverlichting. Dus een grootschalige fiscale hervorming is heel moeilijk door te voeren zonder behoorlijke inkomenseffecten. Dat laatste staat er mogelijk aan in de weg om in deze periode een grootschalige hervorming door te voeren.

Ik kom terug op de vraag van de heer Nagel over de koopkrachtdaling voor de ouderen met een laag inkomen en de hoge zorgkosten. Ook de heer De Lange heeft daar zijn zorgen over uitgesproken. Die zorgen kan ik deels wegnemen. In de begrotingsafspraken is vastgelegd dat de aftrek specifieke zorgkosten blijft bestaan, wat in de Nibud-berekeningen, waar de heer Nagel gisteravond naar heeft verwezen, nog niet was verwerkt. Daarnaast is in de begrotingsafspraken vastgelegd dat het tarief in de eerste schijf wordt verlaagd. Dat is inmiddels ook verwerkt in het Belastingplan, dat thans voorligt. Beide maatregelen hebben ten opzichte van de Prinsjesdagstukken een positief effect op de koopkrachtontwikkeling van door beide senatoren aangeduide ouderen.

De heer De Lange (OSF):

De staatssecretaris wijst op een tegemoetkoming in de zorgkosten. Kan hij ook aangeven om welke bedragen of om welk percentage dat gaat als functie van de koopkracht? Alleen een kwalitatieve opmerking is mooi, maar ik hecht toch meer aan kwantitatieve cijfers. Kan de staatssecretaris die verschaffen?

Staatssecretaris Weekers:

Ik zal kijken of ik die aan het eind van mijn betoog of in tweede termijn erbij kan nemen. Als het goed is, staan die ergens in de stukken. Ik wil graag de precieze cijfers noemen. De specifieke zorgkostenaftrek kan echt van persoon tot persoon verschillen. Wanneer je geen specifieke zorgkosten hebt, heb je ook geen aftrek. Heb je een laag inkomen en specifieke zorgkosten, dan heb je maar een heel lage drempel en zit er nog een multiplier in. Dus dan heb je heel veel aan een dergelijke aftrek. Heb je een hoog inkomen en specifieke zorgkosten, dan moet je eerst een veel hogere drempel over en heb je geen multiplier. Dus dat betekent dat het voor elk individu uiteindelijk anders kan uitpakken. Maar ik zal proberen om straks het cijfer te noemen waar de heer De Lange om vraagt.

De heer Reuten stelt dat de belasting- en inkomenspolitiek van dit kabinet denivellerend werkt. Ik heb de heer Buma aan de overkant iets anders horen zeggen. De vragen die de heer Reuten hierover stelde gaan over het bruto en netto besteedbaar inkomen op persoonsniveau en op huishoudenniveau. Uiteindelijk gaat het om de vraag of het inkomensbeleid van het kabinet nivellerend of denivellerend werkt, wat nadrukkelijk een andere vraag is dan hoe inkomens zich gemiddeld ontwikkelen tussen 2013 en 2017. De heer Reuten zei gisteren: ceteris paribus werkt het beleid denivellerend. Maar dat is niet het geval. De cijfers waar wij ons op baseren in de grafieken, die ook in het indrukwekkend notenapparaat van de heer Reuten staan, ook in de grafieken die gisteren zijn uitgedeeld, gaan uit van microsimulaties waarin ook de demografische ontwikkelingen tussen nu en 2017 verwerkt zijn. Wanneer je je alleen wilt focussen op het beleid, moet je kijken wat er in de voorstellen aangaande belastingen staat en wat er in de voorstellen aangaande de toeslagen en andere uitkeringen staat en hoe dat uitpakt. Dat verkleint in elk geval de inkomensverschillen.

De heer Reuten (SP):

Ik wil het beleid van de minister van Sociale Zaken en van de staatssecretaris van Financiën apart nemen. Als je 2013 vergelijkt met 2017 is de stelling dat de belastingdruk voor het laagste kwartiel stijgt en voor het hoogste kwartiel daalt. Zijn wij het daarover eens?

Staatssecretaris Weekers:

Maar dat is geïsoleerd beschouwd de belastingdruk.

De heer Reuten (SP):

Ja, maar andere cijfers hebben we toch niet?

Staatssecretaris Weekers:

Ik heb in de stukken omstandig aangegeven dat het voor een integrale beoordeling van het kabinetsbeleid van belang is om niet alleen naar de belastingdruk te kijken maar ook naar de effecten van toeslagen. Mag ik een voorbeeld noemen?

De heer Reuten (SP):

Daar zijn wij het helemaal over eens, maar ik kijk separaat naar het effect van de belastingen en vervolgens naar het effect van het geheel. Maar goed, je kunt ook meteen naar het besteedbaar inkomen gaan. Als we de belastingen partieel, geïsoleerd beschouwen, dan is er toch het effect dat ik genoemd heb? Namelijk dat de belastingdruk voor het laagste kwartiel stijgt en voor het hoogste kwartiel daalt. Dat zijn cijfers van uw departement. In de memorie van antwoord staat dat in tabel 3 en in tabel 1.

Staatssecretaris Weekers:

Maar dan moet je daar toch ook iets bij zeggen, bijvoorbeeld dat een ouderenkorting een fiscale faciliteit is waar ouderen extra van profiteren. Die korting wordt omgezet in een toeslag, waardoor met name ouderen met een kleiner inkomen daar uiteindelijk per saldo beter van worden en ouderen met een groter inkomen daar per saldo slechter van worden. Dat moet je er dan toch bij vermelden?

De heer Reuten (SP):

Ik wil daar best naartoe, maar de staatssecretaris zei zojuist zelf dat hij daar niet over gaat, maar dat de minister van Sociale Zaken daarover gaat. Als wij het Belastingplan partieel beschouwen, zonder de toeslagen en bijslagen, dan zijn wij het erover eens dat de belastingdruk in het eerste kwartiel stijgt en in het hoogste kwartiel daalt. Dan heb je denivellering. Als wij het daarover eens zijn, kunnen wij het daarna hebben over de toeslagen en de bijslagen. Zijn wij het eens over het effect van de belastingen sec?

Staatssecretaris Weekers:

Als je naar de kwartielverdeling kijkt, kloppen de cijfers zoals ze gepresenteerd zijn en die kun je op de manier uitleggen zoals de heer Reuten doet. Tegelijkertijd is dat maar het halve verhaal, zeg ik erbij. Je moet naar het hele verhaal kijken en je moet je afvragen waardoor dit wordt veroorzaakt. Als je een belastingkorting omzet in een toeslag waardoor per saldo de koopkracht van ouderen met een klein inkomen stijgt en de koopkracht van ouderen met een hoog inkomen daalt, kun je toch niet de conclusie van de heer Reuten volhouden dat het kabinetsbeleid denivellerend uitpakt? Dat zouden sommigen willen in deze Kamer.

De heer Reuten (SP):

Ik zou dat niet willen. Maar goed, wij zijn het nu eens over het belastingdeel. Dan gaan wij nu naar het geheel kijken, dus belastingen plus toeslagen. Dan is het niet zoals de staatssecretaris zegt dat de hoogste inkomens wat extra moeten betalen, want de toename van het laagste kwartiel en het hoogste kwartiel besteedbaar inkomen huishoudens is nagenoeg gelijk, namelijk 8% respectievelijk 7,9%. Dus je kunt niet zeggen dat het hoogste kwartiel wat extra's draagt.

De voorzitter:

Mijnheer Reuten, dit was uw laatste interruptie op dit punt. Als u dit punt verder wilt uitbouwen, kunt u dat in uw tweede termijn doen.

Staatssecretaris Weekers:

Je kunt dit fenomeen benaderen op basis van de kwartielverdeling zoals de heer Reuten doet. Dan moet je wel beseffen hoe deze kwartielverdeling tot stand komt. Als je de vergelijking tussen 2013 en 2017 maakt, is de kwartielverdeling niet louter gebouwd op beleidsaspecten, bijvoorbeeld wijzigingen van de Belastingwet, maar ook op de vraag wat er tussen nu en dan gebeurt volgens de huidige prognoses die verwerkt zijn in het microsimulatiemodel. Wanneer in de komende jaren de werkloosheid wat verder oploopt, zal dat effecten hebben op het laagste kwartiel in 2017. Als mensen werkloos worden, vallen zij in inkomen behoorlijk terug, bijvoorbeeld tot 70% van het laatstverdiende loon. Dit soort ontwikkelingen is verwerkt in de cijfers van 2017. Wat uiteindelijk ook in dit soort zaken doorwerkt, is de financiële positie van de pensioenfondsen. Die is niet altijd even rooskleurig. Dat hebben sprekers gisteravond ook opgemerkt. Ook de ontwikkeling van inkomen uit vermogen heeft grote invloed op de ontwikkeling van het gemiddelde inkomen. De cijfers in de kwartielbenadering op basis van die simulaties kloppen. Het kabinet vindt niet dat je daar de conclusies aan kunt verbinden die de heer Reuten daaraan verbindt, omdat je dan appels met peren aan het vergelijken bent en omdat het dan ook een slecht beeld geeft van het kabinetsbeleid. Als je heel micro kijkt naar het Belastingplan, constateer ik dat bijvoorbeeld door maatregelen in de heffingskortingen werknemers met een laag inkomen ruim € 1.200 minder belasting gaan betalen en werknemers met een hoog inkomen ruim € 800 meer. En dat is een verschil van € 2.000. Ik kan dat niet denivellerend noemen. Ik zeg dan dat via de heffingskortingen de inkomensverschillen kleiner worden gemaakt.

Mevrouw De Boer heeft vragen gesteld, maar zojuist ben ik al op een aantal punten ingegaan, dus dat hoef ik niet te herhalen.

De heer Reuten verzoekt de inflatiecorrectie voortaan automatisch toe te passen. Die wordt in principe jaarlijks automatisch toegepast. Dat staat in de wet. Vanwege de uitzonderlijke economische situatie is op dat mechanisme vorig jaar en dit jaar een uitzondering gemaakt voor de loonbelasting en de inkomstenbelasting. Met de heer Reuten en zijn fractie hoopt het kabinet ook dat dit voorlopig de laatste keer is dat het een dergelijke maatregel moet nemen. Wij zien ook liever dat die automatische inflatiecorrectie doorwerkt in de inkomstenbelasting en de loonbelasting.

De heer Bröcker vraagt of het kabinet mogelijkheden ziet voor een meer fundamentele belastinghervorming op basis van de fiscale agenda, of de adviezen van de commissie-Van Dijkhuizen en van de commissie-Van Weeghel. Ik moet zeggen dat ik de inbreng van de heer Bröcker zeer waardeer, want hij heeft sinds de start van de Eerste Kamer in deze samenstelling hetzelfde consistente betoog gehouden. Dat is ook volledig in lijn met de fiscale agenda die ik in het voorjaar van 2011 heb gepresenteerd. Dat wil zeggen, wij moeten toewerken naar een eenvoudiger fiscale wetgeving en instrumentalisme tegengaan. De heer Essers heeft daar ook op gewezen. Wij moeten ook zorgen dat de belastinginkomsten robuust zijn. Er kan sprake zijn van te veel instrumentalisme of van te veel secundaire doelen in de fiscale wetgeving. Begrijp mij niet verkeerd, secundaire doelen kunnen buitengewoon belangrijk zijn, bijvoorbeeld om duurzaam gedrag te bevorderen, om mensen te stimuleren te sparen voor de oude dag of om bezitsvorming te bevorderen. Zo kun je nog tal van andere zaken noemen. Maar als het secundaire element zodanig effectief is dat je gedragseffecten krijgt waardoor de grondslag van de belastingheffing wordt uitgehold, dan komt het primaire doel van de belastingheffing, namelijk het vullen van de schatkist om daaruit de noodzakelijke publieke voorzieningen te bekostigen, in het gedrang.

We hebben dat bijvoorbeeld gezien met de autoregelingen. De fiscale belastingen van de auto die onder mijn ambtsvoorganger waren ingevoerd waren zodanig effectief dat Nederland al in 2011 de doelstelling voor 2015 haalde als het gaat om een schoon nieuw wagenpark. Tegelijkertijd leidde dat wel tot buitengewoon hoge kosten voor de schatkist. Daarom heb ik in mijn eerste autobrief een aantal zaken moeten bijstellen en zullen wij in de volgende autobrief zaken verder moeten bijstellen. Dat wil niet zeggen dat ik bij de hervorming en de herziening van de autobelastingen voor 2016 en verder geen rekening meer zal houden met milieueffecten. Daar houd ik wel degelijk rekening mee, maar ik heb ook het primaire doel te dienen dat er gewoon belasting moet worden opgehaald om onze sociale welvaartsstaat en wat het parlement nodig acht in het kader van noodzakelijke publieke voorzieningen te kunnen bekostigen.

Dit soort elementen zal ik ook meenemen bij de kabinetsreactie rondom de adviezen van de commissie-Van Dijkhuizen. Ik zeg er wel bij, zoals ik zojuist ook al heb aangegeven, dat je om een behoorlijke belastinghervorming door te voeren middelen nodig hebt voor netto lastenverlichting. Anders krijg je extreme koopkrachteffecten. Ik heb een paar jaar geleden een vereenvoudiging van het loonbegrip doorgevoerd dat door mijn ambtsvoorganger was voorbereid, namelijk de Wet uniformering loonbegrip. Dat was een budgettair neutrale operatie. Daarbij is een knap staaltje werk geleverd door alle specialisten van Financiën en Sociale Zaken om de inkomenseffecten binnen bepaalde marges te houden. Desalniettemin heeft dit ertoe geleid dat er groepen zijn die er 5% of meer op achteruitgaan.

Vervolgens heb ik dit jaar heel wat discussies gehad, ook met de Tweede Kamer, over de koopkrachteffecten. Die waren inzichtelijk op het moment dat wij de wetsvoorstellen bespraken in de Kamer. Maar als die effecten zich ook daadwerkelijk materialiseren en als mensen de pijn in hun portemonnee voelen, dan is dat natuurlijk uitermate vervelend. Dit geeft aan dat er grenzen zijn aan datgene wat je met een belastinghervorming tussentijds kunt doen. Wat dat betreft hadden mijn ambtsvoorgangers Vermeend en Bos het wat gemakkelijker toen zij de inkomstenbelasting 2001 voorstelden, omdat die gepaard ging met een netto lastenverlichting van ruim 7 miljard gulden. Als je een dergelijk bedrag hebt, kun je bij een hervorming de positieve effecten laten bestaan en de negatieve effecten wat wegpoetsen. In die gelukkige omstandigheid bevind ik mij niet.

De heer Bröcker vraagt hoe ik aankijk tegen horizonbepalingen bij belastinguitgaven. Ik heb aangekondigd in mijn fiscale agenda dat ik van plan ben om dergelijke horizonbepalingen op te nemen. Dat doen wij ook bij nieuwe zaken, bijvoorbeeld bij de multiplier in de giftenaftrek, in de Geefwet, waaraan een horizonbepaling is verbonden, die dan uiteindelijk na vijf jaar vervalt. Bij andere bepalingen worden ook elke vijf jaar zaken geëvalueerd. Tussentijds probeer ik bij gelegenheid van zo'n evaluatie dan ook een horizonbepaling op te nemen. Dat heb ik nu bijvoorbeeld ook gedaan in dit Belastingplan met de EIA, MIA en Vamil. Over vijf jaar wordt er weer geëvalueerd. Dan komt ook nadrukkelijk in het kabinet en in beide Kamers aan de orde of een bepaalde belastinguitgave moet worden gecontinueerd.

Ik zeg hier wel bij, omdat dit ook samenhangt met de discussie over instrumentalisme, dat de druk op de staatssecretaris van Financiën altijd groot is, zeker in tijden van budgettaire krapte. Er zijn tal van wensen bij andere departementen en bij maatschappelijke organisaties in de samenleving. Ik heb dat ook gemerkt, bijvoorbeeld in de besprekingen over het energieakkoord, waarbij men heel veel zaken via de fiscaliteit wilde regelen. Men denkt dat dit via de fiscaliteit gemakkelijk is, want dan gaat het toch om groot geld, dus daar kun je best wat instrumentjes in fietsen. Wanneer je dit op een departementale begroting moet zetten met een subsidieregeling, moet daarvoor dan geld worden gevonden op die begroting. Er wordt dus al te gemakkelijk gekeken naar de staatssecretaris van Financiën. Mijn lijn daarbij is in de richting van collega's: als u nieuwe fiscale instrumenten wilt, wilt u mij dan ook aangeven welke twee instrumenten u wilt afschaffen die op uw eigen terrein liggen en die door uw voorgangers in het systeem zijn gebracht?

Dus als iets per saldo kan worden vereenvoudigd, sta ik open voor nieuwe instrumenten, mits robuust en mits per saldo eenvoudiger. Anders houd ik de boot af. Dat lukt niet altijd. Het voorbeeld is lokale opwekking van duurzame energie, waar ik zo meteen nog wel even op terugkom. Er zijn ook enkele andere voorbeelden. Maar ja, politiek is uiteindelijk ook de kunst van het haalbare. Dat betekent dat je ook als staatssecretaris van Financiën uiteindelijk bepaalde zaken in het kader van een totaalcompromis moet accepteren, want de wensen in de samenleving en ook in het parlement lopen uiteen. De een wil minder instrumentalisme, terwijl de ander dit specifieke doel via de fiscaliteit extra wil stimuleren.

Ik vond dat mevrouw Sent gisteravond een aantal goede suggesties heeft gedaan, want ik proefde in haar betoog dat je niet altijd naar de fiscaliteit hoeft te kijken, maar dat er ook andere instrumenten zijn om bepaald gedrag te veranderen. De gedragseconomie, die steeds meer in ontwikkeling is, geeft ons daar ook steeds meer inzicht in. Als het gaat om het terrein van duurzaamheid en milieu, is collega Mansveld van Infrastructuur en Milieu daar ook nadrukkelijk mee bezig, net als de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, die als in het wel heb komend jaar met een aantal rapporten zal komen waarin dit soort elementen zeker meeweegt.

Ik heb met de collega van I en M afgesproken dat ik opensta voor discussies over de vraag hoe wij bijvoorbeeld fiscaal vergroenende maatregelen kunnen verbeteren. Ik herhaal dat die maatregelen wat mij betreft dan zodanig moeten zijn dat zij effectief zijn, ook gelet op de kosteneffectiviteit. Fiscale regelingen hebben immers niet zelden het bijeffect dat er een behoorlijk stuk dead weight loss in zit; met andere woorden, dat het gedrag dat je beoogt toch wel door een aantal belastingplichtigen zou worden nagestreefd, ook zonder fiscaal instrument. Dat betekent dat het gedrag dat er anders toch al zou zijn dan wordt beloond, terwijl dat eigenlijk niet had gehoeven. Dan is het de vraag of dat fiscale instrument wel het beste is. Dit vereist voortdurend een afweging, wat mij betreft ook een kritische afweging.

De heer Essers heeft gevraagd naar de administratieve lasten voor minima naar aanleiding van een conclusie van de Nationale ombudsman. Tevens heeft hij gevraagd naar het terugbrengen van het aantal toeslagen en heffingskortingen. Om met het laatste te beginnen, wij hebben niet voor niets aan de commissie-Van Dijkhuizen gevraagd om naar de inkomstenbelasting en de toeslagen te kijken, en daarbij ook indirecte belastingen, belastingen op consumptie en belasting op vermogen mee te nemen. Ik had stiekem gehoopt dat daar een voorstel uit zou komen waardoor je toeslagen, belastingen en belastingkortingen zou kunnen salderen en waarmee je veel minder geld zou rondpompen. Uiteindelijk is dat niet het advies geworden van de commissie-Van Dijkhuizen, simpelweg vanwege het feit dat ons fiscale systeem op individuele leest geschoeid is en de toeslagen op huishoudniveau. Als je die twee systemen echt zou willen integreren, zou je voor een van de twee uitgangspunten moeten kiezen. Zou je kiezen voor de ontwikkeling die al sinds begin jaren zeventig is ingezet, dan zou je moeten zeggen dat we kiezen voor de individuele benadering. Dat is ook in het kader van de arbeidsparticipatie de meest effectieve benadering. Maar dat betekent dat je dan op huishoudniveau eigenlijk toeslagen gaat verschaffen die niet nodig zijn. Dus dat zou de samenleving per saldo meer geld gaan kosten.

Doe je het anders, doordat je het huishouden weer centraal stelt en de individuele benadering achterwege laat, dan krijg je vervolgens ook weer een heel aantal effecten die negatief zijn voor de arbeidsparticipatie. Dat staat haaks op de ontwikkeling sinds begin jaren zeventig die door achtereenvolgende kabinetten van verschillende samenstelling is gehanteerd.

Wat de commissie-Van Dijkhuizen wel voorstelt is om van al die verschillende toeslagen één huishoudentoeslag te maken. Daarmee zijn wij ook druk bezig als kabinet. Hiervoor zal collega Asscher komend jaar ook met heel concrete voorstellen komen. In hoeverre dat bijdraagt aan de fraudebestrijding zullen wij nog moeten zien, want het louter samenvoegen van een aantal toeslagen tot één toeslag die nog wel gebaseerd is op dezelfde grondslagen en kenmerken maakt het systeem als zodanig niet fraudebestendiger. Dat is het alleen als je zou uitgaan van objectieve criteria in plaats van subjectieve criteria, die bovendien ook aan de hand van informatie van derden toetsbaar zouden moeten zijn. Wat de fraudebestrijding bij toeslagen betreft heb ik ingezet op het pakket dat vandaag ter bespreking voorligt. Naar mijn oordeel zitten daar de dingen in die nodig zijn om fraude met toeslagen effectief aan te pakken.

Is fraude met toeslagen daarmee na vandaag verleden tijd? Nee. Dat is jammer genoeg niet het geval. Fraudeurs en kwaadwillenden zullen altijd op zoek blijven naar mogelijkheden om welk systeem dan ook uit te nutten om daar wederrechtelijk geld uit te krijgen. Het zal altijd een kat- en muisspel blijven. Er zal naar nieuwe methoden worden gezocht. Van groot belang is een goede samenwerking tussen overheidsdiensten. De heer Bröcker vroeg hier ook naar. Diverse overheidsdiensten moeten samenwerken, niet alleen de ministeries en de uitvoeringsdiensten, maar bijvoorbeeld ook gemeenten. Die zijn verantwoordelijk voor de gemeentelijke basisadministratie.

Daarnaast moet worden samengewerkt met private partijen, zoals banken, en met notarissen. Die laatsten zul je hierin ook nadrukkelijk moeten betrekken. Het zal dan ook een combinatie zijn van preventie en repressie. Met alleen repressie loop je achter de feiten aan. Het is dan ook van belang om te proberen in een vroeg stadium nieuwe fenomenen te ontdekken en te bekijken of die met robuustere wetgeving zijn op te lossen. Het is immers altijd beter om een extra slot op de voordeur te hebben dan drie agenten die bij een openstaande deur voortdurend kijken of er iemand binnenkomt. De integrale benadering zal worden uiteengezet in een brief van het kabinet die de Kamer nog voor het einde van het jaar zal ontvangen. Collega Opstelten zal de eerste ondertekenaar zijn. Wij zijn druk bezig met deze brief. Wat het kabinet op dit gebied allemaal doet, kan men in deze brief lezen.

Ik heb nog wat laatste opmerkingen over belastinghervormingen. Ik wil hierop vandaag niet al te diep ingaan, want de tijd ontbreekt om goed te discussiëren over diverse elementen. Mevrouw Sent, de heer Essers en de heer Bröcker hebben enkele zaken aangedragen. De vraag kwam pregnant aan de orde of ik voor of tegen een verdere verlaging van de lasten op arbeid ben. Ik ben natuurlijk voor een verdere verlaging van de lasten op arbeid. Ik ben ook voor het verkleinen van de wig, het verschil tussen de brutoloonkosten en datgene dat de werknemer netto overhoudt. De wig leidt immers tot een verstoring en is er de oorzaak van dat vraag en aanbod niet optimaal bij elkaar komen. Tegelijkertijd moet ik natuurlijk ook kijken naar een aantal economische noties die eigenlijk op vrij veel consensus kunnen rekenen in de internationale wereld van economen. Ik moet kijken naar de vraag wat het meest en wat het minst verstorend werkt. Belasting op consumptie is minder verstorend dan belasting op arbeid. Die werkt vervolgens weer minder verstorend dan belasting op kapitaal, zoals de vennootschapsbelasting. Als er een pleidooi komt – ik meende dat tussen de regels door te beluisteren in het betoog van mevrouw Sent – om de vennootschapsbelasting te verhogen, dan ben ik daar geen voorstander van. Economisch werkt dat immers verstorend. Het leidt ertoe dat bedrijven die zich gemakkelijk kunnen verplaatsen, dat uiteindelijk ook zullen doen. Per saldo is de welvaart in Nederland daarmee niet gediend. Wij zullen dus moeten kijken naar de vraag of mensen of bedrijven kunnen stemmen met de voeten. Stel dat bepaalde belastingen verhoogt, wat tot kapitaalvlucht leidt, schiet je dan jezelf niet in de eigen voet? Dat vereist voortdurend een afweging.

Mevrouw Sent (PvdA):

Wij hebben inderdaad gepleit voor een verschuiving, weg van de belasting op arbeid. In plaats daarvan hebben wij niet alleen gepleit voor een verhoging van de vennootschapsbelasting. Wij hebben zeven specifieke mogelijkheden aan de staatssecretaris voorgelegd. Kan hij hierop vandaag plenair ingaan of ziet hij andere manieren om deze mogelijkheden te bespreken?

Staatssecretaris Weekers:

Ik zal nog een andere mogelijkheid benutten om hierop wat uitvoeriger in te gaan. De tijd ontbreekt vanochtend, helaas. Ik zou immers graag de discussie aangaan met mevrouw Sent. Bij gelegenheid van de kabinetsreactie op Van Dijkhuizen zal ik deze elementen meenemen. Laat ik nog een ander voorbeeld geven, iets wat mevrouw Sent heeft aangedragen. Ik heb zojuist de verhoging van de franchise in de grondslag voor werkgeverlasten genoemd en de aftrekposten vpb. De franchise voor de premie voor het Algemeen werkgeversfonds, de Awf-premie, is in het kader van de uniformering loonbegrip afgeschaft. Dat is gebeurd met het oog op vereenvoudiging. Bepaalde zaken kunnen botsen. Je wilt eigenlijk de banen met een wat kleiner loon tegemoetkomen door wat met de franchise te spelen. Dat botst dan weer met de wens om te vereenvoudigen. Ik denk dat het goed is om in het kader van een kabinetsreactie op Van Dijkhuizen deze elementen mee te nemen. Ik waardeer het uiteraard zeer dat ook de Kamer goed meedenkt en mogelijke oplossingen aandraagt. Tegelijkertijd constateer ik op basis van de bijdragen dat de Kamer hier heel verschillend over denkt. Het verzwaren van bijvoorbeeld de vermogensrendementsheffing in box 3 kan bij mevrouw Sent en haar fractie goed liggen, maar ik meen dat ik de heer Bröcker en ook de heer Essers iets anders heb horen zeggen. Het voorstel van de een overnemen, leidt ertoe dat ik meteen ruzie heb met de ander.

Mevrouw Sent (PvdA):

Begrijp ik het goed dat de staatssecretaris in de overwegingen eenvoud belangrijker vindt dan het stimuleren van werkgelegenheid?

Staatssecretaris Weekers:

Ik zeg niet dat ik dat belangrijker vind. Ik kan eenvoud niet als absolute prioriteit laten gelden. Immers, als dat ertoe leidt dat inkomenseffecten uiteindelijk niet meer te verdedigen zijn, dan moet ik mijn ambitie om te komen tot eenvoud maar wat matigen. Ik heb zo-even wat voorbeelden gegeven. Ik verwacht niet dat ik volgend jaar Van Dijkhuizen integraal kan uitvoeren. Dat heeft onder andere te maken met inkomenseffecten.

Een ander onderdeel waarop ik altijd zal toetsen, zijn de werkgelegenheidseffecten. Die zijn uitermate belangrijk om de welvaart in het land te vergroten, niet alleen macro maar ook om mensen die nu aan de kant staan, perspectief te geven. Dat vind ik nog veel belangrijker. Immers, als je je inkomen kunt verbeteren via een baan in plaats van een uitkering, dan heb je het niet meer over 1%, 2% of 3% – daarover gaat de koopkrachtdiscussie hier altijd – maar over 30%. Ik vind dat dan ook uitermate belangrijk. Als ik mijn ambitie om te komen tot eenvoud wat moet matigen, dan doe ik dat. Het zal altijd een afruil zijn. Die zit als het ware ook in dit Belastingplan. Dat doet wat aan het verkleinen van de inkomensverschillen. De arbeidskorting en de algemene heffingskorting verhogen wij voor de mensen met een wat kleiner inkomen om haar uiteindelijk af te bouwen. Dat leidt ertoe dat het systeem complexer wordt en de marginale druk voor bepaalde inkomenscategorieën hoger wordt. Dat laatste is slecht voor de werkgelegenheid. Het kabinet acht deze twee nadelen overkomelijk. Als je zulke zware offers van mensen vraagt, mag je van mensen met een hoger inkomen een extra bijdrage vragen. Daar zijn dit de instrumenten voor.

De heer Bröcker (VVD):

Ik wil even reageren op het punt dat mevrouw Sent maakte. Ik vond het eigenlijk wel een mooie vraag. "Staatssecretaris, stelt u eenvoud boven werkgelegenheid?" Je kunt dit ook vragen met betrekking tot vergroening: "Staatssecretaris, stelt u eenvoud boven vergroening?" Dit zijn precies de dilemma's waarmee je moet leren omgaan als je praat over fiscaal instrumentalisme. Dat heeft ook weer een samenhang met eenvoud, uitvoerbaarheid, administratieve kosten en fraudegevoeligheid. Ik wilde dit punt alleen maar even aanstippen. Ik heb namens mijn fractie gevraagd om de afwegingen nog wat explicieter te maken. Soms, in de drukte van de politiek – ik ben bijna bezig met mijn tweede termijn – en het nemen van beslissingen op de korte termijn en het sluiten van akkoorden, kan dit wel eens in het gedrang komen.

Staatssecretaris Weekers:

Ik kan dat alleen maar onderstrepen. Als bewijs hiervoor geef ik twee voorbeelden van belastingvergroening die naar aanleiding van het begrotingsakkoord in het Belastingplan terecht zijn gekomen: de leidingwaterbelasting en de afvalstoffenbelasting. Vanuit de notie van vereenvoudiging heb ik twee jaar geleden voorgesteld om deze belastingen af te schaffen. De ene belasting was daadwerkelijk weg, de andere zou op termijn worden afgeschaft. Dat had ook te maken met het fiscale belang van de belastingen. Kleine belastingen waar veel ambtenaren mee bezig zijn en die door de samenleving als irritant worden ervaren, zijn niet zinvol. Je kunt beter wat minder belastingen hebben die wel heel robuust zijn. Toen ik deze voorstellen deed, zagen de economische ontwikkelingen en de budgettaire context er heel anders uit. Op dat moment was het ook verantwoord.

Intussen leven wij in een andere realiteit en moeten er middelen gevonden worden. In het Lenteakkoord is dan ook al eerder beslist dat de leidingwaterbelasting vooralsnog niet wordt afgeschaft en is in het begrotingsakkoord in het najaar afgesproken dat de opbrengst van de leidingwaterbelasting wordt verhoogd. Het gaat om een kleine belasting. Dan kan de opbrengst beter ook wat hoger zijn. Hoe kun je deze belasting echt een groen tintje geven, opdat overmatig watergebruik wordt ontmoedigd? Tegelijkertijd moet je echter kijken naar de werkgelegenheid. Je kunt niet een-op-een een verdubbeling van de belasting tot 300 kuub doorvoeren en vervolgens hetzelfde tarief doortrekken tot de laatste kuub. Bedrijven die behoorlijk wat water nodig hebben voor koeling en die op mondiaal niveau moeten concurreren, kun je immers niet ineens een rekening van 10 miljoen voorleggen in het kader van de leidingwaterbelasting als de rekening voorheen altijd € 50 was. Dan vernietig je onmiddellijk banen.

Nadat ik de opdracht had gekregen deze maatregel uit het begrotingsakkoord te verwerken, heb ik in heel korte tijd moeten zoeken naar alternatieven. Ik moest zowel de politiek gewenste groene maatregel doorvoeren als een budgettaire opbrengst behalen. De water verslindende industrie mocht niet helemaal het vel over de oren worden getrokken, maar ook de tussenliggende categorieën in het midden- en kleinbedrijf en de agrarische bedrijven mochten niet worden geconfronteerd met een extreme rekening. Uiteindelijk kom je dan uit op een belasting met een degressief schijvenstelsel van vijf schijven. Dat staat natuurlijk mijlenver af van mijn vereenvoudigingsagenda, maar uiteindelijk is het ook een politieke realiteit dat dit moet gebeuren. Daar onderken ik een aantal vergroenende elementen in. Ik zal het komende jaar bekijken hoe dit uitpakt. Als ik iets kan verzinnen wat simpel is en waardoor de vergroenende elementen overeind worden gehouden – dat was namelijk de bedoeling in het begrotingsakkoord – of zelfs worden verbeterd, zal ik natuurlijk met aanpassingen komen.

De heer Van Boxtel (D66):

De interruptiedebatjes met de heer Bröcker en mevrouw Sent geven aan dat je prachtig extreem ideologisch naar belastingen kunt kijken. Iedereen wil het eenvoudig en simpel, maar tegelijkertijd kun je het instrument ook gebruiken om tot noodzakelijke veranderingen te komen. De staatssecretaris gaf net het voorbeeld van de waterbelasting en het stelsel dat daaronder ligt van degressieve tarieven naarmate de bedrijven groter worden. Ik vind dat hij dit knap heeft opgelost. Soms heb je het belastingstelsel nodig om tot gewenste gedragsveranderingen te komen in de samenleving. Ik ga dus niet mee in de enkelvoudige redenering dat het alleen maar simpel moet zijn. Belastingen zullen door alle jaren heen af en toe ook gebruikt worden om verandering te stimuleren, in plaats van om alleen maar te straffen. Daar helpt dit bij. Ik wil enige pragmatiek dus graag overeind houden.

Staatssecretaris Weekers:

Daar ben ik het zeer mee eens. Ik ben zelf ook pragmatisch ingesteld. Ik heb zojuist met een paar voorbeelden aangegeven dat we dit elke keer zorgvuldig wegen. Eén element kan nooit leidend zijn. Als staatssecretaris van Financiën moet ik wel bijzonder oog hebben voor twee zaken. Allereerst moet de nevendoelstelling niet zodanig zijn dat de hoofddoelstelling, het genereren van inkomsten, wordt ondergraven. Ik zal dit in ieder geval inzichtelijk moeten maken en moeten aangeven hoe het teruglopen van belastinginkomsten wordt opgevangen. Zo kunnen we hier ook een integrale afweging maken.

Ten tweede moet ik ook kijken naar de uitvoeringsaspecten. De Belastingdienst kan veel en doet veel, maar er zijn ook grenzen aan wat je van de dienst mag en kunt verwachten. Anders leidt het tot ongelukken.

Er komt ook een derde element bij, namelijk de vraag hoe het staat met het maatschappelijk draagvlak voor belastingen. Dat wordt hier overigens altijd goed gewogen. Als er geen draagvlak voor bestaat, wordt de belastingmoraal ondermijnd. Daar heeft de heer Ester gisteravond een aantal behartigenswaardige opmerkingen over gemaakt. Het vergt altijd een afweging van belangen. We zullen nooit in een situatie komen waarin de fiscaliteit zal worden ontdaan van instrumentalisme. We zullen echter voortdurend kritisch moeten bekijken of het instrument dat vijf, tien of twintig jaar geleden in de fiscaliteit is ingevoerd, vandaag nog wenselijk is.

Daarbij loop je tegen een punt aan dat de heer Bröcker gisteravond aankaartte, namelijk de oldtimervrijstelling. Op zeker moment kan een bepaald instrument dat met goede bedoelingen in de wet is ingebracht, tot excessen leiden. Het is ingebracht om het rijdend cultureel erfgoed niet te confronteren met een belastingrekening. Het instrument wordt echter op grote schaal gebruikt door mensen. Er rijden tegenwoordig genoeg Duitse auto's rond van 25 jaar en ouder die op diesel rijden. Als je geen dieseltoeslag betaalt – dat zou overigens met het amendement-Van Vliet wel gebeuren – en geen of heel weinig motorrijtuigenbelasting betaalt maar wel elke dag met die auto op de weg zit, schiet het zijn doel voorbij. Deze auto's zijn ook een stuk vervuilender dan jongere auto's.

Er is sprake van een enorme druk en lobby om elk instrument waar een bepaalde groep gebruik van maakt en van profiteert, te handhaven. Als iets in de wet staat, mag men ervan profiteren, dus heb ik daar geen waardeoordeel over. Regering en parlement tezamen moeten daarin wel de goede afweging maken. We moeten niet onder druk van een lobby dit allemaal maar laten bestaan. We moeten echt kritisch bekijken of het nodig is, in het kader van het vraagstuk waarvoor we vandaag staan. Volgens mij doen we dit op vele terreinen goed. Er bestaan natuurlijk ook verschillende politieke opvattingen over de vraag of iets nodig is of niet. Daar hebben we deze debatten ook voor.

Mevrouw Sent vraagt of ik het wenselijk vind dat de vermogensongelijkheid hoger is dan in veel andere landen. De heer Reuten heeft zich hier op voorhand bij aangesloten. Deze stelling kan ik niet plaatsen. Uit de weinige internationaal vergelijkende onderzoeken die hiernaar zijn gedaan, blijkt dat Nederland zich wat betreft de vermogensongelijkheid niet onderscheidt van andere Rijnlandse welvaartsstaten. Ik ben er ook schriftelijk op ingegaan. De Rijnlandse welvaartsstaten verschillen van de Angelsaksische welvaartsstaten. In de Angelsaksische staten is de belasting veel lager. Daar moeten mensen veel meer zelf zorgen voor een appeltje voor de dorst en een buffer voor tegenslag en de oude dag.

In de Rijnlandse welvaartsstaten is er sprake van een aantal collectieve besparingen, zoals het pensioen en sociale verzekeringen. Mensen hebben hier trekkingsrechten op. In de vermogensverdeling conform de ginicoëfficiëntbenadering zitten die echter niet verdisconteerd. Wij wijken dus niet af. In de afgelopen decennia is dit ook niet erg veranderd. Het schommelt misschien een paar procentpunten. Ik zie het punt van mevrouw Sent dus niet.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik wil graag een aantal onderzoeken aanhalen voor de staatssecretaris. The Survey of Health, Ageing and Retirerend in Europe plaatst Nederland in Europa in de top van ongelijkheid. Nederland staat op de tweede plaats achter Polen. Uit onderzoek van Van Bavel en Frankema blijkt dat de vermogensongelijkheid in Nederland hoger ligt dan gemiddeld, hoger dan in de meeste Europese landen, hoger dan in het Verenigd Koninkrijk en op een even hoog niveau als in de Verenigde Staten. Ik vraag me dus af op welke onderzoeken de staatssecretaris zijn conclusies baseert.

Staatssecretaris Weekers:

Ik moet even bekijken op welke onderzoeken ik mij baseer. Ik kan er bij gelegenheid op terugkomen. Ik heb zojuist aangegeven waarom er bepaalde verschillen bestaan tussen Angelsaksische landen en landen van het Rijnlandse model. Wij, maar ook de OESO, lopen ertegen aan dat de geschikte data zeer beperkt zijn.

Als je het hebt over vermogen en vermogensbelastingen, is het de vraag waar je naar kijkt. Nederland kent een forfaitaire rendementsheffing op particulier vermogen, de box 3-heffing. Dat is een benadering die afwijkt van andere landen. Sommige landen kijken naar de feitelijke dividend- of rente-inkomsten. Maar wat doe je dan met de gestegen waarde van aandelen? In Nederland belasten we die via de forfaitaire rendementsbenadering. In andere landen blijft dit mogelijk onbelast. Er zijn landen die een veel grotere belasting op vermogen hebben. Als er echter tegelijkertijd vermogensbestanddelen onder zitten die niet worden belast, is dat geen goede vergelijking. Wij hebben in Nederland ongelooflijk veel pensioenvermogen, meer dan 1000 miljard. Dat is onze collectieve spaarpot. Deze is onbelast. Daar zit geen vermogensrendementsheffing op. Het is wel een uitermate belangrijke inkomensvoorziening voor de ouderen. Het gevaar van deze discussie is dat je op basis van zeer beperkte data tot oordelen komt, die eigenlijk niet goed te rechtvaardigen zijn.

Dan kom ik op het blokje vergroening. Ik heb daar zojuist al het nodige over gezegd. Ik heb gezegd dat ik het komende jaar de vinger aan de pols zal houden bij de leidingwaterbelasting. Ik heb in de stukken aangegeven dat ik de afvalstoffenheffing het komende halfjaar met de collega van I en M en met de sector verder zal bezien. We zullen bekijken of we die belasting zodanig slim kunnen vormgeven dat deze ook echt vergroenend uitpakt. We moeten bevorderen dat er gerecycled wordt. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat grote afvalstromen de grens overgaan, waardoor de afvalovens in Nederland de helft van de tijd stilstaan. Dat is ook niet efficiënt. Daar zullen we de komende tijd goed naar kijken.

Bij het begrotingsakkoord was er de politieke wens om een aantal vergroeningen door te voeren, om uiteindelijk ook de lasten op arbeid te verlagen. Ik begrijp die notie heel goed en ik onderschrijf haar ook, mits de vergroening robuust is en je niet de bedrijven en de werkgelegenheid het land uit jaagt. Daar moet ik ook altijd rekening mee houden. Ik hoop dat we nu wat meer tijd hebben om heel specifiek naar deze belastingen te kijken. Ik zal echter ook, mede in antwoord op de heer Ester, verder bekijken waar we mogelijkheden en onmogelijkheden zien en wat verstandig is of niet.

De heer Ester (ChristenUnie):

De staatssecretaris heeft al veel gezegd over fiscaliteit en vergroening. GroenLinks en mijn partij hebben hier ook expliciet naar gevraagd. Hij heeft al gezegd dat hij daar de komende tijd over zal nadenken. Is hij bereid om dit op papier te zetten? Wil hij met ons delen hoe hij de relatie ziet tussen de inzet van fiscale instrumenten voor vergroening en alle kanttekeningen en mitsen en maren die hij al heeft genoemd?

Staatssecretaris Weekers:

Het lijkt mij heel zinvol om dit nog eens aan het papier toe te vertrouwen, ergens in de loop van het komende jaar. Hierbij zal ik ook het dilemma en de positie van Nederland schetsen. Hoe presteren wij op het gebied van fiscale vergroening? Volgens de OESO bevinden wij ons in de kopgroep van fiscale vergroening. Dit kent zijn grenzen in een level playing field en werkgelegenheidseffecten. Wij hebben bijvoorbeeld niet voor niets een verlaagd energiebelastingtarief voor de glastuinbouw. Zo zorgen wij ervoor dat Nederlandse tuinders concurrerend kunnen zijn op de wereldmarkt. Zo hebben wij tal van elementen ingebouwd.

Idealiter wordt in Europees verband een aantal minimumnormen wat hoger gesteld. Zo kunnen wij vervolgens een volgend stapje zetten. Het is goed om dat nog eens even in beeld te brengen. Waar lopen wij tegen aan? Dan hebben wij een soort beoordelingskader voor datgene wat er nog verder mogelijk is. Waar lopen wij tegen aan als wij nu zelf met extra voorstellen zouden komen?

Dan kom ik op de lokaal duurzaam opgewekte energie. De heer Bröcker vraagt of het nog nodig is om een verlaagd tarief voor energiebelasting te introduceren om hernieuwbare energie rendabel te maken. In potentie kan lokale energie een belangrijke bijdrage leveren aan de doelen van het energiebeleid. Zij is ook een bron van innovatie en energiebewustwording. Via een verlaagd energiebelastingtarief voor lokale duurzame energie wil het kabinet de eigen initiatieven van burgers voor verduurzaming van hun energievoorziening stimuleren. Die ondersteuning is nodig omdat via de bestaande SDE-plus deze lokale initiatieven niet voldoende kunnen worden ondersteund en daardoor moeilijk van de grond komen. Lokale energie leidt pas echt tot vergroting van draagvlak als de installatie ook in de buurt staat en niet aan de andere kant van het land. Gisteren noemde een van de sprekers het voorbeeld van een grootschalig zonne-energiepark in Gennep met een capaciteit van 10 megawatt. Dat zou zijn afgeblazen. Er werd eigenlijk impliciet aangegeven dat de plannen voor lokale duurzame energie te weinig ambitieus zijn, waardoor dit project niet mogelijk is. Het lokale karakter van dit project gaat het regeerakkoord op dit punt en de energieakkoorden, zoals die zijn afgesproken, echter te buiten. Vandaar dat er is gekozen voor de postcodebenadering. Daar hebben wij in de Tweede Kamer uitvoerig over gediscussieerd. Er zijn afspraken over gemaakt in het energieakkoord. Die afspraken wil ik voor dit moment respecteren.

Mevrouw Sent vroeg of de inspecteur ontheffing kan verlenen als het gaat om de postcoderoos. De heer Ester heeft ook vragen gesteld over de postcoderoos. Dat kan echter niet. De wet is duidelijk. De wet schrijft voor dat de energieopwekker in het midden van de roos moet staan. Komend jaar gaan wij wel kijken of de regeling, zoals die is afgesproken, van de grond komt. We gaan ook kijken tegen welke knelpunten we aanlopen. We kijken of huurders en kleine ondernemers er wellicht ook gebruik van kunnen maken. Dat kan nu niet omdat wij bang zijn voor staatssteunaspecten. Dat moet eerst goed worden uitgezocht. Wat betreft de plek waar de installatie moet staan, zal ik komend jaar de vinger aan de pols houden. Dit zijn echter de afspraken die ik samen met collega Kamp en de partijen in het energieakkoord hebben gemaakt. Daar moeten wij nu mee beginnen.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb een vraag over de postcoderoos. Uit de technische briefing van de ambtenaren had ik begrepen dat de belastinginspecteur wel degelijk ontheffing kan verlenen. Heb ik dat niet goed begrepen?

Staatssecretaris Weekers:

Ik denk dat dit niet goed is overgekomen. In de Tweede Kamer is een amendement ingediend dat beoogde om tot die situatie te komen. Het was een amendement van de ChristenUnie. Ik kijk nu even naar boven, maar als ik het goed heb, is dat amendement verworpen. Zo nodig kom ik er in tweede termijn nog op terug. Dat laat onverlet dat, wanneer er sprake is van onvoorziene onbillijkheden van overwegende aard, daar altijd de hardheidsclausule op van toepassing is. Dat beoordeelt overigens niet de inspecteur, maar de staatssecretaris van Financiën. Het moet dan gaan om gevallen die nog niet eerder in de parlementaire geschiedenis aan de orde zijn gekomen. Dit is uitvoerig aan de orde gekomen.

De heer Ester (ChristenUnie):

De staatssecretaris verwijst terecht naar het debat in de Tweede Kamer, maar dat debat heeft geen mooie afronding gekregen. De staatssecretaris verwijst in zijn betoog ook naar het SER-energieakkoord en de postcoderoos die in het midden zou staan, maar dat staat helemaal niet in het SER-energieakkoord. Daarin wordt een veel rekkelijker definitie gehanteerd dan die welke de staatssecretaris nu gebruikt in dit debat. Ik verzoek hem toch iets flexibeler te zijn, want het gaat ook in dit geval om vergroening van de Nederlandse economie.

Staatssecretaris Weekers:

Het laatste onderschrijf ik, maar het eerste niet. Ik heb van collega Kamp begrepen dat hierover heel uitvoerig is gesproken in het kader van het SER-energieakkoord. Het kan zijn dat de definitie van de postcoderoos als zodanig niet in het akkoord staat – dat geef ik graag toe – maar er zijn met betrokken partijen wel duidelijke afspraken over gemaakt. De installatie moet in het midden staan, zodat de gehele omgeving er gebruik van kan maken. Daar hecht collega Kamp zeer aan. Als je daar uitzonderingen op toestaat, als het ook aan de rand mag, zul je daarvoor een heel aparte administratie moeten inrichten. De inspecteur moet het land dan weer op een andere manier intekenen. Daar komt bij dat je vervolgens de situatie kunt krijgen dat de installatie aan de rand staat, terwijl iemand net naast de installatie gebruik wil maken van een windmolen of een zonne-energiepark. Welk argument heb je dan om te zeggen dat dat niet mag? Als het dan toch mag, is de roos opnieuw verder uitgebreid. Dat leidt uiteindelijk tot budgettaire aspecten. Ik doe de suggestie om hier komend jaar op terug te komen, maar laten wij nu aan de slag gaan met de gemaakte afspraken. Laten wij afwachten welke initiatieven van de grond komen. Mochten zich problemen voordoen, bijvoorbeeld rondom de definitie van de postcoderoos – ik kijk de heer Van Boxtel aan – dan zal ik, pragmaticus als ik ben, bekijken of wij een en ander kunnen veranderen zonder dat dit grote budgettaire gevolgen heeft. Het systeem dat samen met EZ is bedacht, mag in ieder geval niet onderuit worden gehaald. Wij moeten daar gewoon praktisch mee omgaan.

De heer Bröcker (VVD):

Mijn fractie ondersteunt de voorstellen op dit gebied, maar wij plaatsen wel kanttekeningen bij de complexiteit. Wij praten nu over potentieel groeiende postcoderozen. Ik hoop eerlijk gezegd dat wij straks in Nederland gewoon één postcoderoos hebben en dat is dan Nederland. Ik respecteer de gemaakte afwegingen in het kader van het energieakkoord om een en ander dichterbij de burger te brengen. Als je met postcoderozen gaat werken, zal dat wellicht een bepaalde bijdrage leveren, maar mijn fractie is er toch een tikje sceptisch over. De kwestie blijft wel staan, vooral in het licht van bestendigheid en eenvoud. Als het gaat om de eigen opgewekte energie, gaat het achter de meter om een salderingsregeling en dan wordt er feitelijk geen energiebelasting betaald. Er is wel omzetbelastingplicht, maar daarover volgt nog een uitspraak van het Hof van Justitie. Die kwestie is dus complex. Misschien wil de staatssecretaris daar nog even op ingaan. Er is ook sprake van een evaluatie over vier jaar. We hebben op dit moment een andere set regels voor de meter collectief opgewekte reductie in de energiebelasting. Daarover is nog discussie gaande. Uiteindelijk zoeken wij echter naar eenvoud en samenhang. Ik wil dat in ieder geval nog een keer gezegd hebben voor de Handelingen, maar ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris als het gaat om de complexiteit en de bestendigheid.

Staatssecretaris Weekers:

Ik kan bezwaarlijk ontkennen dat het geheel van maatregelen rondom saldering, postcoderoos, lokaal opgewekte energie, degressieve elektriciteitsbelasting, kasbelasting, en speciale regelingen voor de glastuinbouw heel complex is. Het is dus van belang om over een paar jaar te evalueren. De saldering achter de meter zal een expliciet onderdeel zijn van de evaluatie. Tegelijkertijd geldt ook hiervoor dat wij pragmatisch moeten zijn. Ik ben dat met de heer Van Boxtel eens. Als je bepaalde ontwikkelingen wilt stimuleren, is daar soms het fiscale instrument voor nodig. Vanuit die overweging ben ik van mening dat wij dit nu moeten gaan doen. De komende jaren moeten wij benutten om te zien of de fiscale instrumenten werken. Als er straks lokale projecten zijn voor het salderen achter de meter, als mensen straks een eigen installatie hebben, en als de doelstelling van meer duurzaam opgewekte energie daarmee wordt bereikt, dan is dat wellicht het moment voor de conclusie dat er misschien geen fiscale stimulering meer nodig is. Als iedereen echter zonnecellen op zijn dak zou hebben en niets meer zou afnemen van elektriciteitsmaatschappijen, zou dat een behoorlijk gat in de begroting slaan.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik voel met de heer Bröcker en collega Ester mee, in die zin dat het eenvoudiger moet. Op dit terrein, als het gaat om verduurzaming en vergroening, hebben wij de instrumenten van het belastingstelsel even nodig omdat wij in Nederland achterlopen. Ik vergelijk het even met Duitsland, waar zowel particulieren als bedrijven inmiddels volop hebben geïnvesteerd in allerlei energiebesparende maatregelen. Ik noem zonne-energie en windenergie. Wij houden prachtige verhalen over waar wij naar toe willen, naar een nieuwe toekomst en dat wij gebruik willen maken van alternatieve energiebronnen, maar toch lopen wij nog achter. Wij hebben dit dus even nodig. Ik respecteer de oproep dat het uiteindelijk simpel moet, maar als wij elke keer direct het signaal afgeven dat we het even doen, maar dat we het eigenlijk niet willen, dan lukt het niet. Het gaat om het van de grond krijgen van een collectieve Nederlandse gedragsverandering en dan hebben we dit echt nodig. Ik hoor dus graag van mijn collega's dat ook zij dit wholeheartedly willen doorzetten. Ik ben het met de staatssecretaris eens dat wij op termijn kunnen bekijken of de doelen zijn gehaald, of wij in dit land ons been hebben bijgetrokken, en wat we dan kunnen doen. Zolang dat echter niet het geval is, hebben wij ook de fiscaliteit nodig.

De heer Bröcker (VVD):

Ik voel mij aangesproken door de heer Van Boxtel. Uiteraard steunen wij de plannen. Dat heb ik gisteren al gezegd. Ik zeg ook niet dat het fiscaal instrumentalisme hier niet aan de orde zou moeten zijn. Als wij echter het fiscaal instrumentalisme gebruiken, doe dat dan op een wat consistentere manier in de verschillende segmenten, binnen en buiten postcoderozen en achter de meter. Ook passen daar horizonbepalingen bij. We hebben ook nog de motie van GroenLinks, ingediend in de Tweede Kamer, over de vijf- of tienjaarstermijnen. Als je het systeem gebruikt, als je je afwegingen hebt gemaakt – ik ga mee in de afwegingen van collega Van Boxtel – dan moet je dat op een zodanige manier doen dat je de complexiteit reduceert, zodat helder wordt waar je naartoe wil. Dan kan aan de hand van een evaluatie, maar de term "evaluatie" is een van de meest populaire termen inmiddels. Ik denk dat deze term na de term "participatiemaatschappij" de meest gebruikte is, want elke maatregel wordt geëvalueerd. Soms wordt er al geëvalueerd voordat er iets is geïmplementeerd. Mijn fractie is dus voorstander van strakkere horizonbepalingen.

De heer Essers (CDA):

Ik sluit mij graag aan bij de woorden van de heer Bröcker. We moeten niet doorslaan en zeggen dat er nooit meer fiscaal gebruik mag worden gemaakt van instrumenten om de groene economie te beïnvloeden. We moeten wel af van de kramp om meteen al te denken aan fiscale maatregelen. We moeten iedere keer de afweging maken of in dit geval het fiscale instrument het meest geschikte is, of dat andere instrumenten beter zijn; een ex-ante evaluatie maken van wat wij nu precies willen bereiken, evalueren, monitoren en vervolgens ook een duidelijke horizonbepaling, waarbij je beziet of je al of niet wilt doorgaan met de regeling. Het is niet de bedoeling om alle gevallen van fiscaal instrumentalisme af te schaffen, maar we willen wel duidelijke randvoorwaarden met elkaar afspreken, zodat we niet doorslaan zoals dat de afgelopen dertig jaar is gebeurd.

De heer Van Boxtel (D66):

Het is goed dat wij deze dialoog ook even onderling voeren. Ik val de gemaakte opmerkingen bij als het gaat om de eindtermen. Je hebt subsidiemogelijkheden, je hebt de fiscaliteit, er zijn allerlei instrumenten die je kunt inzetten om gedragsverandering in de samenleving te bewerkstelligen. Feit is wel dat we even geen geld meer hebben voor ruimhartige subsidieregelingen, maar dan ga je automatisch ook zoeken naar de fiscaliteit. Over een aantal jaren moeten we het lef hebben om te bezien of het eenvoudiger en anders kan. We zijn nu echter nog heel ver verwijderd van waar wij in deze samenleving op dit punt moeten komen. Ik ben wat dat betreft blij met de opmerkingen van de heer Bröcker, ook op weg naar de reactie op het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen. Al die zaken zijn instrumenten waarmee wij kunnen bezien hoe het er straks allemaal uit moet gaan zien.

Staatssecretaris Weekers:

Ik heb goede nota genomen van het onderlinge debat in de Kamer. Het is nodig dat je van tijd tot tijd bepaalde ontwikkelingen van de grond probeert te krijgen. Daarbij zul je goed moeten kijken of het fiscale instrument daartoe het meest geëigend is qua doeltreffendheid maar ook qua kosteneffectiviteit. Je zult ook moeten kijken of het past binnen het totale instrumentarium dat op aanpalende terreinen wordt ingezet. Ik kan niet ontkennen dat het er best complex uitziet. Wij hebben een regeling voor mensen met zonnepanelen op het eigen dak. Straks hebben wij een verlaagd tarief voor kleinschalige projecten. Voor grootschalige projecten duurzame energie hebben wij de SDE-plusregeling. Die regelingen hebben allemaal een eigen systeem en eigen tarieven. Wij moeten ook niet uit het oog verliezen wat het effect op de belastinginkomsten is. Je kunt wel tal van initiatieven fors stimuleren, maar als je het binnen de elektriciteitsbelasting wilt opvangen en je doet dat in het tarief voor kleinverbruikers, dan zijn de mensen die zich geen zonnepanelen op het dak, dus geen kleinschalig project kunnen permitteren, de klos. Daar wil ik echt voor opkomen.

De heer Ester heeft gevraagd of er een integrale evaluatie wordt uitgevoerd. Dat kan ik bevestigen. Er wordt niet alleen naar de financiële aspecten, maar ook naar de sociale aspecten gekeken, waaronder de toegang tot bepaalde subsidies of fiscale bevoordelingen. Daarnaast wordt ook naar de economische en de ecologische aspecten gekeken. Dat wordt gedaan door het ministerie van Economische Zaken. Ik zal de wens van deze Kamer aan de collega van Economische Zaken doorgeven. Ik heb de heer Van Boxtel de heren Bröcker en Essers horen bijvallen. In dat kader moet gekeken worden of het geheel niet eenvoudiger kan. Daarbij moet er ook aandacht zijn voor de consistentie en de vraag of het fiscaal instrument wel het meeste geëigende instrument is. Laten wij nu van start gaan met de vraag hoe nieuwe initiatieven echt kunnen worden geprikkeld. Dat lijkt mij een pragmatische benadering, waarbij zeker voor de middellange en lange termijn rekening wordt gehouden met de roep om niet al te snel tot instrumentalisme over te gaan.

Volgens mij ben ik afdoende ingegaan op de vergroening. Er liggen nog enkele vragen over het afschaffen van de oldtimerregeling. De vraag van de heer Bröcker heb ik afdoende beantwoord, maar de heer Nagel heeft nog gevraagd of de vrijstellingsgrens in de meeste Europese landen op 40 jaar ligt en niet op 30 jaar zoals in Nederland. De heer Van Strien heeft een belangrijk deel van zijn betoog gewijd aan de oltimers.

De heer Van Strien (PVV):

Ik heb een reactie gemist op mijn betoog over fiscale vergroening. Wat denkt de staatssecretaris precies fiscaal te bevoordelen? De gehele berekening van de vermindering van de CO2-output is op los zand gebaseerd. Ik krijg daar graag nog een reactie op.

Staatssecretaris Weekers:

Daar heeft de heer Van Strien recht op. Hij heeft daar niet alleen een betoog over gehouden, maar ook vragen over gesteld. Hij vroeg of er ook geen rekening moet worden gehouden met de kosten van het produceren van accu's voor elektrische auto's.

De heer Van Strien (PVV):

Het gaat mij niet in eerste instantie om de kosten. De prijs van een product is vaak een redelijke indicatie van het indirecte energieverbruik. Bij al die "rommel" die erop gezet wordt, is het zeer de vraag of dat zodanig efficiënt gebeurt dat er netto winst op gemaakt wordt.

Hetzelfde geldt voor het windmolenpark. Er blijft een enorme capaciteit nodig voor de dagen waarop er geen wind is. Daar zit een geweldige hoeveelheid indirecte energie in. Al vanaf 1979 toen ik bij het CBS zelf de afdeling Energiestatistieken heb gestart, zijn er al berekeningen, input-outputanalyses gemaakt van wat een bepaalde handeling nu werkelijk aan energie kost. Wat kost een treinkilometer aan energie in vergelijking met een autokilometer? Vanaf 1979, toen de afdeling Energiestatistieken bij het CBS is opgericht, zijn er veel berekeningen van gemaakt. Ik zou daar graag iets meer van horen.

Staatssecretaris Weekers:

Dan moet ik de heer Van Strien toch teleurstellen. Nu snap ik zijn interesse voor de materie nog beter. Ik kan eigenlijk in dit debat niet verder komen dan aangeven dat het kabinet aansluit bij Europees geharmoniseerde meetmethodes als het gaat om CO2-uitstoot en energieverbruik. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de Europese richtlijn Hernieuwbare energie. Dat betekent dat alleen de directe effecten worden meegenomen en dat er geen rekening wordt gehouden met de indirecte energie die nodig is, bijvoorbeeld voor de productie van de installatie of de dagen dat een installatie niet gebruikt kan worden vanwege het ontbreken van wind of zon, zoals de heer Van Strien zojuist zei.

De heer Van Strien (PVV):

Dan kom ik tot de conclusie dat er een fiscaal stimuleringsprogramma op poten is gezet dat onvoldoende gebaseerd is op onderzoek. Wat moet er dan geëvalueerd worden? Daar laat ik het voor nu bij.

Staatssecretaris Weekers:

Ik heb al aangegeven dat ik niet zelf ga evalueren maar dat het ministerie van Economische Zaken dat doet. Dat is primair verantwoordelijk voor de energievoorziening in Nederland en voor het realiseren van doelstellingen in verband met duurzame energie. De collega van Infrastructuur en Milieu is primair belast met de specifieke milieu-elementen zoals de uitstoot van CO2 en fijnstof. In het kabinet proberen wij niet elkaars werk over te doen, maar proberen wij juist aan taakspecialisatie te doen. Ieder doet waarvoor het eigen ambtelijk apparaat is ingericht. De discussie die de heer Van Strien wil voeren, kan hij primair beter aangaan met de collega van Infrastructuur en Milieu en secundair met de minister van Economische Zaken. Pas in derde instantie kan hij die discussie met mij voeren. Uiteindelijk is hier het fiscaal instrumentarium niet leidend, maar dienend. Het is dan ook veel zinvoller om de discussie verder te voeren met de collega's die ik zojuist heb genoemd.

Ik kom terug bij de oldtimers. De internationale organisatie FIA hanteert als definitie dat een oldtimer ten minste 30 jaar oud is, dat het voertuig in historisch correcte staat is behouden en dat het niet gebruikt wordt voor dagelijks vervoer. Daardoor is het deel van ons technisch en cultureel erfgoed. In andere EU-landen gelden de volgende leeftijdsgrenzen. Duitsland hanteert onder zeer strikte voorwaarden een grens van 30 jaar. In België geldt een maximum van € 35 per jaar motorrijtuigenbelasting voor auto's van 25 jaar en ouder en in Engeland is een classic car van voor 1973 vrijgesteld van motorrijtuigenbelasting – dus een grens van 40 jaar – evenals een classic car van ten minste 20 jaar oud indien de auto bijzonder is.

De heer De Lange vraagt of het in het kader van oldtimers niet veel meer voor de hand ligt om belastingheffing direct te relateren aan de uitstoot die sowieso regelmatig bij de apk wordt gemeten. Dat zou echt afwijken van de grondslag van de motorrijtuigenbelasting, namelijk het gewicht en de brandstof. Een motorrijtuigenbelasting op uitstoot baseren, is buitengewoon complex, nog afgezien van het feit dat echte oldtimers geen jaarlijkse apk nodig hebben. Oldtimers van voor 1960 hoeven helemaal niet gekeurd te worden. Een dergelijk voorstel is simpelweg niet uitvoerbaar.

De heer Van Boxtel vraagt waarom voor lpg een accijnsverhoging wordt voorzien en of de recente bevindingen omtrent de schadelijkheid van fijnstof hier wellicht verandering in brengen. Ten opzichte van benzine en diesel is lpg een laagbelaste brandstof. De accijns op lpg bedraagt slechts 20% van die van benzine en 40% van die van diesel, terwijl de CO2-uitstoot van lpg ongeveer 10% lager is dan die van benzine en gelijk is aan die van diesel. De emissie van fijnstof als gevolg van slijtage van banden en remmen is van groter belang dan het soort brandstof van het voertuig. De verhoging van de accijns hangt heel eenvoudig samen met het feit dat dit het verschil was met met name Duitsland op het moment dat het regeerakkoord werd geschreven. Het voorstel kent zijn grens in de grenseffecten.

De heer Ester vraagt of nog eens bezien kan worden of soelaas kan worden geboden aan burgers die propaan gebruiken voor verwarming. Ik heb dit uit-en-te-na bestudeerd. Dit was een aangelegen punt van onder meer de fractie van de ChristenUnie in de Tweede Kamer. Ik heb alle opties bekeken om deze gezinnen en landbouwbedrijven tegemoet te komen en ben nagegaan wat daar de consequenties van zouden zijn. Uiteindelijk heb ik een ruime meerderheid van de Tweede Kamer ervan weten te overtuigen dat aan alle opties zodanige nadelen kleven dat het verstandig is om daar niet aan te beginnen. Er zijn bezwaren in de sfeer van de uitvoering, in de sfeer van de fraudebestendigheid en er zijn budgettaire bezwaren. Mensen die op propaan stoken, hebben de afgelopen jaren een bescheiden voordeel gehad en zullen de komende jaren een bescheiden nadeel hebben, afgezet tegen de belastbaarheid van gas en rekening houdend met de elektriciteitsbelasting en straks de SDE-plusheffing. In het volgende decennium, na 2020, slaat de balans weer naar de andere kant door. Alles afwegende zie ik geen manier om de heer Ester op dit punt tegemoet te komen.

De heer Ester vraagt mij om te herhalen dat ik de grenseffecten van de accijnsverhogingen nauwgezet ga monitoren. De heer De Lange en de heer Van Strien hebben daar ook op gewezen. De heer Nagel heeft gevraagd wanneer hij de evaluatie kan verwachten en of ik bereid ben een werkbezoek aan de pompstationhouders in de grensstreek af te leggen. Ik heb de Tweede Kamer toegezegd om de eventuele weglekeffecten van de accijnsverhogingen op diesel en lpg te monitoren en de eerste uitkomsten voor de zomer met de Kamer te delen. Deze toezegging herhaal ik hier graag. De uitkomsten van die monitor zullen ook met deze Kamer worden gedeeld. Ik ga niet op de conclusies vooruitlopen, maar als je iets gaat monitoren, doe je dat niet voor niets. Dat doe je omdat je wilt kijken of er geen onbedoelde of ongewenste effecten zijn. Natuurlijk zullen er effecten zijn. Ik woon zelf in een grensstreek; dus ik zie die effecten. Dat zeg ik ook tegen de heer Van Strien, die de regio rondom Venlo buitengewoon goed kent. Ik ken een ander deel van het Limburgse en Brabantse grensgebied buitengewoon goed. Ik zie daar ook dat mensen net aan de andere kant van de grens gaan tanken. Als ze daar zijn, gaan ze daar ook een kopje koffie drinken. Dat doen ze niet in Nederland. En dan gaan ze daar ook wellicht andere inkopen doen. Tegelijkertijd zie ik ook, zowel in Venlo als in andere delen van de grensstreek, dat er veel Duitsers en Belgen in Nederland komen. Dus je hebt over en weer kooptoerisme. Dat is iets van alle tijden. Er wordt ingespeeld op veranderingen. Ik ga geen apart werkbezoek brengen aan grenspompstationhouders, maar als ik met mijn eigen auto tank, kom ik natuurlijk bij die grenspompstationhouders in de eigen regio. Dat betekent dat de signalen die lokaal leven mij zeer goed bereiken.

De heer Van Strien (PVV):

Natuurlijk is er grenstoerisme, zoals de staatssecretaris dat noemt, maar de situatie is nu zo dat de pomphouders die wat dichter bij de grens wonen gewoon kunnen sluiten. Dan is de evaluatie in de zomer om na te gaan wat de gevolgen van de maatregel zijn gewoon te laat.

Staatssecretaris Weekers:

Ik kan niet verhinderen dat pompstationhouders zullen sluiten omdat zij verwachten dat zij niets meer zullen verdienen. Ik heb rekening te houden met beleid voor het hele land. Ik heb oog voor grenseffecten, maar ik kan mij in het totale beleid, waarbij ik een regeerakkoord heb uit te voeren, niet alleen richten op effecten die zeer lokaal optreden en die enkele ondernemers raken. Ik heb in de krant gelezen dat mensen de deur ook dichtdoen voordat de verhoging überhaupt is doorgevoerd. Ik zie ook dat ondernemers in de grensstreek erop inspelen, die samen met hun leverancier bekijken of zij hun marges kunnen verkleinen om een aantrekkelijk aanpalend aanbod te doen om zo het hoofd boven water te houden. Het heeft voor een deel ook te maken met ondernemingsgeest. Het is zeker zo dat een grenspomphouder die tegen de grens aan gevestigd is, het zwaar heeft. Dat zal ik hier niet ontkennen. Die heeft het zwaar als gevolg van de belastingmaatregelen.

De heer Nagel (50PLUS):

Is het de staatssecretaris bekend dat er pomphouders zijn die in het verleden al die marges hebben opgezocht en die nu zeggen: er zit voor ons geen margeverlaging meer in; we hebben al het uiterste tot nu toe gedaan?

Staatssecretaris Weekers:

Dat zal zeker zo zijn bij een aantal pomphouders. Dat zal ik niet ontkennen. Het is echt geen hobby van mij om nieuwe belastingen en belastingverhogingen door te voeren. Integendeel, mensen hebben last van elke belastingverhoging en van elke nieuwe belasting. Elke belastingverhoging leidt ook tot negatieve werkgelegenheidseffecten, negatieve effecten voor mensen met een baan, mensen met een uitkering of mensen die ondernemen. Het is heel vervelend dat je ook ten aanzien van accijnsverhogingen dit soort effecten zult zien, maar het is de overtuiging van het kabinet dat dit geen heel grote effecten heeft, want mensen zullen niet massaal omrijden om aan de andere kant van de grens een paar cent minder per liter te betalen. Het heeft natuurlijk wel zin als je toch op doorreis bent. Dan steek je een paar euro wat gemakkelijker in de zak. Het heeft zin voor vrachtauto's met heel grote tanks. Als je een tank van 1.000 liter hebt, kan het natuurlijk ook aantikken. Ik ben ervan overtuigd dat het ondernemerschap van een aantal pomphouders zodanig is, dat zij toch iets weten te bedenken om mensen over de streep te trekken. Nogmaals, ik kom zelf in grensstreken en als ik dan kijk naar de prijsverschillen over en weer, laat zich dat zeker niet altijd verklaren door de accijnsverschillen tussen diverse landen. Wanneer je zou verwachten ergens duurder of goedkoper uit te zijn, kan de praktijk anders uitvallen. Dat hangt samen met het beleid van de betreffende pomphouder. Ik erken dat niet iedereen dezelfde rek heeft in het aanpassen van zijn beleid, maar dat hangt ook samen met ondernemerschap. De meeste ondernemers die ik ken, zijn uitermate inventief om ervoor te zorgen dat zij nering blijven houden. Maar ik ga het monitoren, want het kan natuurlijk niet zo zijn dat wij een accijnsverhoging doorvoeren die per saldo zal leiden tot minder belastingopbrengsten. Dat kan natuurlijk nooit het geval zijn.

Dan kom ik bij de overige punten. De heer Essers heeft enkele vragen gesteld over de kennisgevingprocedure bij de informatie-uitwisseling. Hij heeft gevraagd naar het aantal gevallen en naar de resultaten. In geen van de negen gevallen waarbij de kennisgevingsprocedure tot vertraging in de informatie-uitwisseling heeft geleid, is het bezwaar toegekend. Ook niet bij de twee zaken die aan de rechter zijn voorgelegd. Het geringe aantal zaken en het gegeven dat de Belastingdienst in die zaken in het gelijk is gesteld, sterkt mij in de overtuiging dat de afschaffing van de kennisgevingsprocedure een goed voorstel is. Toen mijn ambtsvoorganger Koning de kennisgevingsprocedure heeft ingericht, was het uitwisselen van informatie eerder uitzondering dan regel. Nu is automatische gegevens- en informatie-uitwisseling de standaard. In het overgrote merendeel van de gevallen – en dat zal eerder boven de 95% liggen dan daaronder – wisselen wij informatie automatisch uit of spontaan. In de spontane gevallen bestaat de wetsbescherming die voor informatie op verzoek geldt helemaal niet. Daarnaast hebben wij aanbevelingen gekregen van de Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes (Global Forum) om witwassen tegen te gaan. Die heeft bepleit dat Nederland deze procedure zou afschaffen, omdat die leidt tot vertraging. Als ik kijk naar de feiten en omstandigheden, constateer ik dat wij nu in een heel andere tijd leven dan toen de regeling is opgetuigd. Dus ik vind het alleszins verantwoord om dit te doen. Sterker nog, ik vind het ook wenselijk.

De heren Ester en De Lange vragen wat de invloed van de 80%-regeling bij de stamrechten heeft op toekomstige belastinginkomsten. Met het vrijgeven van bestaande stamrechten en de fiscale stimulering om het op te nemen, worden toekomstige belastinginkomsten naar voren gehaald. Dat draagt bij aan een positief EMU-saldo komend jaar. Na 2014 is er in de eerste jaren nog een kleine opbrengst. Daarna treedt een derving op, maar per saldo in termen van netto contante waarde is er sprake van een kleine opbrengst.

De heer Ester vraagt op welke veronderstellingen de inschatting is gebaseerd dat personen van die 80%-regeling gebruik zullen maken en of de middelen wel consumptief zullen worden aangewend en wat er gebeurt als gebruik tegenvalt. Het kabinet schat in dat ongeveer een kwart van de personen met een stamrecht van de regeling gebruik zal maken en die inschatting wordt ondersteund door het Centraal Planbureau. Het is een voorzichtige inschatting, ook gebaseerd op geluiden uit de praktijk. Als uiteindelijk het budgettaire effect van de maatregel afwijkt, loopt dat in het EMU-saldo. Dat betekent heel simpel dat wanneer de maatregel minder opbrengt dan verwacht, het schatkisttekort oploopt. Levert de maatregel meer op, dan wordt het schatkisttekort kleiner. Dat is te doen gebruikelijk bij de begrotingsafspraken die we al sinds jaar en dag kennen en ook bij de ramingen.

De heer Ester (ChristenUnie):

Dat is mij allemaal bekend. Het gaat mij erom dat deze belastingschuif betrekking heeft op een van de grootste inkomstenbronnen voor de komende jaren. Mijn vraag is simpelweg: hoe comfortabel voelt de staatssecretaris zich bij de onderbouwing van de veronderstelling dat zovelen daarvan gebruik zullen maken? Hij verwijst naar het CPB. In de stukken wordt ook verwezen naar een eerder moment dat dit heeft plaatsgevonden, maar al met al maakt dit op mij geen echt heel overtuigende indruk. Ik vraag de staatssecretaris waarop hij zijn optimisme baseert en hoe goed hij zich daarbij voelt.

Staatssecretaris Weekers:

Als ik mij hier niet comfortabel bij zou voelen, had ik het voorstel niet voorgelegd. Dat wil niet zeggen dat wij het ook tot het cijfer achter de komma zullen realiseren, want dat is nooit het geval met geraamde belastingopbrengsten. De heer Essers heeft gisteravond aangegeven dat de crisisheffing – waarvan ik overigens kan bevestigen dat komend jaar echt het laatste jaar is – meer lijkt op te leveren dan oorspronkelijk werd geraamd. Daarvoor gelden ook dezelfde begrotingsregels. Dat gaan wij niet teruggeven. Hetzelfde geldt hiervoor. Als dit meer oplevert, gaan wij het niet teruggeven. Als het minder oplevert, gaan wij geen alternatieve maatregelen voorstellen. De regeling ten aanzien van het stamrecht hebben we nog niet eerder beproefd. Wel hebben we een tijdelijke verlaging van box 2 eerder beproefd. Ik denk dat de heer Ester daarop duidt. Op dat soort ervaringen hebben wij ons nu gebaseerd. Ervaringen uit het verleden zijn natuurlijk geen garanties voor de toekomst. Zij geven wel een goede indicatie. Als wij denken dat een kwart van de mensen met geld geparkeerd in zo'n stamrecht daar gebruik van maakt, dan lijkt ons dat een conservatieve inschatting.

De heer Van Boxtel vraagt nog om expliciet in te gaan op de zesmaandstermijn in het overgangsrecht. Voor het overgangsrecht is het ten eerste essentieel dat de aard en de omvang voor de vrijgestelde stamrechtaanspraak op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar zijn. Dus dat betekent dat de vaststellingsovereenkomst getekend moet zijn. Uit die vaststellingsovereenkomst moet blijken dat de ontslaguitkering aangewend wordt voor een stamrecht en dat de financiering van de aanspraak bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht. Daarnaast moet op 31 december van dit jaar de ontslagdatum vaststaan. Het ontslag moet zijn aangezegd voor 1 januari 2014 en binnen korte termijn uitgevoerd worden. Wat is een korte termijn? Dat is in ieder geval de wettelijke opzegtermijn en die is maximaal zes maanden. Daarom is gekozen voor deze zes maanden.

De heer Ester heeft een aantal vragen gesteld over kleine anbi's. Het kabinet onderkent het grote belang van kleine goede doelen. Daarom is er geen onderscheid in aftrekbaarheid van giften aan kleine of grote anbi's en genieten zij dezelfde faciliteiten. Wij moeten ons realiseren dat de grens om voor een anbi-status in aanmerking te komen in het verleden is opgetrokken van 50% algemeen nut beogende activiteit naar 90%. Dat is nog onder mijn ambtsvoorganger collega De Jager gebeurd in verband met de aanpassing van de nieuwe erf- en schenkbelasting. Daar is toen ook een bepaalde opbrengst voor gerealiseerd. Dat betekent ook dat er minder anbi's voor de fiscale tegemoetkoming in aanmerking komen. Dat mag duidelijk zijn, maar het is niet zo dat kleine anbi's anders worden behandeld dan grote anbi's. Wij kunnen hier natuurlijk geen individuele gevallen bespreken. Persoonlijk ga ik ook niet over individuele gevallen, maar als de heer Ester in een aantal cases die hem zijn voorgelegd aanleiding ziet om die eens te laten toetsen, dan zou ik ze graag ontvangen zodat ik ze door het ministerie kan laten bekijken.

Als gevolg van een verzoek van de Tweede Kamer in de motie-Omtzigt/Van Vliet van enkele jaren geleden zijn transparantie-eisen gesteld die ik inmiddels ook in de wet heb neergelegd. Elke anbi moet daaraan voldoen, maar als een anbi klein is en maar weinig activiteiten onderneemt is er natuurlijk ook veel minder om over te rapporteren.

Daarnaast stelt de koepel van de filantropie, de SBF, een kennisbank en een gratis eigen internetadres voor een instelling ter beschikking. Dat gebeurt op de website www.kennisbankfilantropie.nl en wordt ook ondersteund door de collega van Veiligheid en Justitie, die coördinerend bewindspersoon is op dit gebied. Met hem spreek ik regelmatig met de koepels van de filantropie, waaronder ook de kerken. Mijn beeld is dus niet dat er een bijzonder kritische houding van de Belastingdienst zou zijn ten opzichte van kerkelijke instellingen. Ik zou eerder zeggen dat mijn beeld het tegendeel is.

De heer Bröcker vraagt hoe ik aankijk tegen een levenslange vrijstelling en tegen het afschaffen van progressie naar verwantschap in de schenk- en erfbelasting. Daarover kunnen wij een hele discussie voeren. Ik heb de Tweede Kamer toegezegd met een bouwstenennotitie te komen rondom de erf- en schenkbelasting waarin dit element aan de orde zal komen. Daarin zal ik niet met voorstellen komen namens het kabinet, want hierover wordt heel verschillend gedacht. Ik heb de heer Ester gisteren nog horen bepleiten dat de erf- en schenkbelasting omhoog moet. Ik weet dat de partij waarvan de heer Bröcker in deze Kamer vertegenwoordiger is liever zou zien dat deze belasting op termijn verdwijnt. Op korte termijn hebben wij daar geen geld voor, dus dat betekent dat je gaat schuiven binnen de belasting en dat je ook winnaars en verliezers hebt. Ik heb de Tweede Kamer toegezegd dat ik de consequenties daarvan in beeld zal brengen in een soort bouwstenennotitie, die ik dan ook graag aan de Eerste Kamer ter informatie zal zenden. Wij kunnen daarover het gesprek voeren en dan ook zien of er meerderheden bestaan om tot een alternatieve vormgeving over te gaan. Ik sta hier zelf in elk geval niet geharnast in.

De heer van Boxtel heeft gevraagd naar de fraudegevoeligheid van de tijdelijk verruimde vrijstelling van de schenkbelasting. Hij zegt dat er geen maximum is gesteld aan het aantal schenkingen dat iemand kan doen. Inderdaad, dat is welbewust gedaan. Dat wil niet zeggen dat de regeling daarmee fraudegevoelig is, maar er kan inderdaad ruim gebruik van worden gemaakt. Ik weet niet of er zulke filantropen zijn die aan de hele buurt of aan de hele familie een ton zullen gaan schenken om daarmee de hypotheek af te lossen. Dat soort signalen is mij niet bekend.

Overigens geldt een dergelijke benadering ook voor de reguliere vrijstelling van schenkbelasting voor derden van ruim € 2.000, dus we wijken nu niet af van die systematiek.

De heer Ester vraagt in hoeverre de RDA heeft geleid tot het subsidiëren van innovatietrajecten die zonder deze aftrek ook ondernomen zouden zijn. Daar ben ik eigenlijk in het begin van mijn betoog al op ingegaan, door te zeggen dat elke aftrekpost, elke fiscale regeling natuurlijk ook zijn eigen dead weight loss kent. Deze regeling is nog vrij jong. We hebben dit dus ook nog niet goed in kaart, maar dit zal ongetwijfeld aan de orde komen in de evaluatie van 2017. Overigens wordt van de RDA minder gebruikgemaakt dan oorspronkelijk werd gedacht, maar dat zou ook kunnen samenhangen met de stand van de economische ontwikkeling op dit moment, het economisch getij.

Dan kom ik bij het fraudewetsvoorstel. Daarover zou ik graag heel veel zeggen, maar volgens mij zijn de belangrijkste opmerkingen al gemaakt waar het gaat om de interdepartementale en interdisciplinaire aanpak met andere partijen. Ik heb in de stukken al aangegeven welke extra capaciteit ik kan toevoegen, dus dat hoef ik ook niet te herhalen.

Ik denk dat het wel van belang is dat ik de heer Essers andermaal toezeg, net als in de schriftelijke stukken en in reactie op de inbreng van de heren Bröcker en Essers, dat maatregelen voor zover ze een sanctie inhouden alleen fraudeurs treffen, want om een sanctie te kunnen opleggen is opzet of ten minste grove schuld vereist. Pleitbare standpunten vallen daar natuurlijk nooit onder.

Op de huishoudentoeslag ben ik ook al ingegaan.

De heer Ester heeft een bespiegeling gehouden over de belastingmoraal. De Belastingdienst meet al sinds een aantal jaren de subjectieve beleving van de doelgroepen. In het algemeen kan worden gesteld dat de belastingmoraal in Nederland sinds jaar en dag hoog is. Ik stuur overigens die belevingsonderzoeken elk jaar naar het parlement, die ook worden gepubliceerd op de websites van de overheid, aangeduid als fiscale monitor. Uit de fiscale monitor 2013, gehouden in het voorjaar van dit jaar, blijkt dat gemiddeld 86% van alle belastingplichtigen het niet aanvaardbaar acht als iemand doelbewust belasting ontduikt of een te hoog bedrag aan toeslagen probeert te krijgen. Dat percentage is redelijk stabiel. Het fluctueert in de loop der jaren met enkele procentpunten. Het zal geen verbazing wekken dat ik dit percentage het liefst omhoog wil. Daarom heb ik ook, toen ik in 2010 aantrad en geconfronteerd werd met een taakstelling voor de Belastingdienst van 400 miljoen, twee randvoorwaarden meegegeven.

De eerste was dat de dienstverlening op orde moet blijven, want dienstverlening is ook van belang voor de belastingmoraal. Mensen willen zich netjes behandeld voelen en willen dat vragen worden beantwoord. Doe je dat niet, dan kan dat de belastingmoraal ondermijnen. Minstens net zo belangrijk is dat de handhaving en de controle ook goed op orde zijn. Ik heb gezegd dat die ook niet onder de taakstelling zou mogen lijden, evenmin als de invordering.

Daarnaast heb ik, nog onder het vorige kabinet, een businesscase laten maken door de Belastingdienst om te kijken of wij met gerichte investeringen extra belastinginkomsten zouden kunnen genereren. Dat heeft zich vertaald in het huidige regeerakkoord, waarbij de Belastingdienst 157 miljoen extra beschikbaar krijgt om aan extra handhavings- en invorderingsactiviteiten te doen, ten einde daarmee met name kwaadwillenden te kunnen aanpakken, meer boekenonderzoeken te kunnen doen en de invordering verder te versterken.

Daar is de afgelopen zomer nog 25 miljoen extra bovenop gekomen in het kader van het fraudebestendiger maken van het toeslagenstelsel en de fraudebestrijding. Dat zit in het pakket dat wij vandaag bespreken. Voor een belangrijk deel gaat het hier om extra medewerkers bij de dienst Toeslagen en voor een ander deel ook om veel slimmere automatiseringsoplossingen en intelligence om nieuwe fraudefenomenen te kunnen ontdekken. Daarnaast gaat het ook nog om een aantal ondersteunende activiteiten bij de Belastingdienst Blauw om de invordering verder te kunnen verstevigen.

Ik denk dat gerichte maatregelen bij de aanpak van fraude uiteindelijk de pakkans verhogen. Als mensen worden gepakt, moet je er ook voor zorgen dat de sancties buitengewoon streng zijn, wat ook bijdraagt aan een betere belastingmoraal.

Misschien een laatste opmerking hierover, want omwille van de tijd moet ik het kort houden, al zou ik hierover nog veel meer willen zeggen. Wij zijn een aantal jaren geleden begonnen met horizontaal toezicht, waarbij bedrijven die fiscaal "in control" zijn op een andere benadering van de Belastingdienst kunnen rekenen en vraagstukken vooraf op tafel kunnen leggen. De inspecteur kan dan ook in de actualiteit werken. Tegelijkertijd worden deze bedrijven minder intensief met boekencontroles geconfronteerd. Op zeker moment heb ik de commissie-Stevens erover laten adviseren hoe dit nu werkt. Mede op advies van die commissie hebben wij ervoor gezorgd dat het verticale toezicht verder wordt verstevigd, want je kunt niet verwachten dat elke belastingplichtige zich zomaar aan de regels houdt. Gelukkig doen de meeste belastingplichtigen dat wel, maar het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Iedereen krijgt het toezicht dat hij verdient. Degene die compliant is zul je op een andere manier moeten benaderen dan degene die zich aan de wetten wil onttrekken.

De voorzitter:

Mag ik u vragen hoelang u nog nodig denkt te hebben? Ik vraag dit omdat de Kamer voor de tweede termijn ongeveer een uur nodig heeft. Op de tweede termijn moet u natuurlijk ook nog antwoorden. Dus ik wil graag enige inschatting van de stand van zaken. Als het u lukt om tegen twaalven klaar te zijn met uw eerste termijn, dan zou dat heel goed zijn.

Staatssecretaris Weekers:

Voorzitter. Ik ben al eerder klaar, vermits wij geen lange interruptiedebatten hebben. De onderdelen met betrekking tot het Belastingplan heb ik naar mijn bescheiden mening behandeld. Ik heb wel nog enkele overige onderwerpen, waaronder de internationale vraagstukken die door de heer Ester zijn opgeworpen, en de moties die gisteren zijn ingediend. Dus dat kan vrij kort. Zal ik beginnen met de moties, omdat die ook echt betrekking hebben op het pakket rond het Belastingplan en de wetgeving, en zal ik daarna nog even de overige punten doen?

De voorzitter:

Dat lijkt mij een prima plan.

Staatssecretaris Weekers:

De heer Van Strien heeft een motie ingediend op stuk nr. H over de effecten van de accijnsverhogingen in de grensstreken. De heer Van Strien wil de resultaten van de monitoring uiterlijk 1 april in het parlement bespreken. Indien de resultaten van de monitoring negatief uitvallen wil hij daaraan direct consequenties verbinden. Voor 1 april is alleen de belastingopbrengst van de verkopen in januari beschikbaar, omdat deze accijns pas in februari wordt afgedragen. Ik acht het echt onverantwoord om een evaluatie op basis van één meting uit te voeren en daar dan vervolgens beleidsconclusies aan te verbinden. Dus ik heb echt met mijn mensen gekeken, ook al voordat ik aan het debat in de Tweede Kamer begon, wat het eerste moment is dat wij echt ook iets zinvols kunnen zeggen. Dat is toch echt eind mei, begin juni. Dan kunnen wij een zinvolle evaluatie op tafel leggen. Dan kunnen wij vervolgens, mocht dat hiertoe aanleiding geven, hierover het gesprek ook met elkaar voeren. Dus ik handhaaf de toezegging die ik eerder heb gedaan over de monitoring voor de grenseffecten. Verdergaan, zoals in deze motie wordt gevraagd, acht ik niet verantwoord.

Dan vraagt de heer Van Strien in de motie op stuk nr. I een oplossing te bedenken om gebruikers van propaan van verwarming te voorzien. Daar heb ik de argumenten ook al voor aangedragen, zowel in de schriftelijke stukken als zojuist ook nog even in de richting van de heer Ester, waardoor ik deze motie ook moet ontraden.

De heer Van Strien vraagt verder om een overgangsregeling voor lpg- en dieseloldtimers. Het budgettaire beslag voor een overgangsregeling voor deze oldtimers vanaf 26 jaar bedraagt 76 miljoen euro. Het in het Belastingplan opgenomen alternatief is de uitkomst van uitvoerig overleg dat ik zelf heb gevoerd met vertegenwoordigers van de autobranche. Ook mijn ambtsvoorganger heeft hierin in zijn vrije tijd wat energie gestoken, waarvoor zeer veel dank. De Tweede Kamer heeft mij wat budgettaire indicaties gegeven ten aanzien van de vraag wat acceptabel zou zijn in afwijking van het regeerakkoord. Ik heb mij daaraan moeten houden en dat heeft geleid tot een breed gedragen compromis. Het is helaas niet gelukt om de dieseloldtimers en de oldtimers op lpg in de overgangsregeling te betrekken. Ik moet deze motie dan ook ontraden. Mensen hebben natuurlijk wel alternatieven, zeker degenen die niet dagelijks op de weg zitten. Een oude legertruck of een oude zware dieselauto die niet iedere dag op de weg staat, kan natuurlijk ook geschorst worden. Als hij een paar maanden wordt ontschorst, is de belastingdruk laag, vergelijkbaar met de regeling die geldt voor andere oldtimers. Wanneer plaatsen mensen een lpg-installatie in een auto? In het algemeen om wat goedkoper hun kilometers te kunnen maken. Tegen mensen die gehecht zijn aan de auto als zodanig en er graag van tijd tot tijd mee willen rondrijden als rijdend cultureel en technisch erfgoed, zeg ik: haal de gastank eruit, dan heb je ook geen last van het feit dat de auto niet onder de overgangsregeling valt. Ik moet de motie dus ontraden.

De heer Van Strien (PVV):

Zelfs al zou iemand de gastank eruit willen halen, dan redt hij dat niet voor 1 december. De auto moet immers worden herkeurd. Sowieso heb je te maken met een overgangsperiode, die er niet is.

Staatssecretaris Weekers:

Mensen zijn natuurlijk ook inventief. Ze kunnen de auto per 1 januari laten schorsen. Dan betalen ze niets. Vervolgens maken ze een afspraak met een bedrijf dat de gastank eruit kan halen en als dat is gebeurd kunnen ze de auto laten ontschorsen en is het probleem opgelost. Voor dit soort praktische vragen vinden mensen echt wel oplossingen. Het zit er ook al een tijdje aan te komen. De praktijk zal daar uiteindelijk wel raad mee weten, lijkt mij.

Ik kom op de overige onderwerpen, die niet direct verband houden met het Belastingplan. De heer Essers en de heer Ester hebben enkele vragen gesteld over belastingontwijking door internationaal opererende bedrijven.

De heer Reuten (SP):

Er ligt nog een motie.

De voorzitter:

Inderdaad, de motie van de heer Reuten.

Staatssecretaris Weekers:

Excuus, zeg ik tegen de heer Reuten. Ik heb deze motie in druk ontvangen. In deze versie zijn de correcties eruit gehaald. Ik vond het wel heel creatief van de heer Reuten. Ik snap heel goed dat hij de voorzitter gisteren even op het verkeerde been zette door een aantal zichtbare correcties in de motie te laten staan. De motie-Zijlstra/Samsom, die een inspiratiebron is geweest voor de motie van de heer Reuten, is in dit Belastingplan uitgewerkt. In het Belastingplan 2014 worden de lasten voor hogere inkomens flink verzwaard, bijvoorbeeld door het afbouwen van de heffingskortingen. In de motie wordt feitelijk gevraagd wat al is opgenomen in het Belastingplan. Wij hebben zo-even uitvoerig gedebatteerd over de vraag hoe het kabinet dit beoordeelt. De heer Reuten heeft tabellen aangedragen ter illustratie van zijn zienswijze. Het kabinet verbindt daar niet dezelfde conclusies aan. Naar de mening van het kabinet dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten. De inkomensverschillen tussen de hoge en de lage inkomens worden in dit Belastingplan verkleind. In de motie wordt gevraagd om verdere nivellerende maatregelen. Ik moet haar ontraden. Het kabinet heeft op dit moment geen voornemens om de verschillen tussen hoge en lage inkomens verder te verkleinen. De maatregelen voor de komende jaren in het kader van het regeerakkoord en de motie-Zijlstra/Samsom zijn in dit Belastingplan verwerkt, tot en met 2017. Ik moet de motie dan ook ontraden.

Ik ga nu echt over naar de internationale aspecten. Vooruitlopend op het debat dat wij op 21 januari met elkaar hebben – ik betreur het dat de heer Ester hier niet bij kan zijn, maar ik heb uiteraard alle begrip voor het feit dat kleinere fracties keuzes moeten maken als het gaat om het bijwonen van debatten – merk ik op dat het kabinet belastingontwijking door internationaal opererende ondernemingen een belangrijk onderwerp vindt. In de brief die ik samen met de collega voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 30 augustus naar de Kamer heb gestuurd, heb ik aangegeven dat echte oplossingen alleen zijn te bereiken door mondiaal overleg en mondiale maatregelen die bij voorkeur juridisch bindend zijn. Desalniettemin hebben wij in de brief van 30 augustus ook aangegeven dat wij inzake transparantie en bepaalde substance-eisen, ook aan houdstermaatschappen, de lat hoger leggen. Wij hebben daarmee laten zien dat onwenselijke belastingontwijking een thema is dat moet worden aangepakt. Het uitwisselen van informatie zorgt ervoor dat andere landen hun eigen grondslag kunnen beschermen. Nederland hoeft niet de belastinginspecteur van de wereld te zijn, maar moet andere belastingdiensten wel informeren als dat zinvol is in het kader van hun belastingheffing.

Ik houd er niet van als ons uitgebreide verdragennetwerk, dat tot een van de beste ter wereld behoort – ik wil dat ook graag zo houden en het nog verder uitbreiden – wordt misbruikt door bedrijven die geen substantiële activiteiten in Nederland hebben maar wel gebruikmaken van de gunstige voorzieningen. Tegelijkertijd valt niet altijd te vermijden dat van verdragen gebruik wordt gemaakt. Op een bepaalde wijze wordt er gestructureerd. Internationale ondernemingen hebben meer mogelijkheden dan lokaal opererende ondernemingen. Wij passen de wet toe. Er wordt ingespeeld op de verschillen in fiscale stelsels. Je kunt dit op twee manieren oplossen.

Stel dat een onderneming in het ene land zegt dat een stroom geld rente is, waardoor het aftrekbaar is, en in het andere land dat het dividend is, waarmee het valt onder de deelnemingsvrijstelling en dus onbelast is. Daar zit een onevenwichtigheid in, zo kun je zeggen. Je kunt dat bilateraal oplossen, of door belastingdiensten beter te laten samenwerken, voor zover de juridische duiding in beide landen hetzelfde te maken valt. Als er sprake is van een totaal verschillende benadering, is dat het gevolg van de fiscale soevereiniteit waarover landen beschikken. Onwenselijk gebruik van dit soort routes bestrijd ik. Ik doe dat in nationale wetgeving. Wij hebben de onbeperkte renteaftrek de afgelopen jaren steeds verder aan banden gelegd. De Europese Commissie is, naar ik meen op 25 november, met een voorstel gekomen in het kader van de moeder-dochterrichtlijn om de kwalificatieverschillen – ik gaf zo-even het voorbeeld van rente en dividend – in het kader van zo'n moeder-dochterrichtlijn aan te pakken. Als het in het ene land aftrekbaar is, is het in het andere land belast. Ik vind dat een goed uitgangspunt.

De Europese Commissie heeft in hetzelfde voorstel maatregelen aangekondigd waarover ik niet dolenthousiast ben, zoals een algemene antimisbruikbepaling. Die is zodanig algemeen gesteld dat het onze Nederlandse benadering en onze aanpak in het kader van fraus legis weleens in de wielen zou kunnen rijden. Als wij niet kunnen aanpakken wat wij willen aanpakken, dan schiet zo'n algemene antimisbruikbepaling haar doel voorbij. Als je een algemene antimisbruikbepaling hebt waarvan je niet weet hoe de diverse landen haar toepassen, dan kan dat leiden tot onzekerheid, wat er weer toe kan leiden dat bedrijven zeggen: dan investeren wij maar niet in dat land, want anders krijgen wij te maken met rechtsonzekerheid. Dat is de andere kant. Bedrijven willen immers graag zekerheid en voorspelbaarheid rondom het fiscale systeem. Op dat soort elementen let ik als er voorstellen worden gedaan of als wij zelf met voorstellen komen. Dat is de afweging. Wij willen een goed fiscaal vestigingsklimaat hebben en houden. De komende jaren zullen wij nog het nodige moeten doen, aangezien andere landen onze voorsprong steeds kleiner maken en ons straks inhalen. Denk aan het Verenigd Koninkrijk en Scandinavische landen die met de vennootschapsbelasting naar 20% gaan en die andere faciliteiten overnemen die wij ook kennen, zoals de innovatiebox, de deelnemingsvrijstelling en onze rulingpraktijk. Hieraan zullen wij moeten werken. Dat is niet eenvoudig als je geen budgettaire middelen hebt. Daarnaast moeten wij ontwijkconstructies aanpakken. Ik zoek voortdurend naar het evenwicht tussen beide.

Nederland participeert zeer actief in OESO-verband. De uitkomsten van het BEPS (base erosion and profit shifting)-project zijn nog onvoldoende concreet om er nu al een oordeel over te geven. Binnen de Europese Unie zeg ik steeds: zorg ervoor dat wat wij in Europees verband doen ook goed is afgestemd met initiatieven die internationaal worden ondernomen. Ik ben een zeer groot voorstander van automatische gegevensuitwisseling en veel meer fiscale transparantie tussen de diverse belastingautoriteiten. Dan helpt het niet als wij in OESO-verband een heel raamwerk optuigen dat mondiaal toegepast moet worden als tegelijkertijd de Europese Unie een ander raamwerk optuigt. Daar let ik voortdurend op.

De informatie-uitwisseling in het kader van belastingontwijking is een standaardonderdeel van de onderhandelingen over belastingverdragen. Ten aanzien van de 23 ontwikkelingslanden komen wij heel concreet met een antimisbruikbepaling. Dat kan niet met alle 23 landen tegelijkertijd. Wij zullen moeten bekijken met welk land wij onderhandelingen hebben en met welk land wij net onderhandelingen hebben afgesloten. Met één land hebben wij vorig jaar of twee jaar geleden onderhandelingen afgesloten. Het verdrag ligt nog ter ratificatie bij het Parlement. Destijds was het bij de onderhandelingen geen issue, maar ik stel nu voor om een aanvullend protocol te maken. Nieuwe verdragen moeten meteen aan de standaard voldoen. Als wij ergens aan het onderhandelen zijn, heeft het weinig zin om aan een oud verdrag iets toe te voegen. Nee, dat moet je dan integraal bekijken met een nieuw verdrag.

Ik zal het komende halfjaar zelf op pad gaan om mij hiervoor actief in te zetten, ook in ontwikkelingslanden. Sinds deze maand hebben we in Ghana Tax Inspectors Without Borders. Dit is een van de eerste projecten van de OESO waarbij Nederland het voortouw neemt. Een Nederlandse specialist van de Belastingdienst is ernaartoe gegaan om de Ghanese autoriteiten te helpen met een aantal zaken. Hoe onderzoek je boeken bij bedrijven? Hoe zit het met verrekenprijzen? Wat is de meest geavanceerde benadering?

Dit project wordt verder uitgerold. Andere Afrikaanse landen hebben er ook belangstelling voor. Ik doe dit in heel goede samenwerking met de collega van Ontwikkelingssamenwerking. Op een dergelijke manier gaan we daar dus mee om.

Het laatste nieuwtje is dat ik afgelopen week in Willemstad ben geweest. Afgelopen donderdag heb ik met mijn Curaçaose collega een nieuwe belastingregeling tussen Curaçao en Nederland ondertekend. Buiten de bepalingen omtrent het voorkomen van dubbele belastingen, zitten er ook een paar elementen in die appelleren aan ons gewijzigde fiscale verdragsbeleid. Er is een goede regeling tegen misbruik. Ook de informatie-uitwisseling is geregeld. Morgen zal ik de overeenkomst over FATCA met de Amerikanen tekenen. Met Curaçao heb ik afgesproken dat het aan dezelfde standaard zal voldoen. Wij zullen Curaçao daarin technisch ondersteunen.

Bij de belastbaarheid van pensioenen zullen wij een bronheffing introduceren als er pensioen wordt overgemaakt vanuit Nederland. Als je hier namelijk altijd aftrek hebt gehad, is het ook redelijk dat Nederland, wanneer er pensioen wordt uitgekeerd, daar een stukje belasting van mag inhouden. Dat doen we niet bij bestaande gevallen, wel bij nieuwe gevallen.

Zo zit ik in deze hele discussie. Het moet fair en pragmatisch zijn en het moet voldoen aan de modernste standaarden. Als ik iets bilateraal kan regelen met een ander land, zal ik dat doen. Dat is meestal de beste weg. Als ik het in eigen wetgeving kan regelen, is dat ook een goede weg. Het is een moeilijkere weg om het via de OESO of de Europese Unie te regelen. Daar moeten wij altijd alert zijn op de agenda's van andere landen. Uiteindelijk kunnen die inhoudelijk anders zijn dan blijkt uit de eerste soundbite die een eerste minister of een president in de krant laat zetten. Eigenlijk worstelen alle landen ermee dat ze aantrekkelijk willen zijn voor buitenlandse investeringen, maar ook belastingontwijking willen aanpakken.

We zullen hier nog nader over praten aan de hand van stukken. Ik heb vorige week nog een brief gestuurd aan de Eerste Kamer naar aanleiding van de motie van Klaas de Vries. Ik denk dat er goede stukken op tafel liggen. Binnenkort zullen we het nieuwe fiscale verdragsbeleid bespreken. Het gaat om een nota uit januari 2011. Ik ben blij dat we deze begin volgend jaar zullen bespreken. Morgen heb ik in de Tweede Kamer nog een belangrijk debat over dit thema.

De heer Essers vraagt naar de stand van zaken van een aantal dossiers. Hij vraagt naar de Europese dossiers, naar de CCCTB. Dat is de Europese vennootschapsbelasting. De stand van zaken is dat er technische besprekingen plaatsvinden in Brussel. De opstelling van het kabinet hierbij is kritisch, indachtig het negatieve subsidiariteitsoordeel dat de Tweede Kamer over dit onderwerp heeft uitgesproken.

Naar de mening van het kabinet voldoet de huidige FTT, de financial transaction tax, kwalitatief niet. Hij voldoet ook niet aan de voorwaarden die in het regeerakkoord staan, waaronder de voorwaarde dat pensioenfondsen hierdoor niet geraakt mogen worden. Onder de huidige omstandigheden zal Nederland dus niet meedoen aan de versterkte samenwerking.

Dan kom ik op de spaartegoedenrichtlijn en het bankgeheim. De aanpassing van de richtlijn wordt tijdens de Europese Raad van 20 december besproken, dus nog deze week. De OESO zal in het voorjaar van 2014 de Common Reporting Standards presenteren, inclusief de automatische informatie-uitwisseling over rente-inkomsten.

Er is dus heel veel in beweging. Ook het einde van het bankgeheim is in zicht. Luxemburg heeft bijvoorbeeld aangekondigd dat het per 1 januari 2015 het bankgeheim voor buitenlandse rekeninghouders wil opheffen. Het zal natuurlijk ook nog allemaal geïmplementeerd moeten worden. Luxemburg heeft inmiddels een nieuwe regering. De Oostenrijkers hebben ook net een nieuwe regering. Tijdens de laatste Ecofin hebben deze landen dus nog niet verder bewogen op dit dossier. Ik ben er echter van overtuigd dat er behoorlijk wat vooruitgang wordt bereikt. Het gaat in elk geval een stuk sneller dan enkele jaren geleden. Volgens mij hangt dit ook samen met het feit dat een groot deel van de wereld te maken heeft met de economische en financiële crisis. Er moet worden gesnoeid in de uitgaven. Voorzieningen van mensen moeten worden ingeperkt. Bovendien zijn er vraagstukken rondom vergrijzing en moeten de belastingen worden verhoogd voor de begrotingsconsolidatie. Dan kan er geen sprake zijn van belastingontwijking, laat staan van belastingfraude. Daar zul je een antwoord op moeten hebben.

De heer Bröcker vraagt hoe groot de beklemde reserves in eigen beheer zijn bij de directeuren-grootaandeelhouders. De omvang van de beklemde reserves die samenhangen met pensioen in eigen beheer, is niet bekend. Het mij laatst bekende cijfer uit 2009, dus niet erg recent, is 34 miljard.

De heer Essers vraagt mij om een reactie op de voorstellen van het Register Belastingadviseurs, naar aanleiding van mijn brief over pensioen in eigen beheer. Deze voorstellen komen neer op een aanpassing van het door de Belastingdienst uitgevoerde beleid, te weten de uitleg aan het begrip "waarde in het economisch verkeer" van de pensioenverplichtingen. De uitleg van de Belastingdienst is gebaseerd op de wet en op jurisprudentie, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van eigen beheer. Ik zie de problematiek waarmee men te maken heeft. Ik heb deze uitvoerig geschetst in de brief over pensioen in eigen beheer. De gehanteerde rente en de fiscale benadering wijken af van de commerciële benadering. De benadering in de Vpb wijkt af van die in de loonbelasting.

In de loop van de tijd, ook als gevolg van jurisprudentie en allerlei reparatiewetgeving, is er een uitermate complex systeem ontstaan. Het zou mij een lief ding waard zijn als we het systeem fors kunnen vereenvoudigen. Daarbij moet ik wel rekening houden met budgettaire consequenties van wijzigingen in het systeem. De optie die ik heb geschetst om de commerciële benadering te hanteren, kost 1 miljard. Dat geld heb ik niet. Het zou minder kosten als de marktrente dichter in de buurt van 4% komt. Dan kun je het systeem aanpassen.

De tweede benadering leidt ook tot budgettaire consequenties. De derde benadering leidt tot een forse vereenvoudiging. Ik hoop dat ik in beide Kamers steun kan krijgen voor een vereenvoudiging voor de middellange en de langere termijn. Dat betekent dat je minder specialisten nodig hebt om je pensioen in eigen beheer op te bouwen. Ik snap dat belastingadviseurs liever producten hebben waarbij zij echt nodig zijn om die producten te verkopen. Ik kijk even in de richting van de heer Essers en de heer Bröcker. Ik vind dat we toch met elkaar moeten bekijken hoe we de zaak kunnen versimpelen. Dat is goed voor de ondernemer en het is goed voor de Belastingdienst. Die kan dan namelijk ook met 65 mensen minder toe. Ik wil echter niet de rechten aantasten van mensen die pensioen in eigen beheer hebben opgebouwd en dit bijvoorbeeld in een stichting hebben zitten of dit in een stichting willen zetten.

Ik zal hier nog eens even heel goed naar kijken. Ik ga graag de discussie met beide Kamers aan over het toekomstperspectief. Dat wil ik graag nader uitwerken, maar alleen als ik van de Kamers hoor dat ze het de moeite waard vinden. Op de korte termijn zal ik ook bekijken wat de consequenties zijn van het wegnemen van belemmeringen, zoals beide senatoren hebben gevraagd. Ik sluit niet uit dat er ook in variant twee sprake zal zijn van substantiële budgettaire consequenties. Tussen gisteren en vandaag is het mij uiteraard niet gelukt om dit nauwkeurig te bekijken. Ik zeg het wel graag toe. Ik zal daar begin volgend jaar op terugkomen. Het liefste heb ik iets wat in het kader van een uitvoeringsregeling simpel te hanteren is en waar de praktijk iets mee kan, zonder dat ik boze blikken krijg van de minister van Financiën omdat ik belastinginkomsten laat weglopen.

De heer Essers (CDA):

Kan de staatssecretaris iets specifieker zijn? Hij heeft het over begin volgend jaar. Hoe is de procedure? Welke stappen worden gezet? Het kabinet zet zwaar in op extra dividenduitkeringen, maar als deze zo belemmerd worden door de problematiek van pensioen in eigen beheer, komt er niet veel van. Dat is een kwestie van inschatting. Welke concrete stappen gaat de staatssecretaris zetten?

Staatssecretaris Weekers:

Ik hoor heel graag de opvatting van het parlement over het toekomstperspectief. Dat maakt het voor mij wat eenvoudiger om iets voor de korte termijn te doen en voor te sorteren op het toekomstperspectief. Als een kortetermijnoplossing geld kost maar we met elkaar een commitment hebben voor de wijze waarop we dat verder willen regelen, kan ik een en ander ook budgettair beter inpassen. Als we bijvoorbeeld de derde variant uitwerken en ik commitment heb van beide parlementen voor de contouren en de budgettaire consequentie, ben ik gaarne bereid om vooruitlopend daarop verlichting te bieden, zodat de dga's tot die dividenduitkering kunnen komen. Volgens de huidige benadering kan dit namelijk niet.

De heer Essers vraagt wanneer ik daarmee kom. Het hangt ervan af hoe er wordt omgesprongen met de brief die in beide Kamers ligt. Ik snap ook dat het weinig zin heeft om na de zomer over het jaar 2014 te spreken. Ik streef dus naar het einde van het eerste kwartaal, ergens in het voorjaar.

De heer Essers vraagt naar de status van de winstbox. De brief over de winstbox is in een vergevorderd stadium. Ik verwacht een dezer dagen de rapportage van het Centraal Planbureau over de economische effecten. Die is nodig om tot een afgewogen oordeel te komen.

De winstbox leidt tot een enorme versimpeling. Een aantal aftrekposten en mkb-winstvrijstellingen worden in een heel eenvoudige tariefstructuur ondergebracht. Er zit echter ook een complicatie aan vast, omdat er een box bijkomt in de IB-sfeer. Je moet dus een oplossing hebben voor de hypotheekrenteaftrek, persoonlijke aftrekposten et cetera. Een en ander leidt dus ook tot inkomenseffecten. We zullen de effecten op de werkgelegenheid natuurlijk ook mee moeten nemen. Het heeft geen zin als een bepaalde hervorming niet echt een voordeel heeft voor de werkgelegenheid. Dan moet je je afvragen of je eraan wilt beginnen. Daar kom ik ook in de eerste helft van het komende jaar op terug. Ik hoop in het eerste kwartaal.

Mevrouw Sent heeft vragen gesteld over de evenwichtige fiscale behandeling van zelfstandigen ten opzichte van werknemers en over schijnzelfstandigheid. Ook daarop zal ik terugkomen in de winstboxbrief. Schijnzelfstandigheid ondervangen we niet met de winstbox. Daar moeten collega Asscher en ik andere maatregelen voor treffen. Stel dat je werknemers en zelfstandigen gelijker wilt behandelen qua belastbaarheid. Dat is geprobeerd met de regeerakkoordmaatregel om te korten op de zelfstandigenaftrek. Mevrouw Sent kent het resultaat daarvan. Die leidt namelijk tot grote koopkrachteffecten bij zelfstandigen. Om die reden en gelet op het economisch tij is ervan afgezien een dergelijke maatregel te nemen. Dat betekent dat er grote verschillen bestaan tussen de zelfstandige en de werknemer en dat die voorlopig ook blijven bestaan.

De heer Essers vraagt of het leerstuk van onzakelijke leningen kan worden gecodificeerd. Het is een leerstuk dat zich in de jurisprudentie heeft ontwikkeld, maar waarvan nog niet alle aspecten duidelijk zijn. Een deel van de openstaande punten ligt nog bij de rechter, naar heb ik begrepen. Daarover zal de jurisprudentie zich nog verder ontwikkelen. In een recent uitgebracht besluit over de verrekenprijzen – ook in de week van 25 november – is aandacht besteed aan een onzakelijke lening binnen concernverband. In het binnenkort uit te brengen besluit inzake het resultaat uit overige werkzaamheden zal aandacht worden besteed aan de onzakelijke lening in de sfeer van de terbeschikkingstelling.

De heer Ester vraagt naar de fiscale consequenties van het agreement on trade facilitation, bereikt in het kader van de World Trade Organisation, en naar een algemeen oordeel over het bereikte resultaat vanuit mijn verantwoordelijkheid. Voor Nederland heeft het akkoord geen fiscale consequenties. Bijna alles wat is afgesproken, is al voorzien in ons douanerecht of in de douanepraktijk. De winst van het akkoord zit vooral in het verminderen van administratieve lasten op douanegebied in ontwikkelingslanden en in de op dit gebied voorziene capacity building. Dan nog iets over ontwikkelingslanden. Ik heb zojuist aangegeven dat ikzelf komend halfjaar ook nog op pad ga in het kader van de aanpak van belastingontwijking. Ik ga proberen nieuwe verdragen te sluiten en aan bestaande verdragen antimisbruikclausules toe te voegen. Als ik op pad ga, kijk ik ook altijd of wij wat dat betreft nog wensen hebben, bijvoorbeeld of wij een douaneverdrag met het desbetreffende land hebben. Zo neen, willen wij dat wel graag. Ik zeg een dergelijk land ook graag technische assistentie toe om de handelsstromen te faciliteren.

Voorzitter. Dat was het.

De voorzitter:

Dank u wel.

Wij zijn nu toe aan de tweede termijn van de Kamer.

Het woord is aan de heer Essers.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris en de ambtenaren van harte voor de beantwoording van onze vragen, zowel mondeling als schriftelijk. Zo aan het eind van het jaar heb je het gevoel dat je Kerstmis hebt verdiend, want we moeten heel veel werk in korte termijn verrichten.

Ik vind dat de staatssecretaris een eerlijk verhaal heeft gehouden. Daar begin ik mee. Hij draait er niet omheen. Hij zegt dat er bepaalde elementen in het Belastingplan zitten die volstrekt haaks staan op de vereenvoudigingsgedachte. Sommige elementen zijn ook slecht voor de economie. Hij geeft verder aan dat er altijd fraude zal blijven. Er wordt wel een bijdrage geleverd aan de bestrijding ervan, maar wij hebben het systeem met zijn allen zo ingewikkeld gemaakt dat we niet moeten denken dat wij daarmee alles kunnen beteugelen. Hij geeft aan dat er vanwege de moeilijke situatie keuzen zijn gemaakt. Het resultaat daarvan is in dit pakket terechtgekomen. Er zijn compromissen gesloten en dit is het dan. Het zal geen verbazing wekken als ik zeg dat mijn fractie andere keuzen maakt. Dat geldt vooral voor het Belastingplan. Wij kunnen goed leven met de andere voorstellen van het belastingpakket. Ik zal mijn fractie althans voorstellen om daar voor te stemmen, maar wij blijven grote problemen houden met het Belastingplan.

Wat ons vooral tegen de borst stuit, is dat er per saldo 2 miljard aan lastenstijgingen wordt voorgesteld. De accijnsverhoging is ons een heel grote doorn in het vlees, met alle grenseffecten die wij met zijn allen hebben onderkend. Dat betreuren wij.

De staatssecretaris sprak ook even over de crisisheffing. Hij gaf toe dat er meer geld is binnengekomen dan was geraamd. Kan hij bevestigen dat het bedrag 128 miljoen is? De staatssecretaris sprak verder over begrotingsregels. Als een maatregel meer oplevert, wordt het geld niet teruggegeven. Ik ken die begrotingsregels, maar ik wijs ook op de regel die inhoudt dat, als een maatregel voor één jaar is bedoeld en je er twee jaar van maakt, je dan een keer beziet of de tariefstelling wel goed is. Misschien moet je dan ook bekijken of het bedrag dat te veel is geheven, kan worden verrekend. Ik ben in ieder geval blij met de toezegging dat het na 2014 echt is afgelopen.

Dan de instrumentalisering. Daar hebben wij een goed debat over gevoerd. Alle nuances zijn aangebracht. Ik mag daarover de volgende motie indienen, samen met collega Bröcker van de VVD.

Motie

De voorzitter: Door de leden Essers, Bröcker, Terpstra, Hoekstra, Van der Linden en De Vries-Leggedoor wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er thans meer dan 85 belastinguitgaven zijn die geen budgettaire maar uitsluitend instrumentele doelstellingen hebben;

overwegende dat fiscaal instrumentalisme tot zeer complexe fiscale regelgeving leidt en vaak op gespannen voet staat met het gelijkheidsbeginsel;

overwegende dat de effectiviteit van fiscaal instrumentele maatregelen moeilijk te meten is en dat zij vaak zonder horizonbepaling in de wet worden opgenomen, waardoor intrekken van deze maatregelen tot maatschappelijk verzet en onbegrip kan leiden;

roept de regering op om: 1. beleid te ontwikkelen om het aantal belastinguitgaven substantieel terug te dringen; 2. nieuwe belastinguitgaven pas in te voeren nadat doel en noodzaak daarvan is aangetoond in combinatie met een ex-ante-evaluatie; 3. de effectiviteit van deze maatregelen periodiek te monitoren en te evalueren; 4. de werkingsduur van nieuwe belastinguitgaven te koppelen aan een horizonbepaling,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter L (33752/33753/33754/33755).

De heer Essers (CDA):

Ter vermijding van enig misverstand: het gaat hier om belastinguitgaven, zoals die staan omschreven in de Miljoenennota en de bijlage, en dus niet om heffingen.

Dan iets over het pensioen in eigen beheer. Wij zijn blij met de nadere toezegging van de staatssecretaris om op korte termijn met concrete maatregelen te komen. Hij vraagt het parlement om een visie. Ik denk dat die zich vanzelf aandient. Er worden drie opties geschetst om de problematiek op te lossen. De eerste en de laatste kunnen niet op korte termijn worden gerealiseerd. Dat is evident, de ene niet vanwege het budgettaire aspecten, de andere niet vanwege allerlei overgangsproblemen. Ons lijkt de tweede optie voor de korte termijn een zeer aanvaardbare, eventueel gecombineerd met een Defined Contribution-regeling, maar de budgettaire maatregelen moeten nog in kaart worden gebracht. Onze eerste indruk is dat die budgettaire aspecten redelijk overzienbaar zijn, ook gelet op het feit dat het ook zal leiden tot meer dividenduitkering.

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris en zijn ambtenaren voor de duidelijke antwoorden. Ik sluit wat dat betreft aan bij de woorden van de heer Essers. Dat neemt niet weg dat wij het op een aantal punten wezenlijk oneens blijven met de regering. Daar heeft die duidelijkheid des temeer toe geleid. Dat betekent ook dat wij nu al tot een aantal afrondende conclusies kunnen komen. Wij zullen tegen het belastingverhogingenplan 2014 stemmen. Er zijn echter onderdelen waarmee wij wel instemmen. Ik doel dan op artikel XIX, de onderdelen A tot en met D. Als wij straks tegenstemmen, ligt bij dezen vast dat wij voor zijn als het gaat om die onderdelen. Wij zullen ook voor de overige fiscale maatregelen stemmen. De Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit kan op onze instemming rekenen. Wij zullen tegen de Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente stemmen.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord en voor de aanvullende tabel 6 die hij heeft verstrekt.

Eerst iets over het inkomensbeleid. De staatssecretaris zegt dat de cijfers, zoals die zijn neergelegd in de grafieken, kloppen. Wij zijn het gelukkig eens over de cijfers. Enerzijds is er sprake van denivellering als gevolg van de inkomstenbelastingen, partieel beschouwd; alleen de inkomstenbelastingen dus beschouwd. Dat is weergegeven in de grafieken 1 en 4a, gebaseerd op de tabellen 1 en 3 uit de memorie van antwoord en op tabel 6 uit de nota naar aanleiding van het verslag. Anderzijds wordt deze denivellering enigermate gecompenseerd door toeslagen en bijslagen qua besteedbaar inkomen. Per saldo gaat men er in het eerste en het vierde kwartiel qua besteedbaar inkomen gelijkelijk op vooruit, althans relatief gezien, procentueel. Dat is weergegeven in grafiek 1 en gebaseerd op tabel 4 van de nota naar aanleiding van het verslag. Daaruit blijkt dat men er qua besteedbaar inkomen over de periode 2013–2017 in het eerste kwartiel 8% op vooruitgaat en in het vierde kwartiel 7,9%. Dat is nagenoeg gelijk. De staatssecretaris geeft wel aan dat daar ook effecten van werkloosheid in zitten. Ja, daar zijn wij het ook over eens. Ik voeg eraan toe dat dit bekend was toen het regeerakkoord in elkaar werd gesleuteld eind 2012 en ook toen de motie-Zijlstra/Samsom werd ingediend. Toen was al bekend dat die werkloosheid in de cijfers zat. Ik wil graag antwoord hebben van de staatssecretaris op de kernvraag, namelijk of wij tussen 2013 en 2017, met alle kwalificaties die het kabinet nu heeft geprojecteerd, een verkleining van de verschillen tussen lage en hogere inkomens hebben gehad tussen die in het eerste en het vierde kwartiel. Mijn antwoord is: waar het ook door komt, door de effecten van de belastingen, of door de effecten van toeslagen of de werkloosheid, we hebben voor de jaren 2013–2017, zoals geprojecteerd door het kabinet, geen verklaring voor de inkomensverschillen. Dat blijkt ook uit de al genoemde grafiek 6.

De motie-Zijlstra/Samsom van november 2012 vraagt om verkleining van de verschillen tussen lage en hoge inkomens. Dat vraagt ook de gisteren door mij ingediende motie, gezien de financiële opgave waar Nederland voor staat en de noodzakelijke bezuinigingen. Mij dunkt dat het tegen deze motie stemmen betekent dat deze fracties bij nadere beschouwing de inkomensverschillen niet wensen te verkleinen. Daar kun je niet omheen. In dit geval moet dit maar voor iedereen duidelijk zijn. Een stem tegen deze motie – ik kijk nu met name naar de VVD en de PvdA – betekent dat de tegenstemmers de inkomensverschillen niet wensen te verkleinen.

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Veel dank aan de staatssecretaris en zijn ambtelijke staf voor het beantwoorden van de vele vragen. Het is een lang debat geweest. Er zijn vele kwesties de revue gepasseerd. Ook mijn fractie had een groot aantal kritische vragen. Het Belastingplan heeft niet voor niets directe consequenties voor het financiële reilen en zeilen van burgers, bedrijven en organisaties. Het geeft ook een beeld van de maatschappelijke doelstellingen die de overheid via de fiscaliteit wil realiseren. In tweede termijn maak ik nog enkele korte opmerkingen.

Ik dank de collega's dat zij mij toestonden om iets meer tijd in te ruimen voor onze visie op internationale belastingverdragen en op internationale belastingontwijking en -ontduiking als opmaat naar het plenaire debat van volgend jaar waaraan mijn fractie niet kan deelnemen als gevolg van concurrerende plenaire verplichtingen.

Ik dank de staatssecretaris voor zijn toezegging aan mijn fractie om zijn visie op papier te zetten op de relatie tussen fiscaliteit en vergroening. Het gaat dus om de vraag hoe fiscale instrumenten kunnen worden ingezet om de milieuvriendelijke productie en consumptie te bevorderen. Wij zien uit naar een brede integrale visie. Mijn fractie gaat er ook van uit dat wij een gedegen nota tegemoet kunnen zien. Nederland heeft hier behoefte aan. Nederland moet op dit punt vooral ook een internationale slag weten te maken. Mijn concrete vraag is of wij de nota voor de zomer van volgend jaar tegemoet kunnen zien.

Ik dank de staatssecretaris ook voor zijn toezegging om volgend jaar te bekijken of de definitie van postcoderoos hanteerbaar is. Wij gaan ervan uit dat dit van zijn kant een serieuze momentopname gaat worden. Wij zijn hem ook erkentelijk voor zijn toezegging om die fiscale facilitering van lokaal duurzaam opgewekte energie – een heel belangrijk maatschappelijk initiatief – integraal te evalueren. Dit gaat dan om de financiële, sociale, economische en ecologische aspecten en waarderingen. Ik markeer deze criteria nog maar even.

Wij hebben kennisgenomen van het beleid van de staatssecretaris om de grenseffecten van accijnsverhogingen systematisch te monitoren. Dit is voor ons een essentieel punt. Ook hiervan zien wij de uitkomsten graag tegemoet.

Ik kom nog even terug op de anbi-status. Burgerinitiatieven die zich inzetten voor goede doelen zijn eigenlijk een perfecte invulling van Nederland als participatiesamenleving. Het is goed dat de staatssecretaris erkent dat kleinere doelenorganisaties, waaronder de kerken, niet onnodig gehinderd moeten worden. We zullen ook op dit aspect het beleid van de staatssecretaris nauwgezet volgen.

Ik kom tot een conclusie. Mijn fractie steunt de hoofdlijnen van het Belastingplan 2014. Kritiekpunten blijven evenwel bestaan. Het blijft een belastingplan met scherpe randen, zoals ik in eerste termijn aangaf. Ik sluit af met een punt van zorg. Het Belastingplan weerspiegelt de veelheid aan akkoorden dat het kabinet heeft gesloten. Dat heeft onmiskenbare voordelen als het gaat om maatschappelijk draagvlak, maar heeft ook evidente nadelen. Een nadeel is het ontstaan van een lappendeken van wisselende fiscale prioriteiten. Voor de continuïteit, rust en stabiliteit van het fiscale klimaat en de fiscale wetgeving is dat niet altijd een goede zaak. Burgers, bedrijven en organisaties mogen fiscale zekerheid verwachten die een wat langere adem heeft.

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Graag begin ik met de staatssecretaris te bedanken voor zijn uitgebreide reactie op de vele punten die in het debat naar voren zijn gekomen. Het Belastingplan 2014 is een weerslag van waar de huidige regeringscoalitie en de gedogers met onze samenleving heen willen. Ik verklap geen geheim als ik zeg dat mijn fractie niet buitengewoon veel affiniteit heeft met dat toekomstbeeld. Wij hebben grote kritiek op het voorliggende Belastingplan en met het geheel zijn wij bepaald niet gelukkig.

Als ik het debat van vandaag overzie, dan concludeer ik dat een groot deel van het debat gewijd is aan beschouwingen over het ideale belastingstelsel in jaar X. Dat is natuurlijk een prachtig debat met een fraai abstractiegehalte. Iedereen kan zijn hart daaraan ophalen, maar het heeft heel weinig te maken met de realiteit van vandaag. Dat bezwaart mij bijzonder omdat wij daar in essentie met elkaar over spreken en niet zozeer over de vraag hoe een utopische toekomst eruit kan zien. Mijn zorg is dat de harde werkelijkheden waar wij voor staan niet de aandacht hebben gekregen die nodig is, terwijl wel heel veel aandacht uitging naar allerlei zaken die op korte termijn niet te realiseren zijn. Ook duidelijk is dat de belastingplannen voor 2014 in zeer veel gevallen haaks staan op het door sommigen geschetste utopische beeld van de fiscale toekomst.

Het zal niet verbazen dat mijn fractie het Belastingplan 2014 niet zal steunen. Wij steunen wel de overige technische fiscale maatregelen

De heer Bröcker (VVD):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris en zijn staf. Wij hebben vandaag een heel goede inhoudelijke discussie gehad. Die discussie kan niet als utopisch worden gekenschetst. Wat wij vandaag goed besproken hebben, is dat de fiscale agenda onder druk staat. Dat heeft de staatssecretaris zelf ook erkend. Mijn fractie heeft daar begrip voor, zoals ik gisteren al heb gezegd. De prioriteit van het Herfstakkoord was het op orde krijgen van de begroting. Dat akkoord is met een aantal partijen gesloten en dit heeft ongetwijfeld zijn weerslag gehad op het pakket aan maatregelen in het Belastingplan 2014. Mijn betoog van gisteren was een oproep om de lijn van de fiscale agenda de komende jaren op te pakken. Ik weet dat de staatssecretaris die oproep niet echt nodig heeft, maar hij kan die zien als steun voor zijn beleid. Ook mijn fractie beseft dat er bij het uitzetten van die lijn ruimtelijke beperkingen zijn, gezien de stand van de begroting, ook in de komende jaren.

Wij hebben heel veel gesproken over fiscaal instrumentalisme. De heer Essers heeft mede namens mij een motie ingediend over de belastinguitgaven. Het debat dat ik met de heer Van Boxtel had, was een uitstekend debat. Wij moeten elkaar scherp houden. Natuurlijk is mijn fractie niet tegen fiscaal instrumentalisme en tegen belastinguitgaven, maar die middelen moeten wel ingezet worden onder een zeer scherpe set voorwaarden en met helder omschreven doelstellingen. Vervolgens moet er zicht zijn op een beperking in de tijd, een horizonbepaling. Een en ander gaat gepaard met evaluaties. Dit is belangrijk voor de bestendigheid van het overheidsbeleid en voor het vertrouwen van burgers. Ik denk overigens niet dat de staatssecretaris op een wezenlijk andere lijn zit dan mijn fractie.

Dank voor de toezegging om naar de problematiek rond dga-pensioenen te kijken. Ik schrok wel van het bedrag aan beklemd vermogen over 2009 van 34 miljard. Gezien de renteontwikkeling in de periode 2009–2014 kan er zo maar een flinke verhoging plaatsvinden. Ik wil het niet over een verdubbeling hebben, maar het gaat zeker om een aanzienlijk bedrag.

Wij steunen de verkenning van de staatssecretaris op korte termijn naar structurele oplossingen. Wij hopen ook dat hij de komende maanden in de door hem geschetste tweede optie stappen kan zetten. Naar ik begrepen heb, zijn er voldoende opties om dat budgettair-neutraal te doen. Wij wachten met spanning op de uitkomsten van de toezeggingen van de staatssecretaris op dat punt.

Wij hebben toch een beetje de discussie gestart over de belastingmix. Vandaar wellicht de opmerking van collega De Lange. De belastingmix is altijd een onderwerp geweest van de collega's van de SP. De PvdA heeft ook een bijdrage aan deze discussie geleverd. Wij zijn het erover eens dat er een schuif nodig is van de directe belastingen. De vraag is alleen waar die schuif heen gaat. Gaat het naar de indirecte belastingen of is het een schuif in de vermogenssfeer? In de komende tijd zullen wij hier een zeer boeiende – laat ik het netjes zeggen – discussie over voeren, mede in het licht van het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen. Hierover is zeker het laatste woord nog niet gezegd. Mijn fractie kijkt ook uit naar eind januari wanneer wij met de staatssecretaris zullen praten over het verdragsbeleid en multinationals. De komende tijd staan er beleidsmatig zeer relevante onderwerpen op de agenda.

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. Ook wij danken de staatssecretaris voor zijn heldere beantwoording, al zijn wij het niet altijd met hem eens. Er zijn cijfers van die evenwichtige lastenverzwaringen en inkomensverdelingen. Naar ons gevoel zijn die getallen niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Ik zal niet herhalen wat ik hierover in eerste termijn heb gezegd. Gelukkig kennen wij in Nederland het systeem van de onafhankelijke rechter. In dit geval is dat de kiezer die in het eerste halfjaar van volgend jaar twee keer in actie kan komen. Wij wachten dat met vertrouwen af.

Wij steunen beide moties van de heer Van Strien en de motie van de heer Reuten omdat wij het eens zijn met de inhoud. Voor het overige zullen wij tegen het Belastingplan stemmen, maar dat zal niet verbazen.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de antwoorden en de ambtenaren voor de ondersteuning daarbij. Ik ga niet verder in op de koopkrachtdiscussie. Bij de behandeling van diverse wetsvoorstellen zullen wij die discussie ongetwijfeld verder voeren, onder anderen met de chef koopkracht die dit kabinet blijkt te hebben. Dat geldt ook voor de zorgwekkende koopkrachtdaling van alleenstaande ouders in de bijstand. Wij nemen er nota van dat deze daling volgens de staatssecretaris niet het gevolg is van de maatregelen uit het Belastingplan, maar ik herhaal wel mijn constatering dat men er met het Belastingplan, ondanks de doelstelling van een evenwichtige inkomensverdeling, niet in is geslaagd om deze achteruitgang te compenseren.

Wij zijn blij met de toezegging van de staatssecretaris dat hij met een notitie zal komen over de fiscale vergroening, met aandacht voor kansen, uitdagingen en dilemma's. De staatssecretaris heeft toegezegd dat deze notitie er in de loop van het volgend jaar komt. Wij zouden hem willen vragen of dit ook voor de zomer kan, zodat wij er ook zonder de hectiek van het Belastingplan rustig over kunnen spreken. Wij zijn ook blij met de steun die vandaag door bijna alle collega's is uitgesproken om, in elk geval nu, fiscale instrumenten in te zetten voor vergroening en met name duurzame energie.

Met betrekking tot de postcoderoos – ik ga er toch één zin over zeggen – nemen wij er met instemming nota van dat de woordvoerder van de VVD-fractie hoopt dat de ingewikkelde postcoderoosregeling op termijn kan vervallen en dat de vrijstelling zo eenvoudig mogelijk wordt voor alle coöperatieve opwekking van duurzame energie. De vraag is of het nu mogelijk is om in die gevallen waarin de postcoderoos tot onredelijke uitkomsten leidt een uitzondering te maken. Net als collega Sent heb ik tijdens de technische briefing begrepen dat dit kan. Wellicht niet bij wijze van reguliere ontheffing door de belastinginspecteur, maar met een beroep op de hardheidsclausule. Ik heb begrepen dat de staatssecretaris hierop in tweede termijn nader in zal gaan. Dat wachten wij dan ook graag af.

Mevrouw Sent (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. Ik dank de staatssecretaris graag voor zijn heldere en prettige beantwoording van onze vragen. Ik dank ook graag de collega-senatoren voor de gedachtewisseling die wij hebben gehad over de uitgangspunten van belastingheffing. Het primaire doel van belastingen is het vullen van de schatkist ter financiering van de overheidsuitgaven, zoals de staatssecretaris heeft benadrukt. Verder leer ik mijn studenten in de cursus Overheidsfinanciën uit het boek van De Kam, Koopmans en Wellink dat er vijf secundaire doelen zijn, te weten: bevorderen van economische groei, zichtbaar maken van maatschappelijke kosten, samenstelling van de bestedingen wijzigen, verkleining van de welvaartsverschillen en ten slotte conjunctuurbeleid.

In onze eerste termijn hebben wij aandacht gevraagd voor drie van deze secundaire doelen, te weten: 1. stimuleren van de werkgelegenheid; 2. verkleining van welvaartsverschillen; 3. het stimuleren van duurzaamheid.

Dat laatste hangt samen met het zichtbaar maken van de maatschappelijke kosten en het wijzigen van de samenstelling bestedingen.

Ten aanzien van het eerste punt, het stimuleren van de werkgelegenheid, begrijpen wij dat de staatssecretaris onze ideeën hierover zal meenemen in zijn reactie op het rapport van de Commissie Inkomstenbelasting en toeslagen. Wij kijken uit naar zijn reacties hierop. Wij zijn blij met de aandacht van de staatssecretaris en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het tegengaan van schijnzelfstandigheid. Wij begrijpen ook dat er beperkingen zijn in de fiscale mogelijkheden.

Ten aanzien van het tweede punt, welvaartsverschillen, hebben wij met name aandacht gevraagd voor de vermogensongelijkheid. Hier blijkt toch nog enige onduidelijkheid over te bestaan. De onderzoeken waarop wij ons baseren van Müller, Buchholz en Blossfeld en van Van Bavel en Frankema geven aan dat Nederland boven het EU-gemiddelde zit waar het gaat om vermogensongelijkheid en dat die vermogensongelijkheid toeneemt. Dit baart ons zorgen tegen de achtergrond van de versobering van arrangementen van de verzorgingsstaat. Ook is het wel degelijk mogelijk om met OECD-cijfers tarieven te vergelijken. Dan wordt gebruik gemaakt van categorie 400 van de OECD Revenue Statistics. Toegegeven, verschillende pensioenarrangementen en verschillende belastingmixen maken deze discussie ingewikkeld. Het zal niet mogelijk zijn om vandaag in het plenaire debat, gezien het tijdsbestek dat ons ter beschikking staat, een goede internationale vergelijking te krijgen. Daarom vragen wij de staatssecretaris of hij bereid is op papier meer helderheid te verschaffen over de vermogensongelijkheid in Nederland in internationaal perspectief en de vermogensbelasting in Nederland in internationaal perspectief en een beoordeling daarvan te geven.

Dan het laatste punt, duurzaamheid. Wij zijn blij met de toezegging aan de ChristenUnie dat er een notitie zal komen over de inzet van het fiscaal instrumentarium ten behoeve van vergroening. Onze vraag daarbij is of de staatssecretaris bereid is om de fiscale vergroeningsmogelijkheden, zoals door ons gesuggereerd in onze inbreng in eerste termijn, te betrekken bij de notitie die hij zal aanleveren over een fiscaal instrumentarium en vergroening. Ook is onze vraag daarbij welke rol hij ziet voor inzichten uit de gedragseconomie. Hij heeft aangegeven dat staatssecretaris Mansveld daar aandacht voor heeft en dat de RMO daar een rapport over uit zal brengen. Wat mogen wij dan vervolgens van het kabinet verwachten in reactie op die inzichten en aanbevelingen? Graag krijgen wij hierover iets meer helderheid.

Voorzitter. Ik sluit dan ook af met het uitspreken van hoop op verduidelijking van de staatssecretaris op een aantal van de resterende punten.

De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter. Het is niet mijn gewoonte om tijdens een debat over het Belastingplan regelmatig de zaal te verlaten, maar de reden is dat er is straks ook nog een ander debat is dat nogal wat energie zal vergen. Ik voel mij daar niet geheel en persoonlijk verantwoordelijk voor, maar zo gaat het soms. Ik vind het niet netjes en ook niet hoffelijk tegenover de staatssecretaris, die mij wel keurig heeft geantwoord. Ik heb veel van de antwoorden ook gehoord. Daar kan ik goed mee leven. Op een punt wil ik terugkomen, namelijk op het debatje over de vraag hoe de fiscaliteit ingezet kan worden om iets in de samenleving aan te passen. Collega Ester heeft gevraagd om een aparte notitie rondom fiscaliteit en duurzaamheid. Wij zitten inhoudelijk ontzettend dicht bij elkaar. Mijn partij knokt ook al jaren voor verduurzaming in de fiscaliteit, mede als instrument om gedrag te beïnvloeden en de samenleving echt op een ander spoor te krijgen. Mijn zorg is dat wij dan een aparte notitie krijgen, terwijl wij ook wachten op het integrale verhaal in reactie op het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen. Ik wil zaken zo veel mogelijk bij elkaar brengen. Als wij alles steeds verknipt blijven behandelen, vind ik het lastig. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij zich comfortabel voelt bij het steeds partieel bespreken van elementen in plaats van integraal. De vraag is hoe wij met de fiscaliteit komen tot een eenvoudig transparant stelsel in plaats van steeds in te zetten op aparte onderdeeltjes. Dat is een breed gedragen wens hier politiek. Ik heb dat mijn collega's van VVD en CDA horen zeggen en ik weet dat het ook geldt voor GroenLinks. Dus mijn vraag is: hoe brengen wij het bij elkaar?

Dan het punt van de zesmaandstermijn waarop de staatssecretaris heeft gereageerd. Ik kon uit zijn antwoord niet afleiden of het echt scherp genoeg is voor de uitvoeringpraktijk. Dus die vraag herhaal ik. Mijn zorg zit alleen maar in de kwaliteit van de uitvoering. Ik wil niet dat er allerlei gedoe ontstaat over welke datum geldt en hoe wij het precies moeten interpreteren. Dus hoe exacter de staatssecretaris kan zijn, ook voor de toetsing in de praktijk, hoe beter het is.

Verder dank ik de staatssecretaris hartelijk.

Staatssecretaris Weekers:

Voorzitter. Ik dank de Kamerleden voor hun inbreng in tweede termijn. Ik snap natuurlijk goed dat niet elke fractie zich heeft laten overtuigen als het gaat om de keuzes die zijn gemaakt in het Belastingplan. Tegelijkertijd waardeer ik het zeer dat wij een discussie op inhoud hebben kunnen voeren als het gaat om een aantal aspecten die in het Belastingplan zelf staan. Een aantal aspecten staan in de overige fiscale maatregelen of het fraudewetsvoorstel. Ik dank met name de heer Van Strien omdat hij die in elk geval wel wil steunen. Ik zou verder in tweede termijn in willen gaan op de nog openstaande vragen en de motie.

De heer Essers heeft gevraagd naar de werkgeversheffing, naar de bijgestelde prognose rondom de opbrengst naar aanleiding van de meest recente CBS-cijfers. Daarvoor geldt de normale regel dat wij uiteindelijk meevallers gebruiken voor het EMU-saldo en dat tegenvallers ten laste gaan van het EMU-saldo. De vraag is of er een tussentijdse aanpassing nodig is als de maatregel met een jaar wordt verlengd. Dat zouden wij dan eigenlijk op alle onderdelen moeten doen. Als je dit alleen maar doet ten aanzien van iets wat meevalt, ben je uiteindelijk macro gezien je eigen tegenvallers aan het organiseren omdat je de meevallers bij gaat stellen en de tegenvallers niet. De heer Essers heeft aangegeven waar hij risico's ziet. De heer Ester heeft ook bepaalde risico's geadresseerd. Dan gaat het met name om de heel grote bedragen die verwacht worden rondom de 80%-regeling stamrechtvrijstelling en rondom het verlaagde tarief box 2. Kortom, overal zitten onzekerheden aan. In het geheel genomen voel ik mij comfortabel met de ramingen die zijn geleverd. Ik zou er dan ook niet hier of daar iets willen uitpikken om daar dan toch nog iets leuks voor te kunnen doen in de richting van bijvoorbeeld de werkgevers die met die crisisheffing te maken hebben, hoe graag ik dat misschien ook zou willen.

Daarnaast heeft de heer Essers een motie ingediend mede namens de heer Bröcker, waarin hij de regering oproept om beleid te ontwikkelen om het aantal belastinguitgaven substantieel terug te dringen, om nieuwe belastinguitgaven pas in te voeren nadat doel en noodzaak daarvan is aangetoond in combinatie met een ex ante-evaluatie, de effectiviteit van deze maatregel periodiek te monitoren en te evalueren en de werkingsduur van nieuwe belastinguitgaven te koppelen aan een horizonbepaling.

Het is de vraag hoe je deze motie moet lezen. Hoe strak wil de heer Essers de instructies geven? Als de instructies te strak zijn, dan begint het te knellen. Het zal mij bijvoorbeeld op korte termijn niet lukken om beleid te ontwikkelen om het aantal belastinguitgaven substantieel terug te dringen, maar dat zullen de heren Essers en Bröcker ook begrijpen. Gaat het erom, de belastinguitgaven in zijn algemeenheid terug te dringen, daarmee de grondslag te verbreden, wat uiteindelijk in de toekomst kan leiden tot lagere tarieven, dan is mij dat uit het hart gegrepen. Een ex ante-evaluatie van bepaalde maatregelen is helemaal niet slecht. De vraag is hoe zwaar die evaluatie moet zijn, want soms is het ook een kwestie van politieke opportuniteit, bijvoorbeeld dat we in het kader van een begrotingsakkoord moeten en ook willen beslissen om politieke wensen die leven heel snel tot uitvoering te brengen. Dan is een complete ex ante-evaluatie niet mogelijk. Als het signaal echter is dat de Eerste Kamer eraan hecht dat de fiscaliteit niet te pas en te onpas wordt belast met allerlei instrumentalisme en het besef dat er voortdurend een roep is om nieuwe instrumenten, waarbij het kabinet wordt gevraagd om het bestaande instrumenten daarvoor in te ruilen. Dan ondersteunt mij dat ook in mijn beleid. Effectiviteit van maatregelen moet periodiek worden gemonitord en geëvalueerd. Ik ben het met de Kamer eens dat nieuwe maatregelen moeten worden gekoppeld aan een horizonbepaling.

Met de kanttekeningen die ik zojuist heb geplaatst, kan ik het oordeel over de motie aan de Kamer overlaten.

De heer Essers (CDA):

Graag een toelichting hierop. Het is meer bedoeld als een soort serieus toetsingskader met "comply or explain": als je ervan afwijkt, moet je duidelijk maken waarom. Als het politiek opportunisme is, moet dat ook duidelijk zijn. We weten allemaal dat dat weleens gebeurt, maar het gaat erom dat we met zijn allen een kader afspreken waarbinnen dat fiscaal instrumentalisme zich zou moeten afspelen.

Staatssecretaris Weekers:

Ik ben het daar zeer mee eens. Ik heb dat ook, nog in het vorige kabinet, in de fiscale agenda neergelegd. Het lijkt me daarom geen slecht idee als de Kamer deze motie aanvaardt en dat dit opnieuw in het toetsingskader wordt uitgeschreven onder het motto "pas toe of leg uit".

De heer Van Strien heeft geen nieuwe vragen gesteld. Ik heb hem zojuist bedankt voor de steun voor het fraudewetsvoorstel en de overige fiscale maatregelen. Over de andere twee punten zullen we elkaar niet weten te overtuigen en dat respecteer ik. Hetzelfde geldt voor de andere fracties die al een oordeel over het Belastingplan hebben uitgesproken. Ook de heer Reuten kan ik niet overtuigen. Hij zegt dat hij volgens de huidige projecties tussen 2013 en 2017 geen verkleining vindt van de verschillen tussen de lage en hoge inkomens in het eerste en het vierde kwartiel. Volgens hem vraagt de motie-Zijlstra/Samsom daarom. Ik ben dat niet met hem eens. De motie-Zijlstra/Samsom is duidelijk: ze geeft aan dat de inkomensverschillen moeten worden verkleind en ze geeft ook expliciet aan hoe het kabinet dat moet doen. Die opdracht is uitgewerkt in dit Belastingplan, en niet alleen voor 2014, want er staan ook maatregelen voor 2015, 2016 en 2017 in, evenals voor de verdere afbouw van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Dat dit zich uiteindelijk niet laat vertalen in de kwartielverdeling zoals de heer Reuten die naar voren heeft gebracht, doet niets af aan het feit dat wij de motie-Zijlstra/Samsom daarmee gewoon hebben uitgevoerd. Het kabinet blijft er dus bij dat die motie is uitgevoerd. Het kabinet moet de motie van de heer Reuten ook om die reden ontraden; die gaat namelijk verder dan wat de motie-Zijlstra/Samsom van het kabinet vraagt.

De heer Reuten (SP):

De staatssecretaris en ik zijn het er kennelijk over eens dat je het totale beleid met betrekking tot de belastingen plus toeslagen, bijslagen enzovoort kunt afmeten aan het besteedbare inkomen. Laten we kijken naar het besteedbare inkomen tussen 2013 en 2017, volgens de cijfers van het kabinet in tabel 4 uit de nota naar aanleiding van het verslag. Het eerste en het vierde kwartiel nemen ongeveer gelijkelijk toe: met 8% respectievelijk 7,9%. Ik wil nog één keer duidelijk van de staatssecretaris horen of wij het daarover eens zijn. Als dat het geval is – en ik denk ook dat wij het daarover eens zijn – dan kun je toch niet zeggen dat de hoogste inkomens, dus het hoogste kwartiel, een extra bijdrage leveren? Dat doen ze namelijk niet. Het kabinet heeft de motie-Zijlstra/Samsom op dit punt dus níét uitgevoerd. Ik begrijp daarom ook niet waarom de staatssecretaris de thans voorgestelde motie ontraadt; hij zou eventueel kunnen zeggen dat die overbodig is. Maar goed, twee punten. Ten eerste: zijn we het eens over de cijfers? En ten tweede: is dit in tegenspraak met de bewering dat er meer wordt gevraagd van de hoge inkomens?

Staatssecretaris Weekers:

De heer Reuten heeft gevraagd of de cijfers in een aantal grafieken en tabellen kloppen. Ik heb gezegd dat die cijfers kloppen, maar dat het de vraag is hoe deze vervolgens worden uitgelegd. Cijfers, grafiekjes en staatjes kunnen natuurlijk op tal van manieren worden uitgelegd: je kunt ze eng bekijken in het licht van de belastingen; je kunt ze wat breder bekijken en ook de toeslagen erbij betrekken; je kunt kijken naar het besteedbare inkomen; je kunt kijken naar hun betekenis voor een individu of huishouden. Wat is er allemaal nog niet bij betrokken? Iemand kan bijvoorbeeld door alle Egyptische plagen worden geraakt of iemand kan de loterij winnen. Het kabinet heeft heel simpel gekeken naar wat de motie-Zijlstra/Samsom vraagt: een heel concrete uitwerking om bepaalde heffingskortingen in de fiscaliteit af te bouwen, zodat de mensen met een hoog inkomen meer belasting gaan betalen dan nu en de mensen met een laag inkomen minder. Daarnaast heeft het kabinet behoorlijk bezuinigd op het brede palet aan toeslagen. Er worden fiscale regelingen omgezet in toeslagen en er worden fiscale regelingen afgebouwd. Ik noemde daarstraks al de LOK, die wordt omgezet in iets nieuws voor alleenstaande ouders in de bijstand die gaan werken. Het totale pakket komt zo tot stand. Je kunt dan niet zeggen dat dit alles ceteris paribus uiteindelijk leidt tot denivellering. Als dat het geval was en als Zijlstra en Samsom niet gelukkig waren met de uitvoering van de motie, had ik dat ongetwijfeld al in de Tweede Kamer van hun twee partijen gehoord en dan had ik dat ook in deze Eerste Kamer van die twee partijen gehoord. In ieder geval zijn deze beide partijen tevreden met de uitwerking van die motie.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik luister goed naar de staatssecretaris, maar ook naar de heer Reuten. Ik wil tegen de laatste het volgende zeggen. In eerste termijn heb ik al gezegd dat ik buitengewoon veel waardering heb voor het feit dat er dingen bij elkaar worden gezet die de vinger op een mogelijk zere plek leggen. Wat mij interesseert is dat dit allemaal tot 2010 loopt. Inmiddels zijn we echter bijna drie jaar verder en zijn er allerlei andere maatregelen bij gekomen in termen van beleidswijzigingen, die bij mij de vraag oproepen: is dat allemaal nog steeds wel zo? Het gaat me bijvoorbeeld over de veronderstelling dat mensen in het eerste kwartiel zwaarder worden getroffen dan die in het vierde kwartiel. Van de staatssecretaris heb ik daar nog niets over gehoord. Die zaken tellen wel mee bij mijn gedachtevorming, zonder dat ik meteen zeg dat ik het ermee eens ben dat het allemaal anders moet. Ik wil recht doen aan wat er op tafel is gelegd en ik wil dat daar niets op wordt afgedaan. Maar we zijn inmiddels wel bijna drie jaar verder en dat telt ook mee bij mijn benadering.

Staatssecretaris Weekers:

Ik kan die "drie jaar verder" niet helemaal plaatsen omdat de heer Reuten met name ingaat op de vergelijking tussen 2013 en 2017, gebaseerd op het kabinetsbeleid. Intussen zijn er natuurlijk wel een aanvullend akkoord en een begrotingsakkoord gekomen, en die hebben we hierin verwerkt. Op het terrein van de zorgkostenaftrek heeft dat ook weer tot aanpassingen geleid. Vandaar dat ik zeg tegen de heer Reuten dat de cijfers kloppen, maar dat het de vraag is in welk perspectief je ze plaatst. Het kabinet trekt er in ieder geval niet die conclusie uit. De fracties van de heren Samsom en Zijlstra trekken daar ook niet de conclusie uit dat het kabinet met zijn beleid de inkomensverschillen aan het vergroten is. Nee, het beleid is er nu juist op gericht om de inkomensverschillen wat te verkleinen, hoe dat ook valt bij bepaalde partijen in het parlement. Niet voor niets heeft er in het kader van de begrotingsafspraken nog een aanpassing plaatsgevonden, niet vanwege de motie-Zijlstra/Samsom, maar wel vanwege datgene wat in het aanvullende begrotingsakkoord van de afgelopen zomer stond, met het 6 miljardpakket. In het oorspronkelijke Belastingplan stond dat de algemene heffingskorting helemaal zou worden afgebouwd, waardoor de hogere inkomens nog meer belasting zouden gaan betalen. Dat is in het aanvullende begrotingspakket teruggedraaid, maar het staat los van de motie-Zijlstra/Samsom.

De heer Ester heeft gevraagd naar de visie op fiscaliteit en vergroening. Eerder in het debat heb ik gezegd dat ik de desbetreffende nota in de loop van 2014 naar de Kamer wil zenden. In alle eerlijkheid wil ik me op dit moment niet binden aan een concrete datum.

De heer Van Boxtel koppelde daaraan de vraag of ik me wel senang voel als ik een reactie stuur op de commissie-Van Dijkhuizen en op een later moment de vergroening daaraan toevoeg. Het liefst zou ik dit natuurlijk integraal doen, maar ik heb beide Kamers beloofd dat mijn reactie op de commissie-Van Dijkhuizen aan het eind van het eerste kwartaal komt, ergens rond 1 april. Dan heb ik dat stuk over de vergroening niet af, zeker niet omdat ik eerst het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving wil afwachten. Dat komt in het voorjaar, met het tweede deel van een onderzoek naar fiscale vergroening, waarin met name wordt ingezoomd op accijnzen, energiebelasting en autobelastingen. Dat soort gegevens moet ik er natuurlijk bij betrekken. Ik zal daar uiteraard ook de motie-Essers/Bröcker bij betrekken, waarin wordt gesteld dat een aantal fiscale instrumenten mooi is, maar dat dat wel moet worden teruggedrongen en dat ervoor moet worden gezorgd dat het geheel goed functioneert. Als ik iets hierover op papier zet, moet ik het wel ordentelijk doen.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik zei al dat ik de vraag van de heer Ester buitengewoon legitiem vind. Ik doe daar dus niets aan af. Toch heb ik moeite met de fragmentatie die gaat optreden als wij in april een reactie krijgen op de commissie-Van Dijkhuizen en in mei weer een andere notitie over één onderdeel van de fiscaliteit, namelijk de verduurzaming. Ik wil mijn collega's vragen om hierin tijdens de procedurevergaderingen, als wij het een en ander bij elkaar leggen, toch wat meer synergie aan te brengen. Ik zie het namelijk gebeuren dat we straks over Van Dijkhuizen weer van alles zullen vinden, maar in afwachting van deelnotities over deelterreinen zoals de duurzaamheid ook weer allerlei voorbehouden zullen moeten maken. Ik kan me niet voorstellen dat we zoiets een heel goede route vinden.

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik ben niet gelukkig met deze interventie van de heer Van Boxtel. Als we allerlei dossiers verknopen, gebeurt er namelijk helemaal niets. Duurzaamheid is een essentieel onderdeel van de toekomst van Nederland, van onze economie, van de vergroening van onze samenleving. We moeten zoiets niet opgeven door het weer aan andere zaken te knopen. Ik blijf graag bij het idee om de staatssecretaris te vragen om een aparte notitie. Hij kan alle plussen en minnen daarbij gebruiken, maar de duurzaamheid van Nederland is mij te lief om op deze manier weg te geven.

De heer Van Boxtel (D66):

Voor de zuiverheid van de Handelingen wil ik daar nog wat over zeggen, want de heer Ester doet nu iets wat ik niet kan accepteren. Duurzaamheid is mij immers net zo lief, en gezien de traditie van D66 misschien nog wel wat liever. Dat is dus niet het argument om dit apart te willen. Al is duurzaamheid ook mij heel erg lief, het gaat me om de samenhang binnen de gehele fiscaliteit.

Staatssecretaris Weekers:

Ik begrijp beide wensen heel goed, maar ik heb te maken met beide Kamers der Staten-Generaal. Ik heb afgesproken dat ik op een bepaald moment met een kabinetsreactie kom op de commissie-Van Dijkhuizen. Het lukt me niet om dan al het aan de heer Ester toegezegde stuk op tafel te leggen, simpelweg omdat ik de studies die ik daarvoor wil gebruiken nog niet heb. Dat laat onverlet dat deze Kamer zelf kan beslissen wanneer zij het debat met mij wil aangaan, en of zij het over afzonderlijke onderdelen van het fiscale beleid wil doen of het interessanter vindt om dit integraal te doen en daarvoor met een bepaalde discussie te wachten. Een ander voorbeeld daarvan is de discussie over de belastingverdragen. Als ik me niet vergis, ligt de notitie daarover hier sinds 28 januari 2011. In de afgelopen zomer is de kabinetsreactie op het SEO-onderzoek daarbij gekomen en inmiddels ook de reactie op de motie van het lid Klaas de Vries. Dat betekent dat er een heel breed totaalpakket op tafel ligt waarover wij met elkaar van gedachten kunnen wisselen. Als u het nodig vindt om over een bepaald onderdeel separaat met mij te spreken en als u dat heel snel wilt doen, dan ben ik uiteraard altijd gaarne bereid om dat gesprek met u snel aan te gaan. Dus hoe u daarmee verder procedeert leg ik uiteraard graag terug in uw midden.

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik laat het aan u over of dat kort voor of na de zomer is, maar ik zou die notitie wel graag rond die tijd van u ontvangen, kort voor of kort na de zomer. Ik begreep dat u dat hebt toegezegd.

Staatssecretaris Weekers:

Ja. Ik doe wat ik kan. Ik heb net gezegd dat ik ook afhankelijk ben van onderzoeken die andere gerespecteerde bureaus doen en die ik nodig heb als input. Ik zal er uiteraard ook de motie-Ester/Bröckers bij betrekken, die eigenlijk al wat restricties aanbrengt bij wat je zou kunnen of moeten. Maar misschien is het nu juist heel mooi om dit in combinatie te zien en om met elkaar wat uitgangspunten voor de toekomst te bespreken, zodat iedereen ook voelt waar en wanneer er wel ruimte is. Laten wij dan daarover het debat voeren. Laten wij dat dus zo snel als mogelijk doen, maar wel verantwoord en op basis van de juiste informatie en onderzoeken van derden.

Dat de heer De Lange niet gelukkig was met het geheel heb ik gisteren ook gehoord. Hij had geen nadere vragen.

De heer Bröcker heeft het instrumentalisme nog even aan de orde gesteld. Daarop ben ik al ingegaan.

Over pensioen in eigen beheer heeft de heer Bröcker gevraagd om een structurele oplossing nader uit te werken. Ik heb van degenen in de Kamer die hierover opmerkingen hebben gemaakt in elk geval begrepen dat de Kamer zegt dat optie 1 uit de brief niet haalbaar is, dat optie 3 misschien perspectief biedt en de facto misschien ook wel neerkomt op een heel simpele variant van een "defined contribution system" dat de heer Essers heeft genoemd. Maar dat heb ik volgend jaar nog niet gerealiseerd. Ik proef wel dat er belangstelling bestaat voor een verdere uitwerking van die variant en voor het beschrijven van de diverse consequenties. Ik zal in het eerste kwartaal zien of er bijvoorbeeld langs de lijnen van optie 2, mits budgettair goed inpasbaar en goed afgegrendeld, iets mogelijk is, teneinde beklemd vermogen als het ware te kunnen ontklemmen. Dat kan door te bekijken of de klem van de verschillende benaderingen van commercieel en fiscaal op de een of andere manier naar elkaar is toe te brengen, dan wel of met een uitvoeringsbesluit wellicht iets kan worden gedaan waar de praktijk iets aan heeft. Dat zal dan overigens wel op een zodanige manier zijn dat daardoor niet de deur wordt opengezet voor structurering en voor belastingoptimalisatie, doordat men nu goedkoop dividend kan laten uitkeren ten laste van een deel dat bedoeld was voor pensioen, om het jaar erna weer wat oude pensioenrechten op te plussen en dat af te trekken tegen hogere tarieven. Ik zal er uiteraard oog voor hebben om dat soort effecten tegen te gaan.

Ik ben het met de heer Bröcker eens dat de discussie over de belastingmix een heel boeiende is. Tegelijkertijd stelt dat mij bijna voor een onmogelijke opgave om nog op de commissie-Van Dijkhuizen te reageren, want de ene kant van de Kamer zegt: "zoek het in de sfeer van vermogensbelasting", terwijl de andere kant van de Kamer zegt: "doe dat alstublieft niet". Als het gaat om een verschuiving van lasten op arbeid naar bijvoorbeeld lasten op consumptie klinkt dat heel mooi. Ik wijs erop dat ik al eens eerder een dergelijke suggestie heb gedaan. De inkt van dat stuk was nog niet droog, of het werd afgeschoten door dezelfde partijen die hier in de Kamer nu toch bepleiten dat er een schuif naar consumptie plaatsvindt. Ik hoef maar in herinnering te roepen dat de discussie over btw een heel gevoelige is, om dan nog maar te zwijgen over een uniform btw-tarief en de mogelijke grenseffecten die daarmee samenhangen.

Dus ik wil de verwachtingen rondom grote belastinghervormingen op de korte termijn toch wat temperen, niet omdat ik ze niet zou willen maar omdat ik toch ook wel een pragmatisch politicus ben. Ten eerste heb ik een meerderheid te vinden, ten tweede moeten de effecten te dragen zijn in de samenleving. Per saldo moeten uiteraard ook het werkgelegenheidseffect en het welvaartseffect positief zijn. In een tijd van budgettaire krapte waarin we eerder, zoals bij dit Belastingplan, met bepaalde belastingverhogingen te maken hebben dan met belastingverlagingen, is dat een bijna onmogelijke zaak.

Ik vind het jammer dat ik de heer Nagel niet heb kunnen overtuigen, maar dat was eigenlijk gisteren ook al duidelijk met zijn insteek. Ik hoop dat hij de fiscale fraudeaanpak wel kan steunen.

Mevrouw De Boer gaat de discussie over koopkracht verder voeren met collega Asscher. Ik denk dat dat ook zeer zinvol is.

Op de petitie fiscale vergroening ben ik ingegaan.

Ten aanzien van de postcoderoos staat in de wet wat er staat. Die roos moet in het midden staan. Dat is om goede redenen gedaan. Ik heb ook aangegeven dat lokale projecten van de grond moeten komen. Als iets op tafel wordt gelegd wat niet aan de letter voldoet maar waarvan de uitkomst uiteindelijk toch getuigt van onbillijkheid van overwegende aard, dan kan ik met de hardheidsclausule in de hand een uitzondering op de regel maken. Dan moet het om iets heel speciaals gaan. Er kunnen zich bepaalde dingen voordoen waaraan wij nu nog niet denken. Dat is een. Twee. Het komend jaar moeten wij bekijken waar wij tegenaan lopen. Wordt het doel gehaald met de regeling zoals die nu gedefinieerd is? Kan het doel beter bereikt worden binnen de budgettaire kaders die zijn afgesproken? Als het uitvoerbaar is, sta ik open voor constructieve oplossingen. Wij zullen die uiteindelijk in de wet moeten verankeren. Misschien moeten wij daar dan met steun van beide Kamers even op vooruit lopen, maar dat hebben wij ook al eerder gedaan.

Ik kom op de bijdrage van mevrouw Sent. Ik dank haar voor haar inbreng en haar ideeën. Zij zal het mij niet euvel duiden dat ik niet alle ideeën even hartelijk omarm. Tegelijkertijd zitten er ook ideeën tussen die zonder meer de moeite van het bestuderen waard zijn. Daarover heb ik eerder aangegeven dat ik die zal meenemen.

Verder heeft mevrouw Sent gesproken over het boek van Koopmans en Wellink. Ik kan mij dat nog herinneren van 25 jaar geleden. Ik ben benieuwd de hoeveelste druk dit inmiddels is en hoe vaak de publicatie intussen is herzien.

Collega Asscher en ik komen nog terug op de schijnzekerheid. Mevrouw Sent wil graag een uitgebreide reactie op de vermogensongelijkheid, eventueel later per brief. Ik zeg die graag toe. Ik kan er nu wel het nodige over zeggen, maar gelet op de tijd denk ik dat wij er beter in een brief op kunnen terugkomen. Het is immers niet de essentie van het Belastingplan. Het zal het stemgedrag van mevrouw Sent niet beïnvloeden, denk ik. Op vergroeningsvoorstellen en inzichten in de gedragseconomie ben ik al ingegaan.

De heer Van Boxtel sprak over fiscaliteit en duurzaamheid. Ik weet hoezeer dit thema D66 aan het hart gaat. Op partieel versus integraal ben ik al ingegaan. Wat de zesmaandentermijn betreft: ik meen dat ik heel concreet ben ingegaan op de vraag hoe het moet worden uitgelegd. Op de website van de Belastingdienst staat het heel duidelijk omschreven. Er is een speciaal pensioenonderdeel op de website. Mochten daar toch nog vragen over zijn, dan hoor ik dat graag. Ik zal er dan voor zorgen dat de informatie op de website, die voor iedereen beschikbaar is, dus ook voor de inspecteurs, wordt verduidelijkt.

Dat waren de punten die nog openstonden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Dank u wel. Vanavond gaan wij aan het einde van de vergadering stemmen over de wetsvoorstellen en de ingediende moties.

De vergadering wordt van 13.04 uur tot 13.30 uur geschorst.

Naar boven