Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 33, item 5

5 Ruim baan voor talent

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met het uitbreiden van de mogelijkheden van selectie van studenten en van verhoging van het collegegeld alsmede in verband met het aanscherpen van de toelatingsvereisten voor aansluitende masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs (ruim baan voor talent) (32253).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom in de Eerste Kamer.

Het woord is aan de heer Koole, die zijn maidenspeech zal houden.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Koole (PvdA):

Voorzitter. Het hoger onderwijs krijgt vandaag ruime aandacht in dit huis. Dat is terecht. Het hoger onderwijs is het sluitstuk van een onderwijsstelsel dat gericht dient te zijn op het ontwikkelen van de talenten die in de samenleving aanwezig zijn. Die talenten zijn aanwezig bij iedereen. Vanzelfsprekend heeft niet iedereen het talent voor het volgen van hoger onderwijs, maar dat betekent niet dat talenten van mensen met minder cognitieve vermogens niet moeten worden ontwikkeld en benut. Daarvoor zijn andere vormen van onderwijs nodig dan het hoger onderwijs, maar daarover spreken wij vandaag niet.

Wij spreken vandaag dus wél over het hoger onderwijs. Wij moeten dat ook doen in termen van wat tegenwoordig heet "het hoger leggen van de lat". Als wij dat doen, moeten wij echter blijven beseffen dat mensen niet gelijk zijn, maar wel gelijkwaardig. Als iemand niet het talent bezit om hoger onderwijs te volgen, is hij of zij daardoor niet minder waard. Ik ga ervan uit dat iedereen in dit huis dat met de PvdA-fractie eens is. Ik zeg het echter met enige nadruk, omdat het gevaar bestaat dat door het voortdurende spreken over toptalent, selectie, het aanscherpen van toelatingseisen, innovatieve kenniseconomie, meer efficiency, excellentie, hightechbanen enzovoorts, bij mensen die niet de hoogste treden van de onderwijsladder kunnen halen de indruk wordt gevestigd dat zij minder meetellen of erger; dat zij minder waard zijn. De indruk kan worden gewekt dat hun talenten niet eens meer als talenten worden herkend. Dat zou die mensen groot onrecht aandoen en zou een verspilling van talent betekenen.

Wij spreken vandaag onder meer over "ruim baan voor talent". Ik zou het van harte toejuichen als een wet of rapport met die titel nu eens ging over het vmbo of het mbo. Deze hartenkreet betekent niet dat wij in ons hoger onderwijs niet het beste uit de studenten moeten zien te halen. Integendeel, ook al is het goed kunnen leren op zich geen enkele verdienste, het is zowel voor de ontplooiing van de individuele student als voor de samenleving als geheel goed dat persoonlijke capaciteiten worden aangeboord en ontwikkeld. Daarvoor is een heel instrumentarium noodzakelijk. Daarom is het jammer dat wij vandaag dit wetsvoorstel reeds behandelen zonder dat wij uitgebreid hebben kunnen reflecteren op de vrijdag jongstleden gepubliceerde Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap. Want daarin wordt een veel breder kader geschetst dan in het wetsvoorstel waarover wij nu spreken. Ik zal hierover later vandaag nog iets meer zeggen.

Over het voorliggende wetsvoorstel heeft de staatssecretaris vragen van verschillende fracties beantwoord in de memorie van antwoord naar aanleiding van het voorlopig verslag. De leden van de PvdA-fractie hebben hiervan met belangstelling kennisgenomen. Zij willen echter bij verschillende punten van de staatssecretaris nadere vragen stellen over toegankelijkheid, het risico van tweederangs onderwijs en de harde knip, zodat zij de antwoorden daarop kunnen meewegen bij het al dan niet steun verlenen aan dit wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over de toegankelijkheid van het speciale kleinschalig, intensief en residentieel onderwijs. De fractie is vóór het extra uitdagen van extra begaafde studenten, zolang die extra uitdaging maar niet afhankelijk is van de dikte van de portemonnee van de ouders. Kan de staatssecretaris garanderen dat selectie voor dergelijke opleidingen resulteert in gelijke kansen voor gelijkelijk getalenteerde studenten, zonder dat het inkomens- of opleidingsniveau van de ouders doorslaggevend is? In het wetsvoorstel wordt immers gesteld dat aan de toegankelijkheid van het hoger onderwijs geen afbreuk mag worden gedaan. Deze vraag is des te klemmender nu het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat de instellingen voor deze bijzondere opleidingen hogere collegegelden vragen. Hoe kan worden voorkomen dat het inkomen van de ouders mede bepalend wordt voor de toegang van hun kinderen tot deze bijzondere opleidingen? Deze bijzondere opleidingen moeten toch geen opleidingen worden voor alleen of hoofdzakelijk kinderen van de maatschappelijke elite? Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om ook de toegang van getalenteerde kinderen van ouders met lagere inkomens te borgen?

Is de staatssecretaris in dit verband bereid bij de toetsing van de opleidingen na zes jaar ook dit element te betrekken, zodat kan worden vastgesteld of de studentenpopulatie van de speciale opleidingen op dit punt vergelijkbaar is met die van de reguliere universitaire opleidingen? Wordt overigens het dure karakter van de opleidingen voor Liberal Arts and Sciences niet al extra bekostigd door het gedeeltelijke bètakarakter ervan – de sciences – zodat de noodzaak voor hogere collegegelden misschien wel afwezig is?

Intrigerend is de opmerking op pagina 17 van de memorie van antwoord dat het onderwijsconcept van het kleinschalig, intensief en residentieel onderwijs duur is "vooral vanwege het buitencurriculair programma". Kan de staatssecretaris uitleggen wat hij daarmee bedoelt? Kennelijk is dat onderwijs niet duur vanwege de kleine groepen of de intensieve begeleiding door hooggekwalificeerde en daarvoor adequaat betaalde docenten, maar kost het zo veel door zaken daarbuiten. Welke zijn dat dan?

In de memorie van antwoord wordt onder het hoofdje "toegankelijkheid" tevens gesteld dat een "terughoudend toestemmingsbeleid" zal worden gevoerd. De staatssecretaris is niet van plan nieuwe aanvragen te honoreren wanneer de toegankelijkheid op stelselniveau in het geding is. Is het niet beter te voorkomen dat die toegankelijkheid in het geding komt? In verband met die terughoudendheid hoort de PvdA-fractie graag van de staatssecretaris welk aandeel van het totaal aantal universitaire studenten nu die bijzondere opleidingen volgt en wat volgens de staatssecretaris het wenselijke maximale aandeel is. Het achterliggende idee is de vrees voor tweederangs onderwijs op de universiteiten. Dit zou kunnen ontstaan wanneer op grotere schaal dan nu bijzondere opleidingen worden gecreëerd die de beste studenten selecteren en waarheen de beste docenten trekken, zodat voor de rest van de studenten tweederangs onderwijs overblijft. In de memorie van antwoord staat dat dit niet zal gebeuren en dat het de bedoeling is dat het gehele hoger onderwijs van kwalitatief hoog niveau is. Voor de PvdA-fractie is het van groot belang dat de kwaliteit van het gehele hoger onderwijs hoog is. Dat betekent niet alleen dat er – zoals de commissie-Veerman bepleit – een forse extra investering moet komen, maar ook dat het aandeel van de bijzondere opleidingen met hoger collegegeld op het totaal beperkt blijft, want anders is een tweedeling heel moeilijk te vermijden. Daarom vraag ik wat het aandeel van de studenten van die opleidingen op het totaal is en waar ongeveer het maximum ligt.

