Besluit van 5 december 2012, houdende wijziging van het Bijdragebesluit zorg en het Besluit maatschappelijke ondersteuning in verband met het treffen van regels voor de uitvoering van de eigen bijdragen, invoering van een vermogensinkomensbijtelling en verhogen AOW-leeftijd en het corrigeren van een omissie in het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 12 juli 2012, Z-3122745;

Gelet op artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en artikel 15, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 2012, no. W13.12.0257/III );

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2012, Z-3141568;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Bijdragebesluit zorg wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

h. grondslag sparen en beleggen:

de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;.

2. De onderdelen j tot en met l wordt geletterd i tot en met k.

B

Artikel 3, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat de beschikking is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

C

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

  • 1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 2, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK ervan in kennis is gesteld dat ten aanzien van de verzekerde zorg als bedoeld bij of krachtens de wet wordt verleend.

  • 2. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld, aan de verzekerde is verzonden.

D

Artikel 4 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het vierde lid vervalt: bijdrageplichtig.

2. Het vijfde lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. 16% voor:

    • 1°. een ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt;

    • 2°. de gehuwde verzekerden indien beiden of een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet hebben of heeft bereikt;

E

Artikel 5 vervalt.

F

Aan artikel 6, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk 8% van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, over het peiljaar van de gehuwde verzekerden.

G

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7

  • 1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het minimumbedrag, bedoeld in artikel 14, eerste lid.

  • 2. Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen blijkt dat de eigen bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.

H

Artikel 8 wordt gewijzigd als volgt:

1. In artikel 8, eerste lid, wordt «, wordt niet van het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, uitgegaan, maar wordt uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het desbetreffende kalenderjaar naar verwachting zal genieten,» vervangen door: wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het desbetreffende kalenderjaar naar verwachting zal genieten alsmede van de te verwachten grondslag sparen en beleggen van dat kalenderjaar,.

2. In het tweede lid wordt «, wordt niet van het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, uitgegaan, maar wordt uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het lopende kalenderjaar naar verwachting zal genieten,» vervangen door: wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het dan lopende kalenderjaar naar verwachting zal genieten alsmede van de te verwachten grondslag sparen en beleggen van dat kalenderjaar,.

I

Artikel 10 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid wordt gewijzigd als volgt:

a. In het eerste lid wordt «artikel 6, eerste lid, onderdeel a,» telkens vervangen door «artikel 6, eerste lid, onderdelen a en c,» en wordt na «te verwachten inkomen» ingevoegd: , de te verwachten grondslag sparen en beleggen,.

b. Aan de tweede volzin wordt toegevoegd: , met dien verstande dat de uitkomst daarvan vervolgens wordt verhoogd met twee procent.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

J

Na artikel 10 worden twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 11

  • 1. De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag van de daaropvolgende maand december.

  • 2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, geldt, indien het inkomen bij de jaarlijkse herziening nog moet worden vastgesteld, als eigen bijdrage, de bijdrage die over de laatste maand in het vorige kalenderjaar verschuldigd was.

Artikel 11a

  • 1. De eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.

  • 2. De herziene bijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage.

  • 3. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage te herzien binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden herzien, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarvoor de herziene eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage is herzien, aan de verzekerde is verzonden.

  • 4. Voor zover de bevoegdheid tot herziening van de eigen bijdrage over een periode is vervallen op grond van het eerste lid, wordt de over die periode eerder vastgestelde eigen bijdrage van rechtswege definitief.

K

Artikel 14 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onderdeel c, vervalt: of de periode, bedoeld in artikel 17, eerste lid,.

2. In het eerste lid, onderdeel e, wordt «kan worden beëindigd» vervangen door: binnen een half jaar kan worden beëindigd.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Op aanvraag van de verzekerde is de bijdrage niet verschuldigd indien hij een uitkering als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand ontvangt.

L

Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Voor de toepassing van artikel 14 bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde dan wel 8% van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen over het peiljaar van de gehuwde verzekerden, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De artikelen 4, derde en vierde lid, 7, 11 en 11a zijn van toepassing en de artikelen 4, vijfde lid, en 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Op aanvraag van de verzekerde vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en de grondslag sparen en beleggen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand betreft.

4. Onder vernummering van het vierde tot vijfde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:

  • 4. De aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

5. De tweede volzin van het vijfde lid (nieuw) komt te luiden: Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 1816 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

M

In artikel 16a vervallen het tweede en derde lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

N

Artikel 16b wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat de beschikking is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

O

Na artikel 16b wordt in § 1 een bepaling ingevoegd, luidende;

Artikel 16c

  • 1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 16a, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK ervan in kennis is gesteld dat ten aanzien van de verzekerde zorg als bedoeld bij of krachtens de wet wordt verleend.

  • 2. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld, aan de verzekerde is verzonden.

