Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2016, 380AMvB

Besluit van 12 oktober 2016 tot wijziging van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en het Activiteitenbesluit milieubeheer ten behoeve van nadere implementatie van de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad en technische wijzigingen (PbEG 1998, L 350) en in verband met technische aanpassingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 4 juli 2015, nr. IenM/BSK-2015/124558, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, eerste lid, en 7quater, eerste en derde lid, van Richtlijn nr. 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PbEG 1998, L350), en de artikelen 9.2.2.1, 9.2.2.6a en 9.2.3.2 van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 januari 2016, nr. W14.15.0451/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 7 oktober 2016, nr. IenM/BSK-2016/128631, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.5, eerste lid, wordt na «richtlijn 98/70/EG» ingevoegd:, met dien verstande dat diesel in afwijking van die specificaties meer dan 7% methylvetzuurgehalte mag bevatten.

B

Artikel 2.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «artikel 3, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer» vervangen door: artikel 9.7.4.2 of artikel 9.7.4.3, in samenhang met artikel 9.7.4.5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet milieubeheer.

2. In het derde lid wordt «1 april» vervangen door: 1 maart.

C

Artikel 5.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt en het derde en vierde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

2. In het derde lid (nieuw) wordt «eerste tot en met derde lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

ARTIKEL II

Het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsomschrijving bij het begrip biobrandstof komt te luiden: biobrandstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel i, van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);

2. De begrippen richtlijn 2003/30/EG en andere hernieuwbare brandstoffen en de daarbij behorende begripsomschrijvingen vervallen.

B

In artikel 1.3a wordt na «8.42a» ingevoegd: 9.2.3.2,.

C

Artikel 3.21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Als benzine biobrandstof bevat, informeren de brandstofleveranciers de consument over:

    • a. de aanwezigheid van biobrandstof;

    • b. het percentage ethanol, waarbij in ieder geval wordt aangegeven of de benzine 5% of meer of minder ethanol bevat, en

    • c. de risico’s bij gebruik van de diverse benzinemengsels waarbij indien de benzine meer dan 5% ethanol bevat, de wijze waarop de diverse benzinemengsels moeten worden gebruikt in ieder geval duidelijk wordt vermeld op of direct bij een afleverzuil, die bestemd is voor het afleveren van benzine ten behoeve van openbare verkoop aan motorvoertuigen voor het wegverkeer.

2. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Als dieselbrandstof biobrandstof bevat, informeren de brandstofleveranciers de consument over:

    • a. de aanwezigheid van biobrandstof;

    • b. het percentage methylvetzuur (FAME), waarbij in ieder geval wordt aangegeven of de dieselbrandstof 7% of meer of minder methylvetzuur (FAME) bevat, en

    • c. de risico’s bij gebruik van de diverse dieselmengsels waarbij indien de dieselbrandstof meer dan 7% methylvetzuur (FAME) bevat, de wijze waarop de diverse dieselmengsels moeten worden gebruikt in ieder geval duidelijk wordt vermeld op of direct bij een afleverzuil, die bestemd is voor het afleveren van dieselbrandstof ten behoeve van openbare verkoop aan motorvoertuigen voor het wegverkeer.

ARTIKEL III

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 12 oktober 2016

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

Uitgegeven de zevenentwintigste oktober 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING1

1. Algemeen

Dit besluit strekt tot nadere implementatie van de artikelen 3, derde lid, derde volzin, en 4, eerste lid, tweede en derde alinea, van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PbEG 1998, L 350) (hierna: Richtlijn brandstofkwaliteit). Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele technische wijzigingen en correcties door te voeren in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en het Activiteitenbesluit milieubeheer.

2. Hoofdlijnen van het besluit

Met dit besluit is het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd. Hieronder is per onderdeel aangegeven wat de wijziging behelst.

Artikel I, onderdeel A: toepassing artikel 4, eerste lid, tweede alinea, van de Richtlijn brandstofkwaliteit

Artikel 4, eerste lid, eerste alinea, van de Richtlijn brandstofkwaliteit verplicht lidstaten ervoor te zorgen dat op hun grondgebied slechts diesel in de handel wordt gebracht die voldoet aan de milieutechnische specificaties van bijlage II bij de Richtlijn brandstofkwaliteit. In bijlage II bij de Richtlijn brandstofkwaliteit staat dat de maximum grenswaarde van methylvetzuur (FAME) in diesel 7% is.

In artikel 4, eerste lid, tweede alinea, van de Richtlijn brandstofkwaliteit is evenwel bepaald dat lidstaten mogen toestaan dat diesel met meer dan 7% methylvetzuur (FAME) in de handel wordt gebracht. De overige vereisten, inclusief de kwaliteitsnorm voor FAME, in bijlage II bij de Richtlijn brandstofkwaliteit moeten dan wel nog steeds in acht worden genomen. Dit volgt uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Met dit besluit kiest Nederland ervoor gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 4, eerste lid, tweede alinea, van Richtlijn brandstofkwaliteit, biedt (artikel I, onderdeel A, van dit wijzigingsbesluit). Hierdoor is het gemakkelijker voor de brandstofleveranciers om aan hun jaarverplichting op grond van artikel 2.1 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer 20152 te voldoen, omdat meer biobrandstof door de diesel kan worden gemengd.