Ten slotte heb ik een vraag over een mogelijk effect van de harde knip, het principe "eerst bachelor, dan master". Vanwege die harde knip wordt begrijpelijkerwijs gesproken over de mogelijkheid van extra instroommomenten. In de discussie tot dusver en ook in de memorie van antwoord is weinig oog voor een mogelijk negatief effect op de didactische opbouw van de masteropleiding. Het is al moeilijk om in een eenjarige master iets van een cumulatieve opbouw van de stof te bewerkstelligen. Vergroting van het aantal instroommomenten zal dat nog moeilijker maken. Betekent een vergroting van het aantal instroommomenten dat een masteropleiding in de praktijk zal bestaan uit losse vakken, waarbij in de ene cursus niet kan worden voortgebouwd op een andere, eerdere cursus en acht de staatssecretaris dit een wenselijke ontwikkeling? De leden van de PvdA-fractie zien de antwoorden van de staatssecretaris met belangstelling tegemoet.

De voorzitter:

Mijnheer Koole, ik wil u graag feliciteren met uw maidenspeech.

In het dagelijks leven bent u hoogleraar in de politieke wetenschappen aan de Universiteit Leiden, gespecialiseerd in de Nederlandse politiek en haar institutionele ontwikkeling. Het onderwerp van het debat dat wij nu voeren, ligt u als docent en begeleider van studenten waarschijnlijk dan ook na aan het hart. Tot nu toe bent u met name bekend als wetenschapper die veelvuldig heeft gepubliceerd over de politieke verhoudingen in het parlementaire bestel in Nederland.

Vandaag spreekt u voor het eerst in de hoedanigheid van volksvertegenwoordiger. Met het politieke metier bent u echter al langer vertrouwd. Als actief lid van de Partij van de Arbeid was u in diverse functies betrokken bij de standpuntbepaling van uw partij. In uw rol van partijvoorzitter van maart 2001 tot december 2005 was u nauw betrokken bij de politieke koers van uw partij.

Als lid van deze Kamer bent u mede verantwoordelijk voor de wetgeving in ons land en de controle op het regeringsbeleid. Ik krijg uit uw bijdrage van zojuist de indruk dat de overgang van het bestuderen van naar het participeren in het parlement u niet moeilijk valt. In 1986 verscheen van uw hand de publicatie "Binnenhof binnenste buiten: slagen en falen van de Nederlandse parlementaire democratie". Inmiddels zijn wij een kwart eeuw verder en nu komt u van buiten naar binnen. Wellicht geven uw ervaringen in dit huis aanleiding tot een herdruk. Ik wens u persoonlijk meer het slagen toe dan het falen. Ik hoop dat uw oordeel over de werkzaamheid van dit instituut in positieve zin kan worden bijgesteld.

Ik wens u succes met uw werkzaamheden in deze Kamer.

De heer Koole (PvdA):

Dank u wel.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Ook wij van de CDA-fractie feliciteren de heer Koole van harte met zijn maidenspeech. Wij kijken uit naar een heel goede samenwerking.

Zoals ook bleek uit onze schriftelijke inbreng, steunen wij, de leden van de CDA-fractie, de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel. Deze instemming geldt in de eerste plaats voor het voorstel om instellingsbesturen de gelegenheid te geven om voor opleidingen met kleinschalig, intensief en residentieel onderwijs dan wel voor zodanige programma's onder bepaalde voorwaarden studenten te selecteren en in combinatie daarmee een hoger collegegeld te vragen dan het wettelijk collegegeld voor reguliere opleidingen. Daartoe zal de minister van OCW wel toestemming moeten geven. De NVAO zal de minister adviseren over de toestemming.

Instellingen kunnen regelen dat aan bepaalde studenten op grond van persoonlijke omstandigheden en kwaliteiten geen (volledige) verhoging van het collegegeld wordt gevraagd. Hierbij mogen instellingen wel onderscheid maken, maar dienen zij zich te houden aan gelijke behandeling van studenten. Ook stemmen wij in met het voornemen om bij opleidingen met een numerus fixus de selectiemogelijkheden uit te breiden, opdat betere matching mogelijk is. Ten slotte steunen wij de maatregelen gericht op het afronden van de bachelor voordat kan worden begonnen met een master, de zogenaamde harde knip.

Wij van de CDA-fractie zijn dan ook van mening dat dit wetsvoorstel een belangrijke toevoeging betekent aan de WHW ter uitbreiding van de mogelijkheden in het hoger onderwijs om ruim baan te geven voor talentvolle studenten. Maatregelen die bijdragen aan het elimineren van de zesjescultuur in ons onderwijs, kunnen rekenen op de steun van onze fractie.

Ondanks deze principiële steun willen wij toch een aantal kanttekeningen bij dit wetsvoorstel plaatsen. Het is immers onmiskenbaar dat dit wetsvoorstel, dat is gericht op "Ruim baan voor talent", wordt gedaan in een periode waarin ook van het hoger onderwijs grote financiële offers worden gevergd. Niet uitgesloten dient dan ook te worden dat dit wetsvoorstel door instellingen wordt aangegrepen om te proberen er maximaal gebruik van te maken met de bedoeling om extra collegegelden te incasseren door zo veel mogelijk opleidingen aan te bieden waarvan de kosten lager worden ingeschat dan het verhoogde collegegeld. Dit zou ten koste kunnen gaan van de aandacht en de inzet van middelen voor de reguliere opleidingen, waar nog steeds het gewone collegegeld voor moet worden betaald. Hoe schat de regering het risico in dat dit effect zou kunnen optreden? Hoe zal zij hiermee omgaan als dit effect zich daadwerkelijk zal voordoen? Of is de toets van de NVAO een voldoende waarborg om dit soort tendensen tegen te gaan?

Een hiermee verband houdend risico is dat instellingen onvoldoende objectieve informatie geven bij het bieden van voorlichting aan studenten over de hier bedoelde opleidingen. Natuurlijk zijn er de nodige objectieve informatiebronnen over instellingen en hebben studenten ook een eigen verantwoordelijkheid, maar toch kan de vraag worden gesteld of op dit terrein voldoende waarborgen voor toekomstige studenten bestaan. Juist omdat selectie is gericht op het tot stand brengen van een optimale match tussen opleiding en student, is het van groot belang dat er volstrekte openheid wordt betracht over de instelling en de opleiding. Als er in het kader van het financiële toezicht tegenwoordig allerlei volstrekt terechte eisen worden gesteld aan een emissieprospectus opdat beleggers niet verkeerd worden voorgelicht, is er dan niet des te meer reden om ook toekomstige studenten te beschermen tegen te rooskleurige informatiedagen en brochures van onderwijsinstellingen? Deze jonge mensen staan immers voor een belangrijke keuze die gevolgen heeft voor de rest van hun leven. Selectie betekent niet alleen dat instellingen de beste studenten kunnen binnenhalen, maar ook dat studenten een verantwoorde keuze kunnen maken. Pas dan is er sprake van een goede match. Wat is de opvatting van de staatssecretaris hierover? Hoe kan worden voorkomen dat studenten op het verkeerde been worden gezet door verkeerde informatie van de zijde van de instellingen? Zeker in tijden van financiële crises dient ervoor te worden gewaakt dat vanwege de prikkel om zoveel mogelijk studenten binnen te halen, afbreuk wordt gedaan aan de objectieve voorlichting van potentiële toekomstige studenten. Dit is overigens een vraag die verder reikt dan alleen de contouren van dit wetsvoorstel.

