Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2010, 260AMvB

Besluit van 23 juni 2010, houdende wijziging van het Besluit maatschappelijke ondersteuning en het Bijdragebesluit zorg in verband met het vaststellen en innen van eigen bijdragen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang door gemeenten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 april 2010, DWJZ/SWW-2997245;

Gelet op de artikelen 15, derde lid, en 19, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

De Raad van State gehoord (advies van 21 april 2010, no. W13.10.01231/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juni 2010, DWJZ/SWW-3005447;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 4.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. De persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, is de eigen bijdrage of het eigen aandeel in de kosten niet verschuldigd in de periode, bedoeld in het derde lid, dat deze persoon gedurende meer dan een nacht verblijft in een maatschappelijke opvang of een vrouwenopvang.

B

Na artikel 4.5 worden drie artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 4.6

De rechtspersoon, bedoeld in artikel 16 van de wet, is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op een persoon met vorderingen van of op deze persoon krachtens deze wet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 4.7

  • 1. De artikelen 4.1 tot en met 4.6 zijn niet van toepassing op maatschappelijke opvang en vrouwenopvang.

  • 2. Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, van de wet, mag de hoogte van de eigen bijdrage voor verblijf in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang niet zodanig zijn dat de persoon die verblijft in een zodanige opvang, na afdracht van de eigen bijdrage van zijn netto inkomen minder overhoudt dan een bedrag dat overeenkomt met het bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand vermeerderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag.

Artikel 4.8

De gemeenteraad is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op een persoon met vorderingen van of op deze persoon krachtens deze wet of de Wet werk en bijstand.

C

In artikel 5 wordt «artikel 18, tweede lid» vervangen door: artikel 18.

ARTIKEL II

Het Bijdragebesluit zorg wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 16d, zesde lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. door de verzekerde die in de periode, bedoeld in het derde lid, meer dan een nacht verblijft in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c of d, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

B

Na artikel 21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 22

In geval van artikel 3, eerste lid, is het centraal administratiekantoor bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op de verzekerde met vorderingen van of op de verzekerde krachtens deze wet of de Wet maatschappelijke ondersteuning.

ARTIKEL III

  • 1. Artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft de artikelen 4.6 en 4.8, en Artikel II, onderdeel B, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2009.

  • 2. Artikel I, onderdelen A en C, en artikel II, onderdeel A, treden in werking met ingang van 21 juni 2010. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 20 juni 2010, treden zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij worden geplaatst en werken zij terug tot en met 21 juni 2010.

  • 3. Artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft artikel 4.7, treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking en werkt terug tot en met 19 april 2010.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 23 juni 2010

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink

Uitgegeven de zesde juli 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Met dit besluit zijn het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Bmo) en het Bijdragebesluit zorg gewijzigd.

De wijzigingen betreffen:

  • a. het regelen dat de persoon die meer dan een nacht in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang verblijft, geen eigen bijdrage verschuldigd is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor extramurale AWBZ-zorg of voorzieningen ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) waarop artikel 4.1 van het Bmo betrekking heeft;

  • b. het regelen dat de artikelen 4.1 tot en met 4.5 van het Bmo niet van toepassing zijn op de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang;

  • c. het regelen dat de gemeenten voor het verblijf in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang niet een zodanige hoge bijdrage opleggen dat van het netto-inkomen na afdracht van die bijdrage minder overblijft dan het bedrag aan zak- en kleedgeld van artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand vermeerderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op zorgtoeslag;

  • d. het corrigeren van een verkeerde verwijzing in artikel 5 van het Bmo.

  • e. het in afwijking van artikel 4:93 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) regelen dat mag worden verrekend.

De onderhavige wijzigingen zijn aangekondigd in de memorie van toelichting op het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning om te regelen dat een eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang door het college voor burgermeesters en wethouders wordt vastgesteld en geïnd.

Hetgeen de artikelen I, onderdeel A, en II regelen, is tevens aangekondigd in het algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de maatschappelijke opvang van 16 december 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 29 325, nr. 50).

De onder a genoemde wijziging strekt ertoe te regelen dat personen die in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang verblijven, geen eigen bijdrage verschuldigd zijn voor extramurale AWBZ-zorg of andere Wmo-voorzieningen. Een dergelijke regeling geldt ook voor mensen die in een AWBZ-instelling verblijven en daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd zijn.

Met de hiervoor onder b genoemde wijzigingen is geregeld dat de regels voor de maximale hoogte van de eigen bijdrage voor de maatschappelijke ondersteuning, anders dan de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, en de met die maatschappelijke ondersteuning verband houdende regels, niet van toepassing zijn op de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Daarmee blijft het voor gemeenten mogelijk voor de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang eigen bijdragen te vragen zoals die ook onder de Welzijnswet gebruikelijk waren en met de invoering van de Wmo zijn voortgezet.

De onder c genoemde wijziging strekt ertoe te waarborgen dat betrokkene die een eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang betalen voldoende aan zak- en kleedgeld ter vrije besteding overhoudt alsmede een bedrag om de nominale premie Zorgverzekeringswet te kunnen betalen.

2. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

In het aan artikel 4.1 van het Bmo toegevoegde nieuwe achtste lid is geregeld dat een persoon die meer dan een nacht in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang verblijft voor Wmo-voorzieningen waarop artikel 4.1 van het Bmo betrekking heeft geen eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten is verschuldigd.

Het CAK voert de eigen bijdrage voor de overige Wmo-voorzieningen uit. Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van het Bmo legt het CAK een bijdrage per vier weken op. Voor een persoon die in een maatschappelijke opvang verblijft, betekent het vierde lid dat het CAK van de desbetreffende gemeente een signaal moet krijgen dat betrokkene in een maatschappelijke opvang verblijft. Het CAK heft vervolgens geen eigen bijdrage voor de overige Wmo-voorzieningen gedurende de gehele vierweeksperiode ook al is er bijvoorbeeld slechts sprake van verblijf gedurende enkele nachten. Het CAK gaat pas opnieuw de eigen bijdrage opleggen als het CAK een signaal heeft ontvangen van de gemeente dat het verblijf geëindigd is. De oplegging geschiedt dan met ingang van de eerstkomende vierweeksperiode.

Deze wijze van uitvoering met betrekking tot de vierweeksperiode komt overeen met de wijze waarop het CAK dat al sinds jaar en dag doet bij de extramurale AWBZ bijdrage in combinatie met de intramurale AWBZ-bijdrage.

De gang van zaken voor de vrouwenopvang wijkt af van hetgeen hierboven is geschetst. Om de veiligheid van vrouwen in de vrouwenopvang zo goed als mogelijk te waarborgen, moet de verblijfplaats geheim blijven. Daarom leveren instellingen voor vrouwenopvang geen gegevens aan het CAK. Er komt aldus geen gegevensstroom op gang die de veiligheid van deze vrouwen (en eventueel hun kinderen) als gevolg van het opleggen van een eigen bijdrage voor Awbz-begeleiding, verslechtert. Voor deze in de vrouwenopvang verblijvende vrouwen wordt aldus eveneens geen eigen bijdrage voor de overige Wmo-voorzieningen geheven.

Artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft de artikelen 4.6 en 4.8, en Artikel II, onderdeel B

In artikel 4:93 van Awb is geregeld dat een bestuursorgaan een geldschuld alleen mag verrekenen met een vordering voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Het moet mogelijk blijven dat het CAK een vordering op de bijdrage die de verzekerde voor Wmo-voorzieningen of voor AWBZ-zorg verschuldigd is, kan verrekenen met een som geld die de burger vanwege die eigen bijdrage nog van het CAK moet ontvangen. Een actuele kwestie is de korting op de eigen bijdrage die wordt verleend op grond van artikel 16d, vijfde lid, van het Bijdragebesluit zorg en artikel 4.1, vierde lid, van het Bmo.

Over het jaar 2009 wordt die korting op grond van artikel 10 van het Besluit tegemoetkoming chronische zieken en gehandicapten in één keer na afloop van dat jaar uitgekeerd in 2010. Het CAK verrekent dit bedrag, voor zover dat mogelijk is, met op het moment van uitkering openstaande facturen. Deze verrekeningen beogen de administratieve lasten van de burger en het CAK te mitigeren. Het met dit besluit toevoegen van een artikel 4.6 aan het Bmo en een artikel 22 aan het Bijdragebesluit zorg voorziet erin de bestendige praktijk van verrekeningen te continueren. Omdat voor de eigen bijdragen waarop de artikelen 16d van het Bijdragebesluit zorg en artikel 4.1 van het Bmo betrekking hebben één inkomensafhankelijk maximum van toepassing is, is in artikel 4.6 van het Bmo ook de AWBZ en in artikel 22 van het Bijdragebesluit zorg ook de Wet maatschappelijke ondersteuning genoemd.

Aan het besluit Bmo is met het onderhavige besluit een artikel 4.8 toegevoegd dat er toe strekt de gemeenten eveneens de bevoegdheid te geven om te verrekenen. Deze bevoegdheid maakt het tevens mogelijk dat de gemeente de eigen bijdrage voor verblijf in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang kan blijven verrekenen met de bijstandsuitkering die betrokkene van de gemeente ontvangt.

Artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft artikel 4.7

In het eerste lid van artikel 4.7 van het Bmo is geregeld dat de artikelen 4.1 tot en met 4.6 niet van toepassing zijn op de eigen bijdrage of het eigen aandeel in de kosten die de gemeenteraad voor maatschappelijke en vrouwenopvang oplegt. De gemeenteraad heeft hiermee volledige vrijheid om het systeem voor deze eigen betaling in te richten en is niet gebonden aan de beperkingen die de artikelen 4.1 tot en met 4.5 aan de gemeenteraden voor de overige eigen betaling van burgers voor maatschappelijke ondersteuning oplegt.

De bijdragen die gebruikelijk zijn bij verblijf in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang zijn veelal inkomensafhankelijk en dusdanig hoog dat betrokkenen alleen een bedrag aan zak- en kleedgeld overhouden ter hoogte van het bedrag van artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand. Met het tweede lid is geregeld dat betrokkenen niet alleen dat bedrag moeten overhouden, maar ook een bedrag om de nominale premie Zorgverzekeringswet te kunnen betalen. Dat bedrag is de standaardpremie als bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag. Dat bedrag is kenbaar en eenduidig door gemeenten te hanteren. Dit bedrag moet ruim voldoende zijn omdat mensen met een laag inkomen zorgtoeslag ontvangen.

Artikel II, onderdeel A

Het Bijdragebesluit zorg is aangepast om te regelen dat een persoon die meer dan een nacht in een maatschappelijke of vrouwenopvang verblijft geen AWBZ-bijdrage betaalt. Hiervoor geldt met betrekking tot de uitvoering van de ontheffing van de AWBZ-bijdrage hetzelfde als hiervoor is gemeld bij samenloop tussen verblijf in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang met overige Wmo-voorzieningen. Iemand die een enkele nacht verblijft, betaalt geen «echte» eigen bijdrage. De gemeente vraagt in het algemeen voor verblijf in een nachtopvang enkele euro’s «handje contantje», te betalen aan de deur van de opvang.

Artikel III

Artikel 4:93 is met de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht aan de Awb toegevoegd. De Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is met ingang van 1 juli 2009 in werking getreden. Vanwege de bestendige praktijk van verrekenen treden artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft de artikelen 4.6 en 4.8, en artikel II, onderdeel B, in werking met ingang van de dag na de uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken zij terug tot en met 1 juli 2009.

Het is de bedoeling dat op het tijdstip dat de eigen bijdrage op grond van de AWBZ voor begeleiding in natura wordt ingevoerd, te weten 21 juni 2010, geen eigen bijdrage wordt geheven voor AWBZ-zorg zonder verblijf en overige Wmo-voorzieningen aan personen die meer dan een nacht in de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang verblijven. Gelet daarop treden artikel I, onderdeel A en artikel II, onderdeel A, in werking met ingang van 21 juni 2010. Tevens treedt artikel I, onderdeel C, waarin een verkeerde verwijzing wordt gecorrigeerd, op die datum in werking. Voor het geval dat dit besluit niet uiterlijk op 20 juni 2010 in het Staatsblad is geplaatst, is in de tweede volzin van het tweede lid terugwerking tot en met 21 juni 2010 geregeld.

Aan het CAK is op 27 augustus 2009, DMO/SFI-2939240, gevraagd de uitvoeringsgevolgen voor onder meer de anticumulatieregeling in beeld te brengen en aan te geven wat nodig is om die te kunnen uitvoeren. Het CAK heeft op 6 oktober 2009, PB.VWS.061009, zijn uitvoeringstoets uitgebracht. Blijkens de uitvoeringstoets is het CAK in staat om op basis van de juiste informatie van de desbetreffende gemeenten de anticumulatie per 21 juni 2010 uit te voeren.

Artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft artikel 4.7, zal op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden. Dit tijdstip zal gelijk zijn aan het tijdstip waarop een in voorbereiding zijnd wetsvoorstel tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning in werking zal treden, waarin wordt geregeld dat gemeenten bij verordening eigen bijdragen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang kunnen regelen, en vervolgens kunnen (laten) vaststellen en innen. Net als de desbetreffende bepalingen in het wetsvoorstel, zal artikel 4.7 Bmo vervolgens terugwerken tot en met 19 april 2010. Een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van die datum (LJN: BM0956), waarop in de toelichting bij eerderbedoeld wetsvoorstel wordt ingegaan, noopt daartoe.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.