Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 15 december 2023, nr. WJZ/ 33685782, tot wijziging van de Omgevingsregeling in verband met de actualisatie van de energiebesparingsplicht mede gericht op de glastuinbouwsector

De Minister voor Klimaat en Energie,

Gelet op artikel 4.3, vierde lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Omgevingsregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.14 komt te luiden:

Artikel 4.14 (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)

  • 1. De maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage VII.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, de maatregelen in bijlage VIIaa, als sprake is van:

    • a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

B

Artikel 4.14a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘energiebesparende maatregelen’ vervangen door ‘maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik’.

2. In het eerste lid wordt ‘energiebesparende maatregelen’ vervangen door ‘maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik’.

3. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot het derde en vierde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van:

    • a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

4. In het derde lid (nieuw) wordt ‘de artikelen 5.15, tweede lid, onder a, en 5.15a, eerste lid, onder f, onder 1°,’ vervangen door ‘de artikelen 3.3a, derde lid, 5.15, derde lid, onder a, 5.15a, eerste lid, onder e, en 5.15b, tweede lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving’.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels.

C

In afdeling 4.4 wordt na artikel 4.14a een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.14aa (gegevens en bescheiden onderzoek maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)

  • 1. Het aanleveren van de gegevens en bescheiden en het onderzoek, bedoeld in artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt uitgevoerd in overeenstemming met bijlage XVb.

  • 2. Aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, voor de onderdelen waarvoor dat in bijlage XVb is aangegeven, invulling worden gegeven door het toepassen van:

    • a. een energiebeheersysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 50001; of

    • b. een milieubeheersysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 14001 in samenhang met NEN-EN-ISO 14051.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid kan aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de onderdelen waarvoor dat in bijlage XVb is aangegeven, invulling worden gegeven door de in bijlage XVb opgenomen keurmerken.

  • 4. Als gebruik wordt gemaakt van de in het tweede of derde lid opgenomen mogelijkheid om invulling te geven aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt van het van toepassing zijnde energiebeheersysteem of milieubeheersysteem of keurmerk een afschrift overgelegd.

D

Artikel 5.29 komt te luiden:

Artikel 5.29 (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)

  • 1. De maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage XIV.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de maatregelen in bijlage XIVa, als sprake is van:

    • a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

E

Artikel 5.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘energiebesparende maatregelen’ vervangen door ‘maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik’.

2. In het eerste lid wordt ‘energiebesparende maatregelen’ vervangen door ‘maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik’.

3. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot het derde en vierde lid, wordt een lid ingevoegd:

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van:

    • a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels.

F

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de rij met ‘NEN-EN-ISO 13395’ worden twee rijen ingevoegd, luidende:

NEN-EN-ISO 14001

Milieumanagementsystemen – Eisen met richtlijnen voor gebruik

2015

NNI (www.nen.nl)

Artikel 4.14aa van deze regeling

NEN-EN-ISO 14051

Milieumanagementsystemen – Kostentoerekening van materiaalstromen – Algemeen raamwerk

2011

NNI (www.nen.nl)

Artikel 4.14aa van deze regeling

2. Na de rij met ‘NEN-EN-ISO 17993’ wordt een rij ingevoegd, luidende:

NEN-EN-ISO 50001

Energiemanagementsystemen – Eisen met gebruiksrichtlijnen

2018

NNI (www.nen.nl)

Artikel 4.14aa van deze regeling

G

Het opschrift van bijlage VII komt te luiden:

BIJLAGE VII BIJ ARTIKEL 4.14, EERSTE LID, VAN DEZE REGELING (MAATREGELEN TER VERDUURZAMING VAN HET ENERGIEGEBRUIK MET BETREKKING TOT MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN)

H

Na bijlage VIIa wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE VIIAA BIJ ARTIKEL 4.14, TWEEDE LID, VAN DEZE REGELING (MAATREGELEN TER VERDUURZAMING VAN HET ENERGIEGEBRUIK MET BETREKKING TOT MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN SPECIFIEK VOOR DE GLASTUINBOUWSECTOR)

Inhoudsopgave

Onderdeel Code

Categorie Code

Categorie Omschrijving (onderwerp)

F

A

Perslucht

F

B

Stoom

F

C

Aandrijvingen

F

D

Productkoeling

F

E

Grootkeukenapparatuur

F

G

Terreinverlichting

F

I

Serverruimte

F

K

Zonnepanelen

     

P

B

Drogen

P

D

Procesapparatuur

P

E

Proceswarmte

P

T

Glastuinbouw

Onderdeel 1 : faciliteiten

Categorie : Perslucht

Onderwerp

Perslucht

Nummer maatregel

FA1

Toe te passen maatregel

Vergroot de persluchtbuffer.

Door het aansluiten van een (extra) buffervat op het bestaande persluchtnet kan meer perslucht opgeslagen worden, waardoor het aantal starts en stops van de compressor wordt beperkt.

Huidige situatie

Er is een persluchtcompressor met aan/uit-schakelaar aanwezig zonder buffervat of met een te klein buffervat. Hierdoor draait de persluchtinstallatie minimaal 15 minuten per bedrijfsuur in nullast. Bij vergroting van de buffer is het uitgangspunt om maximaal 5 minuten aaneengesloten in nullast te draaien.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 4.100 bedrijfsuren van het persluchtnet per jaar.

Natuurlijk moment: bij meer dan 3.400 bedrijfsuren van het persluchtnet per jaar.

Technische randvoorwaarden

Er is voldoende ruimte nabij de persluchtcompressor om een persluchtbuffervat te plaatsen.

De persluchtvraag is gemiddeld gezien variabel gedurende een bedrijfsuur.

De persluchtcompressor heeft een vermogen van minimaal 10 kW.

Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig op persluchtlekkages en verhelp deze.

Onderwerp

Perslucht

Nummer maatregel

FA2

Toe te passen maatregel

Plaats een afsluiter met tijdschakelaar om verlies van perslucht buiten bedrijfstijden te beperken.

Door het toepassen van een afsluiter met tijdschakelaar op het persluchtnet of delen daarvan kunnen apparaten en machines worden losgekoppeld van de perslucht. Zo hoeft de compressor niet onnodig perslucht te comprimeren buiten bedrijfstijden.

Huidige situatie

Er is een centraal persluchtnet aanwezig dat geheel of deels onder druk staat buiten gebruikstijden.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De op het persluchtnet aangesloten apparaten en machines zijn geschikt om zonder persluchtdruk buiten bedrijf stil te staan.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig op persluchtlekkages en verhelp deze.

Controleer regelmatig de instelling van de tijden dat het persluchtnet buiten bedrijf is en zorg dat deze bij veranderende bedrijfstijden (zoals bij zomer- en wintertijd) worden bijgewerkt.

Onderwerp

Perslucht

Nummer maatregel

FA3

Toe te passen maatregel

Pas een flow-drukregelaar toe in het persluchtnet.

Door integratie van een flow-drukregelaar (regelklep direct na het buffervat) in een persluchtnet kunnen schommelingen in de persluchtvraag worden uitgebalanceerd. Om de schommelingen op te vangen is de persdruk vaak hoger ingesteld dan nodig. Door toepassing van een flow-drukregelaar kan de persdruk in het buffervat worden verlaagd. De verlaging in persdruk zorgt voor een besparing op het energiegebruik van de compressor.

Daarbij zal door lagere druk het persluchtgebruik per gebruiker afnemen en lekt er minder perslucht weg. Door minder persluchtgebruik of -lekkage zal de compressor ook energie besparen.

Huidige situatie

Er is een persluchtnet met een centrale toerengeregelde persluchtcompressor(en) en buffervat aanwezig, waarbij een flow-drukregelaar ontbreekt.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 3.700 bedrijfsuren van het persluchtnet per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het vermogen van de compressor is ten hoogste 45 kW en het persluchtgebruik is maximaal 7 m3/min.

In het persluchtnet vinden hoge drukvallen plaats door grote persluchtafname.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Verlaag de persluchtdruk na plaatsing van de schakelaar en controleer regelmatig de ingestelde waarde.

Onderwerp

Perslucht

Nummer maatregel

FA4

Toe te passen maatregel

Plaats een luchtkanaal zodat de persluchtcompressor (koude) buitenlucht aanzuigt.

Plaats een luchtkanaal voor het aanzuigen van buitenlucht of van binnenlucht uit een onverwarmde ruimte. Als de persluchtcompressor koudere lucht aanzuigt kan er energiezuiniger perslucht worden gemaakt.

Huidige situatie

Er is een centraal persluchtnet aanwezig met een persluchtcompressor van ten minste 7,5 kW die warme lucht aanzuigt vanuit de ruimte waarin deze is opgesteld.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 3.000 bedrijfsuren van de persluchtcompressor per jaar.

Technische randvoorwaarden

De compressor staat binnen 5 m van een buitenmuur.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Perslucht

Nummer maatregel

FA5

Toe te passen maatregel

Gebruik zuinige persluchtgereedschappen.

Door gebruik te maken van nieuwe en energiezuinige perslucht aangedreven gereedschappen, zoals blaaspistolen, wordt er minder perslucht gebruikt en energie bespaard.

Huidige situatie

Er wordt gebruik gemaakt van 'conventionele' persluchtgereedschappen, zoals blaaspistolen, met een nominaal gebruik van meer dan 120 l/min.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij gereedschappen die meer dan 1.800 uur per jaar worden gebruikt.

Technische randvoorwaarden

De persluchtcompressoren hoeven niet te worden aangepast door het verminderde gebruik van perslucht.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Onderhoud de perslucht aangedreven gereedschappen zodat er geen onnodige perslucht verloren gaat en houd ze schoon.

Controleer regelmatig op persluchtlekkages aan gereedschap, koppelingen en leidingen en verhelp deze.

Onderwerp

Perslucht

Nummer maatregel

FA6

Toe te passen maatregel

Gebruik elektrisch handgereedschap als vervanging voor pneumatisch aangedreven gereedschap.

Door waar mogelijk elektrisch handgereedschap toe te passen en perslucht aangedreven gereedschap alleen te gebruiken wanneer er geen elektrisch alternatief is, kan het persluchtgebruik worden beperkt. Het opwekken van perslucht voor het aandrijven van gereedschap is minder efficiënt dan het gebruiken van elektrisch aangedreven gereedschap.

Huidige situatie

Persluchtaangedreven handgereedschap wordt gebruikt voor toepassingen waar een elektrisch alternatief voor kan worden gebruikt.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij gebruik van het gereedschap van meer dan 6 u/wk.

Technische randvoorwaarden

Er is een geschikt elektrisch alternatief beschikbaar dat voldoet aan de specifieke eisen van de werkzaamheden zoals voldoende koppel en een handzaam gewicht en formaat.

De gereedschappen worden niet in een ATEX omgeving gebruikt.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Perslucht

Nummer maatregel

FA7

Toe te passen maatregel

Gebruik een blower voor het schoonblazen in plaats van perslucht.

Voor werkzaamheden zoals schoonblazen van vloeren en machines waarbij met perslucht wordt geblazen kan een decentrale blower worden gebruikt. Dit is energiezuiniger dan blazen met perslucht.

Huidige situatie

Blazen gebeurt met perslucht van ten minste 6 bar.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij gebruik van perslucht voor schoonblazen van meer dan 6 u/wk.

Technische randvoorwaarden

Het proces moet toestaan dat er met een lagere druk en groter luchtvolume schoongeblazen wordt.

De blower is binnen 10 m van de toepassing te plaatsen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Perslucht

Nummer maatregel

FA8

Toe te passen maatregel

Vervang de regelklepbediening op basis van perslucht door elektrische aandrijvingen.

Door het op perslucht aangedreven besturend element (actuator) van de regelklep te vervangen door een servo- of stappenmotor, kan energie worden bespaard. Bij een perslucht aangedreven actuator moet het gehele jaar lucht op druk worden gehouden. Daarom is een elektrische aandrijving efficiënter.

Huidige situatie

Er is een regelklep met een door perslucht aangedreven actuator (besturend element) aanwezig die is aangesloten op het centrale persluchtnet. De actuator kan separaat worden vervangen.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: bij processen die het hele jaar continu in bedrijf zijn.

Technische randvoorwaarden

Er is een elektrische voedingskast beschikbaar binnen 10 m.

De regelklep bevindt zich niet in een ATEX-omgeving.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Categorie : Stoom

Onderwerp

Stoom

Nummer maatregel

FB1

Toe te passen maatregel

Verlaag de stoomdruk van het centrale stoomnet.

Een verlaging van de stoomdruk zorgt voor lagere (stoom)temperaturen en voor een lagere schoorsteentemperatuur. Daardoor verliest de ketel minder warmte en wordt het warmteverlies door de schoorsteen kleiner. Bovendien neemt het verlies in het (stoom)distributienet en het flashverlies in condenspotten af. De mate van verlaging van de stoomdruk wordt bepaald door de stoomafnemer die om de hoogste stoomdruk vraagt om te kunnen blijven opereren.

Huidige situatie

Er is een stoomketel aanwezig die is gekoppeld aan een centraal stoomnet en de druk op het stoomnet is hoger dan voor de aangesloten apparaten vereist is.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: Het stoomnet is meer dan 3.700 uur per jaar op druk.

Technische randvoorwaarden

Voor de verlaging van het stoomdruksetpoint zijn geen verdere veranderingen aan het systeem nodig.

De stoomafnemers kunnen functioneren met de verlaagde stoomdruk.

De huidige leidingen en appendages dienen geschikt te zijn voor een verhoging van de stromingssnelheden van de stoom.

De stoomdruk bedraagt minimaal 4 bar.

De stoomdruk kan met ten minste 10% worden verlaagd.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de stoomdruk in het stoomnet.

Onderwerp

Stoom

Nummer maatregel

FB3

Toe te passen maatregel

Gebruik een rookgascondensor om warmte uit de rookgassen van de stoomketel nuttig in te zetten.

Door het condenseren van rookgas met een RVS-condensor kan de restwarmte uit de rookgassen nuttig worden ingezet. Toepassing van de maatregel vereist dat de brander van de stoomketel opnieuw wordt afgesteld.

Huidige situatie

Er is een stoomketel met economiser aanwezig en de rookgassen verlaten de schoorsteen (na de economiser) met een temperatuur van 130 °C of hoger.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 4.600 bedrijfsuren van de stoomketel.

Technische randvoorwaarden

Er is redelijk koud suppletiewater aanwezig (10 – 20°C).

Het suppletiewaterdebiet is relatief hoog (meer dan 80% van de massastroom stoom), of er is warmtevraag aanwezig zoals water voor centrale verwarming of schoonmaakwater.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Onderhoud de warmtewisselaar volgens de leveranciersvoorschriften.

Onderwerp

Stoom

Nummer maatregel

FB4

Toe te passen maatregel

Vervang stoom als middel voor ruimteverwarming.

Door stoom als middel voor ruimteverwarming te vervangen voor een efficiënter alternatief wordt energie bespaard. Mogelijke alternatieven zijn een indirect gestookte heater, een direct gestookte hoogrendement (HR)-heater of donkere stralers.

Huidige situatie

De ruimteverwarming gebeurt met een met stoom gevoede luchtverhitter.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Er is een aansluitpunt voor gas aanwezig binnen een afstand van 50 m van de te verwarmen ruimte.

De huidige constructie en de elektriciteitsaansluiting kunnen worden hergebruikt (één-op-één vervanging van de huidige heaters).

Er zweeft geen brandbaar stof (zoals houtstof of andere organische stoffen) in de ruimte.

De rookgasafvoer kan direct door het dak gerealiseerd worden.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Stoom

Nummer maatregel

FB5

Toe te passen maatregel

Isoleer ongeïsoleerde warme delen van de stoomketel.

Door het aanbrengen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van ten minste 1,0 m2K/W bij ongeïsoleerde mangaten, ketel-achterfronten en voedingswaterregelkleppen van stoomketels, kan warmteverlies worden voorkomen.

Huidige situatie

Bepaalde delen van de stoomketel, zoals mangaten, het ketel-achterfront en de voedingswaterregelklep zijn niet of onvoldoende geïsoleerd.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Voer jaarlijks een (visuele) controle uit naar de staat van de isolatie.

Onderwerp

Stoom

Nummer maatregel

FB6

Toe te passen maatregel

Isoleer stoomleidingen en appendages.

Door het aanbrengen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W rondom stoomleidingen en appendages wordt warmteverlies tegengegaan.

Huidige situatie

De stoomleidingen zijn niet of onvoldoende geïsoleeerd.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Voer jaarlijks een (visuele) controle uit naar de staat van de isolatie.

Onderwerp

Stoom

Nummer maatregel

FB7

Toe te passen maatregel

Pas een omgekeerde osmose (RO)-installatie toe om de ketelwaterkwaliteit te verbeteren.

Met een omgekeerde osmose-installatie kan de waterkwaliteit voor een gasgestookte stoomketel worden verbeterd. Hierdoor is er minder toevoeging van nieuw water nodig en wordt er ook minder water ververst (spui). Dit verlaagt het watergebruik en daardoor hoeft er minder water te worden opgewarmd in de stoomketel.