Verder willen wij graag terugkomen op de reactie van de staatssecretaris in de memorie van antwoord op onze vraag of de uitbreiding van de selectiemogelijkheden bij opleidingen met een numerus fixus niet per opleiding kritisch moeten worden getoetst en op onze vraag of de selectieprocedure niet geharmoniseerd zou moeten worden voor de verschillende studies. Op beide vragen antwoordt de staatssecretaris ontkennend. Een externe toetsing per opleiding vindt nu ook al niet plaats bij decentrale selectie, terwijl de commissie-"Ruim baan voor talent" dat, aldus de bewindsman, ook niet heeft voorgesteld. Dit antwoord komt ons nogal defensief voor. De decentrale selectie wordt met dit wetsvoorstel immers aanzienlijk uitgebreid. En het feit dat de commissie-"Ruim baan voor talent" externe toetsing niet expliciet heeft voorgesteld, laat onverlet dat deze commissie het bieden van een stimulerende onderwijscontext door een opleiding wel heel belangrijk vindt, zodat de vraag of daarbij dan ook niet een externe toetsing hoort, zich als vanzelfsprekend aandient. Graag vernemen wij hierop een reactie van de staatssecretaris.

Op onze vraag of na verloop van tijd de selectieprocedure niet zou moeten worden geharmoniseerd, antwoordt de staatssecretaris dat hij geen voorstander is van harmonisatie van selectieprocedures aangezien de instellingen verantwoordelijk zijn voor het stellen van voor de opleiding relevante selectiecriteria en voor de daarbij het best passende selectieprocedure. Naar onze mening sluiten deze eigen verantwoordelijkheid van de instellingen en de ook ons aansprekende gedachte van subsidiariteit echter niet uit dat instellingen moeten kunnen leren van best practices. In hoeverre bestaat er de gelegenheid om van elkaars ervaringen te leren en desgewenst over te gaan tot aanpassingen? Ziet de staatssecretaris hierin nog een rol weggelegd voor het departement?

Wij hebben er goede nota van genomen dat instellingen die ruimere selectiemogelijkheden mogen toepassen, daarbij wel aan een aantal wettelijke voorwaarden zijn gebonden. Zo mogen de door de opleiding te hanteren selectiecriteria aan de poort geen betrekking hebben op de behaalde eindexamencijfers. Voor de toelating tot speciale programma's die tot een hoger eindniveau opleiden, mag wel op toetsresultaten worden geselecteerd, maar dat zijn dan resultaten behaald in het hoger onderwijs zelf. Deze selectie mag dan ook pas na drie maanden plaatsvinden, omdat dan inzicht bestaat in de tentamenresultaten. Uit de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap blijkt dat eindexamencijfers in de toekomst wel een grotere rol zullen spelen bij de selectie aan de poort. In dat verband willen wij de staatssecretaris de vraag voorleggen hoe hij aankijkt tegen het nut van selecteren op eindexamencijfers. Naar onze mening merkt hij in de strategische agenda terecht op dat de wijze van selectie een combinatie van criteria moet betreffen. Eindexamencijfers zijn derhalve niet zaligmakend. Graag verkrijgen wij een nadere toelichting van de staatssecretaris op dit punt.

Ten slotte vragen wij de staatssecretaris of hij van mening is dat bij het hanteren van de knip tussen bachelor en master toch een zekere marge kan worden gehanteerd, bijvoorbeeld als de student nog maar een zeer beperkt aantal studiepunten moet behalen. Met andere woorden: hoe hard is hard? Of valt het nog onder de discretionaire bevoegdheid van de instellingen om uitzonderingen toe te staan? Op zich zijn wij voorstander van een dergelijke discretionaire bevoegdheid van de instellingen. Een andere mogelijkheid is om de instellingen, tegelijk met de harde knip, te verplichten om studenten aan de master te laten beginnen, onmiddellijk nadat de laatste toets van de bachelor is gehaald – een tentamen, scriptie of anderszins – teneinde onnodig tijdverlies te voorkomen. Graag vernemen wij hierover de mening van de staatssecretaris. Wij kijken met belangstelling uit naar de beantwoording.

De heer Smaling (SP):

Voorzitter. Te midden van alle consternatie veroorzakende beleidsvoornemens en wetsvoorstellen van dit kabinet en van de staatssecretaris in het bijzonder, moet de behandeling van het wijzigingsvoorstel Ruim baan voor talent voor hem een relaxed tussendoortje zijn. Het betreft dan ook een wetsvoorstel van het vorige kabinet dat is overgenomen door het huidige. De bijnaam is nogal intrigerend: Ruim baan voor talent. Je eerste gevoel hierbij is: ja, natuurlijk, wie kan daar nou op tegen zijn? Als je wat verder kijkt, bekruipt je toch enige twijfel. Ieder mens heeft talent, maar dan wel op verschillende terreinen. Wat dat betreft is talent geen onderscheidend criterium. Het maakt de term ook een beetje gratuit.

Verder klinkt "ruim baan" in eerste instantie natuurlijk ook positief, maar het is door de voorganger van de staatssecretaris, de heer Plasterk, gewoon geleend van zijn toenmalige collega Eurlings toen deze zijn Spoedwet wegverbreding van een goedverkopend label moest voorzien. Hoewel de regering het ontkent in het memorie van antwoord, zien wij dit wetsvoorstel wel degelijk als een verzamelwet. Weliswaar gaat het om slechts twee onderwerpen, maar we noemen de collegegelddifferentiatie voor de ambitieuze eerstejaars maar even "de appel" en de harde knip tussen bachelor en master "de peer". Volgens de regering is het zeker geen verzamelwet en zijn zowel de appel als de peer gericht op het verbeteren van de match tussen studenten en hun opleiding. Ik heb in huis iets op vier poten; het is wit met zwarte vlekken. In het weiland buiten mijn dorp lopen ook wat dieren rond die wit zijn en zwarte vlekken hebben. Het zijn allebei gewervelde dieren. Dat dan weer wel.

