Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2016
Nr. 71813

Gepubliceerd op 29 december 2016 09:00



Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 29 december 2016, nr. 2016-0000225960, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen

29 december 2016

Nr. 2016-0000225960

Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken/Directie Internationale Zaken en Verbruiksbelastingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende wat artikel 3.13, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft na overleg met de Minister van Economische Zaken;

Handelende wat de artikelen 3.13, eerste lid, onderdeel i, en 3.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu;

Handelende wat artikelen 25 en 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen betreft in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Wonen en Rijksdienst;

Handelende wat de artikelen 2:1 en 2:2 van het Algemeen douanebesluit betreft in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Handelende wat artikel 3:2 van het Algemeen douanebesluit betreft in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 1.7, 3.13, 3.20, 3.34, 3.104 en 3.133 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 17, 25, 31 en 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de artikelen 11, 12a, 13, 13bis, 25, 26, 28a en 31 van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 10 en 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965, artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting 1968, artikel 2:1 van de Algemene douanewet, artikel XVI van de Wet aanpassingen aan het Douanewetboek van de Unie, de artikelen 78 en 91 van de Wet op de accijns, artikel 10 van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de artikelen 60a, 63, 66 en 92 van de Wet belastingen op milieugrondslag, de artikelen 3a, 49a en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 7a, 25, 26, 67 en 70a van de Invorderingswet 1990, artikel 6.11 van de Belastingwet BES, artikel 1.1 van de Wet tegemoetkomingen loondomein, artikel 10 van de Registratiewet, de artikelen 2:1, 2:2 en 3:2 van het Algemeen douanebesluit en artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard;

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt, onder verlettering van de onderdelen h en i tot onderdelen i en j, na onderdeel g een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • h. de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies, voor zover betrekking hebbende op de subsidie natuur- en landschapsbeheer, bedoeld in artikel 2.2 van die verordening;.

2. In het tweede lid wordt ‘h en i’ vervangen door ‘i en j’ en wordt ‘b tot en met g’ vervangen door: b tot en met h.

B

Artikel 6a wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘(Stcrt. 2013, 34274 en Stcrt. 2015, 38163)’ vervangen door: (Stcrt. 2013, 34274, Stcrt. 2015, 38163, en Stcrt. 2016, 59758).

2. De onderdelen b, e, k en l vervallen onder verlettering van de onderdelen c, d, f tot en met j en m tot en met s tot onderdelen b tot en met o.

3. In onderdeel g (nieuw) wordt ‘(Stcrt. 2015, 38163)’ vervangen door: (Stcrt. 2015, 38163, en Stcrt. 2016, 59758).

4. In onderdeel h (nieuw) wordt ‘(Stcrt. 2015, 38163)’ vervangen door: (Stcrt. 2015, 38163, en Stcrt. 2016, 59758).

5. In onderdeel n (nieuw) wordt ‘(Stcrt. 2015, 38163)’ vervangen door: (Stcrt. 2015, 38163, en Stcrt. 2016, 59758).

6. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel o (nieuw) door een puntkomma worden vierentwintig onderdelen toegevoegd, luidende:

C

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘privé-gebruik’ vervangen door: privégebruik.

2. In de aanhef wordt ‘De rittenregistratie als bedoeld in artikel 3.20 van de wet’ vervangen door: De rittenregistratie, bedoeld in artikel 3.20 van de wet,.

3. In onderdeel c worden de onderdelen 10, 20, 30, 40 en 50 vernummerd tot onderdelen 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.

D

In artikel 17, vierde lid, onderdeel e, wordt ‘oudere werklozen’ vervangen door: oudere werklozen alsmede subsidies voor scholing als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep.

E

In artikel 17, vierde lid, onderdeel e, wordt ‘oudere werklozen alsmede subsidies voor scholing als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep’ vervangen door: oudere werklozen.

F

Artikel 18 komt te luiden:

Artikel 18 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen; voorwaarden arbeidsongeschiktheid

Van langdurige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.133, negende lid, onderdeel a, van de wet is sprake indien:

  • a. uit een recente verklaring van een arts blijkt dat de belastingplichtige door ziekte of gebreken op het moment waarop de verklaring is afgegeven niet in staat is volledig de werkzaamheden te verrichten waarmee vóór het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid het inkomen hoofdzakelijk werd verdiend en hiertoe vermoedelijk in de twaalf maanden na de afgifte van de verklaring ook niet in staat zal zijn, of

  • b. aannemelijk is dat de belastingplichtige periodieke uitkeringen van privaat- of publiekrechtelijke aard wegens arbeidsongeschiktheid ontvangt of gaat ontvangen.

ARTIKEL II

In de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 wordt in artikel 13, vierde lid, ‘artikel 3.20, vijfde lid, van de wet’ vervangen door: artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

ARTIKEL III

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘21a, 25, tweede lid, 31’ vervangen door: 21a.

B

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘€ 100’ vervangen door: € 500.

2. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt ‘uren genoten kinderopvang door’ vervangen door: uren kinderopvang van.

3. Het vijfde, onderdeel e, vervalt onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel d door een punt.

C

De artikelen 6, 7 en 8 vervallen.

D

Na artikel 9bis wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9ter. Overgangsrecht vermogenstoets restantbedrag persoonsgebonden budget

  • 1. Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet, artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget buiten toepassing ten aanzien van degene die aanspraak op huurtoeslag, onderscheidenlijk zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget, zou hebben indien bij de berekening van de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, geen rekening zou worden gehouden met het restant van een ontvangen persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ en paragraaf 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning zoals deze op 31 december 2014 luidden, dat betrekking heeft op een subsidieperiode in het jaar voorafgaand aan het berekeningsjaar, en de met dat restant samenhangende verplichtingen.

  • 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk 31 december 2018 gedaan.

ARTIKEL IV

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 wordt ‘35l, 35m en 39c, eerste lid,’ vervangen door ‘35l en 35m’. Voorts wordt ‘12’ vervangen door: 12, 12a.

B

In artikel 3.1, aanhef, wordt ‘artikel 3.2’ vervangen door: artikel 3.3a.

C

Artikel 3.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 3,25’ vervangen door: € 3,30.

2. In onderdeel b wordt ‘€ 5,45’ vervangen door: € 5,50.

D

In artikel 3.13, derde lid, wordt ‘artikel 13bis, twaalfde lid’ vervangen door: artikel 13bis, achtste lid.

E

Na artikel 3.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.6a Bepaling overschrijden de-minimisplafond bij gebruikelijkloonregeling

  • 1. De inhoudingsplichtige die voornemens is om artikel 12a, derde lid, van de wet toe te passen met betrekking tot een of meer werknemers in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient voor het desbetreffende kalenderjaar een de-minimisverklaring in met gebruikmaking van de hiervoor door de Minister van Economische Zaken beschikbaar gestelde voorziening en onder opvolging van de daarbij opgenomen aanwijzingen.

  • 2. De Minister van Economische Zaken meldt aan de inhoudingsplichtige die de de-minimisverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft ingediend of, uitgaande van de door de inhoudingsplichtige aangeleverde gegevens en van de formule, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, als gevolg van de in artikel 12a, derde lid, van de wet opgenomen afwijking van artikel 12a, eerste lid, van de wet, voor de onderneming, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, van de wet, het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, van de wet, wordt overschreden.

  • 3. Artikel 12a, derde lid, van de wet wordt door de inhoudingsplichtige, bedoeld in het eerste lid, pas toegepast nadat uit de melding, bedoeld in het derde lid, blijkt dat, uitgaande van de formule, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, de in artikel 12a, tweede lid, van de wet opgenomen afwijking van artikel 12a, eerste lid, van de wet voor de onderneming, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, van de wet, niet tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, van de wet, wordt overschreden.

  • 4. Indien de inhoudingsplichtige behoort tot een sector waarop Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PbEU 2013, L 352) of Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU 2014, L 190) van toepassing is, is artikel 12a, derde lid, van de wet slechts van toepassing indien, uitgaande van de overeenkomstige toepassing van de formule, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, de in artikel 12a, derde lid, van de wet opgenomen afwijking van artikel 12a, eerste lid, van de wet voor de onderneming, bedoeld in de van toepassing zijnde verordening, niet tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in die verordening, wordt overschreden.

F

In artikel 6.2, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘261/230’ vervangen door: 260/229.

G

In artikel 6.4 wordt ‘vierde lid’ vervangen door: derde lid.

H

In artikel 7.8, tweede lid, wordt ‘onderdelen b, d of e’ vervangen door: onderdelen b of d.

I

Aan artikel 8.1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. uitkeringen aan algemene bijstand als bedoeld in artikel 19 van de Participatiewet die eerst in de vorm van een renteloze geldlening zijn verstrekt en daarna zijn omgezet in een bedrag om niet.

ARTIKEL V

In de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte vervalt artikel 1a.3.

ARTIKEL VI

De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘de artikelen 4, tweede lid, 4c, vierde lid, 4e, 4f, 9 en 10’ vervangen door: de artikelen 4c, vierde lid, 4e, 4f, 9, eerste lid, 10, derde en zesde lid, en 10a, tweede lid en zesde lid, onderdeel b,.

B

Artikel 1a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid alsmede de aanduiding ‘2.’ voor het tweede lid vervallen.

2. In de tekst wordt ‘artikel 10, derde lid’ vervangen door: de artikelen 10, derde lid, en 10a, tweede lid.

C

Na artikel 1b worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 2

Als internationale organisaties als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 worden aangewezen:

  • a. United Nations Educational Scientific and Cultural Organization (UNESCO);

  • b. Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO);

  • c. United Nations Joint Staff Pension Fund;

  • d. United Nations University;

  • e. North Atlantic Treaty Organization (NATO);

  • f. Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD);

  • g. International Monetary Fund;

  • h. Council of Europe;

  • i. European Organisation for the Safety of Air Navigation (Eurocontrol);

  • j. European Bank for Reconstruction and Development;

  • k. European Investment Fund;

  • l. European Patent Organisation;

  • m. European University Institute;

  • n. European Central Bank;

  • o. European Investment Bank;

  • p. World Customs Organization;

  • q. World Health Organization;

  • r. World Trade Organization;

  • s. International Bank for Reconstruction and Development;

  • t. International Finance Corporation;

  • u. International Fund for Agricultural Development;

  • v. Inter-American Development Bank;

  • w. Asian Development Bank;

  • x. African Development Bank;

  • y. CERN Pension Fund;

  • z. Universal Postal Union.

Artikel 3

Voor de toepassing van artikel 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965:

  • a. worden voor het bepalen van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als voordeel uit sparen en beleggen indien de natuurlijke persoon woonachtig zou zijn in Nederland alle aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965 in aanmerking genomen en blijven overige bezittingen en schulden buiten beschouwing;

  • b. wordt bij natuurlijke personen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, voor zover dat niet reeds bij diezelfde natuurlijke persoon bij de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking is genomen;

  • c. worden voor het bepalen van de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn indien het lichaam gevestigd zou zijn in Nederland slechts kosten in aanmerking genomen die rechtstreeks verband houden met de inning van de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965.

ARTIKEL VII

De Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘28zb, vierde lid’ vervangen door ‘28zb, vierde lid, 29, tiende lid’. Voorts vervalt: 9, derde lid,.

B

Na artikel 31a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31b

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 29, tiende lid, van de wet, wordt door de ondernemer per aangiftetijdvak ingediend op de door de inspecteur aan te geven wijze.

ARTIKEL VIII

De Algemene douaneregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel h komt te luiden:

h. Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237:

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften inzake de vrijgave en de verbeurdverklaring van voor dergelijke certificaten gestelde zekerheden, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2535/2001, (EG) nr. 1342/2003, (EG) nr. 2336/2003, (EG) nr. 951/2006, (EG) nr. 341/2007 en (EG) nr. 382/2008 van de Commissie en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2390/98, (EG) nr. 1345/2005, (EG) nr. 376/2008 en (EG) nr. 507/2008 van de Commissie (PbEU 2016, L 206);.

2. Onderdeel u komt te luiden:

u. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239:

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 van de Commissie van 18 mei 2016 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten (Pb 2016, L 206);.

B

Artikel 1:7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘De directeur-generaal van het directoraat-generaal Uitvoering’ vervangen door: De algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

2. In het derde lid wordt ‘De directeur-generaal’ vervangen door: De algemeen directeur.

C

In artikel 1:9 wordt ‘De directeur-generaal van het directoraat-generaal Uitvoering’ vervangen door: De algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

D

Artikel 3:1 komt te luiden:

Artikel 3:1

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 5, eerste en derde lid, 6, eerste, tweede en vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 6, zevende lid, 9, eerste en derde lid, 12, vierde lid, 13, eerste en zesde lid, 14, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, en 15 eerste, vierde en zesde lid, onderdeel c, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239.

E

Artikel 3:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. de met afgifte van certificaten belaste autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, derde, vierde en vijfde lid, 7, tweede, derde en vierde lid, 10, tweede lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 2, zesde lid, 3, eerste en tweede lid, 4, eerste lid, 6, eerste, derde, vierde en zevende lid, 7, tweede lid, 9, tweede lid, 10, eerste en tweede lid, 11, 12, eerste en tweede lid, 13, tweede tot en met zesde lid, 14, vijfde, zesde en zevende lid, 15, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 16, tweede en derde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239;.

2. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. de autoriteit, bedoeld in de artikelen 8, onderdelen c en g, en 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 2, tweede, derde en vierde lid, 13, zevende lid, 16, eerste en tweede lid, 17, 20, eerste tot en met vierde lid, en 21, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239;.

F

De artikelen 3:4 tot en met 3:8 vervallen.

G

Artikel 3:13a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt ‘artikel 17, tweede lid, van verordening 507/2008’ vervangen door: artikel 9, derde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237.

2. In het vierde lid wordt ‘op een door de Minister van Economische Zaken vastgesteld formulier dat beschikbaar is op internetadres mijn.rvo.nl’ vervangen door: met behulp van een door de Minister van Economische Zaken ter beschikking gesteld middel.

H

Artikel 3:13b, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. overhandigt binnen 3 maanden na de termijn van 12 maanden, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237, verklaringen waaruit blijkt dat de ingevoerde partijen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 is afgegeven, voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 189, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 1308/2013 en artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237, en.

I

In artikel 3:13c wordt ‘artikel 17, tweede lid, derde alinea van verordening 507/2008’ vervangen door: artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237.

J

In artikel 3:13e, eerste lid, wordt ‘artikel 17, eerste lid, van verordening 507/2008’ vervangen door: artikel 9, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237.

K

In artikel 3:13f wordt ‘artikel 17 van verordening 507/2008’ vervangen door: artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237.

L

Artikel 3:16c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 14, tweede lid, van verordening 376/2008’ vervangen door: artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237.

2. In het derde lid, onderdeel a, wordt ‘verordening 376/2008’ vervangen door: Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237.

ARTIKEL IX

Voor de toepassing van artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften inzake de vrijgave en de verbeurdverklaring van voor dergelijke certificaten gestelde zekerheden, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2535/2001, (EG) nr. 1342/2003, (EG) nr. 2336/2003, (EG) nr. 951/2006, (EG) nr. 341/2007 en (EG) nr. 382/2008 van de Commissie en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2390/98, (EG) nr. 1345/2005, (EG) nr. 376/2008 en (EG) nr. 507/2008 van de Commissie (PbEU 2016, L 206) blijven de artikelen 1:2, 3:1, 3:2, 3:4 tot en met 3:8, 3:13a, eerste lid, 3:13b, 3:13c, 3:13e, 3:13f en 3:16c van de Algemene douaneregeling, zoals die artikelen luidden op 5 november 2016, van toepassing.

ARTIKEL X

De Uitvoeringsregeling accijns wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervalt ‘71b, vierde lid, 71c, vierde lid,’ en wordt ‘71h, achtste lid’ vervangen door: 71h, zevende lid.

B

Artikel 18, onderdeel e, vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel d door een punt.

C

De artikelen 35d, 35e en 47 vervallen.

D

In artikel 60, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet pleziervaartuigen’ vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van de Wet pleziervaartuigen 2016.

ARTIKEL XI

De Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, en artikel 6a, aanhef, wordt ‘9, elfde lid’ vervangen door: 9, dertiende lid.

B

In artikel 8, vijfde en zesde lid, en artikel 8d, eerste lid, wordt ‘artikel 9, eerste en tweede lid’ vervangen door: artikel 9, eerste tot en met derde lid.

ARTIKEL XII

De Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘60, vijfde lid’ vervangen door ‘60, vijfde lid, 60a, vierde lid’ en wordt ‘92, tweede lid’ vervangen door ‘92, zesde lid’. Voorts wordt ‘21c, zesde lid’ vervangen door: 21c, zesde lid, 21e, tweede lid.

B

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘2.’ geplaatst.

2. Voor het tweede lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Voor de toepassing van artikel 47, eerste lid, onderdeel p, van de wet wordt onder energiebelasting mede verstaan opslag duurzame energie, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet opslag duurzame energie.

C

Na artikel 20a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 20b

De verklaring, bedoeld in artikel 21d, eerste lid, van het besluit, wordt door de verbruiker ondertekend en bevat ten minste:

  • a. de dagtekening;

  • b. naam en adres van de verbruiker;

  • c. naam en adres van de leverancier;

  • d. de EAN-code van de aansluiting waarop de verklaring betrekking heeft;

  • e. de verklaring dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting en dat deze oplaadinstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken.

D

Voor artikel 21 wordt een artikel ingevoegd luidende:

Artikel 20c

De belastingvermindering, bedoeld in artikel 21e, van het besluit, wordt toegepast door de leverancier die leveringen verricht via het primaire allocatiepunt, bedoeld in de Begrippencode elektriciteit.

E

In artikel 23 wordt, onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met zevende lid, na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien het verzoek langs elektronische weg wordt ingediend, worden de factuur of facturen, bedoeld in het derde lid, niet bij het verzoek overgelegd maar desgevraagd aan de inspecteur verstrekt.

F

In artikel 33 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.

ARTIKEL XIII

In de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag vervalt in artikel 1, eerste lid, ‘60a, vierde lid,’ en artikel 20b met ingang van 1 januari 2021.

ARTIKEL XIV

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965’ vervangen door: de artikelen 10 en 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965.

B

Artikel 21 vervalt.

C

Artikel 21c wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt ‘De aangifte, bedoeld in artikel 10, van de Wet op de dividendbelasting 1965’ vervangen door: Het verzoek, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965.