Huidige situatie

Er is een stoomketel zonder waterbehandeling of met enkel een eenvoudige ontharder zoals een harskolom aanwezig. De waterverversing (spui) is ten minste 10%.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Er is voldoende opstelruimte in het ketelhuis voor een omgekeerde osmose-installatie.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer jaarlijks op lekkages en voer zo nodig

onderhoud uit aan de reverse osmose-installatie.

Onderwerp

Stoom

Nummer maatregel

FB8

Toe te passen maatregel

Plaats een warmtewisselaar bij de uitgang van een heetwaterproces om het suppletiewater voor te verwarmen met warmte uit te lozen water.

Door het plaatsen van een warmtewisselaar bij de uitgang van een heetwaterproces kan het suppletiewater van de stoomketel worden voorverwarmd met warmte uit te lozen afvalwater. Voorbeelden van dergelijke warmteterugwinning zijn een kratten- of gereedschapwasser.

Huidige situatie

Er is een heetwaterproces aanwezig (bijvoorbeeld een kratten- of gereedschapwasser) waarbij het warme afvalwater wordt geloosd op het vuilwaterriool zonder dat daar warmte uit is teruggewonnen.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 2.400 bedrijfsuren van het heetwaterproces per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het heetwaterproces verbruikt ten minste 500 m3 water per jaar.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Inspecteer en reinig elke twee jaar de warmtewisselaar.

Categorie : Aandrijvingen

Onderwerp

Aandrijvingen

Nummer maatregel

FC1

Toe te passen maatregel

Pas een frequentieregeling toe op machines.

Met de toepassing van een frequentieregelaar op de elektromotor welke een machine of machinedeel aandrijft kan de motor optimaal worden ingezet in de bedrijfsvoering.

De aandrijving door de elektromotor kan middels de frequentieregelaar optimaal worden ingeregeld, waarbij de snelheid van de elektromotor zodanig wordt gekozen dat de aandrijving zijn functie goed kan vervullen met een zo laag mogelijk opgenomen vermogen.

Deze maatregel beslaat directe en indirecte aandrijvingen, zoals via as, snaar, riem, ketting en dergelijke.

Huidige situatie

Er is een machine aanwezig met een aandrijving via elektromotor met een elektrisch vermogen van ten minste 8 kW. De efficiëntieklasse van de elektromotor is ten minste IE2.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 1.300 draaiuren per jaar.

Natuurlijk moment: bij meer dan 800 draaiuren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Er is voldoende ruimte in de regelkast om de frequentieregelaar te kunnen plaatsen, óf de motor is goed toegankelijk, waardoor de frequentieregelaar nabij de elektromotor kan worden geplaatst.

De functionaliteit van de machine moet een variabel of verlaagd toerental toestaan.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Aandrijvingen

Nummer maatregel

FC2

Toe te passen maatregel

Pas een frequentieregeling op pompen toe.

Door het toepassen van een frequentieregelaar op de pomp kan de pomp optimaal worden ingeregeld. Daarbij wordt het werkpunt van de pomp zodanig gekozen dat de pomp zijn functie goed kan vervullen met een zo laag mogelijk opgenomen vermogen. Bij veel toepassingen kan een eenvoudige debiet- of drukregeling worden ingesteld, waarbij de pomp altijd naar het optimale werkpunt wordt geregeld.

Huidige situatie

Er is een variabele flow of een overcapaciteit welke wordt gesmoord met een regel- of smoorklep.

Er is een pomp van ten minste 4 kW aanwezig, die wordt aangedreven door een elektromotor van efficiencyklasse IE2 of hoger.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 4.100 draaiuren per jaar.

Natuurlijk moment: bij meer dan 3.000 draaiuren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Er is voldoende ruimte in de regelkast om de frequentieregelaar te kunnen plaatsen, óf de frequentieregelaar kan nabij de elektromotor worden geplaatst.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Aandrijvingen

Nummer maatregel

FC3

Toe te passen maatregel

Pas een frequentieregeling toe op compressoren van onder andere de koel-, vries- en persluchtinstallaties.

Door het toepassen van de frequentieregelaar wordt het toerental van de compressor optimaal ingeregeld, zodanig dat de compressor de gewenste druk en debiet kan leveren met een zo laag mogelijk opgenomen vermogen. Daarnaast kan bij veel toepassingen een eenvoudige druk- of temperatuurregeling worden ingesteld, waarbij de compressor altijd naar het optimale werkpunt wordt geregeld. Bij een installatie waarin meerdere compressoren parallel opereren moet alleen de compressor met het grootste regelvermogen van een frequentieregelaar worden voorzien.

Huidige situatie

Er is een compressor zonder frequentieregeling aanwezig, aangedreven door een elektromotor met een elektrisch vermogen van ten minste 8 kW. De efficiëntieklasse van de elektromotor is ten minste IE2.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 1.300 draaiuren per jaar.

Natuurlijk moment: bij meer dan 1.000 draaiuren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Er is voldoende ruimte in de regelkast om de frequentieregelaar te kunnen plaatsen, óf de frequentieregelaar kan nabij de elektromotor worden geplaatst.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Aandrijvingen

Nummer maatregel

FC4

Toe te passen maatregel

Vervang elektromotoren met efficiëntieklasse IE2 of lager door een motor met efficiëntieklasse IE4 of hoger.

Elektromotoren met een hogere efficiëntieklasse, zoals IE4 gebruiken minder elektriciteit dan elektromotoren met een lagere efficiëntieklasse. Door het vervangen van elektromotoren met efficiëntieklasse IE2 of lager door elektromotoren met efficïëntieklasse IE4 of hoger wordt energie bespaard.

Huidige situatie

Er zijn elektromotoren aanwezig met efficiëntieklasse IE2 of lager. Deze motoren zijn herkenbaar doordat er geen IE-klasse, klasse IE1 of IE2 op het typeplaatje van de motor staat.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: bij meer dan 1.000 draaiuren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het vermogen van de motoren is ten minste 0,75 kW.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Test en controleer regelmatig de lagers en de weerstand van de wikkelingen volgens leveranciersvoorschriften.

Onderwerp

Aandrijvingen

Nummer maatregel

FC5

Toe te passen maatregel

Vervang IE3-elektromotoren door efficiëntieklasse IE4 of hoger.

Elektromotoren met een hogere efficiëntieklasse, zoals IE4 gebruiken minder elektriciteit dan elektromotoren met een lagere efficiëntieklasse. Door het vervangen van IE3-elektromotoren door IE4-elektromotoren of hoger wordt energie bespaard.

Huidige situatie

Er zijn elektromotoren aanwezig met efficiëntieklasse IE3. Deze motoren zijn herkenbaar doordat er IE3 op het typeplaatje van de motor staat.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: bij meer dan 1.900 draaiuren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het vermogen van de motoren is meer dan 0,75 kW.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Test en controleer regelmatig de lagers en de weerstand van de wikkelingen volgens leveranciersvoorschriften.

Categorie : Productkoeling

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD5

Toe te passen maatregel

Isoleer koel- en vriesleidingen.

Door het aanbrengen van isolatie om koel- en vriesleidingen wordt koudeverlies naar de omgeving beperkt. Hierdoor zal het energiegebruik van de koelinstallatie afnemen. Gebruik vanwege condensvorming FEF (flexibel elastomeric foam) of een ander isolatiemateriaal met een structuur van gesloten cellen, een hoge dampdiffusieweerstand en een laag warmtegeleidingsvermogen.

Huidige situatie

De gekoelde koel- of vriesleidingen zijn niet of onvoldoende geïsoleerd. Het gaat hierbij om de leidingen van de koelmachine naar het afgiftesysteem.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de staat van de isolatie en herstel het materiaal bij eventuele schade.

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD6

Toe te passen maatregel

Koppel de verdamperventilator aan de vriesceldeur.

Door het koppelen van de verdamperventilator aan de vriesceldeur gaat deze uit op het moment dat de deur wordt geopend. Dit voorkomt onnodig koudeverlies bij het openen van de deur. Bovendien vindt minder ijsvorming plaats op de verdamper.

Huidige situatie

Er is een vriescel aanwezig, waarbij de verdamperventilator en de vriesceldeur niet zijn gekoppeld, waardoor de verdamperventilator blijft draaien als de deur wordt geopend.

De deur is niet voorzien van lamellen of een snelsluitdeur.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De grenswaarden voor de maximale temperatuur van de producten in de vriescel moeten gewaarborgd kunnen blijven.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD7

Toe te passen maatregel

Isoleer de wanden van koelcellen om warmte buiten te houden.

Door het isoleren van de koelcelwanden wordt koudeverlies naar de omgeving voorkomen en de temperatuur in een koelcel behouden. Pas isolatiemateriaal toe met een Rd-waarde van ten minste 6 m2K/W. Hierdoor daalt het elektriciteitsgebruik van de koelinstallatie.

Huidige situatie

Er is een niet of onvoldoende geïsoleerde koelcel aanwezig. De isolatiedikte is ten hoogste 15 mm (Rd-waarde is 0,5 m2K/W of lager).

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de isolatie op beschadigingen en vochtproblemen volgens de leveranciersvoorschriften.

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD8

Toe te passen maatregel

Regel de verdamperventilatoren van koelcellen op basis van meerdere temperatuursensoren.

In de koelcellen draait continu een ventilator bij de verdamper om temperatuurverschillen in de koelcel te voorkomen. Door de verdamperventilator te regelen op basis van meerdere temperatuursensoren kan energie worden bespaard.

Huidige situatie

Er is een koelcel aanwezig, waarbij de verdamperventilator niet wordt geregeld op basis van meerdere temperatuursensoren.

De verdamperventilator is voorzien van een frequentieregelaar.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: De koelcel is meer dan 4.800 uur per jaar in gebruik.

Technische randvoorwaarden

De oppervlakte van de koelcel is ten minste 100 m2.

In de koelcel wordt geen groenten en/of fruit opgeslagen, vanwege gevaar van ethyleenophoping.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD9

Toe te passen maatregel

Pas een frequentieregelaar toe om het circulatievoud te regelen bij gekoelde opslag van groente, fruit of andere plantaardige producten (levend product).

Het circulatievoud van de lucht is het aantal malen per uur dat een ruimte-inhoud wordt doorspoeld met geconditioneerde lucht uit een luchtbehandelingsinstallatie. Tijdens de bewaarperiode is het niet nodig de volledige ventilatiecapaciteit van de koeling te benutten. Door te sturen op de ethyleenconcentratie kan het ventilatievoud worden geoptimaliseerd door middel van frequentieregeling van de ventilatoren.

Huidige situatie

Er is een koelcel aanwezig voor de opslag van groente, fruit of andere plantaardige producten, waarbij het ventilatievoud niet wordt geregeld.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 4.500 draaiuren van de circulatieventilatoren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De circulatieventilatoren zijn geschikt voor frequentieregeling.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD10

Toe te passen maatregel

Scheid de luchttoevoer naar de koelinstallatie van de warme lucht uit de koelinstallatie.

Wanneer een condensor binnen staat wordt de warmte van de condensor overgedragen aan de te koelen lucht. Door het plaatsen van een apart aanzuigkanaal vanuit de buitenlucht of een onverwarmde ruimte kan de te koelen lucht worden gescheiden van de warme afgegeven lucht van de condensor. Hierdoor verbruikt de koelinstallatie minder elektriciteit.

Huidige situatie

Er is een koelinstallatie aanwezig waarbij de luchttoevoer en de afgegeven warme lucht van de condensor in dezelfde ruimte terechtkomen, waardoor deze opwarmt.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De condensor staat binnen en de buitenlucht kan worden aangezogen met een aanzuigkanaal korter dan 5 m.

De maatregel is niet toepasbaar bij stekkerklare koelmeubels.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD11

Toe te passen maatregel

Pas een condensordrukregeling op buitenluchttemperatuur toe op de koelinstallatie.

Door het toepassen van een automatische condensordrukregeling op basis van de buitenluchttemperatuur, zal de condensortemperatuur op jaarbasis gemiddeld dalen. Hierdoor werkt de koelinstallatie efficiënter.

Huidige situatie

Er is een koelinstallatie met een vermogen van ten minste 20 kWth aanwezig, die is voorzien van een elektronisch expansieventiel en die werkt met een vaste condensordruk gedurende het gehele jaar.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De bestaande software kan worden aangepast met een variabel condensorsetpoint.

De regelkast van de koelinstallatie is bereikbaar en geschikt voor de toevoeging van een buitentemperatuursensor.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD12

Toe te passen maatregel

Gebruik de restwarmte van de condensors van de koelinstallatie.

Door middel van een extra warmtewisselaar in het persgascircuit kan de restwarmte uit de condensors nuttig worden gebruikt.

Huidige situatie

Er is een koelinstallatie aanwezig waarbij de warmte van de condensors niet nuttig wordt gebruikt.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: De beschikbare warmte kan ten minste 1.700 uur per jaar nuttig worden ingezet.

Technische randvoorwaarden

Er is ten minste 50 kWth aan warmte van de condensor beschikbaar.

Het moet technisch mogelijk zijn om de warmte nuttig te gebruiken.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD13

Toe te passen maatregel

Pas dagafdekking toe bij semi-verticale koelmeubels.

Door het toepassen van dagafdekking bij een semi-verticaal koelmeubel vindt er minder koudeverlies plaats vanuit het meubel naar de ruimte. Dit vermindert het energiegebruik voor koeling en het energiegebruik voor ruimteverwarming.

Huidige situatie

Er zijn semi-verticale koelmeubels aanwezig zonder dagafdekking.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Het semi-verticale koelmeubel moet geschikt zijn voor het plaatsen van dagafdekking.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD14

Toe te passen maatregel

Plaats LED-armaturen in gekoelde cellen.

Door het vervangen van TL verlichting in gekoelde ruimten door LED-armaturen wordt het vermogen van de verlichting beperkt. Naast de beperking van het elektrische vermogen wordt ook de warmtelast verlaagd waardoor er minder koeling nodig is.

Huidige situatie

In de gekoelde cellen zijn armaturen met langwerpige fluorescentielampen (TL8 of TL5) aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak regelmatig de verlichtingsarmaturen schoon.

Onderwerp

Productkoeling

Nummer maatregel

FD15

Toe te passen maatregel

Pas heetgasontdooiing toe op de vriesinstallatie.

Om een goede koeling mogelijk te maken dient ijsvorming voorkomen te worden. Door het toepassen van heetgasontdooiing bij plaatsing van een nieuwe vriesinstallatie kan energie bespaard worden.

Huidige situatie

Er is een vriesinstallatie aanwezig waarbij een regeling voor ontdooiing ontbreekt.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de werking van de heetgasontdooiing. Er mag in principe geen ijsaangroei op de verdamper zichtbaar zijn.

Categorie : Grootkeukenapparatuur

Onderwerp

Grootkeukenapparatuur

Nummer maatregel

FE1

Toe te passen maatregel

Vervang de infrarood-salamander door een salamander met automatische pan/bord detectie.

Door het vervangen van de infrarood-salamander door een salamander met pan/bord detectie kan worden voorkomen dat deze onnodig aanstaat wanneer deze niet in gebruik is.

Huidige situatie

Er zijn één of meer infrarood-salamanders aanwezig waarbij een aan/uit- of tijdschakelaar ontbreekt.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 1.700 gebruiksuren van de salamander per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Grootkeukenapparatuur

Nummer maatregel

FE2

Toe te passen maatregel

Pas hot-fill toe bij bestaande vaatwasapparatuur in grootkeukens.

Door het toepassen van warmwater uit een bestaande warmwateraansluiting in vaatwasapparatuur (hot-fill) wordt warm water gebruikt dat op een efficiëntere manier is geproduceerd. Dit is bijvoorbeeld het geval als het water is opgewarmd met een warmtepomp, een zonneboiler en/of restwarmte.

Huidige situatie

Er is een horeca vaatwasser aanwezig die is aangesloten op een koudwaterleiding.

Het warme tapwater wordt op een efficiënte manier opgewekt zoals bijvoorbeeld met restwarmte van de koeling, een zonneboiler of een warmtepomp.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 400 gebruiksuren van de vaatwasser per jaar.

Technische randvoorwaarden

De warmwaterleiding ligt nabij de vaatwasser.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Grootkeukenapparatuur

Nummer maatregel

FE3

Toe te passen maatregel

Pas een dubbelwandige vaatwasser toe in grootkeukens.

Door het toepassen van een energiezuinige dubbelwandige horecavaatwasser vindt minder warmteverlies plaats door de wanden van de vaatwasser. Daardoor wordt energie bespaard.

Huidige situatie

Er is een enkelwandige horeca vaatwasser aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: bij meer dan 400 gebruiksuren van de vaatwasser per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Grootkeukenapparatuur

Nummer maatregel

FE4

Toe te passen maatregel

Pas een laagdebiet afzuigkap toe bij grootkeukens.

In een laagdebiet afzuigkap zijn luchttoevoercompartimenten aangebracht voor het inblazen van lucht aan de onder- en/of binnenzijde van de luifelranden. Dit leidt tot betere afvangprestaties dan bij een conventionele afzuigkap, waardoor de afzuigkap met een lager debiet kan werken. Dat zorgt voor energiebesparing.

Huidige situatie

Er is een conventionele afzuigkap aanwezig zonder extra luchttoevoercompartimenten.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: bij meer dan 3.200 draaiuren van de afzuigkap per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig de afzuigkap volgens het interval zoals aangegeven in de leveranciersvoorschriften.

Onderwerp

Grootkeukenapparatuur

Nummer maatregel

FE6

Toe te passen maatregel

Pas een elektrische combisteamer toe in plaats van een gasgestookte variant.

Door het toepassen van een elektrische combisteamer in plaats van een gasgestookte combisteamer kan op aardgas worden bespaard.

Huidige situatie

Er is een gasgestookte combisteamer aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De bestaande elektriciteitsaansluiting heeft voldoende capaciteit en er is voldoende transportcapaciteit beschikbaar op het elektriciteitsnet.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Categorie : Terreinverlichting

Onderwerp

Terreinverlichting

Nummer maatregel

FG1

Toe te passen maatregel

Plaats een tijdklok samen met een daglichtregeling als de verlichting op vaste tijden moet branden terwijl het donker is.

Door het gebruik van een tijdklok samen met een daglichtregeling staan lampen die op vaste uren moeten branden niet onnodig aan.

Huidige situatie

De buitenverlichting heeft geen tijdklok en/of geen daglichtregeling op plaatsen waar de verlichting op vaste uren moet branden terwijl het donker is.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing bij verlichting die om veligheidsredenen de gehele nacht aan moet blijven.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak regelmatig de sensoren van de verlichtingsregeling schoon en controleer jaarlijks de instellingen van de tijdklok.

Onderwerp

Terreinverlichting

Nummer maatregel

FG2

Toe te passen maatregel

Plaats een bewegingssensor op plaatsen waar de lampen niet altijd aan hoeven te zijn.

Door het plaatsen van een bewegingssensor op plaatsen waar de terreinverlichting alleen aan hoeft te zijn als er mensen aanwezig zijn, staan lampen niet onnodig aan.

Huidige situatie

Er zijn lampen zonder een bewegingssensor aanwezig op plaatsen waar alleen verlichting nodig is als er mensen aanwezig zijn.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 3.100 onnodige branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing bij verlichting die om veligheidsredenen de gehele nacht aan moet blijven.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak regelmatig de sensoren van de verlichtingsregeling schoon.

Onderwerp

Terreinverlichting

Nummer maatregel

FG4

Toe te passen maatregel

Vervang op een lichtmast de armaturen met spaarlampen of gasontladingslampen door LED-armaturen.

Door op een lichtmast armaturen met spaarlampen of gasontladingslampen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt. De lichtmast blijft behouden.

Huidige situatie

Er zijn lichtmasten met armaturen met spaarlampen of gasontladingslampen (kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI) aanwezig, waarbij het armatuur kan worden vervangen zonder de mast te vervangen.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Het LED-armatuur kan worden toegepast op de bestaande lichtmast.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Terreinverlichting

Nummer maatregel

FG5

Toe te passen maatregel

Vervang bij terreinverlichting zonder mast de armaturen met gasontladingslampen door LED-armaturen.

Door bij terreinverlichting, die niet op een mast staat, het armatuur met gasontladingslampen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er is terreinverlichting die niet op een mast staat aanwezig met armaturen met een van de volgende gasontladingslampen: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Categorie : Serverruimte

Onderwerp

Serverruimte

Nummer maatregel

FI1

Toe te passen maatregel

Pas virtualisatie en consolidatie toe bij servers.

Door middel van virtualisatie en consolidatie (het intern of extern samenvoegen van werklast) wordt het aantal in gebruik zijnde servers teruggebracht.

Huidige situatie

Er zijn meerdere fysieke servers aanwezig met een totaal opgesteld vermogen ten minste 5 kW, waarbij de beschikbare verwerkingscapaciteit groter is dan de actuele behoefte aan verwerkingscapaciteit.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De door de virtualisatie en consolidatie gereduceerde servercapaciteit is voldoende om pieken in de vraag naar capaciteit op te vangen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Serverruimte

Nummer maatregel

FI2

Toe te passen maatregel

Stel geautomatiseerd energiebeheer in op servers

Door het instellen van geautomatiseerd energiebeheer (power management) past de server zijn energiegebruik aan op de actuele vraag naar verwerkingscapaciteit. Het afstemmen kan door het instellen van een passend dynamisch power management profiel (balanced mode). De instellingen op het niveau van de hardware (BIOS) en het operating system moeten zodanig zijn dat de server alle mogelijkheden voor het aanpassen van het energiegebruik kan benutten.

Huidige situatie

Er is een serverruimte aanwezig met een opgesteld vermogen aan ICT-apparatuur van ten minste 5 kW. Er is sprake van een gemiddelde CPU-belasting van minder dan 80%.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De op de server geplaatste applicaties zijn niet zodanig vertragingsgevoelig dat vertragingen van enkele microseconden problematisch zijn.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Serverruimte

Nummer maatregel

FI3

Toe te passen maatregel

Neem een laagbelaste Uninterrupted Power Supply (UPS) uit bedrijf.

Door de belasting van UPS-en (Batterijen) te optimaliseren kan een maximale conversie efficiëntie worden bereikt. Door het uit bedrijf nemen van laagbelaste UPS-en (<30%) en/of het gebruik van modulaire UPS-en kan de belasting van de UPS-en zodanig worden verhoogd dat een conversie efficiëntie van tenminste 96% wordt bereikt.

Huidige situatie

Er is een serverruimte aanwezig met een opgesteld vermogen aan ICT-apparatuur van ten minste 5 kW en deze is aangesloten op meerdere UPS-en. Ten minste één UPS wordt gemiddeld minder dan 30% belast.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Er zijn voldoende UPS-en actief om de nagestreefde redundantie in de serverruimte te waarborgen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Monitor en registreer (automatisch) de UPS-efficiëntie en de geleverde vermogens en analyseer de uitkomsten.

Onderwerp

Serverruimte

Nummer maatregel

FI4

Toe te passen maatregel

Pas een buitenluchtklep toe voor koeling van de serverruimte.

Bij kleine serverruimtes die grenzen aan de buitenlucht kan een geautomatiseerde buitenluchtklep een effectieve maatregel zijn. Door het toepassen van een buitenluchtklep met sensoren voor luchtvochtigheid en temperatuur kan worden gekoeld met buitenlucht en kan de inzet van de koelinstallatie worden verminderd.

Huidige situatie

Er is een compressiekoelinstallatie aanwezig voor de koeling van de serverruimte.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De serverruimte grenst met ten minste één zijde aan een buitengevel om een gestuurde buitenluchtklep te kunnen installeren.

De aangezogen buitenlucht bevat geen stoffen die voor vervuiling of schade aan de installaties kan zorgen. Indien aangezogen lucht voor de installatie schadelijke stoffen bevat moet er een filterinstallatie geplaatst kunnen worden.

Het opgestelde vermogen in de serverruimte is ten minste 5 kW.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de vocht- en temperatuursensoren van de buitenluchtklep volgens leveranciersvoorschriften en reinig deze indien nodig.

Onderwerp

Serverruimte

Nummer maatregel

FI5

Toe te passen maatregel

Pas een energiezuinige koelinstallatie toe voor de koeling van serverruimten.

Vervang bestaande directe expansie koelinstallaties door nieuwe efficiëntere koelinstallaties. Door lagere condensatietemperaturen in tussenseizoen en winter verbetert de efficiëntie substantieel en wordt energie bespaard.

Huidige situatie

Er is een serverruimte aanwezig met een opgesteld vermogen aan ICT-apparatuur van ten minste 5 kW. Voor het koelen van deze ruimte wordt gebruik gemaakt van een koelinstallatie met directe expansiekoeling.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De COP (Coefficient of performance) van de huidige koelinstallatie is 3,5 of lager.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Serverruimte

Nummer maatregel

FI6

Toe te passen maatregel

Breng een scheiding aan tussen de koude aanvoerlucht en de warme afvoerlucht in de datazaal.

Door het aanbrengen van gangafdekking, deuren en blindplaten worden koude en warme compartimenten gecreëerd. Dat voorkomt vermenging van koude aanvoerlucht waarmee de apparatuur wordt gekoeld, en de warme lucht die naar buiten wordt afgevoerd. Hierdoor neemt de efficiëntie van de koeling toe.

Huidige situatie

Er vindt vermenging plaats van aan- en afvoerlucht in de serverruimte.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de afdichting van de compartimenten en de plaatsing van de blindplaten.

Categorie : Zonnepanelen

Onderwerp

Zonnepanelen

Nummer maatregel

FK1

Toe te passen maatregel

Plaats zonnepanelen op het dak.

Door de plaatsing van zonnepanelen wordt duurzame elektriciteit opgewekt. Daarmee wordt bespaard op de inkoop van elektriciteit via het elektriciteitsnet.

Huidige situatie

Er is een grootverbruikaansluiting voor elektriciteit (meer dan 3x80 A).

Er is ten minste 2.000 m2 aan geschikt dakoppervlak beschikbaar voor het plaatsen van minimaal 300 kWp aan zonnepanelen.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Het dak heeft voldoende vrije draagkracht voor de plaatsing van zonnepanelen en bijbehorende ballast.

De bestaande elektriciteitsaansluiting heeft voldoende capaciteit en er is voldoende transportcapaciteit beschikbaar op het elektriciteitsnet.

Het dak hoeft de komende 10 jaar niet te worden gerenoveerd.

De verzekeraar gaat akkoord met plaatsen van de zonnepanelen zonder dat dit tot een significante prijsstijging van de verzekeringspremie leidt.

Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast.

Bij een installatie van 300 kWp kan alle opgewekte energie direct in het gebouw worden gebruikt.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak de zonnepanelen jaarlijks schoon.

Controleer regelmatig of de verwachte productie gehaald wordt of laat dit monitoren.

Onderdeel 2 : Processen

Categorie : Drogen

Onderwerp

Drogen

Nummer maatregel

PB1

Toe te passen maatregel

Pas vermogensregeling toe op de ventilatietoevoer naar de droogkamer.

Door het toepassen van toerenregeling of andere vermogensregeling op de ventilatietoevoer naar de droogkamer kan het ventileren worden beperkt. Hierdoor neemt het energiegebruik van de ventilatie af.

Huidige situatie

Er is een droogkamer aanwezig, waarbij een toerenregeling of andere vermogensregeling ontbreekt op de ventilatietoevoer naar de droogkamer.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 2.500 bedrijfsuren van de droogkamer per jaar.

Technische randvoorwaarden

De ventilatoren zijn geschikt voor toepassing van een vermogensregeling.

De bestaande besturing beschikt over een analoge uitgang.

In de bestaande regelkast is voldoende ruimte voor het plaatsen van een frequentieregelaar.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Drogen

Nummer maatregel

PB2

Toe te passen maatregel

Pas een vochtsensor inclusief regeling toe in de uittredelucht van droogprocessen.

Door toepassing van een vochtsensor, inclusief regeling op basis van het vochtgehalte van de uittredelucht, kan het recirculatiedebiet van de drooglucht worden verhoogd. Dat zorgt voor energiebesparing door de vermindering van verse luchttoevoer op lage temperatuur.

Door toepassing van de vochtsensor kan tot 95% van de uittredelucht worden gerecycled.

Huidige situatie

Er is een droogproces aanwezig zonder vochtsensor en bijbehorende regeling voor het recirculeren van drooglucht.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 2.000 gebruiksuren van het droogproces per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het thermisch vermogen van de luchtverhitter is ten minste 50 kWth.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Categorie : Procesapparatuur

Onderwerp

Procesapparatuur

Nummer maatregel

PD1

Toe te passen maatregel

Optimaliseer de procesparameters van procesapparatuur.

Bepaal de optimale procesparameters zoals opwarmtijd, koeltijd, draaiuren, druk en temperatuur van de procesapparatuur en regel deze in, zodat er minimaal energiegebruik is met een gelijkblijvende productkwaliteit.

Huidige situatie

Er is procesapparatuur met een vermogen van ten minste 100 kW aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 3.800 gebruiksuren van de procespparatuur per jaar.

Technische randvoorwaarden

De apparatuur is al voorzien van aansturingssoftware met energiemonitoringsfunctionaliteit, maar deze is nog niet ingeregeld.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Procesapparatuur

Nummer maatregel

PD4

Toe te passen maatregel

Pas een hoogfrequente HR-lader toe voor het opladen van tractiebatterijen.

Door de toepassing van een hoogfrequente HR-lader voor het opladen van tractiebatterijen neemt de efficiëntie van het oplaadproces fors toe. Tractiebatterijen worden gebruikt in voertuigen voor intern transport zoals vorkheftrucks.

Huidige situatie

Er is een lader voor tractiebatterijen aanwezig die niet als hoogfrequente HR-lader is uitgevoerd.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 400 laadcycli per jaar.

Technische randvoorwaarden

De huidige accu's zijn geschikt voor hoogfrequent laden.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Procesapparatuur

Nummer maatregel

PD9

Toe te passen maatregel

Vervang aanwezige verlichting op of nabij procesapparatuur door LED-verlichting.

Door het vervangen van TL-buizen (TL8), spaar-, halogeen- of gasontladingslampen door LED-lampen wordt het energiegebruik van de verlichting beperkt.

Huidige situatie

Er is verlichting aanwezig op of nabij procesapparatuur die niet is voorzien van LED-lampen.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 1.300 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De bestaande lampen zijn eenvoudig bereikbaar en kunnen één-op-één worden vervangen door LED-lampen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Categorie : Proceswarmte

Onderwerp

Proceswarmte

Nummer maatregel

PE2

Toe te passen maatregel

Isoleer warme productleidingen en appendages.

Door het aanbrengen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van minimaal 1,5 m2K/W om leidingen en appendages waarin warme producten worden verplaatst wordt het warmteverlies beperkt.

Huidige situatie

Er zijn warme productleidingen en appendages zonder isolatie aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De leidingen en appendages zijn goed bereikbaar.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de staat van de isolatie en herstel het materiaal bij eventuele schade.

Categorie : Glastuinbouw

Onderwerp

Glastuinbouw

Nummer maatregel

PT1

Toe te passen maatregel

Pas meerdere schakelgroepen toe bij de groeibelichting in de kas.

Het kan voorkomen dat niet alle delen van de kas volgens hetzelfde regime belicht hoeven te worden. Door toepassing van schakelgroepen wordt voorkomen dat in sommige delen van de kas de verlichting onnodig brandt.

Huidige situatie

Er zijn te grote schakelgroepen aanwezig, waardoor delen van de kas onnodig worden belicht.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: Als meer dan 10% van de verlichting gedurende ten minste 700 uur per jaar kan worden uitgeschakeld.

Technische randvoorwaarden

De route van de bekabeling in de kas moet geschikt zijn om meerdere schakelgroepen toe te passen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de instellingen per schakelgroep.

Onderwerp

Glastuinbouw

Nummer maatregel

PT2

Toe te passen maatregel

Pas een set van meerdere en specifieke sensoren toe in een kasafdeling voor een betere beheersing van het binnenklimaat.

Door de plaatsing van een mobiele set sensoren in een kasafdeling, kan met name de temperatuur, maar ook de lucht- en bodemvochtigheid of de bladtemperatuur gerichter gemeten worden. Hierdoor kunnen mankementen, die zich bijvoorbeeld uiten door plekken met mindere groei, eerder worden gesignaleerd en opgelost. De mobiele set wordt steeds op een andere plek in de kas geplaatst, waardoor één mobiele set volstaat.

Huidige situatie

Het klimaat in de kas wordt geregeld door slechts één of enkele temperatuurmetingen per klimaatafdeling.

Economische randvoorwaarden

Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij een gasgebruik van ten minste 12 m3 per m2 kasoppervlak per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het klimaat moet binnen de kasafdeling in meerdere groepen te regelen zijn.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak sensoren regelmatig schoon en controleer of ze goed aangesloten zijn.

Onderwerp

Glastuinbouw

Nummer maatregel

PT3

Toe te passen maatregel

Pas een frequentieregeling toe op de circulatiepompen van de CV-installatie van de kas.

Door het toepassen van een frequentieregelaar op de circulatiepomp(en) van het verwarmingssysteem van de kas, kan het debiet van de pomp(en) worden aangepast aan de warmtevraag. De pomp werkt efficiënter, doordat die optimaal worden ingeregeld. Het werkpunt van de pomp wordt zodanig gekozen dat de pomp zijn functie steeds goed kan vervullen met een zo laag mogelijk opgenomen vermogen. Een pompregeling op basis van de warmtevraag zorgt ervoor dat niet meer warmte naar de kas wordt toegevoerd dan nodig is.

Huidige situatie

Er is een gesmoorde en ongeregelde circulatiepomp aanwezig van ten minste 3 kW, die wordt aangedreven door een elektromotor van efficiëntieklasse IE2 of hoger.

De transportpompen van het verwarmingssysteem van de kas zijn niet voorzien van frequentieregeling.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 3.000 draaiuren van de pomp per jaar.

Technische randvoorwaarden

Er is voldoende ruimte in de regelkast om de frequentieregelaar te kunnen plaatsen of de frequentieregelaar kan nabij de pomp worden geplaatst.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de instellingen van de pompen en de werking van de temperatuursensoren in de kas.

Onderwerp

Glastuinbouw

Nummer maatregel

PT4

Toe te passen maatregel

Breng een horizontaal transparant beweegbaar energiescherm in de kas aan als tweede scherm.

Door het aanbrengen van een transparant tweede energiescherm wordt het warmteverlies via het kasdek beperkt en is er minder energie nodig om de kas warm te houden. Het scherm moet minimaal 90% luchtdicht zijn. Het energiescherm wordt gesloten als de temperatuur buiten lager is dan binnen en er geen zoninstraling is. Als er wel zoninstraling is, is het sluiten van het energiescherm afhankelijk van de teelt en sterkte van de zonstraling. Het scherm wordt geplaatst ter hoogte van het bovenkokerprofiel van de tralie of ter hoogte van het onderkokerprofiel van de tralie.

Huidige situatie

Er is een eerste niet-transparant energiescherm aanwezig in de kas.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij een gasgebruik van ten minste 18 m3 per m2 kasoppervlak per jaar.

Natuurlijk moment: bij een gasgebruik van ten minste 14 m3 per m2 kasoppervlak per jaar.

Technische randvoorwaarden

Er moet voldoende ruimte zijn in de kas op de bovenligger of de onderligger van de tralie, om een extra scherm te kunnen plaatsen.

De kopgevels van de kas moeten voldoende sterk zijn uitgevoerd, zodat deze de trekkracht van het extra scherm aankunnen.

De kas wordt verwarmd door middel van een verwarmingsketel.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Bij bovenmatig slijtage moet het doek worden vervangen.

Geef het scherm jaarlijks een onderhoudsbeurt.

Onderwerp

Glastuinbouw

Nummer maatregel

PT5

Toe te passen maatregel

Isoleer de verwarmingsleidingen en appendages op plekken waar warmte niet nodig is.

Door het toepassen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van ten minste 0,5 m2K/W om de verwarmingsleidingen en appendages wordt het warmteverlies beperkt op plekken in de kas waar warmte niet nodig is. In de kas gaat het onder andere om waar de transportleiding de kas binnenkomt, boven het middenpad en op plekken waar warmte zich ophoopt. Het betreft alleen bovengrondse leidingen.

Huidige situatie

Er ontbreekt isolatie om de verwarmingsleidingen en appendages op plekken waar geen warmte nodig is.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De kas wordt vewarmd door middel van een verwarmingsketel.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig het isolatiemateriaal rond leidingen en appendages en zorg dat dit goed bevestigd is.

Herstel het materiaal bij eventuele schade.

Onderwerp

Glastuinbouw

Nummer maatregel

PT6

Toe te passen maatregel

Vervang bij de groeibelichting SON-T armaturen door LED-armaturen.

LED-lampen hebben een hogere lichtopbrengst per Watt dan SON-T lampen. Het energiegebruik van LED-lampen is daardoor lager dan van SON-T lampen bij een gelijk aantal branduren. Bovendien hebben LED-lampen een langere leversduur dan SON-T lampen. Bij vervanging door LED moet het hele armatuur worden vervangen, het is niet mogelijk alleen de SON-T lamp te vervangen door een LED-lamp.

Huidige situatie

Er worden in de kas SON-T armaturen toegepast als groeibelichting.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: bij ten minste 2.000 belichtingsuren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De teelt moet qua lichtspectrum en warmtebalans in de kas geschikt zijn voor de toepassing van LED-groeibelichting.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Glastuinbouw

Nummer maatregel

PT7

Toe te passen maatregel

Vervang circulatieventilatoren van klasse IE2 of lager door gelijkstroom circulatieventilatoren.

In de glastuinbouw wordt gebruik gemaakt van serieventilatoren om de temperatuur in de kas homogeen te krijgen. Dit zijn ventilatoren die zorgen voor een horizontale luchtstroom die luchtcirculatie door de gehele kas verzorgt. Door het gebruik van energiezuinige gelijkstroom circulatieventilatoren, neemt de efficiëntie van de ventilatie toe en wordt energie bespaard.

Huidige situatie

Er zijn in de kas ventilatoren van klasse IE2 of lager aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak de ventilatoren regelmatig schoon.

Laat regelmatig testen of de ventilatoren optimaal functioneren.

I

In bijlage XIV komt de tabel van maatregel GC4 te luiden:

Onderwerp

Ruimteverwarming

Nummer maatregel

GC4

Toe te passen maatregel

Isoleer de verwarmingsleidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes.

Door het toepassen van buisisolatie met een Rd-waarde van ten minste 0,5 m2K/W om de verwarmingsleidingen en appendages wordt het warmteverlies in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes, beperkt.

Huidige situatie

Er ontbreekt isolatie om verwarmingsleidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer jaarlijks het isolatiemateriaal rond leidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes. Zorg dat het isolatiemateriaal goed bevestigd is en herstel het materiaal bij eventuele schade.

J

Na bijlage XIV wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE XIVA BIJ ARTIKEL 5.29, TWEEDE LID, VAN DEZE REGELING (MAATREGELEN TER VERDUURZAMING VAN HET ENERGIEGEBRUIK MET BETREKKING TOT GEBOUWEN SPECIFIEK VOOR DE GLASTUINBOUWSECTOR)

Inhoudsopgave

Onderdeel Code

Categorie Code

Categorie Omschrijving (onderwerp)

G

A

Energiebeheersysteem

G

B

Isolatie van de schil

G

C

Ruimteverwarming

G

D

Ruimteventilatie

G

E

Warm tapwater

G

F

Binnenverlichting

G

G

Buitenverlichting

G

H

Zonnepanelen

G

K

Tuinbouwkassen

Onderdeel 3 : Gebouwen
Categorie : Energiebeheersysteem

Onderwerp

Energiebeheersysteem

Nummer maatregel

GA1

Toe te passen maatregel

Pas een automatisch energieregistratie- en bewakingssysteem (EBS) met rapportagefunctie toe, waarbij gas- en warmte- (per uur) en elektragebruik (per kwartier) van het gebouw wordt geregistreerd.

Voor het beheren van het gas-, elektriciteits- en warmtegebruik is een automatisch energieregistratie- en bewakingssysteem (EBS) met rapportagefunctie (voor inzicht in het energiegebruik per uur, dag, maand en jaar) een belangrijk middel. Door de geregistreerde data minimaal halfjaarlijks te controleren en instellingen zo nodig aan te passen, kan hiermee een optimale energiezuinige in- en afstelling van klimaatinstallaties worden geborgd.

Huidige situatie

Er is geen energieregistratie- en bewakingssysteem (EBS) met rapportagefunctie aanwezig, waarmee het gebruik van gas, warmte en elektriciteit wordt gemonitord.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Analyseer de gemonitorde data eenmaal aan het begin van het stookseizoen en eenmaal direct na het stookseizoen en stel de energiegebruikers zo optimaal mogelijk in.

Wijs iemand aan die verantwoordelijk is voor het optimaliseren van de instellingen van de energiegebruikers.

Categorie : Isolatie van de schil

Onderwerp

Isolatie van de schil

Nummer maatregel

GB3

Toe te passen maatregel

Pas een automatisch sluitmechanisme toe bij overheaddeuren.

Door het toepassen van een automatisch sluitmechanisme bij een overheaddeur sluit deze zodra iemand de deur is gepasseerd. Dit voorkomt warmteverlies, doordat de deur een kortere tijd openstaat.

Huidige situatie

Er is een overheaddeur aanwezig zonder automatisch sluitmechanisme die gemiddeld ten minste 1 uur per dag open staat.

De ruimte wordt matig verwarmd (ten minste 15 °C).

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels.

Stel de sensor goed in en zorg er daarbij voor dat de deur niet te snel (automatisch) open gaat.

Onderwerp

Isolatie van de schil

Nummer maatregel

GB4

Toe te passen maatregel

Isoleer platte daken (onder de dakbedekking).

Door het aanbrengen van isolatie met een Rd-waarde van ten minste 3,7 m2K/W op ongeïsoleerde daken wordt het warmteverlies in het stookseizoen beperkt. Breng de isolatie aan onder de dakbedekking en boven de dakconstructie (warm dak) op het moment dat de dakbedekking aan vervanging toe is. Doe dit zo nodig in combinatie met een dampremmende laag.

Huidige situatie

Er zijn ongeïsoleerde daken aanwezig in verwarmde gebouwen (18 °C of hoger).

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Isolatie van de schil

Nummer maatregel

GB5

Toe te passen maatregel

Vervang in bestaande kozijnen en ramen het enkelglas door HR++ glas.

Door in bestaande kozijnen en ramen het enkelglas door HR++-glas te vervangen wordt warmteverlies in het stookseizoen beperkt.

Huidige situatie

Er zijn kozijnen of ramen met enkelglas aanwezig in verwarmde gebouwen (ten minste 15 °C).

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

HR++-glas kan in het bestaande kozijn of raam worden geplaatst.

Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels.

Onderwerp

Isolatie van de schil

Nummer maatregel

GB7

Toe te passen maatregel

Gebruik opblaasbare luchtkussens bij een vrachtwagendocking.

Door een afsluitvoorziening met opblaasbare luchtkussens te plaatsen bij een docking voor vrachtwagens wordt het warmteverlies beperkt.

Huidige situatie

Er zijn dockings voor vrachtwagens aanwezig met of zonder flappen en zonder opblaasbare luchtkussens.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: De docking wordt gemiddeld genomen ten minste 4 uur per dag gebruikt voor laden en of lossen.

Technische randvoorwaarden

De ruimte wordt matig verwarmd (ten minste 15 °C) door middel van een verwarmingsketel.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels.

Onderwerp

Isolatie van de schil

Nummer maatregel

GB8

Toe te passen maatregel

Plaats een loopdeur in overheaddeuren.

Door het plaatsen van overheaddeuren met een loopdeur voor personen wordt warmteverlies voorkomen, omdat de gehele deur dan minder vaak open gaat.

Huidige situatie

Er is een overheaddeur in een matig verwarmde ruimte (ten minste 15 °C) aanwezig zonder aparte loopdeur of naastgelegen deur en deze wordt gebruikt voor personentoegang.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De ruimte wordt ten minste matig verwarmd (15 °C of hoger).

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels.

Categorie : Ruimteverwarming

Onderwerp

Ruimteverwarming

Nummer maatregel

GC1

Toe te passen maatregel

Pas een klokregeling toe en regel deze in.

Pas voor het centrale verwarmingssysteem een klokregeling of klokthermostaat toe en regel deze zo in dat de werkelijke gebruikstijden zo nauw mogelijk worden gevolgd. Dit voorkomt energiegebruik buiten bedrijfstijd.

Huidige situatie

Er is een verwarmingssysteem aanwezig waarbij automatische regeling voor verlaging van de temperatuur in de nacht, het weekend en/of de vakanties ontbreekt.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer jaarlijks de klokinstellingen van het verwarmingssysteem en zorg dat deze nauw aansluiten bij de werkelijke gebruikstijden van het gebouw. Regel naast de gebruikelijke openingstijden van het pand ook de vakanties in. Voor deze controle kan gebruik worden gemaakt van de data uit het energiebeheersysteem.

Onderwerp

Ruimteverwarming

Nummer maatregel

GC3

Toe te passen maatregel

Pas een weersafhankelijke regeling toe.

Gebruik voor de aanvoertemperatuur van het verwarmingswater een automatische regeling op basis van de buitentemperatuur. Hierdoor kan de warmte uit het rookgas teruggewonnen worden en krijgt de verwarmingsketel een hogere efficiëntie. Ook zijn de verliezen in het distributiesysteem kleiner.

Huidige situatie

Er is een verwarmingsketel aanwezig in een verwamd gebouw (ten minste 18 °C) en de aanvoertemperatuur van het verwarmingswater wordt niet geregeld op basis van de buitentemperatuur.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Bij een gecombineerd opweksysteem voor verwarming en warm tapwater is het technisch mogelijk om het tapwater in een aparte groep tot ten minste 65 °C te verwarmen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer jaarlijks de instelling van de stooklijn.

Onderwerp

Ruimteverwarming

Nummer maatregel

GC4

Toe te passen maatregel

Isoleer de verwarmingsleidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes.

Door het toepassen van buisisolatie met een Rd-waarde van ten minste 0,5 m2K/W om de verwarmingsleidingen en appendages wordt het warmteverlies in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes, beperkt.

Huidige situatie

Er ontbreekt isolatie om verwarmingsleidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer jaarlijks het isolatiemateriaal rond leidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes. Zorg dat het isolatiemateriaal goed bevestigd is en herstel het materiaal bij eventuele schade.

Onderwerp

Ruimteverwarming

Nummer maatregel

GC5

Toe te passen maatregel

Isoleer ventilatiekanalen in onverwarmde ruimtes.

Door het toepassen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van ten minste 0,7 m2K/W om de ventilatiekanalen wordt het warmteverlies in onverwarmde ruimtes beperkt.

Huidige situatie

Er zijn ongeïsoleerde ventilatiekanalen in onverwarmde ruimtes (ten hoogste 14 °C in het stookseizoen) aanwezig. De ventilatiekanalen zijn aangesloten op een luchtbehandelingskast.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer jaarlijks het isolatiemateriaal rond de ventilatiekanalen, zorg dat het goed bevestigd is en herstel het materiaal bij eventuele schade.

Onderwerp

Ruimteverwarming

Nummer maatregel

GC6

Toe te passen maatregel

Pas een individuele regeling van de temperatuur per ruimte toe.

Door per ruimte een individuele (na)regeling van de temperatuur met een thermostatische radiatorkraan of andere temperatuurregeling toe te passen, hoeft deze niet onnodig te worden verwarmd.

Huidige situatie

Er zijn radiatoren of convectoren aanwezig in een verwarmde ruimte, maar de temperatuur van de ruimte is niet apart (na) te regelen met een lokale regeling of thermostatische radiatorkranen.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de instellingen van de individuele regeling en/of de stand van de themostatisch radiatorkranen.

Onderwerp

Ruimteverwarming

Nummer maatregel

GC7

Toe te passen maatregel

Pas frequentiegeregelde circulatiepompen toe.

Door toepassing van frequentiegeregelde circulatiepompen in het verwarmingssysteem kan het debiet worden aangepast aan de warmtevraag, waardoor de pomp efficienter werkt. Pas de frequentiegeregelde pompen toe op zowel bij de hoofdcirculatiepomp als bij de groepenpompen.

Huidige situatie

Er is een centraal verwarmingssysteem aanwezig waarbij de pompen niet zijn voorzien van een frequentieregeling.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Het verwarmingssysteem laat een variabel debiet toe.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer de instellingen van pompen en controleer of het afgiftesysteem nog goed werkt.

Categorie : Ruimteventilatie

Onderwerp

Ruimteventilatie

Nummer maatregel

GD1

Toe te passen maatregel

Pas een klokregeling toe op het ventilatiesysteem.

Door het ventilatiesysteem van een gebouw te voorzien van een klokregeling kan deze buiten bedrijfstijden uit of naar een veel lager debiet worden gezet. Er geldt hier een dubbel besparingseffect. De ventilatoren maken minder draaiuren en doordat er minder luchtverversing is, verdwijnt er ook minder verwarmde, gekoelde en/of bevochtigde lucht uit het gebouw. In de zomerperiode kan de klokregeling worden benut om juist in de nachturen met koele buitenlucht te ventileren, waardoor overdag minder koeling nodig is.

Huidige situatie

Er is een ventilatiesysteem aanwezig waarbij geen sturing op basis van ingestelde tijden wordt toegepast.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak filters, ventilatoren en luchtkanalen van het ventilatiesysteem regelmatig schoon.

Controleer jaarlijks de klokinstellingen van het ventilatiesysteem en zorg dat deze nauw aansluiten bij de werkelijke gebruikstijden van het gebouw.

Onderwerp

Ruimteventilatie

Nummer maatregel

GD2

Toe te passen maatregel

Pas warmteterugwinning toe op een ventilatiesysteem met mechanische toevoer en afvoer.

Door in een ventilatiesysteem met mechanische toevoer en afvoer warmteterugwinning met een twincoilsysteem toe te passen worden warmteverliezen door ventilatie beperkt. Er zijn verschillende systemen op de markt zoals een kruisstroomwisselaar, een warmtewiel of een twincoilsysteem. Welk systeem het beste kan worden toegepast is afhankelijk het aanwezige ventilatiesysteem en de beschikbare ruimte.

Huidige situatie

Er is een ventilatiesysteem met mechanische toevoer en afvoer aanwezig zonder warmteterugwinning.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Het twincoilsysteem is inpasbaar in de luchtbehandelingskast of de luchtkanalen.

Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast.

Het gebouw wordt verwarmd door middel van een verwarmingsketel.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak filters, ventilatoren en luchtkanalen van het ventilatiesysteem regelmatig schoon.

Onderwerp

Ruimteventilatie

Nummer maatregel

GD3

Toe te passen maatregel

Vervang ventilatoren van klasse IE1 door ventilatoren van klasse IE4 of hoger.

Door IE1-ventilatoren door ventilatoren van klasse IE4 of hoger te vervangen, neemt de efficiëntie van de ventilatie toe. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik.

Huidige situatie

Er is een ventilator met efficientieklasse IE1 of lager aanwezig. Deze motoren zijn herkenbaar doordat er geen IE-klasse of dat er klasse IE1 op het typeplaatje van de motor staat.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 3.700 draaiuren van de ventilator per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het vermogen van de ventilator is ten minste 5,5 kW.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak ventilatoren regelmatig schoon.

Onderwerp

Ruimteventilatie

Nummer maatregel

GD4

Toe te passen maatregel

Vervang indirect gedreven IE1-slakkenhuisventilatoren door direct gedreven ventilatoren.

Door in de luchtbehandelingskast (LBK) de ventilatorsectie met indirect gedreven IE1-slakkenhuisventilatoren te vervangen door een ventilatorsectie met direct gedreven ventilatoren (plugfans) neemt de efficiëntie van de ventilatoren toe. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik.

Huidige situatie

Er zijn in de LBK één of meerdere indirect gedreven slakkenhuisventilatoren met IE1-motor aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 2.900 draaiuren van de ventilator per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het vermogen van de ventilator is ten minste 5,5 kW.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak ventilatoren regelmatig schoon.

Onderwerp

Ruimteventilatie

Nummer maatregel

GD5

Toe te passen maatregel

Vervang indirect gedreven IE2-slakkenhuisventilatoren door direct gedreven ventilatoren.

Door in de luchtbehandelingskast (LBK) de ventilatorsectie met indirect gedreven IE2-slakkenhuisventilatoren te vervangen door een ventilatorsectie met direct gedreven ventilatoren (plugfans) wordt de efficiëntie van de ventilatoren verbeterd. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik.

Huidige situatie

Er zijn in de LBK één of meerdere indirect gedreven slakkenhuisventilatoren met IE2-motor aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 3.300 draaiuren van de ventilator per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het vermogen van de ventilator is ten minste 5,5 kW.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak ventilatoren regelmatig schoon.

Onderwerp

Ruimteventilatie

Nummer maatregel

GD6

Toe te passen maatregel

Vervang indirect gedreven IE3 slakkenhuisventilatoren door direct gedreven ventilatoren.

Door in de luchtbehandelingskast (LBK) de ventilatorsectie met indirect gedreven IE3-slakkenhuisventilatoren te vervangen door een ventilatorsectie met direct gedreven ventilatoren (plugfans) wordt de efficientie van de ventilatoren verbeterd. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik.

Huidige situatie

Er zijn in de LBK één of meerdere indirect gedreven slakkenhuisventilatoren met IE3-motor aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 3.600 draaiuren van de ventilator per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het vermogen van de ventilator is ten minste 5,5 kW.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak ventilatoren regelmatig schoon.

Onderwerp

Ruimteventilatie

Nummer maatregel

GD7

Toe te passen maatregel

Vervang ventilatoren van klasse IE2 of IE3 door ventilatoren van klasse IE4 of hoger.

Door IE2 of IE3-ventilatoren door ventilatoren van klasse IE4 of hoger te vervangen, neemt de efficiëntie van de ventilatie toe. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik.

Huidige situatie

Er is een ventilator met efficientieklasse IE2 of IE3 aanwezig. Deze motoren zijn herkenbaar doordat er er klasse IE2 of IE3 op het typeplaatje van de motor staat.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: bij meer dan 1.000 draaiuren van de ventilator per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak ventilatoren regelmatig schoon.

Categorie : Warm tapwater

Onderwerp

Warm tapwater

Nummer maatregel

GE1

Toe te passen maatregel

Isoleer warmwaterleidingen en appendages.

Met het aanbrengen van isolatie met een Rd-waarde van ten minste 0,5 m2K/W rondom de circulatieleidingen en appendages van het warme tapwater wordt warmteverlies tegengegaan.

Isoleer alleen de circulatieleidingen. De uittapleidingen van het tapwater mogen vanwege de kans op legionella niet worden geïsoleerd.

Huidige situatie

Er zijn ongeïsoleerde circulatieleidingen en appendages voor transport van warm tapwater aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

De leidingen zijn goed bereikbaar.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer jaarlijks het isolatiemateriaal rond leidingen en appendages en herstel deze bij eventuele schade.

Onderwerp

Warm tapwater

Nummer maatregel

GE2

Toe te passen maatregel

Gebruik waterbesparende douchekoppen.

Door in douches waterbesparende douchekoppen toe te passen wordt er minder warm tapwater gebruikt.

Huidige situatie

De douches hebben geen waterbesparende douchekop.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij een gemiddeld gebruik van meer dan 9 douchebeurten per week.

Technische randvoorwaarden

Door toepassing van de waterbesparende douchekop komt het tapdebiet bij systemen zonder voorraadvat niet onder de tapdrempel van het tapwatertoestel.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de instellingen van het warmtapwatersysteem en voer regelmatig onderhoud uit aan kranen, kleppen en warmtapwaterinstallaties.

Onderwerp

Warm tapwater

Nummer maatregel

GE3

Toe te passen maatregel

Vervang bij een indirect verwarmd voorraadvat de bestaande ketel door een HR-ketel.

Door in een warm tapwatersysteem met een indirect verwarmd voorraadvat een hoogrendementsketel (HR) toe te passen in plaats van een verbeterd rendementsketel of conventionele ketel wordt het warm tapwater energiezuiniger opgewekt.

Huidige situatie

Er is een hoge tapwatervraag voor onder meer douchen en dit warm tapwater wordt opgewekt met een verbeterd rendement (VR) of conventionele ketel en opgeslagen in een buffervat.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer regelmatig de instellingen van het warmtapwatersysteem en voer regelmatig onderhoud uit aan kranen, kleppen en warmtapwaterinstallaties.

Categorie : Binnenverlichting

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF1

Toe te passen maatregel

Pas een regeling toe op de verlichting, zodat deze buiten gebruikstijden niet onnodig brandt.

Door gebruik van een regeling wordt het onnodig branden van verlichting buiten gebruikstijden voorkomen. Er zijn diverse regelingen die hiervoor kunnen worden toegepast, zoals aanwezigheidsdetectie per ruimte, een tijdgestuurde veegschakeling, een centrale regeling met overwerktimers of een regelbord bij de ingang van het gebouw.

Huidige situatie

De verlichting brandt onnodig buiten gebruikstijden.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Controleer dagelijks bij het verlaten van het pand of alle verlichting die uit kan ook is uitgezet.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF2

Toe te passen maatregel

Vervang TL8-buizen door LED-buizen.

Door het vervangen van TL-buizen (TL8) in de armaturen door LED-buizen wordt het energiegebruik beperkt. Het wisselen van de buizen door LED-buizen met een vergelijkbare lichtopbrengst en lichtkleur is voldoende. Soms moet ook de starter worden vervangen.

Huidige situatie

Armaturen met TL8-buizen, met of zonder starter zijn aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 1.600 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De bestaande armaturen zijn geschikt voor toepassing van LED-buizen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF3

Toe te passen maatregel

Vervang TL5-fluorescentiebuizen door LED-buizen.

Door het vervangen van TL5-buizen in de armaturen door LED-buizen wordt het energiegebruik beperkt. Het wisselen van de buizen door LED-buizen met een vergelijkbare lichtopbrengst en lichtkleur is voldoende.

Huidige situatie

Er zijn armaturen met TL5-buizen aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 6.100 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De bestaande armaturen zijn geschikt voor de toepassing van LED-buizen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF4

Toe te passen maatregel

Vervang gloei-, halogeen- en spaarlampen door LED-lampen.

Door gloei-, halogeen- en spaarlampen in de bestaande armaturen te vervangen door LED-lampen wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Armaturen met gloei-, halogeen- of spaarlampen zijn aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 600 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De bestaande armaturen zijn geschikt voor LED-lampen, waardoor de lampen één-op-één vervangbaar zijn.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF5

Toe te passen maatregel

Vervang gasontladingslampen door LED-lampen.

Vervang gasontladingslampen in de armaturen door LED-lampen. Dit beperkt het energiegebruik.

Huidige situatie

Er zijn armaturen met één van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 1.000 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De bestaande armaturen zijn geschikt voor LED-lampen, waardoor de lampen één-op-één vervangbaar zijn.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF6

Toe te passen maatregel

Vervang montagebalken en lichtlijnen met TL8-buizen door LED-armaturen.

Door bij montagebalken en lichtlijnen de armaturen met TL8-buizen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn montagebalken of lichtlijnen met TL8-armaturen aanwezig. Dit kunnen zowel opbouwarmaturen als zwevende armaturen zijn.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 3.100 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF7

Toe te passen maatregel

Vervang plafondspots met spaarlampen door LED-spots.

Door plafondspots met spaarlampen (CFL of PL) te vervangen door spots met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn plafondspots met spaarlampen (CFL of PL) aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 3.300 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF8

Toe te passen maatregel

Vervang wandarmaturen met spaarlampen door LED-wandarmaturen.

Door wandarmaturen met spaarlampen te vervangen door LED-wandarmaturen wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn wandarmaturen met spaarlampen aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 3.600 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF9

Toe te passen maatregel

Vervang wandarmaturen met halogeenlampen door LED-wandarmaturen.

Door wandarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-wandarmaturen wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn wandarmaturen met halogeenlampen aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 1.100 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF10

Toe te passen maatregel

Vervang spots met halogeenlampen door LED-spots.

Door spots met halogeenlampen te vervangen door spots met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn spots met halogeenlampen aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 2.400 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF11

Toe te passen maatregel

Vervang railspots met halogeenlampen door LED-railspots.

Door railspotarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-railspots wordt het energiegebruik beperkt. De bestaande spanningsrail/contactrail blijft bewaard.

Huidige situatie

Er zijn railspotarmaturen met halogeenlampen op een spannings/contactrail aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 3.200 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De bestaande spanningsrail/contactrail is geschikt voor toepassing van de LED-railspots.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF12

Toe te passen maatregel

Vervang railspots met gasontladingslampen door LED-railspots.

Door railspots met gasontladingslampen te vervangen door LED-railspots wordt het energiegebruik beperkt. De bestaande spanningsrail/contactrail blijft bewaard.

Huidige situatie

Er zijn railspots met een van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij meer dan 5.200 branduren per jaar.

Natuurlijk moment: bij meer dan 2.000 branduren per jaar.

Technische randvoorwaarden

De bestaande spanningsrail/contactrail is geschikt voor toepassing van de LED-railspots.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF13

Toe te passen maatregel

Vervang pendelarmaturen en opbouwarmaturen met gasontladingslampen door LED-armaturen.

Door pendelarmaturen en opbouwarmaturen (‘high bay’) met gasontladingslampen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn pendelarmaturen en opbouwarmaturen met één van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF14

Toe te passen maatregel

Vervang ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen door LED-armaturen.

Door de ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen, met of zonder starter aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Binnenverlichting

Nummer maatregel

GF15

Toe te passen maatregel

Vervang vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen door LED-armaturen.

Door vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen te vervangen door vluchtwegsignaleringsarmaturen met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Categorie : Buitenverlichting

Onderwerp

Buitenverlichting

Nummer maatregel

GG1

Toe te passen maatregel

Vervang armaturen met TL8-buizen door LED-armaturen.

Door ingebouwde en opgebouwde armaturen met TL8-buizen (die niet op een mast zitten) te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik verlaagd.

Huidige situatie

Er zijn armaturen met TL8-buizen voor buitenverlichting aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Buitenverlichting

Nummer maatregel

GG2

Toe te passen maatregel

Vervang wandarmaturen met halogeenlampen door LED-armaturen.

Door wandarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-armaturen, wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn wandarmaturen met halogeenlampen voor buitenverlichting aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Buitenverlichting

Nummer maatregel

GG3

Toe te passen maatregel

Vervang wandarmaturen met spaarlampen door LED-armaturen.

Door wandarmaturen met spaarlampen te vervangen door LED-armaturen, wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn wandarmaturen met spaarlampen voor buitenverlichting aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Onderwerp

Buitenverlichting

Nummer maatregel

GG4

Toe te passen maatregel

Vervang armaturen met gasontladingslampen door LED-armaturen.

Door ingebouwde en opgebouwde armaturen (die niet op een mast zitten) met gasontladingslampen (Kwiklampenkwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI) door LED-armaturen te vervangen, wordt het energiegebruik beperkt.

Huidige situatie

Er zijn armaturen met gasontladingslampen (kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI) voor buitenverlichting aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen.

Categorie : Zonnepanelen

Onderwerp

Zonnepanelen

Nummer maatregel

GH1

Toe te passen maatregel

Plaats zonnepanelen op het dak.

Door de plaatsing van zonnepanelen wordt duurzame elektriciteit opgewekt. Daarmee wordt bespaard op de inkoop van elektriciteit via het elektriciteitsnet.

Huidige situatie

Er is ten minste 2.000 m2 aan geschikt dakoppervlak beschikbaar voor het plaatsen van minimaal 300 kWp aan zonnepanelen.

Er is sprake van een grootverbruikaansluiting voor elektriciteit (meer dan 3x80 A).

Economische randvoorwaarden

Niet van toepassing

Technische randvoorwaarden

Het dak heeft voldoende vrije draagkracht voor de plaatsing van zonnepanelen en bijbehorende ballast.

De bestaande elektriciteitsaansluiting heeft voldoende capaciteit en er is voldoende transportcapaciteit beschikbaar op het elektriciteitsnet.

Het dak hoeft de komende 10 jaar niet te worden gerenoveerd.

De verzekeraar gaat akkoord met plaatsen van de zonnepanelen zonder dat dit tot een significante prijsstijging van de verzekeringspremie leidt.

Bij een installatie van 300 kWp kan alle opgewekte energie direct in het gebouw worden gebruikt.

Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak de zonnepanelen jaarlijks schoon.

Controleer regelmatig of de verwachte productie gehaald wordt of laat dit monitoren.

Categorie : Tuinbouwkassen

Onderwerp

Tuinbouwkassen

Nummer maatregel

GK1

Toe te passen maatregel

Breng beweegbare gevelschermen aan, aan de binnenzijde van de lichtdoorlatende tuinbouwkas.

Door het aanbrengen van gevelschermen kan het warmteverlies via de gevel worden beperkt. Dit betreft transparante (niet verduisterende) doeken in kassen ter plaatse van de buitengevels. Het gevelscherm kan aan de gording opgehangen worden of met een twinrol aan de onderkant van de tralie. Het gevelscherm wordt gesloten als de temperatuur buiten lager is dan binnen en er geen zonstraling is. Als er wel zonstraling is, is het sluiten van het gevelscherm afhankelijk van de teelt en sterkte van de zonstraling.

Huidige situatie

De gevel is voorzien van enkellaags glas en er is geen gevelscherm aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij een gasgebruik van ten minste 21 m3 per m2 kasoppervlak per jaar.

Natuurlijk moment: bij een gasgebruik van ten minste 11 m3 per m2 kasoppervlak per jaar.

Technische randvoorwaarden

Er moet voldoende ruimte zijn om het scherm te plaatsen en de kasconstructie moet over voldoende draagkracht beschikken.

De kas wordt verwarmd door middel van een verwarmingsketel.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Geef het scherm jaarlijks een onderhoudsbeurt.

Maak het scherm jaarlijks schoon.

Onderwerp

Tuinbouwkassen

Nummer maatregel

GK2

Toe te passen maatregel

Vervang de kasgevel met enkel glas door een gevel met kanaalplaten.

Door enkel glas in de gevels te vervangen door kunststof kanaalplaten wordt warmteverlies via de kasgevels beperkt en is er minder energie nodig om de kas warm te houden. Indien er kunststof kanaalplaten worden geplaatst, zullen er mogelijk andere gevelprofielen nodig zijn.

Huidige situatie

De gevel is voorzien van enkellaags glas en er is geen gevelscherm aanwezig.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij een gasgebruik van ten minste 19 m3 per m2 kasoppervlak per jaar.

Natuurlijk moment: bij een gasgebruik van ten minste 11 m3 per m2 kasoppervlak per jaar.

Technische randvoorwaarden

Het lichtspectrum dat door de beplating wordt doorgelaten moet geschikt zijn voor de betreffende teelt.

De kasgevelconstructie moet voldoende draagkracht hebben voor de isolerende beplating.

De kas wordt verwarmd door middel van een verwarmingsketel.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Maak de gevelbeplating jaarlijks schoon.

Onderwerp

Tuinbouwkassen

Nummer maatregel

GK3

Toe te passen maatregel

Maak gebruik van een extern CO2-netwerk voor CO2-dosering in de kas.

Door aansluiting op een extern CO2-netwerk is het niet meer nodig om de ketel aan te zetten om CO2 te produceren. Het gaat hier om die momenten dat wél CO2 nodig is, maar geen warmte en deze warmte ook niet gebufferd kan worden. Doordat de ketel in die situaties niet hoeft te worden aangezet, wordt energie bespaard.

Huidige situatie

Er wordt geen gebruik gemaakt van een externe CO2-bron. De benodigde CO2 wordt opgewekt door verbranding van aardgas in een gasketel.

Economische randvoorwaarden

Zelfstandig moment: bij een gebruik van ten minste 6.500 kg CO2 uit de gasketel per jaar, op momenten dat de warmte niet nuttig kan worden ingezet.

Natuurlijk moment: bij een gebruik van ten minste 5.400 kg CO2 uit de gasketel per jaar, op momenten dat de warmte niet nuttig kan worden ingezet.

Technische randvoorwaarden

Er moet een CO2-netwerk zodanig in de buurt van het bedrijf gelegen zijn, dat het bedrijf tegen standaardtarief hierop kan aansluiten.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Ja

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Niet van toepassing

Onderwerp

Tuinbouwkassen

Nummer maatregel

GK4

Toe te passen maatregel

Installeer een tweede warmtewisselaar in het rookgaskanaal van de verwarmingsketel.

Door het installeren van een extra warmtewisselaar in het rookgaskanaal wordt er meer warmte benut uit dezelfde m3 gas. De warmtewisselaar zorgt ervoor dat energie wordt teruggewonnen door het verlagen van de temperatuur van de rookgassen. De teruggewonnen warmte wordt ingezet om de kas te verwarmen.

Huidige situatie

Er is nog geen tweede warmtewisselaar in het rookgaskanaal aanwezig.

De afgastemperatuur van de ketel is hoger dan 50 °C.

De CV-installatie is geschikt voor het inpassen van lage temperatuurwarmte uit de tweede warmtewisselaar.

Economische randvoorwaarden

Natuurlijk moment: bij een gasgebruik van de betreffende gasketel van ten minste 120.000 m3 per jaar.

Technische randvoorwaarden

Er moet voldoende ruimte in de technische ruimte aanwezig zijn om een tweede warmtewisselaar in het rookgaskanaal te plaatsen.

Direct uitvoerbaar

(zelfstandig moment)

Nee

Aspecten van doelmatig beheer

en onderhoud

Onderhoud de warmtewisselaar volgens de leveranciersvoorschriften.

Laat periodiek de warmtewisselaar controleren.

K

Bijlage XV komt te luiden:

BIJLAGE XV BIJ DE ARTIKELEN 4.14A, EERSTE LID, EN 5.30, EERSTE LID VAN DEZE REGELING (METHODEN VOOR DE BEPALING VAN DE TERUGVERDIENTIJD EN DE BEREKENING VAN DE EMISSIE VAN KOOLDIOXIDE VAN MAATREGELEN TER VERDUURZAMING VAN HET ENERGIEGEBRUIK)

1. Algemeen

In deze bijlage zijn de methoden voor de bepaling van de terugverdientijd en de berekening van de emissie van kooldioxide1 bij maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik opgenomen. De methodiek voor het berekenen van de terugverdientijd van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik is evenals de methode voor de berekening van de emissie van kooldioxide van toepassing op de verschillende maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. In de artikelen 4.14a, eerste lid en 5.30, eerste lid van de Omgevingsregeling is bepaald dat bij het bepalen van de terugverdientijd en de emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, gebruik wordt gemaakt van de methode in bijlage XV.

De terugverdientijd van een maatregel wordt berekend voor een logische eenheid, afhankelijk van het gebouw, het proces, de activiteit en de soort maatregel. Voorafgaand aan het berekenen van de terugverdientijd moet het kooldioxide-reducerend effect worden bepaald. De methode voor het bepalen van het kooldioxide-reducerend effect wordt beschreven in paragraaf 2, de methode voor het berekenen van de terugverdientijd in paragraaf 3. Bij milieubelastende activiteiten waarop in verband met de hoogte van het energiegebruik de verplichting van artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, kan bij het verrichten van het onderzoek ten aanzien van de onderdelen (meer)investering en de jaarlijkse kostenbesparing op verschillende onderdelen worden afgeweken van de standaardwaarden voor het bepalen van de terugverdientijd van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen.

2. Methode voor het bepalen van het CO2-reducerend effect

In een tweetal gevallen wordt ervan uitgegaan dat een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik altijd een CO2-reducerend effect heeft (of in ieder geval geen toename in CO2-emissie tot gevolg heeft) waardoor kan worden volstaan met het berekenen van de terugverdientijd. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende twee situaties:

  • bij een energiebesparende maatregel als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, tweede lid, onder a, van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

  • bij het overstappen van aardgas naar een warmtenettoepassing; dit betreft een maatregel voor het vervangen van een energiedrager als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, tweede lid, onder c, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

In situaties waarin niet op voorhand duidelijk is of er sprake is van een CO2-reducerend effect, wordt dit effect bepaald door de CO2-emissie, na het treffen van de overwogen maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik, te vergelijken met de CO2-emissie van de referentiesituatie. Als de CO2-emissie na het treffen van de maatregel lager zou zijn dan de CO2-emissie in de referentiesituatie, is er sprake van CO2-reductie. Zie voor de uitleg van de referentiesituatie paragraaf 3, bij het onderdeel (meer)investering.

2.1 Het bepalen van het CO2-reducerend effect in standaardsituaties

Het CO2-reducerend effect wordt in standaardsituaties bepaald aan de hand van de volgende formule:

waarin:

R

De jaarlijkse CO2-reductie van de maatregel in kg CO2

Ei

De jaarlijkse energiebesparing op het gebruik van energiedrager i (in m3 aardgas of kWh elektriciteit of in GJ van een andere energiedrager)

EFi

De CO2-emissiefactor van energiedrager i (in kg CO2/m3 aardgas of kg CO2/kWh elektriciteit of kg CO2/GJ van een andere energiedrager)

De som loopt over alle energiedragers (i) die de milieubelastende activiteit verbruikt, zoals aardgas, elektriciteit en warmte.2

De te gebruiken CO2-emissiefactor is:

  • voor elektriciteit: de CBS-cijfers voor de CO2-emissiefactor zoals berekend volgens de integrale methode.3 Hierbij moet de emissiefactor worden gebruikt van het meest recente jaar waarover cijfers beschikbaar zijn.4

  • voor brandstoffen: de CO2-emissiefactor zoals opgenomen op de meest recente ‘Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2-emissiefactoren’ die jaarlijks wordt gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl).5

Voor brandstoffen die niet op de hierboven genoemde lijst staan en in het geval van warmte- en koudelevering kan de emissiefactor door de gebouweigenaar of degene die de activiteit verricht, worden bepaald en onderbouwd. Er wordt gekeken naar de CO2-emissiefactor van het jaar waarin de maatregel wordt getroffen en niet naar een toekomstige of gemiddelde CO2-emissiefactor over de levensduur van de maatregel. Het bevoegd gezag beoordeelt of deze CO2-emissiefactor voldoende onderbouwd en aannemelijk is.

Voor warmtelevering in de industrie kan wel rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de CO2-emissiefactor over de levensduur van de maatregel. Het bevoegd gezag beoordeelt of deze CO2-emissiefactor voldoende onderbouwd en aannemelijk is.

2.2 Het bepalen van het CO2-reducerend effect in niet-standaardsituaties

De standaardmethode voor het bepalen van het CO2-reducerend effect is in de volgende gevallen niet toepasbaar:

  • a. Bij het bepalen van het CO2-reducerend effect ten aanzien van procesemissies6 in de energie-intensieve industrie. Voor het bepalen van het CO2-reducerend effect moet in dat geval worden aangesloten bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (hierna: de Europese verordening monitoring en rapportage emissiehandel).7Het bevoegd gezag beoordeelt of het CO2-reducerend effect voldoende onderbouwd en aannemelijk is. Voor de effecten op de scope 2 emissies kan de standaardmethode worden gebruikt.8

  • b. Wanneer de CO2-emissiefactor voor elektriciteit niet representatief is voor de elektriciteit die wordt gebruikt of geproduceerd, zoals bij elektrische boilers die alleen worden gebruikt als er een overschot is aan hernieuwbare elektriciteit of in vergelijkbare situaties. In dergelijke gevallen kan het effect door de gebouweigenaar of degene die de activiteit verricht worden bepaald en onderbouwd. Het bevoegd gezag beoordeelt of het CO2-reducerend effect voldoende onderbouwd en aannemelijk is.

3. Formule terugverdientijd

Om de terugverdientijd van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik te bepalen, wordt gebruik gemaakt van de hierna beschreven methode, ook wel terugverdientijdmethodiek genoemd.

Uitzondering op standaardmethode

Wanneer artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, is het mogelijk om af te wijken van de onderdelen (meer)investering (I), de marginale energieprijs (Pi) en de marginale terugleververgoeding (Pti) zoals opgenomen in de standaardmethode voor het bepalen van de terugverdientijd van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen. Een uitwerking van deze uitzonderingen is opgenomen bij de verschillende onderdelen.

De standaardmethode voor het bepalen van de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik

De terugverdientijd van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik wordt berekend met de volgende formule:

Waarin:

TVT

De terugverdientijd in jaren

I

De (meer)investering in de maatregel in euro’s

F

De kosten voor de financiering van de (meer)investering in de maatregel in euro’s

B

De jaarlijkse kostenbesparing (baten) van de maatregel in euro’s

Bij het berekenen van de terugverdientijd wordt geen rekening gehouden met inflatie, verwachtingen over toekomstige prijsontwikkelingen of effecten op de te betalen vennootschapsbelasting.

De (meer)investering (I)

De (meer)investering (I) bestaat uit eenmalige kosten van het treffen van de maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik verminderd met eenmalige opbrengsten van de maatregel. Het gaat hierbij om kosten en opbrengsten ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie die ontstaat als de maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik niet wordt getroffen. Dat kan de huidige bestaande situatie zijn (met de installaties en gebouwmaatregelen zoals die in het gebouw of bij de milieubelastende activiteit aanwezig zijn) of een aannemelijk en beschikbaar alternatief als installaties moeten worden vervangen en de huidige versie niet meer beschikbaar is. Het bevoegd gezag beoordeelt of de uitgangspunten van de referentiesituatie voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn.

Als er meerdere deelinvesteringen gespreid over de tijd plaatsvinden, kunnen deze worden opgeteld om de totale (meer)investering te bepalen.

De volgende kosten kunnen worden betrokken bij de (meer)investering voor zover deze direct te koppelen zijn aan de te treffen maatregel:

  • eenmalige aansluitingskosten;

  • aanschafkosten;

  • bouw- en installatiekosten; en

  • sloop- en verwijderingskosten.

Bovenstaande kostenposten zijn limitatief.

Reeds bestaande kosten mogen niet worden toegekend aan de maatregel. De inkomsten uit de verkoop van bestaande installaties of apparatuur worden als opbrengsten meegenomen. De (meer)investering wordt exclusief btw bepaald. De kosteninschatting moet zodanig zijn gekwantificeerd dat het bevoegd gezag kan controleren of deze reëel is. Subsidies of fiscale voordelen kunnen in mindering worden gebracht op de kostenposten zoals hierboven opgenomen.

Uitzondering op standaardmethode

Wanneer artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, mogen in aanvulling op de limitatieve opsomming ook de volgende voorbereidings- en advieskosten, voor zover deze zien op het treffen van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen, worden betrokken bij de (meer)investering:

  • kosten voor het verrichten van haalbaarheidsstudies;

  • kosten voor detailontwerp;

  • materiaal- en montagekosten voor installatie;

  • kosten voor het testen van een maatregel; en

  • kosten voor het doen van een vergunningaanvraag als de vergunning noodzakelijk is om de maatregel te kunnen treffen.

Daarbij hoeft geen onderscheid te worden gemaakt tussen kosten die worden gemaakt voor inzet van eigen personeel of kosten voor inzet van externe adviseurs.

Deze kosten moeten zodanig zijn gekwantificeerd dat het bevoegd gezag kan controleren of deze reëel zijn. Deze kosten mogen ten hoogste 15% van de totale kosten direct verbonden aan het treffen van de maatregel exclusief voorbereidings- en advieskosten bedragen.

De jaarlijkse kostenbesparing (B)

De jaarlijkse kostenbesparing (B) wordt berekend met de volgende formule:

waarin:

B

De jaarlijkse kostenbesparing in euro’s

Ben

De jaarlijkse besparing op de energiekosten in euro’s door energiebesparing, brandstofsubstitutie of elektrificatie

Bhe

De jaarlijkse besparing op energiekosten in euro’s door hernieuwbare energieproductie

Bov

Het saldo van overige jaarlijks terugkerende baten en kosten in euro’s

De methode gaat uit van één waarde voor de jaarlijkse kostenbesparing. Als er aanleiding is om te verwachten dat de kostenbesparing niet in elk jaar gelijk is, kan worden uitgegaan van realistische gemiddeldes voor een periode van vijf jaar na het treffen van de maatregel.

De jaarlijkse besparing op de energiekosten in euro’s (Ben)

De jaarlijkse besparing op de energiekosten (Ben) wordt berekend met de volgende formule:

waarin:

Ben:

De jaarlijkse besparing op de energiekosten in euro’s

Ei:

De jaarlijkse energiebesparing op het gebruik van energiedrager i (in m3 aardgas of kWh elektriciteit of in GJ van een andere energiedrager)

Pi:

De marginale energieprijs van energiedrager i (in euro/m3 aardgas of euro/kWh elektriciteit of euro/GJ van een andere energiedrager)

De som loopt over alle energiedragers (i) die de milieubelastende activiteit verbruikt, zoals aardgas, elektriciteit en warmte.

Om de energiebesparing te bepalen wordt het energiegebruik na het treffen van de maatregel vergeleken met het energiegebruik in de referentiesituatie. Het bevoegd gezag beoordeelt of de uitgangspunten van de referentiesituatie voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn.

De marginale energieprijs van een energiedrager (Pi) is de prijs van de laatste eenheid energie (bijvoorbeeld m3 aardgas of kWh elektriciteit) die van het net wordt afgenomen. Bij het bepalen van de marginale energieprijs wordt alleen gekeken naar de gebruiksafhankelijke kosten. Het betreft de marginale energieprijs exclusief btw.Voor het vaststellen van de marginale energieprijs van aardgas of elektriciteit moet gebruik worden gemaakt van standaardwaarden, die afhankelijk zijn van de hoeveelheid energie die aan het net wordt onttrokken. Het gaat hierbij om het energiegebruik voordat de maatregel wordt getroffen. De standaardwaarden voor de marginale energieprijs bedragen voor:

  • a. aardgas, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:

    • niet hoger is dan 170.000 m3: € 1,16/m3;

    • hoger is dan 170.000 m3, maar niet hoger dan 1 miljoen m3: € 0,83/m3;

    • hoger is dan 1 miljoen m3, maar niet hoger dan 10 miljoen m3: € 0,72/m3;

    • hoger is dan 10 miljoen m3: € 0,62/m3.

  • b. elektriciteit, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:

    • niet hoger is dan 10.000 kWh: € 0,26/kWh;

    • hoger is dan 10.000 kWh, maar niet hoger dan 50.000 kWh: € 0,29/kWh;

    • hoger is dan 50.000 kWh, maar niet hoger dan 10 miljoen kWh: € 0,21/kWh;

    • hoger is dan 10 miljoen kWh: € 0,16/kWh.

  • c. warmte, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:

    • niet hoger is dan 4.830 GJ: € 41/GJ;

    • hoger is dan 4.830 GJ, maar niet hoger dan 28.409 GJ: € 29/GJ;

    • hoger is dan 28.409 GJ, maar niet hoger dan 284.091 GJ: € 25/GJ;

    • hoger dan 284.091 GJ: € 22/GJ.

Als andere energiedragers worden gebruikt dan aardgas, elektriciteit of warmte, of bij energiedragers die in het productieproces beschikbaar komen, kan voor die andere energiedragers een specifieke marginale energieprijs worden bepaald. Deze is opgebouwd uit alle gebruiksafhankelijke kosten.

Uitzondering op standaardmethode (Pi)

Wanneer artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, kan bij het verrichten van onderzoek, van de hiervoor vastgestelde marginale energieprijs van aardgas, elektriciteit of een andere energiedrager worden afgeweken bij het bepalen van de terugverdientijd van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen. Afwijken van de in de standaardmethode vastgestelde prijs is alleen toegestaan als de reden voor het afwijken en de opgevoerde energieprijs afdoende is onderbouwd.

De gebruikte energieprijs wordt als volgt onderbouwd:

  • met de marginale energieprijs uit het meest recente eigen energiecontract; of

  • wanneer er (ook) wordt ingekocht op de spotmarkt, kan de gebruikte energieprijs onderbouwd worden op basis van een gewogen gemiddelde van:

    • o de marginale energieprijs uit het meest recente eigen energiecontract; en

    • o een onderbouwde gemiddelde futureprijs. Deze bestaat uit de gemiddelde futureprijzen voor levering voor de komende vijf jaar (voor zover bekend), gemeten vanaf het jaar waarin het onderzoek moet worden verstrekt. Hierbij wordt het gemiddelde genomen van de gemiddelde futureprijzen voor levering van elke dag van de eerste maand van het jaar waarin het onderzoek moet worden ingediend.

De onderbouwing is ter beoordeling van het bevoegd gezag.

De jaarlijkse besparing op de energiekosten in euro’s door de productie van hernieuwbare energie (Bhe)

De jaarlijkse besparing op de energiekosten wordt bij een maatregel voor het produceren van hernieuwbare energie als volgt berekend:

Waarin:

Bhe

De jaarlijkse besparing op energiekosten in euro’s door de productie van hernieuwbare energie

Hi

De jaarlijkse hernieuwbare energieproductie van energiedrager i in m3 aardgas(equivalenten), kWh elektriciteit of GJ van een andere energiedrager

Aei

Het aandeel van de jaarlijkse hernieuwbare energieproductie dat voor eigen gebruik wordt ingezet

Pi

De marginale energieprijs van energiedrager i (in euro/m3 aardgasequivalenten, euro/kWh elektriciteit of euro/GJ van een andere energiedrager)

Pti

De marginale terugleververgoeding/ verkoopprijs van energiedrager i die wordt teruggeleverd/ verkocht (in euro/m3 aardgasequivalenten, euro/kWh elektriciteit of euro/GJ van een andere energiedrager)

De som loopt over alle energiedragers (i) die de milieubelastende activiteit verbruikt, zoals aardgas, elektriciteit en warmte.

Voor het vaststellen van de verwachte jaarlijkse energieproductie (Hi) voor elektriciteit afkomstig van zonne-energie wordt uitgegaan van 900 vollasturen per jaar, tenzij er een reden is om hiervan af te wijken.

Voor Aei geldt dat bij elektriciteit afkomstig van zonne-energie standaard afnameprofielen gelden om het aandeel van de jaarlijkse hernieuwbare energieproductie dat voor eigen gebruik wordt ingezet te bepalen.

Afnameprofiel

Standaardaandeel elektriciteit afkomstig van zonne-energie dat voor eigen gebruik wordt ingezet (Ae)

Milieubelastende activiteit die continu in bedrijf is

1,0

Milieubelastende activiteit die alleen tijdens kantooruren en op werkdagen in bedrijf is

0,7

Milieubelastende activiteit die is gesloten tijdens de zomerperiode

0,3

Als de milieubelastende activiteit een atypisch afnameprofiel heeft, kan Ae zelf worden vastgesteld, waarbij het aan het bevoegd gezag is om te beoordelen of dit voldoende onderbouwd en aannemelijk is. Onder een atypisch afnameprofiel wordt verstaan dat het aandeel eigen gebruik en het aandeel teruglevering niet overeenkomen met een van bovenstaande gebruiksprofielen. Zo kan het zijn dat een maatregel grotendeels leidt tot een toename van teruglevering omdat binnen de milieubelastende activiteit al een grote hoeveelheid hernieuwbare energie wordt geproduceerd.

Voor Pi gelden de standaardwaarden voor de marginale energieprijs, behoudens in de gevallen waarin daarop een uitzondering kan worden gemaakt. Voor het bepalen van de te gebruiken staffelprijs wordt gekeken naar de staffelprijs behorende bij de van het net afgenomen energie. Het gaat hierbij om het gebruik voordat de maatregel wordt getroffen.

Voor Pti geldt dat deze bestaat uit de verkoopprijs en/of de terugleververgoeding van energiedrager i. De prijs Pti die wordt ontvangen voor teruglevering van elektriciteit afkomstig van zonne-energie aan het net is gelijk aan de (vastgelegde) standaardwaarden voor de marginale energieprijs voor zover de teruglevering mag worden gesaldeerd. In het geval dat het wetsvoorstel houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag ter uitvoering van de afbouw van de salderingsregeling voor kleinverbruikers9 tot wet wordt verheven en in werking treedt, kan worden uitgegaan van het gemiddelde toegestane salderingspercentage in een periode van vijf jaar na het jaar van investeren.

Voor het deel dat niet mag worden gesaldeerd, wordt een vergoeding ontvangen. Deze bedraagt 80% van de leveringsprijs exclusief energiebelasting, Opslag Duurzame Energie (ODE), btw en netwerktarieven, zoals vastgelegd in onderstaande lijst die door de gebouweigenaar of degene die de milieubelastende activiteit verricht bij teruglevering moet worden gebruikt.

De vergoeding voor de ingevoede elektriciteit afkomstig van zonne-energie bedraagt, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:

  • niet hoger is dan 10.000 kWh: € 0,134 /kWh;

  • hoger is dan 10.000 kWh, maar niet hoger dan 50.000 kWh: € 0,132 /kWh;

  • hoger is dan 50.000 kWh, maar niet hoger dan 10 miljoen kWh: € 0,127 /kWh;

  • hoger is dan 10 miljoen kWh: € 0,127 /kWh.

Als de netbeheerder aangeeft dat niet kan worden teruggeleverd, bijvoorbeeld door middel van een transportindicatie, is de vergoeding € 0 /kWh.

Bij andere maatregelen voor de productie van hernieuwbare energie dan elektriciteit afkomstig van zonne-energie kunnen de jaarlijkse hernieuwbare energieproductie (Hi), het aandeel eigen gebruik (Aei) en de marginale terugleververgoeding/verkoopprijs (Pti) zelf worden vastgesteld, waarbij het aan het bevoegd gezag is om te beoordelen of dit voldoende onderbouwd en aannemelijk is.

Uitzondering op standaardmethode (Pti)

Wanneer artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, kan bij het bepalen van de terugverdientijd van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen van de hiervoor vastgestelde de standaardwaarde van de vergoeding voor ingevoede elektriciteit afkomstig van zonne-energie worden afgeweken. De onderbouwing is ter beoordeling van het bevoegd gezag.

Het saldo van overige jaarlijks terugkerende baten en kosten in euro’s (Bov)

Het saldo van de overige jaarlijks terugkerende baten en kosten (Bov) bestaat uit de kosten en baten anders dan de jaarlijkse besparing op de energiekosten (Ben), maar die wel direct door de maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik worden veroorzaakt. Het gaat hierbij om kosten en baten ten opzichte van de referentiesituatie. In situaties waarin de kosten en baten tijdens de levensduur van de maatregel niet constant zijn, kan worden uitgegaan van het jaarlijkse gemiddelde gedurende vijf jaar na het treffen van de maatregel.

Kosten en baten worden alleen betrokken als ze goed te kwantificeren zijn. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de opgevoerde kosten en baten voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn. Het gaat om de volgende limitatieve opsomming van categorieën van kosten en baten:

  • beheer- en onderhoudskosten (loon- en materiaalkosten voor het verrichten van onderhoud of het bedienen van technologie) die redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de maatregel;

  • afvalkosten;

  • grond- en hulpstofkosten;

  • kosten voor watergebruik;

  • productopbrengsten;

  • veranderingen in de periodieke netwerkkosten door wijziging van de aansluitcapaciteit als gevolg van de te treffen maatregel;

  • overige jaarlijks terugkerende subsidies of fiscale voordelen als deze worden ontvangen als gevolg van de te treffen maatregel;

  • vermeden CO2-kosten; en

  • extra of vermeden verzekeringskosten vanwege het treffen van de maatregel.

Vermeden CO2-kosten

De meegenomen CO2-gerelateerde kosten betreffen de kosten voor emissies binnen het Europese emissiehandelssysteem (hierna: EU ETS) en door de CO2-heffing. Hierbij geldt dat de vermeden CO2-kosten worden bepaald voor elk van de vijf jaren nadat de maatregel is getroffen. Bij het bepalen van de jaarlijkse kostenbesparing wordt uitgegaan van de gemiddelde jaarlijkse vermeden CO2-kosten gedurende deze vijf jaar. Zowel de CO2-heffing als de prijs van EU ETS-emissierechten (hierna: EU ETS-prijs) moet, wanneer van toepassing, worden betrokken.

Bij het bepalen van de vermeden CO2-kosten wordt uitgegaan van het aangekondigde tarief voor de CO2-heffing in de periode van vijf jaar nadat de maatregel is getroffen. Dit is het tarief zoals bedoeld in artikel 71p, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Voor het bepalen van de EU ETS-prijs wordt uitgegaan van de termijnkoers van het broeikasemissierecht, bedoeld in artikel 71p van de Wet belastingen op milieugrondslag. Er wordt gebruik gemaakt van de termijnkoers voor het actuele kalenderjaar.

De CO2-heffing is vormgegeven als een minimumprijs. Als de EU ETS-prijs lager is dan de minimumprijs, geldt het niveau van de CO2-heffing. Als de EU ETS-prijs hoger is dan de CO2-heffing, dan wordt de (hogere) EU ETS-prijs betaald. In veel gevallen kan daarom voor het bepalen van de vermeden CO2-kosten worden uitgegaan van de hoogste van de twee prijzen.

Eventuele baten verkregen door middel van een subsidie op grond van de subsidiemodule Indirecte emissiekosten ETS10 kunnen ook bij deze post (vermeden CO2-kosten) worden meegenomen, mits voldoende onderbouwd. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag.

De kosten voor de financiering van de (meer)investering in euro’s (F)

De kosten voor de financiering zijn er gedurende de jaren dat een lening nog niet is afgelost. Verondersteld wordt dat de financiering niet langer loopt dan de periode waarin de maatregel zich terugverdient. Het moment waarop de (meer)investering is afgelost, kan worden bepaald door I te delen door B. De kosten voor de financiering van de (meer)investering (F) zijn:

Waarin:

F

De kosten voor de financiering van de (meer)investering in euro’s

Kfin

De gemiddelde jaarlijkse kosten voor de financiering van de (meer)investering in euro’s

I

De (meer)investering in euro’s

B

De jaarlijkse kostenbesparing in euro’s

Gemiddeld over de looptijd van de financiering is het nog niet afgeloste kapitaal gelijk aan de helft van de (meer)investering. Er wordt jaarlijks rente betaald over het nog niet afgeloste kapitaal. Er wordt geen rekening gehouden met rente op rente. De gemiddelde jaarlijkse kosten voor de financiering van de (meer)investering zijn:

Waarin:

Kfin

De gemiddelde jaarlijkse kosten voor de financiering van de (meer)investering in euro’s

I

De (meer)investering in euro’s

L

Na bijlage XV wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE XVA BEHORENDE BIJ DE ARTIKELEN 4.14A, TWEEDE LID, EN 5.30, TWEEDE LID, VAN DEZE REGELING (METHODEN VOOR DE BEPALING VAN DE TERUGVERDIENTIJD EN DE BEREKENING VAN DE EMISSIE VAN KOOLDIOXIDE VAN MAATREGELEN TER VERDUURZAMING VAN HET ENERGIEGEBRUIK VOOR DE GLASTUINBOUWSECTOR)

1. Algemeen

In deze bijlage zijn de methoden voor de bepaling van de terugverdientijd en de berekening van de emissie van kooldioxide11 bij maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik specifiek gericht op de glastuinbouwsector opgenomen.

De methodiek voor het berekenen van de terugverdientijd van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik is evenals de methode voor de berekening van de emissie van kooldioxide van toepassing op de verschillende maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De methode voor de bepaling van de terugverdientijd, zoals opgenomen in deze bijlage, is specifiek van toepassing wanneer er sprake is van een activiteit zoals aangewezen in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving of zoals aangewezen in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.12 Dit is verduidelijkt in de artikelen 4.14a, tweede lid, en 5.30, tweede lid, van de Omgevingsregeling.

De terugverdientijd van een maatregel wordt berekend voor een logische eenheid, afhankelijk van het gebouw, het proces, de activiteit en de soort maatregel. Voorafgaand aan het berekenen van de terugverdientijd moet het kooldioxide-reducerend effect worden bepaald. De methode voor het bepalen van het kooldioxide-reducerend effect wordt beschreven in paragraaf 2, de methode voor het berekenen van de terugverdientijd in paragraaf 3. In het geval van milieubelastende activiteiten waarop in verband met de hoogte van het energiegebruik de verplichting van artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, kan bij het verrichten van het onderzoek ten aanzien van de onderdelen (meer)investering en de jaarlijkse kostenbesparing op verschillende onderdelen worden afgeweken van de standaardwaarden voor het bepalen van de terugverdientijd van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen.

2. Methode voor het bepalen van het CO2-reducerend effect

In een tweetal gevallen wordt ervan uitgegaan dat een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik altijd een CO2-reducerend effect heeft (of in ieder geval geen toename in CO2-emissie tot gevolg heeft) waardoor kan worden volstaan met het berekenen van de terugverdientijd. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende twee situaties:

  • bij een energiebesparende maatregel als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, tweede lid, onder a, van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

  • bij het overstappen van aardgas naar een warmtenettoepassing; dit betreft een maatregel voor het vervangen van een energiedrager als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, tweede lid, onder c, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

In situaties waarin niet op voorhand duidelijk is of er sprake is van een CO2-reducerend effect, wordt dit effect bepaald door de CO2-emissie, na het treffen van de overwogen maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik, te vergelijken met de CO2-emissie van de referentiesituatie. Als de CO2-emissie na het treffen van de maatregel lager zou zijn dan de CO2-emissie in de referentiesituatie, is er sprake van CO2-reductie. Zie voor de uitleg van de referentiesituatie paragraaf 3, bij het onderdeel (meer)investering.

2.1 Het bepalen van het CO2-reducerend effect in standaardsituaties

Het CO2-reducerend effect wordt in standaardsituaties bepaald aan de hand van de volgende formule:

waarin:

R

De jaarlijkse CO2-reductie van de maatregel in kg CO2

Ei

De jaarlijkse energiebesparing op het gebruik van energiedrager i (in m3 aardgas of kWh elektriciteit of in GJ van een andere energiedrager)

EFi

De CO2-emissiefactor van energiedrager i (in kg CO2/m3 aardgas of kg CO2/kWh elektriciteit of kg CO2/GJ van een andere energiedrager)

De som loopt over alle energiedragers (i) die de milieubelastende activiteit verbruikt, zoals aardgas, elektriciteit en warmte.13

De te gebruiken CO2-emissiefactor is:

  • voor elektriciteit: de CBS-cijfers voor de CO2-emissiefactor zoals berekend volgens de integrale methode.14 Hierbij moet de emissiefactor worden gebruikt van het meest recente jaar waarover cijfers beschikbaar zijn.15

  • voor brandstoffen: de CO2-emissiefactor zoals opgenomen op de meest recente ‘Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2-emissiefactoren’ die jaarlijks wordt gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl).16

Voor brandstoffen die niet op de hierboven genoemde lijst staan en in het geval van warmte- en koudelevering kan de emissiefactor door de gebouweigenaar of degene die de activiteit verricht, worden bepaald en onderbouwd. Er wordt gekeken naar de CO2-emissiefactor van het jaar waarin de maatregel wordt getroffen en niet naar een toekomstige of gemiddelde CO2-emissiefactor over de levensduur van de maatregel. Het bevoegd gezag beoordeelt of deze CO2-emissiefactor voldoende onderbouwd en aannemelijk is.

Voor warmtelevering in de industrie kan wel rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de CO2-emissiefactor over de levensduur van de maatregel. Het bevoegd gezag beoordeelt of deze CO2-emissiefactor voldoende onderbouwd en aannemelijk is.

2.2 Het bepalen van het CO2-reducerend effect in niet-standaardsituaties

De standaardmethode voor het bepalen van het CO2-reducerend effect is in de volgende gevallen niet toepasbaar:

  • a. Bij het bepalen van het CO2-reducerend effect ten aanzien van procesemissies17 in de energie-intensieve industrie. Voor het bepalen van het CO2-reducerend effect moet in dat geval worden aangesloten bij de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (hierna: de Europese verordening monitoring en rapportage emissiehandel)18. Het bevoegd gezag beoordeelt of het CO2-reducerend effect voldoende onderbouwd en aannemelijk is. Voor de effecten op de scope 2 emissies kan de standaardmethode worden gebruikt.19

  • b. Wanneer de CO2-emissiefactor voor elektriciteit niet representatief is voor de elektriciteit die wordt gebruikt of geproduceerd, zoals bij elektrische boilers die alleen worden gebruikt als er een overschot is aan hernieuwbare elektriciteit of in vergelijkbare situaties. In dergelijke gevallen kan het effect door de gebouweigenaar of degene die de activiteit verricht worden bepaald en onderbouwd. Het bevoegd gezag beoordeelt of het CO2-reducerend effect voldoende onderbouwd en aannemelijk is.

3. Formule terugverdientijd

Om de terugverdientijd van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik te bepalen, wordt gebruik gemaakt van de hierna beschreven methode, ook wel terugverdientijdmethodiek genoemd.

Uitzondering op standaardmethode

Wanneer artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, is het mogelijk om af te wijken van de onderdelen (meer)investering (I), de marginale energieprijs (Pi) en de marginale terugleververgoeding (Pti) zoals opgenomen in de standaardmethode voor het bepalen van de terugverdientijd van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen. Een uitwerking van deze uitzonderingen is opgenomen bij de verschillende onderdelen.

Uitzondering op standaardmethode in geval van een warmtekrachtkoppeling-installatie

In aanvulling op de hierboven genoemde mogelijke uitzonderingen op de standaardmethode kan, wanneer gebruik wordt gemaakt van een warmtekrachtkoppeling-installatie (hierna: WKK-installatie), rekening gehouden worden met deze WKK-installatie bij het bepalen van de jaarlijkse besparing op de energiekosten in euro’s (Ben). Wanneer in de gebruiksfunctie of de milieubelastende activiteit een WKK-installatie aanwezig is, kan de jaarlijkse besparing op de energiekosten als gevolg van het treffen van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik gedeeltelijk worden veroorzaakt door een besparing op de kosten voor warmte en elektriciteit uit de eigen WKK-installatie. De effecten van de WKK-installatie kunnen in dat geval worden betrokken bij het bepalen van de terugverdientijd zoals opgenomen in deze bijlage. Wanneer artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, is het mogelijk om onderbouwd af te wijken van de marginale energieprijs (Pi) van warmte en elektriciteit uit de WKK-installatie conform de ‘Uitzondering op standaardmethode’ hierboven. In de overige gevallen moet voor de marginale energieprijs van warmte en elektriciteit uit de WKK-installatie gebruik worden gemaakt van de methode en standaardwaarden zoals opgenomen in deze bijlage (onder ‘Uitzondering op de standaardmethode (Pi) voor de glastuinbouwsector waarbij gebruik wordt gemaakt van een WKK-installatie.’).

De standaardmethode voor het bepalen van de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik

De terugverdientijd van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik wordt berekend met de volgende formule:

Waarin:

TVT

De terugverdientijd in jaren

I

De (meer)investering in de maatregel in euro’s

F

De kosten voor de financiering van de (meer)investering in de maatregel in euro’s

B

De jaarlijkse kostenbesparing (baten) van de maatregel in euro’s

Bij het berekenen van de terugverdientijd wordt geen rekening gehouden met inflatie, verwachtingen over toekomstige prijsontwikkelingen of effecten op de te betalen vennootschapsbelasting.

De (meer)investering (I)

De (meer)investering (I) bestaat uit eenmalige kosten van het treffen van de maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik verminderd met eenmalige opbrengsten van de maatregel. Het gaat hierbij om kosten en opbrengsten ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie die ontstaat als de maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik niet wordt getroffen. Dat kan de huidige bestaande situatie zijn (met de installaties en gebouwmaatregelen zoals die in het gebouw of bij de milieubelastende activiteit aanwezig zijn) of een aannemelijk en beschikbaar alternatief als installaties moeten worden vervangen en de huidige versie niet meer beschikbaar is. Het bevoegd gezag beoordeelt of de uitgangspunten van de referentiesituatie voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn.

Als er meerdere deelinvesteringen gespreid over de tijd plaatsvinden, kunnen deze worden opgeteld om de totale (meer)investering te bepalen.

De volgende kosten kunnen worden betrokken bij de (meer)investering voor zover deze direct te koppelen zijn aan de te treffen maatregel:

  • eenmalige aansluitingskosten;

  • aanschafkosten;

  • bouw- en installatiekosten; en

  • sloop- en verwijderingskosten.

Bovenstaande kostenposten zijn limitatief.

Reeds bestaande kosten mogen niet worden toegekend aan de maatregel. De inkomsten uit de verkoop van bestaande installaties of apparatuur worden als opbrengsten meegenomen. De (meer)investering wordt exclusief btw bepaald. De kosteninschatting moet zodanig zijn gekwantificeerd dat het bevoegd gezag kan controleren of deze reëel is. Subsidies of fiscale voordelen kunnen in mindering worden gebracht op de kostenposten zoals hierboven opgenomen.

Uitzondering op standaardmethode

Wanneer artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, mogen in aanvulling op de limitatieve opsomming ook de volgende voorbereidings- en advieskosten, voor zover deze zien op het treffen van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen, worden betrokken bij de (meer)investering:

  • kosten voor het verrichten van haalbaarheidsstudies;

  • kosten voor detailontwerp;

  • materiaal- en montagekosten voor installatie;

  • kosten voor het testen van een maatregel; en

  • kosten voor het doen van een vergunningaanvraag als de vergunning noodzakelijk is om de maatregel te kunnen treffen.

Daarbij hoeft geen onderscheid te worden gemaakt tussen kosten die worden gemaakt voor inzet van eigen personeel of kosten voor inzet van externe adviseurs.

Deze kosten moeten zodanig zijn gekwantificeerd dat het bevoegd gezag kan controleren of deze reëel zijn. Deze kosten mogen ten hoogste 15% van de totale kosten direct verbonden aan het treffen van de maatregel exclusief voorbereidings- en advieskosten bedragen.

De jaarlijkse kostenbesparing (B)

De jaarlijkse kostenbesparing (B) wordt berekend met de volgende formule:

waarin:

B

De jaarlijkse kostenbesparing in euro’s

Ben

De jaarlijkse besparing op de energiekosten in euro’s door energiebesparing, brandstofsubstitutie of elektrificatie

Bhe

De jaarlijkse besparing op energiekosten in euro’s door hernieuwbare energieproductie

Bov

Het saldo van overige jaarlijks terugkerende baten en kosten in euro’s

De methode gaat uit van één waarde voor de jaarlijkse kostenbesparing. Als er aanleiding is om te verwachten dat de kostenbesparing niet in elk jaar gelijk is, kan worden uitgegaan van realistische gemiddeldes voor een periode van vijf jaar na het treffen van de maatregel.

De jaarlijkse besparing op de energiekosten in euro’s (Ben)

De jaarlijkse besparing op de energiekosten (Ben) wordt berekend met de volgende formule:

waarin:

Ben

De jaarlijkse besparing op de energiekosten in euro’s

Ei

De jaarlijkse energiebesparing op het gebruik van energiedrager i (in m3 aardgas of kWh elektriciteit of in GJ van een andere energiedrager)

Pi

De marginale energieprijs van energiedrager i (in euro/m3 aardgas of euro/kWh elektriciteit of euro/GJ van een andere energiedrager)

De som loopt over alle energiedragers (i) die de milieubelastende activiteit verbruikt, zoals aardgas, elektriciteit en warmte.

Om de energiebesparing te bepalen wordt het energiegebruik na het treffen van de maatregel vergeleken met het energiegebruik in de referentiesituatie. Het bevoegd gezag beoordeelt of de uitgangspunten van de referentiesituatie voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn.

De marginale energieprijs van een energiedrager (Pi) is de prijs van de laatste eenheid energie (bijvoorbeeld m3 aardgas of kWh elektriciteit) die van het net wordt afgenomen. Bij het bepalen van de marginale energieprijs wordt alleen gekeken naar de gebruiksafhankelijke kosten. Het betreft de marginale energieprijs exclusief btw. Voor het vaststellen van de marginale energieprijs van aardgas of elektriciteit moet gebruik worden gemaakt van standaardwaarden, die afhankelijk zijn van de hoeveelheid energie die aan het net wordt onttrokken. Het gaat hierbij om het energiegebruik voordat de maatregel wordt getroffen. De standaardwaarden voor de marginale energieprijs bedragen:

  • a. aardgas gebruikt in een ketel, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:

    • niet hoger is dan 170.000 m3: € 0,72/m3:

    • hoger is dan 170.000 m3, maar niet hoger dan 1 miljoen m3: € 0,68/m3;

    • hoger is dan 1 miljoen m3, maar niet hoger dan 10 miljoen m3: € 0,72/m3;

    • hoger is dan 10 miljoen m3: € 0,62/m3.

  • b. aardgas, gebruikt in een WKK-installatie als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:

    • niet hoger is dan 170.000 m3: € 0,63/m3;

    • hoger is dan 170.000 m3, maar niet hoger dan 1 miljoen m3: € 0,59/m3;

    • hoger is dan 1 miljoen m3, maar niet hoger dan 10 miljoen m3: € 0,57/m3;

    • hoger is dan 10 miljoen m3: € 0,57/m3.

  • c. elektriciteit uit het elektriciteitsnet, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:

    • niet hoger is dan 10.000 kWh: € 0,26/kWh;

    • hoger is dan 10.000 kWh, maar niet hoger dan 50.000 kWh: € 0,29/kWh;

    • hoger is dan 50.000 kWh, maar niet hoger dan 10 miljoen kWh: € 0,21/kWh;

    • hoger is dan 10 miljoen kWh: € 0,16/kWh.

  • d. warmte geleverd via een warmtenet, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:

    • niet hoger is dan 4.830 GJ: € 12,61/GJ;

    • hoger is dan 4.830 GJ, maar niet hoger dan 28.409 GJ: € 12,61/GJ;

    • hoger is dan 28.409 GJ, maar niet hoger dan 284.091 GJ: € 12,61/GJ.

    • hoger is dan 284.091 GJ: € 12,61/GJ.

Als andere energiedragers worden gebruikt dan aardgas, elektriciteit of warmte, of bij energiedragers die in het productieproces beschikbaar komen, kan voor die andere energiedragers een specifieke marginale energieprijs worden bepaald. Deze is opgebouwd uit alle gebruiksafhankelijke kosten.

Uitzondering op standaardmethode (Pi)

Wanneer artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, kan bij het verrichten van onderzoek, van de hiervoor vastgestelde marginale energieprijs van aardgas, elektriciteit of een andere energiedrager worden afgeweken bij het bepalen van de terugverdientijd van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gericht op de activiteiten en processen. Afwijken van de in de standaardmethode vastgestelde prijs is alleen toegestaan als de reden voor het afwijken en de opgevoerde energieprijs afdoende zijn onderbouwd.

De gebruikte energieprijs wordt als volgt onderbouwd:

  • met de marginale energieprijs uit het meest recente eigen energiecontract; of

  • wanneer er (ook) wordt ingekocht op de spotmarkt, kan de gebruikte energieprijs worden onderbouwd op basis van een gewogen gemiddelde van:

    • o de marginale energieprijs uit het meest recente eigen energiecontract; en

    • o een onderbouwde gemiddelde futureprijs. Deze bestaat uit de gemiddelde futureprijzen voor levering voor de komende vijf jaar (voor zover bekend), gemeten vanaf het jaar waarin het onderzoek moet worden verstrekt. Hierbij wordt het gemiddelde genomen van de gemiddelde futureprijzen voor levering van elke dag van de eerste maand van het jaar waarin het onderzoek moet worden ingediend.

De onderbouwing is ter beoordeling van het bevoegd gezag.

Uitzondering op standaardmethode (Pi) voor de glastuinbouwsector waarbij gebruik wordt gemaakt van een WKK-installatie

Wanneer bij een gebruiksfunctie of een milieubelastende activiteit binnen de glastuinbouwsector gebruik wordt gemaakt van een WKK-installatie, kan de jaarlijkse besparing op de energiekosten als gevolg van het treffen van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik gedeeltelijk worden veroorzaakt door een besparing op de kosten voor warmte en elektriciteit uit de eigen WKK-installatie. In dat geval kunnen de marginale energieprijzen van warmte en elektriciteit van de WKK-installatie worden betrokken bij het bepalen van de terugverdientijd van de te treffen maatregelen.

De marginale energieprijs (Pi) uit de formule voor de jaarlijkse besparing op de energiekosten (Ben) wordt, als ervoor wordt gekozen om geen rekening te houden met een WKK-installatie, als volgt bepaald:

  • o de standaardwaarde voor aardgas ‘aardgas gebruikt in een ketel’, onder a hierboven en voor elektriciteit ‘elektriciteit uit het elektriciteitsnet’, onder c hierboven; of

  • o wanneer er sprake is van een milieubelastende activiteit waarop artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt de marginale energieprijs bepaald zoals opgenomen onder ‘Uitzondering op standaardmethode (Pi)’ hierboven.

Als ervoor wordt gekozen om rekening te houden wordt met een WKK-installatie, wordt de marginale energieprijs (Pi) uit de formule voor de jaarlijkse besparing op de energiekosten (Ben) bepaald met de onderstaande formules voor warmte en elektriciteit.

Warmte

De marginale energieprijs (Pi) uit de formule voor de jaarlijkse besparing op de energiekosten (Ben) van het onderdeel warmte wordt dan als volgt berekend:

Pwarmte = (AWW × KWW) + (AWK × KWK)

Waarin:

Pwarmte

Marginale energieprijs voor warmte in euro/GJ wanneer sprake is van een WKK-installatie.

AWW

Aandeel warmte uit WKK-installatie (in %). Het specifieke deel van de warmtevraag dat wordt geproduceerd met een WKK-installatie. Hierbij wordt uitgegaan van het meest recente representatieve kalenderjaar.

KWW

Marginale energieprijs warmte uit WKK- installatie in euro/GJ. De marginale energieprijs van het deel van de warmte dat jaarlijks wordt geproduceerd met een WKK-installatie berekend met de formule voor de kosten per eenheid warmte:

Waarbij:

Aw= kosten voor aardgasinzet van de WKK-installatie in euro per jaar.

Deze waarde wordt bepaald door de marginale prijs van aardgas voor gebruik in de WKK-installatie en is gelijk aan de standaardwaarde ‘aardgas gebruikt in een WKK-installatie’ onder b hierboven. Van deze standaardwaarde kan onderbouwd worden afgeweken wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen onder ‘Uitzondering op standaardmethode (Pi)’ hierboven.

Ow = operationele onderhoudskosten van de WKK-installatie in euro’s per jaar.

Deze is gelijk aan € 10 /MWh elektriciteitsproductie.

Ew = waarde van productie van elektriciteit van de WKK in euro per jaar.

Deze is gelijk aan de standaardwaarde € 0,162 /kWh vermenigvuldigd met de elektriciteitsproductie in kWh per jaar van de WKK-installatie. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen elektriciteit uit de WKK-installatie die zelf wordt gebruikt en elektriciteit die wordt teruggeleverd aan het net. Er wordt verondersteld dat de waarde van elektriciteit uit de WKK-installatie die zelf wordt gebruikt gelijk is aan de waarde van de aan het net teruggeleverde elektriciteit. Van deze standaardwaarde kan onderbouwd worden afgeweken waarbij de onderbouwing hiervan ter beoordeling is aan het bevoegd gezag. Hierbij wordt uitgegaan van het meest recente representatieve kalenderjaar.

Ww = warmteproductie WKK-installaties in GJ per jaar.

Deze waarde wordt bepaald door het thermisch rendement van de WKK-installatie en is gelijk aan 0,48 maal de aardgasinzet.

AWK

Aandeel warmte uit ketel (in%). Het specifieke deel van de warmtevraag dat wordt geproduceerd met een ketel. Hierbij wordt uitgegaan van het meest recente representatieve kalenderjaar.

KWK

Marginale energieprijs warmte uit ketel in euro/GJ. De marginale energieprijs van warmte uit een ketel is gelijk aan de marginale kosten van aardgas voor gebruik in een ketel gedeeld door een rendement van 90%.

De marginale kosten van aardgas voor gebruik in een ketel:

• zijn gelijk aan de standaardwaarde ‘aardgas gebruikt in een ketel’ onder a hierboven; of

• kunnen zelf worden bepaald en onderbouwd zoals bedoeld onder ‘Uitzondering op standaardmethode (Pi)’, wanneer wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden.

Waarbij geldt:

Het aandeel warmte uit een WKK-installatie (AWW) en het aandeel warmte uit een ketel (AWK) moeten samen tot 100% optellen.

Voor het vaststellen van de marginale energieprijs warmte uit WKK-installatie (KWW) en de marginale energieprijs warmte uit ketel (KWK), kan gebruik worden gemaakt van standaardwaarden, die afhankelijk zijn van de hoogte van het gebruik. De standaardwaarden bedragen voor:

  • a. KWW; de marginale energieprijs van warmte uit WKK-installatie als het jaarlijks aardgasgebruik van de WKK-installatie:

    • niet hoger is dan 170.000 m3: € 5,40/GJ;

    • hoger is dan 170.000 m3, maar niet hoger dan 1.000.000 m3: € 2,77/GJ;

    • hoger is dan 1 miljoen m3, maar niet hoger dan 10 miljoen m3: € 1,45/GJ;

    • hoger is dan 10 miljoen m3: € 1,45/GJ.

  • b. KWK; de marginale energieprijs van warmte ui