Aan het wetsvoorstel ging een experimentenwet vooraf. Uit het rapport van de commissie-"Ruim baan voor talent", die het experiment begeleidde, bleek dat het nut van selectie aan de poort bij bacheloropleidingen zich als instrument voor betere matching beperkt tot uitzonderingen. Over het effect van collegegelddifferentiatie werden geen verstrekkende conclusies getrokken omdat het aantal experimenten laag was. In het verslag stelde mijn fractie dat hieruit zou kunnen worden afgeleid dat het experiment geen aanleiding geeft om nu deze wet in te voeren. Het antwoord hierop was best een aardig antwoord, maar het had niets met de vraag te maken. Misschien kan de staatssecretaris hier alsnog op ingaan. Heeft het experiment echt aangetoond dat hier markt voor is? Zo ja, dan krijg ik graag een kwantitatief antwoord dat gestoeld is op feiten.

De SP-fractie heeft geen enkel bezwaar tegen het stimuleren en faciliteren van ambitieuze eerstejaars. Laat dat helder zijn. De vraag is eerder hoe je dat gaat doen. Daar begint de schoen een beetje te wringen met dit wetsvoorstel. Wij vrezen namelijk dat het vanaf dag één apart zetten van ambitieuze eerstejaars leidt tot elitaire toestanden omdat er tot vijf maal het wettelijk collegegeld kan worden geheven. Onzes inziens past het een publieke instelling niet om op dit punt zo fors te kunnen differentiëren. Een tot vijf maal hoger collegegeld is ten enenmale onbereikbaar voor de student uit een achterstandsmilieu. Dit weekend stond er een overigens sympathiek stuk over het University College Utrecht in een van de dagbladen. Als dit een volledig privaat gefinancierde instelling zou zijn, zou mijn fractie er geen problemen mee hebben, zolang de kwaliteit maar geborgd is. In werkelijkheid wordt echter vrij stevig geleund op de Universiteit Utrecht. Dit deel van het wetsvoorstel leest daardoor als een moderne Animal farm, met een aantal varkens dat lekker mag wroeten in de modder, terwijl vele andere in een megastal worden geparkeerd. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Waarom worden privaat en publiek hier niet beter gescheiden?

De noodzaak van wetgeving op het punt van collegegelddifferentiatie is mijn fractie niet helemaal helder. Het is toch gewoon mogelijk om via maatwerk de "veelvraten" onder de studenten extra uitdaging te bieden? Je kunt hun extra studiemateriaal geven, je kunt hen extra vakken laten doen, boeken laten lezen of essays laten schrijven. Op dit punt zijn wij het volledig eens met de CDA-leden die in het verslag stellen dat voor zeer goed presterende individuele studenten buiten het hiervoor gestelde kleinschalige onderwijs ook de mogelijkheid zou moeten bestaan, extra onderwijs en begeleiding te krijgen om als "high potential" af te studeren. De regering juicht dit ook toe, maar wil de instellingen op dit punt tot niets verplichten. Ondermijnt de regering met dit antwoord niet zelf de noodzaak van een wet?

Ten slotte stel ik over dit punt de vraag: wat is een high potential? Op je achttiende zit je vaak nog vol twijfel over jezelf – over de staatssecretaris misschien niet – en over je toekomst. Je herkent vaak je kwaliteiten nog niet goed. Op die leeftijd moet je bij de hand worden genomen, je moet worden gegidst door het labyrint van mogelijkheden. Kortom: er is geen sprake van lineariteit tussen de helderheid van je keuzes op je achttiende en je latere functioneren in de maatschappij. In hoeverre is te voorzien dat degenen die de university colleges instromen, werkelijk de leiders van de toekomst zijn? Wat voor leiders zijn dit dan: grootverdieners in de industrie of mensen die zich bekommeren om ouderen en gehandicapten? Wat maakt je tot een high potential? Moet de notie van succesvol zijn niet eens aan een nadere inspectie worden onderworpen?

Ik kom op de harde knip. Het tweede deel van het wetsvoorstel gaat over de harde knip, waarbij een master slechts kan worden aangevangen nadat de bachelor is afgerond. Het lijkt ons de oplossing voor een niet werkelijk bestaand probleem. Bovendien richt het zich erg op mobiliteit als doel op zich. Blijkbaar is het ouderwets om een bachelor en een master aan dezelfde hbo-instelling of universiteit te doen en al helemaal als zij op elkaar aansluiten. Dat schijnt totaal niet meer van deze tijd te zijn. Met andere woorden: het lijkt in het wetsvoorstel een pre om een master te volgen die losstaat van de eerder gevolgde bachelor. Waar dit het geval is, is een harde knip logisch, zeker als de switch ook betekent dat er fysiek moet worden verkast. Het is ook logisch ten aanzien van buitenlandse studenten, maar voor hen is het tonen van het bachelordiploma al een toelatingsvereiste op zich. Het is zelfs logisch voor hbo-bachelorstudenten die naar het wo willen doorstromen, aangezien zij sowieso een inhaalslag moeten maken. Kan de regering aangeven in hoeverre thans bij deze drie categorieën studenten de afwezigheid van een harde knip een probleem vormt? Is die harde knip hier nodig?

Wat de doorstromers betreft, zowel in het hbo als in het wetenschappelijk onderwijs: laat die mensen toch flexibel doorstromen! Straks zit een grote groep studenten nog tegen dat ene struikelvak aan te hikken waar zij pas over een halfjaar tentamen in kunnen doen en intussen kunnen zij geen andere vakken doen. Per saldo zal dit leiden tot studievertraging. Daarmee loop ik een beetje vooruit op wat wij later vanmiddag zullen bespreken. Zelf word ik nog regelmatig badend in het zweet wakker van dat ene vak dat ik pas na vijf keer haalde. Een harde knip had in dat geval ook betekend dat ik niet op de geplande buitenlandse stage had gekund, wat toch een belangrijk aspect van heel veel masteropleidingen is. Ook hiervoor stel ik de vraag: hoe groot is de studentenpopulatie die aan de master begint, terwijl de bachelor nog niet helemaal is afgerond? Staatssecretaris, geef ons goede argumenten waarom het een voordeel is, de huidige situatie te vervangen door de harde knip.

Kortom: enerzijds kun je zeggen dat dit wetsvoorstel niet heel veel pijn doet, anderzijds wordt onzes inziens onnodig een ongelijk speelveld gecreëerd, terwijl andere wegen kunnen worden bewandeld. Het wetsvoorstel wordt gekenmerkt door overbodigheid, omdat een probleem wordt opgelost dat waarschijnlijk niet echt bestaat, terwijl studievertraging in de hand wordt gewerkt. Dit zijn tegenargumenten die toch grif omhelsd zouden moeten worden door een staatssecretaris van VVD-huize.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook ik feliciteer collega Koole en de collega die straks nog volgt.

De versterking van en het investeren in hoger onderwijs is van vitaal belang voor ons land. De kritieke omstandigheden van onze tijd maken deze opdracht alleen maar urgenter. Nederland heeft bovendien een standaard hoog te houden. Het zal daarom nodig zijn om onze talenten goed en nog beter te benutten. Dit wetsvoorstel is de afronding van een traject dat "Ruim baan voor talent" is gaan heten. Deze titel spreekt ons aan. Wij steunen een stelsel van hoger onderwijs dat jonge mensen stimuleert om het beste uit zichzelf te halen en om in alle opzichten goed voorbereid een maatschappelijke loopbaan te kunnen beginnen en dienstbaar te zijn aan de samenleving.

Dat beste ligt niet alleen op het vlak van economische prestaties. Dit kabinet straalt te zeer uit dat hoger onderwijs in functie komt te staan van economische groeidoelstellingen. De gekozen bewoordingen in de strategische agenda wijzen daar in ieder geval vanaf het begin op. Het woord "bedrijven" komt er wel misschien wel net zo vaak in voor als de woorden "universiteiten" en "hogescholen". Onderwijs, zeker hoger onderwijs, betekent echter veel meer. Naast intellectuele ontwikkeling gaat het ook om geestelijke vorming. In de vorming van onze toekomstige artsen, advocaten, sociaal werkers, leraren en professionals op allerlei terreinen moet het om meer gaan dan specialistische vakkennis. In onze gecompliceerde wereld is bezinning en reflectie op beroepspraktijken en vakdisciplines van groot belang. Daarom hechten wij eraan dat de mogelijkheid blijft bestaan om meer dan één master te volgen, zoals de SER heeft bepleit in het onlangs verschenen rapport. De SER neemt afstand van het principe "een bachelor en een master" en dat doen wij ook. Daarnaast bepleiten wij binnen zowel de bachelor als de master aandacht voor bezinnende vakken op het gebied van ethiek, levensbeschouwing en wijsgerige reflectie. Wij zeggen dit omdat de omkadering van heel veel hoger onderwijsvoorstellen op het ogenblik enorm economisch ingekleurd wordt. We zijn op dit vlak al heel wat kwijtgeraakt in de loop der jaren. Het wordt tijd, hier opnieuw aandacht aan te besteden als we gaan investeren in hoger onderwijs.

Dit wetsvoorstel sluit aan bij de inmiddels gevestigde opvattingen over het belang van differentiatie in het hoger onderwijs. Kleinschalige opleidingen met hoogwaardig onderwijs draaien al een aantal jaren met succes, zoals University College Utrecht, dat in zekere zin een voorbeeld is geworden dat elders navolging vindt. Binnen de universiteiten en het hbo wordt al geëxperimenteerd en gewerkt met "honours programmes". Wij ondersteunen dat voor deze ontwikkelingen ook wettelijk meer vaste grond onder de voeten komt. Voor het hbo is de idee van een differentiatie van leertrajecten voor excellente studenten nog wennen, maar juist omdat hbo's enerzijds veel interesse aan de dag hebben gelegd in de doorstroom vanuit het mbo is het van belang om anderzijds programma's te hebben voor excellente studenten. Anders verliest het hbo verder aantrekkingskracht op studenten met een vwo-achtergrond. Die tendens is al gaande. Kan de staatssecretaris aangeven hoe deze ontwikkelingen hun beslag krijgen in het hbo? Op welke wijze kan, met andere woorden, de differentiatie verder doorwerken in het hoger beroepsonderwijs? Zal daar het principe van selectie goed uit de verf kunnen komen? Wat betekent dit principe van selectie aan de poort bovendien voor de mbo-instroom in het hbo?

Wat het wetenschappelijk onderwijs betreft verwacht de staatssecretaris geen enorme toename van het aantal kleinschalige, relatief dure, residentiële opleidingen. De verwachting is dat de prijs van deze opleidingen zal leiden tot beperking en regulering. De NVAO kan echter in principe een ruim aantal voorstellen positief beoordelen en aan de staatssecretaris voorleggen. In dat geval kan zich de situatie voordoen dat deze vormen van intensief en hoogwaardig onderwijs een nieuwe route worden voor mensen die het kunnen betalen om goed onderwijs in te kopen. Dat is een ontwikkeling – enkele collega's wezen hier ook al op – die wij niet willen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe hij hiermee zal omgaan? Kan hij aangeven hoe hij aankijkt tegen de macrodoelmatigheidstoets die voor iedere nieuwe opleiding nodig is? Waar liggen hier de grenswaarden? Wanneer komen er nieuwe opleidingen van dit type bij? Wanneer wordt het te veel?

Wij kunnen instemmen met het algemene idee dat selectie een belangrijk instrument is om de kwaliteit van de instroom te verhogen. Het is van belang dat er een goede match is tussen student en opleiding. Die goede match hangt overigens niet alleen samen met de toepassing van selectiecriteria. Er is namelijk ook een zorgvuldige intake en begeleiding van studenten nodig. Dat vraagt persoonlijke aandacht en dus een tijdsinvestering van de instelling, die zich terugbetaalt als blijkt dat studenten op hun plek zitten.

Wat de toepassing van selectiecriteria betreft, vrezen wij wel dat als hierbij de autonomie van de instelling allesbepalend is, studenten op den duur door de bomen het bos niet meer zien. Zij zullen zich bij hun oriëntatie op een opleiding namelijk geconfronteerd zien met verschillende toelatingsregimes. De vraag naar meer centrale kaders – of de vraag naar harmonisatie, zoals collega Essers stelde – is hierbij niet overbodig. Graag horen wij de opvatting van de staatssecretaris hierover.

Onze fractie heeft aarzelingen bij de harde knip die tussen bachelor- en masteropleidingen gemaakt zal worden. Natuurlijk begrijpen wij dat het een praktisch doel dient, allereerst voor de ontwikkeling van studerenden zelf. Men moet namelijk eerst een bachelor afronden vooraleer men aan een masterstudie begint. Het is echter een zaak die instellingen prima zelf kunnen behartigen, zoals zij nu ook al doen. Veel opleidingen kennen studieloopbaanadvies en daarvan is dit een onderdeel.

Het kabinet beoogt echter iets anders, zo constateer ik. Allereerst wordt in de memorie van toelichting een taxatie gegeven van het functioneren van de bachelor-masterstructuur. Deze structuur zou niet goed werken, zo wordt opgemerkt, aangezien te veel studenten doorstromen van een bachelor naar een aan dezelfde instelling aangeboden master. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de overgang van een bachelor- naar een masterstudie "slechts beperkt als bewust keuzemoment benut" wordt. Hoe weet de regering dit? Wie begint er nu gedachteloos aan een masterstudie? En wat is er kennelijk mis met de voorkeur van de meeste studenten om in dezelfde stad aan dezelfde universiteit verder te studeren? Waarom zouden ze dat niet zelf mogen uitmaken?

De aangegeven motivering voor de invoering van de harde knip overtuigt niet. Formuleringen als dat zowel de bachelor- als de masteropleiding beschouwd dient te worden als een zelfstandig opleidingstraject met een afgeronde kwalificatie, stellen ook niet helemaal gerust. Bedoelt de regering hiermee te zeggen dat het ook prima is om alleen een bachelorstudie in het wo te volgen en daarmee voor een verdere carrière in de samenleving te volstaan? Daarmee zullen er heel veel mensen komen met een bachelordiploma als hoogst genoten vorm van wetenschappelijk onderwijs. Dit staat echter haaks op de aanbevelingen van de commissie-Veerman – die keren ook terug in de strategische agenda – dat wij meer mensen nodig hebben die een masteropleiding met een diploma afronden. Onze fractie heeft er behoefte aan om hierover van de kant van de regering meer licht te krijgen.

Wij kunnen het wetsvoorstel in grote lijnen steunen, al hebben wij over enkele onderdelen nog vragen. Intussen zien wij met belangstelling uit naar de antwoorden van de regering.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Ganzevoort, die zijn maidenspeech zal houden.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. Het is een bijzonder voorrecht dat de eerste zinnen die ik in deze Kamer mag uitspreken, over het onderwijs gaan. Meer dan dat, is het een bijzonder voorrecht dat wij het in deze Kamer over Ruim baan voor talent mogen hebben in het licht van toenemende excellentie, investeringen in het onderwijs en een strategisch visie. Dat geschiedt allemaal ook nog op de laatste dag voor het reces, met later vandaag de behandeling van een tweede voorstel dat min of meer op hetzelfde terrein ligt.

Wie zou niet vrolijk worden van een onderwijsbeleid dat ruim baan maakt voor talent? Helaas – u merk het al – gaat veel de glans eraf als wij door de mooie woorden heen prikken en als wij bekijken wat er echt in de wetsvoorstellen staat. "Ruim baan voor talent" betekent dat instellingen scherper gaan selecteren en niet meer iedereen toelaten. Degenen die wel tot intensieve topopleidingen worden toegelaten, moeten meer gaan betalen. Als je één module vertraging hebt in je bachelor, moet je misschien wel een jaar wachten voordat je met je master mag beginnen. "Ruim baan voor talent" betekent kennelijk niet dat wij struikelblokken wegnemen en mensen stimuleren, maar vooral dat wij extra drempels opwerpen.

Ik vrees dat dit symptomatisch is voor het onderwijsbeleid van dit kabinet. In de strategische agenda – het is fijn dat die er is – wordt "ronkend" gesproken over middelen die dit kabinet ter beschikking stelt, waaronder zo'n 250 mln. tot 280 mln. voor onderzoek. Daarvan wordt echter eerst 90 mln. bij de instellingen weggehaald; de rest was al door eerdere kabinetten toegezegd en vastgelegd. Dit kabinet maakt van verhullend taalgebruik een kunst, wat gezien de cultuurbegroting wel een mooie compensatie is.

Ik heb de wellicht onhebbelijke gewoonte om bij voorstellen en ideeën naar een achterliggende filosofie, een visie, te vragen. In dit geval is dat nog niet zo gemakkelijk. Het voorstel bevat namelijk nogal tegenstrijdige elementen. Zo wordt er ruimte gemaakt voor excellente studenten in een kleinschalige, intensieve opleiding waarin ze de top kunnen bereiken. Dat lijkt mij een mooie ontwikkeling die voor deze kleine groep van bevoorrechte studenten heel veel zal opleveren. Door het collegegeld te vervijfvoudigen zal deze opleiding echter vooral studenten trekken die het sowieso al goed hebben en kans hebben om dit soort stappen te zetten. We weten namelijk dat studenten met een lagere sociaaleconomische achtergrond moeilijker doorstromen naar de top en bovendien veel meer opzien tegen de hogere lening die zij moeten afsluiten om het collegegeld te kunnen betalen. Ruim baan dus voor talent met een elitaire achtergrond. Ik hoor graag van de staatssecretaris wat het kabinet doet om ook de talenten van studenten uit achterstandsituaties te activeren.

Maar goed, laten we het deze elitaire groep gunnen. Dan nog snapt mijn fractie niet dat aan de ene kant deze ruimte wordt geboden terwijl aan de andere kant een maatregel wordt ingevoerd die de doorstroming juist belemmert, namelijk de harde knip tussen bachelor en master. Die knip moet voorkomen dat studenten te makkelijk kiezen voor de doorstroommaster en moet instellingen dwingen tot meer instroommomenten en meer concurrenten. Wat een bevoogding, wat een paternalisme. Individuele studenten die een andere master willen volgen, kunnen dat al en doen dat al. Meer instroommomenten zijn bij sommige opleidingen uitstekend te realiseren maar bij andere niet. In dat kader ben ik benieuwd hoe de regering omgaat met de in de Tweede Kamer breed aangenomen motie-De Rouwe/Lucas, waarbij de harde knip alleen wordt ingevoerd als er meerdere instroommomenten zijn; ik voeg daaraan toe "en ook meerdere instroommomenten mogelijk zijn". Ik vraag de staatssecretaris om een reactie hierop.

Ik ga een stapje verder. Waarom laat het kabinet het niet aan de instellingen, zoals dat nu ook het geval is? Waarom krijgt de instelling wel meer beslissingsruimte bij de selectie aan de poort van de bachelor maar niet bij de doorstroomselectie? Laat ik het met een voorbeeld concreet maken. In het reglement van de faculteit waaraan ik verbonden ben, staat dat men mag instromen in een eenjarige master met maximaal zes studiepunten vertraging en in een tweejarige master met maximaal twaalf studiepunten vertraging. Daarmee wordt dus geen grote vertraging gestimuleerd. Het biedt wel net dat stukje beslissingsruimte dat nodig is om studenten te faciliteren die bijvoorbeeld een paar maanden in het buitenland hebben gestudeerd; die een sterfgeval in de familie hebben meegemaakt; of die te maken hebben gehad met roosterproblemen doordat ze een extra vak volgden. Faculteiten en universiteiten zijn prima in staat om daar op een gebalanceerde manier mee om te gaan en om een goede regeling te handhaven. Zij schieten weinig op met een wettelijk opgelegde, massieve, harde knip.

Wij zijn zeer voor kwaliteitsverbetering. Wij zien zeker het belang van nominaal studeren in. Na de schriftelijke beantwoording van de vragen is het ons echter nog volstrekt onduidelijk waarom het systeem zo rigide moet worden gemaakt. Ik vraag de staatssecretaris om een reactie hierop. "Ruim baan voor talent" zou toch moeten betekenen dat we geen onnodige drempels opwerpen.

De combinatie van deze zo zeer verschillende onderdelen in één wetsvoorstel maakt niet alleen de weging door de Kamer ingewikkeld maar roept ook de vraag op naar de achterliggende visie. Blijkens onder andere de memorie van antwoord bestaat die visie uit het identificeren en zo veel mogelijk ondersteunen van mensen met een hoog potentieel. Zulke intellectuele topsport is prima, zeker als hij niet ten koste gaat van de breedtesport. Wat de harde knip echter bijdraagt aan dat identificeren en ondersteunen mag Joost weten. Als de staatssecretaris het ook weet, hoor ik graag zijn uitleg. Ik hoop dan ook dat hij verder gaat dan het verbeteren van de matching.

Zoekend en gravend heb ik overigens wel een idee gekregen van die achterliggende visie, mede dankzij de strategische agenda. Dat kostte mij een weekend lezen maar het was de moeite waard. Het betreft een agenda die net als dit voorstel door de staatssecretaris van OCW en de minister van ELI samen is ingediend. Dat vind ik heel kenmerkend, maar ik ben nieuw in deze Kamer; misschien ligt het dus aan iets anders.

Al in de tweede regel van het voorwoord van de agenda wordt naast de termen "onderzoek" en "onderwijs" ook de term "ondernemerschap" genoemd. Vervolgens wordt er breeduit geschreven over "verdiencapaciteit" en "economisch groeivermogen". Het lijkt alsof op dat vlak de echte doelen van het onderwijsbeleid liggen; collega Kuiper wees daar al op. Om die doelen te bereiken, werkt het kabinet vervolgens een efficiënte productielijnfilosofie uit. De ruwe grondstof van aankomende studenten gaat door de zeef van de selectie. Materiaal met een hoog potentieel gaat naar de specialistische afdeling waar extra geïnvesteerd en vooral extra verdiend wordt. De rest gaat in de bulkproductie en moet zo snel mogelijk verwerkt worden tot een arbeidsmarktklaar eindfabricaat. Beetje vertraging halverwege? Dan parkeren we ze tot de volgende batch de productielijn ingaat. Dit is een effectief model. Er zal namelijk altijd vraag zijn naar zowel handgemaakte designer producten als goedkope massaconfectie. Zo optimaliseer je de productie, versterk je de onderlinge concurrentie tussen de instellingen en maximaliseer je de verdiencapaciteit. Daar ging het immers om.

Onderwijs draait niet in de eerste plaats om een marktaandeel, productie en winst. Wie dat soort termen als basis neemt voor het paradigma van het onderwijs, doet iets heel oneigenlijks. De kern van het onderwijs ligt niet in economische, maar in pedagogische doelen. Een onderwijsinstelling is niet in eerste instantie een bedrijf, maar een ruimte waar leerlingen en studenten een tijd lang verblijven om zich te ontwikkelen tot het voor hen optimale niveau en daarin gefaciliteerd moeten worden, zo verschillend als ze zijn. "Ruim baan voor talent" zou dan ook moeten betekenen dat we voor elke student een hoge kwaliteit van onderwijs en begeleiding bieden en een systeem dat flexibel genoeg is om het leerproces van al de verschillende studenten mogelijk te maken. Differentiatie is prima en uitdagen tot een hoger niveau is prachtig, maar de harde knip is een heel vreemde eend in deze bijt.

Het is te betreuren dat de regering ons een hutspotwet voorlegt met zulke ongelijksoortige en onsamenhangende onderdelen. We zien uit naar de antwoorden van de staatssecretaris op onze vragen. Die zullen beslissend zijn voor ons oordeel over dit wetsvoorstel. Meer dan dat zien we echter uit naar het gesprek over de onderwijsvisie en de strategische agenda.

De voorzitter:

Mijnheer Ganzevoort, ik feliciteer u met uw maidenspeech. Met uw aantreden in deze Kamer zet u uw eerste schreden in de landelijke politiek. Sinds 2009 bent u actief binnen GroenLinks, het laatste jaar als lid van de partijraad. Uw maatschappelijke ervaring ligt op het terrein van het hoger en wetenschappelijk onderwijs, in het bijzonder opleidingen voor theologie en pastoraat. Van opleiding bent u predikant, gepromoveerd theoloog aan de Rijksuniversiteit Utrecht in 1994 en derhalve zeer goed thuis in de exegese. De bekwaamheden van een prediker en een theoloog bieden ook nuttige vaardigheden in dit huis. Immers, een debat wordt voor een belangrijk deel beslecht met de kracht van de retorica, maar om dit gezaghebbend te kunnen doen is een nauwgezette exegese van complexe wetteksten en beleidsvoorstellen onontbeerlijk. Binnen uw partij hebt u als voorzitter van een platform voor religie en politiek op diverse terreinen de brug geslagen tussen ethiek en politiek. Dat doen wij allen van tijd tot tijd, en wij zien met belangstelling uit naar uw bijdrage aan de gedachtevorming in dit huis. Ik wens u namens alle leden een goede tijd toe als lid van deze Kamer!

Mevrouw Duthler (VVD):

Voorzitter. Ook namens mijn fractie hartelijke felicitaties voor de heren Koole en Ganzevoort, die hun maidenspeech hebben gehouden. Wij wensen hun veel succes en vooral veel plezier in deze Kamer.

Het wetsvoorstel waarover wij het nu hebben, kent een lange voorgeschiedenis. Daarover is al het een en ander gezegd. Ik zal dat niet herhalen. Dat het hoger onderwijs een kwaliteitsimpuls behoeft, blijkt wel uit de incidenten waarmee wij de afgelopen tijd zijn geconfronteerd. Diverse gevallen van diplomafraude hebben zich voorgedaan. Het is voor veel afgestudeerden en werkgevers de vraag welke waarde sommige diploma's nog hebben. Ook staat de kwaliteit van het hoger onderwijs in het algemeen ter discussie. De kranten hebben hier vol van gestaan. "Hollands drama", zo noemde Bastiaan Bommeljé in NRC Handelsblad de berichtgeving over de kwaliteit van het hbo en delen van het universitair onderwijs. Het was wat Louise Fresco betreft in diezelfde krant "de druppel die de emmer deed overlopen". Hoe kan de ambitie van het kabinet-Rutte om te behoren tot de top vijf van kenniseconomieën van de wereld worden waargemaakt op basis van een falend onderwijssysteem, zo vroeg zij zich af. Gelukkig is de staatssecretaris niet op zijn handen blijven zitten en is hij onder andere met het onderhavige wetsvoorstel gekomen en de genoemde strategische agenda, die wij het afgelopen weekend mochten ontvangen.

Het spreekt de leden van de VVD-fractie aan dat dit wetsvoorstel een impuls beoogt te geven aan een verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Dat is ook nodig. De leden van de VVD-fractie zijn echter wel benieuwd naar de maatregelen die de staatssecretaris neemt, anders dan in het onderhavige wetsvoorstel, om te voorkomen dat de kwaliteit van hbo-opleidingen opnieuw ter discussie komt te staan. Hoe krijgen aankomende studenten weer vertrouwen in de kwaliteit van de opleiding die zij van plan zijn te volgen? Hoe krijgen zij er vertrouwen in dat hun diploma op de arbeidsmarkt echt iets waard is? Hoe sluiten de plannen van de staatssecretaris aan op de plannen die de minister van ELI heeft met zijn tien topsectoren? Hoe denkt de staatssecretaris de verbinding te maken, te herstellen of te verstevigen tussen onderwijs, arbeid en economie? Hoewel dit wetsvoorstel daar niet specifiek over gaat, is voor de beoordeling ervan nader inzicht in de beantwoording van deze vragen wel relevant voor de VVD-fractie.

Instellingsbesturen kunnen voor opleidingen of programma's binnen opleidingen met kleinschalig, intensief en residentieel onderwijs onder bepaalde voorwaarden studenten selecteren en kunnen in combinatie daarmee een hoger collegegeld vragen dan het wettelijk collegegeld voor reguliere opleidingen. De minister van OCW moet toestemming geven op advies van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, de NVAO. De NVAO zal zo'n advies opstellen aan de hand van een openbaar gemaakt accreditatiekader. Ik heb eens bekeken op de website hoe zo'n accreditatie er nu eigenlijk uitziet. Behalve dat het mij moeite kostte om het accreditatiekader te vinden, kostte het mij ook moeite om het te doorgronden. De ervaring leert dan ook dat zo'n accreditatiekader grondig moet worden bestudeerd om de accreditatiecriteria goed op een rij te kunnen krijgen. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat zo'n accreditatiekader tot verdergaande bureaucratisering leidt? Met andere woorden: hoe voorkomt de staatssecretaris kwaliteitsverlies doordat te veel tijd moet worden besteed aan het bestuderen van het accreditatiekader? Vervolgens moet worden aangetoond dat aan de criteria wordt voldaan.

De leden van de VVD-fractie vinden de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het accreditatiekader wat mager. Wij hebben daar ook vragen over gesteld. Een van de criteria die de NVAO wil gaan hanteren, is of de instelling aandacht heeft besteed aan de functies waartoe afgestudeerden worden toegelaten. Impliciet betekent dit volgens de staatssecretaris dat het bedrijfsleven dus betrokken zal worden bij het accreditatiekader. Dit is alles. Bovendien is het een toets achteraf. Het inzicht hebben in de functies waartoe afgestudeerden worden toegelaten, betekent nog niet dat het bedrijfsleven vooraf invloed heeft op of betrokken is bij de uitwerking van de accreditatiecriteria. Ook betekent het nog niet dat de toets achteraf inhoudt dat de functies waartoe afgestudeerden worden toegelaten, ook de functies zijn waarop het bedrijfsleven zat te wachten. Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat het bedrijfsleven vooraf wordt betrokken? Wordt de aansluiting van de opleiding op de behoeften van het bedrijfsleven een van de criteria van het accreditatiekader? Zo ja, hoe wordt deze getoetst? Anders dus dan een inventarisatie van functies waartoe afgestudeerden worden toegelaten.

De leden van de VVD-fractie staan in beginsel positief tegenover het wetsvoorstel. Het hoger onderwijs behoeft een kwaliteitsimpuls.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Wat bedoelt mevrouw Duthler met de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het accreditatiekader? Stel dat een University College, zoals in Utrecht, of een andere universiteit zich ergens wil vestigen. Zou het bedrijfsleven bij de aanvraag door een dergelijke kleinschalige instelling op voorhand betrokken moeten worden als zij een brede bachelor aanbiedt in de liberal arts?

Mevrouw Duthler (VVD):

Mijn bedoeling is dat het bedrijfsleven betrokken wordt bij de opleidingen die worden aangeboden. Het is van groot belang dat opleidingen worden aangeboden waarmee wordt ingespeeld op de behoefte van het bedrijfsleven en dat de aansluiting tussen opleidingen, arbeid en economie wordt verbeterd. Daarom is het van belang dat het bedrijfsleven daarbij meer betrokken wordt dan nu het geval is; nu wordt alleen bekeken in welke functies afgestudeerden terechtkomen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik kan mij dat voorstellen bij het mbo, en ook nog wel bij het hbo, maar dit beslaat een breder gebied dan het bedrijfsleven alleen. Ook maatschappelijke instellingen en werkvelden en ziekenhuizen moeten hierbij worden betrokken. Dat laatste gebeurt trouwens al. Doelt mevrouw Duthler ook op de kleine residentiële opleidingen op academisch niveau, waar het in deze wet specifiek over gaat?

Mevrouw Duthler (VVD):

Ja, dit geldt juist ook op academisch niveau. Wij hebben namelijk behoefte aan hoogopgeleide mensen die van toegevoegde waarde zijn en die hoogwaardige diensten kunnen verlenen. Wij moeten het in Nederland daarvan hebben, willen wij kunnen blijven meespelen in de top vijf van de kenniseconomie.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Als mevrouw Duthler alleen het bedrijfsleven noemt, is de aanval wel erg selectief. Er is namelijk nog veel meer te noemen; je zou het hele maatschappelijk vlak kunnen noemen. Ik vind trouwens dat je je moet afvragen of je dit wel moet willen bij een academische opleiding, die vrij moet kunnen zijn in haar beweging.

Mevrouw Duthler (VVD):

Mijn opmerkingen hebben geen betrekking op de vrijheid van het wetenschappelijk onderzoek; die wil ik niet inperken. Ik vind het wel van belang dat de aansluiting op de behoefte van het bedrijfsleven goed wordt geborgd.

De heer Smaling (SP):

Ik schrik er een beetje van dat het bedrijfsleven sinds de komst van de strategische agenda, vrijdagmiddag, een nieuwe rol speelt bij het goedkeuren van studierichtingen en invloed uitoefent op de bestemming van onderzoeksgelden. Ik schrok ook al van de eerste pagina van de strategische agenda, maar daar zullen wij ongetwijfeld nog over spreken. Dat is voor mij een nieuw geluid. Naar ik meen, hebben zich de laatste maanden en jaren veel situaties voorgedaan waarbij het bedrijfsleven een te grote vinger in de pap had bij de keuze van onderzoeksonderwerpen en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Af en toe bleek daar toch een bias in te zitten. Waarom is het nu ineens legitiem dat het bedrijfsleven daar zo'n sterke rol in speelt? Ik heb het SER-rapport ook gelezen; daaruit blijkt dat de driehoek is vertegenwoordigd. Waarom zou het bedrijfsleven nu ineens zo'n sterke vinger in de pap moeten hebben?

Mevrouw Duthler (VVD):

Mijn opmerkingen hebben tot doel dat de aansluiting op de behoefte van het bedrijfsleven beter wordt geborgd. Dat wil niet zeggen dat de betrokkenheid van het bedrijfsleven doorslaggevend moet zijn. De betrokkenheid zou wel verder moeten gaan dan nagaan waar afgestudeerden terechtkomen. Ik vraag de staatssecretaris of hij duidelijk wil maken hoe het bedrijfsleven daarbij wordt betrokken. Dat is voor mijn fractie namelijk onduidelijk.

De heer Smaling (SP):

Is mevrouw Duthler er niet bang voor dat het brede wetenschappelijke veld wordt verengd tot technologieën, dat het gestuurd zal worden op technologie, en dus niet op die andere zaken waar wetenschappelijk onderzoek naar kan worden gedaan en waar je goede studieprogramma's voor kunt maken?

Mevrouw Duthler (VVD):

Al die andere wetenschappelijke onderzoeken staan naar de mening van de VVD-fractie buiten kijf. Die zijn natuurlijk nodig en die moeten ook blijven, maar het is wel nodig dat meer aandacht wordt gegeven aan toegepast wetenschappelijk onderzoek. Het een sluit het ander niet uit.

De heer Smaling (SP):

Meer van het één betekent echter automatisch minder van het ander.

Mevrouw Duthler (VVD):

Ik wacht de antwoorden van de staatssecretaris op dit punt graag af.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Mij blijkt dat er geen andere leden zijn die in eerste termijn over dit wetsvoorstel het woord wensen te voeren.

Ik verzoek de heren Koole en Ganzevoort om voor de stoel van de voorzitter te gaan staan, opdat eenieder hen kan feliciteren met hun maidenspeech.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.