Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 16 juni 2026, nr. 2026-0000235729, tot wijziging van de Vangnetregeling Omgevingswet in verband met het toevoegen van bepalingen voor een goede invoering van de Omgevingswet (KetenID WGK028872)

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelet op artikel 5.1, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vangnetregeling Omgevingswet wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 1.9, 1.10, 4.1, 5.1 en 5.2 vervallen.

B

Artikel 1.3b vervalt.

C

Na artikel 2.4f wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.4fa (aanvulling artikel 22.271 – uitzondering toepassingsbereik voor hoofdspoorwegen)

In aanvulling op artikel 22.271, onder b, van de bruidsschat is afdeling 22.4 niet van toepassing op een hoofdspoorweg.

D

In hoofdstuk 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.1 (aanvulling artikel 3.2a – uitbreiding overgangsrecht naar onderliggende regels)

In aanvulling op artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet zijn de op grond van artikel 88 van de Wet bodembescherming gestelde regels zoals die luidden voor 1 januari 2024 van overeenkomstige toepassing op voor 1 januari 2024 veroorzaakte verontreiniging of aantasting als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming ook als die na dat tijdstip wordt ontdekt.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026 en werkt ten aanzien van onderdeel D terug tot en met 1 januari 2024.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O'Sullivan

TOELICHTING

I. Algemeen deel

1. Inleiding

In de Invoeringswet Omgevingswet, de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet zijn zo uitputtend mogelijk wijzigingen aangebracht in bestaande wetgeving en is overgangsrecht opgenomen voor een soepele invoering van de Omgevingswet. Desondanks zijn er enkele onvolkomenheden ontstaan. Vooral vanwege de omvang en complexiteit van het invoeringsproces van de Omgevingswet is daarom een vangnetbepaling opgenomen in artikel 5.1, derde en vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Op grond van deze bepaling heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de bevoegdheid om in specifieke gevallen bij ministeriële regeling tijdig bij te kunnen sturen. Van deze bevoegdheid is al gebruik gemaakt met de Vangnetregeling Omgevingswet die op 1 december 2023 is vastgesteld en met een drietal wijzigingsregelingen is aangevuld.1 Met deze vierde wijzigingsregeling worden enerzijds artikelen uit deze regeling geschrapt omdat deze door bepalingen in een wet in formele zin worden vervangen en wordt deze regeling anderzijds op enkele punten aangevuld.

2. Implementatiewetgeving

Deze regeling bevat geen bepalingen die dienen ter implementatie van EU-richtlijnen of internationale verdragen.

3. Hoofdlijnen van de regeling

Deze ministeriële regeling omvat de volgende onderwerpen:

  • Het laten vervallen van elf bepalingen in de Vangnetregeling Omgevingswet, nu deze bepalingen zijn omgezet in een voorstel van wet en nu dit voorstel tot wet is verheven (artikelen 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 1.9, 1.10, 4.1, 5.1 en 5.2).2

  • Het laten vervallen van een bepaling in de Vangnetregeling Omgevingswet, nu dit artikel geen betekenis meer heeft, omdat met de Verzamelwet KGG3 de juiste minister is aangeduid (artikel 1.3b).

  • Aanvullen van een uitzondering voor hoofdspoorwegen op het toepassingsbereik van afdeling 22.4 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet (verder: de bruidsschat) (artikel 2.4fa).

  • Een correctie op overgangsrecht in de Aanvullingswet bodem Omgevingswet voor onderliggende regels (artikel 3.1).

Omwille van de herkenbaarheid wordt in dit algemeen deel verwezen naar de artikelnummers en niet met de letters van de wijzigingsopdrachten.