De definitie voor diesel uit de Richtlijn brandstofkwaliteit verwijst bovendien naar GN-code 2710 19 41. Onder de hoofdgroep 2710 vallen alle brandstoffen met ten minste 70% minerale olie. Hieruit volgt dat in diesel krachtens de Richtlijn brandstofkwaliteit, en daarmee ook krachtens het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, minimaal voor 70% uit minerale olie dient te bestaan. Hieruit volgt dat het FAME-gehalte maximaal 30% mag zijn.

Artikel I, onderdeel B, eerste subonderdeel, en onderdeel C, en artikel II, onderdelen A en B: technische wijzigingen

In artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging stond nog een verwijzing naar het ingetrokken3 Besluit hernieuwbare energie vervoer. Deze verwijzing is met artikel I, onderdeel B, eerste subonderdeel, van dit wijzigingsbesluit geactualiseerd.

Met dit wijzigingsbesluit is geregeld dat in artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging verwezen wordt naar de artikelen 9.7.4.2 en 9.7.4.3, in samenhang met artikel 9.7.4.5, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

Met deze nieuwe verwijzing zijn, net als voorafgaand aan de intrekking van het Besluit hernieuwbare energie vervoer4, artikel 7ter, eerste tot en met zesde lid, en 7quater, eerste en derde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit geïmplementeerd.

Tegelijkertijd is met deze nieuwe verwijzing een aantal onjuiste van toepassingverklaringen die tot de intrekking van het Besluit hernieuwbare energie vervoer golden, geschrapt. Zo leidt de nieuwe verwijzing naar de artikelen 9.7.4.2 en 9.7.4.3 van de Wet milieubeheer ertoe dat de implementatie van de artikelen 5, vijfde lid5 en 21, tweede lid,6 van de Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140) (hierna: Richtlijn hernieuwbare energie) niet langer van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de inzet van biobrandstoffen ter voldoening aan de verplichting, bedoeld in artikel 7bis van de Richtlijn brandstofkwaliteit. De inhoud van deze bepalingen uit de Richtlijn hernieuwbare energie staat namelijk niet in de Richtlijn brandstofkwaliteit.

Tevens leidt de nieuwe verwijzing er toe, dat niet langer de nationale regeling inzake de inzet van biobrandstoffen die geleverd zijn op grond van het voorgaande kalenderjaar van overeenkomstige toepassing wordt verklaard7, aangezien deze regeling in het Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015 niet terug komt.

Onderaan het algemeen deel van deze nota van toelichting is ten behoeve van de duidelijkheid een geactualiseerde implementatietabel van de Richtlijn brandstofkwaliteit opgenomen.

Met artikel I, onderdeel C, van dit wijzigingsbesluit is artikel 5.1, tweede lid, (oud) van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging vervallen. Op grond van de artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, (oud) van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging was het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit (hierna: de NEa) verplicht om bij de controle in elk geval na te gaan of de gegevens in overeenstemming waren met de gegevens die opgenomen zijn in het register, bedoeld in artikel 12.31, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Concreet betekende dit dat in ieder geval de hoeveelheid en de duurzaamheid van brandstof en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gecontroleerd moesten worden. Artikel 12.31 van de Wet milieubeheer is per 1 januari 2015 vervallen en de rapportageplichtigen hebben niet langer de gegevens die de NEa behoorde te controleren.8 Dit maakte artikel 5.1, tweede lid, onder a, (oud) een dode letter. Het bepaalde in artikel 5.1, tweede lid, onder b, (oud) wordt als vanzelfsprekend beschouwd, en is daarom tevens vervallen.

In artikel II, onderdeel A, van dit wijzigingsbesluit is het begrip «biobrandstof» geactualiseerd. Richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (PbEG 2003, L 123) (hierna: richtlijn 2003/30/EG) is ingetrokken met de Richtlijn hernieuwbare energie. Het begrip biobrandstof komt alleen in artikel 3.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer terug. In dat artikel zijn de Richtlijn brandstofkwaliteit en de Richtlijn hernieuwbare energie deels geïmplementeerd. In de Richtlijn hernieuwbare energie staat dezelfde begripsomschrijving voor het begrip biobrandstof als in richtlijn 2003/30/EG. In de Richtlijn brandstofkwaliteit wordt voor een begripsomschrijving van het begrip biobrandstof verwezen naar het begrip biobrandstof in de Richtlijn hernieuwbare energie. Ook is het begrip «andere hernieuwbare brandstoffen» vervallen, omdat dit begrip niet in het Activiteitenbesluit milieubeheer of in de Activiteitenregeling milieubeheer terugkwam.

Tenslotte is met artikel II, onderdeel B, van dit wijzigingsbesluit in het Activiteitenbesluit milieubeheer nog een wettechnische wijziging doorgevoerd. Bij de oorspronkelijke implementatie van artikel 3, derde lid, derde volzin, van de Richtlijn brandstofkwaliteit in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging (Stb. 2011, 192) was reeds aangegeven dat het bepaalde in artikel 3.21, tweede en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, gebaseerd is op artikel 9.2.3.2 van de Wet milieubeheer. Met dit besluit is dit verduidelijkt in de omhangbepaling 1.3a van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel I, onderdeel B, tweede subonderdeel: uiterste aanleverdatum rapportage

Met artikel I, onderdeel B, tweede subonderdeel, van dit wijzigingsbesluit is geregeld dat de uiterste aanleverdatum voor de rapportage, bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging een maand naar voren wordt gehaald. Hiermee is aangesloten bij de datum waarop de leverancier tot eindverbruik, bedoeld in artikel 9.7.1.1 van de Wet milieubeheer, zich moet verantwoorden over het vorige kalenderjaar (overeenkomstig artikel 9.7.2.3 van de Wet milieubeheer). Koppeling tussen de aanlevering van de genoemde rapportageplicht en de genoemde verantwoordingsplicht ligt voor de hand, omdat de ondernemingen die aan deze verplichtingen moeten voldoen, grotendeels dezelfde zijn. Voor zowel deze ondernemingen als voor de NEa is de koppeling praktisch: voortaan is één datum relevant voor de jaarafsluiting van beide systemen.

Artikel II, onderdeel C: verbetering implementatie artikelen 3, derde lid, derde volzin, en 4, eerste lid, derde alinea, van de Richtlijn brandstofkwaliteit

De artikelen 3, derde lid, derde volzin, en 4, eerste lid, derde alinea, van de Richtlijn brandstofkwaliteit betreffen de plicht van lidstaten om er voor te zorgen dat de consument naar behoren wordt voorgelicht over het biobrandstofgehalte van benzine en dieselbrandstof. Gebleken is, dat de implementatie van deze bepalingen verbetering behoeft. Met dit wijzigingsbesluit is de implementatie verbeterd door met artikel II, onderdeel C, artikel 3.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer te wijzigen.

In artikel 3.21, tweede lid, aanhef en onder a, (nieuw) en derde lid, aanhef en onder a, (nieuw) van het Activiteitenbesluit milieubeheer is bepaald dat consumenten te allen tijde door de brandstofleveranciers moeten worden voorgelicht over de aanwezigheid van biobrandstof in benzine en dieselbrandstof.

Verder moet ingevolge artikel 3.21, tweede lid, aanhef en onder b en c, (nieuw) en derde lid, aanhef en onder b en c, (nieuw) van het Activiteitenbesluit milieubeheer de consument over het percentage ethanol in benzine en methylvetzuur (FAME) in dieselbrandstof worden geïnformeerd en over de risico’s bij gebruik van de diverse benzinemengsels of dieselmengsels. Aangezien het biobrandstofgehalte in de benzine of dieselbrandstof fluctueert, is het niet mogelijk de consument continu te informeren over het exacte gehalte ethanol en methylvetzuur (FAME). Het is aan de brandstofleverancier om te bepalen hoe gedetailleerd hij de consument wil informeren.

Echter, indien de benzine meer dan 5% ethanol bevat of de dieselbrandstof meer dan 7% methylvetzuur (FAME) bevat, moet duidelijk op of direct bij een afleverzuil die bestemd is voor het afleveren van benzine of diesel ten behoeve van openbare verkoop aan motorvoertuigen voor het wegverkeer de wijze waarop de diverse benzinemengsels of dieselmengsels moeten worden gebruikt worden vermeld (artikel 3.21, tweede lid, aanhef en onder c, (nieuw) en derde lid, aanhef en onder c, (nieuw) van het Activiteitenbesluit milieubeheer). Dit is nodig, omdat benzine met meer dan 5% ethanol en dieselbrandstof met meer dan 7% methylvetzuur (FAME) gevolgen voor de motor van een auto kan hebben.

Voor benzine is deze informatieplicht op de afleverzuil niet nieuw (artikel 3.21, tweede lid, (oud) van het Activiteitenbesluit milieubeheer). Voor de consument is er al een website beschikbaar waarop gecontroleerd kan worden of een auto geschikt is voor benzine met meer dan 5% ethanol: http://www.jebentalsnelduurzaamopweg.nl/E10/.

Voor dieselbrandstof met meer dan 7% methylvetzuur (FAME) is de eis wel nieuw. De eis hangt samen met artikel I, onderdeel A, van dit besluit, waarin is geregeld dat voortaan dieselbrandstof met meer dan 7% methylvetzuur (FAME) is toegestaan.

Op grond van richtlijn (EU) nr. 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PbEU 2014, L 307) wordt de informatie op de brandstofzuil in de toekomst uitgebreid. Uiterlijk vanaf oktober 2018 zal op de brandstofzuilen een etiket te vinden zijn met daarop het symbool specifieke brandstof. Voor benzine zal dit symbool aangevuld worden met een E met daarachter het cijfer dat het maximumgehalte ethanol in de benzine weergeeft (bijvoorbeeld E5 of E10). Voor diesel zal het symbool aangevuld worden met de letter B gevolgd door het maximum gehalte FAME in de diesel (bijvoorbeeld B7 of B10). De verplichting deze etiketten toe te passen op de brandstofzuilen zal door middel van een separate algemene maatregel van bestuur worden geïmplementeerd.

3. Uitvoering en handhaving

Voor wat betreft de uitvoering en handhaving zijn relevant de wijziging van artikel 2.5 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, de wijziging van artikel 3.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en het vervallen van artikel 5.1, tweede lid, (oud) van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 2.5 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging

De ILT is verantwoordelijk voor de handhaving van de kwaliteit van de diesel met 7% of meer methylvetzuur (FAME) die op de markt komt ten gevolge van de wijziging van artikel 2.5 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. Deze nieuwe verantwoordelijkheid leidt niet tot het nemen van meer monsters, omdat het huidige aantal monsters reeds representatief is.