3. Er wordt twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het verzoek, bedoeld in artikel 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965, wordt door natuurlijke personen gedaan binnen vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld en door lichamen binnen drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld.

  • 3. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts eenmaal per kalenderjaar of boekjaar na afloop van dat kalenderjaar, onderscheidenlijk boekjaar, gedaan.

D

In artikel 26 wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vijfde en zesde lid, na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid is het tijdvak waarover de kansspelbelasting geheven van degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse casinospelen of aan binnenlandse kansspelen die via het internet worden gespeeld of van de exploitant van een kansspelautomatenspel moet worden betaald het kalenderkwartaal, indien:

    • a. de betaalde kansspelbelasting in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren per kwartaal gemiddeld niet meer heeft bedragen dan € 15.000; en

    • b. aan de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren niet meer dan twee naheffingaanslagen kansspelbelasting zijn opgelegd.

E

In artikel 32, vijfde lid, tweede volzin, wordt ‘wordt verleend’ vervangen door: worden verleend.

F.

Artikel 43c, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel m wordt ‘de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen’ vervangen door: de Sociale Verzekeringsbank, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

2. In onderdeel w wordt ‘de politie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid’ vervangen door: de politie, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

ARTIKEL XV

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen’ vervangen door: Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet tegemoetkomingen loondomein.

B

Aan artikel 5a wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De landelijk directeuren en de directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel c1, zijn inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet tegemoetkomingen loondomein.

C

In artikel 20, tweede lid, vervalt onderdeel c, onder verlettering van de onderdelen d en e tot onderdelen c en d.

ARTIKEL XVI

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, zesde lid, onderdeel a, wordt ‘onderdelen a tot en met g, i of j’ vervangen door: onderdelen a tot en met g, i, j of k.

B

Na hoofdstuk ID wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IE UITSTEL VAN BETALING VAN RIJKSBELASTINGEN EN TOESLAGEN IN DE PRIVÉSFEER

Artikel 6e

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder belastingschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van:

  • a. belastingaanslagen inkomstenbelasting en motorrijtuigenbelasting verschuldigd door natuurlijke personen die geen bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen;

  • b. terugvorderingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen verschuldigd door natuurlijke personen.

Artikel 6f
  • 1. Op verzoek van de belastingschuldige stelt de ontvanger hem in de gelegenheid om zijn belastingschuld te betalen in maximaal 12 maandelijkse gelijke termijnen van minimaal € 50.

  • 2. Indien de betalingscapaciteit van de belastingschuldige ontoereikend is om zijn belastingschuld binnen 12 maanden te voldoen, kan de ontvanger op verzoek van de belastingschuldige, in afwijking in zoverre van het eerste lid, een betalingsregeling toestaan van maximaal 24 maanden, gebaseerd op de betalingscapaciteit, bedoeld in artikel 13.

  • 3. De betalingsregeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verleend onder de voorwaarde dat de belastingschuldige de ontvanger, binnen een door de ontvanger te stellen termijn, machtigt tot automatische incasso van de maandelijkse termijnen en vangt aan op het moment waarop de machtiging tot automatische incasso is ontvangen.

  • 4. Indien in de betalingsregeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, een motorrijtuigenbelastingschuld is begrepen, stelt de ontvanger tevens de voorwaarde dat de belastingschuldige een machtiging tot automatische incasso verleent voor toekomstige verplichtingen tot betaling van motorrijtuigenbelasting ter zake van alle kentekens die op zijn naam zijn gesteld ten tijde van het aangaan van de betalingsregeling.

  • 5. Een betalingsregeling als bedoeld in het tweede lid wordt niet toegestaan indien de belastingschuldige of diens echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, over voldoende vermogen als bedoeld in artikel 12 beschikt voor de voldoening van de schuld, voor zover dit vermogen op eenvoudige wijze liquide is te maken.

  • 6. De ontvanger kan een verzoek om een betalingsregeling als bedoeld in het tweede lid afwijzen of een op grond van het tweede lid verleend uitstel van betaling intrekken, indien het ontstaan van de schuld, of een deel daarvan, is te wijten aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige.

  • 7. De ontvanger kan een verzoek om een betalingsregeling als bedoeld in het eerste en tweede lid afwijzen of een op grond van het eerste of tweede lid verleend uitstel van betaling intrekken, indien:

    • a. de belastingschuldige in staat van surseance van betaling verkeert;

    • b. de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert;

    • c. ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is;

    • d. er ter zake van de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling wordt verzocht reeds een vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet is gedaan of beslag is gelegd.

  • 8. Indien de belastingschuldige gedurende de looptijd van een betalingsregeling als bedoeld in het eerste en tweede lid om een betalingsregeling verzoekt voor een belastingschuld die niet reeds in de lopende betalingsregeling is opgenomen, verleent de ontvanger voor het saldo van de op dat moment openstaande belastingschulden een nieuwe betalingsregeling onder de voorwaarden, genoemd in de vorige leden.

  • 9. De ontvanger beëindigt het uitstel van betaling indien een maandelijkse termijnbetaling niet tijdig of niet volledig wordt voldaan.

C

Aan artikel 15 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien de belastingschuldige zijn woning deelt met een of meer personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet, van toepassing is, worden de nettowoonlasten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geacht gelijkelijk over ieder van deze personen te zijn verdeeld.

D

Artikel 16, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen, in afwijking van het eerste lid, voor een belastingschuldige die wordt aangemerkt als:

    • a. een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, die, afgezien van zijn echtgenoot, niet met een of meer andere personen op wie de kostendelersnorm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is, in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en:

      • 1°. die tezamen met zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel b, van de Participatiewet;

      • 2°. die alleen of waarvan de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel c, van de Participatiewet;

    • b. een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, die zijn woning deelt met zijn echtgenoot en met een of meer andere personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is: 90 percent van de som van de norm, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van die wet, die voor ieder van de echtgenoten afzonderlijk geldt;

    • c. een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Participatiewet, die niet met een of meer personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is, in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel a, van de Participatiewet;

    • d. een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Participatiewet, die zijn woning deelt met een of meer personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van die wet.

E

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Kwijtschelding van een belastingschuld wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat belastingteruggaven die zijn vastgesteld na de dagtekening van de beschikking, bedoeld in artikel 26, zesde lid, van de wet, en voor zover die materieel betrekking hebben op de periode waarin de belastingschuldige uitstel van betaling als bedoeld in hoofdstuk IE heeft genoten van de belastingschuld waarvoor de voorwaardelijke kwijtschelding is verleend, worden verrekend met de voorwaardelijk kwijtgescholden belastingschuld.

F

De artikelen 24 en 25 vervallen.

G

Artikel 40ca wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Budgetbeheer’ vervangen door: een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van die organisatie of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van die gedragscode.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Budgetbeheer van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet of overeenkomsten met dezelfde strekking’ vervangen door: een schuldregelingsovereenkomst als bedoeld in onderdeel a, een overeenkomst tot budgetbeheer als bedoeld in onderdeel a of een overeenkomst met dezelfde strekking.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Budgetbeheer of overeenkomsten met dezelfde strekking’ vervangen door: een schuldregelingsovereenkomst als bedoeld in onderdeel a, een overeenkomst tot budgetbeheer als bedoeld in onderdeel a of een overeenkomst met dezelfde strekking.

4. Aan het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. van een curator in een faillissement;

  • f. van een bewindvoerder in een schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

5. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Als gevallen als bedoeld in artikel 7a, vierde lid, van de wet worden voorts aangewezen uitbetalingen door de ontvanger:

    • a. van kinderopvangtoeslag op de bankrekening van een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007, die een of meerdere kindercentra of een of meerdere gastouderbureaus exploiteert als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

    • b. van huurtoeslag op de bankrekening van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet;

    • c. van zorgtoeslag op de bankrekening van een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet;

    voor zover de onderneming, instelling, onderscheidenlijk zorgverzekeraar, voor dit doel een convenant heeft gesloten met de Belastingdienst/Toeslagen.

ARTIKEL XVII

Artikel 6f, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is niet van toepassing op een belastingschuld waarvoor reeds voor de datum van inwerkingtreding van de artikelen III en XVI uitstel van betaling is verleend.

ARTIKEL XVIII

In de Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN wordt in artikel 1, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Ten behoeve van de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, verstrekken de uitlener en de onderaannemer het burgerservicenummer van de werknemer aan de inlener, onderscheidenlijk de aannemer.

ARTIKEL XIX

In de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst wordt de bijlage als volgt gewijzigd:

1. De eerste rij onder de rij die begint met ‘Algemene wet inzake rijksbelastingen’ wordt vervangen door:

 

Artikel 6, eerste lid

aangiftebrief inkomstenbelasting (IB)

 

X

   

2. De zesde en zevende rij onder de rij die begint met ‘Algemene wet inzake rijksbelastingen’ worden vervangen door:

 

idem

aangifte IB-winst

 

x

SBR/Digipoort

MijnBelastingdienst

PKI Overheid services certificaat

DigiD

 

idem

aangifte Vpb

 

x

SBR/Digipoort

MijnBelastingdienst Ondernemers

PKI Overheid services certificaat

Door Belastingdienst verstrekte gebruikersnaam en wachtwoord

3. De achtste rij onder de rij die begint met ‘Algemene wet inzake rijksbelastingen’ wordt vervangen door:

 

Artikel 8, eerste lid, jo. artikel 10, eerste lid

aangifte loonbelasting, met uitzondering van de aangifte voor de pseudo-eindheffing, bedoeld in artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964

 

x

SBR/Digipoort

MijnBelastingdienst Ondernemers

PKI Overheid services certificaat

Door Belastingdienst verstrekte gebruikersnaam en wachtwoord

4. De rij die begint met ‘Wet op de vennootschapsbelasting 1969’ wordt vervangen door:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Artikel 29c

landenrapport groepsentiteit

 

x

XML/Digipoort

PKI Overheid services certificaat

 

Artikel 29d

berichten met betrekking tot de notificatieplicht

 

xx

Elektronisch formulier op https://www.gegevensportaal.net/cbc/aanmelden/

 

5. De rij die begint met ‘Wet op de dividendbelasting 1965’ wordt vervangen door:

Wet op de dividendbelasting 1965

Artikel 10, eerste tot en met derde lid

verzoek om teruggaaf, tenzij het verzoek is gedaan door een instelling die gebruikmaakt van de grotegemachtigdenregeling

 

x

MijnBelastingdienst Ondernemers

Door Belastingdienst verstrekte gebruikersnaam en wachtwoord

   

alle overige berichten in verband met de heffing van dividendbelasting

x

     

6. De rij die begint met ‘Wet belastingen op milieugrondslag’ wordt vervangen door:

Wet belastingen op milieugrondslag

Artikel 69

verzoek om teruggaaf energiebelasting

 

x

MijnBelastingdienst Ondernemers

Door Belastingdienst verstrekte gebruikersnaam en wachtwoord

   

alle overige berichten in verband met de heffing van de belasting op leidingwater, de afvalstoffenbelasting, de belasting op kolen en de energiebelasting

x

     

ARTIKEL XX

In de Uitvoeringsregeling verklaring rijksbelastingdienst over huishoudinkomen voor een inkomensafhankelijke huurverhoging wordt in artikel 1, eerste lid, ‘onderdeel c’ vervangen door: onderdeel e.

ARTIKEL XXI

In de Uitvoeringsregeling Belastingwet BES wordt in artikel 6.7, derde lid, ‘gediplomeerd zijn en voldoen aan de wettelijke vereisten van het Besluit beperking vestiging medische beroepsbeoefenaren BES’ vervangen door: voor de uitoefening van hun beroep als zodanig bevoegd en gediplomeerd zijn.

ARTIKEL XXII

De Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘de artikelen 4a, derde lid, en’ vervangen door: artikel.

B

Hoofdstuk 1 vervalt.

ARTIKEL XXIII

In de Regeling aanwijzing rechtsgebieden Common Reporting Standard wordt in artikel 3 ‘Anguila’ vervangen door ‘Anguilla’ en worden in dat artikel in de alfabetische rangschikking ingevoegd: Bahrein, Koeweit, Libanon, Nauru, Vanuatu.

ARTIKEL XXIV

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017, met dien verstande dat:

    • a. artikel IV, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2012;

    • b. artikel III, onderdeel D, terugwerkt tot en met 1 januari 2013;

    • c. artikel XVI, onderdeel G, onder 1 tot en met 3, terugwerkt tot en met 23 mei 2014;

    • d. artikel IV, onderdeel A, eerste volzin, terugwerkt tot en met 1 januari 2015;

    • e. artikel I, onderdeel B, artikel IV, onderdeel G, en artikel XXII, onderdelen A en B, terugwerken tot en met 1 januari 2016;

    • h. artikel X, onderdeel D, terugwerkt tot en met 18 januari 2016;

    • i. artikel I, onderdeel D, terugwerkt tot en met 1 mei 2016;

    • j. artikel XVI, onderdeel A, terugwerkt tot en met 25 oktober 2016, 17.30 uur;

    • k. artikelen VIII en IX terugwerken tot en met 6 november 2016;

    • l. artikel XIV, onderdeel B, eerst toepassing vindt ter zake van aangiften gedaan vanwege een overlijden dat of een schenking die op of na 1 januari 2017 plaatsvindt;

    • m. artikel XVI, onderdelen C en D, voor het eerst van toepassing is op verzoeken om kwijtschelding die op of na 1 januari 2018 bij de ontvanger worden ingediend.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treden artikel III, onderdelen A en C, en artikel XVI, onderdelen E, F en G, onder 4 en 5, in werking op het tijdstip waarop artikel XIII, onderdeel C, van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 in werking treedt.

  • 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XII, onderdeel D, in werking op het tijdstip waarop de wijziging waarbij de definitie van het begrip ‘primair allocatiepunt’ in de Begrippencode elektriciteit wordt opgenomen.

  • 4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XIX, onder 3, in werking met ingang van 1 maart 2017.

  • 5. In afwijking van het eerste lid treedt artikel X, onderdeel B, in werking met ingang van 1 juli 2017.

  • 6. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel E, in werking met ingang van 1 januari 2018.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

In deze eindejaarsregeling is een aantal wijzigingen opgenomen ten behoeve van de uitvoeringsregelingen onder andere op het terrein van de directe belastingen, de indirecte belastingen en het formele belastingrecht. De wijzigingen vloeien onder meer voort uit het Belastingplan 2017 (BP 2017), Overige fiscale maatregelen 2017 (OFM 2017), de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 (Fvw 2017) en de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen. Daarnaast wordt een aantal zelfstandige wijzigingen aangebracht en worden redactionele wijzigingen doorgevoerd. Ingevolge deze eindejaarsregeling worden wijzigingen aangebracht in:

  • de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001);

  • de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001;

  • de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (UR Awir);

  • de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011);

  • de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte;

  • de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965;

  • de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (Uitvoeringsbeschikking OB 1968);

  • de Algemene douaneregeling (Adr);

  • de Uitvoeringsregeling accijns (URA);

  • de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (UR BPM 1992);

  • de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (URbm);

  • de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (UR AWR 1994);

  • de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (URBD 2003);

  • de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (URIW 2001);

  • de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst;

  • de Uitvoeringsregeling verklaring rijksbelastingdienst over huishoudinkomen voor een inkomensafhankelijke huurverhoging;

  • de Uitvoeringsregeling Belastingwet BES (URBES);

  • de Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (UR WIB);

  • de Regeling aanwijzing rechtsgebieden Common Reporting Standard (Regeling aanwijzing rechtsgebieden CRS).

2. Toelichting op enkele wijzigingen

2.1. Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

In de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is de bevoegdheid opgenomen regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur en op die regelingen vooruitlopende overeenkomsten aan te wijzen waarvoor geldt dat de ingevolge die regelingen en overeenkomsten verkregen voordelen voor een aan te wijzen gedeelte worden geacht niet tot de winst te behoren. In onderhavige regeling vindt zo’n aanwijzing plaats met de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 (SVNL 2016) van de onderscheiden provincies.

Een belastingplichtige mag bij langdurige arbeidsongeschiktheid een lijfrente geheel of gedeeltelijk afkopen zonder dat hierover revisierente is verschuldigd. Hiervoor dient de belastingplichtige een verklaring van een arts te hebben. In de praktijk blijkt dat artsen vaak niet bereid zijn om een dergelijke verklaring af te geven. Om ervoor te zorgen dat belastingplichtigen in dat geval toch een aanspraak op een lijfrente kunnen afkopen, wordt met een wijziging in de URIB 2001 geregeld dat in plaats van voornoemde verklaring ook een bewijs kan worden overgelegd waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de belastingplichtige periodieke uitkeringen vanwege arbeidsongeschiktheid ontvangt of gaat ontvangen. Hiermee wordt voor de praktijk een werkbare situatie gecreëerd.

Tevens wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt om mede te delen dat – net als in 2016 – ook in 2017 de uitzonderingsmogelijkheid op het vlagvereiste van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 niet van toepassing is. Op basis van artikel 3.22, tiende lid, van de Wet IB 2001 is in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu immers vastgesteld dat op landelijk niveau de nettotonnage van voor de tonnageregeling kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Unie (EU) of een van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), gedurende de periode 2013 tot en met 2015 is afgenomen ten opzichte van de periode 2012 tot en met 2014. Het driejaarsgemiddelde is in de periode 2013 tot en met 2015 ten opzichte van de periode 2012 tot en met 2014 gemiddeld gedaald van 68,373% naar 65,375%. Er wordt op dit punt derhalve ook voor het jaar 2017 geen bepaling in de URIB 2001 opgenomen. Voor schepen die in het kalenderjaar 2017 in gebruik worden genomen, houdt dit in dat de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de hiervoor bedoelde (lid)staten geldt, tenzij een van de uitzonderingsgronden van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel a of b, van de Wet IB 2001 van toepassing is.

2.2. Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

De onderhavige wijzigingsregeling bevat wijzigingen van de UR Awir die voortvloeien uit het pakket aan maatregelen in het kader van het stroomlijnen van invorderingsregelgeving voor belastingen en toeslagen, dat is opgenomen in de Fvw 2017. In de toelichting op de UR IW1990 wordt hier nader op ingegaan. Voorts bevat deze wijzigingsregeling wijzigingen die betrekking hebben op de verplichtingen van de belanghebbende aan wie door de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot op een tegemoetkoming is verleend om wijzigingen van omstandigheden te melden. Het betreft onder meer een wijziging van de verplichting om een inkomenswijziging te melden die zich in het berekeningsjaar voordoet waarmee geen rekening is gehouden bij het verlenen van het voorschot.

Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan de toezegging die is gedaan in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Voortman en van de leden Bergkamp en Van Weyenberg over het meetellen van een restant persoonsgebonden budget voor de vermogenstoets voor toeslagen.1 Voor mensen die om die reden het recht op een toeslag verliezen of de afgelopen jaren hebben verloren, wordt een tegemoetkoming getroffen op grond van de hardheidsclausule van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

2.3 Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN

Met de wijziging van de Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN wordt voorzien in een juridische basis voor een wens in de praktijk dat uitleners en onderaannemers aan inleners, onderscheidenlijk aannemers, het burgerservicenummer (BSN) kunnen verstrekken van de werknemers die bij deze inleners, onderscheidenlijk aannemers, te werk zijn gesteld. Deze BSN-verstrekking is nodig om een beroep te kunnen doen op de vrijwaring voor of matiging van de inleners- en ketenaansprakelijkheid. De onderhavige wijziging zorgt ervoor dat de inlener en de aannemer het BSN niet zelf bij de werknemer hoeven op te vragen, maar dit op een efficiëntere manier bij de uitlener, onderscheidenlijk onderaannemer, kunnen doen, waarbij het risico op fouten bovendien geringer is.

2.4. Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011

Uitkeringen aan algemene bijstand ter voorziening in het levensonderhoud worden als leenbijstand verstrekt en kunnen onder voorwaarden worden omgezet in bijstand om niet. Zoals reeds aangekondigd2 worden deze uitkeringen met ingang van 1 januari 2017 aangemerkt als eindheffingsbestanddeel, zodat deze uitkeringen buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen.

In de URLB 2011 wordt geregeld dat inhoudingsplichtigen die gebruik willen maken van de in het BP 2017 opgenomen versoepeling van de gebruikelijkloonregeling voor innovatieve start-ups, de de-minimisverklaring moeten invullen en indienen bij RVO.nl. Pas nadat uit de daaropvolgende melding van RVO.nl blijkt dat, uitgaande van de door de inhoudingsplichtige aangeleverde gegevens en van de wettelijke formule, het de-minimisplafond niet wordt overschreden als gevolg van het toepassen van de versoepeling van de gebruikelijkloonregeling, mag deze versoepeling worden toegepast. Deze beperking geldt alleen als sprake is van een of meer werknemers in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

2.5. Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968

In de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 wordt een bepaling opgenomen ter uitwerking van de regeling ter zake van een mogelijkheid van teruggaaf voor met name oninbare vorderingen die ingevolge de Fvw 2017 in de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) wordt opgenomen. In de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 wordt vastgelegd de periode waarover en de wijze waarop het verzoek om teruggaaf ter zake moet worden ingediend. Voorts wordt er nog een enkele technische wijziging aangebracht.

2.6 Algemene douaneregeling

De Europese Commissie heeft bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 nieuwe gedelegeerde – respectievelijk uitvoeringshandelingen vastgesteld voor het gebruik en beheer van in- en uitvoercertificaten.3

Verordening (EG) nr. 376/20084 en Verordening (EG) nr. 507/20085 zijn bij de hiervoor genoemde verordeningen vervangen en ingetrokken met ingang van 6 november 2016. In de Adr dienen derhalve de verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen te worden vervangen door verwijzingen naar de thans geldende verordeningen. Met deze wijzigingen wordt geen inhoudelijke additionele wijziging beoogd.

Daarnaast kunnen bepaalde voorschriften vervallen omdat de aldaar geregelde materie thans is geregeld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239.

Tevens is de regeling aangepast aan de organisatorische wijziging binnen het Ministerie van Economische Zaken en het als gevolg van die wijziging overgaan van bepaalde taken naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Deze wijzigingen werken terug tot en met 6 november 2016, zijnde het tijdstip waarop de Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 van toepassing zijn geworden en waarop de Verordeningen (EG) nr. 376/2008 en (EG) nr. 507/2008 zijn ingetrokken.

2.7. Uitvoeringsregeling accijns

Ingevolge de Fvw 2017 vervallen enkele artikelen van de Wet op de accijns. Als gevolg hiervan komen ook enkele artikelen in de URA (gedeeltelijk) te vervallen. Daarnaast vervalt een bepaling in de URA dat voor rooktabak bepaalt hoeveel product in een verpakking aanwezig mag zijn in verband met het aanbrengen van accijnszegels. Tot slot wordt nog een technische wijziging aangebracht.

2.8. Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag

De aanpassing van de URbm hangt onder meer samen met wetswijzigingen in de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) die het gevolg zijn van de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen. Die wetswijzigingen betreffen de introductie van een verlaagd tarief in de energiebelasting voor bepaalde laadpalen voor de jaren 2017 tot en met 2020. Voorts voorziet de aanpassing van de URbm in nadere regels voor de toepassing van de belastingvermindering in de energiebelasting in het geval er sprake is van meerdere leveranciers op één aansluiting. De aanpassing van de URbm hangt verder samen met de vereenvoudiging van de teruggaafregeling voor oninbare vorderingen zoals opgenomen in de Fvw 2017. Ook wordt verduidelijkt dat de opslag duurzame energie meetelt bij de bepaling of een bedrijf als energie-intensief bedrijf wordt aangemerkt.

2.9. Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990

In de onderhavige wijzigingsregeling wordt het pakket aan maatregelen in het kader van het stroomlijnen van invorderingsregelgeving voor belastingen en toeslagen, dat is opgenomen in de Fvw 2017, nader uitgewerkt. Een belangrijk element van stroomlijning is de introductie van de debiteurgerichte betalingsregeling, gevolgd door (voorwaardelijke) kwijtschelding van eventuele restschuld. De debiteurgerichte betalingsregeling houdt in dat de schulden die de burger bij de Belastingdienst heeft zoveel mogelijk worden samengenomen en als één schuld worden behandeld. Voor de totale schuld treft de ontvanger vervolgens, op verzoek, een uniforme betalingsregeling zonder daarbij onderscheid te maken tussen belasting- en toeslagschulden. Met de debiteurgerichte betalingsregeling voor belastingen en toeslagen wordt beoogd (1) burgers een beter overzicht over hun totale schuldpositie bij de Belastingdienst te geven, (2) de verscheidenheid aan regelgeving te vereenvoudigen en terug te dringen en (3) het berichtenverkeer tussen burgers en Belastingdienst aanzienlijk te beperken. Met de onderhavige wijzigingen van de UR Awir en de URIW 1990 worden de debiteurgerichte betalingsregeling en de (voorwaardelijke) kwijtschelding van eventuele restschuld nader uitgewerkt. Gegeven de tijd die de Belastingdienst nodig heeft voor de implementatie van de wet- en regelgeving met betrekking tot stroomlijning, in het bijzonder voor de noodzakelijke aanpassing van de automatiseringssystemen, treden de wijzigingen in de Fvw 2017 in het kader van stroomlijning op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking. De onderhavige wijzigingen van de UR Awir en de URIW 1990 sluiten wat de inwerkingtreding betreft bij die inwerkingtredingsdatum aan. De wijzigingen zijn vanaf de datum van inwerkingtreding ook van toepassing op reeds bestaande schulden en reeds ingediende verzoeken om uitstel van betaling waarop nog geen beslissing is genomen.

Per 1 januari 2015 is in de Participatiewet, die onder meer de Wet werk en bijstand (WWB) heeft vervangen, de kostendelersnorm geïntroduceerd. De kostendelersnorm is een bijstandsnorm die geldt voor bijstandsgerechtigden in meerpersoonshuishoudens, waarbij twee of meer personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, ongeacht of het om familieleden of derden gaat. De kostendelersnorm houdt rekening met de voordelen van het delen van de kosten binnen één huishouden. De bijstandsuitkering voor personen op wie de kostendelersnorm van toepassing is, wordt lager naarmate er meer personen in de woning hun hoofdverblijf hebben. Kostendelers in de zin van de Participatiewet zijn alle meerderjarigen die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, met uitzondering van personen jonger dan 21 jaar, commerciële relaties (bijvoorbeeld huurders en kostgangers) en studenten. De kostendelersnorm heeft logischerwijs ook gevolgen voor de berekening van de betalingscapaciteit van belastingschuldigen die verzoeken om kwijtschelding van belastingschulden. De gevolgen van invoering van de kostendelersnorm in de URIW 1990 treden per 1 januari 2018 in, gelijktijdig met de voorgenomen invoering van de kostendelersnorm in de Algemene Ouderdomswet.

2.10. Uitvoeringsregeling Belastingwet BES

In de URBES wordt een verwijzing naar een besluit vervangen door een zinsnede waarbij twee voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de toepassing van de vrijstelling in de algemene bestedingsbelasting voor medische beroepsbeoefenaren.

3. Budgettaire aspecten en uitvoeringskosten

De omvang van de groep inhoudingsplichtigen waarbij sprake is van de-minimissteun als gevolg van de versoepeling van de gebruikelijkloonregeling is gering. Daarnaast is gekozen voor een relatief eenvoudig administratief proces. De uitvoeringskosten van RVO.nl kunnen hierdoor beperkt blijven. Deze kosten zullen worden gedekt door het Ministerie van Economische Zaken, dat hiervoor een aanvullende opdracht zal verlenen aan RVO.nl.

Aan de wijzigingen in de onderhavige regeling zijn geen additionele budgettaire gevolgen of uitvoeringskosten verbonden.

4. EU-aspecten

Voor de in de Wet IB 2001 opgenomen en in de URIW 2001 nader uitgewerkte gedeeltelijke vrijstelling voor bos en natuur is eerder goedkeuring verkregen van de Europese Commissie (besluit SA.29568 (N545/2009) van 31 januari 2011)

Bij besluit SA.45811 (2016/N) van 1 september 2016 is deze goedkeuring verlengd tot en met 31 december 2021.6

De in het BP2017 opgenomen versoepeling van de gebruikelijkloonregeling voor innovatieve start-ups is in beginsel staatssteun. Zolang staatssteun onder een bepaalde grens blijft, is sprake van de-minimissteun, waarvoor in de zogenoemde de-minimisverordeningen speciale voorwaarden gelden. Op het voordeel dat bedrijven met de versoepeling van de gebruikelijkloonregeling ontvangen, zullen de de-minimisverordeningen worden toegepast. In de URLB 2011 worden nadere regels gesteld met betrekking tot het toepassen van de de-minimisverordeningen.

De wijzigingen van de Adr zijn het gevolg van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 waarbij nieuwe gedelegeerde – respectievelijk uitvoeringshandelingen zijn vastgesteld voor het gebruik en beheer van invoer- en uitvoercertificaten.

Aan de overige wijzigingen in deze regeling zijn geen EU-aspecten verbonden.

5. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

Van de in deze regeling opgenomen maatregelen heeft alleen die inzake de aanpassing aangiftetijdvak kansspelbelasting meer dan verwaarloosbare structurele effecten voor de administratieve lasten. Door de genoemde maatregel treedt een reductie van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven op van € 0,1 miljoen.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 3.13, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 2001 is de bevoegdheid opgenomen regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur en op die regelingen vooruitlopende overeenkomsten aan te wijzen waarvoor geldt dat de ingevolge die regelingen en overeenkomsten verkregen voordelen voor een aan te wijzen gedeelte worden geacht niet tot de winst te behoren (fiscale vrijstelling).

Sinds 2016 bestaat de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 (SVNL 2016) van de onderscheiden provincies naast de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer (SVNL) van de onderscheiden provincies. Om ervoor te zorgen dat de fiscale vrijstelling ook geldt voor de subsidie natuurbeheer en de subsidie landschapbeheer, bedoeld in artikel 2.2 van de SVNL 2016 van de onderscheiden provincies, wordt eerstgenoemde verordening toegevoegd aan de lijst van aangewezen regelingen in artikel 6, eerste lid, van de URIB 2001. De SVNL van de onderscheiden provincies blijft voorlopig gehandhaafd in de lijst van aangewezen regelingen, omdat er ook nog steeds subsidies worden uitgekeerd op basis van de SVNL van de onderscheiden provincies.

Daarnaast vindt een redactionele aanpassing van artikel 6, tweede lid, van de URIB 2001 plaats die verband houdt met de (met de hiervoor genoemde wijziging samenhangende) verlettering van diverse onderdelen van artikel 6, eerste lid, van de URIB 2001.

Artikel I, onderdeel B (artikel 6a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 6a van de URIB 2001 zijn de mobiliteitsprojecten opgenomen die in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet IB 2001. Met de wijziging van genoemd artikel 6a wordt geregeld dat ook een vrijstelling geldt voor vierentwintig nieuwe mobiliteitsprojecten die in 2016 zijn gestart en gepubliceerd in de Staatscourant. Het gaat om mobiliteitsprojecten ter stimulering van het mijden van de spits (auto en OV) en het gebruik van fietsen en e-bikes. Daarnaast worden de verwijzingen naar enkele in 2015 uitgewerkte projecten uit genoemd artikel 6a verwijderd en wordt geregeld dat de vrijstelling ook van toepassing blijft op voordelen uit mobiliteitsprojecten waarvan de looptijd is verlengd. Deze wijzigingen werken terug tot en met 1 januari 2016.

Artikel I, onderdeel C (artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijzigingen van artikel 9 van de URIB 2001 zijn uitsluitend redactioneel van aard.

Artikel I, onderdelen D en E (artikel 17 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Op grond van artikel 3.104, onderdeel p, van de Wet IB 2001 geldt een vrijstelling voor bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen die gericht zijn op het verbeteren of behouden van de positie van een belastingplichtige op de arbeidsmarkt. Met de aanpassing van artikel 17, vierde lid, van de URIB 2001 wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 mei 2016 gecodificeerd dat ook de sinds die datum verstrekte subsidies voor scholing, bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep, onder deze vrijstelling vallen. In verband met de omstandigheid dat de laatstgenoemde regeling per 1 januari 2018 vervalt, vervalt ook de aanwijzing van de ingevolge die regeling verstrekte subsidies met ingang van die datum.

Artikel I, onderdeel F (artikel 18 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Op grond van artikel 3.133, negende lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 mag een aanspraak op een lijfrente onder bepaalde voorwaarden bij langdurige arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk worden afgekocht zonder dat hierover revisierente is verschuldigd. Een soortgelijke regeling geldt ingevolge artikel 5.16c, vierde lid, van de Wet IB 2001 voor de afkoop van een nettolijfrente. In de huidige tekst van artikel 18 van de URIB 2001 is geregeld dat voor de toepassing van de hiervoor genoemde regeling sprake is van langdurige arbeidsongeschiktheid als dit blijkt uit een door een arts afgegeven verklaring. Uit deze verklaring moet blijken dat de belastingplichtige door ziekte of gebreken op het moment waarop de verklaring is afgegeven niet in staat is volledig de werkzaamheden te verrichten waarmee vóór het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid het inkomen hoofdzakelijk werd verdiend en hiertoe vermoedelijk in de twaalf maanden na de afgifte van de verklaring ook niet in staat zal zijn. Met de voorgestelde wijziging van laatstgenoemd artikel wordt deze voorwaarde ondergebracht in onderdeel a. Een inhoudelijke wijziging is hiermee niet beoogd. Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om in dit onderdeel te verduidelijken dat het moet gaan om een recente verklaring.

Daarnaast wordt een onderdeel b toegevoegd waarin wordt geregeld dat voor de toepassing van de hiervoor genoemde regeling eveneens sprake is van langdurige arbeidsongeschiktheid indien aannemelijk is dat de belastingplichtige periodieke uitkeringen vanwege arbeidsongeschiktheid ontvangt of – in verband met een mogelijke wachttijd – gaat ontvangen. Deze uitkering kan van privaat- of publiekrechtelijke aard zijn. Als de belastingplichtige bij de uitvoerder van de lijfrente aannemelijk maakt dat hij periodieke uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid ontvangt of gaat ontvangen, kan de inhouding van de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen op de afkoopsom plaatsvinden volgens de systematiek voor reguliere lijfrente-uitkeringen. Hiertoe kan de belastingplichtige bijvoorbeeld een brief van de verzekeraar of de beschikking van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) overleggen aan de uitvoerder waaruit blijkt dat de belastingplichtige periodieke uitkeringen vanwege arbeidsongeschiktheid ontvangt of – uitgaande van de huidige situatie – gaat ontvangen.

Artikel II

Artikel II (artikel 13 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001)

De wijziging van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 betreft een technische aanpassing van de verwijzing naar artikel 3.20 van de Wet IB 2001. Deze houdt verband met de wijzigingen van artikel 3.20 van de Wet IB 2001 per 1 januari 2017 ingevolge OFM 2017, waarbij tevens de definitie van CO2-uitstoot van een auto in het vijfde lid van voornoemd artikel vervalt. Daarom wordt met de wijziging van artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 geregeld dat daarin voor de definitie van CO2-uitstoot voortaan wordt verwezen naar artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992).

Artikel III

Artikel III, onderdelen A en C (artikelen 1, 7 en 8 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

In artikel 1 van de UR Awir vervallen de verwijzingen naar de artikelen 25, tweede lid, en 31 van de Awir. Daarnaast komen de artikelen 7 en 8 van de UR Awir te vervallen. Deze wijzigingen hangen samen met het stroomlijnen van de invorderingsregelgeving voor belastingen en toeslagen. In het kader van het stroomlijnen komen ingevolge de Fvw 2017 de bepalingen met betrekking tot uitbetaling van voorschotten en tegemoetkomingen en de bepalingen met betrekking tot uitstel van betaling in de Awir te vervallen. In plaats daarvan worden de betreffende bepalingen in de Invorderingswet 1990 (IW 1990) van overeenkomstige toepassing verklaard op de invordering van toeslagen. Ook de nadere uitwerking van de genoemde wettelijke bepalingen in de UR Awir kunnen derhalve komen te vervallen, hetgeen met de onderhavige wijziging wordt bereikt.