P

Artikel 16d, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan:

    • a. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 18,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 23 208 het bedrag van € 18,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 23 208;

    • b. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt € 18,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 16 257 het bedrag van € 18,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16 257;

    • c. voor de gehuwde verzekerden indien een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt € 26,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 28 733 het bedrag van € 26,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 28 733;

    • d. voor de gehuwde verzekerden die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt € 26,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 22 676 het bedrag van € 26,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 22 676.

Q

Artikel 16e wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 16d, tweede lid, bedraagt het inkomen over het peiljaar, vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk 8% van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, over het peiljaar van de gehuwde verzekerden.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Op aanvraag van de verzekerde vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en de grondslag sparen en beleggen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.

3. Onder vernummering van het vierde tot vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. De aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

4. De tweede volzin van het vijfde lid komt te luiden: Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 1816 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

R

Na artikel 16e worden in § 2 twee nieuw artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 16f

  • 1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag per vier weken, genoemd in artikel 16d, tweede lid.

  • 2. Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen, blijkt dat de eigen bijdrage tot een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.

Artikel 16g

Op bijdragen ingevolge deze paragraaf is artikel 11a van overeenkomstige toepassing.

S

In artikel 19, eerste lid, wordt «artikelen 4, eerste lid, 14 en 16d, voor zover het betreft de bedragen van € 17,20 en € 24,60,» vervangen door: artikelen 4, tweede lid, 14, eerste lid, en 16d, eerste en tweede lid, voor zover het betreft de in dat lid genoemde bedragen per vier weken,.

T

Artikel 21 vervalt.

U

In artikel 22 wordt «artikel 3, eerste lid,» vervangen door: artikel 3, eerste lid, en artikel 16b, eerste lid,.

ARTIKEL II

Het Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. inkomen:
  • 1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • 2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. zorgtoeslag:

een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de zorgtoeslag;.

3. Na onderdeel g (nieuw) wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. grondslag sparen en beleggen:

de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

B

Artikel 4.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van de wet, mogen de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, tezamen niet meer bedragen dan

    • a. voor de ongehuwde persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 18,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 23 208 het bedrag van € 18,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 23 208;

    • b. voor de ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 18,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 16 257 het bedrag van € 18,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16 257;

    • c. voor de gehuwde personen indien een van beide de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt € 26,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 28 733 het bedrag van € 26,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 28 733;

    • d. voor de gehuwde personen die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt € 26,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 22 676 het bedrag van € 26,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 22 676.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De gemeenteraad kan de verschuldigde eigen bijdrage of het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, verlagen door de in het eerste lid genoemde bedragen per vier weken of het percentage van 15 te verlagen of de overige in het eerste lid genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.

C

Na artikel 4.1 wordt twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.1a

De persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat de beschikking is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 4.1b

  • 1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 4.1, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK ervan in kennis is gesteld dat maatschappelijke ondersteuning wordt verleend.

  • 2. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld, aan die persoon is verzonden.

D

Artikel 4.2 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, bedraagt het inkomen over het peiljaar, vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde dan wel 8% van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, over het peiljaar van de gehuwde verzekerden.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Op aanvraag van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en de grondslag sparen en beleggen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.

3. De tweede volzin van het vierde lid komt te luiden: Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 1816 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

E

Artikel 4.4 komt te luiden:

Artikel 4.4

  • 1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag per vier weken, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.

  • 2. Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen, blijkt dat de eigen bijdrage tot een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.

F

Na artikel 4.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.4a

  • 1. De eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.

  • 2. De herziene bijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage.

  • 3. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage te herzien binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden herzien, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarvoor de herziene eigen bijdrage door de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage is herzien, aan die persoon is verzonden.

  • 4. Voor zover de bevoegdheid tot herziening van de eigen bijdrage over een periode is vervallen op grond van het eerste lid, wordt de over die periode eerder vastgestelde eigen bijdrage van rechtswege definitief.

G

In artikel 4.5, eerste lid, wordt «de bedragen van € 17,20 en € 24,60, genoemd in artikel 4.1, eerste en tweede lid» vervangen door: de bedragen per vier weken, genoemd in artikel 4.1, eerste lid.

H

Aan artikel 4.7, tweede lid, wordt «Wet op de zorgtoeslag» vervangen door: Wet op de zorgtoeslag, gecorrigeerd met de zorgtoeslag.

ARTIKEL III

In artikel 2 van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering wordt «17 en 18» vervangen door: 17, 18 en 34.

ARTIKEL IV

In artikel 2 van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering wordt «17, 18 en 34» vervangen door: 17 en 18.

ARTIKEL V

  • 1. De artikelen I, II en III, met uitzondering van artikel II, onderdelen A, onder 2, en H, treden in werking met ingang van 1 januari 2013. De artikelen I, onderdeel K, onder 3, en III werken terug tot en met 1 januari 2012.

  • 2. Artikel II, onderdelen A, onder 2, en H, treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft artikel 4.7, van het Besluit van 23 juni 2010, houdende wijziging van het Besluit maatschappelijke ondersteuning en het Bijdragebesluit zorg in verband met het vaststellen en innen van eigen bijdragen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang door gemeenten (Stb. 260) in werking treedt en werkt terug tot en met 19 april 2010.

  • 3. Artikel IV treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 5 december 2012

Beatrix

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. J. van Rijn

Uitgegeven de dertiende december 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Het op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vastgestelde Bijdragebesluit zorg en het op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vastgestelde Besluit maatschappelijke ondersteuning zijn gewijzigd omdat:

  • a. er behoefte bestaat om gebruik te kunnen maken van de bevoegdheid die artikel 4:87, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft om een betalingstermijn vast te stellen die afwijkt van de in het eerste lid van die bepaling geregelde termijn van zes weken;

  • b. er behoefte is aan duidelijke regels over vaststelling van een termijn waarbinnen het CAK de bijdrage moet opleggen;

  • c. er behoefte is aan duidelijke regels over het herzien van de bijdrage als recentere fiscale gegevens over het inkomen, vermogen of belasting daartoe aanleiding geven;

  • d. geregeld moest worden dat verzekerden met een zak- en kleedgelduitkering op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand op aanvraag de in artikel 14, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg geregelde eigen bijdrage voor zorg met verblijf niet verschuldigd zijn;

  • e. enkele technische verbeteringen zijn aangebracht dan wel aanpassingen in verband met de uitvoeringspraktijk;

  • f. het bijdrageplichtig inkomen, dat uitgangspunt is bij de berekening van de eigen bijdragen, zodanig aangepast moest worden dat de hoogte van de eigen bijdragen via een vermogensinkomensbijtelling mede afhankelijk worden gemaakt van het vermogen van verzekerden. Het gaat hier om regels ter uitvoering van de Wet van 25 oktober 2012 houden wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met invoering van een vermogensinkomensbijtelling voor de vaststelling van de eigen bijdrage voor zorg of voorzieningen op grond van die wetten (Stb. 2012, 547). In het Begrotingsakkoord 2013 is besloten voor de vermogensinkomensbijtelling een percentage van 8% te hanteren1. De Tweede Kamer der Staten-Generaal is hierover nader geïnformeerd bij brief van 22 juni 20122;

  • 6. met het Tweede aanpassingsbesluit inzake verhoging AOW-leeftijd de leeftijdsgrenzen in diverse algemene maatregelen van bestuur zijn aangepast aan de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd, maar daarbij is over het hoofd gezien dat ook de artikelen 4, vijfde lid, en 16d, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg hadden moeten worden aangepast. In onderhavig besluit is deze omissie hersteld.

Tevens is een omissie in artikel 2 van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering gecorrigeerd.

In het artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt verder op deze wijzigingen ingegaan.

2. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Met dit onderdeel is in artikel 1 van het Bijdragebesluit zorg een begripsomschrijving toegevoegd van de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel I, onderdelen B en N, en artikel II, onderdeel C, voor zover het artikel 4.1a betreft

In artikel 4:87, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. In het tweede lid van die bepaling is bepaald dat bij of krachtens wettelijk voorschrift een andere termijn voor de betaling kan worden vastgesteld. Het CAK hanteerde tot nu toe een afwijkende betalingstermijn van veertien dagen. In overleg met het CAK is bezien of over gegaan moet worden op de Awb-termijn van zes weken, dan wel of het wenselijk is van de bevoegdheid gebruik te maken een afwijkende termijn te regelen. Tot dit laatste is besloten. Gekozen is voor een termijn van dertig dagen om beter aan te sluiten bij de periode waarover de eigen bijdragen in rekening worden gebracht.

Met ingang van 1 januari 2008 komt de forensische zorg niet meer ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering ingevolge de AWBZ. Het daarmee gemoeide budget is overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 6, derde lid, van de AWBZ is daarmee voor deze zorg een dode letter geworden. Als gevolg daarvan geldt dat ook voor het tweede lid van artikel 3 van het Bijdragebesluit zorg, zoals dat artikel tot nu toe luidde.

Artikel I, onderdelen C, M en O en artikel II, onderdeel C, voor zover het betreft artikel 4.1b en onderdeel E voor zover het artikel 4.4 (oud) betreft

Artikel 16a, derde lid, van het Bijdragebesluit zorg en artikel 4.4 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning regelden binnen welke termijn de eigen bijdrage nog kon worden opgelegd. Er bleek behoefte te zijn bij het CAK en cliënten om ook voor de AWBZ-aanspraak op zorg met verblijf een dergelijke termijn te hebben. In verband daarmee is samen met het CAK bekeken hoe een regeling vorm kan worden gegeven die zowel van toepassing kan zijn op de eigen bijdrage voor AWBZ-zorg met verblijf als op de eigen bijdrage voor AWBZ-zorg zonder verblijf en voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wmo. Dit heeft geleid tot de keuze voor een nieuw artikel 3a en een nieuw artikel 16c in het Bijdragebesluit zorg en een nieuw artikel 4.1b in het Besluit maatschappelijke ondersteuning.

In de eerste leden van die bepalingen is geregeld dat het CAK de bijdrage moet vaststellen binnen 24 maanden na het tijdstip dat het CAK in kennis is gesteld dat de zorg dan wel de maatschappelijke ondersteuning is verleend. In de oude artikelen 16a, derde lid, en 4.4 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning was een termijn van twee jaar geregeld dat startte na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning. Deze tekst van artikel 4.4 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning leidde in de praktijk tot het misverstand dat de gemeente geen bijdrageplicht zou mogen opleggen als de maatschappelijke ondersteuning al is verleend. Dit mag niet met terugwerkende kracht, maar is wel mogelijk vanaf het moment dat de gemeente de bijdrageplicht in de verordening heeft geregeld. Dat misverstand is weggenomen met het nieuwe artikel 4.1b, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Immers, daarin staat niet dat de aanvang bepalend is, maar dat het CAK in kennis is gesteld van de verlening van de maatschappelijke ondersteuning. Daarvan zal pas sprake zijn als er een bijdrageplicht geldt. Dat mag dus ook gaan over een voorziening die al langer dan 24 maanden geleden verleend is.

Als het CAK de bijdrage niet binnen de termijn van 24 maanden vaststelt, wil dat niet zeggen dat de verzekerde vervolgens nooit meer een eigen bijdrage verschuldigd is. Het CAK kan dan alsnog een eigen bijdrage opleggen, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld, aan de verzekerde is verzonden. Dit is in het tweede lid van de artikelen 3a en 16c van het Bijdragebesluit zorg en het tweede lid van artikel 4.1b van het Besluit maatschappelijke ondersteuning geregeld.

Als het CAK actie heeft genomen binnen 24 maanden, is er vervolgens geen maximale termijn aan een eventuele herziening van de eigen bijdrage doordat het CAK bijvoorbeeld gewijzigde gegevens heeft ontvangen van de Belastingdienst, het zorgkantoor of de zorgaanbieders. Dan moet de bijdrage zowel ten gunste als ten nadele van de cliënt gewijzigd kunnen worden.

Als het CAK een eigen bijdrage heeft vastgesteld, voorziet de Awb in regels binnen welke termijn een vastgesteld besluit ten uitvoer mag worden gelegd.

In verband met het vorenstaande zijn artikel 16a, derde lid, van het Bijdragebesluit zorg en artikel 4.4 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gewijzigd.

Tevens is met onderdeel M het tweede lid van artikel 16a van het Bijdragebesluit zorg komen te vervallen. Met het Besluit van 25 november 2003 tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met wijziging van de eigen bijdragen voor AWBZ-zorg (Stb. 2003, 504) werd geregeld dat het tot dan beoogde nieuwe bijdragesysteem alsnog niet werd ingevoerd. Dat systeem ging uit van een bijdrageplicht op basis van geïndiceerd zorg in functies en klassen. Daarvoor was de regeling in artikel 16a, tweede lid, nodig. Nagelaten is om met het hiervoor genoemde besluit dat lid te schrappen. Dat is thans gecorrigeerd.

Artikel I, onderdeel D, voor zover het betreft artikel 4, vierde lid

Artikel 4, vierde lid, van het Bijdragebesluit zorg regelt welk gedeelte van de berekende eigen bijdrage ieder van de echtgenoten die in een AWBZ-instelling zijn opgenomen, moet betalen. In de bepaling staat dat ieder een gedeelte verschuldigd is naar rato van ieders aandeel in het bijdrageplichtig inkomen. Vanwege de uitvoerbaarheid wordt bij de verdeling van de eigen bijdrage het inkomen, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Bijdragebesluit zorg gehanteerd. Dat is het verzamelinkomen respectievelijk belastbaar loon waar nog geen belasting en andere aftrekposten op mindering zijn gebracht. De bepaling is op deze uitvoeringspraktijk aangepast.

Artikel I, onderdelen D, voor zover het betreft de AOW-leeftijd, en P

Artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, en artikel 16d, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg zijn gewijzigd omdat bij het Tweede aanpassingsbesluit inzake verhoging AOW-leeftijd abusievelijk was nagelaten dit onderdeel vanwege de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd eveneens aan te passen. Met de onderdelen D en P van artikel I is deze omissie hersteld.

Artikel I, onderdeel E

Artikel 5 van het Bijdragebesluit zorg, zoals dat tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, had betrekking op de jaarlijkse nieuwe berekening van de bijdrage. Het is logischer om in het Bijdragebesluit zorg eerst te regelen hoe de bijdrage wordt vastgesteld en daarna te bepalen dat die jaarlijks wordt herzien. Om die reden is de inhoud van dit artikel verplaatst naar een nieuw artikel 11, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Artikel I, onderdeel F

Met het wijzigen van artikel 6 van het Bijdragebesluit zorg is het begrip bijdrageplichtige inkomen aangepast. Artikel 6 is zodanig gewijzigd dat de hoge eigen bijdrage die geldt voor verblijf zal worden berekend aan de hand van het reeds geldende bijdrageplichtig inkomen voor die zorg, vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor gehuwden is dat 8% van de gezamenlijke grondslag voor sparen en beleggen. Deze vermeerdering vindt plaats nadat eerst de verschuldigde belastingen en aftrekposten op het inkomen in mindering zijn gebracht.

Artikel I, onderdelen G en R, voor zover het betreft artikel 16f en Artikel II, onderdeel E

Met ingang van 1 januari 2008 is artikel 7 van het Bijdragebesluit zorg gewijzigd3. Sinds die tijd heeft artikel 7 achteraf bezien geen zelfstandige betekenis meer naast artikel 5 (waarvan de inhoud met dit besluit is verplaatst naar artikel 11, eerste lid,) en artikel 6. Daarom is de tekst van artikel 7 zoals die tot nu toe luidde komen te vervallen en vervangen door een nieuwe tekst. Over die nieuwe tekst het volgende.

Voor de vaststelling van de eigen bijdrage ontvangt het CAK gegevens uit de basisregistratie inkomen. Het gaat daarbij om de meest actuele gegevens uit die basisregistratie. Omdat het gaat om gegevens van twee jaar terug, zijnde het peiljaar, betreft het voor het overgrote deel definitieve gegevens. Indien dat niet het geval is, kan het zijn dat latere gegevens ertoe leiden dat de eigen bijdrage moet worden herzien.

Zijn er in het geheel nog geen gegevens dan stelt het CAK de bijdrage vast op het minimumbedrag van artikel 14, eerste lid, onderscheidenlijk het bedrag per vier weken, genoemd in artikel 16d, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg dan wel artikel 4.1, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning, en corrigeert het CAK de bijdrage zodra die gegevens er wel zijn. Overigens geldt bij de jaarlijkse herziening voor zorg met verblijf de in artikel 11, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg geregelde uitzondering.

In het Bijdragebesluit zorg ontbrak voor het vorenstaande nog een regeling. Daarom zijn met het onderhavige besluit aan het Bijdragebesluit zorg een nieuw artikel 7 en een nieuw artikel 16f aan het Bijdragebesluit zorg en een nieuw artike 4.4 aan het Besluit maatschappelijke ondersteuning toegevoegd.

Het nieuwe artikel 7, eerste lid, en het nieuwe artikel 16f, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg en het nieuwe artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning regelen dat als er nog geen gegevens beschikbaar zijn (uit het peiljaar) de eigen bijdrage op het hiervoor bedoelde minimumbedrag onderscheidenlijk bedrag per vier weken wordt vastgesteld.

Het nieuwe artikel 7, tweede lid, en het nieuwe artikel 16f, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg en het nieuwe artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning regelen dat het CAK de vastgestelde bijdrage herziet als uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomensgegeven of uit een wijziging van een inkomensgegeven, blijkt dat de eigen bijdrage tot een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld. Het CAK doet dat met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomensgegeven dan wel van die wijziging.

Artikel I, onderdeel H, en onderdeel I, onder 1

Artikel 8 regelt een uitzondering op artikel 6 voor het geval dat de verzekerde die al in een instelling verblijft, voor het eerst inkomen gaat genieten. In dat geval wordt het in artikel 1, onderdeel e, gedefinieerde peiljaar (t-2) niet gehanteerd. Artikel 8, eerste en tweede lid, is zodanig aangepast dat het niet meer slechts naar het inkomen (artikel 6, eerste lid, onder a) verwijst, maar tevens de 8% vermogensinkomensbijtelling (artikel 6, eerste lid, onder c) wordt meegenomen.

In artikel 8, tweede lid, is de verwijzing naar «het lopende kalenderjaar» aldus gewijzigd dat wordt verwezen naar «het dan lopende kalenderjaar». Hiermee wordt verduidelijkt dat het lopende kalenderjaar wordt bedoeld dat volgt op het jaar dat de verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet.

Tevens is artikel 10, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg aangepast zodat het ook verwijst naar de (te verwachten) grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting (onderdeel I, onder 1).

Artikel I, onderdeel I, onder 2, onder b

Met het Besluit van 9 december 2009 houdende wijziging van het Bijdragebesluit zorg ter verhoging van de maximale eigen bijdrage bij verblijf in een AWBZ-instelling en ter invoering van een eigen bijdrage voor begeleiding alsmede enkele correcties in het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2009, 555) is onterecht uit artikel 10, eerste lid, de verhoging van 2% geschrapt. Gedacht werd dat deze verhoging bij deze bepaling niet werd toegepast en dat dat ook niet gewenst is. Dat blijkt niet het geval te zijn. De bepaling is daarop gecorrigeerd.

Artikel I, onderdelen I, onder 2, onder a, L, onder 4, en Q, onder 3, en artikel II, onderdeel D, onder 2

In artikel 10 is een regeling getroffen voor mensen van wie het inkomen uit het lopende kalenderjaar dusdanig lager is dan het inkomen uit het peiljaar dat zij na het betalen van de eigen bijdrage minder overhouden dan het zak- en kleedgeldbedrag, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand. Zij kunnen dan vragen om het vaststellen van een bijdrage op basis van het inkomen in het lopende kalenderjaar. De bepaling gaat er vanuit dat bijdrageplichtigen een dergelijke aanvraag in het lopende kalenderjaar doen omdat zij dan constateren dat zij minder ter vrije besteding overhouden dan dat zak- en kleedgeld. Wordt de bijdrage opgelegd in een van de laatste maanden van het jaar of nog later, dan ligt het in de rede dat zo’n aanvraag net na afloop van het kalenderjaar wordt gedaan. In de praktijk worden dergelijke verzoeken echter veelvuldig maanden of jaren later gedaan met de hoop dat de bijdrage dan alsnog lager wordt. Dat is zeer belastend voor de uitvoering. Er mag vanuit gegaan worden dat als een aanvraag pas na een lange tijd gedaan was, er geen financiële noodzaak was van de uitzondering gebruik te maken. Daarom is thans in een nieuw lid geregeld dat een dergelijk aanvraag in het lopende kalenderjaar of uiterlijk drie maanden gedaan wordt na de aanvang van het volgende kalenderjaar. Dit is met dit besluit, door een nieuw vierde lid toe te voegen aan artikel 15 en artikel 16e van het Bijdragebesluit zorg tevens geregeld voor de bijdragen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 16d, eerste en tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Artikel I, onderdelen J en R, voor zover het betreft artikel 16g en Artikel II, onderdelen E en F

In het eerste lid van artikel 11 van het Bijdragebesluit zorg is geregeld wat tot nu toe zijn plaats vond in artikel 5 van dat besluit (zie de toelichting op artikel I, onderdeel E).

Indien de verzekerde zorg ontvangt waarvoor hij een eigen bijdrage verschuldigd is en er zijn nog geen nieuwe inkomens- of belastinggegevens bekend voor de berekening van de eigen bijdrage voor het daarop volgende jaar, factureert het CAK als voorlopige bijdrage de oude eigen bijdrage gewoon door (dus over de jaargrens heen). Deze praktijk is thans in het tweede lid van het nieuwe artikel 11 van het Bijdragebesluit zorg vastgelegd. Indien nadien gegevens beschikbaar komen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg wordt de bijdrage op die gegevens gebaseerd en zo nodig herzien.

Tevens is met dit besluit aan het Bijdragebesluit zorg een nieuw artikel 11a toegevoegd. In het eerste lid van dit artikel is geregeld dat de eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.

In het tweede lid is geregeld dat de herziene bijdragen kunnen worden verrekend met eerder vastgestelde bijdragen.

Het derde lid strekt ertoe dat een verzuim van het CAK om de eigen bijdrage tijdig te herzien, hersteld kan worden. Als de omstandigheid die aanleiding had moeten geven tot de herziening van de eigen bijdrage bijvoorbeeld 36 maanden eerder aan het CAK ter kennis is gebracht, kan de eigen bijdrage echter ten hoogste voor de 24 maanden die aan het herzieningsbesluit voorafgaan, worden herzien. De bijdrage over de 25e tot en met 36e maand komt niet meer voor herziening in aanmerking.

Gelijke bepalingen zijn ook geregeld voor de bijdrage, bedoeld in artikel 16d, eerste en tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg. Hiervoor zijn met dit besluit de artikelen 16f en 16g aan het Bijdragebesluit zorg toegevoegd. Hetzelfde geldt voor de eigen bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning. Hiervoor is artikel 4.4 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gewijzigd en is een nieuw artikel 4.4a in dat besluit ingevoerd.

Artikel I, onderdeel K

De zinsnede in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van het Bijdragebesluit zorg is met dit onderdeel vervallen omdat artikel 17, eerste lid, van dat besluit niet meer bestaat.

Voor de uitvoering van artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van het Bijdragebesluit zorg wordt een termijn van een half jaar gehanteerd. Deze termijn is nu expliciet geregeld.

Voorts is aan artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg een vierde lid toegevoegd. De reden hiervoor is de volgende.

Als verzekerden een algemene bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand ontvangen en ze worden in een AWBZ-instelling opgenomen, dan wordt hun uitkering verlaagd naar zak- en kleedgeld (circa € 300 per maand netto inclusief vakantiegeld voor een alleenstaande) op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand. Personen die ter verpleging of verzorging in een instelling verblijven, worden namelijk niet geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten. Gelet op dit verschil in noodzakelijke bestaanskosten geldt voor personen in een instelling een aparte bijstandsnorm. Gedurende het eerste half jaar van verblijf geldt dat zij thans voor de zorg met verblijf een inkomensafhankelijke eigen bijdrage dienen te betalen die 12,5% van het verzamelinkomen bedraagt. Deze bijdrage kent een minimum van ongeveer € 150 en een maximum van ongeveer € 780 per maand en is gebaseerd op draagkracht. In de uitzonderlijke situatie dat verpleeg- of verzorgkosten voor rekening van de belanghebbende zelf komen, kan daarin worden voorzien door middel van bijzondere bijstand. Echter in het geval van een verplichte eigen bijdrage is er geen sprake van een uitzonderlijke situatie en ligt dekking van deze kosten uit de bijzondere bijstand niet voor de hand. Bovendien vloeit uit het doel zelf van een verplichte eigen bijdrage, namelijk het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid, voort dat de bijzondere bijstand zich in beginsel niet leent voor deze verplichte eigen bijdrage.

In de praktijk zijn gemeenten derhalve dit steeds vaker gaan weigeren. Het College voor zorgverzekeringen heeft in circulaires aan het CAK aangegeven dat het CAK als een gemeente bijzondere bijstand weigert de desbetreffende verzekerde geen eigen bijdrage hoeft op te leggen.

In januari en februari 2012 hebben de Federatie Opvang, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het CAK en het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport over deze kwestie overlegd. In dat overleg is geconstateerd dat de weg naar de gemeente voor cliënten omslachtig is en dat gemeenten, zonder de route van bezwaar en beroep, veelal geen bijzondere bijstand toekennen. Gelet op deze aspecten is geconstateerd dat het de voorkeur verdient dat alle verzekerden die een bijstanduitkering op het niveau van zak- en kleedgeld ontvangen en de bijdrage van artikel 14 verschuldigd zijn, het CAK kunnen verzoeken te worden ontheven van bedoelde eigen bijdrage. Met het nieuwe aan artikel 14 toegevoegde vijfde lid is dit geregeld. Aan het CAK is gevraagd om vooruitlopend op een wijziging van het Bijdragebesluit zorg aldus per 1 januari 2012 te handelen.

Artikel I, onderdeel L, onder 1 tot en met 3 en 5

Met onderdeel L, onder 1, wordt de wijze bepaald waarbij het bijdrageplichtig inkomen wordt berekend voor de lage eigen bijdrage voor verblijf in een instelling. Hier wordt uitgegaan van het verzamelinkomen van twee jaar terug, direct vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor gehuwden is dat 8% van de gezamenlijke grondslag voor sparen en beleggen.

Met onderdeel L, onder 2, is artikel 15, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg gewijzigd teneinde te bepalen dat artikel 7 van overeenkomstige toepassing is op de eigen bijdragen, bedoeld in artikel 14. Immers, ook voor deze bijdrage geldt dat als er geheel nog geen inkomensgegevens zijn over het peiljaar, het CAK de bijdrage vaststelt op het laagste bedrag van artikel 14, eerste lid en dat als er alsnog inkomensgegevens komen of, in andere gevallen, gewijzigd worden, de eigen bijdrage zo nodig wordt gewijzigd.

Het derde en (het nieuwe) vijfde lid van artikel 15 van het Bijdragebesluit zorg zijn met onderdeel L, onder 3 en 5, gewijzigd en maken een onderscheid tussen het bijdrageplichtig inkomen (inkomen vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling) van het peiljaar en het bijdrageplichtig inkomen van het lopende jaar.

Artikel I, onderdelen P en Q, voor zover het betreft het bijdrageplichtig inkomen voor zorg zonder verblijf en artikel II, onderdelen B en D, onder 1

Net als bij de in artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg geregeld eigen bijdrage voor zorg met verblijf wordt ook bij het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de eigen bijdrage voor zorg zonder verblijf en voor maatschappelijke ondersteuning uitgegaan van het verzamelinkomen van twee jaar terug, direct vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

In artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg werd verwezen naar het «bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 16d, tweede lid», terwijl het in laatstbedoeld inkomen niet nadrukkelijk was aangewezen als bijdrageplichtig inkomen. Met de technische wijziging in onderdeel P is verduidelijkt dat het gaat om het bijdrageplichtig inkomen. Het derde en vijfde lid zijn in deze lijn gewijzigd en maken derhalve een onderscheid tussen het bijdrageplichtig inkomen (inkomen vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling) van het peiljaar en het bijdrageplichtig inkomen van het lopende jaar.

In artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning werd verwezen naar het «inkomen, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid». In verband met de wijziging in artikel II, onderdeel D, onder 1, is artikel 4.2, eerste lid, gewijzigd zodat het verwijst naar het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 4.1. Het derde en vierde lid zijn in deze lijn gewijzigd en maken derhalve een onderscheid tussen het bijdrageplichtig inkomen (inkomen vermeerderd met de vermogeninskomensbijtelling) van het peiljaar en het bijdrageplichtig inkomen van het lopende jaar.

Artikel I, onderdeel S, en artikel II, onderdeel G

Vanwege het wijzigen van de bedragen in artikel 16d is artikel 19, eerste lid, van Bijdragebesluit zorg aangepast. Omdat de bedragen jaarlijks worden geïndexeerd is gekozen voor een meer algemene omschrijving. De prijsindex voor de gezinsconsumptie heeft betrekking op het bedrag in artikel 16d, eerste lid, en op het in artikel 16d, tweede lid, genoemde bedrag per vier weken. De overige in artikel 16d, tweede lid, genoemde bedragen worden geïndexeerd met toepassing van het in artikel 19, vierde lid, geregelde indexcijfer.

Omdat door eerdere wijzigingen in artikel 4 van dat besluit artikel 19, eerste lid, nog naar een verkeerd lid van artikel 4 verwees, is dat thans ook aangepast.

Ook artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is op het punt van de verwijzing naar de bedragen in artikel 4.1, eerste lid, van dat besluit overeenkomstig aangepast.

Artikel I, onderdeel T

Artikel 21 van Bijdragebesluit zorg is een verouderde bepaling uit de tijd dat de hoogte van de eigen bijdrage nog niet gebaseerd was op fiscale gegevens. Deze bepaling kan daarom komen te vervallen.

Artikel I, onderdeel U

Met het Besluit van 23 juni 2010, houdende wijziging van het Besluit maatschappelijke ondersteuning en het Bijdragebesluit zorg in verband met het vaststellen en innen van eigen bijdragen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang door gemeenten (Stb. 2010, 260) is artikel 22 in het Bijdragebesluit zorg opgenomen. Zoals uit de nota van toelichting blijkt, is het de bedoeling dat dit artikel ook betrekking heeft op de in artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg geregelde bijdrage die op grond van artikel 16b aan het CAK moet worden betaald. Abusievelijk was dit echter niet zo geregeld. Dat is thans gecorrigeerd.

Artikel II, onderdeel A

Het nieuwe onderdeel b van artikel 1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning geeft een begripsomschrijving van het begrip «inkomen». Tevens is in artikel 1 een omschrijving opgenomen van het begrip «zorgtoeslag» en van het begrip «grondslag sparen en beleggen».

Artikel II, onderdeel H

Met deze wijziging is een omissie gecorrigeerd. Net als geregeld is in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en artikel 10, eerste lid, van het Bijdrage besluit zorg gaat het om de standaardpremie die gecorrigeerd wordt met de zorgtoeslag.

Artikelen III en IV

Met het Besluit van 1 december 2011, houdende wijziging van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, het Zorgindicatiebesluit en het Uitvoeringsbesluit Wtzi in verband met het treffen van een overgangsregeling voor een tijdelijke aanspraak op ADL-assistentie (Stb. 2011, 593) is voor een periode van twee jaar aanspraak op ADL-assistentie geregeld. Daartoe is aan het Besluit zorgaanspraken AWBZ een artikel 34 toegevoegd. Daarbij is vergeten om eveneens voor een periode van twee jaar het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering aan te passen. Deze omissie is thans hersteld.

Artikel V

De artikelen I, II en III, met uitzondering van II, onderdelen A, onder 2, en H, treden in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel I, onderdeel K, onder 3 en III werkt terug tot en met 1 januari 2012 zoals is uiteengezet in de toelichting op dat onderdeel en die bepaling.

Artikel II, onderdelen A, onder 2, en H, treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft artikel 4.7, van het Besluit van 23 juni 2010, houdende wijziging van het Besluit maatschappelijke ondersteuning en het Bijdragebesluit zorg in verband met het vaststellen en innen van eigen bijdragen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang door gemeenten (Stb. 2010, 260) in werking treedt. Artikel 4.7 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt van kracht op hetzelfde tijdstip dat het bij koninklijk besluit van 5 juli 2010 ingediende voorstel van wet Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning om te regelen dat eigen bijdragen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang door gemeenten bij verordening worden geregeld, en vervolgens door of namens hen worden vastgesteld en geïnd (Kamerstukken II, 2009/10, 32 439, nrs. 1–2) in werking treedt.

Artikel IV treedt in werking met ingang van 1 januari 2014 om de reden zoals in de toelichting op dat artikel is aangegeven.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. J. van Rijn


X Noot
1

Kamerstukken II 2011/12, 33 280, nr.1.

X Noot
2

Kamerstukken II 2011/12, 33 204, nrs. 7.

X Noot
3

Stb. 2006, 433.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven