Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 33, item 8

8 Collegegeld langstudeerders

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wet verhoging collegegeld langstudeerders (32618).

De beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Zijlstra:

Voorzitter. Ik begin met het uitspreken van mijn felicitaties aan de heer Sörensen en de heer De Graaf vanwege hun maidenspeech. Ik hoop nog vele malen met hen de degens te mogen kruisen, maar dan wel in de goede zin van het woord.

Er is veel gezegd, ook over de procedure. De Kamer gaat natuurlijk over haar eigen agenda. Ik zou niet de euvele moed hebben om daarin te treden, maar ik wil er wel een paar opmerkingen over maken. Op 8 maart heeft het kabinet een brief ontvangen van de Voorzitter van de Eerste Kamer waarin werd aangegeven dat het kabinet wetsvoorstellen die het nog voor het zomerreces zou wensen te behandelen, voor 28 april diende in te leveren bij de Eerste Kamer. Het kabinet heeft dit met het voorliggende wetsvoorstel gedaan. Op 10 mei heeft de commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Eerste Kamer de behandeling van het wetsvoorstel geopend. Op 31 mei is het voorlopig verslag vastgesteld dat als sluitingsdatum 24 mei had. Op 17 juni is de memorie van antwoord ingediend. Op 21 juni heeft de Kamer vervolgens aangegeven nog een brief in dit verband te willen ontvangen die ze op 23 juni ontvangen heeft. Op 28 juni heeft de Eerste Kamer de inbreng geleverd voor een nader voorlopig verslag dat op 1 juli om 9.00 uur 's ochtends is vastgesteld. Om 12.00 uur op dezelfde dag hebben wij het antwoord daarop gestuurd. Ik zeg er onmiddellijk bij dat ik geen garantie bied voor de toekomst dat deze snelheid altijd en bij elk wetsvoorstel betracht kan worden, maar ik hecht eraan om aan te geven dat wij gepoogd hebben om binnen de door de voormalige Voorzitter van de Eerste Kamer aangegeven tijdslimieten te blijven en dat dit ook is gelukt. Gezien de discussie die zich hierover ontspon, wilde ik dit helder maken. Nogmaals, de Eerste Kamer gaat over haar eigen agenda.

De heer Koole zei dat de nadere beantwoording pas op vrijdag binnenkwam, maar wij hebben letterlijk binnen drie uur nadat het verslag was vastgesteld een antwoord gegeven. Veel sneller dan dit lijkt mij moeizaam.

De heer Koole (PvdA):

De gang van zaken was inderdaad zoals de staatssecretaris schetste. Ik neem aan dat alles volgens afspraak gebeurd is, bijvoorbeeld de indiening van het wetsvoorstel voor eind april. Het gaat echter erom dat voor eind april niet was te voorzien dat in de voorstellen van de wet, maar vooral in de beantwoording van de vragen over dit wetsvoorstel door de staatssecretaris zo veelvuldig zou worden verwezen naar het Strategisch Akkoord. Dat was voor eind april echt niet te voorzien. Er is zo veelvuldig verwezen naar het Strategisch Akkoord dat je dit alles in samenhang zou moeten behandelen. Wij kregen het Strategisch Akkoord echter pas afgelopen vrijdag. Wellicht zijn daar goede redenen voor, maar in het kader van een zorgvuldige wetsbehandeling zou het mooi geweest zijn als er meer ruimte was geweest om dit wetsvoorstel in samenhang te behandelen met het Strategisch Akkoord, maar dat is onmogelijk gebleken. Dat is jammer. De Kamer heeft die samenhang overigens niet gesuggereerd; die is vooral in de beantwoording van vragen door de staatssecretaris zelf gesuggereerd. Ik vroeg de staatssecretaris of hij deze gang van zaken betreurt. In ieder geval verdient die gang van zaken geen schoonheidsprijs, zoals ik al zei. Daar gaat het over.

Staatssecretaris Zijlstra:

Wij hebben inderdaad in de beantwoording van de vragen van de leden der Kamer aangegeven dat de strategische agenda op het gebied van intensiveringen en toekomstig beleid allerlei invullingen zal geven. Ik wil ook kwijt dat het heel vreemd zou zijn als wij hier alleen wetsvoorstellen kunnen behandelen als alle implicaties die daaruit voortkomen ook helder zijn. Ruim baan voor talent, een ander wetsvoorstel dat wij vandaag ook hebben besproken, loopt sinds 2003. In de beantwoording daarover is ook regelmatig verwezen naar de strategische agenda. Ook daarvoor geldt dus eigenlijk hetzelfde bezwaar. Ik snap de overweging van de heer Koole. Daarom hebben wij onmiddellijk, zelfs nog voordat de ministerraad was afgerond, de strategische agenda naar de Kamer gestuurd. Ik begrijp dat de Kamer daar inzicht in wilde hebben, maar het totale beeld hoeft niet bij de Kamer ingediend te zijn. Anders krijgen wij namelijk een soort patstelling, omdat het een op het ander moet wachten. Dan komen wij echter nooit verder in de besluitvorming.

De heer Thom de Graaf (D66):

Ik wil graag een misverstand bij de staatssecretaris wegnemen voor zover het mijn fractie betreft. Voor zover de staatssecretaris in mijn woorden in eerste termijn iets van onvrede over de procedure bespeurde, betreft dat niet de staatssecretaris. Ik heb er namelijk alle begrip voor dat hij zijn voorstel zo snel mogelijk ook door de Eerste Kamer wil loodsen. Mijn onvrede zit in het feit dat de Kamer zélf meent met de door de staatssecretaris gewenste snelheid te moeten meegaan, terwijl dat naar ons oordeel niet nodig is. Wil de staatssecretaris wel nogmaals aangegeven of de financiële doelstelling van dit wetsvoorstel ook wordt gehaald als wij de wet bijvoorbeeld pas op 1 oktober in plaats van op 1 september laten ingaan?

Staatssecretaris Zijlstra:

Als de wet op 1 oktober, 1 november, 1 maart of wanneer dan ook wordt aangenomen, geldt het financiële kader zoals het voorligt. Zoals ik in mijn brief echter al heb aangegeven, zitten er ook een aantal aspecten in die per 1 september dienen in te gaan. Dat betreft reparatiewetgeving. Belangrijker is dat wij met de hoger onderwijsinstellingen, de hbo's en de universiteiten, het gesprek aangaan over het hoofdlijnenakkoord dat wij dit najaar willen sluiten. Daarin moet de concrete vertaling plaatsvinden. Dat kan alleen maar worden vormgegeven als ook helder is dat het financiële plaatje dat in het regeerakkoord staat zich daadwerkelijk voordoet. Anders gaat iedereen op zijn handen zitten en wacht iedereen af totdat het culmineert in wetgeving en besluitvorming. Ik heb in de brief aangegeven dat dit het voornaamste argument is. Wij willen geen tijd verliezen, omdat het al lang genoeg heeft geduurd sinds de commissie-Veerman. Wij willen daarom tot concrete invulling overgaan. Ik dank de heer De Graaf omdat hij helder aangeeft wat zijn pijnpunt is.

De heer Koole vroeg of wij naar alternatieven voor deze bezuiniging hebben gezocht. Ja, wij hebben natuurlijk ook bekeken of het op andere manieren kon worden gedaan. Wij hadden een aantal andere dingen kunnen doen. De vraag "wat doen wij?" is ook tijdens de onderhandelingen over de kabinetsformatie aan de orde gekomen; nemen wij een langstudeerdersmaatregel, introduceren wij een sociaal leenstelsel of kiezen wij voor een collegegeldverhoging? Er is echter bewust gekozen voor een langstudeerdersmaatregel om juist studenten aan te spreken op de extra kosten van langer studeren dan naar onze mening noodzakelijk is. Dat is niet nominaal; het is nominaal en dan nog een jaar extra in de bachelor en een jaar extra in de master. Er is bewust niet voor die andere zaken gekozen, maar natuurlijk is daarover nagedacht.

De heer Koole vroeg ook het met de investeringen zit; vloeien die terug in het hoger onderwijs? Ja! Dat was in eerste instantie echter niet de bedoeling. De behandeling in de Tweede Kamer, het amendement en wat ik huiselijk "het mandje" noem, het passend onderwijs en de langstudeerdersmaatregel – dat heeft men ook in de brief meegekregen – heeft ook het volgende effect gehad. In eerste instantie zat er een paar jaar een min voor de hoger onderwijsinstellingen in de plannen, maar die hebben wij eruit gehaald. Het geld vloeit dus terug in het hoger onderwijs.

De heer Essers en de heer Koole hebben een tegengestelde opvatting over de generieke korting. Dat is echter niet verwonderlijk gezien hun positie in het debat. De heer Essers is er blij mee, maar de heer Koole niet. De heer Koole gaf aan dat er voor de instellingen geen prikkel is om langstuderen te beperken, omdat het feitelijk een generieke korting is. Ja, de korting op de instelling is een generieke korting; dat klopt. Dat hebben wij naar aanleiding van het verslag van de Raad van State zo vormgegeven. Overigens bestaat er, zoals naar ik meen de heer Smaling suggereerde, geen perverse prikkel om langstuderen te stimuleren. De € 3000 die een instelling binnenhaalt op een langstuderende student, wordt door de overheid gekort op die instelling. Het is dus niet zo dat je generiek gekort wordt om vervolgens per langstudeerder € 3000 als plus binnen te halen. Die perverse prikkel is er dus wel degelijk uit.

De heer Koole gaf ook aan dat een jaar extra geen overgangsrecht is. Het is een overgangstermijn en daarmee overgangsrecht. Ik kan het niet anders formuleren. Ik wil het ingediende wetsvoorstel, inclusief amendering door de Tweede Kamer, behandelen om te voorkomen dat wij een uitgebreide discussie gaan voeren over het originele wetsvoorstel. Ik verdedig nu eenmaal voorstellen die hier zijn ingediend. Maar nogmaals, dat wetsvoorstel bevat een overgangstermijn van een jaar en daarmee is sprake van overgangsrecht. De Eerste Kamer heeft een discussie gevoerd over de vraag of dat voldoende is; de heer Kuiper is in dat verband ingegaan op de cohortbenadering.

De heer Koole heeft nog gevraagd of een vermelding in het regeerakkoord wel voldoende grond voor overgangsrecht is. Dat het geen overgangsrecht is, ben ik met de heer Koole eens. Een vermelding in het regeerakkoord zonder feitelijke besluitvorming over een wetsvoorstel is geen formeel overgangsrecht. Het is wel iets waarmee men rekening kan houden bij een maatregel die eraan komt. Wij vinden nog steeds dat je rekening kunt houden met wat in het regeerakkoord staat en waarover gecommuniceerd wordt, en dat je er rekening mee moet houden zodra het in het Staatsblad wordt gepubliceerd. In de Tweede Kamer is hierover ook heel specifiek gedebatteerd naar aanleiding van twee amendementen. De Tweede Kamer hechtte er zeer aan – de Eerste Kamer heeft natuurlijk haar eigenstandige bevoegdheid – dat dit overgangsrecht ook voor een jaar werd vastgelegd. Zij wilde het op 1 september laten ingaan en daarom vonden wij het noodzakelijk om voor het zomerreces tot besluitvorming over te gaan.

De heer Koole (PvdA):

U zegt dat het een overgangsmaatregel en daarmee overgangsrecht is. Het wordt bijna een semantische discussie. Bij overgangsrecht gaat het er toch om dat je voor een tussencategorie ook voor een tussenperiode speciaal recht creëert. Die tussenperiode is gewoon opgeschoven. Vanaf 1 september 2012 geldt het voor alle gevallen daarna. Bij een cohortbenadering zou er sprake zijn van overgangsrecht. Dat is het niet en daarom zou ik dat ook geen overgangsrecht willen noemen. Wat dat betreft blijft de discussie wat heen en weer gaan en dat zou ik erg jammer vinden. Op dat andere punt kom ik dadelijk in tweede termijn terug.

Staatssecretaris Zijlstra:

Dan kom ik bij het volgende punt. De heer Koole en velen met hem vroegen hoe het met de deeltijders zit: waren er geen andere manieren om de vluchtroute te voorkomen? Mevrouw Duthler stelde voor om met een leeftijdsgrens te werken, de heer De Lange stelde voor om met een beperkte houdbaarheid van studiepunten te werken. Ook wij hebben bekeken of er andere middelen zijn om het weglekken van de maatregel te voorkomen. Wij hebben een inschatting gemaakt, die ik in het debat overigens ook niemand heb horen bestrijden. Als je deeltijders niet meeneemt, zal men als men voltijds uit de studiefinanciering loopt en voor een hoger collegegeld in aanmerking komt, voor de route kiezen om zich als deeltijder in te schrijven, omdat het begrip "deeltijder" conform de WHW, artikel 7.7, niet zo veel inhoudt. "Deeltijder" staat niet nader omschreven in de WHW, anders dan dat men geen studiefinanciering ontvangt. Dat maakt het dus het buitengewoon lastig om dat dicht te schroeien. Je kunt dan met leeftijd gaan werken, maar iemand die na een mbo-opleiding en een aantal jaren werken, bijvoorbeeld op zijn 24ste, besluit om een deeltijdstudie te gaan volgen, kun je dat toch moeilijk ontzeggen.

Wat betreft de studiepunten betekent dat feitelijk dat het na zes jaar ophoudt met de houdbaarheid van je studiepunten. Dat gaat veel verder voor studenten dan een verhoging van het collegegeld. Je komt dan bijna in een harmonisatiewetachtige situatie, want je moet feitelijk opnieuw beginnen met sommige zaken. Wij hebben daarnaar gekeken. Wij willen in een bredere discussie gaan bekijken of de definitie van deeltijd in de WHW aangepast moet worden. Dit heb ik ook aan de overkant, zoals het hier wordt genoemd, aangegeven. Er spelen immers meer dingen. Van de deeltijdstudies vindt 85% plaats in het private domein. Waarom moet 15% bekostigd worden? Is daarvoor een specifieke reden? En als die er is, moet het dan die 15% zijn, of meer of minder? Hoe zit het met de definitie? Willen we de brede definitie alleen maar hebben om maatwerk van instellingen mogelijk te maken? Dat is immers het positieve effect. Door een brede definitie kunnen instellingen heel gericht deeltijdstudies vormgeven. Als je de deeltijddefinitie echter wilt aanpassen om bijvoorbeeld in het kader van langstudeerders tot maatwerk te komen op dit specifieke gebied, heb je dus een probleem in het vormgeven van de deeltijdopleiding zelf. Als wij de deeltijdopleiding heel nauw definiëren in de wet, hebben instellingen weer geen bewegingsvrijheid. Die brede discussie, los van het voorliggende wetsvoorstel, willen we gaan voeren. Dat heb ik aangekondigd. Wij willen voor het eind van dit jaar feitelijk vaststellen of we over moeten gaan tot een aanpassing van de definitie. Als het antwoord daarop "ja" is, zullen we zo snel mogelijk de exercitie houden met vragen als: hoe en wat heeft het voor implicaties op het publieke en private domein, et cetera?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Mijn fractie heeft er grote moeite mee dat deeltijders ook erg worden belast met de verhoging van het collegegeld, terwijl zij tot een heel andere categorie behoren, en in eigen tempo en gemotiveerd studeren. De enige reden waarom zij nu worden betrokken bij deze maatregel is dat er geen vluchtroute mag ontstaan. Het gaat dus om een bepaald effect dat niet mag optreden. Daar hebben zij part noch deel aan, maar omdat dit effect niet mag optreden, worden ook zij onderworpen aan deze maatregel. Dat weegt bij ons heel zwaar. De staatssecretaris zegt dat 85% in de private sector zit en dat 15% door de WHW wordt geraakt. Ik ben benieuwd naar de aantallen. De voorbereidingstijd voor dit wetsvoorstel was kort, dus ik hoop dat mij vergeven wordt dat ik deze vraag stel. De staatssecretaris wil de definitie veranderen. Wij hebben een jaar uitlooptijd. De wet gaat, als hij vandaag wordt aangenomen, in op 1 september, maar de boete treedt pas een jaar later in werking. Kan de staatssecretaris nu niet zeggen dat hij dit jaar gaat gebruiken om daar iets aan te doen? Kunnen de deeltijders niet nu al worden ontzien? Er wordt aan de definitie gesleuteld, maar ik wil meer weten. Wat gaat er precies gebeuren en kan dat ertoe leiden dat deze groep niet getroffen wordt door deze onevenredige belasting?

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik heb niet gezegd dat ik aan de definitie ga sleutelen. Rond het begrip "deeltijd" is er een veel breder spectrum aan onduidelijkheden, omdat artikel 7.7 van de WHW buitengewoon algemeen is. In het licht van de verdeling tussen privaat en publiek vind ik het nodig om die evaluatie maken. Wat moet deeltijd qua maatwerk mogelijk maken? Hoe zit het geheel in elkaar? De heer Kuiper zegt dat ik de deeltijders alleen maar meeneem om een weglekeffect weg te nemen. Let wel, 85% in het hbo en 75% in het wo studeert op tijd af. In het hbo wijkt dit percentage bij deeltijdstudenten niet af van voltijdstudenten. In het wo is het verschil inderdaad wat groter. Wij vinden daarom dat wel degelijk mag gelden dat ook de studietijd van deeltijdstudenten onder het wetsvoorstel valt. Het argument daarvoor is dus niet alleen het voorkomen van weglekken. Er is ook een inhoudelijk gemotiveerd argument.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

De tijdsfactor werkt heel anders bij deeltijdstudies. Er zijn mensen die een drukke baan hebben en daarnaast een deeltijdstudie volgen. Zij willen daar bijvoorbeeld acht of tien jaar over doen en plannen die tijd in, maar zij doen hun studie wel gemotiveerd. Ik vind dat de rechtsonzekerheid in dit soort situaties heel anders moet worden gewogen. De staatssecretaris geeft deeltijdstudenten niet zo heel veel uitlooptijd en ze worden toch wel stevig getroffen door de verhoging van het collegegeld met € 3000.

Staatssecretaris Zijlstra:

Op het hbo is het verschil in percentages tussen voltijders en deeltijders niet te zien. In het wo is dat verschil wat groter; dat moet ik de heer Kuiper toegeven. Ook deeltijders maken echter gebruik van de faciliteiten van een instelling. Daarom blijft het kabinet van mening dat je hen daarop wel degelijk mag aanspreken. Instellingen moeten hun curriculum daar wel op aanpassen; de heer Ganzevoort vroeg hiernaar. Hij maakte daarvan dat de studiecontent van deeltijdstudies dan zou worden gehalveerd. Ik wil benadrukken dat dit niet de invulling is van het kabinet. Soms hakken instellingen met het oog op organisatiegemak het curriculum van een deeltijdstudie van één jaar in tweeën. Daardoor wordt de tijd in één keer verdubbeld, terwijl er ook studenten zijn die prima in staat zijn om het sneller te doen en die dat ook graag willen. Instellingen moeten er dus ook voor zorgen dat deeltijdstudenten die sneller willen studeren en het dus helemaal niet precies in die blokken willen doen, daartoe de mogelijkheid krijgen. Dat is wat de regering op dat punt beoogt; dat zeg ik ook tegen de heer Ganzevoort. We willen dus niet dat de studie minder gaat inhouden. Dat zou inderdaad het paard achter de wagen spannen zijn.

De heer Essers (CDA):

Een debat is bestemd om nader tot elkaar te komen. Ik begrijp dat de staatssecretaris zegt dat het begrip "deeltijd" heel diffuus is gedefinieerd in de WHW en dat daar dus nadere invulling aan gegeven moet worden. Dat geldt zeker voor een wetsvoorstel dat betrekking heeft op langstudeerders. Ik begrijp ook dat een weglekroute dreigt als je hier niets aan doet en dat instellingen moeten worden aangespoord om mensen niet nodeloos aan het werk te houden. Ziet de staatssecretaris, net als wij, dat er met name in het wetenschappelijk onderwijs mensen zijn die een reële deeltijdopleiding volgen waarvoor zeven jaar nominaal staat en voor wie het disproportioneel uitpakt als je ze na zes jaar als langstudeerder aanmerkt, terwijl ze gewoon het nominale circuit volgen? Ziet de staatssecretaris dat er binnen het wetsvoorstel disproportionele gevolgen zijn voor sommige deeltijders?

Staatssecretaris Zijlstra:

Heeft een studie een nominale studieduur van zeven jaar, dan treedt dat probleem niet op. Ik neem aan dat de heer Essers doelt op de casussen in Tilburg en Nijmegen. Dat betreft de vormgeving van een studie. Als een instelling een deeltijdstudie zo inricht dat die feitelijk leidt tot langstuderen, dan moet de instelling heel goed bekijken of dat wel een goede vormgeving is. Dat heb ik net ook in mijn antwoord gezegd. Ik zeg de heer Essers na dat wij wel degelijk zien dat een ruime definitie van "deeltijd" in de wet ook dit soort zaken met zich brengt. Niet alleen om deze reden, maar om allerlei redenen willen wij daarnaar kijken. Stellen wij aan het eind van dit jaar vast dat wij de definitie moeten wijzigen, dan zullen wij tegen deze Kamer en de Tweede Kamer ook zeggen dat wij een andere definitie gaan hanteren en aangeven wat dat impliceert voor allerlei wetgeving, waaronder de nu voorliggende wet.

De heer Essers (CDA):

Dat heb ik goed gehoord. Ik merk alleen op dat die zeven jaar er al was voordat de Wet langstudeerders er was. Het gaat erom of er goede argumenten zijn voor die zeven jaar, of dat voldoet aan alle accreditatievoorwaarden en alle kwaliteitseisen. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, kun je dat moeilijk de instellingen verwijten. Als je zegt dat het eigenlijk ook korter kan, dan natuurlijk wel. Ik denk dat eerst wel de discussie gevoerd moet worden waarom het zeven jaar is. Zitten daar bepaalde gedachten achter, zoals dat die mensen in de praktijk werkzaam zijn en het een heel zware studie is? Als dat het geval is, denk ik dat we heel goed moeten kijken naar de resultaten van die evaluatie aan het eind van het jaar.

Staatssecretaris Zijlstra:

Het begint inderdaad met de vraag of het sneller kan. De heer Smaling vroeg wat de implicatie is voor de staatssecretaris zelf, die er zes jaar en vier maanden over heeft gedaan, en voor andere bewindspersonen. Om een voorbeeld te noemen, de heer Teeven heeft in deeltijd zijn rechtenstudie in tweeënhalf jaar gedaan en daar staat qua organisatie heel wat anders voor. Je moet de student daartoe wel de mogelijkheid bieden. Ik durf te zeggen dat de langstudeerdersmaatregel voor mij persoonlijk buitengewoon goed had gewerkt. Ik geef eerlijk toe dat ik op kosten van de Staat bijna een halfjaar aan mijn studie heb vastgeplakt op de Antillen. Dat was mogelijk en dat heb ik gedaan. Als ik daarvoor extra had moeten betalen, denk ik dat ik er nog eens diep over had nagedacht. Ik ben er dus van overtuigd dat dit effect zal optreden, maar dan kom ik op een ander discussiepunt, waar ik nog op terugkom.

De heer Smaling (SP):

Als de staatssecretaris die vier maanden gemist zou hebben, had dat weer gescheeld in zijn vorming en zijn brede blik.

Staatssecretaris Zijlstra:

Nou nee, mijn vorming was het feit dat ik daar stage heb gelopen. Ik geef onmiddellijk toe dat deze heel vormend was, net als een heleboel andere zaken. Het feit dat ik daar nog een paar extra maanden aan het strand heb gelegen, heeft weinig aan mijn vorming gedaan, kan ik u zeggen, anders dan een gezonde bruine tint.

De heer Smaling (SP):

In mijn bijdrage had ik een paar punten genoemd die het voor deeltijders extra moeilijk maken, met name als het tweede studies betreft. Er zijn vrij veel mensen die een tweede wo-master willen doen, maar die al een bachelor en een master achter de kiezen hebben. Zij worden dubbel getroffen. Ik zou erg graag enig medelijden voor hen willen zien bij de staatssecretaris, want dit kun je toch niet laten gaan.

Staatssecretaris Zijlstra:

Dit onderwerp is al eerder gepasseerd in dit huis: de tweede studie en door wie deze wordt betaald. Er is al eerder vastgesteld dat het leidende principe daarbij is dat iedereen één bachelor en één master bekostigd krijgt. Die discussie wil ik, met uw welnemen, niet overdoen in het kader van dit wetsvoorstel.

De heer Smaling (SP):

Ik wil hiermee zeggen dat die deeltijder twee keer met heel hoge kosten wordt geconfronteerd: aan het begin met het instellingscollegegeld en aan het eind omdat de looptijd in de langstudeerdersboete gaat vallen. Dat lijkt mij echt disproportioneel.

Staatssecretaris Zijlstra:

Als je instellingscollegegeld betaalt, heb je geen verhoogd wettelijk collegegeld. De langstudeerdersmaatregel gaat om een wettelijk collegegeld dat € 3000 hoger is dan het lage wettelijk collegegeld. Het instellingscollegegeld is een derde categorie. Als je daaronder valt, is het niet zo dat je ook nog wordt getroffen door het verhoogd wettelijk collegegeld. Die twee gaan niet samen.

De heer Smaling (SP):

Ik ben bang dat er sprake is van spraakverwarring. Ik bedoel dat je bij binnenkomst niet € 1700 betaalt, maar vijf keer € 1700 instellingscollegegeld, en je studie loopt uit en dan loop je tegen € 3000 per jaar langstudeerdersboete aan. Dat zijn de twee dingen die ik bedoel.

Staatssecretaris Zijlstra:

Dat gebeurt niet, want als je instellingscollegegeld betaalt, ontstaat er niet een situatie dat je voor verhoogd wettelijk collegegeld, want dat is de langstudeerdersmaatregel, in aanmerking komt, want je betaalt geen wettelijk collegegeld, maar je betaalt instellingscollegegeld. De situatie die de heer Smaling aangeeft, kan zich dus niet voordoen.

Diverse leden hebben gevraagd of de langstudeerdersmaatregel ertoe leidt dat moeilijkere studies, met een twee- of driejarige master, wat minder populair worden bij studenten. De heer Smaling gaf dat buitengewoon beeldend aan met zijn opmerkingen over de vrijetijdsbestedingstudie en het ezeltje. De calculerende student maakt een omgekeerde keuze. Bij de langjarige masters tref je de minste langstudeerders aan. Daar zit ook wel enige logica in. Als het masterprogramma twee jaar duurt in plaats van een jaar, heeft men meer studietijd en is er nog steeds hetzelfde uitloopjaar. Iedere verstandig calculerende student die de langstudeerdersmaatregel wil ontwijken, komt uit bij een meerjarige masteropleiding, bijvoorbeeld in de bètaopleidingen. Dat is iets wat wij ook moeten vaststellen.

De leeftijd van 30 jaar vinden wij geen goed criterium. Ik dank mevrouw Duthler voor haar steun. Ombuigingen zijn nodig om intensiveringen in het onderwijs mogelijk te maken. Diverse leden hebben gevraagd waar het wetsvoorstel nu precies over gaat. Is het nu studierendement of zijn het ombuigingen om daarmee geld vrij te spelen voor intensiveringen? Het is beide. Dit is niet het eerste wetsvoorstel dat meerdere doelstellingen heeft. De financiële implicaties van uitstel raakten niet zozeer het studierendement maar veeleer de financiële component. Dat wil echter niet zeggen dat de ombuigingsvariant het leidende principe is. Beide zaken zijn van belang in het voorstel.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Werken die twee doelstellingen niet tegen elkaar in? Als je de ene doelstelling bereikt, kan je de andere niet meer realiseren.

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik zie die tegenstelling niet.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Als studenten een hoger studierendement halen – als zij zich door deze maatregel laten beïnvloeden en 100% harder gaan studeren – komt er geen extra geld meer binnen.

Staatssecretaris Zijlstra:

Maar dan zijn er ook geen kosten. De heer De Graaf vroeg hoe het bedrag van € 3000 tot stand is gekomen. Studenten staan wat betreft het macrobudget voor € 6000 in de boeken: € 3000 aan korting op de instellingen – die hebben immers ook een verantwoordelijkheid – en € 3000 via de student. Zo komt het bedrag tot stand. In het model van de macrobekostigde student draait de langstudeerder mee. Stel dat het zo effectief is, dat wij geen enkele langstudeerder meer overhouden. Voor het rekenvoorbeeld ga ik even uit van 62.000 studenten. Alle studenten die in de macrobekostiging zitten, zijn er dan uit. Die worden niet meer meegerekend. Je bent dus 62.000 maal € 3000 in de macrobekostiging kwijt en dan heb je dezelfde korting als nu. Er zit dus helemaal geen discrepantie in want dit is gewoon de logica van ons financieringssysteem. Als studenten er niet meer zijn, worden ze niet meegerekend in de macrocalculatie en kun je dus ook niet zeggen dat het geld is verdwenen. Ik zie die tegenstelling dus nog steeds niet.

Mevrouw Duthler had het over het belang van goede voorlichting. Waarom bijvoorbeeld vervroegd aanmelden? Dat laatste moet studiekeuzegesprekken mogelijk maken. De instellingen moeten weten wie zich hebben aangemeld en moeten de gesprekken inplannen. Studenten moeten bijvoorbeeld de kans krijgen na afloop van een studiekeuzegesprek kenbaar te maken dat een instelling hen ervan heeft overtuigd dat ze beter op een plaats zijn bij een andere instelling of opleiding. Als dit alles moet gebeuren tussen 1 en 30 september gaat dat niet werken. Het is een aanmelddatum en niet de feitelijke inschrijfdatum.

Wij zijn bezig met de uitwerking van de motie-Van der Ham/Lucas over het collegegeldvrij studeren. Ook hier geldt dat wij proberen om precedentwerking te voorkomen. Als je met regels komt, moeten ze generiek gelden. Dat is een moeilijke component in dezen.

Ik dank de heer Sörensen voor zijn, ook inhoudelijk gedreven, steun. Hij stelde de vraag of er meer aandacht kan worden besteed aan het decanaat in het voortgezet onderwijs. Als ik dit breder interpreteer: hoe kunnen we ervoor zorgen dat in het voortgezet onderwijs zelf al aandacht wordt besteed aan studiekeuze, zodat de student niet na het eindexamen de deur uitloopt, foldertjes gaat verzamelen en eigenlijk aan de goden is overgeleverd? Ik wil hem zeggen dat wij dit ook belangrijk vinden. Gelukkig zijn er allerlei ontwikkelingen als pre-university colleges, waarin studenten die nog op het voortgezet onderwijs zitten, al kunnen proeven van wat zij kunnen verwachten in het hoger onderwijs. Ik ga dit met de sector opnemen, ook in het kader van de prestatieafspraken die ik wil maken, om ervoor te zorgen dat ook het funderende onderwijs – want daar hebben we het feitelijk over – wordt betrokken bij het studiekeuzeproces; daar begint het immers.

De heer De Graaf bleef consequent het woord "boete" gebruiken. Als het mij niet euvel wordt geduid, wil ik consequent blijven spreken over een verhoogd wettelijk collegegeld, want het is geen boete. De heer De Graaf had het over bonnenquota, misschien vanwege zijn dagelijkse praktijk, maar er is geen sprake van gedrag dat verboden is en dat is wel een essentieel onderscheid. Door rood rijden is verboden en daarvoor krijg je een boete. Lang studeren is niet verboden, maar wij bouwen wel een financiële prikkel in om dat terug te dringen. Daarom is het een wettelijk verhoogd collegegeld en geen boete.

De heer Thom de Graaf (D66):

Voorzitter. Graag wil ik de suggestie wegnemen dat ikzelf dagelijks zou worden geconfronteerd met bonnen. De staatssecretaris had het over mijn persoonlijke praktijk, maar het kan zijn dat hij iets anders bedoelde. Hoe kan een student een verhoging in één keer van € 3000 anders zien dan een boete voor gedrag dat door de staatssecretaris wordt afgekeurd? Op zichzelf kan het heel legitiem zijn, maar hij moet een prijs betalen voor dat afkeurenswaardig gedrag. In het normale spraakgebruik zou ik eerlijk gezegd geen ander woord weten te verzinnen dan "boete". De staatssecretaris noemt het zelf een "financiële prikkel". Dat komt wel heel dicht bij elkaar. Het is een financiële prikkel, gericht op verandering van gedrag, op het voorkomen van, in de ogen van de staatssecretaris, slecht gedrag.

Staatssecretaris Zijlstra:

Het is ontmoediging. Het is wat anders dan een boete op verboden gedrag. Ik hecht er echt aan om dat helder te maken. Ik snap vanuit de optiek van de heer De Graaf best dat hij het zo wenst te noemen, maar dat is het niet. En om het ook voor de Handelingen helder te definiëren: het is geen boete, het is een financiële prikkel die wij inbouwen voor studenten. Nogmaals, er is niks aan de hand als ze een jaar langer doen over hun bachelor, er is niks aan de hand als ze ook nog eens een jaar langer doen over hun master. Pas als ze nog meer tijd nodig hebben, vinden wij dat de verantwoordelijkheid van de overheid niet ophoudt, maar minder wordt. Ook in die situatie blijft de overheid fors bijdragen aan de studiekosten van de betreffende student, maar het kabinet vindt dat je een student op een gegeven moment moet aanspreken op het feit dat hij daar niet alleen zit voor zijn maatschappelijke vorming en de eigen opleiding, maar dat dit de maatschappij ook geld kost. Daarom stellen wij deze maatregel voor.

De heer De Graaf verwees naar de Harmonisatiewet. Dit betrof wel een andere situatie; andere Kamerleden hebben dit goed geduid. Daarbij was feitelijk sprake van het feit dat studenten werden beperkt in hun inschrijvingsduur; studenten konden dus ineens niet meer studeren zoals zij daarvoor hadden gedacht. Dat is iets anders dan wat nu aan de orde is. Zoals net in de discussie is gezegd: bij deze maatregel kun je gewoon blijven studeren.

Op de vragen over de deeltijders ben ik ingegaan, evenals op de doelstellingen. Ik snap dat de heer De Graaf en anderen de doelstellingen niet onderschrijven; dat is hun goed recht. Wij hebben twee heldere doelstellingen geformuleerd. Het gedragseffect van 25% dat wij verwachten, is wel degelijk gebouwd op onderzoek. Ik geloof dat de heer Ganzevoort aangaf dat, als het oeronderzoek het enige was, dit wel wat mager zou zijn. Ik geef de heer Ganzevoort mee dat, als dit het enige was, dit inderdaad wat mager zou zijn, maar wij hebben ook een doorwrocht rapport uit 2004 gebruikt van het CPB, dat – het is geen toeval – uitkwam op een te verwachten gedragseffect van dergelijke maatregelen van 25%. Daarom hebben wij dat ook gebruikt. Ook hiervoor geldt dus dat de regering wel degelijk heeft gekeken naar onderbouwing. Ik geef wel mee, wat ook de heer Smaling, de heer Ganzevoort en de heer De Graaf aangaven, dat het inderdaad zo is dat er nog nooit elders zo'n maatregel is genomen, althans niet voor zover ons bekend. In die zin is een onderzoek ook niets anders dan een onderzoek, en zal de praktijk straks moeten uitwijzen hoe het werkelijk is. Het is echter niet zo dat wij een en ander op niets hebben gebaseerd. Ik hecht eraan om dat hier aan te geven.

Dan kom ik nu op het IVESCR-verdrag en op wat ik maar noem het recht op het kosteloos volgen van hoger onderwijs, zoals het door een aantal leden van de Kamer is ingevuld. Dat is echter niet de strekking van dit verdrag. Dat is ook op te maken uit een van de stukken van de Eerste Kamer uit het vergaderjaar 1995/1996, te weten 24025, nr. 95b – zeg ik voor de meeschrijvende notulist – waarin destijds is aangegeven dat toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor iedereen een voorwaarde is, dat financiële belemmeringen niet mogen optreden, maar dat dit niet betekent dat het hoger onderwijs kosteloos moet zijn. Ik wijs ook op een vonnis van de rechtbank Amsterdam, gewezen door mr. Zijp, in een zaak tussen de Universiteit van Amsterdam en de Staat der Nederlanden, van 21 oktober 1981. Daarin heeft de rechtbank bevestigd dat het verdrag wel degelijk ook inhoudt dat de overheid tot verhoging van collegegeld en dergelijke mag overgaan, zolang de toegankelijkheid in algemene zin maar niet in gevaar komt. Dat is de strekking van het verdrag, en wij werken dus niet toe naar kosteloos hoger onderwijs op grond van dit verdrag.

Een andere zaak die door velen is aangegeven, is wat ik maar noem het creatief inschrijven door studenten om te ontkomen aan de langstudeerdersmaatregel. Ik begreep van diverse sprekers dat dit is aangegeven vanuit de VSNU. Het grappige is dat het de VSNU zelf is die dit kan oplossen. Door de juiste procedures en voorschriften te hanteren kan de instelling vormgeven aan de wijze waarop inschrijving dient te geschieden. Als dat onvoldoende gebeurt en als wij zien dat dit leidt tot situaties waarin studenten zich wel degelijk gaan uitschrijven, over de datum van 1 oktober heen gaan en zich weer inschrijven, kan ik aanvullende maatregelen nemen en dat zal ik dan ook doen. Als men dat als een toezegging wil beschouwen, is dat prima. Maar instellingen hebben er naar mijn mening helemaal geen belang bij om dit te faciliteren en ik ben er dan ook van overtuigd dat zij dat goed zullen invullen, zoals zij dat ook nu doen.

Ik ben ingegaan op de vraag van de heer Essers over de deeltijders in Nijmegen. De evaluatie met betrekking tot deeltijdstudenten was een belangrijk punt van de discussie in deze Kamer. Laat ik daarom nogmaals helder zeggen dat wij voor het einde van het jaar een besluit nemen over de vraag of wij een en ander gaan aanpassen. Dat betekent overigens nog wel dat het enige tijd duurt voordat het aangepast is, want het betreft een wetswijziging. Dan kunnen wij een inschatting maken van de implicaties voor diverse wetten.

De heer Essers vroeg ook naar schakelprogramma's. Hij gaf aan dat hbo'ers die naar een wo-master willen, met schakelprogramma's te maken krijgen. Soms zitten zij in de bachelor en soms zitten zij in de master. Hoe zit het nu? Zo vroeg de heer Essers. Laat helder zijn dat een schakelprogramma per definitie een bachelor is, vanuit de wetgeving geredeneerd, omdat men nog niet aan een master is begonnen. Het is een voorwaardenscheppend programma voor een master. In de praktijk schrijven instellingen studenten echter soms al in voor een master als zij zo'n schakelprogramma volgen. Zij noemen dat een premaster. Dat is echter niet zoals het hoort. Vaak, zo wijst de praktijk uit, weten studenten dat niet eens. De instellingen doet dat dan zonder dat de student daarvan op de hoogte is. Laat het heel helder zijn dat, als dat tot problemen leidt met de langstudeerdersmaatregel, dus als een student een hoger collegegeld moet betalen doordat hij bijvoorbeeld als masterstudent ingeschreven is geweest zonder dat hij of zij dat wist, het aan de instelling is om dat te corrigeren. De student heeft dan gewoon een harde casus. Een schakelprogramma is een voorbereiding op een master en geen onderdeel van een master, dat moet helder zijn.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dit is een heel belangrijk punt. De staatssecretaris zegt dat zo'n programma geen onderdeel uitmaakt van de master. Dan maakt het dus ook geen onderdeel uit van de studieduur van de master. Dan is het niet C+1, dan valt het niet onder de C.

Staatssecretaris Zijlstra:

Het valt onder de bachelor.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Het is soms anders. Ik zal een praktijkvoorbeeld geven. Een student studeert af aan het University College Utrecht en wil in aan de Universiteit van Amsterdam bedrijfskunde gaan doen. Bedrijfskunde aan de UvA vraagt hem een premaster te volgen van een halfjaar. De staatssecretaris zegt nu dat die niet onder de master valt, maar het programma duurt wel een halfjaar. Ik zou dat graag opgelost willen hebben. Mijn voorstel is erop gericht die premaster te laten vallen onder de master. De staatssecretaris kan niet tegen die student zeggen dat die eigenlijk onder de bachelor hoort te vallen, want die kan hij op het University College Utrecht niet doen.

Staatssecretaris Zijlstra:

Een student die een bacheloropleiding volgt, heeft een jaar uitloop. Daar valt dit feitelijk onder. De master moet immers nog beginnen. Dat een student die aan een bepaalde instelling een bachelor heeft gevolgd elders nog een schakelprogramma moet volgen, begrijp ik. Aanpassing van de CROHO-nummers is echter niet nodig omdat het uiteindelijk gaat om de totale optelsom van de bachelorfase. Die kan ook die premaster inhouden, die feitelijk niet zozeer een premaster is als wel een voorbereidingstraject bovenop de originele bachelor. Het kabinet is van mening – dat zullen wij de instellingen nog duidelijk maken – dat dit valt onder de bachelor C+1 en dat dan niet de masterfase al begint te lopen. In de praktijk zie je overigens vaak dat beide gebeurt. Dan draait een student mee in de C+1 voor de bachelor en is ook de masterfase al gaan lopen. Dat laatste – dat ben ik met de heer Kuiper eens – kan dus niet.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Die programma's hebben een studiebelasting van ongeveer een halfjaar en zweven ergens tussen bachelor en master in. De staatssecretaris is van mening dat die in de bachelor moeten worden ondergebracht. Het is echter allerminst zeker dat dit kan worden geregeld. Het komt er dus gewoon op neer dat de studie-uitloop voor de student hiermee wordt belast.

Staatssecretaris Zijlstra:

Laat ik helder zijn. Ik vind dat er op dit punt geen onduidelijkheid moet zijn. Het kabinet is buitengewoon helder. Schakelprogramma's zijn feitelijk nodig om een master te mogen betreden. Je bent immers onvoldoende gekwalificeerd om aan de master te beginnen. Dat is de essentie ervan. Zo'n programma is dus wat ons betreft onderdeel van de bachelor. Daar is onduidelijkheid over, volgens de heer Kuiper. In het kader van de prestatieafspraken gaan wij sowieso met de instellingen voor hoger onderwijs, in dit geval de universiteiten, om de tafel zitten. Wij gaan dit onderwerp met hen doornemen om daar absolute helderheid over te krijgen. Het kan immers niet zo zijn dat er voor studenten onduidelijkheid is over waar zij nu zitten, in de bachelor, in de master of in beide. Als dat laatste het geval is, heeft een student een gerede grond om bij de instelling aan te kloppen als hij een verhoogd wettelijk collegegeld moet betalen doordat die instelling hem dubbel heeft geboekt. Dat kan natuurlijk niet het geval zijn.

De heer Koole (PvdA):

De premaster is dus onderdeel van de bachelor. Wat voor collegegeld moet een student die een premaster volgt nu betalen?

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik heb onlangs in de strategische agenda aangegeven dat programma's die zes maanden of korter duren naar onze mening schakelprogramma's zijn. Daar betaal je het wettelijke collegegeld voor. Als zo'n programma langer duurt, mag de instelling het collegegeld zelf bepalen.

De heer Koole (PvdA):

Als een bachelorstudent een jaar is uitgelopen, op zijn bachelor van drie jaar, en dus eigenlijk in het vijfde jaar die premaster volgt, geldt dus nog steeds dat er geen verhoging van het collegegeld met € 3000 plaatsvindt?

Staatssecretaris Zijlstra:

Nee. Als een schakelprogramma wordt gevolgd dat langer duurt dan zes maanden, geldt hetzelfde als waarover ik zojuist sprak in reactie op de heer Smaling. Als men feitelijk in aanmerking komt voor het wettelijk collegegeld omdat bijvoorbeeld het programma zes maanden of korter duurt, maar men komt door de verbruikte tijd in de bachelorfase te vallen onder de langstudeerdersmaatregel, dan geldt inderdaad die maatregel. Wij moeten immers op deze manier geen ontsnappingsroute creëren. Via die route zouden mensen langer over de bachelorfase kunnen doen zonder dat dit financiële consequenties zou hebben.

De heer Koole (PvdA):

Dit betekent dus dat een student die vier jaar heeft gedaan over zijn bacheloropleiding, voor het volgen van een schakelklas van zes maanden of minder € 3000 extra betaalt.

Staatssecretaris Zijlstra:

Nee. Deze schakelprogramma's worden over het algemeen gevolgd bij hbo-bacheloropleidingen die vier jaar duren. Daar bovenop hebben studenten nog de mogelijkheid van een jaar uitloop.

De heer Koole (PvdA):

Ik heb het over het voorbeeld van een wo-bachelor die een driejarige opleiding heeft gedaan.

Staatssecretaris Zijlstra:

Als die vier jaar over zijn bachelor heeft gedaan, heeft hij zijn jaar uitloop verbruikt. Als hij ook nog een schakelprogramma moet volgen, dan valt hij inderdaad onder het regime van het verhoogd wettelijk collegegeld.

De heer Koole (PvdA):

Dus de student die langzaam is gestart en vier jaar over zijn opleiding heeft gedaan, maar toch het licht heeft gezien en de masteropleiding wil volgen, moet voor het doorlopen van een schakelprogramma van zes maanden of minder € 3000 extra betalen.

Staatssecretaris Zijlstra:

Als deze student over de C plus een heen gaat, dus een jaar langer heeft gedaan over zijn bachelor, om welke inhoudelijke reden dan ook, dan valt hij inderdaad onder het regime van het verhoogd wettelijk collegegeld. Dat is volgens mij ook op zijn plaats, omdat wij anders uitzonderingen creëren op de categorie. Als dit niet zou gelden, dan zou ook het handhaven van deze maatregel buitengewoon moeilijk worden. Deze student heeft al een jaar langer over zijn bacheloropleiding gedaan.

De heer Koole (PvdA):

De staatssecretaris gebruikt het argument dat hierdoor mogelijk een vluchtroute ontstaat. Ik bekijk dit meer vanuit het standpunt van de gemotiveerde student die wat langzaam is gestart. Hij heeft over zijn bacheloropleiding drie plus een jaar gedaan, ziet daarna het licht maar voldoet nog niet volledig aan de vereisten voor de masteropleiding en moet nog wat bijspijkeren. Als hij daarvoor een premasteropleiding moet volgen van maximaal zes maanden, wordt hij wellicht afgeremd doordat hij € 3000 extra moet betalen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Eigenlijk vind ik wat de staatssecretaris nu voorstelt irreëel. Hij zegt dat de premaster onder de bacheloropleiding moet vallen. Veel bacheloropleidingen zullen helemaal niet zitten te wachten op een premasterprogramma. Zij zullen ook niet alle voorzieningen hebben om een premasterprogramma aan te bieden dat aansluit bij welke master ook in het land. Er is bovendien sprake van de harde knip. Je moet dit ergens in een bachelortraject kunnen afronden. Waarom past de staatssecretaris dit niet in in een masterprogramma? Daarin hoort dit toch thuis? Wij spreken over een premasterprogramma. Het is eigenlijk een inschrijvingsvereiste en een kwalificatie die nodig is voor het volgen van een masteropleiding. Waarom brengt de staatssecretaris deze premaster niet bij de masteropleiding onder? Dat is toch veel logischer? Het gaat volgens mij vervolgens niet aan om te zeggen dat mensen daarmee onder de langstudeerdersmaatregel kunnen komen te vallen. Het zou veel eerlijker zijn om dit in de masteropleiding in te bouwen en het gewoon te betrekken bij de nominale studieduur.

Staatssecretaris Zijlstra:

De naam premaster is eigenlijk verkeerd. Je moet bepaalde kwalificaties hebben om aan een masteropleiding te kunnen beginnen. De premaster is feitelijk een schakelprogramma. Het biedt de nadere scholing die nodig is om aan het masterprogramma te kunnen beginnen. Die scholing moet de student eerst doorlopen. Daarom is dit volgens het kabinet feitelijk een onderdeel van de bachelorfase. Als wij de premaster onderdeel maken van de masterfase, treedt aan het einde van de masterfase hetzelfde probleem op. Je krijgt voor de masterfase immers niet meer tijd. Dan geldt voor de masterfase ook C plus een. Wellicht dat de heer Kuiper redeneert dat de student die een halfjaar een schakelprogramma volgt, nog een halfjaar uitloopmogelijkheid over heeft. Dat weerlegt echter niet het punt dat de premaster een onderdeel is van de voorbereiding op de masterfase. Dit past ook in de logica van de harde knip die wij eerder hebben besproken. Je begint pas aan de masterfase als je je daarvoor hebt gekwalificeerd. Dat is wat voorligt.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dit functioneert nu als selectie aan de poort. Iedere student zal dat beamen. Als een student zich ergens inschrijft, moet hij even het schakelprogramma doen. Dit functioneert dus als selectie aan de poort en hoort daarmee bij de masterfase.

Staatssecretaris Zijlstra:

Schakelprogramma's mogen niet als een impliciete, niet goedgekeurde vorm van selectie aan de poort gaan functioneren. De studentenbonden hebben hier een aantal voorbeelden van genoemd. De Amsterdamse instelling heeft hier ook op ingegrepen. Schakelprogramma's mogen niet op de genoemde manier gebruikt worden. Feitelijk worden ze dan niet gebruikt, maar misbruikt. Als dit zich voordoet of als leden van deze Kamer daarvan signalen krijgen, dan houdt deze regering zich aanbevolen om daarvan te horen.

De heer Thom de Graaf (D66):

In mijn termijn noemde ik een voorbeeld van iets wat nu nog mogelijk is, namelijk dat bachelorstudenten alvast mastervakken volgen. Ik heb de staatssecretaris gevraagd hoe het daarmee zit. Wordt de tijd dat zij al in de masterfase zijn begonnen terwijl zij hun bachelordiploma nog niet hebben – dat is nu nog mogelijk – meegerekend met de tijd van de masteropleiding? Hadden de studenten die hiervoor hebben gekozen dat kunnen weten toen zij die beslissing namen?

Staatssecretaris Zijlstra:

Dit raakt aan de discussie rond de harde knip, die wij vanmiddag hebben gevoerd. Dit is een van de redenen waarom een harde knip verstandig is. Als je begonnen bent aan je master en nog bezig bent met je bachelor, tel je dubbel.

De heer Thom de Graaf (D66):

Daar heeft de staatssecretaris volkomen gelijk in, maar nu is die knip er nog niet. Nu zijn er nog studenten in de bachelorfase die al mastervakken zijn gaan volgen. Zij konden niet weten dat de knip er zou komen. Ook konden zij niet weten dat de langstudeerdersregeling er zou komen. Ik zal het woord "boete" proberen te vermijden, staatssecretaris. Deze studenten worden op deze manier oneerlijk behandeld. Daar heeft de staatssecretaris geen uitweg voor.

Staatssecretaris Zijlstra:

Er is een overgangstermijn van een jaar, voor deze categorie studenten net zo goed als voor alle andere categorieën studenten. In dat jaar kunnen studenten maatregelen nemen om in te spelen op het feit dat vanaf 1 september 2012 een verhoogd wettelijk collegegeld wordt geheven, als dit wetsvoorstel vandaag althans door de Kamer wordt goedgekeurd. Er is een overgangstermijn van een jaar. Toen het regeerakkoord uitkwam, was er geen formeel overgangsrecht, maar vanaf dat moment hadden studenten erop kunnen inspelen dat dit wel eens kon gebeuren. Dit zou inhouden dat een student al twee jaar met een master bezig is, terwijl hij nog in de bachelorfase zit. Zo'n situatie zouden wij niet moeten willen stimuleren. De bachelor-masterstructuur is niet voor niets gekozen zoals hij is: eerst een bachelor, dan een master.

De heer Thom de Graaf (D66):

Ik vroeg niet hoe het in de toekomst moet worden geregeld. Daarbij kunnen de staatssecretaris en ik misschien best een eind met elkaar oplopen. Het gaat mij om de vraag hoe het was en wat de mogelijkheden waren. De staatssecretaris zegt zelf dat deze studenten het weliswaar konden weten, maar dat zij het niet hoefden weten. In eerste termijn zei de staatssecretaris dat ze het pas hoeven te weten op het moment dat de wet in het Staatsblad staat. Dan is het niet zo relevant dat ze het misschien konden weten als ze de krant goed gelezen hadden tijdens de formatie van het kabinet. De vraag is daarom nog steeds of de genoemde studenten niet worden benadeeld ten opzichte van studenten die niet de keuze hebben gemaakt om eerst mastervakken te gaan doen, terwijl ze nog een bachelordiploma zouden moeten krijgen. Ik denk dat dit niet kan worden weersproken. De staatssecretaris biedt er echter geen oplossing voor.

Staatssecretaris Zijlstra:

Voor hen geldt hetzelfde als voor andere studenten. Zij worden geraakt door deze maatregel. Dat staat buiten kijf. Maar zij hebben formeel een jaar de tijd om daarop in te spelen.

De heer Thom de Graaf (D66):

Zij hebben daarvoor geen jaar meer, want de tijd die zij inmiddels al aan de mastervakken hebben besteed, moet je daarvan aftrekken.

Staatssecretaris Zijlstra:

Het is vreemd, ook van een instelling, als een student in het eerste of tweede jaar van zijn bachelor al fors bezig is met zijn master. Dan heeft ook de instelling voor een vreemde vormgeving van de opleiding gekozen.

De heer Thom de Graaf (D66):

Dat is niet eerste keer dat ik de staatssecretaris hoor spreken over de keuze die instellingen hebben gemaakt over de inrichting van hun studie, maar het gaat hier over de vraag of studenten de nadelen moeten ondervinden van de keuzes die instellingen hebben gemaakt, waar zij niet veel aan konden doen maar waar zij wel gebruik van hebben gemaakt.

Staatssecretaris Zijlstra:

Dan kom je terecht bij de uitzonderingsgevallen – daar hebben wij het immers nog steeds over – waarin de instelling verantwoordelijk is voor de situatie van de individuele student. Dan kan de individuele student op basis van het Profileringsfonds tegen de instelling zeggen: u hebt dit voor mij mogelijk gemaakt, nu verwacht ik vanuit het Profileringsfonds een tegemoetkoming. Dat is een grond die ze daarvoor kunnen aandragen, want dat heeft te maken met de vormgeving van de instelling en niet met de studenten. Daar heeft de heer De Graaf gelijk in.

In het kader van het Profileringsfonds zei de heer Ganzevoort dat studenten niet altijd hun studiegedrag kunnen aanpassen en dat de vertraging soms legitiem is. Hoe zit dat nou? Wat is legitiem? Dat hebben wij helder omschreven.

Allereerst is omschreven dat studenten met een lichamelijke handicap of chronische ziekte een jaar extra krijgen. Die categorie ligt vast. Daarnaast is een aantal zaken aangegeven op basis waarvan men aanspraak kan maken op het Profileringsfonds. Dat zijn bijzondere omstandigheden zoals relevante bestuursactiviteiten, ziekte, zwangerschap en bevalling, lichamelijke en zintuiglijke stoornissen of andere functiestoornissen, bijzondere familieomstandigheden, onvoldoende studeerbare opleiding ... Door een amendement van de ChristenUnie-fractie van de Tweede Kamer zijn daar ook schrijnende gevallen aan toegevoegd. Die vallen ook onder het Profileringsfonds, waarbij helderheid wordt geschapen in die zin dat men de mogelijkheid tot beroep krijgt als men geen toekenning krijgt vanuit het Profileringsfonds, zodat je gelijkheid krijgt in gevallen. Daarmee hebben wij gedefinieerd wie wel en wie niet. Er is dus geen situatie van onvoldoende legitimiteit. De heer Ganzevoort zou kunnen vinden dat andere groepen daar ook onder zouden moeten vallen, maar het is in ieder geval geen blanco beschrijving.

De heer Ganzevoort gaf ook aan dat deeltijdstudenten met name in het wo mensen zijn met een baan en een gezin. Ik kan hem verzekeren dat het bij de hbo'ers minimaal om hetzelfde percentage gaat, zo niet hoger. Over het algemeen volgen deze mensen buitengewoon gedisciplineerd hun studie. Daarom haalt zo een groot deel van de deeltijders binnen de gestelde tijden de deeltijdstudie. Juist omdat zij allerlei zaken eromheen hebben en strak moeten plannen, zijn zij in staat om de studievoortgang heel goed vorm te geven en daarmee te voorkomen dat zij onder een verhoogd wettelijk collegegeld zouden gaan vallen.

De heer Smaling gaf terecht aan dat je in het hoger onderwijs niet alleen groot bent op basis van het aantal congressen waar je spreekt of het aantal citaties dat je op je naam hebt, maar ook op basis van je betrokkenheid bij het onderwijs. Daarnaast gaf hij aan dat hij wat moeilijkheden had met ondernemerschap en wetenschap. Ik wil aan de opsomming die de heer Smaling gaf bij het eerste punt, waar ik het mee eens ben, het volgende toevoegen. Niet alleen het geven van onderwijs is een belangrijke component, maar ook het zorgen voor valorisatie, het tot economische en maatschappelijke bedrijvigheid brengen van wetenschappelijke kennis, is wat het kabinet betreft van belang in het waarderen van wetenschappers. Een wetenschapper die in staat is om start-ups, nieuwe bedrijfjes, vorm te geven, moet daar ook voor gewaardeerd worden. Dat is niet iets wat vies is of niet "des wetenschaps". Dat is juist een van de doelen die wij daaraan vastknopen. Wie weet, kunnen de heer Smaling en ik elkaar op dat soort definities nog vinden. Met een knipoog zeg ik overigens tegen de heer Smaling, die vindt dat we moeten oppassen dat we 18-jarigen niet te snel volwassen maken, dat we volgens die redenering het kiesrecht ook naar achteren moeten schuiven. Dan moeten we heldere keuzes maken.

Wie zijn de langstudeerders? Ik ben op die vraag ook ingegaan in antwoord op de heer Ganzevoort. Wij hebben een aantal categorieën aangegeven waar we een uitzondering voor maken. Wie voor de rest langstudeerder is, dat vinden wij niet van belang. We maken de afweging dat de overheid fors meebetaalt aan de studie van studenten aan hbo's en universiteiten. Op het moment dat zij een jaar langer over hun bachelor en een jaar langer over hun master hebben gedaan en dan nog niet klaar zijn met hun studie, wordt de overheidsbijdrage geringer. De overheid draagt echter nog steeds een fors deel bij aan de studie. Dat doen wij ongeacht de achtergrond van de desbetreffende student.

Op de moeilijke studies ben ik ingegaan. Een calculerende student zou voor kosmologie gaan en niet op de ezel gaan zitten, zeg ik met een knipoog.

Deze opmerking van de heer Smaling vond ik ook interessant: het studentenleven zal als een plumpudding in elkaar zakken. Als dat zo zou zijn, zou dat betekenen dat het studentenleven alleen tot wasdom komt als men feitelijk naast de studie dingen kan doen. Dat is ook een discussie die breed is gevoerd rond bestuursfuncties. De overheid geeft voor een 40-tal bestuursfuncties een vergoeding van – ik zeg het uit mijn hoofd – € 1638 per maand. Die geldt bijvoorbeeld voor mensen van het ISO, de LSVb en de Landelijke Kamer van Verenigingen. Dat zijn voltijds bestuursfuncties. Er zijn ook nog heel veel andere functies, bijvoorbeeld bij studentenverenigingen en de studieverenigingen. Daarbij is de kernvraag steeds: is dit iets waarvoor je een heel jaar moet worden vrijgesteld van je studie of kun je het in deeltijd doen? Dan kun je een deel van de studie alsnog doen. Dat moet kunnen, vinden wij. Ik vond het als werkgever vooral interessant als studenten die kwamen solliciteren iets naast hun studie hadden gepresteerd. Niet in plaats van hun studie. Als je studeert en een jaar vrij neemt om een studentenvereniging aan te sturen, is dat heel goed en waardevol. Het is echter pas echt een prestatie als je dat doet terwijl je tegelijkertijd voortgang in je studie boekt. Ook dat is onderscheidend vermogen en dat zou ik niet een-twee-drie willen wegsnijden.

De heer Smaling zei ten slotte dat deeltijders in alle gevallen zijn veroordeeld tot de langstudeerdersboete; ik maak daar overigens "langstudeerdersmaatregel" van. Drie kwart van de studenten in het wo en 85% van de studenten in het hbo studeert echter gewoon binnen de termijn af. Het is dus zeker geen wet van Meden en Perzen dat deeltijders vallen onder het wettelijk verhoogde collegegeld, eerder het omgekeerde.

De heer Smaling (SP):

De staatssecretaris heeft heel wat afgeknipoogd in mijn richting. Dat waardeer ik natuurlijk zeer. Ik ga nog even in op de leeftijdsgrens van 18 jaar. Ik werd gesouffleerd door mijn nieuwe vriend Van Boxtel: we maken natuurlijk ook dwalingen als we voor het eerst in een stemhokje staan. Het is niet gezegd dat je op je achttiende meteen op de juiste partij stemt.

Staatssecretaris Zijlstra:

Dit nodigt uit tot een reactie, voorzitter, maar laat ik die wijsheidshalve niet geven!

De voorzitter:

Het gebeurt zelfs nog als je ouder bent dat je op de verkeerde partij stemt!

De heer Smaling (SP):

Het valt me toch tegen dat de staatssecretaris niet benieuwd is wie de langstudeerders zijn. Ik heb eens rondgevraagd. Het beeld wordt vrij sterk geschapen dat het om mensen gaat die traag zijn, voor een deel gewoon omdat ze niet opschieten. Ik hoorde echter dat dit maar voor 10%, 15% of 20% van de langstudeerders opgaat, en dat dus een heel groot deel van de mensen die nu worden beboet een legitieme reden heeft om er wat langer over te doen. Ik vind het onsympathiek dat de staatssecretaris niet via een kleine steekproef wil proberen om erachter te komen over wie we het nu eigenlijk hebben. Ik vind dat jammer.

Staatssecretaris Zijlstra:

We gaan wel monitoren hoe deze maatregel zich ontwikkelt, zoals we dat bij elke maatregel doen. Daaruit verkrijgen we ook inzicht. Overigens betreft het niet alleen mensen die "te lui" zijn. De heer Smaling gebruikte een mooie omschrijving die ik niet zal herhalen, iets met lang haar enzovoorts. Nee, er zitten ook studenten bij die allerlei extracurriculaire activiteiten hebben. Als zij er langer over doen dan een jaar extra in de bachelor en een jaar extra in de master, is wat dit kabinet betreft de vraag gerechtvaardigd of de overheid en de belastingbetaler dit voor hen moeten faciliteren. Waar jij als student in de toekomst het grote profijt hebt, mag je daar ook op worden aangesproken. Het is niet zo dat wij alleen de student aanspreken die wel sneller kan, maar het niet doet. Het is een breder spectrum. De kernvragen zijn wat je mag verwachten van een student en wanneer de overheidsverantwoordelijkheid gedeeltelijk of helemaal ophoudt.

De heer Smaling (SP):

Nu zegt de staatssecretaris dus dat mensen die er zo lang over doen extracurriculaire activiteiten ondernemen, maar net daarvoor zei hij dat het in zijn optiek helemaal geen probleem is en dat mensen dit nog steeds kunnen blijven doen. Ik noteer een enorm snel afnemend enthousiasme bij studenten om zich aan te melden voor bijvoorbeeld introductiecommissies voor eerstejaars en, om maar iets te noemen, voor het organiseren van een Batavierenrace. De staatssecretaris kan zeggen dat dit niet relevant is, maar als je dit bij elkaar optelt, dan is het wel degelijk zo – een plumpudding is misschien een wat extreem voorbeeld – dat wat er van de pudding overblijft volgens mij niet echt eetbaar is. Ik zie dat dit heel snel gaat bij diverse universiteiten.

Staatssecretaris Zijlstra:

Ook toen de prestatiebeurs werd ingevoerd, werden vergelijkbare argumenten gebruikt. Ook toen is dit niet gebeurd. Nogmaals, je hebt een jaar extra in de bachelor en een jaar extra in de master. Daarna is het nog steeds mogelijk om te studeren tegen een wettelijk verhoogd collegegeld. Waar het extracurriculaire activiteiten betreft, maar ook omdat je te weinig voortgang hebt geboekt, is de kernvraag wanneer je meer verantwoordelijkheid en een grotere bijdrage van de student vraagt, en wanneer de overheidsbijdrage geheel of gedeeltelijk ophoudt. Dat is waar dit voorstel over gaat en wat hier feitelijk voorligt. Dat wij de streep leggen op verschillende momenten, dat is duidelijk.

De voorzitter:

Hoe lang denkt de staatssecretaris nog nodig te hebben?

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik heb de vragen van de heren Kuiper, De Lange en Nagel nog liggen. Die zijn beheersbaar omdat een aantal dingen al aan de orde is geweest. Ik denk dat ik nog een minuut of tien nodig heb.

De heer Kuiper had een goede vraag over de invoering in 2012 en het uitblijven van een gedragseffect door dat jaar uitstel. Hij stelde overigens alleen maar goede vragen, voor je het weet wordt wat je zegt verkeerd uitgelegd. Ik denk dat hier sprake is van een misverstand. Op 1 september 2010 waren er 72.000 langstudeerders. Wij verwachten dit jaar op 1 september op 67.000 te zitten. We verwachten geen extra gedragseffect door het jaar uitstel. Wij verwachten dat door de bekendheid van deze maatregel de zichtbare trend doorzet. We rekenen erop dat we op 1 september 2012 op 62.000 langstudeerders zitten. De trend zet zich voort. Wij verwachten niet dat het jaar uitstel ertoe leidt dat studenten nog een jaartje rustig aan gaan doen. Wij verwachten dat de prikkel die in het voorstel zit, zich daadwerkelijk zal blijven voordoen.

De heer Kuiper vroeg ook aan of het niet beter zou zijn dit cohortsgewijs in te voeren. Ik heb al aangegeven dat er twee redenen zijn voor dit wetsvoorstel: het rendementsdeel en het financiële deel. Voor het financiële deel was een cohortbenadering problematisch, maar niet alleen vanwege dat financiële argument. Als je het namelijk cohortsgewijs invoert, raak je aan het gelijkheidsbeginsel. Ik geef een voorbeeld. Als iemand in september 2012 met zijn master begint, is hij – in het geval van een eenjarige master – op 1 september 2015 langstudeerder. Een student die op 1 september 2011 met zijn master is begonnen en in 2015 samen met die vorige student in dezelfde collegezaal dezelfde master volgt, is geen langstudeerder. Dan krijgt de ene student wel een verhoogd collegegeld en de andere niet. Dat is een nadeel van de cohortbenadering. Dit raakt dus aan het gelijkheidsbeginsel. Altijd moet je een afweging maken tussen het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Die afweging is altijd precair. Volgens het kabinet zorgt de cohortbenadering echter niet voor een eerlijker systeem. Ik kan eerlijk gezegd ook niet uitleggen aan een student dat zijn collegegenoot niet extra hoeft te betalen, terwijl hij langer of zijn studie doet. Het is altijd een weging.

De heer Koole (PvdA):

Het voorstel van de regering heeft toch ook tot gevolg dat op een gegeven moment langstudeerders naast niet-langstudeerders in de collegezaal zitten en dat er dus in dezelfde collegezaal mensen zitten die verschillende collegegelden betalen? De langstudeerder betaalt € 3000 extra en volgt op dat moment dezelfde colleges als iemand die geen langstudeerder is en dus minder betaalt. Daarvan zegt de staatssecretaris toch ook niet dat het oneerlijk is?

Staatssecretaris Zijlstra:

Waar het hier om gaat, is dat degene die langer over de studie doet, niet hoeft te betalen voor het feit dat hij of zij lang studeert en dat degene die korter over de studie heeft gedaan, dan wel moet betalen vanwege het feit dat hij of zij langer studeert. Over die oneerlijkheid spreek ik. Het feit dat mensen samen in de collegezaal zullen zitten, terwijl de een het verhoogd wettelijk collegegeld en de ander het wettelijk collegegeld betaalt, zal zich in alle scenario's voordoen. Dat is niet per definitie oneerlijk. Het is wel oneerlijk als de een er langer over heeft gedaan en nog steeds niet hoeft te betalen. Die overweging van het kabinet gaf ik net aan de heer Kuiper mee.

De heer Koole (PvdA):

Misschien heeft de een er langer over gedaan om redenen die buiten zijn schuld liggen. Waarom zou hij dan toch meer moeten betalen dan iemand die ook zonder schuld maar gelukkig een jaartje eerder in diezelfde collegebankjes is terechtgekomen?

Staatssecretaris Zijlstra:

Als het buiten de schuld van de desbetreffende student is, valt hij hetzij onder de uitzonderingen vanwege chronische ziekte of handicap, hetzij onder de categorieën die gedekt worden door het Profileringsfonds. Dat blijft een individuele toetsing, die door een amendement van de ChristenUnie nog nader is gedefinieerd. Dat vinden wij een goede zaak.

De heer Koole (PvdA):

Hoor ik dit goed? Zegt de staatssecretaris dat de student, als het niet zijn schuld is, ofwel een beroep kan doen op het Profileringsfonds ofwel in een andere categorie valt? Als de student er niets aan kan doen en niet heeft kunnen voorzien dat deze regel zou worden ingevoerd en daar nu toch mee wordt geconfronteerd terwijl hij er niets aan kan doen, kan hij dan een beroep doen op ofwel het ene fonds ofwel het andere fonds?

Staatssecretaris Zijlstra:

Nee. Ik gaf aan – ik kan het hele verhaal opnieuw vertellen – dat er formeel een overgangstermijn van een jaar is. Ik heb het even niet over het extra jaar na het regeerakkoord. Studenten hebben een jaar om hierop in te spelen. Wij hebben een categorie voor gehandicapten en chronisch zieken; zij krijgen volgens de wetgeving een jaar extra. De heer Koole spreekt over studenten die er niets aan kunnen doen. Ik denk dan aan deze situatie of aan zaken zoals zwangerschap, die als grond voor een beroep op het Profileringsfonds zijn aangegeven. Een en ander kan dan door de instelling zelf bekostigd worden. Ik spreek niet van een generieke uitzondering voor studenten die voorheen of eerder zijn begonnen met een studie; laat dat helder zijn. Dan kom ik immers terecht in het verhaal over de cohortbenadering, waar deze discussie startte, met de beantwoording van de vragen van de heer Kuiper.

De heer Thom de Graaf (D66):

De opmerking over de cohortbenadering fascineert mij toch. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat de cohortbenadering ongelijk zou uitwerken voor studenten die in dezelfde collegezaal zitten; twee groepen studenten die elkaar tegenkomen, zouden dan immers anders worden behandeld. De staatssecretaris zegt dus dat de cohortbenadering in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Wij kennen in onze Nederlandse politiek echter tal van cohortbenaderingen, die ook door het kabinet zijn omarmd. Als wij de pensioengerechtigde leeftijd verhogen, zul je ook cohorten krijgen: mensen die nog niet en mensen die al wel onder de nieuwe regeling vallen. Ik heb het kabinet nog nooit horen roepen dat dit rechtsongelijkheid zou zijn.

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik gaf net aan dat zich, als je de cohortbenadering zou kiezen – ik gaf een voorbeeld in deze specifieke casus – de situatie voordoet dat de student die langer over de studie heeft gedaan, geen verhoogd wettelijk collegegeld betaalt en degene die minder lang over de studie heeft gedaan, dit wel zou moeten betalen. Dat vinden wij een vreemde situatie voor de gelijkheid.

Daarmee zeg ik overigens niet dat je nooit een cohortbenadering zou kunnen toepassen, bij welke wet dan ook. Het is een principe dat soms wordt toegepast. Daarbij moet je elke keer toetsen of het dit soort problemen met zich kan brengen. Het omgekeerde geldt namelijk ook. Er zijn allerlei wetten, ook met financiële implicaties, die door de Eerste en Tweede Kamer zijn aanvaard en onmiddellijk of zelfs met terugwerkende kracht in werking zijn getreden. Het geldt dus voor beide zaken. Het is geen wet van Meden en Perzen dat je een cohortbenadering moet kiezen om de rechtszekerheid te dienen en dat je met onmiddellijke invoering het gelijkheidsbeginsel altijd goed benadert. Het is een individuele toetsing. Ik heb net aangegeven hoe die uitvalt in dit specifieke wetsvoorstel.

De heer Thom de Graaf (D66):

Het is goed dat wij dit debat nog even hebben. Ook in de schriftelijke stukken refereerde de staatssecretaris aan het rechtsgelijkheidsbeginsel in relatie tot de cohortbenadering. Nu zegt de staatssecretaris dat het niet per se in strijd is met het rechtsgelijkheidsbeginsel, maar dat het eerder een kwestie van opportuniteit is. De ene keer kiest het kabinet voor het een, de andere keer voor het andere. Nu heeft het kabinet niet voor de cohortbenadering gekozen, omdat dit financieel beter uitkomt en het een beetje een raar verhaal is richting de studenten die samen in de collegebanken zitten.

Staatssecretaris Zijlstra:

Nu is de heer De Graaf bezig met een doelredenering.

De heer Thom de Graaf (D66):

Ik probeerde de woorden van de staatssecretaris samen te vatten.

Staatssecretaris Zijlstra:

Dat is dan niet helemaal geslaagd. Wij hebben aangegeven, en de Raad van State ook, dat het rechtsgelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel altijd gewogen moeten worden. In individuele gevallen, bij verschillende wetsvoorstellen, wordt de lijn anders getrokken. Soms wordt er gekozen voor de cohortbenadering. Soms wordt er gekozen voor een invoering ineens. Beide gevallen komen voor. Het is dus geen wet van Meden en Perzen. Dat heb ik willen aangeven. In het voorliggende wetsvoorstel stellen wij dat het gek zou zijn dat iemand die later begint aan een studie met een verhoogd wettelijk collegegeld in aanraking komt terwijl iemand die nog veel langer studeert daar niet mee in aanraking komt. Dat vinden wij een moeilijk verkoopbare situatie.

Ik ga nu in op de vragen van de heer Kuiper over de investeringen. Die zijn niet onbelangrijk. Een van de doelstellingen van het wetsvoorstel is, middelen vrij te maken om investeringen te kunnen doen. Het is niet zo dat deze onderwijsintensiveringen, want daar gaat het om, alleen bij de topsectoren terechtkomen. Nee, die komen in de onderwijspot voor het hoger onderwijs terecht. Wij zullen in dit verband prestatieafspraken maken met sectoren doorvertaald naar de individuele instellingen. Dat gaat niet via het lijntje van de topsectoren. Bij onderzoek herverkavelen wij 90 mln. Een deel van dat geld gaat specifiek naar de topsectoren, bijvoorbeeld via de grootschalige onderzoeksinfrastructuur die daar zal plaatsvinden. Een ander deel gaat naar alfa- en gammawetenschappen. Ook daar gaat dus niet alles naar topsectoren, hoewel er wel een sterkere nadruk op ligt. Bij de onderwijsintensiveringen is dat echter niet zo. Wij vinden wel dat de verbinding tussen beroep, het afnemend veld dus, en onderwijs in generieke zin versterkt moet worden. Dit is echter een discussie in den brede die zich niet beperkt tot het bedrijfsleven.

Ik kom nu op de vragen van de heer De Lange. Ik ben al ingegaan op de beperkingen van de geldigheidsduur van de tentamens. Naar onze mening zou dat een veel verdergaande implicatie zijn voor studenten dan hetgeen hier voorligt. Ik heb kennisgenomen van het pleidooi van de heer De Lange voor meer geld. Een van de redenen voor dit wetsvoorstel is het feit dat het kabinet 18 mld. wil bezuinigen. Het kabinet vindt dat er ook in het onderwijs nadere intensiveringen nodig zijn op bepaalde gebieden. Daarom buigen wij binnen het onderwijs om. Een aantal leden der Kamer heeft terecht opgemerkt dat het inderdaad een ombuiging binnen het onderwijs is. Gezien de financiële situatie van dit moment zien wij geen mogelijkheden om extra geld ter beschikking te stellen. Ik geef de heer De Lange onmiddellijk na dat elk financieringssysteem zijn perverse prikkels heeft. Als je betaalt op basis van aantallen studenten, is de kans vrij groot dat je grote aantallen studenten krijgt. Dat is de reden waarom wij naar een bekostigingssysteem willen waarin kwalitatieve elementen via prestatieafspraken worden afgerekend. Er bestaat geen enkel ideaal systeem. Je moet dus zorgen voor een balans tussen de verschillende perverse prikkels, om het maar zo te zeggen. Als je namelijk alleen maar op basis van kwaliteit zou bekostigen, zou je – om het heel extreem te formuleren – fantastische kwaliteit voor één student kunnen aanbieden en heel veel bekostiging kunnen binnenhalen. Dat is natuurlijk het andere uiterste. Het gaat dus altijd om een balans tussen de verschillende zaken.

De heer Nagel sprak over het overgangsrecht. Daar ben ik al op ingegaan. Hij vond dat het verdrag kosteloos moest zijn. Naar aanleiding van de uitspraak van het Amsterdams gerechtshof is dit nadrukkelijk niet de intentie van dat verdrag. Wij houden ons aan de verdragsbepalingen met betrekking tot de toegankelijkheid van het onderwijs. Ik zie de door de heer Nagel geschetste gevaren in het deeltijdonderwijs niet.

Hiermee ben ik klaar met mijn eerste termijn.

De voorzitter:

Mijnheer Essers, is een interruptie echt nodig? U hebt zo dadelijk nog een tweede termijn.

De heer Essers (CDA):

Dan is mijn tweede termijn korter.

De voorzitter:

Daar geloof ik niks van.

De heer Essers (CDA):

Er is een categorie studenten die het wettelijk collegegeld moet betalen, maar geen studiefinanciering krijgt. Die studenten kunnen echter wel gehandicapt zijn. Als je naar de wetstekst kijkt, zal het ene jaar extra uitloop voor gehandicapte studenten niet gelden voor die categorie van met name Surinaamse studenten. Hoe gaan wij daarmee om?

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik moet het even laten bezinken. De heer Essers bedoelt dat Surinamers volgens de Wet studiefinanciering recht hebben op wettelijk collegegeld.

De heer Essers (CDA):

Zij kunnen geen extra jaar studiefinanciering krijgen – zij krijgen namelijk geen studiefinanciering – waardoor zij naar de letter van de wet geen jaar uitloop kunnen krijgen zoals gehandicapte studenten.

Staatssecretaris Zijlstra:

Ja, maar dat geldt bijvoorbeeld ook voor studenten uit andere Europese landen. Wij hebben er nadrukkelijk voor gekozen om de grens als volgt te leggen. Het is helder gedefinieerd wie voor een verhoogd wettelijk collegegeld in aanmerking komt. Wie voor het jaar extra in aanmerking komt, hangt af van de bepaling in de Wet studiefinanciering. Dit rekken wij niet op door allerlei andere categorieën ook nog eens voor een jaar extra in aanmerking te laten, zoals de heer Essers bepleit.

De heer Essers (CDA):

Wat is daar de ratio van? Het gaat namelijk om gehandicapte studenten die het wettelijk collegegeld betalen. Er is dus over nagedacht dat die mensen het lage collegegeld betalen, maar waarom moeten die studenten dan anders behandeld worden dan reguliere studenten die gehandicapt zijn?

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik kom hier in de tweede termijn op terug; ik wil even de zaken op een rijtje zetten. Dit vereist een kleine schorsing voor mijn antwoord in tweede termijn, want ik wil dit punt nog even uitdiepen.

De voorzitter:

Dat zullen wij doen.

Wij zijn toe aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik verzoek de leden om zich aan de opgegeven spreektijden te houden. Iedereen heeft vijf minuten spreektijd, met één uitzondering. De heer Ganzevoort heeft namelijk maar twee minuten nodig. Ik zal de teller laten lopen.

De heer Koole (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording tot nu toe, maar de PvdA-fractie blijft grote moeite met dit wetsvoorstel houden. Er zijn wat ons betreft namelijk een aantal zaken nog onbevredigend beantwoord.

Allereerst wordt de generieke korting – dat is een keuze – doorgevoerd zonder dat volgens ons serieus naar alternatieven is gekeken. Dat vinden wij heel jammer. De commissie-Veerman heeft bepleit dat er extra middelen naar het onderwijs moeten. Dan moet je niet eerst een heleboel geld weghalen om vervolgens wat geld naar het onderwijs terug te sluizen. Dat vinden wij bezwaarlijk. Bovendien is dat in dit wetsvoorstel gekoppeld aan de langstudeerdersregeling. Het blijft raar dat je instellingen onder deze titel kort, terwijl zij niet minder gekort worden als zij erin slagen om het aantal langstudeerders te verminderen. De sector heeft ook aangegeven dat er alternatieven zijn om langstuderen tegen te gaan. Ik vind het heel jammer dat niet is afgewacht of niet met de sector is geprobeerd om dergelijke alternatieven te ontwikkelen. Tot nu toe wordt eraan vastgehouden en dat betreuren wij.

Ten tweede kom ik op het staatsrechtelijke probleem. De staatssecretaris zegt steeds: ze hadden het kunnen weten, maar ze hadden het niet hoeven weten toen het regeerakkoord in september 2010 werd aangekaart. Wat hadden ze echter moeten weten; wat hadden ze precies kunnen weten? Een heleboel voorstellen uit het regeerakkoord kunnen namelijk door de politieke verhoudingen, of misschien vanwege nadere inzichten in de boezem van het kabinet, niet doorgaan of op een heel andere manier doorgaan. Daar kun je je toch niet op instellen? De staatssecretaris noemt zelf het voorbeeld van een mogelijk andere definitie van deeltijdstudenten; daar verandert hij in het najaar misschien iets aan. Hoe had je je daar echter in september 2010 al op kunnen instellen? Dit blijft een probleem. Staatsrechtelijk gezien kun je ook niet zomaar zeggen dat dit bekend mag worden verondersteld, omdat hieruit spreekt: wat het parlement ook vindt, wij weten al wat er moet gebeuren en daarmee moeten de studenten rekening houden. Dat is ook niet echt chic richting het parlement.

Belangrijk probleem is ook het overgangsrecht. Het is misschien een kwestie van woordkeuze maar de fractie van de Partij van de Arbeid vindt toch echt dat het overgangsrecht ontbreekt. Nog steeds worden studenten getroffen door deze maatregelen die ze niet hebben kunnen kennen. Daarmee is zowel de toegankelijkheid als de rechtszekerheid in het geding.

In de discussie over de cohorten heeft de staatssecretaris gezegd dat hij daar niet voor heeft gekozen. Zijn redenering was voor mij echter niet altijd even goed te volgen. Volgens mij mogen ongelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Volgens de staatssecretaris zou de cohortbenadering inhouden dat de verschillende gevallen naast elkaar in de collegebanken zitten. Als ze ongelijk zijn, mag je ze ook ongelijk behandelen.

De deeltijdstudenten worden stevig getroffen door deze maatregel. Een constructie waarbij naar rato rekening wordt gehouden met de lengte van de deeltijdstudie, zou heel erg wenselijk zijn. Ik hoor de staatssecretaris echter niet veel meer zeggen dan dat er in het najaar geëvalueerd gaat worden. Misschien leidt dat tot iets anders, maar je zou toch nu al moeten zeggen dat die deeltijdstudenten echt een andere categorie zijn dan de voltijdstudenten en dat je daar dus ook een andere regeling voor moet treffen.

Van het Profileringsfonds wordt nu wel heel veel verlangd. De instellingen worden in eerste instantie gekort, waarbij er schrijnende gevallen door de maatregel van de regering ontstaan. Die schrijnende gevallen komen ten laste van de instellingen. Wat kunnen de instellingen volgens de staatssecretaris doen? Krijgen zij extra geld om het Profileringsfonds zodanig aan te vullen dat die schrijnende gevallen ook echt kunnen worden bediend? Ik hoor graag de antwoorden van de staatssecretaris hierop.

Mevrouw Duthler (VVD):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn heldere uiteenzetting en zijn beantwoording van de vragen.

Het punt van de deeltijders was voor de VVD-fractie belangrijk. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij een brede discussie zal starten over de vraag of de definitie van deeltijder zal moeten worden aangepast, en zo ja, wat de effecten daarvan zullen zijn op verschillende wetten, waaronder de langstudeerdersregeling. Ik vraag de staatssecretaris om te bevestigen dat wij dat zo goed hebben begrepen.

Ik heb de staatssecretaris wel horen spreken over de kleine groep wo-studenten maar niet over de groep studenten die duale trajecten volgt. Ik neem aan dat de staatssecretaris deze groep ook betrekt in zijn brede discussie. Ik neem ook aan dat hij de uitkomsten van die brede discussie met deze Kamer zal delen. Graag ook een bevestiging hiervan.

Een ander punt was het collegegeldvrij besturen. De staatssecretaris was daar nog wat vaag over. Ik kan mij voorstellen dat hij hierop nog aan het studeren is maar de VVD-fractie stelt het op prijs als hij de beantwoording van die vragen met deze Kamer deelt.

Dit wetsvoorstel heeft tot doel om ombuigingen te realiseren, teneinde geld vrij te spelen om het onderwijs te intensiveren. Daar is helemaal niets mis mee. Die investeringen in het onderwijs mag je ook van studenten verwachten. Studenten hebben en houden alle mogelijkheden om hun talenten te ontplooien. Zij mogen nog steeds een jaar langer studeren, alleen betalen ze een bijdrage als ze er nog langer over doen. Ik hecht er dan ook aan om dat nogmaals gezegd te hebben. Voor alle duidelijkheid: wij zullen dit wetsvoorstel steunen.

De voorzitter:

Ik heb begrepen dat de heer Sörensen geen behoefte heeft aan een tweede termijn. Het woord is aan de heer Thom de Graaf.

De heer Thom de Graaf (D66):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden en voor het debat, dat op een aantal punten de intenties heeft verhelderd. Dat wil niet zeggen dat ik daardoor van opvatting ben veranderd. Integendeel, op sommige punten ben ik alleen maar gesterkt in mijn overtuiging dat dit geen goed wetsvoorstel is.

In het debat zijn een paar zaken duidelijk geworden. Instellingen worden generiek gekort, ongeacht of het studierendement verbetert of niet. De korting blijft zoals zij was. Studenten worden beboet of misschien moet ik zeggen geprikkeld met € 3000. Dat is de helft van € 6000, het bedrag dat een student macro kost. Het wordt dus niet afgezet tegen datgene wat een student nu kan dragen of tegen de hoogte van het huidige collegegeld. Het bedrag wordt afgeleid uit het macrobudget. Dat vind ik onvoldoende motivering van wat een gemiddelde individuele student kan opbrengen.

Het spijt mij dat in dit debat niet de vereiste opklaring is gekomen rond de beginselen van behoorlijke wetgeving. De staatssecretaris kan mij er niet van overtuigen dat zijn worsteling met rechtsgelijkheid versus rechtszekerheid de juiste uitkomst heeft opgeleverd. Integendeel, de rechtsgelijkheid wordt geschonden – enkele groepen studenten, bijvoorbeeld deeltijders, worden onevenredig benadeeld ten opzichte van andere studenten – en de rechtszekerheid wordt geschaad, omdat grote groepen studenten in hun gerechtvaardigde verwachtingen worden teleurgesteld. Die verwachtingen worden althans niet gehonoreerd.

Een overgangsperiode van een jaar houdt in dat de wet of het verhoogde tarief een jaar later van toepassing wordt. Overgangsrecht beoogt alle mensen die onder een regeling vallen, maar die zich dat van tevoren niet hadden kunnen realiseren, vrij te stellen of in hun benadeling te verzachten. Dat heeft de staatssecretaris in dit geval niet willen doen om voor hemzelf heldere redenen, die niet overtuigen als het gaat om de beginselen van behoorlijke wetgeving.

In het internationale verdrag staat in artikel 13 de verplichting om te streven naar een geleidelijk kosteloos maken van het onderwijs. Ik begrijp heel goed dat uit een dergelijke verdragsbepaling niet kan worden afgeleid dat de staatssecretaris ogenblikkelijk geen collegegeld meer kan heffen. Het is ook evident dat er omstandigheden kunnen zijn waarin het collegegeld tijdelijk om een goede reden kan worden verhoogd. Maar het gaat om de intentie om het onderwijs kosteloos te maken, terwijl de staatssecretaris zegt dat de regering daar niet naar streeft. De regering vindt toegankelijkheid relevant, hetgeen rustig kan betekenen dat wordt doorgegaan met het verhogen van de kosten voor leerlingen en/of studenten. Als dat zo is, moet de staatssecretaris namens de regering gaan heronderhandelen over het verdrag. Ik heb de indruk dat hij daartoe niet bereid is.

Alles bij elkaar nemend, moge duidelijk zijn dat mijn fractie dit wetsvoorstel niet zal steunen.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Ook wij danken de staatssecretaris voor de heldere beantwoording. Ik heb beloofd kort te zijn en ik zal proberen dat na te komen. De deeltijders vormen voor ons een belangrijk punt. Wij gaan akkoord met de toezegging van de staatssecretaris dat de koppeling met de langstudeerderswetgeving onderdeel van de brede studie zal zijn. Wij gaan bekijken of het begrip "deeltijders" als zodanig nader kan worden ingekaderd. Ik heb het voorbeeld gegeven van een erkende, geaccrediteerde zevenjarige opleiding. Is die zeven jaar terecht? Daarbij wordt bekeken of die zeven jaar is ingevoerd voordat de langstudeerderswetgeving van kracht is geworden. Tegen het einde van het jaar krijgen wij een evaluatie waarover wij eventueel een debat kunnen voeren.

De Surinaamse studenten met een handicap hebben wij verschoven naar de tweede termijn van de staatssecretaris.

Ik ben blij met zijn heldere antwoord dat een schakelprogramma altijd wordt gezien als een onderdeel van de bachelor en dus niet van de master. Dat was mijn zorgpunt. Ik ben blij dat dit is weggenomen.

De staatssecretaris zei dat hij aanvullende maatregelen neemt als zich ontgaanconstructies voordoen. Hij zei echter ook te verwachten dat de instellingen niet aan de ontgaanconstructies zullen meedoen. Dat vind ik wat te makkelijk. Dat suggereert immers dat instellingen zich heel makkelijk lenen voor ontgaanconstructies. Zij zijn echter wettelijk verplicht om het volgen van bijvoorbeeld een tweede simultaan te volgen studie toe te staan. Ik vraag toch iets meer begrip voor de positie van die instellingen. Zij kunnen die ontgaanconstructies lang niet altijd voorkomen. Daarop hoor ik nog graag een antwoord.

Tot slot ga ik in op de procedure. Ik heb ook liever een langere voorbereidingsprocedure. De heer Reuten kan dat bevestigen. Als wij zo'n lange voorbereidingsperiode zouden hebben bij het belastingplan, zou ik daar nu meteen blind voor tekenen. Ik denk dus dat die in vergelijking met de voorbereidingsprocedure voor andere wetsvoorstellen wel is meegevallen.

Wij zullen voor dit wetsvoorstel stemmen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn heldere antwoorden. Niet alle vragen zijn verdwenen, maar het is wel helder wat de positie van de staatssecretaris is – dat is buitengewoon waardevol – op wellicht één puntje na. Ik begreep uit de woorden van mevrouw Duthler dat het doel van deze regeling volgens haar bezuiniging is. De staatssecretaris ziet echter zowel bezuiniging als studierendement als doel. Kennelijk is het bij enkele leden van deze Kamer nog niet helemaal overgekomen dat er twee doelen zijn, terwijl de staatssecretaris dat toch duidelijk heeft gezegd.

De onduidelijkheid die op een ander punt bestaat, kan misschien toch worden weggenomen. In de redenering lopen twee zaken door elkaar. Een masterfase en een bachelorfase zijn in de wet ook in het aantal studiepunten aangegeven, terwijl wij hier praten over het vertalen daarvan in jaren. Bij de organisatie van deeltijdstudies is juist van belang hoe het aantal studiepunten is vertaald in het aantal jaren. Als wij daarvoor een helderder regeling hadden, zouden wij vragen zoals wanneer een studie een deeltijdstudie is en hoe lang die duurt, wellicht duidelijker kunnen beantwoorden.

Het zou ook handig zijn als beter verschil werd gemaakt tussen een beroepsverdiepende deeltijdstudie en een volledige opleiding. Waarschijnlijk wordt hierop ingegaan in de studie van de staatssecretaris die later dit jaar zal verschijnen. Er zijn deeltijdstudies waar het werk dat daarnaast wordt gedaan, uitstekend bij past. Dan is dus geen lange studietijd nodig. Er zijn ook deeltijdopleidingen waarbij dat niet het geval is. Het zou handig zijn als dat in ieder geval aan de orde komt in de nadere bestudering.

Ik wil graag een motie indienen om een visie op de deeltijdstudie te bevorderen en om het zoeken naar een oplossing voor de in de Kamer breed gedeelde zorg over de disproportionele gevolgen voor een bepaalde groep deeltijdstudenten, te ondersteunen.

Hierbij doe ik ook een voorstel van orde, voorzitter. Het is voor onze fractie van belang dat de stemming over deze motie plaatsvindt voor de stemming over het wetsvoorstel in verband met de finale beoordeling van dat wetsvoorstel. Ik begrijp dat ik de motie aan de voorzitter moet overhandigen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Ganzevoort, Koole, Smaling, Thom de Graaf, Kuiper, Holdijk, De Lange en Nagel wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het wetsvoorstel langstudeerders tot doel heeft, het studierendement te bevorderen en ombuigingen te realiseren;

constaterende dat de regering geen onderscheid maakt tussen voltijd- en deeltijdstudenten;

overwegende dat met name in het wo deeltijdstudenten vaak hun studie combineren met een baan en zorg voor een gezin, dat zij voorbeelden zijn voor een Leven Lang Leren en veelal geen beroep doen op studiefinanciering;

overwegende dat voor deeltijdstudenten nominaal studeren betekent dat zij het geprogrammeerde aantal studiepunten per jaar halen, ook als dat betekent dat zij meer jaren studeren dan voltijdstudenten;

overwegende dat het hier om een kleine maar maatschappelijk gezien belangrijke groep gaat;

overwegende dat deze deeltijdstudenten zo hard getroffen worden door het wetsvoorstel langstudeerders dat voor hen feitelijk de studie onbetaalbaar wordt;

overwegende dat zulks niet de bedoeling kan zijn geweest van het wetsvoorstel langstudeerders;

verzoekt de regering om in overleg met de sector zo spoedig mogelijk, maar in elk geval voor 1 september 2012, een regeling te treffen die disproportionele gevolgen voor deeltijdstudenten voorkomt,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter I (32618).

Ik zal tegemoetkomen aan het verzoek van de heer Ganzevoort om de motie in stemming te brengen voor de stemming over het wetsvoorstel.

Mevrouw Duthler (VVD):

Is de motie niet overbodig geworden, nu de staatssecretaris heeft aangegeven die brede discussie te willen voeren?

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

De motie is geformuleerd als een ondersteuning van beleid. U zegt dat deze daarmee overbodig is, maar de vraag die erin staat, sluit volstrekt aan bij wat ook van uw kant is onderstreept, namelijk dat niemand voor disproportionele gevolgen voor een bepaalde groep studenten is. Het is nog niet door de staatssecretaris toegezegd dat hij disproportionele gevolgen ook inderdaad zal zien te voorkomen. Het is misschien één stapje verder dan alleen maar bestuderen wat we deeltijd noemen. De vraag is niet om te voorkomen dat er gevolgen zijn, maar om te voorkomen dat er disproportionele gevolgen zijn.

De heer Smaling (SP):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik denk dat de staatssecretaris en ik het in de kroeg bij een biertje uitstekend met elkaar zouden kunnen vinden, maar of wij politiek veel nader tot elkaar komen, betwijfel ik. In ieder geval moet ik vaststellen dat we ondanks het levendige debat niet veel dichter bij elkaar zijn gekomen. Of je nu 18 mld. besluit te bezuinigen of een ander bedrag, oké, wij accepteren dat daar een noodzaak toe is. Waar het door komt dat het nodig is, is weer een groter verhaal, en dat gaan we hier niet houden.

Dan de voorbereiding van dit debat. De staatssecretaris begon zijn verhaal met een wat mij betreft niet noodzakelijk vrijpleiten van zichzelf c.q. de regering, maar het is duidelijk dat hij haast heeft. Dat is zijn goed recht, maar het is aan deze Kamer om te besluiten of een wetsvoorstel schriftelijk afdoende is voorbereid om tot het plenaire debat over te gaan. Die voorbereiding was niet goed, maar zoals ik zei, dat hebben wij onszelf aan te wrijven.

Maar goed, het blijft in onze ogen nog steeds een draak van een wet. Het is een enorm bedrag waaraan een heel grote groep mensen ineens wordt blootgesteld. De regering weet ook niet over welke mensen het gaat. Ik schat dat 10% tot 15% werkelijk traag is, terwijl de andere 80% à 90% om allerlei zeer legitieme redenen wat langer over de studie doet.

We hebben maar een paar dagen naar de strategische agenda kunnen kijken. Er is niet zo heel veel van teruggekomen in de beantwoording. Het debat gaat er ook niet over, maar je kunt dit niet los van elkaar zien. Wat mij opviel in de strategische agenda, is dat deze is ondertekend door zowel de staatssecretaris als door minister Verhagen, maar dat het hele document verder in de ik-vorm is geschreven. Heeft de heer Verhagen zichzelf later opgedrongen om zijn naam eronder te krijgen, zodat ook die topsectoren in het stuk konden terugkomen of zie ik dat verkeerd? Dat zou ik graag nog even horen.

Op blz. 76 van de strategische agenda staat, zoals ik in eerste termijn ook heb gemeld, een heel klein staatje, dat ruim op een A4'tje past, waarin de budgetten staan aangegeven. De middelen van dit kabinet staan hierin vermeld over de jaren tot en met 2015 op een zeer hoog aggregatieniveau, maar volgens mij tellen deze niet op naar 370 mln. per jaar, verre van dat. Ik wil niet helemaal nieuwe vragen stellen, maar als de staatssecretaris toch even wil schorsen, zitten er boven een hoop mensen die er misschien even wat licht op kunnen laten schijnen waar het grootste deel van die 370 mln. dan is gebleven.

Ik heb een heel vurig pleidooi gehouden over doelgroepen, maar ik heb de staatssecretaris dat woord niet horen gebruiken. We hebben wel ontzettend veel cases langs zien komen van deeltijders, mensen die een premaster moeten volgen, een cohortbenadering, en zo kan ik er nog een heleboel noemen. De Raad van State heeft er ook een paar genoemd. Er zijn een heleboel als-dansituaties, maar de staatssecretaris zegt dat hij niet met ieder individueel geval rekening kan houden. Dat begrijp ik ook. Misschien is het ook wel een voordeel voor de staatssecretaris dat er zoveel als-dansituaties zijn, want dan krijg je zo'n enorm versplinterd beeld van gevallen dat het voor hem ook makkelijker is om te zeggen: huppekee, een generieke maatregel en verder geen ge-je-weet-wel. Is dat zo?

Ik heb specifiek gerefereerd aan allochtone studenten. Ik zal mezelf niet herhalen, maar dit is toch een groep die vorderingen heeft geboekt in het hoger onderwijs. Graag een appreciatie daarvan. In dit verband wil ik zeggen dat ik merk dat de bezuinigingen die de regering kiest, vaak groepen en mensen raken waarbij juist veel vorderingen waren geboekt. Dat geldt niet alleen bij deze wet, maar ook bij de enorme kortingen op natuurbeleid. In dit geval gaat het om de allochtone studenten. Bij natuurwetgeving geldt het voor landbouwers, natuurterreinbeherende organisaties en mensen die zich bezighouden met de aanleg van bijvoorbeeld wegen en jachthavens. Al die mensen zijn tot elkaar gekomen. Groepen met verschillende belangen hebben stappen gezet om naar elkaar toe te groeien. Dat proces wordt nu beëindigd door de bezuinigingen en wij betreuren dat in zeer hoge mate.

Voorzitter. Het Profileringsfonds mag niet verworden tot een excuustruus. Het fonds heeft zo zijn beperkingen en je kunt dus niet te vaak zeggen dat er van alles mee kan worden geregeld. Ik denk aan regelingen voor zwangere vrouwen, mensen met fobieën enz. Ik hoor hierop graag het commentaar van de staatssecretaris in tweede termijn.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de antwoorden. Hij heeft ons als een "opjrochte Frys" beantwoord.

De staatssecretaris heeft het ons niet gemakkelijk gemaakt. Wij hebben nog steeds aarzelingen. Ik begin met een opmerking waarop ik nog graag een reactie wil hebben. Deze maatregel zal het namelijk vrijwel onmogelijk maken om twee bachelorstudies te doen. Wij maken het excellente studenten nu wel heel erg moeilijk. Dat geldt natuurlijk ook voor de masters.

Wij ondersteunen het principe van de langstudeerdersmaatregel, maar het lijkt er erg op dat de financiële taakstelling de studierendementsdoelstelling verdringt. Zou het niet veel eleganter zijn geweest om allereerst het studierendement te verhogen, het langstuderen af te blokken en dat vervolgens progressief in te voeren? Je zou kunnen zeggen: voor het vierde jaar € 500 erbij, voor het vijfde jaar € 1000 en het laatste jaar € 1500. Dat zou dan voor studenten die twee bachelors willen doen, een overweging kunnen zijn om het tegen iets meer studiekosten af te maken. Dat zou ideaal zijn geweest. Maar nu moet het bedrag van € 3000 in één keer worden gehaald en het liefst zou gauw mogelijk. Dit leidt tot veel losse eindjes. Ik denk aan de deeltijdstudent, het creatief inschrijven, de premaster enz. Allemaal zaken waarvan je je afvraagt hoe zorgvuldig dat is. Je weet dat dit alles veel onrust zal geven op de universiteiten. Het is niet het maatwerk dat wij graag zouden zien. Wij hebben dus sympathie voor het principe, maar het maatwerk ontbreekt en daarmee ook de zorgvuldigheid.

Voorzitter. ik wil graag een motie indienen over de manier waarop wij met de premaster omgaan. De staatssecretaris wil dat die onderdeel wordt van een bachelor. We zullen zien hoe dat dan binnen die opleiding wordt opgelost. Dat kan niet altijd. Het wordt nu gebruikt als een soort selectie aan de poort bij masteropleidingen. Hoe het ook wordt georganiseerd, ik vind het belangrijk dat ze vallen onder de nominale studieduur. Studenten mogen niet een deel van hun uitlooptijd kwijtraken. Wij kunnen hierover nog het nodige zeggen, maar ik wil nu alvast de volgende motie indienen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Kuiper, Koole, Ganzevoort, Smaling en Thom de Graaf wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat universiteiten aan studenten die zich voor een master willen inschrijven, de eis stellen een premastertraject te volgen;

constaterende dat deze premaster niet wordt meegerekend met de nominale studieduur van de master- c.q. de bachelorstudie;

overwegende dat studenten die een premaster volgen een deel van hun uitlooptijd kwijt zijn aan voorbereidende studie;

overwegende dat hiermee studenten die een premaster dienen te volgen worden benadeeld en ongelijk worden behandeld ten opzichte van studenten die een dergelijke premaster niet hoeven te volgen;

verzoekt de regering, premastertrajecten te rekenen onder de nominale studieduur van master- c.q. bachelorstudies,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter J (32618).

Ik heb mij ervan vergewist dat de heren De Lange en Nagel geen gebruik wensen te maken van hun tweede termijn. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij even respijt wil tussen repliek en dupliek.

De vergadering wordt van 23.25 uur tot 23.40 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de reactie in tweede termijn, de dupliek. Mag ik hem verzoeken – maar dat zal hij ongetwijfeld ook uit zichzelf doen – om een appreciatie te geven van de twee ingediende moties, aan het einde van zijn tweede termijn?

Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Zijlstra:

Voorzitter. Ik dank de leden van de Kamer voor hun inbreng in de tweede termijn. Het is duidelijk dat er op een aantal gebieden verschil van mening bestaat tussen een deel van de Kamer en het kabinet, maar ik ben het eens met de leden die hebben aangegeven dat het debat in elk geval veel verheldering heeft opgeleverd over de verschillende standpunten.

De discussie over de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid hebben wij in de eerste termijn volgens mij helder gevoerd. Dat dit niet overtuigend is geweest voor sommige leden, laat ik in het midden. Dat kan een situatie zijn. Nogmaals, het wegen van de verschillende factoren is een essentieel onderdeel van het wetgevingstraject. Tweeënhalf jaar geleden is de verhoging van de bijdrage van studenten in het collegegeld geaccordeerd. Het betrof een permanente verhoging van € 220, die met onmiddellijke ingang is ingevoerd. Ik hecht eraan om dat nogmaals te benadrukken. De heer De Graaf zei dat er een heronderhandeling moest plaatsvinden van het verdrag, omdat het kabinet toegankelijkheid als uitgangspunt heeft, maar niet gratis onderwijs. De partij van de heer De Graaf streeft het sociaal leenstelsel voor studenten na. Dat stelsel houdt een hogere eigen bijdrage van studenten voor het onderwijs in. Het brengt een toename van kosten met zich en betekent geen kosteloos onderwijs. Ziet de heer De Graaf dat ook als een noodzaak tot heronderhandeling van het verdrag? De regering ziet dit niet zo, omdat zij een ander uitgangspunt heeft. Ik hecht eraan om dit punt helder te maken, namelijk dat het niet zo kan zijn dat je het een nastreeft en de ander het andere verwijt.

De heer Koole had het over schrijnende gevallen in het Profileringsfonds, en de heer Smaling drukte het iets huiselijker uit en zei dat het Profileringsfonds geen excuustruus moet worden, hoewel ik van mijn ambtenaren die uitdrukking niet meer mag gebruiken, geloof ik. Die twee kunnen echter ook bij elkaar. Dan kom ik ook bij hetgeen de heer Kuiper aangaf over maatwerk. Er is altijd wrijving tussen het vormgeven van wetgeving waarin je probeert alle uitzonderingen te vatten en van generieke wetgeving, die de regels vaak uitvoerbaar, hanteerbaar en simpel maakt. Dat is een wrijvingsproces dat altijd plaatsvindt. Het kabinet heeft breed aangegeven te willen gaan voor generieke wetgeving, met zo weinig mogelijk uitzonderingen. Dat zullen wij ook toepassen op de studiefinanciering. In het najaar zullen wij daarmee naar de Kamer komen. Het kan ook begin volgend jaar zijn. In het najaar gaan wij naar de Tweede Kamer, en het ligt er een beetje aan hoe snel de collega's aan de overkant zijn. Wij gaan proberen om ook in de studiefinanciering allerlei uitzonderingssituaties weg te nemen. Dat levert financiële voordelen op. Ik kan nu alvast aangeven dat een van de bestedingsmogelijkheden die het kabinet ziet, het Profileringsfonds is. Juist als je generieke wetgeving organiseert, moet je in specifieke uitzonderingsgevallen door middel van een hardheidsclausule instellingen de mogelijkheid geven om via een Profileringsfonds en de daarbij behorende middelen de studenten te vrijwaren van de gevolgen. Niet alleen beogen wij dit, wij willen het ook op die manier tot uitvoering brengen.

De heer Kuiper vroeg of wij niet hadden kunnen kiezen voor een progressief stelsel, bijvoorbeeld in het vierde jaar € 500 en dan langzaam opbouwen. Dat hebben wij overwogen en in de Tweede Kamer is daartoe door de heer Van der Ham een amendement ingediend. Dat is uitvoeringstechnisch echter buitengewoon complex, en uitvoerbaarheid van wetgeving vindt de regering altijd een belangrijk argument. Dat is een argument voor onze keuze voor een helder verhoogd collegegeld op één specifiek moment. Er treedt altijd een spanning op tussen generieke wetgeving die uitvoerbaar en helder is en een individuele casus waarin iemand daardoor soms geweld kan worden aangedaan.

Ik kom op de motie van de heer Ganzevoort. Hij gaf helder aan dat deze motie is bedoeld als ondersteuning van beleid en zo beschouw ik haar ook. Ik durf hier rustig te zeggen dat geen enkel kabinet en geen enkele bewindspersoon van welke partij dan ook hier zal verdedigen dat beleid en wetgeving disproportionele gevolgen met zich mee zouden mogen brengen. Dat is wat iedereen altijd tracht te voorkomen. Ik ben het in die zin met die motie eens. Wij gaan een brede beschouwing houden over hoe het zit met deeltijd in de WHW. Dat is nu heel ruim. Dat heeft het voordeel dat instellingen de mogelijkheid hebben om maatwerk te leveren. Het nadeel is dat je in discussies als deze heel moeilijk tot een afgebakende groep kunt komen. Het is voor mij bijvoorbeeld geen wet van meden en perzen dat dit disproportionele gevolgen heeft. Laat dat helder zijn. Dat moet daar ook uit voortkomen. Als uit die overweging blijkt dat dit het geval is, heb ik er geen problemen mee dat de Kamer zegt dat ik met maatregelen moet komen. De enige opmerking die ik verder over de motie wil maken, is dat er een vanzelfsprekendheid in lijkt te zitten dat er per definitie sprake is van disproportionele gevolgen. Die zou ik niet voor mijn rekening willen nemen. Als wij de brede overweging hebben gemaakt en dat het geval zou blijken te zijn, zal ik daar zeker bij deze Kamer op terugkomen. Dat lijkt mij op zijn plaats. In die zin vind ik de motie ondersteuning van beleid.

Er is nog een aantal andere zaken aan de orde gekomen. Mevrouw Duthler vroeg om een bevestiging van de toezegging over de deeltijders. Zij had die goed begrepen. Ik betrek ook het duale traject erbij. Ik zal de conclusies delen met de Eerste Kamer. Dat zal ik ook doen wat betreft het collegegeldvrij studeren.

Ik kom nu op de inbreng van de heer De Graaf. Ik ben al ingegaan op het verdrag. Hij gaf aan dat overgangsrecht ook het verzachten van de omstandigheden voor benadeelden inhoudt. Ik blijf overeind houden dat een overgangstermijn van een jaar feitelijk een verzachting is van de omstandigheden voor wat de heer De Graaf benadeelden noemt. Zoals de heer Koole al zei, kunnen wij daar een hele semantische discussie over voeren. Dat lijkt mij niet zo op zijn plaats. Wij hebben uiteindelijk niet voor niets een dekking gezocht bij het door de SGP-fractie in de Tweede Kamer ingediende amendement om dat extra jaar in te bouwen en daarmee oude gevallen meer tijd te geven om hierop in te spelen. Dat laat onverlet – daar hebben de heren Koole, De Graaf en anderen die hierover hebben gesproken gelijk in – dat dit niet betekent dat men helemaal gevrijwaard is. Dat klopt. Dat is een keuze die wij hebben gemaakt.

De heer Essers sprak over een opleiding van zeven jaar. Dat intrigeerde mij, want dat is niet de nominale studieduur. De nominale studieduur voor de betreffende opleiding is vier jaar. Ook dit zal, in lijn met de motie van de fractie van GroenLinks, worden meegenomen in het geheel. In die zin komen wij daarop terug.

De heer Essers noemde het punt van de gehandicapte student. Hij richtte zich op Surinamers, maar dat geldt ook voor bijvoorbeeld deeltijders. Hij heeft gewoon gelijk. Het kan niet zo zijn dat iemand die geen studiefinanciering heeft en gehandicapt is dat jaar extra niet zou kunnen krijgen. Dat gaan wij regelen. Dat kan per AMvB. Ik heb geen reden kunnen verzinnen waarom het logisch zou zijn om iets anders te doen. De heer Essers heeft dat terecht opgemerkt.

Ik ben het met de heer Smaling eens dat het wel eens gezellig kon zijn in de kroeg met zijn tweeën. Ik ben het echter niet met de heer Smaling eens dat de heer Verhagen – hoe zei hij dat nu ook alweer – het tekenen van het voorwoord heeft opgedrongen. Nee, de heer Verhagen zal in het najaar een brief over het bedrijfsleven laten verschijnen. In het voorwoord daarbij zal de heer Smaling ook mijn handtekening vinden. Dat doen wij, omdat de regering hecht aan de vervlechting van het afnemende veld, de economie, het wetenschappelijk onderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het onderzoek. Wij vinden die vervlechting een belangrijke zaak. Dat hebben wij op deze manier proberen neer te zetten. Waarschijnlijk zal de heer Smaling of een van zijn collega's als de bedrijfslevenbrief voorbijkomt, aan de heer Verhagen vragen hoe het nu zit met de heer Zijlstra. Hij zal de heer Verhagen vragen: heeft de heer Zijlstra zijn voorwoord opgedrongen, want de rest van de brief is in de ik-vorm geschreven?

De heer Smaling zei ook dat de 370 mln. van pagina 76 niet optelt. Dat klopt. Uit de totaalsom blijkt echter dat het bedrag van € 3000 dat studenten betalen, achterblijft bij de instellingen en een positief financieel effect heeft. Dat bedrag staat niet in de optelsom. Met de rekencapaciteiten van de heer Smaling is dus niets mis.

Er is ook gesproken over de allochtone student. Het kabinet heeft doelgroepenbeleid in brede zin losgelaten. Doelgroepenbeleid vinden wij geen goede benadering. In de eerste termijn ben ik daarop ook al even ingegaan. Instellingen kunnen zich echter wel profileren. Een hbo-opleiding of een universiteit in de Randstad kan ervoor kiezen om zich te profileren met bijvoorbeeld programma's specifiek voor allochtone studenten. Dat is juist een van de gronden waarop een instelling zich kan profileren in het brede veld. Wij willen niet alle instellingen hetzelfde laten doen, maar instellingen juist de dingen laten doen waarin zij goed zijn. Op dat punt liggen dus mogelijkheden. Het kabinet voert echter geen doelgroepenbeleid via subsidiëring. Die keuze wordt overigens onderbouwd in allerlei rapporten, zoals men heeft kunnen lezen in de subsidiebrief. Uit die rapporten blijkt dat het voeren van doelgroepenbeleid via subsidiëring weinig effectief is. Daarom hebben wij daarvan afscheid genomen.

De heer Kuiper stelt dat het materieel heel moeilijk wordt voor de excellente student om twee studies naast elkaar te doen. Ik wil echter scherp stellen dat de excellente student dat wel zal lukken. Mijn politiek assistent is het zelfs gelukt om twee studies te volgen. Ik mocht het niet van hem zeggen, maar toch doe ik het. Hij volgde precies de twee studies die de heer Kuiper noemde. Als het hem kan lukken, moet het meer mensen kunnen lukken. Ook mij is het gelukt, weliswaar met vier jaar uitloop. Ik heb echter ook twee studies gedaan. Als ik de vakantie ervan aftrek – daarover spraken wij al – dan kan het. De excellente student die twee studies wil volgen, kan dat doen. Dat het moeilijker wordt, zal ik echter niet ontkennen; dat is gewoon een feit.

Over het maatwerk heb ik het gehad. Ik ben het eens met de heer Kuiper dat er sprake is van spanning op dat punt. Wij moeten echter niet willen suggereren dat wij elke uitzondering kunnen faciliteren. Als wij dat zouden doen, zouden wij enorme discussies krijgen over de uitvoerbaarheid. De Eerste Kamer heeft de traditie om daaraan altijd uitvoerig aandacht te besteden.

Ik kom op de premaster en de moties. Ik zal beginnen met de motie van de heer Kuiper, omdat ik de andere al even heb aangestipt. In de motie wordt de regering verzocht om premastertrajecten te rekenen onder de nominale studieduur van master- c.q. bachelorstudies. De nominale studieduur van bijvoorbeeld een wo-bachelorstudie is drie jaar. De nominale studieduur van een masteropleiding van een jaar is een jaar. Het premasterprogramma is een schakelprogramma. Als een student de bachelorfase heeft afgerond en daarna een masteropleiding wil gaan doen die niet helemaal goed aansluit op de bacheloropleiding die is gevolgd, dan moet hij een aanvullend programma volgen. De tijd die daarvoor nodig is, kan natuurlijk niet worden gerekend tot de nominale studieduur. Als wij dat zouden doen, ontstaat een gekke situatie. De regering vindt dat het premasterprogramma onderdeel is van de bachelorfase, niet van een individuele bacheloropleiding. Het is dus mogelijk het schakelprogramma te volgen bij een andere instelling. Het premasterprogramma is wel onderdeel van de bachelorfase, maar valt zeker niet onder de nominale studieduur. Ik ontraad dus de Kamer het aannemen van deze motie.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Stelt de staatssecretaris dat het premasterprogramma in de uitlooptijd komt te liggen van de student? Dat is het argument dat staat in de overwegingen. Het jaar uitlooptijd wordt dus opgesoupeerd aan het volgen van de schakelklas of het premasterprogramma? Is dat correct?

Staatssecretaris Zijlstra:

Als je een driejarige wo-bachelor hebt gedaan en een jaar schakelprogramma nodig hebt, kom je überhaupt niet met de langstudeerdersmaatregel in aanraking. Omdat zo'n programma langer dan zes maanden duurt, geldt dan namelijk het instellingscollegegeld. Je volgt dan feitelijk een tweede bachelor in de vorm van een stoomcursus. Als je een jaar nodig hebt om je klaar te stomen voor een bepaalde master, ben je eigenlijk met een verkapte bachelorvooropleiding bezig en betaal je, in lijn met eerdere besluitvorming in dit huis, instellingscollegegeld. Als het programma zes maanden of korter duurt, valt het onder de bachelorfase. In eerste termijn heb ik al gezegd dat je, als je C+1 hebt opgesoupeerd en daarna nog een schakelprogramma volgt, je het wettelijk collegegeld moet betalen, hetzij het verhoogd wettelijk collegegeld. Duurt het nog langer, dan moet je het instellingscollegegeld betalen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Mij gaat het natuurlijk om de opleidingen waarvoor wettelijk collegegeld geheven wordt, niet het instellingscollegegeld. Dit valt natuurlijk ook onder de regels van de langstudeerdersmaatregel. Als ik het goed begrijp, blijft het zo voor die gevallen. Dan soupeer je je extra uitlooptijd op.

Staatssecretaris Zijlstra:

Als je een schakelprogramma volgt, gebruik je de tijd van je bachelorfase. Hierdoor kan de langstudeerdersmaatregel van toepassing worden. Als de tijd voorbij C+1 gaat, val je niet meer onder het wettelijk collegegeld, maar onder het verhoogd wettelijk collegegeld. De motie gaat echter over de nominale studieduur. Ik ontraad deze motie daarom.

De motie van de heer Ganzevoort zien wij als ondersteuning van ons beleid, waarmee de motie feitelijk overbodig is. De motie behelst precies wat wij willen uitvoeren. Hiermee ben ik gekomen aan het einde van mijn tweede termijn.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord in tweede termijn.

De beraadslaging wordt gesloten.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Zouden wij, voordat wij gaan stemmen, een heel korte schorsing kunnen krijgen voor overleg?

De voorzitter:

Hoelang is kort?

De heer Essers (CDA):

Twee minuten.

De voorzitter:

Dat kan.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

We gaan stemmen over de moties en het wetsvoorstel.

In stemming komt de motie-Ganzevoort c.s. (32618, letter I).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Kuiper c.s. (32618, letter J).

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf.

Mevrouw Duthler (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie is van mening dat het aan de universiteiten zelf is om hun programma's aan te passen. Wij hebben heldere regels. Als wij nu weer uitzonderingen gaan maken op deze regels, dan wordt de poort opengezet voor misbruik en wildgroei. Onze fractie vindt dat universiteiten zelf aan zet zijn om hun programma's aan te passen en steunt de motie dus niet.

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de SP, D66, GroenLinks, de ChristenUnie, 50PLUS en de OSF voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de fracties van de VVD, het CDA, de PVV en de SGP ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt het wetsvoorstel.

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter, ik kan het kort houden. Ik heb in dit debat mijn aarzelingen aangegeven en die zijn op een heel aantal punten niet weggenomen. Ik vind dat deze maatregel op zichzelf steun verdient, maar dat zorgvuldigheid ontbreekt bij de invoering en bij de vormgeving ervan. Ik zal dus tegenstemmen.

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de VVD, het CDA, de PVV en de SGP voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de aanwezige leden van de PvdA, de SP, D66, GroenLinks, de ChristenUnie, 50PLUS en de OSF ertegen, zodat het is aangenomen.

Ik dank u allen, met inbegrip van de staatssecretaris, voor uw bijdrage aan de discussies van vandaag en voor uw uithoudingsvermogen. Ik wens u een heel goede recesperiode toe. Als u met vakantie gaat, wens ik u een zeer goede vakantie. Het meest wens ik dat u hier allemaal weer in gezondheid terugkeert op 13 september.

Sluiting 0.00 uur.