Artikel III, onderdeel B (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Artikel 5, tweede lid, onderdeel c, van de UR Awir bevat de verplichting voor de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner om in het geval door de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot op de tegemoetkoming is verleend op basis van een geschat toetsingsinkomen, een wijziging ten opzichte van het geschatte toetsingsinkomen te melden indien het bedrag van de tegemoetkoming als gevolg daarvan wordt verlaagd met meer dan € 100. Dat bedrag wordt per 1 januari 2017 gesteld op € 500. De bestaande verplichting om reeds een wijziging door te geven van het geschatte toetsingsinkomen als die slechts leidt tot een € 100 lagere tegemoetkoming wordt in de praktijk als te knellend ervaren, omdat het met zich brengt dat burgers ook geringe inkomenswijzigingen moeten melden. Het niet doorgeven van inkomenswijzigingen, met name als die relatief gering zijn, komt op grote schaal voor omdat belanghebbenden zich vaak niet bewust zijn van de verplichting om die te melden. De bestaande verplichting wordt daarom versoepeld. Inkomenswijzigingen moeten voortaan alleen nog worden gemeld als die leiden tot een verlaging van de tegemoetkoming met meer dan € 500. Uiteraard staat het de burger dan nog steeds vrij om ook geringe inkomenswijzigingen te blijven melden om terugvorderingen te voorkomen. Hij zal door de Belastingdienst/Toeslagen ook worden aangemoedigd dat te blijven doen. Er geldt alleen niet langer een verplichting om dat te doen zolang de inkomenswijziging niet leidt tot een verlaging van het bedrag van de tegemoetkoming met meer dan € 500. Deze wijziging stelt de Belastingdienst/Toeslagen beter in staat uitvoering te geven aan het boetebeleid zoals vastgelegd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen om waarschuwingsbrieven te sturen bij een geconstateerde overtreding van de verplichting. De versoepeling van de verplichting om inkomenswijzigingen door te geven reduceert het aantal overtredingen aanzienlijk en zorgt ervoor dat het aantal te versturen waarschuwingsbrieven wordt gereduceerd tot voor het uitvoeringsproces hanteerbare aantallen.

Artikel 5, vijfde lid, onderdeel a, van de UR Awir wordt in redactionele zin aangepast om beter tot uitdrukking te brengen dat, in het geval een voorschot kinderopvangtoeslag is verleend, wijzigingen dienen te worden gemeld in het totaal aantal uren kinderopvang dat naar verwachting wordt afgenomen in een berekeningsjaar indien dat afwijkt van het aantal uren waarmee rekening is gehouden bij de verlening van het voorschot.

Voorts vervalt artikel 5, vijfde lid, onderdeel e, van de UR Awir, omdat er bij nader inzien geen noodzaak is voor de in dat onderdeel opgenomen verplichting om een wijziging door te geven van het geschatte aantal gewerkte uren of van de geschatte duur van een voorziening als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag. Omdat het aantal door ouders gewerkte uren uitsluitend relevant is voor het maximale aantal kinderopvanguren waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden toegekend, volstaat de in artikel 5, vijfde lid, onderdeel a, van de UR Awir opgenomen verplichting om wijzigingen in het aantal uren kinderopvang te melden.

Artikel III, onderdeel C, en artikel XVI, onderdeel G (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 40ca van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In artikel 6 van de UR Awir zijn de uitzonderingen voor toeslagen op artikel 25 van de Awir (eenbankrekeningmaatregel) opgenomen. In het kader van het stroomlijnen van invorderingsregelgeving van belastingen en toeslagen komt artikel 25 van de Awir ingevolge de Fvw 2017 te vervallen. In plaats daarvan wordt het equivalent van artikel 25 van de Awir in de IW 1990 (artikel 7a van de IW 1990) van overeenkomstige toepassing op toeslagen. Ook de nadere uitwerking van artikel 25 van de Awir in artikel 6 van de UR Awir kan derhalve komen te vervallen. De extra uitzonderingen op de eenbankrekeningmaatregel die artikel 6 van de UR Awir specifiek op het gebied van toeslagen bevat voor ondernemingen, instellingen en zorgverzekeraars met wie de Belastingdienst een convenant heeft gesloten, worden overgenomen in artikel 40ca van de URIW 1990. Dit geldt ook voor de in de UR Awir opgenomen uitzonderingen op de eenbankrekeningmaatregel voor curatoren en bewindvoerders, die hierdoor ook voor de inkomstenbelasting komen te gelden. Voorts wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt enkele redactionele wijzigingen aan te brengen in artikel 40ca van de IW 1990. De Gedragscode Schuldregeling en de Gedragscode Budgetbeheer van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK), waar tot 1 januari 2017 in genoemd artikel naar wordt verwezen, zijn per 23 mei 2014 opgenomen als modules van de overkoepelende Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK. De genoemde verwijzingen worden daarom aangepast met terugwerkende kracht tot en met 23 mei 2014.

Artikel III, onderdeel D (artikel 9ter van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

In de systematiek van het persoonsgebonden budget die gold tot 1 januari 2015 werd het bedrag van een persoonsgebonden budget (pgb) rechtstreeks overgemaakt op de bankrekening van de budgethouder. Als gevolg van die systematiek kan zich de situatie voordoen dat er na afloop van het jaar waarop het persoonsgebonden budget betrekking had nog een deel van het pgb op de bankrekening staat van de budgethouder, bijvoorbeeld omdat er een groter bedrag is verstrekt dan achteraf gezien nodig was of omdat er nog een rekening voor in dat jaar verleende zorg moet worden betaald. Een mogelijke consequentie hiervan is dat budgethouders in het jaar na het betreffende jaar geen recht hebben op een toeslag omdat hun forfaitaire rendementsgrondslag als gevolg van het pgb-restant de toepasselijke grens overschrijdt. Voor de vaststelling van de omvang van het voor het recht op toeslag in aanmerking te nemen vermogen wordt immers aangesloten bij de box 3-grondslag van de Wet IB 2001. Alle geldbedragen die op de peildatum (1 januari van het berekeningsjaar) op de bankrekening staan van de belanghebbende worden daardoor als vermogen in aanmerking genomen bij de toepassing van de vermogenstoets, ongeacht de herkomst ervan. Weliswaar geldt voor het pgb-restant dat ook de verplichtingen die daartegenover staan als schuld kunnen worden opgevoerd in de IB-aangifte bij de vaststelling van de box 3-grondslag, maar door de schuldendrempel van € 3.000 (€ 6.000 voor partners) biedt dat niet altijd soelaas. Op grond van de hardheidsclausule van artikel 47 van de Awir wordt met de invoeging van artikel 9ter in de UR Awir voor deze gevallen een tegemoetkoming getroffen voor (alleen) het berekeningsjaar dat direct volgt op het jaar waarop het pgb betrekking heeft

Het eerste lid van laatstgenoemd artikel voorziet, in combinatie met de inwerkingtredingsbepaling van artikel XXII, onderdeel b, in de mogelijkheid voor belanghebbenden een verzoek in te dienen bij de Belastingdienst/Toeslagen om een pgb-restant buiten beschouwing te laten bij de toepassing van de vermogenstoets voor het recht op een toeslag in de berekeningsjaren 2013, 2014 of 2015 voor zover het pgb betrekking heeft op het direct aan het berekeningsjaar voorafgaand kalenderjaar. De keuze om de tegemoetkoming voor deze berekeningsjaren te laten gelden en niet ook voor oudere berekeningsjaren en de keuze om de tegemoetkoming alleen te laten gelden voor het berekeningsjaar dat direct volgt op het jaar waarop het pgb betrekking heeft, zijn ingegeven door uitvoeringstechnische redenen. Daarnaast is het zo dat het pgb met ingang van 1 januari 2015 niet langer meer rechtstreeks wordt uitbetaald op de bankrekening van de budgethouder. De tegemoetkoming kan zowel betrekking hebben op een restant van een pgb dat is verstrekt door een gemeente als om een restant van een pgb dat is verstrekt door een zorgkantoor. De mogelijkheid om een pgb-restant buiten beschouwing te laten geldt alleen voor gevallen waarin zonder de aanwezigheid van het pgb-restant en de daartegenover staande verplichtingen de toepasselijke grens van de vermogenstoets niet zou zijn overschreden. De tegemoetkoming geldt voor de toepassing van de vermogenstoetsen van de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget.

Het tweede lid van genoemd artikel 9ter regelt dat de belanghebbende het verzoek om een pgb-restant buiten beschouwing te laten kan indienen tot 1 januari 2019. Hij heeft daardoor ruimschoots de tijd om ook na de vaststelling van de toekenning van de toeslag over de berekeningsjaren 2013, 2014 of 2015 het verzoek in te dienen. Artikel 9ter van de UR Awir treedt in werking met ingang van 1 januari 2017 en werkt terug tot en met 1 januari 2013, zijnde het begin van het eerste berekeningsjaar waarvoor de tegemoetkoming geldt.

Artikel IV

Artikel IV, onderdeel A (artikel 1.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

In de tot 1 januari 2017 geldende tekst van artikel 1.1 van de URLB 2011 wordt nog verwezen naar artikel 39c, eerste lid, van de Wet LB 1964, terwijl dat artikel met ingang van 1 januari 2015 is vervallen.7 Met de onderhavige wijziging wordt die verwijzing daarom met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2015 geschrapt.

In het per 1 januari 2017 in werking tredende artikel 12a, tiende lid, van de Wet LB 1964 is een delegatiegrondslag opgenomen waaraan per 1 januari 2017 in de URLB 2011 uitvoering wordt gegeven. Genoemd artikel 12a moet derhalve worden toegevoegd aan de opsomming in genoemd artikel 1.1.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 3.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Het bepaalde in artikel 3.2 van de URLB 2011 is met ingang van 2012 verplaatst naar artikel 3.3a van de URLB 2011, zonder dat tegelijkertijd de verwijzing naar artikel 3.2 in artikel 3.1 van de URLB 2011 is aangepast.8 Deze verwijzing wordt in het onderhavige onderdeel alsnog met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012 aangepast.

Artikel IV, onderdeel C (artikel 3.8 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

De ingevolge artikel 13, derde lid, van de Wet LB 1964 in artikel 3.8, onderdelen a en b, van de URLB 2011 opgenomen waarderingsvoorschriften voor maaltijden, respectievelijk huisvesting en inwoning, worden per 1 januari 2017 geactualiseerd.

Artikel IV, onderdeel D (artikel 3.13 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

De wijziging van artikel 3.13, derde lid, van de URLB 2011 betreft een technische aanpassing van de verwijzing naar artikel 13bis van de Wet LB 1964. Deze houdt verband met de wijziging van artikel 13bis van de Wet LB 1964 per 1 januari 2017 ingevolge de Wet uitwerking Autobrief II, waarbij tevens het twaalfde lid van voornoemd artikel wordt vernummerd tot achtste lid.

Artikel IV, onderdeel E (artikel 3.6a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

In het in de URLB 2011 in te voegen artikel 3.6a worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop voor de toepassing van het uit het BP 2017 voortvloeiende artikel 12a, derde en vierde lid, van de Wet LB 1964 wordt vastgesteld of het zogenoemde de-minimisplafond geacht wordt al dan niet te zijn overschreden. De inhoudingsplichtige dient hiertoe een zogenoemde de-minimisverklaring in te dienen bij RVO.nl. Deze verklaring is te vinden op de website van RVO.nl. Vervolgens meldt RVO.nl aan de inhoudingsplichtige of, uitgaande van de door de inhoudingsplichtige aangeleverde gegevens en van de in artikel 12a, vierde lid, van de Wet LB 1964 opgenomen formule, het de-minimisplafond als gevolg van het toepassen van de in artikel 12a, derde lid, van Wet LB 1964 opgenomen versoepeling van de gebruikelijkloonregeling is overschreden. Pas als uit deze melding blijkt dat, uitgaande van de door de inhoudingsplichtige aangeleverde gegevens en van de in artikel 12a, vierde lid, van de Wet LB 1964 opgenomen formule, het de-minimisplafond niet wordt overschreden, mag de genoemde versoepeling van de gebruikelijkloonregeling worden toegepast. Het vorengaande is slechts van toepassing indien de genoemde versoepeling van de gebruikelijkloonregeling wordt toegepast met betrekking tot werknemers in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Indien de inhoudingsplichtige de versoepeling van de gebruikelijkloonregeling slechts toepast met betrekking tot directeur-grootaandeelhouders (dga’s) die niet zijn verzekerd voor de hiervoor genoemde verzekeringen mag de versoepeling van de gebruikelijkloonregeling worden toegepast zonder het indienen van de de-minimisverklaring. Er is dan per definitie geen sprake van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

In het vierde lid van het in te voegen artikel 3.6a van de URLB 2011 wordt geregeld dat met betrekking tot inhoudingsplichtigen die behoren tot een sector waarop met betrekking tot staatssteun een andere verordening van toepassing is dan de verordening, genoemd in artikel 12a, derde lid, van de Wet LB 1964, bij de toepassing van artikel 12a, derde en vierde lid, van de Wet LB 1964 wordt uitgegaan van de voor die sector van toepassing zijnde verordening. Het gaat hierbij om de landbouwsector en de visserij- en aquacultuursector. Voor deze sectoren zijn afzonderlijke verordeningen van toepassing met betrekking tot de-minimissteun.

Artikel IV, onderdeel F (artikel 6.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

De wijziging van artikel 6.2 van de URLB 2011 houdt verband met de vaststelling van de vermenigvuldigingsfactor ten behoeve van de berekening van een verlengd loontijdvak voor werknemers met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken. Voor het jaar 2017 wordt de vermenigvuldigingsfactor voor werknemers met aanspraken voor 20 of meer vakantiedagen per jaar gesteld op 260/229. De vermenigvuldigingsfactor voor werknemers met aanspraken voor 19 of minder vakantiedagen per jaar blijft ongewijzigd, namelijk 260/245.

Artikel IV, onderdeel G (artikel 6.4 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Met ingang van 2016 is artikel 26, vierde lid, van de Wet LB 1964 vernummerd tot artikel 26, derde lid.9 Abusievelijk is de verwijzing naar artikel 26, vierde lid, in artikel 6.4 van de URLB 2011 nog niet aan deze vernummering aangepast. In de onderhavige wijziging gebeurt dit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016 alsnog.

Artikel IV, onderdeel H (artikel 7.8 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Op grond van de Fvw 2017 vervalt artikel 28a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet LB 1964 met ingang van 2017. Met de onderhavige wijziging wordt daarom de verwijzing naar artikel 28a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet LB 1964 in artikel 7.8 van de URLB 2011 geschrapt.

Artikel IV, onderdeel I (artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Aan artikel 8.1 van de URLB 2011 wordt een onderdeel toegevoegd waarin krachtens artikel 31, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet LB 1964 wordt geregeld dat uitkeringen aan algemene bijstand ingevolge het Besluit bijstand zelfstandigen 2004 (Bbz) in het kader van de omzetting van in de vorm van een renteloze lening verstrekte algemene bijstand in een bedrag om niet, worden aangewezen als uitkeringen van publiekrechtelijke aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen. In het geval een gedeelte van de renteloze lening wordt kwijtgescholden ziet de aanwijzing alleen op dat gedeelte.

Met deze aanwijzing wordt een maatregel getroffen gericht op het oplossen van de problematiek van het ‘papieren inkomen’ dat zelfstandigen in de hiervoor bedoelde situatie genieten. Het inkomen van zelfstandigen die terugvallen op algemene bijstand en waarvan de in de vorm van een lening verstrekte algemene bijstand door de gemeente in een later jaar wordt omgezet in een bedrag om niet wordt in de praktijk aangeduid als ‘papieren inkomen’ omdat pas bij de omzetting sprake is van het fiscaal genieten van het bedrag dat eerst in de vorm van een lening is verstrekt. Door het fiscale genietingsmoment op het moment van omzetting wordt ook het toetsingsinkomen voor het recht op toeslagen pas in dat jaar beïnvloed.

Het college van burgemeester en wethouders kan als uitkeringsinstantie van de algemene bijstand op grond van artikel 11, tweede lid, van het Bbz besluiten tot omzetting van in de vorm van een renteloze geldlening verstrekte algemene bijstand in een bedrag om niet. Het college van burgemeester en wethouders is als uitkeringsinstantie van een dergelijke lening als gevolg van de omzetting de belasting en premie voor de volksverzekeringen over de uitkering als eindheffing verschuldigd. Door de aanwijzing in artikel 8.1, onderdeel e, van de URLB 2011 maakt de uitkering geen deel uit van het toetsingsinkomen voor toeslagen of andere inkomensafhankelijke regelingen.

Met deze aanpassing wordt gevolg gegeven aan de toezegging aan de Tweede Kamer te zoeken naar een oplossing en wordt ook tegemoetgekomen aan de wens van de Nationale ombudsman.10

Artikel V

Artikel V (artikel 1a.3 van de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte)

Artikel 1a.3 van de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte regelt welke gegevens moeten worden aangeleverd bij een jaarloonuitvraag. Dat artikel vervalt, omdat de mogelijkheid van de Belastingdienst om een jaarloonuitvraag te doen op grond van de Fvw 2017 wordt afgeschaft met ingang van 2017.

Artikel VI

Artikel VI, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

In artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt een verwijzing opgenomen naar het in het BP 2017 opgenomen artikel 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) en vervalt de verwijzing naar artikel 4 van de Wet DB 1965 in verband met een in het BP 2017 opgenomen aanpassing van het tweede lid van dat artikel. Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om enkele andere verwijzingen in artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 te preciseren.

Artikel VI, onderdeel B (artikel 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

De in de artikelen 4, tweede lid, en 10, tweede lid, van de Wet DB 1965 opgenomen mogelijkheid om bij ministeriële regeling staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de EER (EER-staten) aan te wijzen komt ingevolge het BP 2017 te vervallen, omdat Nederland op basis van een belastingverdrag (met IJsland en Noorwegen) en een Tax Information Exchange Agreement (met Liechtenstein) gegevens kan uitwisselen met alle EER-staten die geen lid van de EU zijn (en alle drie de staten inmiddels zijn aangewezen). Met het vervallen van die mogelijkheid en daarmee ook het vervallen van de aanwijzing van de staten in artikel 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 is dus geen inhoudelijke wijziging beoogd. Voorts wordt in artikel 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 een verwijzing opgenomen naar het in het BP 2017 opgenomen artikel 10a van de Wet DB 1965.

Artikel VI, onderdeel C (artikelen 2 en 3 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

Het ingevolge het BP 2017 aan artikel 10 van de Wet DB 1965 toe te voegen zesde lid bevat een mogelijkheid om internationale organisaties aan te wijzen die in aanmerking komen voor de teruggaafregeling van artikel 10 van de Wet DB 1965. De lijst met de in dat kader aangewezen internationale organisaties wordt opgenomen in artikel 2 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Vanaf 1 januari 2017 kunnen de aangewezen internationale organisaties een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting indienen. Hiermee wordt de bestaande praktijk gecodificeerd.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het in de Fvw 2017 opgenomen artikel 4a van de Wet DB 1965 eenzelfde aanwijzingsbevoegdheid bevat voor de toepassing van de in het eerste lid van dat artikel opgenomen inhoudingsvrijstelling. De inwerkingtreding van dat artikel is voorzien op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 zal na de inwerkingtreding van genoemd artikel 4a hierop worden aangepast.

