Besluit van 26 juni 2026 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Invoeringsbesluit Omgevingswet, het Besluit bodemkwaliteit en het Drinkwaterbesluit (Verzamelbesluit Omgevingswet IENW bodem en water 2026)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 17 september 2025, nr. IenW/BSK-2025/153489, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 4.3., eerste lid, 18.2., zesde lid, en 2.24., eerste lid, van de Omgevingswet, artikel 4.14, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet, de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, en 9.5.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel 21, derde lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Drinkwaterwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 juni 2026, nr. W17.26.00081/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 23 juni 2026, nr. IENW/BSK-2026/104774, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I (WIJZIGING BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING)

Het Besluit activiteiten leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van paragraaf 3.2.21 komt te luiden:

§ 3.2.21 Graven in bodem

B

In artikel 3.48d, eerste lid, vervalt «met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA,».

C

In artikel 3.48e vervalt «met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit».

D

Paragraaf 3.2.22 vervalt.

E

Artikel 3.48l komt te luiden:

Artikel 3.48l. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48j, wordt voldaan aan de regels over het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.122.

F

In de artikelen 3.48m, eerste lid, en 3.48r, eerste lid, wordt na «op of in de bodem» ingevoegd «, anders dan in een oppervlaktewaterlichaam,».

G

Artikel 3.48o wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «op of in de bodem» ingevoegd «, anders dan in een oppervlaktewaterlichaam,».

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt «artikel 4.1222a of 4.1230a» vervangen door «artikel 4.1226».

H

Artikel 3.178, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt «met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit».

2. Onderdeel b vervalt, onder verlettering van de onderdelen c tot en met e tot b tot en met d.

I

In artikel 3.230, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen l tot en met p tot m tot en met q, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • l. de wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;.

J

In artikel 4.360 wordt «olie en koelvloeistof» vervangen door «motorolie, remolie, koelvloeistof, remvloeistof, accuzuur en vloeibare brandstoffen».

K

In artikel 4.576, eerste lid, aanhef, wordt na «remvloeistof» ingevoegd «, accuzuur».

L

In artikel 4.791b, eerste lid, wordt «of spoelwater» vervangen door «, spoelwater of ander water gebruikt voor het telen van gewassen op substraat, dat verontreinigd is,».

M

In artikel 4.791c, derde lid, wordt «toegediende totaal stikstof» vervangen door «geloosde totaal stikstof».

N

Aan artikel 4.791d wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Als via een mobiele zuiveringsvoorziening wordt gezuiverd, worden de registratie van de gezuiverde volumes en de facturen van het zuiveren ten minste vijf jaar bewaard.

O

Na artikel 4.791d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.791da. (informeren: wijze van zuiveren)

  • 1. Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, geïnformeerd over de wijze waarop in het voorafgaande kalenderjaar is voldaan aan artikel 4.791d:

    • a. door een zuiveringsvoorziening of zuiveringtechnisch werk dat alleen het drainwater of spoelwater van de eigen kas zuivert;

    • b. door een zuiveringsvoorziening of zuiveringtechnisch werk dat afvalwater van meer activiteiten zuivert;

    • c. door een mobiele zuiveringsvoorziening;

    • d. door geen gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken; of

    • e. door gedurende het hele jaar geen drainwater of spoelwater te lozen dat gewasbeschermingsmiddelen bevat.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de wijze van voldoen, bedoeld in het eerste lid, wijzigt, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

P

Artikel 4.791e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt «in een vuilwaterriool».

2. In het eerste lid vervalt «in een vuilwaterriool».

Q

De artikelen 4.791f en 4.791fa komen te luiden:

Artikel 4.791f. (water: meten)

  • 1. Voor het vaststellen van de hoeveelheid totaal stikstof en natrium in drainwater worden aan de hand van de gewassen die worden geteeld, de teeltoppervlakte en de teeltperiode per gewas gemeten:

    • a. de hoeveelheid drainwater die wordt geloosd in kubieke meters, waarbij de afwijking van het instrument dat voor de meting wordt gebruikt ten hoogste 5% is; en

    • b. het gehalte aan nitraatstikstof, ammoniumstikstof en natrium in het drainwater.

  • 2. De hoeveelheid en het gehalte worden gemeten per periode van vier weken, beginnend op de eerste dag van de eerste week.

  • 3. De resultaten van de metingen worden ten minste vijf jaar bewaard.

  • 4. Het instrument, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt ten minste eenmaal per drie jaar op de goede werking gecontroleerd en onderhouden door een deskundige op het gebied van dat instrument. Een bewijs van de controle en het onderhoud is beschikbaar.

  • 5. Als er onderbemaling aanwezig is, wordt ieder kwartaal het gehalte aan nitraatstikstof gemeten in het onderbemalingswater, ter signalering van lekkages. Als het nitraatgehalte meer is dan 5 mmol/l, worden maatregelen genomen om lekstromen te verhelpen.

Artikel 4.791fa. (informeren en gegevens en bescheiden: meetresultaten)

  • 1. Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een rapportage verstrekt met de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar:

    • a. welke gewassen er zijn geteeld;

    • b. de teeltoppervlakte per gewas; en

    • c. de teeltperiode per gewas.

  • 2. Als de totale teeltoppervlakte voor het telen van gewassen ten minste 2.500 m2 is, worden bij de rapportage ook de volgende gegevens verstrekt:

    • a. de hoeveelheid geloosd drainwater in kubieke meters, bedoeld in artikel 4.791, eerste lid, onderdeel a; en

    • b. de gehalten aan nitraatstikstof, ammoniumstikstof en natrium in het drainwater, bedoeld in artikel 4.791, eerste lid, onderdeel b.

R

Artikel 4.791g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt na «riooltekening» ingevoegd «en interne infrastructuur».

2. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

3. Er wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Er is een schematische tekening van de locatie, bedoeld in artikel 3.207, eerste lid, beschikbaar, waarop, als die aanwezig is, is aangegeven:

    • a. de werken en leidingen die zijn bedoeld voor het transport of de opslag van water dat is gerelateerd aan de teelt;

    • b. de gietwatervoorziening, waaronder de voorziening van regenwater met vermelding van de inhoud ervan in kubieke meters en de voorziening van aanvullend gietwater;

    • c. de route van de verschillende waterstromen waaronder gietwater, condenswater, drainwater, drainagewater, en filterspoelwater;

    • d. drainwater- en drainagewaterputten;

    • e. de watermeters;

    • f. de drainwatersilo’s en drainagewatersilo’s met vermelding van de inhoud ervan in kubieke meters;

    • g. de afvalwaterbuffer en de rioolbuffer met vermelding van de inhoud van deze buffers in kubieke meters;

    • h. de calamiteitenoverloop met watermeter en afdichting; en

    • i. het signaleringssysteem voor onbedoeld hoogwater in pompputten en opslagsilos voor drainwater en drainagewater.

S

Aan artikel 4.791ga wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Tot 1 januari 2030 kan in afwijking van artikel 4.791f, eerste lid, onder a, een afwijking van de nauwkeurigheid van ten hoogste 10% worden aangehouden voor instrumenten die op 1 januari 2026 al aanwezig waren.

T

In artikel 4.791h, onder c, wordt «spoelwater met gewasbeschermingsmiddelen» vervangen door «bemest spoelwater».

U

Aan artikel 4.791k wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Als via een mobiele zuiveringsvoorziening wordt gezuiverd, worden de registratie van de gezuiverde volumes en de facturen van het zuiveren ten minste vijf jaar bewaard.

V

Na artikel 4.791k wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.791ka. (informeren: wijze van zuiveren)

  • 1. Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, geïnformeerd over de wijze waarop in het voorafgaande kalenderjaar is voldaan aan artikel 4.791k:

    • a. door een zuiveringsvoorziening of zuiveringtechnisch werk dat alleen het drainwater of spoelwater van de eigen kas zuivert;

    • b. door een zuiveringsvoorziening of zuiveringtechnisch werk dat afvalwater van meer activiteiten zuivert;

    • c. door een mobiele zuiveringsvoorziening;

    • d. door geen gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken; of

    • e. door gedurende het hele jaar geen drainwater of spoelwater te lozen dat gewasbeschermingsmiddelen bevat.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de wijze van voldoen, bedoeld in het eerste lid, wijzigt, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

W

Artikel 4.791m wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «ten hoogste 10%» vervangen door «ten hoogste 5%».

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De instrumenten, bedoeld in het derde lid, worden ten minste eenmaal per drie jaar op de goede werking gecontroleerd en onderhouden door een deskundige op het gebied van die instrumenten. Een bewijs van de controle en het onderhoud is beschikbaar.

X

Artikel 4.791o komt te luiden:

Artikel 4.791o. (gegevens en bescheiden: rapportage)

  • 1. Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een rapportage verstrekt met de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar:

    • a. welke gewassen er zijn geteeld;

    • b. de teeltoppervlakte per gewas; en

    • c. de teeltperiode per gewas.

  • 2. Als de totale teeltoppervlakte voor het telen van gewassen 2.500 m2 of meer is, worden bij de rapportage ook de volgende gegevens verstrekt:

    • a. de hoeveelheid voedingswater en drainagewater, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder a, b en c;

    • b. de toegediende hoeveelheden totaal stikstof en totaal fosfor, op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder f en g; en

    • c. de hoeveelheden totaal stikstof en totaal fosfor in het geloosde drainagewater, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder c en d.

Y

Artikel 4.791p wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt na «riooltekening» ingevoegd «en interne infrastructuur».

2. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

3. Er wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Er is een schematische tekening van de locatie bedoeld in artikel 3.207, eerste lid, beschikbaar, waarop, als van toepassing, in ieder geval is aangegeven:

    • a. de werken en leidingen die zijn bedoeld voor het transport of de opslag van water dat is gerelateerd aan de teelt;

    • b. de gietwatervoorziening, waaronder de voorziening van regenwater met vermelding van de inhoud ervan in kubieke meters en de voorziening van aanvullend gietwater;

    • c. de route van de verschillende waterstromen waaronder gietwater, condenswater, drainwater, drainagewater, en filterspoelwater;

    • d. drainwater- en drainagewaterputten;

    • e. de watermeters;

    • f. de drainwatersilo’s en drainagewatersilo’s met vermelding van de inhoud ervan in kubieke meters;

    • g. de afvalwaterbuffer en de rioolbuffer met vermelding van de inhoud van deze buffers in kubieke meters;

    • h. de calamiteitenoverloop met watermeter en afdichting; en

    • i. het signaleringssysteem voor onbedoeld hoogwater in pompputten en opslagsilos voor drainwater en drainagewater.

Z

Aan artikel 4.791pa wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Tot 1 januari 2030 kan in afwijking van artikel 4.791m, derde lid, een afwijking van de nauwkeurigheid van ten hoogste 10% worden aangehouden voor instrumenten die op 1 januari 2026 al aanwezig waren.

AA

Artikel 4.791u wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt na «tekening» ingevoegd «en interne infrastructuur».

2. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

3. Er wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Er is een schematische tekening van de locatie bedoeld in artikel 3.207, eerste lid, beschikbaar, waarop, als van toepassing, in ieder geval is aangegeven:

    • a. de werken en leidingen die zijn bedoeld voor het transport of de opslag van water dat is gerelateerd aan de teelt;

    • b. de gietwatervoorziening, waaronder de voorziening van regenwater met vermelding van de inhoud ervan in kubieke meters en de voorziening van aanvullend gietwater;

    • c. de route van de verschillende waterstromen waaronder gietwater, condenswater, drainwater, drainagewater, en filterspoelwater;

    • d. drainwater- en drainagewaterputten;

    • e. de watermeters;

    • f. de drainwatersilo’s en drainagewatersilo’s met vermelding van de inhoud ervan in kubieke meters;

    • g. de afvalwaterbuffer en de rioolbuffer met vermelding van de inhoud van deze buffers in kubieke meters;

    • h. de calamiteitenoverloop met watermeter en afdichting; en

    • i. het signaleringssysteem voor onbedoeld hoogwater in pompputten en opslagsilos voor drainwater en drainagewater.

AB

Artikel 4.852 komt te luiden:

Artikel 4.852. (water: lozingsroute)

  • 1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalwater afkomstig van het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, worden vrijkomende vloeistoffen:

    • a. gelijkmatig verspreid over landbouwgronden; of

    • b. door een zuiveringsvoorziening geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit de vloeistoffen verwijdert. In dit geval is lozing via het riool toegestaan.

  • 2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, door een zuiveringsvoorziening geleid of geloosd via die andere route.

AC

Artikel 4.918 komt te luiden:

Artikel 4.918. (bodem: uitvoering opslagtank)

  • 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt de bovengrondse opslagtank zich boven of in een lekbak.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bovengrondse opslagtank:

    • a. gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt; of

    • b. dubbelwandig is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem of lekdetectiepotsysteem dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  • 3. Een bovengrondse opslagtank die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt is:

    • a. dubbelwandig uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL; of

    • b. enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in een ondergrondse bak die:

      • 1°. zich onder de opslagtank bevindt;

      • 2°. een systeem voor lekdetectie heeft;

      • 3°. vloeistofdicht is; en

      • 4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud heeft van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank.

  • 4. Een elektronisch lekdetectiesysteem, als bedoeld in het tweede lid onder b en derde lid onder a, wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  • 5. Een lekdetectiepotsysteem, als bedoeld in het tweede lid onder b, wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd. Bij het constateren van een gebrek wordt het systeem binnen vier weken hersteld. Van de verrichte controles wordt ten minste eenmaal per jaar een aantekening gemaakt.

  • 6. Een systeem voor lekdetectie als bedoeld in het derde lid onder b onder 2°:

    • a. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en

    • b. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.

  • 7. De resultaten van de beoordelingen en de aantekeningen van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

  • 8. Op een bovengrondse opslagtank van staal die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt en op een ondergrondse leiding van staal is kathodische bescherming aangebracht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

AD

Artikel 4.919 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de bovengrondse opslagtank vloeibare brandstoffen worden opgeslagen.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.923.

AE

In artikel 4.919a wordt «artikel 4.919, onder a,» vervangen door «artikel 4.919, eerste lid, onder a,» en wordt na «niet aangesloten op het vuilwaterriool» ingevoegd «, als in de bovengrondse opslagtank vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 worden opgeslagen die geen vloeibare brandstoffen zijn».

AF

Artikel 4.920 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «controle kathodische bescherming leiding van staal» vervangen door «keuring kathodische bescherming».

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de kathodische bescherming op een bovengrondse opslagtank van staal die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt en op een ondergrondse leiding van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

AG

Na artikel 4.920 worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.921. (bodem: stroomopdrukproef als geen kathodische bescherming is aangebracht)

  • 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt ten minste eenmaal per jaar een stroomopdrukproef verricht als op een bovengrondse opslagtank van staal die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt of op een ondergrondse leiding van staal geen kathodische bescherming is aangebracht.

  • 2. De stroomopdrukproef wordt verricht en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  • 3. De resultaten van stroomopdrukproeven worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.922. (water: lozingsroute)

  • 1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening die zich bevindt onder het aansluitpunt van een bovengrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen, geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in

    een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.923. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  • a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  • b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.924. (water: meetmethoden)

  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.924a. (overgangsrecht: kathodische bescherming)

Artikel 4.918, achtste lid, is niet van toepassing op een opslagtank of leiding die is geïnstalleerd voor 1 januari 2026.

AH

Artikel 4.930 komt te luiden:

Artikel 4.930. (bodem: uitvoering opslagtank)

  • 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt de bovengrondse opslagtank zich boven of in een lekbak.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bovengrondse opslagtank:

    • a. gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt; of

    • b. dubbelwandig is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem of lekdetectiepotsysteem dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  • 3. Een bovengrondse opslagtank die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt is:

    • a. dubbelwandig uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL; of

    • b. enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in een ondergrondse bak die:

      • 1°. zich onder de opslagtank bevindt;

      • 2°. een systeem voor lekdetectie heeft;

      • 3°. vloeistofdicht is; en

      • 4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud heeft van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank.

  • 4. Een elektronisch lekdetectiesysteem, als bedoeld in het tweede lid onder b en derde lid onder a, wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  • 5. Een lekdetectiepotsysteem, als bedoeld in het tweede lid onder b, wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd. Bij het constateren van een gebrek wordt het systeem binnen vier weken hersteld. Van de verrichte controles wordt ten minste eenmaal per jaar een aantekening gemaakt.

  • 6. Een systeem voor lekdetectie, als bedoeld in het derde lid onder b onder 2°:

    • a. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en

    • b. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.

  • 7. De resultaten van de beoordelingen en de aantekeningen van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

  • 8. Op een bovengrondse opslagtank van staal die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt en op een ondergrondse leiding van staal is kathodische bescherming aangebracht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

AI

Artikel 4.934 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «controle kathodische bescherming leiding van staal» vervangen door «keuring kathodische bescherming».

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de kathodische bescherming op een bovengrondse opslagtank van staal die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt en op een ondergrondse leiding van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

AJ

Na artikel 4.934 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.934a. (bodem: stroomopdrukproef als geen kathodische bescherming is aangebracht)

  • 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt ten minste eenmaal per jaar een stroomopdrukproef verricht als op een bovengrondse opslagtank van staal die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt of op een ondergrondse leiding van staal geen kathodische bescherming is aangebracht.

  • 2. De stroomopdrukproef wordt verricht en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  • 3. De resultaten van stroomopdrukproeven worden ten minste drie jaar bewaard.

AK

Tabel 4.938 komt te luiden:

Tabel 4.938 Keuringstermijnen

Type opslagtank en wand

Type vloeistof

Termijn eerste keuring in jaren

Termijn volgende keuringen in jaren

Staal enkelwandig en niet geplaatst in een ondergrondse bak als bedoeld in artikel 4.930, derde lid, onder b.

     

Geen volledige inwendige coating

Diesel, gasolie of huisbrandolie

10

10 of 81

Overige vloeistoffen

15

15

Volledige inwendige coating, maar voldoet niet aan BRL-K779 of niet aangebracht of bij beschadiging hersteld door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL

Diesel, gasolie of huisbrandolie

10

10 of 81

Overige vloeistoffen

15

20

Volledige inwendige coating die voldoet aan BRL-K779 en is aangebracht en bij beschadiging hersteld door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL

Alle vloeistoffen

20

20

Staal dubbelwandig met een systeem voor lekdetectie in de wand of enkelwandig en geplaatst in een ondergrondse bak als bedoeld in artikel 4.930, derde lid, onder b.

Alle vloeistoffen

20

20

Kunststof enkelwandig of dubbelwandig

Alle vloeistoffen

15

15

X Noot
1

afhankelijk van resterende tankwanddikte bij herkeuring:

– meer dan 4,5 mm: 10 jaar

– 4,5 mm of minder en ten minste 3,6 mm: 8 jaar

– minder dan 3,6 mm: afkeuring

AL

Aan paragraaf 4.94 worden twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 4.941c. (overgangsrecht: kathodische bescherming)

Artikel 4.930, achtste lid, is niet van toepassing op een opslagtank of leiding die is geïnstalleerd voor 1 januari 2026.

Artikel 4.941d. (overgangsrecht: keuring)

Artikel 4.938, vierde lid, is tot en met 31 december 2028 niet van toepassing op de termijnen, bedoeld in tabel 4.938, van 10 en 8 jaar, als het gaat om een bovengrondse opslagtank die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt en die:

  • a. voor 1 januari 2026 is geïnstalleerd of gekeurd; en

  • b. waarvan de termijn voor de volgende keuring, die voor 1 januari 2026 van toepassing was op die opslagtank, nog niet is verstreken.

AM

Artikel 4.972 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de ondergrondse opslagtank vloeibare brandstoffen worden opgeslagen.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.980.

AN

In artikel 4.972a wordt «artikel 4.972, onder a» vervangen door «artikel 4.972, eerste lid, onder a» en wordt na «niet aangesloten op het vuilwaterriool» ingevoegd «, als in de ondergrondse opslagtank vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 worden opgeslagen die geen vloeibare brandstoffen zijn».

AO

In artikel 4.972b, eerste lid, wordt «worden de kathodische bescherming op een ondergrondse opslagtank van staal en de daarop aangesloten leidingen van staal» vervangen door «wordt de kathodische bescherming op een ondergrondse opslagtank van staal en op een ondergrondse leiding van staal».

AP

Na artikel 4.976 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.976a. (bodem: keuring ondergrondse opslagtank)

  • 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een ondergrondse opslagtank met de daarop aangesloten leidingen beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  • 2. De keuringen vinden plaats volgens de termijnen, bedoeld in tabel 4.976a.

  • 3. Een ondergrondse opslagtank is voor de keuring leeg gemaakt en inwendig gereinigd en wordt bij de keuring inwendig beoordeeld.

  • 4. Het inwendig reinigen en het inwendig beoordelen als bedoeld in het derde lid is niet vereist als de ondergrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand en dat systeem:

    • a. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en

    • b. ten minste eenmaal per jaar wordt beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.

    Tabel 4.976a Keuringstermijnen

    Type opslagtank en wand

    Termijn eerste keuring in jaren

    Termijn volgende keuringen in jaren

    Staal enkelwandig

       

    Geen volledige inwendige coating

    15

    15

    Volledige inwendige coating, maar voldoet niet aan BRL-K779 of niet aangebracht of bij beschadiging hersteld door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL

    15

    20

    Volledige inwendige coating die voldoet aan BRL-K779 en is aangebracht en bij beschadiging hersteld door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL

    20

    20

    Staal dubbelwandig met een systeem voor lekdetectie in de wand

    20

    20

    Kunststof enkelwandig of dubbelwandig

    15

    15

Artikel 4.976b. (bodem: verwijderen of onklaar maken van afgekeurde opslagtank)

  • 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de vloeistof direct verwijderd als een ondergrondse opslagtank is afgekeurd.

  • 2. Een afgekeurde ondergrondse opslagtank met de daarop aangesloten leidingen wordt binnen acht weken na de afkeuring verwijderd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL-K902 of BRL-K904.

  • 3. Als verwijdering van de ondergrondse opslagtank door de ligging redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de opslagtank met de daarop aangesloten leidingen binnen acht weken na de afkeuring onklaar gemaakt door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL-K902 of BRL-K904.

Artikel 4.976c. (informeren: afkeuring opslagtank)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het afkeuren van een ondergrondse opslagtank.

Artikel 4.976d. (informeren en gegevens en bescheiden: verwijderen of onklaar maken opslagtank)

  • 1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste tien dagen voor het verwijderen of het onklaar maken van een ondergrondse opslagtank daarover geïnformeerd.

  • 2. Ten hoogste drie maanden na het verwijderen of het onklaar maken van de ondergrondse opslagtank wordt een rapportage daarover verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

AQ

Na artikel worden 4.978 drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.979. (water: lozingsroute)

  • 1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening die zich bevindt onder het aansluitpunt van een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen, geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.980. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  • a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  • b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die

wordt geloosd.

Artikel 4.980a. (water: meetmethoden)

  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

AR

In artikel 4.991, eerste lid, wordt «worden de kathodische bescherming» vervangen door «wordt de kathodische bescherming».

AS

Aan artikel 4.997 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Een ondergrondse opslagtank is voor de keuring leeggemaakt en inwendig gereinigd en wordt bij de keuring inwendig beoordeeld.

  • 5. Het inwendig reinigen en het inwendig beoordelen als bedoeld in het vierde lid is niet vereist als de ondergrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand en dat systeem:

    • a. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en

    • b. ten minste eenmaal per jaar wordt beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.

AT

Artikel 4.1136, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «bodemlussen onder het maaiveld in meters» vervangen door «bodemlussen in meters onder het maaiveld».

2. Aan het slot van onderdeel c vervalt «en».

3. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. het berekende temperatuureffect in graden Celsius van het bodemenergiesysteem op bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend; en

  • f. het bodemzijdig vermogen van het bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem volgens het ontwerp zal voorzien.

AU

Artikel 4.1137, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel c wordt ingevoegd «en».

2. De onderdelen d en f vervallen, onder verlettering van onderdeel e tot d.

AV

In artikel 4.1138, tweede lid, wordt na «gesloten bodemenergiesysteem» ingevoegd «met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW».

AW

In de artikelen 4.1142, onder b, en 4.1153, onder b, wordt «BRL KvINL 6000-21/00» vervangen door «BRL InstallQ 6000-21/00».

AX

Artikel 4.1143, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW dat alleen wordt gebruikt voor een afzonderlijke woning.

AY

Paragraaf 4.119 komt te luiden:

§ 4.119 Graven in bodem

Artikel 4.1219. (toepassingsbereik)
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem.

  • 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    a. grond:

    grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    b. partij:

    hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 4.1220. (melding)
  • 1. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1219, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als het gaat om het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 2. Een melding bevat:

    • a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2;

    • b. gegevens over de ontgraving, aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;

    • c. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de activiteit wordt verricht;

    • d. de verwachte hoeveelheid terug te plaatsen grond in kubieke meters;

    • e. de verwachte hoeveelheid af te voeren grond per partij als bedoeld in artikel 4.1225 in kubieke meters; en

    • f. de aanduiding of er sprake is van het tijdelijk uitnemen van grond.

  • 3. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c en f, wordt een melding gedaan.

  • 4. In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week.

  • 5. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1223 van toepassing.

Artikel 4.1221. (gegevens en bescheiden: vier weken voor het begin van de activiteit)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1219, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit;

    • c. de verwachte duur ervan;

    • d. de aanleiding en het doel van de activiteit; en

    • e. de kwaliteit van de bodem waarin de activiteit plaatsvindt waaruit blijkt waaruit blijkt dat deze onder of gelijk aan of deze boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is.

  • 2. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in bodem:

    • a. met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b. in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1223 van toepassing.

  • 4. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van een week voor:

    • a. het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit; of

    • b. het tijdelijk uitnemen van grond in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

Artikel 4.1222. (gegevens en bescheiden: een week voor het begin van de activiteit)
  • 1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1219, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en

    • b. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.

  • 2. Onverwijld na het wijzigen van gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in bodem:

    • a. met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit; of

    • b. in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1223 van toepassing.

Artikel 4.1223. (gegevens en bescheiden: na de activiteit bij spoedreparatie)
  • 1. Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de activiteit;

    • b. de data waarop de activiteit is verricht; en

    • c. de aanleiding en het doel van de activiteit.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als uit voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragaaf 5.2.2 blijkt dat de bodem een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit heeft.

Artikel 4.1224. (aanwijzing modules: voorafgaand bodemonderzoek)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1219, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1223 van toepassing.

Artikel 4.1225. (bodem en afval: gescheiden houden grond)
  • 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, het opslaan, het afvoeren of het terugplaatsen van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden.

  • 2. Het gescheiden houden gebeurt door matig verontreinigde of sterk verontreinigde grond als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit die vrijkomt bij het graven op te delen in partijen volgens de volgende criteria:

    • a. apart houden van verschillende grondsoorten;

    • b. apart houden van partijen met een gewogen gehalte asbest onder de interventiewaarde bodemkwaliteit en partijen met een gewogen gehalte asbest boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; en

    • c. apart houden van partijen die uitsluitend zijn verontreinigd met organische verbindingen tot boven de maximale waarde van de kwaliteitsklasse industrie, bedoeld in artikel 25d van dat besluit.

Artikel 4.1226. (bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond)
  • 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond:

    • a. als het gaat om graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit: die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem; of

    • b. als het gaat om graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit: die grond teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel.

  • 2. Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 4.1227. (bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond)
  • 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

  • 2. De gescheiden gehouden partijen grond, bedoeld in artikel 4.1225, worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 4.1228. (bodem en afval: kwaliteitsborging)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 4.1229. (bodem en afval: milieukundige begeleiding graafwerkzaamheden)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 als:

  • a. een deel van de verontreinigde grond niet wordt teruggebracht in het ontgravingsprofiel, maar zal worden afgevoerd;

  • b. op de locatie al een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag; of

  • c. sprake is van meerdere partijen die overeenkomstig artikel 4.1225 gescheiden moeten worden gehouden.

Artikel 4.1230. (gegevens en bescheiden: bij beëindigen activiteit)

Na het beëindigen van het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de datum van de beëindiging van de activiteit, binnen een week na die beëindiging;

  • b. de resultaten van de milieukundige begeleiding, binnen vier weken na die beëindiging, als er sprake is van begeleiding als bedoeld in artikel 4.1229 met daarbij in ieder geval:

    • 1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;

    • 2°. de bestemming van grond die niet wordt teruggeplaatst; en

    • 3°. de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan.

AZ

Paragraaf 4.120 vervalt.

BA

In artikel 4.1247, eerste lid, onder b, wordt «baggerspecie van de kwaliteitsklasse niet verontreinigd» vervangen door «baggerspecie van de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar».

BB

In artikel 4.1248, tweede lid, wordt onder verlettering van de onderdelen f en g tot g en h, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • f. een aanduiding of de activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie of het opslaan van meerdere partijen grond of baggerspecie betreft;.

BC

Na artikel 4.1248 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.1248a. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)

  • 1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1247, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt op grond van artikel 3.181 voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.178.

BD

In artikel 4.1257, derde lid, wordt onder vervanging van «; en» aan het slot van onderdeel e door een puntkomma en onder vernummering van onderdeel f tot g, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • f. vormgegeven bouwstof: vormgegeven bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

BE

Artikel 4.1258 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het eerste en tweede lid tot tweede en derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Dit artikel is van toepassing op het toepassen van:

    • a. niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak;

    • b. bouwstoffen bestaande uit pure staalslak zonder vaste maatvoering die op grond van deeltjesgrootte en massaverlies worden aangemerkt als vormgegeven bouwstof;

    • c. AVI-bodemassen; of

    • d. immobilisaten.

2. Het tweede lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef komt te luiden: Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:.

b. In onderdeel a vervalt «voor zover het gaat om het in opdracht toepassen van bouwstoffen op of in de landbodem».

c. In de onderdelen d, j, m en n wordt «AVI-bodemassen en immobilisaten» vervangen door «bouwstoffen».

3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 3. Het tweede lid, onder c, j, k, m n en o, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder voor het werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

BF

Na artikel 4.1258 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.1258a. (melding toepassen van staalslak)

  • 1. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257, in geval van toepassen van de in artikel 4.1258, eerste lid, onder a en b, genoemde bouwstoffen, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.

  • 2. Een melding bevat de datum van het begin van de activiteit.

BG

In artikel 4.1259, tweede lid, onder d, wordt «; en» vervangen door «; of».

BH

Artikel 4.1266 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het slot van onderdeel g vervalt «en».

b. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • i. de aanduiding of in het kader van de functionele toepassing alleen grond of baggerspecie van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast.

2. Aan het slot van het vierde lid, onder f, wordt «; en» vervangen door «; of».

BI

Artikel 4.1267 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onder a, vervalt «voor zover het gaat om het in opdracht toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem».

b. Aan het slot van het tweede lid, onder d, en het vierde lid, onder b, wordt «; en» vervangen door «; of».

BJ

In artikel 4.1283, eerste lid, onder a, vervalt «voor zover het gaat om het in opdracht toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de landbodem».

BK

Artikel 5.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt» vervangen door «welke bodembedreigende stoffen waar worden gebruikt».

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Ten hoogste vier weken na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

BL

Artikel 5.7b, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat een verkennend bodemonderzoek nodig is, wordt een verkennend bodemonderzoek verricht.

BM

Artikel 5.7c, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Als uit het vooronderzoek bodem of het verkennend bodemonderzoek blijkt dat een verkennend bodemonderzoek asbest nodig is, wordt een verkennend bodemonderzoek asbest verricht.

BN

Artikel 5.19 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «CUR rapport 2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming» vervangen door «SIKB Rapport 2024 – 1 Onderhouds- en inspectieprogramma bedrijfsriolering».

2. Aan het vierde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Bij het constateren van een gebrek wordt de voorziening of het vuilwaterriool binnen drie maanden hersteld.

BO

In de artikelen 6.56ha, eerste lid, onder a, 6.56hd, 7.61i, eerste lid, onder a, en 7.61l vervalt «met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit».

BP

In de artikelen 6.56ha, derde lid, 6.56hb, tweede lid, 7.61i, derde lid, en 7.61j, tweede lid vervalt «met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit,».

BQ

Bijlage I, onder A, wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling «BRL KvINL: BRL die door de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland is uitgegeven» wordt vervangen door «BRL InstallQ: BRL die door de Stichting InstallQ is uitgegeven».

2. In de alfabetische rangschikking wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

staalslak:

hoogovenslak, LD-staalslak, ELO-staalslak of een andere slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer of staal;.

BR

Het opschrift van Bijlage IIa komt te luiden:

Bijlage IIa. bij artikel 3.48d van dit besluit (interventiewaarde bodemkwaliteit)

ARTIKEL II (WIJZIGING BESLUIT KWALITEIT LEEFOMGEVING)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift en de aanhef van artikel 4.6, en in bijlage I, onderdeel A. wordt «stroomgebiedsbeheerplan» vervangen door «stroomgebiedbeheerplan».

B

In artikelen 6.2, tweede lid, 7.12, tweede lid, 8.22, tweede lid, 8.84, tweede lid, 11.35, opschrift en de artikeltekst wordt «stroomgebiedsbeheerplannen» vervangen door «stroomgebiedbeheerplannen».

C

De tabel in bijlage XIIIb bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste rij, derde kolom, wordt «Geurdrempel laagste eenheid (μg/m3)» vervangen door «Geurdrempel mediaan (μg/m3).

2. In de eerste rij, vierde kolom, wordt «Geurdrempel mediaan (μg/m3)» vervangen door «Geurdrempel laagste eenheid (μg/m3)».

ARTIKEL III (WIJZIGING OMGEVINGSBESLUIT)

Het Omgevingsbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikelen 10.9, onder b, en 10.11, tweede lid, wordt «stroomgebiedsbeheerplan» vervangen door «stroomgebiedbeheerplan».

B

In artikel 10.11, opschrift en eerste lid, 10.33, opschrift en de artikeltekst, wordt «stroomgebiedsbeheerplannen» vervangen door «stroomgebiedbeheerplannen».

C

Artikel 13.1, eerste lid, onder e, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel 4° wordt de puntkomma vervangen door «; en».

2. Aan het slot van onderdeel 5° wordt «; en» vervangen door een punt.

3. Onderdeel 6° vervalt.

D

Artikel 13.3a0 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij een milieubelastende activiteit of een lozingsactiviteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activiteiten leefomgeving ook bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover het bij die activiteit gaat om het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 4.1258, tweede lid, onder a, 4.1267, eerste lid, onder a, en 4.1283, eerste lid, onder a, van dat besluit.

E

In de artikelen 14.5b en 14.7b, eerste lid, wordt «bedoeld in artikel 13.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 6°» vervangen door «bedoeld in artikel 13.3a0, tweede lid».

ARTIKEL IV (WIJZIGING INVOERINGSBESLUIT OMGEVINGSWET)

Aan Afdeling 8.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet worden twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 8.1.12 (verlengde termijn omgevingsvergunning van rechtswege activiteiten door of namens de waterbeheerder)

De omgevingsvergunning van rechtswege, bedoeld in artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet, geldt voor een termijn van vier jaar vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de volgende activiteiten die door of namens de waterbeheerder worden verricht:

  • a. het bouwen of in stand houden van een instroomvoorziening in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.35 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b. het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het rijk of het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het rijk, bedoeld in artikel 6.36 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c. het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het brengen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het rijk, bedoeld in artikel 6.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • d. het lozen van water door een uitstroomvoorziening op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het rijk, bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • e. het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het brengen van stoffen, water of warmte in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

  • f. het lozen van water door een uitstroomvoorziening in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.60, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8.1.13 (geldigheid omgevingsvergunning van rechtswege beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk)

De omgevingsvergunning van rechtswege, bedoeld in artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet, geldt voor een termijn van vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 8.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

ARTIKEL V (WIJZIGING BESLUIT BODEMKWALITEIT)

A

In artikel 1 wordt na «vermengde mijnsteen: bouwstof, bestaande uit mijnsteen die met ten hoogste 80 gewichtsprocent grond of baggerspecie is vermengd;» ingevoegd «vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;».

B

Aan artikel 25h van het Besluit bodemkwaliteit wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om:

    • a. metselmortel of een natuursteenproduct, met uitzondering van breuksteen en steenslag;

    • b. vormgegeven bouwstoffen die zonder verandering van de eigenschappen of samenstelling in ongewijzigde vorm en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast;

    • c. asfalt of asfaltbeton, waarvan volgens de bij of krachtens dit besluit gestelde regels is vastgesteld dat het niet teerhoudend is, en opnieuw in dezelfde wegverharding wordt toegepast;

    • d. bouwstoffen die tijdelijk uit een werk zijn weggenomen en die in dat werk op of nabij dezelfde locatie in ongewijzigde vorm en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast zonder dat het eigendom daarvan wordt overgedragen; en

    • e. bouwstoffen die worden toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en de in het werk toegepaste hoeveelheid bouwstoffen in totaal ten hoogste 25 m3 bedraagt.

ARTIKEL VI (WIJZIGING DRINKWATERBESLUIT)

Het Drinkwaterbesluit wordt als volgt gewijzigd:

In Bijlage A. behorend bij hoofdstuk 3 van het Drinkwaterbesluit, wordt onder de tabellen IIIa en IIIb, voorafgaand aan de voetnoten, steeds de volgende volzin toegevoegd:

«Algemene opmerking: Het water mag niet agressief of corrosief zijn. Dit geldt in elk geval voor water dat een behandeling ondergaat, zoals demineralisatie, ontharding, membraanbehandeling of omgekeerde osmose.»

ARTIKEL VII (INWERKINGTREDING)

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit kan worden bepaald dat artikel IV van dit besluit terugwerkt tot en met 1 januari 2026.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VI in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • 3. in afwijking van het eerste lid treden artikel I, onderdelen BD, BE, BF, BG, BI, BJ en BQ, artikel V, onderdeel A en artikel III, onderdelen C en D in werking op 1 juli 2026.

ARTIKEL VIII (CITEERTITEL)

Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit Omgevingswet IENW Bodem en Water 2026.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 26 juni 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram

Uitgegeven de dertigste juni 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

I Algemeen

1. Inleiding

Dit verzamelbesluit bevat wijzigingen van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Omgevingsbesluit (Ob), het Invoeringsbesluit Omgevingswet, het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en het Drinkwaterbesluit.

Met dit verzamelbesluit worden geen nieuwe Europese richtlijnen geïmplementeerd. Ook worden geen wijzigingen aangebracht in artikelen die eerder (mede) ter implementatie van Europese richtlijnen zijn vastgesteld.

2. Hoofdlijnen van dit verzamelbesluit

De wijzigingen in dit verzamelbesluit zijn te onderscheiden in een aantal typen. Het grootste deel van de wijzigingen betreft puur technische punten zoals het oplossen van verschrijvingen, inconsistenties en herstel van onjuiste verwijzingen. Een kleiner deel betreft het corrigeren van inhoudelijke omissies en het aanscherpen en versoepelen van een aantal bestaande verplichtingen. Deze punten zijn voornamelijk via het Informatiepunt Leefomgeving, gemeenten, waterschappen, provincies, uitvoeringsdiensten van het Rijk en omgevingsdiensten naar voren gebracht. De punten die betrekking hebben op de glastuinbouw zijn naar voren gebracht in overleggen met de glastuinbouwsector, ministeries, provincies, waterschappen, gemeenten en omgevingsdiensten. De wijzigingen van inhoudelijke aard komen hieronder kort aan de orde. De puur technische wijzigingen worden toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

2.1 Bovengrondse opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen (artikelen 4.918, 4.920, 4.921, 4.924a, 4.930, 4.934, 4.934a en 4.941c Bal)

Op grond van de artikelen 4.918 en 4.930 Bal moesten alle bovengrondse opslagtanks zich boven of in een lekbak bevinden. Voor bovengrondse opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen, is dat fysiek onmogelijk. Om die reden is in die artikelen een uitzondering opgenomen op die verplichting. Bovengrondse opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen, hoeven zich daardoor niet meer boven of in een lekbak te bevinden. Voor die tanks gaan tegelijkertijd wel aangescherpte eisen gelden. De bodemrisico’s van opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen, zijn namelijk vergelijkbaar met de bodemrisico’s van ondergrondse opslagtanks.

In de artikelen 4.918 en 4.930 Bal zijn daarom de eisen opgenomen die ook gelden voor ondergrondse opslagtanks. Dat betekent dat de tanks dubbelwandig moeten zijn uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL. Enkelwandige opslagtanks zijn ook toegestaan, mits die zijn geplaatst in een ondergrondse vloeistofdichte bak met lekdetectie.

Tot slot moet op nieuwe opslagtanks en nieuwe ondergrondse leidingen van staal kathodische bescherming zijn aangebracht (zie de artikelen 4.924a en 4.941c Bal). De kathodische bescherming moet ten minste eenmaal per jaar worden gekeurd (artikelen 4.920 en 4.934 Bal). Als op een opslagtank of een ondergrondse leiding van staal geen kathodische bescherming is aangebracht, moet ten minste eenmaal per jaar een stroomopdrukproef worden verricht (artikelen 4.921 en 4.934a Bal).

De aanscherping van de eisen heeft geen gevolgen voor de uitvoering en handhaving. Ook heeft dit geen gevolgen voor de regeldruk. Dit wordt verder beschreven in hoofdstuk 4.

2.2 Keuringstermijnen bovengrondse opslagtanks met ondergrondse leidingen (tabel 4.938 Bal)

Met het Verzamelbesluit Omgevingswet IENW bodem en water 2025 zijn de keuringstermijnen aangescherpt voor enkelwandige ondergrondse opslagtanks van staal die niet zijn voorzien van inwendige coating en waarin diesel wordt opgeslagen. Uit onderzoek1 is namelijk gebleken dat door microbiologisch beïnvloede corrosie (MIC) er versneld lekkage van opslagtanks kan ontstaan door putcorrosie. MIC wordt bevorderd door de bijmenging van biodiesel aan fossiele diesel. Putcorrosie kan worden tegengegaan met inwendige coating.

Conform de aanbevelingen van het onderzoek is de termijn voor de eerste keuring van een enkelwandige opslagtank van staal die wordt gebruikt voor het opslaan van diesel of gasolie en die niet is voorzien van inwendige coating, verlaagd van 15 jaar naar 10 jaar. De daaropvolgende termijnen zijn verlaagd van 20 jaar naar 10 jaar. Die termijn is 8 jaar als bij de herkeuring blijkt dat de tankwand niet dikker is dan 4,5 mm. Deze aanscherping van de keuringstermijnen was per abuis niet doorgevoerd voor enkelwandige bovengrondse opslagtanks van staal waarin diesel wordt opgeslagen en waarop ondergrondse leidingen zijn aangesloten. Met de wijzigingen in tabel 4.938 Bal wordt hierin alsnog voorzien. Voor een verdere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 2.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Verzamelbesluit Omgevingswet IENW bodem en water 2025.

Op grond van artikel 4.941c Bal is overgangsrecht opgenomen voor bestaande opslagtanks.

De aanscherping van de keuringstermijnen heeft geen gevolgen voor de uitvoering en handhaving maar heeft wel gevolgen voor de regeldruk. Deze gevolgen zijn in hoofdstuk 4 beschreven.

2.3 Informeren bevoegd gezag over afkeur en verwijderen of onklaar maken van ondergrondse opslagtank en inwendige beoordeling ondergrondse opslagtank (artikelen 4.976a tot en met 4.976d en 4.997 Bal)

De artikelen in het Bal over het keuren en het verwijderen of onklaar maken van ondergrondse opslagtanks waarin vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van diesel, worden opgeslagen, zijn met het Invoeringsbesluit Omgevingswet vervallen. Hetzelfde geldt voor de artikelen die gaan over het informeren van het bevoegd gezag over het afkeuren en verwijderen of onklaar maken van ondergrondse opslagtanks.

Deze artikelen zijn vervallen omdat deze materie zou zijn geregeld in PGS 28 en PGS 31 die in artikel 4.966 Bal van toepassing worden verklaard. Bij nader inzien is dit niet correct. De genoemde PGS-richtlijnen bevatten geen voorschriften over het informeren van het bevoegd gezag over de afkeur en de verwijdering van de opslagtank. Met het opnemen van de artikelen 4.976c en 4.976d in het Bal wordt deze omissie hersteld. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was dit geregeld in artikel 3.37 van de Activiteitenregeling milieubeheer.

Daarnaast was in de paragrafen 4.96 en 4.97 Bal niet geregeld dat bij een keuring van een ondergrondse opslagtank er een inwendige beoordeling moet plaatsvinden. Dit volgde weliswaar uit de normdocumenten waarnaar in die paragrafen wordt verwezen (PGS 28 en 31 en BRL SIKB 6800/protocol 6811) maar dat is voor de betrokken bedrijven minder duidelijk. Ook bleek er in de praktijk onduidelijkheid te bestaan over de uitzondering op de verplichting om een inwendige beoordeling te verrichten voor dubbelwandige opslagtanks met lekdetectie in de wand. Om aan deze onduidelijkheid een einde te maken, is besloten om de inwendige beoordeling bij een periodieke keuring te regelen in de artikelen 4.976a en 4.997 Bal. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was dit geregeld in artikel 3.35, vierde en tiende lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer.

Hoewel de inhoud van de artikelen 4.976a, 4.976b en 4.997, vierde en vijfde lid, Bal ook is te vinden in de PGS 28 en PGS 31, zijn deze artikelen opgenomen om te verduidelijken dat deze regels ook zijn gesteld met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem. Omdat de eisen al golden op grond van de genoemde PGS-richtlijnen.

Ten opzichte van de situatie voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben deze wijzigingen geen gevolgen voor de regeldruk en de uitvoering en handhaving.

2.4 Lozen van met benzine verontreinigd afvalwater vanaf vloeistofdichte bodemvoorziening (artikelen 4.919, 4.919a, 4.922, 4.923, 4.924, 4.972, 4.972a, 4.979, 4.980 en 4.980a Bal)

In de artikelen 4.919a en 4.972a Bal, zoals die luidden voor inwerkingtreding van dit besluit, was geregeld dat de vloeistofdichte bodemvoorziening onder het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een bovengrondse of ondergrondse opslagtank voor brandbare vloeistoffen, niet mocht zijn aangesloten op een vuilwaterriool. Voor brandbare vloeistoffen is dat op zich logisch omdat veel chemicaliën daaronder vallen. Maar de paragrafen 4.93 en 4.96 Bal gelden ook voor het opslaan van vloeibare brandstoffen anders dan diesel, zoals benzine.

Een gevolg was dat de vloeistofdichte bodemvoorziening onder het aansluitpunt van een opslagtank voor benzine, bijvoorbeeld bij een tankstation, niet mocht zijn aangesloten op het vuilwaterriool. Lozing via een OBAS (olie-/benzineafscheider) op het vuilwaterriool was daardoor niet toegestaan. Dat is niet de bedoeling, want dat is gangbare praktijk en was ook toegestaan volgens artikel 3.23 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Met de wijzigingen in de artikelen 4.919, 4.919a, 4.972 en 4.972a Bal en het toevoegen van de artikelen 4.922 tot en met 4.924 en 4.979 tot en met 4.980a Bal wordt deze omissie hersteld. In de regels voor bovengrondse en ondergrondse opslagtanks waarin diesel wordt opgeslagen (paragrafen 4.94 en 4.97), was dit al goed geregeld.

Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de regeldruk en de uitvoering en handhaving.

2.5 Graven in bodem (paragrafen 3.2.21, 3.2.22, 4.119 en 4.120 Bal)

De paragrafen 3.2.21, 3.2.22, 4.119 en 4.120 Bal gaan over de milieubelastende activiteiten graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragrafen 3.2.21 en 4.119 Bal) en graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragrafen 3.2.22 en 4.120 Bal).

Doordat de regels over deze milieubelastende activiteiten over verschillende paragrafen waren verspreid, was onvoldoende duidelijk dat de regels over beide milieubelastende activiteiten van toepassing konden zijn als gegraven werd in een bodem met een kwaliteit deels onder en deels boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Bovendien was onduidelijk hoe de ondergrens van beide milieubelastende activiteiten (bodemvolume meer dan 25 m3) zich verhoudt tot het gecombineerd verrichten van beide activiteiten. Gold het minimale bodemvolume bijvoorbeeld per milieubelastende activiteit of voor het totaal van beide milieubelastende activiteiten? Het is de bedoeling dat de ondergrens slaat op de totale omvang en dus niet op de omvang per activiteit. Maar dat was door de gescheiden regeling van beide activiteiten niet duidelijk.

Tot slot was bij een combinatie van de twee milieubelastende activiteiten niet duidelijk dat de verplichtingen om de activiteiten te laten verrichten en milieukundig te laten begeleiden door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit (artikelen 4.1232 en 4.1233 Bal), alleen golden voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Na het samenvoegen van de paragrafen 3.2.21 en 3.2.22 en de paragrafen 4.119 en 4.120 doen de genoemde knelpunten zich niet meer voor en zijn de onduidelijkheden weggenomen.

In de samengestelde paragrafen zijn, met uitzondering van het nieuwe onderdeel f in artikel 4.1220, tweede lid, onderdeel e, in artikel 4.1221, eerste lid, Bal, het nieuwe tweede lid van artikel 4.1223 Bal en de wijzigingen in artikel 4.1230 Bal geen wijzigingen doorgevoerd.

Het nieuwe onderdeel f in artikel 4.1220, tweede lid, Bal regelt dat de melding een aanduiding bevat of er sprake is van het tijdelijk uitnemen van grond. Met deze toevoeging is het bevoegd gezag met de melding geïnformeerd of de activiteit bestaat uit uitsluitend tijdelijk uitnemen. Het bevoegd gezag weet dan direct of de korte meldtermijn van een week geldt. Dit is van belang voor de verdere afhandeling van de melding, bijvoorbeeld prioriteit geven bij de controle of direct de afdeling toezicht informeren.

Verder regelt het nieuwe onderdeel e in artikel 4.1221, eerste lid, Bal dat voor het begin van de activiteit informatie moet worden verstrekt of er sprake is van graven onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit en of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorheen volgde deze informatie uit de keuze van de initiatiefnemer voor één of voor beide activiteiten uit het Bal, waarmee het voor het bevoegd gezag duidelijk werd om welke activiteit(en) het gaat. Deze informatie is relevant voor het bevoegd gezag omdat er voor het graven onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit een kortere termijn geldt (1 week in plaats van 4 weken). Ook kan het graven in een bodem die deels verontreinigd is onder en deels boven de interventiewaarden bodemkwaliteit een reden zijn voor het bevoegd gezag om extra toezicht te houden ter voorkoming van ongewenste vermenging van kwaliteiten. Hiermee wordt voorkomen dat het bevoegd gezag extra informatie opvraagt bij degene die de gegevens en bescheiden heeft verstrekt.

Het nieuwe tweede lid van artikel 4.1223 Bal heeft tot doel om te voorkomen dat onnodig informatie moet worden verstrekt als op basis van eerder uitgevoerd bodemonderzoek al bekend is dat de bodem een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit heeft. Daarmee is er sprake van een gelijkstelling met de regels over het tijdelijk uitplaatsen van grond. Onbedoeld waren de eisen voor een graafactiviteit voor een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur, strenger dan voor het tijdelijk uitplaatsen van grond met een ander oogmerk. Voor laatstgenoemde tijdelijke uitplaatsingen was het verstrekken van gegevens en bescheiden niet verplicht als het ging om het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voor graven in bodem met dezelfde kwaliteit voor een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur moesten daarentegen wel gegevens en bescheiden worden verstrekt. Met deze wijziging wordt dit onbedoelde verschil verholpen.

Op grond van artikel 4.1230 Bal moeten na beëindiging van de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, gegevens en bescheiden worden verstrekt. De gegevens die in onderdeel b zijn opgenomen, moeten worden verstrekt als er sprake is geweest van milieukundige begeleiding als bedoeld in artikel 4.1233 Bal. Het gaat daarbij om gegevens in de vorm van een (beknopt) evaluatieverslag dat is opgesteld door de organisatie die de milieukundige processturing heeft uitgevoerd. In de praktijk blijkt de termijn van een week voor het indienen van het evaluatieverslag te kort te zijn. Om het verslag te kunnen opstellen, zijn diverse documenten nodig zoals het logboek van de milieukundig begeleider, transport-begeleidingsformulieren of een weegoverzicht van de verwerker. Deze gegevens zijn niet altijd beschikbaar en moeten soms opgevraagd worden bij anderen, zoals (onder)aannemer, transporteur, verwerker of stortplaats. Hierdoor duurt het langer voordat het evaluatieverslag gereed is. Daarnaast wordt degene die de gegevens na beëindiging van de activiteit moet verstrekken, laat geïnformeerd over die beëindiging.

Een termijn van vier weken sluit beter aan bij de praktijk. Bovendien sluit het aan bij de termijn voor het verstrekken van een evaluatieverslag na het beëindigen van een bodemsanering (artikel 4.1246 Bal). Om die reden is ervoor gekozen de termijn voor het verstrekken van het evaluatieverslag te verruimen naar vier weken. De termijn voor het verstrekken van gegevens over de datum van beëindiging van de activiteit (onderdeel a) blijft wel een week. De einddatum is belangrijke informatie voor het toezicht. Bovendien kan het bevoegd gezag er dan op toezien dat het evaluatieverslag binnen de termijn van vier weken wordt verstrekt.

Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de uitvoering en handhaving. De gevolgen voor de regeldruk zijn in hoofdstuk 4 beschreven.

2.6 Melding en gegevens en bescheiden voor opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie (artikelen 4.1248 en 4.1248a Bal)

In de gegevens en bescheiden die bij de melding moeten worden verstrekt voor het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie, ontbrak de informatie of er sprake is van het eenmalig opslaan van één partij grond of baggerspecie of het opslaan van meerdere partijen grond of baggerspecie. Deze informatie is relevant omdat het bevoegd gezag moet kunnen beoordelen of er sprake is van een verplichting om een eindonderzoek bodem te verrichten (zie artikel 4.1250 Bal). Bovendien geldt er voor eenmalige opslag van één partij een kortere meldtermijn (1 week in plaats van 4 weken). Met het toevoegen van het nieuwe onderdeel f aan artikel 4.1248, tweede lid, Bal wordt deze omissie hersteld.

Bij de te verstrekken gegevens voor het begin van het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie, ontbrak ook de startdatum. Deze informatie die ook moet worden verstrekt voor andere milieubelastende activiteiten, is belangrijk voor toezicht en handhaving. Met het opnemen van het nieuwe artikel 4.1248a Bal wordt deze omissie hersteld. Hierbij is uitgegaan van de standaardformulering die ook voorkomt in andere paragrafen in hoofdstuk 4 van het Bal.

Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de uitvoering en handhaving. De gevolgen voor de regeldruk zijn in hoofdstuk 4 beschreven.

2.7 Informatieverplichting en meldplicht voor het toepassen van staalslak (artikelen 4.1257, 4.1258 en 4.1258a (nieuw) Bal)

Staalslak ontstaat als restproduct bij de productie van ruwijzer of staal. De gestolde staalslak is een steenachtig materiaal. Bij toepassing van bouwstoffen met staalslak kan de zuurgraad van oppervlaktewater en grondwater afnemen (verhoging van de pH-waarde) door de uitspoeling van vrije kalk. Grond of water met hoge pH-waarden kan schadelijk zijn voor organismen die hiermee in aanraking komen. Hoge pH-waarden kunnen ook leiden tot mobilisatie van stoffen die van nature, of als gevolg van bodemverontreiniging, reeds in de bodem aanwezig zijn. De mate waarin risico's voor mens en milieu kunnen optreden, is afhankelijk van diverse factoren waaronder de omvang van het werk, het ontwerp van het werk en de omvang en doorstroming van het aanwezige oppervlaktewater.

Het normenkader ten aanzien van het toepassen van staalslak bestaat uit concrete toepassingsvoorschriften gesteld in paragraaf 4.123 van het Bal en de specifieke zorgplicht vervat in artikel 2.11 van het Bal. Ook dient toe te passen staalslak te voldoen aan de milieukwaliteitseisen die volgen uit het Bbk en de Regeling bodemkwaliteit 2022. De zorgplicht van artikel 2.11 Bal vereist dat de toepasser maatregelen treft om nadelige gevolgen van uitspoeling naar de bodem en het oppervlaktewater te voorkómen. Als al nadelige gevolgen zijn opgetreden, dienen maatregelen te worden genomen om die gevolgen op te heffen. De zorgplicht is ook van toepassing op stoffen of effecten waarvoor (nog) geen normwaarden zijn vastgesteld.2 Het bevoegd gezag kan in geval van een (dreigende) schending van deze zorgplicht of andere toepassingsnormen zowel preventief als repressief ingrijpen. Daarbij is wel van groot belang dat het bevoegd gezag op de hoogte is van een (voorgenomen) toepassing van staalslakken.

In een signaalrapport heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geconstateerd dat de mogelijkheid tot controle op de gestelde toepassingsvoorwaarden van de producent of leverancier zeer beperkt is, onder andere vanwege het ontbreken van een meldplicht.3 In de brief van 11 april 2024 van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan de Tweede Kamer zijn de uitkomsten meegedeeld van het onderzoek dat is uitgevoerd naar aanleiding van dit signaalrapport van de ILT. Dit onderzoek richtte zich op het versterken van het toezicht op en de handhaving van de regels over het toepassen van staalslakken.4 Uit dat onderzoek volgt onder andere de behoefte aan zicht op het toepassen van staalslakken voorafgaande aan de werkzaamheden. Toezichthouders kunnen dan vooraf en tijdens de toepassing beoordelen of er voldoende rekening wordt gehouden met de eigenschappen van het materiaal. Indien nodig kunnen zij ingrijpen om ervoor te zorgen dat de juiste maatregelen worden getroffen.

Om het toezicht en de handhaving ten aanzien van het toepassen van staalslak te versterken wordt derhalve een informatieverplichting en een meldplicht ingevoerd. De informatieverplichting sluit aan bij de al bestaande informatieverplichting voor het toepassen van AVI-bodemas en immobilisaten in artikel 4.1258 Bal. Daarmee is degene die voornemens is om niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak en bouwstoffen bestaande uit pure staalslak zonder vaste maatvoering die op grond van deeltjesgrootte en massaverlies worden aangemerkt als vormgegeven bouwstof toe te passen, verplicht daarover gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Dat moet ten minste vier weken voor het begin van de toepassing. De gegevens en bescheiden die moeten worden verstrekt zijn opgenomen in artikel 4.1258 Bal. Het gaat onder andere om de milieuverklaring bodemkwaliteit, de herkomst van de bouwstoffen, de kwaliteit en de hoeveelheid bouwstoffen die wordt toegepast en de locatie.

Aanvullend op de informatieplicht wordt een meldplicht ingevoerd. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie Gabriëls c.s.5, waarin wordt opgeroepen tot de invoering van een meldplicht voor de toepassing van staalslakken, en voorzien in de aangegeven behoefte van toezichthouders aan een meldplicht. Hiermee wordt het verboden om staalslak toe te passen zonder dat de datum van het begin van deze activiteit ten minste een week voorafgaand aan de activiteit is gemeld. Anders dan bij een informatieverplichting het geval is, is bij een meldplicht sprake van een verbod op de toepassing als de melding niet, of niet volledig, is gedaan. Ook dient een melding te worden gepubliceerd door het bevoegd gezag, waarmee het bijvoorbeeld voor omwonenden duidelijk is waar staalslak wordt toegepast.

Bouwstoffen met daarin ten hoogste 20 massaprocent staalslak, zoals hydraulisch recyclinggranulaat als bedoeld in BRL 2506-2, vallen niet onder de informatieverplichting en de meldplicht. Die bouwstoffen hebben, voor zover bekend, niet tot negatieve gevolgen voor de fysieke leefomgeving geleid. De grens is bij 20 massaprocent staalslak gelegd omdat dat aansluit bij de definitie van hydraulisch recyclinggranulaat in de BRL 2506-2. Samengestelde producten met meer dan 20 massaprocent staalslak kunnen ook niet-risicovolle vormgegeven bouwstoffen zijn. Risico’s treden met name op bij grootschalige toepassingen van staalslak als niet-vormgegeven bouwstof. Het toepassingsbereik is beperkt tot niet-vormgegeven bouwstof én pure staalslak die ontstaan uit het productieproces van ruwijzer en staal en vanwege de structuur en herkomst dezelfde risico’s vertonen. Dit ondanks dat deze bouwstof op grond van massaverlies en deeltjesgrootte kan worden aangemerkt als vormgegeven bouwstof. Dit sluit aan op de uitzondering in paragraaf 3 van bijlage F van de Rbk 2022, waar niet-vochtbestendige staalslakken, als bedoeld in Standaard RAW-bepalingen 2005 (CROW, Ede) zijn aangemerkt als niet duurzaam vormvast, indien deze worden toegepast in de waterbouw.

In artikel 4.1257, derde lid, Bal wordt voor de begripsomschrijving van vormgegeven bouwstof aangesloten bij de betekenis die het begrip heeft in het Besluit bodemkwaliteit.

Op basis van de Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD- en ELO-staalslak6 is het met ingang van 23 juli 2025 tijdelijk verboden om op of in de landbodem niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak toe te passen in een laagdikte van meer dan een halve meter of op een locatie waar inname of inhalatie hiervan of oog-, mond- of huidcontact niet is uitgesloten. Voor overige toepassingen op of in de landbodem van dergelijke bouwstoffen geldt op basis van die regeling tijdelijk een vergunningplicht. De Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD- en ELO-staalslak vervalt twaalf maanden na inwerkingtreding, met de mogelijkheid om deze termijn bij ministeriële regeling eenmaal met zes maanden te verlengen. Daarmee geldt de informatieverplichting en de meldplicht effectief niet voor toepassingen van staalslak waar de tijdelijke regeling op ziet, zolang als deze regeling van kracht is. Echter, de reikwijdte van de informatieverplichting en de meldplicht is ruimer dan die van het tijdelijke verbod en de tijdelijke vergunningplicht. De informatieverplichting en de meldplicht gelden namelijk voor het toepassen van zowel niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak als voor het toepassen van bouwstoffen bestaande uit pure staalslak zonder vaste maatvoering die op grond van deeltjesgrootte en massaverlies worden aangemerkt als vormgegeven bouwstof. Bovendien zien de informatieverplichting en de meldplicht op zowel toepassingen van deze bouwstoffen op of in de landbodem als toepassingen op of in de waterbodem. Ten slotte wordt bij het vervallen van de Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD- en ELO-staalslak teruggevallen op de overige bestaande wet- en regelgeving en zullen de informatieverplichting en de meldplicht daarmee ook gelden voor de categorieën van toepassingen die op basis van de regeling tijdelijk verboden of vergunningplichtig zijn.

Het opnemen van een informatieverplichting en een meldplicht voor het toepassen van staalslak heeft gevolgen voor de uitvoering en de handhaving in die zin dat het de mogelijkheden voor toezicht en handhaving verbetert. De gevolgen voor de regeldruk zijn in hoofdstuk 4 beschreven.

2.8 Informatie over bodembedreigende stoffen (artikel 5.2 Bal)

In artikel 5.2, eerste lid, Bal was al geregeld dat voor het begin van de activiteit een plattegrond van de locatie waarop is aangegeven waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten, moet worden verstrekt aan het bevoegd gezag. Hieraan is toegevoegd dat ook moet worden aangegeven om welke bodembedreigende stoffen het gaat.

Deze toevoeging vergemakkelijkt de toetsing door het bevoegd gezag van het eindonderzoek bodem dat op grond van artikel 5.3 Bal bij het beëindigen van de activiteit moet worden verricht. Bovendien verbetert de toevoeging de informatiepositie van het bevoegd gezag met het oog op de uitvoering van de toezichts- en handhavingstaken. Tot slot is de toevoeging ook in het voordeel van degene die de activiteit verricht. Er is immers steeds vastgelegd welke bodembedreigende stoffen waar worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten. Als die informatie niet is vastgelegd, is het veelal lastig om achteraf daarin inzicht te krijgen. Voor de aanduiding van de bodembedreigende stoffen kan gebruik worden gemaakt van de lijst met veel voorkomende bodembedreigende stoffen die is opgenomen in het informatiedocument «Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen» waarnaar wordt verwezen in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de uitvoering en handhaving en de regeldruk.

2.9 Termijn voor herstel van een geconstateerd gebrek aan een vloeistofdichte bodemvoorziening of vuilwaterriool (artikel 5.19 Bal)

Op grond van artikel 5.19, vierde lid, Bal moet een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool jaarlijks worden gecontroleerd volgens bijlage 6 bij AS SIKB 6700. Het gaat hier om de zogenoemde bedrijfsinterne controle die de eigenaar ook zelf kan verrichten. In artikel 5.19, vijfde lid, Bal is geregeld dat na reparatie van een geconstateerd gebrek een inspectie moet plaatsvinden door een erkende inspectie-instantie. Een dergelijke inspectie is niet vereist als het gebrek is hersteld door een gecertificeerde onderneming.

In deze bepalingen ontbrak een termijn waarbinnen geconstateerde gebreken aan een voorziening of het vuilwaterriool moesten zijn hersteld. Dit is alsnog geregeld met de wijziging van artikel 5.19, vierde lid, Bal. Nu geldt dat na een geconstateerd gebrek de voorziening of het vuilwaterriool binnen een termijn van drie maanden moet worden hersteld. Deze termijn van drie maanden laat de verplichtingen die voortvloeien uit de specifieke zorgplicht onverlet. Wanneer een geconstateerd gebrek leidt tot bodemverontreiniging, moet dat gebrek direct worden hersteld om verdere verontreiniging te voorkomen. Ook zal de al ontstane verontreiniging moeten worden hersteld.

Omdat hieruit geen wijziging voortvloeit in de bestaande verplichtingen, heeft dit geen gevolgen voor de uitvoering en handhaving en de regeldruk.

2.10 Handhavingstaak ten aanzien van degene die de werkzaamheden verricht bij het toepassen van bouwstoffen, grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen (artikel 13.3a0 Ob)

In afdeling 13.1 van het Omgevingsbesluit zijn twee wijzigingen aangebracht:

  • a. er is verduidelijkt dat de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het toepassen van bouwstoffen, grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen, voor zover het daarbij gaat om het (feitelijk) verrichten van de werkzaamheden, zowel berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als bij burgemeester en wethouders; en

  • b. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is nu ook (mede) handhavingsbevoegd voor toepassingen in oppervlaktewaterlichamen, voor zover het daarbij gaat om het (feitelijk) verrichten van de werkzaamheden.

Ad. a: Zowel minister als gemeente bevoegd

In artikel 13.1, eerste lid, aanhef en onder e, Ob zijn de gevallen aangewezen waarin de bestuursrechtelijke handhavingstaak niet berust bij het college van burgemeester en wethouders maar bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). In onderdeel 6° ging het om het in opdracht toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarmee werd beoogd om de bevoegdheidstoedeling van het Bbk te continueren.7 Die bevoegdheidstoedeling was geregeld in artikel 4 Bbk (oud). Op grond van het derde lid van dat artikel hadden burgemeester en wethouders tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens het Bbk gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. In artikel 1 van het Bbk was bepaald dat onder «toepassen» mede moest worden verstaan «het laten verrichten daarvan».

Deze verduidelijking dat onder het toepassen ook het laten toepassen valt, betekent dat het bij het toepassen zowel gaat om het verrichten van de feitelijke handelingen (vaak verricht door een aannemer) als om het laten verrichten daarvan, dus het opdracht geven om bouwstoffen, grond of baggerspecie toe te passen. In artikel 4, vierde lid, Bbk (oud) was bepaald dat de minister tot taak had om zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens het Bbk gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op het in opdracht toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie.

Op grond van artikel 4, derde en vierde lid, Bbk (oud) was dus zowel het college van burgemeester en wethouders als de minister (feitelijk de ILT) aangewezen als bevoegd gezag voor de handhaving van de verplichtingen van het Bbk, voor zover die betrekking hadden op de feitelijke werkzaamheden bij het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Die feitelijke werkzaamheden worden veelal in opdracht verricht door aannemers. Hoewel de nota van toelichting bij het Bbk (oud) anders suggereerde was er voor het in opdracht toepassen dus sprake van een dubbel bevoegd gezag.8 Dat gold helemaal nadat artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van kracht werd (per 1 juli 2009). Sindsdien wordt onder «overtreder» ook verstaan degene die «de overtreding medepleegt». Bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen kunnen daardoor ook worden gericht tot medeplegers. Die bepaling is per 1 juli 2009 in werking getreden, dus na de inwerkingtreding van het Bbk (2008). Ook als ervan uit wordt gegaan dat de opdrachtgever normadressaat was van de regels, dan kon de aannemer die de handelingen feitelijk verrichtte, worden aangemerkt als medepleger en dus overtreder. Ook onder het Bbk (oud) kon een bestuursrechtelijke sanctie van een gemeente dus worden gericht tot de aannemer.

Normadressaat van de regels over het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie is in het Bal ruim geformuleerd. Zowel degene die opdracht geeft tot het toepassen als de toepasser zelf, kan normadressaat zijn. Artikel 5:1 Awb stelt bovendien buiten twijfel dat bestuursrechtelijke sancties tot beiden kunnen worden gericht. Op basis van artikel 18.2, eerste lid, Omgevingswet zou de gemeente in principe moeten kunnen handhaven jegens de aannemers. Artikel 13.1 Ob (oud) zorgde voor onduidelijkheid door te regelen dat de bestuursrechtelijke handhavingstaak niet bij burgemeester en wethouders berust maar bij de minister als het gaat om het in opdracht toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Het is niet wenselijk om die onduidelijkheid in stand te laten. Daarom is ervoor gekozen om de bevoegdheid van de minister (ILT) niet in artikel 13.1 Ob te regelen maar in artikel 13.3a0 Ob. Het is daarmee nu volstrekt duidelijk dat de minister (mede) bevoegd is, maar dat daarnaast de bestuursrechtelijke handhavingstaak ook bij burgemeester en wethouders berust.

Ad. b: minister ook (mede) handhavingsbevoegd voor toepassingen in oppervlaktewaterlichamen

In de nota van toelichting bij het Bbk9 was aangegeven dat voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater is vastgehouden aan de bestaande organisatie van de handhaving waarbij de hoofdregel is dat de dagelijkse besturen van de waterschappen deze rol vervullen ten aanzien van regionale oppervlaktewateren en de Minister van Verkeer en Waterstaat (regionale diensten Rijkswaterstaat) ten aanzien van de (veelal) grotere zogenaamde rijkswateren. Dit vloeide volgens de nota van toelichting voort uit artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), dat uitgaat van een breed normadressaat, alsmede artikel 3 van de Wvo, dat ten grondslag ligt aan de verdeling van de bevoegdheden tussen waterschappen en het Rijkswaterstaat. Op grond van de artikelen 1 en 29 Wvo kan volgens die toelichting in beginsel zowel ten aanzien van de aannemer, als de opdrachtgever door de waterkwaliteitsbeheerder tot handhaving over worden gegaan. Het doorvoeren van de voor de landbodem in het kader van de ketenhandhaving gekozen knip, zou volgens de nota van toelichting bij het Bbk een fundamentele wijziging van de Wvo met zich meebrengen die vooralsnog niet opportuun werd geacht.

Inmiddels is de situatie anders. De Wvo is eind 2009 vervangen door de Waterwet. De Waterwet is per 2024 grotendeels vervangen door de Omgevingswet. In de Omgevingswet is de systematiek van de regels voor toepassingen in oppervlaktewaterlichamen hetzelfde als voor toepassingen op of in landbodems. Er is dus geen reden meer om vast te houden aan het principiële onderscheid tussen toepassingen op of in landbodems en toepassingen in oppervlaktewaterlichamen. Net als aannemers die de feitelijke werkzaamheden bij toepassingen op of in landbodems verrichten, zullen aannemers die dat doen in oppervlaktewaterlichamen veelal landelijk opereren. Ook voor laatstgenoemde aannemers is het dus wenselijk om de handhavingstaak (mede) te leggen bij de ILT.

Door de wijziging van artikel 13.1, eerste lid, onder e, en artikel 13.3a0 is de Minister van IenW naast burgemeester en wethouders bevoegd voor de handhaving bij een milieubelastende activiteit of een lozingsactiviteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het bij die activiteit gaat om het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 4.1258, tweede lid, onder a, 4.1267, eerste lid, onder a, en 4.1283, eerste lid, onder a, van dat besluit. Daarbij gaat het om de feitelijke werkzaamheden die doorgaans in opdracht door aannemers worden verricht. Met deze formulering wordt aangesloten bij de formulering na de wijzigingen in de artikelen 4.1258, 4.1267 en 4.1283 Bal.

Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de regeldruk maar heeft wel gevolgen voor de uitvoering en de handhaving. Deze gevolgen zijn in hoofdstuk 5 beschreven.

2.11 Uitzondering verplichting milieuverklaring en afleverbon voor bepaalde specifieke bouwstoffen (artikel 25h Bbk)

In artikel 4.1259 Bal is voor bepaalde specifieke bouwstoffen (o.a. metselmortel en natuursteenproducten) geregeld dat bij het toepassen van deze bouwstoffen er geen milieuverklaring bodemkwaliteit en afleverbon beschikbaar hoeven te zijn. Een afleverbon is in artikel 4.1257, derde lid onder a, Bal gedefinieerd als afleverbon als bedoeld in artikel 1 van het Bbk. In het Bbk is deze uitzondering voor die bouwstoffen niet geregeld voor de andere handelingen met bouwstoffen (vervoeren etc.). Dat is tegenstrijdig en leidt ertoe dat er alsnog een verplichting is dat er een milieuverklaring bodemkwaliteit en afleverbon beschikbaar moeten zijn.

Deze tegenstijdigheid in de eisen is niet wenselijk. Om die reden is een nieuw derde lid toegevoegd aan artikel 25 Bbk waarmee voor die andere handelingen de genoemde uitzondering ook van toepassing is. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold deze uitzondering al op grond van het Bbk. Per abuis is deze uitzondering met het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet in het Bbk vervallen. Deze omissie wordt met deze wijziging hersteld.

Omdat de situatie zoals die was voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt hersteld, heeft deze wijziging geen gevolgen voor de regeldruk en voor de uitvoering en handhaving.

2.12 Lozingsregels voor substraatteelt (artikelen 4.791d, 4.791da, 4.791e, 4.791f, 4.791fa, 4.791g, 4.791ga Bal)

Glastuinbouwbedrijven werken met meststoffen en vaak ook met gewasbeschermingsmiddelen. Het beleid is gericht op het verminderen van emissies van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en daardoor verbetering van de kwaliteit van bodem en water.

Bij de omzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer naar het Bal zijn door een andere verwoording soms ongewenste veranderingen opgetreden. Daarnaast roepen enkele nieuwe formuleringen soms vragen op in de uitvoeringspraktijk en is verduidelijking wenselijk.

Met een aantal wijzigingen wordt de oorspronkelijke werking van de bepalingen hersteld en in bepaalde gevallen worden de bepalingen verduidelijkt. Er is verduidelijkt dat emissiegrenswaarden voor stikstof niet alleen gelden voor lozingen op het vuilwaterriool, maar ook voor lozingen op oppervlaktewaterlichamen en andere lozingsroutes die met maatwerkregels of -voorschriften zijn toegestaan. Op verzoek van de glastuinbouwsector wordt de frequentie van het rapporteren van stikstof en ammoniumgehalten verhoogd, naar een keer per vier weken. Dit vierwekelijks rapporteren borgt dat het glastuinbouwbedrijf en bevoegd gezag voldoende nauwkeurig weten hoeveel stikstof er is geloosd. Verder is de bepaling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer hersteld waarin stond dat watermeters één keer per drie jaar worden gecontroleerd en onderhouden. Ook is verduidelijkt dat een bedrijf naast een tekening van de lozingspunten, een schematische tekening moet hebben van het aanwezige watersysteem in de kas. Dit helpt het bedrijf om inzicht te krijgen in risico’s op emissies en helpt toezichthouders om effectiever toezicht te houden op naleving van onder andere de zuiveringsplicht.

Op een aantal punten zijn de bepalingen met betrekking tot lozingen aangescherpt. Om de emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar water in te perken, is sinds 2018 een zuiveringsplicht voor gewasbeschermingsmiddelen van kracht. Overheden hebben tot nu toe echter beperkt inzicht in de wijze waarop glastuinbouwbedrijven invulling geven aan de zuiveringsplicht. De aanscherping die nu is doorgevoerd, is dat glastuinbouwbedrijven die gewasbeschermingsmiddelen gebruiken, jaarlijks rapporteren op welke wijze zij voldoen aan de zuiveringsplicht. Zij geven door of zij met een individuele zuivering, collectieve zuivering of met mobiele zuivering werken. Dit levert overheden inzicht in de manieren van zuivering die het meest gebruikt worden en biedt toezichthouders handvaten om het gesprek aan te gaan over eventuele discrepanties m.b.t. de gerapporteerde wijze van zuivering en de situatie ter plekke.

Hoewel het meten van natriumconcentraties al bestond onder het Bal, is toegevoegd dat tuinders deze gegevens ook dienen te rapporteren (in de frequentie die zij ook hanteren voor de rapportage van stikstof). Dit levert geen grote administratieve last op, omdat tuinders zelf al heel frequent natriumconcentraties meten om inzicht te hebben in de groeiomstandigheden van hun gewassen. Bij recirculatie van water in de kas lopen de natriumgehalten na verloop van tijd op. Een daling in het natriumniveau biedt toezichthouders inzicht in waterverversingen en helpt bij het toezicht op lozingen.

De rapportageverplichting met betrekking tot de hoeveelheid geloosd totaal stikstof in kilogram per hectare teeltoppervlak vervalt, aangezien deze automatisch wordt berekend door de Uitvoeringsorganisatie Glastuinbouw. Er geldt een uitzondering op de rapportageplicht van metingen van stikstof en natrium wanneer het teeltoppervlak kleiner is dan 2.500 m2.

Er is een meetverplichting toegevoegd voor substraatteelten met onderbemalingswater. Onderbemalingswater kan worden geloosd, mits dit niet vervuild is door bedrijfsactiviteiten. Vervuild bedrijfsafvalwater mag op grond van de specifieke zorgplicht immers niet zomaar worden geloosd op een oppervlaktewater. Door ieder kwartaal nitraatgehalten te meten, worden lekstromen van verontreinigd water sneller opgemerkt door het glastuinbouwbedrijf. Als het nitraatgehalte meer is dan 5 mmol/l, dienen maatregelen te worden genomen om lekstromen te verhelpen. De opname van de meetverplichting in het Besluit activiteiten leefomgeving zorgt ervoor dat inzichtelijk is wanneer sprake is van vervuild afvalwater, waarmee helder is voor glastuinbouwbedrijven en toezichthouders of aan de regels wordt voldaan en op een oppervlaktewater kan worden geloosd.

Deze wijziging heeft gevolgen voor de uitvoering en handhaving in die zin dat het de mogelijkheden verbetert voor toezicht en handhaving. De gevolgen voor de regeldruk zijn in hoofdstuk 4 beschreven.

2.13 Lozingsregels voor teelt op materiaal dat in verbinding staat met de ondergrond (artikelen 4.791h, 4.791k, 4.791ka, 4.791m, 4.791pa en 4.791u Bal)

Ook voor glastuinbouwbedrijven die in de grond telen is er een aantal aanscherpingen doorgevoerd. Die aanscherpingen zijn met name gericht op het faciliteren van toezicht op naleving van de lozingsregelgeving.

Grondteeltbedrijven dienen net als de substraatbedrijven jaarlijks te rapporteren hoe zij voldoen aan de zuiveringsplicht voor gewasbeschermingsmiddelen (door collectieve zuivering, individuele zuivering, mobiele zuivering, geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of geen lozing van drainwater of spoelwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat). Dit biedt het bevoegd gezag beter inzicht in de zuiveringswijzen en in risicofactoren zoals een zelfverklaarde nullozerstatus.

Bedrijven die gebruik maken van mobiele zuivering moeten de bewijsvoering (gezuiverde volumes en facturen) gedurende vijf jaar bewaren. Hiermee is beter toezicht mogelijk op consequente toepassing van mobiele zuivering door bedrijven die geen gebruik maken van individuele of collectieve zuivering.

Na signalen van toezichthouders is de bepaling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer hersteld, waarmee wordt geregeld dat watermeters ten minste eenmaal per drie jaar dienen te worden onderhouden en gecontroleerd. Een bewijs van de controle en het onderhoud moet beschikbaar zijn op het bedrijf. De maximale afwijking is aangescherpt, van maximaal 10% naar maximaal 5%, met een overgangstermijn voor de vervanging van watermeters die voor januari 2026 al aanwezig waren. Verduidelijkt is dat op het bedrijf een schematische tekening aanwezig dient te zijn waarop de op het bedrijf aanwezige leidingen, silo’s, etc. voor het transport en de opslag van waterstromen zijn ingetekend. Dit vergemakkelijkt het inzicht van telers en toezichthouders in de situatie ter plekke, en vergemakkelijkt het toezicht op naleving van de lozingsregelgeving.

Deze wijzigingen hebben gevolgen voor de uitvoering en handhaving in die zin dat het de mogelijkheden verbetert voor toezicht en handhaving. De gevolgen voor de regeldruk zijn in hoofdstuk 4 beschreven.

2.14 Afvalwater van gebruikt substraatmateriaal (artikel 4.852 Bal)

Afvalwater van gebruikt substraatmateriaal mag worden verspreid over landbouwgrond. In glastuinbouwgebieden is onbedekte landbouwgrond echter niet altijd beschikbaar. Door de wijziging kan afvalwater van gebruikt substraatmateriaal ook door een zuiveringsvoorziening worden geleid die ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen uit de vloeistoffen verwijdert. In dit geval is lozing via het riool toegestaan.

2.15 Verlenging overgangsrecht vergunning (artikelen 8.1.12 en 8.1.13 Invoeringsbesluit Omgevingswet)

Aan het Invoeringsbesluit Omgevingswet zijn artikelen toegevoegd waardoor de termijn die geldt op grond van de Invoeringswet Omgevingswet voor de vergunning van rechtswege wordt verlengd ten aanzien van handelingen die worden verricht door of namens de waterbeheerder met twee jaar en ten aanzien van een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk met drie jaar.

Voor wat betreft de verlenging van de termijn voor de vergunning van rechtswege ten aanzien van handelingen die worden verricht door of namens de waterbeheerder geldt dat een verlenging noodzakelijk was, omdat niet is ingezien dat bepaalde gevallen vergunningplichtig zouden worden per 1 januari 2026, en er meer tijd nodig is om de vele aanvragen ordentelijk te kunnen verwerken.

Voorts is voor bepaalde beperkingengebiedactiviteiten een omgevingsvergunning van rechtswege voor twee jaar te kort gebleken om de situatie te beoordelen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij reclame-uitingen (zoals reclamemasten) die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten het beheergebied van Rijkswaterstaat waren gelegen, maar die onder de Omgevingswet binnen het beperkingengebied rijksweg zijn komen te liggen en daarmee vergunningplichtig zijn geworden op grond van artikel 8.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Ditzelfde geldt daarnaast voor een variëteit aan andere bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn en andere objecten gelegen binnen het beperkingengebied rijksweg die sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn, zoals informatieborden, middenspanningsstations of andere elektriciteitshuisjes, zendmasten, hekwerken, duikers en stuwen. Ook hiervoor geldt op grond van artikel 8.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving een omgevingsvergunningplicht, waar dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet het geval was.

Er zijn als gevolg van deze wijzigingen geen regeldrukeffecten of andere gevolgen; aan de huidige situatie verandert immers niets. Op deze wijzigingen heeft geen publieksparticipatie plaatsgevonden. Dit is mogelijk omdat deze wijzigingen geen verandering van betekenis meebrengen en omdat de voorziening onmiddellijk nodig is.

3. Verhouding tot hoger recht

3.1. Europees Recht

Voor de regels over het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 24 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) biedt voor vrijstelling van de vergunningplicht voor het verwerken van afvalstoffen. Hierbij wordt verwezen naar de toelichting bij het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet, Stb. 2021, 98. De informatieverplichting en meldplicht (artikel I, onderdelen BD, BE, BF, BI en BJ) dient ertoe om toezicht en de handhaving ten aanzien van het toepassen van staalslak te versterken. Hiermee wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 25, eerste lid, Kaderrichtlijn afvalstoffen om te garanderen dat het toepassen van staalslakken plaats vindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu, zoals artikel 13 van deze richtlijn voorschrijft.

Niet kan worden uitgesloten dat de bepalingen uit dit besluit technisch voorschriften in de zin van Richtlijn (EU) 2015/1535 kunnen bevatten. Zo zou bijvoorbeeld betoogd kunnen worden dat de meld- en informatieplicht voor het toepassen van staalslak een administratieve verplichting is die beperkt invloed kan hebben op het vrije verkeer van goederen.

De bepalingen zijn echter noodzakelijk in het belang van de bescherming van het milieu en zijn geschikt om dit belang te beschermen en gaan niet verder dan noodzakelijk. Voor alle wijzigingen geldt dat dit wijzigingen met mogelijk technische eisen zijn die noodzakelijk zijn vanwege de bescherming van de fysieke leefomgeving, alsmede het waarborgen van de veiligheid en gezondheid. De bepalingen gelden zonder onderscheid voor alle bedrijven, de bepalingen maken geen onderscheid tussen nationale en buitenlandse goederen en diensten. De bepalingen gelden zonder onderscheid en zijn dus non discriminatoir. De bepalingen zijn proportioneel.

Gelet op het voorgaande is voorzorgshalve gekozen om het gehele besluit technisch te notificeren. Deze technische notificatie is gedaan op 16 januari 2026 en liep tot 16 april 2026. Op deze notificatie zijn geen reacties gekomen vanuit andere lidstaten en evenmin van de Europese Commissie. Verder wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van het algemene deel van de toelichting.

3.2. Nationaal recht

De wijzigingen die met artikel I van dit verzamelbesluit worden doorgevoerd in het Bal zijn gebaseerd op artikel 4.3 van de Omgevingswet. De wijzigingen in bijlage XIIIb Bkl die worden aangebracht met artikel II van dit verzamelbesluit zijn gebaseerd op 2.24, eerste lid, van de Omgevingswet. De wijziging van artikel 13.1 Ob (artikel III) is gebaseerd op artikel 18.2, zesde lid, van de Omgevingswet. De wijziging van het Invoeringsbesluit Omgevingswet die met artikel IV wordt doorgevoerd is gebaseerd op artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet. De wijziging van artikel 25h Bbk (artikel V) is gebaseerd op de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, en 9.5.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Tot slot is de wijziging van de voetnoten onder de tabellen IIIa en IIIb van de bijlage A behorend bij hoofdstuk 3 van het Drinkwaterbesluit gebaseerd op artikel 21, derde lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Drinkwaterwet.

4. Gevolgen van dit verzamelbesluit

De puur technische punten in dit verzamelbesluit zoals het oplossen van verschrijvingen, inconsistenties en herstel van onjuiste verwijzingen hebben geen gevolgen voor de regeldruk. De wijzigingen die omissies herstellen, leiden ertoe dat onbedoelde en onvoorziene gevolgen van die omissies worden hersteld.

Gelet op het voorgaande is een MKB10-toets niet verricht omdat geen sprake is van substantiële regeldrukgevolgen voor het MKB.

Voor enkele wijzigingen wordt hieronder nader ingegaan op de gevolgen van dit verzamelbesluit. Naast de gevolgen voor de regeldruk die in kaart zijn gebracht conform het Handboek Meting Regeldrukkosten11, gaat het om de gevolgen voor de andere overheden en het milieu. De gevolgen voor het milieu zijn inzichtelijk gemaakt met de Handleiding Milieueffectentoets12.

4.1 Bovengrondse opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen (paragraaf 2.1)

Bovengrondse opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen, komen vooral voor in de chemische industrie, zoals Seveso-inrichtingen. Dit zijn bedrijven waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Vanwege de veiligheid worden deze opslagtanks bij voorkeur ondergronds geplaatst. Door ruimtegebrek in de ondergrond (kabels, leidingen, riolering) is daar niet altijd plek voor. Daarom worden deze tanks gedeeltelijk ingegraven of ingeterpt. In totaal gaat het om circa 200 opslagtanks (inschatting op basis van gegevens van een inspectie-instantie). Uitgaande van gemiddeld twee opslagtanks per bedrijf, gaat het om circa 100 bedrijven die te maken hebben met de onmogelijke eis van een lekbak en waar mogelijk bodemrisico’s kunnen bestaan doordat de eisen aan de opslagtanks onvoldoende bodembescherming bieden.

Met de wijzigingen wordt met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem in het Bal geregeld dat deze opslagtanks dubbelwandig moeten zijn uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand. Enkelwandige opslagtanks zijn ook toegestaan, mits die zijn geplaatst in een ondergrondse vloeistofdichte bak met lekdetectie. Deze eisen zijn niet nieuw want deze golden al op grond van BRL SIKB 7800. Die BRL was voor bovengrondse opslagtanks al van toepassing verklaard in de artikelen 4.917 en 4.929 Bal. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd die BRL (toen nog BRL K903) van toepassing verklaard in de Activiteitenregeling milieubeheer. Hetzelfde geldt voor de eis dat op de ondergrondse leidingen kathodische bescherming moet zijn aangebracht. Ook die eis gold al op grond van de BRL SIKB 7800. De reden om deze eisen in het Bal op te nemen is dat die dan direct gelden voor degene die de activiteit verricht en niet alleen indirect via certificeringseisen. Dat biedt meer duidelijkheid. Bovendien zijn de eisen nu ook direct te handhaven door het bevoegd gezag. De wijzigingen hebben dus positieve gevolgen voor het milieu. Omdat het niet gaat om nieuwe eisen, zijn er geen gevolgen voor de regeldruk.

4.2 Keuringstermijnen bovengrondse opslagtanks met ondergrondse leidingen (paragraaf 2.2)

Bovengrondse enkelwandige opslagtanks voor dieselopslag en waarop ondergrondse leidingen zijn aangesloten, komen vooral voor op locaties waar het afleverpunt zich op een andere plek bevindt dan de tank zelf. Dat zijn meestal transportbedrijven. De meeste transportbedrijven hebben dieselopslagtanks met een inhoud tussen de 5 en 25 m3.

Bovengrondse opslagtanks voor diesel worden ook aangetroffen op locaties waar de ondergrondse dieseltank is afgekeurd en er een bovengrondse tank voor terug is geplaatst. Het goedgekeurde ondergrondse leidingwerk wordt dan aangesloten op de bovengrondse opslagtank. Bij tankstations komt dit niet voor. Naar schatting zijn er in Nederland in totaal 250 bovengrondse opslagtanks waarin diesel wordt opgeslagen.

Met het aanscherpen van de keuringstermijnen wordt de integriteit van de opslagtanks beter gewaarborgd. De risico’s op het te laat ontdekken van corrosie en eventuele lekken naar de bodem worden daarmee voorkomen. Dit heeft positieve gevolgen voor het milieu (minder emissies naar de bodem).

De financiële gevolgen van de verkorting van de keuringstermijnen voor enkelwandige bovengrondse opslagtanks van staal met ondergrondse leidingen en die worden gebruikt voor het opslaan van diesel of gasolie, zullen marginaal toenemen. Vooral als die worden afgezet tegen de totale exploitatiekosten. Een keuring kost circa € 6.000,–. In totaal zijn er ongeveer 250 bovengrondse opslagtanks van staal met ondergrondse leidingen die worden gebruikt voor het opslaan van diesel of gasolie. Circa 10% van die tanks is volledig gecoat. Alleen voor opslagtanks die volledig zijn gecoat, blijft de bestaande keuringsfrequentie in stand. Voor 225 opslagtanks (die worden gebruikt voor het opslaan van diesel en die niet of gedeeltelijk zijn gecoat) gaat de keuringsfrequentie omhoog. In plaats van eens in de 15 jaar moeten deze tanks eens in de 10 of 8 jaar worden gekeurd.

Uitgaande van een periode van 30 jaar moet een tank drie keer worden gekeurd (3,75 keer bij eens per 8 jaar) in plaats van twee keer. Per tank zijn de jaarlijkse keuringskosten nu € 400,– (2 X 6.000 / 30). De jaarlijkse keuringskosten worden € 600,– (3 X 6.000 / 30) bij keuring eens per 10 jaar en € 750,– (3,75 X 6.000 / 30) bij keuring eens per 8 jaar. Ervan uitgaande dat de helft van de tanks eens per 10 jaar en de helft eens per 8 jaar moet worden gekeurd, worden de gemiddelde keuringskosten € 675,– per tank. De stijging van de lasten is dan € 275,– per tank per jaar. De totale stijging van de lasten komt daarmee uit op circa € 61.875,– (275 X 225).

Omdat de meeste bovengrondse dieseltanks bij transportbedrijven liggen, zullen de extra lasten vooral door die bedrijven worden gedragen. De meeste transportbedrijven hebben 1 opslagtank waardoor de extra lasten ongeveer € 275,– per bedrijf per jaar zijn.

De extra kosten wegen ruimschoots op tegen de kosten die zijn gemoeid met herstel van de bodem en het grondwater als lekkage ontstaat door een defecte opslagtank.

De betere bescherming van de integriteit van opslagtanks door de vereiste coating en aangescherpte keuringstermijnen, heeft positieve milieueffecten omdat de kans op bodemverontreiniging veel kleiner wordt. Naar de toekomst toe wordt dat steeds belangrijker gezien de ontwikkeling naar steeds meer bijmenging van biodiesel. Zie ook de resultaten van het onderzoek van SIKB waarnaar in paragraaf 2.2 is verwezen.

4.3 Informeren bevoegd gezag over afkeur en verwijderen of onklaar maken van ondergrondse opslagtank (paragraaf 2.3)

Ondergrondse opslagtanks waarin vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van diesel, worden opgeslagen (bijvoorbeeld benzine) komen vooral voor bij tankstations. In totaal zijn er ongeveer 15.000 opslagtanks. Circa de helft van die tanks wordt gebruikt voor het opslaan van benzine, in totaal dus 7.500 tanks. Per jaar worden er ongeveer 400 tanks afgekeurd. Bij circa de helft gaat het om opslagtanks met benzine. Dat betekent dat 200 keer per jaar het bevoegd gezag moet worden geïnformeerd over de afkeur van een ondergrondse opslagtank. Bij in totaal circa 10 afgekeurde opslagtanks per jaar is herstel niet meer mogelijk. Die afgekeurde opslagtanks moeten dan ook worden verwijderd of onklaar gemaakt.13 Bij ongeveer de helft van die afgekeurde opslagtanks gaat het om opslagtanks met benzine. Dat betekent dat ongeveer 5 keer per jaar het bevoegd gezag moet worden geïnformeerd over het verwijderen of onklaar maken van een ondergrondse opslagtank.

Het informeren van het bevoegd gezag over de afkeur of over het verwijderen of onklaar maken van een opslagtank via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) kost ongeveer een half uur. Bij een gemiddeld intern uurtarief van € 60,–14 komen de kosten uit op € 30,– per afgekeurde opslagtank. In totaal gaat het dus om € 12.300,– per jaar aan extra kosten (200 X € 30,– + 5 X € 30,–).

4.4 Lozen van met benzine verontreinigd afvalwater vanaf vloeistofdichte bodemvoorziening (paragraaf 2.4)

Vloeistofdichte bodemvoorzieningen onder aansluitpunten van opslagtanks voor benzine komen vooral voor bij tankstations. Het toestaan dat vloeistofdichte bodemvoorzieningen onder aansluitpunten van opslagtanks voor benzine mogen worden aangesloten op het vuilwaterriool, heeft geen regeldrukeffecten. Het gaat hier om een gebruikelijke werkwijze die ook al onder het Activiteitenbesluit milieubeheer was toegestaan. De circa 4.000 tankstations in Nederland (bron: CBS) worden nu getroffen door de onterechte eis dat de vloeistofdichte bodemvoorziening niet mag zijn aangesloten op het vuilwaterriool. De wijziging van de regels heeft ook geen negatieve gevolgen voor het milieu. Het te lozen afvalwater in een vuilwaterriool moet namelijk voldoen aan de emissiegrenswaarde (voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster) of voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider (zie de artikelen 4.923 en 4.980 Bal).

4.5 Graven in bodem (paragraaf 2.5)

Het samenvoegen van de verschillende paragrafen over graafactiviteiten in het Bal heeft geen gevolgen voor de regeldruk. De toevoeging van het nieuwe onderdeel e aan artikel 4.1221, eerste lid, Bal heeft geen gevolgen voor de regeldruk. Het gaat om het beantwoorden van één eenvoudig te beantwoorden vraag dat nauwelijks extra tijd kost (< 5 minuten). Bovendien moest de initiatiefnemer eerder afzonderlijke aanvraagformulieren in het Omgevingsloket gebruiken voor het graven onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit en voor het graven in boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Dit is door het samenvoegen van de informatieplichten in één paragraaf niet meer nodig.

De wijziging in het tweede lid van artikel 4.1223 Bal leidt tot een beperkte vermindering van de regeldruk. Het informeren van het bevoegd gezag over een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) kost ongeveer een half uur. Bij een gemiddeld intern uurtarief van € 60,–15 komen de kosten uit op € 30,– per spoedreparatie waarin geen informatie aan het bevoegd gezag hoeft te worden verstrekt. Er zijn geen gegevens beschikbaar in het Omgevingsloket over specifiek deze situaties. In veruit de meeste situaties zal er sprake zijn kleinschalig grondverzet met een bodemvolume van minder dan 25 m3 maar een inschatting is dat om circa 50 situaties op jaarbasis gaat. In totaal leidt deze wijziging tot een kostenvermindering van circa € 1.500 (50 X 30,–).

4.6 Melding en gegevens en bescheiden voor opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie (paragraaf 2.6)

In de eerste helft van 2024 zijn 1.374 meldingen gedaan voor de milieubelastende activiteit opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie. Jaarlijks gaat het dan om circa 3.000 meldingen (hoger ingeschat omdat in het eerste halfjaar na inwerkingtreding mogelijk minder vaak gegevens en bescheiden zijn verstrekt). Bij een melding moet na de wijziging van het Bal worden aangeduid of er sprake is van het eenmalig opslaan van één partij grond of baggerspecie of het opslaan van meerdere partijen grond of baggerspecie.

Het gaat om het beantwoorden van één eenvoudig te beantwoorden vraag dat nauwelijks extra tijd kost (< 5 minuten). Wat wel extra tijd gaat kosten, is het melden van een wijziging in de gemelde gegevens als later blijkt dat er toch meerdere partijen opgeslagen gaan worden. Ingeschat wordt dat dit in 10% van de gevallen voorkomt en dat dit circa 0,5 uur tijd kost. Het gaat dan om 300 meldingen per jaar (10% van 3.000). Bij een gemiddeld intern uurtarief van € 60,– komen de kosten uit op € 30,– per melding. In totaal gaat het dan om € 9.000,– per jaar.

Verder moeten voor het begin van de activiteit gegevens worden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit. Het verstrekken van deze informatie kost niet veel tijd (< 5 min).

Wat ook tijd gaat kosten, is het verstrekken van informatie over een gewijzigde startdatum. Ingeschat wordt dat in 50% van de gevallen de datum wijzigt en dat het verstrekken van die informatie ongeveer 15 minuten kost. In totaal komen de kosten hiervoor uit op € 22.500,– per jaar (3.000/2 X 60/4).

4.7 Informatieverplichting en meldplicht voor het toepassen van staalslak (paragraaf 2.7)

Het voldoen aan de informatieverplichting en meldplicht levert weinig extra regeldruk op voor de toepassers van bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak. De gegevens en bescheiden die moeten worden verstrekt, zijn namelijk al beschikbaar en hoeven dus niet verzameld te worden.

De naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten (meestal een aannemer) is bekend. Hetzelfde geldt voor de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid. De milieuverklaring bodemkwaliteit moet al tijdens het aanbrengen van de bouwstoffen beschikbaar zijn op grond van artikel 4.1259 Bal. En omdat de milieuverklaring bodemkwaliteit al beschikbaar moet zijn, zullen ook de overige gegevens met betrekking tot die verklaring beschikbaar zijn (de gegevens, bedoeld in artikel 4.1258, eerste lid, onder e tot en met i, Bal. Tot slot zullen ook de overige gegevens (locatie van herkomst, EVOA nummer, producttype, kwaliteit en hoeveelheid van de bouwstoffen met staalslak en de coördinaten en het adres van de ontvangende landbodem) voorhanden zijn bij de toepasser.

Het enige waar extra regeldruk uit voortvloeit, is dus het verstrekken van de gegevens en bescheiden via het DSO. Ingeschat wordt dat het verstrekken van gegevens en bescheiden over de toepassing van staalslak circa twee uur kost. Dit is inclusief de tijd die nodig is voor het melden van de datum van aanvang van de werkzaamheden ten minste één week voorafgaand. Naar verwachting gaat het om circa 275 partijen bouwstoffen met staalslak die worden toegepast per jaar. Bij een gemiddeld intern uurtarief van € 60,– komen de kosten uit op € 120,– per partij die wordt toegepast. In totaal leidt deze wijziging dus tot een kostenstijging van circa € 33.000,– per jaar (275 X 120,–).

De informatieverplichting en de meldplicht leiden tot een extra tijdsbesteding in het kader van toezicht, maar draagt bij aan een effectievere uitvoering hiervan. De omgevingsdiensten zullen de via het DSO ontvangen gegevens en bescheiden moeten verwerken en beoordelen. Dat kost circa twee uur per toepassing.

De extra tijdsbesteding in het kader van toezicht zal bijdragen aan het op de juiste wijze toepassen van bouwstoffen met staalslak. Hiermee worden incidenten en risico’s voor het milieu voorkomen. Het op de juiste wijze toepassen zal ook zorgen voor meer draagvlak voor het toepassen van bouwstoffen met staalslak.

4.8 Informatie over bodembedreigende stoffen (paragraaf 2.8)

Aan de verplichting om voor het begin van een activiteit een plattegrond te verstrekken waarop is aangegeven waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten, wordt toegevoegd dat ook moet worden vermeld om welke bodembedreigende stoffen het gaat. Het betreft informatie die al beschikbaar is bij degene die een milieubelastende activiteit verricht. Na invoering van de verplichting is de informatie ook beschikbaar bij het bevoegd gezag. De regeldrukeffecten zijn nihil.

4.9 Termijn voor herstel van een geconstateerd gebrek aan een vloeistofdichte bodemvoorziening of vuilwaterriool (paragraaf 2.9)

Aan de verplichting om jaarlijks de vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool te controleren op gebreken, wordt toegevoegd dat een geconstateerd gebrek binnen drie maanden moet worden hersteld.

Dit leidt niet tot een verhoging van de regeldruk. Voorheen gold er namelijk al een herstelplicht op grond van de specifieke zorgplicht (artikel 2.11 Bal). Het herstellen van een geconstateerd gebrek in een vloeistofdichte bodemvoorziening kan worden gezien als een maatregel die redelijkerwijs kan worden gevraagd om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Het enige nieuwe is dat de verplichting expliciet wordt gemaakt met daaraan een termijn gekoppeld. Dit verbetert de mogelijkheden voor toezicht en handhaving maar heeft geen nadelige regeldrukeffecten.

In paragraaf 2.9 is al aangegeven dat deze termijn van drie maanden de verplichtingen die voortvloeien uit de specifieke zorgplicht onverlet laat. Wanneer een geconstateerd gebrek leidt tot bodemverontreiniging, moet dat gebrek dus direct worden hersteld om verdere verontreiniging te voorkomen. Ook zal de al ontstane verontreiniging moeten worden hersteld op grond van de specifieke zorgplicht.

4.10 Handhavingstaak ten aanzien van degene die de werkzaamheden verricht bij het toepassen van bouwstoffen, grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen (paragraaf 2.10)

De wijziging van de regels over de bestuursrechtelijke handhavingstaak van de Minister van IenW heeft geen gevolgen voor de regeldruk.

4.11 Uitzondering verplichting milieuverklaring en afleverbon voor bepaalde specifieke bouwstoffen (paragraaf 2.11)

Het opnemen van de uitzondering in het Bbk op de verplichting om een milieuverklaring bodemkwaliteit en afleverbon beschikbaar te hebben voor een aantal specifieke bouwstoffen, levert voor de betrokken ondernemingen een besparing op. Maar dit heeft geen gevolgen voor de regeldruk omdat hiermee de situatie wordt hersteld zoals die was voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

4.12 Lozingsregels voor substraatteelt en teelt op materiaal dat in verbinding staat met de ondergrond (paragrafen 2.12 en 2.13)

Met de aanpassingen worden de lozingsregels verduidelijkt en doeltreffender gemaakt. De wijzigingen die met dit verzamelbesluit worden doorgevoerd, leiden niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Met deze wijzigingen worden onvolkomenheden opgelost, inhoudelijke omissies hersteld en wordt het toezicht gefaciliteerd. Meer specifiek gaat het om deze aanpassingen en gevolgen:

1. Registratie van de wijze waarop glastuinbouwbedrijven voldoen aan de zuiveringsplicht voor gewasbeschermingsmiddelen en het bewaren van bewijsvoering in het geval gebruik gemaakt wordt van mobiele zuivering

Glastuinbouwbedrijven registreren hun lozingen al jaarlijks in de database van de Uitvoeringsorganisatie glastuinbouw. De nieuwe verplichting is dat zij één extra vraag in moeten vullen, namelijk de vraag of/hoe zij voldoen aan de zuiveringsplicht voor gewasbeschermingsmiddelen. De administratieve inspanning van het invullen van één extra vraag is voor de teler te verwaarlozen, maar helpt wel bij effectiever toezicht.

Een klein deel van de bedrijven die zuiveren heeft zelf geen zuiveringsinstallatie, maar laat een extern bedrijf langskomen met een mobiele zuivering. De nieuwe wijziging in de regelgeving betekent dat glastuinbouwbedrijven de factuur van het zuiveringsbedrijf moeten bewaren. Dit is een te verwaarlozen inspanning voor de tuinder maar helpt de bevoegde gezagen wel om te controleren of de zuiveringsplicht wordt nageleefd.

2. Emissienorm voor het lozen van drainwater geldt voor alle lozingsroutes

Het gaat hier om een verduidelijking van de regelgeving, die niet tot extra kosten of administratieve verplichtingen leidt.

3. Uniformeren van meet- en rapportageverplichtingen voor substraatteeltbedrijven zonder zuivering en substraatteeltbedrijven die afvalwater zuiveren

Met de hier besproken wijzigingen worden de meet- en rapportageverplichtingen enigszins aangepast, om een gelijk speelveld te creëren tussen bedrijven die afvalwater zuiveren en bedrijven die niet zuiveren. De nieuwe verplichting is dat bedrijven die niet zuiveren (c.a. 3000 bedrijven) iedere vier weken een meting dienen uit te voeren in het drainwater. Een meting die zowel nitraat als natrium in beeld brengt kost incl. monstername maximaal €100,–. Twaalf metingen per jaar kosten €1200,–. Overigens hebben glastuinbouwbedrijven de gewoonte om regelmatig dit soort metingen in het water op hun bedrijf uit te voeren, omdat onder andere stikstof en natriumgehaltes belangrijke informatie opleveren over de groeiomstandigheden van hun teelt. Zij nemen naar schatting minimaal 7 monsters per jaar uit eigen beweging. Deze kosten kunnen worden aangemerkt als bedrijfseigen kosten. Dat betekent dat hoogstens 5 monsters (€ 500,– per bedrijf) aan te merken zijn als extra kosten. Het gaat om circa 3.000 bedrijven, daarmee leidt de wijziging tot € 500,– x 3000= €1.500.000,– aan kosten in totaal.

4. Herstel van de bepalingen over watermeters en aanscherping van de nauwkeurigheid hiervan

Toezichthouders hebben gewezen op het belang van het herstellen van de wettelijke bepaling (oorspronkelijk uit het Activiteitenbesluit milieubeheer) die borgt dat één keer per drie jaar gecontroleerd wordt op het juist functioneren van watermeters en dat op het bedrijf een bewijs aanwezig dient te zijn dat de controle en het onderhoud hebben plaatsgevonden. De afwijking van de nauwkeurigheid van de watermeters was voorheen ten hoogste 10%, en is bijgesteld naar 5%.

Met de overgangstermijn die is opgenomen, wordt geborgd dat gangbare vervangingstermijnen worden gerespecteerd. Watermeters zijn voor glastuinbouwbedrijven geen noemenswaardige kostenpost. Deze wijziging leidt dus niet tot extra regeldruk.

5. Meten van natrium

In de Activiteitenregeling milieubeheer was de verplichting opgenomen om bij het telen of kweken van gewassen in een kas het natriumgehalte te meten. Deze verplichting is voor substraatteeltbedrijven weer in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen, omdat het toezichthouders helpt bij het opsporen van lozingen. Glastuinbouwbedrijven zijn gewend om zoutgehalten frequent te meten voor een beter inzicht in de groeiomstandigheden van hun gewas. De kosten van het meten van zoutgehalten zijn beperkt. De metingen van nitraat (zie punt 3) en natrium in het drainwater kunnen worden gecombineerd en de kosten van deze gecombineerde metingen zijn reeds beschreven bij punt 3.

6. Meten van stikstofvervuiling in onderbemaling

Indien er op een glastuinbouwbedrijf met substraatteelt een onderbemaling aanwezig is, dient elk kwartaal het nitraatstikstofgehalte te worden gemeten. Een verhoogd nitraatgehalte is een aanwijzing voor lekstromen van water dat meststoffen bevat, en mogelijk ook gewasbeschermingsmiddelen. De meting helpt om lekstromen op te sporen. Het verhelpen van de lekstromen draagt bij aan een betere waterkwaliteit. Het is ook in het voordeel van het glastuinbouwbedrijf om de waterkwaliteit rondom het bedrijf op orde te hebben. De kosten van het meten zijn beperkt (vier metingen per jaar kosten in totaal €400,– per jaar). De inschatting is dat het ca. 1000 bedrijven betreft. De totale kosten komen daarmee uit op circa €400.000,– (€400 X 1.000).

Het jaarlijks online registreren van extra meetgegevens in de database van de uitvoeringsorganisatie Glastuinbouw is maximaal een half uur extra werk, omdat het tegelijk wordt gedaan met de rapportage van andere gegevens. Bij een uurloon van € 60,–16 betekent dat €30,– aan administratieve lasten per bedrijf per jaar. In totaal zijn er circa 3.600 bedrijven. De totale kosten komen daarmee uit op € 108.000 per jaar (€30 X 3.600). Overigens geldt er een uitzondering voor bedrijven met een teeltoppervlak kleiner dan 2.500 m2. Zij hoeven de meetgegevens niet online te rapporteren.

5. Uitvoering, toezicht en handhaving

De puur technische punten in dit verzamelbesluit, zoals het oplossen van verschrijvingen, inconsistenties en herstel van onjuiste verwijzingen, dragen bij aan de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regels. Die punten en de wijzigingen waarmee inhoudelijke omissies worden hersteld en bestaande verplichtingen worden aangescherpt of versoepeld, leveren voor de uitvoering, het toezicht en de handhaving geen wijzigingen op.

De verdeling en de inhoud van de taken en bevoegdheden worden door dit verzamelbesluit niet gewijzigd, met uitzondering van de wijziging van artikel 13.1 Ob (paragraaf 2.10).

Deze wijziging heeft gevolgen voor de bestuursrechtelijke handhavingstaak van de ILT. De ILT wordt namelijk ook bevoegd voor toepassingen in oppervlaktewaterlichamen, voor zover het gaat om het verrichten van de (feitelijke) werkzaamheden door aannemers.

De wijzigingen hebben geen financiële gevolgen voor de andere overheden. Tot slot hebben de wijzigingen geen gevolgen voor de belasting van de rechterlijke macht.

Inspectie Leefomgeving en Transport

De ILT heeft de wijzigingen in het verzamelbesluit, voor zover deze zien op aspecten waarvoor zij het bevoegd gezag is, beoordeeld op de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudegevoeligheid (HUF-toets). De ILT heeft in algemene zin positief geoordeeld over de uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van dit verzamelbesluit. Over de handhaafbaarheid heeft de ILT een aantal opmerkingen geplaatst die hieronder worden toegelicht.

Samenhang met de Rbk 2022

De ILT wijst erop dat de beoogde wijzigingen in het Bal de handhaafbaarheid verminderen van bijlage C bij de Rbk 2022. Deze bijlage geeft aan voor welke werkzaamheden een erkenning bodemkwaliteit is vereist en aan welk normdocument getoetst moet worden. Er staan nu verschillende verwijzingen naar artikelen uit het Bal die zijn vervallen. Verder komt de omschrijving van de aangewezen werkzaamheden (als bedoeld in artikel 11a.2, tweede lid, van de Wm) in bijlage C van de Rbk 2022 op sommige onderdelen niet meer overeen met het Bal.

Er wordt een wijziging van de Rbk 2022 voorbereid zodat de wijzingen in het verzamelbesluit overeenkomen met bijlage C van de Rbk 2022.

Informatieverplichting voor het toepassen van staalslak

De ILT heeft een aantal opmerkingen over de informatieverplichting voor het toepassen van staalslak uit artikel 4.1258, eerste lid, onder a, Bal.

De ILT merkt op dat de grens van de informatieverplichting van bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak, uit artikel 4.1258 Bal, tot gevolg heeft dat er geen volledig beeld van toepassingen bestaat en dat dit de mogelijkheid biedt om staalslakken (weg) te mengen. Ook zouden er ontwijkingsmogelijkheden zijn omdat de grens van 20 massaprocent niet visueel is vast te stellen. Dit bemoeilijkt de handhaafbaarheid.

De risico’s van bouwstoffen met staalslak nemen af naarmate er minder massaprocent staalslak in is verwerkt. Daarom is ervoor gekozen dat bouwstoffen met relatief minder staalslak niet onder de informatieplicht vallen. Bovendien is de productie van hydraulisch recyclinggranulaat met maximaal 20 massaprocent staalslak gereguleerd via de BRL2506-2. Tot slot is het inderdaad niet mogelijk om visueel vast te stellen hoeveel massaprocent staalslak er in een samengestelde bouwstof zit. Dit geldt echter voor ieder percentage staalslak. De grens van 20 massaprocent staalslak is daarop niet van invloed.

De ILT merkt verder op dat het van belang is dat de milieuverklaring bodemkwaliteit op grond van de van de Rbk 2022 volledig is over het percentage staalslak dat in een bouwstof aanwezig is.

De informatie die moet worden vermeld op een milieuverklaring bodemkwaliteit staat beschreven in artikel 4.11 van de Rbk 2022. Hieronder valt ook «de naam en een nauwkeurige omschrijving van de bouwstof». Het is nadrukkelijk de bedoeling dat op de milieuverklaring bodemkwaliteit de «nauwkeurige omschrijving van de bouwstof» dusdanig is, dat hieruit is af leiden of een informatieplicht van toepassing is.

Tot slot merkt de ILT op dat in paragraaf 2.7 van de toelichting wordt verwezen naar hydraulisch menggranulaat als bedoeld in BRL 2506-2. In deze BRL staat echter een andere benaming genoemd, te weten: menggranulaat en hydraulisch recyclinggranulaat.

In paragraaf 2.7 is verduidelijkt dat het gaat om hydraulisch recyclinggranulaat.

6. Evaluatie

Deze wijzigingen vergen geen aparte evaluatie. Evaluatie vindt plaats als onderdeel van de evaluatie van het wettelijke stelsel van de Omgevingswet.

7. Consultatie en advies

7.1 Algemeen

In een vroegtijdig stadium zijn het Interprovinciaal Overleg (hierna: IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) en de Unie van Waterschappen (hierna: UvW) betrokken geweest bij de voorbereiding van het ontwerp van dit verzamelbesluit Zo hebben zij de mogelijkheid gehad een reactie te geven op het ontwerp van dit verzamelbesluit. Waar mogelijk en wenselijk zijn die reacties verwerkt in ontwerp van het verzamelbesluit dat openbaar is gemaakt voor de internetconsultatie. Ook is op vaste basis overlegd met de sectoren en zijn onderwerpen aangedragen en besproken die onderdeel uitmaken van dit verzamelbesluit. Hiermee is invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt in de Code Interbestuurlijke Verhoudingen. Dit bevordert de transparantie en draagt bij aan de uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving.

Voor de lozingsregels voor glastuinbouwbedrijven (paragraaf 2.12) heeft afstemming plaatsgevonden met de UvW, VNG, het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Ministerie van BZK) en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (hierna: Ministerie van LVVN). Ook de glastuinbouwsector heeft al vanaf de fase van de ideevorming deelgenomen aan de gesprekken over vormgeving van de wijzigingen uit dit verzamelbesluit. Deze uitwisseling is met name georganiseerd via het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG), waarin Glastuinbouw Nederland en verschillende overheden nieuw beleid afstemmen. Glastuinbouw Nederland stemt haar inzet en onderhandelingsruimte voortdurend af via ondernemersgroepen en haar eigen ondernemersnetwerk. Via deze samenwerking met de glastuinbouwsector komen signalen van MKB bedrijven heel direct naar boven. Signalen komen daarnaast ook indirect beschikbaar, via toezichthouders van waterschappen en omgevingsdiensten die veelvuldig bij glastuinbouwbedrijven over de vloer komen en die op die manier goed weten hoe (MKB) bedrijven aankijken tegen specifieke verplichtingen. Deze signalen komen bij het Ministerie van IenW binnen via de klankbordgroep van toezichthouders, waar de besproken wijzigingen zijn gepresenteerd.

Op grond van artikel 23.4, eerste lid, Omgevingswet wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende een periode van ten minste vier weken langs elektronische weg opmerkingen te maken over het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur (amvb). Deze internetconsultatie van dit verzamelbesluit heeft plaatsgevonden in de periode van 31 januari 2025 tot en met 2 maart 2025. Zie verder paragraaf 7.2.

Het ontwerp van dit verzamelbesluit is daarnaast voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (verder: ATR). Zie verder paragraaf 7.3.

Op 23 mei 2025 is het ontwerp van het wijzigingsbesluit toegezonden aan het parlement voor de voorhangprocedure (artikel 23.5 Ow). Zie verder paragraaf 7.4.

Op grond van artikel 21.6, vierde lid, Wet milieubeheer is het ontwerp van dit verzamelbesluit gepubliceerd in de Staatscourant vanwege de wijziging van artikel 25h van het Bbk die is gebaseerd op de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, en 9.5.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Ten aanzien van de wijziging van het Drinkwaterbesluit (artikel V) geldt dat het om een technische reparatie gaat, noodzakelijk in verband met de omzetting van richtlijn 2020/2184 en het één-op-één implementatie betreft, zonder enige beleidskeuzevrijheid. Voor deze wijziging is een vereenvoudigde procedure gevolgd, zonder voorhang en voorpublicatie met inspraak (artikel 1, zevende lid, van de Drinkwaterwet verplicht daar in beginsel toe). Titel 1.2. van de Algemene wet bestuursrecht en Aanwijzing voor de regelgeving (Ar) 9.16, tweede lid, bieden deze mogelijkheid. Samengevat is hierin bepaald dat voor regelingen ter implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, waarbij zoals in casu geen wezenlijke beleidskeuzes openstaan, geen advies-, overleg-, inspraak-, en voorpublicatie-verplichtingen gelden. Van internetconsultatie is om dezelfde redenen en conform het geldende kabinetsbeleid voor internetconsultatie afgezien.

7.2 Reacties op het in consultatie gebrachte ontwerp van dit verzamelbesluit

Tijdens de internetconsultatie zijn in totaal 45 reacties ontvangen. Onder meer van bedrijven, brancheorganisaties, omgevingsdiensten, gemeenten en provincies.

Hoewel de meeste punten die tijdens de internetconsultatie naar voren zijn gebracht gingen over specifieke en veelal technische aspecten, is een aantal thema’s in de reacties te onderscheiden, namelijk:

  • de informatieverplichting voor het toepassen van staalslak;

  • graven in de bodem;

  • melding en gegevens en bescheiden voor opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie;

  • informatieverplichting na voltooiing of beëindiging van een functionele toepassing bij het toepassen van grond of baggerspecie;;

  • bovengrondse opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen;

  • afkeur en verwijderen of onklaar maken van ondergrondse opslagtank en inwendige beoordeling ondergrondse opslagtank;

  • lozingsregels voor substraatteelt;

  • lozingsregels voor teelt op materiaal dat in verbinding staat met de ondergrond;

  • het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem;

  • afvalwater van gebruikt substraatmateriaal.

Daarnaast is nog een aantal reacties gegeven over verschillende onderwerpen.

Informatieverplichting voor het toepassen van staalslak

Het ontwerpbesluit zoals ter consultatie aangeboden bevatte enkel een informatieverplichting ten aanzien van het toepassen van staalslak. In een aantal reacties zijn vraagtekens gezet bij de keuze voor een informatieverplichting voor staalslak en niet voor een meldplicht. Een belangrijk verschil tussen een informatieplicht en een meldplicht is dat bij een meldplicht sprake is van een verbod op de toepassing als de melding niet, of niet volledig, is gedaan. Dat rechtsgevolg is niet aan de orde als niet (volledig) is voldaan aan een informatieverplichting. Alleen een meldplicht biedt volgens de indieners van de reacties voldoende waarborgen voor een zorgvuldige toepassing van staalslakken omdat een melding meer middelen biedt voor toezicht en handhaving.

Naar aanleiding van de motie Gabriëls c.s.17 en om gehoor te geven aan de reacties tijdens de internetconsultatie wordt aanvullend op de informatieverplichting ook een meldplicht voor het toepassen van staalslak opgenomen. Op deze wijze worden toezicht en handhaving ten aanzien van het toepassen van staalslak versterkt.

Verder wordt er in een reactie op gewezen dat door de formulering van artikel 4.1258, eerste lid, Bal, mogelijk een bredere interpretatie van het toepassingsbereik van dit artikel mogelijk is dan bedoeld lijkt. Zo zou de toepassing van producten als cement, beton, stenen of stoeptegels, waarin staalslak verwerkt is, ook onder de informatieverplichting vallen. Deze reactie heeft geleid tot een wijziging van artikel 4.1258, eerste lid, Bal. Zie voor een verdere toelichting op de reikwijdte van de informatieverplichting en de meldplicht paragraaf 2.7 van deze toelichting.

Tot slot wordt er in een reactie op gewezen dat er een ondergrens zou moeten worden gehanteerd voor de totale toegepaste hoeveelheid staalslak. Door een ondergrens te hanteren, wordt het risico beperkt dat staalslak in kleine toepassingen, door de toegenomen regeldruk, op de markt wordt verdrongen door (primaire) grondstoffen die vergelijkbare eigenschappen hebben als staalslak, waaronder, maar niet beperkt tot, de pH-waarde. Als een dergelijk verdringingseffect zich voordoet, komt circulaire toepassing van staalslakken in het geding.

Deze reactie heeft niet geleid tot een wijziging van de regelgeving. Ook bij kleinere toegepaste hoeveelheden is het belangrijk dat het bevoegd gezag van de toepassing op de hoogte is.

Graven in de bodem

In een aantal reacties zijn diverse vragen gesteld over de samenvoeging van de paragrafen 3.2.21 en 3.2.22 en de paragrafen 4.119 en 4.12.

In een reactie is opgemerkt om aan de informatieverplichting voorafgaand aan de werkzaamheden uit artikel 4.1221 Bal toe te voegen of er sprake is van graven boven de interventiewaarde of graven onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het bevoegd gezag kan anders niet beoordelen of er sprake is van een graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of onder de interventiewaarden bodemkwaliteit. Deze informatie is relevant omdat er voor het graven onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit een kortere termijn geldt (1 week in plaats van 4 weken).

Deze reactie heeft geleid tot het toevoegen van een nieuw onderdeel e aan de informatieverplichting van artikel 4.1221, lid 1 Bal. Zie verder de toelichting in paragraaf 2.5. Dit zal geen gevolgen hebben voor de regeldrukeffecten, dit is verder uitgewerkt in paragraaf 4.5.

In meerdere reacties wordt erop gewezen dat het voorgestelde onderdeel e in artikel 4.1221, eerste lid, Bal, dat regelt voor het begin van de activiteit graven in de bodem gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt over de ontgraving, aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel, leidt tot hoge administratieve lasten. In het grondverzet voor agrarische doeleinden, natuurbeheer, particuliere opdrachten, openbare ruimte, bermen en sloten is standaard geen tekening met dwarsprofiel beschikbaar en voegt het maken hiervan ook niets toe. Veel bedrijven hebben bovendien geen CAD-tekenaar in dienst. Uitbesteding brengt extra tijd- en lastendruk met zich mee. De berekende regeldrukeffecten in paragraaf 4.5 geven volgens de indieners van de reacties geen goed beeld van de werkelijke kosten.

De veelheid aan reacties hebben na een zorgvuldige en grondige afweging geleid tot het (tijdelijk) schrappen van het voorgenomen artikel 4.1221, eerste lid, onderdeel e, Bal uit het verzamelbesluit. De reacties maken duidelijk dat er zorgen leven over de voorgenomen wijziging en de (administratieve) gevolgen hiervan bij het bedrijfsleven die volgens de indieners van de reacties onvoldoende zijn meegenomen in de afweging. Om deze reden wordt de voorgenomen wijziging (tijdelijk) ingetrokken. Wel zal worden onderzocht op welke manier het geconstateerde knelpunt kan worden opgelost. De verstrekte informatie over de begrenzing van de locatie is onvoldoende specifiek over de exacte plaats van de ontgraving en over de ontgravingsdiepte. Deze informatie is wel van belang voor toezicht en handhaving. Met de inzichten uit de consultatie moet dit leiden tot een weloverwogen oplossing om dit knelpunt in de toekomst op te lossen.

Ook wordt in een reactie opgemerkt om in de toelichting bij artikel 4.1227 Bal op te nemen dat met de aanduiding in de toelichting niet wordt gedoeld op de milieubelastende activiteit graven maar op het fysieke graven. Deze reactie heeft geleid tot een verduidelijking van de toelichting op dat artikel.

In een aantal reacties wordt er op gewezen dat door samenvoeging van de paragrafen 3.2.21 en 3.2.22 en de paragrafen 4.119 en 4.12 de BRL SIKB 6000 en BRL SIKB 7000 en onderliggende protocollen en kwaliteitsdocumenten in de kwaliteitssystemen van de erkende partijen aangepast moeten worden. Dit leidt tot onduidelijkheid bij het SIKB, certificerende instellingen en de erkende instellingen. Het verzoek is om de consequenties van de wijziging op de onderliggende protocollen en kwaliteitssystemen van de erkende bodemintermediairs goed af te wegen tegen de meerwaarde van de samenvoeging van deze paragrafen.

Deze reactie heeft niet geleid tot een wijziging van de regelgeving. Het klopt dat de wijzigingen in het Bal ook impact hebben op andere regelgeving (zoals Rbk 2022) en andere documenten, waarnaar in de artikelen en paragrafen in het Bal wordt verwezen maar dit komt regelmatig voor. In het geval van de BRL SIKB 6000 en BRL SIKB 7000 zal het SIKB inderdaad met wijzigingsbladen de verwijzingen in de BRL SIKB 6000 en BRL SIKB 7000 en de onderliggende protocollen moeten aanpassen. De normdocumenten hoeven inhoudelijk echter niet te worden aangepast.

Melding en gegevens en bescheiden voor opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie

In een reactie wordt opgemerkt dat niet duidelijk is waarom de informatie uit artikel 4.1248a Bal via een aparte informatieverplichting moet worden opgevraagd en niet aan de meldingsplicht van artikel 4.1248 Bal kan worden toegevoegd. Dit kan leiden tot verwarring bij in initiatiefnemers en leidt tot onnodige administratieve lasten voor zowel initiatiefnemers als het bevoegd gezag.

De reden voor opname van deze informatie in een aparte informatieplicht hangt samen met het bijzondere karakter van de melding waarbij het is verboden om met een activiteit te beginnen voordat de gegevens en bescheiden zijn verstrekt. Vanwege dat bijzondere karakter mag er geen twijfel zijn of een gegeven en bescheiden wel of niet (volledig en juist) is verstrekt. Om deze reden worden de gegevens en bescheiden uitgevraagd met een aparte informatieverplichting in artikel 4.1248a Bal en niet opgenomen in de meldplicht van artikel 4.1248 Bal. Bovendien geldt er in veel opslagsituaties al een informatieplicht op grond van artikel 5.2 van het Bal. Het betreft die situaties waarbij er volgens artikel 4.1250 een eindonderzoek bodem verplicht is. Artikel 5.2 regelt dan dat voorafgaand aan de activiteit al een plattegrond van de locatie overlegd moet worden waarop is aangegeven waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten. Hiervoor wordt straks hetzelfde formulier gebruikt in het Omgevingsloket.

Verder wordt in een reactie opgemerkt dat er sprake kan zijn van het dubbel aanleveren van informatie als artikel 5.2 Bal ook van toepassing is. De gegevens die in artikel 5.2, eerste lid, Bal moeten worden verstrekt komen overeen met de gegevens uit het voorgestelde artikel 4.1248a, eerste lid, aanhef en onder a, Bal, namelijk de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Deze reactie heeft geleid na een zorgvuldige en grondige afweging geleid tot het schrappen van het eerste lid, aanhef en onder a, van artikel 4.1280a Bal uit het verzamelbesluit. Zoals de indiener van deze reactie opmerkt wordt dat onderdeel al uitgevraagd in andere artikelen van het Bal, waaronder artikel 5.2 Bal indien er volgens artikel 4.1250 Bal een eindonderzoek bodem verplicht is. Verder is er bij het opslaan van grond of baggerspecie waarbij er meerdere partijen worden ingezameld of afgegeven sprake van een samenloop met de activiteit Grondbank of grondreinigingsbedrijf (paragraaf 3.5.8 van het Bal) die met artikel 3.181 van het Bal eveneens een informatieplicht kent waarin gevraagd wordt naar de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Informatie na voltooiing of beëindiging van een functionele toepassing

In meerdere reacties zijn vraagtekens gezet bij de verplichting van het nieuwe artikel 4.1280a Bal om na het voltooien of beëindigen van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1269 Bal, in het kader waarvan grond of baggerspecie is toegepast, een aantal gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Zo wordt dit over het algemeen gezien als een aanzienlijke extra administratieve belasting, zowel bij grote als kleine projecten. Ook wordt getwijfeld aan de meerwaarde van deze verplichting omdat volumeverschillen - zowel positief als negatief - altijd voorkomen in de praktijk. Er wordt gevreesd voor discussies met het bevoegd gezag wanneer er marginale verschillen ontstaan in de vooraf gemelde en de daadwerkelijk toegepaste hoeveelheid. Handhaving op de bestaande meldings- en informatieverplichting is een effectiever middel of eventueel het invoeren van een verplichting om wijzigingen van eerdere gemelde gegevens door te geven. In een andere reactie wordt gesteld dat de informatieplicht na voltooiing of beëindiging van een functionele toepassing van grond of baggerspecie alleen nodig is bij grootschalige toepassingen en niet bij elke toepassing van grond of baggerspecie. Tot slot wordt er in een reactie op gewezen dat het bevoegd gezag deze informatie nu ook al achteraf kan opvragen bij de initiatiefnemer.

De veelheid aan reacties hebben na een zorgvuldige en grondige afweging geleid tot het (tijdelijk) schrappen van het voorgenomen artikel 4.1280a Bal uit het verzamelbesluit. De reacties maken duidelijk dat er zorgen leven over de voorgenomen wijziging en de (administratieve) gevolgen hiervan bij zowel het bedrijfsleven maar ook bevoegde gezagen die volgens de indieners van de reacties onvoldoende zijn meegenomen in de afweging. Om deze reden wordt de voorgenomen wijziging (tijdelijk) ingetrokken.

Wel wordt in de consultatiereacties onderschreven dat de daadwerkelijk toegepaste hoeveelheden partijen grond of baggerspecie in een functionele toepassing afwijken van de hoeveelheden die vermeld staan op de milieuverklaringen bodemkwaliteit of afwijken van de hoeveelheden die eerder via de meldplicht (artikel 4.1266 Bal) of informatieplicht per partij (artikel 4.1267 Bal) zijn verstrekt. Dit was een belangrijke aanleiding voor deze voorgenomen wijziging. De hoeveelheden zijn opgenomen in de milieuverklaring bodemkwaliteit die hoort bij de toe te passen partij grond of baggerspecie (zoals omschreven in artikel 25e van het Besluit bodemkwaliteit) en indien van toepassing de afleverbon. Het gevolg van een afwijking is dat onduidelijk is of de milieuverklaring bodemkwaliteit (en als van toepassing de afleverbon) representatief is voor de toegepaste partij. Een correctie of addendum is dan noodzakelijk om inzicht te houden in de herkomst en milieukwaliteit van de partij. Door de informatie ook aan het bevoegd gezag te verstrekken is geborgd dat de informatie bij de toepasser gelijk is aan de informatie bij het bevoegd gezag. Het is van belang dat dit op een uitvoerbare manier gebeurt, en niet alleen leidt tot extra administratie zonder dat daar functioneel gebruik van wordt gemaakt.

Er wordt een plan van aanpak opgesteld om het geconstateerde knelpunt grondig te bestuderen met als doel een weloverwogen oplossing te vinden die beter aansluit bij de praktijk, de belangen van de betrokkenen en de bescherming van het milieu. Met de inzichten uit de consultatie moet dit leiden tot een verbeterd voorstel om dit knelpunt in de toekomst op te lossen.

Bovengrondse opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen

In een aantal reacties wordt opgemerkt dat uit de artikelen 4.918, derde lid, aanhef onder a en 4.930, derde lid, aanhef en onder a, Bal niet duidelijk blijkt welke eisen worden gesteld aan het lekdetectiesysteem. Deze reacties hebben geleid tot een aanpassing van de artikelen 4.918, derde lid, aanhef onder a en 4.930, derde lid, aanhef en onder a, Bal. Zie verder de toelichting in paragraaf 2.1.

Verder wordt in een aantal reacties opgemerkt dat uit de leden drie, vijf en zes van de artikelen 4.918 en 4.930 Bal niet duidelijk zijn omdat niet hier niet uit volgt naar welke onderdelen van het tweede en derde lid van de artikelen 4.918 en 4.930 Bal wordt verwezen. Deze reacties hebben geleid tot het aanpassing van de artikelen 4.918, vierde, vijfde en zesde lid van het Bal en 4.930, vierde, vijfde en zesde lid van het Bal waarin dit is verduidelijkt.

Ook wordt in een aantal reacties opgemerkt dat in het tweede lid van artikel 4.921 Bal ten onrechte niet is aangegeven dat de stroomopdrukproef voor bovengrondse opslagtanks van staal die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt voor het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel waar geen kathodische bescherming is aangebracht, niet alleen door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800 moet worden beoordeeld maar ook moet worden goedgekeurd. Deze reacties hebben geleid tot een aanpassing van artikel 4.921, tweede lid, Bal.

Een soortgelijke opmerking wordt in een aantal reacties gemaakt over artikel 4.934a Bal voor bovengrondse opslagtanks van staal die gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt waarin diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel worden opgeslagen. Ook in dit artikel moet volgens de indieners ook worden verduidelijkt dat de stroomopdrukproef voor een opslagtanks waar geen kathodische bescherming is aangebracht niet alleen door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800 moet worden beoordeeld maar ook moet worden goedgekeurd. Deze reacties hebben geleid tot aanpassing van artikel 4.934a, tweede lid, Bal.

Afkeur en verwijderen of onklaar maken van ondergrondse opslagtank en inwendige beoordeling ondergrondse opslagtank

In een reactie wordt het belang onderschreven van het nieuwe vierde lid van artikel 4.976a Bal waarin een uitzondering is opgenomen op verplichtingen uit het derde lid van dit artikel voor dubbelwandige tanks die zijn voorzien van lekdetectie. Wel merken de indieners van deze reactie op dat het van belang is dat ook voor de situatie genoemd in het vierde lid van artikel 4.976a Bal het leeg maken van de tank wel nodig is voor het beoordelen en goedkeuren door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800. Deze verplichting voor de keuring vloeit namelijk ook voort uit de AS SIKB 6800 protocol 6811. Deze reactie heeft geleid tot een aanpassing van artikel 4.976a, vierde lid, Bal.

Verder wordt in deze reactie een soortgelijke opmerking gemaakt over het nieuwe vijfde lid van artikel 4.997 Bal over de keuring van ondergrondse opslagtanks voor het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel. Deze reactie heeft geleid tot een aanpassing van artikel 4.976a, vijfde lid, Bal.

Lozingsregels voor substraatteelt

In een reactie wordt opgemerkt dat de schematische tekening voor handhaving een grote verbetering betekent. Wel wordt gevraagd om kaders mee te geven voor de schematische tekening, zoals de tekeningeisen die al langer gelden als eisen aan een schematische tekening die door tuinders kan worden gebruikt om aan te tonen dat geen water wordt geloosd waarop de zuiveringsplicht van toepassing is. Deze reactie heeft geleid tot aanpassing van de regelgeving. Zie verder paragraaf 2.12.

In artikel 4.791da, lid 1e, is naar aanleiding van een reactie verduidelijkt dat het «niet lozen» betrekking heeft op waterstromen waarop de zuiveringsplicht van artikel 4.791f Bal van toepassing is. Tot slot is in deze reactie opgemerkt dat rapportageverplichting met betrekking tot de hoeveelheid geloosd totaal stikstof in kilogram per hectare teeltoppervlak kan vervallen, aangezien deze automatisch wordt berekend door de Uitvoeringsorganisatie Glastuinbouw. Deze reactie heeft geleid tot aanpassing van de regelgeving. Zie verder paragraaf 2.12.

Lozingsregels voor teelt op materiaal dat in verbinding staat met de ondergrond

De reactie over de eisen aan een schematische tekening die hierboven bij substraatteelt is beschreven is ook relevant voor grondteeltbedrijven. Deze reactie heeft geleid tot aanpassing van de regelgeving. Zie verder paragraaf 2.13.

Tot slot is in een reactie aangegeven dat in artikel 4.791ka «niet lozen» alleen betrekking moet hebben op waterstromen waarop de zuiveringsplicht van toepassing is. Deze reactie heeft geleid tot aanpassing van de regelgeving. Zie verder paragraaf 2.13.

Afvalwater van gebruikt substraatmateriaal

In een reactie is opgemerkt dat afvalwater van gebruikt substraatmateriaal mag worden uitgereden over landbouwgrond, terwijl onbedekte landbouwgrond niet in alle glastuinbouwgebieden in ruime mate beschikbaar is. In reactie hierop is de regelgeving aangepast. Zie verder paragraaf 2.14.

Het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem

In een reactie wordt opgemerkt dat het nieuwe artikel 4.1136, tweede lid, aanhef en onder e, Bal niet leidt tot een eenduidige en werkbare situatie. Het berekende temperatuureffect zegt volgens de indiener van de reactie namelijk niet per definitie iets over negatieve interferentie. Deze reactie heeft geleid tot een verduidelijking in de onderdelen AQ en AR van de artikelsgewijze toelichting.

Ook wordt in een reactie opgemerkt over de artikelsgewijze toelichting bij de onderdelen AQ en AR dat de WKO-bodemenergietool niet altijd de meeste actuele situatie weergeven omdat een melding mogelijk nog niet is ingevoerd door de omgevingsdienst. Deze reactie heeft geleid tot een verduidelijking in de onderdelen AQ en AR van de artikelsgewijze toelichting.

Overige onderwerpen

Een aantal opmerkingen die technische punten en onvolkomenheden betreffen zijn overgenomen in dit verzamelbesluit. Bijvoorbeeld het herstellen van onjuiste verwijzingen in Tabel 4.938 Bal.

Opmerkingen over onderwerpen die buiten de reikwijdte van dit verzamelbesluit vallen, hebben niet geleid tot wijzigingen in dit verzamelbesluit of de nota van toelichting omdat hierover geen consultatie heeft plaatsgevonden. Deze opmerkingen gaan bijvoorbeeld over gewenste aanpassingen in de bepalingen over het graven in de bodem, het opslaan van grond of baggerspecie, het toepassen van grond of baggerspecie, het saneren van de bodem, toepassen van bouwstoffen, verkennend bodemonderzoek, eindonderzoek bodem en herstel van de bodemkwaliteit, de toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem en het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem of lozingsregels voor substraatteelt.

Beleidsinhoudelijke opmerkingen die tot discussie kunnen leiden met andere betrokken partijen of een onwenselijke impact hebben op het stelsel van het Bal, zijn niet overgenomen in dit verzamelbesluit. Deels omdat er geen consultatie over heeft plaatsgevonden en deels omdat dit verzamelbesluit niet geschikt en niet bedoeld is om stelselwijzigingen in het Bal door te voeren. De opmerkingen die om die redenen niet tot wijziging van het verzamelbesluit hebben geleid, zijn bijvoorbeeld het opnemen van een vervaldatum van één jaar voor meld- en informatieplichten in het Bal, een uitzondering op de melding en informatieplicht voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem indien er ook voor de ontgraving in het kader van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem een melding moet worden gedaan, het vervangen van de term «verwachte startdatum» door «startdatum» bij verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal, het opnemen van een einddatum van een milieubelastende activiteit in plaats van de duur van de werkzaamheden bij verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal, het toetsen van partijkeuringen in plaats van de milieuverklaring bodemkwaliteit bij het toepassen van grond of baggerspecie, het toepassen van olivijnzand, ijzersilicaten en koperslakzand toevoegen aan de milieubelastende activiteit toepassen van bouwstoffen, het correct gebruik in het Bal van de termen gehaltes en concentraties, wijzigingen van de coördinaten van de bodemlussen en het middelpunt van het bodemenergiesysteem melden na de aanleg van een gesloten bodemenergiesysteem in plaats van een wijziging van de melding, het vervangen van de term bodemlussen door bodemwarmtewisselaar bij het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem, de term «vitale ondergrondse infrastructuur» in de artikelen 4.1220, 4.1221, 4.1222, 4.1223 en 4.1224 van het Bal te wijzigen naar «vitale infrastructuur», het aanpassen van de Rbk 2022 op diverse onderdelen, het toevoegen van een verplichting tot het aantonen van nullozing in glastuinbouw in de paragrafen 4.76 en 4.77 van het Bal, het verplichten tot verzegeling van lozingsroutes, het toevoegen van een artikel naar analogie met artikel 4.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer in paragraaf 4.80 van het Bal, toevoegen van een passage over aanmaak van meststoffen in de glastuinbouw naar analogie met artikel 4.714 Bal, verplichten van alle glastuinbouwbedrijven om een UO registratie in te dienen (deze verplichting is er al), het toevoegen van het woord «chemische» in 4.791da lid d, schrappen van de uitzonderingen in artikel 4.791e lid 3 (emissiegrenswaarden stikstof) en 4.791L lid 6 (hemelwater, natrium, recirculatie) Bal, het verduidelijken van de inzamelplicht van gemeenten via de riolering, het schrappen van de verplichte recirculatie van drainwater in artikel 4.791c Bal, het veranderen van de meet- en rapportageverplichtingen voor natrium en stikstof in artikel 4.791f en artikel 4.791fa Bal en het opnemen van een overgangstermijn in artikel 4.941d Bal.

Deze opmerkingen kunnen na een beleidsmatige afweging in de toekomst mogelijk wel leiden tot wijziging van de regelgeving.

7.3 Advies ATR over het ontwerpbesluit

Op 6 maart 2025 heeft ATR advies uitgebracht over het ontwerpbesluit. ATR adviseert het besluit in te dienen, nadat met de adviespunten rekening is gehouden. De reacties op de adviespunten van ATR zijn weergegeven in de volgende tabel.

Adviespunten ATR

Reactie

1. Nut en noodzaak

 

Het college stelt vast dat het voorstel nut en noodzaak van de wijzigingen onderbouwt en ziet geen aanleiding voor adviespunten hierbij.

n.v.t.

2. Minder belastende alternatieven

 

Het college adviseert informatieverplichtingen die resulteren in dubbele ge-gevensuitvraag bij bedrijven over teelt van gewassen te schrappen en hergebruik van gegevens tussen instanties te bevorderen.

Naar aanleiding van het advies van ATR wordt opgemerkt dat de ervaring is, onder meer van de bevoegde gezagen die samenwerken in de Stichting Uitvoeringsorganisatie Glastuinbouw (hierna: UO), dat de koppeling met databases van andere organisaties, zoals die van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) in het kader van de Gecombineerde Opgave, erg complex kan zijn. Zo zijn de categorieën gewassen in de twee databases niet volledig overeenkomstig. De categorieën gewassen in de UO zijn wettelijk vastgelegd (artikelen 4.791e en artikel 4.791l Bal). Zelfs al zou het lukken om gegevens van de RVO over te nemen, dan nog is het zo dat de tuinder deze gegevens zal moeten controleren, om risico’s van foutieve koppelingen weg te nemen. De teeltperiode per gewas is niet bij de RVO beschikbaar en zodra de tuinder deze op grond van artikel 4.791o Bal heeft gerapporteerd is het type gewas ook meteen bekend. Met de bevoegde gezagen en de RVO zal overleg worden gevoerd optimalisatie van gegevensuitwisseling maar de verwachting op dit moment is dat de maatschappelijke kosten van koppeling van de databases niet in verhouding staan tot het positieve effect van het niet invullen (maar alsnog moeten controleren) van het type gewas en teeltoppervlak.

Het college adviseert de meldingsmodule in het Omgevingsloket lastenluw in te richten met maximaal hergebruik van gegevens die eerder door partijen met de overheid zijn gedeeld.

Naar aanleiding van dit advies van ATR wordt opgemerkt dat de veelheid aan reacties na een zorgvuldige en grondige afweging hebben geleid tot het (tijdelijk) schrappen van het voorgenomen artikel 4.1280a Bal uit het verzamelbesluit. Zie verder de toelichting in paragraaf 7.2.

3. Werkbaarheid

 

Het college adviseert te beschrijven op welke wijze (MKB-)bedrijven in de voorbereiding van het voorstel zijn betrokken, in hoeverre daarbij aandachtspunten zijn benoemd over de werkbaarheid en hoe het voorstel opvolging geeft aan deze aandachtspunten.

Naar aanleiding van het advies van ATR is in hoofdstuk 7.1 van deze nota van toelichting beschreven op welke wijze de sectoren betrokken zijn geweest bij de voorbereiding op dit verzamelbesluit.

4. Gevolgen regeldruk

 

Het college adviseert de analyse van de regeldrukeffecten op een aantal onderdelen uit te werken in de toelichting bij het voorstel, conform de Rijksbrede methodiek.

Naar aanleiding van het advies van ATR dat het bij de wijzigingen voor de bovengrondse opslagtanks die gedeeltelijk in de bodem of een terp liggen niet duidelijk is of er nu sprake is van regeldrukeffecten, is in paragraaf 2.1 van deze nota van toelichting verduidelijkt dat er geen gevolgen zijn voor de regeldruk door deze wijziging.

Naar aanleiding van dit advies van ATR wordt opgemerkt dat de veelheid aan reacties na een zorgvuldige en grondige afweging hebben geleid tot het (tijdelijk) schrappen van de voorgenomen wijziging over het verstrekken van een kaart en een dwarsprofiel bij graven onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Zie verder de toelichting in paragraaf 7.2.

Voor de wijziging die betrekking heeft op de eisen voor een graafactiviteit voor een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in artikel 4.1223, tweede lid, Bal, zijn in paragraaf 4.5 de gevolgen voor vermindering van de regeldruk gekwantificeerd.

Verder merkt ATR in het advies op dat bedrijven met een teeltoppervlak kleiner dan 2.500 m2 in de glastuinbouwsector op grond van artikel 4.791o, tweede lid, van het Bal de verplichting krijgen om meer meetgegevens te rapporteren aan het bevoegd gezag. Bedrijven met een teeltoppervlak kleiner dan 2.500 m2 zijn uitgezonderd van de registratieplicht. De ATR vraagt naar een nadere kwantificering van de hoeveelheid bedrijven met een teeltoppervlak kleiner dan 2.500 m2. Dit aantal is niet beschikbaar. Deze categorie kassen omvat hobbymatige activiteiten die niet binnen de rapportageverplichting vallen. De verwachting is dat het genoemde aantal van 3.600 bedrijven in paragraaf 4.12 een groter bedrijfsoppervlak heeft dan 2.500 m2.

De ATR merkt in het advies op dat het nuttig is om een indicatie op te nemen van het deel van de kosten van meetverplichtingen dat kan worden aangemerkt als bedrijfseigen. Zoals beschreven in paragraaf 4.12 maken glastuinbouwbedrijven al kosten voor metingen in het water in de kas. Deze berekening is verder uitgewerkt in paragraaf 4.12.

De ATR merkt verder op dat de aanvulling van artikel 4.791p en 4.791u Bal bepaalt dat naast een riooltekening ook een schematische tekening beschikbaar moet zijn met daarop de werken en leidingen die zijn bedoeld voor het transport of de opslag van water dat is gerelateerd aan de teelt. De ATR merkt op dat het niet duidelijk is wat de kosten zijn van een dergelijke schematische tekening en hoeveel bedrijven over deze schematische tekening dienen te beschikken.

Alle bedrijven (ca. 3.600) dienen een schematische tekening te hebben. Als de tuinder zelf een schematische tekening maakt zijn de kosten marginaal.

7.4 Parlementaire betrokkenheid

Met inachtneming van artikel 23.5 van de Ow is het ontwerpbesluit bij brieven van 23 mei 2025 toegezonden aan de Eerste en Tweede Kamer (voorhangprocedure). Er zijn geen verdere vragen gesteld door het parlement.

8. Technische notificatie

Het ontwerpbesluit is op 16 januari 2026 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (2014/(...)/NL). Dit is gedaan omdat het ontwerpbesluit mogelijk technische voorschriften bevat. Op deze notificatie zijn geen reacties ontvangen.

9. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Het overgangsrecht voor het stelsel is opgenomen in de Invoeringswet Omgevingswet, het bijbehorende Invoeringsbesluit Omgevingswet en in de aanvullingswetten en ‑besluiten. Ook in het Bal is in een aantal paragrafen met regels over activiteiten specifiek overgangsrecht opgenomen. Dit verzamelbesluit bevat ook een paar specifieke overgangsrechtelijke bepalingen in de artikelen 924a, 4.941c en 4.941d van het Bal en de artikelen 8.1.12 en 8.1.13 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Zie verder paragrafen 2.1, 2.2 en 2.15 van het algemene deel van de nota van toelichting.

Er is voorzien in inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen en onderdelen van artikelen verschillend kan worden bepaald. Dit kan nuttig zijn in verband met de samenloop met andere wijzigingen van het stelsel op of rond de beoogde datum van inwerkingtreding van dit verzamelbesluit. Voorts is bepaald dat in dat koninklijk besluit kan worden bepaald dat artikel IV van dit besluit terugwerkt tot 1 januari 2026, omdat de termijn van de betreffende vergunningen van rechtswege dan verloopt.

Daarnaast is vanwege het spoedeisend belang van de implementatie met toepassing van Ar 4.22, onder G, in het tweede lid van artikel VII van dit besluit bepaald dat artikel VI in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Dat is mogelijk in de in Ar 4.17, vijfde lid, genoemde uitzonderingsgevallen. Het betreft in dit geval spoed- of noodregelgeving (onderdeel b), reparatiewetgeving (onderdeel c) en implementatie van bindende EU-rechtshandelingen (onderdeel d). Op dezelfde gronden wordt tevens afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten en de minimum invoeringstermijn.

Bovendien treden de onderdelen BD, BE, BF, BG en BQ van artikel I en onderdeel A van artikel V met ingang van 1 juli 2026 in werking, in afwijking van hetgeen bepaald in artikel VII, eerste lid. Dit betreffen de onderdelen waarin de informatieverplichting en de meldplicht voor het toepassen van (bouwstoffen met) staalslak zijn vervat of onderdelen die hier op van invloed zijn. Ondanks het feit dat de Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD- en ELO-staalslak nog van kracht is, is spoedige inwerkingtreding hier van groot belang om het toezicht en de handhaving ten aanzien van het toepassen van staalslak spoedig te versterken. De informatieverplichting en de meldplicht hebben namelijk een bredere reikwijdte dan de Tijdelijke regeling, zowel ten aanzien van de soorten toe te passen bouwstof als de soorten toepassingen (zowel water- als landbodem). Zie voor een uitgebreide toelichting hierop paragraaf 2.7 van de Nota van Toelichting bij dit besluit.

Tot slot treden ook de onderdelen C en D van artikel III treden met ingang van 1 juli 2026 in werking. Dit is van belang om de onduidelijkheid rondom de bestuursrechtelijke handhavingstaak ten aanzien van het toepassen van bouwstoffen, grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen zo snel als mogelijk weg te nemen en aan te sluiten bij de gelijke systematiek van de regels voor zowel toepassingen in oppervlaktewaterlichamen als voor toepassingen op of in landbodems onder de Omgevingswet. Zie voor een uitgebreide toelichting hierop paragraaf 2.10 van de Nota van Toelichting bij dit besluit.

II Artikelsgewijs

Artikel I wijziging Bal [artikel 4.3 Omgevingswet]

Artikel I, onderdelen A tot en met D, H, AY, AAZ, BN, BO en BQ (paragrafen 3.2.21, 3.2.22, 4.119, 4.120 en artikelen 3.178, 6.56, 6.56ha, 6.56hd, 7.61l, 7.61i, 7.61j en bijlage IIa Bal)

De paragrafen 3.2.21 en 3.2.22 zijn samengevoegd tot één paragraaf. Tussen de paragrafen zat veel overlap en in de praktijk onderstonden er onduidelijkheden bij graafwerkzaamheden die zowel in bodem met verontreinigingen boven de interventiewaarden als in bodem met verontreinigingen onder de interventiewaarden werden verricht. Het was bijvoorbeeld niet altijd duidelijk welke paragrafen van toepassing waren in die situaties. Met het samenvoegen van de paragrafen 3.2.21 en 3.2.22 en de paragrafen 4.119 en 4.120 zijn die onduidelijkheden verleden tijd.

Met uitzondering van drie wijzigingen zijn er geen inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd in de genoemde paragrafen. Voor de toelichting wordt dan ook verwezen naar de nota van toelichting bij het Bal (Stb. 2018, nr. 293) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, nr. 400). De twee wijzigingen betreffen het nieuwe onderdeel e in artikel 4.1221, eerste lid, Bal, het nieuwe tweede lid van artikel 4.1223 Bal en de wijzigingen in artikel 4.1230. Voor een toelichting op deze wijzigingen wordt verwezen naar de paragrafen 2.5 en 4.5 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

In aanvulling op de nota van toelichting bij het Bal (Stb. 2018, nr. 293) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, nr. 400) wordt opgemerkt dat artikel 4.1227 van het Bal dat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toestaat gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen. Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. Die periode van acht weken is dan bedoeld om een afvoerbestemming voor de grond te vinden. De termijn van acht weken geldt vanaf het moment dat het graven gereed is. Dat wil zeggen dat de ontgravingsput of -cunet weer opgevuld is.

Artikel I, onderdeel E (artikel 3.48l Bal)

In paragraaf 3.2.24 Bal is als milieubelastende activiteit aangewezen het opslaan van grond of baggerspecie. Deze milieubelastende activiteit is in artikel 3.48k Bal aangewezen als vergunningplichtig als het gaat om het opslaan van matig of sterk verontreinigde grond, sterk verontreinigde baggerspecie of grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit niet bekend is (niet vastgelegd in een milieuverklaring bodemkwaliteit).

Op grond van artikel 3.48l Bal moest bij het opslaan van grond of baggerspecie worden voldaan aan de regels van zowel paragraaf 4.50 (ontvangen van afvalstoffen) als paragraaf 4.122 (opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie). In beide paragrafen is een meldingsplicht opgenomen. Voor de eenmalige opslag van één partij grond of baggerspecie geldt er volgens artikel 4.1248, vierde lid, Bal een meldtermijn van een week in plaats van vier weken. In paragraaf 4.50 is geen uitzondering opgenomen voor het eenmalig opslaan van één partij en geldt dus de standaard meldtermijn van vier weken. Met de wijziging van artikel 3.48l is deze tegenstrijdigheid uit de weg geruimd. In dat artikel is de verwijzing naar paragraaf 4.50 vervallen. Het gevolg van deze wijziging is dat bij het opslaan van grond of baggerspecie niet meer hoeft te worden voldaan aan de regels van paragraaf 4.50.

Het opslaan van meerdere partijen grond of baggerspecie die zijn ingezameld, is ook aangewezen als milieubelastende activiteit in paragraaf 3.5.8 Bal (grondbank of grondreinigingsbedrijf). Op grond van artikel 3.180, eerste lid, onder c, moet bij het verrichten van die activiteit worden voldaan aan paragraaf 4.50 Bal.

Na de wijziging van artikel 3.48l Bal is paragraaf 4.50 dus alleen niet meer van toepassing op het eenmalig opslaan van één partij grond of baggerspecie. Dat is in overeenstemming met de kaderrichtlijn afvalstoffen. Ook voor het eenmalig opslaan van één partij grond of baggerspecie blijven namelijk de algemene regels gelden van paragraaf 4.122, inclusief de meldingsplicht. Dat betekent dat over die partij gegevens moeten worden verstrekt over de kwaliteit van de grond of baggerspecie, de herkomst, de kwaliteitsklasse, de kwaliteitsverklaring, de plaats van opslag, de hoeveelheid en de aanvangsdatum van de opslag. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 25 van de kaderrichtlijn afvalstoffen voor een vrijstelling van de vergunningplicht voor de nuttige toepassing van afvalstoffen.

Mogelijk ten overvloede wordt nog opgemerkt dat de regels van paragraaf 4.50 Bal die onder andere een beschrijving verlangen van de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, niet passend zijn voor het eenmalig opslaan van één partij grond of baggerspecie.

Artikel I, onderdeel F en G (artikelen 3.48m, 3.48o en 3.48r Bal)

De artikelen 3.48m, eerste lid, 3.48o, eerste lid, en 3.48r, eerste lid, Bal wezen het toepassen van bouwstoffen, grond, baggerspecie, mijnsteen en vermengde mijnsteen op of in de bodem aan als milieubelastende activiteiten. Onder de definitie van «bodem» valt zowel landbodem als waterbodem.

Het is niet de bedoeling geweest om het toepassen op of in de waterbodem in het Bal aan te wijzen als milieubelastende activiteit. Voor milieubelastende activiteiten zijn op grond van het Bal namelijk de gemeenten aangewezen als bevoegd gezag. Zoals al aangegeven in de toelichting op artikel I, onderdelen A, G tot en met N, BJ tot en met BM, BO, BP en BS, van de nota van toelichting bij het Verzamelbesluit Omgevingswet 2022 (Stb. 2022, 172) is het niet wenselijk als er ten opzichte van de bevoegdheidsverdeling in het voorheen geldende Bbk een verschuiving van bevoegdheden optreedt. In artikel 3 van dat besluit was de waterbeheerder aangewezen als bevoegd gezag voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam. Om die reden wordt in voornoemde artikelen verduidelijkt dat het bij de aanwijzing van de milieubelastende activiteit niet gaat om toepassingen in een oppervlaktewaterlichaam.

Bij de formulering van de wijzigingen in de artikelen 3.48m, eerste lid, 3.48o, eerste lid, en 3.48r, eerste lid, Bal is aangesloten bij de formulering in artikel 3.48j, eerste lid, Bal.

Artikel I, onderdeel I (artikel 3.230 Bal)

In artikel 3.229, eerste lid, aanhef en onder b, Bal is onder andere het voor bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden, reparatiewerkzaamheden of installatiewerkzaamheden schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen aangewezen als milieubelastende activiteit. In de richtingaanwijzer (artikel 3.230 Bal) ontbrak een verwijzing naar de regels in paragraaf 4.44 over een wasstraat of wasplaats. Met de wijziging van artikel 3.230 wordt deze omissie gerepareerd.

Artikel I, onderdeel J (artikel 4.360 Bal)

In artikel 4.360 Bal waarin een verplichting is opgenomen om onderhoud en reparatie boven een aaneengesloten bodemvoorziening te verrichten, was het oogmerk beperkt tot het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof. Bij onderhoud en reparatie kunnen ook andere vloeistoffen vrijkomen die de bodem kunnen verontreinigen. Die andere vloeistoffen betreffen motorolie, remolie, koelvloeistof, remvloeistof, accuzuur en vloeibare brandstoffen. Met de wijziging van artikel 4.360 worden die vloeistoffen toegevoegd aan het oogmerk. Daarmee wordt het duidelijk dat het vereiste van een aaneengesloten bodemvoorziening er ook toe dient om verontreiniging van de bodem met die vloeistoffen te voorkomen.

Artikel I, onderdeel K (artikel 4.576 Bal)

In artikel 4.576 Bal waarin een verplichting is opgenomen bij het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen bodembeschermende voorzieningen te treffen, was het oogmerk beperkt tot het voorkomen van verontreiniging van de bodem met motorolie, remolie, koelvloeistof, remvloeistof en vloeibare brandstoffen. Bij het demonteren van wrakken kan ook accuzuur vrijkomen dat de bodem kan verontreinigen. Met de wijziging van artikel 4.576 wordt accuzuur toegevoegd aan het oogmerk. Daarmee wordt het duidelijk dat de vereiste bodembeschermende voorzieningen er ook toe dienen om verontreiniging van de bodem met accuzuur te voorkomen.

Artikel I, onderdeel L (artikel 4.791b Bal)

Glastuinbouwbedrijven dienen het te lozen drainwater en spoelwater te lozen in een vuilwaterriool, tenzij op basis van maatwerk een andere lozingsroute van toepassing is. De wijziging bepaalt dat deze passage naast drainwater en spoelwater ook van toepassing is op ander verontreinigd water dat afkomstig is uit de teelt van gewassen op substraat.

Artikel I, onderdeel M (artikel 4.791c Bal)

Met deze wijziging in artikel 4.791c, derde lid, Bal wordt een fout hersteld. Het gaat niet om de toegediende totaal stikstof maar om de geloosde totaal stikstof. Zo stond het ook in artikel 3.66, zevende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel I, onderdelen N en O (artikel 4.791d en 4.791da (nieuw) Bal)

Artikel 4.791da van het Bal borgt dat het bevoegd gezag jaarlijks wordt geïnformeerd over de wijze van zuiveren van drainwater of spoelwater van het afgelopen kalenderjaar. Deze informatieplicht over de wijze van zuiveren biedt een extra waarborg. De informatie die jaarlijks wordt doorgegeven, is gelijk aan de informatie die is doorgegeven na een wijziging in de wijze van voldoen, of gelijk aan de informatie die het jaar ervoor is doorgegeven. Het doorgeven van de wijze van zuiveren maakt het mogelijk om op regionaal en op landelijk niveau inzichtelijk te maken op welke manieren glastuinbouwbedrijven voldoen aan de zuiveringsplicht voor gewasbeschermingsmiddelen.

Als via een mobiele zuiveringsvoorziening wordt gezuiverd wordt de registratie van de gezuiverde volumes en de facturen van het zuiveren ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel I, onderdeel P (artikel 4.791e Bal)

De emissienorm voor het lozen van drainwater geldt voor de lozing van drainwater in een vuilwaterriool, maar ook bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of via een andere route, wanneer dat gelet op artikel 4.791b, tweede lid, van het Bal via een maatwerkvoorschrift is toegestaan.

Artikel I, onderdeel Q (artikelen 4.791f en 4.791fa Bal)

Op basis van de bestaande verplichtingen meten glastuinbouwbedrijven hoeveel kubieke meters drainwater zij lozen en hoeveel nitraatstikstof en ammoniumstikstof het geloosde water bevat. Dit is van belang om te weten of de bedrijven onder de emissiegrenswaarden voor stikstof blijven. Ook bedrijven die niet lozen, dienen te rapporteren wat de stikstofgehalten in het drainwater zijn. Dit biedt het bevoegd gezag inzicht in de stikstofgehalten in het drainwater en voorkomt dat bedrijven die een zuiveringswijze toepassen hogere rapportageverplichtingen hebben dan bedrijven zonder zuivering.

In artikel 4.791f is, net als voorheen in artikel 3.72 van het Activiteitenbesluit milieubeheer was bepaald, opgenomen dat één keer per drie jaar gecontroleerd wordt op het juist functioneren van watermeters en dat deze meters moeten worden onderhouden door een deskundige op het gebied van deze instrumenten. Verder is verduidelijkt dat op het bedrijf een bewijs aanwezig dient te zijn dat de controle en het onderhoud hebben plaatsgevonden. Dit stelt toezichthouders in staat om bedrijven aan te spreken op een goede werking van de apparatuur waarmee het voldoen aan de emissiegrenswaarden wordt bijgehouden.

De afwijking van de nauwkeurigheid van de watermeters was voorheen ten hoogste 10%, en is in artikel 4.791ga bijgesteld naar 5%. Voor watermeters die bij inwerkingtreding van de wijziging al aanwezig en in gebruik waren geldt dat tot 1 januari 2030 nog een afwijking van 10% kan worden aangehouden.

In de Activiteitenregeling milieubeheer was de verplichting opgenomen bij het telen of kweken van gewassen in een kas het natriumgehalte te meten en registreren. Deze verplichting is voor substraatteeltbedrijven weer in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. Glastuinbouwbedrijven zijn gewend om zoutgehalten frequent te meten voor een beter inzicht in de groeiomstandigheden van hun gewas. Door het toevoegen van het vereiste de natriumconcentraties te meten, en deze gehalten jaarlijks te rapporteren, worden toezichthouders in staat gesteld om beter zicht te houden op lozingen. Zij kunnen aan plotseling lagere natriumgehaltes bijvoorbeeld afleiden dat een bedrijf met nieuw gietwater is gaan werken, nadat water met een hoger natriumgehalte is geloosd. Substraatteeltbedrijven rapporteren al jaarlijks over stikstofgehalten in geloosd water. De administratieve last is dus beperkt.

Een deel van de glastuinbouwbedrijven met substraatteelt heeft een onderbemaling waarmee overtollig grondwater wordt weggepompt. Artikel 4.971f, vijfde lid, zorgt ervoor dat er ieder kwartaal stikstofmetingen plaatsvinden in het onderbemalingswater. Een verhoogd nitraatgehalte is een aanwijzing voor lekstromen van water dat meststoffen bevat. Als het nitraatgehalte hoger is dan 5 mmol/l, stelt de ondernemer een onderzoek in naar de oorzaken van het verhoogde nitraatgehalte en neemt de bijbehorende maatregelen om de lekstroom te stoppen.

Artikel I, onderdelen R en AA (artikelen 4.791g en 4.791u Bal)

Naast een tekening waarop is aangegeven wat de lozingspunten zijn en op welke routes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen, is ook een schematische tekening vereist waarop de werken en leidingen die zijn bedoeld voor het transport of de opslag van water zijn aangegeven. Hiermee zijn alle waterstromen die aan de teelt zijn gerelateerd in beeld. Met een schematische tekening kan beter verduidelijkt worden hoe het watersysteem in elkaar zit, dan met een plattegrond van de kas in zijn geheel, waarin dan op schaal onderdelen van het watersysteem ingetekend zouden moeten worden. De wijziging maakt het voor bedrijven eenvoudiger om voor het toezicht benodigde informatie op het bedrijf te hebben, en voor toezichthouders eenvoudiger om tijdens bedrijfsbezoeken na te gaan of het bedrijf voldoet aan de wettelijke vereisten. Er zijn een aantal onderdelen die in elk geval op de tekening moeten zijn weergegeven indien deze aanwezig zijn op het bedrijf.

Artikel I, onderdeel T (artikel 4.791h Bal) [artikel 4.3 Omgevingswet]

Dit artikel is van toepassing op spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie. Bij een eerdere wijziging van dit artikel is «bemest spoelwater» abusievelijk vervangen door «spoelwater met gewasbeschermingsmiddelen». Met deze wijziging wordt de oorspronkelijke bepaling hersteld. Indien het spoelwater ook gewasbeschermingsmiddelen bevat, dan is de bepaling in artikel 4.791k al van toepassing dat het water door een zuiveringsvoorziening geleid moet worden.

Artikel I, onderdelen S en Z (artikelen 4.791ga en 4.791pa Bal)

De afwijking van de nauwkeurigheid van de watermeters was ten hoogste 10%, en is bijgesteld naar 5% (zie ook de toelichting bij onderdeel C). Voor watermeters die bij inwerkingtreding van de wijziging al aanwezig en in gebruik waren, geldt dat tot 1 januari 2030 nog een afwijking van 10% kan worden aangehouden.

Artikel I, onderdelen U en V (artikelen 4.791k en 4.791ka Bal) [artikel 4.3 Omgevingswet]

Artikel 4.791ka zorgt ervoor dat grondteeltbedrijven jaarlijks het bevoegd gezag informeren over de wijze van zuiveren van drainwater of spoelwater van het afgelopen kalenderjaar. Deze informatie is van belang om regionaal en landelijk beter inzichtelijk te krijgen op welke manieren wordt voldaan aan de zuiveringsplicht voor gewasbeschermingsmiddelen. Ook biedt deze informatieplicht een extra waarborg. De informatie die jaarlijks wordt doorgegeven, is gelijk aan de informatie die is doorgegeven na een wijziging in de wijze van voldoen, of gelijk aan de informatie die het jaar ervoor is doorgegeven.

Als via een mobiele zuiveringsvoorziening wordt gezuiverd, wordt de registratie van de gezuiverde volumes en de facturen van het zuiveren ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel I, onderdeel W (artikel 4.791m Bal)

In artikel 4.791m is, net als voorheen in artikel 3.72 van het Activiteitenbesluit milieubeheer was bepaald, opgenomen dat één keer per drie jaar gecontroleerd wordt op het juist functioneren van watermeters en dat deze moeten worden onderhouden door een deskundige op het gebied van deze instrumenten. Verder is verduidelijkt dat op het bedrijf een bewijs aanwezig dient te zijn dat de controle en het onderhoud hebben plaatsgevonden. Dit stelt toezichthouders in staat om bedrijven aan te spreken op een goede werking van de apparatuur waarmee het voldoen aan de emissiegrenswaarden wordt bijgehouden.

De afwijking van de nauwkeurigheid van de watermeters was voorheen ten hoogste 10%, en is in artikel 4.791ga bijgesteld naar 5%. Voor watermeters die bij inwerkingtreding van de wijziging al aanwezig en in gebruik waren, geldt dat tot 1 januari 2030 nog een afwijking van 10% kan worden aangehouden.

Artikel I, onderdeel X (artikel 4.791o Bal)

Op basis van bestaande verplichtingen zijn grondteeltbedrijven het gewend om jaarlijks informatie aan te leveren over hun teelten, het meststoffengebruik en eventuele lozingen. Bedrijven met een teeltoppervlak kleiner dan 2.500 m2 registreren wel gegevens over meststoffenverbruik, maar zijn uitgezonderd van de rapportageplicht met betrekking tot meststoffen.

Artikel I, onderdeel Z (artikel 4.852 Bal)

Afvalwater van gebruikt substraatmateriaal kon al gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. De wijziging maakt het daarnaast mogelijk om deze vloeistoffen door een zuiveringsvoorziening te leiden die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen verwijdert. In dit geval is lozing via het riool toegestaan.

Artikel I, onderdelen AC, AF, AG, AH, AI, AJ en AL (artikelen 4.918, 4.920, 4.921, 4.924a, 4.930, 4.934, 4.934a en 4.941c Bal)

De opschriften van de artikelen 4.918 en 4.930 Bal worden gelijk getrokken met de opschriften van de vergelijkbare artikelen 4.968 en 4.987 Bal die gaan over het opslaan in ondergrondse opslagtanks.

Voor een toelichting op de wijzigingen in de artikelen 4.918, 4.920, 4.921, 4.924a, 4.930, 4.934, 4.934a en 4.941c Bal wordt verwezen naar de paragrafen 2.1 en 4.1 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel I, onderdelen AD, AE, AG, AM, AN en AQ (artikelen 4.919, 4.919a, 4.922, 4.923, 4.924, 4.972, 4.972a, 4.979, 4.980 en 4.980a Bal)

Voor een toelichting op de wijzigingen in deze artikelen wordt verwezen naar de paragrafen 2.4 en 4.4 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel I, onderdelen AK en AL (tabel 4.938 en artikel 4.941d Bal)

Voor een toelichting op de wijzigingen in tabel 4.938 en artikel 4.941d Bal wordt verwezen naar de paragrafen 2.2 en 4.2 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel I, onderdelen AO en AR (artikelen 4.972b en 4.991 Bal)

Deze wijzigingen zijn alleen redactioneel van aard.

Artikel I, onderdelen AP en AS (artikelen 4.976a tot en met 4.976d en 4.997 Bal)

Voor een toelichting op de wijzigingen van de artikelen 4.976a tot en met 4.976d en 4.997 Bal wordt verwezen naar de paragrafen 2.3 en 4.3 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel I, onderdelen AT en AU (artikelen 4.1136 en 4.1137 Bal)

De wijziging in artikel 4.1136, tweede lid, onder b, Bal is technisch van aard en bedoeld ter verduidelijking.

In artikel 4.1137, eerste lid, aanhef en onder d, Bal was bepaald dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit gegevens moesten worden verstrekt waaruit blijkt dat het gebruiken van het bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met andere bodemenergiesystemen in de omgeving. Dit onderdeel is vervallen en komt in gewijzigde vorm terug in artikel 4.1136, tweede lid, onder e, Bal. De reden voor verplaatsing van dit onderdeel naar artikel 4.1136 Bal is dat het ontwerpen en installeren van bodemenergiesystemen in de praktijk veelal door verschillende bedrijven worden verricht en ook op verschillende momenten.

De melding op grond van artikel 4.1136 Bal vindt vaak plaats op basis van het ontwerp. Onderdeel daarvan is de berekening van de interferentie met andere systemen. Het verstrekken van gegevens en bescheiden op grond van artikel 4.1137 vindt meestal pas plaats op het moment dat het systeem wordt geïnstalleerd. Als bij de melding geen gegevens over de interferentie met andere bodemenergiesystemen worden verstrekt, dan kan het bevoegd gezag niet beoordelen of het bodemenergiesysteem nabij gelegen bodemenergiesystemen negatief beïnvloedt. En dat is van belang met het oog op de naleving van artikel 4.1139 Bal waarin is gesteld dat negatieve interferentie moet worden voorkomen tussen het gesloten bodemenergiesysteem dat wordt aangelegd en de bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend. Negatieve interferentie moet worden voorkomen met het oog op het doelmatig functioneren van de bodemenergiesystemen.

Het toetsen op interferentie met andere bodemenergiesystemen is een onderdeel van het ontwerpen van het systeem. SIKB heeft daarvoor een methode ontwikkeld die kan worden gebruikt (https://www.sikb.nl/bodembeheer/richtlijnen/richtlijn-8200). Ook is er via de website van SIKB een tool beschikbaar die kan worden gebruikt om het temperatuureffect van een bodemenergiesysteem op andere bodemenergiesystemen te berekenen (Interferentietool Gesloten Bodemenergiesystemen).

De omgevingsdienst kan namens het bevoegd gezag op basis van de gemelde gegevens beoordelen of het nieuwe bodemenergiesysteem interfereert met andere systemen in de omgeving. De omgevingsdienst zorgt er vervolgens voor dat de resultaten van de interferentietoets in de WKO-bodemenergietool worden opgenomen (https://wkotool.nl). Die tool wordt beheerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en geeft weer of een locatie te gebruiken is voor de toepassing van bodemenergiesystemen. Ontwerpers van bodemenergiesystemen halen de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de interferentie met andere systemen uit de WKO-bodemenergietool. Hierbij wordt opgemerkt dat het altijd raadzaam is om omgevingsdienst te raadplegen voor de meest actuele situatie omdat in de WKO-bodemenergietool meldingen mogelijk nog niet zijn ingevoerd.

Het indieningsvereiste is in artikel 4.1136, tweede lid, onder e, Bal anders geformuleerd dan het oorspronkelijke onderdeel d van artikel 4.1137, eerste lid, Bal. Deze gewijzigde redactie hangt samen met het bijzondere karakter van de melding waarbij het is verboden om met een activiteit te beginnen voordat de gegevens en bescheiden zijn verstrekt. Vanwege dat bijzondere karakter mag er geen twijfel zijn of een gegeven en bescheiden wel of niet (volledig en juist) is verstrekt. Die twijfel zou wel kunnen ontstaan bij de oorspronkelijke formulering van artikel 4.1137, eerste lid, onder d, Bal. Daarin was namelijk bepaald dat uit de verstrekte gegevens moest blijken dat het gebruiken van het bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met andere bodemenergiesystemen. Er zou discussie kunnen ontstaan over de vraag of met de verstrekte informatie nu wel voldoende is aangetoond dat er geen sprake is van negatieve interferentie. En dat past niet bij het instrument melding. Het indieningsvereiste in het nieuwe onderdeel e van artikel 4.1136, tweede lid, Bal bepaalt dat het berekende temperatuureffect van het bodemenergiesysteem op bodemenergiesystemen in de omgeving moet worden verstrekt. Het temperatuureffect kan worden berekend met de hiervoor aangehaalde tool van SIKB. Dit is een eenduidig indieningsvereiste waarbij er geen twijfel kan ontstaan of het gegeven wel of niet (juist en volledig) is verstrekt. Op basis van de verstrekte gegevens kan het bevoegd gezag beoordelen of dat met oog op het doelmatig functioneren van bodemenergiesystemen negatieve interferentie wordt voorkomen tussen het bodemenergiesysteem dat wordt aangelegd en de bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een vergunning is verleend (artikel 4.1139 Bal). Dat kan met het opgegeven temperatuureffect. Uitgangspunt van de methodiek van de hiervoor aangehaalde tool van SIKB is dat aan deze wettelijke eis wordt voldaan als de temperatuurverlaging maximaal 1,5°C bedraagt bij elk van de bij de interferentietoets te betrekken kleine gesloten bodemenergiesystemen.

Op grond van artikel 4.1137, eerste lid, aanhef en onder f, Bal moest informatie worden verstrekt over het bodemzijdig vermogen van het bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem volgens het ontwerp zal voorzien. Deze informatie heeft het bevoegd gezag nodig om te kunnen beoordelen of het aanleggen of gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem vergunningplichtig is op grond van de regels van het omgevingsplan, bijvoorbeeld als er sprake is van een bodemzijdig vermogen van meer dan 70 kW. De informatie past daardoor beter in artikel 4.1136 (melding). De melding die wordt gedaan voor een vergunningplichtig systeem kan dan buiten behandeling worden gelaten en de melder kan erop worden gewezen dat hiervoor een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.

Omdat de indieningsvereisten in andere vorm al waren opgenomen in artikel 4.1137 Bal, heeft het opnemen daarvan in artikel 4.1136 Bal geen gevolgen voor de regeldruk.

Artikel I, onderdelen AV en AX (artikelen 4.1138 en 4.1143 Bal)

Door deze wijzigingen in de artikelen 4.1138, tweede lid, en 4.1143, vierde lid, Bal worden de uitzonderingen in die artikelen beperkt tot bodemenergiesystemen met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW. De formulering van artikel 4.1143, vierde lid, Bal wordt bovendien in lijn gebracht met de formulering van artikel 4.1138, tweede lid, Bal.

De hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum van ingebruikneming van een gesloten bodemenergiesysteem aan de bodem zijn toegevoegd, worden bijgehouden om te kunnen zien of aan de energiebalans is voldaan. Als de gebruiker signaleert dat een te groot verschil tussen de toegevoegde hoeveelheden warmte en koude aan het ontstaan is, kan de gebruiker dit compenseren door extra koude (in geval van een dreigend warmteoverschot) of warmte (in geval van een dreigend koude overschot) in de bodem te brengen. Verder moet ook het energierendement van het bodemenergiesysteem worden bijgehouden en geregistreerd. Dit is nodig voor de toepassing van artikel 4.1144 Bal (energierendement), maar ook om de gebruiker in staat te stellen om de nodige maatregelen te treffen als het energierendement van het bodemenergiesysteem tegenvalt.

De geregistreerde gegevens bij grotere systemen moeten ook jaarlijks aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Dit geldt niet voor kleine gesloten bodemenergiesystemen (met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW) die alleen worden gebruikt voor afzonderlijke woningen. Voor bodemenergiesystemen die alleen worden gebruikt voor afzonderlijke woningen is een uitzondering op de monitorings- en registratieverplichtingen gemaakt, omdat deze verplichtingen de toepassing van bodemenergiesystemen mogelijk zouden afremmen.

Artikel I, onderdelen AW en BP (artikelen 4.1142 en 4.1153 en bijlage I, onder A, Bal)

De naam van BRL KvINL 6000-21/00 is gewijzigd in BRL InstallQ 6000-21/00. Met de wijzigingen in de artikelen 4.1242 en 4.1153 Bal wordt de oude naam vervangen door de nieuwe naam. Die vervanging vindt ook plaats in de begripsomschrijving in bijlage I bij het Bal. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd in het document.

In bijlage II bij de Omgevingsregeling zal dezelfde wijziging met een aparte wijzigingsregeling worden doorgevoerd.

Artikel I, onderdeel BA (artikel 4.1247 Bal)

In artikel 4.1247, eerste lid, onder b, stond «baggerspecie van de kwaliteitsklasse niet verontreinigd». Voor baggerspecie bestaat die kwaliteitsklasse niet. Bedoeld is de kwaliteitsklasse «algemeen toepasbaar». Met deze wijziging wordt dit hersteld.

Artikel I, onderdeel BB (artikel 4.1248 Bal)

Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer moest bij de melding voor het opslaan worden aangegeven: «de aard en omvang van de activiteiten en processen in de inrichting». Op grond van het Bbk moest voor elke partij die tijdelijk werd opgeslagen een melding worden gedaan. Het meldingsartikel (art. 4.1248 Bal) bevatte niet de informatie of er sprake is van eenmalige opslag of van opslag van meerdere partijen. Deze informatie is van belang omdat er voor eenmalige opslag van één partij grond of baggerspecie uitzonderingen gelden, namelijk:

  • de meldtermijn bedraagt één week in plaats van vier weken (artikel 4.1248, vierde lid, Bal);

  • een eindonderzoek bodem na beëindiging van de activiteit is niet verplicht (artikel 4.1250, tweede lid, onder a, Bal).

Op basis van de bij de melding verstrekte gegevens kon het bevoegd gezag niet weten of er sprake was van het eenmalig opslaan van één partij grond of baggerspecie (waarvoor een meldtermijn van een week geldt) of het opslaan van meerdere partijen grond of baggerspecie. Het bevoegd gezag heeft die informatie nodig om te kunnen beoordelen of de melding tijdig is gedaan en voor het organiseren van het toezicht. Om dezelfde reden wil het bevoegd gezag dit weten om erop toe te kunnen zien dat na de beëindiging van de activiteit mogelijk een eindonderzoek bodem nodig is. Als het bevoegd gezag dat wilde weten, dan moest ze dat navragen bij degene die de melding heeft gedaan. Dat is niet wenselijk. Om die reden is besloten om aan het meldingsartikel toe te voegen dat de melding de aanduiding moet bevatten of het gaat om het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie of het opslaan van meerdere partijen grond of baggerspecie.

Artikel I, onderdeel BC (artikel 4.1248a Bal)

In paragraaf 4.122 Bal (opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie) ontbrak een artikel waarin gevraagd wordt om gegevens en bescheiden te verstrekken over de verwachte datum van het begin van de activiteit. Dit is wel geregeld in de paragrafen over het graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Deze informatie is van belang voor toezicht en handhaving en het is dan ook wenselijk om zo’n artikel toe te voegen aan paragraaf 4.122 Bal. Met het nieuwe artikel 4.1248a Bal wordt daarin voorzien.

Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer moest bij de melding voor het opslaan het volgende worden aangegeven: «het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn». Voordeel van het bekendmaken van de datum van het begin van de activiteit is dat het bevoegd gezag daar met toezicht in het veld op kan inspelen. Het nadeel voor de initiatiefnemer is dat de datum in de praktijk nog wel eens kan wijzigen. Aangezien daar termijnen voor gelden, bemoeilijkt dat de praktijk. Om die reden wordt informatie over «de verwachte datum van het begin van de activiteit» verkregen met een artikel waarin een informatieplicht is geregeld (verstrekken gegevens en bescheiden) en niet met het meldingsartikel (4.1248 Bal). Voor een melding geldt namelijk een termijn van vier weken (behalve voor eenmalige opslag waarvoor een termijn van één week geldt) en dat is in dit geval te lang. Bovendien sluit dit aan bij de regels over andere milieubelastende activiteiten in het Bal waarvoor telkens in een vergelijkbare informatieplicht (aanleveren van gegevens en bescheiden) is voorzien.

In het geval van de opslag van meer dan één partij grond of baggerspecie die ingezameld of afgegeven is, geldt er al een informatieplicht op grond van artikel 3.181 Bal voor de activiteit Grondbank of grondreinigingsbedrijf waarin de startdatum wordt gevraagd. Als de startdatum al is gevraagd via artikel 3.181 Bal is het niet nodig deze nogmaals te verstrekken.

Artikel I, onderdelen BD, BE, BF, BI en BJ (artikelen 4.1257, 4.1258, 4.1267 en 4.1283 Bal)

Met de wijzigingen in artikel 4.1258 wordt de informatieplicht voor het toepassen van staalslak gelijkgesteld met die voor het toepassen van AVI-bodemassen en immobilisaten. Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de paragrafen 2.7 en 4.7 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

In artikel 4.1257, derde lid, Bal wordt onder vernummering een nieuw onderdeel f ingevoegd waarin de begripsomschrijving is opgenomen van vormgegeven bouwstoffen. Voor dit begrip wordt aangesloten bij de betekenis die dit begrip heeft in het Besluit bodemkwaliteit.

Na artikel 4.1258 wordt een nieuw artikel 4.1258a ingevoegd. In dit artikel is een meldplicht opgenomen voor het toepassen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak en bouwstoffen bestaande uit pure staalslak zonder vaste maatvoering die op grond van deeltjesgrootte en massaverlies worden aangemerkt als vormgegeven bouwstof. Een melding dient de datum van het begin van deze activiteit te bevatten. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.7 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

In de artikelen 4.1258, tweede lid, 4.1267 en 4.1283 Bal vervalt voor «zover het gaat om het in opdracht toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie of mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de landbodem». Die formulering sluit namelijk niet aan bij de gebruikelijke formulering in het Bal. Als het gaat om degene die de werkzaamheden feitelijk verricht, dan wordt de formulering «het verrichten van de werkzaamheden» gebruikt in het Bal. In de praktijk zijn het over het algemeen aannemers die de werkzaamheden (feitelijk) verrichten.

Per abuis had de opsomming in artikel 4.1267, tweede lid, Bal door het gebruik van het woordje «en» aan het slot van onderdeel d, een cumulatief karakter gekregen. Dit terwijl het de bedoeling is dat het gaat om een alternatieve opsomming. De uitzondering van het tweede lid geldt namelijk als een van de opgesomde gevallen zich voordoet. Na deze wijziging wordt dat tot uitdrukking gebracht met het woordje «of» aan het slot van onderdeel d. Door het woordje «en» zou het misverstand kunnen ontstaan dat de uitzondering alleen geldt als alle opgesomde gevallen zich tegelijkertijd voordoen.

Artikel I, onderdeel BG (artikel 4.1259 Bal)

Per abuis had de opsomming in artikel 4.1259, tweede lid, Bal door het gebruik van het woordje «en» aan het slot van onderdeel d, een cumulatief karakter gekregen. Dit terwijl het de bedoeling is dat het gaat om een alternatieve opsomming. De uitzondering van het tweede lid geldt namelijk als een van de opgesomde gevallen zich voordoet. Na deze wijziging wordt dat tot uitdrukking gebracht met het woordje «of» aan het slot van onderdeel d. Door het woordje «en» zou het misverstand kunnen ontstaan dat de uitzondering alleen geldt als alle opgesomde gevallen zich tegelijkertijd voordoen.

Artikel I, onderdeel BH (artikel 4.1266 Bal)

Voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 4.124 Bal) geldt een meldplicht voorafgaand aan de activiteit. Bij de melding moeten op grond van artikel 4.1266 Bal gegevens worden verstrekt over de voorgenomen toepassing. Bij de melding hoefden geen gegevens te worden verstrekt over de kwaliteit van de grond of baggerspecie. Gegevens over de kwaliteit (milieuverklaring bodemkwaliteit) moeten wel worden verstrekt op grond van de informatieplicht van artikel 4.1267 Bal. Voor het toepassen van grond met uitsluitend de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of het toepassen van baggerspecie met de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar gelden uitzonderingen op de informatieplicht (artikel 4.1267, tweede lid, onder c en d, Bal). Deze uitzonderingen zijn een voortzetting van een uitzondering die gold op grond van het Bbk (artikel 42, negende lid, Bbk).

Op basis van de gegevens en bescheiden die bij de melding worden verstrekt, is het voor het bevoegd gezag niet duidelijk of sprake is van het toepassen van uitsluitend grond met de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of baggerspecie met de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar. Zolang er voor de toepassing geen informatie per toe te passen partij wordt verstrekt op grond van de informatieplicht, kan het bevoegd gezag niet nagaan of de voorgenomen toepassing voldoet aan artikel 4.1272 Bal dat de kwaliteitseisen bevat (combinatie van bodemfunctieklasse en bodemkwaliteitsklasse). Ook weet het bevoegd gezag niet of de toepasser de informatieplicht per partij overtreedt. Het is namelijk niet duidelijk of er een uitzondering op deze verplichting geldt. Hierdoor is extra contact nodig met de melder om navraag te doen over de kwaliteit van de voorgenomen toepassing. In de praktijk blijkt ook dat het bevoegd gezag veelal extra informatie opvraagt bij degene die de melding heeft gedaan als er na de melding geen gegevens en bescheiden worden verstrekt op grond van de informatieplicht.

Het is dan ook wenselijk dat bij de melding een aanduiding wordt verstrekt of alleen grond of baggerspecie van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar, bedoeld in het Bbk, wordt toegepast.

Voor de melder levert dit zeer beperkte extra regeldruk op. In het Omgevingsloket zal alleen een extra meerkeuzevraag moeten worden beantwoord. Dit zal niet meer moeite kosten dan het maken van de juiste keuze tussen de verschillende meldingsformulieren die op grond van het oude recht waren voorgeschreven. Op grond van het Bbk waren er verschillende formulieren al naar gelang de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie. Tegenover de geringe extra regeldruk staat het grote voordeel dat melders niet meer worden geconfronteerd met verzoeken van het bevoegd gezag om informatie te verstrekken over de kwaliteit van de grond of baggerspecie.

Per abuis had de opsomming in artikel 4.1266, vierde lid, Bal door het gebruik van het woordje «en» aan het slot van onderdeel f, een cumulatief karakter gekregen. Dit terwijl het de bedoeling is dat het gaat om een alternatieve opsomming. De uitzondering van het vierde lid geldt namelijk als een van de opgesomde gevallen zich voordoet. Na deze wijziging wordt dat tot uitdrukking gebracht met het woordje «of» aan het slot van onderdeel f. Door het woordje «en» zou het misverstand kunnen ontstaan dat de uitzondering alleen geldt als alle opgesomde gevallen zich tegelijkertijd voordoen.

Artikel I, onderdeel BK (artikel 5.2 Bal)

Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de paragrafen 2.8 en 4.8 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel I, onderdelen BL en BM (artikelen 5.7b en 5.7c Bal)

Uit artikel 5.7b, eerste lid Bal volgde dat een verkennend bodemonderzoek moest worden verricht als uit het vooronderzoek bodem bleek dat er een verdenking bestond van de aanwezigheid van een verontreiniging van de bodem. In artikel 5.7c, eerste lid, Bal stond een vergelijkbare formulering voor de aanwezigheid van asbest in de bodem.

Door deze formuleringen zou bij elke verdenking van een bodemverontreiniging of aanwezigheid van asbest in de bodem een verkennend bodemonderzoek moeten worden verricht. Dit levert niet alleen onnodige verkennende onderzoeken op, maar is bovendien niet in overeenstemming met de praktijk en de NEN 5725.

De praktijk gaat uit van een trapsgewijze benadering. Eerst wordt een vooronderzoek verricht en als dat onderzoek niet voldoende informatie oplevert, dan wordt een verkennend onderzoek verricht. In hoofdstuk 7 van de NEN 5725 staat o.a. het volgende: «De onderzoeker moet aangeven en motiveren of, gelet op de aanleiding(en) voor het onderzoek, voldoende informatie over de bodemkwaliteit aanwezig is. Is dit naar het oordeel van de onderzoeker niet het geval, dan zal, afhankelijk van de aanleiding(en) van het onderzoek een onderzoeksstrategie voor het bodemonderzoek en een hypothese over de bodemkwaliteit moeten worden geformuleerd».

Met de wijzigingen in de artikelen 5.7b, eerste lid, en 5.7c, eerste lid, wordt aangesloten bij de verwoording in artikel 5.7d, eerste lid, Bal dat gaat over het nader bodemonderzoek. Dat betekent dat een verkennend bodemonderzoek alleen wordt verricht als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat een verkennend bodemonderzoek nodig is. Een verkennend bodemonderzoek asbest zal alleen worden verricht als uit het vooronderzoek bodem of het verkennend bodemonderzoek blijkt dat een verkennend bodemonderzoek asbest nodig is.

Uit het voorgaande volgt dat een verkennend bodemonderzoek of een verkennend bodemonderzoek asbest met name nodig zullen zijn als het vooronderzoek bodem of het verkennend bodemonderzoek in geval van verdenking op de aanwezigheid van asbest, onvoldoende informatie heeft opgeleverd over de bodemkwaliteit.

Met deze wijzigingen wordt er voor gezorgd dat er niet onnodig verkennend onderzoek uitgevoerd wordt.

Artikel I, onderdeel BN (artikel 5.19 Bal)

Het beheer van het CUR-rapport 2001-3 is overgenomen door SIKB. Dit rapport is geactualiseerd, onder andere door het aan te laten sluiten op actuele NEN-EN-normen en de huidige stand der techniek. De nieuwe titel van het rapport is SIKB Rapport 2024 - 1 Onderhouds- en inspectieprogramma bedrijfsriolering. De versie van het rapport dat moet worden toegepast, wordt aangeduid in bijlage 2 bij de Omgevingsregeling.

Vanwege de risico’s op het ontstaan van bodemverontreiniging moeten bedrijfsrioleringen vloeistofdicht zijn. Om aan te tonen dat de riolering vloeistofdicht is, moet inspectie plaatsvinden door een voor AS SIKB 6700 erkende inspectie-instantie of moet de riolering zijn aangelegd door een voor BRL SIKB 7700 erkende onderneming.

Praktisch gezien is een inspectie volgens AS6700 niet altijd uitvoerbaar, bijvoorbeeld bij oudere of complexere rioleringssystemen. Voor deze situaties is in artikel 5.19, derde lid, Bal geregeld dat de riolering mag worden beoordeeld volgens CUR-rapport 2001-3. Het rapport geeft dus invulling aan de wijze van de verplichte inspectie.

Het CUR-rapport 2001-3 is niet meer actueel. Het verwijst bijvoorbeeld naar nationale en Europese normen en andere documenten die verouderd zijn of niet meer bestaan (en zijn vervangen door nieuwe normen en andere documenten). De verouderde verwijzingen zijn vervangen door de meest actuele normen en documenten. Dit is met name de aansluiting op NEN-EN 13508-218, die ten tijde van het opstellen van het CUR-rapport nog in ontwikkeling was (toen nog NEN 3399 en pr-EN 13508-2). Ook sluit het CUR-rapport 2001-3 niet volledig aan bij AS SIKB 6700 en BRL SIKB 7700 schema’s die toen nog niet waren ontwikkeld, en ook regelmatig geactualiseerd worden. De meest actuele versies van deze schema’s zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022.

De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) is (na eerdere actualisaties) bij de overgang naar de Omgevingswet vervangen door het document BB-CVM en algemene regels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat het CUR-rapport 2001-3 en de daarin te hanteren normdocumenten sterk verouderd zijn, heeft direct gevolgen voor de uitvoerbaarheid.

Inspectie-instanties werken al volgens de actuele (en nationaal en Europees geaccepteerde) normen. Het werken overeenkomstig de meest actuele normen en de huidige stand der techniek draagt bij aan een goede inspectie waarmee lekkages tijdig kunnen worden gesignaleerd of hersteld en bodemverontreiniging wordt voorkomen of vroegtijdig gesignaleerd.

Het SIKB Rapport 2024 - 1 Onderhouds- en inspectieprogramma bedrijfsriolering is opgesteld door een begeleidingscommissie waarin vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven (inspectie-instanties, aannemers voor aanleg, opdrachtgevend bedrijfsleven) en rioolbeheerders deelnamen. Tussen 2 april 2024 en 15 mei heeft SIKB een consultatie georganiseerd op het concept-rapport. De reacties zijn, voor zover deze betrekking hebben op het rapport, verwerkt. Het rapport is vervolgens vastgesteld door het «Centraal College van Deskundigen en Accreditatiecollege Bodembescherming» van SIKB. Hierin zijn zowel overheden als bedrijfsleven in diverse rollen vertegenwoordigd. De vervanging van de verwijzing naar het SIKB rapport heeft geen gevolgen voor de regeldruk.

Voor een toelichting op de wijziging van het vierde lid wordt verwezen naar de paragrafen 2.9 en 4.9 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel I, onderdeel BQ (bijlage I, onder A, Bal)

De wijziging van de begripsbepaling BRL KvINL is hiervoor toegelicht bij de wijzigingen van de artikelen 4.1142 en 4.1153 Bal.

De begripsbepaling van staalslak is opgenomen vanwege het toevoegen van een informatieverplichting voor het toepassen van bouwstoffen vermengd met staalslak in artikel 4.1258 Bal. Onder staalslak wordt verstaan hoogovenslak, LD-staalslak, ELO-staalslak of een andere slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer of staal. Hoogovenslak is het restant van de reactie tussen steenkool en erts in een hoogoven, als bijproduct van vloeibaar ruwijzer. Door de hoge temperaturen in de hoogoven smelt alles en worden ijzer en andere metalen gereduceerd. Het zwaardere metaal zinkt naar de bodem terwijl de resterende oxiden, de slak, erbovenop blijft drijven. Het is dan ook een bijproduct in de productie van staal.

LD-staalslak ontstaat als vloeibaar gesteente bij de bereiding van staal uit ruwijzer. Hiertoe wordt ijzererts in een hoogoven onder toevoeging van warme lucht, een slakvormer (kalksteen) en een reductiemiddel (cokes) bij hoge temperatuur omgezet in hoogovengas, een vloeibare metallische fase (het ruwijzer) en een vloeibare oxidische fase (de hoogovenslak). Vervolgens wordt het nog vloeibare ruwijzer met kalk, schrot (hergebruikt staal) en zuurstof omgezet in staal en een staalslak. Dit proces wordt de methode van Linz-Donawitz genoemd (ook wel oxystaalproces). Hierbij worden de in het ruwijzer aanwezige verbindingen, zoals Si, P, V en Mn, als het ware uitgebrand en samen met een gering deel van het ijzer verbonden aan de oxidische fase.

ELO-staalslak is een restproduct bij het ontstaan van staal uit schroot volgens het elektrostaalprocédé. ELO-staalslak wordt onderscheiden in ELO-smeltslak en ELO-gietslak.

Artikel II wijziging Bkl [artikel 2.24, eerste lid, Omgevingswet]

Artikel II, onderdelen A en B (artikelen 4.6, 6.2, 7.12, 8.22, 8.84, 11.35 en bijlage I, onderdeel A, Bkl)

In deze onderdelen is een tekstuele wijziging doorgevoerd van de term stroomgebiedbeheerplan. Zowel de spelling «stroomgebiedbeheerplan» als «stroomgebiedsbeheerplan» is taalkundig correct Nederlands. Bij de implementatie van de KRW in de Nederlandse wetgeving (Waterwet) is destijds bewust gekozen om de spelling «stroomgebiedbeheerplan» (zonder tussen-s) te hanteren. Deze terminologie is vervolgens ook consistent gebruikt bij de eerste drie generatie plannen (2009-2015, 2016-2021, 2022-2027) en alle verwijzingen hiernaar. Bij de omzetting naar de Omgevingswet is de spelling «stroomgebiedsbeheerplan» opgenomen (met tussen-s). Dit zou betekenen dat richting de 4e generatie stroomgebiedbeheerplannen 2028-2033 die nieuwe spelling gehanteerd had moeten worden. Dit werd echter niet wenselijk geacht, vanuit het oogpunt van vindbaarheid en vergelijkbaarheid met de vorige generaties plannen.

Artikel II, onderdeel C

Met deze wijziging wordt een fout hersteld in de tabel in bijlage XIIIb bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Per abuis waren de getallen in de kolom met de geurdrempels voor de laagste eenheid verwisseld met de getallen in de kolom met de geurdrempels voor de mediaan.

Artikel III wijziging Ob [artikel 18.2, zesde lid, Omgevingswet]

Artikel III, onderdelen A en B (artikelen 10.9, 10.11 en 10.33 Ob)

Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel II, onderdelen A en B.

Artikel III, onderdelen C, D en E

Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de paragrafen 2.10 en 4.10 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel IV wijziging Invoeringsbesluit Omgevingswet [artikel 4.14 Invoeringswet Omgevingswet]

Met dit verzamelbesluit zijn artikelen 8.1.12 en 8.1.13 aan paragraaf 8.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegevoegd. In deze paragraaf is overgangsrecht opgenomen.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold geen vergunning voor handelingen die werden verricht door of namens de waterbeheerder (artikel 6.16 van de Waterregeling).

Met de Omgevingswet zijn vergunningplichten ingesteld om de risico’s voor veilig en doelmatig gebruik van de rijkswateren te beperken en maatwerk te faciliteren (zie de toelichting op artikel 8.1.8 bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet). In de hoofdstukken 6 en 7 van het Bal, die betrekking hebben op activiteiten in waterstaatswerken in beheer bij het Rijk en de Noordzee, is de vergunningplicht voor het bouwen en in stand houden van een uitstroomvoorziening in het beperkingengebied voor een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk of in de Noordzee teruggebracht. Daarnaast werd niet langer een vrijstelling opgenomen voor het bouwen of in stand houden van een instroomvoorziening of uitstroomvoorziening of het onttrekken of lozen van water in rijkswateren door of namens de waterbeheerder.

In de Invoeringswet Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen. Voor activiteiten waarvoor op 1 januari 2024 met de inwerkingtreding van de Omgevingswet een vergunning ging gelden gold van rechtswege een vergunning voor een periode van twee jaar voor activiteiten die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onafgebroken werden verricht en naar aard en omvang gelijk bleven na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Met dit wijzigingsbesluit is de overgangsrechtelijke periode met twee jaar verlengd tot 1 januari 2028. Een verlenging van de periode is nodig, omdat waterbeheerders er ten onrechte van zijn uitgegaan dat zij geen water onttrekken aan of lozen in rijkswateren, en omdat het gaat om een groot aantal gevallen waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd.

Een vergunning voorafgaand aan 1 januari 2028 blijft vereist als een in het artikel genoemde activiteit nog niet werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of als deze naar aard en omvang wijzigt.

Artikel 8.1.13 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt dat van rechtswege verleende omgevingsvergunningen in het beperkingengebied van een weg in beheer bij het Rijk (beperkingengebied rijksweg) een geldigheidsduur hebben van vijf jaar. Deze verlenging van de termijn van deze van rechtswege verleende vergunningen geldt voor alle bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn en andere objecten in het beperkingengebied rijksweg waarvoor sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning van rechtswege voor een beperkingengebiedactiviteit geldt. De termijn van vijf jaar is afgestemd op de tijd die nodig is voor onder andere het opstellen van een aan het Besluit activiteiten leefomgeving aangepast beleidskader om aanvragen te beoordelen. Dit beleidskader vervangt het beleidskader dat was geënt op het beheergebied van een rijksweg, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat het beperkingengebied rijksweg een ruimer bereik heeft dan beheergebieden is behoefte aan herijking van het beleid voor de beoordeling van bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn en andere objecten die binnen het beperkingengebied rijksweg liggen. Ten behoeve van het toetsen van ingediende aanvragen aan een passend beleidskader is verlenging van de tweejaarstermijn wenselijk en is gebruik gemaakt van de verlengingsmogelijkheid die artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet biedt. Zo wordt rekening gehouden met de wens van een ruimere overgangstermijn voor grote bouwwerken die niet verenigbaar zijn met het beleidskader.

Artikel V wijziging Bbk [artikelen 9.2.2.1, eerste lid, en 9.5.2, eerste lid, Wet milieubeheer]

Artikel V, onderdeel A (artikel 1 Bbk)

De wijziging van artikel 1, eerste lid, Bbk betreft het herstel van een omissie. Het begrip vormgegeven bouwstof was geregeld in de Rbk 2022. Vanuit wetstechnisch oogpunt moet dit begrip echter in het Bbk worden geregeld.

Artikel V, onderdeel B (artikel 25h Bbk)

Voor een toelichting op de wijziging van artikel 25h, derde lid, van het Bbk wordt verwezen naar de paragrafen 2.11 en 4.11 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel VI wijziging Drinkwaterbesluit [artikel 21, derde lid, aanhef en onder a, onder 2°, Drinkwaterwet]

In Bijlage 1, deel C (Indicatorparameters) van de Drinkwaterrichtlijn19 is onder de tabel de algemene opmerking opgenomen: «Het water zou niet agressief of corrosief mogen zijn. Dit geldt vooral voor water dat een behandeling ondergaat (demineralisatie, ontharding, membraanbehandeling, omgekeerde osmose enz.)».

Evenals onder de inmiddels ingetrokken Drinkwaterrichtlijn20 was dit vereiste niet als algemene opmerking omgezet in bijlage A, de tabellen IIIa en IIIb van het Drinkwaterbesluit (waarin Bijlage 1, deel C van de Drinkwaterrichtlijn is omgezet), maar is op andere wijze gevolg gegeven aan dit vereiste, te weten via de desbetreffende in bijlage A van het Drinkwaterbesluit opgenomen specifieke parameterwaarden zoals bijvoorbeeld voor chloride. Dat drinkwater niet agressief en corrosief mag zijn wordt in Nederland verder geborgd doordat drinkwaterbedrijven de aanbevelingen uit Kiwa-mededeling 100 toepassen met betrekking tot het conditioneren van drinkwater.21

Op 18 juni 2025 heeft de Europese Commissie Nederland in gebreke gesteld, onder meer vanwege het ontbreken van de bedoelde algemene opmerking in bijlage A van het Drinkwaterbesluit. Teneinde buiten twijfel te stellen dat Nederland voldoet aan de richtlijn is de genoemde opmerking alsnog opgenomen onder de tabellen IIIa en IIIb van bijlage A van het Drinkwaterbesluit.

Artikel VII Inwerkingtreding

Ten aanzien van de inwerkingtreding wordt verwezen naar paragraaf 9 van het algemeen deel van deze toelichting.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram


X Noot
1

Eindrapportage Fase 1, Voorkom een nieuwe actie tankslag, SIKB, 17 december 2019 (https://www.sikb.nl/doc/bodembescherming/PRJ%20288%20Eindrapport%20Fase1%2020191217.pdf.

X Noot
2

Zie ook de Circulaire Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) als bouwstof in een werk, Stcrt. 2024, 14040.

X Noot
3

Kamerstukken II 2022/23, 30 015, nr. 113.

X Noot
4

Kamerstukken II 2023/24, 30 015, nr. 121.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 28 684, nr. 774.

X Noot
7

Nota van toelichting bij het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet, Stb. 2021, 98, toelichting op artikel IV (Omgevingsbesluit), onderdeel C.

X Noot
8

Volgens de nota van toelichting bij het Bbk (Stb. 2007, 469) was de handhavingstaak gelegd bij de landelijke inspectie en niet bij individuele gemeenten, omdat aannemers veelal landelijk opereren. In die nota van toelichting staat ook: «Het lokale bevoegde gezag, veelal de gemeente, is met betrekking tot een specifieke locatie binnen haar grondgebied het bevoegd gezag voor de toepassing van grond, bagger of bouwstoffen. Dit betekent dat ten aanzien van alle activiteiten en werkzaamheden toezicht kan worden uitgeoefend. De opdrachtgever is daarbij de normadressaat voor eventueel handhavend optreden. Via de opdrachtgever kan foutief handelen van de aannemer worden gecorrigeerd. Naast dit curatieve optreden, zoals dat ook binnen het Bouwstoffenbesluit mogelijk was, is preventief optreden door de VROM-Inspectie richting de aannemer mogelijk gemaakt. Op lokaal niveau handhaaft met andere woorden het lokale bevoegde gezag de regels van het besluit, indien nodig zet de VROM-inspectie handhavingsmiddelen in om te voorkomen dat de aannemer elders dezelfde overtreding begaat.

X Noot
9

Stb. 2007, 469, toelichting op artikel 4.

X Noot
10

MKB staat voor midden- en kleinbedrijf.

X Noot
11

Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (2023).

X Noot
12

Handleiding Milieueffectentoets, aandachtspunten voor de toetsing van ontwerp-regelgeving op milieueffecten, Meldpunt Voorgenomen Regelgeving, april 2003. Te raadplegen op de website van het Kenniscentrum voor beleid en regelgeving.

X Noot
13

De genoemde aantallen zijn gebaseerd op gegevens van de SIKB. Die organisatie houdt het aantal afgekeurde opslagtanks bij op basis van de gegevens die inspectie-instanties aanleveren.

X Noot
14

Dat is het gemiddelde uurtarief volgens het Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (2023).

X Noot
15

Dat is het gemiddelde uurtarief volgens het Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (2023).

X Noot
16

Dat is het gemiddelde uurtarief volgens het Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (2023).

X Noot
17

Kamerstukken II 2024/25, 28 684, nr. 774.

X Noot
18

NEN-EN 13508-2+A1+CNL1 Onderzoek en beoordeling van de buitenriolering - Deel 2: Coderingssysteem voor visuele inspectie, maart 2021

X Noot
19

Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020, betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking).

X Noot
20

Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, Pb L 330, 32.

X Noot
21

Referentie: Slaats et al. (2013). Conditionering: de optimale samenstelling van drinkwater. Kiwa-mededeling 100 – Update 2013. KWR 2013.069. Oktober 2013.


X Noot
1

Eindrapportage Fase 1, Voorkom een nieuwe actie tankslag, SIKB, 17 december 2019 (https://www.sikb.nl/doc/bodembescherming/PRJ%20288%20Eindrapport%20Fase1%2020191217.pdf.

X Noot
2

Zie ook de Circulaire Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) als bouwstof in een werk, Stcrt. 2024, 14040.

X Noot
3

Kamerstukken II 2022/23, 30 015, nr. 113.

X Noot
4

Kamerstukken II 2023/24, 30 015, nr. 121.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 28 684, nr. 774.

X Noot
7

Nota van toelichting bij het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet, Stb. 2021, 98, toelichting op artikel IV (Omgevingsbesluit), onderdeel C.

X Noot
8

Volgens de nota van toelichting bij het Bbk (Stb. 2007, 469) was de handhavingstaak gelegd bij de landelijke inspectie en niet bij individuele gemeenten, omdat aannemers veelal landelijk opereren. In die nota van toelichting staat ook: «Het lokale bevoegde gezag, veelal de gemeente, is met betrekking tot een specifieke locatie binnen haar grondgebied het bevoegd gezag voor de toepassing van grond, bagger of bouwstoffen. Dit betekent dat ten aanzien van alle activiteiten en werkzaamheden toezicht kan worden uitgeoefend. De opdrachtgever is daarbij de normadressaat voor eventueel handhavend optreden. Via de opdrachtgever kan foutief handelen van de aannemer worden gecorrigeerd. Naast dit curatieve optreden, zoals dat ook binnen het Bouwstoffenbesluit mogelijk was, is preventief optreden door de VROM-Inspectie richting de aannemer mogelijk gemaakt. Op lokaal niveau handhaaft met andere woorden het lokale bevoegde gezag de regels van het besluit, indien nodig zet de VROM-inspectie handhavingsmiddelen in om te voorkomen dat de aannemer elders dezelfde overtreding begaat.

X Noot
9

Stb. 2007, 469, toelichting op artikel 4.

X Noot
10

MKB staat voor midden- en kleinbedrijf.

X Noot
11

Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (2023).

X Noot
12

Handleiding Milieueffectentoets, aandachtspunten voor de toetsing van ontwerp-regelgeving op milieueffecten, Meldpunt Voorgenomen Regelgeving, april 2003. Te raadplegen op de website van het Kenniscentrum voor beleid en regelgeving.

X Noot
13

De genoemde aantallen zijn gebaseerd op gegevens van de SIKB. Die organisatie houdt het aantal afgekeurde opslagtanks bij op basis van de gegevens die inspectie-instanties aanleveren.

X Noot
14

Dat is het gemiddelde uurtarief volgens het Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (2023).

X Noot
15

Dat is het gemiddelde uurtarief volgens het Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (2023).

X Noot
16

Dat is het gemiddelde uurtarief volgens het Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (2023).

X Noot
17

Kamerstukken II 2024/25, 28 684, nr. 774.

X Noot
18

NEN-EN 13508-2+A1+CNL1 Onderzoek en beoordeling van de buitenriolering - Deel 2: Coderingssysteem voor visuele inspectie, maart 2021

X Noot
19

Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020, betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking).

X Noot
20

Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, Pb L 330, 32.

X Noot
21

Referentie: Slaats et al. (2013). Conditionering: de optimale samenstelling van drinkwater. Kiwa-mededeling 100 – Update 2013. KWR 2013.069. Oktober 2013.

Naar boven