Artikel 3.21 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 3.21, tweede en derde lid, (nieuw) van het Activiteitenbesluit is van toepassing op degene die een inrichting type A, B of C drijft en benzine of dieselbrandstof aflevert ten behoeve van openbare verkoop aan motorvoertuigen voor het wegverkeer. Deze drijvers van de inrichting moeten de bepalingen uitvoeren. Artikel 3.21, tweede en derde lid, (nieuw) van het Activiteitenbesluit is gebaseerd op artikel 9.2.3.2 van de Wet milieubeheer. De Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) is namens de Minister van Infrastructuur en Milieu belast met de bestuurlijke handhaving.9

Vervallen artikel 5.1, tweede lid, (oud) van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging

De artikelen 2.9, 2.9a en 5.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging worden gehandhaafd door de NEa.10 Artikel 5.1, tweede lid, onder a, (oud) van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging betrof echter sinds 1 januari 2015 een dode letter en kon niet worden gehandhaafd. Met het vervallen van deze bepaling is dit beëindigd.

4. Gevolgen

Financiële gevolgen voor de rijksoverheid, burgers, bedrijven en andere overheden

Dit wijzigingsbesluit heeft financiële gevolgen voor inrichtingen die benzine of dieselbrandstof afleveren ten behoeve van openbare verkoop aan motorvoertuigen voor het wegverkeer. Voortaan moeten de brandstofleveranciers te allen tijde de consumenten voorlichten over de aanwezigheid van biobrandstof in benzine en dieselbrandstof. Het betreft in beginsel echter een lichte informatieplicht. Een bericht op de website van een brandstofleverancier is bijvoorbeeld voldoende om de consument te informeren over de aanwezigheid van biobrandstof. Alleen wanneer benzine meer dan 5% ethanol bevat of diesel meer dan 7% methylvetzuur (FAME) bevat, is de brandstofleverancier verplicht om direct op de afleverzuil de consument te informeren. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een sticker. Voor benzine met meer dan 5% ethanol bestaat deze plicht al. Voor diesel met meer dan 7% methylvetzuur (FAME)

betreft het een nieuwe verplichting, die leidt tot geringe en éénmalige kosten (ongeveer 30 euro) in verband met de aanschaf van een sticker. In Nederland zijn ongeveer 4.200 tankstations, die gemiddeld twee pompen zullen hebben waarop een sticker geplakt dient te worden. Dat betekent dat de totale nalevelingskosten 252.000 euro bedragen.

Dit wijzigingsbesluit heeft daarnaast financiële gevolgen voor het rijk, en dan specifiek voor de ILT, in verband met de handhaving van de informatieplicht, bedoeld in artikel 3.21, tweede en derde lid, (nieuw) van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De financiële gevolgen zullen echter beperkt zijn, omdat het toezicht op de informatieplicht gelijktijdig kan plaatsvinden met de controles van de kwaliteit van de brandstof.

Hierboven is reeds aangegeven dat de ILT tevens verantwoordelijk is voor de handhaving van de kwaliteit van de diesel met 7% of meer methylvetzuur (FAME) die op de markt komt ten gevolge van de wijziging van artikel 2.5 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. Daar het huidige aantal monsters representatief is en de nieuwe verantwoordelijkheid dus niet leidt tot het nemen van meer monsters, heeft de wijziging van artikel 2.5 op dit punt geen financiële gevolgen.

Dit wijzigingsbesluit heeft geen financiële gevolgen voor andere overheden.

Gevolgen voor het milieu

Met dit wijzigingsbesluit zijn geen nieuwe milieunormen vastgesteld.

Met dit besluit is geregeld dat diesel met meer dan 7% methylvetzuur (FAME) in de handel mag worden gebracht. Dit kan leiden tot een toename van de inzet van biobrandstoffen.

Daarnaast is een informatieplicht uitgebreid. Dit heeft geen milieugevolgen.

Tenslotte zijn wettechnische reparaties doorgevoerd. Ook deze wijzigingen hebben geen gevolgen.

5. Advisering en consultatie

Bij het opstellen van het wijzigingsbesluit heeft de NEa bijgedragen aan de wijziging van de artikelen 2.9 en 5.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. De ILT heeft het ontwerpbesluit getoetst op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid en heeft het besluit positief beoordeeld.

Op grond van artikel 21.6, vierde lid, Wet milieubeheer is het ontwerpbesluit overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en is het in de Staatscourant bekendgemaakt. Naar aanleiding van de verplichte voorpublicatie van het ontwerpbesluit (Stcrt. 2015, 18869) heeft de Staatssecretaris van IenM geen inspraakreacties ontvangen.

In de voortgangsnotitie regeldruk bedrijven 2011-2015 van 19 september 2011 (Kamerstukken II 2010/11 29 515, nr. 333) is aangekondigd dat het kabinet internetconsultatie vaker wil inzetten bij de voorbereiding van wetgeving, als aanvulling op de bestaande consultatiepraktijk. In het Actieplan Open Overheid11 (Kamerstukken II 2013/14, 32 802, nr. 5) is aangegeven dat bij de voorbereiding van voorstellen voor onder meer algemene maatregelen van bestuur stelselmatig moet worden bepaald of internetconsultatie meerwaarde heeft en een effectieve methode is om de doelgroepen van een regeling te bereiken.

In het voorliggende geval heeft internetconsultatie geen meerwaarde. Het ontwerpbesluit moet immers, zoals hierboven reeds aangegeven, op grond van artikel 21.6, vierde lid, Wet milieubeheer in de Staatscourant bekendgemaakt. Hierdoor worden burgers, bedrijven en instellingen al geconsulteerd over het ontwerpbesluit.

Het ontwerpbesluit is op 22 december 2015 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2015-0720-NL) ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241). Er zijn twee reacties naar aanleiding van de technische notificatie ontvangen, waardoor de stand-still termijn waarbinnen het besluit niet in werking kan treden is verlengd tot eind juni 2016.

De eerste reactie betrof een uitvoerig gemotiveerde mening van de Europese Commissie. In deze uitvoering gemotiveerde mening heeft de Commissie met name haar zorgen uitgesproken over de wijze waarop Nederland gebruik maakt van de afwijkingsbevoegdheid uit de Richtlijn brandstofkwaliteit en over de eisen aan etikettering. In nader overleg bleek dat de Commissie de situatie wil voorkomen, dat het voor de consument onduidelijk is hoe hoog het percentage FAME is dat op de brandstofzuil zit. In de ministeriële regeling behorende bij de algemene maatregel van bestuur waarmee richtlijn 2014/94/EU wordt geïmplementeerd, zal daarom worden voorgeschreven dat op de brandstofzuil altijd het maximum FAME-gehalte aangegeven moet worden. Enkel vermelden dat de diesel meer dan 7% FAME bevat, zal niet toegestaan zijn.

Tevens heeft de Commissie vragen gesteld over de wijze waarop de kwaliteit van diesel met een afwijkend FAME-percentage wordt geborgd. In de beantwoording aan de Commissie is de systematiek van het besluit uitgelegd en aangegeven dat de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid geen afbreuk doet aan de kwaliteitseisen die de richtlijn stelt. In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting is onder het kopje «Artikel I, onderdeel A: toepassing artikel 4, eerste lid, tweede alinea, van de Richtlijn brandstofkwaliteit» duidelijkheidshalve aangegeven dat de vereisten in bijlage II bij de Richtlijn brandstofkwaliteit bij diesel met meer dan 7% FAME in acht moeten worden genomen.

De Commissie heeft ook vragen gesteld over de bovengrens van het maximale percentage FAME dat de diesel mag bevatten. Naar aanleiding van deze vraag is in hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting is onder het kopje «Artikel I, onderdeel A: toepassing artikel 4, eerste lid, tweede alinea, van de Richtlijn brandstofkwaliteit» toegelicht dat gezien de definitie van diesel in de Richtlijn brandstofkwaliteit het gehalte FAME in diesel maximaal 30% mag zijn. Deze definitie is overgenomen in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Tenslotte heeft de Commissie gevraagd hoe verzekerd is dat dieselbrandstof met een maximaal gehalte van 7% FAME voor consumenten beschikbaar blijft. Aan de Commissie is uitgelegd dat dieselbrandstof met meer dan 7% FAME een uitzondering betreft. Dit volgt reeds uit de systematiek van de Richtlijn brandstofkwaliteit. In Nederland is op dit moment enkel gewone dieselbrandstof met maximaal 7% FAME op de markt. Aangezien er geen verbod is op dieselbrandstof met een maximaal gehalte van 7% FAME (B7), is en blijft deze brandstof beschikbaar voor consumenten. Het is aan de markt om te besluiten of er van de uitzonderingsmogelijkheid gebruik gemaakt gaat worden om nieuwe brandstoffen met meer dan 7% FAME op de markt te brengen. Omdat niet alle motoren geschikt zijn voor dit soort brandstoffen, is de verwachting dat brandstofleveranciers B7 gewoon zullen blijven verkopen, om zo alle klanten te kunnen blijven bedienen.

Zweden heeft in een reactie op de voorgenomen wijzigingen van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en het Activiteitenbesluit milieubeheer aangegeven dat de gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid dermate grote nadelen kent, dat enkel diesel met een maximale inmenging van 7% FAME beschikbaar mag zijn. In de beantwoording is aangegeven dat Nederland met het toestaan van een hoger percentage FAME binnen de grenzen van de Richtlijn brandstofkwaliteit blijft.

Het ontwerpwijzigingsbesluit is niet aan de WTO gemeld in het kader van de notificatieplicht op grond van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen «Agreement on Technical Barriers to Trade»12, omdat er geen sprake is van een significante handelsbelemmering.

6. Overgangsrecht en inwerkingtreding

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld. Het streven was dit besluit per 1 juli 2016 in werking te laten treden. Door de verlenging van de stand-still termijn is inwerkingtreding vertraagd. Gelet op de belangen van de betrokken partijen en de afspraken die hierover zijn gemaakt, treedt het besluit zo spoedig mogelijk na de publicatie in het Staatsblad in werking. Op basis van artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer zal dit in verband met de nahang in het parlement niet eerder zijn dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het gepubliceerd is. Hiermee wordt met toepassing van aanwijzing 174, vierde lid, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de Regelgeving afgeweken van het stelsel van vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijnen.

7. Transponeringstabel

Volledigheidshalve is hieronder een geactualiseerde transponeringstabel opgenomen van de Richtlijn brandstofkwaliteit. De artikelen van de Richtlijn brandstofkwaliteit die gewijzigd of toegevoegd zijn door de publicatie van Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU L 239) (ILUC-richtlijn) en de Richtlijn (EU) 2015/625 tot vaststelling van berekeningsmethode en rapportageverplichting overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof (uitvoeringsrichtlijn FQD) zullen in een later stadium in de nationale regelgeving worden geïmplementeerd.

Bepaling EU-regeling (Artikel Richtlijn brandstofkwaliteit)

Bepaling in implementatie-regeling of in bestaande regelgeving; toelichting indien niet geïmplementeerd of uit zijn aard geen implementatie behoeft

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte

Artikelen 5, 7bis, eerste lid, vierde alinea, en vijfde lid, 7ter, derde lid, tweede alinea, zevende en achtste lid, 7quater, tweede lid, derde lid, derde en vijfde alinea, vierde tot en met zesde lid, achtste en negende lid, 7quinquies, tweede en vierde tot en met het achtste lid, 7sexies, 8, derde en vierde lid, 8bis, eerste en derde lid, 9, 10, 11, 12, 13, 15 en 16

Naar de aard van de bepaling behoeven deze artikelen geen implementatie.

De artikelen 7bis, eerste lid, vierde alinea, 7ter, zevende lid, 7quater, tweede lid, vijfde alinea, vierde tot en met vijfde lid, en negende lid, 7quinquies, tweede en vierde, zesde en zevende lid, 7sexies, 8, derde en vierde lid, 8bis, eerste lid, 9, 13, 15 en 16 behoeven uit hun aard geen implementatie, omdat ze zijn gericht tot de Europese Commissie of tot de Lidstaten.

Artikel 5 en 7ter, achtste lid, behoeven uit hun aard geen implementatie, omdat hetgeen niet verboden is, is toegestaan.

De artikelen 7bis, vijfde lid, 7 ter, lid 3, tweede alinea, artikel 7quater, derde lid, derde alinea, zesde en achtste lid, artikel 7quinquies, vijfde, zevende en achtste lid, 8bis, derde lid, 10, eerste en tweede lid, behoeven uit hun aard geen implementatie, omdat deze bepalingen de mogelijkheid bevatten voor de Commissie om uitvoeringsmaatregelen te stellen. Artikel 11 ziet op de Comitéprocedure.

Artikel 1

Artikel 2.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 2

Artikel 1.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 3, eerste lid

Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 3, tweede lid, eerste alinea

Eerste alinea: Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 3, tweede lid, tweede alinea

Niet van toepassing op Nederland, Nederland heeft geen perifere gebieden.

Artikel 3, derde lid

Verlopen overgangsrecht.

Artikel 3, vierde lid, eerste alinea

Niet van toepassing op Nederland. Nederland is niet aangewezen als een lidstaat met lage omgevingstemperatuur.

Artikel 3, vierde lid, tweede alinea, in samenhang met het vijfde lid

Niet geïmplementeerd omdat uitzondering alleen mogelijk is in uitzonderlijke omstandigheden en Nederland niet voldoet aan de gestelde voorwaarden.

Artikel 3, zesde lid

Nederland maakt geen gebruik van de uitzondering.

De lidstaten kunnen het in de handel brengen van kleine hoeveelheden gelode benzine met een loodgehalte van maximaal 0,15 g/l blijven toestaan tot een maximum van 0,03 % van de totale verkoop, voor distributie door speciale belanghebbende groeperingen ten behoeve van oude, karakteristieke voertuigen.

Niet nodig.

Artikel 4, eerste lid

Artikel 2.5 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en artikel 3.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Met inachtneming van de vereisten van bijlage II mogen de lidstaten toestaan dat diesel met een methylvetzuurgehalte (FAME) van meer dan 7 % in de handel wordt gebracht.

Nederland maakt gebruik van deze mogelijkheid. Zie voor meer informatie de Nota van toelichting bij dit besluit, Algemeen deel, paragraaf 2, onder «Artikel I, onderdeel A»

Artikel 4, tweede lid, eerste alinea, eerste en tweede zin

Artikel 2.6, eerste lid, in samenhang met artikel 1.1, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 4, tweede lid, eerste alinea, derde zin

Artikel 2.6, tweede lid, in samenhang met artikel 1.1, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 4, tweede lid, tweede alinea

Nederland maakt geen gebruik van de uitzondering.

De lidstaten kunnen toestaan dat gasolie die bestemd is voor gebruik in niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen), landbouwtrekkers of bosbouwmachines en pleziervaartuigen tot 20 mg/kg zwavel bevat op het laatste punt van distributie aan de eindverbruiker.

Niet nodig.

Artikel 4, derde lid

Niet van toepassing op Nederland. Nederland is niet aangewezen als een van de perifere gebieden.

Artikel 4, vierde lid,

Niet van toepassing op Nederland. Nederland is geen lidstaat met streng winterweer.

Artikel 6

Nederland maakt geen gebruik van strengere milieutechnische specificaties. Er zijn geen gebieden waar de luchtverontreiniging of grondwaterverontreiniging een ernstig en steeds terugkerend probleem voor de menselijke gezondheid of het milieu vormt, of redelijkerwijze kan worden verwacht dat zulks het geval is.

Artikel 7

Artikel 2.7 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Een lidstaat kan tijdelijke voor een of meer brandstofcomponenten hogere grenswaarden toestaan, indien het voor raffinaderijen in de lidstaat door uitzonderlijke gebeurtenissen moeilijk wordt de in de artikelen 3 en 4 bedoelde brandstofspecificaties in acht te nemen ten gevolge van een plotselinge verandering in het aanbod van ruwe olie of olieproducten en de Commissie is ingelicht.

Zie de artikelgewijze toelichting op artikel 2.7 in de nota van toelichting bij het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging (Stb. 2011, 192).

Artikel 7bis, eerste lid, eerste alinea

Artikel 1.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 7bis, eerste lid, tweede alinea

Artikel 2.9, derde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 7bis, eerste lid, derde alinea

Artikel 5.1, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 7bis, tweede lid, onderdeel a

Artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Op grond van artikel 7bis, tweede lid, mogen de lidstaten in aanloop naar 2020 tussendoelstellingen opleggen aan de brandstofleveranciers van twee procent broeikasgasemissiereductie in 2014 en vier procent in 2017.

Zie nota van toelichting bij Besluit van 6 juni 2013 tot wijziging van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging (vervallen broeikasgasemissiereductiedoelstellingen voor 2014 en 2017) (Stb. 2013, 213)

Artikel 7bis, tweede lid, onderdeel b

 

Broeikasgasemissie-reductie door:

* de levering van energie voor vervoer voor gebruik in alle wegvoertuigen, niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen), landbouwtrekkers of bosbouwmachines en pleziervaartuigen;

* het gebruik van technologie zoals carbon capture storage

Het betreft een streefcijfer, geen hard doel.

Artikel 7bis, tweede lid, onderdeel c

 

Broeikasgasemissie-reductie door projectactiviteiten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling, bedoeld in artikel 12 van het Protocol van Kyoto (CDM), behoeft geen implementatie. In de artikel 16.46b van Wet milieubeheer is wel geregeld wat de instemmings- of weigeringsgronden zijn voor deelname aan de CDM-project.

Het betreft een streefcijfer, geen hard doel.

Artikel 7bis, derde lid, in samenhang met artikel 7quinquies

In artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, in samenhang met artikel 7bis, derde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit, in samenhang met artikel 7quinquies van de Richtlijn brandstofkwaliteit.

Artikel 7bis, derde lid, in samenhang met het bepaalde krachtens 7bis, vijfde lid

Op grond van deze bepaling is recent Richtlijn 2015/652/EU tot vaststelling van berekeningsmethoden en rapportageverplichtingen overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG (PbEU 2015, L 107) vastgesteld. Deze richtlijn moet 21 april 2017 zijn geïmplementeerd. Daar wordt nu aan gewerkt.

Artikel 7bis, vierde lid

Artikel 2.9, vierde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.

Artikel 7ter, eerste tot en met zesde lid, met uitzondering van 7ter, derde lid, tweede alinea

Artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in samenhang met artikel 9.7.4.2, onder a, of artikel 9.7.4.3, onder a, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer en de artikelen 3.1 en 3.2, eerste en tweede lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015. Artikel 17, tweede tot en met zesde lid, van Richtlijn 2009/28/EG is inhoudelijk identiek aan artikel 7ter, eerste tot en met zesde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit.

Artikel 7quater, eerste lid en derde lid, eerste en tweede alinea, in samenhang met artikel 7quater, derde lid, vierde alinea

Artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in samenhang met artikel 9.7.4.2, onder b, of artikel 9.7.4.3, onder b, in samenhang met 9.7.4.5, onder b, van de Wet milieubeheer, in samenhang met de artikelen 3.1 en 3.2 van de Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015.

Vloeibare biobrandstof

Op grond van artikel 9.7.4.2, onder b, van de Wet milieubeheer kan vloeibare biobrandstof alleen worden ingeboekt indien (kort gezegd) het bedrijf is gecertificeerd of geverifieerd volgens de eisen van het gehanteerde duurzaamheidssysteem (vrijwillig systeem als bedoeld in artikel 7quater, vierde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit dat door de Europese Commissie is erkend). In elk duurzaamheidssysteem is een massabalans opgenomen en worden eisen gesteld aan audits (implementatie artikel 7quater, eerste en derde lid, in samenhang met 7quater, derde lid, vierde alinea).

Daarnaast kan op grond van artikel 9.7.4.2, onder a, van de Wet milieubeheer vloeibare biobrandstof alleen worden ingeboekt indien (kort gezegd) wordt aangetoond dat de vloeibare biobrandstof voldoet aan de duurzaamheidscriteria die gesteld zijn krachtens artikel 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 9.7.4.5, onderdeel b, van de Wet milieubeheer is in artikel 3.1 van de Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015 bepaald, dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan indien er een bewijs van duurzaamheid kan worden overgelegd. In een bewijs van duurzaamheid moet de informatie, bedoeld in artikel 18, derde lid, van Richtlijn 2009/28/EG staan. Dit is dezelfde informatie als de informatie, bedoeld in artikel 7quater, derde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit.

Gasvormige biobrandstof

Op grond van artikel 9.7.4.3, onder a, van de Wet milieubeheer kan gasvormige biobrandstof alleen worden ingeboekt indien (kort gezegd) wordt aangetoond dat de gasvormige biobrandstof voldoet aan de duurzaamheidscriteria die gesteld zijn krachtens artikel 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 9.7.4.5, onderdeel b, van de Wet milieubeheer is in artikel 3.2 van de Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015 bepaald, dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan indien het bedrijf beschikt over een Garantie van Oorsprong («Vertogascertificaten») waarop het duurzaamheidssysteem vermeld is. In elk duurzaamheidssysteem is een massabalans opgenomen en worden eisen gesteld aan audits (implementatie artikel 7quater, eerste en derde lid, in samenhang met 7quater, derde lid, vierde alinea).

Artikel 7quater, zevende lid

Implementatie niet nodig, omdat in Nederland het aantonen van duurzaamheid van brandstoffen alleen mogelijk is met een duurzaamheidssysteem als bedoeld in artikel 7quater, vierde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit.

Artikel 7quinquies, eerste lid

Voor zover met het oog op artikel 7bis van de Richtlijn brandstofkwaliteit:

In artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging is geregeld, dat de broeikasgasemissie moet worden verminderd op de wijze beschreven in onder meer artikel 7bis, derde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit. In artikel 7bis, derde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit staat dat de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen worden berekend in overeenstemming met artikel 7quinquies.

Voor zover met het oog op artikel 7ter, tweede lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit:

Artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in samenhang met artikel 9.7.4.2, onder a, of artikel 9.7.4.3, onder a, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer en de artikelen 3.1 en 3.2, eerste en tweede lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015. In de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.2, eerste lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015 wordt verwezen naar onder meer artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie. In artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie, is bepaald, dat de broeikasgasemissiereductie door het gebruik van onder meer biobrandstoffen wordt berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie. Artikel 19, eerste lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie in samenhang met bijlage V bij de Richtlijn hernieuwbare energie is identiek aan 7quinquies, eerste lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit.

Artikel 7quinquies, derde lid

In artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging is geregeld, dat de broeikasgasemissie moet worden verminderd op de wijze beschreven in onder meer artikel 7bis, derde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit. In artikel 7bis, derde lid, van de Richtlijn brandstofkwaliteit staat dat de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen worden berekend in overeenstemming met artikel 7quinquies.

Artikel 8, eerste en tweede lid

De bestuurlijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens titel 9.2 van de Wet milieubeheer is ingevolge artikel 18.2b van de Wet milieubeheer in beginsel in handen van de minister van Infrastructuur en Milieu. De Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) voert de handhaving namens de minister uit op grond van het Instellingsbesluit Inspectie voor de Leefomgeving en transport. De ILT is daartoe gemandateerd op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012. De ILT controleert de artikelen 2.3, eerste lid, en 2.5, eerste lid, en 2.6, eerste en tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, overeenkomstig de op grond van de artikelen 2.3, tweede lid, 2.5, tweede lid, en 2.6, derde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging opgenomen testmethode.

Het gebruik van alternatieve systemen voor toezicht op de brandstofkwaliteit is toegestaan, indien de daarmee behaalde resultaten even betrouwbaar zijn.

Lijkt niet nodig maar er is de mogelijkheid om dit te regelen bij ministeriële regeling (op grond van de artikelen 2.3, tweede lid, 2.5, tweede lid, en 2.6, derde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging).

Artikel 8bis, tweede lid

Artikel 2.2, tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging

Artikel 8bis, vierde tot en met zesde lid

Artikel 3.21, eerste lid, Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 9bis

Overtreding van het bepaalde in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging is ingevolge artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten in samenhang met artikel 9.2.2.1 of 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer een economisch delict.

Artikel 12

Reeds uitgevoerd bij Besluit van 17 december 1999, houdende uitvoering van richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (Besluit kwaliteitseisen brandstoffen wegverkeer) (Stb. 1999, 566), bij Besluit van 15 oktober 2014, houdende wijziging van een aantal Warenwetbesluiten in verband met het schrappen van de verplichting om bepaalde regels te stellen en besluiten te nemen in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en andere wijzigingen van technische aard (Stb. 2014, 425) en bij Intrekking Warenwetregeling vervangingscomponenten benzine (Stcrt. 1999, 230)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van state).

X Noot
2

Betreft de implementatie van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140)

X Noot
4

Op grond van artikel 2.9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in samenhang met artikel 3, derde en zesde lid, onder a, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer, in samenhang met de Regeling hernieuwbare energie vervoer.

X Noot
5

In artikel 2.9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in samenhang met artikel 3, vierde en zesde lid, onder a, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer, in samenhang met de Regeling hernieuwbare energie vervoer.

X Noot
6

In artikel 2.9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in samenhang met artikel 3, vijfde en zesde lid, onder a, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer, in samenhang met de Regeling hernieuwbare energie vervoer.

X Noot
7

Dit geldt nu op grond van artikel 2.9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in samenhang met artikel 3, zesde lid, onder b, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer, in samenhang met de Regeling hernieuwbare energie vervoer.

X Noot
8

Wet van 26 september 2014 tot wijziging van de Wet milieubeheer (jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer, hernieuwbare brandstofeenheden en elektronisch register hernieuwbare energie vervoer) (Stb. 2014, 455). Met de inwerkingtreding van het nieuwe systeem zijn de gegevens enkel nog beschikbaar bij de inboekers.

X Noot
9

De bestuurlijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens titel 9.2 van de Wet milieubeheer is ingevolge artikel 18.2b van de Wet milieubeheer in handen van de Minister van Infrastructuur en Milieu. De Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) voert de handhaving namens de minister uit op grond van het Instellingsbesluit Inspectie voor de Leefomgeving en Transport. De ILT is daartoe gemandateerd op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012.

X Noot
10

In artikel 18.2f van de Wet milieubeheer is bepaald, dat de NEa in beginsel zorg draagt voor de bestuurlijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens onder meer de artikelen 9.2.2.1, voor zover dat betrekking heeft op het aan een ander ter beschikking stellen van brandstoffen ten behoeve van vervoer, en 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer.

X Noot
11

Nederland heeft zich in 2011 aangesloten bij het Open Government Partnership(OGP), het samenwerkingsverband van landen uit de hele wereld gericht op het bevorderen van een open overheid. Door deelname aan het OGP verplichten landen zich tot het opstellen van een actieplan dat in consultatie met de samenleving tot stand is gekomen.