Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 33, item 7

7 Ruim baan voor talent

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met het uitbreiden van de mogelijkheden van selectie van studenten en van verhoging van het collegegeld alsmede in verband met het aanscherpen van de toelatingsvereisten voor aansluitende masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs (ruim baan voor talent) (32253).

De beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Zijlstra:

Voorzitter. Laat ik beginnen met de heren Koole en Ganzevoort te feliciteren met hun maidenspeech. Dit is mijn tweede optreden in deze Kamer, maar het eerste optreden in de nieuwe Kamer. In die zin is dit voor mij dus ook een soort maidenspeech. Het is altijd een gedenkwaardig moment; dat weet ik uit mijn eigen parlementaire ervaring. En de tweede keer is vaak nog leuker dan de eerste keer, zeg ik tegen de heer Ganzevoort. Al is het maar omdat mensen je dan mogen interrumperen. Soms is dat heel handig, ook vanwege de spreektijd.

Ik dank de leden voor hun bijdragen. Veel leden hebben uitgesproken op zijn minst elementen van het voorliggende wetsvoorstel te kunnen steunen, net als de achterliggende gedachte, namelijk differentiatie in opleidingen. Het meeste commentaar kwam op het onderdeel van de harde knip. Ik zal de onderwerpen langslopen als ik op de verschillende bijdragen inga. Ik zal geen inleidende speech van twintig minuten houden, maar beginnen bij de heer Koole.

Ik kon het niet méér met de heer Koole eens zijn toen hij zei dat iemand niet minder waard is als hij niet in staat is om hoger onderwijs te volgen. Dat ben ik hartgrondig met hem eens. Het is ook iets waar we aandacht aan moeten besteden. We hebben kwalitatieve doelstellingen gekozen, zoals bijvoorbeeld dat 50% hoger opgeleid moet zijn, met de allerbeste bedoelingen. We moeten er echter voor oppassen dat we daarmee niet uitstralen dat je, als je het niet wilt of kunt, gefaald hebt in het leven. Dat is natuurlijk absoluut niet zo. Sterker nog, we zien juist grote tekorten ontstaan aan mbo'ers. We mogen onszelf soms zelfs de vraag stellen in hoeverre het raadzaam is dat een mbo'er ervoor kiest om nog een hogere opleiding te gaan volgen. Misschien was het verstandiger om eerst naar de arbeidsmarkt te gaan. Ik ben het dus zeer eens met de heer Koole. Het is ook iets wat we constant moeten wegen in het onderwijsbeleid. In de strategische agenda heeft de Kamer daar ook dingen over gelezen. Ik moet oppassen dat ik te veel verwijs naar de strategische agenda vanwege het wetsvoorstel waarover we straks in debat gaan. Dit zou zo maar eens tot onvoorziene effecten kunnen leiden. Ik doe het toch stiekem maar even.

De heer Koole geeft aan dat hij zorgen heeft over de toegankelijkheid van het onderwijs. Dit heb ik ook de heer Ganzevoort en de heer Smaling horen zeggen. De laatste twee gebruikten ook termen als "elitair onderwijs". Dat willen wij absoluut niet. Dit is ook duidelijk niet de intentie van het voorliggende wetsvoorstel. Ik zeg gaarne toe aan de heer Koole dat ik zijn vraag meeneem of we bij de toetsing over zes jaar kunnen bekijken wat de effecten zijn geweest op het opleidingsniveau en de inkomenspositie van ouders en of dit bepalend is geweest. Dit is namelijk waardevolle informatie. Als dit inderdaad van invloed zou zijn, dan moeten we dat mijns inziens weten en dan moeten we daar eventueel naar kunnen kijken. Dit laat onverlet dat het kabinet vindt dat er meer differentiatie nodig is en dat dit wetsvoorstel daar goed in past. Overigens vonden vorige kabinetten dit ook. Het proces is namelijk in 2003 gestart.

De heer Koole vroeg welke kosten ik voor het buitencurriculair onderwijs heb aangegeven. Het zijn dus niet alle andere zaken die voor kosten kunnen zorgen. Laat ik helder zijn: we hebben gekozen voor de term "buitencurriculair" om te vermijden dat we "extracurriculair" gebruiken. Buitencurriculair betekent in deze situatie ook dat dit heel intensieve onderwijs met name rond de lesuren voor heel veel kosten en inspanning zorgt. Het is niet zo dat een docent college komt geven, dat na dit college de wegen van student en docent scheiden en zij elkaar bij een volgend college weer tegenkomen. Ik zeg er eerlijkheidshalve bij dat je dit natuurlijk hoopt voor elke opleiding. Eén van de kenmerken van dit intensieve, residentiële onderwijs is dat het een continue wisselwerking is tussen student en docent. Dit is vaak ook op de campus. Daarom is dat residentiële karakter ook van belang. Daar zitten heel veel kosten aan vast, want het is niet gratis. Dat is wat we daarmee bedoelden.

De heer Koole vroeg ook hoeveel studenten deze opleiding doen en of de regering een grenzeloze groei van dit soort opleidingen zou toestaan. Laat ik helder zijn: ik verwacht eerlijk gezegd niet dat er een grenzeloze groei zal zijn, omdat dit een specifieke vorm van onderwijs is. Ik heb echter niet voor niets in de strategische agenda aangegeven dat wij bij honourstrajecten en dit soort specifieke trajecten een potentieel zien van zo'n 10% van de "onderwijsmarkt". Vergeef me het woord. Ik hoop niet dat de heer Smaling mij dit meteen euvel duidt.

Aan de andere kant zou je bijna hopen dat heel veel instellingen dit soort onderwijs willen aanbieden, want het gaat er om dat je er voor de individuele student zo veel mogelijk probeert uit te trekken.

De heer Koole (PvdA):

Die 10% die nu genoemd wordt, slaat op de trajecten binnen de reguliere opleidingen. Mijn vraag was welk deel van de totale studentenpopulatie naar die bijzondere opleidingen gaat die extra hoge collegegelden mogen vragen. Als dat heel groot wordt, komt het gevaar van tweederangs onderwijs binnen de universiteit in zicht. Die 10% uit de strategische agenda, waar we nu toch weer over spreken, is iets anders dan waar ik naar vroeg.

Staatssecretaris Zijlstra:

Nu gaat het om 1% à 2% van de studentenpopulatie. Daar zit naar onze mening nog wel rek in. We zien dat men in een aantal plaatsen waar bredere universiteiten gevestigd zijn, aan het bekijken is of er een university college bijgezet kan worden. Wij verwachten niet dat de university colleges en de residentiële colleges een groot deel van de studies zullen overvleugelen. Het is namelijk een specifieke vormgeving van de opleiding. Daarnaast hebben we de intentie om ook binnen de reguliere opleidingen verbreding van bachelors na te streven. Wij zien immers dat dit invloed heeft op bijvoorbeeld studiekeuzegedrag. Ik zet het even beeldend neer. Wij willen terug naar een pyramidegedachte: breder beginnen en langzaam toegroeien naar de punt waarin de masterkeuze zit. Naar onze mening heeft dat voordelen voor de vorming van de studenten. Ik ben het eens met degenen die zeiden dat het niet alleen een economische zaak is. Het gaat ook om de ontwikkeling van een student, het gaat ook om ontplooiing, om een mooi woord te gebruiken. Uiteindelijk moet het wel ergens toe leiden. Dat streven wij na.

De heer Koole (PvdA):

De staatssecretaris zegt: het is nu 1% à 2%, maar daar zit nog enige rek in. Kan de staatssecretaris dit iets preciezer zeggen? Waar zit het maximum? Om een tweedeling in het hoger onderwijs en op de universiteit te voorkomen en om ervoor zorgen dat er juist in het reguliere onderwijs iets extra's gedaan blijft worden voor de zeer begaafde studenten, moet je deze categorie erg klein maken. Ik kom zelf uit Leiden. Als op de Universiteit Leiden 200 of 300 studenten per jaar op een totaal van 16.000 naar het university college gaan, zeg ik: dat is prima, het is een kleine groep. Ik kom straks nog te spreken over de hoogte van het collegegeld. Die groep is zo klein dat hij het totaal niet wezenlijk beïnvloedt. Omdat het zo'n beperkte groep is, is het acceptabel. Hoe groter de rek wordt, hoe minder acceptabel het wordt. De staatssecretaris zegt dat het nu 1% à 2% is, maar dat er rek in zit. Denkt de staatssecretaris bij deze rek aan 3% à 4% of gaat het richting de 10%?

Staatssecretaris Zijlstra:

Nee. Ik wil hier niet over percentages spreken, omdat het een kwestie van maatwerk is. Als er een aanvraag ligt, moet de bewindspersoon – in dit geval ik, maar in de toekomst misschien anderen – kijken of deze nog in het totale stelsel past. De heer Kuiper – ik geloof dat hij het was – vroeg: hoe zit het met de macrodoelmatigheid? Je zult het in het totale stelsel moeten zien. Als er per grote universiteit een kleine groep van een paar honderd studenten wordt geschapen, zien wij het probleem niet. Als je een soort regulier onderwijs maar dan duurder creëert, heb je een heel andere uitdaging. Daarom moet er toestemming voor worden gegeven. Daarom kun je ook niet bij voorbaat zeggen: het is 2%, 3% of 4%. Het ligt eraan hoe het krachtenveld op dat moment is verdeeld. Gezien de aanmeldingen en de vraag, verwacht ik niet dat het naar de 10% zal toegroeien. Dan heb je het over andere trajecten en die zijn van een andere orde. Ik ben het met de heer Koole eens dat wij dat helder moeten stellen.

Ik kom op de harde knip. Ik loop de vragen van de leden langs. Misschien doe ik andere leden van de Kamer onrecht aan door iets minder vaak een naam te noemen. Ik zal proberen zo veel mogelijk vragenstellers bij naam te noemen. De harde knip is volgens mij door bijna alle woordvoerders genoemd. Er is gevraagd waarom de harde knip eigenlijk nodig is. De heer Koole vroeg: hoe zit het met de cumulatieve opbouw van de masteropleiding als er een harde knip is? Als je meerdere instroommomenten hebt, komt die opbouw dan niet in gevaar? Naar onze mening is dat niet het geval, aangezien een masteropleiding moet worden geaccrediteerd, net als elke opleiding. Een accreditatie gaat uit van een samenhangend geheel van de opleiding. Als het los zand wordt doordat men verschillende instroommomenten mogelijk maakt, komt men in de problemen met de accreditatie.

De heer Koole (PvdA):

De accreditatie is meestal al vergeven. Zij wordt wel herhaald, maar op een gegeven moment heeft de instelling die. Dan komt het tweede instroommoment. Vergeef mij, dat ik weer uit mijn eigen praktijk spreek. Je moet opbouwen in een eenjarige master. Je hebt bijvoorbeeld cursussen die uitmonden in een goed begeleid traject naar de masterthesis, de eindscriptie. Daarvoor kun je bouwen op de eerste cursussen. Als er een tussenmoment voor instroom is in een eenmaal geaccrediteerde masteropleiding, krijg je de situatie dat mensen aan hun scriptie beginnen terwijl hun eerst nog de basiskennis moet worden bijgebracht die zij in de eerdere vakken hadden moeten opdoen. Bij de master is dat van extra belang omdat daar vaak studenten instromen die niet hetzelfde type opleiding in de bachelor hebben gedaan, maar vanuit een andere opleiding komen. Zij moeten eerst een state-of-the-artcursus krijgen en moeten worden bijgepraat aan het begin van een jaar. Dan bouw je op richting die thesis. Hoe meer instroommomenten, hoe minder accumulatie van de kennis. Ik heb die vraag gesteld omdat dit misschien aangeeft dat de harde knip op dat punt een extra probleem veroorzaakt.

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik snap het punt van de heer Koole. Als je een studiejaar van september tot en met juni neemt – laat ik het gemakshalve maar even zo zeggen – is het natuurlijk geen wet van Meden en Perzen dat een student die in januari instroomt, vanaf dat moment meeloopt in een reguliere periode. Dat kan; dan moet je dit soort zaken in de gaten houden. Je ziet echter ook dat universiteiten, met name de wat grotere opleidingen, inderdaad verschillende instroommomenten kiezen. Dan begint een student op dat moment met de reguliere studieperiode. Dit is precies de reden waarom wij in de beantwoording in eerdere instantie aangegeven hebben dat er sommige opleidingen zijn, met name de kleine opleidingen, waar het onmogelijk is om meerdere instroommomenten te kiezen. Als een instelling een gering aantal studenten heeft, kan de situatie voorkomen dat de studenten niet halverwege het jaar kunnen instromen, want dan stromen er misschien maar twee of drie personen in en voor hen kan die instelling geen heel programma opzetten. Dat erkennen wij als een extra complicatie rondom de harde knip. Wij hebben echter aangegeven dat wij dat nadeel niet vinden opwegen tegen onze doelen met de harde knip.

De heer Koole (PvdA):

Zegt de staatssecretaris dus dat het eigenlijk veel verstandiger zou zijn om het besluit over de wijze waarop men moet omgaan met de harde knip vooral bij de instellingen zelf te leggen en om die een zekere bevoegdheid te geven om af te wijken van de nu neergelegde, harde maatregel?

Staatssecretaris Zijlstra:

De heer Essers sprak over de discretionaire bevoegdheid. Wij hebben die niet voor niets ingebouwd. Er moet namelijk een hardheidsclausule zijn waarbij je in specifieke gevallen die individueel getoetst moeten worden, moet bezien of er een uitzondering gemaakt moet worden. De heer Ganzevoort hield een pleidooi gebaseerd op zijn eigen praktijk, zo begreep ik. Hij zei dat daar een student toch al mag instromen in de master, ook als hij zes punten nog niet gehaald heeft in de bachelor. In die situatie kun je je afvragen waarom men voor zes punten kiest en niet voor acht, tien of vier. De harde knip is daarentegen duidelijk. Je bent klaar met je bachelor; je begint dus pas aan je master als je de bachelor hebt afgerond. Er kunnen echter individuele gevallen voorkomen waarin dit onredelijk is. Daarom is de discretionaire bevoegdheid ingebouwd. Die gevallen moeten dan wel individueel getoetst worden door de instelling. De discretionaire bevoegdheid moet echter niet generiek toegepast worden bij studenten die een bepaald aantal studiepunten nog niet gehaald hebben en dan toch alvast mogen instromen. Dan heb je namelijk alsnog geen harde knip. Straks zal ik uitleggen waarom wij die harde knip van belang achten.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

De staatssecretaris spreekt nu over een individuele oplossing voor individuele problemen. Daaraan zit echter een vraag vast. Wat doe je met kleine opleidingen, waar het – zoals de staatssecretaris zelf al aangeeft – niet mogelijk is om meerdere instroommomenten te creëren? Hoe kun je dan toch een oplossing vinden? De motie-De Rouwe/Lucas ging precies hierover. Kan de staatssecretaris daarop antwoorden? Moet je niet juist de kleine opleidingen die niet tot meerdere instroommomenten kunnen komen, de ruimte geven voor een misschien iets minder harde knip dan de staatssecretaris zou willen?

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik zal nu meteen uitleggen waarom wij een harde knip willen. Een van de belangrijkste redenen daarvoor is dat wij een gelijk speelveld willen hebben voor alle hoger onderwijsinstellingen en voor alle universiteiten. Ik schets nu even een situatie en ga daarbij in op het belangrijkste argument en daarna kom ik op allerlei details.

Als een universiteit een bachelor aanbiedt met een "zachte knip" – dit is niet de juiste formulering, maar ik noem het even zo – dan stroomt de student, terwijl hij nog met zijn bachelor bezig is, de master in. Dat gaat gewoon zo door. Die student heeft feitelijk geen moment waarop hij kan kiezen voor een andere master of voor een andere instelling. Die student wordt bij dezelfde instelling de master "ingezogen", om het maar even huiselijk uit te drukken. Hij heeft dus feitelijk geen keuzemoment. Bij instellingen die wel een harde knip toepassen – die zijn er ook; die hebben overigens veel meer instroommomenten dan de universiteiten die de harde knip niet toepassen – hebben de studenten een helder keuzemoment. Zij maken dan de afweging en worden daartoe ook vaak gestimuleerd. Zij gaan dus ook regelmatig naar een andere opleiding en soms een andere instelling. Als een universiteit een zachte knip in stand houdt, wordt er eigenlijk een ongelijk speelveld benut. De studenten van die universiteit kunnen namelijk niet of zeer moeilijk naar een andere instelling, maar de concurrentie maakt die beweging wel mogelijk. Dat is voor ons een belangrijke overweging om de harde knip in te stellen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Nu gaan de panelen weer schuiven. Het ging net namelijk om de vraag hoe je kunt zorgen voor een goede doorstroom voor studenten en dergelijke, maar nu gaat het om concurrentiemotieven tussen instellingen. Dat lijkt mij een argument van een dergelijke andere orde, dat dit niet kan opwegen tegen het gegeven dat studenten die nu bijvoorbeeld één module vertraging hebben, een jaar moeten wachten.

Staatssecretaris Zijlstra:

Dit krijg je als een debat zich op een dergelijke manier ontwikkelt. Ik gaf net aan dat het een belangrijke overweging is voor de harde knip. De heer Ganzevoort grijpt nu terug op een discussie die ik net ook met de heer Koole had. Ook in de schriftelijke beantwoording hebben wij al aangegeven dat het voor kleine opleidingen inderdaad moeizamer is om meerdere instroommomenten te kiezen. Maar nogmaals, bij instellingen die een harde knip toepassen wijst de praktijk uit dat men daar veel meer instroommomenten heeft gecreëerd dan bij instellingen die de harde knip niet mogelijk hebben gemaakt.

Als je naar het leidende principe kijkt, is het volgende gek. Ik wil niet flauw doen, maar je zegt toch ook niet: als je je vwo-diploma nog niet hebt gehaald omdat je nog iets hebt uitstaan, mag je toch aan een universitaire studie beginnen? In een bachelor-mastersysteem waarin je een bachelor en een master hebt, met helder gescheiden momenten, moet het om de keuzevrijheid van studenten helder neer te zetten als volgt zijn. Je moet na je bachelor een afwegingsmoment hebben waarna je op een bepaald moment voor een master kiest. In sommige gevallen kan dit voor kleine opleidingen tot vertraging leiden. Het leidt overigens alleen maar tot vertraging als je niet binnen de reguliere studietijd je studie hebt afgerond, want anders is er nog steeds niets aan de hand. Dat laatste aspect wil ik benadrukken: je loopt niet per definitie vertraging op; nee, er is niets aan de hand als je keurig je studieprogramma's doorloopt.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik probeer het voor de laatste keer.

De voorzitter:

Ja, dit moet echt de laatste keer zijn, want wij hebben straks ook nog een repliek. Wij moeten een beetje op de tijd letten.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dat begrijp ik. Ik probeer het op dit moment voor de laatste keer.

De staatssecretaris noemt het probleem van de kleine opleidingen, maar hij geeft geen oplossingen voor die kleine opleidingen. Dat zou echter wel helpen.

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik heb al aangegeven dat wij niet alle problemen kunnen wegnemen. Dat heb je helaas af en toe. Het principe van de bachelor en de master is voor ons het harde gegeven. Wij erkennen – daar doe ik ook niet geheimzinnig over – dat bij kleine opleidingen zich het volgende kan voordoen. Als men studievertraging oploopt doordat men de bachelor niet op tijd afmaakt, kan dit tot enige maanden extra studievertraging leiden. Men kan zich overigens uitschrijven; het hoeft niet door te lopen. Wij vinden de scheiding tussen bachelor en master echter dermate belangrijk om het speelveld tussen universiteiten helder te houden, dat wij daarvoor hebben gekozen. Die scheiding maakt het studenten ook veel makkelijker om in het buitenland bijvoorbeeld studies te doen waarvoor hetzelfde geldt.

De heer Essers (CDA):

Begrijp ik goed dat instellingen van hun discretionaire bevoegdheid gebruik kunnen maken om in individuele gevallen uitzonderingen op de knip toe te passen en dat de staatssecretaris instellingen overigens ook toestaat om zelf meerdere instroommomenten te kiezen, mits zij maar binnen de accreditatievoorwaarden en andere kwaliteitseisen blijven? Schept hij daarvoor geen belemmeringen?

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik antwoord bevestigend op beide gevallen.

Voorzitter. De heer Essers vroeg hoe het zit met het gevaar dat men hoger collegegeld vraagt, maar dat men minder extra's biedt dan het collegegeld rechtvaardigt. Ten eerste bekijken wij bij de aanvraag van een dergelijk programma en voor het verlenen van toestemming om het te mogen doen, of het programma voldoende inhoud heeft, voldoende body, zodat wij toestemming kunnen geven. Ten tweede komt ook de student aan bod. Dat heeft men gezien bij de problematiek van instellingen waar op dit moment een hoog instellingscollegegeld voor tweede studies wordt geheven. Daarbij hebben studenten terecht tegen instellingen opgetreden en gezegd: u vraagt een te hoog bedrag, gezien het aanbod van de studie. Ook dat is een corrigerend mechanisme. Het gaat dus om twee stuks: de student en ik als bewindspersoon, die toestemming moet geven. Aan de hand van het accreditatieverzoek beoordeel ik of de inhoud van de desbetreffende opleiding voldoende is. Naar onze mening moet daardoor een en ander opgevangen kunnen worden.

De heer Essers vroeg ook naar helderheid over studie-informatie. Hij wees op de problematiek rond studie-informatie waarin de situatie mooier wordt voorgesteld dan zij is. Op dat punt hebben wij aangegeven dat wij brede studiekeuzegesprekken willen voeren, juist om de match tussen student en opleiding te versterken. Zowel student als opleiding heeft recht op de beste match. Die realiseer je door ze bij elkaar te brengen, ze een gesprek met elkaar te laten aangaan en ze daarmee de goede informatie te laten uitwisselen.

Een stap verder is er geen sprake van een studiekeuzegesprek maar van selectie. Daarbij zullen wij niet alleen naar de examencijfers kijken; wij vinden echter wel dat dit onderdeel erbij hoort. De heer Essers en anderen hebben gevraagd naar de validering van de selectiecriteria. In brede zin moet men altijd gebruikmaken van twee selectie-elementen, bijvoorbeeld cijfers en motivatie. Het kan dus nooit zo zijn dat men de student slechts op basis van één selectiecriterium beoordeelt. Voor Ruim baan voor talent geldt dat externe criterium nog niet. Als wij in de toekomst spreken over verdere uitbouw van selectie, zullen wij dat echter inbrengen. Bij klein residentieel onderwijs hoeft dat nog niet te worden geborgd, vanwege de geringe omvang en omdat de instellingen zelf de dringende behoefte hebben uitgesproken om dit vorm te geven. In de bredere discussie over selectie zullen wij een dergelijk criterium wel degelijk inbouwen, omdat slechts één van de twee niet zaligmakend is terwijl de combinatie toegevoegde waarde heeft.

De heer Smaling heeft aangegeven dat het wat hem betreft een verzamelwet betreft met drie onderwerpen, de harde knip, de collegegelddifferentiatie en het honourstraject. Het verbindende element wordt gevormd door de gerichte studiekeuze en de heldere studiekeuzemomenten waarop zowel student als instelling de studiekeuze afweegt.

De heer Smaling vroeg zich af of het experiment aangetoond had dat er behoefte is aan collegegelddifferentiatie. Ik geef toe dat het niet onomstotelijk naar voren kwam uit het experiment, omdat het niet echt is toegepast. Uit de praktijk van nu blijkt echter dat er wel degelijk behoefte is aan collegegelddifferentiatie. Een university college in Amsterdam heeft bijvoorbeeld al aangegeven dat als men niet in staat wordt gesteld om de collegegelden te verhogen, men niet in staat zal zijn om de huidige opzet van een university college voort te zetten binnen de huidige budgetten. Ik benadruk dat men op dit moment feitelijk geld van de budgetten van de reguliere opleidingen af haalt om de duurdere opleidingen à la university college mogelijk te maken. Daarom vinden wij ook dat daar meer voor gevraagd zou moeten worden. Zo laat je het geld bij de reguliere opleidingen als het daar ook thuishoort.

Als ik het goed begrepen heb, heeft de heer Smaling gezegd dat hij het niet zo'n probleem vindt om het volledig privaat te maken. Die opmerking verbaasde mij. Hij zei dat door de gekozen opzet elitair onderwijs zou kunnen ontstaan. Dat willen wij juist voorkomen, door het niet geheel privaat te maken. Daarop voert de overheid namelijk slechts de accreditatietoetsing uit. Wij vinden dat veel studenten, los van inkomen, hiervan gebruik moeten kunnen maken. Je mag de student privaat een hoger collegegeld vragen voor het extra gebodene. Maar de basis is nog steeds bekostigd onderwijs waarbij alle studenten in dit land toegang moeten houden. Waarom extra betalen? Dit gaf ik net aan: anders wordt het afgefilterd van een reguliere opleiding en dat is net niet de bedoeling. Je krijgt meer en dan mag je er ook meer voor betalen. Je profiteert er in de toekomst namelijk ook zelf van.

Ik ben het met de heer Smaling eens – ik heb er geen diepgravend onderzoek naar gedaan, ook niet in het kader van dit wetsvoorstel – dat er waarschijnlijk geen directie relatie is tussen de mensen die deelnemen aan de university colleges en het feit dat zij over twintig, dertig jaar misschien in deze zaal aanwezig zijn of in boardrooms van universiteiten. Dat streven wij ook niet per definitie na. Wij proberen met het beleid, ook dat van voorgangers, studenten en instellingen de mogelijkheid te geven om te differentiëren in het hogeronderwijsaanbod om daarmee uit de verschillen die er tussen studenten zijn, het maximale te halen. Dat vinden wij belangrijk.

De heer Kuiper nam afstand van het principe "één bachelor en één master". Dat snap ik, maar als de heer Kuiper het mij niet euvel duidt: dit is geen onderdeel van het wetsvoorstel. Dit is natuurlijk voortgekomen uit de Wet versterking besturing. Daar zullen we zeker nog wel over te spreken komen, is mijn indruk. Ik neem er nu kennis van en wij zullen er op een later moment ongetwijfeld over doorpraten.

Ik kom op differentiatie in het hbo. De heer Kuiper vroeg: hoe? Dat is een terechte vraag omdat een van de problemen in het hbo is dat zo veel verschillende studenten, met verschillende achtergronden en vooropleidingen eigenlijk in dezelfde mal worden gedrukt. Mbo'ers, havisten en vwo'ers moeten allemaal dezelfde opleiding volgen. Daarom heeft de regering onlangs inderdaad bekendgemaakt – ik heb dat in februari overigens ook gedaan – dat daar veel meer gedifferentieerd moet worden, bijvoorbeeld driejarige bachelors met een professionele master. De heer Kuiper vroeg ook hoe het zit met de selectie van mbo'ers. Wij vinden dat ook mbo'ers niet meer automatisch in het gehele hbo instroomrecht moeten hebben, net als havisten en vmbo'ers alleen instroomrecht kunnen ontlenen aan het profiel van de vooropleiding. Dat gaan we ook doen bij mbo'ers. Het kan dus niet zo zijn dat iemand die – laat ik een voorbeeld noemen – onderwijsassistent mbo heeft gedaan vervolgens technische biologie aan een hbo kan doen. Dat kan dus niet meer. Dan is er geen recht meer. De instelling heeft dan het recht om selectie toe te passen. De student kan nog steeds naar binnen en zeggen: ik zou het wel willen doen. De instelling kan echter zeggen: gezien jouw vooropleiding gaan we dat niet doen. Maar misschien doordat een student enorm gemotiveerd is en een overtuigend verhaal weet neer te zetten, weet hij de instelling alsnog te overtuigen. Ook dat moet je mogelijk laten.

Op de macrodoelmatigheid ben ik al even ingegaan. Wij willen zeker geen elitair onderwijs opzetten.

Hoe zit het met de bachelor is in het wo door de regering als een soort afgerond geheel wordt gezien? Volgens de heer Kuiper ontstaat daarmee een breuk met het streven van Veerman, die uitspreekt dat meer mensen in Nederland een master moeten proberen te halen. Die tegenstelling zit er niet in, maar ik snap wel dat de heer Kuiper dit zegt. Het past in de afgesproken bamastructuur. Wij vinden dat ook een wo-bachelor feitelijk een civiel effect moet hebben. Dat hoeft niet te betekenen dat niemand meer een master gaat doen. Nee, het punt is alleen dat wij een keuze creëren. Studenten kunnen ervoor kiezen om onmiddellijk hun master er achteraan te doen. Maar zij kunnen ook eerst een aantal jaren aan het werk gaan om op een later moment de master te doen. Ik snap de tegenstelling die de heer Kuiper zag, maar dat is niet wat wij nastreven. Wij willen wel een civiel effect, maar niet met de bedoeling dat iedereen na de bachelor ophoudt. Nee, het geeft meer keuze voor het moment om de master te doen.

De heer Ganzevoort vroeg waarom de strategische agenda samen met de minister van ELI is opgesteld. Het formele antwoord hierop is dat dit in het verleden altijd is gebeurd, maar toen was er nog sprake van het ministerie van Landbouw. De minister van ELI is verantwoordelijk voor het landbouwonderwijs. Ik zeg er echter onmiddellijk bij dat er nog een reden is. Wij vinden dat het onderwijs een vormend karakter heeft, maar ook een economisch effect. Die discussie is ook tijdens de eerste termijn van het tweede debat van vandaag naar voren gekomen. Als wij het hebben over kenniseconomie, gaat het over kennis en over economie. De bundeling daarvan willen wij versterken. Wij zien dat dit noodzakelijk en mogelijk is. Dat hebben wij in gezamenlijkheid willen neerleggen. Ik verschuil mij dus niet alleen achter het formule argument; ook dit is voor ons een belangrijk punt. Het is dan ook opvallend dat ik het verwijt – misschien is dit wat zwaar uitgedrukt – kreeg dat er veel economische componenten in het voorstel zaten, terwijl mevrouw Duthler van de VVD vervolgens zei dat er wel wat meer economische componenten in mogen. Kennelijk heeft de regering toch een redelijk evenwicht weten te vinden inzake de economische component.

Ik ben het niet eens met de uitspraak van de heer Ganzevoort dat de kern van het onderwijs het nastreven van pedagogische doelen is. Dat hoort erbij. Het gaat dan niet eens zozeer om pedagogische doelstellingen maar om ontplooiingsdoelstellingen. Die economische component vindt de regering wel degelijk zeer belangrijk.

De heer Smaling (SP):

Hoe breed of smal ziet de staatssecretaris het begrip "kenniseconomie"? In ontwikkelingslanden wordt Nederland bijvoorbeeld regelmatig gevraagd om te helpen bij het opzetten van een juridisch systeem of bij het ontwikkelen van een systeem voor belastinginning. Dat vergt allerlei alfa- en gammakennis, die helemaal niet zo in die technologiehoek zit. Ik moet de staatssecretaris bijna verwijten dat hij wel erg daarop is gefixeerd.

Staatssecretaris Zijlstra:

Samenwerking met het bedrijfsleven houdt niet in dat je automatisch in de bètahoek terechtkomt. Ik neem als voorbeeld de maatschappelijke uitdaging, de grand challenges, die Europa noemt. Deze bevatten heel veel technische componenten, maar ook heel veel maatschappelijke componenten. Hoe gaan we om met veiligheid en hoe gaan we om met sociale vorming in een steeds complexere samenleving? Dat zijn zaken die wij ook in de strategische agenda hebben benoemd als belangrijke kernpunten. Bij de herverdeling gaan de onderzoeksmiddelen niet alleen naar bètaonderzoek. Wij vormen het Nederlands hoger onderwijs dus niet om tot bètaonderwijs; dat zou ik ook niet willen, laat dat helder zijn. Hoger onderwijs gaat over de volle breedte: alfa, gamma en bèta. Eigenlijk geldt het omgekeerde: op het gebied van bèta hebben we de afgelopen jaren weleens wat problemen gehad met de instroom. Ik heb niet onmiddellijk de indruk dat het alfa- en gammagebied behoorlijk in de knel komt.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

De staatssecretaris zegt dat het kabinet een aardig evenwicht heeft weten te behouden op het gebied van bedrijven en hoger onderwijs. Ik zou dat niet willen stellen. Wij hadden hierover net een debat. Daarbij was het de vraag of het bedrijfsleven bijvoorbeeld een rol zou moeten spelen bij de accreditatie van opleidingen in de universitaire sfeer, bijvoorbeeld voor opleidingen aan de university colleges, die hier vaak worden genoemd. Ik zou het een beetje wezensvreemd vinden als men dat zou doen. Wil de staatssecretaris daar nog even op ingaan?

Staatssecretaris Zijlstra:

Dat betreft een vraag die mevrouw Duthler heeft gesteld over de accreditatie en de betrokkenheid van het bedrijfsleven daarbij; met name de university colleges kwamen daarbij aan de orde. Het antwoord op de vraag is: eigenlijk niet. Het bedrijfsleven wordt er wel bij betrokken doordat een afgevaardigde van VNO-NCW, het bedrijfsleven, zitting heeft in de NVAO. In veel van de visitatiepanels – overigens vooral in het hbo en niet zozeer in het wo – zit iemand van het bedrijfsleven. Dat zijn echter liberal arts colleges. Het zijn brede bacheloropleidingen die niet opleiden tot een vak. Zij zijn eigenlijk bezig met de piramide die ik straks noemde: zij beginnen breed en werken toe naar een cumulatiemoment waarop de student een keuze maakt voor een vervolgopleiding. Bij de masteropleiding waarvoor vervolgens wordt gekozen, moet wel goed met het afnemend veld worden afgestemd. Overigens is het afnemend veld niet alleen het bedrijfsleven, maar ook de onderzoekswereld. Dat moeten wij goed onderscheiden. Bij werkgevers hebben wij het niet alleen over het bedrijfsleven, maar over werkgevers in brede zin. De bacheloropleiding liberal arts, waar het hier feitelijk over gaat, is breed en daarbij is een nauwe betrokkenheid van het bedrijfsleven juist niet verstandig. Anders ga je namelijk onmiddellijk de kolom in van de beroepsopleiding en dat willen wij voorkomen. Toen ik nog Tweede Kamerlid was, bracht ik een bezoek aan Amerika. In Harvard hadden wij uitgelegd hoe het Nederlandse onderwijsstelsel in elkaar zat. Nadat wij hadden verteld dat wij zo'n 1200 bacheloropleidingen hadden, alleen al in het hbo, zei een student: "That means that you have 1200 opportunities to make the wrong decision." Dat is natuurlijk ook zo. Daarom is dit ook een goed concept.

Een student ontwikkelt zich in die kolom. Wij willen dat studenten in het regulier onderwijs breder beginnen in de bachelorfase en niet meteen in een nauwe kolom terechtkomen, want dan is het zo dat zij ofwel die kolom volgen ofwel er na een aantal maanden of na een jaar achter komen dat dit het toch niet helemaal is, en dan moeten zij naar een andere opleiding. Ook dat vinden wij een heel belangrijk punt.

Tegen mevrouw Duthler zeg ik dat er bij het hbo in bredere zin een heel duidelijke link dient te zijn met het bedrijfsleven. Die "b" staat er niet voor niets, dat is de "b" van beroep en dan moet je ook kijken naar het afnemend veld. Dat geldt ook voor lerarenopleidingen. Een klacht uit het primair onderwijs is vaak dat men te weinig te zeggen heeft over de inrichting van een pabo. Dat is ook een klacht waar we naar moeten luisteren, want het primair onderwijs is het afnemend veld van de pabo. Je moet in brede zin bij hbo-opleidingen het afnemend veld meenemen. Het is niet goed, maar het is helaas toch gebeurd, en daar zijn allerlei oorzaken voor, dat een student bij een werkgever komt, of dat nu de overheid is of het bedrijfsleven, en dat deze naar de opleiding kijkt en zegt: wat houdt die opleiding in?

Een slotopmerking, voordat de heer Koole mij wil interrumperen. Ik geef altijd als voorbeeld dat ik hbo en universiteit samen heb gedaan. Bij het wetsvoorstel over langstudeerders heb ik daarover nog een vraag gekregen, dus daar kom ik nog op. Mijn oude opleiding commerciële economie is inmiddels opgesplitst in 16 nieuwe opleidingsrichtingen. Ik sprak met Henk Pijlman van de Hanzehogeschool in Groningen en hij zei dat het er inmiddels 18 zijn. De vraag is hoever je moet differentiëren om het nog herkenbaar te houden. Wij willen de boel echt comprimeren, want dat helpt ook de student.

De heer Koole (PvdA):

Ik ben heel blij dat de staatssecretaris nu spreekt over het afnemend veld en niet meer over het bedrijfsleven. Ik raad hem aan om in de stukken het woord "bedrijfsleven" te schrappen en daarvoor "afnemend veld" neer te zetten, want dat is echt wat breder. Onderwijs is erop gericht om dienstbaar te zijn aan het individu dat het volgt, en aan de samenleving als geheel. Dat is veel meer dan alleen het bedrijfsleven, zoals de staatssecretaris terecht zegt. Dan heb ik nog een vraag. Wat betekent die betrokkenheid van het afnemend veld? Hoe ver moet deze gaan? Is er ook nog zoiets als professionele deskundigheid van docenten, die zelf mogen bepalen, in overleg met elkaar, vanuit hun professie, waar een opleiding aan moet voldoen? Dat moet niet al te zeer worden gedicteerd door het afnemend veld, maar het afnemend veld is al een hele verbetering ten opzichte van alleen maar het bedrijfsleven.

Staatssecretaris Zijlstra:

Wat mij betreft legt het afnemend veld geen dictaten op, want dan komen we in het andere uiterste terecht. Het afnemend veld praat bij het hbo wel mee over de profielen waarmee de opleidingen worden vormgegeven. Vervolgens is het uiteindelijk aan de docenten en de instellingen om dat profiel in te vullen en het lesprogramma feitelijk vorm te geven. Dit is net als bij de Dijsselbloemdiscussie; je hebt het over "wat", maar het is aan de instellingen en aan de docenten hoe het gebeurt.

Mevrouw Duthler heeft nog gevraagd welke corrigerende maatregelen de regering heeft genomen in verband met de zaken die naar voren zijn gekomen bij Inholland en enkele andere instellingen. Wij hebben een aantal corrigerende mechanismen ingebouwd. Door mijn voorganger waren al maatregelen genomen bij het accreditatiestelsel dat per 1 januari van dit jaar is ingegaan. Die zullen helpen. Het bekostigingsmodel waarbij voornamelijk werd betaald op grond van diploma's, is ook aangepast. De Wet versterking besturing heeft voor meer positie van medezeggenschap gezorgd. Ook dat liep al.

Daarnaast hebben wij ook andere zaken aangegeven. Wij vinden dat er bij het hbo, net als gebruikelijk is in het wo, sprake moet zijn van één visitatiepanel dat een sector bedient, dus niet elke keer een nieuw panel per instelling. Als je economie doet, probeer je daar zo veel mogelijk dezelfde mensen bij te betrekken, zodat je ook vergelijkbaarheid creëert. Verder mogen de visitatiepanels niet langer worden ingehuurd door de instellingen. Ze moesten officieel worden benoemd, maar ze werden ook voorgedragen door de instellingen. Daar gaan we mee stoppen. De inspectie krijgt ook een rol in het hoger onderwijs. Accreditatie is een fotomoment, want dat doe je eens in de zes jaar. Maar ook in de tussentijd wil je kijken of alles wel goed gaat. Als het zelfcorrigerend mechanisme in een instelling – dat heeft te maken met opleidings- en examencommissies en medezeggenschap – niet goed is vormgegeven, kan de zaak uit de hand lopen. De inspectie gaat dus prikken om te zien of alles nog wel goed voor elkaar is.

Ook in het hbo is veel discussie over het niveau van docenten. Van die docenten wordt voortaan verwacht dat ze een master degree halen als ze structureel lesgeven aan een hbo-instelling. Ze hoeven niet binnen te komen met zo'n degree, maar ze moeten wel in staat worden geacht binnen vijf jaar een master degree te halen. Vaak wordt gerefereerd aan de Finse situatie en als wij die kant echt op willen, moet je ook een keer ergens beginnen.

Een laatste maatregel is dat er een aanwijzingsbevoegdheid komt voor raden van toezicht van bijzondere instellingen. Dat kan alleen in zware gevallen, maar het gaat om publiek geld en niet om zaken van onderwijsrichting. In die gevallen mag de overheid niet met gebonden handen zitten. Daar is artikel 23 niet voor bedoeld. Het wetsvoorstel waarin dit wordt geregeld, zal aan deze Kamer worden voorgelegd. Tot zover een kleine bloemlezing van de maatregelen die wij hebben genomen.

De heer Essers (CDA):

Het kan zijn dat ik het heb gemist, maar ik heb de staatssecretaris ook gevraagd naar zijn oordeel over het belang van eindexamencijfers. Hij heeft al gezegd dat die nooit als enige een rol mogen spelen, maar wat vindt hij überhaupt van dat criterium?

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik vind dat een belangrijk criterium, ook al omdat het een uitstralingseffect heeft naar het funderend onderwijs. Als het ertoe doet hoe je cijfers zijn in het funderend onderwijs, verwacht ik dat dat dat een positief effect zal hebben. Het kan niet zo zijn dat een meisje met een gemiddelde van 9,9 wordt uitgeloot voor de opleiding van haar voorkeur. Ik vind eindexamencijfers dus van belang, maar het is niet het enige criterium. Er kunnen ook leerlingen zijn met een gemiddelde van 9,9 die sociaal nog wat bij te leren hebben.

De heer Essers (CDA):

Je kunt ook iemand hebben die een 7 haalt, een slow starter is en in de praktijk uitstekend blijkt te functioneren.

Staatssecretaris Zijlstra:

Dat is de andere kant van de medaille. Er zijn leerlingen die cijfermatig niet bij de top horen, maar die zodanig gemotiveerd zijn dat je weet dat zij er wel zullen komen. Er moet altijd sprake zijn van een combinatie van criteria.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik heb nog twee antwoorden tegoed. Wat doet de staatssecretaris om de talenten van studenten uit achterstandsituaties te activeren? Voorkomen moet worden dat zij door de drempel van een hoger collegegeld moeten afhaken, terwijl zij het inhoudelijk wel kunnen. Hoe gaat de staatssecretaris om met de motie-De Rouwe/Lucas in de Tweede Kamer over de harde knip en de meerdere instroommomenten?

Staatssecretaris Zijlstra:

Voorzitter. Aan die laatste vraag heb ik geraakt, maar ik realiseer me dat ik hem nog niet heb beantwoord. Zoals bekend is duiding een onderdeel van de besluitvorming van het kabinet en het kabinet heeft die motie als volgt geduid. De motie zou zo kunnen worden uitgevoerd dat instellingen nog de mogelijkheid hebben om feitelijk een jaar later de harde knip in te voeren, als ze er niet klaar voor zijn. Naar aanleiding van de indiening van die motie is op basis daarvan de discussie in de Tweede Kamer gevoerd. Als we de randvoorwaarden niet goed kunnen invullen, bijvoorbeeld met betrekking tot de instroommomenten, kan dat ertoe leiden dat wij in specifieke gevallen bij bepaalde instellingen de harde knip een jaar later toepassen. Ook met de Tweede Kamer is echter helder afgesproken dat de generieke lijn is dat de harde knip wordt ingevoerd en dat daarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken.

Voor achterstandsleerlingen komt er helemaal geen specifiek beleid. Wij zetten juist in op een generieke verbetering van de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Wij vinden dat het niveau überhaupt omhoog moet. Daarbinnen gaan we differentiëren als mensen extra geprikkeld willen en kunnen worden. In sommige gevallen moeten ze daarvoor extra betalen. Laat ik het gewoon helder zeggen: wij willen er vanaf. Naar de mening van het kabinet hebben we er te lang op gefocust om – laat ik het oneerbiedig zeggen – de laatste student die potentieel, misschien, hoger onderwijs zou kunnen volgen, naar binnen te trekken. Natuurlijk moeten we proberen om voor elke student die dat aankan, hoger onderwijs ook mogelijk te maken. Op het gebied van toegankelijkheid gaan we dus geen concessies doen. Maar we richten het beleid nu ook de andere kant op. Naar onze mening hebben we te lang genegeerd dat er grote groepen studenten zijn die behoefte hebben aan een extra uitdaging, die zwaarder willen worden aangesproken. Daarop gaan we beleid inzetten. Leerlingen uit achterstandsgroeperingen profiteren daar ook van, want generiek geldt dit ook voor hen. In mijn vorige leven als Tweede Kamerlid voerde ik een discussie over allochtone leerlingen van de Hogeschool Rotterdam, die voor de reken- en taaltoets aan de pabo in plaats van na één jaar, na twee jaar werden afgerekend. Zoiets klinkt altijd heel meelevend, maar daarvoor moet je altijd oppassen. De feitelijke situatie was dat de leerlingen van de Hogeschool Rotterdam erop werden aangesproken dat ze een soort B-pabo deden: de rest moest namelijk al na één jaar over het latje springen en zij pas na twee jaar. Dat soort zaken willen we voorkomen. We willen de achterstandsleerlingen juist gelijkwaardig laten zijn. Dat zijn ze ook.

De voorzitter:

Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van de Kamer. Ik heb een opgave gekregen van de tijd die daarmee gemoeid zal zijn: alles bij elkaar opgeteld ongeveer vijftien minuten. Het streven is erop gericht dat we om 19.45 uur naar beneden kunnen gaan voor het diner. Ik wil eenieder vragen om daar zo veel mogelijk aan mee te werken.

De heer Koole (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris ervoor dat hij zei dat de mensen die minder leervermogens hebben dan nodig is voor het hoger onderwijs, ook voor hem niet minder waard zijn. Ik ben dat zeer met hem eens, hij is dat zeer met mij eens. Hij zei ook dat die mensen niet hebben gefaald. Ik hoorde daar ook een toezegging in, namelijk dat de regering in het overige beleid ten aanzien van het onderwijs haar best zal doen om te voorkomen dat het beeld wordt gevestigd dat alleen maar de top meetelt en de niet-top minder waard zou zijn. Dat is een zorg in deze samenleving die ik wil benadrukken: we spreken van een ratrace en degenen die door een vlekje of anderszins niet helemaal boven aan de ladder kunnen komen, of niet eens de laagste trede van die ladder halen, zouden kunnen worden weggezet alsof zij hebben gefaald. Ik ben blij dat de regering in feite heeft toegezegd dit risico op gezette tijden nadrukkelijk naar voren te brengen in het beleid.

Ik ben ook blij met de toezegging dat bij de toetsing van de instellingen na zes jaar het punt van de inkomens van de ouders wordt meegenomen. Er moet voor worden gezorgd dat de populatie van de bijzondere opleidingen niet slechts bestaat uit studenten van rijke ouders. Met de toezegging dat dit in elk geval wordt onderzocht, ben ik blij. Ik vroeg echter niet alleen om dit na zes jaar te toetsen. Ik heb ook gevraagd in mijn inbreng in eerste termijn welke mogelijkheid de staatssecretaris ziet om dit nu al te borgen en om ervoor te zorgen dat het niet zover komt, dat wij niet over zes jaar constateren dat het helemaal scheef zit. Borging is bijvoorbeeld mogelijk door extra beurzen beschikbaar te stellen voor bijzondere opleidingen die een hoger collegegeld vragen voor kinderen van mensen met lagere inkomens.

Ik wil nog iets zeggen over de hogere collegegelden. De zorg voor een tweedeling in het onderwijs en tweederangsonderwijs op universiteiten heb ik in mijn eerste termijn al uitgesproken. Ik heb daar nog enkele vragen over. Waarom moeten die collegegelden voor die bijzondere opleidingen hoger zijn? Kan er bijvoorbeeld geen geld uit andere fondsen worden gehaald? De staatssecretaris zei dat de universiteiten het niet mogen halen uit het budget voor de reguliere opleidingen. Ik ken andere praktijken. Ik stel vast dat de staatssecretaris zegt dat dit niet zo hoort te zijn.

Ik heb in mijn eerste termijn ook nog een vraag gesteld over de opleiding Liberal Arts en Sciences. Het sciencegedeelte zou ertoe kunnen leiden dat die speciale opleidingen voor een gedeelte bètagefinancierd worden en daardoor al een hoger inkomen hebben. Daardoor is de noodzaak om een hoger collegegeld te vragen voor de opleiding Liberal Arts and Sciences wat minder groot dan soms wordt gesteld.

De staatssecretaris heeft een opmerking gemaakt over de harde knip. Daarnaast heeft hij iets gezegd over het aantal bijzondere opleidingen. Het aantal bijzondere opleidingen bedraagt nu 1% à 2%, maar zal lang niet in de richting van de 10% gaan. Het zullen er misschien iets meer worden, maar zeker geen 10%. Die opmerkingen neem ik in dank aan. Op mijn andere twee vragen hoor ik graag het antwoord van de staatssecretaris.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Ook wij danken de staatssecretaris en zijn ambtenaren voor de beantwoording van de vragen. Ik loop mijn punten even langs. Mijn eerste punt was dat wij ervoor moeten waken dat vanwege de slechte financiële situatie bij veel opleidingen de financiële prikkel doorslaggevend wordt bij het aanbieden van opleidingen waarvoor een hoger collegegeld kan worden gevraagd. Daarop moet goed worden gelet bij de toetsing van het programma. Het gaat natuurlijk primair om de kwaliteit. Je wilt ruim baan geven aan talent. Ik ben er iets minder van overtuigd dat die keuze ook aan de studenten kan worden gelaten. Zij kunnen immers vaak heel moeilijk inschatten of hetgeen wordt geboden overeenkomt met de kosten die zij moeten betalen. Ik denk dat dit heel veel gaat afhangen van de toets die voorafgaat aan het toestaan van een dergelijke opleiding.

Mijn tweede punt was de te rooskleurige informatie van instellingen aan studenten. De staatssecretaris heeft gezegd dat hij ook vindt dat de informatie reëel moet zijn. Als je een match hebt, moet die naar twee kanten werken. Instellingen willen de beste mensen en de beste mensen moeten ook weten dat zij de beste opleidingen hebben.

Toch vind ik het nog wat te vrijblijvend. Ik heb niet voor niets een parallel getrokken met de emissieprospectus van bedrijven. Daar zijn de laatste jaren heel veel eisen aan gesteld om te voorkomen dat investeerders op het verkeerde been worden gezet. Hier hebben wij ook te maken met investeerders, alleen gaat het in dit geval over het investeren van talent. Je kunt je tijd maar één keer goed besteden. Wij spreken zo verder over de langstudeerdersmaatregel. Ik denk dat het goed is dat, zeker ook van de zijde van de overheid, nog een keer heel kritisch wordt gekeken naar het studiemateriaal, de informatiebrochures en de toelichting die daarop wordt gegeven aan de studenten. Er zou op zijn minst een soort objectieve toets moeten kunnen worden aangelegd, door een klachteninstantie, wanneer blijkt dat de situatie veel te mooi wordt voorgespiegeld in het informatiemateriaal.

Ik zou ook nog graag een antwoord krijgen op mijn vraag hoe wij kunnen leren van best practices als wij aan de slag gaan met de selectieprocedures. Wij hebben subsidiariteit hoog in het vaandel staan. Men kan dit in beginsel zelf invullen. Hoe kunnen wij leren van de beste ervaringen?

Ik ben blij met de opmerkingen van de staatssecretaris over de relatieve waarde van eindexamencijfers. Ik zou het heel goed vinden als er eens onderzoek zou worden gedaan naar de relatie tussen enerzijds de hoogte van de behaalde eindexamencijfers en anderzijds het functioneren van mensen in de praktijk. Ik zeg hier uiteraard direct bij dat als de hoogte van de eindexamencijfers echt een criterium wordt, mensen zich daarnaar zullen gaan gedragen. Toch lijkt mij zo'n onderzoek interessant, al was het maar om na te gaan of het bijvoorbeeld waar is dat jongens in de regel iets meer aanlooptijd nodig hebben om te kunnen excelleren dan meisjes. Is het waar dat excelleren in de vwo-tijd wat sneller aan de orde komt bij meisjes? Als dat waar zou zijn, zou dat betekenen dat wij eigenlijk niet helemaal correct selecteren. Het doen van zo'n onderzoek lijkt mij best de moeite waard. Wij kunnen daarbij gebruikmaken van ervaringen die tot dusverre in de praktijk zijn opgedaan.

Ik kom ten slotte op de uitzondering op de harde knip. Ik ben tevreden met wat de staatssecretaris hierover heeft gezegd. Instellingen hebben de discretionaire bevoegdheid om op individueel niveau uitzonderingen te maken. Ik zeg erbij dat als zij hiervan vaak gebruikmaken, er vanzelf een soort beleid ontstaat, want ook op dit punt geldt natuurlijk het gelijkheidsbeginsel. Het uitgangspunt is echter dat individuele gevallen in aanmerking kunnen komen voor het maken van een uitzondering.

De tweede opmerking van de staatssecretaris die mij aanspreekt, is zijn opmerking dat er in beginsel meer instroommomenten komen of kunnen zijn. Hiermee wordt voorkomen dat er onnodige studievertraging optreedt. Natuurlijk moeten daarbij wel de randvoorwaarden van kwaliteit, die ook bij de accreditatie aan de orde zijn, in acht worden genomen. Het spreekt ons echter zeer aan dat de staatssecretaris zegt dat dit een mogelijkheid is om vertraging tegen te gaan.

Ik vind het ook zeer belangrijk dat de staatssecretaris heeft gezegd dat er geen concessies worden gedaan op het terrein van de toegankelijkheid. Daarmee is mijn fractie het van harte eens. Hij zei echter ook dat er wel meer moet worden gestuurd op uitdaging. Ook daarmee is mijn fractie het van harte eens. Wij moeten minder de 6- centraal stellen en veel meer focussen op de 8+. Mijn fractie wil dus talent ruim baan geven. Ruim baan geven wij ook dit wetsvoorstel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ook u bent erin geslaagd om ongeveer het dubbele van de opgegeven tijd te gebruiken. Het is u vergeven. Het woord is aan de heer Smaling. Wij zullen zien of het hem wel lukt om binnen de opgegeven spreektijd te blijven.

De heer Smaling (SP):

Voorzitter. Ik houd het heel kort. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Hij geeft zijn antwoorden op een prettige manier. Dat apprecieer ik. Toch zijn wij niet echt veel dichter bij elkaar gekomen. Wij hebben ongeveer een halfjaar geleden afgesproken dat wij de molentjes met wetboeken die hier achter in de zaal staan, met daarin grote hoeveelheden wetgeving, niet onnodig vullen met nieuwe boekjes. De VVD is het daarmee altijd erg eens geweest. Je zou dus verwachten dat het gevoel dat er sprake is van gebrek aan noodzaak voor deze wet, in wat bredere kring zou bestaan.

De staatssecretaris heeft gelijk als hij zegt dat wij spreken over drie stukken wet, en niet over twee. Bij de appel en de peer komt dus nog een tomaat. De essentie van de wet is toch het eerste deel, over collegegelddifferentiatie. Er wordt ook gesproken over examencijfers en motivatie. Oké, maar dit gaat wel gewoon over examencijfers, motivatie én geld. Het gaat hierbij echt om een hoop geld. Dit leidt tot studenten uit Laren, uit Haren, uit Wassenaar en uit Vught. Daar wordt veel VVD gestemd. De VVD is dus eigenlijk gewoon bezig met het financieren van de eigen voorsprong.

Ik ben het eens met wat de heer Essers zegt over het ex ante-element. Veel wetgeving komt tot stand zonder dat er een gedegen fase van terugkijken is geweest. Het gehalte van "lessons learned" van veel zaken die wij hier bespreken, zou kunnen worden opgehoogd. Dat geldt ook voor dit wetsvoorstel. Wij beginnen hiermee immers niet bij nul. Welke rol speelt het verschil tussen meisjes en jongens? Welke rol speelt de afkomst of de gezinssituatie? Je kunt veel meer doen op ex post-niveau om deze wetgeving goed te verankeren.

De andere vragen die ik heb gesteld, heeft de staatssecretaris beantwoord. Ik stel nogmaals dat wij moeten investeren in pabo's, niet in elitair onderwijs.

De voorzitter:

Bravo! Qua tijd dan!

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook wij danken de staatssecretaris voor de heldere antwoorden. Ook wat betreft de harde knip zijn wij tevreden gesteld met de antwoorden van de staatssecretaris. Door al die harde en zachte knippen deed de beantwoording haast denken aan de broodafdeling van de Albert Heijn. Deze wet heeft als doel dat excelleren mogelijk wordt en dat daarvoor speciale programma's en specifieke opleidingen worden ingericht. Wij steunen dit doel van harte. Het is volgens ons ook echt nodig.

Ik begrijp uit de antwoorden van de staatssecretaris dat hij wat betreft het wetenschappelijk onderwijs wel ruimte ziet voor university collegeachtige opleidingen. Tegelijkertijd zal dit waarschijnlijk beperkt blijven tot een bepaalde stroom. Kan de staatssecretaris nog even ingaan op de ruimte die er hierbij nog is voor de macrodoelmatigheidsvoorwaarden? Zou dit bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er een university college op basis van identiteit komt? We hebben al de bijzondere instellingen voor hoger wetenschappelijk onderwijs. Een opleiding op basis van identiteit zou ook kunnen passen binnen de macrodoelmatigheidsvoorwaarden.

Ik ga verder met het hbo. Ik onderstreep dat het hbo belangrijk is. Bij excelleren denken we heel vaak aan de universiteiten, maar dat is volgens mij te eenzijdig. Er wordt ook geëxcelleerd in beroepsopleidingen, waar men zich voorbereidt op een professionele carrière. We zijn het er van harte mee eens dat je ook aan de onderkant van het hbo strenger moet zijn als het gaat om de instroom van mbo'ers. Het hbo kan niet alles absorberen en kan niet alles tegelijkertijd willen. Het is juist belangrijk dat het hbo weer groeit in kwaliteit en niveau. We zullen dus ook aan de bovenkant dingen moeten doen. Als voorbeeld daarvan wordt genoemd dat vwo'ers drie jaar mogen studeren op het hbo. Dat is wel mooi voor die vwo'ers, maar we moeten ook excelleren op het hbo mogelijk maken. Dan moeten we denken aan hbo-masters en aan honoursprogramma's. De vraag is wat de staatssecretaris doet om prikkels uit te delen zodat ook die ontwikkelingen binnen bereik komen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. Ik ben blij met het feit van de beantwoording van de vragen, niet zozeer met de inhoud ervan.

Op een aantal punten wil ik nader ingaan, allereerst op de doelstelling van het onderwijs. Uiteraard ben ik het ermee eens dat een puur pedagogische doelstelling, waarbij het alleen maar gaat om de vorming van mensen, niet voldoende is. Het gaat ook om vaardigheden. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat je mensen erop voorbereidt op participatie in de samenleving. Zij moeten zich kunnen vormen tot wie zij zijn als mens, op een manier die aansluit bij wat de samenleving nodig heeft. Een emancipatoir aspect kan daarom aan het onderwijs ook niet ontzegd worden. Zojuist is de toegankelijkheid van het onderwijs aan de orde geweest. Je moet de vraag stellen wat je doet met mensen in achterstandssituaties. Ik ben bang dat de staatssecretaris mijn vraag op dat punt zojuist niet helemaal goed begrepen heeft. Misschien heb ik het ook niet goed uitgelegd. Het ging mij niet om mensen die qua leermogelijkheden een achterstand hebben, maar om mensen uit een lagere sociaaleconomische klasse, die uitstekend een excellentietraject zouden kunnen volgen, maar om de enkele reden dat daarvoor een heel hoog collegegeld wordt gevraagd, een leenaversie hebben. Daardoor worden zij afgeremd om een excellentietraject te volgen, terwijl zij dit wel zouden kunnen. Om die groep gaat het mij. Ik ben blij met de toezegging over de toetsing na zes jaar, maar ik vrees dat zes jaar voor de groep die nu zou beginnen met studeren wel erg ver vooruit is. Ik sluit aan bij collega Koole, die op dat punt graag eerder stappen zou willen zien.

Ik heb de antwoorden op de vragen over de harde knip gehoord, maar ze bevredigen mij niet. De staatssecretaris zegt dat de motie-De Rouwe/Lucas zo verstaan moet worden dat er één jaar uitstel van implementatie kan komen. Dat lost dus niet het probleem op van kleinere opleidingen die niet meerdere instroommomenten kunnen creëren, vanwege de omvang van de opleiding. Dit kunnen zij in ieder geval niet doen zonder afbreuk te doen aan het didactische principe van de doorlopende leerlijn van zo'n studie. Voor zover je dat belangrijk vindt, lost deze maatregel wel iets op voor de competitie tussen instellingen, maar daarvoor moeten mensen boeten die een minimale vertraging oplopen en een opleiding volgen die alleen maar als kleine opleiding wordt aangeboden. Die minimale vertraging kan komen door een stage in het buitenland, een scriptie, roostering en dergelijke. Dat zou dan al voldoende zijn om een jaar lang te moeten wachten. Anders gezegd: de harde knip voor de kleine opleidingen draagt niet bij aan excellentie, wat de bedoeling was van het wetsvoorstel, maar aan concurrentie.

Mevrouw Duthler (VVD):

Voorzitter. De tijd loopt door, maar dat is mijn geval geen punt, want ik zal mij aan de twee minuten houden.

Ik dank de staatssecretaris voor de heldere beantwoording. Het is goed om te horen dat hij aangeeft dat de economische component in het wetsvoorstel, de plannen en dus de hervormingen in het onderwijs echt belangrijk is.

Wij hebben nog wel een vraag over de betrokkenheid van het bedrijfsleven. Dat de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de bachelor Liberal Arts and Sciences niet voor de hand ligt, snappen wij, maar niet alle intensief, residentieel en kleinschalig onderwijs heeft betrekking op liberal arts. En hoe zit het met de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de masters die betrekking hebben op de sciences, de technologie? Daar zouden wij graag nog wat meer over willen weten van de staatssecretaris.

Een vraag over het accreditatiekader is onbeantwoord gebleven. Wij wezen erop dat het accreditatiekader niet makkelijk te doorgronden is. Wij zijn bang voor bureaucratisering en voor de hoeveelheid tijd die instellingen kwijt zijn met het laten zien dat ze aan de criteria voldoen. Graag zouden wij van de staatssecretaris willen weten hoe hij de bureaucratisering van het accreditatiekader verder voorkomt.

Voor de goede orde, wij zullen dit wetsvoorstel steunen. Zoals de staatssecretaris zei, hebben studenten en instellingen recht op de beste match. Het is goed dat de lat hoger wordt gelegd voor studenten en instellingen. Ook wat ons betreft: ruim baan voor dit wetsvoorstel.

Staatssecretaris Zijlstra:

Voorzitter. Dank aan de leden van de Kamer voor hun bijdrage in tweede termijn. Die verduidelijkt zaken soms weer.

De heren Ganzevoort en Koole vroegen zich af hoe wij kunnen voorkomen dat studenten alleen vanwege de geldelijke component niet gaan deelnemen aan een dergelijke studie. De heer Ganzevoort had het over studenten uit achterstandsgroeperingen. Dat legde de heer Koole ook als punt neer. Ten eerste heeft iedere student de mogelijkheid om het collegegeld via het collegegeldkrediet te lenen. Dat is een investering die een student doet in zijn eigen toekomst. Ten tweede hoeft een instelling niet generiek, voor iedere student, verhoogd collegegeld te heffen. Instellingen geven ook aan dat zij zeker gebruik zullen maken van de vrijheid om voor individuele studenten lager collegegeld te vragen dan het collegegeld dat in de folder staat.

Dat instrument wordt ook elders in de wereld vaak toegepast met name voor leerlingen die cognitief zeer vaardig zijn maar op basis van de portemonnee mogelijkerwijs een andere keuze zouden maken. Ik zou terughoudendheid op dat vlak overigens onverstandig vinden van aankomend studenten, want ik ben oprecht van mening dat de beste investering die je kunt doen, een investering in je eigen toekomst is. De heer Ganzevoort sprak in dat verband over leenangst. Ik heb regelmatig overleggen waarop vooral wordt gesproken over het probleem dat studenten zo veel lenen. Met die leenangst valt het dus wel mee. Maar het punt is terecht: er zijn mogelijkheden met het collegegeldkrediet en met het individueel toepassen van een lagere collegegeldheffing voor bepaalde leerlingen.

De heer Koole (PvdA):

Er zullen zeker studenten zijn die geen leenangst hebben. Daar kunnen we ook niet in generieke termen over spreken. Volgens mij werd zojuist gezegd dat in sommige groepen, juist groepen in economisch achtergestelde situaties, de leenangst veel groter is dan in andere groepen. En ook al geldt dat voor de rest helemaal niet, dan nog is het nuttig om daarmee rekening te houden.

De staatssecretaris zegt dat de instellingen een minder hoog collegegeld kunnen vragen als een zeer getalenteerde student van minder vermogende ouders wil studeren.

Staatssecretaris Zijlstra:

Ook van vermogende ouders overigens.

De heer Koole (PvdA):

Ja, maar daar is het misschien niet voor nodig. Kunnen de instellingen dan differentiëren tussen studenten van ouders met verschillende inkomens? Als dat zo is, hoe groot acht de staatssecretaris dan de kans dat instellingen dit doen? Ze snijden zichzelf daarmee namelijk in de vingers. De opleiding is duur, en zij moet worden gefinancierd door een hoog collegegeld. Als veel mensen uit de groepen die ik noemde naar die opleiding zouden gaan, en dus minder collegegeld hoeven betalen, kan de opleiding niet worden gerealiseerd.

Staatssecretaris Zijlstra:

Ik verwacht ook zeker niet dat de mogelijkheid voor enorme aantallen studenten zal worden toegepast. De mogelijkheid is er – die hebben we met opzet opengelaten – maar het zal echt niet zo zijn dat de helft van de studenten op die manier binnenkomt. Het zal gelden voor de uitzonderingen. Het is aan de instellingen om dat te toetsen op basis van de selectiegesprekken die ze met de studenten voeren. Mijn inschatting is echter dat het de uitzondering zal zijn die de regel bevestigt. Daarnaast, en dat is het generieke middel, is er het collegegeldkrediet. Dat vind ik nog steeds de beste investering in de eigen toekomst.

De heer Essers vroeg: hoe zit het met de informatie? Wordt de student niet op het verkeerde been gezet? Hij maakte wederom de mooie vergelijking met aandelenuitgifte. Als je aandelen uitgeeft, moet je er ook voor zorgen dat de informatie volledig correct is, anders ben je aan de beurt. Opleidingen moeten nu in de OER vastleggen wat precies van de opleiding verwacht mag worden. Als een opleiding een ander beeld schetst in de informatiefolder dan de OER en de opleiding zelf waarmaken, heeft de student nu al het recht om op basis van het Burgerlijk Wetboek individueel naar de bestuursrechter te gaan en om teruggave van gelden te vragen. Dan moet het wel goed zijn vastgelegd in de OER. Wij spreken instellingen erop aan dat het er staat en kijken naar de inspectie voor het risicogericht toezicht. Als de OER niet goed is ingevuld, heb je namelijk geen rechtsgrond.

In eerste termijn heb ik inderdaad niet gesproken over de best practices. Excuus daarvoor. We gaan ervoor zorgen dat de best practices worden opgepakt. We gaan die vertalen naar het veld: hoe wordt selectie toegepast, wat kunnen we ervan leren, wat gaat er goed en wat gaat er verkeerd? Dat doen we niet om ervoor te zorgen dat we generieke selectiecriteria krijgen, maar wel om ervoor te zorgen dat iedereen ervan op de hoogte is wat werkt en wat niet. Dat zeg ik de heer Essers dus graag toe.

Het onderzoek naar de cijfers vind ik een moeizaam onderwerp. Ik snap dat de heer Essers daar mogelijkheden in ziet. Cijfers kunnen wel eens vertekenen, was zijn pleidooi. Je zult dan echter ook mee moeten nemen hoe cijfers tot stand komen. Uit onderzoeken die al zijn gedaan, komt bijvoorbeeld naar boven dat jongens vaak meer behoefte hebben aan structuur in het onderwijs, terwijl meisjes beter in staat zijn om zelfstandig te leren. Dat kwam ook naar voren in de discussie rond de tweede fase, die we in het voortgezet onderwijs hebben gevoerd. In hoeverre neem je dat mee? Is de onderwijsvorm de oorzaak of is het de late bloei? Voordat we het weten, zijn we jarenlang aan het onderzoeken en is het onduidelijk wat we er uiteindelijk mee kunnen. Het is helder dat cijfers een goed criterium zijn om op te selecteren. Als je het echter alleen op cijfers doet, treedt er inderdaad een aantal nadelen op. Daarom vinden wij dat er nog een tweede component bij hoort, bijvoorbeeld motivatie. Vandaar de mix. Maar het onderzoek laat ik even achterwege.

De heer Smaling sprak over de VVD. Ik sta hier toch echt namens de Kroon, maar ik zal er toch op ingaan. Volgens mij is er geen enkele partij bezig om zijn eigen voorsprong te financieren. Al was het maar vanwege het feit dat een groot deel van de in dit huis aanwezige partijen op een bepaald moment heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van dit wetsvoorstel. De SP heeft hier niet aan meegewerkt. Dat geef ik toe, maar ik denk niet dat dit wetsvoorstel kan worden verbonden aan één partij, die daar een bepaalde bedoeling mee heeft. Volgens mij wordt het onderliggende doel van dit wetsvoorstel ook in deze Kamer breed onderschreven. Dit wetsvoorstel geeft studenten de kans om, waar ze extra kunnen, dit ook te doen.

De heer Kuiper stelde een vraag over de macrodoelmatigheid op basis van identiteit. Identiteit is geen onderdeel van de macrodoelmatigheid. Dit zal het ook niet worden. Waar men in eerste instantie wordt afgewezen, kan men volgens de macrodoelmatigheid niet alsnog worden toegewezen, ook niet als een university college een bepaalde identiteit heeft. Dit doen we in de brede zin niet, dus ook in de specifieke zin niet.

Wat het excelleren op hbo's betreft ben ik het zeer met de heer Kuiper eens dat het niet alleen om bijvoorbeeld de vwo'ers gaat die een driejarig bachelortraject volgen, maar voor het kabinet is hieraan gekoppeld dat dit moet leiden tot meer professionele masters in het hbo. Als je namelijk studenten die nu van het vwo naar het wo gaan, terug wilt krijgen in het hbo, dan moet je wel de mogelijkheid geven om een professionele master te volgen. Die hoort er wat ons betreft bij. Voor heel veel vwo'ers geldt dat zij wel op het vwo zitten, maar eigenlijk veel praktischer ingesteld zijn en niet zo zitten te wachten op de onderzoekscomponent. De feitelijk kortere studieduur in de bachelor wil het kabinet gebruiken om daarmee meer masters in het hbo te kunnen financieren.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dat was ook mijn vraag. Gaat de staatssecretaris ook hbo-masters financieren in de toekomst?

Staatssecretaris Zijlstra:

Wij gaan inderdaad ook kijken naar de bekostigde hbo-masters. Nu is het zo dat ze niet bekostigd worden, maar door het bedrijfsleven betaald worden. Wij blijven natuurlijk toetsen of er behoefte aan is, maar wij gaan zeker naar bekostigde, professionele masters. Ik blijf ze stug "professionele masters" noemen. Dezelfde 10% die wij nastreven voor voor honoursprogramma's in het wo, geldt wat ons betreft ook in het hbo. Het maakt niet uit of je nu naar het hbo gaat of naar het wo. Er dient dezelfde drive in te zitten om de studenten te prikkelen om het maximale eruit te halen. Ik zeg wel eens over het hbo: de b staat voor "beroeps" en de b staat niet voor "tweederangs". Dit zien we te vaak naar voren komen, ook in recente discussies. De binariteit van ons stelsel, die belangrijk is, loopt langs de scheidslijn dat je aan de ene kant het wo hebt met onderzoeksgerelateerd, wetenschappelijk onderwijs en academische vorming en aan de andere kant het beroepsonderwijs, het hbo. Dit is ook hoger onderwijs, maar het beroep staat hier centraal; je wordt klaargestoomd voor een vak. Dat is het onderscheid dat dit kabinet nastreeft en het is niet dat het een beter is dan het ander. Dit is nodig als we de beweging terug willen maken. 20% van de vwo'ers ging zo'n tien jaar geleden nog naar het hbo. Dit is nu nog maar 9%. Die trend willen we weer omdraaien. Dit gaat niet vanzelf.

Op de vraag van de heer Ganzevoort over de leenaversie ben ik ingegaan, maar nog niet op de vraag over de kleine opleidingen. Ik geef onmiddellijk toe dat wij in de ideale wereld zouden zien dat ook de kleine opleidingen meerdere instroommomenten hebben. Naast het generieke punt van de harde knip vinden wij het belangrijkst dat studenten na hun bachelor een helder keuzemoment hebben, dat ze de keuze hebben om naar een andere instelling te gaan en dat ze kunnen kiezen om een andere master te gaan volgen dan de doorstroommaster. Wij erkennen dat dit ook een nadeel heeft en dat zit bij de kleine opleidingen. Daar ga ik verder niet geheimzinnig over doen.

Ik heb inderdaad verzuimd de vraag van mevrouw Duthler over accreditatie en bureaucratie te beantwoorden. De deans van de betrokken university colleges zijn nadrukkelijk betrokken geweest bij de vormgeving van de procedure. Ik heb er veel vertrouwen in dat zij geen enorm bureaucratisch circus hebben opgetuigd, want ze moeten er zelf immers ook aan voldoen. Daarnaast kan de procedure geïntegreerd worden in de accreditatie. Het hoeft niet iets extra's te zijn. Ook dat is een waarborg op dat gebied.

De heer Koole vroeg naar het bedrijfsleven en de sciences. Het afnemend veld is betrokken bij sciences, omdat sciences soms om bètagerelateerd onderwijs gaat waarin bijvoorbeeld wordt toegewerkt naar de chemische industrie. Soms gaat het echter om wetenschappelijk onderzoek waarin kennisinstellingen het afnemend veld vormen. Dus ook daar geldt de balans dat het niet alleen het bedrijfsleven is; het is afnemend veld in bredere zin.

De heer Koole stelde de vraag: hoe zit het met sciences op het gebied van kosten? De meerkosten van sciences zijn nu al verwerkt in de tarieven. De extra kosten zijn dus niet om de sciencecomponent via de achterdeur te bekostigen. De sciencecomponent kost meer; daarbovenop mag je dan meer vragen, maar niet voor die sciencecomponent als specifiek onderdeel.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord in tweede termijn.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

De voorzitter:

De aanwezige leden van de fracties van de SP, GroenLinks, de OSF en 50PLUS wordt conform artikel 121 van het Reglement van Orde aantekening verleend, dat zij geacht willen worden zich niet met het wetsvoorstel te hebben kunnen verenigen.

Ik nodig de leden nu uit mij te volgen naar de Noenzaal voor het diner ter afsluiting van het parlementaire jaar.

De vergadering wordt van 19.45 uur tot 21.25 uur geschorst.