Bij de voorbereiding van deze wijzigingsregeling is ook aan de orde gekomen dat in de Invoeringswet Omgevingswet wel is voorzien in overgangsrecht voor projectplannen die op grond van artikel 5.4 van de Waterwet zijn vastgesteld door waterschappen of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (artikel 4.62 respectievelijk 4.63 van de Invoeringswet Omgevingswet) maar dat per abuis dergelijk overgangsrecht ontbreekt voor projectplannen die zijn vastgesteld door gemeenten of provincies. De aanleiding voor die omissie is vermoedelijk geweest dat deze projectplannen weinig voorkomen, maar er zijn wel enkele gevallen bekend waarin provincies projectplannen op grond van de Waterwet hebben vastgesteld voor onderhoud aan vaarwegen. Deze projectplannen hebben hun rechtskracht verloren bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Vooralsnog zijn er echter geen signalen dat dit in de uitvoeringspraktijk tot problemen heeft geleid, zodat er geen aanleiding is gezien voor een vangnetbepaling, mede gelet op de hierna beschreven toepassingscriteria voor de Vangnetregeling.

4. Verhouding tot hoger recht

De Vangnetregeling Omgevingswet bevat uitsluitend artikelen die gebaseerd zijn op artikel 5.1, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Dat luidt:

  • 3. Als deze wet, hoofdstuk 22 van de Omgevingswet, hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, hoofdstuk 4 van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet of hoofdstuk 2 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet daarin niet voorziet of strikte toepassing van deze wet of die bepalingen in specifieke situaties onredelijk is of leidt tot ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet of die bepalingen, bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening regels worden vastgesteld voor een goede invoering van de Omgevingswet. Een regeling die afwijkt van de genoemde aanvullingswetten wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat.

Het moet gaan dus om onderwerpen waarvan een regeling nodig is voor een goede invoering van de Omgevingswet en waarvoor geldt dat:

  • a. de Invoeringswet Omgevingswet en de genoemde overgangsrechtelijke hoofdstukken daarin niet voorzien;

  • b. strikte toepassing van de Invoeringswet Omgevingswet of de genoemde overgangsrechtelijke hoofdstukken in specifieke situaties onredelijk is; of

  • c. strikte toepassing van de Invoeringswet Omgevingswet of de genoemde overgangsrechtelijke hoofdstukken in specifieke situaties leidt tot ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

Elke bepaling in deze regeling voldoet aan één of soms meerdere van deze criteria. In paragraaf 5, gevolgen, wordt per onderwerp aangegeven aan welk criterium wordt voldaan.

Artikel 5.1, derde lid, geeft geen ruimte om deze regeling te benutten voor het oplossen van eventuele omissies in de Omgevingswet zelf – tenzij deze zijn ontstaan door de Invoeringswet Omgevingswet of gerelateerd zijn aan hoofdstuk 22 van de Omgevingswet – of de algemene maatregelen van bestuur die zijn vastgesteld op grond van de Omgevingswet zelf. Via verzamelwijzigingen worden dergelijke onvolkomenheden opgelost.

Artikel 5.1, derde lid, biedt de mogelijkheid om in deze regeling bepalingen op te nemen die van de Invoeringswet Omgevingswet of de andere genoemde wettelijke bepalingen afwijken. Hoewel een lagere regelgever in beginsel niet de bevoegdheid heeft van regelgeving van een hogere regelgever af te wijken, is deze bevoegdheid wel opgenomen in de Invoeringswet Omgevingswet. Als wordt afgeweken van een wettelijke bepaling, moet op grond van artikel 5.1, vierde lid, van die wet zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel worden ingediend om het betrokken onderwerp te regelen. Dit betekent dat de relevante bepalingen zo spoedig mogelijk vervangen zullen moeten worden door een regeling bij wet. De zogenoemde Verzamelwet VRO-BZK die hiertoe dient is per 4 juni 2026 in werking getreden, met uitzondering van de bepalingen die dienen ter vervanging van de Vangnetregeling Omgevingswet, die op 1 juli 2026 in werking treden.4 Met deze wijzigingsregeling worden de desbetreffende onderwerpen op hetzelfde moment uit de Vangnetregeling Omgevingswet geschrapt.

Het is aan de andere kant mogelijk dat de komende tijd, bijvoorbeeld door de zich ontwikkelende jurisprudentie over de Omgevingswet, nieuwe onderwerpen aan het licht komen waardoor verdere aanvulling van de Vangnetregeling Omgevingswet nodig zou kunnen zijn. Ook deze wijzigingsregeling bevat aanvullende bepalingen van de Vangnetregeling Omgevingswet.

5. Gevolgen (met uitzondering van financiële gevolgen)

Deze regeling beoogt continuïteit te bieden door onbedoelde gevolgen te voorkomen van onvolkomenheden in de Invoeringswet Omgevingswet en hoofdstuk 22 van de Omgevingswet, dat overgangsrecht bevat. Hieronder worden de gevolgen van de verschillende onderdelen van deze regeling besproken. Ook wordt aangegeven aan welke criteria van artikel 5.1, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet ze voldoen. Daarbij wordt verwezen naar de letter die in paragraaf 4 van deze toelichting aan de criteria is gekoppeld. Omdat deze artikelen voldoen aan de criteria van artikel 5.1, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, zijn ze nodig voor een goede invoering van de Omgevingswet.

Artikel 2.4fa zorgt ervoor dat niet langer een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is om te beoordelen of werkzaamheden aan hoofdspoorwegen die passen binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan voldoen aan de grenswaarden voor geluid. Per abuis heeft de overgangsrechtelijke regeling in de bruidsschat een breder toepassingsbereik dan de regeling zoals die gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De regeldruk, onderzoekskosten en uitvoeringslasten van de vereiste omgevingsvergunningen zouden in dit specifieke geval onredelijk zijn, aangezien deze geen toegevoegde waarde hebben nu het geluid van hoofdspoorwegen al met geluidproductieplafonds wordt gereguleerd. Dit punt voldoet daarom aan criterium b.

Artikel 3.1 zorgt ervoor dat 25 gemeenten aangewezen blijven als bevoegd gezag om aanwijzingen te geven of meldingen te ontvangen in het kader van een overtreding van de zorgplicht van de Wet bodembescherming die op grond van artikel 3.2a Aanvullingswet bodem Omgevingswet nog van toepassing is. Hoewel expliciet bedoeld was de bevoegdheidsverdeling gelijk te houden,5 is dat per abuis niet geheel correct geregeld, waardoor de wijziging voldoet aan criterium a. Omdat de afgelopen jaren veelal is gehandeld alsof deze omissie niet bestond, zou afzien van herstel ook kunnen leiden tot onredelijke situaties en wordt ook voldaan aan criterium b.

6. Uitvoering, toezicht en handhaving

De hier opgenomen technische verbeteringen en verduidelijkingen dragen bij aan verduidelijking en aan de uitvoerbaarheid van het stelsel voor uitvoerende bestuursorganen, voor de normadressaat van regels over activiteiten en voor toezichthouders en handhavers. Deze regeling bevat op het gebied van toezicht of handhaving geen materiële wijzigingen.

7. Financiële gevolgen

Artikel 2.4fa leidt tot een lastenreductie voor ProRail en een reductie in de uitvoeringslasten voor gemeenten. De belangrijkste kostenbesparing is dat niet langer het akoestisch onderzoek verricht hoeft te worden dat op grond van artikel 22.274 van de bruidsschat omgevingsplan bij de aanvraag om de omgevingsvergunning moet worden verstrekt. Bij reconstructieprojecten van spoorwegen kunnen de onderzoekskosten oplopen tot bedragen in de orde van circa € 20.000. Daarnaast voorkomt de vangnetbepaling de voor die aanvragen vereiste leges die circa € 1.000 kunnen bedragen. Daarbij komen de kosten van de hiermee gemoeide personele inzet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft ProRail conform de nieuwe bepaling gewerkt. Er zijn geen gegevens bekend over het aantal gevallen per jaar waarin deze vergunning aangevraagd had moeten worden.

Artikel 3.1 leidt niet tot wijziging van de lasten voor burgers of bedrijven. Wel voorkomt het een onbedoelde verschuiving van bestuurslasten van 25 grote gemeenten naar de provincies waarin die gemeenten gelegen zijn.

8. Evaluatie

Er is geen aparte evaluatie van de Vangnetregeling voorzien. Binnen de processen die zijn ingericht voor evaluatie van de Omgevingswet, waaronder de onafhankelijke Evaluatiecommissie Omgevingswet, kan zo nodig wel aandacht worden besteed aan elementen van deze regeling.

9. Advies en consultatie

Conform de Code interbestuurlijke verhoudingen is een ontwerp van de regeling voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Van de VNG is een reactie ontvangen met drie punten:

  • De VNG krijgt signalen dat de ingrepen op de bruidsschat via de vangnetbepalingen als problematisch worden ervaren door gemeenten die bezig zijn met het vervangen van de bruidsschat door regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Gemeenten dienen de vangnetbepalingen zelf in hun omgevingsplan te verwerken. De VNG stelt voor in overleg te treden over de invoeringsondersteuning die daarbij geboden kan worden, bijvoorbeeld het bieden van een kant-en-klare toelichting. Hierover zal met de VNG worden gesproken.

  • Over de aanvulling op artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet merkt de VNG op dat alleen wordt verwezen naar artikel 88 van de Wet bodembescherming, dat al vermeld is in artikel 3.2a van die wet. Zij vraagt zich af of daarmee voldoende blijkt dat het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming in ere wordt hersteld of dat anderszins tot uitdrukking wordt gebracht dat de in dat besluit aangewezen 25 gemeenten bevoegd gezag blijven, dus of de beoogde reparatie werkt. Deze wijzigingsregeling breidt de werking van artikel 3.2a uit tot de regels die zijn gesteld op grond van artikel 88. Artikel 1 van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming bevatte de regel die bepaalde dat artikel 88 van de Wet bodembescherming van overeenkomstige toepassing was op de in dat artikel genoemde 25 gemeenten. Aan de vangnetbepaling is ter verduidelijking toegevoegd dat het gaat om regels zoals die luidden voor 1 januari 2024. Op dit punt is ook de toelichting aangescherpt.

  • Tot slot ging de reactie over de verantwoordelijkheid voor het betrekken van deze 25 gemeenten, omdat de VNG niet bij alle betrokken gemeente een directe ingang heeft. De VNG heeft een deel van haar leden ambtelijk aangeschreven en de andere leden gelegenheid gegeven om te reageren op het concept van dit besluit. Over het voornemen om deze reparatie te doen zijn de betrokken gemeenten daarnaast geïnformeerd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

Gezien het technische karakter van deze regeling is afgezien van internetconsultatie.

10. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2026. Er wordt afgeweken van de minimale invoeringstermijn omdat de regeling bedoeld is om spoedig problemen die zich voordoen bij de invoering van de Omgevingswet op te lossen. Voor de meeste onderwerpen geldt bovendien dat als ze niet spoedig worden opgelost, dit kan leiden tot aanmerkelijke ongewenste private of publieke nadelen. Er is niet gekozen voor inwerkingtreding op de dag na publicatie, omdat enkele artikelen een korte invoeringstermijn vergen.

De vervallen vangnetbepalingen zijn vervangen door wetsbepalingen die een-op-een hetzelfde regelen in grotendeels identieke bewoordingen. Daarom is geen overgangsrecht nodig, ook niet voor lopende procedures. De nieuwe onderdelen in artikelen 3.5, eerste lid, onder a, en 3.6, eerste lid, onder a, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet voorkomen zoals toegelicht6 een dubbele berekening die op grond van artikel 4.1 van de Vangnetregeling nog vereist was, maar omdat er minder geregeld wordt, is ook geen overgangsrecht nodig. De opvolgende wetsbepalingen treden niet met terugwerkende kracht in werking. Voor zover dat nodig is, zal in gerechtelijke procedures dus ex tunc nog de vangnetbepaling toegepast moeten worden.

Het nieuwe artikel 3.1 werkt terug tot en met 1 januari 2024, de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Er is gekozen voor terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024, omdat dit aansluit bij de praktijk van de afgelopen jaren waarin veelal is gehandeld alsof de omissie die met deze bepaling wordt hersteld niet bestond.

II. Artikelsgewijze toelichting

Onderdeel A

Artikelen 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 1.9, 1.10, 4.1, 5.1 en 5.2, vervallen van bepalingen

Zoals in het algemene deel van deze toelichting is uitgelegd, dient op grond van artikel 5.1, vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, na plaatsing in de Staatscourant van een dergelijke ministeriële regeling, zo spoedig mogelijk een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp bij de Staten-Generaal te worden ingediend. Wanneer dit voorstel tot wet wordt verheven, wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet. Op 1 juli 2026 zullen de voor de Vangnetregeling Omgevingswet relevante artikelen in de Verzamelwet VRO-BZK in werking treden. Deze wet bevat een omzetting van een elftal bepalingen van de Vangnetregeling Omgevingswet (artikelen 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 1.9, 1.10, 4.1, 5.1 en 5.2). Dit betekent dat deze artikelen uit de Vangnetregeling Omgevingswet op grond van artikel 5.1, vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, op dat moment moeten komen te vervallen. Deze wijzigingsregeling voorziet daarin.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van welke bepalingen van de Vangnetregeling Omgevingswet zijn omgezet naar een wet in formele zin met de Verzamelwet VRO-BZK.

Bepaling in de Verzamelwet VRO-BZK

Bepaling in de Vangnetregeling

I, onder B en C (Aanvullingswet geluid Omgevingswet)

Artikel 4.1

II, onder A (Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet)

Artikel 5.1

II, onder B (Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet)

Artikel 5.2

V (Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek)

Artikel 1.3

X, onder B (Invoeringswet Omgevingswet)

Artikel 1.5

X, onder C (Invoeringswet Omgevingswet)

Artikel 1.7

X, onder D (Invoeringswet Omgevingswet)

Artikel 1.8

X, onder F (Invoeringswet Omgevingswet)

Artikel 1.9

X, onder G (Invoeringswet Omgevingswet)

Artikel 1.6

XII, onder S (Omgevingswet)

Artikel 1.10

XXXX (Wet waardering onroerende zaken)

Artikel 1.4

Onderdeel B

Artikel 1.3b, vervallen van bepaling

Artikel 1.3b van de Vangnetregeling Omgevingswet heeft geen betekenis meer, omdat met artikel VIII van de Verzamelwet KGG 2026 de juiste minister is aangeduid.7 Titel 15.13 van de Wet milieubeheer, waar de artikelen 15.51b en 15.52 in zijn opgenomen, is op 1 januari 2025 vervallen. Deze artikelen blijven echter voor de uitvoering van een heffing en eventuele daaruit voortkomende geschillen (na het vervallen van titel 15.13) van belang. De Minister van Klimaat en Groene Groei is als verantwoordelijke minister aangewezen in de Wet fiscale Klimaatmaatregelen glastuinbouw, omdat met die wet de intrekking en blijvende werking van dit deel van de Wet milieubeheer wordt geregeld. Hierdoor kan deze bepaling uit de Vangnetregeling Omgevingswet komen te vervallen.

Onderdeel C

Artikel 2.4fa, aanvulling op artikel 22.271 bruidsschat

Afdeling 22.4 van de bruidsschat voorziet in een binnenplans vergunningstelsel voor aanleg of wijziging van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds. Dit binnenplanse stelsel is een overgangsrechtelijke voortzetting van de zogenoemde reconstructie uit de Wet geluidhinder. De regels voor reconstructie waren voorafgaand aan inwerkingtreding van de Omgevingswet al niet meer van toepassing voor rijkswegen en hoofdspoorwegen, omdat voor die geluidbronsoorten het geluid al sinds 1 juli 2012 met geluidproductieplafonds wordt gereguleerd.

In lijn daarmee zijn in artikel 22.271, onder b, van de bruidsschat de geluidbronsoorten waarvoor ook onder de Omgevingswet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld, uitgezonderd van het toepassingsbereik van afdeling 22.4. Abusievelijk zijn daarbij hoofdspoorwegen niet genoemd. Deze omissie wordt hiermee gerepareerd.

Onderdeel D

Artikel 3.1, aanvulling op artikel 3.2a Aanvullingswet bodem Omgevingswet

Artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet regelt overgangsrecht van bestuursrechtelijke handhaving van een overtreding van de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb). In artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet staat een verwijzing naar de artikelen 13, 27, 88 en 95 van de Wbb. Artikel 88 Wbb wijst de bevoegd gezag gemeenten aan. Daarbij gaat het om de vier grote gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht. Op 1 januari 2005 is artikel 88 op 25 andere (middel)grote gemeenten van overeenkomstige toepassing verklaard via het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming.

Met het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming ingetrokken, hoewel er overgangsrechtelijk nog wel behoefte aan was. Het op grond van artikel 88, vijfde lid, Wbb vastgestelde Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming is daardoor per abuis buiten het overgangsrecht in de Aanvullingswet bodem Omgevingswet gevallen. Hierdoor zijn 25 gemeenten onbedoeld niet langer aangewezen als bevoegd gezag om aanwijzingen te geven of meldingen te ontvangen in het kader van een overtreding van de zorgplicht. Deze wijzigingsregeling herstelt deze omissie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 door te bepalen dat het overgangsrecht niet alleen ziet op artikel 88 zelf, maar ook op de grond van artikel 88 gestelde regels. Praktisch gezien gaat het daarbij om artikel 1 van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming.

Artikel 95, eerste lid, Wbb regelt overigens dat het stelsel van kwaliteitsborging bij de uitvoering van toezicht en handhaving uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing was. Op grond van die wet werd bij algemene maatregel van bestuur het basistakenpakket van omgevingsdiensten bepaald. Dit stelsel van kwaliteitsborging is overgegaan naar de Omgevingswet. De taken die samenhangen met artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet zijn in artikel 13.12 en de bijbehorende bijlage VI van het Omgevingsbesluit niet aangewezen als onderdeel van het basistakenpakket.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O'Sullivan


X Noot
2

Wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten (Verzamelwet VRO-BZK 2026), Stb. 2026, 94.

X Noot
3

Wet van 29 oktober 2025, houdende herstel van wetstechnische gebreken en leemten, alsmede aanbrenging van andere wijzigingen in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (Verzamelwet KGG 2026), Stb. 2025, 349.

X Noot
4

Wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten (Verzamelwet VRO-BZK 2026), Stb. 2026, 94 en Stb. 2026, 126.

X Noot
5

Kamerstukken II 2022/23, 36 293, nr. 3, p. 2, voetnoot 2.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 36 824, nr. 3, p. 9.

X Noot
7

Wet van 29 oktober 2025, houdende herstel van wetstechnische gebreken en leemten, alsmede aanbrenging van andere wijzigingen in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (Verzamelwet KGG 2026), Stb. 2025, 349.


X Noot
2

Wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten (Verzamelwet VRO-BZK 2026), Stb. 2026, 94.

X Noot
3

Wet van 29 oktober 2025, houdende herstel van wetstechnische gebreken en leemten, alsmede aanbrenging van andere wijzigingen in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (Verzamelwet KGG 2026), Stb. 2025, 349.

X Noot
4

Wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten (Verzamelwet VRO-BZK 2026), Stb. 2026, 94 en Stb. 2026, 126.

X Noot
5

Kamerstukken II 2022/23, 36 293, nr. 3, p. 2, voetnoot 2.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 36 824, nr. 3, p. 9.

X Noot
7

Wet van 29 oktober 2025, houdende herstel van wetstechnische gebreken en leemten, alsmede aanbrenging van andere wijzigingen in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (Verzamelwet KGG 2026), Stb. 2025, 349.

Naar boven