Het in het BP 2017 opgenomen artikel 10a van de Wet DB 1965 regelt de teruggaaf op verzoek van ingehouden dividendbelasting van een niet-ingezeten natuurlijke persoon of lichaam met aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap voor zover deze heffing hoger is dan de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk vennootschapsbelasting, die verschuldigd zou zijn indien de natuurlijke persoon, onderscheidenlijk het lichaam, in Nederland woonachtig, onderscheidenlijk gevestigd, zou zijn. Het gaat hierbij om de ingehouden dividendbelasting na vermindering met andere teruggaaf op basis van de Wet DB 1965 of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting. Op grond van het zesde lid van genoemd artikel 10a worden nadere regels gesteld voor het bepalen van de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn indien de natuurlijke persoon, onderscheidenlijk het lichaam, woonachtig, onderscheidenlijk gevestigd, zou zijn in Nederland. Het in dat kader in de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 op te nemen artikel 3 sluit aan bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het beleidsbesluit van 25 april 2016.11

Dit houdt in dat bij het bepalen van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als voordeel uit sparen en beleggen, alle aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) aan in Nederland gevestigde vennootschappen in aanmerking worden genomen en dat de overige bezittingen buiten beschouwing blijven. Voorts wordt rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5 van de Wet IB 2001, voor zover het heffingvrije vermogen niet reeds bij de heffing bij diezelfde persoon van de inkomstenbelasting in aanmerking is genomen. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor indien de niet-ingezeten natuurlijke persoon ook onroerende zaken in Nederland bezit. Als de rendementsgrondslag in Nederland van de persoon minder bedraagt dan het heffingvrije vermogen kan het bij de heffing van de inkomstenbelasting nog niet in aanmerking genomen gedeelte van het heffingvrije vermogen van dat jaar vervolgens in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de teruggaaf op basis van de onderhavige regeling.

Bij het bepalen van de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn indien het lichaam gevestigd zou zijn in Nederland worden slechts kosten in aanmerking genomen die rechtstreeks verband houden met de inning van de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969 aan in Nederland gevestigde vennootschappen. Koersverliezen en financieringskosten die betrekking hebben op de aandelen, winstbewijzen en geldleningen zijn niet aan te merken als kosten die rechtstreeks verband houden met de inning van de opbrengst. Kosten die verband houden met andere activiteiten, zoals bijvoorbeeld arbitrage-activiteiten, worden niet in aanmerking genomen. Ditzelfde geldt voor meegekocht dividend.

Artikel VII

Artikel VI, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

In artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 staan artikelen genoemd waaraan die regeling uitvoering geeft. In artikel 31b van die ministeriële regeling zijn bepalingen opgenomen waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 29, tiende lid, van de Wet OB 1968. Om die reden wordt laatstgenoemde bepaling nu vermeld in artikel 1, eerste lid, van genoemde ministeriële regeling. Voorts wordt met de aanpassing van artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 bewerkstelligd dat het ingevolge artikel V, onderdeel C, van het Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen (Stb. 2015, 544) met ingang van 1 januari 2016 vervallen artikel 9, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB 1968), niet langer wordt genoemd als een van de grondslagen waar de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 uitvoering aan geeft. Inhoudelijk wordt de materie die als grondslag artikel 9, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 kende thans geregeld door artikel 9a van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968, dat als grondslag artikel 11, zesde lid, van de Wet OB 1968 heeft. Laatstgenoemde bepaling staat al in de opsomming van artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 en behoeft dus niet bij deze regeling in genoemd artikel 1, eerste lid, te worden opgenomen. Met de laatstgenoemde aanpassing van genoemd artikel 1 wordt dan ook geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel VII, onderdeel B (artikel 31b van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

De totstandkoming van artikel 31b van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 vloeit voort uit de in artikel VI van de Fvw 2017 opgenomen wijziging van artikel 29 van de Wet OB 1968 in verband met de teruggaaf van omzetbelasting voor met name oninbare vorderingen. In laatstgenoemde bepaling is voorzien in een regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting in een aantal gevallen. Daarbij is ook bepaald dat een ondernemer de vordering die recht op teruggaaf van omzetbelasting kan geven, dat recht kan overdragen aan een andere ondernemer. In dat geval kan die andere ondernemer het recht op teruggaaf effectueren door daarvoor een verzoek te doen bij de inspecteur. In artikel 29, tiende lid, van de Wet OB 1968 is onder meer bepaald dat het verzoek om teruggaaf, bedoeld in het zesde lid van dat artikel, in afwijking van artikel 31, eerste en tweede lid, van die wet ter zake van elke vordering afzonderlijk wordt ingediend bij de inspecteur en dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de vorm en de inhoud van het verzoek en de wijze waarop het verzoek wordt ingediend. Artikel 31b van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 geeft hieraan invulling door voor te schrijven dat het teruggaafverzoek per aangiftetijdvak plaatsvindt op de door de inspecteur aangegeven wijze. In de uitvoeringstoets bij de voorgestelde wettelijke bepalingen is aangegeven dat met ingang van 2017 nog geen digitale kanaalondersteuning mogelijk is. Per 2017 is daarom hiervoor op de internetsite van de Belastingdienst een specifiek formulier beschikbaar waarmee het teruggaafverzoek kan worden gedaan.

Artikel VIII

Artikel VIII, onderdelen A, D, E en G tot en met L (artikelen 1:2, 3:1, 3:2, 3:13a, 3:13b, 3:13c, 3:13e, 3:13f en 3:16c van de Algemene douaneregeling)

In de artikelen 1:2, 3:1, 3:2, 3:13a, 3:13b, 3:13c, 3:13e, 3:13f en 3:16c van de Adr zijn de verwijzigen naar Verordening 376/2008 en Verordening 507/2008 vervangen door een verwijzing naar Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 of, in voorkomend geval, Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239. Met deze aanpassingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.

Met het middel, bedoeld in artikel 3:13a, vierde lid, van de Adr, wordt het formulier bedoeld dat beschikbaar is gesteld door de Minister van Economische Zaken via het internetadres www.rvo.nl.

Artikel VIII, onderdelen B en C (artikelen 1:7 en 1:9 van de Algemene douaneregeling)

De wijzigingen van de artikelen 1:7 en 1:9 van de Adr zijn het gevolg van het overgaan van bepaalde taken van het directoraat-generaal Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het aanwijzen van de algemeen directeur van die rijksdienst als de bevoegde autoriteit.

Artikel VIII, onderdeel F (artikelen 3:4 tot en met 3:8 van de Algemene douaneregeling)

De materie die is geregeld in de artikelen 3:4 tot en met 3:8 van de Adr is thans geregeld in bijlage I en de artikelen 14, zevende lid, en 16, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239, respectievelijk artikel 4, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237. Nu de bepalingen van die Europese rechtshandelingen rechtstreekse werking hebben is er geen grond om de bepalingen in de Adr te handhaven.

Artikel IX

Artikel IX (overgangsrecht)

Teneinde de werking van het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 tot zijn recht te laten komen, blijven de artikelen 1:2, 3:1, 3:2, 3:4 tot en met 3:8, 3:13a, eerste lid, 3:13b, 3:13c, 3:13e, 3:13f en 3:16c van de Adr, zoals die artikelen luidden op 5 november 2016, van toepassing.

Artikel X

Artikel X, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling accijns)

In artikel 1 van de URA komen de verwijzingen naar de artikelen 71b en 71c van de Wet op de accijns te vervallen, omdat de desbetreffende artikelen met ingang van 1 januari 2017 vervallen ingevolge artikel VIII, onderdeel G, van de Fvw 2017. Daarnaast wordt de verwijzing naar artikel 71h, achtste lid, van de Wet op de accijns aangepast in die zin dat voortaan naar het zevende lid van dat artikel wordt verwezen. Dit in verband met de wijziging van genoemd artikel 71h ingevolge artikel IX, onderdeel C, van OFM 2017.

Artikel X, onderdeel B (artikel 18 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Ingevolge artikel VIII, onderdeel E, van de Fvw 2017 vervalt artikel 67 van de Wet op de accijns met ingang van 1 juli 2017. Laatstgenoemd artikel regelde tot genoemde datum met goedkeuring van de Europese Commissie een vrijstelling voor biobrandstoffen voor verwarming. Als gevolg van het vervallen van genoemd artikel 67 vervalt ook artikel 18, onderdeel e, van de URA met ingang van diezelfde datum.

Artikel X, onderdeel C (artikelen 35d, 35e en 47 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Ingevolge artikel VIII, onderdeel G, van de Fvw 2017 vervallen de artikelen 71b en 71c van de Wet op de accijns, die een gedeeltelijke teruggaaf van accijns regelden voor LPG gebruikt als motorbrandstof voor autobussen in het openbaar vervoer respectievelijk vuilniswagens, kolkenzuigers en straatveegwagens. Als gevolg hiervan vervallen ook de uitvoeringsbepalingen van genoemde artikelen 71b en 71c, opgenomen in de artikelen 35d respectievelijk 35e van de URA.

Artikel 47 van de URA bepaalt voor rooktabak voor welke hoeveelheden accijnszegels kunnen worden aangevraagd om op de verpakkingen aan te brengen. Het gaat dan bijvoorbeeld om verpakkingen met een veelvoud van 2,5 gram met een minimum van 10 gram of om aangewezen verpakkingen van 28, 29, 38, 39 of 58 gram. Dit artikel heeft zijn belang verloren. Destijds wilde men het aantal verpakkingsoorten beperken in verband met het aanvragen en drukken van accijnszegels. Tegenwoordig kunnen fabrikanten blanco accijnszegels aanvragen en daarop zelf de aanvullende gegevens drukken of kan de drukker printen ‘on demand’: elk gewenst soort zegel kan direct worden gedrukt. In de Tabaks- en rookwarenregeling is voor shag een minimumhoeveelheid van 30 gram opgenomen. Dit is veruit het belangrijkste product in de categorie rooktabak. Daarom kan artikel 47 van de URA vervallen. Voor de overige rooktabakproducten en voor shag in een verpakking van 30 gram of meer kunnen dan accijnszegels worden gebruikt met daarop vermeld het exacte gewicht van de diverse verpakkingen.

Artikel X, onderdeel D (artikel 60 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 60 van de URA regelt onder voorwaarden een ontheffing voor het voorhanden hebben van gasolie voorzien van herkenningsmiddelen in brandstoftanks van historische vaartuigen. In het eerste lid, onderdeel b, van genoemd artikel 60 wordt hiertoe verwezen naar artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet pleziervaartuigen. Deze wet is met ingang van 18 januari 2016 vervangen door de Wet pleziervaartuigen 2016. Daarom wordt nu verwezen naar artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van de Wet pleziervaartuigen 2016 met terugwerkende kracht tot en met 18 januari 2016. Met de onderhavige wijziging wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel XI

Artikel XI, onderdelen A en B (artikelen 1, 6a, 8 en 8d van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Ingevolge artikel VII, onderdeel B, onder 2, van de Wet uitwerking Autobrief II in samenhang met artikel X van OFM 2017 worden in artikel 9 van de Wet BPM 1992 twee leden ingevoegd en worden in verband daarmee de overige leden van artikel 9 van de Wet BPM 1992 vernummerd. Het oude tweede en elfde lid van artikel 9 van de Wet BPM 1992 worden vernummerd tot derde, respectievelijk dertiende lid van dat artikel. Met de wijzigingen in de onderhavige regeling worden de verwijzingen naar die vernummerde leden dienovereenkomstig aangepast. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

De verminderingen, bedoeld in de artikelen 8 en 8d, van de UR BPM 1992 behoren ook van toepassing te zijn op de belastingbedragen die overeenkomstig het ingevoegde tweede lid van artikel 9 van de Wet BPM 1992 zijn vastgesteld. Reden om dat laatstgenoemde lid ook in de verwijzingen in artikel 8, vijfde en zesde lid, en artikel 8d, eerste lid, van de UR BPM 1992 op te nemen.

Artikel XII

Artikel XII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

In artikel 1, eerste lid, van de URbm wordt de verwijzing naar artikel 92, tweede lid, van de Wbm aangepast omdat laatstgenoemde lid is vernummerd tot het zesde lid ingevolge artikel IX, onderdeel C, van de Fvw 2017. Voorts wordt in verband met de invoeging van artikel 20b ingevolge de URbm in artikel XII, onderdeel C, van deze regeling, artikel 60a van de Wbm ingevoegd in de opsomming van wetsartikelen in artikel 1, eerste lid, van de URbm waaraan de URbm uitvoering geeft. In samenhang met de invoeging van artikel 20c in de URbm ingevolge artikel XII, onderdeel D, van deze regeling, wordt ten slotte artikel 21e van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag (UBbm) ingevoegd in de genoemde opsomming van de bepalingen in artikel 1, eerste lid, van de URbm.

Artikel XII, onderdeel B (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel p, van de Wbm wordt onder meer een zakelijke eenheid aangemerkt als energie-intensief bedrijf als de verschuldigde energiebelasting en accijns op minerale oliën ten minste 0,5% van de toegevoegde waarde bedraagt. Gelet op overweging tien in samenhang met de artikelen 4, tweede lid, en 17, eerste lid, onderdeel a, van de Richtlijn energiebelastingen, waarop deze bepaling is gebaseerd, hoort bij de toepassing van het 0,5%-criterium ook de opslag duurzame energie meegenomen te worden.12 Om daarover geen misverstand te laten bestaan, wordt dit in artikel 15, eerste lid, van de URbm uitdrukkelijk bepaald.

Artikel XII, onderdeel C (artikel 20b van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

In artikel 21d, eerste lid, van het UBbm wordt bepaald dat het verlaagde tarief voor de levering van elektriciteit aan een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen slechts van toepassing is indien de elektriciteit via een aansluiting wordt geleverd en de verbruiker aan de energieleverancier een verklaring heeft overgelegd dat de elektriciteit die via de betreffende aansluiting geleverd wordt, uitsluitend wordt gebruikt in een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting en dat deze oplaadinstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken. In het ingevoegde artikel 20b van de URbm wordt bepaald uit welke onderdelen de verklaring, bedoeld in artikel 21d, eerste lid, van het UBbm, minimaal moet bestaan. Dit betreft behalve datgene wat over de elektriciteit en de oplaadinstallatie moet worden verklaard, de dagtekening, de naam en het adres van de verbruiker, de naam en het adres van de leverancier en de EAN-code van de aansluiting waarop de verklaring betrekking heeft.

Artikel XII, onderdeel D (artikel 20c van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Met de introductie van artikel 20c van de URbm wordt bepaald dat indien de verbruiker elektriciteit betrekt van meerdere leveranciers via één aansluiting de vermindering, bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Wbm zal worden toegepast door de leverancier die de elektriciteit levert via het primaire allocatiepunt. Hiermee wordt nadere invulling gegeven aan artikel 21e van het UBbm waarin is opgenomen dat wanneer sprake is van twee leveranciers op één aansluiting slechts één van de leveranciers de belastingvermindering toepast.

De voornoemde aanpassingen van het UBbm en de URbm hangen samen met de introductie van de mogelijkheid om meerdere leveranciers te hebben op één aansluiting. Die mogelijkheid zal worden gecreëerd door een wijziging in de Begrippencode elektriciteit en daarmee samenhangende bepalingen in de Informatiecode elektriciteit en gas, de Technische voorwaarden elektriciteit en de Tarievencode elektriciteit die door de Autoriteit Consument en Markt zal worden vastgesteld. Daarbij zullen in de Begrippencode elektriciteit ook de begrippen ‘primair -’ en ‘secundair allocatiepunt’ worden gedefinieerd. Artikel 20c van de URbm verwijst naar die begrippen. De belastingvermindering zal door de leverancier toegepast worden aan de hand van de registratie in het Centraal Aansluitingenregister waarin een onderscheid gemaakt wordt tussen de primaire en secundaire allocatiepunten. De aanpassingen bij artikel XII, onderdeel D, van deze regeling treden in werking op het tijdstip met ingang waarvan het begrip ‘primair allocatiepunt’ in de Begrippencode elektriciteit wordt gedefinieerd.

Artikel XII, onderdeel E (artikel 23 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

In verband met de digitalisering van de verzoeken om teruggaaf van belastingen op milieugrondslag wordt in het geval dat het verzoek via elektronische weg wordt ingediend bepaald dat de factuur of facturen, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de URbm, niet bij dat verzoek worden overgelegd maar desgevraagd aan de inspecteur worden verstrekt.

Artikel XII, onderdeel F (artikel 33 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Ingevolge de artikelen VI en IX, onderdeel C, van de Fvw 2017 wordt de regeling voor teruggaaf van betaalde belasting voor oninbare vorderingen vereenvoudigd voor zowel de omzetbelasting als de milieubelastingen. Dit is geregeld in artikel 29 van de Wet OB 1968 en artikel 92 van de Wbm. Artikel 92, zesde lid, van de Wbm voorziet in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere uitvoeringsregels te stellen. Dit is vanouds uitgewerkt in artikel 33 van de URbm. De genoemde vereenvoudiging regelt voor zowel de omzetbelasting als de milieubelastingen dat een vordering als oninbaar wordt aangemerkt, voor zover die vordering een jaar na het tijdstip van opeisbaar worden nog niet is ontvangen. Zoals ook vermeld in de memorie van toelichting bij de Fvw 2017, bestaat er gezien dit eenduidige criterium geen behoefte meer aan de in artikel 33 van de URbm geregelde aansluiting van de vermindering voor de milieubelastingen bij de teruggaaf van omzetbelasting voor dezelfde vordering. Artikel 33, tweede lid, van de URbm komt daarom te vervallen. In overleg met de sector wordt nog bezien welke regels in artikel 33 van de URbm kunnen worden opgenomen voor een eenduidige berekeningswijze van het in mindering te brengen belastingbedrag. Dit betreft met name de situatie dat de leverancier voorschotnota’s heeft uitgereikt, gevolgd door een eindfactuur over dezelfde verbruiksperiode. Bij gelegenheid kan artikel 33 van de URbm op dit punt worden aangevuld.

Artikel XIII

Artikel XIII (artikelen 1 en 20b van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Aangezien de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen slechts een tijdelijke maatregel bevat, die werkt tot 1 januari 2021, zijn de met die wet samenhangende wijzigingen in de URbm ook tijdelijk en komen eveneens te vervallen met ingang van 1 januari 2021. Artikel XIII draagt daarvoor zorg.

Artikel XIV

Artikel XIV, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In artikel 1, eerste lid, van de UR AWR 1994 wordt een verwijzing opgenomen naar het in het BP 2017 opgenomen artikel 10a van de Wet DB 1965.

Artikel XIV, onderdeel B (artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Artikel 21 van de UR AWR 1994 bepaalt dat de inspecteur met betrekking tot de erf- en schenkbelasting ontheffing verleent van de verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in te leveren of toe te zenden. Deze ontheffing wordt verleend indien de belastingplichtige binnen de voor het doen van aangifte gestelde termijn op een andere wijze de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan verstrekt en het stuk dat deze gegevens bevat duidelijk, stellig en zonder voorbehoud opstelt en ondertekent. Deze ontheffingsmogelijkheid betekent dat belastingplichtigen voor de erf- en schenkbelasting feitelijk vormvrij aangifte kunnen doen en leidt ertoe dat de Belastingdienst veel tijd besteedt aan deze, naast de reguliere aangiften erf- en schenkbelasting bestaande, afzonderlijke stroom documenten. De Belastingdienst moet beoordelen of deze documenten voldoen aan de voorwaarden van artikel 21 van de UR AWR 1994 en derhalve kan dienen als pseudo-aangifte. Deze tijd kan op doelmatigere wijze worden besteed in het reguliere aangiftetraject. Omdat de belastingplichtigen die van de pseudo-aangifte gebruikmaken ook op reguliere wijze aangifte kunnen doen vervalt genoemd artikel 21.

De ontheffing van de verplichting om de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in te leveren of toe te zenden vervalt om uitvoeringstechnische redenen eerst ter zake van aangiften erf- en schenkbelasting die worden gedaan vanwege een overlijden dat, onderscheidenlijk een schenking die, op of na 1 januari 2017 plaatsvindt. Ter zake van overige aangiften kan ook na 31 december 2016 nog ontheffing worden verleend.

Artikel XIV, onderdeel C (artikel 21c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Met de in het BP 2017 opgenomen aanpassing van artikel 10, eerste lid, vierde volzin, van de Wet DB 1965 worden de procedures voor de teruggaafverzoeken op grond van genoemd artikel en de teruggaafverzoeken op grond van het eveneens in het BP 2017 opgenomen artikel 10a van de Wet DB 1965 gelijkgetrokken. In verband daarmee wordt artikel 21c van de UR AWR 1994 aangepast. Daarnaast worden delen van het hiervoor genoemde beleidsbesluit van 25 april 2016 gecodificeerd in genoemd artikel 21c.

Artikel XIV, onderdeel D (artikel 26 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Op grond van artikel 26 van de UR AWR 1994 is de kalendermaand het tijdvak waarover de kansspelbelasting door aanbieders van speelautomaten, aanbieders van binnenlandse casinospelen of binnenlandse kansspelen die via internet worden gespeeld, of exploitanten van een kansspelautomatenspel moet worden betaald. Op grond van artikel 10 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) is dat dan ook het tijdvak waarover de aangifte moet worden gedaan. Met de invoeging van een nieuw lid in genoemd artikel 26 wordt bewerkstelligd dat een aangifte kansspelbelasting van voornoemde aanbieders van kansspelen voortaan onder bepaalde voorwaarden over een tijdvak van een kwartaal dient plaats te vinden. Er zijn thans ongeveer 700 organisatoren van kansspelen die maandelijks aangifte doen. Ongeveer 440 van deze organisatoren dragen elk gemiddeld ongeveer € 1.325 aan kansspelbelasting af per maand (op jaarbasis gaat dit om € 7 miljoen) waarvoor telkens op maandbasis een aangifte moet worden gedaan. In de praktijk betreft dit exploitanten van één kansspelautomaat of enkele kansspelautomaten. Belastingplichtigen die in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren per kwartaal gemiddeld niet meer belasting hebben betaald dan € 15.000 doen voortaan aangifte per kwartaal (voorwaarde a). Dit geldt niet voor belastingplichtigen die in het verleden onvoldoende compliant zijn geweest. Indien de belastingplichtige in kwestie in de voorafgaande twee kalenderjaren vaker dan tweemaal een naheffingsaanslag kansspelbelasting heeft ontvangen, blijft het tijdvak waarbinnen de aangifte kansspelbelasting moet worden gedaan gewoon een maand (voorwaarde b).

Artikel XIV, onderdeel E (artikel 32 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De wijziging in artikel 32, vijfde lid, tweede volzin, van de UR AWR 1994 is van redactionele aard.

Artikel XIV, onderdeel F (artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De Immigratie- en Naturalisatiedienst zal per 1 januari 2017 toetreden tot het convenant ten behoeve van Bestuurlijke en Geïntegreerde Aanpak Georganiseerde Criminaliteit, Bestrijding Handhavingsknelpunten en Bevordering Integriteitsbeoordelingen (LIEC/RIEC-convenant) en tot de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI). Artikel 43c, eerste lid, onderdelen m en w, van de UR AWR 1994 wordt hiermee in overeenstemming gebracht. Deze wijziging van artikel 43c van de UR AWR 1994 betekent dat voortaan ontheffing wordt verleend van de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 67 van de AWR, artikel 67 van de IW 1990 en artikel 10 van de Registratiewet, jegens de Immigratie- en Naturalisatiedienst voor zover het gegevens betreft die nodig zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen en een convenant is gesloten met de betreffende bestuursorganen of voor zover het gegevens betreft die nodig zijn voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten door middel van interventieteams ter voorkoming en terugdringing van belasting- en premiefraude, uitkeringsfraude, illegale tewerkstelling en de daarmee samenhangende misstanden.

Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om een redactionele verbetering aan te brengen.

Artikel XV

Artikel XV, onderdelen A en B (artikelen 1 en 5a van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

In het aan artikel 5a van de URBD 2003 toe te voegen vierde lid worden de landelijk directeuren en de directeur van het organisatieonderdeel Belastingdienst/Centrale administratie (B/CA) aangewezen als inspecteur en ontvanger voor de Wet tegemoetkomingen loondomein waarvan per 1 januari 2017 enkele artikelen in werking treden. In dat kader wordt tevens een verwijzing naar artikel 1.1, onderdeel j, van de laatstgenoemde wet opgenomen in artikel 1 van de URBD 2003.

Artikel XV, onderdeel C (artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Artikel 20, tweede lid, van de URBD 2003 benoemt een aantal instellingen die voor de heffing en invordering van omzetbelasting ressorten onder de landelijk directeur van de Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar (kantoor Den Haag). Omdat de Joint Aviation Authorities inmiddels als organisatie is opgeheven, dient deze organisatie verwijderd te worden uit de opsomming in genoemd artikel 20, tweede lid.

Artikel XVI

Artikel XVI, onderdeel A (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De wijziging in artikel 2, zesde lid, onderdeel a, van de URIW 1990 vloeit voort uit de wijziging van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de IW 1990, zoals opgenomen in het BP 2017. Met de laatstgenoemde wijziging wordt in artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de IW 1990 een fictieve vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel k, van de Wet IB 2001 aangemerkt als een reden tot het beëindigen van het uitstel van betaling van een conserverende belastingaanslag. In artikel 2, zesde lid, onderdeel a, van de URIW 1990 wordt een fictieve vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel k, van de Wet IB 2001 daarom eveneens aangemerkt als reden tot het beëindigen van het uitstel van betaling van de conserverende belastingaanslag. Hiermee wordt deze bepaling in de URIW 1990 in overeenstemming gebracht met de uit het BP 2017 voortvloeiende tekst van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de IW 1990.

De wijziging in artikel 2, zesde lid, onderdeel a, van de URIW 1990 geldt met terugwerkende kracht tot en met 25 oktober 2016, 17.30 uur. Ook de hiervoor genoemde wijziging van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de IW 1990, waarmee deze wijziging samenhangt, werkt namelijk terug tot en met dat tijdstip.

Artikel XVI, onderdeel B (hoofdstuk 1E en artikelen 6e en 6f van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In de URIW 1990 wordt een hoofdstuk 1E ingevoegd dat betrekking heeft op uitstel van betaling van rijksbelastingen en toeslagen in de privésfeer. In het in genoemd hoofdstuk op te nemen artikel 6f wordt een debiteurgerichte betalingsregeling voor belastingen in de privésfeer en toeslagen geïntroduceerd. Op grond van het eveneens in genoemd hoofdstuk op te nemen artikel 6e geldt deze debiteurgerichte betalingsregeling voor de inkomstenbelastingaanslagen en motorrijtuigenbelastingaanslagen van particulieren alsmede voor de toeslagschuld van particulieren en ondernemers. Het streven is om ook erf- en schenkbelastingaanslagen van particulieren op te nemen in de debiteurgerichte betalingsregeling zodra dit automatiseringstechnisch mogelijk is.

Bij de vormgeving van de debiteurgerichte betalingsregeling is gekozen voor een regeling die min of meer het midden houdt tussen de bestaande betalingsregelingen voor belastingen en toeslagen. Voor toeslagen heeft nu eenieder, ongeacht zijn betalingscapaciteit, de mogelijkheid tot het treffen van een standaardbetalingsregeling van 24 maanden. Voor belastingen bestaat thans voor particulieren de mogelijkheid van een standaardbetalingsregeling van maximaal 4 maanden en een maatwerkregeling gedurende maximaal 12 maanden op basis van betalingscapaciteit. In grote lijnen ziet de nieuwe debiteurgerichte betalingsregeling er als volgt uit:

  • a. een standaardregeling van maximaal 12 maanden, ongeacht betalingscapaciteit en vermogenspositie, waarbij de totale openstaande belasting- en toeslagschuld in (ten hoogste) 12 maandelijkse gelijke termijnen van minimaal € 50 wordt betaald (artikel 6f, eerste lid, van de URIW 1990), of

  • b. een maatwerkregeling van maximaal 24 maanden voor de totale openstaande belasting- en toeslagschuld, op basis van betalingscapaciteit en rekening houdend met de vermogenspositie, voor burgers met een relatief laag inkomen of hoge kosten voor levensonderhoud (waarna een eventuele restschuld voorwaardelijk wordt kwijtgescholden) (artikel 6f, tweede lid, van de URIW 1990).

Indien er tijdens een lopende betalingsregeling een schuld bijkomt, wordt er een nieuwe betalingsregeling aangeboden voor (het restant van) de oude en nieuwe schuld gezamenlijk, met een aangepast termijnbedrag en een looptijd van opnieuw maximaal 12 (standaardregeling) of 24 maanden (maatwerkregeling) (artikel 6f, achtste lid, van de URIW 1990). Voor zowel de standaard- als de maatwerkregeling geldt de verplichting tot voldoening van de termijnbedragen via automatische incasso (artikel 6f, derde lid, van de URIW 1990). Is in de betalingsregeling tevens motorrijtuigenbelastingschuld begrepen, dan stelt de ontvanger bovendien op grond van artikel 6f, vierde lid, van de URIW 1990 de voorwaarde dat de belastingschuldige, daaronder mede begrepen de toeslaggerechtigde, de ontvanger een machtiging tot automatische incasso verleent voor toekomstige verplichtingen tot betaling van motorrijtuigenbelasting ter zake van alle kentekens die op zijn naam zijn gesteld ten tijde van het aangaan van de betalingsregeling.

De maandelijkse termijnbedragen in het kader van een betalingsregeling worden als eerste afgeboekt op de oudste nog openstaande schuld, conform het huidige beleid voor belastingen.

Het initiatief voor het treffen van een betalingsregeling en – in geval van een standaardregeling – de duur ervan, wordt bij de belastingschuldige gelaten. Indien de termijnbedragen van de regeling niet tijdig of niet volledig worden betaald, trekt de ontvanger het uitstel in en kan hij overgaan tot verrekening en zo nodig dwanginvordering (artikel 6f, negende lid, van de URIW 1990).

Indien het ontstaan van de schuld, geheel of gedeeltelijk, aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten, kan de ontvanger op grond van het zesde lid van artikel 6f van de URIW 1990 een verzoek om een maatwerkregeling (en de eventueel daaropvolgende voorwaardelijk kwijtschelding) volledig afwijzen of een reeds verleende maatwerkregeling volledig intrekken. Opzet of grove schuld van de toeslagpartner is niet langer een reden om een verzoek om een maatwerkregeling af te wijzen. Hoewel toeslagen, anders dan voorlopige teruggaven inkomstenbelasting, op huishoudensniveau worden toegekend, is ervoor gekozen ook op dit onderdeel aan te sluiten bij het bestaande kwijtscheldingsregime voor belastingen waarin het handelen of nalaten van de echtgenoot van de belastingschuldige geen afwijzingsgrond is.

Ter illustratie enkele voorbeelden van de uitwerking van de debiteurgerichte betalingsregeling:

Voorbeeld 1:

Enkele schuld, betaling door middel van een standaardbetalingsregeling

Schuld = € 400

maand 1

maand 2

(…)

maand 8

       

€ 50

€ 50

 

€ 50

     

restantschuld

= € 0

Voorbeeld 2:

Cumulatie van schulden, betaling door middel vaneen standaardbetalingsregeling

Schuld = € 1.200, in de loop van het jaar 2e schuld van € 1.000

maand 1

(1-1-’17)

maand 2

(…)

1-5-‘17:

restant =

€ 800

(…)

maand 12

(1-12-’17)

   

€ 100

€ 100

 

aangepaste regeling:

       
     

maand 1

totaal =

€ 1.800

(...)

(...)

maand 12

(1-4-’18)

 
     

€ 150

€ 150

 

€ 150

restantschuld

= € 0

Voorbeeld 3:

Enkele schuld, betaling door middel van een maatwerkregeling (gevolgd door kwijtschelding restantschuld)

Schuld = € 1.200, betalingscapaciteit = € 25 per maand

maand 1

maand 2

(…)

   

maand 24

   

€ 25

€ 25

     

€ 25

 

restantschuld

= € 600

Voorbeeld 4:

Cumulatie van schulden, betaling door middel van een maatwerkregeling (gevolgd door kwijtschelding restantschuld)

Schuld = € 1.200, in de loop van het jaar 2e schuld van € 1.000, betalingscapaciteit = € 25

maand 1

(1-1-’17)

maand 2

(...)

1-5-’17:

restant =

€ 1.100

(...)

maand 24

(1-12-’18)

   

€ 25

€ 25

 

aangepaste regeling:

       
     

maand 1

totaal =

€ 2.100

(...)

(...)

maand 24

(1-4-’19)

 
     

€ 25

€ 25

 

€ 25

restantschuld

= € 1.500

Artikel XVI, onderdeel C (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Aan artikel 15 van de URIW 1990 wordt een vierde lid toegevoegd dat verband houdt met de invoering van de kostendelersnorm in artikel 22a van de Participatiewet. De kostendelersnorm is een bijstandsnorm die geldt voor meerpersoonshuishoudens, waarbij meerdere personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, ongeacht of het om familieleden of derden gaat. De kostendelersnorm houdt rekening met de voordelen van het delen van de kosten binnen één huishouden. Bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat wordt kwijtgescholden worden de woonlasten die van belang zijn voor het berekenen van de betalingscapaciteit evenredig verdeeld over de personen die deel uitmaken van het huishouden. Met deze wijziging van de URIW 1990 wordt aangesloten bij de systematiek van de Participatiewet.

Artikel XVI, onderdeel D (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Voor de bepaling van de kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13 van de URIW 1990, sluit artikel 16 van de URIW 1990 aan bij de bijstandsnormen van de Participatiewet. Met ingang van 1 januari 2015 is in artikel 22a van de Participatiewet een nieuwe bijstandsnorm ingevoerd, namelijk de kostendelersnorm. De kostendelersnorm geldt voor bijstandsgerechtigden in meerpersoonshuishoudens, waarbij twee of meer personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, ongeacht of het om familieleden of derden gaat. De kostendelersnorm houdt rekening met de voordelen van het delen van de kosten binnen één huishouden. De bijstandsuitkering voor personen op wie de kostendelersnorm van toepassing is, wordt lager naarmate er meer personen in de woning hun hoofdverblijf hebben. Kostendelers in de zin van de Participatiewet zijn alle meerderjarigen die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, met uitzondering van personen jonger dan 21 jaar, commerciële relaties (bijvoorbeeld huurders en kostgangers) en studenten. De wijziging in artikel 16, tweede lid, van de URIW 1990 heeft tot doel om aan te sluiten bij deze wijziging van de Participatiewet.

Artikel XVI, onderdeel E (artikel 18 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Bij een zogenoemde maatwerkbetalingsregeling op grond van het hiervoor toegelichte artikel 6f, tweede lid, van de URIW 1990 wordt rekening gehouden met de betalingscapaciteit en de vermogenspositie van de belastingschuldige en zijn eventuele echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. Het kan voorkomen dat de schuld niet volledig binnen 24 maanden wordt voldaan, omdat de betalingscapaciteit van de belastingschuldige en zijn eventuele echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, onvoldoende is. Deze belastingschuldige komt dan – indien aan alle voorwaarden wordt voldaan – in aanmerking voor voorwaardelijke kwijtschelding van de restschuld. In beginsel vindt na kwijtschelding geen verrekening meer plaats met uit te betalen bedragen. Met de onderhavige wijziging wordt op dit beginsel een uitzondering gemaakt voor de situatie waarin na het verlenen van kwijtschelding blijkt dat de voorschotten of voorlopige teruggaven inkomstenbelasting die tijdens de maatwerkregeling zijn toegekend te laag waren. In dat geval is bij het berekenen van het recht op kwijtschelding rekening gehouden met een te lage toeslag of voorlopige teruggaaf, waardoor ook de betalingscapaciteit te laag is vastgesteld en er, achteraf bezien, te veel is kwijtgescholden. Op grond van het aan artikel 18 van de URIW 1990 toe te voegen tweede lid wordt in dat geval de nabetaling alsnog verrekend met de kwijtgescholden schuld. In zoverre vindt kwijtschelding van restschuld voorwaardelijk plaats.

Artikel XVI, onderdeel F (artikelen 24 en 25 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De artikelen 24 en 25 van de URIW 1990 komen te vervallen. Deze bepalingen bevatten regels over de (administratieve) beroepsprocedure in geschillen over kwijtschelding. Ingevolge de Fvw 2017 wordt deze administratieve beroepsprocedure bij de directeur vervangen door een bezwaar- en beroepsprocedure bij de fiscale rechter. De nieuwe procedure wordt wettelijk vastgelegd, waardoor de genoemde bepalingen in de URIW 1990 kunnen vervallen.

Artikel XVI, onderdeel G (artikel 40ca van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De wijziging van artikel 40ca van de URIW 1990 is toegelicht in de toelichting op artikel III, onderdeel C.

Artikel XVII

Artikel XVII (overgangsrecht)

Met het ter zake van de wijziging van artikel 6f, achtste lid, van de URIW 1990 met ingang van 1 januari 2017 geldende overgangsrecht wordt bereikt dat ook na de inwerkingtreding van de bepalingen over de debiteurgerichte betalingsregeling, betalingsregelingen die reeds onder het oude regime zijn getroffen in stand blijven. Ook wordt met dit overgangsrecht de mogelijkheid van ‘shoppen’ tussen de regimes, oftewel de mogelijkheid om te kiezen voor de meest gunstige regeling, voorkomen.

Artikel XVIII

Artikel XVIII (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN)

Artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN verplicht de inlener en de aannemer tot het gebruik van het BSN bij de toepassing van de regels die van belang zijn voor de vaststelling van de hoogte van hun aansprakelijkheid. Het gaat daarbij om het BSN van een aan de inlener door de uitlener, onderscheidenlijk een aan de aannemer door de onderaannemer, ter beschikking gestelde werknemer. De werknemer is op grond van artikel 29 van de Wet LB 1964 verplicht zijn BSN aan de uitlener, onderscheidenlijk de onderaannemer, te verstrekken. De verplichting van de inlener, onderscheidenlijk de aannemer, tot gebruik van het BSN is van belang bij de vaststelling van (de hoogte van) de aansprakelijkheid van de inlener voor de loonbelasting van de uitlener, onderscheidenlijk de aansprakelijkheid van de aannemer voor de loonbelasting van de onderaannemer. Zowel voor vrijwaring van de aansprakelijkheid van een inlener of aannemer als voor de matiging van de hoogte van de aansprakelijkheid is onder meer vereist dat de inlener, onderscheidenlijk de aannemer, het BSN van de ter beschikking gestelde werknemer, heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden door de ter beschikking gestelde werknemer.

In de praktijk bestaat behoefte om de BSN’s van werknemers die zijn betrokken bij uitlening of onderaanneming rechtstreeks door de opdrachtnemers te laten verstrekken aan de inlener, onderscheidenlijk de aannemer. Dit biedt de beste waarborgen dat deze verstrekking ordentelijk plaatsvindt. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) mag een nummer dat ter identificatie van een persoon bij wet is voorgeschreven bij de verwerking van persoonsgegevens slechts worden gebruikt ter uitvoering van de betreffende wet dan wel voor doeleinden bij de wet bepaald. Met het nieuwe tweede lid van artikel 1 van de Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN worden daarom de uitlener en de onderaannemer verplicht tot het verstrekken van het BSN van ter beschikking gestelde werknemers aan de inlener, onderscheidenlijk de aannemer. Met deze wijziging van artikel 1 van de Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN wordt bewerkstelligd dat de door de praktijk gewenste werkwijze in overeenstemming is met artikel 24 van de Wbp. Gelet op artikel 49a, tweede lid, van de AWR is de onderhavige wijziging ter advisering voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De wijziging heeft de AP geen aanleiding gegeven tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

Artikel XIX

Artikel XIX (bijlage behorende bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst)

Ten tijde van de behandeling van de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst is het ingroeischema ter zake van berichtenstromen die uitsluitend elektronisch zullen worden verzonden met de Staten-Generaal gedeeld. In overeenstemming met het ingroeischema zal de aangiftebrief voor het belastingjaar 2016, die in de januari en februari 2017 zal worden verstuurd, uitsluitend elektronisch naar de Berichtenbox worden verzonden. Met de in artikel XIX, onder 1, opgenomen wijziging van de bijlage behorende bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst wordt deze uitsluitend elektronische verzending met ingang van het belastingjaar 2016 mogelijk gemaakt.

Ondernemers die ingevolge de Wet IB 2001 de aangifte inkomstenbelasting (IB) doen, deden deze aangifte tot nu toe bij de Belastingdienst via het persoonlijke domein voor ondernemers. Daartoe werd door de Belastingdienst een authenticatiemiddel verstrekt, zijnde een gebruikersnaam en wachtwoord. In plaats van deze authenticatiemiddelen zal deze groep de online-aangiftevoorziening op MijnBelastingdienst gaan gebruiken voor het doen van de aangifte. Zij kunnen met DigiD gaan inloggen op de online-aangiftevoorziening.

Voor de aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting (winst) wordt met ingang van 1 januari 2017 het zogenoemde BAPI-kanaal gesloten. Genoemde aangiften moeten dan met toepassing van Standard Business Reporting (dus in XBRL-formaat) via Digipoort worden ingediend, ofwel via het portaal MijnBelastingdienst Ondernemers. In verband met de hiervoor genoemde wijzigingen wordt ingevolge de in artikel XIX, onder 2, opgenomen wijzigingen van de bijlage behorende bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer het BAPI-kanaal niet meer genoemd als verplicht kanaal voor het indien van deze aangiften.

Voor de aangiften loonbelasting wordt het BAPI-kanaal met ingang van 1 maart 2017 gesloten. Genoemde aangiften moeten dan met toepassing van Standard Business Reporting (dus in XBRL-formaat) via Digipoort worden ingediend, of via het portaal MijnBelastingdienst Ondernemers.

Voor de aangiften loonbelasting sluit met ingang van 1 maart 2017 ook het FOS-kanaal (File Oriented Service), dat specifiek bestemd was voor massale berichtenstromen. Vanaf genoemde datum zullen ook deze massale berichtenstromen nog uitsluitend via SBR/Digipoort lopen. Met de in artikel XIX, onder 3, opgenomen wijziging van de bijlage behorende bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst wordt de tabel in die bijlage in overeenstemming gebracht met deze aanpassingen in de kanalen voor digitale aangiften loonbelasting.

Ingevolge Overige fiscale maatregelen 2016 zijn met ingang van 1 januari 2016 – met betrekking tot te rapporteren jaren die aanvangen op of na 1 januari 2016 – aanvullende gestandaardiseerde verplichtingen in de Wet Vpb 1969 opgenomen voor multinationale groepen ter zake van de verrekenprijzen die zij binnen het concern hanteren. Deze aanvullende verplichtingen – in de praktijk bekend als ‘country-by-country reporting’ – zijn opgenomen in hoofdstuk VIIa van de Wet Vpb 1969 en zien op het opstellen – en waar nodig verstrekken – van een landenrapport, een groepsdossier en een lokaal dossier. Met deze aanvullende verplichtingen heeft Nederland met betrekking tot te rapporteren jaren die aanvangen op of na 1 januari 2016 de uitkomst van actiepunt 13 van het OESO-project Base Erosion and Profit Shifting (BEPS-project) in opdracht van de G20 geïmplementeerd.

Bij de laatste wijziging van de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst13 is opgenomen op welke wijze de landenrapportages in het kader van de zogenoemde ‘country-by-country reporting’ op grond van artikel 29c van de Wet Vpb 1969 en de bijbehorende aanmelding van groepsentiteiten en rapporterende entiteiten op grond van artikel 29d van de Wet Vpb 1969 plaatsvindt. De landenrapportages geschieden via een zogenoemd system-to-systemkanaal: zij worden in XML-formaat ingezonden via Digipoort. Dit is een generieke voorziening van de e-overheid voor system-to-systemverkeer. Ook de aanmelding van de groepsentiteit of rapporterende entiteit was aanvankelijk voorzien via dit kanaal, hoewel in de praktijk ook andere vormen werden toegestaan. Inmiddels is een specifiek aanmeldportaal gerealiseerd. Deze wijze van elektronisch berichtenverkeer sluit beter aan bij de aard en frequentie van de aanmelding. De wijziging ingevolge artikel XIX, onder 4, regelt dat de bijlage behorende bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst met het voorstaande in overeenstemming wordt gebracht. Het aanmeldportaal is vanaf 7 december 2016 beschikbaar voor de berichten op grond van artikel 29d van de Wet Vpb 1969 en is vanaf 1 januari 2017 verplicht.

Ingevolge de in artikel XIX, onder 5, opgenomen wijzigingen van de bijlage behorende bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst worden verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting als bedoeld in artikel 10 van de Wet DB 1965 met ingang van 1 januari 2017 uitsluitend elektronisch naar de Belastingdienst verzonden. Er worden in de uitvoeringspraktijk drie groepen verzoeken onderscheiden. De eerste groep betreft de teruggaafverzoeken ter zake van rechtspersonen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet DB 1965. De tweede groep betreft teruggaafverzoeken ter zake van lichamen die gevestigd zijn in de EU of EER (artikel 10, tweede lid, van de Wet DB 1965) en lichamen die gevestigd zijn in de rest van de wereld (artikel 10, derde lid, van de Wet DB 1965). Hierbij gaat het ook om gevallen die voorvloeien uit verdragstoepassing als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Universele Nederlandse uitvoeringsvoorschriften 2015 inzake belastingverdragen, uitgezonderd het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, en de Belastingregeling Nederland Curaçao en in de artikelen 4 en 6 van de Nederlandse uitvoeringsvoorschriften belastingverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika 1992. De derde groep betreft verzoeken ter zake van instellingen die gebruikmaken van de zogenoemde grotegemachtigdenregeling. Dit betreft grote financiële instellingen (bijvoorbeeld banken en pensioenfondsen) die verzoeken om teruggaaf dividendbelasting namens natuurlijke personen (ondernemers of particulieren) doen.

De uitsluitend elektronische verzending door de eerste twee groepen is gerealiseerd met ingang van 22 februari 2016 en 9 augustus 2016. De teruggaafverzoeken door de eerste twee groepen worden vanaf die data uitsluitend elektronisch naar de Belastingdienst verzonden via het portaal MijnBelastingdienst Ondernemers, waarbij voor het inloggen een door de Belastingdienst verstrekte inlogcode, bestaande uit een gebruikersnaam en wachtwoord, wordt gebruikt. De wijze van aanvragen van deze inlogcode is opgenomen op de website van de Belastingdienst. Op dit moment is nog niet bekend vanaf welke datum de instellingen in de derde groep uitsluitend elektronisch een teruggaafverzoek zullen kunnen indienen. Zodra dit is bepaald zal daartoe de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst worden aangepast.

Ingevolge de in artikel XIX, onder 6, opgenomen wijziging van de bijlage bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst worden verzoeken om teruggaaf van energiebelasting als bedoeld in artikel 69 van de Wbm met ingang van 1 januari 2017 uitsluitend elektronisch naar de Belastingdienst gezonden. Het betreft de teruggaafverzoeken van algemeen nut beogende instellingen, kerkgenootschappen en multifunctionele centra. Deze verzoeken worden ingediend via het portaal MijnBelastingdienst voor ondernemers. Authenticatie geschiedt ook voor deze stroom met een door de Belastingdienst aan de desbetreffende instellingen afgegeven gebruikersnaam en wachtwoord.

Artikel XX

Artikel XX (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling verklaring rijksbelastingdienst over huishoudinkomen voor een inkomensafhankelijke huurverhoging)

Met de wijziging van artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling verklaring rijksbelastingdienst over huishoudinkomen voor een inkomensafhankelijke huurverhoging wordt een technische wijziging doorgevoerd die erin voorziet dat de in dat artikel opgenomen verwijzing naar artikel 7:252a, tweede lid, van het BW in overeenstemming wordt gebracht met de per 1 januari 2017 geldende tekst van laatstgenoemd artikel.

Artikel XXI

Artikel XXI (artikel 6.7 van de Uitvoeringsregeling Belastingwet BES)

Artikel 6.7, derde lid, van de UR BES stelt een aantal voorwaarden aan de vrijstelling in de algemene bestedingsbelasting (ABB) voor de diensten die worden geleverd door medische beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, onderdeel c, van de Belastingwet BES. Bij die voorwaarden wordt verwezen naar het Besluit beperking vestiging medische beroepsbeoefenaren BES. De naam en inhoud van dat besluit is gewijzigd waardoor het niet langer van toepassing kan zijn op artikel 6.7, derde lid, van de UR BES. De inhoud van dat besluit is dusdanig gewijzigd, waardoor een verwijzing naar het gewijzigde besluit geen oplossing is. De vrijstelling zou door de gewijzigde inhoud niet langer kunnen worden toegepast op paramedici.

De verwijzing naar het genoemde besluit wordt daarom vervangen door de zinsnede ‘voor de uitoefening van hun beroep als zodanig bevoegd en gediplomeerd zijn’. De voorwaarde dat men ‘gediplomeerd’ moet zijn, wordt ook als voorwaarde gesteld in de huidige tekst van artikel 6.7, derde lid, van de UR BES. De voorwaarde dat men ‘bevoegd’ moet zijn, staat niet in de huidige tekst van artikel 6.7, derde lid van de UR BES, maar was tot de naamswijziging toch van toepassing via het Besluit beperking vestiging medische beroepsbeoefenaren BES dat een vergelijkbare voorwaarde stelde.

Deze voorwaarde van ‘bevoegd’ zijn wordt gebruikt in dezelfde betekenis als die in artikel 1.1.1, onderdelen b tot en met g, van de Regeling aanspraken zorgverzekering BES. Aldaar wordt eveneens met betrekking tot verschillende medische beroepsbeoefenaren de voorwaarde dat men ‘bevoegd’ is gesteld.

Deze voorwaarde is toegevoegd in de tekst van artikel 6.7, derde lid, van de UR BES teneinde de materiële reikwijdte van de bepaling met het schrappen van de verwijzing naar het Besluit beperking vestiging medische beroepsbeoefenaren BES niet inhoudelijk te wijzigen. Daarmee wordt gewaarborgd dat conform de bedoeling van de Belastingwet BES alle (para-) medische beroepsbeoefenaren, genoemd in artikel 6.11, eerste lid, onderdeel c, van de Belastingwet BES, in de ABB-vrijstelling kunnen blijven delen.

Artikel XXII

Artikel XXII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen)

In artikel 1 van de UR WIB wordt aangegeven aan welke artikelen de UR WIB uitvoering geeft. De verwijzing naar artikel 4a, derde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) dient te vervallen nu hoofdstuk 1 van de UR WIB vervalt (zie voor een verdere toelichting in dit kader de toelichting op artikel XXII, onderdeel B).

Artikel XXII, onderdeel B (hoofdstuk 1 en artikelen 2 en 2a van de Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen)

Op grond van artikel 4a, derde lid, van de WIB, zoals dat artikel op 31 december 2015 luidde, kunnen in een ministeriële regeling de afhankelijke en geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel ii, van de spaarrenterichtlijn14, voor de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk IA van de WIB of bepalingen van die afdeling worden gelijkgesteld met een lidstaat. Voor de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk IA van de WIB is dat gebeurd in artikel 2a, eerste lid, van de UR WIB voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius, Saba, de Britse Maagdeneilanden, het Eiland Man, Guernsey, Jersey en Montserrat. Voor de toepassing van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de WIB, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk IA van de WIB, is dat gebeurd in artikel 2a, tweede lid, van de UR WIB voor de Turks- en Caicoseilanden, de Kaaimaneilanden en Anguilla.

Bij Richtlijn (EU) 2015/206015 is de spaarrenterichtlijn door de Raad van de Europese Unie met ingang van 1 januari 2016 ingetrokken. Ingevolge OFM 2017 vervalt artikel 4a, derde lid, van de WIB om die reden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016. Met het vervallen van artikel 4a, derde lid, van de WIB dient ook het daarop gebaseerde artikel 2a van de UR WIB te vervallen. In dat geval kan ook artikel 2 van de UR WIB vervallen, omdat de daarin opgenomen definitie enkel van belang is voor genoemd artikel 2a en dat artikel zoals gezegd met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016 vervalt. Omdat de artikelen 2 en 2a de enige artikelen van hoofdstuk 1 van de UR WIB zijn, kan dat hoofdstuk vervallen. Ook deze wijziging werkt terug tot en met 1 januari 2016.

In het ingevolge OFM 2017 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016 in te voeren artikel 34a van de WIB is voorzien in overgangsrecht, inhoudende dat onder meer genoemd artikel 4a, derde lid, van de WIB en het daarop gebaseerde artikel 2a van de UR WIB, zoals deze op 31 december 2015 luidden, van overeenkomstige toepassing zijn ter zake van rentebetalingen die vóór 1 januari 2016 hebben plaatsgevonden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij genoemd artikel 34a van de WIB in de memorie van toelichting bij OFM 2017.

Artikel XXIII

Artikel XXIII (artikel 3 van de Regeling aanwijzing rechtsgebieden Common Reporting Standard)

Artikel 3 van de Regeling aanwijzing rechtsgebieden CRS geeft uitvoering aan de delegatiebepaling van artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard (Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften CRS). Genoemd artikel 3 wijst rechtsgebieden aan ten behoeve van de eerste identificatie van financiële rekeningen met het oog op de automatische uitwisseling van inlichtingen op basis van de Common Reporting Standard (CRS). De rechtsgebieden die met ingang van 1 januari 2016 ingevolge genoemd artikel 3 zijn aangewezen, hebben zich ten overstaan van de G20 gecommitteerd aan automatische gegevensuitwisseling op basis van de CRS (over het jaar 2016 dan wel het jaar 2017). Nadien hebben vijf nieuwe rechtsgebieden zich gecommitteerd aan automatische gegevensuitwisseling op basis van de CRS (over het jaar 2017), te weten Bahrein, Koeweit, Libanon, Nauru en Vanuatu. Deze rechtsgebieden worden aan de reeds aangewezen rechtsgebieden toegevoegd. Hiermee biedt de Regeling aanwijzing rechtsgebieden CRS voor zover nodig rapporterende financiële instellingen een juridische basis om ook ten aanzien van deze rechtsgebieden waarmee pas op enig moment na 1 januari 2017 een CRS-overeenkomst tot stand komt (op grond waarvan in het jaar 2018 over het jaar 2017 CRS-informatie moet worden uitgewisseld) de identificatieprocedures, bedoeld in de artikelen 4 en 6 van het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften CRS, toe te passen. Met de onderhavige wijziging wordt bewerkstelligd dat de rapporterende financiële instellingen de op hun rustende rapportageverplichtingen krachtens de artikelen 10b tot en met 10f van de WIB tijdig kunnen nakomen ten aanzien van alle in de Regeling aanwijzing rechtsgebieden CRS aangewezen rechtsgebieden.

De andere wijziging van genoemd artikel 3 betreft een redactionele verbetering.

Artikel XXIV

Artikel XXIV (inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Voor een aantal wijzigingen is in een inwerkingtreding met terugwerkende kracht of met een latere datum voorzien. Waar dat het geval is, is dat toegelicht bij de toelichting op de betreffende onderdelen.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes

Eindejaarsregeling; voorstellen zonder of met marginale impact

Beschrijving voorstel/regeling

In de verzamelregeling zijn wijzigingen opgenomen ten behoeve van de jaarlijkse aanpassing van de diverse uitvoeringsregelingen. In de meeste gevallen betreft het wijzigingen die geen of slechts een marginale impact hebben op de uitvoering.

Wijzigingen zonder impact

  • Artikel I, onderdeel A: art. 6 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;

  • Artikel I, onderdeel C: art. 9 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;

  • Artikel I, onderdelen D en E: art. 17 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;

  • Artikel II: art. 13 Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001;

  • Artikel III, onderdeel C: art. 6 Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Artikel XVI, onderdeel G: art. 40ca Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;

  • Artikel IV, onderdeel A: art. 1.1 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011;

  • Artikel IV, onderdeel B: art. 3.1 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011;

  • Artikel IV, onderdeel F: art. 6.2 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011;

  • Artikel IV, onderdeel G: art. 6.4 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011;

  • Artikel IV, onderdeel H: art. 7.8 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011;

  • Artikel VI, onderdeel A: art. 1 Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965;

  • Artikel VI, onderdeel B: art. 1a Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965;

  • Artikel VII, onderdeel A: art. 1 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968;

  • Artikel VIII, onderdelen A, D, E en G tot en met L: artt. 1:2, 3:1, 3:2, 3:13a, 3:13b, 3:13c, 3:13e, 3:13f en 3:16c Algemene douaneregeling;

  • Artikel VIII, onderdelen B en C: artt. 1:7 en 1:9 Algemene douaneregeling;

  • Artikel VIII, onderdeel F: artt. 3:4 tot en met 3:8 Algemene douaneregeling;

  • Artikel IX: diverse artikelen Algemene douaneregeling;

  • Artikel X, onderdeel D: art. 60 Uitvoeringsregeling accijns;

  • Artikel XI, onderdelen A en B: artt. 1, 6a, 8 en 8d Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992;

  • Artikel XII, onderdeel A: art. 1 Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag;

  • Artikel XIV, onderdeel E: art. 32 Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994;

  • Artikel XX: art. 1 Uitvoeringsregeling verklaring rijksbelastingdienst over huishoudinkomen voor een inkomensafhankelijke huurverhoging;

  • Artikel XXI: art. 6.7 Uitvoeringsregeling Belastingwet BES;

  • Artikel XXII, onderdeel A: art. 1 Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen;

  • Artikel XXII, onderdeel B: hoofdstuk 1 en artt. 2 en 2a Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen;

  • Artikel XXIII: art. 3 Regeling aanwijzing rechtsgebieden Common Reporting Standard;

Wijzigingen die uitwerking geven aan wijzigingen in formele regelgeving

  • Artikel I, onderdeel B: art. 6a Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;

  • Artikel III, onderdeel A en C: artt. 1, 7 en 8 Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

  • Artikel III, onderdeel D: art. 9ter Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

  • Artikel IV, onderdeel D: art. 3.13 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011;

  • Artikel IV, onderdeel E: art. 3.6a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011

  • Artikel V: art. 1a.3 Regeling gegevensuitvraag loonaangifte;

  • Artikel VI, onderdeel C: artt. 2 en 3 Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965;

  • Artikel X, onderdeel A: art. 1 Uitvoeringsregeling accijns;

  • Artikel X, onderdeel B: art. 18 Uitvoeringsregeling accijns;

  • Artikel X, onderdeel C: artt. 35d, 35e en 47 Uitvoeringsregeling accijns;

  • Artikel XII, onderdeel B: art. 15 Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag;

  • Artikel XII, onderdeel C: art. 20b Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag;

  • Artikel XII, onderdeel F: art. 33 Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag;

  • Artikel XIII: artt. 1 en 20b Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag;

  • Artikel XIV, onderdeel A: art. 1 Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994;

  • Artikel XIV, onderdeel C: art. 21c Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994;

  • Artikel XV, onderdelen A en B: artt. 1 en 5a Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003;

  • Artikel XV, onderdeel C: art. 20 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003;

  • Artikel XVI, onderdeel A: art. 2 Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990

  • Artikel XVI, onderdeel B: artt. 6e en 6f Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990;

  • Artikel XVI, onderdeel C: art. 15 Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990;

  • Artikel XVI, onderdeel D: art. 16 Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990;

  • Artikel XVI, onderdeel E: art. 18 Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990;

  • Artikel XVI, onderdeel F: artt. 24 en 25 Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990;

  • Artikel XVII: art. 6f Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.

Wijzigingen op verzoek van de Belastingdienst

  • Artikel III, onderdeel B: art. 5 Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regeling;

  • Artikel VII, onderdeel B: art. 31b Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968;

  • Artikel XII, onderdeel E: art. 23 Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag;

  • Artikel XIV, onderdeel F: art. 43c Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994;

  • Artikel XVIII: art. 1 Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN;

  • Artikel XIX: bijlage Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst.

Wijzigingen die een beperkte impact hebben op het beslag portfolio

  • Artikel IV, onderdeel C: art. 3.8 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

Interactie burgers/bedrijven

De wijzigingen worden waar nodig meegenomen in de reguliere communicatie.

Maakbaarheid systemen

De wijzigingen die een beperkte impact hebben op het beslag portfolio vallen onder de jaaraanpassingen.

Handhaafbaarheid

Niet van toepassing.

Fraudebestendigheid

Niet van toepassing.

Bijdrage complexiteitsreductie

Met de wijzigingen op verzoek van de Belastingdienst worden in de uitvoeringspraktijk gesignaleerde onduidelijkheden weggenomen.

Risico procesverstoringen

Het risico op procesverstoringen is klein.

Uitvoeringskosten

Waar kosten gemoeid zijn met de communicatie, worden deze binnen de Belastingdienst opgevangen.

Personele gevolgen

Er zijn geen personele gevolgen.

Invoeringsmoment

Conform de in de verzamelregeling (artikel XXIV) voor de verschillende bepalingen opgenomen invoeringsmomenten.

Eindoordeel

De voorstellen zijn uitvoerbaar.

Artikel XIV, onderdeel B: voorgeschreven aangiftemodel Erf- en Schenkbelasting

Beschrijving voorstel/regeling

Voor de aangiften erf- en schenkbelasting geldt op dit moment nog geen voorgeschreven aangiftemodel. Voldoende is dat de gegevens correct en volledig worden aangeleverd en worden ondertekend. Met dit voorstel vervalt de mogelijkheid van een vormvrije aangifte: voor overlijden en schenkingen op of na 1 januari 2017 moet volgens het voorgeschreven aangiftemodel aangifte worden gedaan.

Interactie burgers/bedrijven

De vormvaste aangifte kan tot een merkbare verandering leiden voor een kleine groep burgers die nu nog meerdere malen vormvrij aangifte doet.

Met de softwareontwikkelaars en de KNB (notarissen) is overleg gevoerd over de implementatie van de maatregel. Om de impact voor de notarissen zoveel mogelijk beperkt te houden, biedt de Belastingdienst hun een alternatieve digitale voorziening.

De dialoogondersteuning voor Belastingtelefoon en Webcare moet worden aangepast, dit valt onder reguliere jaaraanpassingen.

Maakbaarheid systemen

De aangiften erfbelasting en schenkbelasting zijn per 1 januari 2017 beschikbaar in papieren en digitale vorm. Een vormvrije (brief) aangifte is dan niet meer mogelijk. Om die reden worden de aangiften aangepast zodat deze fiscaal dekkend zijn en ook uitzonderlijke situaties daarin opgenomen zijn. Dit is gerealiseerd per belastingjaar 2017. In de overige systemen is de impact beperkt.

Handhaafbaarheid

Afschaffing van de vormvrijheid bevordert de eenduidigheid van zowel de ingeleverde aangiften erfbelasting als aangiften schenkbelasting en voorkomt in combinatie met een duidelijke toelichting (zowel juridische als operationele) interpretatiefouten. Dit heeft een positief effect op de compliance (compliance by design). De data die uit de aangiften komen, hebben een hogere kwaliteit. Dit komt de handhavingsregie ten goede.

Fraudebestendigheid

Niet van toepassing.

Bijdrage complexiteitsreductie

Het voorstel levert een positieve bijdrage aan complexiteitsreductie. Door de vaste structuur van de aangifte worden er minder fouten gemaakt bij het invullen en bij het verwerken door de Belastingdienst. Dit vermindert voor burgers het aantal contactmomenten met de Belastingdienst en de noodzaak fouten te herstellen.

Risico procesverstoringen

Door de introductie van de vormvaste aangifte wordt het risico op procesverstoringen verkleind.

Uitvoeringskosten

De kosten vallen binnen het beschikbare budget voor de jaaraanpassingen.

Personele gevolgen

Er zijn geen personele gevolgen.

Invoeringsmoment

Invoering is mogelijk per: 1 januari2017.

Eindoordeel

Het voorstel is uitvoerbaar.

Artikel XI, onderdeel D: slechts één keer vermindering, ook bij meerdere leveranciers

Beschrijving voorstel/regeling

Binnenkort wordt het mogelijk dat de levering van elektriciteit op een aansluiting plaatsvindt door meerdere leveranciers. Om te borgen dat de belastingvermindering, bedoeld in artikel 63 van de Wbm, slechts één keer per aansluiting kan worden toegepast wordt in het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag opgenomen dat slechts één leverancier de belastingvermindering kan toepassen. Welke leverancier de vermindering kan toepassen, wordt nader geregeld in de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Daarbij wordt aangesloten bij het onderscheid tussen primaire en secundaire allocatiepunten. In de Uitvoeringsregeling wordt opgenomen dat de belastingvermindering toegepast door de leverancier die elektriciteit levert op het primaire allocatiepunt.

Interactie burgers/bedrijven

Op basis van nog te maken regelgeving van de ACM moeten energieleveranciers in het zogenoemde aansluitingenregister vastleggen wat het primaire allocatiepunt is. Daarmee komt eenduidig vast te staan welke leverancier de belastingvermindering kan toepassen.

Maakbaarheid systemen

De vermindering wordt uitgevoerd door de energieleveranciers. Bij de Belastingdienst zijn geen systeemaanpassingen nodig.

Handhaafbaarheid

Bij de controle van de energieleveranciers moet een extra check worden uitgevoerd. Dat kan worden meegenomen tijdens de controle en vraagt geen afzonderlijke toezichtacties. Deze wijziging leidt daarom niet tot een (structurele) toename van de uitvoeringskosten. Ook moet het aansluitingenregister worden aangepast, zodat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld wat op een bepaald moment het primaire allocatiepunt was.

Fraudebestendigheid

Beperkte toename van de fraudekansen. Beheersbaar met adequate controle bij de leveranciers.

Bijdrage complexiteitsreductie

Niet van toepassing.

Risico procesverstoringen

De vermindering wordt toegepast door de leverancier. De processen van de Belastingdienst worden niet geraakt.

Uitvoeringskosten

Beperkt toename van de controle-inspanning. Dit wordt opgevangen binnen de bestaande capaciteit.

Personele gevolgen

Er zijn geen personele gevolgen.

Invoeringsmoment

Invoering is mogelijk per: 1 januari 2017.

De beperking van de belastingvermindering tot de levering op het primaire allocatiepunt, kan pas worden ingevoerd als de ACM-regelgeving met betrekking tot het onderscheid tussen primaire en secundaire allocatiepunten rond is.

Eindoordeel

Het voorstel is uitvoerbaar.

Artikel IV, onderdeel I: aanwijzing eindheffing Bbz

Beschrijving voorstel/regeling

Aan artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 wordt onderdeel e toegevoegd. Zelfstandigen die terugvallen op algemene bijstand, kunnen deze bijstand in de vorm van een renteloze lening krijgen die onder voorwaarden in een later jaar kan worden kwijtgescholden. Dit kan gevolgen hebben voor het toetsingsinkomen voor o.a. toeslagen.

Door de aanwijzing in artikel 8.1, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 maakt de uitkering geen deel uit van het toetsingsinkomen voor toeslagen of andere inkomensafhankelijke regelingen.

Interactie burgers/bedrijven

De regeling zal in het Handboek LH 2017 worden opgenomen. De communicatie aan de gemeenten zal door SZW worden verzorgd door middel van de Verzamelbrief SZW.

Maakbaarheid systemen

De eindheffing kan in de loonaangifte onder de bestaande rubriek ‘Eindheffing publiekrechtelijke uitkeringen en tijdelijke knelpunten van ernstige aard’ worden aangegeven. Een aanpassing is daarom niet nodig. Omdat dit een samengestelde rubriek is, is de omvang van deze eindheffing Bbz niet als zodanig herkenbaar.

Handhaafbaarheid

Niet van toepassing.

Fraudebestendigheid

Niet van toepassing.

Bijdrage complexiteitsreductie

Niet van toepassing.

Risico procesverstoringen

Er is geen risico op procesverstoringen.

Uitvoeringskosten

Er zijn geen incidentele of structurele uitvoeringskosten.

Personele gevolgen

Er zijn geen personele gevolgen.

Invoeringsmoment

Invoering is mogelijk per: 1 januari 2017.

Eindoordeel

De regeling is uitvoerbaar.

Artikel XIV, onderdeel D: aanpassing Awr mogelijkheid kwartaalaangifte kansspelbelasting

Beschrijving voorstel/regeling

In de Eindejaarsregeling wordt voor kleine compliante belastingplichtigen de mogelijkheid gecreëerd vanaf 1 januari 2017 de aangifte Kansspelbelasting per kwartaal te doen in plaats van per maand.

Interactie burgers/bedrijven

De belastingdienst gaat kleine compliante belastingplichtigen (< € 5.000 per maand) de mogelijkheid bieden de aangifte per kwartaal te doen. Zij hoeven dan per jaar nog maar vier keer aangifte te doen in plaats van twaalf keer. Het voorstel moet worden gecommuniceerd en kan meelopen met de overige communicatie over deze regeling.

Maakbaarheid systemen

Het betreft een kleine aanpassing in de applicatie.

Handhaafbaarheid

Niet van toepassing.

Fraudebestendigheid

Niet van toepassing.

Bijdrage complexiteitsreductie

Niet van toepassing.

Risico procesverstoringen

Het risico op procesverstoringen is klein.

Uitvoeringskosten

De kosten voor de aanpassingen vallen binnen het beschikbare budget voor de jaaraanpassingen.

Personele gevolgen

Er zijn geen personele gevolgen.

Invoeringsmoment

Invoering is mogelijk per: 1 januari 2017.

Eindoordeel

Het voorstel is uitvoerbaar.

Artikel I, onderdeel F: afkoop lijfrente bij arbeidsongeschiktheid

Beschrijving voorstel/regeling

Een belastingplichtige mag bij langdurige arbeidsongeschiktheid een lijfrente geheel of gedeeltelijk afkopen zonder dat hierover revisierente is verschuldigd. Hiervoor dient de belastingplichtige een verklaring van een arts te hebben. Op grond van de wijziging in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 kan in plaats van voornoemde verklaring ook een bewijs worden overgelegd waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de belastingplichtige periodieke uitkeringen vanwege arbeidsongeschiktheid ontvangt of gaat ontvangen.

Interactie burgers/bedrijven

Burgers konden eerder hun lijfrente niet zonder revisierente afkopen als ze geen verklaring van een arts konden krijgen. Positief voor hen is dat de mogelijkheden om langdurige arbeidsongeschiktheid aannemelijk te maken toenemen. Bij de Belastingtelefoon, website en kanaal online wordt content aangepast om burgers hierover te informeren.

Maakbaarheid systemen

De aangifteprogramma’s voor de inkomstenbelasting moeten worden aangepast. Dit is niet meer mogelijk voor de voorlopige-aanslagregeling 2017, wel voor de definitieve aanslagregeling 2017.

Ook andere producten moeten worden aangepast: het handboek loonheffingen en de nieuwsbrief loonheffingen voor verzekeraars.

Handhaafbaarheid

Niet van toepassing.

Fraudebestendigheid

Niet van toepassing.

Bijdrage complexiteitsreductie

Niet van toepassing.

Risico procesverstoringen

Het risico op procesverstoringen is klein.

Uitvoeringskosten

De ontwikkelkosten vallen binnen het beschikbare budget voor de jaaraanpassingen. In het toezicht is er geen impact.

Personele gevolgen

Er zijn geen personele gevolgen.

Invoeringsmoment

Invoering is mogelijk per: 1 januari 2017.

Eindoordeel

Het voorstel is uitvoerbaar.


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nrs.566 en 567

X Noot
2

Brief aan de Tweede Kamer van 5 juli 2016, Kamerstukken II 2015/16, 31 066, nr. 268.

X Noot
3

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften inzake de vrijgave en de verbeurdverklaring van voor dergelijke certificaten gestelde zekerheden, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2535/2001, (EG) nr. 1342/2003, (EG) nr. 2336/2003, (EG) nr. 951/2006, (EG) nr. 341/2007 en (EG) nr. 382/2008 van de Commissie en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2390/98, (EG) nr. 1345/2005, (EG) nr. 376/2008 en (EG) nr. 507/2008 van de Commissie (PbEU 2016, L 206) en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 van de Commissie van 18 mei 2016 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten (PbEU 2016, L 206).

X Noot
4

Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PbEU 2008, L 114).

X Noot
5

Verordening (EG) nr. 507/2008 van de Commissie van 6 juni 2008 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en -hennep (PbEU 2008, L 149).

X Noot
6

De genoemde besluiten zijn raadpleegbaar op de site van de EC: http://ec.europa.eu/competition/state_aid/register/.

X Noot
9

Stb. 2015, 538.

X Noot
10

Kamerstukken II 2015/16, 31 066, nr. 293.

X Noot
11

Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2016, nr. DGB 2016/1731M (Stcrt. 2016, 22561).

X Noot
12

Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU 2003, L 283).

X Noot
14

Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEG 2003, L 157).

X Noot
15

Richtlijn (EU) 2015/2060 van de Raad van 10 november 2015 tot intrekking van Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEU 2015, L 301).

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl