U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

2e wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht

Besluit van Gedeputeerde Staten van 16 december 2025 tot vaststelling van Ontwerp wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht

Gelet op:

Artikel 2.6 van de Omgevingswet

Besluiten:

Artikel I

De Ontwerp wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht vast te stellen,

zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

De Ontwerp wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht ter inzage te leggen.

Aldus besloten te Utrecht op 16 december 2025,

Voorzitter,

Secretaris,

Bijlage A

A

Het opschrift van artikel 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen

B

Na artikel 1.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.8a Vergunningvoorschriften

Gedeputeerde staten kunnen voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning.

C

Artikel 1.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.9 Wijzigen of intrekken omgevingsvergunning

Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning die verleend is op grond van deze verordening wijzigen of intrekken, als:

  • a.

    in strijd met de omgevingsvergunning of de daaraan verbonden voorschriften wordt gehandeld;

  • b.

    de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige gegevens is verleend;

  • c.

    door verandering van wetgeving, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen waarop deze verordening ziet, zwaarder wegenweegt dan het belang van de betrokkene bij een ongewijzigde omgevingsvergunning; of

  • d.

    gedurende 2 jaar of een binnen de omgevingsvergunning langere genoemde termijn geen activiteiten zijn uitgevoerd met gebruikmaking van de omgevingsvergunning.

D

Na artikel 1.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.9a Wijzigingsverzoek verleende omgevingsvergunning

De houder van de omgevingsvergunning dient in ieder geval een wijzigingsverzoek in voor de verleende omgevingsvergunning als:

  • a.

    de activiteit op een andere manier uitgevoerd gaat worden dan waarvoor de omgevingsvergunning verleend is;

  • b.

    de activiteit later uitgevoerd gaat worden dan waarvoor de omgevingsvergunning verleend is;

  • c.

    de geldigheidstermijn van de omgevingsvergunning verstrijkt;

  • d.

    het plangebied van de omgevingsvergunning verandert;

  • e.

    de houder van de omgevingsvergunning verandert;

  • f.

    de eigenaar van de grond waarvoor de omgevingsvergunning verleend is, verandert;

  • g.

    de eigenaar van het object waarvoor de omgevingsvergunning verleend is, verandert; of

  • h.

    het object waarvoor de omgevingsvergunning verleend is, dusdanig verandert dat dit gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving.

E

Artikel 1.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.11 Indieningsvereisten aanvraag toepassing hardheidsclausule

Bij een aanvraag tot toepassing van de hardheidsclausule worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    als de toepassing van de hardheidsclausule wordt aangevraagd vanwege een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit: deze aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden; en

  • b.

    een onderbouwing van de aanvraag tot toepassing van de hardheidsclausule.

F

Artikel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Omgevingswaarde regionale waterkering

  • 1.

    Voor het Dijktraject 1 op 10 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 10 jaar van de hoogste waterstand waarop een dijktraject moet zijn berekend.

    • a.

      als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend;

    • b.

      de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 10 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend;

    • c.

      deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en

    • d.

      aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

  • 2.

    Voor het Dijktraject 1 op 30 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 30 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend.

    • a.

      als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend;

    • b.

      de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 30 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend;

    • c.

      deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en

    • d.

      aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

  • 3.

    Voor het Dijktraject 1 op 100 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 100 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend.

    • a.

      als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend;

    • b.

      de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 100 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend;

    • c.

      deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en

    • d.

      aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

  • 4.

    Voor het Dijktraject 1 op 300 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 300 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend.

    • a.

      als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend;

    • b.

      de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 300 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend;

    • c.

      deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en

    • d.

      aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

  • 5.

    Voor het Dijktraject 1 op 1000 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1000 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend.

    • a.

      als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend;

    • b.

      de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1000 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend;

    • c.

      deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en

    • d.

      aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

  • 6.

    Voor het Dijktraject 1 op 1250 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1250 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend.

    • a.

      als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend;

    • b.

      de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1250 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend;

    • c.

      deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en

    • d.

      aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

  • 7.

    De omgevingswaarden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, zijn een resultaatverplichting.

  • 8.

    Aan de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

  • 9.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de datum, bedoeld in het achtste lid, als niet aan de resultaatverplichting voldaan kan worden vanwege:

    • a.

      omstandigheden die maken dat het voldoen aan de omgevingswaarden op dat tijdstip onevenredig kostbaar is;

    • b.

      omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschap; of

    • c.

      de doorlooptijd van de te nemen maatregelen.

G

Artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.4 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

  • 2.

    Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

  • 3.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 10% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 4.

    Deze omgevingswaarde isomgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

  • 5.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in eerste en tweede lid.

H

Artikel 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.5 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

  • 2.

    Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

  • 3.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 4.

    Deze omgevingswaarde isomgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

  • 5.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

I

Artikel 2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.6 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Vallei en Veluwe binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

  • 2.

    Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

  • 3.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 4.

    Deze omgevingswaarde isomgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

  • 5.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

J

Artikel 2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.7 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Rivierenland

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn, als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

  • 2.

    Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

  • 3.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 4.

    Deze omgevingswaarde isomgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

  • 5.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

K

Artikel 2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.8 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar.

  • 2.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het eerste lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 3.

    Voor het overige gebied buiten de bebouwde kom geldt in de periode 1 maart tot 1 november als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

  • 4.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het derde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 10% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 5.

    Deze omgevingswaarde isomgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

  • 6.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en derde lid.

L

Artikel 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.9 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht buiten de bebouwde kom waar bebouwing aanwezig is, als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 100 jaar.

  • 2.

    Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar.

  • 3.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 4.

    Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar akkerbouw aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 25 jaar.

  • 5.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het vierde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 6.

    Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar grasland aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt in de periode 1 maart tot 1 oktober als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

  • 7.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het zesde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 10% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 8.

    Deze omgevingswaarde isomgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

  • 9.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste, tweede, vierde en zesde lid.

M

Artikel 2.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.10 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Vallei en Veluwe buiten de bebouwde kom als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

  • 2.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het eerste lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 3.

    Deze omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

  • 4.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid.

N

Artikel 2.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.11 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Rivierenland

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland buiten de bebouwde kom waar feitelijk hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap, als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 100 jaar.

  • 2.

    Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar.

  • 3.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 4.

    Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar akkerbouw aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 25 jaar.

  • 5.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het vierde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 6.

    Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar grasland aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

  • 7.

    Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het zesde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 8.

    Voor bebouwing die is gelegen buiten de bebouwde kom, geldt de omgevingswaarde van het omringende landgebruik, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid.

  • 9.

    Deze omgevingswaarde isomgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

  • 10.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste, tweede, vierde, zesde en achtste lid.

O

Paragraaf 2.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.1.3 Monitoring regionale waterkering en wateroverlast

Artikel 2.12 Instructieregel monitoring omgevingswaarde regionale waterkering

  • 1.

    Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 en Artikel 2.3.

  • 2.

    Het waterschap stelt in 2036 en daarna elke 12 jaar een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen in zijn beheer.

  • 3.

    Het verslag, bedoeld in het tweede lid, bevat:

    • a.

      de resultaten van de monitoring van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 en Artikel 2.3;

    • b.

      een beoordeling van de resultaten van monitoring en toetsing of aan deze omgevingswaarden wordt voldaan; en

    • c.

      als uit de beoordeling van de resultaten van de monitoring blijkt dat niet wordt voldaan of zal worden voldaan aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen, een omschrijving van de maatregelen die op een daarbij aangegeven termijn nodig zijn.

  • 4.

    Het waterschap betrekt bij de beoordeling van de veiligheid in ieder geval:

    • a.

      de voor de regionale waterkeringen geldende omgevingswaarden;

    • b.

      de door gedeputeerde staten vastgestelde maatgevende hoogwaterstanden;

    • c.

      de technische leidraad vastgelegd in actuele documenten van de Stichting Toegepast Waterbeheer, zoals afgestemd met gedeputeerde staten; en

    • d.

      de legger.

  • 5.

    Het waterschap brengt eens per 12 jaar, voorafgaande aan de beoordeling op veiligheid, advies uit aan gedeputeerde staten over de maatgevende hoogwaterstanden.

  • 6.

    Het waterschap verstrekt het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan gedeputeerde staten.

  • 7.

    Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de termijn van verslaglegging, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.12 Instructieregel monitoring omgevingswaarde regionale kering

Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 en Artikel 2.3.

Artikel 2.12a Instructieregel uitvoeringsprogramma regionale waterkering

  • 1.

    Het waterschap stelt een uitvoeringsprogramma op gericht op de toetsing van de regionale waterkeringen.

  • 2.

    Het uitvoeringsprogramma bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van prioriteitstelling, fasering en risicobeheersing van het programma;

    • b.

      de aanpak van de toetsing en bijbehorende onderzoeken;

    • c.

      de aanpak van de verbetering van de afgekeurde regionale waterkeringen; en

    • d.

      een indicatie van de kosten van het programma.

  • 3.

    Het waterschap brengt jaarlijks aan gedeputeerde staten verslag uit over de voortgang van het uitvoeringsprogramma.

Artikel 2.13 Instructieregel monitoring omgevingswaarde wateroverlast

  • 1.

    Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in deArtikel 2.4artikelen 2.4 tot en met 2.11Artikel 2.11.

  • 2.

    De monitoring vindt plaats door bepaling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens:

    • a.

      een door gedeputeerde staten beschikbaar gestelde leidraad; of

    • b.

      een door het waterschap, in overleg met gedeputeerde staten, te bepalen methode.

P

Artikel 2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.15 Instructieregel waterbergingsgebiedbergingsgebied

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Waterbergingsgebiedbergingsgebied bevat geen regels die ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving toestaan die in strijd zijn met de waterbergingsfunctiewaterbergende functie, tenzij die ontwikkelingen plaatsvinden op basis van bestaande uitbreidingsrechten ter plaatse van de al aanwezige functies.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het waterbergingsbelang is omgegaan.

Q

Na artikel 2.15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.15a Instructieregel zoekgebied waterberging

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Zoekgebied waterberging staat nieuwe activiteiten of ontwikkelingen alleen toe als uit een analyse en na vroegtijdig overleg met de waterbeheerder binnen de weging van het waterbelang blijkt dat:

  • a.

    de activiteit of ontwikkeling verenigbaar is met de waterbergende functie; of

  • b.

    de locatie niet nodig is voor waterberging.

R

Artikel 2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Overstroombaar gebied klasse Ibevat regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinenbetrekt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling de overstromingsrisico’s daarvan. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Overstroombaar gebied klasse II houdt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening met de overstromingsrisico's voor vitale en kwetsbare functies. Daarbij worden doelmatige, fysieke maatregelen genomen om schade als gevolg van een overstroming tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

  • 3.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Overstroombaar gebied klasse III houdt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening met de overstromingsrisico's voor vitale en kwetsbare objecten, woningen en bedrijven. Daarbij worden doelmatige, fysieke maatregelen genomen om schade als gevolg van een overstroming tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

  • 4.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Overstroombaar gebied klasse IV bevat geen regels die nieuwe functies voor wonen, bedrijven of vitale en kwetsbare infrastructuur en objecten toestaan.

  • 5.

    De motivering van het omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.

S

Na artikel 2.16 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.16a Instructieregel omgevingswaarden waterkwaliteit

Een omgevingsplan houdt bij de weging van het waterbelang, bedoeld in artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in ieder geval rekening met de effecten op het halen van de omgevingswaarden voor waterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 2.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving

T

Paragraaf 2.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.2.2 Zoetwatervoorziening

Artikel 2.17 Instructieregel rangorde bij waterschaarste Amsterdam-Rijnkanaal en Lek

  • 1.

    Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, geletmet het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit Amsterdam-Rijnkanaal en Lekover de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij de verdeling van het beschikbare water vanuitbeheer van deAmsterdam-Rijnkanaal en Lekregionale watersystemen wat betreft de in Artikel 3.14, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit aan:

    • a.

      het verwerken van industrieel proceswater; en

    • b.

      de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

  • 2.

    Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, geletmet het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit Amsterdam-Rijnkanaal en Lekover de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij de verdeling van het beschikbare water vanuitbeheer van regionaleAmsterdam-Rijnkanaal en Lekwatersystemen wat betreft de in Artikel 3.14, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit aan:

    • a.

      de waterkwaliteit in het Stedelijk gebied;

      doorspoeling van stedelijk gebied ter verbetering van de waterkwaliteit of ter bestrijding van stankoverlast;

    • b.

      beroepsvaart;

    • c.

      beregening van akkerbouw en vollegrondstuinbouw;

    • d.

      beregening van sportvelden en greens;

    • e.

      grasland beregening van gras- en maisland;

    • f.

      recreatievaart; en

    • g.

      natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.

  • 3.

    Bij waterbehoeften buiten het gebied van het waterschap zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.18 Instructieregel rangorde bij waterschaarste Neder-Rijn

Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, met het oog op de verdeling van het beschikbare water voor het aanvoergebied vanuit de inlaat Grebbesluis in de Neder-Rijn over de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij het beheer van de regionale waterenwatersystemen wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit aan:

  • a.

    doorspoeling in geval van een milieu-incident of vanwege de volksgezondheid;

  • b.

    beroepsvaart;

  • c.

    doorspoeling van stedelijk gebied ter verbetering van de waterkwaliteit of ter bestrijding van stankoverlast;

  • d.

    beregening van akkerbouw en vollegrondstuinbouw;

  • e.

    beregening van sportvelden en greens;

  • f.

    beregening van gras- en maïsland;

  • g.

    recreatievaart; en

  • h.

    overige natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade, met inbegrip van maatregelen die nodig zijn voor het realiseren van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water.

U

Artikel 2.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.19 Instructieregel inhoud waterbeheerprogramma

  • 1.

    Het waterbeheerprogramma bevat in ieder geval:

    • a.

      de een beschrijving van de bestaande toestand van watersystemen waarover het beheer van het waterschap zich uitstrekt;

    • b.

      het beleid voor het beheer van de watersystemen, gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren of de geconstateerde knelpunten op te lossen; en

    • d.

      een raming van de kosten van de gedurende de planperiode te nemen maatregelen, een overzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de planperiode.

  • 2.

    De motivering van een waterbeheerprogramma bevat een onderbouwing waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      de aan het waterbeheerprogramma ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken; en

    • b.

      een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterprogramma, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder c.

V

Paragraaf 2.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.2.4 Legger

Artikel 2.20 Instructieregel legger waterstaatswerken

  • 1.

    De legger bevat in ieder geval:

    • a.

      het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen; en het profiel van vrije ruimte;

    • b.

      de dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden beheerd; en

    • c b.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkeringen en van de oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden beheerd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de Slaperdijk, bedoeld in Artikel 2.3.

Artikel 2.21 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger

  • 1.

    De in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet bedoelde verplichtingen om in de legger vorm, afmeting en constructie te beschrijven, gelden niet voor:

    • a.

      bergingsgebieden; en

    • b.

      oppervlaktewaterlichamen.

  • 2.

    De in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet bedoelde verplichting om in de legger ligging te beschrijven, geldt niet voor secundaire of tertiaire oppervlaktewateren.

Artikel 2.21 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger

De in artikel 2.39, eerste lid, van de wet bedoelde verplichtingen om in de legger vorm en constructie te beschrijven, gelden niet voor:

  • a.

    waterbergingsgebieden; en

  • b.

    oppervlaktewaterlichamen die in de legger zijn aangeduid als C-wateren of tertiaire watergangen.

W

Artikel 2.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.23 Instructieregel inhoud peilbesluit

  • 1.

    Het peilbesluit bevat de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

  • 2.

    De motivering van een peilbesluit bevat een onderbouwing waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken, waarbij als onderdeel van de bredere belangenafweging in ieder geval rekening wordt gehouden met de effecten op;

      • 1.

        Natura 2000-gebieden;

      • 2.

        bodemdaling, bij peilbesluiten in het bodemdalingsgevoelig gebied;

      • 3.

        de hoeveelheid CO2 die vrijkomt, bij peilbesluiten in het Veengebied; en

      • 4.

        weidevogels, bij peilbesluiten in Weidevogelkerngebied;

    • b.

      een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; en

    • c.

      een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse betrokken belangen.

X

Artikel 2.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.24 Instructieregel actuele peilbesluiten

Het waterschap draagt zorg dat een peilbesluit actueel is en in ieder geval is toegesneden op veranderingen in zowel de omstandigheden ter plaatse als de aanwezige functies en belangen.

Y

Paragraaf 2.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.3.1 Beheer zwemlocatie

Artikel 2.25 Oogmerk beheer zwemlocatie

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een Zwemlocatie; en

  • b.

    het in en om het zwemwater voorkomen van verdrinking en letsel van de gebruikers van een Zwemlocatie.

Artikel 2.26 Toepassingsbereik beheer zwemlocatie

Deze paragraaf is van toepassing op het beheer van een Zwemlocatie die gedeputeerde staten aangewezen hebben op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving door gedeputeerde staten aangewezen Zwemlocatie in oppervlaktewater.

Artikel 2.27 Specifieke zorgplicht beheer zwemlocatie

  • 1.

    Als de houder van een zwemlocatie weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in diens badwaterbassin nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen in Artikel 2.25, dan is degene verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden.

  • 2.

    De houder van een Zwemlocatie:

    • a.

      is gedurende het badseizoen verantwoordelijk voor een veilige en hygiënische zwemlocatie;

    • b.

      treft maatregelen op grond van de resultaten van het jaarlijkse, conform de Handreiking fysieke veiligheid zwemmers in oppervlaktewater door of namens gedeputeerde staten uitgevoerde, veiligheidsonderzoek om de veiligheid te waarborgen of te verbeteren;

    • c.

      draagt er zorg voor dat de maatregelen worden getroffen op basis van het zwemwaterprofiel die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend;

    • d.

      voert periodiek voldoende beheer en onderhoud uit gericht op de veiligheid en hygiëne voor de gebruikers;

    • e.

      draagt er zorg voor dat maatregelen worden genomen, die redelijkerwijs tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend, als er naar aanleiding van de monitoring uitgevoerd door de waterbeheerder van het oppervlaktewater zwemwaterverontreinigingen worden vastgesteld;

    • f.

      voert periodiek voldoende onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemwaterlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van de gebruikers;

    • g.

      draagt zorg voor voldoende adequate sanitaire voorzieningen voor de gebruikers;

    • h.

      draagt er zorg voor door middel van afbakening van een veilige zwemzone dat gebruikers veilig kunnen zwemmen en niet in aanraking kunnen komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de gebruikers in gevaar kunnen brengen;

    • i.

      staat, met het oog op gevaren voor de veiligheid en hygiëne van de gebruikers, de provincie of RUD Utrecht of de Omgevingsdienst Utrecht toe tekens bij de zwemlocatie te plaatsen om gebruikers te informeren over een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod;

    • j.

      houdt, voldoende toezicht op de veiligheid van de zwemmers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor het publiek, voor die locaties waar een financiële vergoeding wordt gevraagd aan de gebruikers voor het gebruik van de zwemlocatie; en

    • k.

      stelt bij onverwachte situaties die negatieve gevolgen kunnen hebben op de kwaliteit van het zwemwater of de gezondheid en veiligheid van de zwemmers de provincie of de RUD Utrecht of de Omgevingsdienst Utrecht zo snel mogelijk hiervan op de hoogte.

    De plicht houdt in ieder geval in dat de houder van een Zwemlocatie:

    • a.

      gedurende het badseizoen verantwoordelijk is voor een veilige en hygiënische zwemlocatie. De houder voert een risicoanalyse uit en stelt een beheersplan op;

    • b.

      maatregelen neemt om de veiligheid van zwemmers te waarborgen of te verbeteren, op grond van de resultaten van het jaarlijkse veiligheidsonderzoek, bedoeld in Artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • c.

      maatregelen neemt die op basis van het zwemwaterprofiel, bedoeld in Artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid gerekend kunnen worden;

    • d.

      periodiek voldoende beheer en onderhoud uitvoert gericht op de veiligheid en de hygiëne voor de gebruikers;

    • e.

      maatregelen neemt, die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid gerekend kunnen worden, als er zwemwaterverontreiniging vastgesteld worden in de monitoring, bedoeld in paragraaf 11.2.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • f.

      periodiek voldoende onderzoek uitvoert naar de omstandigheden in en om de zwemlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van de gebruikers;

    • g.

      voldoende adequate sanitaire voorzieningen plaatst voor de gebruikers en deze voldoende schoon houdt;

    • h.

      een veilige zwemzone afbakent zodat gebruikers veilig kunnen zwemmen en niet in aanraking kunnen komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de gebruikers in gevaar kunnen brengen;

    • i.

      met het oog op gevaren voor de veiligheid en hygiëne van de gebruikers, de provincie en de Omgevingsdienst Utrecht toestaat tekens bij de zwemlocatie te plaatsen om gebruikers te informeren over een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod; en

    • j.

      een toezichtsplan maakt en voldoende toezicht houdt op de veiligheid van de zwemmers en overige bezoekers gedurende de uren dat de zwemlocatie opengesteld is voor het publiek, voor die locaties waar een financiële vergoeding gevraagd wordt aan de gebruikers voor het gebruik van de zwemlocatie.

Artikel 2.27a Informeren over ongewoon voorval zwemlocatie in oppervlaktewater

Bij onverwachte situaties die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de zwemwaterkwaliteit of de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers van de Zwemlocatie stelt de houder van een zwemlocatie gedeputeerde staten, de waterbeheerder en de Omgevingsdienst Utrecht hiervan onmiddellijk op de hoogte.

Artikel 2.27b Benodigde gegevens over ongewoon voorval zwemlocatie in oppervlaktewater

Zodra de onderstaande gegevens over het ongewoon voorval in de Zwemlocatie bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten:

  • a.

    informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich voorgedaan heeft;

  • b.

    informatie over de nadelige gevolgen voor de zwemwaterkwaliteit en de gezondheid en veiligheid van de gebruikers van de zwemlocatie;

  • c.

    andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de zwemwaterkwaliteit en de gezondheid en veiligheid van de gebruikers van de zwemlocatie te kunnen inschatten; en

  • d.

    informatie over de maatregelen die genomen zijn of overwogen worden om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Z

Subparagraaf 2.3.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 2.3.2.2 Activiteiten met woonschip

Artikel 2.30 Vergunningplicht woonschip

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen een woonschip ligplaats te laten innemen, te ankeren, af te meren, of op een andere manier in het water te plaatsen of te houden. Tenzij een vrijstelling uit Artikel 2.31 of Artikel 2.31a van toepassing is.

Artikel 2.30 Vergunningplicht woonschip

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen een woonschip ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in het water te plaatsen of te houden.

  • 2.

    Het is verboden om bij een woonschip een aanlegplaats en daarmee verband houdende oever- en afmeervoorzieningen te maken of te hebben, als:

    • a.

      het woonschip in strijd met het eerste lid is afgemeerd;

    • b.

      voor het woonschip een omgevingsvergunning met oeverbeleid geldt; of

    • c.

      voor het woonschip een voorschrift bedoeld in Artikel 2.32, derde lid, aan de omgevingsvergunning is verbonden.

Artikel 2.31 Vrijstelling vergunningplicht woonschip

  • 1.

    Het verbod in Artikel 2.30, eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      woonschepen waarvoor een omgevingsvergunning geldt op basis van type- of oeverbeleid;

    • b.

      een woonschip bij een ligplaats, die als zodanig in een omgevingsplan is aangewezen, als:

      • 1.

        dat omgevingsplan voldoet aan Artikel 9.6; of

      • 2.

        dat woonschip voldoet aan de maximale maatvoering, bedoeld in Artikel 2.32, eerste lid, onder b en c; en

    • c.

      een woonschip in een jachthaven of bedrijfshaven, dat daar in gebruik is als verenigingsaccommodatie.

    Het verbod in Artikel 2.30, geldt niet voor: een woonschip bij een in een omgevingsplan aangewezen ligplaats, als:

  • 2.

    Deze vrijstelling van de vergunningplicht voor een woonschip geldt niet voor de volgende locaties:

    • a.

      locaties waarop alleen een bepaald type waterwoning toegestaan is;

    • b.

      locaties waarvan de aanlegplaats op de oever alleen minimale oevervoorzieningen mag hebben.

Artikel 2.31a Vrijstelling vergunningplicht woonschip bij gebruik als verenigingsaccommodatie

Het verbod in Artikel 2.30 geldt niet voor een woonschip dat als verenigingsaccommodatie in gebruik is in een jachthaven of bedrijfshaven.

Artikel 2.32 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning woonschip

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in het water plaatsen of houden van een woonschip in het Gebied ligplaatsen, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      de ligplaats voor het woonschip aangewezen is in een omgevingsplan of als voor de ligplaats van het woonschip al een ontheffing gold op grond van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht, Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011 of de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017; of

    • b.

      een het woonschip woonschip maximaal 30 meter lang, maximaal 6 meter breed en maximaal 4 meter hoog is. Hierbij gelden de volgende criteriageldt:

      • 1.

        deze maten zijn inclusief een eventueel terras in het verlengde van de lengterichting van het woonschip op aan waterzijde van het woonschip;

        deze maten zijn inclusief een eventueel terras aan de waterzijde van het woonschip en inclusief een eventueel terras in het verlengde van de lengterichting van het woonschip;

      • 2.

        deze maten worden gemeten waar zij, met inbegrip van al hetgeen vast aan het woonschip verbonden is, boven of onder water het grootst zijn en de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn en

      • 3 2.

        bij het meten worden stuurhutten, masten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen buiten beschouwing gelaten.

        deze maten gelden voor alles dat vast aan het woonschip verbonden is. Stuurhutten, masten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen tellen niet mee in de maatvoering;

      • 3.

        deze maten worden gemeten op het punt waar deze boven of onder het water grootst zijn; en

      • 4.

        de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn.

    • c.

      de onderlinge afstand tussen 2 woonschepen ten minste minimaal 5 meter bedraagt is; en

    • d.

      als het gaat om een woonschipwaterwoning in een uiterwaard dan heeft de aanlegplaats op de oever minimale voorzieningen en heeft het woonschip het uiterlijk heeft van een varend voormalig binnenvaartschip.:

      • 1.

        heeft de waterwoning het uiterlijk van een varend voormalig binnenvaartschip; en

      • 2.

        moet de oever vrij blijven

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van het eerste lid.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen aan een omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat deze na afloop van de geldigheidsduur niet meer zal worden verleend aan dezelfde of een andere vergunninghouder of voor hetzelfde of een ander woonschip.

    Gedeputeerde staten kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften verbinden:

    • a.

      dat de omgevingsvergunning na afloop van de geldigheidsduur niet meer verleend zal worden aan dezelfde of een andere vergunninghouder of voor hetzelfde of een ander woonschip.

    • b.

      dat alleen een bepaald type waterwoning toegestaan is.

    • c.

      dat de aanlegplaats op de oever alleen minimale oevervoorziening mag hebben.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen typebeleid of oeverbeleid opnemen in een omgevingsvergunning.

    Het collega van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of een andere toepasselijke waterbeheerder, zijn adviseur voor de omgevingsvergunning, tenzij de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op eigendomsoverdracht van een bestaande omgevingsvergunning of verlenging van de periode waarvoor omgevingsvergunning is verleend.

  • 5.

    Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of een andere toepasselijke waterbeheerder, zijn adviseur voor de omgevingsvergunning, tenzij de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op eigendomsoverdracht van een bestaande omgevingsvergunning of verlenging van de periode waarvoor omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 2.33 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning woonschip

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.30, minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    eventuele als dit van toepassing is: naam van het woonschip;

  • b c.

    lengte van het woonschip in centimeters;

  • c d.

    breedte van het woonschip in centimeters;

  • d e.

    hoogte van het woonschip vanaf de waterspiegel in centimeters;

  • e f.

    kenmerk van het omgevingsplan waarin de ligplaats is aangewezenaangewezen is;

  • f g.

    een tekening situatietekening in A4-formaat op schaal met daarop het woonschip, en de ligplaats en. En eventuele als dit van toepassing is daarop ook de eventuele afmeervoorzieningen, zoals steigers, vlonders en afmeerpalen;

  • g h.

    de reden voor de aanvraag:

    • 1.

      verlenging van een bestaande omgevingsvergunning;

    • 2.

      wijziging van de tenaamstelling van een bestaande omgevingsvergunning;

    • 3.

      vervanging van het woonschip;

    • 4.

      verbouwing van het woonschip; of

    • 5.

      nieuwe ligplaats;

  • h i.

    eventuele als dit van toepassing is: kenmerk van een eerder verleende omgevingsvergunning of een eerder verleende provinciale ontheffing; en

  • i j.

    eventuele als dit van toepassing is: startdatum en einddatum van de werkzaamheden.

Artikel 2.34 Verzoek omgevingsvergunning op naam van ander of vervangend woonschip

De houder van een omgevingsvergunning voor een woonschipkan gedeputeerde staten verzoeken de omgevingsvergunning:

  • a.

    op naam van een ander te stellen; of

  • b.

    te verlenen voor een vervangend woonschip op dezelfde locatie.

Artikel 2.34a Verbod aanlegplaats bij woonschip

Het is verboden bij een woonschip een aanlegplaats en daarmee verband houdende oevervoorzieningen en afmeervoorzieningen te maken of te hebben, als:

  • a.

    het woonschip afgemeerd is in strijd met Artikel 2.30;

  • b.

    voor het woonschip een omgevingsvergunning verleend is met daarin het voorschrift dat de aanlegplaats op de oever alleen minimale oevervoorzieningen mag hebben; of

  • c.

    voor het woonschip een omgevingsvergunning verleend is met daarin het voorschrift bedoeld in Artikel 2.32, derde lid, onder a.

AA

Artikel 2.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.36 Verbod voorwerp in en op het water

Het is verboden in het Gebied ligplaatsen een voorwerp, anders dan eenwoonschip of woonark, ligplaats te laten nemeninnemen, te ankeren, af te meren, of anderszinsop een andere manier in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden, tenzij een vrijstelling uit Artikel 2.36a van toepassing is.

BB

Artikel 2.36a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.36a Vrijstelling verbod voorwerp in en op het water

Het verbod in Artikel 2.36 geldt niet voor:

  • a.

    een vaartuig of drijvend voorwerp afgemeerd op plaatsen waarbij één van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement en bijlage 7 van het Rijnvaartpolitiereglement zijn geplaatst;

    een drijvend voorwerp dat afgemeerd is op een plaats een waar dit is toegestaan op grond van een verkeersbesluit; voor zover aan dit verkeersbesluit voldaan wordt;

  • b.

    vaartuigen en voorwerpen een voorwerp in een jachthavens, bedrijfshavens en ofwaterscoutinglocaties;

  • c.

    vaartuigen en drijvende voorwerpen, die worden gebruikt bij het vervoer van uitsluitend bedrijfsmiddelen, voor zover zij tijdelijk voor het laden en lossen van die bedrijfsmiddelen worden afgemeerd;

    een drijvend voorwerp voor het tijdelijk laden en lossen van uitsluitend bedrijfsmiddelen;

  • d.

    1 open vaartuig met een lengte van maximaal 7 meter bij een direct aan het water gelegen erf, mits er geen gebruik wordt gemaakt van onderdeel e;

    1 open vaartuig per erf als:

    • 1.

      dit maximaal 7 meter lang is

    • 2.

      dit bij een direct aan het water gelegen erf afgemeerd wordt; en

    • 3.

      op de locatie niet al vaartuig, boatsaver of insteekhaven ligt;

  • e.

    1 vaartuig, of 1 boatsaver met inliggend vaartuig, in een insteekhaven binnen een direct aan het water gelegen erf, als voor de insteekhaven een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.41, is verleend en mits het vaartuig of de boatsaver met inliggend vaartuig volledig binnen de begrenzing van de insteekhaven past;

    1 vaartuig, of 1 boatsaver met inliggend vaartuig, per insteekhaven als:

    • 1.

      deze insteekhaven ligt binnen een direct aan het water gelegen erf;

    • 2.

      voor deze insteekhaven een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.41, verleend is; en

    • 3.

      het vaartuig of de boatsaver met inliggend vaartuig volledig in de insteekhaven past;

  • f.

    1 vaartuig bij een direct aan het water gelegen erf in de periode 1 april tot en met 30 september, voor zover het aanmeren plaatsvindt ten behoeve van het zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is in- of uitladen, of vaarklaar maken van het vaartuig voor recreatief gebruik;

    1 vaartuig per erf voor recreatief gebruik als:

    • 1.

      het vaartuig afgemeerd wordt bij een direct aan het water gelegen erf;

    • 2.

      het afmeren plaatsvindt tijdens het recreatieseizoen dat loopt van 1 april tot en met 30 september; en

    • 3.

      bij het afmeren plaatsvindt; voor het zo snel mogelijk inladen, uitladen, en vaarklaar maken van het vaartuig;

  • g.

    het tijdelijk afmeren van vaartuigen voor het laten in- of uitstappen van passagiers bij horecagelegenheden, die als zodanig zijn aangewezen in een omgevingsplan; en

    vaartuigen voor passagiers bij een horecagelegenheid als:

    • 1.

      deze vaartuigen gebruikt worden voor het kortstondig laten instappen en uitstappen van passagiers; en

    • 2.

      deze horecagelegenheid aangewezen is in een omgevingsplan;

  • h.

    historische vaartuigen, die als varend erfgoed, varend monument of historisch casco zijn ingeschreven in het register van de Federatie Varend Erfgoed Nederland en in goede staat van onderhoud verkeren, bij aanlegplaatsen voor historische vaartuigen, die als zodanig in een omgevingsplan zijn aangewezen.

    een historisch vaartuig, als dit:

    • 1.

      als varend erfgoed, varend monument of historisch casco ingeschreven is in het Register Varend Erfgoed Nederland;

    • 2.

      in goede staat van onderhoud verkeert;

    • 3.

      afmeert bij een aanlegplaats voor historische vaartuigen;

    • 4.

      deze aanlegplaats aangewezen is in een omgevingsplan.

CC

Artikel 2.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.37 Vergunningplicht vaartuig en vergunningplicht boatsaver

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen: een vaartuig, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of op een andere manier in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden.

  • a.

    een vaartuig, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 2.36a; of

  • b.

    een boatsaver in een natuurlijke inham op eigen terrein ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 2.36a.

DD

Na artikel 2.37 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.37a Vergunningplicht boatsaver

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen een boatsaver ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren of op een andere manier in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden.

EE

Artikel 2.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.38 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning partyschipvaartuig

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in, op of vlak boven het water plaatsen of houden van een partyschip in het Gebied ligplaatsen, kan de omgevingsvergunning alleen verleend worden als:

    • a.

      het gaat om maximaal 1 partyschip bij een in een omgevingsplan aangewezen horecagelegenheid; en

    • b.

      het partyschip voldoet aan een landschappelijk inpassingsplan waarin het partyschip en de aanlegplaats op landschappelijke aspecten positief beoordeeld zijn.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in, op of vlak boven het water plaatsen of houden in het Gebied ligplaatsen van een vaartuig (geen partyschip) kan de omgevingsvergunning alleen verleend worden als:

    • a.

      het vaartuig bij een erf afgemeerd wordt; en

    • b.

      het vaartuig als varend monument of varend erfgoed ingeschreven staat in het Register Varend Erfgoed Nederland, waarbij het vaartuig een meerwaarde vormt voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van die locatie; of

    • c.

      op de locatie geen sprake is van landschappelijke waarden.

  • 2.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in, op of vlak boven het water plaatsen of houden in het Gebied ligplaatsen van een partyschip kan de omgevingsvergunning alleen verleend worden als:

    • a.

      het gaat om maximaal 1 partyschip bij een in een omgevingsplan aangewezen horecagelegenheid; en

    • b.

      het partyschip en de bijbehorende aanlegplaats landschappelijk inpasbaar zijn.

FF

Na artikel 2.38 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.38a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning boatsaver

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in, op of vlak boven het water plaatsen of houden van een boatsaver in het Gebied ligplaatsen kan de omgevingsvergunning alleen verleend worden als:

  • a.

    de boatsaver in een natuurlijke inham komt te liggen; en

  • b.

    de natuurlijke inham deel uitmaakt van het erf; of

  • c.

    op de locatie geen sprake is van landschappelijke waarden

GG

Artikel 2.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.39 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning vaartuig en omgevingsvergunning boatsaver

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.37, minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    eventuele als dit van toepassing is naam van het vaartuig;

  • b c.

    lengte van het vaartuig of de boatsaverin centimeters;

  • c d.

    breedte van het vaartuig of de boatsaver in centimeters;

  • d e.

    hoogte van het vaartuig of de boatsaver vanaf de waterspiegel in centimeters;

  • e f.

    type vaartuig (open of gesloten);

  • f g.

    in geval van als het gaat om een partyschip een: landschappelijk inpassingsplan;

  • g h.

    omschrijving van de ligplaats (eigen erf, oeverzone tussen vaarweg en weg, oeverland);

    omschrijving van de ligplaats;

  • h i.

    een tekening situatietekening in A4-formaat op schaal met daarop het vaartuig ofen de boatsaver, de ligplaats en eventueleligplaats. En als dit van toepassing is daarop de afmeervoorzieningen, zoals steigers, vlonders en afmeerpalen.

HH

Na artikel 2.39 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.39a Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning boatsaver

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.37a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • b.

    lengte van de boatsaver in centimeters;

  • c.

    breedte van de boatsaver in centimeters;

  • d.

    hoogte van de boatsaver vanaf de waterspiegel in centimeters;

  • e.

    omschrijving van de ligplaats;

  • f.

    situatietekening in A4-formaat op schaal met daarop de boatsaver en de ligplaats. En als dit van toepassing is daarop de afmeervoorzieningen, zoals steigers, vlonders en afmeerpalen.

II

Artikel 2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.41 Vergunningplicht haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatseninsteekhavens, havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen, zoals steigers, meerpalen en vlonders, te maken of te houden, of als zakelijk gerechtigde dan wel gebruiker van een oever toe te laten of te gedogen dat insteekhavens, havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen op of aan de betreffende oever worden aangelegd, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 2.42.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen, een haven en aanlegplaats en de daarmee verband houdende voorzieningen te maken of te houden, tenzij een vrijstelling uit Artikel 2.42 van toepassing is.

JJ

Artikel 2.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.42 Vrijstelling verbod haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp

Het verbod in Artikel 2.41 geldt niet voor:

  • a.

    aanlegplaatsen een haven en aanlegplaats en daarmee verband houdende voorzieningen, in een jachthavens, bedrijfshavens en waterscoutinglocatieswaterscoutinglocatie;

  • b.

    1 aanlegsteiger met maximaal 2 meerpalen per direct aan het water gelegen erf, mitsmet maximaal 2 meerpalen als deze aanlegsteiger:

    • 1.

      in of boven water een oppervlakte heeft van maximaal 7,2 m2; en

    • 2.

      geen afbreuk doet aan het karakter van een eventueel aanwezige natuurlijke of natuurvriendelijke oever.

KK

Artikel 2.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.43 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning insteekhaven

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een insteekhaven in het Gebied ligplaatsen, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      de insteekhaven in een erf uitgegraven is of wordt;

    • a b.

      de insteekhaven is of wordt uitgegraven in een erf, waarbij per erf maximaal 1 insteekhaven is of wordt uitgegraven;

      per erf maximaal 1 insteekhaven uitgegraven is of wordt;

    • b c.

      een dubbele insteekhaven op de grens ligt van 2 naast elkaar gelegen erven ligt;

    • c d.

      de insteekhaven dwars op de vaarweg aangelegd wordt of aansluit op de cultuurhistorische verkavelingsrichting van sloten en waterwegen in het achterliggende landschap, tenzij het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid gemotiveerd aangeeft dat een insteekhaven dwars op de vaarweg op de betreffende locatie niet mogelijk is;

      de insteekhaven:

      • 1.

        dwars op de vaarweg aangelegd wordt; of

      • 2.

        aansluit op de cultuurhistorische verkavelingsrichting van sloten en waterwegen in het achterliggende landschap, tenzij het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid gemotiveerd aangeeft dat een insteekhaven dwars op de vaarweg op die locatie niet mogelijk is;

    • d e.

      een enkele insteekhaven maximaal 8 meter lang en 3,253.25 meter breed is;

    • e.

      een dubbele insteekhaven niet in de lengterichting van de vaarweg ligt;

    • f.

      een dubbele insteekhaven maximaal 8 meter lang en 6 meter breed is; en

    • g.

      als op grond van onderdeel c, de insteekhaven wel dwars maar niet loodrecht op de vaarweg aangelegd kan worden, kan een geringe afwijking van de lengtemaat toegestaan worden.

      een dubbele insteekhaven niet in de lengterichting van de vaarweg ligt.

  • 2.

    Als de insteekhaven wel dwars maar niet loodrecht op de vaarweg aangelegd kan worden, kan een geringe afwijking van de lengtemaat toegestaan worden.

LL

Artikel 2.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.44 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.41, minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    lengte van de haven of aanlegplaats in centimeters;

  • b c.

    breedte van de haven of aanlegplaats in centimeters; en

  • c d.

    een tekening situatietekening in A4-formaat op schaal met daarop de haven of aanlegplaats met eventuele. En als dit van toepassing is daarop de voorzieningen zoals steigers, vlonders en afmeerpalen.; en

  • e.

    als het gaat om een aanlegplaats voor een partyschip: landschappelijk inpassingsplan.

MM

Het opschrift van paragraaf 2.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.3.3 Activiteiten Oppervlaktewaterlichaam dempen van oppervlaktewaterlichaam

NN

Het opschrift van artikel 2.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.45 Oogmerk dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

OO

Artikel 2.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.46 Toepassingsbereik dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

Deze paragraaf is van toepassing op het oppervlaktewaterlichaamdempenin het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaamdempen van een oppervlaktewaterlichaam.

PP

Artikel 2.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.47 Specifieke zorgplicht dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

Degene die in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaameen oppervlaktewaterlichaam dempt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 2.45, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden gevraagd.

QQ

Artikel 2.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.48 Vergunningplicht dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichamen te dempen tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 2.49 en Artikel 2.50.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam een oppervlaktewaterlichaam te dempen. Tenzij een vrijstelling uit Artikel 2.49, Artikel 2.29a of Artikel 2.50 van toepassing is.

RR

Artikel 2.48a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.48a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaam

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam, wordt de omgevingsvergunning verleend voor zover het oogmerk van Artikel 2.45 niet onaanvaardbaar wordt geschaad.

[Gereserveerd]

SS

Artikel 2.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.49 Vrijstelling vergunningplicht oppervlaktelichaam dempen bij werkenwerkzaamheden

  • 1.

    Het verbod in Artikel 2.48 geldt niet voor:

    Het verbod in Artikel 2.48 geldt niet voor het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het kader van: de uitvoering van het onderhoud van een infrastructureel openbaar werk en van een bouwwerk van groot maatschappelijk belang als:

    • a.

      het uitvoeren of onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang als:

      het gaat om de peilscheidingen van het waterschap; of

      • 1.

        het peilscheidingen van het waterschap betreft;

      • 2.

        de activiteiten plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek; of

      • 3.

        de werken zijn aangewezen in een omgevingsplan.

    • b.

      onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden op bouwpercelen als het bouwperceel is aangewezen in een omgevingsplan.

      alle benodigde vergunningen verleend zijn of het werk planologisch toegestaan is; en

    • c.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

  • 2.

    De activiteiten, bedoeld in onderdeel a en b van het eerste lid, duren niet langer dan noodzakelijk.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

TT

Na artikel 2.49 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.49a Vrijstelling vergunningplicht oppervlaktewaterlichaam dempen bij werkzaamheden op aangewezen bouwperceel

  • 1.

    Het verbod in Artikel 2.48 geldt niet voor het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het kader van: onderhoudswerkzaamheden, herstelwerkzaamheden, bouwwerkzaamheden en sloopwerkzaamheden op een bouwperceel als:

    • a.

      het bouwperceel als bouwperceel aangewezen is in een omgevingsplan;

    • b.

      op een locatie in het Agrarisch cultuurlandschap geen lengtesloten of weteringen gedempt worden; en

    • c.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

UU

Artikel 2.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.50 Vrijstelling vergunningplicht oppervlaktewaterlichaam dempen bij aanleg verbindingen tussen agrarische percelen

  • 1.

    Het verbod in Artikel 2.48 geldt niet voor het aanleggen van verbindingen tussen agrarische weide- en akkerpercelen als bij het aanleggen van verbindingen tussen de percelen:

    • a.

      de onderlinge verbinding tussen de percelen door dammen met duikers wordt ingericht;

    • b.

      de verbinding maximaal 10 meter breed is, gemeten vanaf het maaiveld in de lengterichting van het afgedamde oppervlaktewaterlichaam tussen de aansluitingen van de dam op de oorspronkelijke oever; en

    • c.

      niet dusdanig veel verbindingen aangebracht worden dat dit een onaanvaardbare aantasting oplevert van de belangen, bedoeld Artikel 2.45.

    Het verbod in Artikel 2.48 geldt niet voor het dempen van een oppervlaktewaterlichaam voor het aanleggen van een verbinding tussen agrarische weidepercelen of akkerpercelen als:

    • a.

      de verbinding tussen de percelen bestaat uit een dam met een duiker;

    • b.

      de verbinding maximaal 10 meter breed is. Deze afstand wordt gemeten vanaf het maaiveld, in de lengterichting van het afgedamde oppervlaktewaterlichaam tussen de aansluitingen van de dam op de oorspronkelijke oever;

    • c.

      in een breedtesloot maximaal 1 verbinding gemaakt wordt; en

    • d.

      in een lengtesloot maximaal 2 verbindingen gemaakt worden met daartussen een minimale afstand van 25 meter.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

VV

Na artikel 2.50 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.50a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning oppervlaktewaterlichaam dempen

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam wordt de omgevingsvergunning alleen verleend voor zover het oogmerk van Artikel 2.45 niet onaanvaardbaar geschaad wordt.

WW

Artikel 2.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.51 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.48, minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    kaart van de planlocatie;

  • b c.

    locatie van het werkde werkzaamheden;

  • c d.

    materialen die worden toegepast;

    materialen die gebruikt worden voor het dempen van het oppervlaktewaterlichaam;

  • d e.

    hoeveelheid materialen die worden toegepastgebruikt worden;

  • e f.

    herkomst van de materialen die worden toegepastgebruikt worden;

  • f g.

    afmetingen van de demping;

  • g h.

    of het gaat om een permanente of tijdelijke demping;

  • h i.

    of de dam een duiker heeft;

  • i j.

    reden van de demping; en

  • j k.

    start- startdatum en einddatum van de werkzaamheden.

XX

Artikel 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.1 Oogmerk grondwaterbeheer

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater en het vervullen van de functies van grondwaterlichamen.:

  • a.

    beschermen van de kwaliteit van het grondwater;

  • b.

    vervullen van de functies van grondwaterlichamen; en

  • c.

    waarborgen van de openbare drinkwatervoorziening.

YY

Paragraaf 3.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.1.2 Instructieregels grondwaterbeheer

Artikel 3.2 Instructieregel melden, meten en registreren grondwateronttrekking en -infiltratie

  • 1.

    Een waterschapsverordening regelt dat de informatieverplichting, bedoeld in Artikel 3.1, eerste lid, van de bruidsschat waterschapsverordening, geldt voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3.:

    • a.

      onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar; en

    • b.

      voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3.

  • 2.

    Het waterschap verstrekt aan gedeputeerde staten uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen 4 maanden na die beëindiging:

    • a.

      gegevens die op grond van het eerste lid worden verkregen; en

    • b.

      een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, en artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.2a Instructieregel registratie grondwateronttrekking en -infiltratie

  • 1.

    Gedeputeerde staten houden een grondwaterregister bij met alle installaties voor:

    a. het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, énen

    b. open bodemenergiesystemen bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    De in het eerste lid benoemde installaties worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van Artikel 3.4b worden verstrekt.

  • 3.

    In het register, bedoeld in het eerste lid, worden ook de op grond van artikel 16.3 Besluit activiteiten leefomgevinghet Besluit activiteiten leefomgeving verleende vergunningen ingeschreven op grond waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen een installatie voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een open bodemenergiesysteem bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving ambtshalve inschrijven in het grondwaterregister als de installatie:

    • a.

      niet overeenkomstig Artikel 3.4a is gemeld; of

    • b.

      overeenkomstig Artikel 3.4a moet worden gemeld aan een ander bestuursorgaan dan gedeputeerde staten.

  • 5.

    Als datum van inschrijving wordt aangehouden 1 januari van het jaar waarin de ambtshalve inschrijving plaatsvindt.

Artikel 3.3 Instructieregel onttrekking grondwater voor menselijke consumptie

  • 1.

    Met het oog op de verplichtingen op grond van artikel 7 van de Kaderrichtlijn water regelt het waterschap in ieder geval dat:

    • a.

      de locaties en debieten van de onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie geregistreerd worden;

    • b.

      eenieder die grondwater voor menselijke consumptie onttrekt, voor zover dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken of water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen, het ruwwater monitort volgens de methoden en parameters uit tabel II en tabel IIIC van het Drinkwaterbesluit voor de eerste keer bij aanvang van de onttrekking en vervolgens minimaal iedere 6 jaar een meting en analyse van een beperkter parameterpakket, afhankelijk van de uitkomsten van de eerste en daaropvolgende metingen en de te verwachte risico's;

    • c.

      eenieder die grondwater voor menselijke consumptie onttrekt voor aanvang van de winning een risicoanalyse van de omgeving van de onttrekking uitvoert en deze risicoanalyse minimaal iedere 6 jaar herhaalt; en

    • d.

      het dagelijks bestuur de gegevens, bedoeld onder a tot en met c, uiterlijk binnen 4 maanden nadat ze zijn verkregen aan gedeputeerde staten verstrekt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op onttrekkingen bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.3a Instructieregel behoud vitale drinkwaterinfrastructuur

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied vitale drinkwaterinfrastructuur bevat regels die het belang van de ongewijzigde instandhouding, het ongewijzigde gebruik en de mogelijkheid tot uitbreiding van de vitale drinkwaterinfrastructuur te waarborgen.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop het belang van de ongewijzigde instandhouding van de in het eerste lid bedoelde drinkwaterinfrastructuur in acht is genomen.

Artikel 3.3b Afwijking van instructieregel verstedelijkingsverbod landelijk gebied

In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan verstedelijking in het Landelijk gebied toestaan om nieuwe functies voor de openbare drinkwatervoorziening mogelijk te maken.

ZZ

Paragraaf 3.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.1.3 Activiteiten met grondwater

Artikel 3.4 Vrijstelling vergunningplicht bij klein open bodemenergiesysteem

  • 1.

    Het verbod in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving om zonder een omgevingsvergunning een open bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken geldt niet in het Gebied klein open bodemenergiesysteem, als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer bedraagt dan 10 m3/u.

    [Vervallen per <datum>]

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem dat gelegen is in een interferentiegebied dat is opgenomen in een omgevingsplan.

Artikel 3.4a Meetplicht en informatieplicht open bodemenergiesysteem

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt door eenieder die een open bodemenergiesysteem in gebruik heeft de jaarlijks onttrokken en teruggebrachte hoeveelheid grondwater gemeten met een nauwkeurigheid van minimaal 95%.

    Iedereen die een open bodemenergiesysteem in gebruik heeft, meet, in aanvulling op de eisen in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de hoeveelheid grondwater die jaarlijks onttrokken en teruggebracht wordt, met een nauwkeurigheid van minimaal 95%.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de geregistreerde gegevens en bescheiden over de jaarlijks onttrokken en teruggebrachte hoeveelheid grondwater voor 1 april van het daarop volgende kalenderjaar aan het bevoegd gezag verstrekt.

    Voor 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar worden deze meetgegevens en de bijbehorende bescheiden aan gedeputeerde staten aangeleverd.

Artikel 3.4b Meetplicht en informatieplicht grondwateronttrekking en -infiltratie

  • 1.

    In aanvulling op Iedereen die paragraaf 16.2.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt bij het uitvoeren van een wateronttrekkingsactiviteit uitvoert, bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving dat de in elk kwartaal, meet iedere 3 maanden en jaarlijks onttrokkende hoeveelheid grondwater die onttrokken of in de bodem gebracht water wordt gemeten met een nauwkeurigheid van minimaal 95%.

  • 2.

    Uiterlijk voor 1 april van elk jaar, of als de activiteit, bedoeld in artikel 16.3, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is beëindigd binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bevoegd gezag de op grond van het eerste lid verkregen meetgegevens verstrekt.

    Voor 1 april van het daaropvolgend kalenderjaar of binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, als de activiteit beëindigd is, worden deze meetgegevens aan gedeputeerde staten aangeleverd.

AAA

Paragraaf 3.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.2.1 Algemene bepalingen grondwaterbeschermingszone

Artikel 3.5 Oogmerk grondwaterbeschermingszone

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherminghet beschermen van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie.

Artikel 3.6 Aanwijzing grondwaterbeschermingszone

BBB

Artikel 3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.9 Instructieregel aanleg (dier)begraafplaats, dierbegraafplaats of uitstrooiveld

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen een Waterwingebied of een Grondwaterbeschermingsgebied verbiedt het het aanleggen van een nieuwe begraafplaats of uitstrooiveld, bedoeld in artikel 66a en artikel 66b van de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats toestaan.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen een Waterwingebied of een Grondwaterbeschermingsgebiedstelt,bevat geen regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met betrekking tot het hebben of uitbreiden van een bestaande begraafplaats, uitstrooiveld, bedoeld in artikel 66a en artikel 66b van de Wet op de lijkbezorging, of dierenbegraafplaats, regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater.

CCC

Artikel 3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.10 Instructieregel ruimtelijke bescherming matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied matig kwetsbare strategische grondwatervoorraadhoudtbevat regels die rekening houden met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater voor de grondwaterwinning voor menselijke consumptie.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarde is voldaan.

DDD

Paragraaf 3.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.2.3 Activiteiten in grondwaterbeschermingszone

Artikel 3.11 Specifieke zorgplicht grondwater

  • 1.

    Degene die in een Grondwaterbeschermingszone een activiteit uitvoert en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de beschermingkwaliteit van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden gevraagd.

  • 2.

    De zorgplicht houdt in ieder geval in dat, wanneer er sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater, gedeputeerde staten onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen grondwaterverontreiniging genomen worden;

    • b.

      de beste beschikbare technieken toegepast worden;

    • c.

      geen significante grondwaterverontreiniging veroorzaakt wordt; en

    • d.

      alle passende maatregelen genomen worden voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1. eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 3.11a Informeren over ongewoon voorval grondwater

Als in een Grondwaterbeschermingszone sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater, wordt dit onmiddellijk doorgegeven aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.11b Benodigde gegevens over ongewoon voorval grondwater

Bij een ongewoon voorval in een Grondwaterbeschermingszone worden de volgende gegevens zo snel mogelijk doorgegeven aan gedeputeerde staten:

  • a.

    Locatie van het ongewoon voorval (adres of omschrijving locatie); en

  • b.

    Alle mogelijk te achterhalen informatie over:

    • 1.

      de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich voorgedaan heeft;

    • 2.

      de verontreinigende stoffen en hun eigenschappen en de nadelige gevolgen hiervan voor het grondwater;

    • 3.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het grondwater te kunnen inschatten; en

    • 4.

      mogelijke maatregelen die al zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 3.12 Plaatsen Plaatsing borden Waterwingebied en Grondwaterbeschermingsgebied

EEE

Paragraaf 3.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.2.4 Activiteiten in Waterwingebied

Artikel 3.13 Verbod bestrijdingsmiddelen Waterwingebied Bethunepolder

Het is verboden in het Waterwingebied Bethunepolder een bestrijdingsmiddel voorhanden te hebben, in voorraad te hebben of toe te passen.

[Gereserveerd]

Artikel 3.13a Vrijstelling verbod bestrijdingsmiddelen Waterwingebied Bethunepolder

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.13 geldt niet voor het in een besloten ruimte voorhanden hebben, in voorraad hebben of toepassen van een geringe hoeveelheid van een bestrijdingsmiddel, als dit:

    • a.

      zonder bewerking kan worden toegepast;

    • b.

      dient of gediend heeft voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig is van normaal gebruik binnen een gebouw;

    • c.

      bewaard wordt in een deugdelijke verpakking; en

    • d.

      afdoende beschermd is tegen weersinvloeden.

  • 2.

    De onder het eerste lid van dit artikel opgenomen vrijstelling is niet van toepassing op glyfosaathoudende bestrijdingsmiddelen, tenzij deze middelen uitsluitend gebruikt worden voor de bestrijding van onkruiden grote brandnetel, ridderzuring, akkerdistel en ruwe smele in grasland.

Artikel 3.14 Meldplicht glyfosaat Waterwingebied Bethunepolder

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Waterwingebied Bethunepolder glyfosaathoudende bestrijdingsmiddelen toe te passen voor het bestrijden van de onkruiden grote brandnetel, ridderzuring, akkerdistel en ruwe smele in grasland.

  • 2.

    De toepassing van glyfosaathoudende bestrijdingsmiddelen is uitsluitend toegestaan, als:

    • a.

      handmatige of mechanische onkruidbestrijding redelijkerwijs niet kan worden geëist;

    • b.

      de onkruidbestrijkingsmethode wordt toegepast;

    • c.

      de toepassing plaatsvindt door een deskundige die beschikt over een licentie bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

    • d.

      de weersomstandigheden dit toelaten en de hoogte van het gras redelijkerwijs geen beletsel vormt om de onkruiden aan te strijken zonder het gras te raken; en

    • e.

      bij de toepassing een afstand van minimaal 1 meter tot geulen en greppels en minimaal 2 meter tot sloten in acht wordt genomen.

  • 3.

    Minimaal 5 werkdagen voordat de activiteit uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

Artikel 3.13a

[Gereserveerd]

Artikel 3.14 Meldplicht glyfosaat Waterwingebied Bethunepolder

[Vervallen per <datum>]

Artikel 3.15 Informatieplicht glyfosaat Waterwingebied Bethunepolder

Minimaal 24 uur voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.14, wordt het betrokken drinkwaterbedrijf telefonisch geïnformeerd.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 3.16 Verboden activiteitenmilieubelastende activiteit uitvoeren in Waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden in een Waterwingebied de volgende activiteiten uit te voeren:

    • a.

      een milieubelastende activiteit bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het toepassen of aanwezig hebben van een (potentieel) schadelijke stof;

    • c.

      het op of in de bodem aanbrengen van een constructie of uitvoeren van andere werkzaamheden;

    • d.

      het op of in de bodem brengen van mogelijk schadelijke stoffen, waaronder het toepassen van grond en baggerspecie, het gebruik van meststoffen en het uitstrooien van as;

    • e.

      het vanaf een locatie buiten een Waterwingebied schuin boren onder een waterwingebied;

    • f.

      het toepassen van uitloogbare materialen; en

    • g.

      het gebruiken van een locatie als parkeerterrein of terrein voor evenementen.

    Het is verboden in een Waterwingebied een milieubelastende activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving uit te voeren.

  • 2.

    Als een (potentieel) schadelijke stof worden in ieder geval aangemerkt:

Artikel 3.16a Vrijstelling verbod milieubelastende activiteit uitvoeren in Waterwingebied

Het verbod, bedoeld in Artikel 3.16, geldt niet voor:

  • a.

    alle noodzakelijke activiteiten in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening; en

  • b.

    overige activiteiten waar in deze paragraaf een vrijstelling voor geldt.

Artikel 3.16b Verbod opslaan of toepassen niet-toelaatbare stoffen, materialen en producten in Waterwingebied

Het is verboden in een Waterwingebied de volgende stoffen, materialen en producten op te slaan en toe te passen, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.16c van toepassing is:

  • a.

    voor het grondwater niet-toelaatbare stoffen, bedoeld in Bijlage VI Stoffenlijst;

  • b.

    uitloogbare materialen; en

  • c.

    andere mogelijk schadelijke stoffen, materialen en producten, waaronder meststoffen en as.

Artikel 3.16c Vrijstelling verbod opslaan of toepassen niet-toelaatbare stoffen, materialen en producten in Waterwingebied

Het verbod, bedoeld in Artikel 3.16b, geldt niet voor:

  • a.

    alle noodzakelijke stoffen, materialen en producten in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidsbestrijding;

  • c.

    aanwezig hebben van stoffen die nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

  • d.

    vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, als deze afdoende zijn beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;

  • e.

    hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, voor normaal gebruik, als deze bewaard worden in een deugdelijke verpakking en afdoende zijn beschermd tegen weersomstandigheden;

  • f.

    op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van beweiding; en

  • g.

    gebruik van kunstmest in de Waterwingebieden Lexmond, Woerden en Vianen.

Artikel 3.16d Verbod constructie aanbrengen op of in de bodem in Waterwingebied

Het is verboden in een Waterwingebied een constructie op of in de bodem aan te brengen en in stand te houden, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.16e van toepassing is.

Artikel 3.16e Vrijstelling verbod constructie aanbrengen op of in de bodem in Waterwingebied

Het verbod, bedoeld in Artikel 3.16d, geldt niet voor:

  • a.

    noodzakelijke constructies in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    civiel- en bouwtechnische werken, waarop de meldplicht van Artikel 3.20a van toepassing is;

  • c.

    het aanbrengen constructie, ten behoeve van natuurbehoud of extensieve recreatie, mits hiermee:

    • 1.

      geen verspreiding ontstaat van schadelijke stoffen op of in de bodem; en

    • 2.

      geen aantasting plaatsvindt van beschermende bodemlagen;

  • d.

    aanleg en onderhoud van verharde of onverharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer;

  • e.

    aanleg en onderhoud van kabels en onderhoud van leidingen; en

  • f.

    aanleg en onderhoud van rioleringen in het Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal die aansluiten op bestaande rioleringen.

Artikel 3.16f Verbod boring uitvoeren of boorput oprichten, exploiteren of hebben in Waterwingebied

Het is verboden in een Waterwingebied een boring, met inbegrip van een schuine boring vanaf een locatie buiten het Waterwingebied, uit te voeren of een boorput op te richten, te exploiteren of te hebben, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.16g van toepassing is.

Artikel 3.16g Vrijstelling verbod boring uitvoeren of boorput oprichten, exploiteren of hebben in Waterwingebied

Het verbod, bedoeld in Artikel 3.16f, geldt niet voor noodzakelijke boringen en boorputten in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening.

Artikel 3.16h Verbod grondwerk uitvoeren in Waterwingebied

Het is verboden in een Waterwingebied grondwerk uit te voeren, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.16i van toepassing is.

Artikel 3.16i Vrijstelling verbod grondwerk uitvoeren in Waterwingebied

Het verbod, bedoeld in Artikel 3.16h, geldt niet voor:

  • a.

    noodzakelijk grondwerk in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    extensieve en deugdelijke uitvoering van regulier grondwerk waarbij de beschermende bodemlagen niet worden aantast, zoals groenonderhoud en tuinieren;

  • c.

    regulier grondwerk gericht op natuurbehoud of voor extensieve recreatie, mits hierbij:

    • 1.

      geen verspreiding ontstaat van schadelijke stoffen op of in de bodem; en

    • 2.

      geen aantasting plaatsvindt van beschermende bodemlagen;

  • d.

    aanleg van verharde of onverharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer

  • e.

    aanleg en onderhoud van kabels en onderhoud van leidingen; en

  • f.

    aanleg en in stand houden van rioleringen in het Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal die aansluiten op bestaande rioleringen.

Artikel 3.16j Verbod locatie als parkeerterrein of evenemententerrein gebruiken in Waterwingebied

Het is verboden in een Waterwingebied een locatie te gebruiken als parkeerterrein of evenemententerrein, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.16k van toepassing is.

Artikel 3.16k Vrijstelling verbod locatie als parkeerterrein of evenemententerrein gebruiken in Waterwingebied

Het verbod, bedoeld in Artikel 3.16j, geldt niet voor:

  • a.

    noodzakelijk gebruik in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    kleinschalige evenementen waarbij:

    • 1.

      geen gebruik wordt gemaakt van voorzieningen die een risico vormen voor verontreiniging van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en

    • 2.

      voorafgaand schriftelijk toestemming verkregen is van het betreffende drinkwaterbedrijf.

Artikel 3.16l Verbod energie aan de bodem toevoegen of onttrekken in Waterwingebied

Het is verboden in een Waterwingebied werken tot stand te brengen en activiteiten uit te voeren met als doel het direct of indirect warmte of koude aan de bodem toe te voegen of te onttrekken.

Artikel 3.17 Vrijstelling verboden activiteiten Waterwingebied

Het verbod in Artikel 3.16, eerste lid geldt niet voor:

  • a.

    alle noodzakelijke activiteiten in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    reguliere bodemwerkzaamheden, zoals groenonderhoud en tuinieren, die de beschermende bodemlagen niet aantasten;

  • c.

    het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidsbestrijding;

  • d.

    het aanwezig hebben van stoffen die nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

  • e.

    het vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, als deze afdoende zijn beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;

  • f.

    het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, voor normaal gebruik, als deze bewaard worden in een deugdelijke verpakking en afdoende zijn beschermd tegen externe invloeden;

  • g.

    het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van beweiding;

  • h.

    de aanleg van verharde of onverharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer;

  • i.

    het aanbrengen van een constructie of uitvoeren van andere werkzaamheden op of in de bodem, gericht op behoud van de natuurfunctie of ten dienste van extensieve recreatie en mits hiermee geen verspreiding ontstaat van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan;

  • j.

    aanleg en onderhoud van kabels en onderhoud van leidingen en;

  • k.

    evenementen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voorzieningen die een risico vormen voor verontreiniging van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater en waarvoor voorafgaand schriftelijk toestemming is verkregen van het betreffende drinkwaterbedrijf.

[Gereserveerd]

Artikel 3.18 Vrijstelling voor riolering Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal

Het verbod in Artikel 3.16, eerste lid geldt niet voor het aanleggen en in stand houden van rioleringen in het Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal die aansluiten op bestaande rioleringen.

[Gereserveerd]

Artikel 3.19 Vrijstelling voor gebruik kunstmest Waterwingebied Lexmond, Woerden en Vianen

Het verbod in Artikel 3.16, eerste lid geldt niet voor het gebruik van kunstmest in de Waterwingebieden Lexmond, Woerden en Vianen.

[Gereserveerd]

Artikel 3.20 Meldplicht activiteitengrond en baggerspecie toepassen in Waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Waterwingebiedde volgende activiteitengrond en baggerspecieuittoe te voeren:passen.

    • a.

      het toepassen van grond of baggerspecie met een kwaliteit die voldoet aan de achtergrondwaarde;

    • b.

      het uitvoeren van civieltechnisch en bouwtechnische werken nodig voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur en waterbeheer;

    • c.

      het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van paragraaf 3.2.26 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • d.

      het onderzoeken of saneren van de bodem met inachtneming van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • e.

      buitengebruikstelling van een boorput.

  • 2.

    Minimaal 4 weken voordat de activiteit uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

    De grond en de baggerspecie die toegepast wordt, moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen genoemd in tabel 1 en tabel 2 van Bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit;

    • a.

      Voor grond: kwaliteitsklasse 'landbouw/natuur';

    • b.

      Voor baggerspecie: 'niet verontreinigd' of 'algemeen toepasbaar'.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de grond of baggerspecie toegepast wordt, wordt de melding ingediend.

  • 4.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.20a Meldplicht civieltechnisch werk en bouwtechnisch werk uitvoeren in Waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Waterwingebied een civieltechnisch en een bouwtechnisch werk uit te voeren.

  • 2.

    De uitvoering van het werk moet nodig zijn voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur of waterbeheer.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat het civieltechnisch werk of het bouwtechnisch werk uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

  • 4.

    Als het werk anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.20b Meldplicht baggerspecie uit watergang verspreiden in Waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Waterwingebiedbaggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van een watergang, te verspreiden over het aangrenzend perceel.

  • 2.

    De baggerspecie die verspreid wordt:

    • a.

      moet voldoen aan de kwaliteitseis genoemd in tabel 3b van Bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit: voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie; en

    • b.

      moet komen uit het Waterwingebied.

  • 3.

    De verspreiding van baggerspecie over het aangrenzend perceel:

    • a.

      moet voldoen aan de voorwaarden genoemd in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      mag niet in een weilanddepot opgeslagen worden.

  • 4.

    Minimaal 4 weken voordat de baggerspecie uit de watergang verspreid wordt over het aangrenzende perceel, wordt de melding ingediend.

  • 5.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.20c Meldplicht bodemonderzoek en bodemsanering uitvoeren in Waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Waterwingebied de bodem te onderzoeken en te saneren.

  • 2.

    Bij het onderzoek en de sanering van de bodem wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    De melding wordt ingediend minimaal 4 weken voordat de bodem onderzocht of gesaneerd wordt.

  • 4.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.20d Meldplicht boorput buiten gebruik stellen in Waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Waterwingebied een boorput buiten gebruik te stellen.

  • 2.

    Binnen 2 weken na buitengebruikstelling van de boorput wordt de boorput afgedicht door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de boorput afgedicht wordt, wordt de melding ingediend.

  • 4.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.21 Indieningsvereisten melding bij toepassing grond of baggerspecie toepassen in Waterwingebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van het toepassen van grond of baggerspecie in een Waterwingebied, bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder a, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.20, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    kadastrale aanduiding van de locatie waar de grond of baggerspecie toegepast wordt;

  • c.

    of het grond of baggerspecie betreft;

  • d c.

    de hoeveelheid grond of baggerspecie in m3;

  • e d.

    de herkomst van de grond of baggerspecie;

  • f e.

    of de grond of baggerspecie voldoet aan de achtergrondwaarde;

  • g f.

    de klasse van de baggerspecie;

  • h g.

    bij toepassing op land, het doel waarvoor de grond of baggerspecie wordt toegepast:

    milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaruit blijkt dat de grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseis, bedoeld in Artikel 3.20, tweede lid; en

    • 1.

      landbouw en natuur;

    • 2.

      wonen; en

    • 3.

      industrie;

  • i.

    bij toepassing op de waterbodem, de klasse van de baggerspecie:

    • 1.

      klasse A; of

    • 2.

      klasse B;

  • j.

    een gemotiveerde schriftelijke verklaring dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en

  • k h.

    start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.22 Indieningsvereisten melding bij civiel- en bouwtechnische werken voor regulier beheer en onderhoudcivieltechnisch of bouwtechnisch werk uitvoeren in Waterwingebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van civiel- en bouwtechnische werken in een Waterwingebied, bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder b, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.20a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordthet civieltechnische werk of bouwtechnische werk uitgevoerd wordt;

  • c.

    een beschrijving van het civieltechnische type werk of bouwtechnische type van de activiteitwerk dat uitgevoerd wordt;

  • d.

    de oppervlakte van de werken (lengte, breedte);

    oppervlakte, lengte en breedte van het werk;

  • e.

    als wordt ontgraven, tot welke diepte de werken worden uitgevoerd;

    als ontgraven wordt, tot welke diepte het werk uitgevoerd wordt; en

  • f.

    een gemotiveerde schriftelijke verklaring dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en

  • g f.

    start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.23 Indieningsvereisten melding bij verspreiding baggerspecie uit watergang verspreiden in Waterwingebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van het verspreiden van baggerspecie uit watergang in een Waterwingebied, bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder c, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.20b, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    kadastrale aanduiding van de locatie waar de baggerspecie uit de watergang verspreid wordt;

  • c.

    de hoeveelheid grond ofbaggerspeciebaggerspeciein m3;

  • d.

    de herkomst van de grond of baggerspecie;

  • e.

    of de baggerspecie voldoet aan artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaruit blijkt dat de baggerspecie voldoet aan de kwaliteitsklasse, bedoeld in Artikel 3.20b, tweede en derde lid; en

  • f.

    de klasse van de baggerspecie;

  • g.

    bij toepassing op land, het doel waarvoor de grond of baggerspecie wordt toegepast:

    • 1.

      landbouw en natuur;

    • 2.

      wonen; en

    • 3.

      industrie.

  • h.

    bij toepassing op waterbodem, de klasse van de baggerspecie:

    • 1.

      klasse A; of

    • 2.

      klasse B.

  • i.

    een gemotiveerde schriftelijke verklaring dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en

  • j f.

    start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.24 Indieningsvereisten melding bij onderzoekbodemonderzoek en sanering van bodembodemsanering uitvoeren in Waterwingebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van onderzoek en sanering van bodem in een Waterwingebied, bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder d, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.20c, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerdbodem onderzocht of gesaneerd wordt;

  • c.

    de herkomst van de (verwachte) verontreiniging;

  • d.

    de omvang van de (verwachte) verontreiniging in m3;

  • e.

    de maximale diepte van de verontreiniging in meter benedenmeters onder hetmaaiveld;

  • f.

    een beschrijving van de te gebruiken saneringstechniek;

  • g.

    een gemotiveerde schriftelijke verklaring dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en

  • h.

    verwachte start- en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.25 Indieningsvereisten melding buitengebruikstelling boorput buiten gebruik stellen in Waterwingebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van de buitengebruikstelling van een boorput in een Waterwingebied, bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder e, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.20d, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    kadastrale aanduiding van de locatie waar de boorput buiten gebruik gesteld wordt;

  • c.

    het aantal boorputten dat wordt afgedicht opdrachtgever van de buitengebruikstelling van de boorput;

  • d.

    het te gebruiken afdichtmateriaal; en aantal boorputten dat afgedicht wordt;

  • e.

    putnummer van de boorput die buitengebruik gesteld wordt;

  • f.

    bedrijf dat de afdichting na de buitengebruikstelling van de boorput uitvoert;

  • g.

    bewijs van certificering van het bedrijf dat de afdichting uitvoert conform BRL SIKB 2100;

  • h.

    materiaal dat gebruikt wordt voor de afdichting; en

  • e i.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.25a Informatieplicht grond en baggerspecie toepassen in Waterwingebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.20, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.25b Informatieplicht civieltechnisch werk en bouwtechnisch werk uitvoeren in Waterwingebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.20a, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.25c Informatieplicht baggerspecie uit watergang verspreiden in Waterwingebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.20b, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.25d Informatieplicht bodemonderzoek en bodemsanering uitvoeren in Waterwingebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.20c, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van het onderzoek en de sanering aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.25e Informatieplicht boorput buiten gebruik stellen in Waterwingebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.20d, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van het onderzoek en de sanering aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.26 Eis buitengebruikstelling boorput in Waterwingebied

Bij buitengebruikstelling van een boorput in een Waterwingebied laat de eigenaar of exploitant binnen 2 weken na buitengebruikstelling de boorput(ten) afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100.

[Gereserveerd]

FFF

Artikel 3.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.27 Verboden activiteiten Verbod milieubelastende activiteit uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit uit te voeren, bedoeld in de lijst verboden activiteiten in Bijlage V Lijst verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebied (inclusief waterwingebied Bethunepolder).

Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit uit te voeren, bedoeld in Bijlage V Lijst verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebied (inclusief waterwingebied Bethunepolder), tenzij de vrijstelling uit Artikel 3.27a van toepassing is.

GGG

Het opschrift van artikel 3.27a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.27a Vrijstelling verboden activiteitenverbod milieubelastende activiteit uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

HHH

Na artikel 3.27a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.27b Verbod thermisch gereinigde grond, staalslakken of AEC-bodemas toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied thermisch gereinigde grond, staalslakken en AEC-bodemas toe te passen in de vorm van grond of niet-vormgegeven bouwstof met daarin meer dan 20 massaprocent van een deze producten.

III

Artikel 3.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28 Verbod opslag van schadelijke stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof voorhanden te hebben, bedoeld in Bijlage VI Lijst niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffen.

Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een voor het grondwater schadelijke stof, bedoeld in Bijlage VI Stoffenlijst op te slaan en toe te passen.

JJJ

Artikel 3.28a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28a Vrijstelling verbod opslag schadelijke stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het verbod in Artikel 3.28 geldt niet voor een kleine werkvoorraadhet opslaan en toepassen van maximaal 1 emballage van 25 liter of kilogram per voor het grondwater schadelijke stof.

KKK

Artikel 3.28b wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28b Verbod opslag van potentieel schadelijkerisicovolle stoffen opslaan in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een potentieel voor het grondwater schadelijke stof voorhanden te hebben, als de hoeveelheid meer is dan:

    • a.

      de in Bijlage VII Tabel hoeveelheidsdrempel voor stoffen aangegeven hoeveelheidsdrempel;

    • b.

      in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof:

      • 1.

        5 m3 per opslageenheid bij een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof; en

      • 2.

        5000 kilogram per opslageenheid bij een viskeuze of vaste stof.

    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een voor het grondwater risicovolle stof, bedoeld in Bijlage VI Stoffenlijst, op te slaan of toe te passen, tenzij de meldplicht in Artikel 3.38h of de vrijstelling van de meldplicht in Artikel 3.38i van toepassing is.

  • 2.

    Bij het voorhanden hebben van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof met een hoeveelheid die minder is dan de hoeveelheid bedoeld in het eerste lid, worden bodembeschermende voorzieningen en maatregelen toegepast, die de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat de opslag bovengronds en boven een vloeistofdichte bodemvoorziening plaatsvindt en dat processen of overslag boven een vloeistofdichte of vloeistofkerende bodemvoorziening plaatsvinden.

LLL

Artikel 3.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.29 Verbod boorputten, boren en grond- of funderingswerken in Grondwaterbeschermingsgebied Verbod boring uitvoeren en boorput oprichten, exploiteren of hebben in Grondwaterbeschermingsgebied

MMM

Na artikel 3.29 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.29a Vrijstelling verbod boring uitvoeren en boorput oprichten, exploiteren of hebben in Grondwaterbeschermingsgebied

Het verbod in Artikel 3.29 geldt niet als het een boring of boorput is voor:

  • a.

    de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    een horizontaal gestuurde boring waarop de meldplicht uit Artikel 3.38 van toepassing is;

  • c.

    het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening;

  • d.

    een bronbemaling;

  • e.

    een sondering; of

  • f.

    een bodemonderzoek en of een bodemsanering in het kader van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

NNN

Artikel 3.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.30 Verbod aanleggen buisleiding aanleggen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding aan te leggen voor het transport van olie, chemicaliën en gassen niet zijnde aardgas of een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën, aan te leggen, te vervangen of te verleggen.:

  • a.

    olie, chemicaliën en gassen, anders dan aardgas; of

  • b.

    elektriciteit, wanneer deze gekoeld wordt met olie of chemicaliën.

OOO

Artikel 3.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.31 Verbod energietoevoeging en -onttrekkingenergie aan de bodem toevoegen of onttrekken in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen ofen activiteiten uit te voeren met als doel het direct of indirect warmte of koude aan de bodem te onttrekken of toe te voegen of te onttrekken.

  • 2.

    Dit verbod geldt niet voor open bodemenergiesystemen in combinatie met grondwatersanering, waarop de vergunningplicht uit Artikel 3.35 van toepassing is.

PPP

Artikel 3.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.32 Verbod meststoffen op of in de bodem brengen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebiedmeststoffeneen meststof op of in de bodem te brengen, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.32a van toepassing is.

QQQ

Artikel 3.32a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.32a Vrijstelling verbod meststoffenmeststof op of in de bodem brengen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het verbod in Artikel 3.32 geldt niet voor het op of in de bodem brengen van:

  • a.

    een dierlijke meststoffenmeststof; enof

  • b.

    een anorganische meststoffenmeststof, compost of kalkmeststoffeneen kalkmeststof, bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

RRR

Het opschrift van artikel 3.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.33 Verbod hemelwater via diepinfiltratie in grondwater lozen in Grondwaterbeschermingsgebied

SSS

Artikel 3.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.34 Vrijstelling verbod boorputten, boren of grondwerken in Grondwaterbeschermingsgebied

De verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, gelden niet voor:

  • a.

    boorputten voor de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening;

  • c.

    bronbemalingen;

  • d.

    het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • e.

    sonderingen; en

  • f.

    ontgrondingen in het kader van paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

[Gereserveerd]

TTT

Na artikel 3.34 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.34a Verbod bestrijdingsmiddelen opslaan en toepassen in Waterwingebied Bethunepolder

Het is verboden in het Waterwingebied Bethunepolder bestrijdingsmiddelen op te slaan en toe te passen, tenzij de vrijstelling uit Artikel 3.34b van toepassing is.

Artikel 3.34b Vrijstelling verbod bestrijdingsmiddelen opslaan en toepassen in Waterwingebied Bethunepolder

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.34a geldt niet voor het opslaan en toepassen van een zeer geringe hoeveelheid bestrijdingsmiddel, als het bestrijdingsmiddel:

    • a.

      zonder bewerking toegepast kan worden voor normaal gebruik ter plaatse;

    • b.

      bewaard wordt in een deugdelijke verpakking, welke wordt opgeslagen in een besloten ruimte, voldoende beschermd tegen weersinvloeden.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet voor het opslaan en toepassen van glyfosaathoudende bestrijdingsmiddelen.

UUU

Artikel 3.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.35 Vergunningplicht open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Grondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een Grondwaterbeschermingsgebied een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering aan te leggen en teof gebruiken.

VVV

Artikel 3.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.36 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Grondwaterbeschermingsgebied

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering in een Grondwaterbeschermingsgebied, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als niet is aangetoond is dat een significante bijdrage wordt geleverd wordt aan het verbeterenverbetering van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak.

WWW

Artikel 3.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.37 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Grondwaterbeschermingsgebied

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevings­vergunning, bedoeld in Artikel 3.35, minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755:2022;

  • b c.

    een beschrijving van het open bodemenergiesysteem, waarbij in ieder geval inzicht wordt gegeven wordt in de bronnenconfiguratie, filterstelling, verpompte hoeveelheid water en energie per bron en in totaal en effecten op de omgeving;

  • c d.

    een beschrijving van de saneringstechniek;

  • d e.

    de te gebruiken boortechnieken om negatieve effecten van doorboring van de in de bodem voorkomende beschermende lagen zoveel mogelijk te voorkomen, en;

    boortechnieken die gebruikt worden om negatieve effecten van doorboring van de beschermende bodemlagen en verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen; en

  • e f.

    een risicobeoordeling van de effecten van de aanleg en het in gebruik hebben van een open bodemenergiesysteem in combinatie met de grondwatersanering, waarbij in ieder geval inzicht wordt gegeven wordt in:

    • 1.

      de te verwachten verwachte verbetering van de grondwaterkwaliteit;

    • 2.

      monitoring van de effecten; en

    • 3.

      te treffen tegenmaatregelen, mocht nietdie getroffen worden als de verwachte verbetering van de grondwaterkwaliteit optredenniet optreedt.

XXX

Artikel 3.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.38 Meldplicht horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Grondwaterbeschermingsgebied beneden de in Artikel 3.29 genoemde dieptegrenzen horizontaal gestuurde boringen uit te voeren. De gemelde activiteit moet daarbij voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      andere werkmethoden zijn aantoonbaar niet toepasbaar;

    • b.

      de benodigde aanlegdiepte beneden de dieptegrens vormt geen noemenswaardig risico voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

    • c.

      de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het in- en uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet;

    • d.

      als het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan;

    • e.

      de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater;

    • f.

      de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt;

    • g.

      de vrijkomende grond wordt niet zonder bodembeschermende maatregelen opgeslagen of verspreid over het perceel; en

    • h.

      als de horizontale boring voor de aanleg van een riool is, wordt de mantelbuis voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers.

    In Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Langerak, Soestduinen en Woerden is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 3 meter onder het maaiveld.

  • 2.

    Minimaal 4 weken voordat de horizontale boring uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

    In Grondwaterbeschermingsgebied Driebergen, Leersum en Rhenen is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 10 meter onder het maaiveld.

  • 3.

    In Grondwaterbeschermingsgebied Beerschoten is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 30 meter onder het maaiveld.

  • 4.

    In Grondwaterbeschermingsgebied Bethunepolder, Bilthoven, Bunnik, Cothen, Groenekan, Linschoten, Zeist en in het Waterwingebied Bethunepolder is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 40 meter onder het maaiveld.

  • 5.

    De horizontaal gestuurde boring moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      andere werkmethoden zijn aantoonbaar niet toepasbaar;

    • b.

      de benodigde aanlegdiepte beneden de dieptegrens vormt geen noemenswaardig risico voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

    • c.

      de milieuhygiënische bodemkwaliteit op de plek van het intredepunt en het uittredepunt en het tussenliggende boorracé mag, als gevolg van de booractiviteiten, niet leiden tot een verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Dit moet aangetoond worden met een voorafgaand bodemonderzoek conform paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • d.

      de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater en bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt;

    • e.

      de vrijkomende grond wordt met bodembeschermende maatregelen opgeslagen; en

    • f.

      als de horizontaal gestuurde boring voor de aanleg van een riool is, wordt de mantelbuis voorzien van verklikkers. Bij een eventuele breuk treedt de inhoud van het riool aan het maaiveld uit via deze verklikkers.

  • 6.

    Minimaal 4 weken voordat de horizontaal gestuurde boring uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

  • 7.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

YYY

Na artikel 3.38 worden negen artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.38a Meldplicht aardgasleiding aanleggen, verleggen, vervangen of verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Grondwaterbeschermingsgebied een aardgasleiding aan te leggen, te verleggen, te vervangen of te verwijderen.

  • 2.

    Met een risicoanalyse van een deskundige overeenkomstig de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen richtlijnen wordt aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door het aanleggen, verleggen, vervangen of verwijderen van de aardgasleiding, gelijk blijft of vermindert ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de werkzaamheden uitgevoerd worden, wordt de melding ingediend.

  • 4.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.38b Meldplicht buisleiding vervangen, verleggen of verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied zonder melding een buisleiding te vervangen, te verleggen en te verwijderen voor het transport van:

    • a.

      olie, chemicaliën en gassen, anders dan aardgas;

    • b.

      elektriciteit die gekoeld wordt met olie of chemicaliën.

  • 2.

    Met een risicoanalyse van een deskundige overeenkomstig de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen-richtlijnen wordt aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door het aanleggen, vervangen, verleggen of verwijderen van de buisleiding, gelijk blijft of vermindert ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de werkzaamheden uitgevoerd worden, wordt de melding ingediend.

  • 4.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.38c Meldplicht grondwerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 3.38d Vrijstelling meldplicht grondwerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

De meldplicht, bedoeld in Artikel 3.38c, geldt niet als het grondwerk is voor:

  • a.

    een bodemonderzoek of bodemsanering in het kader van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

  • b.

    een ontgronding in het kader van paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.38e Meldplicht funderingswerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 3.38f Meldplicht boorput buiten gebruik stellen in Grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 3.38g Meldplicht heipaal verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Langerak, Soestduinen en Woerden

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Langerak, Soestduinen en Woerden een heipaal te verwijderen.

  • 2.

    Het ontstane gat wordt afgedicht met bentoniet.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de heipaal verwijderd wordt, wordt de melding ingediend.

  • 4.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.38h Meldplicht risicovolle stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Grondwaterbeschermingsgebied een voor het grondwater risicovolle stof, bedoeld in Bijlage VI Stoffenlijst, op te slaan en toe te passen.

  • 2.

    Bij het opslaan van een voor het grondwater risicovolle stof worden bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen genomen.

  • 3.

    De hoeveelheid opgeslagen of toegepaste stof moet minder zijn dan:

    • a.

      de in Bijlage VII Tabel hoeveelheidsdrempel voor stoffen aangegeven hoeveelheidsdrempel; of

    • b.

      bij een andere voor het grondwater risicovolle stof:

      • 1.

        5 m3 per opslageenheid bij een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof; of

      • 2.

        5000 kilogram per opslageenheid bij een viskeuze of vaste stof. Voor het opslaan van mest of kuilvoer geldt geen maximale hoeveelheid

  • 4.

    Minimaal 4 weken voordat een voor het grondwater risicovolle stof uit Bijlage VI Stoffenlijst opgeslagen of toegepast wordt, wordt de melding ingediend.

  • 5.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.38i Vrijstelling meldplicht risicovolle stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

De meldplicht, bedoeld in Artikel 3.38h, geldt niet voor een kleine werkvoorraad per voor het grondwater risicovolle stof van maximaal 1 emballage van 25 liter of kilogram.

ZZZ

Artikel 3.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.39 Meldplicht boorputten en grond- en funderingswerken in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Grondwaterbeschermingsgebied beneden de in Artikel 3.29 genoemde dieptegrenzen de volgende activiteiten uit te voeren:

    • a.

      het uitvoeren van grondwerken, voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken;

    • b.

      funderingswerken, voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van:

      • 1.

        grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

      • 2.

        in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; of

      • 3.

        voorgevormde of in de grond gevormde schroefpalen;

    • c.

      het buitengebruikstellen van een boorput.

    [Gereserveerd]

  • 2.

    Het is verboden zonder melding in het Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden heipalen te verwijderen.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de activiteit uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

AAAA

Artikel 3.39a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.39a Meldplicht aardgas- en buisleidingen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Grondwaterbeschermingsgebied de volgende activiteiten uit te voeren:

    • a.

      aardgasleidingen aan te leggen, te verleggen of te verwijderen;

    • b.

      een buisleiding voor het transport van olie, chemicaliën en gassen niet zijnde aardgas of leidingen voor het transport van elektriciteit die worden gekoeld met olie of chemicaliën aan te leggen, te verleggen of te verwijderen, zonder dat met een risicoanalyse van een deskundige overeenkomstig Handreiking “Publicatiereeks gevaarlijke stoffen” is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door het aanleggen, verleggen of verwijderen gelijk blijft of vermindert ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.

    [Gereserveerd]

  • 2.

    Minimaal 4 weken voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, wordt de melding ingediend.

BBBB

Artikel 3.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.40 Indieningsvereisten melding horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van de realisatie van een horizontaal gestuurde boring in een Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.38, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.38, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordthorizontaal gestuurde boring uitgevoerd wordt;

  • c.

    bewijs van de certificering van het bedrijf dat de horizontaal gestuurde boring uitvoert;

  • c d.

    doel van de horizontaal gestuurde boring;

  • d e.

    het diepste punt van de boring;

  • e f.

    de lengte van de boring tussen in-intredepunt en uittredepunt;

  • f g.

    de totale lengte van de boring;

  • h.

    het conform paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteit leefomgeving uitgevoerde bodemonderzoek;

  • g i.

    een (boor)plan waarin boorplan met daarin de uitwerking van de in Artikel 3.38 genoemde voorwaarden nader zijn uitgewerkt; en

  • h j.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

CCCC

Artikel 3.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.41 Indieningsvereisten melding aanleg van aardgasleidingaardgasleiding aanleggen, verleggen, vervangen of verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van de aanleg van een aardgasleiding in een Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.39a, onder a, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.38a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    kadastrale aanduiding van de locatie waarvan de activiteit wordt uitgevoerdwerkzaamheden aan de aardgasleiding;

  • c.

    bewijs van de certificering van het bedrijf dat de werkzaamheden aan de aardgasleiding uitvoert;

  • c d.

    de lengte van de aardgasleiding;

  • d e.

    het diepste punt van de aardgasleiding in meter beneden maaiveldonder het maaiveld;

  • e f.

    het te gebruiken afdichtmateriaal afdichtmateriaal dat gebruikt wordt;

  • f g.

    als dit van toepassing is, de gebruikte funderingstechniek; en

    indien van toepassing de funderingstechniek die gebruikt wordt; en

  • g h.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

DDDD

Artikel 3.41a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.41a Indieningsvereisten melding aanleg, verleggen of verwijderen van een buisleiding, niet zijnde aardgas, in Grondwaterbeschermingsgebied Indieningsvereisten melding buisleiding verleggen, vervangen of verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van de aanleg van een buisleiding, niet zijnde aardgas, in een Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.39a, onder b, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.38b, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    kadastrale aanduiding van de locatie waarvan de activiteit wordt uitgevoerdwerkzaamheden aan de buisleiding;

  • c.

    de lengte van de buisleiding;

  • d.

    het diepste punt van de buisleiding in meter beneden maaiveldonder het maaiveld;

  • e.

    het te gebruiken afdichtmateriaal afdichtmateriaal dat gebruikt wordt;

  • f.

    de start- en einddatum van de activiteit en;

  • g f.

    een door een deskundigedeskundig uitgevoerde risicoanalyse als bedoeld in de Handreiking Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, waarin is aangetoond is dat de kans op grondwaterverontreiniging door het aanleggenverleggen, verleggenvervangen of verwijderen gelijk blijft of vermindert ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.; en

  • g.

    verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

EEEE

Artikel 3.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.42 Indieningsvereisten melding grondwerken uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van grondwerken in een Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.39 eerste lid, onder b, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.38c, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerdhet grondwerk uitgevoerd wordt;

  • c.

    doel van het ontgraven;

  • d.

    oppervlakte van de ontgraving in m2;

    oppervlakte in m2, lengte, breedte en diepte in meter onder het maaiveld;

  • e.

    diepte tot waar wordt ontgraven in meter beneden maaiveld;

  • f e.

    beschrijving van de bodemopbouw en de wijze waarop het bodemprofiel wordt hersteld wordt, zodat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerkenhet grondwerk; en

  • g f.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

FFFF

Artikel 3.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.43 Indieningsvereisten melding funderingswerken uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van funderingswerken in een Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.39, eerste lid, onder b, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.38e, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerdhet funderingswerk uitgevoerd wordt;

  • c.

    het doel waarvoor de fundering geplaatst wordt;

  • d.

    de te gebruiken funderingstechniek welke funderingstechniek gebruikt wordt:

    • 1.

      grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

    • 2.

      in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt wordt die niet plaatselijk is verbreed is en grondverdringend wordt ingebrachtingebracht wordt;

    • 3.

      voorgevormde of in de grond gevormde schroefpalen;

  • e.

    de diepte tot waar de fundering komt in meter beneden maaiveld; en

  • f.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

GGGG

Artikel 3.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.44 Indieningsvereisten melding buitengebruikstelling boorput buiten gebruik stellen in Grondwaterbeschermingsgebied

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van de buitengebruikstelling boorput in een Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.39 eerste lid, onder c, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.38f, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • a b.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    opdrachtgever van de buitengebruikstelling van de boorput;

  • b c.

    de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerdboorput buitengebruik gesteld wordt;

  • c d.

    aantal boorputten dat wordtbuiten gebruik gesteld en afgedicht wordt;

  • e.

    putnummer van de boorput die buiten gebruik gesteld wordt;

  • f.

    afdichtmateriaal dat gebruikt wordt;

  • g.

    bedrijf dat de afdichting na de buitengebruikstelling van de boorput binnen 2 weken uitvoert;

  • d h.

    het te gebruiken afdichtmateriaal; en

    bewijs van certificering van het bedrijf dat de afdichting uitvoert conform BRL SIKB 2100; en

  • e i.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

HHHH

Artikel 3.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.45 Indieningsvereisten melding verwijdering heipaal verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van de verwijdering van heipalen in het Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden, bedoeld in Artikel 3.39, tweede lid, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.38g, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    opdrachtgever van de heipaalverwijdering;

  • b c.

    de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerdheipaal verwijderd wordt;

  • c.

    aantal van de te verwijderen heipalen;

  • d.

    diepte tot welke de aantal heipalen wordendat verwijderd wordt;

  • e.

    tot welke diepte de heipalen verwijderd worden;

  • e f.

    het te gebruiken afdichtmateriaal afdichtmateriaal dat gebruikt wordt; en

  • f g.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

IIII

Na artikel 3.45 worden tien artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.45a Indieningsvereisten risicovolle stoffen opslaan of toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.38h, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    welke stof opgeslagen of toegepast wordt;

  • c.

    hoeveelheid op te slaan of toe te passen stof;

  • d.

    met welk doel de stof opgeslagen of toegepast wordt;

  • e.

    welke bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen genomen worden; en

  • f.

    verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.45b Maatwerkvoorschriften schadelijke en risicovolle stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 3.45c Informatieplicht horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.38, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.45d Informatieplicht aardgasleiding aanleggen, vervangen, verleggen en verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.38a, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.45e Informatieplicht buisleiding vervangen, verleggen en verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.38b, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.45f Informatieplicht grondwerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.38c, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.45g Informatieplicht funderingswerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.38e, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.45h Informatieplicht boorput buiten gebruik stellen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.38f, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.45i Informatieplicht heipaal verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Langerak, Soestduinen en Woerden

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.38g, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.45j Informatieplicht risicovolle stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.38h, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

JJJJ

Artikel 3.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.46 Eis buitengebruikstelling boorput in Grondwaterbeschermingsgebied

Bij buitengebruikstelling van een boorput in een Grondwaterbeschermingsgebied laat de eigenaar of exploitant binnen 2 weken na buitengebruikstelling die boorput afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.

[Gereserveerd]

KKKK

Artikel 3.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.47 Eis verwijdering heipalen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden

Bij verwijdering van heipalen in het Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden wordt het ontstane gat zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet.

[Gereserveerd]

LLLL

Artikel 3.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.48 Eis lozen afstromend hemelwater lozen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Bij het lozen van afstromend hemelwater in een Grondwaterbeschermingsgebied wordt mogelijke verontreiniging van het grondwater zoveel als redelijkerwijs mogelijk is beperkt.

  • 2.

    Aan het gestelde in het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de Leidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrecht wordt gevolgd.

  • 1.

    Bij het lozen van afstromend hemelwater in een Grondwaterbeschermingsgebied wordt verontreiniging van het grondwater zoveel mogelijk voorkomen en beperkt.

  • 2.

    Hieraan wordt in ieder geval voldaan als de Leidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrecht gevolgd wordt.

MMMM

Artikel 3.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.49 Eis aanleggen parkeerplaats aanleggen in Grondwaterbeschermingsgebied

  • 1.

    Eenieder die een verharde of onverharde parkeerplaats voor motorrijtuigen in een Grondwaterbeschermingsgebied aanlegt of in stand houdt, treft zoveel als redelijkerwijs mogelijk is maatregelen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen.

    Bij de aanleg of instandhouding van een verharde of onverharde parkeerplaats voor motorrijtuigen in een Grondwaterbeschermingsgebied wordt verontreiniging van het grondwater zoveel mogelijk voorkomen en beperkt.

  • 2.

    Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de Leidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrecht wordt gevolgd.

    Hieraan wordt in ieder geval voldaan als de Leidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrecht gevolgd wordt.

NNNN

Paragraaf 3.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.2.6 Activiteiten in Boringsvrije zone

Artikel 3.50 Verbod mijnbouwactiviteiten uitvoeren in Boringsvrije zone

Het is verboden in een Boringsvrije zonemijnbouwactiviteiten uit te voeren zoalseen mijnbouwactiviteit, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving uit te voeren.

Artikel 3.51 Verbod boorputten, boren en grond- of funderingswerken in Boringsvrije zone Verbod boring uitvoeren en boorput oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

Artikel 3.51a Vrijstelling verbod boring uitvoeren en boorput oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

Het verbod in Artikel 3.51 geldt niet als het een boring of een boorput is voor:

  • a.

    de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    een horizontaal gestuurde boring waarop de meldplicht uit Artikel 3.59 van toepassing is;

  • c.

    het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening;

  • d.

    een bronbemaling;

  • e.

    een sondering; of

  • f.

    een bodemonderzoek of bodemsanering in het kader van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.52 Verbod energietoevoegingenergie aan bodem onttrekken en -onttrekkingtoevoegen in Boringvrije zone

Artikel 3.53 Vrijstelling verbod boorputten, boringen en grondwerken in Boringsvrije zone

De verboden in een Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.51, gelden niet voor:

[Gereserveerd]

Artikel 3.54 Vergunningplicht open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Boringsvrije zone

Artikel 3.55 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Boringsvrije zone

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering in een Boringsvrije zone beneden de in Artikel 3.513.54 genoemde dieptegrenzen, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als niet is aangetoond is dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak.

Artikel 3.56 Vergunningplicht boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

Artikel 3.56a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een boorput voor industriële winning in een Boringsvrije zone beneden de vergunningplicht in Artikel 3.513.56 genoemde dieptegrenzen, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als niet is aangetoond is dat het grondwater gebruikt wordt ingezet binnen een onderdeel van het productieproces voorvoor of in aanraking kan komen met producten voor menselijke consumptie, waarvoor een dergelijk hoge waterkwaliteitwater van drinkwaterkwaliteit noodzakelijk is.

Artikel 3.57 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Boringsvrije zone

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.54, minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755:2022;

  • b c.

    een beschrijving van het open bodemenergiesysteem, waarbij in ieder geval inzicht wordt gegeven wordt in de bronnenconfiguratie, filterstelling, verpompte hoeveelheid water en energie per bron en in totaal en effecten op de omgeving;

  • c d.

    een beschrijving van de saneringstechniek;

  • d e.

    de te gebruiken boortechnieken om negatieve effecten van doorboring van de in de bodem voorkomende beschermende lagen zoveel mogelijk te voorkomen, en;

    boortechnieken die gebruikt worden om negatieve effecten van doorboring van de beschermende bodemlagen en verspreiding van de verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen; en

  • e f.

    een risicobeoordeling van de effecten van de aanleg en het in gebruik hebben van een open bodemenergiesysteem in combinatie met de grondwatersanering, waarbij in ieder geval inzicht wordt gegeven wordt in:

    • 1.

      de te verwachten verbetering van de grondwaterkwaliteit;

    • 2.

      monitoring van de effecten;

    • 3.

      te treffen tegenmaatregelen, mocht nietdie getroffen worden als de verwachte verbetering van de grondwaterkwaliteit optredenniet optreedt.

Artikel 3.58 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie in een Boringsvrije zone bedoeld in Artikel 3.56 minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.56 worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    inzicht in de proceswaterstromen, waarbij wordt aangetoond wordt dat het onttrokken grondwater wordt gebruikt wordt voor, of in aanraking kan komen met producten voor menselijke consumptie, waarvoor water van drinkwaterkwaliteit noodzakelijk is;

  • b c.

    een verklaring dat het gebruik van grondwater voor de bereiding van producten voor menselijke consumptie bekend is bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit;

  • c d.

    benodigde hoeveel water in m3/u, m3/kwartaal en m3/jaar;

  • d e.

    waterbesparingsplannen, waarbij wordt aangetoond dat zo zuinig mogelijk met het water wordt omgegaan;

    waterbesparingsplan, waarbij aangetoond wordt dat zo zuinig mogelijk met het water omgegaan wordt;

  • e f.

    de te gebruiken boortechniekenboortechnieken die gebruikt worden om negatieve effecten van doorboring van de in de bodem voorkomende beschermende lagenbodemlagen zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 3.59 Meldplicht horizontaal gestuurde boringenboring uitvoeren in Boringsvrije zone

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Boringsvrije zone beneden de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen horizontaal gestuurde boringen uit te voeren. De gemelde activiteit moet daarbij voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      andere werkmethoden zijn aantoonbaar niet toepasbaar;

    • b.

      de benodigde aanlegdiepte beneden de dieptegrens vormt geen noemenswaardig risico voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

    • c.

      de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het in- en uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet;

    • d.

      als het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan;

    • e.

      de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater;

    • f.

      de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt;

    • g.

      de vrijkomende grond wordt niet zonder bodembeschermende maatregelen opgeslagen of verspreid over het perceel;

    • h.

      als de horizontale boring voor de aanleg van een riool is, wordt de mantelbuis voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers.

  • 2.

    Minimaal 4 weken voordat de horizontale boring uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

  • 1.

    In Boringsvrije zone Langerak en Lexmond is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 3 meter onder het maaiveld.

  • 2.

    In Boringsvrije zone Amersfoort-Koedijkerweg, Rhenen en Woudenberg is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 10 meter onder het maaiveld.

  • 3.

    In Boringsvrije zone Veenendaal is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 30 meter onder het maaiveld.

  • 4.

    In Boringsvrije zone Bilthoven, Benschop-ondiep, Bunnik, Cothen, Eempolder, Leidsche Rijn, Langerak-Noord, Lexmond-Noord, Linschoten en Nieuwegein is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 40 meter onder het maaiveld.

  • 5.

    In Boringsvrije zone De Meern is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 48 meter onder het maaiveld.

  • 6.

    In Boringsvrije zone Tull en t Waal, Vianen en Vianen - Panoven, Vianen en Vianen-Panoven is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 55 meter onder het maaiveld.

  • 7.

    In Boringsvrije zone WCB Nieuwegein is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 60 meter onder het maaiveld.

  • 8.

    In Boringsvrije zone Benschop-diep is het verboden zonder melding een horizontaal gestuurde boring uit te voeren dieper dan 80 meter onder het maaiveld.

  • 9.

    De boring moet daarbij voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      andere werkmethoden zijn aantoonbaar niet toepasbaar;

    • b.

      de benodigde aanlegdiepte beneden de dieptegrens vormt geen noemenswaardig risico voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

    • c.

      de milieuhygiënische bodemkwaliteit op de plek van het intredepunt en uittredepunt en het tussenliggende boortracé mag, als gevolg van de booractiviteiten, niet leiden tot een verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Dit moet aangetoond worden met een voorafgaand bodemonderzoek conform paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • d.

      de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater en bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt;

    • e.

      de vrijkomende grond wordt met bodembeschermende maatregelen opgeslagen; en

    • f.

      als de horizontaal gestuurde boring voor de aanleg van een riool is, wordt de mantelbuis voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers.

  • 10.

    Minimaal 4 weken voordat de horizontaal gestuurde boring uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

  • 11.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.59a Meldplicht grondwerk uitvoeren in Boringsvrije zone

Artikel 3.59b Vrijstelling meldplicht grondwerk uitvoeren in Boringsvrije zone

De meldplicht, bedoeld in Artikel 3.59a geldt niet als het grondwerk is voor:

  • a.

    een bodemonderzoek bodemsanering in het kader van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

  • b.

    een ontgronding in het kader van paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.59c Meldplicht funderingswerk uitvoeren in Boringsvrije zone

Artikel 3.60 Meldplicht boorputten, grond- en funderingswerkenboorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in een Boringsvrije zone beneden de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen de volgende activiteiten uit te voeren:

    • a.

      grondwerken, voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en

    • b.

      funderingswerken, voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van:

      • 1.

        grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

      • 2.

        in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; of

      • 3.

        voorgevormde, of in de grond gevormde schroefpalen.

    Het is verboden zonder melding in een Boringsvrije zone Langerak en Lexmond een boorput buiten gebruik te stellen.

  • 2.

    Het is verboden zonder melding in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond:

    • a.

      heipalen te verwijderen;

    • b.

      boorputten buiten gebruik te stellen.

    Binnen 2 weken na de buitengebruikstelling van de boorput wordt de boorput afgedicht door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de activiteit uitgevoerdboorput buiten gebruik gesteld wordt, wordt de melding ingediend.

  • 4.

    Als activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.60a Meldplicht heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond een heipaal te verwijderen.

  • 2.

    Het ontstane gat wordt zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de heipaal verwijderd wordt, wordt de melding ingediend.

  • 4.

    Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.

Artikel 3.61 Indieningsvereisten melding horizontaal gestuurde boringen in Boringsvrije zone

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van een horizontaal gestuurde boring in een Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.59 minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.59 worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    kadastrale aanduiding van de locaties waar de horizontaal gestuurde boring uitgevoerd wordt;

  • c.

    het doel van de horizontaal gestuurde boring;

  • d.

    het diepste punt van de boring;

  • e.

    de lengte van de boring tussen in-intredepunt en uittredepunt;

  • f.

    de totale lengte van de boring; en

  • g.

    het conform paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerde bodemonderzoek;

  • h.

    boorplan met daarin de uitwerking van de voorwaarden in Artikel 3.59; en

  • g i.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.62 Indieningsvereisten melding grondwerken in Boringsvrije zone

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van grondwerken in een Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.60, eerste lid, onder a minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.59a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerduitgevoerd wordt;

  • c.

    het doel waarvoor wordtvan het ontgraven;

  • d.

    de aard van het oppervlak van de ontgraving; oppervlakte in m2, lengte, breedte

  • e.

    de diepte tot waar wordt ontgraven in meter beneden maaiveld;

  • f.

    de aard van het bodemprofiel ter plaatse;

  • g.

    de wijze hoe het bodemprofiel hersteld wordt zodat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en

  • h.

    de start- en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.63 Indieningsvereisten melding funderingswerken in Boringsvrije zone

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van funderingswerken in een Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.60, eerste lid, onder b, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.59a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert;

    gegevens bedoeld in Artikel 1.12;

  • b.

    de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerdhet funderingswerk uitgevoerd wordt;

  • c.

    het doel waarvoor de fundering wordt geplaatstgeplaatst wordt;

  • d.

    de aard van de te gebruiken funderingstechniek welke funderingstechniek gebruikt wordt:

    • 1.

      grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

    • 2.

      in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt wordt die niet plaatselijk verbreed is en wordtgrondverdringend ingebracht wordt; of

    • 3.

      voorgevormde, of in de grond gevormde schroefpalen;

  • e.

    de diepte tot waar de fundering komt in meters beneden maaiveld; en

  • f.

    de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.63a Indieningsvereisten melding boorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.60, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    opdrachtgever van de buitengebruikstelling van de boorput;

  • c.

    kadastrale aanduiding van de locatie waar de boorput buiten gebruik gesteld wordt;

  • d.

    aantal boorputten dat buiten gebruik gesteld en afdicht wordt;

  • e.

    putnummer van de boorput die buiten gebruik gesteld wordt;

  • f.

    bedrijf dat de afdichting na de buitengebruikstelling van de boorput binnen 2 weken uitvoert;

  • g.

    bewijs van certificering van het bedrijf dat de afdichting uitvoert conform BRL SIKB 2100;

  • h.

    materiaal dat gebruikt wordt voor de afdichting; en

  • i.

    verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.63b Indieningsvereisten melding heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.60a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    opdrachtgever van de heipaalverwijdering;

  • c.

    kadastrale aanduiding van de locatie waar de heipaal verwijderd wordt;

  • d.

    aantal heipalen dat verwijderd wordt;

  • e.

    tot welke diepte de heipalen verwijderd worden;

  • f.

    afdichtmateriaal dat gebruikt wordt; en

  • g.

    verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.

Artikel 3.63c Informatieplicht horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Boringsvrije zone

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.59, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.63d Informatieplicht grondwerk uitvoeren in Boringsvrije zone

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.59a, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.63e Informatieplicht funderingswerk uitvoeren in Boringsvrije zone

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.59c, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.63f Informatieplicht boorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.60, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.63g Informatieplicht heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

  • 1.

    De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.60a, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.

  • 2.

    Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.

Artikel 3.64 Eis verwijdering van heipalen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Bij verwijdering van heipalen in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond wordt het ontstane gat zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet.

[Gereserveerd]

Artikel 3.64a Eis buitengebruikstelling boorput in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Bij buitengebruikstelling van een boorput in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond laat de eigenaar of exploitant binnen maximaal 2 weken na buitengebruikstelling de boorput afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.

[Gereserveerd]

OOOO

Artikel 3.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.65 Oogmerk grondwaterverontreiniging

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

  • b.

    het beschermen van de kwaliteit van de bodem.

PPPP

Paragraaf 3.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.3.2 Instructieregels grondwaterverontreiniging

Artikel 3.66 Instructieregel programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging

  • 1.

    Een programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging in het Gebied saneringsregels voor grondwater is gericht op:

    • a.

      het zoveel mogelijk voorkomen van de risico’s van verspreiding van verontreiniging buiten het aangewezen gebied;

    • b.

      het zoveel mogelijk verminderen van de vracht van de verontreiniging;

    • c.

      de bescherming van bestaande en beoogde functies van, in en op de bodem binnen het aangewezen gebied; en

    • d.

      het verbeteren van de mogelijkheden om doelmatig gebruik te maken van de ondergrond in verontreinigd gebied.

  • 2.

    Het programma wordt vastgesteld door gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het programma bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      de doelstellingen van de gebiedsgerichte aanpak binnen het beheergebied en de maatregelen die ter verwezenlijking hiervan worden genomen;

    • b.

      de termijn waarbinnen deze doelstellingen zullen worden verwezenlijkt;

    • c.

      een beschrijving van de uitgevoerde onderzoeken;

    • d.

      de wijze waarop het plan past binnen het omgevingsplan, het regionale waterprogramma en het waterbeheerprogramma;

    • e.

      een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht van de daarvoor beschikbare middelen;

    • f.

      de wijze waarop belemmeringen voor een doelmatige gebiedsgerichte aanpak zullen worden weggenomen; en

    • g.

      de verontreinigingen in het grondwater binnen het aangewezen gebied.

  • 4.

    In het programma wordt rekening gehouden met de gevolgen van de gebiedsgerichte aanpak voor locaties die daarvan geen onderdeel uitmaken en worden zo nodig voorzieningen opgenomen om voor die locaties optredende gevolgen te monitoren en te beheersen.

  • 5.

    Het programma kan betrekking hebben op gevallen van ernstige verontreiniging waarop op grond van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing is.

Artikel 3.66 Instructieregel programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging

  • 1.

    Een programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging in het Gebied saneringsregels voor grondwater is gericht op:

    • a.

      het zoveel mogelijk voorkomen van de risico’s van verspreiding van verontreiniging buiten het aangewezen gebied;

    • b.

      het zoveel mogelijk verminderen van de vracht van de verontreiniging;

    • c.

      de bescherming van bestaande en beoogde functies van, in en op de bodem binnen het aangewezen gebied; en

    • d.

      het verbeteren van de mogelijkheden om doelmatig gebruik te maken van de ondergrond in verontreinigd gebied.

  • 2.

    Het programma wordt vastgesteld door gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het programma bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      de doelstellingen van de gebiedsgerichte aanpak binnen het beheergebied en de maatregelen die ter verwezenlijking hiervan worden genomen;

    • b.

      de termijn waarbinnen deze doelstellingen zullen worden verwezenlijkt;

    • c.

      een beschrijving van de uitgevoerde onderzoeken;

    • d.

      de wijze waarop het plan past binnen het omgevingsplan, het regionale waterprogramma en het waterbeheerprogramma;

    • e.

      een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht van de daarvoor beschikbare middelen;

    • f.

      de wijze waarop belemmeringen voor een doelmatige gebiedsgerichte aanpak zullen worden weggenomen; en

    • g.

      de verontreinigingen in het grondwater binnen het aangewezen gebied.

  • 4.

    In het programma wordt rekening gehouden met de gevolgen van de gebiedsgerichte aanpak voor locaties die daarvan geen onderdeel uitmaken, en worden zo nodig voorzieningen opgenomen om voor die locaties optredende gevolgen te monitoren en te beheersen.

  • 5.

    Het programma kan betrekking hebben op gevallen van ernstige verontreiniging waarop op grond van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, van toepassing is.

QQQQ

Artikel 3.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.69 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondwatersanering

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de saneringhet saneren van verontreinigd grondwater met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico in het Gebied saneringsregels voor grondwater, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt, beperkt wordt; en

    • b.

      nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven.

  • 2.

    De aanvraag wordt getoetst aan de saneringsdoelstellingen uit hoofdstuk 4 van de Circulaire bodemsanering 2013.

RRRR

Artikel 3.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.70 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning grondwatersanering

In aanvulling op Bij de aanvraagvereisten in de wet, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.68, minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    een vooronderzoek bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b c.

    een verkennend bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c d.

    een nader bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7d van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • d e.

    een beschrijving van de te treffennemen saneringsmaatregelen en een motivering van de keuze voor deze maatregelen;

  • e f.

    een beschrijving van de effecten die met de maatregelen worden beoogdbeoogd worden, waaronder een aanduiding van de terugsaneerwaarde;

  • f g.

    een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de maatregelen niet tot die effecten zouden leiden; en

  • g h.

    een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting getroffen moeten worden getroffen.

SSSS

Artikel 3.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.71 Informatieplicht start en locatie grondwatersanering

  • 1.

    Minimaal 2 weken voor het begin van de sanering verstrekt de vergunninghouder gegevens en bescheiden over:

    De vergunninghouder levert minimaal 2 weken voor het begin van de grondwatersanering de volgende gegevens en bescheiden aan:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waar de sanering wordt uitgevoerdgrondwatersanering uitgevoerd wordt; en

    • b.

      de startdatum van de saneringgrondwatersanering.

  • 2.

    Gewijzigde gegevens worden onverwijld verstrekt na het wijzigen De vergunninghouder geeft het direct door als een van de volgende gegevens wijzigt:

    • a.

      een wijziging van de startdatum van de sanering;

    • b.

      een wijziging van de begrenzing van de te saneren locatie; of

    • c.

      een verandering van de locatie van de sanering.

TTTT

Artikel 3.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.72 Informatieplicht uitvoerder en milieukundige begeleider grondwatersanering

  • 1.

    Minimaal 5 werkdagen voor het begin van de sanering worden gegevens en bescheiden verstrekt over uitvoerder en milieukundige beheerder die bij de sanering zijn betrokken.

  • 2.

    De gegevens en bescheiden bevatten minimaal:

    • a.

      de naam en het adres van de persoon die de sanering gaat uitvoeren; en

    • b.

      de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan uitvoeren.

    De vergunninghouder levert minimaal 5 werkdagen voor het begin van de grondwatersanering de volgende gegevens en bescheiden aan:

    • a.

      naam en adres van het bedrijf met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 die de grondwatersanering gaat uitvoeren; en

    • b.

      naam en adres van het bedrijf met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 die de milieukundige begeleiding bij de grondwatersanering gaat uitvoeren.

UUUU

Na artikel 3.72 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.72a Informatieplicht evaluatieverslag grondwatersanering

  • 1.

    De vergunninghouder levert binnen 4 weken na afronding van de grondwatersanering een evaluatieverslag aan, opgesteld volgens BRL SIKB 6000.

  • 2.

    Het evaluatieverslag bevat in ieder geval:

    • a.

      beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit voorgedaan hebben;

    • b.

      beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, als dit van toepassing is, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit;

    • c.

      beschrijving van gebruiksbeperkingen, als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem nodig zijn; en

    • d.

      beschrijving van de nazorgmaatregelen, als deze na de grondwatersanering nodig zijn.

VVVV

Artikel 3.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.73 Eis uitvoering van de activiteit grondwatersanering

  • 1.

    De sanering wordt uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en wordt begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

  • 2 1.

    De sanering wordt uitgevoerd overeenkomstig de beschrijving van de te treffennemen saneringsmaatregelen, bedoeld in Artikel 3.70, onder de.

  • 3 2.

    Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de sanering uitgevoerd overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in Artikel 3.70, onder fg.

WWWW

Artikel 3.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.74 Eis evaluatieverslag grondwatersanering

  • 1.

    Binnen 4 weken na afronding van de activiteit wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens BRL SIKB 6000 en aan gedeputeerde staten verstrekt.

    [Gereserveerd]

  • 2.

    Het evaluatieverslag bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit hebben voorgedaan;

    • b.

      een beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, indien van toepassing, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit;

    • c.

      als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen; en

    • d.

      als na de activiteit nazorgmaatregelen nodig zijn: een beschrijving van deze nazorgmaatregelen.

XXXX

Artikel 3.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.75 Eis beperkingen en nazorgmaatregelen grondwatersanering

  • 1.

    De eigenaar Een initiatiefnemer, erfpachtereigenaar of gebruikererfpachter van het grondgebiedeen locatie waar na de sanering een verontreiniging in het grondwater aanwezig is geblevengebleven is, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven zijn in het evaluatieverslag.

  • 2.

    Degene die de sanering heeft uitgevoerduitgevoerd heeft, dan welof degene die daartoe is aangewezen is in het evaluatieverslag, is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen.

YYYY

Artikel 3.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.76 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering

  • 1.

    Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over het bepaalde in de artikelen 3.70 tot en met 3.75.

    Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over het bepaalde in paragraaf 3.3.3.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan afgeweken worden van het bepaalde in paragraaf 3.3.3.

ZZZZ

Het opschrift van paragraaf 3.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.3.4 Onderzoek en maatregelen grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

AAAAA

Het opschrift van artikel 3.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.77 Toepassingsbereik onderzoek en maatregelen grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

BBBBB

Artikel 3.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.78 Eis vooronderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

Voordat een bodemgevoelig gebouw wordt gebouwdgebouwd wordt, wordt op het perceel een vooronderzoek grondwater uitgevoerd, dat voldoet aan NEN 5725.

CCCCC

Artikel 3.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.79 Eis verkennend onderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

  • 1.

    Als uit het vooronderzoek grondwater blijkt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging in de verzadigde zone van de bodem, wordt een verkennend grondwateronderzoek uitgevoerd, dat voldoet aan NEN 5740.

  • 2.

    Bij dit verkennend grondwateronderzoek worden betrokken:

    • a.

      de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage VCVd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • b.

      de omgevingswaarden voor de goede chemische toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in bijlage IV bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 3.

    Het veldwerk wordt uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  • 4.

    De laboratoriumanalyse wordt uitgevoerd door een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.

DDDDD

Het opschrift van artikel 3.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.80 Eis nader onderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

EEEEE

Het opschrift van artikel 3.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.81 Eis risicobeoordeling grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

FFFFF

Artikel 3.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.82 Eis maatregelen grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico bij bouwen bodemgevoelig gebouw

  • 1.

    Als uit de risicobeoordeling grondwaterverontreiniging blijkt dat er een onaanvaardbare risico voor verspreidingverontreiniging van verontreiniging in het grondwater met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico is en de bronzone zich deelsgeheel of geheel bevindtgedeeltelijk ligt binnen het perceel waar de bouwactiviteit wordt uitgevoerduitgevoerd wordt, wordt voorafgaand aan de bouwactiviteit:

    • a.

      een bodemsanering voor de bronzone uitgevoerd;

    • b.

      een grondwatersanering voor de bronzone uitgevoerd; en

    • c.

      een grondwatersanering voor de verontreinigingspluim uitgevoerd.

  • 2.

    De bodemsanering en grondwatersaneringen worden uitgevoerd:

    • a.

      op het perceel waar de bouwactiviteit wordt uitgevoerduitgevoerd wordt; en

    • b.

      buiten het perceel waar de bouwactiviteit wordt uitgevoerduitgevoerd wordt, voor zover dat redelijkerwijs gevergd kan worden gevergd.

  • 3.

    Voor zover de bronzone of verontreinigingspluim zich bevinden buiten het perceel waar de bouwactiviteit wordt uitgevoerduitgevoerd wordt, belemmert het te bouwen bouwwerk de bodemsanering van de bronzone en de grondwatersaneringen van de bronzone en verontreinigingspluim niet.

GGGGG

Artikel 3.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.83 Maatwerkvoorschriften maatregelen grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico bij bouwen bodemgevoelig gebouw

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over Artikel 3.82.

Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over het bepaalde in Artikel 3.82.

HHHHH

Paragraaf 3.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.3.5 Grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico

Artikel 3.84 Toepassingsbereik verdenkingvermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico

Deze paragraaf is van toepassing als een redelijk vermoeden bestaat van een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico.

Artikel 3.85 Informatieplicht initiatiefnemer, eigenaar of erfpachter bij vermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico

Een initiatiefnemer, eigenaar of erfpachter van een locatie die een redelijk vermoeden heeft van een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico is verplicht de informatie die bij degenediegene bekend is over dedeze grondwaterverontreiniging bekend is,door te verstrekkengeven aan de provinciegedeputeerde staten.

Artikel 3.86 Informatieplicht gemeente bij vermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico

De Een gemeente die een redelijk vermoeden heeft van of wordt geïnformeerd wordt over een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico, geeft van de verstrektedeze informatie onverwijld kennisonmiddellijk door aan:

  • a.

    gedeputeerde staten; en

  • b.

    andere bestuursorganen of overheidsdiensten, die belang hebben bij een onverwijlde kennisgevingdeze informatie.

IIIII

Artikel 3.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.88 Toepassingsbereik grondverzet en rommelterrein

  • 1.

    Deze afdeling is in het Landelijk gebied van toepassing op het:

    • a.

      storten van materialen;

    • b.

      inrichten ofen hebben van een stortplaats;

    • c.

      ophogen of en egaliseren van gronden; en

    • d.

      aanleggen, vullen, uitvlakken en hebben van een baggerdepot; en

    • d e.

      inrichten ofen hebben van een rommelterrein.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op:

    • a.

      een rommelterrein dat in geen enkel seizoen zichtbaar is vanaf een voor het publiekopenbaar toegankelijke plaatsplek; en

    • b.

      stortplaatsen die zijn aangewezen in een omgevingsplan of zich bevinden in een gebouw.

      een stortplaats die aangewezen is in een omgevingsplan; en

    • c.

      een stortplaats die zich in een gebouw bevindt.

JJJJJ

Artikel 3.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.89 Specifieke zorgplicht grondverzet en rommelterrein

Degene die in het Landelijk Gebied materiaal stort, een stortplaats inricht of houdt, grondengrond ophoogt of egaliseert, een baggerdepot aanlegt, vult, uitvlakt of heeft, of een rommelterrein inricht of houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.87, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen,;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden voorkomen,: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken,; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt,: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden gevraagd.

KKKKK

Artikel 3.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.90 Verbod rommelterrein

Het is verboden in het Landelijk gebied een rommelterrein in te richten ofen te hebben, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.90a van toepassing is.

LLLLL

Na artikel 3.90 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.90a Vrijstelling verbod rommelterrein

Het verbod in Artikel 3.90 geldt niet als het rommelterrein:

  • a.

    op een agrarisch bouwperceel ligt of onmiddellijk grenst aan een agrarisch bouwperceel;

  • b.

    noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; en

  • c.

    materiaal bevat dat komt uit het eigen agrarisch productieproces of bedoeld is voor de verwerking in dat productieproces;

  • d.

    hooibalen, kuilgrasbalen, rij-kuilen of sleufsilo's bevat die afgedekt of gewikkeld worden in plasticfolie; of

  • e.

    materieel bevat dat nodig is voor het eigen agrarisch productieproces.

MMMMM

Artikel 3.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.91 Vergunningplicht grondverzet

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Landelijk gebied materialen te storten, een stortplaats in te richten en te hebben en, gronden op te hogen en te egaliseren en een baggerdepot aan te leggen, te vullen, uit te vlakken en te houden, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.92 tot en met Artikel 3.98 of de meldplicht uit Artikel 3.99 van toepassing is.

NNNNN

Artikel 3.91a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.91a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondverzet

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op grondverzet in het Landelijk gebied, wordt de omgevingsvergunning verleend voor zover het oogmerk van Artikel 3.87 niet onaanvaardbaar wordt geschaad.

[Gereserveerd]

OOOOO

Artikel 3.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.92 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij werkenwerkzaamheden

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor:

    • a.

      het uitvoeren of onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang waarbij wordt gestort, opgehoogd of geëgaliseerd als:

      • 1.

        de activiteiten plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek; of

      • 2.

        de werken zijn aangewezen in een omgevingsplan.

    • b.

      onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden op bouwpercelen waarbij wordt gestort, opgehoogd of geëgaliseerd als het bouwperceel is aangewezen in het omgevingsplan.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor: het storten, ophogen en egaliseren in het kader van de uitvoering en het onderhoud van een infrastructureel openbaar werk en van een bouwwerk van groot maatschappelijk belang als:

    • a.

      alle benodigde vergunningen verleend zijn of het werk planologisch toegestaan is; en

    • b.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

PPPPP

Na artikel 3.92 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.92a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij werkzaamheden op aangewezen bouwperceel

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten, ophogen en egaliseren in het kader van onderhoudswerkzaamheden, herstelwerkzaamheden, bouwwerkzaamheden en sloopwerkzaamheden op een bouwperceel als:

    • a.

      het bouwperceel als bouwperceel aangewezen is in een omgevingsplan; en

    • b.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

QQQQQ

Artikel 3.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.93 Vrijstelling vergunningplicht bijgrondverzet voor rijpad op agrarisch perceelgebruikt weideperceel of akkerperceel

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor:

    • a.

      het storten of ophogen op agrarische weide- en akkerpercelen als dat nodig is voor het aanleggen van rijpaden op die percelen;

    • b.

      het inrichten of houden van een stortplaats of rommelterrein op of onmiddellijk aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel als dat noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het: storten, ophogen en egaliseren in het kader van de aanleg en het onderhoud van een rijpad op een agrarisch gebruikt weideperceel of akkerperceel als:

    • a.

      het rijpad noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; en

    • b.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

RRRRR

Na artikel 3.93 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.93a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet voor inrichting stortplaats op of direct naast een agrarisch bouwperceel

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten, ophogen en egaliseren in het kader van de inrichting of het houden van een stortplaats op of direct naast een agrarisch bouwperceel als:

    • a.

      de stortplaats noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;

    • b.

      het materiaal uit het eigen agrarisch productieproces komt of bedoeld is voor de verwerking in dat productieproces en het materiaal of materieel nodig is voor het eigen agrarisch productieproces;

    • c.

      als het gaat om een stortplaats van grond: er maximaal 1 hoop grond van maximaal 50 m3 gestort wordt; en

    • d.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

Artikel 3.93b Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij dempen oppervlaktewaterlichaam

Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten in het kader van de demping van een oppervlaktewaterlichaam als:

  • a.

    de locatie van het oppervlaktewaterlichaam in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam ligt;

  • b.

    voor de demping van het oppervlaktewaterlichaam op basis van Artikel 2.48 een onherroepelijke omgevingsvergunning verleend is; en

  • c.

    de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

SSSSS

Artikel 3.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.94 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij normaal onderhoud oppervlaktewaterlichaam

Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het gelijkmatig verspreiden over de aangrenzende oevers van bagger en plantenresten die vrijkomen bij normaal onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam als:

  • a.

    het perceel voor de verspreiding van de bagger en de plantenresten:

    • 1.

      direct naast het oppervlaktewaterlichaam ligt;

    • 2.

      buiten een Natuurparel, Waterparel, Ganzenrustgebied, Weidevogelkerngebied, het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour ligt; en

    • 3.

      geen oever bevat die valt onder agrarisch natuurbeheer;

  • b.

    losse plantenresten bovenaan het talud van het oppervlaktewaterlichaam neergelegd worden;

  • c.

    bagger en losse plantenresten zo snel mogelijk geëgaliseerd worden;

  • d.

    het oorspronkelijke maaiveld met maximaal 10 centimeter opgehoogd wordt;

  • a e.

    het storten, egaliseren of ophogen met baggerspecie vrijkomend uit normaal onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam als:

    bij de verspreiding van de bagger de aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten niet veranderd worden; en

    • 1.

      losse plantenresten bovenaan het talud van het oppervlaktewaterlichaam worden neergelegd;

    • 2.

      het oorspronkelijke maaiveld met niet meer dan 10 centimeter wordt opgehoogd;

    • 3.

      de baggerspecie niet wordt gestort op gronden die in agrarisch natuurbeheer zijn of zich bevinden binnen een natuurparel, waterparel of natuurnetwerk Nederland;

    • 4.

      losse plantenresten en baggerspecie zo spoedig mogelijk worden uitgevlakt; en

    • 5.

      de baggerspecie gelijkmatig over een perceel, dat gelegen is naast het oppervlaktewaterlichaam, wordt verspreid, waarbij aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten.

  • b f.

    het storten van baggerspecie in een baggerdepot als:

    de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

    • 1.

      het depot niet is of wordt aangelegd op een locatie, die in de kwaliteitsgidsen landschap van de provincie Utrecht als open of extreem open is aangeduid;

    • 2.

      het depot voor inklinken maximaal 1,50 meter hoog is ten opzichte van het laagste naastgelegen maaiveld;

    • 3.

      de kaden minimaal 2 meter vanuit de oever van oppervlaktewaterlichamen worden aangelegd en zowel eind juni als in november worden gemaaid;

    • 4.

      het perceel waarop het baggerdepot zich bevindt na ophogen, inklinken, verspreiden en egalisatie niet meer dan 10 centimeter hoger ligt dan het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen; en

    • 5.

      na inklinken, dan wel maximaal na 3 jaar na de activiteit, de bagger en de om het depot opgeworpen kaden zo spoedig mogelijk gelijkmatig worden verspreid tot minimaal 1 meter vanuit de oever van oppervlaktewaterlichamen, waarbij aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten.

TTTTT

Na artikel 3.94 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.94a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij baggerdepot aanleggen en bagger storten

Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het aanleggen, vullen, uitvlakken en hebben van een baggerdepot met bagger die vrijkomt bij normaal onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam als:

  • a.

    de planlocatie voor het baggerdepot:

    • 1.

      buiten een Natuurparel, Waterparel, Weidevogelkerngebied, Ganzenrustgebied, het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour ligt; en

    • 2.

      buiten een open of extreem open landschap ligt;

  • b.

    het omringende kaden (zandwallen) van het baggerdepot:

    • 1.

      minimaal 2 meter vanuit de oever van het oppervlaktewaterlichaam aangelegd worden; en

    • 2.

      eind juni en in november gemaaid worden;

  • c.

    het baggerdepot maximaal 1,5 meter uitsteekt boven het maaiveld van het laagste naastgelegen perceel;

  • d.

    na het inklinken of na maximaal 3 jaar na de stort van de bagger in het baggerdepot:

    • 1.

      het baggerdepot en de omringende kaden zo snel mogelijk gelijkmatig verspreid worden over het perceel;

    • 2.

      de bagger op minimaal 1 meter van de oever van het oppervlaktewaterlichaam verspreid wordt;

    • 3.

      bij de verspreiding de aardkundige waarden en archeologisch en landschappelijk waardevolle terreingedeelten niet veranderd worden; en

    • 4.

      het perceel waarop het baggerdepot zich bevond maximaal 10 centimeter hoger is dan het maaiveld van naastgelegen niet opgehoogde percelen; en

  • e.

    de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

UUUUU

Artikel 3.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.95 Vrijstelling vergunningplicht bij viaduct,grondverzet voor ecoduct, faunapassage ofen viaduct en planmatige inrichting en ontwikkeling van natuurterrein ofen ecologische zone

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van grond en baggerspecie met inbegrip van blad, takken, stobben en boomstronken ten behoeve van een takkenril, stobbewal en broeihoop nabij een viaduct, ecoduct of faunapassage of planmatige inrichting en ontwikkeling van een natuurterrein of ecologische zone als:

    • a.

      de beheerder van het betrokken natuurterrein of de ecologische zone hiermee heeft ingestemd en dit schriftelijk vastgelegd en verantwoord is;

    • b.

      de grond en baggerspecie zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot een maximale hoogte van 1 meter boven het maaiveld hebben;

    • c.

      de ecologische meerwaarde vanuit provinciaal of gemeentelijk beleid wordt aangetoond;

    • d.

      het gestorte element onderdeel uitmaakt van een ecologische zone of daarbij aansluit; en

    • e.

      uitsluitend gebiedseigen materiaal wordt gebruikt.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van grond, bagger en bladeren, takken, stobben en boomstronken voor een takkenril, stobbewal en broeihoop in de buurt van een ecoduct, faunapassage of viaduct en de planmatige inrichting en ontwikkeling van een natuurterrein of ecologische zone als:

    • a.

      de takkenril, stobbewal of broeihoop deel uitmaakt van een ecologische zone of daarbij aansluit;

    • b.

      de beheerder van het betrokken natuurterrein of de ecologische zone schriftelijk heeft ingestemd met de stort van het materiaal en dit verantwoord is;

    • c.

      de stort van het materiaal aantoonbaar ecologisch meerwaarde heeft;

    • d.

      alleen gebiedseigen materiaal gebruikt wordt;

    • e.

      het materiaal zo snel mogelijk geëgaliseerd wordt zodat het maximaal 1 meter boven het maaiveld uitsteekt; en

    • f.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk;

    • g.

      het materiaal zo snel mogelijk geëgaliseerd wordt zodat het maximaal 1 meter boven het maaiveld uitsteekt.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

VVVVV

Artikel 3.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.96 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij snoeihout en dunhout voor takkenwal en takkenril

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van takhout ten behoeve van een takkenwal of takkenril, anders dan bedoeld in Artikel 3.95, als:

    • a.

      de wallen en rillen worden aangelegd tegen de buitenrand van een houtopstand;

    • b.

      het gebruikte takhout afkomstig is van die nabije houtopstand;

    • c.

      aanwezige of potentiële natuurwaarden op deze manier worden versterkt;

    • d.

      het gebruikte takhout zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot de wallen en rillen aan de voet maximaal 1 meter breed zijn en een maximale hoogte van 1,50 meter hebben gemeten vanaf het maaiveld; en

    • e.

      de wallen en rillen geen stobben of boomstronken bevatten.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van snoeihout en dunhout voor een takkenwal of takkenril anders dan bedoeld in Artikel 3.95, als:

    • a.

      de takkenwal of takkenril aangelegd wordt tegen de buitenrand van de houtopstand;

    • b.

      het snoeihout of dunhout uit de houtopstand zelf komt;

    • c.

      de takkenwal of takkenril niet bestaat uit stobben of boomstronken;

    • d.

      de aanwezige of potentiële natuurwaarden met de takkenwal of takkenril versterkt worden;

    • e.

      het snoeihout of dunhout zo snel mogelijk gebruikt wordt voor de takkenwal of takkenril;

    • f.

      de takkenwal of takkenril een basis heeft van maximaal 1 meter breed en maximaal van 1,5 meter boven het maaiveld uitsteekt;

    • g.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

WWWWW

Artikel 3.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.97 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet voor grondwal in tuin, park, landgoed ofen sportaccommodatie

  • 1.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van grond voor een wal of grondlichaam in een tuin, park, landgoed of sportaccommodatie als:

    • a.

      een landschapstype dat aan de stortlocatie grenst niet wordt doorkruist of onderbroken, tenzij dit aanvaardbaar is vanuit cultuurhistorische overwegingen;

    • b.

      aanwezige bomen niet in het grondlichaam komen te staan;

    • c.

      de wal of het grondlichaam wordt ingeplant met een gebiedseigen beplantingsmengsel; en

    • d.

      de grond zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot de wal of het grondlichaam maximaal 2 meter breed is en een maximale hoogte heeft van 1 meter gemeten vanaf het maaiveld.

    Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van grond voor een grondwal in een tuin, park, landgoed of sportaccommodatie als:

    • a.

      de grondwal niet het landschap doorkruist of onderbreekt dat naast de tuin, het park, landgoed of de sportaccommodatie ligt, tenzij dit vanuit cultuurhistorische overwegingen aanvaardbaar is;

    • b.

      eventueel aanwezige bomen niet in de grondwal komen te staan;

    • c.

      de grondwal ingeplant wordt met een gebiedseigen beplantingsmengsel;

    • d.

      de grond zo snel geëgaliseerd mogelijk wordt;

    • e.

      de grondwal maximaal 2 meter breed is en maximaal 1 meter boven het maaiveld uitsteekt; en

    • f.

      de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.

  • 2.

    Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

XXXXX

Na artikel 3.97 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.97a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondverzet

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op grondverzet in het Landelijk gebied wordt de omgevingsvergunning alleen verleend voor zover het oogmerk van Artikel 3.87 niet onaanvaardbaar geschaad wordt.

YYYYY

Artikel 3.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.98 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning grondverzet

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.91, minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    kaart van de planlocatie;

  • b c.

    locatie van het werkde werkzaamheden;

  • c d.

    materialen die worden toegepast;

    materialen die gebruikt worden voor de stort, ophoging, egalisatie, de stortplaats of het baggerdepot;

  • d e.

    hoeveelheid van de materialen die worden toegepastgebruikt worden;

  • e f.

    herkomst van de materialen die worden toegepastgebruikt worden;

  • f g.

    afmetingen van de werkzaamheden;

  • g h.

    of het gaat om permanente of tijdelijke werkzaamheden;

  • h i.

    reden van de werkzaamheden; en

  • i j.

    start- startdatum en einddatum van de werkzaamheden.

ZZZZZ

Artikel 3.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.99 Meldplicht ophogen ofen egaliseren agrarisch gebruikt weide-weideperceel en akkerperceel

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Landelijk gebiedeen agrarisch gebruikte weide-gebruikt weideperceel en akkerpercelenakkerperceel op te hogen ofen te egaliseren.

  • 2.

    De gemelde activiteit moet daarbij voldoen aan de eisen van Artikel 3.102.

    De gemelde werkzaamheden zijn alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      het perceel ligt buiten een Natuurparel, Waterparel, Weidevogelkerngebied, Ganzenrustgebied, het natuurnetwerk Nederland en de Groene contour;

    • b.

      de ophoging en egalisatie is in het kader van de normale bedrijfsvoering;

    • c.

      voor het ophogen wordt alleen grond, heideplagsel of bosstrooisel gebruikt;

    • d.

      de grond, het heideplagsel of het bosstrooisel wordt zo snel mogelijk geëgaliseerd ;

    • e.

      als wordt opgehoogd met grond dan wordt dit gedaan volgens het principe “zand op zand”, “klei op klei” en “veen op veen”;

    • f.

      bij de ophoging en de egalisatie worden de aardkundige waarden en de archeologisch en landschappelijk waardevolle terreingedeelten niet veranderd;

    • g.

      het perceel wordt maximaal 1 keer in de 5 jaar opgehoogd met maximaal 10 centimeter. Deze 10 centimeter geldt na de egalisatie ;

    • h.

      de melding wordt minimaal 4 weken voor de start van de werkzaamheden ingediend; en

    • i.

      de werkzaamheden worden binnen 4 weken na de start van de werkzaamheden afgerond.

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat het agrarisch gebruikt weide- en akkerperceel opgehoogd of geëgaliseerd wordt, wordt de melding ingediend.

AAAAAA

Artikel 3.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.100 Indieningsvereisten melding ophogen of egaliseren agrarisch gebruikt weide- enweideperceel of akkerperceel

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding voor ophoging of egalisatie van een agrarisch gebruikt weide- of akkerperceel, bedoeld in Artikel 3.99, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.99, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • a b.

    kaart van de planlocatie;

  • b c.

    locatie van het werk;

  • c d.

    is de locatie buiten een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour;

    dat de locatie buiten een Natuurparel, Waterparel, natuurnetwerk Nederland, Weidevogelkerngebied, Ganzenrustgebied en Groene contour ligt;

  • d e.

    functie van de planlocatie involgens het omgevingsplan;

  • e f.

    huidig gebruik van de planlocatie;

  • f.

    hoeveelheid grond, heideplagsel of bosstrooisel die wordt toegepast;

  • g.

    afmetingen van de werkzaamheden;

  • h.

    start- startdatum en einddatum van de werkzaamheden;

  • i.

    of grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei, veen op veen;

    dat de ophoging en egalisatie in het kader is van de normale bedrijfsvoering;

  • j.

    materiaal dat gebruikt wordt voor de ophoging;

  • k.

    hoeveelheid grond, heideplagsel of bosstrooisel die gebruikt wordt;

  • l.

    als grond gestort wordt, dan wordt dit gedaan volgens het principe "zand op zand", "klei op klei", "veen op veen";

  • j m.

    of bij het verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten; en

    dat bij de ophoging en egalisatie de aardkundige waarden en de archeologisch en landschappelijk waardevolle terreingedeelten niet veranderen; en

  • k n.

    of de percelen eens in de 5 jaar worden opgehoogd met maximaal 10 centimeter na uitvlakking.

    dat het perceel maximaal een keer in de 5 jaar opgehoogd wordt met maximaal 10 centimeter na egalisatie.

BBBBBB

Artikel 3.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.101 Specifieke eis bij werk

De activiteiten bedoeld in Artikel 3.92 duren niet langer dan noodzakelijk.

[Gereserveerd]

CCCCCC

Artikel 3.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.102 Eisen agrarisch perceel

  • 1.

    Bij een stortplaats of rommelterrein is het te storten of opgeslagen materiaal afkomstig uit het eigen agrarisch productieproces of bestemd voor de verwerking in dat productieproces.

    [Gereserveerd]

  • 2.

    Bij een stortplaats of rommelterrein is het aanwezige materieel benodigd voor het eigen agrarisch productieproces.

  • 3.

    Op een stortplaats of rommelterrein zijn rijkuilen, sleufsilo's en hooi- en kuilgrasbalen afgedekt of gewikkeld in plasticfolie.

  • 4.

    Op een stortplaats of rommelterrein ligt niet meer dan 1 hoop grond van maximaal 50 m3.

  • 5.

    In het Landelijk gebied worden binnen een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour zonder omgevingsvergunning geen agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen opgehoogd en geëgaliseerd.

  • 6.

    Voor het zonder omgevingsvergunning ophogen en egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen binnen het Landelijk gebied buiten een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en het Gebied Groene contour geldt dat:

    • a.

      alleen grond, heideplagsel en bosstrooisel wordt gestort;

    • b.

      grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei en veen op veen;

    • c.

      grond, heideplagsel en bosstrooisel na het storten daarvan zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt;

    • d.

      bij verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten; en

    • e.

      de percelen maximaal een keer in de 5 jaar opgehoogd worden met maximaal 10 centimeter na uitvlakking.

  • 7.

    Het ophogen of egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen wordt binnen 4 weken na aanvang afgerond.

DDDDDD

Afdeling 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 3.5 Gesloten stortplaats

Artikel 3.103 Oogmerk gesloten stortplaats

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 3.104 Toepassingsbereik gesloten stortplaats

Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in het Gebied gesloten stortplaats.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 3.105 Vergunningplicht activiteiten op gesloten stortplaats

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied gesloten stortplaats:

  • a.

    een bouwactiviteit uit te voeren;

  • b.

    een milieubelastende activiteit uit te voeren; of

  • c.

    een boom of houtopstand te kappen.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 3.106 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning gesloten stortplaats

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit in het Gebied gesloten stortplaats, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    er worden maatregelen genomen die strekken tot het in stand houden en onderhouden, het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem;

  • b.

    voorzieningen ter bescherming van de bodem worden regelmatig geïnspecteerd; en

  • c.

    de bodem onder de stortplaats wordt regelmatig onderzocht.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 3.107 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning gesloten stortplaats

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld Artikel 3.105, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een beschrijving van de activiteit;

  • b.

    een tekening met de locatie van de uit te voeren activiteit; en

  • c.

    een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om beschadiging van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te voorkomen.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 3.108 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaats

Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt in het Gebied gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang.

[Vervallen per <datum>]

EEEEEE

Na afdeling 3.5 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 3.6 Ontgrondingsactiviteit

Artikel 3.109 Oogmerk ontgrondingsactiviteit

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    doelmatig uitvoeren van een ontgrondingsactiviteit;

  • b.

    behoud van aardkundige, landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.

Artikel 3.110 Toepassingsbereik ontgrondingsactiviteit

Deze afdeling is van toepassing op een ontgrondingsactiviteit op het land, in een regionaal water en in een winterbed van een rijksrivier.

Artikel 3.111 Specifieke zorgplicht ontgrondingsactiviteit

Degene die een ontgrondingsactiviteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen in Artikel 3.109, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden.

Artikel 3.112 Afwijking vergunningplicht ontgrondingsactiviteit

  • 1.

    Voor onderdeel g. onder 2° van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving: deze vrijstelling van de vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit is ook van toepassing in het kader van andere grote infrastructurele werken, maar alleen als:

    • a.

      de ontgrondingsactiviteit uitgevoerd wordt door of vanwege het Rijk, de provincie, een gemeente of een waterschap;

    • b.

      de ontgrondingsactiviteit een te nemen maatregel is uit een omgevingsplan; en

    • c.

      de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijk maaiveld ongemoeid blijven.

  • 2.

    Voor onderdeel h. onder 2° van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving: deze vrijstelling van de vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit is alleen van toepassing als de grondlagen dieper dan 2 meter in plaats van dieper dan 3 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

  • 3.

    Voor onderdeel j. van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving: deze vrijstelling van de vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit is in het Agrarisch cultuurlandschap niet van toepassing voor zover dit het aanleggen of veranderen van een watergang betreft.

Artikel 3.113 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend voor zover;

  • a.

    voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 8.76 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • b.

    het oogmerk van Artikel 3.109 niet onaanvaardbaar geschaad wordt.

Artikel 3.114 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit, bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 en artikel 7.207 van de Omgevingsregeling;

  • b.

    onderbouwing waaruit blijkt dat de ontgrondingsactiviteit de aardkundige, landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden van het gebied niet onaanvaardbaar zal aantasten; en

  • c.

    indien van toepassing: schriftelijke toestemming van de grondeigenaar voor de ontgrondingsactiviteit.

FFFFFF

Het opschrift van hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 4 Bereikbaarheid en mobiliteitinfrastructuur

GGGGGG

Artikel 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1 Instructieregel bereikbaarheid

  • 1.

    Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, bevat regels die waarborgen dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkelingen tot gevolg hebben;

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerwijzen;

    • c.

      een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen kunnen ontstaan; en

    • d.

      een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen verslechtert en of de reistijd significant toeneemt.

    Door middel van een bereikbaarheidsscan uit Bijlage XIV Bereikbaarheidsanalyse wordt bekeken welke bereikbaarheidseffecten optreden, en of een bereikbaarheidsonderzoek noodzakelijk is.

  • 3.

    Als uit de Bereikbaarheidsscan blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, wordt een bereikbaarheidsonderzoek als bedoeld in de Bijlage XIV Bereikbaarheidsanalyse uitgevoerd. Binnen dit bereikbaarheidsonderzoek worden mogelijke oplossingen voor de geconstateerde knelpunten uitgewerkt, waarbij ook realisatie en financiering van deze maatregelen aan bod komen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan regels bevatten waarbij knelpunten in de bereikbaarheid toenemen, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is sprake van een substantiële bijdrage aan een provinciaal belang;

    • b.

      de mate waarin het knelpunt toeneemt, staat in verhouding tot de bijdrage aan een provinciaal belang;

    • c.

      na integrale afweging is er geen geschiktere locatie mogelijk voor de gewenste ontwikkeling in een gemeente of omliggende gemeenten;

    • d.

      de toename van knelpunten in het regionaal wegennet wordt tot een minimum beperkt. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de resultaten van het bereikbaarheidsonderzoek bedoeld in de Bijlage XIV Bereikbaarheidsanalyse;

    • e.

      de toename van het knelpunt leidt niet tot ernstige hinder op het regionaal wegennet, grote toename van verkeersonveiligheid of hinder voor het openbaar vervoer; en

    • f.

      de bereikbaarheid van de nood- en hulpdiensten blijft gewaarborgd.

  • 5.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een onderbouwing van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkelingen tot gevolg hebben;

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de diverse vervoerwijzen;

    • c.

      een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het gebied van bereikbaarheid en verkeersveiligheid op omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen kunnen ontstaan; en

    • d.

      een analyse of de bereikbaarheid past bij de kenmerken van het gebied.

HHHHHH

Artikel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.3 Instructieregel behoud provinciaal bereikbaarheidsnetwerkregionaal wegennet

IIIIII

Paragraaf 4.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.2.1 Algemene bepalingen provinciale weg

Artikel 4.5 Oogmerk provinciale weg

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, inclusief het belang van verruiming of wijziging van die weg;

  • b.

    behouden van aardkundige waarden, landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en ecologische waarden in het gebied waar de provinciale weg gelegen is; en

  • c.

    beschermen van recreatieve en toeristische belangen in het gebied waar de provinciale weg gelegen is.

Artikel 4.5 Oogmerk provinciale weg

  • 1.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg behoort.

  • 2.

    Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de provinciale weg is gelegen:

    • a.

      het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden;

    • b.

      het beschermen van ecologische waarden en natuur;

    • c.

      het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden; en

    • d.

      het beschermen van recreatieve en toeristische belangen.

Artikel 4.6 Aanwijzing beperkingengebied provinciale weg

Een De beperkingengebieden met betrekking tot een provinciale weg bestaatbestaan uit:

JJJJJJ

Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.8 Toepassingsbereik provinciale weg

KKKKKK

Artikel 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.9 Specifieke zorgplicht provinciale weg

  • 1.

    Degene die een activiteit in het Beperkingengebied vrij zichtbeheer provinciale weg uitvoert en weet of redelijkerwijs kanhad kunnen vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, in Artikel 4.5, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van wegen wordt verzekerdverzekerd wordt;

    • b.

      het gebruik van de wegprovinciale weg, in overeenstemming met haarde functie als openbare weg, wordt verzekerdverzekerd wordt;

    • c.

      het vrije zicht niet wordt beperktbeperkt wordt;

    • d.

      werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd worden dat hieruit geen schade voor de weg kan ontstaan;

    • e.

      geen vaste stoffen of voorwerpen worden gedeponeerdgedeponeerd worden, anders dan bij werkzaamheden ten behoeve vanvoor kabels en leidingen;

    • f.

      het Beperkingengebied beheer provinciale weg niet wordt verontreinigd met hinderlijke of schadelijke vaste stoffen, hinderlijke of schadelijke vloeistoffen, en hinderlijke of schadelijke voorwerpen of met beplantingsresten;

      verontreiniging door hinderlijke of schadelijke vaste stoffen, hinderlijke of schadelijke vloeistoffen, hinderlijke of schadelijke voorwerpen of beplantingsresten voorkomen wordt;

    • g.

      beplanting in een zodanige conditie wordt gehouden wordt dat zijdeze geen gevaar of hinder vormt voor de weggebruikers en geen schade veroorzaakt aan de weg;

    • h.

      borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame en licht-lichtgevende of geluidgevende voorzieningen op een zodanige plaats of wijze worden aangebracht worden dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebrachtgebracht wordt;

    • i.

      bermsloten in het Beperkingengebied beheer provinciale wegalleen worden gedemptgedempt worden, afgedamd of de afvoercapaciteit daarvan gewijzigd worden door of namens de wegbeheerder;

    • j.

      aanleg of wijziging van de een provinciale weg alleen geschiedtaangelegd of gewijzigd wordt door of namens de wegbeheerder; en

    • k.

      alle passende maatregelen worden genomen worden om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1 van de wetOmgevingswet, te voorkomen.

LLLLLL

Na artikel 4.9 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.9a Informeren over ongewoon voorval provinciale weg

Bij onverwachte situaties in het Beperkingengebied beheer provinciale weg die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het veilig en doelmatig gebruik en voor de instandhouding van een provinciale weg worden gedeputeerde staten zo snel mogelijk hiervan op de hoogte gesteld.

Artikel 4.9b Benodigde gegevens over ongewoon voorval provinciale weg

Zodra de onderstaande gegevens over het ongewoon voorval in het Beperkingengebied beheer provinciale weg bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten:

  • a.

    wegnummer, hectometrering van de locatie en datum en tijdstip waar het ongewoon voorval plaatsgevonden heeft;

  • b.

    informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich voorgedaan heeft;

  • c.

    informatie over de nadelige gevolgen voor de veiligheid, het gebruik en de instandhouding van de provinciale weg;

  • d.

    andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de veiligheid, het gebruik en de instandhouding van de provinciale weg te kunnen inschatten; en

  • e.

    informatie over de maatregelen die genomen zijn of overwogen worden om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

MMMMMM

Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning activiteit provinciale weg algemeen

In aanvulling op de indieningsvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van deze paragraaf, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de activiteit plaatsvindt op tekening;

  • b.

    de datum en het tijdstip waarop de activiteit wordt begonnen; en

  • c.

    de duur van de activiteit.

[Gereserveerd]

NNNNNN

Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.11 Eis verwijderen of, verleggen en aanpassen van werk en object

  • 1.

    Met het oog op het belang Activiteit in beperkingengebied provinciale weg van de aanleg, verruiming of wijziging van een provinciale weg worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning op grond van deze paragraaf is vereistvereist is, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de aanleg, verruiming of wijziging van die weg door of namens de wegbeheerder.

  • 2.

    Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt is over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd wordt, stelt het bevoegd gezagdie termijn bij gedeputeerde staten die termijn bijmet een maatwerkvoorschrift vast.

OOOOOO

Artikel 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.13 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriftenactiviteit provinciale weg

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen of een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden voor de activiteiten genoemdover het bepaalde in Paragraaf 4.2.3.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken worden van het bepaalde in Paragraaf 4.2.3.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning bedoeld in Paragraaf 4.2.3 kan worden verbonden.

PPPPPP

Subparagraaf 4.2.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.2.3.2 Activiteiten uitweg bij provinciale weg

Artikel 4.14 Vergunningplicht uitweg bij provinciale weg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale weg de volgende activiteiten uit te voeren:

    • a.

      het hebben ofen maken van een uitweg naar de provinciale weg;

    • b.

      het maken van wijzigingen aanbrengen aan een bestaande uitweg naar de provinciale weg;

    • c.

      het veranderen van het gebruik van een bestaande uitweg naar de provinciale weg van particulier gebruik naar bedrijfsmatig gebruik; en

    • d.

      het intensiveren van het gebruik van een bedrijfsmatige uitweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op standplaatsen en verkooppunten bedoeld in Artikel 4.35 en in Artikel 4.35a.

Artikel 4.15 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een uitweg bij een provinciale weg in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    de uitweg bij een perceelsplitsing voor het nieuwe perceel wordt aangesloten wordt op de provinciale hoofdrijbaan als er sprake is van een gebiedsontsluitingsweg;

  • b.

    de uitweg aangesloten kan worden aangesloten op een parallelweg of op een weg van een gemeente, een waterschap of op een andere weg van lagere orde;

  • c.

    de aanvraag betrekking heeft op een tweede uitweg van het perceel, tenzij een tweede uitweg in het belang van de verkeersveiligheid noodzakelijk is;

    het gaat om een tweede uitweg naar de provinciale weg vanaf het te ontsluiten perceel, tenzij deze tweede uitweg in het specifieke geval in het belang van de verkeersveiligheid door de provincie noodzakelijk geacht wordt;

  • d.

    de uitweg wordt aangesloten op een stroomweg;

  • e d.

    de uitweg wordt aangelegd wordt op minder dan 50 meter van bochten, kruispunten, splitsingen, rotondes ofen verkeersregelinstallaties; of

  • f e.

    de verkeersveiligheid door de verkeersaantrekkende werking van het gebruik van het te ontsluiten perceel onevenredig wordt aangetastaangetast wordt.

Artikel 4.16 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning tijdelijke uitweg bij provinciale weg

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een tijdelijke uitweg bij een provinciale weg in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, wordt de omgevingsvergunning, aanvullend op Artikel 4.15, in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    de uitweg niet noodzakelijk is voor het uitvoeren van werkzaamheden van tijdelijke aard; of

  • b.

    het werkverkeer ontsloten kan worden ontsloten via een bestaande uitweg.

Artikel 4.17 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 4.10 wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een uitweg bij een provinciale weg, bedoeld in Artikel 4.14, in ieder geval aangegeven of er obstakels zijn die voor de beoogde aanleg of wijziging van de uitweg verwijderd moeten worden.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.14, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • b.

    situatietekening met daarop de hectometrering en het wegnummer van de locatie waar de uitweg gepland is;

  • c.

    datum en tijdstip waarop de werkzaamheden gestart worden;

  • d.

    duur van de werkzaamheden;

  • e.

    als dit van toepassing is: obstakels die voor de beoogde aanleg of wijziging van de uitweg verwijderd moeten worden; en

  • f.

    verkeersmaatregelenplan conform CROW publicatie WIU 96b 2020 Werken op niet-autosnelwegen.

Artikel 4.18 Eis uitvoering en onderhoud uitweg

Uit oogpunt van verkeersveiligheid, doorstroming en een uniforme inrichting van de provinciale weg bepalen gedeputeerde staten in de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een uitweg dat:

  • a.

    welke technische eisen aan de uitweg en wijze van aanleg gesteld worden;

  • b.

    welke veiligheidseisen op het uitvoeren van de werkzaamheden voor de aanleg van de uitweg van toepassing zijn;

  • a c.

    dat de aanleg en het onderhoud van de uitweg in het Beperkingengebied beheer provinciale wegvoor rekening en door of in opdracht van de provincie wordtaanvragen uitgevoerd; en wordt;

  • b d.

    een aan de provincie geen financiële vergoeding verschuldigd is voor hetde onder ac. genoemde aanleg; en onderhoud.

  • e.

    onderhoud van de uitweg, voor zover deze gelegen is binnen het beheergebied van de provinciale weg en binnen de eigendomsgrenzen van de provincie, door de provincie meegenomen wordt in het regulier onderhoud van de provinciale weg en wegbermen.

QQQQQQ

Het opschrift van subparagraaf 4.2.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.2.3.3 Activiteiten kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, gotenkabelgoten, buizen, afrasteringenmantelbuizen en andere werken

RRRRRR

Artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.19 Vergunningplicht kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, gotenkabelgoten, buizen, afrasteringenmantelbuizen en andere werken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale weg kabels, leidingen, duikers, gotenkabelgoten, buizen, afrasteringenmantelbuizen en andere werken te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen ofen te verwijderen, tenzij een meldplicht geldt, tenzij de meldplicht uit Artikel 4.23 van toepassing is.

SSSSSS

Artikel 4.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.20 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, gotenkabelgoten, buizen, afrasteringenmantelbuizen en andere werken

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, gotenkabelgoten, buizen, afrasteringen ofmantelbuizen en andere werken in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als er een aanmerkelijke kans bestaat op schade of aantasting van het veilig en doelmatig gebruik van een wegprovinciale weg.

TTTTTT

Artikel 4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.21 Wijzigen of intrekken van omgevingsvergunning kabels en leidingen

In aanvulling op het bepaalde in Artikel 1.9 kan een omgevingsvergunning voor kabels of leidingen worden gewijzigd of ingetrokken als:

Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning op grond van deze verordening voor kabels of leidingen wijzigen en intrekken als:

  • a.

    een situatie genoemd in Artikel 1.9 van toepassing is;

  • a b.

    een kabel of leiding of een deel daarvan, verlegd moet worden verlegd als gevolg van werkzaamheden van de provincie of van derden, en er geen ruimte is om de kabel of leiding te laten liggen of terug te plaatsen;

  • b c.

    de vergunninghouder niet voldoet aan het verzoek tot hetmaatregelen te nemen van maatregelen of het doen van aanpassingenaanpassingen te doen, die nodig zijn voor de realisering van provinciale infrastructurele maatregelen of voor de uitvoering van beheer en onderhoud.

UUUUUU

Artikel 4.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.22 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning kabels en leidingen

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 4.10 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen, bedoeld in Artikel 4.19, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.19, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    voor het aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:

    • 1.

      gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

    • 1 2.

      een beschrijving van de soort kabel of leiding;

    • 2 3.

      een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;

    • 3 4.

      de kilometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding op tekening;

      situatietekening met daarop de hectometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding en van de objecten die daarmee samenhangen;

    • 5.

      datum en tijdstip waarop met de werkzaamheden begonnen wordt;

    • 6.

      duur van de werkzaamheden;

    • 4 7.

      als een gestuurde boring wordt gebruiktgebruikt wordt: een boorplan;

    • 5 8.

      als wordt geboord wordt bij de fundering van een viaduct, brug, duiker, talud, darmwand of ander civieltechnisch kunstwerk: een beschrijving van de invloed vanop de boring op de fundering; en

    • 9.

      verkeersmaatregelenplan conform CROW publicatie WIU 96b 2020 Werken op niet-autosnelwegen.

  • b.

    voor het in stand houden van een kabel of leiding:

    • 1.

      gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

    • 1 2.

      een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding;

    • 2 3.

      situatietekening met daarop de kilometreringhectometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding en van de objecten die daarmee samenhangen op tekening; en

    • 4.

      datum en tijdstip waarop met de werkzaamheden begonnen wordt;

    • 5.

      de duur van de werkzaamheden; en

    • 6.

      verkeersmaatregelenplan conform CROW publicatie WIU 96b 2020 Werken op niet-autosnelwegen.

  • c.

    voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:

    • 1.

      gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

    • 1 2.

      een beschrijving van de wijze van verwijderen;

    • 2 3.

      situatietekening met daarop de kilometreringhectometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding en van de objecten die daarmee samenhangen op tekening.;

    • 4.

      datum en tijdstip waarop met de werkzaamheden begonnen wordt;

    • 5.

      duur van de werkzaamheden; en

    • 6.

      verkeersmaatregelenplan conform CROW publicatie WIU 96b 2020 Werken op niet-autosnelwegen.

VVVVVV

Artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 Meldplicht lasgaten en huisaansluitingen

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg lasgaten en huisaansluitingen voor de watervoorziening, de energievoorziening ofen de telecommunicatie te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen ofen te verwijderen als daarvoor geen verhardingen van de weg worden opgebroken of gekruist.

  • 2.

    Minimaal 4 weken en maximaal 6 maanden voordat het lasgat of de huisaansluiting aangelegd, gewijzigd of verwijderd wordt, wordt de melding ingediend.

    Voorwaarde voor het kunnen volstaan met een melding in plaats van met een omgevingsvergunning is dat er voor de werkzaamheden in het eerste lid geen verhardingen van de weg opgebroken en gekruist worden en het lasgat of de huisaansluiting niet door middel van een boring of persing aangelegd wordt.

  • 3.

    Minimaal 4 weken en maximaal 6 maanden voordat het lasgat of de huisaansluiting op een andere manier aangelegd, gewijzigd of verwijderd wordt dan eerder gemeld, wordt een nieuwede melding ingediend.

  • 4.

    De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.

    Minimaal 4 weken voordat het lasgat of de huisaansluiting op een andere manier aangelegd, gewijzigd of verwijderd wordt dan eerder gemeld, wordt een nieuwe melding ingediend.

  • 5.

    De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen.

    De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.

  • 6.

    De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen.

WWWWWW

Artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.24 Meldplicht telecom en laag- of middenspanning elektriciteit kabels en leidingen Meldplicht telecom-, laagspanning- en middenspanning-elektriciteitskabels en -leidingen

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg kabels en leidingen in de zin van de Telecommunicatiewetofen laag- en middenspanning elektriciteitskabels te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen ofen te verwijderen als daarvoor geen verhardingen, inclusief het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden en slopen van de weg worden opgebroken of gekruist, met inbegrip van:daarmee samenhangende bouwwerken en werken die geen bouwwerken zijn.

    • a.

      het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; en

    • b.

      het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.

  • 2.

    Minimaal 4 weken en maximaal 6 maanden voordat de telecom-, laagspanning-, middenspanning of elektriciteitskabel of -leiding aangelegd, gewijzigd of verwijderd wordt, wordt de melding ingediend.

    Voorwaarde voor het kunnen volstaan met een melding in plaats van met een omgevingsvergunning is dat er voor de werkzaamheden in het eerste lid geen verhardingen van de weg opgebroken en gekruist worden.

  • 3.

    Minimaal 4 weken en maximaal 6 maanden voordat de telecom-, laagspanning-, of middenspanning- of elektriciteitskabel of -leiding op een andere manier aangelegd, gewijzigd of verwijderd wordt dan eerder gemeld, wordt een nieuwede melding ingediend.

  • 4.

    De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.

    Minimaal 4 weken voordat de telecom-, laagspanning-, middenspanning- of elektriciteitskabel of -leiding op een andere manier aangelegd, gewijzigd of verwijderd wordt dan eerder gemeld, wordt een nieuwe melding ingediend.

  • 5.

    De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen.

    De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.

  • 6.

    De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen.

XXXXXX

Artikel 4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.25 Meldplicht gedenkteken

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval te plaatsen.

    [Gereserveerd]

  • 2.

    Het gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval wordt onder voorwaarden door de provincie ter beschikking gesteld en wordt alleen in overleg met de directe nabestaanden geplaatst.

YYYYYY

Artikel 4.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.26 Indieningsvereisten melding lasgaten en huisaansluitingen

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 wordt ten behoeve van een melding voor een lasgat of huisaansluiting, bedoeld in Artikel 4.23, minimaal een tekening met wegnummer en kilometrering van de beoogde ligging van de lasgaten en huisaansluitingen verstrekt.

Bij een melding, bedoeld in Artikel 4.23, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12; en

  • b.

    situatietekening met daarop de hectometrering en het wegnummer van de beoogde ligging van de lasgaten en huisaansluitingen.

ZZZZZZ

Artikel 4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.27 Indieningsvereisten melding telecom-, laagspanning-, middenspanning-elektriciteitskabels of elektriciteitskabel of -leidingleidingen

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van een telecom-, laagspanning-, middenspanning of elektriciteitskabel of -leiding, bedoeld in Artikel 4.24, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 4.23, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    voor het aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:

    • 1.

      gegevens genoemd in Artikel 1.12;

    • 1 2.

      een beschrijving van de soort kabel of leiding;

    • 2 3.

      een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;

    • 3 4.

      de kilometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding op tekening;

      situatietekening met daarop de hectometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding en van de objecten die daarmee samenhangen; en

    • 5.

      de gegevens benoemd in Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen.

  • b.

    voor het in stand houden van een kabel of leiding:

    • 1.

      gegevens genoemd in Artikel 1.12;

    • 1 2.

      een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding;

    • 2 3.

      situatietekening met daarop de kilometreringhectometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening; en

    • 4.

      de gegevens benoemd in Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen.

  • c.

    voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:

    • 1.

      gegevens genoemd in Artikel 1.12;

    • 1 2.

      een beschrijving van de wijze van verwijderen;

    • 2 3.

      de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening.

      situatietekening met daarop de hectometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen; en de gegevens benoemd in Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen

AAAAAAA

Het opschrift van artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.28 Indieningsvereisten melding gedenkteken

BBBBBBB

Artikel 4.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.29 Vergunningplicht borden en vergelijkbare objecten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale wegeen borden, spandoeken vlaggenmast, vlaggenmasten, handelsreclame, kunstuitingen, licht- oflichtgevende en geluidgevende voorzieningen of vergelijkbare objectenvoorziening en vergelijkbaar object te hebben, plaatsen ofen wijzigen, tenzij eende vrijstelling uit Artikel 4.29a of de meldplicht geldtuit Artikel 4.33 van toepassing is.

CCCCCCC

Artikel 4.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.30 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op bordeneenbordof vergelijkbare objectenvergelijkbaar object in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    niet voldaan wordt aan Artikel 4.9, tweede lid, subonderdeel h;

  • b.

    er sprake is van commerciële aanduidingen;

  • c.

    het object in zichthoeken komt te staan;

  • d.

    het object botsgevaarlijk is; of

  • e.

    het object bevestigd wordt aan wegmeubilair.

DDDDDDD

Artikel 4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.31 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten voor aanduiding van objecten en terreinen

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op bordeneenbordof vergelijkbare objectenvergelijkbaar object voor de aanduiding van objecten en terreinen, al dan niet met een toeristisch karakter, in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, wordt, aanvullend op Artikel 4.30, de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    er op basis van de algemene geografische bewegwijzering gereden kan worden gereden naar een geografische bestemming waar het terrein of object is gelegen is of waarmee het terrein of object wordt geassocieerdgeassocieerd wordt; of

  • b.

    hiermee geen verkeersveilige afwikkeling en geen ongehinderde doorstroming van het verkeer bevorderd wordt.

EEEEEEE

Artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 4.10 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bord of vergelijkbaar object, bedoeld in Artikel 4.29, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.29, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    situatietekening met daarop de kilometreringhectometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekeningworden;

  • b c.

    de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnenbegonnen wordt; en

  • c d.

    de duur van de periode waarin de borden of vergelijkbare objecten aanwezig zullen zijn.

FFFFFFF

Artikel 4.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.33 Meldplicht borden en vergelijkbare objecten

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale wegbordeneen bord, spandoekenspandoek, vlaggenmastenvlaggenmast, handelsreclame, kunstuitingen, licht-lichtgevende of geluidgevende voorzieningenvoorziening of vergelijkbare objectenvergelijkbaar object te hebben, plaatsen of wijzigen buiten het Gebied landschappelijke waarden.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde objecten moeten voldoen aan het bepaalde in Artikel 4.30.

    Minimaal 4 weken voordat het bord of vergelijkbaar object geplaatst of gewijzigd wordt, wordt de melding ingediend.

  • 3.

    Minimaal 2 weken voordat het bord of vergelijkbaar object geplaatst of gewijzigd wordt, wordt de melding ingediend.

    De in het eerste lid genoemde objecten moeten voldoen aan het bepaalde in Artikel 4.30.

GGGGGGG

Na artikel 4.33 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.33a Meldplicht gedenkteken

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval te plaatsen.

  • 2.

    Het gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval wordt onder voorwaarden door de provincie ter beschikking gesteld en wordt alleen in overleg met de directe nabestaanden geplaatst.

HHHHHHH

Artikel 4.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.34 Indieningsvereisten melding borden en vergelijkbare objecten

Bij een melding voor een bord of vergelijkbaar object, bedoeld in Artikel 4.33, worden minimaalin ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • a b.

    situatietekening met daarop de kilometreringhectometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekeningworden;

  • b c.

    de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnenbegonnen wordt; en

  • c d.

    de duur van de periode waarin de borden of vergelijkbare objecten aanwezig zullen zijn.

IIIIIII

Na artikel 4.34 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.34a Indieningsvereisten melding gedenkteken

Bij een melding, bedoeld in Artikel 4.33a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    situatietekening met daarop de hectometrering en het wegnummer van de locatie waar het gedenkteken gewenst is;

  • c.

    datum en tijdstip van de gewenste plaatsing van het gedenkteken; en

  • d.

    gewenste periode dat het gedenkteken blijft staan.

JJJJJJJ

Subparagraaf 4.2.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.2.3.5 Activiteiten standplaats voor handel of bedrijf en verkooppunt voor energie aan voertuigen

Artikel 4.35 Vergunningplicht standplaats voor handel en verkooppuntbedrijf

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale wegde volgende activiteiten uiteen standplaats voor handel en bedrijf in te voeren:nemen en te hebben.

  • a.

    een standplaats voor handel of bedrijf in te nemen en te hebben; of

  • b.

    een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen in te richten en te hebben.

Artikel 4.35a Vergunningplicht verkooppunt voor energie aan voertuigen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen en andere goederen in te richten en te hebben.

Artikel 4.36 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning standplaats en verkooppuntvoor handel of bedrijf

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een standplaats voor handel of verkooppuntbedrijf in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    er een aanmerkelijke kans bestaat op overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer en de omgeving; of

  • b.

    toestemming van de desbetreffende gemeente ontbreekt.

Artikel 4.36a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning verkooppunt voor energie aan voertuigen

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een verkooppunt voor energie aan voertuigen in het Beperkingengebied beheer provinciale weg wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    er een aanmerkelijke kans bestaat op overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer en de omgeving; of

  • b.

    toestemming van de desbetreffende gemeente ontbreekt.

Artikel 4.37 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning standplaats en verkooppuntvoor handel of bedrijf op carpoolplaats

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een standplaats voor handel of verkooppuntbedrijf op een carpoolplaats in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, wordt de omgevingsvergunning, aanvullend op Artikel 4.36, de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    op de carpoolplaats op hetzelfde tijdstip al een standplaats voor handel of verkoopplaatsbedrijf van de betreffende productgroep vergund is; of

  • b.

    onvoldoende parkeerruimte overblijft.

Artikel 4.37a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning verkooppunt voor energie op carpoolplaats

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een verkooppunt voor energie aan voertuigen op een carpoolplaats in het Beperkingengebied beheer provinciale weg wordt, aanvullend op Artikel 4.36a, de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    op de carpoolplaats op hetzelfde tijdstip al een verkooppunt van de betreffende productgroep vergund is; of

  • b.

    onvoldoende parkeerruimte overblijft.

Artikel 4.38 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning standplaats voor handel en verkooppuntbedrijf

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 4.10 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een standplaats of verkooppunt, bedoeld in Artikel 4.35, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.35, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    omschrijving van de aanleiding, doelstelling en doelgroep van de standplaats of verkooppunt;

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • b.

    de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een duurzame opzet van de standplaats of verkooppunt;

    situatietekening met daarop de hectometrering en het wegnummer van de locatie van de standplaats;

  • c.

    de wijze waarop het terrein zal worden schoongehouden gewenste startdatum en tijdstip van de standplaats;

  • d.

    duur van de standplaats; en

  • d e.

    omschrijving van de wijze waarop zorg wordt gedragen voor toezicht en sociale veiligheid;

  • e.

    de vereiste diploma's voor en de opgedane ervaring met het exploiteren van een standplaats of verkooppunt;

  • f.

    indien van toepassing: de wijze waarop een energievoorziening wordt gerealiseerd; en

  • g.

    indien van toepassing: de wijze waarop de standplaats of verkooppunt wordt gepromoot.

Artikel 4.38a Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning verkooppunt energie voor voertuigen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.35a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • b.

    situatietekening met daarop de hectometrering en het wegnummer van de locatie van het verkooppunt;

  • c.

    gewenste startdatum en tijdstip van het verkooppunt;

  • d.

    duur van het verkooppunt; en

  • e.

    omschrijving van de aanleiding, doelstelling en doelgroep van het verkooppunt.

KKKKKKK

Artikel 4.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.39 Vergunningplicht evenement

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een evenement te houden waarbij de doorstroming van het verkeer wordt belemmerd wordt of de verkeersveiligheid op de provinciale weg in gevaar wordt gebrachtgebracht wordt.

LLLLLLL

Artikel 4.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.41 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning evenement

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 4.10 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een evenement, bedoeld in Artikel 4.39, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.39, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • b.

    situatietekening met daarop de hectometrering en het wegnummer van de locatie waar het evenement plaatsvindt;

  • c.

    startdatum en starttijdstip van het evenement;

  • d.

    duur van het evenement;

  • a e.

    naam en Kamer van Koophandel inschrijving van de vereniging die het evenement organiseert; 

  • b f.

    een kopie van de verzekeringspolis waaruit blijkt dat de organisatie verzekerd is tegen de wettelijke aansprakelijkheid voor schade, die uit (het organiseren van) het evenement kan voortvloeien;  

  • c g.

    de doelgroep van het evenement;  

  • d h.

    het verwachte aantal deelnemers; 

  • e i.

    het verwachte aantal bezoekers; 

  • f j.

    een indicatie van vanwaar de bezoekers afkomstig zijn (plaatselijk, regionaal, landelijk of internationaal); 

  • g k.

    als dit van toepassing is: het aantal volgauto's indien van toepassing; 

  • h l.

    een verkeersplan met de te treffen verkeersmaatregelen conform de CROW-publicatie/richtlijn 96b: 

    • 1.

      de benodigde afsluitingen van wegen; 

    • 2.

      de benodigde en geregelde parkeergelegenheid; 

    • 3.

      de benodigde en geregelde fietsenstallingen; 

    • 4.

      de als dit van toepassing is: benodigde omleidingen van het openbaar vervoer en het overige verkeer indien van toepassing; 

    • 5.

      de benodigde verkeersregelaars; en

    • 6.

      de beoogde locaties voor verkeersregelaars;

  • i m.

    de organisatie die de verkeersmaatregelen uitvoert;

  • j n.

    het aantal, de soort en de plaats waar objecten zoals podia, kramen en tenten worden geplaatstgeplaatst worden; 

  • k o.

    een topografische kaart waarop de plaats van het evenement is aangegeven is of waarop de gehele route van het evenement is aangegevenaangegeven is, inclusief rijrichting en eventuele controleposten; 

  • l p.

    een routebeschrijving met tijdschema, waarin alle wegen die binnen de provincie bereden worden vermeld staan vermeld, evenals. En als dit van toepassing is de gemeenten waarbinnen ze gelegen zijn, indien van toepassing. Bij provincie overschrijdendeprovinciegrensoverschrijdende evenementen moeten ook de wegen in de andere provincie(s) vermeld worden;  

  • m q.

    een verklaring waaruit blijkt dat de betrokken gemeentelijke overheid bereid is medewerking te verlenen aan het te houden evenement, als een dergelijke verklaring vanuit de betrokken gemeentelijke overheid noodzakelijk is;

  • n r.

    een verklaring waaruit blijkt dat er overeenstemming is met betrokken wegbeheerders over de eventuele omleidingsroutes; 

  • o s.

    een verklaring van de beheerder(s) van in de route opgenomen onverharde weggedeelten of eigen wegen, dat tegen het berijden daarvan geen bezwaren bestaan, dan welof een verklaring van de organisatie dat bedoeldedeze verklaring van geen bedenkingen mondeling is verkregenverkregen is; en

  • p t.

    de wijze waarop de wijze waarop de belangen van aanwonenden zijn meegenomenmeegenomen zijn. 

MMMMMMM

Artikel 4.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.42 Meldplicht tijdelijk verwijsbord evenement

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg tijdelijke verwijsborden kort voor en tijdens een evenement te plaatsen.

  • 2.

    Tijdelijke verwijsborden moeten voldoen aan het bepaalde in Artikel 4.30.

  • 3.

    Minimaal 24 weken voordat het tijdelijke verwijsbord geplaatst wordt, wordt de melding ingediend.

NNNNNNN

Artikel 4.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.43 Indieningsvereisten melding tijdelijk verwijsbord evenement

Bij een melding voor een tijdelijk verwijsbord voor een evenement, bedoeld in Artikel 4.42, worden minimaalin ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrektaangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • a b.

    de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening;

    situatietekening met daarop de hectometrering en het wegnummer van de locatie waar de tijdelijke verwijsborden geplaatst worden;

  • b c.

    de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en

    startdatum en starttijdstip waarop met de plaatsing begonnen wordt; en

  • c d.

    de duur van de periode waarin de borden aanwezig zullen zijn.

OOOOOOO

Artikel 4.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.44 Eis tijdelijk verwijsbord evenement

  • 1.

    Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg zijn tijdelijke verwijsborden uitsluitend maximaal 24 uur vóórvoor en tijdens een evenement aanwezig.

  • 2.

    De borden zijn niet groter dan 1 meter bij 1 meter.

  • 3.

    De borden worden binnen 24 uur na afloop van het evenement verwijderd.

  • 4.

    Er worden niet meer dan 2 borden bij elkaar op een locatie aangebracht.

  • 5.

    De borden worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van minimaal 2,5 meter uit de kant van de verharding.

PPPPPPP

Paragraaf 4.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.1 Algemene bepalingen lokale spoorweg

Artikel 4.45 Oogmerk lokale spoorweg

Deze afdeling is van toepassing op het Beperkingengebied lokale spoorweg en bevat regels met het oog op het ongewijzigd in stand houden van de aanwezige infrastructuur en werking daarvan alsmede voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg behoort.

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    behoeden van de staat en werking van de lokale spoorweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg, inclusief het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg; en

  • b.

    ongewijzigd in stand houden van de aanwezige infrastructuur en werking daarvan.

Artikel 4.46 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg

Het Beperkingengebied lokale spoorweg bestaat uit:

QQQQQQQ

Artikel 4.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.48 Instructieregel hinder lokale spoorweg

  • 1.

    Voor zover een Een omgevingsplan betrekking heeft op locaties binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg bevat het regels voor bestaande gebouwen die getransformeerd wordenhet transformeren van bestaande gebouwen tot geluidgevoelige gebouwen mits zijmet een binnenwaarde van maximaal 33 dB Lden hebben.

  • 2.

    Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op locaties binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg: zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen toegestaan tot het geluid van maximaal 60 dB Lden op de gevel.

    • a.

      zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen in buiten de bebouwde kom toegestaan tot een geluidbelasting van maximaal 60 dB Lden op de gevel; en

    • b.

      nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen de bebouwde kom toegestaan tot een geluidbelasting van 65 dB Lden op de gevel.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat wordt voldaan aan:

    • a.

      wordt voldaan aan de voorwaarden in het eerste en tweede lid; en

    • b.

      er maatregelen worden genomen om de hinder van geluid, trillingen, elektromagnetische straling of emissies van koper- of ijzerslijpsel, veroorzaakt door de lokale spoorweg, nu en in de toekomst te voorkomen.

RRRRRRR

Paragraaf 4.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.3 Regels over activiteiten lokale spoorweg

Artikel 4.49 Toepassingsbereik lokale spoorweg

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het Beperkingengebied lokale spoorweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.45.

Artikel 4.50 Vrijstelling vergunningplicht beschermingszoneBeschermingszone lokale spoorweg

  • 1.

    Het verbod in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een activiteit in een beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg uit te voeren, geldt niet voor activiteiten in de Beschermingszone lokale spoorweg.

  • 2.

    Het verbod in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een activiteit in een beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg uit te voeren, geldt niet voor activiteiten in de Beschermingszone lokale spoorweg, met uitzondering van:

    Deze vrijstelling van de vergunningplicht voor activiteiten in de Beschermingszone lokale spoorweg geldt niet voor:

    • a.

      het bouwen en in stand houden van bouwwerken en het plaatsen en behouden van objecten, met inbegrip vaninclusief bomen, met eenwaarvan de hoogte die groter is dan de kortste afstand vantussen het bouwwerk of object toten de bovenleiding;

    • b.

      het planten en behouden van bomen waarvan de kroon binnen een afstand van 5 meter vanafde boom dusdanig groeit dat de afstand tot aan de bovenleiding kan groeienminder dan 5 meter wordt;

    • c.

      het gebruiken van een ladder, hijskraan of hoogwerker met een hoogte die groterhoger is dan de kortste afstand vantussen de locatie waar deladder, hijskraan of hoogwerker wordt gebruikt toten de bovenleiding;

    • d.

      het uitvoeren van heiwerkzaamheden;

    • e.

      het uitvoeren van graafwerkzaamheden met een diepte van meerdieper dan 1/10 van de afstand tot de buitenste spoorstaaf;

    • f.

      het onttrekken van grondwater; en

    • g.

      andere activiteiten die van invloed zijn op het lokale spoor.

Artikel 4.51 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning lokale spoorweg

In aanvulling op paragraaf 7.2 van de Omgevingsregeling worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lokale spoorweg, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    een werkplan waarin wordt beschreven hoe de activiteit wordt uitgevoerd, inclusief risico-inventarisatie en -evaluatie;

  • b c.

    een beschrijving van de locatie en de inrichting van het werkterrein waarop in ieder geval is aangegeven de locatie van de bouwketen, het werkmaterieel inclusief draaicirkels en (werk)hoogte, de opslagtanks en aan-de aanvoer en afvoerwegen;

  • c d.

    een omschrijving van de gevolgen van de werkzaamheden voor de toegankelijkheid, de veiligheid en het doelmatig gebruik van de spoorweginfrastructuur;

  • d e.

    een Veiligheid & Gezondheid plan Uitvoeringsfase (V&G U-plan) conform het Kader Werkzaamheden Tramweg (KWT);

  • e f.

    een uitvoeringsplan waarin wordt aangetoond dat de baanlokale spoorweg veilig berijdbaar is tijdens en na de werkzaamheden en indien. En als dit van toepassing is: een Plan Veilige Berijdbaarheid conform het Kader Werkzaamheden Tramweg (KWT);

  • f g.

    een werktekening met diepteligging onder trambaan, route en diameter of diameters van te boren of persen leidingen) en een kraterberekening indien van toepassing; en

    werktekening met diepteligging onder de lokale spoorweg, de route en de diameter(s) van te boren of persen leidingen. En als dit van toepassing is: een kraterberekening; en

  • g h.

    een monitoringsplan als graaf-graafwerkzaamheden, hei-heiwerkzaamheden of bronneringswerkzaamheden worden uitgevoerd.

SSSSSSS

Artikel 4.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.52 Oogmerk vaarweg

  • 1.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarwegen en de bijbehorende werken; en

    • b.

      de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.; en

    • c.

      behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische, aardkundige en ecologische waarden.

  • 2.

    Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de vaarweg is gelegen:

    • a.

      het beschermen van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden; en

    • b.

      de natuurbescherming.

TTTTTTT

Paragraaf 4.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.4.2 Algemene bepalingen vaarwegbeheer

Artikel 4.53 Toedeling vaarwegbeheer

  • 1.

    De provincie is belast met het vaarwegbeheer van de Vaarweg in beheer bij provincie Utrecht, bedoeld in lijst A van Bijlage IX Vaarwegbeheer, onder de nummers 1 tot en met 4 opgenomen regionale wateren en sluizen.

  • 2.

    Het vaarwegbeheer van de Vaarweg niet in beheer bij provincie Utrecht bij provincie, bedoeld in lijst A van Bijlage IX Vaarwegbeheer, onder de nummers 5 tot en met 13 opgenomen regionale wateren en sluizen, wordt uitgevoerd door de in deze lijst aangegeven bestuursorganen.

  • 3.

    Met het vaarwegbeheer van de in lijst B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer, opgenomen regionale wateren en sluizen zijn belast de op de betreffende lijst aangegeven bestuursorganen.

  • 4.

    Het nautisch beheer van de in lijst A, B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer, opgenomen regionale wateren en sluizen ligt bij het op de betreffende lijst aangegeven bestuursorgaan.

    Het Vaarweg in beheer bij provincie Utrecht van regionale vaarwateren wordt in Bijlage IX Vaarwegbeheer is als volgt toegedeeld:

    • a.

      lijst A: het vaarwegbeheer van de vaarwegen genoemd in deze lijst berust bij het bestuursorgaan van de provincie Utrecht;

    • b.

      lijst B: het vaarwegbeheer van de vaarwegen, sluizen en bruggen genoemd in deze lijst berust bij het bestuursorgaan van de gemeente of provincie;

    • c.

      lijst C: het vaarwegbeheer van de vaarwegen en sluizen genoemd in deze lijst berust bij het bestuursorgaan van het waterschap.

Artikel 4.54 Vaarwegonderhoud door vaarwegbeheerder

  • 1.

    De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg. Het onderhoud omvat in ieder geval:

  • 2.

    Ontheffing van het realiseren van de vaarweghoogte wordt alleen verleend als bij de bouw van een vaste brug redelijkerwijs niet aan die vaarweghoogte kan worden voldaan.

Artikel 4.54a Beoordelingsregel aanvraag ontheffing vaarwegonderhoud door vaarwegbeheerder

Ontheffing van Artikel 4.54 kan alleen worden verleend als bij de bouw van een vaste brug redelijkerwijs niet aan die vaarweghoogte kan worden voldaan.

Artikel 4.55 Bediening bruggen en sluizen

De vaarwegbeheerder draagt er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden.

[Vervallen per datum]

Artikel 4.56 Verhaalplicht

  • 1.

    Schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen worden op eerste aanwijzing van de vaarwegbeheerder verhaald, als onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.

  • 2.

    Uitgezonderd in spoedgevallen wordt de zakelijk gerechtigde of de gebruiker van een schip, een samenstel van schepen of van een drijvend voorwerp ruimschoots van tevoren door de vaarwegbeheerder schriftelijk in kennis gesteld van de uit te voeren onderhoudswerkzaamheden aan een vaarweg of bijbehorend werk.

UUUUUUU

Paragraaf 4.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.4.3 Regels over activiteiten op de vaarweg

Artikel 4.57 Toepassingsbereik vaarweg

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het Beperkingengebied vaarweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.52.

Artikel 4.57a Aanwijzing beperkingengebied vaarweg

Artikel 4.58 Specifieke zorgplicht activiteit in beperkingengebied vaarweg

  • 1.

    Degene die in het Beperkingengebied vaarwegeen activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.52, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat in het Beperkingengebied vaarweg:

    • a.

      in de vaarweg geen stoffen of voorwerpen in hetgebrachtBeperkingengebied vaarwegworden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of negatieve gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;

    • b.

      de uitvoering van de activiteit geen belemmering of hinder veroorzaakt voor de scheepvaart;

    • b c.

      houtopstand zo wordt onderhouden dat geen hinder voor de scheepvaart wordt veroorzaakt; en

      houtopstanden zo onderhouden worden dat deze geen hinder veroorzaken voor de scheepvaart; en

    • c d.

      bij het uitvoeren van activiteiten geen belemmering of hinder voor de scheepvaart wordt veroorzaakt.

      alle passende maatregelen genomen worden voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 4.58a Informeren over ongewoon voorval beperkingengebied vaarweg

Bij onverwachte situaties in het Beperkingengebied vaarweg die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de instandhouding en de bruikbaarheid van een vaarweg en de bijbehorende werken of voor de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op een vaarweg, worden gedeputeerde staten zo snel mogelijk hiervan op de hoogte gesteld.

Artikel 4.58b Benodigde gegevens over ongewoon voorval beperkingengebied vaarweg

Zodra de onderstaande gegevens over het ongewoon vooral in het Beperkingengebied vaarweg bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten:

  • a.

    naam van de vaarweg, hectometrering van de locatie, datum en tijdstip waar het ongewoon voorval plaatsgevonden heeft;

  • b.

    informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich voorgedaan heeft;

  • c.

    informatie over de nadelige gevolgen voor de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg en de bijbehorende werken of voor de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg;

  • d.

    andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg en de bijbehorende werken of voor de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg te kunnen inschatten; en

  • e.

    informatie over de maatregelen die genomen zijn of overwogen worden om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 4.59 Vergunningplicht beperkingengebiedactiviteitactiviteit beperkingengebied vaarweg

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied vaarweg de volgende activiteiten uit te voeren, tenzij een vrijstelling uit Artikel 4.59a van toepassing is:

  • a.

    veranderen van de loop of de vaarwegdiepte van de vaarweg;

    de vaarweg veranderen van vorm, loop, constructie en vaarwegdiepte;

  • b.

    een werk en object op, in, over en onder de vaarweg aanbrengen, hebben, veranderen ofen verwijderen van werken of objecten; en

  • c.

    het scheepvaartverkeer op de vaarweg geheel of gedeeltelijk stremmen en belemmeren;

  • c d.

    aanbrengen, hebben of veranderen van een ligplaats of afmeervoorziening.;

  • e.

    een vaartuig en een drijvend voorwerp in de vaarweg afmeren en ankeren, tenzij de locatie is toegestaan op grond van een verkeersbesluit; of

  • f.

    een haven en de daarmee verband houdende voorzieningen te maken en te houden.

Artikel 4.59a Vrijstelling vergunningplicht beperkingengebiedactiviteitactiviteit beperkingengebied vaarweg

Het verbod in Artikel 4.59 geldt niet voor activiteiten door of namens de provincie in het kader van het vaarweg-vaarwegbeheer of nautisch beheer.

Artikel 4.59b Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning activiteit in beperkingengebied vaarweg

Voor zover een aanvraag voor een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit in het Beperkingengebied vaarweg, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met het veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg overeenkomstig de functie daarvan voor het scheepvaartverkeer;

  • b.

    de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking heeft op een ligplaats voor vaarweggebonden activiteiten in het Merwedekanaal en niet wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • 1.

      de ligplaats is gelegen buiten een vaarstrook of veiligheidszone;

    • 2.

      de ligplaats is gelegen in een veiligheidsstrook en er bestaan geen nautische bezwaren tegen het innemen van de ligplaats;

    • 3.

      de ligplaats is gelegen in een vaarstrook, veiligheidsstrook of veiligheidszone en er bestaan geen nautische bezwaren tegen de vergunning en de ligplaats wordt tijdelijk ingenomen ten behoeve van het uitvoeren van werkzaamheden;

    • 4.

      ligplaats innemen is noodzakelijk voor de vaarweggebonden activiteit en de aanvrager van de vergunning is de rechthebbende van de oever of heeft schriftelijke toestemming van de rechthebbende van de oever verkregen;

  • c.

    de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking heeft op een ligplaats voor een pleziervaartuig in het Merwedekanaal en niet wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • 1.

      de ligplaats is gelegen buiten de vaarstrook, veiligheidsstrook of veiligheidszone;

    • 2.

      de ligplaats wordt ingenomen langs een particuliere oever;

    • 3.

      de aanvrager van de omgevingsvergunning is de rechthebbende van de oever of heeft schriftelijke toestemming van de rechthebbende van de oever verkregen;

  • d.

    de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking heeft op een ligplaats voor een woonboot in het Merwedekanaal en niet wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • 1.

      de ligplaats is gelegen buiten de vaarstrook of veiligheidszone;

    • 2.

      er zijn geen nautische bezwaren tegen het innemen van een ligplaats met een woonboot;

  • e.

    de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking heeft op een ligplaats voor een woonboot in het Merwedekanaal en niet wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • 1.

      de ligplaats is gelegen buiten de vaarstrook of veiligheidszone;

    • 2.

      er zijn geen nautische bezwaren tegen het innemen van een ligplaats met een woonboot;

  • f.

    de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking heeft op het doorbreken van de oever voor het aanleggen van een insteekhaven of inkassing in het Merwedekanaal en niet wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • 1.

      de uitmonding ligt buiten een veiligheidszone;

    • 2.

      er zijn geen nautische bezwaren ingeval de uitmonding uitkomt in een vaarstrook of veiligheidsstrook.

Artikel 4.60 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteitactiviteit in beperkingengebied vaarweg

[Gereserveerd]

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.69, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • b.

    situatietekening in A4-formaat met daarop de kilometrering, de aanduiding van de vaarweg en de locatie waar de activiteit plaatsvindt. En als dit van toepassing is: de betrokken bruggen, sluizen, ligplaatsen en afmeervoorzieningen, zoals steigers, vlonders en afmeerpalen;

  • c.

    datum en tijdstip waarop met de activiteit begonnen wordt;

  • d.

    duur van de activiteit;

  • e.

    als dit van toepassing is: aanduiding van de verkeersbelemmeringen op de vaarweg door de activiteit. En als dit van toepassing is: verkeersbelemmeringen voor de betrokken bruggen en sluizen op de weg en spoorweg;

  • f.

    als dit van toepassing is: de benodigde verkeersmaatregelen op de vaarweg;

  • g.

    als dit van toepassing is: situatietekening met daarop de verandering van de vorm, loop, constructie en de vaarwegdiepte van de vaarweg;

  • h.

    als dit van toepassing is: locatie en het soort werk of object op, in, over of onder de vaarweg;

  • i.

    als dit van toepassing is: tekening of constructietekening van het werk of object;

  • j.

    als dit van toepassing is: type, afmetingen en kadastraal registratienummer van het vaartuig of woonschip. En als dit van toepassing is: naam van het vaartuig of woonschip;

  • k.

    als dit van toepassing is: de reden voor de aanvraag:

    • 1.

      verlenging van een bestaande omgevingsvergunning;

    • 2.

      wijziging van de tenaamstelling van een bestaande omgevingsvergunning;

    • 3.

      vervanging van het woonschip;

    • 4.

      verbouwing van het woonschip; of

    • 5.

      nieuwe ligplaats;

  • l.

    als dit van toepassing is: afmetingen en omschrijving van de ligplaats of de aanlegplaats; en

  • m.

    als dit van toepassing is: afmetingen en omschrijving van de afmeervoorziening.

Artikel 4.61 Intrekken omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning intrekken, als de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd.

[Gereserveerd]

VVVVVVV

Paragraaf 4.4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.4.4 Regels over activiteiten vaarwegen varend ontgassen

Artikel 4.62 Verbod ontgassen

  • 1.

    Het is de vervoerder en de schipper in het gebied Verbod varend ontgassen verboden een ladingtank met restladingdampen van de volgende stoffen vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen:

    • a.

      benzeen (UN-nummer 1114);

    • b.

      ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267);

    • c.

      aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268);

    • d.

      brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863);

    • e.

      brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); en

    • f.

      koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).

    [Vervallen per datum]

  • 2.

    Van een restladingdamp zoals bedoeld in het eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.

Artikel 4.63 Vrijstelling verbod varend ontgassen vanwege veiligheidsredenen

Het verbod in Artikel 4.62 geldt niet wanneer het ontgassen plaatsvindt:

  • a.

    voor drukverevening die om veiligheidsredenen moet plaatsvinden;

  • b.

    tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, als het ontgassen om veiligheidsredenen noodzakelijk is.

[Vervallen per datum]

Artikel 4.64 Vrijstelling verbod varend ontgassen vanwege voorafgaande belading

Het verbod in Artikel 4.62 geldt niet als kan worden aangetoond dat:

  • a.

    de 3 voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in dat artikel; of

  • b.

    de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan bedoeld in dat artikel.

[Vervallen per <datum>]

WWWWWWW

Artikel 4.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.66 Instructieregel Buffer luchtvaartterrein

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Buffer luchtvaartterrein bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaartuigen tenzij uit onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting onder de grens, genoemd in de Bijlage XVII Luchtvaartterrein blijft.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bedoeld in lid 1 bevat een onderbouwing en de onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.

XXXXXXX

Artikel 4.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.70 Aanwijzing weg waarvoor een geluidproductieplafond geldt

Voor alle openbare wegen in beheer bij de provincie met een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde worden geluidproductieplafondsGeluidproductieplafonds vastgesteld.

YYYYYYY

Artikel 4.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.71 Instructieregel geluidcontour van provinciale wegen

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Geluidcontour van provinciale wegen bevat regels voor bestaande gebouwen die getransformeerd wordenhet transformeren van bestaande gebouwen tot geluidgevoelige gebouwen mits zijmet een binnenwaarde van maximaal 33 dB Lden hebben.

  • 2.

    Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op locaties binnen de Geluidcontour van provinciale wegen:

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Geluidcontour van provinciale wegen staat nieuwe geluidgevoelige gebouwen met geluid op de gevel van maximaal 60 dB Lden toe;

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.

ZZZZZZZ

Afdeling 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.8 Ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken

Artikel 4.72 Oogmerk ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de doelmatige uitoefening van taken en bevoegdheden voor infrastructuur en waterstaatswerken.

[Gereserveerd]

Artikel 4.73 Vrijstelling vergunningplicht ontgrondingsactiviteit

Het verbod in artikel 5.1 van de wet geldt, in afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor een ontgrondingsactiviteit in het kader van:

  • a.

    het ontgronden, aanleggen, verbeteren, onderhouden of wijzigen van wegen, spoorwegen of andere grote infrastructurele werken als:

    • 1.

      de activiteit plaatsvindt door of vanwege het Rijk, de provincie, een gemeente of een waterschap;

    • 2.

      de grondlagen dieper dan 3 meter onder het maaiveld niet worden ontgraven; en

    • 3.

      de activiteit plaatsvindt ter uitvoering van een omgevingsplan.

  • b.

    het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

  • c.

    het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

[Gereserveerd]

AAAAAAAA

Het opschrift van afdeling 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.1 Wind, zon, energienetwerk en biomassa

BBBBBBBB

Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.1 Toepassingsbereik nieuwe functies voor energie

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op nieuwe functies voor energie uit wind, zon en biomassa.:

    • a.

      energie uit wind, zon en geothermie;

    • b.

      energieopslag, energietransformatie en energietransport;

    • c.

      regelbare opwekking ten behoeve van congestiebeheer; en

    • d.

      biomassa.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op functies voor energietransformatie en energietransport die functioneren op spanningsniveaus van minder dan 50 kilovolt.

CCCCCCCC

Artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 Afwijking van instructieregel verstedelijkingsverbod landelijk gebied

In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan verstedelijking in het Landelijk gebied toestaan om nieuwe functies en voorzieningen voor energie en transformatorstationsbedoeld inArtikel 5.1mogelijk te maken.

DDDDDDDD

Artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.4 Instructieregel windenergielocatie

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied windenergie kan regels bevatten die de realisatie van windturbines met een vermogen van 3 MW of meer toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; en

    • b.

      er wordt voorzien in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan regels bevatten die de realisatie van windturbines met een vermogen van minder dan 3 MW toestaan, mits wordt onderbouwd waarom windturbines met een vermogen van 3 MW of meer niet mogelijk zijn.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan regels bevatten die de realisatie van een solitaire windturbine toestaan, mits wordt onderbouwd waarom meerdere windturbines niet mogelijk zijn en dat de energieopbrengst van die solitaire windturbine opweegt tegen de impact die een solitaire turbine heeft op de omgeving.

  • 4.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan;

    • b.

      een beeldkwaliteitsparagraaf; en

    • c.

      een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken.

      een beschrijving op welke wijze invulling is gegeven aan het Beleids- en toetsingskader lokaal eigendom en participatie bij windenergie.

EEEEEEEE

Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 Instructieregel zonneveld

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied zonneveld kan regels bevatten die de realisatie van opwekking van zonne-energie toestaan door middel van zonnevelden, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de structuren in het landschap herkenbaar blijven en voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing;

      het zonneveld wordt landschappelijk en ecologisch ingepast;

    • b.

      de zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die ruimte biedt voor een bij het gebied passende bodemkwaliteit en waterkwaliteit; en

      de omgevingskwaliteit, de bodem- en waterkwaliteit en de biodiversiteit van de locatie worden behouden of verbeterd; en

    • c.

      voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit.

      als het zonneveld wordt verwijderd, dan wordt de oorspronkelijke toestand hersteld met behoud van de aangebrachte verbeteringen die een aantoonbare meerwaarde hebben voor ecologie en landschap.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan;

    • b.

      een beeldkwaliteitsparagraaf;

    • c.

      een onderbouwing hoe rekening is gehouden met de voorkeursvolgorde zon;

    • c d.

      een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken; en

    • d e.

      een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid inzake de mogelijkheden voor kavelruil vanwege het behouden en verbeteren van een goede landbouwstructuur en landschapskwaliteit.

FFFFFFFF

Na artikel 5.5 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 5.5a Instructieregel zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen

De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfsgebouw beschrijft op welke wijze gebruik is gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tot het stellen van maatwerkregels gericht op het maximaal benutten van het dakoppervlak van bedrijfsgebouwen voor het plaatsen van zonnepanelen.

Artikel 5.5b Instructieregel energieopslag, energietransformatie en energietransport

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebied kan regels bevatten die de realisatie van voorzieningen voor energieopslag, energietransformatie en energietransport toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de structuren in het landschap herkenbaar blijven en voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing;

    • b.

      de voorzieningen worden zoveel mogelijk op één plek geconcentreerd; en

    • c.

      omliggende functies worden niet onevenredig geschaad.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

GGGGGGGG

Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 Instructieregel energie uit biomassa landelijk gebied

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied energie uit biomassa landelijk gebied kan regels bevatten die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van energie uit biomassa toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de vestiging van kleinschalige biomassa-installaties vindt plaats in het landelijk gebied in aansluiting op bestaande bebouwde agrarische bouwpercelen of bestaande legale halfverhardingen of verhardingen op landgoederen, in overeenstemming met de schaal van de bebouwde omgeving, tenzij op een andere nabijgelegen locatie een betere landschappelijke inpassing kan worden bereikt;

    • b.

      voor energie uit biomassa door toepassing van monomestvergisting geldt dat de monomestvergistinginstallatie een maximale capaciteit heeft tot 25.000 m3 ingaande mest per jaar;

    • b c.

      bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast of beperkt; en

    • c d.

      voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing.

  • 2.

    Regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van energie uit biomassa toestaan op grond van het eerste lid zijn voor bio-energie installaties met een met een nominaal ingaand thermisch vermogen groter dan 500 kilowatt slechts mogelijk als:

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied energie uit biomassa landelijk gebied kan regels bevatten voor de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van energie uit biomassa, uitgezonderd mest, toestaan voor bio-energie installaties met een met een nominaal ingaand thermisch vermogen groter dan 500 kilowatt, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      redelijkerwijs geen alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn;

    • b.

      de biomassa niet voor hoogwaardigere toepassingen kan worden ingezet;

    • c.

      de biomassa is gecertificeerd; en

    • d.

      de biomassa een aanmerkelijk lagere CO2-emissie heeft dan gangbare fossiele brandstoffen

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

HHHHHHHH

Na artikel 5.7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.7a Instructieregel behoud energienetwerk

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied energienetwerk bevat regels die het belang van de ongewijzigde instandhouding, het ongewijzigde gebruik en de mogelijkheid tot uitbreiding van het energienetwerk waarborgen.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop het belang van de ongewijzigde instandhouding en mogelijkheid tot uitbreiding van het energienetwerk in acht is genomen.

IIIIIIII

Afdeling 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2 Transformatorstation

Artikel 5.8 Vergunningplicht transformatorstation

Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit een transformatorstation met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren en een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, op te richten of te wijzigen.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 5.9 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning transformatorstation

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een transformatorstation, bedoeld in Artikel 5.8, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een beschrijving van de activiteit;

  • b.

    een situatietekening en een detailtekening met de locatie van de uit te voeren activiteit;

  • c.

    een geluidrapport; en

  • d.

    een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen of te beperken.

[Vervallen per <datum>]

JJJJJJJJ

Afdeling 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3 Energietoets

Artikel 5.10 Toepassingsbereik energietoets

Deze afdeling is van toepassing op nieuwe functies die tot een overbelastingbelasting van de elektriciteits-infrastructuur kunnen leiden.

Artikel 5.11 Instructieregel weging elektriciteits-infrastructuur

  • 1.

    Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe functies, niet zijnde minder dan 10 woningen, die tot een aanvullende belasting van de elektriciteits-infrastructuur kunnen leiden, wordt rekening gehouden met de aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur.

    Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op nieuwe functies met een elektriciteitsaansluiting groter of gelijk aan 3 x 80 Ampère, wordt rekening gehouden met de capaciteit van de elektriciteits-infrastructuur.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een energieparagraaf met daarin een verslag van het inventariserend overleg tussen de netbeheerder en de initiatiefnemer of de gemeente, waarin weergegeven wordt dat de ontwikkeling past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder en andere relevante ontwikkelingen voor energiebeheer in de leefomgeving.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de capaciteit van de elektriciteits-infrastructuur.

Artikel 5.12 Instructieregel netbewuste nieuwbouw

  • 1.

    Voor zover een omgevingsplan voorziet in woningbouw wordt het netbudget voor netbewuste nieuwbouw, bedoeld in Bijlage XXIII Netbewuste nieuwbouw, in acht genomen.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop het netbudget voor netbewuste nieuwbouw in acht is genomen.

KKKKKKKK

Artikel 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.1 Oogmerk natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden

  • 1.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming, het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit. Daartoe is het uitgangspunt van deze regels en bij de toepassing daarvan, dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt behouden.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      de natuurbescherming;

    • b.

      het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden; en

    • c.

      het behouden en versterken van de biodiversiteit.

  • 2.

    Uitgangspunt van deze regels en bij de toepassing daarvan, is dat de kwaliteit en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt behouden.

LLLLLLLL

Artikel 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.3 Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland

  • 1.

    De instructieregel opgenomen in Artikel 6.2, eerste lid houdt in ieder geval in dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Natuurnetwerk Nederland geen regels bevat die activiteiten toestaan die:

    • a.

      nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in Bijlage XI Wezenlijke kenmerken en waarden; of

    • b.

      kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland.

  • 2.

    In een omgevingsplan kan uitsluitend van het eerste lid worden afgeweken om nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk te maken als:

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan regels bevatten die voorzien in nieuwe activiteiten of die wijziging van bestaande activiteiten mogelijk te maken als:

    • a.

      sprake is van:

      • 1.

        een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het Natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten;

      • 2.

        een plan waarop de meerwaardebenadering wordt toegepast; of

      • 3.

        een beperkte wijziging, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteiten;

    • b.

      nadelige gevolgen voor het Natuurnetwerk Nederland door deze nieuwe activiteiten of deze wijziging van bestaande activiteiten zoveel mogelijk worden voorkomen, door deze in het omgevingsplan alleen mogelijk te maken op een locatie waar het Natuurnetwerk Nederland zo beperkt mogelijk kan worden aangetast en door het toegestane ruimtebeslag, de toegestane bebouwing en het toegestane gebruik zoveel mogelijk te beperken;

    • c.

      de aantasting tijdig wordt gecompenseerd en de te realiseren compenserende maatregelen, zowel ontwikkeling, instandhouding en beheer, voldoende zijn verzekerd; en

    • d.

      de motivering van het omgevingsplan een onderbouwing bevat waaruit blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan; en

    • e d.

      de tijdige realisatie van de compenserende maatregelen zeker wordt gesteld door in de regels van het omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen waarin is bepaald dat deze maatregelen zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen 3 jaar na de nieuwe activiteit of de gewijzigde bestaande activiteiten, zijn uitgevoerd en daarna in stand worden gehouden.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Militaire terreinen of terreinen met militaire objecten binnen het Natuurnetwerk Nederland regels bevatten die terreinverharding of bouwactiviteiten toestaan, mits is verzekerd dat nadelige gevolgen voor het Natuurnetwerk Nederland tijdig worden gecompenseerd.

  • 4.

    Onder de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, en de daaraan direct grenzende strook grond die bestaand en legaal is ingericht ten dienste van die bebouwing, en bestaande legale halfverhardingen of verhardingen begrepen.

  • 5.

    Voor zover een locatie binnen de Waardevolle Houtopstanden - oude bosgroeiplaatsen binnen het Natuurnetwerk Nederland ligt, geldt voor die locatie de instructieregel opgenomen in Artikel 6.13 van deze verordening.

  • 6.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

MMMMMMMM

Artikel 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.5 Instructieregel ontwikkelingen binnen de Groene contour

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour bevat geen regels die activiteiten toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op die gronden beperkenlocaties wordt beperkt, waardoor deze grondende locaties niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het natuurnetwerk Nederland., tenzij:

    • a.

      sprake is van activiteiten van groot openbaar belang;

    • b.

      reële alternatieven die een verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren voorkomen of beperken, ontbreken;

    • c.

      het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren, zoveel mogelijk wordt beperkt;

    • d.

      dit verlies wordt gecompenseerd en bestaat uit de realisatie van nieuwe natuur binnen de Groene contour, met een oppervlakte die ten minste gelijk is aan het verlies aan mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren en de ontwikkeling, instandhouding en het beheer van deze compenserende maatregel voldoende is verzekerd; en

    • e.

      de tijdige realisatie van de compenserende maatregel zeker wordt gesteld door in de regels van het omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen waarin is bepaald dat deze maatregel zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen drie jaar na de activiteiten, is uitgevoerd en daarna in stand wordt gehouden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan regels bevatten die voorzien in nieuwe activiteiten of die wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken als:

    • a.

      sprake is van groot openbaar belang;

    • b.

      reële alternatieven die een verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren voorkomen of beperken, ontbreken;

    • c.

      het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren, zoveel mogelijk wordt beperkt;

    • d.

      het overblijvende verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren wordt gecompenseerd met de realisatie van nieuwe natuur binnen de Groene contour met een oppervlakte van minimaal de oppervlakte van het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van agrarische bouwblokken.

    Als de activiteit bedoeld in het eerste lid de opwekking van zonne-energie door middel van zonnevelden is, is Artikel 6.6, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

NNNNNNNN

Artikel 6.5a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.5a Instructieregel borging realisatie nieuwe natuur door verstedelijking en compensatie Groene contour

  • 1.

    De realisatie van de compensatie, de ontwikkeling, de instandhouding en het beheer zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het besluit waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt.

    [Gereserveerd]

  • 2.

    De realisatie van de compensatie wordt in het omgevingsplan zeker gesteld door middel van een voorwaardelijke verplichting waarin de aard en omvang van de compensatie is vastgesteld en waarin is bepaald dat de uitvoering van benodigde compensatie zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen 3 jaar na de ruimtelijke ontwikkeling, is gerealiseerd en daarna in stand wordt gehouden.

  • 3.

    In afwijking van tweede lid geldt voor de realisatie van nieuwe natuur als compensatie voor de plaatsing van zonnevelden dat de inrichtingsmaatregelen uiterlijk 25 jaar na plaatsing van de zonnepanelen worden uitgevoerd.

OOOOOOOO

Artikel 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.6 Instructieregel realisatie nieuwe natuur binnen Groene contour door verstedelijking

  • 1.

    In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour ten behoeve van de realisatie van nieuwe natuur regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de verstedelijking vindt plaats in samenhang metten behoeven van de realisatie van nieuwe natuur;

    • b.

      de omvang van de verstedelijking staat in evenwichtige verhouding tot de oppervlakte en kwaliteit van de te realiseren nieuwe natuur in de groene contour en in samenhang van de realiseren nieuwe natuur;

    • c.

      de nieuwe natuur wordt gerealiseerd binnen de Groene contour;

    • d.

      de verstedelijking vindt plaats binnen de Groene contour of, als dit vanuit ecologisch of landschappelijk oogpunt beter is, op een locatie daarbuiten, bij voorkeur aansluitend bij een kernrand of een bestaande bebouwingsconcentratie;

    • e c.

      de in samenhang ontwikkelde verstedelijkingnatuur en nieuwe natuurverstedelijking leiden gezamenlijk leiden tot een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en

    • f d.

      de omliggende agrarische bedrijven worden door de activiteit niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.;

    • e.

      het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te ontwikkelen op de locatie waar verstedelijking plaatsvindt, wordt tijdig gecompenseerd door binnen de Groene contour natuur te realiseren met een oppervlakte van ten minste de oppervlakte van dit verlies en de ontwikkeling, instandhouding en het beheer van deze compenserende maatregel voldoende is verzekerd; en

    • f.

      de tijdige realisatie van de compenserende maatregel wordt zeker gesteld door in de regels van het omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen waarin is bepaald dat deze maatregel zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen drie jaar na de activiteit, is uitgevoerd en daarna in stand wordt gehouden.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan de realisatie van opwekking van zonne-energie op locaties binnen de Groene contour door middel van zonnevelden met een procedure die de opruimplicht borgt, zoals een omgevingsvergunning, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

    In aanvulling op het eerste lid kan een omgevingsplan de realisatie van opwekking van zonne-energie door middel van zonnevelden op locaties binnen de Groene contour uitsluitend toestaan als:

    • a.

      de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn en bedraagt maximaal 25 jaar;

      is geborgd dat de zonnevelden tijdelijk, voor ten hoogste 25 jaar, worden toegelaten;

    • b.

      na het verstrijken van de termijn worden de zonnevelden verwijderd.

      juridisch is geborgd dat de zonnevelden en de daarbij behorende voorzieningen, na het verstrijken van de termijn worden verwijderd

    • c.

      in de voorwaardelijke verplichting, in afwijking van het eerste lid, onder g, wordt bepaald dat de compenserende maatregel uiterlijk 25 jaar na plaatsing van de zonnepanelen wordt uitgevoerd en daarna in stand wordt gehouden.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

PPPPPPPP

Artikel 6.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.8 Toepassingsbereik compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland

Deze paragraaf is van toepassing op de uit te voeren compensatie die vereist is op grond van Paragraaf 6.1.2.

QQQQQQQQ

Artikel 6.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.9 Eisen compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland

  • 1.

    Compensatie vindt zodanig plaats dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland versterkt.

  • 2.

    De compensatie vindt in de nabijheid van de aantasting plaats als het functioneren van het natuurnetwerk dat vereist.

    De compensatie van verlies aan kwaliteit, oppervlakte en samenhang vindt in beginsel in de nabijheid van de aantasting plaats. Als het functioneren van het natuurnetwerk dat vereist, vindt de compensatie alleen in nabijheid van de aantasting plaats.

  • 3.

    Als sprake is van activiteiten bedoeld in Artikel 6.3, tweede lid, sub a onder 3, vindt de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaats en eerst op het terrein van de bestaande activiteit. Als deugdelijk is onderbouwd dat compensatie op het terrein van de bestaande activiteit blijvend onmogelijk is, volstaat het dat de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaatsvindt.

    Als sprake is van activiteiten bedoeld in Artikel 6.3, tweede lid, sub a onder 1 of 2 ligt de compensatielocatie van het verlies in oppervlakte ook:

  • 4.

    Als sprake is van activiteiten als bedoeld in Artikel 6.3, tweede lid, sub a, onder 1, of 2, vindt de compensatie van het verlies in oppervlakte plaats:

    • a.

      buiten het natuurnetwerk Nederland en in directe aansluiting op het natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      buiten het natuurnetwerk Nederland en binnen de Groene contour; of

    • c.

      binnen agrarische gronden gelegen in het natuurnetwerk Nederland (Agrarisch binnen NNN) waar geen nieuwe natuur is beoogd volgens kaart 1 behorende bij het Natuurbeheerplan.

    Als sprake is van activiteiten als bedoeld in Artikel 6.3, tweede lid, sub a, onder 3, vindt de compensatie van het verlies in kwaliteit, oppervlakte en samenhang in de directe nabijheid van de aantasting plaats en eerst op het terrein van de bestaande activiteit. Als deugdelijk is onderbouwd dat compensatie op het terrein van de bestaande activiteit blijvend onmogelijk is, volstaat het dat de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaatsvindt.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid is compensatie van het verlies in oppervlakte binnen het natuurnetwerk Nederland mogelijk, als gedeputeerde staten de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland uitbreiden met een oppervlakte gelijk aan de compensatie wanneer die buiten het natuurnetwerk Nederland zou plaatsvinden, en compensatie in de directe omgeving plaatsvindt op een locatie waar volgens het Natuurbeheerplan nog nieuwe natuur moet worden ontwikkeld en de compensatie leidt tot een versnelling van de realisatie van het natuurnetwerk Nederland ter plekke van deze natuur.

    De oppervlakte ter compensatie van het verlies van oppervlakte natuurnetwerk Nederland wordt bepaald aan de hand van Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen bij deze verordening.

  • 6.

    De oppervlakte ter compensatie van het verlies van oppervlakte natuurnetwerk Nederland wordt bepaald aan de hand van Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen.

    Bij een omgevingsplan waarin een activiteit mogelijk is gemaakt bedoeld in Artikel 6.3, tweede lid, die moet worden gecompenseerd, behoort een compensatieplan gebaseerd op recent uitgevoerd ecologisch onderzoek. In dit compensatieplan wordt beschreven:

    • a.

      de maatregelen die worden uitgevoerd ter compensatie van de aantasting van kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      als en voor zover sprake is van compensatie in oppervlakte bedoeld in artikel lid 5, het op grond van Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen;

    • c.

      de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de maatregelen genoemd onder a, plaatsvinden;

    • d.

      en als compensatie van het verlies in oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland met de realisatie van natuur plaatsvindt, maakt een inrichting- en beheerplan deel uit het van het compensatieplan, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1.

        de uitgangssituatie van het terrein waarop de natuur wordt gerealiseerd;

      • 2.

        de te treffen inrichtingsmaatregelen;

      • 3.

        de motivering van de te treffen maatregelen;

      • 4.

        de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur met beoogde kwaliteiten, doelen en oppervlakten wordt beschreven; en

      • 5.

        de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding daarvan plaatsvinden

  • 7.

    Aan de compensatie ligt een compensatieplan ten grondslag, gebaseerd op recent uitgevoerd ecologisch onderzoek ter plaatse, waarin worden beschreven:

    • a.

      de natuurwaarden van de locatie en de directe omgeving waar het natuurnetwerk Nederland wordt aangetast en het belang van deze waarden voor het functioneren van het natuurnetwerk Nederland in de omgeving;

    • b.

      de maatregelen die worden genomen om de aantasting zoveel mogelijk te beperken;

    • c.

      de overblijvende aantasting na het treffen van de maatregelen;

    • d.

      de maatregelen die worden uitgevoerd ter compensatie van de overblijvende aantasting;

    • e.

      de compensatieoppervlakte ten gevolge van de aantasting, bedoeld in Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen;

    • f.

      de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de maatregelen genoemd onder d, plaatsvinden; en

    • g.

      als compensatie van verlies van oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland met de realisatie van nieuwe natuur plaatsvindt: een inrichting- en beheerplan, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1.

        de uitgangssituatie van het terrein waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd;

      • 2.

        de te treffen inrichtingsmaatregelen;

      • 3.

        de motivering van de te treffen maatregelen;

      • 4.

        de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen en de oppervlakten daarvan worden aangegeven; en

      • 5.

        de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvinden.

    Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen.

  • 8.

    Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen.

RRRRRRRR

Artikel 6.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.11 Eisen aan realisatie nieuween compensatie natuur door verstedelijking en compensatiein de Groene contour

  • 1.

    Aan de Bij een omgevingsplan waarin realisatie van nieuwe natuur mogelijk wordt gemaakt als bedoeld in de Artikel 6.5 en Artikel 6.6ligtbehoort een inrichtings- en beheerplan ten grondslag waarin in ieder geval wordt beschreven:

    • a.

      de uitgangssituatie van het terreinde locatie waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd;

    • b.

      de te treffen inrichtingsmaatregelen;

    • c.

      de motivering van de te treffen maatregelen;

    • d.

      de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen en de oppervlaktes daarvan worden aangegeven; en

    • e.

      de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvindt.

  • 2.

    Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen.

SSSSSSSS

Artikel 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.13 Instructieregel bescherming waardevolle houtopstanden - oude bosgroeiplaatsen

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Waardevolle Houtopstanden - oude bosgroeiplaatsen bevat regels die strekken tot bescherming en instandhouding van op de locatie van die oude bosgroeiplaats aanwezige waarden.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de op de oude bosgroeiplaats aanwezige waarden énen een beschrijving van de wijze waarop in het planomgevingsplan met deze waarden rekening is gehouden.

TTTTTTTT

Artikel 6.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.14 Toepassingsbereik houtopstand

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten diein het Gebied houtopstand betreffen.

UUUUUUUU

Artikel 6.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.15 Vrijstelling meldplicht vellen houtopstand

De meldplicht vellen houtopstanden, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor:

  • a.

    het maken van verjongingsgaten, als:

    • 1.

      deze niet groter zijn dan 10 are per verjongingsgat;

    • 2.

      deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel;

    • 3.

      dit maximaal 1 keer per 4 jaar plaatsvindt op dezelfde locatie; en

    • 4.

      dit plaatsvindt voor duurzaam bosbeheer.

  • b.

    het verwijderen van houtopstanden voor natuurherstel, als de te verwijderen houtopstand:

    • 1.

      ontstaan is door spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur;

    • 2.

      niet ouder is dan 20 jaar; en

    • 3.

      niet diende ter compensatie van herbeplanting op andere grond bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

VVVVVVVV

Artikel 6.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.16 Indieningsvereisten melding vellen houtopstand

De Bij een melding, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat minimaalworden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    als degene die de activiteit uitvoert geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar;

  • b.

    een situatietekening van de locatie van de te kappen houtopstand, waaronder minimaalin ieder geval een topografische kaart met een schaal van 1:25.000 en de kadastrale percelen;

  • c.

    de oppervlakte van de velling in are en. En, als het om rijbeplanting betreftgaat, het aantal bomen;

  • d.

    de boomsoort;

  • e.

    de leeftijd van de houtopstand;

  • f.

    de reden van de velling; en

  • g.

    de wijze van herbeplanting.

WWWWWWWW

Artikel 6.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.17 Eisen aan Eis herbeplanting

Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

  • a.

    de oppervlakte van de herbeplanting is minimaal even groot als de gevelde oppervlakte;

  • b.

    herbeplanting vindt plaats door het aanplanten van voldoende vitaal plantmateriaal of door natuurlijke verjonging;

  • c.

    de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand, gericht op houtproductie, natuur, landschap, cultuurhistorie of beleving;

  • d.

    de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 jaar een kronendak met een bedekkingsgraad van minimaal 60% vormen;

  • e.

    de herbeplanting kan op termijn in ieder geval, gelijkwaardige ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen;

  • f.

    naast boomsoorten worden alleen inheemse struiksoorten toegepast; en

  • g.

    herbeplanting binnen Natura 2000 -gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade kunnen toebrengen aan de voor dit gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen.

XXXXXXXX

Het opschrift van artikel 6.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.18 Eisen aan Eis herbeplanting op andere grond

YYYYYYYY

Artikel 6.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.19 Vrijstelling plicht tot herbeplanting

De plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor houtopstanden die verwijderd zijn voor natuurherstel, als de verwijderde houtopstand:

  • a.

    ontstaan is door spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur;

  • b.

    niet ouder is dan 20 jaar; en

  • c.

    niet diende ter compensatie van herbeplanting.

    niet diende als invulling van een herbeplanting op grond bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

ZZZZZZZZ

Artikel 6.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.20 Maatwerkvoorschriften herbeplanting op andere grond

Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften verbinden aan de activiteiten, bedoeldhet bepaalde in Artikel 6.18, maatwerkvoorschriften verbinden.

AAAAAAAAA

Artikel 6.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.21 Indieningsvereisten aanvraag maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond

Een Bij een aanvraag tot het stellen van een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere grond gaat vergezeld vanwordt in ieder geval een beplantingsplan voor de herbeplanting met een locatieaanduiding voor de herbeplanting aangeleverd.

BBBBBBBBB

Paragraaf 6.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 6.2.3 Regels over activiteiten beschermd klein landschapselement

Artikel 6.22 Toepassingsbereik en aanwijzing beschermd klein landschapselement

Artikel 6.22a Aanwijzing beschermd klein landschapselement

Een klein landschapselement dat voldoet aan de criteria genoemd in Beleidsregels natuur en landschap kunnen gedeputeerde staten aanwijzen als beschermd klein landschapselement en toevoegen aan het Gebied beschermd klein landschapselement.

Artikel 6.22b Oogmerk beschermd klein landschapselement

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.

Artikel 6.23 Specifieke zorgplicht beschermd klein landschapselement

Degene die in het Gebied beschermd klein landschapselement een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigende beschadiging of vernielenvernieling van een beschermd klein landschapselement, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.;

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden om deze beschadiging of vernieling te voorkomen;

  • b.

    voor zover beschadiging of vernieling niet voorkomen kan worden: dit zoveel mogelijk ongedaan te maken of te beperken; en

  • c.

    als de beschadiging of vernieling onvoldoende beperkt kan worden: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden.

Artikel 6.24 Verbod aantasting beschermd klein landschapselement

Het is verboden in het Gebied beschermd klein landschapselement de volgende activiteiten uit te voeren, tenzij een vrijstelling uit Artikel 6.24a van toepassing is:

  • a.

    aan een beschermd klein landschapselement onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is;

  • b.

    een beschermd klein landschapselement boven-beschermd klein landschapselement bovengronds of ondergronds te beschadigen, te vernielen, te vernietigen, te bewerken of te gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd wordt of het voortbestaan direct of op de langere termijn in gevaar wordt gebrachtgebracht wordt;

  • c.

    een beschermd klein landschapselement te vellen of te rooien.

Artikel 6.24a Vrijstelling verbod aantasting beschermd klein landschapselement

Het verbod in Artikel 6.24 geldt niet voor het in het Gebied beschermd klein landschapselement:

  • a.

    het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud gericht op kwaliteitsverbetering of duurzame instandhouding van een beschermd klein landschapselement;

  • b.

    het periodiek vellen van griend-griendhout en hakhout voor onderhoud; en

  • c.

    het vellen of rooien van een houtopstand op grond van de Plantgezondheidswet en ter bestrijding van boomziekten.

Artikel 6.25 Meldplicht aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen

  • 1.

    Het is verboden zonder melding in het Gebied beschermd klein landschapselement activiteiten uit te voeren, vanwege dringende redenen anders dan bedoeld in Artikel 6.24a.

  • 2.

    Minimaal 8 weken en maximaal 24 weken voordat het beschermd klein landschapselement aangetast wordt, wordt de melding ingediend.

  • 3.

    De activiteiten mogen niet worden uitgevoerd worden tot de acceptatie van de melding onherroepelijk is gewordengeworden is.

Artikel 6.26 Indieningsvereisten melding aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding aantasting beschermd klein landschapselement, bedoeld in Artikel 6.25, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 6.25, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    elementnummer gegevens genoemd in Artikel 1.12 ;

  • b.

    elementnummer beschermd klein landschapselement;

  • b c.

    contactgegevens grondeigenaar;

  • c d.

    een situatietekening van de locatie van het beschermd klein landschapselement, waaronder minimaal een topografische kaart met een schaal van 1:25.000;

  • d e.

    een kaart met de kadastrale gegevens;

  • e f.

    indien als dit van toepassing is: de oppervlakte van de velling in are en voor zover. En als het om een rijbeplanting betreftgaat: het aantal bomen;

  • f g.

    indien als dit van toepassing is: de boomsoort;

  • g h.

    indien als dit van toepassing is: de leeftijd van de houtopstand;

  • h i.

    indien als dit van toepassing is: de reden van de velling;

  • j.

    of de melder van plan is het beschermd klein landschapselement te compenseren:

  • i k.

    of de melder van plan is melder voornemens het elementbeschermd klein landschapselement op dezelfde locatie te herbeplanten of herstellen en. En als dit niet het geval is,: wat is de motivering daarvoor is;

  • j.

    is melder voornemens het element elders te compenseren;

  • k l.

    maatvoering en indien. En als dit van toepassing is: soort plantmateriaal; en

  • l m.

    start- startdatum en einddatum van het werkde werkzaamheden.

Artikel 6.27 Maatwerkvoorschriften beschermd klein landschapselement

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen aan de activiteiten, bedoeld in Artikel 6.25, eerste lid maatwerkvoorschriften verbinden.

    Gedeputeerde staten verbinden maatwerkvoorschriften aan de acceptatie van de melding, bedoeld in Artikel 6.25, derde lid.

  • 2.

    De maatwerkvoorschriften houden in ieder geval in dat compenserende maatregelen worden getroffengetroffen worden.

Artikel 6.28 Herstelplicht en plicht tot herbeplanting beschermd klein landschapselement

  • 1.

    Als in strijd met Artikel 6.23, Artikel 6.24, Artikel 6.25 of Artikel 6.26is gehandeldgehandeld is, is de overtreder, zakelijk gerechtigde van de grond, dan welof degene, die vanwege een uit anderen hoofdeandere reden bevoegd is tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, verplicht om binnen 1 jaar na de overtreding het beschermd klein landschapselementzo veel mogelijk op dezelfde locatie zo veel mogelijken in de oorspronkelijke staat te herstellen of te herbeplanten.

  • 2.

    Niet aangeslagen herbeplantingen of andere mislukte herstelmaatregelen worden voor 1 april van het opvolgende jaar vervangen of hersteld.

CCCCCCCCC

Artikel 6.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.30 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid

  • 1.

    In het bestuur van de faunabeheereenheid worden de bestuurszetels als volgt ingevuld:

    • a.

      1 bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de landbouw;

    • b.

      1 bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de jacht;

    • c.

      1 bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit het particulier grondbezit;

    • d.

      1 bestuurszetel door Staatsbosbeheer; en

    • e.

      2 bestuurszetels door maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren.

  • 2.

    In ieder geval wordt 1 van de bestuurszetels, bedoeld in het eerste lid, onder e, ingevuld door een organisatie die zich tot doel heeft gesteld het dierenwelzijn of het milieu te beschermen en te bevorderen.

  • 3.

    Elke organisatie kan 1 vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.

  • 4.

    De organisaties kunnen, in onderling overleg, een vertegenwoordiger voordragen die namens meerdere van deze organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid.

  • 5.

    Het bestuur van de faunabeheereenheid benoemt, met instemming van gedeputeerde staten, een onafhankelijke voorzitter die:

    • a.

      geen dienstverband bij een1 van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen heeft;

    • b.

      geen bestuurslid van een1 van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen is; en

    • c.

      niet in het bezit is van een1 omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit.

DDDDDDDDD

Artikel 6.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.31 Procedure uitbreiding bestuur faunabeheereenheid

  • 1.

    De organisaties of jachthouders, bedoeld in Artikel 6.29, eerste lid, eerste lid, dragen op verzoek van de voorzitter een kandidaat voor het bestuur van de faunabeheereenheid.

  • 2.

    Als meer kandidaten worden voorgedragen dan er bestuurszetels zijn, selecteert de voorzitter de meest geschikte kandidaten.

EEEEEEEEE

Artikel 6.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.32 Werkzaamheden faunabeheereenheid

  • 1.

    De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor:

    • a.

      de coördinatie van de uitvoering van het door haar vastgestelde faunabeheerplan;

    • b.

      de informatievoorziening aan de leden van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over minimaal de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, de aan de faunabeheereenheid toegestane activiteiten en actuele ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer; en

    • c.

      het opstellen van telprotocollen voor trendtellingen bedoeld in Artikel 6.39, tweede lid, onder a.

      het verstrekken van bij voorkeur door het Centraal bureau voor de Statistiek erkende telprotocollen voor en het verkrijgen en analyseren van trendtellingen bedoeld in Artikel 6.39, tweede lid, onder a; en

    • d.

      het ontwikkelen en beheren van een registratiesysteem voor dodende en niet-dodende maatregelen ter voorkoming van faunaschade dat inzicht geeft in de genomen maatregelen en hun geografische spreiding.

  • 2.

    De faunabeheereenheid adviseert gedeputeerde staten over faunabeheer.

  • 3.

    Besluitvorming door het bestuur vindt plaats bij gewone meerderheid van stemmen, waarbij iedereieder in het bestuur vertegenwoordigde organisatie eenéén stem heeft. Als de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

  • 4.

    De faunabeheereenheid kan in haar statuten opnemen dat besluitvorming over daarbij te bepalen onderwerpen plaatsvindt bij een gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

  • 5.

    De faunabeheereenheid houdt van iedere aan haar verleende omgevingsvergunning een registratie bij van alle gebruikers van deze vergunning. De wildbeheereenheden geven daarbij op verzoek van de faunabeheereenheid per omgaande de gebruikers van de vergunning door.

FFFFFFFFF

Artikel 6.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.33 Verslaglegging faunabeheereenheid

  • 1.

    Het jaarlijkse verslag, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat, onder vermelding van de bron van de verzamelde gegevens, in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      cijfermatige rapportages over de uitvoering van de vrijstellingen, opdrachtenvergunde en vergunningenvergunningvrije activiteiten op basis van de paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallenhet aantal gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort, wildbeheereenheid en indien van toepassing naar wildbeheereenheidNatura 2000-gebieden en ganzenrustgebieden;

    • b.

      rapportages van het gebruik van preventieve en alternatieve niet dodende middelen voor het voorkomen van schade onderverdeeld naar diersoort, wildbeheereenheid en indien van toepassing naar Natura 2000-gebieden en ganzenrustgebieden in lijn met artikel 6.35 sub e; en

    • c.

      cijfermatige rapportages over de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen het aantal gedode dieren, onderscheiden naar wildsoort en indien van toepassing naar Natura 2000-gebieden en ganzenrustgebieden.

  • 2.

    Het verslag wordt uiterlijk op 1 meijuli van het daaropvolgende kalenderjaar aan gedeputeerde staten verstrekt.

  • 3.

    Het verslag wordt door de faunabeheereenheid ook op een openbaar toegankelijke website geplaatst.

GGGGGGGGG

Artikel 6.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.34 Faunabeheerplan algemeen

  • 1.

    De faunabeheereenheid stelt voor het werkgebied van de faunabeheereenheid een1 faunabeheerplan op.

  • 2.

    Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van maximaal 6 jaar.

  • 3.

    De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal 1 jaar verlengen.

HHHHHHHHH

Artikel 6.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.35 Inhoud faunabeheerplan algemeen

Het In aanvulling op artikel 6.2 van het Omgevingsbesluit bevat het faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a.

    een topografische kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de in het wild levende dieren binnen de provincie, waarop het faunabeheerplan van toepassing is over een periode van minimaal 6 jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft en een beschrijving van de trend van deze soorten over deze periode, zowel binnen de provincie als landelijkop provinciaal en landelijk niveau;

  • c.

    een beschrijving van de aanwezigheidlocaties van voorkomen van deze diersoorten gedurende het jaar;

  • d.

    een overzicht van minimaal 6 jaar voorafgaand aan de planperiode met de volgende gegevens; per wildeenheid een opgave van het aantal gedode dieren en weggenomen eieren met daarbij op welke basis dit is uitgevoerd: vergunningvrije activiteiten, vergunde activiteiten of jacht;

  • d e.

    een beschrijving van passende en doeltreffende maatregelen die kunnen worden ingezet om schade aan de belangen, bedoeld in artikel 11.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te voorkomen;

  • e.

    een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van die schade is gewaarborgd;

  • f.

    een overzicht per diersoort, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden, van de op basis van de toepasselijke vrijstellingen, vergunningen, opdrachten en bij de uitoefening van de jacht gedode dieren en geraapte en onklaar gemaakte eieren in de periode van minimaal 6 jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft; en

    in aanvulling op onderdeel e een overzicht per diersoort met de beschrijving op welke wijze de opeenvolgende stappen van niet-dodelijke naar dodelijke maatregelen zijn uitgewerkt;

  • g.

    een omschrijving van de wijze waarop geborgd wordt dat de te treffen maatregelen de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft niet negatief beïnvloeden.; en

  • h.

    een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van die schade is gewaarborgd.

IIIIIIIII

Artikel 6.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.36 Inhoud faunabeheerplan, specifiek, beheer en schadebestrijding

Het faunabeheerplan In aanvulling op Artikel 6.35 bevat ookhet faunabeheerplan de volgende gegevens over beheer en schadebestrijding van diersoorten:

  • a.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de schade in, minimaal, de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden;

  • b.

    per diersoort een beschrijving van de activiteiten die in, minimaal, de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft zijn uitgevoerd om schade te voorkomen of te beperken en, als daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van deze activiteiten;

  • c.

    per diersoort een topografische kaart waarop is aangegeven waar zich in, minimaal, de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, gevallen van belangrijke schade hebben voorgedaan en waar in het kader van beheer- en schadebestrijding bestrijdingsactiesacties hebben plaatsgevonden;

  • d.

    per diersoort een omschrijving van passende en doeltreffende niet-dodende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet voordat mag worden overgegaan tot dodende maatregelen ter voorkoming van belangrijke schade;

  • d e.

    per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of te beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden; en

  • e f.

    een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen activiteiten en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten zal worden bepaald;.

  • f.

    de gewenste stand van de diersoorten waarvoor populatiebeheer wordt voorgestaan; en

  • g.

    als het faunabeheerplan betrekking heeft op het populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen: een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.

JJJJJJJJJ

Artikel 6.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.37 Inhoud faunabeheerplan, jacht

Het faunabeheerplan bevat ook in ieder geval de volgende gegevens over de jacht:

In aanvulling op Artikel 6.35 bevat het faunabeheerplan in ieder geval de volgende gegevens over de jacht:

  • a.

    een beschrijving van de samenhang tussen de jacht op de wildsoorten, het beheren van de populaties van deze soorten en het bestrijden van schade door deze soorten;

  • b.

    een omschrijving van de redelijke wildstand, bedoeld in artikel 11.65 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en een onderbouwing van de wijze waarop de jacht hieraan zal bijdragen; en

  • c.

    een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, per wildbeheereenheid, in de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft.

KKKKKKKKK

Artikel 6.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.39 Werkzaamheden wildbeheereenheden

  • 1.

    Het secretariaat van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane activiteiten, regelgevende en ecologische feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer.

  • 2.

    De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied:

    • a.

      de trendtellingen van een aantal diersoorten voor het faunabeheerplan daar waar beschikbaar op basis van landelijke telprotocollen erkend door het Centraal Bureau voor de Statistiek;

    • b.

      de verstrekking het verstrekken van de resultaten van deze trendtellingen op jachtveldniveau aan de faunabeheereenheid; en

    • c.

      de verstrekking het verstrekken van het overzicht van gerealiseerde jacht, schadebestrijding en beheermaatregelen op jachtveldniveau, waaronder in elk geval afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, aan de faunabeheereenheid.

LLLLLLLLL

Artikel 6.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.40 Lidmaatschap wildbeheereenheden

  • 1.

    Uitgezonderd van artikel 8.2, eerste lid, van de wetOmgevingswet zijn:

    • a.

      medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting het Utrechts Landschap, als de organisatie die zij vertegenwoordigen deel uitmaakt van het bestuur van de faunabeheereenheid, en zij hun activiteiten uitvoeren voor die organisatie;

    • b.

      medewerkers van het Ganzenbeheerteam Utrecht en medewerkers van in opdracht van de faunabeheereenheid of gedeputeerde staten handelende professionele schadebestrijders.

  • 2.

    Aan lidmaatschap van een wildbeheereenheid worden alleen eisen gesteld die van belang zijn voor de uitvoering van het faunabeheerplan.

  • 3.

    De wildbeheereenheid houdt een register bij van aangesloten leden.

MMMMMMMMM

Artikel 6.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.42 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning afschot paarvormende ganzen

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit bedoeld in artikel 5.111.37, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor afschot van paarvormende grauwe ganzen of brandganzen, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de periode waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend, beperkt is tot:

  • a.

    de periode van 1 februari tot 1 april voor grauwe ganzen;

  • b.

    de periode van 15 maart tot 1 mei voor brandganzen.

NNNNNNNNN

Subparagraaf 6.4.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 6.4.2.2 Vrijstelling voor ganzen Activiteiten in Ganzenrustgebied

Artikel 6.44 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij verjaging met ondersteunend afschot van schadeveroorzakende ganzen

  • 1.

    Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, gelezen in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor activiteiten die dienen voor het verjagen met ondersteunend afschot van de grauwe gans, kolgans en brandgans met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de activiteiten worden uitgevoerd door of in opdracht van de grondgebruiker;

    • b.

      de activiteiten worden uitgevoerd op de gronden die bij de grondgebruiker in gebruik zijn;

    • c.

      de activiteiten vinden plaats met het oog op het voorkomen van schade die in het lopende of daarop volgende jaar door de grauwe gans, kolgans of brandgans dreigt op te treden op deze gronden;

    • d.

      de activiteiten vinden plaats in de periode van 1 november tot 1 maart;

    • e.

      de activiteiten vinden plaats op percelen met grasland of nog oogstbare akker en tuinbouwgewassen of direct daaraan grenzende percelen; en

    • f.

      er wordt voldaan aan de eisen opgenomen in de artikelleden 2 tot en met 6 van dit artikel en in Artikel 6.45 en Artikel 6.46.

  • 2.

    Er vinden geen activiteiten voor verjaging met ondersteunend doding door afschot plaats:

    • a.

      op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar;

    • b.

      op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid na 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar, met een oppervlakte kleiner dan 1 hectare;

    • c.

      op percelen die zijn ingezaaid als afvanggewas op geoogste percelen.

  • 3.

    Activiteiten voor verjaging met ondersteunend doding door afschot vindt alleen plaats als een groep van meer dan 5 ganzen op het schadeperceel, of op een direct hieraan grenzend perceel, aanwezig is of hier invalt.

  • 4.

    Per verjaagactie worden maximaal 2 ganzen gedood.

  • 5.

    Metalen ringen die zich aan gedode vogels bevinden worden binnen 48 uur naar het Vogeltrekstation, Postbus 50, 6700 AB Wageningen, gezonden onder vermelding van plaats en datum van het afschot, of worden gemeld via het Geautomatiseerd Ring Invoer en Export Loket (GRIEL) via de website www.griel.nl.

    [Vervallen per <datum>]

  • 6.

    Kleurringen en halsbanden worden doorgegeven via de website www.geese.org.

Artikel 6.45 Eis middelen verjagen schadeveroorzakende ganzen

  • 1.

    Activiteiten die dienen voor het verjagen van grauwe gans, kolgans en brandgans met ondersteunend doding door afschot, bedoeld in Artikel 6.44 zijn alleen toegestaan nadat eerst een preventief akoestisch middel en een visueel middel zijn ingezet conform de voorwaarden voor effectief gebruik die zijn opgenomen in de faunaschade Preventie Kit, module ganzen.

    [Vervallen per <datum>]

  • 2.

    De grauwe gans, kolgans en brandgans mogen alleen worden gedood met een hagelgeweer of kogelgeweer.

  • 3.

    Er wordt geen gebruik gemaakt van lokmiddelen.

  • 4.

    Als ganzen van de soorten genoemd in het eerste lid, door het ondersteunend afschot gewond zijn geraakt en in nood verkeren, is het toegestaan deze te doden met slag- en steekwapens.

Artikel 6.46 Informatieplicht schadebestrijding ganzen

Uiterlijk 2 weken na het uitvoeren van een activiteit, bedoeld in Artikel 6.44, worden de resultaten hiervan gerapporteerd in het door gedeputeerde staten aangewezen systeem.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 6.47 Geen schadebestrijding bij bijzondere weersomstandigheden

Gedeputeerde staten kunnen de werking van Artikel 6.42 en Artikel 6.44 opschorten als weersomstandigheden daar naar hun oordeel aanleiding toe geven.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 6.47a Oogmerk activiteiten in Ganzenrustgebied

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het in stand houden en beschermen van rustgebieden en foerageergebieden voor overwinterende trekganzen.

Artikel 6.47b Toepassingsbereik activiteiten in Ganzenrustgebied

  • 1.

    De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op activiteiten in een Ganzenrustgebied die negatieve gevolgen kunnen hebben voor ganzen.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op:

    • a.

      normaal agrarisch gebruik, mits de rustfunctie en de foerageerfunctie van het Ganzenrustgebied intact blijven en de aanwezige trekganzen niet verstoord worden; en

    • b.

      bestaande legale bebouwing in een bebouwingslint inclusief bijbehorende erven en tuinen die geen foerageerfunctie hebben of kunnen hebben.

Artikel 6.48 Verbod opzettelijke verstoring ganzen in ganzenrustgebied

Het is verboden in heteenGanzenrustgebied:

  • a.

    schadeveroorzakende ganzen opzettelijk te verstoren en verjagingsactiviteiten met ondersteunend doding door afschot te ondernemen in de periodes:

    van 1 november tot 1 april grauwe ganzen en kolganzen opzettelijk te verstoren;

    • 1.

      van 1 november tot 1 april voor grauwe gans en kolgans; en

    • 2.

      van 1 november tot 1 mei voor brandgans.

  • b.

    de foerageerfunctie van het gebied opzettelijk teniet te doen;

    van 1 november tot 1 mei brandganzen opzettelijk te verstoren;

  • c.

    jacht, beheer en schadebestrijding uit te voeren tot 12:00 uur, met uitzondering van jacht maximaal 3 dagen per jachtveld per seizoen, mits deze acties niet in hetzelfde gebied plaatsvinden en een afstand in acht wordt genomen van minimaal 300 meter tot groepen foeragerende ganzen van minimaal 100 stuks; en

    beheer en schadebestrijding uit te voeren vóór 12:00 uur;

  • d.

    jacht, beheer en schadebestrijding uit te voeren vanaf 12:00, tenzij een afstand in acht wordt genomen wordt van minimaal 300 meter tot groepen foeragerende ganzen van minimaal 100 stuks.

Artikel 6.48a Vergunningplicht tenietdoen foerageerfunctie Ganzenrustgebied

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de foerageerfunctie van een Ganzenrustgebied teniet te doen, tenzij de meldplicht uit Artikel 6.48d van toepassing is.

Artikel 6.48b Beoordelingsregel vergunning tenietdoen foerageerfunctie Ganzenrustgebied

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die ertoe leidt dat de foerageerfunctie van een Ganzenrustgebied tenietgedaan wordt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

  • a.

    gelijktijdig met het tenietdoen van de foerageerfunctie van het ganzenrustgebied, geborgd is dat elders in de foerageerfunctie voorzien is door aaneengesloten percelen grasland die grenzen aan het aan te tasten ganzenrustgebied;

  • b.

    de totale oppervlakte en kwaliteit van de percelen in voedingswaarden gelijk is aan de oppervlakte en kwaliteit van de onttrokken percelen; en

  • c.

    het gaat om een activiteit:

    • 1.

      voor uitvoering van vastgestelde maatregelen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen volgens de Omgevingswet; of

    • 2.

      van groot openbaar provinciaal belang waarvoor geen reëel alternatief bestaat dat het Ganzenrustgebied niet of minder aantast.

Artikel 6.48c Indieningsvereisten vergunning tenietdoen foerageerfunctie Ganzenrustgebied

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 6.48a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • b.

    van de locatie van de activiteit met als gevolg onttrekken foerageergebied;

    • 1.

      kadastrale aanduiding;

    • 2.

      afmetingen en totale oppervlakte in hectaren;

    • 3.

      huidig gebruik van de grond;

    • 4.

      startdatum en einddatum van de uitvoering van de activiteit;

  • c.

    van de locatie van het aangetrokken foerageergebied;

    • 1.

      kadastrale aanduiding;

    • 2.

      afmetingen en totale oppervlakte in hectaren

    • 3.

      startdatum functioneren van het gebied als Ganzenrustgebied;

    • 4.

      foto's van het compenserende grasland; en

  • d.

    een overeenkomst ondertekend door de rechthebbende waarin degene zich akkoord verklaart dat de percelen aangewezen worden als ganzenrustgebied en vanaf de datum van de aanwijzing toegevoegd worden aan het bestand van te taxeren percelen voor de tegemoetkoming in de eventuele schade veroorzaakt door ganzen. Deze overeenkomst bevat in ieder geval:

    • 1.

      een topografische kaart op schaal 1:5 met daarop omlijnd de kadastrale percelen aangeduid met secties en nummers van het te onttrekken foerageergebied in hectaren; en

    • 2.

      een topografische kaart op schaal 1:5 met daarop omlijnd de kadastrale percelen aangeduid met secties en nummers van het compenserende foerageergebied in hectaren.

Artikel 6.48d Meldplicht tijdelijke aantasting foerageerfunctie Ganzenrustgebied

  • 1.

    Het is verboden zonder melding een activiteit uit te voeren die de foerageerfunctie van een Ganzenrustgebied tijdelijk aantast.

  • 2.

    Deze tijdelijke aantasting houdt in:

  • 3.

    Minimaal 4 weken voordat de activiteit uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.

Artikel 6.48e Indieningsvereisten melding tijdelijke aantasting foerageerfunctie Ganzenrustgebied

Bij een melding, bedoeld in Artikel 6.48d, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • b.

    van de locatie van de activiteit:

    • 1.

      kadastrale aanduiding;

    • 2.

      afmetingen en totale oppervlakte in hectaren;

    • 3.

      huidig gebruik van de grond;

    • 4.

      startdatum en einddatum van de uitvoering van de activiteit.

OOOOOOOOO

Artikel 6.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.49 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij bestrijding veldmuis

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het doden, vangen, verstoren of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de veldmuis, als deze activiteiten plaatsvinden door of in opdracht van de grondgebruiker met als doel om schade op diens gronden of in het omringende gebied te voorkomen.

PPPPPPPPP

Artikel 6.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.50 Indieningsvereisten melding vergunningvrije bestrijding veldmuis

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding voor de bestrijding van veldmuizen, bedoeld in Artikel 6.49, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een melding, bedoeld in Artikel 6.49, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 1.12;

  • a b.

    locatie van de bestrijding;

  • b c.

    datum en tijdstip van het uitvoeren van de bestrijding;

  • c d.

    frequentie van de bestrijding;

  • d e.

    manier van de bestrijding;

  • e f.

    uitvoerder van de bestrijding.

QQQQQQQQQ

Artikel 6.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.51 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij specifieke diersoorten

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de soorten, genoemd in de bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten, als de activiteit nodig is:

  • a.

    in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

  • b.

    ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

  • c.

    in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

  • d.

    in het kader van bestendig beheer van of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchtvaartterreinen, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of

  • e.

    in het kader van bestendig beheer van of onderhoud aan de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

RRRRRRRRR

Artikel 6.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.52 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij vergunning ander bevoegd gezag voor bezit en vervoer dieren en planten

De verboden, bedoeld in de artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet als voor het onder zich hebben of vervoeren van de soort een vrijstelling of vergunning is verleend door een ander bevoegd gezag.

SSSSSSSSS

Artikel 6.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.54 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij veiligstelling amfibieën tegen verkeer

  • 1.

    De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving en het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor amfibieën als die activiteiten plaatsvinden om deze dieren veilig te stellen tegen het verkeer.

  • 2.

    Het eerste lid is alleen van toepassing op het vervoer van de dieren over een afstand van maximaal 100 meter vanaf de vangplaats.

TTTTTTTTT

Artikel 6.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.55 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij vangen amfibieën voor onderzoek en onderwijs

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen van de Meerkikker (Pelophylax ridibundus), de Middelste groene kikker (Pelophylax kl. esculentus), de Bruine kikker (Rana temporaria) en de Gewone pad (Bufo bufo), voor zover dit plaatsvindt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor dieren waarvan de metamorfose is voltooid.

UUUUUUUUU

Artikel 6.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.56 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij bezit en vervoer keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot voor onderzoek en onderwijs

De verboden op het vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot voor gebruik van deze producten bij onderzoek of onderwijs.

VVVVVVVVV

Artikel 6.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.57 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij uitzetten gevangen dieren en geraapte eieren

Het verbod op het uitzetten van dieren of eieren van dieren, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetOmgevingswet gelezen in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor dieren of eieren die zijn gevangen of geraapt op grond van artikel 6.51Artikel 6.51, mits het uitzetten van soorten of hun eieren binnen 8 uur plaatsvindt in voor de soort geschikt habitat op zo kort mogelijke afstand van de locatie van het vangen of rapen.

WWWWWWWWW

Afdeling 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.5 Invasieve exoten, bestrijding Aziatische duizendknoop

Artikel 6.59 Specifieke zorgplicht bestrijding Aziatische duizendknoop

Degene die op of in de grond activiteiten uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door die activiteiten planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten kunnen worden verspreid, is verplicht om:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die verspreiding te voorkomen;

  • b.

    de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken; en

  • c.

    als de verspreiding niet kan worden voorkomen, de activiteiten achterwege te laten.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 6.60 Verbod verspreiding Aziatische duizendknoop

Het is verboden om planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten, door maaien, grondverzet of anderszins te verspreiden.

[Vervallen per <datum>]

Artikel 6.61 Meldplicht gevolgen verspreiding Aziatische duizendknoop

  • 1.

    Het is verboden zonder melding de maatregelen in Artikel 6.59 uit te voeren.

    [Vervallen per <datum>]

  • 2.

    Minimaal 10 dagen voordat de maatregelen voor de bestrijding van de Aziatische duizendknoopsoort uitgevoerd worden, wordt de melding ingediend.

    [Vervallen per <datum>]

  • 3.

    Gedeputeerde staten sturen de melding zo spoedig mogelijk door aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de verspreiding zich voordoet.

    [Vervallen per <datum>]

Artikel 6.62 Maatwerkvoorschriften maatregelen Aziatische duizendknoop

  • 1.

    Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de maatregelen, bedoeld in Artikel 6.59.

    [Vervallen per <datum>]

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen een perceeleigenaar, gebruiker of andere zakelijk gerechtigde van grond bij maatwerkvoorschrift verplichten om de grond te ontdoen van planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten, als dit nodig is vanwege:

    • a.

      het behouden en versterken van de biodiversiteit;

    • b.

      het niet voldaan hebben aan de zorgplicht die geldt op basis van Artikel 6.59; of

    • c.

      het niet uitvoeren of laten uitvoeren van de maatregelen genoemd in Artikel 6.59.

    [Vervallen per <datum>]

  • 3.

    Het maatwerkvoorschrift bevat: [Vervallen per <datum>]

    • a.

      een kaart van de grond met de plaats waarop de te bestrijden planten of delen van planten van de Aziatische duizendknoopsoorten zich bevinden;

    • b.

      de termijn of termijnen waarbinnen aan de opruimplicht moet zijn voldaan; en

    • c.

      de geschikte methode of methoden voor bestrijding van de Aziatische duizendknoopsoorten.

Artikel 6.63 Indieningsvereisten melding beperken verspreiding Aziatische duizendknoop

In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding, bedoeld Artikel 6.61, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de maatregelen;

  • b.

    de datum en het tijdstip van het uitvoeren van de maatregelen;

  • c.

    de frequentie van de maatregelen;

  • d.

    de aard en de manier van de uitvoering van de maatregelen.

[Vervallen per <datum>]

XXXXXXXXX

Artikel 7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1 Oogmerk UNESCO Werelderfgoed

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van het Gebied UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en het Gebied UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone) en het Gebied UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse limes (bufferzone).:

YYYYYYYYY

Artikel 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.2 Aanwijzing UNESCO Werelderfgoed

Het UNESCO Werelderfgoed bestaat uit:

ZZZZZZZZZ

Artikel 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.3 Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies

AAAAAAAAAA

Artikel 7.3a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.3a Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone)

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone):

    • a.

      neemt de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes in acht en bevat regels ter instandhouding en versterking daarvan; en

      neemt in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes de kernkwaliteiten in acht en bevat regels die strekken tot bescherming, instandhouding en versterking daarvan; en

    • b.

      bevat geen regels die activiteiten toestaan die diede kernkwaliteiten als uitdrukking van de uitzonderlijke universele waarde aantasten.

  • 2.

    Als uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV Cultuurhistorie.

    De kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes zijn vastgelegd in de Bijlage XV Cultuurhistorie.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een beschrijving van de in het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes; en

      een beschrijving van de kernkwaliteiten als uitdrukking van de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes in het plangebied; en

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop die waardekernkwaliteiten in acht iszijn genomen.

BBBBBBBBBB

Artikel 7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.4 Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone)

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone) bevat regels ter instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes.

  • 2.

    Als uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV.

    De kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes zijn vastgelegd in de Bijlage XV Cultuurhistorie.

  • 3.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone) bevat in ieder geval een verbod op het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van activiteiten met een oppervlakte van 100 m2 of meer, waarbij de bodem tot meer dan 30 centimeter onder maaiveld wordt geroerd.

  • 4.

    De oppervlakte- en dieptemaat kunnen zowel naar boven als naar beneden worden bijgesteld, voor zover archeologische gegevens hier aanleiding toe geven en de bijstelling ondersteund wordt door een motivering, opgesteld door een archeologisch deskundige.

  • 5.

    Het archeologisch onderzoek en ex-situ behoud in de vorm van een opgraving wordt uitgevoerd conform de geldende kwaliteitsregels in de Nederlandse archeologie, door een daartoe op grond van artikel 5.3 Erfgoedwet gecertificeerd bedrijf.

  • 6.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een beschrijving van de in de directe omgeving van het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes; en

      een beschrijving van de in de aangrenzende kernzone aanwezige kernkwaliteiten als uitdrukking van de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes, evenals de in het plangebied aanwezige archeologische waarden van de Limes;

    • b.

      een beschrijving en motivering van de wijze waarop die waarde wordtwaarden worden beschermd.

CCCCCCCCCC

Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 Beoordelingsregel aanvraag ontheffing UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies

Ontheffing van Artikel 7.3, eerste lid, kan alleen worden verleend als:

Ontheffing van Artikel 7.3, eerste lid, kan alleen worden verleend voor activiteiten die in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies, waarbij:

  • a.

    er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang;

  • b.

    reële alternatieven die de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies niet of minder aantasten ontbreken;

  • c.

    de aantasting van de kernkwaliteiten zoveel mogelijk wordt beperkt; en

  • d.

    er op of nabij de locatie waarvoor ontheffing wordt gevraagd voldoende compenserende maatregelen worden genomen, in de vorm van versterking van de resterendeuitzonderlijkeuitzonderlijke universele waardeuniversele waarde van de Hollandse Waterlinies.

DDDDDDDDDD

Artikel 7.5a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone)

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het Gebied UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone) wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de voorgenomen activiteit de uitzonderlijke universele waardekernkwaliteiten als uitdrukking van de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes niet aantast.

EEEEEEEEEE

Artikel 7.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.8 Aanwijzing Cultuurhistorische hoofdstructuur

FFFFFFFFFF

Artikel 7.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.9 Instructieregel beschermen en benutten Cultuurhistorische hoofdstructuur

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied cultuurhistorische hoofdstructuurhoudtbevat regels die rekening houden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en bevat regels ter bescherming en benutting van deze waarden.

  • 2.

    De waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur zijn per gebied vastgelegd in de Bijlage XV Cultuurhistorie.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden.

GGGGGGGGGG

Artikel 7.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.10 Instructieregel uitzondering verstedelijkingsverbod Historische buitenplaatszone en Militair erfgoed

  • 1.

    In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan verstedelijking toestaan in de Historische buitenplaatszone en het Gebied militair erfgoed, onder voorwaarde dat de verstedelijking:

    In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Historische buitenplaatszone, regels bevatten die verstedelijking toestaan onder voorwaarde dat de verstedelijking:

    • a.

      kleinschalig is;

    • b.

      gericht is op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone dan wel het Gebied militair erfgoed; en

      nodig is voor het creëren van nieuwe economische kostendragers die noodzakelijk zijn voor het duurzaam behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van een buitenplaats in de Historische buitenplaatszone; en

    • c.

      zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

HHHHHHHHHH

Artikel 7.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.11 Aanwijzing landschap

Het Landschap bestaat uit Binnen de provincie Utrecht zijn 5 gebieden te onderscheiden die als een landschap geduid worden:

IIIIIIIIII

Artikel 7.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.14 Toepassingsbereik activiteiten landschapborden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten in het Gebied landschappelijke waarden.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten die niet zichtbaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats;

    • b.

      borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten in het inwendige deel van een onroerende zaak;

    • c.

      onverlichte kunstuitingen;

    • d.

      borden aangebracht door een vaarwegvaarwegbeheerder- of waterbeheerder voor de zwemveiligheid;

    • e.

      borden of tijdelijke spandoeken aangebracht door een wegbeheerder voor de verkeersveiligheid;

    • e f.

      borden voor educatieve of geografische informatie over een gebied of bezienswaardigheid;

    • f g.

      borden die zijn aangebracht zijn ter voldoening aan een wettelijk voorschrift;

    • g h.

      borden voor verkiezingen van een openbaar bestuur; tijdens 5 weken voor en 3 weken na deze verkiezingen;

    • h i.

      onverlichte, officiële binnenlandse en buitenlandse vlaggen op locaties waar geen vlaggen zijn geplaatst zijn bedoeld in de onderdelen A, B, D, E en H van Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid is Artikel 7.15 wel van toepassing op de borden, bedoeld in onderdeel d tot en met f van dat lid.

    Voor de borden, bedoeld in onderdeel d tot en met g van het tweede lid, is de specifieke zorgplicht in Artikel 7.15 wel van toepassing.

JJJJJJJJJJ

Artikel 7.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.15 Specifieke zorgplicht borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

  • 1.

    Degene die in het Gebied landschappelijke waarden een bord, spandoek, vlag, informatiezuil of vergelijkbaar object plaatst of behoudt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 7.13, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen,: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden beperkt,: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen ofen vergelijkbare objecten worden verwijderd worden zodra zijdeze hun feitelijke betekenis hebben verlorenverloren hebben;

    • b.

      borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten en dragende hulpconstructies in goede staat worden gehoudengehouden worden;

    • c.

      borden en spandoeken voor of tegen een gebouw niet boven de goot- of dakrand uitsteken en vlaggen voor een gebouw niet boven de nok uitsteken; en

    • d.

      als borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten worden verlichtverlicht worden:

      • 1.

        geen verlichting wordt gebruikt wordt tussen 23:00 en 6:00 uur, tenzij de openingstijden van het gebouw die verlichting vereisen;

      • 2.

        geen knipperende verlichting of bewegende beelden of letters worden gebruiktgebruikt worden; en

      • 3.

        Led of-schermen en vergelijkbare schermen voldoen aan de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde.; en

      • 4.

        alle passende maatregelen genomen worden voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in Artikel 19.1, eerste lid van de Omgevingswet.

KKKKKKKKKK

Artikel 7.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.16 Verbod borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

Het is verboden in het Gebied landschappelijke waarden een bord, spandoek, vlag, informatiezuil of vergelijkbaar object te plaatsen of te behouden.

Het is verboden in het Gebied landschappelijke waarden een bord, spandoek, vlag, informatiezuil en vergelijkbaar object te plaatsen, doen plaatsen, aan te brengen, of geplaatst, aangebracht te houden, of als eigenaar of andere zakelijke gerechtigde van enig onroerende zaak plaatsing op, aan of tegen die onroerende zaak toe te staan of te gedogen, tenzij een vrijstelling uit Artikel 7.16a van toepassing.

LLLLLLLLLL

Artikel 7.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.17 Wijze van meten activiteiten landschap Meetwijze borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

Voor de toepassing van Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten wordt als volgt gemeten:

  • a.

    de afmetingen van een bord of spandoek worden bepaald door de buitenomtrek met inbegrip vaninclusief de ondergrond, achtergrond, draagconstructie en steunconstructie die kennelijk tot het bord behoren;

  • b.

    het oppervlak van een vlag en een informatiezuil wordt bepaald door de projectie van het totale oppervlak op een plat vlak;

  • c.

    de hoogte boven het maaiveld wordt gemeten vanaf het hoogste punt van het bord, spandoek, vlag, informatiezuil of vergelijkbaar object tot aan het maaiveld; en

  • d.

    dubbelzijdige borden gelden als 1 bord, tenzij in Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten anders is bepaaldbepaald is.

MMMMMMMMMM

Artikel 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.1 Instructieregel agrarisch bedrijf

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven bevat geen regels die voorzien in:

    • a.

      nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en:

      • 1.

        de verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; of

      • 2.

        de oprichting van een bijzonder duurzaam agrarisch bedrijf op een locatie die in het verleden agrarisch bedrijf was mits het bedrijf volledig is ingericht op kringlooplandbouw of natuurinclusieve landbouw of soortgelijke duurzame bedrijfsmodellen en past onder het type gemeenschapslandbouw, zonder milieubelastende activiteiten bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      een omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden landbouw.;

    • c.

      een gehele of gedeeltelijke omschakeling naar sierteelt inclusief bollenteelt, of tijdelijke uitbreiding van het areaal sierteelt, inclusief bollenteelt, tenzij het telen plaatsvindt zonder chemische-synthetische gewasbeschermingsmiddelen.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven bevat regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal 1 bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal 1 bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan.

  • 3.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven kan regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing:

    • b.

      de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn;

    • c.

      de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en

    • d.

      de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.; en

    • e.

      de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de groenblauwe dooradering.

  • 4.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven kan regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten, tenzij de nevenactiviteit bijdraagt aan de dagrecreatiemogelijkheden voor bestaande woongebieden of woongebieden die nog in de nabije omgeving worden gerealiseerd waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat;

    • b.

      de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel;

    • c.

      erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en

    • d.

      omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

  • 5.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

NNNNNNNNNN

Na artikel 8.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.1a Instructieregel Nevenfuncties agrarisch bedrijf

  • 1.

    In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied Agrarische bedrijven regels bevatten die stedelijke functies toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de verstedelijking wordt uitsluitend toegestaan bij een vergunningplichtig of meldingsplichtig agrarisch bedrijf en vindt plaats binnen het bestaande agrarisch bouwperceel;

    • b.

      de verstedelijking betreft:

      • 1.

        detailhandel tot maximaal 100 m2 bvo;

      • 2.

        kleinschalige recreatieve voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, detailhandel, of overige niet-agrarische bedrijven tot maximaal 500 m2 bvo;

      • 3.

        statische opslag tot maximaal 1000 m2 bvo;

      • 4.

        een combinatie van deze functies tot maximaal 500 m2 bvo of 1000 m2 bvo als het meerdere uitsluitend statische opslag betreft;

      • 5.

        voor zover de locatie binnen een Kernrandzone, bebouwingsenclave of bebouwingslint ligt, geldt een combinatie van deze functies tot maximaal 750 m2 bvo of 1500 m2 bvo indien het meerder uitsluitend statische opslag betreft.

    • c.

      het betreft stedelijke functies die naar hun aard en omvang passen binnen de ruimtelijke en landschappelijke gebiedskenmerken;

    • d.

      de stedelijke functie wordt zo compact mogelijk gesitueerd binnen het agrarische bouwperceel en landschappelijk goed ingepast;

    • e.

      de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

  • 2.

    In afwijking van eerste lid, onder b, kan een omgevingsplan regels bevatten die 500 m2 bvo extra aan stedelijke functies toestaan ten opzichte van de maximale oppervlakten genoemd onder iv. en v., mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de stedelijke functie gaat gepaard met een aantoonbare versterking van de omgevingskwaliteit, waaronder in ieder geval wordt begrepen de sloop van bebouwing die niet meer wordt gebruikt voor het agrarische bedrijf of de stedelijke functies, tenzij deze bebouwing cultuurhistorisch waardevol is; en

    • b.

      de maximale oppervlakte voor detailhandel niet meer dan 100 m2 bvo bedraagt.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

OOOOOOOOOO

Artikel 8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.2 Instructieregel landbouwontwikkelingsgebied

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landbouwontwikkelingsgebied kan regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor niet-grondgebonden landbouw tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing;

    • b.

      de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn;

    • c.

      de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en

    • d.

      de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.; en

    • e.

      de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de groen-blauwe dooradering.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

PPPPPPPPPP

Artikel 8.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.4 Instructieregel geitenhouderij

  • 1.

    Een omgevingsplan bevat geen regels die voorzien in:

    • a.

      de vestiging van een geitenhouderij of uitbreiding van een bestaande geitenhouderij;

    • b.

      de gehele of gedeeltelijke omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een geitenhouderij;

    • c.

      uitbreiding van het aantal geiten dat wordt gehouden;

    • d.

      het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het aantal vergunde of gemelde geiten aantoonbaar niet toeneemt; en

    • e.

      het tijdelijk gebruik van bouwwerken en gronden voor een geitenhouderij.

  • 2.

    Een omgevingsplan In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan regels bevatten die activiteiten, bedoeld in het eerste lid, toestaan, voor zover het activiteiten betreffen waarvoor:

    • a.

      geen meldplicht is opgenomen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      voor 11 juli 2018 een op dat moment ontvankelijke melding voor die activiteit is gedaan; of

    • c.

      voor 11 juli 2018 een op dat moment ontvankelijke aanvraag voor een vergunning voor die activiteit bij het bevoegd gezag is ingediend, uitgezonderd een aanvraag voor een vergunning voor het slopen van een bouwwerk in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht.

QQQQQQQQQQ

Artikel 8.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.6 Instructieregel glastuinbouw niet toegestaan

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied glastuinbouw niet toegestaan bevat geen regels die glastuinbouw toestaan, tenzij het de verplaatsing van solitaire glastuinbedrijven, gevestigd in de Ronde Venen en omgeving, naar de gronden in aansluiting op bestaand kassengebied in de Polder Derde Bedijking betreft.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied glastuinbouw niet toegestaan kan regels bevatten die toestaan dat bestaande glastuinbouwbedrijven worden uitgebreid, mits is voldaan aan de

    volgende voorwaarden:

    • a.

      de uitbreiding is beperkt tot een omvang die noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het glastuinbouwbedrijf tot een maximum van 2 hectare;

    • b.

      er is geen sprake van zwaarwegende landschappelijke bezwaren; en

    • c.

      bestaande omringende activiteiten worden niet onevenredig aangetast of beperkt.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; en

    • b.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat verplaatsing van het glastuinbouwbedrijf naar een Concentratiegebied glastuinbouw niet mogelijk is.

RRRRRRRRRR

Na afdeling 8.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 8.3 Stikstofemissie

Paragraaf 8.3.1 In en om Natura 2000-gebieden

Artikel 8.8 Bemesting in Stikstofexclusiegebied
  • 1.

    Het is verboden in een Stikstofexclusiegebieddierlijke meststoffen en kunstmest uit te rijden.

  • 2.

    De landbouwer toetst hiervoor in diens bemestingsplan of diens activiteiten voldoen aan deze bemestingseisen.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover, met het oog op de voor het Natura 2000-gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen, voorwaarden aan het gebruik van meststoffen vastgelegd zijn door middel van:

    • a.

      een subsidiebeschikking voor agrarisch natuurbeheer; of

    • b.

      een overeenkomst voor agrarisch natuurbeheer met de betreffende terreinbeheerder.

Artikel 8.9 Bemesting in Stikstofreductiezone
  • 1.

    Het is verboden in een Stikstofreductiezone:

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet als gedeputeerde staten voorwaarden verbonden hebben aan de bemesting door middel van een maatwerkvoorschrift of natuurvergunning.

  • 3.

    De op grond van het tweede lid toegestane hoeveelheid bemesting moet het bereiken van de voor dit Natura 2000-gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen mogelijk maken.

  • 4.

    De landbouwer toetst met behulp van diens bemestingsplan of diens activiteiten voldoen aan deze bemestingseisen.

Paragraaf 8.3.2 Melkveehouderij

Artikel 8.10 Emissiegrenswaarde melkveehouderij
  • 1.

    Vanaf 1 januari 2035 bedraagt het gemiddelde van de afgelopen 3 jaar van de bedrijfsspecifieke emissie van ammoniak naar de lucht van een melkveehouderij niet meer dan 40 kilogram per hectare per jaar, zoals berekend met de voor elk van die 3 jaren geldende versie van de Rekenregels van de KringloopWijzer.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen met een maatwerkvoorschrift of een voorschrift in een natuurvergunning een hogere maximale waarde vaststellen voor zover met een programma toereikende maatregelen geborgd zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden.

Artikel 8.11 Monitoring ammoniakemissie melkveehouderij
  • 1.

    Vanaf 1 januari 2027 monitort een melkveehouder de ammoniakemissie naar de lucht van diens melkveehouderij en levert jaarlijks voor 31 mei bij gedeputeerde staten de volgende gegevens als XML-bijlage aan:

    • a.

      de invoergegevens, de berekening en de uitkomsten van de berekening van de bedrijfsspecifieke emissie van ammoniak van het afgelopen kalenderjaar door middel van de nieuwste versie van het programma KringloopWijzer Melkvee;

    • b.

      het aantal uren weidegang van het afgelopen kalenderjaar; en

    • c.

      het gewogen gemiddelde ureumgehalte van het afgelopen kalenderjaar.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt op grond van het eerste lid gebruikmaken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de Omgevingswet, deze verordening, de Meststoffenwet, de Wet dieren en de Landbouwwet.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen de informatie die is verstrekt op grond van het eerste lid gebruiken voor de toepassing van artikel 2.18, eerste lid, onder g en artikel 20.1, eerste lid, van de Omgevingswet, artikel 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 8.12 Berekening ammoniakemissie melkveehouderij
  • 1.

    Bij de berekening van de bedrijfsspecifieke emissie van ammoniak worden de stalemissies van melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder, inclusief kalveren jonger dan 14 dagen, berekend met de emissiefactor van 13 kilogram ammoniak per dierplaats per jaar.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen met een maatwerkvoorschrift of een voorschrift in een natuurvergunning een van het eerste lid afwijkende emissiefactor vaststellen voor een huisvestingsysteem van een melkveehouderij.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen aanvullende maatwerkvoorschriften of voorschriften in een natuurvergunning vaststellen voor de berekening van de bedrijfsspecifieke emissie van ammoniak, wanneer in de rekenregels van de KringloopWijzer of de Handreiking bedrijfsspecifieke excretie aangegeven is dat in deze omstandigheden niet of onvoldoende voorzien is.

Artikel 8.13 Registratie weidegang

Vanaf 1 januari 2033 registreert de melkveehouder de weidegang van diens melkvee met een van de systemen genoemd op de door gedeputeerde staten vastgestelde lijst meetsystemen voor individuele koe-registratie van weidetijd.

Paragraaf 8.3.3 Intensieve veehouderij

Artikel 8.14 Emissiegrenswaarde huisvestingssysteem vleeskalveren

Vanaf 1 januari 2035 is, in afwijking van artikel 4.819 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor vleeskalveren jonger dan 1 jaar, de emissie van ammoniak, uitgedrukt in ammoniak per dierplaats per jaar, niet meer dan 0,175.

Artikel 8.15 Emissiegrenswaarde huisvestingssysteem varkens
  • 1.

    Vanaf 1 januari 2035 is, in afwijking van artikel 4.820 leden 1, 2 en 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de emissie bij een huisvestingssysteem voor varkens, met inbegrip van een aanvullende techniek, niet meer dan de emissiegrenswaarde uitgedrukt in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar, bedoeld in Bijlage XXI Technische eisen huisvestingssysteem.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen met een maatwerkvoorschrift of een voorschrift in een natuurvergunning een lagere maximale waarde vaststellen wanneer het huisvestingssysteem een oppervlakte heeft voor

    • a.

      gespeende biggen tot 35 kilogram van ten minste 0,6 vierkante meters per dier;

    • b.

      vleesvarkens en gelten tot 50 kilogram van ten minste 0,8 vierkante meters per dier;

    • c.

      vleesvarkens en gelten tot 85 kilogram van ten minste 1,1 vierkante meters per dier;

    • d.

      vleesvarkens en gelten tot 110 kilogram van ten minste 1,3 vierkante meters per dier;

    • e.

      vleesvarkens en gelten van meer dan 110 kilogram van ten minste 1,5 vierkante meters per dier;

    • f.

      zogende zeugen met biggen tot 40 dagen oud van ten minste 7,5 vierkante meters per dier;

    • g.

      fokzeugen van 2,5 vierkante meters per dier; en

    • h.

      fokberen van ten minste 6,0 vierkante meters per dier.

Artikel 8.16 Emissiegrenswaarde huisvestingssysteem kippen
  • 1.

    Vanaf 1 januari 2035 is, in afwijking van artikel 4.820 leden 1, 2 en 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor kippen de emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar, niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in Bijlage XXI Technische eisen huisvestingssysteem.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen met een maatwerkvoorschrift of een voorschrift in een natuurvergunning een soepelere maximale emissiewaarde vaststellen wanneer het huisvestingssysteem voor kippen een uitloop heeft met een oppervlakte, die groter of gelijk is dan 4 vierkante meters per legkip of per vleeskuiken en 1 vierkante meters per opfokhaan of -hen.

Artikel 8.17 Afwijkende emissiegrenswaarde

In een natuurvergunning of maatwerkvoorschrift kunnen gedeputeerde staten afwijkend van de artikelen Artikel 8.14, Artikel 8.15 en Artikel 8.16 een emissiegrenswaarde vaststellen wanneer de veehouder op andere wijze de beoogde emissiereductie bereikt.

SSSSSSSSSS

Artikel 9.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.1 Oogmerk kwaliteit en vitaliteit landelijk gebied

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van de kwaliteit en vitaliteit van het Landelijk gebied.

TTTTTTTTTT

Artikel 9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.2 Aanwijzing landelijk gebied en stedelijk gebied

De provincie Utrecht bestaat uit:

UUUUUUUUUU

Artikel 9.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.3 Instructieregel verstedelijkingsverbod Landelijk gebied

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebied laat geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

VVVVVVVVVV

Artikel 9.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.5 Instructieregel legalisatie bestaand gebruik en bebouwing bij stedelijke functie

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebied kan voorzien in legalisatie van het bestaand gebruik van en bestaande bebouwing voor stedelijke activiteiten, alsmits is voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is gemotiveerd dat tegen dit gebruik en tegen deze bebouwing redelijkerwijs niet meer juridisch kan worden opgetreden; en

    • b.

      de legalisatie heeft, op de schaal van het gehele buitengebied van een gemeente, slechts betrekking op enkele gevallen.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

WWWWWWWWWW

Artikel 9.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.6 Instructieregel woning, woonschip en woonark in landelijk gebied

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebied bevat geen regels die toestaan dat een woning, woonschip of woonark landschappelijk niet goed inpasbaar is.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebied kan regels bevatten die:

    • a.

      de uitbreiding van bestaande woningen mogelijk maken onder de voorwaarde dat, mits is voldaan aan de regels voorzien in een maximale inhoudsmaat, zodanig dat de woning landschappelijk goed inpasbaar is;volgende voorwaarden:

      • 1.

        de regels voorzien in een maximale inhoudsmaat, tenzij de bestaande woning groter is dan de maximale inhoudsmaat, dan wordt de inhoudsmaat van die woning in bestaande omvang vastgelegd; en

      • 2.

        een goede landschappelijke inpassing;

    • b.

      de splitsing van een bestaande woning in 2 of meer woningen mogelijk maken, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

      • 1.

        de maximale inhoudsmaat voor 1 woning of de bestaande omvang van de woning, als deze groter is, niet wordt overgeschreden;

      • 2.

        er sprake blijft van 1 samenhangend bouwvolume; en

      • 3.

        een goede landschappelijke inpassing;

    • b c.

      voorzien in de vergroting van ligplaatsen van woonschepen of woonarken of in de vergroting van de maatvoering van woonschepen of woonarken onder de voorwaarde dat de regels voorzien in een maximale oppervlakte van de ligplaats en een maximale maatvoering van het woonschip of woonark, zodanig dat het woonschip of de woonark landschappelijk goed inpasbaar is; of

    • c d.

      nieuwe vervangende ligplaatsen voor woonschepen of woonarken toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

      • 1.

        het gaat om woonschepen en woonarken die afkomstig zijn uit zeer kwetsbare gebieden en de nieuwe locatie is uit ruimtelijk oogpunt aanmerkelijk minder bezwaarlijk, of de vervangende ligplaats is uitsluitend bestemd voor woonschepen met een historische waarde; en

      • 2.

        de maatvoering van woonschepen of woonarken en ligplaats is zodanig, dat het woonschip of de woonark landschappelijk goed inpasbaar is.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt deelonderdeel uit van de onderbouwing, als hetde nieuwe besluit substantieel grotere maten mogelijk maakt ten opzichte van het vigerende besluitregel voorziet in een maximale inhoudsmaat.

XXXXXXXXXX

Artikel 9.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.7 Instructieregel bebouwingsenclave en -lintbebouwingslint

YYYYYYYYYY

Na artikel 9.7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.8 Instructieregel recreatiewoning

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied recreatiewoning bevat regels die het recreatief gebruik van recreatiewoningen en bijbehorende gronden garanderen en omvorming van deze recreatiewoningen en gronden ten behoeve van permanente bewoning uitsluiten.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied recreatiewoning regels bevatten waarbij de inhoudsmaat voor een recreatiewoning vergroot kan worden met maximaal 25 m3 tot een maximale inhoudsmaat van 275 m3, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de vergroting is uitsluitend ten behoeve van de verduurzaming van de woning; en

    • b.

      zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

ZZZZZZZZZZ

Artikel 9.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8 Instructieregel recreatiewoning

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied recreatiewoning bevat regels die het recreatief gebruik van recreatiewoningen en bijbehorende gronden garanderen en omvorming van deze recreatiewoningen en gronden ten behoeve van permanente bewoning uitsluiten.

[Vervallen]

AAAAAAAAAAA

Na artikel 9.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.8a Instructieregel vakantiepark

  • 1.

    In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Gebied vakantiepark regels bevatten die uitbreiding van een vakantiepark toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het vakantiepark wordt bedrijfsmatig geëxploiteerd;

    • b.

      de uitbreiding is gericht op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van de vitalisering, het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van het vakantiepark;

    • c.

      het vakantiepark of de uitbreiding daarvan wordt in samenhang ontwikkeld met dagrecreatieve voorzieningen of recreatiegroen ter verbetering of uitbreiding van dagrecreatiemogelijkheden en biodiversiteit;

    • d.

      zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving;

    • e.

      omliggende functies worden niet onevenredig geschaad.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

BBBBBBBBBBB

Artikel 9.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.9 Instructieregel bestaande stedelijke functie, anders dan wonen

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebied kan regels bevatten die toestaan dat percelen voor specifieke stedelijke functies een andere stedelijke functie krijgen, niet zijnde permanente bewoning van een recreatiewoning, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de nieuwe stedelijke functie betreft;

      • 1.

        detailhandel tot maximaal 100 m2 bvo;

      • 2.

        kleinschalige recreatieve voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen, kantoren en overige bedrijven:

    • a b.

      percelen voor specifieke stedelijke functies een andere stedelijke functie krijgen, niet zijnde permanente bewoning van een recreatiewoning, kantoor of detailhandel, onder de voorwaarde dat de functiewijziging naar aard en omvang, op basis van een integrale afweging, niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving, dat bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd;

      de functiewijziging leidt niet naar aard en omvang, op basis van een integrale afweging, tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving;

    • c.

      bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden;

    • d.

      dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd;

    • b e.

      de stedelijke functies worden uitgebreidfunctie kan met maximaal 20% van de bebouwingsmogelijkheden worden uitgebreid onder het vigerende planologisch regime. Van deze maximale uitbreiding kan afgeweken worden mits er sprake is van een economische noodzaak. Ook het functievlak kan worden uitgebreid als er sprake is van een economische noodzaak.; en

    • f.

      wanneer de stedelijke functie een bedrijfskavel betreft, kan het functievlak uitgebreid worden tot maximaal 1,5 hectare als er sprake is van een economische noodzaak.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

CCCCCCCCCCC

Na artikel 9.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.9a Instructieregel militaire kazerne

  • 1.

    In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied militaire kazerne regels bevatten die toestaan dat op het militaire terrein verstedelijking plaatsvindt, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de bebouwing maximaal 30% van het militaire terrein;

    • b.

      noodzakelijk is ten behoeve van militaire doeleinden, niet zijnde kantoor voor niet-militaire doeleinden of detailhandel;

    • c.

      bebouwing wordt landschappelijk goed ingepast op zodanige wijze dat natuurwaarden op en nabij het militaire terrein zoveel mogelijk wordt ontzien;

    • d.

      bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden zoveel mogelijk behouden; en

    • e.

      omliggende functies worden niet onevenredig geschaad.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

DDDDDDDDDDD

Artikel 9.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.10 Instructieregel kernrandzone

  • 1.

    Een In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Kernrandzonekanregels bevatten dieverstedelijking toestaan ten behoeve van het versterken van de ruimtelijke kwaliteit regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de verstedelijking gaat gepaard met versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied die in een redelijke verhouding staat tot de aard en de omvang van de verstedelijking, tenzij de verstedelijking betrekking heeft op kernrandactiviteiten;

    • b.

      de verstedelijking is ruimtelijk en landschappelijk goed inpasbaar en wordt, met uitzondering van windenergie en zonnevelden, in aansluiting op het Stedelijk gebiedof op een voormalig agrarisch bouwvlak gerealiseerd, of in samenhang met overige verstedelijkte structuur;

    • c.

      tijdige en duurzame realisatie van de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit is geborgd; en

    • d.

      omliggende functies worden niet onevenredig geschaad.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt op welk gebied deze toepassing betrekking heeft en dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan;

    • b.

      een beschrijving van de in het plangebied voorkomende ruimtelijke kwaliteit en de wijze waarop met het versterken daarvan is omgegaan. Hierbij wordt aangegeven hoe de verstedelijking aansluit op de ruimtelijke en landschappelijke structuur; en

    • c.

      een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

EEEEEEEEEEE

Artikel 9.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.11 Instructieregel functiewijzing (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar stedelijke functie (anders dan wonen)

  • 1.

    Een In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebiedkan regels bevatten die toestaan dat ophet agrarische bedrijfspercelenbedrijfsperceel waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bedrijfswoning en overige bedrijfsgebouwen een stedelijke functie, niet zijnde wonen, of een combinatie van stedelijke functies krijgen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een Concentratiegebied glastuinbouw;

    • b.

      door sloop wordt de oppervlakte van de fysiek aanwezige bebouwing met 50% gereduceerd, waarbij te behouden historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing niet in de berekening wordt betrokken, tenzij:

      • 1.

        het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening; of

      • 2.

        het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve beleving of recreatief gebruik waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat;

      • 3.

        het gaat om de hervestiging van één of enkele bedrijven dieeen bedrijf dat op hunde oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormdenvormt of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantastenaantast en die op de nieuwe locatie, nabij de kern, goed inpasbaar zijnis;

      • 4.

        het gaat om vestiging van bedrijven die vanwege hun werkzaamheden met zwaar rijdend materieel zich voornamelijk richten op het landelijk gebied;

      • 5.

        er is sprake van 2 of meer bouwpercelen waar de agrarische functie is beëindigd en op de betrokken bouwpercelen gezamenlijk wordt het vereiste slooppercentage van 50% wel gehaald; of

      • 6.

        op het niveau van de gemeente of van een aantal samenwerkende gemeenten een sloopmetersystematiek van toepassing is die regelt dat een evenredige oppervlakte sloop en kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd en de nieuwe functie naar aard en omvang passend is voor de locatie; of

      • 6 7.

        de ruimtelijke kwaliteit wordt op een andere wijze verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage dan 50% rechtvaardigt;

        de ruimtelijke kwaliteit wordt op een andere en evenredige wijze verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, zoals een landschappelijk hoogwaardige herinrichting van het functievlak of van de omgeving daarvan, of vestiging van een functie die een bijzondere bijdrage levert aan de duurzame vitaliteit van het landelijk gebied.

    • c.

      als meer dan 1 functie wordt toegevoegd, leidt dit niet tot hinder tussen de functies;

    • c d.

      te handhaven en nieuw op te richten bedrijfsgebouwen worden zo compact mogelijk gesitueerd binnen het voormalige bouwperceel en het bouwperceel wordt evenredig met de oppervlakte gesloopte gebouwen verkleind;

    • d e.

      de bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden; en

    • e f.

      de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

FFFFFFFFFFF

Artikel 9.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.12 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie

  • 1.

    Een In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebiedkan regels bevatten die toestaan dat eenhet agrarisch bedrijfsperceel waar het agrarisch gebruik is beëindigd een woonfunctie wordt gegeven aan de bedrijfswoning en de tot het hoofdgebouw behorende aangebouwde bedrijfsruimte, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw, of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een Concentratiegebied glastuinbouw;

    • b.

      de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden of versterkt;

    • c.

      de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; en

    • d c.

      een kantoor of bedrijf aan huis is mogelijk als de omvang van die activiteiten ondergeschikt blijft aan de woonfunctie.; en

    • d.

      de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd;

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

GGGGGGGGGGG

Artikel 9.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.13 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’)

  • 1.

    Een In afwijking op Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebiedkan regels bevatten die op het agrarische bedrijfspercelenbedrijfsperceel waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van 1 of meerdere nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een Concentratiegebied glastuinbouw;

    • b.

      alle bedrijfsbebouwing en bedrijfsgebonden verharding op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of een bedrijfswoning;

    • c.

      de historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud;

    • b d.

      alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m2 tot 2.500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van 1 nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van 2 woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m2 of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van 3 woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor 1 woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit;

      het gezamenlijke volume van de woongebouwen in kubieke meters bedraagt niet meer dan de helft van het aantal te slopen vierkante meters bedrijfsgebouwen. Voor kassen is dit niet meer dan eentiende van het aantal te slopen vierkante meters. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, van het te realiseren woonvolume en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit;

    • c e.

      de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van deeen nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en

    • d f.

      de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Landelijk gebied regels bevatten die toestaan dat agrarische bouwpercelen een woonfunctie krijgen:

    • a.

      ter vervanging van te slopen bedrijfsgebouwen op een ander agrarisch bedrijfsperceel, waarbij de in het eerste lid genoemde voorwaarden overeenkomstig van toepassing zijn;

    • b.

      als op het niveau van de gemeente of van een aantal samenwerkende gemeenten een sloopmetersystematiek van toepassing is die regelt dat een evenredige oppervlakte aan sloop en kwaliteitverbetering worden gerealiseerd bedoeld in het eerste lid en de realisatie van betaalbare woningen op daarvoor geschikte plaatsen wordt gestimuleerd.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

HHHHHHHHHHH

Paragraaf 9.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 9.1.2 Uitbreiding woningbouw en bedrijventerreinen in landelijk gebied

Artikel 9.14 Instructieregel eenmalige uitbreiding tot 50 woningen voor lokale vitaliteit van een kern

  • 1.

    Een In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijkkan regels bevatten voor een eenmalige uitbreiding tot maximaal 50 woningen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de eenmalige uitbreiding tot maximaal 50 woningen is noodzakelijknodig voor de vitaliteit van de kern;

    • b.

      aangetoond is dat niet binnen de kern in de behoefte voorzien kan worden;

    • c.

      de woningbouw vindt plaats in aansluiting op het Stedelijk gebied en quapast wat betreft aard en omvang past bij de kern;

    • d.

      de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling;

    • e.

      de woningbouw draagt bij aan een goede kwaliteit van de nieuwe kernrandzone; en

    • f.

      en omliggende functies worden niet onevenredig geschaad.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Artikel 9.14a Instructieregel tijdelijke locaties voor flexwoningen

  • 1.

    Een In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijkkan regels bevatten voor een eenmalige en tijdelijke uitbreiding tot maximaal 50 flexwoningen per kern mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      binnen het bestaand Stedelijk gebied zijn onvoldoende locaties beschikbaar voor flexwoningen;

    • b.

      de woningbouw vindt plaats in aansluiting op het Stedelijk gebied;

    • c.

      de woningbouw leidt niet tot extrabodemdaling;

    • d.

      de woningbouw wordt gerealiseerd met een goede landschappelijke inpassing, die rekening houdt met de tijdelijkheid van de flexwoningen en de beoogde opvolgende groene of agrarische functie;

    • e.

      er wordt voorzien in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit, maar in ieder geval na 15 jaar;

    • f.

      de opruimplicht is verzekerd op het moment van vaststelling van het omgevingsplan waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt; en

    • g.

      omliggende functies worden niet onevenredig geschaad.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Artikel 9.15 Instructieregel uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk

  • 1.

    Een In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijkkan regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken of is opgenomen in de Bijlage XIX Wonen;

    • b.

      de woningbouw vindt plaats in aansluiting op het Stedelijk gebied;

    • c.

      de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling;

    • d.

      de woningbouw wordt in samenhang ontwikkeld met lokale en regionale groenontwikkeling waarbijter verbetering van of extra recreatiemogelijkheden en biodiversiteit. Waarbij de omvang van de woningbouw in evenwichtige verhouding staat tot de hoeveelheid te ontwikkelen natuur en recreatiegroen; en

    • e.

      de realisatie van natuur en recreatiehet groen en de duurzame instandhouding daarvan is verzekerd, en

    • f.

      de woningbouw draagt bij aan een goede kwaliteit van de nieuwe kernrandzone.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan;

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop de thema's van toekomstbestendig bouwen in onderlinge samenhang betrokken zijn, bedoeld in Bijlage XXII Toekomstbestendig bouwen; en

    • c.

      een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Artikel 9.16 Instructieregel uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk

  • 1.

    Een In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijkkan regels bevatten voor uitbreiding bedrijventerreinen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken of de uitbreiding bedrijventerrein is een kleinschalige ontwikkeling tot 1 hectare netto per bedrijventerrein, waarbij een gemeente in totaal 1 tot en met 3 hectare netto per 10 jaar kan toevoegen op basis van de bestaande omvang van het huidige bedrijventerreinenareaal in een gemeente:

      • 1.

        maximaal 3 hectare per 10 jaar voor gemeente Utrecht, gemeente Vijfheerenlanden, gemeente Nieuwegein, gemeente Amersfoort, gemeente Veenendaal, gemeente Woerden, gemeente De Ronde Venen, gemeente Bunschoten;

      • 2.

        maximaal 2 hectare per 10 jaar voor gemeente Soest, gemeente Houten, gemeente Zeist, gemeente Leusden, gemeente Stichtse Vecht, gemeente IJsselstein, gemeente Bunnik, gemeente Montfoort, gemeente Woudenberg, gemeente Wijk bij Duurstede;

      • 3.

        maximaal 1 hectare per 10 jaar voor gemeente Rhenen, gemeente Utrechtse Heuvelrug, gemeente de Bilt, gemeente Lopik, gemeente Renswoude, gemeente Baarn, gemeente Oudewater, gemeente Eemnes.

    • b.

      de uitbreiding bedrijventerrein laat alleen bedrijven toe die maximaal 1 milieucategorie, of vergelijkbare gebruiksruimte voor geluid en geur, lager zijn dan de vastgelegde milieucategorie in het omgevingsplan, voor zover dit mogelijk is volgens de feitelijke milieuruimte;

    • c.

      om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op de uitbreiding bedrijventerrein, bevat het omgevingsplan regels over het beperken van ontwikkelingen op maaiveld die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder:

      • 1.

        een verbod voor bedrijven op maaiveld die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven elkaar versterken in het kader van de circulaire economie of deze bedrijven conceptversterkend werken en geclusterd worden en deze bedrijven geen belemmering vormen voor de milieugebruiksruime van bestaande bedrijven:

      • 2.

        een verbod voor functies op maaiveld die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden, tenzij voorzieningen geen belemmering vormen voor de milieugebruiksruime van bestaande bedrijven en deze conceptversterkend werken en geclusterd worden:

    • c d.

      voor de uitbreiding bedrijventerrein wordt een minimum percentage aan groen-blauwe inrichting opgenomen voor het onbebouwde terrein waarbij de onverharde gronden landschappelijk worden ingepast;

    • d e.

      de uitbreiding bedrijventerrein leidt niet tot:

      • 1.

        bedrijfskavels groter dan 5 hectare;

      • 2.

        samenvoeging van kavels als hierdoor bedrijfskavels groter dan 5 hectare ontstaan; of

      • 3.

        het realiseren of verbinden van gebouwen waardoor zij de grens van een bedrijfskavel overschrijden en er daardoor een bedrijfskavel van 5 hectare of meer ontstaat, tenzij het gaat om circulaire bedrijvigheid of om verplaatsing van een bedrijf dat reeds gevestigd is in de provincie en op de huidige locatie een ruimtelijk of functioneel knelpunt veroorzaakt;

    • e f.

      de uitbreiding bedrijventerrein leidt niet tot extra bodemdaling;

    • f g.

      de uitbreiding bedrijventerrein wordt landschappelijk ingepast;

    • g h.

      de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd; en

    • h i.

      de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein, of, wanneer dat niet mogelijk is, in aansluiting op het Stedelijk gebied.

      de uitbreiding bedrijventerrein tot 1 hectare vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein in het Stedelijk gebied, de uitbreiding bedrijventerrein groter dan 1 hectare vindt plaats in aansluiting op bestaand bedrijventerrein of, wanneer dat niet mogelijk is, in aansluiting op het stedelijk gebied.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan en dat de uitbreiding bedrijventerrein een duurzame ontwikkeling is. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan;

    • b.

      op welke wijze invulling is gegeven aan een duurzame ontwikkeling van de uitbreiding bedrijventerrein; en

    • c.

      een beeldkwaliteitsparagraaf.

Artikel 9.16a Beoordelingsregel aanvraag ontheffing tijdelijke locaties voor flexwoningen

Ontheffing van Artikel 9.14a kan alleen worden verleend als:

  • a.

    er sprake is van tijdelijke flexwoningen;

  • b.

    binnen bestaand Stedelijk gebied onvoldoende locaties beschikbaar zijn voor flexwoningen;

  • c.

    de flexwoningbouw niet tot extra bodemdaling leidt;

  • d.

    de flexwoningbouw plaatsvindt in aansluiting op het Stedelijk gebied, of als dat niet mogelijk is, nabij het Stedelijk gebied;

  • e.

    omliggende functies niet onevenredig worden geschaad;

  • f.

    er wordt voorzien in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit, maar in ieder geval na 15 jaar;

  • g.

    de flexwoningbouw wordt gerealiseerd met een goede landschappelijke inpassing die rekening houdt met de tijdelijkheid van de flexwoningen;

  • h.

    afspraken worden gemaakt over een evenwichtige verhouding tussen de flexwoningen en de lokale groenontwikkeling bij locaties met meer dan 200 flexwoningen; en

  • i.

    de flexwoningbouw geen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor het provinciaal bereikbaarheidsnetwerkregionaal wegennet.

IIIIIIIIIII

Afdeling 9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 9.2 Stedelijke functies in stedelijk gebied

Artikel 9.17 Instructieregel verstedelijking

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Stedelijk gebied kan regels bevatten voor verstedelijking.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Stedelijk gebied kan regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken;

    • b.

      de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling;

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; en

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop de thema's van toekomstbestendig bouwen in onderlinge samenhang betrokken zijn, bedoeld in Bijlage XXII Toekomstbestendig bouwen.

Artikel 9.18 Instructieregel bedrijventerreinen stedelijk gebied

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Stedelijk gebied kan regels bevatten voor bedrijventerreinen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken of de uitbreiding bedrijventerrein is een kleinschalige ontwikkeling tot 1 hectare netto per bedrijventerreinbedrijventerrein en aansluitend op een bestaand bedrijventerrein, waarbij een gemeente in totaal 1 tot en met 3 hectare netto per 10 jaar kan toevoegen op basis van de bestaande omvang van het huidige bedrijventerreinenareaal in een gemeente:

      • 1.

        maximaal 3 hectare per 10 jaar voor gemeente Utrecht, gemeente Vijfheerenlanden, gemeente Nieuwegein, gemeente Amersfoort, gemeente Veenendaal, gemeente Woerden, gemeente De Ronde Venen, gemeente Bunschoten;

      • 2.

        maximaal 2 hectare per 10 jaar voor gemeente Soest, gemeente Houten, gemeente Zeist, gemeente Leusden, gemeente Stichtse Vecht, gemeente IJsselstein, gemeente Bunnik, gemeente Montfoort, gemeente Woudenberg, gemeente Wijk bij Duurstede;

      • 3.

        maximaal 1 hectare per 10 jaar voor gemeente Rhenen, gemeente Utrechtse Heuvelrug, gemeente de Bilt, gemeente Lopik, gemeente Renswoude, gemeente Baarn, gemeente Oudewater, gemeente Eemnes.

    • b.

      de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd;

    • c.

      de uitbreiding bedrijventerrein laat alleen bedrijven toe die maximaal 1 milieucategorie, of vergelijkbare gebruiksruimte voor geluid en geur, lager zijn dan de vastgelegde milieucategorie in het omgevingsplan, voor zover dit mogelijk is volgens de feitelijke milieuruimte;

    • d.

      om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het omgevingsplan regels over het beperken van ontwikkelingen op maaiveld die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder:

      • 1.

        een verbod voor bedrijven op maaiveld die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven elkaar versterken in het kader van de circulaire economie of deze bedrijven conceptversterkend werken en geclusterd worden en deze bedrijven geen belemmering vormen voor de milieugebruiksruime van bestaande bedrijven;

      • 2.

        een verbod voor functies op maaiveld die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze conceptversterkend werken en geclusterd worden en deze functies geen belemmering vormen voor de milieugebruiksruime van bestaande bedrijven.

    • d e.

      voor de uitbreiding bedrijventerrein wordt een minimum percentage aan groen-blauwe inrichting opgenomen voor het onbebouwde terrein waarbij de onverharde gronden landschappelijk worden ingepast;

    • e f.

      de uitbreiding bedrijventerrein leidt niet tot:

      • 1.

        bedrijfskavels groter dan 5 hectare;

      • 2.

        samenvoeging van kavels als hierdoor bedrijfskavels groter dan 5 hectare ontstaan; of

      • 3.

        het realiseren of verbinden van gebouwen waardoor zij de grens van een bedrijfskavel overschrijden en er daardoor een bedrijfskavel van 5 hectare of meer ontstaat, tenzij het gaat om circulaire bedrijvigheid of om verplaatsing van een bedrijf dat reeds gevestigd is in de provincie en op de huidige locatie een ruimtelijk of functioneel knelpunt veroorzaakt;

    • f g.

      de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerreinbedrijventerrein in Stedelijk gebied; en

    • g h.

      de uitbreiding bedrijventerreinen leidt niet tot extra bodemdaling.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan en dat de uitbreiding bedrijventerrein een duurzame ontwikkeling is.:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat:

      • 1.

        aan de genoemde voorwaarden is voldaan; en

      • 2.

        op welke wijze invulling is gegeven aan een duurzame ontwikkeling van de uitbreiding bedrijventerrein.

Artikel 9.18a Instructieregel bedrijventerrein van strategisch belang

  • 1.

    In aanvulling op Artikel 9.18 bevat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied Bedrijventerrein van strategisch belang geen regels voor woningbouw.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Gebied Bedrijventerrein van strategisch belang bevat regels die:

    • a.

      bedrijven toelaten met de grootst mogelijke gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, vastgelegd in een hoogst mogelijke geluidruimte zone en geurruimte zone of vergelijkbare milieuzonering, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk omgevingsplan;

    • b.

      in afwijking van sub a bij een nieuwe activiteit of wijziging van een bestaande activiteit een lagere geluidruimte zone of lagere geurruimte zone toestaan als er geen beperkingen optreden voor de gebruiksruimte bedoeld in sub a.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Artikel 9.19 Instructieregel kantoren

  • 1.

    Een omgevingsplan laat uitsluitend nieuwvestiging van zelfstandige kantoren toe, voor zover dit betrekking heeft op:

    • a.

      zelfstandige kantoren met een lokaal vestigingsgebied, voor zover deze niet gevestigd kunnen worden in gerealiseerde gebouwen of binnen plancapaciteit op basis van het vigerende omgevingsplan;

    • b.

      een eenmalige uitbreiding van gerealiseerde kantoren met maximaal 10% van het bestaande bvo van het gebouw, voor zover deze niet gerealiseerd kan worden op basis van het omgevingsplan; of

    • c.

      transformatie naar zelfstandige kantoren tot een maximum bvo van 1.500 m2 per gebouw.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Kantoorlocatie categorie 1 kan regels bevatten voor nieuwvestiging van zelfstandige kantoren.

  • 2.

    Voor zover een omgevingsplan onbenutte plancapaciteit voor zelfstandige kantoren bevat, wordt deze uitsluitend in stand gelaten als er sprake is van:

    • a.

      een verleende vergunning voor een zelfstandig kantoor;

    • b.

      een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor een zelfstandig kantoor die voor terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan is ingediend;

    • c.

      behoefte aan zelfstandige kantoren, waarbij in de behoeftebepaling rekening wordt gehouden met de geraamde vraag naar kantoren binnen een redelijke termijn en het actuele aanbod van kantoren in bestaande panden;

    • d.

      zicht op realisatie van zelfstandige kantoren met een lokaal vestigingsgebied, voor zover deze niet gevestigd kunnen worden in gerealiseerde gebouwen;

    • e.

      uitbreidingsmogelijkheden voor zelfstandige kantoren bedoeld onder a en b of reeds gerealiseerde kantoren; of

    • f.

      zelfstandige kantoren die voorzien zijn ter plaatse van bestaande gebouwen met een andere functie, tot een maximum bvo van 1500 m2 per gebouw.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Kantoorlocatie categorie 2 kan regels bevatten voor nieuwvestiging van zelfstandige kantoren tot een maximum bvo van 13.000 m2 per locatie, mits de provinciale kantorenleegstand minder dan 10% is.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een locatie binnen het Gebied Kantoor op knooppunt Utrecht Centraal en het Gebied Kantoor op knooppunt Leidsche Rijn Centrum mits de behoefte aan kantoren is aangetoond.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Kantoorlocatie categorie 3 kan regels bevatten voor nieuwvestiging van zelfstandige kantoren tot een maximum bvo van 5.000 m2 per locatie, mits de provinciale kantorenleegstand minder dan 10% is.

  • 4.

    Tot 1 januari 2029 zijn het eerste en tweede lid op locaties binnen de Reductielocaties niet van toepassing op delegatiebesluiten bedoeld in artikel 2.8 van de wet, alsmede het besluit tot verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit afwijken van de binnenplanse regels van het omgevingsplan, waar ingevolge het Inpassingsplan Kantoren nog plancapaciteit voor zelfstandige kantoren aanwezig is.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Kantoorlocatie categorie 4 kan regels bevatten voor nieuwvestiging van zelfstandige kantoren mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het betreffen zelfstandige kantoren van maximaal 3.000 m2 in de periode van 2027 tot en met 2037 per gemeente, met een maximale maatvoering per kantoor van 1.500 m2 bvo, en de provinciale kantorenleegstand minder dan 8% is; of

    • b.

      het betreft een toevoeging van maximaal 1.500 m2 zelfstandige kantoren binnen 800 meter van een trein- of tramstation en onderdeel is van een grootschalige binnenstedelijke gebiedsontwikkeling met een gemengd programma tenminste bestaande uit woningen en voorzieningen, en de provinciale kantorenleegstand minder dan 10% is.

  • 5.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Reductielocaties kan de verplaatsing van plancapaciteit voor zelfstandige kantoren toelaten, mits gelijktijdig binnen dezelfde locatie reductie plaatsvindt van minimaal hetzelfde bvo voor zelfstandige kantoren op een onbebouwd perceel.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan regels bevatten voor:

    • a.

      een eenmalige uitbreiding van gerealiseerde kantoren tot maximaal 20% van het bestaande bvo van het gebouw en maximaal 500 m per gebouw;

    • b.

      transformatie naar zelfstandige kantoren tot een maximum bvo van 1.500 m2 per gebouw.

  • 6.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Gebiedstransformatie of herstructurering kan regels bevatten voor verplaatsing van bestaande plancapaciteit voor zelfstandige kantoren, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      verplaatsing van bestaande plancapaciteit voor zelfstandige kantoren naar een ander bouwperceel binnen de locatie is noodzakelijk voor gebiedstransformatie of herstructurering;

    • b.

      het bvo voor zelfstandige kantoren op het nieuwe bouwperceel is ten hoogste gelijk aan het bvo op basis van de maximale gebruiksmogelijkheden van het te verlaten bouwperceel;

    • c.

      het betreft geen bestaande plancapaciteit voor een voormalig zelfstandig kantoor dat is getransformeerd in een andere functie; en

    • d.

      gelijktijdig met de verplaatsing van plancapaciteit worden de gebruiksmogelijkheden voor zelfstandige kantoren op het te verlaten bouwperceel beëindigd.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan regels bevatten voor transformatie naar zelfstandige kantoren tot 500 m2 of tot een maximum bvo van 1.500 m2 per gebouw op locaties voor een monument, op locaties voor historisch waardevolle of karakteristieke vrijkomende agrarische bebouwing of op locaties die onderdeel uitmaken van een historische buitenplaats wanneer de transformatie ten goede komt aan de duurzame instandhouding van de historische buitenplaats.

  • 7.

    Een ondergeschikt kantoor wordt zoveel mogelijk gerealiseerd bovenop bebouwing die feitelijk reeds aanwezig is en niet als kantoor wordt gebruikt.

    Een omgevingsplan kan regels bevatten voor verplaatsing van bestaande plancapaciteit voor zelfstandige kantoren, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de verplaatsing vindt plaats tussen locaties binnen de eigen gemeente en tussen locaties in dezelfde categorie of naar een locatie in een hogere categorie bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid;

    • b.

      het bvo voor zelfstandige kantoren op het nieuwe bouwperceel is ten hoogste gelijk aan het bvo op basis van de maximale gebruiksmogelijkheden van het te verlaten bouwperceel;

    • c.

      uiterlijk gelijktijdig met de verplaatsing van plancapaciteit worden de gebruiksmogelijkheden voor zelfstandige kantoren op het te verlaten bouwperceel beëindigd; en

    • d.

      de plancapaciteit voor kantoren op het nieuwe bouwperceel wordt uiterlijk 10 jaar na beëindiging van de gebruiksmogelijkheden voor zelfstandige kantoren op de oorspronkelijke locatie mogelijk gemaakt.

  • 8.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

    Een omgevingsplan kan regels bevatten voor verplaatsing van bestaande zelfstandige kantoren, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de verplaatsing vindt plaats tussen locaties binnen de eigen gemeente en tussen locaties in dezelfde categorie of naar een locatie in een hogere categorie bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid;

    • b.

      het bvo voor zelfstandige kantoren op het nieuwe bouwperceel is ten hoogste gelijk aan het bvo op het te verlaten bouwperceel;

    • c.

      de kantoorfunctie op de oorspronkelijke locatie wordt uiterlijk gelijktijdig beëindigd;

    • d.

      de kantoorfunctie op het nieuwe bouwperceel wordt uiterlijk 10 jaar na beëindiging van de kantoorfunctie op de oorspronkelijke locatie mogelijk gemaakt.

  • 9.

    Een ondergeschikt kantoor wordt zoveel mogelijk gerealiseerd bovenop bebouwing die feitelijk reeds aanwezig is en niet als kantoor wordt gebruikt.

  • 10.

    De motivering van een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan;

    • b.

      bij regels voor nieuwvestiging van zelfstandige kantoren een onderbouwing van de behoefte in relatie tot de gemeentelijke kantorenleegstand en bij een gemeentelijke kantorenleegstand boven frictieniveau van 7% de inzet op het terugdringen van de gemeentelijke kantorenleegstand; en

    • c.

      een beschrijving van de wijze waarop invulling is gegeven aan de indicatoren uit de leidraad Het Nieuwe Normaal Nieuwbouw voor Utiliteitsbouw - Kantoren.

Artikel 9.20 Instructieregel detailhandel

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied detailhandel buiten bestaand winkelgebied bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel dan wel het wijzigen van brancheringsregels voor detailhandel, tenzij:

    • a.

      het gaat om detailhandel waaraan een aantoonbare behoefte bestaat als gevolg van een wijziging van een omgevingsplan dat voorziet in grootschalige toevoeging van woningen of andere stedelijke ontwikkeling;

    • b.

      het gaat om brand- of explosiegevaarlijke detailhandel op bedrijventerreinen;

    • c.

      het gaat om nieuwvestiging of uitbreiding van volumineuze detailhandel als daaraan aantoonbare behoefte bestaat en in de regiohet verzorgingsgebied geen onbenutte capaciteit in omgevingsplannen voor volumineuze detailhandel aanwezig zijn;

    • d.

      het gaat om oppervlakteneutrale verplaatsing of een verplaatsing met uitbreiding van maximaal 10% van het bestaande winkelvloeroppervlakte van het gebouw van volumineuze detailhandel die noodzakelijk is vanuit het oogpunt van hinder, veiligheid, verkeersaantrekkende werking of het maatschappelijk of economisch functioneren van het gebied en onder de voorwaarde dat de bouwvlakken van de te verplaatsen detailhandel een andere functie krijgen;

    • e.

      het gaat om verplaatsing of uitbreiding van detailhandel in aansluiting op het gebied Bestaand winkelgebied als dit noodzakelijk is voor het maatschappelijk functioneren van het bestaande winkelgebied;

    • f.

      het gaat om kleinschalige ondergeschikte detailhandel op locaties binnen het Gebied bovenlokaal dagrecreatieterrein ten behoeve van de recreatieve functies op het bovenlokaal dagrecreatieterrein; of

    • g.

      het gaat om detailhandel die qua aard en omvang vergelijkbaar is met detailhandel hiervoor genoemd onder a. tot en met f. en waarvan aard en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen Bestaand winkelgebied.

      het gaat om detailhandel die wat betreft de aard en omvang vergelijkbaar is met de detailhandel bedoeld in onderdeel a. tot en met f. en waarvan de aard en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen Bestaand winkelgebied.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied detailhandel buiten bestaand winkelgebied bevat regels die voorzien in een functiewijziging van bestaande detailhandelsfunctie naar andere functies als:

    • a.

      nog geen vergunning is aangevraagd; en

    • b.

      er geen zicht is op realisatie van de functie binnen 10 jaar.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Artikel 9.21 Instructieregel ontwikkelingen rond Seveso-inrichtingen

  • 1.

    [Gereserveerd]

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied Seveso-inrichting bevat geen regels die voorzien in de ontwikkeling van nieuwe kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties binnen het brand- of explosieaandachtsgebied, tenzij op basis van bestaande uitbreidingsrechten van de ter plaatse al aanwezige functies.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op kwetsbare gebouwen en locaties binnen het Gebied Seveso-inrichting wijst een voorschriftengebied aan binnen het brand- of eplosieaandachtsgebied.

  • 3.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarde is voldaan.

JJJJJJJJJJJ

Na artikel 9.23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.23a Instructieregel dagrecreatieve voorziening

  • 1.

    In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied dagrecreatieve voorziening regels bevatten die voorzien in dagrecreatieve voorzieningen, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de dagrecreatieve voorziening is kleinschalig en voorziet in een behoefte;

    • b.

      de dagrecreatieve voorziening wordt in samenhang ontwikkeld met lokaal groenontwikkeling ter verbetering van de recreatiemogelijkheden; en

    • c.

      omliggende functies worden niet onevenredig geschaad.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

KKKKKKKKKKK

Artikel 9.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.26 Doelstelling geluidniveau in stiltegebied

De regels in deze paragraaf zijn gericht op het bereiken en behouden van:

  • a.

    een 24-uursgemiddeld geluidniveau LAeq,24h vantot maximaal 40 dB(A) in het Gebied stille kern; en

  • b.

    een 24-uursgemiddeld geluidniveau LAeq,24h vantot bij voorkeur 40 dB(A) maar maximaal 45 dB(A) in de Bufferzone stiltegebied.

LLLLLLLLLLL

Artikel 9.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.27 Instructieregel geluidniveau in stiltegebied

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Stiltegebied bevat regels die rekening houden met de doelstellingen voor het geluidniveau bedoeld in Artikel 9.26. Deze regels bevatten in ieder geval een grenswaarde in LAeq,24h per nieuw toe te wijzen geluidbron van 35 dB(A) op 50 meter afstand van die geluidbron.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met de doelstelling voor het geluidniveau is omgegaan.

MMMMMMMMMMM

Artikel 9.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.29 Instructieregel activiteiten aandachtsgebied stiltegebied

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Aandachtsgebied stiltegebied bevat regels die rekening houden met de doelstellingen voor het geluidniveau bedoeld in Artikel 9.26. Deze regels bevatten in ieder geval een grenswaarde in LAeq,24h per nieuw toe te wijzen geluidbron van 35 dB(A) in het stiltegebied, berekend op 50 meter afstand vanaf de grens van het stiltegebied.

  • 2.

    De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met de doelstelling voor het geluidniveau is omgegaan.

NNNNNNNNNNN

Paragraaf 9.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 9.4.2 Regels over activiteiten Stiltegebied

Artikel 9.30 Toepassingsbereik stiltegebiedactiviteit in Stiltegebied

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in heteenStiltegebiedverstoord kan worden verstoord.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitoefening van land-landbouw, tuin- oftuinbouw en bosbouw ofen beroepsmatige visserij;

    • b.

      de aanleg, het onderhoud ofen de exploitatie van kabels en buisleidingen voor het transport van energie ofen voor de openbare drinkwatervoorziening, met inbegrip vaninclusief toestellen die noodzakelijk voor dat transport en voorzieningen voor de directe aansluiting van eindgebruikers in de nabije omgeving;

    • c.

      de aanleg, het onderhoud ofen de exploitatie van infrastructurele werken en telecommunicatiewerken;

    • d.

      de bouw ofen het onderhoud van gebouwen; en

    • e.

      de bescherming, het onderhoud ofen het beheer van het gebied, inclusief dijkwerkzaamheden.

Artikel 9.31 Specifieke zorgplicht stiltegebiedactiviteit in Stiltegebied

  • 1.

    Degene die in een Stiltegebied een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor hetdeStiltegebiedbescherming van de stilte, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet voorkomen kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Voor activiteiten in het Stiltegebied houdt deze plicht in ieder geval in dat:

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van het stiltegebied worden getroffengenomen worden;

    • b.

      de beste beschikbare technieken worden toegepasttoegepast worden; en

    • c.

      geen significante verstoring wordt veroorzaaktveroorzaakt wordt.

Artikel 9.32 Vergunningplicht activiteiten in stiltegebiedStiltegebied

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een Stiltegebied de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a.

    een muziekinstrument of ander vergelijkbaar geluidapparaat, geluidsinstallatie en vergelijkbare geluidapparatuur te gebruiken, tenzij het geluidniveau op een afstand van 50 meter van de activiteit minder bedraagt dan LAeq,1h = 35 dB(A) bedraagt;

  • b.

    een motorrijtuig te gebruiken buiten de openbare weg, voor bestemmingsverkeer openstaande wegen, en andere locaties met de functie Verkeer, tenzij het gaat om het gebruik van een motorrijtuig:

    • 1.

      bij voor het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;

    • 2.

      door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijndiens functie;

    • 3.

      voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;

    • 4.

      voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig;

    • 5.

      bij voor het rijden naar en parkeren op een tijdelijk parkeerterrein met maximaal 30 parkeerplaatsen voor personenvoertuigen; of

    • 6.

      bij voor het parkeren, bedoeld in Artikel 3.8;

  • c.

    een vaartuig te gebruiken, tenzij het gaat om gebruik van een vaartuig:

    • 1.

      met een snelheid van minder dan 12 kilometer per uur;

    • 2.

      zonder verbrandings- of explosiemotor;verbrandingsmotor

    • 3.

      zonder explosiemotor;

    • 4.

      voor de openbare veiligheid

    • 3 5.

      voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;

    • 4 6.

      bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of

    • 5 7.

      voor de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid;

  • d.

    vuurwerk te gebruiken, tenzij het gaat om het gebruik van:

    • 1.

      het gebruik van vuurwerk dat vuurwerk dat dient als noodsignaal voor vaartuigen en noodzakelijk is voor het oproepen van personen;

    • 2.

      het gebruik van vuurwerk voor het afwenden van dreigend gevaar; of

    • 3.

      het gebruik van consumentenvuurwerk in de Bufferzone stiltegebied op een afstand van minder dan 50 meter van het eigen woonhuis, ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende de in het Vuurwerkbesluit aangewezen periode;

  • e.

    een airgun of ander knalapparatuur te gebruiken;

  • f.

    een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen te gebruiken voor seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar bodemstoffen of ontginning van bodemstoffen.;

  • g.

    een omroepinstallatie, sirene, hoorn of ander vergelijkbaar toestel bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid te gebruiken, tenzij het gaat om gebruik voor:

    • 1.

      de openbare veiligheid;

    • 1 2.

      de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;

    • 2 3.

      het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of

    • 3 4.

      de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid;

  • h.

    een modelvliegtuig, modelboot, modelauto, drone of onbemande luchtvaartuigsystemen, UAS,vergelijkbaar onbemand luchtvaartuigsysteem te gebruiken, tenzij het gaat om:

    • 1.

      een modelvliegtuig, modelboot of modelauto zonder een verbrandingsmotor; of

    • 2.

      het gebruik van onbemande luchtvaartuigsystemen, UAS, voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar, het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels, of de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid;:

      • I.

        de openbare veiligheid;

      • II.

        de afwending van dreigend gevaar;

      • III.

        het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;

      • IV.

        de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; of

      • V.

        de inspectie van privégebouwen en -terreinen binnen de grenzen van dat terrein met een drone van minder dan 250 gram.

  • i.

    een vuurwapen te gebruiken, tenzij het gaat om gebruik door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijndiens functie, of in geval van nood;

  • j.

    een toertocht voor motorrijtuigen te houden, tenzij het gaat om een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen;

  • k.

    een motorrijtuig of vaartuig proef te draaien, tenzij het gaat om het proefdraaien van een eigen motorrijtuig of vaartuig bij een woning; en

  • l.

    activiteiten met een toestel anders dan, bedoeld onderin onderdeel a. tot en met k. uit te voerengebruiken.

Artikel 9.33 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning activiteit in stilleStille kern

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit binnen het Gebied stille kern, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend voor zover:

  • a.

    zwaarwegende maatschappelijke belangen daartoe dwingen;

  • b.

    alternatieven buiten het Gebied stille kern ontbreken;

  • c.

    de activiteit op de kaart Gebied bestaand evenement of activiteit staat; en

  • d.

    rekening wordt gehouden met de doelstelling van artikel 9.26.

    het oogmerk van Artikel 9.24 niet onaanvaardbaar geschaad wordt.

Artikel 9.34 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning en maatwerkvoorschriftactiviteit in bufferzoneStiltegebied of Aandachtsgebied stiltegebied

  • 1.

    Voor niet-plaatsgebonden activiteiten kunnen maximaal 12 omgevingsvergunningen per kalenderjaar worden verleend, elk met een tijdsduur van maximaal 24 uur.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een in deze omgevingsverordening aangewezen vergunningplichtige activiteit, of een milieubelastende activiteit op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen binnen een Stiltegebied of binnen een Aandachtsgebied stiltegebied wordt slechts verleend, voor zover rekening gehouden wordt met de doelstelling van Artikel 9.26.

  • 2.

    Bij de verleninghet stellen van een vergunning voor een milieubelastende activiteitmaatwerkvoorschriften op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt rekening gehouden met de doelstelling van Artikel 9.26.

  • 3.

    Bij het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt rekening gehouden met de doelstelling van Artikel 9.26.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit binnen een Stiltegebied wordt slechts verleend voor een niet-plaatsgebonden activiteit tot maximaal 12 omgevingsvergunningen per Stiltegebied per kalenderjaar, elk met een tijdsduur van maximaal 24 uur.

Artikel 9.35 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning activiteit in stiltegebiedStiltegebied

In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit in een stiltegebied, bedoeld in Artikel 9.32, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 9.32, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:

  • a.

    gegevens genoemd in Artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;

  • a b.

    een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijdde starttijd en eindtijd van de activiteit;

  • b c.

    voor zover relevant een: plattegrond van de activiteit;

  • c d.

    de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken;

  • d e.

    de motivering van de keuze voor de locatie, de onderzochte alternatieve locaties en de bezwaren daartegen;

  • e f.

    als de locatie binnenin het Gebied stille kernis gelegenligt: of het om een activiteit betreftgaat, bedoeld in artikel 9.32Artikel 9.33, ofonderdeel c. en een beschrijving van het maatschappelijk belang van de activiteit; en

  • f g.

    mogelijk samenhangende besluiten.

Artikel 9.36 Afschrift omgevingsvergunning naar gemeenten

Een afschrift van een verleende vergunning wordt toegezonden aan de gemeente of gemeenten waarbinnen Stiltegebied ligt.

[Vervallen per <datum>]

OOOOOOOOOOO

Artikel 10.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.6 Indieningsvereisten tegemoetkoming faunaschade

  • 1.

    Een aanvraag om een tegemoetkoming als genoemdbedoeld in artikel 15.53 van de wetOmgevingswet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

  • 2.

    De aanvraag wordt uiterlijk binnen 7 werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd, ingediend.

  • 3.

    Als een aanvraag om tegemoetkoming niet voldoet aan het eerste en tweede lid, komt de schade niet voor tegemoetkoming in aanmerking.

PPPPPPPPPPP

Artikel 10.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.8 Toepassingsbereik uitvoeringstaken en handhavingstaken

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het door of in opdracht van gedeputeerde staten uitvoeren van:

    • a.

      de uitvoeringstaak, bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, van de Omgevingswet;

    • b.

      de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de Omgevingswet.

  • 2.

    Deze afdeling is van toepassing op de uitvoeringstaak, bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, van de wet en de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, door of in opdracht van gedeputeerde staten:

    • a.

      voor wat betreft de taken die in het verband van een omgevingsdienst worden uitgevoerd; en

    • b.

      voor wat betreft de taken die niet in het verband van een omgevingsdienst worden uitgevoerd voor zover door gedeputeerde staten nader bepaald.

    Het gaat hierbij om:

    • a.

      taken die in het verband van een omgevingsdienst uitgevoerd worden;

    • b.

      taken die niet in het verband van een omgevingsdienst uitgevoerd worden, maar door gedeputeerde staten nader bepaald worden.

QQQQQQQQQQQ

Artikel 10.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.16 Overgangsrecht aanpassing omgevingsplan

  • 1.

    Een bouw- of gebruiksmogelijkheid die wordt geboden bij of krachtens een omgevingsplan dat in werking is getreden op het moment dat deze verordening in werking treedt, dan wel bij of krachtens een omgevingsplan waarvan voorafgaand aan dat tijdstip een ontwerp ter inzage is gelegd, mag, ondanks strijdigheid met deze verordening, van kracht blijven en kan in opvolgende omgevingsplannen opnieuw geboden worden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt voor agrarische bedrijven dat uiterlijk binnen 2 jaar na 5 maart 2013, de inwerkingtredingsdatum van de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013, een omgevingsplan moet zijn vastgesteld met in achtneming van Artikel 8.1, leden 2 en 3, Artikel 8.2 en Artikel 8.3. Voor agrarische bedrijven die zijn gelegen in gebieden die in de Provinciale Ruimtelijke Verordening provincie Utrecht 2013 waren aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied of als verwevingsgebied geldt, dat binnen 2 jaar na de inwerkingtredingsdatum van deze regeling een bestemmingsplan moet zijn vastgesteld met inachtneming van Artikel 8.1, leden 2 en 3, Artikel 8.2 en Artikel 8.3.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid worden de in het eerste lid genoemde bouw- en gebruiksmogelijkheden in een nieuw omgevingsplan alleen opnieuw geboden met in achtneming van Artikel 9.19. Uiterlijk binnen 10 jaar na 10 januari 2019 moet een omgevingsplan zijn vastgesteld met inachtneming van het Artikel 9.19, als er sprake is van onbenutte plancapaciteit voor zelfstandige kantoren.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid worden de in het eerste lid genoemde bouw- en gebruiksmogelijkheden in een nieuw omgevingsplan alleen opnieuw geboden met in achtneming van Artikel 9.20, tweede lid. Uiterlijk binnen 10 jaar na 10 januari 2019 moet een omgevingsplan zijn vastgesteld met inachtneming van het Artikel 9.20, tweede lid, als er sprake is van onbenutte plancapaciteit voor detailhandel.

RRRRRRRRRRR

Na artikel 10.18 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 10.18a Overgangsrecht klein open bodemenergiesysteem

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een open bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken, geldt niet voor het gebruiken van een open bodemenergiesysteem dat voor 1 januari 2027 rechtmatig is aangelegd en gemeld, indien de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer bedraagt dan 10 m3/u.

Artikel 10.18b Uitzondering meet- en informatieplicht

De meet- en informatieplicht, bedoeld in Artikel 3.4a en artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor een open bodemenergiesysteem dat voor 1 januari 2027 rechtmatig is aangelegd en gemeld, indien de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer bedraagt dan 10 m3/u.

SSSSSSSSSSS

Artikel 10.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.19 Overgangsrecht woonschip

  • 1.

    Als een omgevingsvergunning verleend is verleendmet daarin een toestemming voor een of meer grotere maten dan bepaald is in Artikel 2.32, eerste lid, onder b, vervalt de in die omgevingsvergunning opgenomen toestemming om een of meer grotere maten te hebben bij wijziging of vervanging van het woonschip.

  • 2.

    Woonschepen, die sinds 1 januari 1989 of eerder onafgebroken dezelfde ligplaats hebben ingenomen hebben en vanaf die datum voortdurend in gebruik geweest zijn als hoofdverblijf, en die op die ligplaats in strijd zijn met Artikel 2.30 worden op die locatie gedoogd.

  • 3.

    Bij woonschepen, die vanaf een datum na 1 januari 1989 onafgebroken dezelfde ligplaats hebben ingenomen hebben en vanaf die datum voortdurend in gebruik geweest zijn als hoofdverblijf, en die op die ligplaats in strijd zijn met Artikel 2.30 geldt bij bestuurlijke handhaving ter verwijdering de volgende begunstigingstermijn vanaf de datum van het handhavingsbesluit:

    Jaar van inname ligplaats

    Begunstigingstermijn

    1989-1997

    3 jaar

    1998-2002

    18 maanden

    2003

    3 maanden

    2004-heden

    de kortste redelijke termijn

  • 4.

    Een gedoogsituatie kan worden beëindigd worden en een begunstigingstermijn kan worden verkortverkort worden, als voor het betreffende woonschip een wisselligplaats, dan welof een reguliere ligplaats in overeenstemming met deze verordening beschikbaar komt.

  • 5.

    Als een aanlegplaats aanwezig is in strijd met Artikel 2.30Vergunningplicht woonschip en aan die aanlegplaats een woonschip ligplaats heeft conform het tweede lid van dit artikel, geldt voor de aanlegplaats dezelfde gedoog- of begunstigingstermijn als voor het woonschip. De bedoelde besluiten worden op hetzelfde moment bekendgemaakt.

TTTTTTTTTTT

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

aardkundige waarden

geologische, geomorfologische en bodemkundige verschijnselen, die representatief zijn voor de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van het landschap, zoals hoogteverschillen of variaties in de samenstelling van de bodem. Het zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van een gebied. Het gaat bijvoorbeeld om geulen, stuwwallen, glaciale bekkens, oude rivierbeddingen, dijkdoorbraken en dekzandruggen

agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is ingericht voor zowel de grondgebonden als niet-grondgebonden activiteiten: het telen van gewassen, boomteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren (veehouderij), een en ander ten behoeve van het voortbrengen van producten

agrarisch bouwperceel

aaneengesloten terrein, waarbinnen bedrijfsgebouwen, bijgebouwen, bedrijfswoning(en) met bijbehorend erf en tuin, andere bouwwerken zoals hooibergen, voersilo’s, kuilvoerplaten, mestopslag, erfverharding, parkeervoorzieningen en erfbeplanting zijn geconcentreerd

baggerspecie

materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem van een oppervlaktewater, of de voor dat water bestemde ruimten en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter, organische stof in een verhouding en met een structuur, zoals deze van nature in de bodem wordt aangetroffen, evenals van nature in de bodem aanwezige schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot en met 63 millimeter

bebouwde kom bebouwingsenclave

gebied dat door gedeputeerde staten als zodanig is aangewezen op grond van artikel 27 van de Wegenwet

geconcentreerde bebouwing kleiner dan 5 hectare, waarvoor geen locatie Stedelijk gebied is opgenomen

bebouwingsenclave bebouwingslint

geconcentreerde aaneengesloten bebouwing kleiner dan 5 hectarein een langgerekte vorm, waarvoor geen locatie Stedelijk gebied is opgenomen

bebouwingslint

aaneengesloten bebouwing in een langgerekte vorm, waarvoor geen locatie Stedelijk gebied is opgenomen

bedrijfshaven

als zodanig in een onherroepelijk omgevingsplan bestemde haven

bedrijfshaven

als zodanig in een onherroepelijk omgevingsplan bestemde haven

beeldkwaliteitsparagraaf

een onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing dat aangeeft op welke wijze de beoogde ontwikkeling in de leefomgeving optimaal in de omgeving wordt ingepast. Ter toelichting: de basis voor beeldkwaliteitsparagraaf is een analyse van de kwaliteiten van het omringende landschap in de vorm van een schets of beschrijving van een bepaald gebied, met onder meer de bouwmassa's (bestaand en beoogd, zo mogelijk met kapvorm en richting), het beoogde grondgebruik, de beplanting en wegenstructuur;

bedrijventerrein

een terrein van minimaal 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van een terrein voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort en terreinen met laad- en/of loskade langs diep vaarwater toegankelijk voor grote zeeschepen Ter toelichting: begripsomschrijving uit Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS). Bij de begripsomschrijving van een bedrijventerrein is gebruik gemaakt van de definitie uit het Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020 (in werking getreden op 28 november 2009). Het kabinet sloot het convenant over een nieuwe aanpak van bedrijventerreinen met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Het doel is het stimuleren van een gezond economisch vestigingsklimaat en tegelijk het sparen van open landschappen, tegengaan van verrommeling en stimulering van duurzaamheid;

bemestingsplan

plan voor gewasrotatie op landbouwgrond en het gebruik van dierlijke mest en andere stikstof- en fosfaathoudende meststoffen als bedoeld in artikel 27 en artikel 39, lid 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;

beeldkwaliteitsparagraaf

Een onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing dat aangeeft op welke wijze de beoogde ontwikkeling in de leefomgeving optimaal in de omgeving wordt ingepast. Ter toelichting: de basis voor beeldkwaliteitsparagraaf is een analyse van de kwaliteiten van het omringende landschap in de vorm van een schets of beschrijving van een bepaald gebied, met onder meer de bouwmassa's (bestaand en beoogd, zo mogelijk met kapvorm en richting), het beoogde grondgebruik, de beplanting en wegenstructuur;

beschermd klein landschapselement

onderdeel van een klein landschapselement dat als beschermwaardig is opgenomen op de waardenkaart kleine landschapselementen

beschermd klein landschapselement

onderdeel van een klein landschapselement dat als beschermwaardig is opgenomen op de waardenkaart kleine landschapselementen

bestrijdingsmiddel

gewasbeschermingsmiddel of biocide bedoeld in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Aziatische duizendknoopsoorten BIJ12

Japanse duizendknoop (Fallopia japonica var. Japonica en Fallopia japonica var. compacta), Boheemse of Bastaard duizendknoop (Fallopia x bohemica) en Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis)

uitvoeringsorganisatie van de 12 provincies

bestrijdingsmiddel

gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

bio-energie

energie die wordt opgewekt uit organisch materiaal (biomassa), zoals mest, hout, vezels, plantaardig en dierlijk vet

binnenschip

schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet

boatsaver

drijvende of gefundeerde constructie met geringe hoogte boven een wateroppervlak bestemd voor de bescherming van een vaartuig tegen weersinvloeden

bio-energie boorput

energie die wordt opgewekt uit organisch materiaal (biomassa), zoals mest, hout, vezels, plantaardig en dierlijk vet

een met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte geboorde put

boatsaver

drijvende of vaste constructie met geringe hoogte boven een wateroppervlak bestemd ter bescherming van een vaartuig tegen weersinvloeden

bord

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak of een combinatie daarvan, op of tegen een bouwwerk aangebracht, dan wel vrijstaand, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag-, bevestigings- en/of steunconstructies

boorput bouwperceel

een met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte geboorde putaaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge een onherroepelijk omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten

bord

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of een combinatie daarvan, op of tegen een bouwwerk aangebracht, dan wel vrijstaand, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag-, bevestigings- en/of steunconstructies

bovenlokaal dagrecreatieterrein

terrein dat aantoonbaar voorziet in een dagrecreatiefunctie van meer dan de aanliggende kernen of aantoonbaar meer dan 50.000 unieke bezoekers per jaar trekt.Ter toelichting: hierbij moet gedacht worden aan terreinen zoals het Henschotermeer, de Maarsseveense plassen e.d.. Nieuwvestiging van golfterreinen is alleen in recreatiezones en kernrandzones toegestaan. Ook een terrein dat aantoonbaar potentie heeft bovenlokaal te worden door toevoeging van recreatieve functies of dat duidelijk een dagrecreatiefunctie vervult of zou moeten vervullen in de agglomeraties Utrecht of Amersfoort valt binnen deze bepaling

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge een onherroepelijk omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten

bvo

bruto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m2. Het betreft alle tot het gebouw behorende binnenruimten, waarbij de oppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen

bovenlokaal dagrecreatieterrein

terrein dat aantoonbaar voorziet in een dagrecreatiefunctie van meer dan de aanliggende kernen of aantoonbaar meer dan 50.000 unieke bezoekers per jaar trekt. Ter toelichting: hierbij moet gedacht worden aan terreinen zoals het Henschotermeer, de Maarsseveense plassen e.d.. Nieuwvestiging van golfterreinen is alleen in recreatiezones en kernrandzones toegestaan. Ook een terrein dat aantoonbaar potentie heeft bovenlokaal te worden door toevoeging van recreatieve functies of dat duidelijk een dagrecreatiefunctie vervult of zou moeten vervullen in de agglomeraties Utrecht of Amersfoort valt binnen deze bepaling;

circulaire bedrijvigheid

alle economische activiteiten die aantoonbaar een substantiële bijdrage leveren aan de transitie naar een circulaire economie, door middel van vermindering van primair grondstoffengebruik, substitutie van primaire grondstoffen door circulaire alternatieven (secundaire materialen of duurzame biogrondstoffen), verlenging van de levensduur van producten en materialen, of hoogwaardige verwerking en recycling van materialen en afvalstromen

BIJ12

uitvoeringsorganisatie van de 12 provincies

Cultuurhistorische hoofdstructuur

(CHS) het geheel van historisch waardevolle structuren en elementen van bovenlokaal belang. Ter toelichting: het gaat om ruimtelijk herkenbare, dan wel in de ondergrond aanwezige structuren en elementen die representatief zijn voor een historische ontwikkeling en/of kenmerkend zijn voor het ontstaan van een gebied. Onder elementen wordt verstaan: afzonderlijke objecten en infrastructurele lijnen en patronen die visueel of historisch-functioneel een samenhang vertonen met structuren. De Historische buitenplaatszone, het Militair erfgoed, Agrarisch cultuurlandschap, de Historische infrastructuur en Archeologisch waardevolle zone vormen gezamenlijk de CHS (zie Bijlage Cultuurhistorie);

bruidsschat waterschapsverordening

de regels, bedoeld in artikel 7.4 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet

dempen

geheel of gedeeltelijk dichtgooien of dichtgegooid houden van een oppervlaktewaterlichaam of tijdelijk drooggevallen oppervlaktewaterlichaam, zoals een sloot, greppel, slenk, wiel of sleuf

bvo

bruto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m2. Het betreft alle tot het gebouw behorende binnenruimten, waarbij de oppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en anders dan voor gebruik ter plaatse, met uitzondering van afhaalpunten

dempen

geheel of gedeeltelijk dichtgooien en/of dichtgegooid houden van oppervlaktelichamen of tijdelijk drooggevallen oppervlaktelichamen, zoals sloten, greppels, slenken, wielen en sleuven

diepinfiltratie

infiltratie van hemelwater in de bodem, op een diepte van 10 meter of meer onder het maaiveld

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en anders dan voor gebruik ter plaatse, met uitzondering van afhaalpunten

dierlijke meststoffen

meststoffen bedoeld in artikel 1, onder c, van de Meststoffenwet

diepinfiltratie

infiltratie van hemelwater in de bodem, op een diepte van 10 meter of meer onder het maaiveld

drinkwaterbedrijf

drinkwaterbedrijf bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet

drinkwaterbedrijf

drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet

erf

bij een woonschip, vaartuig, boatsaver, aanlegplaats of haven: tuin of onbebouwd terrein dat hoort bij een woning, bij de woning op de begane grond van een wooncomplex, of bij een overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften aanwezige vakantiewoning, woonwagen, woonschip of woonark. Tot het erf wordt in principe ook de ten opzichte van het erf meest nabije oever gerekend, die door een openbare weg of een ander perceel van dat erf gescheiden wordt. Tenzij het aan de openbare weg of het aan het andere perceel grenzende deel van het erf het karakter heeft van een uitrit of inrit of oprijlaan, of het scheidende perceel een agrarische functie, natuurfunctie of industriële functie heeft. Deze begripsbepaling is een voortzetting van de regelgeving uit de oude Verordening natuur en landschap. Dit beperkte begrip wijkt daarmee af van het bredere begrip erf uit het gangbare spraakgebruik. Met het begrip erf wordt in het kader van een woonschip, vaartuig, boatsaver, aanlegplaats of haven, de grond bedoeld die direct bij de woning aansluit en ook behoort tot die woning. Daarbij is vooral de visuele binding van belang. Dit is zeker het geval als een erf direct aan het water ligt. Maar ook als een oever van een erf gescheiden wordt door een openbare weg of een ander perceel kan die visuele binding aanwezig zijn. Maar dat is niet zonder meer het geval. Deze visuele binding, die maakt dat een afgescheiden oever bij het erf gerekend kan worden, ontbreekt als: a. het scheidende perceel een agrarische functie, natuurfunctie of industriële functie (voorheen bestemming) heeft, waarbij onder agrarische functie ook alle functies (voorheen bestemmingen) met de toevoeging landschappelijke, natuurwetenschappelijke cultuurhistorische of archeologische waarden vallen; b. het erf voornamelijk op grotere afstand van de scheidende weg ligt en daarmee alleen door middel van een inrit, uitrit of oprijlaan verbonden is (de situatie van de zogenaamde achtergelegen erven); of c. de oeverstrook ten opzichte van het erf niet direct aan de overzijde van de weg of het scheidende perceel ligt, maar alleen bereikbaar is door de weg of het perceel schuin over te steken. Dit komt bijvoorbeeld voor als recht tegenover (rekening houdend met de verkavelingsrichting) het erf al een woonschip of woonark afgemeerd is. In dat geval wordt een verderop langs de weg gelegen vrije oeverstrook niet meer tot het erf gerekend

erf

(behorende bij een woonschip, vaartuig, insteek havens en havens) tuin of onbebouwd terrein behorend bij een woning, bij de woningen op de begane grond van een wooncomplex, dan wel bij een overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften aanwezige zomerwoning, woonwagen, of woonschip. Tot het erf wordt in principe ook de ten opzichte van het erf meest nabije oever gerekend, die door een openbare weg en/of een ander perceel van dat erf gescheiden wordt, tenzij het aan de openbare weg, dan wel het aan het andere perceel grenzende deel van het erf het karakter van een uit-, of inrit, of oprijlaan heeft, of het scheidende perceel een agrarische, natuur- of industriële bestemming heeft. Ter toelichting: dit begrip is exclusief gericht op erven bij woonschip, vaartuig, insteekhavens en havens en is een voortzetting van de regelgeving uit de oude Verordening natuur en landschap. Dit beperkte begrip wijkt daarmee af van het bredere begrip erf uit het gangbare spraakgebruik. Met het begrip erf wordt de grond bedoeld, die direct bij de woning aansluit en ook behoort tot die woning. Daarbij is vooral de visuele aansluiting van belang. Dit is zeker het geval als een erf direct aan het water gelegen is, maar ook als een oever van een erf wordt gescheiden door een openbare weg en/of een ander perceel, kan die visuele binding aanwezig zijn. Maar dat is niet zonder meer het geval. De definitie bevat in dit kader een drietal beperkingen: de visuele binding, die maakt dat een afgescheiden oever bij het erf gerekend kan worden, ontbreekt als: a. het scheidende perceel een agrarische, natuur of industriële functie (voorheen bestemming) heeft, waarbij onder agrarische functie (voorheen bestemming) ook alle functies (voorheen bestemmingen) met de toevoeging NLC en/of A waarden vallen; b. het erf voornamelijk op grotere afstand van de scheidende weg ligt en daar alleen door middel van een in-, uitrit of oprijlaan mee verbonden is (de situatie van de zogenaamde achtergelegen erven); of c. de oeverstrook ten opzichte van het erf niet direct aan de overzijde van de weg of het scheidende perceel ligt, maar slechts bereikbaar is door de weg of het perceel schuin over te steken. Dit komt bijvoorbeeld voor als recht tegenover (rekening houdend met de verkavelingsrichting ter plaatse) het erf al een woonschip is afgemeerd. In dat geval wordt een verderop langs de weg gelegen vrije oeverstrook niet meer tot het erf gerekend;

flexwoning

kleine, verplaatsbare woning die vaak stapelbaar, schakelbaar of splitsbaar is en voor de maximale duur van 15 jaar geplaatst of gebouwd kan worden op een locatie

Cultuurhistorische hoofdstructuur

(CHS) het geheel van historisch waardevolle structuren en elementen van bovenlokaal belang. Ter toelichting: het gaat om ruimtelijk herkenbare, dan wel in de ondergrond aanwezige structuren en elementen die representatief zijn voor een historische ontwikkeling en/of kenmerkend zijn voor het ontstaan van een gebied. Onder elementen wordt verstaan: afzonderlijke objecten en infrastructurele lijnen en patronen die visueel of historisch-functioneel een samenhang vertonen met structuren. De Historische buitenplaatszone, het Militair erfgoed, Agrarisch cultuurlandschap, de Historische infrastructuur en Archeologisch waardevolle zone vormen gezamenlijk de CHS (zie Bijlage Cultuurhistorie);

Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies

gebiedsanalyses die de uitwerking bevatten van de in de Hollandse Waterlinies aanwezige kernkwaliteiten en uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed en die inzicht geeft in de uitgangspunten bij planvorming en waar er ontwikkelingsruimte is

flexwoning

kleine, verplaatsbare woning die vaak stapelbaar, schakelbaar of splitsbaar is en voor de maximale duur van 15 jaar geplaatst of gebouwd kan worden op een locatie;

gebiedsgerichte aanpak

aanpak die is gericht op de sanering van meerdere gevallen van verontreinigd grondwater in een daartoe aangewezen gebied

gebiedsgerichte aanpak

aanpak die is gericht op de sanering van meerdere gevallen van verontreinigd grondwater in een daartoe aangewezen gebied

gewogen gemiddelde ureumgehalte

het door de minister van Landbouw, Veeteelt, Visserij en Natuurbeheer op grond van artikel 75d van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vastgestelde gewogen gemiddelde ureumgehalte in een kalenderjaar

grond- of funderingswerken

werk in de bodem, daaronder begrepen sonderingen, het plaatsen of verwijderen van palen, dam-, scherm- of diepwanden en folies

grondgebonden landbouw

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veehouderijen het benodigde ruwvoer (gras, voedergewassen) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de structureel bij het bedrijf behorende gronden, waarbij de norm van 2,5 grootvee-eenheden (GVE) per hectare of minder wordt aangehouden. Ter toelichting: bij grondgebonden landbouwbedrijven gaat het om landbouwbedrijven, waarbij het voortbrengend vermogen van de bij het landbouwbedrijf behorende landbouwgrond de basis van het landbouwbedrijf is. Denk hierbij aan akker- of tuinbouwbedrijven of om zogenoemde graasdierbedrijven (zoals melkveebedrijven), waarbij de teelt van gras en voedergewassen de basis voor de bedrijfsvoering is. Er is bij veebedrijven sprake van grondgebondenheid wanneer het voor het vee benodigde ruwvoer geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond. Bij een veebezetting van 2,5 grootvee-eenheden of minder per hectare gras en voedergewassen wordt aan deze voorwaarde voldaan. Grootvee-eenheid (GVE) is rekeneenheid voor het vaststellen van de veebezetting zoals vastgelegd door de Europese Commissie (EU 2009, L329/3). Melkkoe is 1,0 GVE, kalf is 0,4 GVE, paard is 0,8 GVE, schaap of geit is 0,1 GVE. Eventuele aanvoer van krachtvoer van buiten het bedrijf wordt buiten beschouwing gelaten. Onder bij het bedrijf behorende landbouwgrond wordt verstaan landbouwgrond in de directe omgeving van het bedrijf, waar het bedrijf structureel, bij voorkeur op basis van eigendom of langdurige pacht over kan beschikken. Op basis van landbouwkundige productiegegevens en voedernormen is vastgesteld dat een veebedrijf wat betreft ruwvoer nog net zelfvoorzienend is bij een veebezetting van 2,0 GVE per ha op matige grond tot 2,5 GVE per ha op goede grond. Grondgebondenheid van veebedrijven wordt ook wel gedefinieerd op basis van het criterium wel of geen mestoverschot op bedrijfsniveau. Op basis van dit criterium worden ook maximale veebezettingen van 2,0 - 2,5 GVE per ha vastgesteld. Gelet hierop is 2,5 GVE per hectare ook als norm in de begripsbepaling opgenomen. Met de vermelding 'of minder' is daarbij ook aangegeven dat veehouderijen met meer grond voor het vee en daardoor een lagere veebezetting per hectare, zoals 2.3 GVE, onder het begrip grondgebonden landbouw vallen. Met het opnemen van deze norm in de begripsbepaling wordt de bestaande praktijk onder de Interim Omgevingsverordening en daarvoor de Provinciale Ruimtelijke Verordening provincie Utrecht, voortgezet

grondgebonden landbouw

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veehouderijen het benodigde ruwvoer (gras, voedergewassen) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de structureel bij het bedrijf behorende gronden, waarbij de norm van 2,5 grootvee-eenheden (GVE) per hectare of minder wordt aangehouden. Ter toelichting: bij grondgebonden landbouwbedrijven gaat het om landbouwbedrijven, waarbij het voortbrengend vermogen van de bij het landbouwbedrijf behorende landbouwgrond de basis van het landbouwbedrijf is. Denk hierbij aan akker- of tuinbouwbedrijven of om zogenoemde graasdierbedrijven (zoals melkveebedrijven), waarbij de teelt van gras en voedergewassen de basis voor de bedrijfsvoering is. Er is bij veebedrijven sprake van grondgebondenheid wanneer het voor het vee benodigde ruwvoer geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond. Bij een veebezetting van 2,5 grootvee-eenheden of minder per hectare gras en voedergewassen wordt aan deze voorwaarde voldaan. Grootvee-eenheid (GVE) is rekeneenheid voor het vaststellen van de veebezetting zoals vastgelegd door de Europese Commissie (EU 2009, L329/3). Melkkoe is 1,0 GVE, kalf is 0,4 GVE, paard is 0,8 GVE, schaap of geit is 0,1 GVE. Eventuele aanvoer van krachtvoer van buiten het bedrijf wordt buiten beschouwing gelaten. Onder bij het bedrijf behorende landbouwgrond wordt verstaan landbouwgrond in de directe omgeving van het bedrijf, waar het bedrijf structureel, bij voorkeur op basis van eigendom of langdurige pacht over kan beschikken. Op basis van landbouwkundige productiegegevens en voedernormen is vastgesteld dat een veebedrijf wat betreft ruwvoer nog net zelfvoorzienend is bij een veebezetting van 2,0 GVE per ha op matige grond tot 2,5 GVE per ha op goede grond. Grondgebondenheid van veebedrijven wordt ook wel gedefinieerd op basis van het criterium wel of geen mestoverschot op bedrijfsniveau. Op basis van dit criterium worden ook maximale veebezettingen van 2,0 - 2,5 GVE per ha vastgesteld. Gelet hierop is 2,5 GVE per hectare ook als norm in de begripsbepaling opgenomen. Met de vermelding 'of minder' is daarbij ook aangegeven dat veehouderijen met meer grond voor het vee en daardoor een lagere veebezetting per hectare, zoals 2.3 GVE, onder het begrip grondgebonden landbouw vallen. Met het opnemen van deze norm in de begripsbepaling wordt de bestaande praktijk onder de Interim Omgevingsverordening en daarvoor de Provinciale Ruimtelijke Verordening provincie Utrecht, voortgezet;

grondwaterbeschermingszone

beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet

Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies

gebiedsanalyses die de uitwerking bevatten van de in de Hollandse Waterlinies aanwezige kernkwaliteiten en uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed en die inzicht geeft in de uitgangspunten bij planvorming en waar er ontwikkelingsruimte is

Hollandse Waterlinies

het UNESCO Werelderfgoed, bestaande uit de Stelling van Amsterdam (SvA) en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW), dat gekenmerkt wordt door het uitgebreide en ingenieuze systeem van militaire verdediging door inundatie (zie Bijlage Cultuurhistorie)

grondwaterbeschermingszone

beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet

houder van een zwemlocatie

degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden op de aangewezen zwemlocatie en gedurende het badseizoen verantwoordelijk is voor de zorg en het nemen van maatregelen op het gebied van veiligheid en hygiëne die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid gerekend kunnen worden

informatiezuil

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, aangebracht op, dan wel gedragen door een zuilvormige constructie

huisvestingssysteem

systeem voor het houden van landbouwhuisdieren van een diercategorie in een dierenverblijf of een gedeelte daarvan.

insteekhaven

kleine, in een particulier terrein uitgegraven haven, die bedoeld en geschikt is als ligplaats voor een vaartuig

informatiezuil

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, aangebracht op, dan wel gedragen door een zuilvormige constructie

jachthaven

als zodanig in een onherroepelijk omgevingsplan opgenomen haven

instandhoudingsdoelstellingen

Instandhoudingsdoelstellingen bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet

kantoor

een gebouw of een deel van een gebouw in de vorm van een ruimtelijk en bouwkundig zelfstandige eenheid dat geheel of grotendeels in gebruik is of te gebruiken is voor bureaugebonden werkzaamheden of daaraan ondersteunende activiteiten. Ter toelichting: onder dit begrip vallen zelfstandige en ondergeschikte kantoren. Opleidings-, congres- en vergaderactiviteiten vallen niet onder bureaugebonden werkzaamheden of ondersteunende activiteiten;

insteekhaven

kleine, in een particulier terrein uitgegraven haven, die bedoeld en geschikt is als ligplaats voor een vaartuig

kernrandactiviteiten inundatie

stedelijke functies gericht op recreatief, sportief of maatschappelijk gebruik op lokale schaal, waarbij de opzettelijk onder water zetten van gronden merendeels onbebouwd zijn. Ter toelichting: sommige functies zijn naar de aard wel als stedelijk aan te merken, maar kunnen door hun ruimtevraag moeilijk binnen bestaand stedelijk gebied worden gefaciliteerd. Te denken valt aan functies zoals sportvelden, begraafplaatsen en volkstuincomplexen en andere functies waar de bebouwing ruimtelijk ondergeschikt is aan open of beplante gronden. Deze functies zijn gericht op de kern, maar nieuwvestiging en uitbreiding zullen doorgaans slechts in de kernrandzone kunnen worden gefaciliteerd. In het artikel voor kernrandzone is geregeld, dat voor deze vestiging of uitbreiding geen tegenprestatie in de vorm kwaliteitsverbetering hoeft te worden gerealiseerd, alleen landschappelijke inpassing;

kernrandzone

zone gelegen in het landelijk gebied rondom en direct aansluitend op het stedelijk gebied. Hieronder vallen ook dorpskernen. De omvang van deze zone is indicatief aangegeven en kan variëren, onder meer afhankelijk van de al aanwezige functies, de kwaliteiten en de aanwezige bebouwingsdichtheid. In deze zone komen, naast agrarische activiteiten, kernrandactiviteiten voor. Ter toelichting: stadsrandactiviteiten en functies met een overwegend onbebouwd en groen karakter, zoals sportvelden, begraafplaatsen, volkstuincomplexen, stadslandbouw, recreatiecomplexen, wandel en fietspaden en groenvoorzieningen. Tuincentra worden hieronder niet begrepen;

jachthaven

als zodanig in een onherroepelijk omgevingsplan opgenomen haven

kunstuiting

object, dan wel een bord, informatiezuil, spandoek of vlag, dat zoals blijkt uit de plaatsingsgeschiedenis kennelijk bedoeld is als locatiegebonden artistiek expressiemiddel en niet als drager van een commerciële, of reclameboodschap

kantoor

een gebouw of een deel van een gebouw in de vorm van een ruimtelijk en bouwkundig zelfstandige eenheid dat geheel of grotendeels in gebruik is of te gebruiken is voor bureaugebonden werkzaamheden of daaraan ondersteunende activiteiten. Ter toelichting: onder dit begrip vallen zelfstandige en ondergeschikte kantoren. Opleidings-, congres- en vergaderactiviteiten vallen niet onder bureaugebonden werkzaamheden of ondersteunende activiteiten

ladingtank

tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd

kernrandactiviteiten

stedelijke functies gericht op recreatief, sportief of maatschappelijk gebruik op lokale schaal, waarbij de gronden merendeels onbebouwd zijn. Ter toelichting: sommige functies zijn naar de aard wel als stedelijk aan te merken, maar kunnen door hun ruimtevraag moeilijk binnen bestaand stedelijk gebied worden gefaciliteerd. Te denken valt aan functies zoals sportvelden, begraafplaatsen en volkstuincomplexen en andere functies waar de bebouwing ruimtelijk ondergeschikt is aan open of beplante gronden. Deze functies zijn gericht op de kern, maar nieuwvestiging en uitbreiding zullen doorgaans slechts in de kernrandzone kunnen worden gefaciliteerd. In het artikel voor kernrandzone is geregeld, dat voor deze vestiging of uitbreiding geen tegenprestatie in de vorm kwaliteitsverbetering hoeft te worden gerealiseerd, alleen landschappelijke inpassing;

maaiveld

gemiddelde hoogte van de vaste bodem op een locatie, zoals vastgelegd in het Actueel hoogtebestand Nederland (AHN)

kernrandzone

zone gelegen in het landelijk gebied rondom en direct aansluitend op het stedelijk gebied. Hieronder vallen ook dorpskernen. De omvang van deze zone is indicatief aangegeven en kan variëren, onder meer afhankelijk van de al aanwezige functies, de kwaliteiten en de aanwezige bebouwingsdichtheid. In deze zone komen, naast agrarische activiteiten, kernrandactiviteiten voor. Ter toelichting: stadsrandactiviteiten en functies met een overwegend onbebouwd en groen karakter, zoals sportvelden, begraafplaatsen, volkstuincomplexen, stadslandbouw, recreatiecomplexen, wandel en fietspaden en groenvoorzieningen. Tuincentra worden hieronder niet begrepen;

meerwaardebenadering

van de meerwaardebenadering is sprake als in een omgevingsplan of een combinatie van omgevingsplannen wordt voorzien in een ontwikkeling die mede is gericht op verbetering en/of uitbreiding van het natuurnetwerk Nederland (NNN) en waarbij in dat plan of in 1 van die plannen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk worden gemaakt die leiden tot aantasting van de NNN. De activiteiten die leiden tot aantasting worden gecompenseerd met dusdanige maatregelen dat de uitvoering van die maatregelen gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het NNN en de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan, voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang. Deze compensatie en meerwaarde worden gerealiseerd binnen een gebied dat samenhangt met de in het plan toegestane nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten;

kunstuiting

object, dan wel een bord, informatiezuil, spandoek of vlag, dat zoals blijkt uit de plaatsingsgeschiedenis kennelijk bedoeld is als locatiegebonden artistiek expressiemiddel en niet als drager van een commerciële, of reclameboodschap

natuurlijke verjonging

het op natuurlijke wijze ontstaan van een bosbouwkundig verantwoorde houtopstand

landbouwer

landbouwer zoals bedoeld in artikel 1, onder gg, van de Meststoffenwet

niet-grondgebonden landbouw

(intensieve veehouderij) agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderij

legger

hierin beschrijft de beheerder van een waterstaatswerk waaraan het waterstaatswerk moet voldoen qua ligging, vorm, afmeting en constructie

omgevingskwaliteit

duidt op de integrale kwaliteit van ruimtes. Integraal, dus niets uitsluitend. De ondergrond noch de sterrenhemel. De lokale inbedding noch de internationale aansluiting. Schoonheid noch functionaliteit. Omgevingskwaliteit omvat in ieder geval:

a. ruimtelijke kwaliteit: gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde;

b. milieu-, gezondheids- en veiligheidskwaliteit;

c. maatschappelijke waarden zoals sociale samenhang en economische vitaliteit

maaiveld

gemiddelde hoogte van de vaste bodem op een locatie, zoals vastgelegd in het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

ondergeschikt kantoor

een gebouw of een deel van een gebouw dat geheel of grotendeels in gebruik is of te gebruiken is voor bureaugebonden werkzaamheden of daaraan ondersteunende activiteiten, waarbij deze werkzaamheden en activiteiten uitsluitend worden verricht ten dienste van en ondergeschikt zijn aan een andere functie dan kantoor op hetzelfde bouwperceel. Ter toelichting: kantoren die ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie. Dit begrip is gebaseerd op de definitie van kantoren in het Provinciale Inpassingsplan Kantoren 2018-2028, Provincie Utrecht. Ondergeschikt aan de hoofdfunctie betekent in elk geval dat minder dan 50% van het bvo op het bouwperceel bestaat uit kantoor. Dit begrip moet in samenhang worden gelezen met de begrippen zelfstandig kantoor, hoofdfunctie en bouwperceel;

meerwaardebenadering

van de meerwaardebenadering is sprake als in een omgevingsplan of een combinatie van omgevingsplannen wordt voorzien in een ontwikkeling die mede is gericht op verbetering en/of uitbreiding van het natuurnetwerk Nederland (NNN) en waarbij in dat plan of in 1 van die plannen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk worden gemaakt die leiden tot aantasting van de NNN. De activiteiten die leiden tot aantasting worden gecompenseerd met dusdanige maatregelen dat de uitvoering van die maatregelen gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het NNN en de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan, voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang. Deze compensatie en meerwaarde worden gerealiseerd binnen een gebied dat samenhangt met de in het plan toegestane nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten

ontgassen

afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht

melkvee

melkvee zoals bedoeld in artikel 1, onder kk, van de Meststoffenwet

ophogen

storten ten behoeve van het tijdelijk of definitief ophogen van de bodem

monument

monument bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet

oppervlaktewaterlichaam

een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een plas, overgangswater, watergang, sloot of een strook kustwater;

natuurlijke verjonging

het op natuurlijke wijze ontstaan van een bosbouwkundig verantwoorde houtopstand

oude bosgroeiplaats

gronden met actueel bos waarop in 1832 een bosgroeiplaats met bos, dennenbos of heide met struiken aanwezig was en waarop sindsdien een bosgroeiplaats aanwezig is geweest, dan wel locaties met actueel bos waarop al meer dan 150 jaar een bosgroeiplaats aanwezig is en die in het informatiebestand als oude bosgroeiplaats zijn aangewezen;

natuurvergunning

omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Omgevingswet jo artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder e van het Omgevingsbesluit of op basis van advies en instemming met het verlenen van een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder e van het Omgevingsbesluit

Hollandse Waterlinies

het UNESCO Werelderfgoed, bestaande uit de Stelling van Amsterdam (SvA) en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW), dat gekenmerkt wordt door het uitgebreide en ingenieuze systeem van militaire verdediging door inundatie (zie Bijlage Cultuurhistorie)

Neder-Germaanse Limes

het (beoogd) UNESCO Werelderfgoed dat gekenmerkt wordt door PM (zie Bijlage Cultuurhistorie)

partyschip

vaartuig gebruikt als commercieel passagierschip voor het houden van feesten en partijen, al dan niet in combinatie met rondvaarten gedurende meerdere uren

niet-grondgebonden landbouw

(intensieve veehouderij) agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren. Het gaat bijvoorbeeld om rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen. Grondgebonden veehouderij valt hier niet onder

programma Wonen en werken

VOOR WONEN: het provinciaal programma waarin de hoofdlijnen van de regionale programmeringsafspraken voor woningbouw zijn opgenomen. In deze regionale programmering:

- worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

a. zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten;

b. daarnaast in overig stedelijk gebied;

c. eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors);

- worden afspraken vastgelegd om te borgen dat binnen het programma voldoende woningen worden gebouwd in het sociale en -middensegment waarbij wordt uitgegaan van de afspraken uit de regionale woondeals; en

- worden afspraken gemaakt over energieneutrale, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw, evenredige groenontwikkeling en efficiënt ruimtegebruik.

Het programma kan kwantitatieve en kwalitatieve bandbreedtes bevatten.





VOOR WERKEN: het provinciaal programma waarin de hoofdlijnen van de regionale programmeringsafspraken voor bedrijventerreinen zijn opgenomen. In deze regionale programmering wordt naast nieuwe bedrijventerreinen aandacht besteed aan herstructurering, intensivering, verduurzaming en efficiënt ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen;

omgevingskwaliteit

duidt op de integrale kwaliteit van ruimtes. Integraal, dus niets uitsluitend. De ondergrond noch de sterrenhemel. De lokale inbedding noch de internationale aansluiting. Schoonheid noch functionaliteit. Omgevingskwaliteit omvat in ieder geval:

a. ruimtelijke kwaliteit: gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde;

b. milieu-, gezondheids- en veiligheidskwaliteit;

c. maatschappelijke waarden zoals sociale samenhang en economische vitaliteit

provinciaal OV-netwerk

het samenhangend geheel van OV lijnen dat begin- en eindpunten met elkaar verbindt via tussengelegen haltes

ondergeschikt kantoor

een gebouw of een deel van een gebouw dat geheel of grotendeels in gebruik is of te gebruiken is voor bureaugebonden werkzaamheden of daaraan ondersteunende activiteiten. Deze werkzaamheden en activiteiten worden uitsluitend verricht ten dienste van en zijn ondergeschikt aan een andere functie dan kantoor op hetzelfde bouwperceel. Ter toelichting: kantoren die ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie. Dit begrip is gebaseerd op de definitie van kantoren in het Provinciale Inpassingsplan Kantoren 2018-2028, Provincie Utrecht. Ondergeschikt aan de hoofdfunctie betekent in elk geval dat minder dan 50% van het bvo op het bouwperceel bestaat uit kantoor. Dit begrip moet in samenhang worden gelezen met de begrippen zelfstandig kantoor, hoofdfunctie en bouwperceel;

provinciaal bereikbaarheidsnetwerk

het samenhangend geheel van provinciale fietspaden, provinciale (vaar)wegen en OV-lijnen en aanvullend die fietspaden, (vaar)wegen en OV-lijnen van gemeenten die de provincie tot een provinciaal belang heeft benoemd

ontgrondingsactiviteit

activiteit die alle werkzaamheden inhoudt die iets aan of in de hoogteligging van een terrein veranderen, of waarbij de bodem van een water verlaagd wordt

provinciale weg

een openbare weg, zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet en Wegenwet in beheer bij de provincie, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort

ophogen

storten ten behoeve van het tijdelijk of definitief ophogen van de bodem

recreatiewoning

woning, caravan, stacaravan of bouwwerk ten behoeve van recreatief verblijf, inclusief overnachting

oppervlaktewaterlichaam

een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een plas, overgangswater, watergang, sloot of een strook kustwater

restladingdamp

damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft

oude bosgroeiplaats

gronden met actueel bos waarop in 1832 een bosgroeiplaats met bos, dennenbos of heide met struiken aanwezig was en waarop sindsdien een bosgroeiplaats aanwezig is geweest, dan wel locaties met actueel bos waarop al meer dan 150 jaar een bosgroeiplaats aanwezig is en die in het informatiebestand als oude bosgroeiplaats zijn aangewezen

rommelterrein

een terrein dat zich buiten het erf of buiten een in het omgevingsplan aangewezen bedrijfsbestemming bevindt, dat gebruikt wordt voor het al dan niet geordend bewaren of opslaan van voorwerpen, materieel, apparaten, goederen of, al dan niet los gestort, materiaal

partyschip

vaartuig gebruikt als commercieel passagierschip voor het houden van feesten en partijen, al dan niet in combinatie met rondvaarten gedurende meerdere uren

schipper

(bij varend ontgassen) persoon als bedoeld in artikel 1.2.1 van deel 1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, Trb. 2001/67);

programma Wonen en werken

VOOR WONEN: het provinciaal programma waarin de hoofdlijnen van de regionale programmeringsafspraken voor woningbouw zijn opgenomen. In deze regionale programmering: - worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten: a. zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; b. daarnaast in overig stedelijk gebied; c. eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors); - worden afspraken vastgelegd om te borgen dat binnen het programma voldoende woningen worden gebouwd in het sociale en -middensegment waarbij wordt uitgegaan van de afspraken uit de regionale woondeals; en - worden afspraken gemaakt over energieneutrale, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw, evenredige groenontwikkeling en efficiënt ruimtegebruik. Het programma kan kwantitatieve en kwalitatieve bandbreedtes bevatten. VOOR WERKEN: het provinciaal programma waarin de hoofdlijnen van de regionale programmeringsafspraken voor bedrijventerreinen zijn opgenomen. In deze regionale programmering wordt naast nieuwe bedrijventerreinen aandacht besteed aan herstructurering, intensivering, verduurzaming en efficiënt ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen

spandoek

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, enkel- of tweezijdig aangebracht op doek, plastic of een ander als spandoek te gebruiken materiaal, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag- bevestigings- en/of steunconstructies

provinciaal OV-netwerk

het samenhangend geheel van OV lijnen dat begin- en eindpunten met elkaar verbindt via tussengelegen haltes

stedelijke functie

functie die door de intensiteit van de bebouwing en gebruik, door afhankelijkheid van geconcentreerde infrastructuur en door de intensieve wisselwerking met andere functies primair is aangewezen op of verbonden is met aaneengesloten bebouwd gebied. Ter toelichting: onder het begrip stedelijke functie vallen de functies die voor het grootste deel in, of in de onmiddellijke nabijheid van dorpen en steden (stedelijk gebied) liggen en verbonden zijn aan stad en dorp. Functies die traditioneel in het landelijk gebied thuishoren horen hier niet bij. De provincie beschouwt de infrastructuur, zowel wegen als leidingen, als een onlosmakelijk onderdeel van het gehele landelijke gebied. De definitie van het begrip stedelijke functie is van belang in verband met het verbod op verstedelijking zoals dat is opgenomen in artikel 9.3 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied en de uitzonderingen op dat verbod. Onder stedelijke functie vallen onder meer: - woningen en woongebieden; - niet-agrarische bedrijven en bedrijfsterreinen; - stedelijke voorzieningen en kernrandactiviteiten; - gebouwde voorzieningen voor energieproductie; - recreatiewoningen en complexen voor verblijfsrecreatie; Onder verstedelijking vallen in ieder geval niet: - landbouw met de daarvoor noodzakelijke bebouwing op agrarische bouwvlakken; - ondergeschikte nevenfuncties op agrarische bouwpercelen; - bos en natuur; - terreinen ingericht voor dagrecreatie en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen, zoals picknickplaatsen en bebording;

provinciale weg

een openbare weg, zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet en Wegenwet in beheer bij de provincie, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort

steiger

drijvende of boven water aangebrachte constructie waarop gelopen kan worden, bedoeld om vaartuigen aan af te meren

recreatiewoning

woning, caravan, stacaravan of bouwwerk ten behoeve van recreatief verblijf, inclusief overnachting

stoffen

(bij varend ontgassen) chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen

regionaal wegennet

het samenhangend geheel van provinciale wegen en aanvullend die wegen van gemeenten die de provincie tot een provinciaal belang heeft benoemd

storten

op of in de bodem brengen van materialen om ze daar langdurig of permanent te laten

rommelterrein

een terrein dat zich buiten het erf of buiten een in het omgevingsplan aangewezen bedrijfsbestemming bevindt, dat gebruikt wordt voor het al dan niet geordend bewaren of opslaan van voorwerpen, materieel, apparaten, goederen of, al dan niet los gestort, materiaal

stortplaats

locatie, waar gestort, opgehoogd of geëgaliseerd wordt of is

sloopmetersystematiek

set van gemeentelijke regels bedoeld om functiewijziging van (voormalige) agrarische bedrijfspercelen naar een stedelijke functie mogelijk te maken, waarbij waarborgen worden geboden dat de omgevingskwaliteit verbetert door voldoende sloop van bedrijfsbebouwing. De systematiek kan er in voorzien dat de locatie van de te slopen bedrijfsbebouwing een andere locatie is dan die waarop de nieuwe functie of uitbreiding van een bestaande stedelijke functie wordt gerealiseerd. Ter toelichting: de regels worden uiteindelijk vastgelegd in het omgevingsplan. Zolang dat nog niet overeenkomstig is gewijzigd kan ook een set van beleidsregels voor de afwijking van het bestaande omgevingsplan de gevraagde garanties bieden. Daarin kunnen ook intergemeentelijke afspraken over de uitwisseling van sloopmeters tussen gemeenten worden vastgelegd

takhout

takken en boomstammen met een grootste diameter van maximaal 8 centimeter, dat vrijkomt bij reguliere snoei- en dunningswerkzaamheden in houtopstanden

spandoek

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, enkel- of tweezijdig aangebracht op doek, plastic of een ander als spandoek te gebruiken materiaal, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag- bevestigings- en/of steunconstructies

taxateur

een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12

stedelijke functie

functie die door de intensiteit van de bebouwing en gebruik, door afhankelijkheid van geconcentreerde infrastructuur en door de intensieve wisselwerking met andere functies primair is aangewezen op of verbonden is met aaneengesloten bebouwd gebied. Ter toelichting: onder het begrip stedelijke functie vallen de functies die voor het grootste deel in, of in de onmiddellijke nabijheid van dorpen en steden (stedelijk gebied) liggen en verbonden zijn aan stad en dorp. Functies die van oudsher de kwaliteiten van het landelijk gebied bepalen horen hier niet bij. De provincie beschouwt de infrastructuur, zowel wegen als leidingen, als een onlosmakelijk onderdeel van het gehele landelijke gebied. De definitie van het begrip stedelijke functie is van belang in verband met het verbod op verstedelijking zoals dat is opgenomen in artikel 9.3 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied en de uitzonderingen op dat verbod. Onder stedelijke functie vallen onder meer: - woningen en woongebieden; - niet-agrarische bedrijven en bedrijfsterreinen; - stedelijke voorzieningen en kernrandactiviteiten; - gebouwde voorzieningen voor energieproductie; - recreatiewoningen en complexen voor verblijfsrecreatie; Onder verstedelijking vallen in ieder geval niet: - landbouw met de daarvoor noodzakelijke bebouwing op agrarische bouwvlakken; - nevenfuncties op agrarische bouwpercelen; - bos en natuur; - terreinen ingericht voor dagrecreatie en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen, zoals picknickplaatsen en bebording

uitzonderlijke universele waarde

Outstanding Universal Value (OUV), de culturele en/of natuurlijke betekenis die zo uitzonderlijk is dat deze nationale grenzen overstijgt en van algemeen belang is voor de huidige en toekomstige generaties van heel de mensheid

steiger

drijvende of boven water aangebrachte constructie waarop gelopen kan worden, bedoeld om vaartuigen aan af te meren

vaartuig

voorwerp of constructie, gereed of in aanbouw, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd of ingericht voor het vervoer over water van personen of goederen

stikstof

stikstof zoals bedoeld in artikel 1, onder j, van de Meststoffenwet

vaarweg

voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement

storten

op of in de bodem brengen van materialen om ze daar langdurig of permanent te laten

verordening stortplaats

omgevingsverordening

locatie, waar gestort, opgehoogd of geëgaliseerd wordt of is

verstedelijking

van verstedelijking is sprake als een omgevingsplan ten opzichte van het vigerende regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Ter toelichting: de vestiging of uitbreiding van al bestaande stedelijke functies. Denk daarbij aan nieuwvestiging of de vergroting van de gebruiksoppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende omgevingsplan;

taxateur

een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12

vervoerder

(bij varend ontgassen) de onderneming, bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, Trb. 2001, 67)

uitzonderlijke universele waarde

Outstanding Universal Value (OUV), de culturele en/of natuurlijke betekenis die zo uitzonderlijk is dat deze nationale grenzen overstijgt en van algemeen belang is voor de huidige en toekomstige generaties van heel de mensheid

vlag

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, enkel- of tweezijdig aangebracht op doek, plastic of een ander als vlag te gebruiken materiaal, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag- bevestigings- en/of steunconstructies

vaartuig

voorwerp of constructie, gereed of in aanbouw, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd of ingericht voor het vervoer over water van personen of goederen. Een woonschip en een woonark worden niet beschouwd als vaartuig

volumineuze detailhandel

vormen van detailhandel die een assortiment voeren van overwegend ruimte vergende goederen, waaronder bouwmarkten, tuincentra, woninginrichtingszaken, auto-, boten-, en caravan­-bedrijven mede worden begrepen

vaarweg

voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement

waterbeheerprogramma

waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet

vaarwegbeheer

overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken

waterscoutinglocatie vaarwegbeheerder

als zodanig in een onherroepelijk omgevingsplan bestemde locatie

openbaar lichaam dat is belast met het vaarwegbeheer op grond van de Omgevingswet of waaraan de uitvoering van het vaarwegbeheer is opgedragen

waterwingebied verordening

beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de wet

omgevingsverordening

wet verstedelijking

Omgevingswet

van verstedelijking is sprake als een omgevingsplan ten opzichte van het vigerende regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Ter toelichting: de vestiging of uitbreiding van al bestaande stedelijke functies. Denk daarbij aan nieuwvestiging of de vergroting van de gebruiksoppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende omgevingsplan

woonark

casco met opbouw, dan wel in of op het water geplaatst voorwerp, niet zijnde een woonschip, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als dag- of nachtverblijf van een of meer personen, dan wel, te oordelen naar zijn constructie, inrichting of getroffen voorzieningen daartoe uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is

vlag

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, enkel- of tweezijdig aangebracht op doek, plastic of een ander als vlag te gebruiken materiaal, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag- bevestigings- en/of steunconstructies

woonschip

vaartuig, niet zijnde een woonark, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als dag- of nachtverblijf van een of meer personen, dan wel, te oordelen naar zijn constructie, inrichting of getroffen voorzieningen daartoe uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is

voet

overgang van het maaiveld naar een op dat maaiveld geplaatste constructie, depot, wal of grondlichaam

woonzorgvoorzieningen

kleinschalige woonaccommodatie ten behoeve van zorgvragers met mogelijkheden voor zorg en dagactiviteiten. Ter toelichting: kleinschalige woonaccommodatie voor ongeveer 25 zorgvragers;

volumineuze detailhandel

vormen van detailhandel die een assortiment voeren van overwegend ruimte vergende goederen, waaronder bouwmarkten, tuincentra, woninginrichtingszaken, auto-, boten-, en caravan­-bedrijven mede worden begrepen

zelfstandig kantoor

een gebouw of een deel van een gebouw in de vorm van een ruimtelijk en bouwkundig zelfstandige eenheid dat geheel of grotendeels in gebruik is of te gebruiken is voor bureaugebonden werkzaamheden of daaraan ondersteunende activiteiten, met uitzondering van een ondergeschikt kantoor. Ter toelichting: dit begrip is afgestemd op de definitie van kantoren in het Provinciale Inpassingsplan Kantoren 2018-2028, Provincie Utrecht. Bij 'een deel van een gebouw in de vorm van een ruimtelijk en bouwkundig zelfstandige eenheid moet gedacht worden aan een deel van een gebouw dat los van overige functies in de rest van het gebouw te gebruiken is. Opleidings-, congres- en vergaderactiviteiten vallen niet onder bureaugebonden werkzaamheden of ondersteunende activiteiten. Dit begrip moet in samenhang worden gelezen met het begrip 'ondergeschikt kantoor';

waterbeheerprogramma

waterbeheerprogramma bedoeld in artikel 3.7 van de Omgevingswet

zonneveld waterscoutinglocatie

elke groepering van zonnepanelen die op of boven de grond of op het wateroppervlak wordt geplaatst, maar niet op daken van gebouwen

als zodanig in een onherroepelijk omgevingsplan bestemde locatie

waterstaatswerk

oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk

waterwingebied

beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de wet

woonark

casco met opbouw of een in of op het water geplaatst voorwerp (een woonschip) dat uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als dagverblijf of nachtverblijf van een of meer personen, of - op basis van de constructie, inrichting of voorzieningen - daartoe uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is

woonschip

schip (geen woonark) dat uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als dagverblijf of nachtverblijf van een of meer personen, of, - op basis van de constructie, inrichting of voorzieningen - daartoe uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is

woonzorgvoorzieningen

kleinschalige woonaccommodatie ten behoeve van zorgvragers met mogelijkheden voor zorg en dagactiviteiten. Ter toelichting: kleinschalige woonaccommodatie voor ongeveer 25 zorgvragers

zonneveld

elke groepering van zonnepanelen die op of boven de grond of op het wateroppervlak wordt geplaatst, maar niet op daken van gebouwen

UUUUUUUUUUU

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

100-jaarsaandachtsgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioeb93e716-8f20-4b06-8ca3-490d96cafce3/nld@2024‑07‑29;402

/join/id/regdata/pv26/2025/gioeb93e716-8f20-4b06-8ca3-490d96cafce3/nld@2025‑12‑18;877-0

aandachtsgebied stiltegebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio9b5d732c-7a15-4007-a240-67569ca28950/nld@2024‑07‑29;550

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio9b5d732c-7a15-4007-a240-67569ca28950/nld@2024‑07‑29;550-0

agrarisch cultuurlandschap

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio415d2268-f797-46c0-be01-5ec6caad2f5d/nld@2024‑07‑29;562

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio415d2268-f797-46c0-be01-5ec6caad2f5d/nld@2024‑07‑29;562-0

amsterdam-rijnkanaal en lek

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio4513f993-9dc8-4e25-b4d0-759ce6dd4daa/nld@2024‑07‑29;555

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio4513f993-9dc8-4e25-b4d0-759ce6dd4daa/nld@2024‑07‑29;555-0

archeologisch waardevolle zone

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio42c906ba-75bf-4c5f-aa40-88edf5942263/nld@2024‑07‑29;639

/join/id/regdata/pv26/2025/gio42c906ba-75bf-4c5f-aa40-88edf5942263/nld@2025‑12‑18;860-0

beperkingengebied beheer provinciale weg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioa8fd835d-3e03-4f81-8d39-1a78de758897/nld@2024‑07‑29;641

bedrijventerrein van strategisch belang

/join/id/regdata/pv26/2025/gio33f50857-bbbc-4bbd-be69-319077afa355/nld@2025‑12‑18;879-0

beperkingengebied bouwwerkenbeheer provinciale weg

/join/id/regdata/pv26/2024/33giob7bf66e4-0038-40a4-ab4f-62f661f79838/nld@2024‑07‑29;572

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa8fd835d-3e03-4f81-8d39-1a78de758897/nld@2025‑12‑18;882-0

beperkingengebied lokale spoorweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio3efc7280-3877-439a-92cf-ef60911dd95c/nld@2024‑07‑29;644

beperkingengebied bouwwerken provinciale weg

/join/id/regdata/pv26/2025/giob7bf66e4-0038-40a4-ab4f-62f661f79838/nld@2025‑12‑18;881-0

beperkingengebied vaarweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio4c3bc7b0-3fc7-48ee-8034-75484e0d96ac/nld@2024‑07‑29;406

beperkingengebied lokale spoorweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio3efc7280-3877-439a-92cf-ef60911dd95c/nld@2024‑07‑29;644-0

beperkingengebied vrij zicht provinciale weg

/join/id/regdata/pv26/2024/33giob09dbc49-b0f8-455e-82ca-f5daa21000b7/nld@2024‑07‑29;571

beperkingengebied vaarweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio4c3bc7b0-3fc7-48ee-8034-75484e0d96ac/nld@2024‑07‑29;406-0

beschermingszone lokale spoorweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio788e1c32-adfc-44c8-8b84-f93dd0bd35e6/nld@2024‑07‑29;643

bergingsgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giod364c170-797d-4522-bca7-74cdefd7146b/nld@2025‑12‑18;911-0

beschermingszone oppervlaktewaterwinning

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioa682b16e-4431-4cec-9040-de153a6b608b/nld@2024‑07‑29;412

beschermingszone lokale spoorweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio788e1c32-adfc-44c8-8b84-f93dd0bd35e6/nld@2024‑07‑29;643-0

boringsvrije zone

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioe4267118-b1b1-44f4-83c1-2621b0a66400/nld@2024‑07‑29;635

beschermingszone oppervlaktewaterwinning

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa682b16e-4431-4cec-9040-de153a6b608b/nld@2025‑12‑18;878-0

boringsvrije zone amersfoort-koedijkerweg, rhenen en woudenberg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioa5b72231-f8ee-4687-94a3-2fc89e9b02c3/nld@2024‑07‑29;415

bestaand winkelgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio73bf0326-89ce-4c11-9fd9-7f725150c43d/nld@2025‑12‑18;409-0

boringsvrije zone benschop-diep

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio8f8459c0-7a44-4ff5-b29c-f56d967d5ad9/nld@2024‑07‑29;714

/join/id/regdata/pv26/2025/gioe4267118-b1b1-44f4-83c1-2621b0a66400/nld@2025‑12‑18;880-0

boringsvrije zone bilthoven, benschop-ondiep, bunnik, cothen, de meern, eempolder, leidsche rijn, langerak-noord, lexmond-noord, linschoten, nieuwegein, vianen en vianen-panoven

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio6d571c14-8080-41c6-a9e5-4683193d9612/nld@2024‑07‑29;716

boringsvrije zone amersfoort-koedijkerweg, rhenen en woudenberg

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa5b72231-f8ee-4687-94a3-2fc89e9b02c3/nld@2025‑12‑18;892-0

boringsvrije zone langerak en lexmond

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioda7fd5b6-ec64-4de4-8aff-2f9f6f02740c/nld@2024‑07‑29;416

boringsvrije zone benschop-diep

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio8f8459c0-7a44-4ff5-b29c-f56d967d5ad9/nld@2024‑07‑29;714-0

boringsvrije zone tull en t waal

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioc4354b7a-1a9c-4455-a985-0eff6a617749/nld@2024‑07‑29;647

boringsvrije zone bilthoven, benschop-ondiep, bunnik, cothen, eempolder, leidsche rijn, langerak-noord, lexmond-noord, linschoten en nieuwegein

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa7e36376-d978-449f-90f2-3e2561588978/nld@2025‑12‑18;885-0

boringsvrije zone veenendaalde meern

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio6a86d884-e302-4f72-b4c0-1ce47b22040c/nld@2024‑07‑29;646

/join/id/regdata/pv26/2025/gio5eae0dda-bc04-4661-a65a-9d3e209492fc/nld@2025‑12‑18;888-0

boringsvrije zone wcb nieuwegein

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioe3e96e2d-bcf9-4876-9314-582ccb14d7fc/nld@2024‑07‑29;417

boringsvrije zone langerak en lexmond

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioda7fd5b6-ec64-4de4-8aff-2f9f6f02740c/nld@2024‑07‑29;416-0

buffer luchtvaartterrein

/join/id/regdata/pv26/2025/gioeb40c2d1-5179-4484-ae44-c78995dfa33f/nld@2025‑08‑18;808

boringsvrije zone tull en t waal, vianen en vianen - panoven

/join/id/regdata/pv26/2025/gio1cafd6e8-949a-41d2-b3a0-3ace43ecab78/nld@2025‑12‑18;895-0

bufferzone stiltegebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio0747a337-7964-4cd6-bf03-007a38a2724f/nld@2024‑07‑29;422

boringsvrije zone veenendaal

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio6a86d884-e302-4f72-b4c0-1ce47b22040c/nld@2024‑07‑29;646-0

concentratiegebied glastuinbouw

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio1904d990-edc4-4e42-9c1c-79464ac5eddb/nld@2024‑07‑29;658

boringsvrije zone wcb nieuwegein

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioe3e96e2d-bcf9-4876-9314-582ccb14d7fc/nld@2024‑07‑29;417-0

dijktraject 1 op 10

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio04a87461-50e9-4ea0-8391-13c89976e0c3/nld@2024‑07‑29;429

buffer luchtvaartterrein

/join/id/regdata/pv26/2025/gioeb40c2d1-5179-4484-ae44-c78995dfa33f/nld@2025‑12‑18;898-0

dijktraject 1 op 100

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio8e7f2876-98ae-4aef-8de5-1acb63f0d577/nld@2024‑07‑29;430

bufferzone stiltegebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio0747a337-7964-4cd6-bf03-007a38a2724f/nld@2025‑12‑18;893-0

dijktraject 1 op 1000

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioebca675b-57e0-4b57-9c35-d232dab0749d/nld@2024‑07‑29;433

concentratiegebied glastuinbouw

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio1904d990-edc4-4e42-9c1c-79464ac5eddb/nld@2024‑07‑29;658-0

dijktraject 1 op 125010

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioe9a8a1af-66d4-4e53-a7e5-209a38f6c453/nld@2024‑07‑29;432

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio04a87461-50e9-4ea0-8391-13c89976e0c3/nld@2024‑07‑29;429-0

dijktraject 1 op 30100

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio54099751-e6e3-4c0e-8409-13ba0be44967/nld@2024‑07‑29;431

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio8e7f2876-98ae-4aef-8de5-1acb63f0d577/nld@2024‑07‑29;430-0

dijktraject 1 op 3001000

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio883f37e3-6b18-429b-b9d3-215772f3671b/nld@2024‑07‑29;428

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioebca675b-57e0-4b57-9c35-d232dab0749d/nld@2024‑07‑29;433-0

dijktraject slaperdijk

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio638271e0-50e5-4079-a01f-a184a7e74640/nld@2024‑07‑29;458

dijktraject 1 op 1250

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioe9a8a1af-66d4-4e53-a7e5-209a38f6c453/nld@2024‑07‑29;432-0

ganzenrustgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33giod7d3d4cf-f01b-406b-adf7-b7191923e72a/nld@2024‑07‑29;665

dijktraject 1 op 30

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio54099751-e6e3-4c0e-8409-13ba0be44967/nld@2024‑07‑29;431-0

gebied aardkundige waarden

/join/id/regdata/pv26/2025/gio5d5a8e2d-c09d-4ac7-82c4-6452acc75bac/nld@2025‑10‑10;811

dijktraject 1 op 300

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio883f37e3-6b18-429b-b9d3-215772f3671b/nld@2024‑07‑29;428-0

gebied agrarische bedrijven

/join/id/regdata/pv26/2025/gio056c7185-6263-41e2-8f93-f2113fa42eaa/nld@2025‑10‑10;815

dijktraject slaperdijk

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio638271e0-50e5-4079-a01f-a184a7e74640/nld@2024‑07‑29;458-0

gebied beperken bodembewerking

/join/id/regdata/pv26/2025/gio56059066-ccd5-4084-9941-e2d7472833f1/nld@2025‑10‑10;813

ganzenrustgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33giod7d3d4cf-f01b-406b-adf7-b7191923e72a/nld@2024‑07‑29;665-0

gebied beschermd klein landschapselement

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3a77bc55-fd16-4aeb-8892-1f0abaafc26c/nld@2025‑10‑10;816

gebied aardkundige waarden

/join/id/regdata/pv26/2025/gio5d5a8e2d-c09d-4ac7-82c4-6452acc75bac/nld@2025‑10‑10;811-0

gebied bestaand evenement of activiteit

/join/id/regdata/pv26/2025/gio21dd6f43-caf0-47aa-9d89-3672316c323e/nld@2025‑10‑10;814

gebied agrarische bedrijven

/join/id/regdata/pv26/2025/gio056c7185-6263-41e2-8f93-f2113fa42eaa/nld@2025‑12‑18;901-0

gebied bovenlokaal dagrecreatieterrein

/join/id/regdata/pv26/2025/gio02eb43ac-e396-438e-b4a4-fd4f49194c84/nld@2025‑10‑10;817

gebied beperken bodembewerking

/join/id/regdata/pv26/2025/gio56059066-ccd5-4084-9941-e2d7472833f1/nld@2025‑12‑18;890-0

gebied cultuurhistorische hoofdstructuur

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3878c650-10e6-443b-9d85-d9a138dbdd4f/nld@2025‑10‑10;819

gebied beschermd klein landschapselement

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3a77bc55-fd16-4aeb-8892-1f0abaafc26c/nld@2025‑10‑10;816-0

gebied dempen oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/pv26/2025/gio1436108b-d625-473c-8efa-f6a217356ad6/nld@2025‑10‑10;812

gebied bestaand evenement of activiteit

/join/id/regdata/pv26/2025/gio21dd6f43-caf0-47aa-9d89-3672316c323e/nld@2025‑10‑10;814-0

gebied detailhandel buiten bestaand winkelgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gioc05ec349-3655-4e8c-b0ac-25bcba0496b0/nld@2025‑10‑10;818

gebied bovenlokaal dagrecreatieterrein

/join/id/regdata/pv26/2025/gio02eb43ac-e396-438e-b4a4-fd4f49194c84/nld@2025‑10‑10;817-0

gebied eiland van schalkwijk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio30d87d42-8c72-481f-8247-a8cbc04900e8/nld@2025‑10‑10;810

gebied cultuurhistorische hoofdstructuur

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3878c650-10e6-443b-9d85-d9a138dbdd4f/nld@2025‑12‑18;868-0

gebied energie uit biomassa landelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio8e1e78ae-1646-406a-a789-69ef19b0199d/nld@2025‑10‑10;830

gebied dagrecreatieve voorziening

/join/id/regdata/pv26/2025/giod57d7e35-41bf-4db6-ab82-c524118077f0/nld@2025‑12‑18;974-0

gebied energie uit biomassa stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giofce5209d-1447-40d2-8cfb-1fca050301c5/nld@2025‑10‑10;829

gebied dempen oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/pv26/2025/gio1436108b-d625-473c-8efa-f6a217356ad6/nld@2025‑12‑18;859-0

gebied gesloten stortplaats

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa96ab955-dd39-4dc8-ae6e-ea99533c01da/nld@2025‑10‑10;827

gebied detailhandel buiten bestaand winkelgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gioc05ec349-3655-4e8c-b0ac-25bcba0496b0/nld@2025‑10‑10;818-0

gebied glastuinbouw niet toegestaan

/join/id/regdata/pv26/2025/giod56591b2-80cf-4788-b21c-c74b2e6386aa/nld@2025‑10‑10;823

gebied eiland van schalkwijk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio30d87d42-8c72-481f-8247-a8cbc04900e8/nld@2025‑10‑10;810-0

gebied houtopstand

/join/id/regdata/pv26/2025/giob8ffd728-9aef-4453-892c-42e981920f32/nld@2025‑10‑10;834

gebied energie uit biomassa landelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio8e1e78ae-1646-406a-a789-69ef19b0199d/nld@2025‑12‑18;903-0

gebied klein open bodemenergiesysteem

/join/id/regdata/pv26/2025/gio73f71441-6b83-4be5-9fef-293714578255/nld@2025‑10‑10;822

gebied energie uit biomassa stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giofce5209d-1447-40d2-8cfb-1fca050301c5/nld@2025‑12‑18;902-0

gebied kleine windturbine

/join/id/regdata/pv26/2025/gio2f394d1d-e99d-4b0c-b8de-817cdbd13aad/nld@2025‑10‑10;825

gebied energienetwerk

/join/id/regdata/pv26/2025/giod5733940-d5b1-46f3-bdc5-c95d3f2aaf3d/nld@2025‑12‑18;942-0

gebied kwetsbare strategische grondwatervoorraad

/join/id/regdata/pv26/2025/gioce450fee-52d5-484a-804c-3483ab437e2e/nld@2025‑10‑10;833

gebied glastuinbouw niet toegestaan

/join/id/regdata/pv26/2025/giod56591b2-80cf-4788-b21c-c74b2e6386aa/nld@2025‑10‑10;823-0

gebied landschappelijke waarden

/join/id/regdata/pv26/2025/gio6657c67e-6678-4c1b-8899-50bbd4b5052e/nld@2025‑10‑10;828

gebied houtopstand

/join/id/regdata/pv26/2025/giob8ffd728-9aef-4453-892c-42e981920f32/nld@2025‑12‑18;871-0

gebied ligplaatsen

/join/id/regdata/pv26/2025/gio066ad48c-6855-4fe5-a81b-aad3062e00b6/nld@2025‑10‑10;832

gebied kleine windturbine

/join/id/regdata/pv26/2025/gio2f394d1d-e99d-4b0c-b8de-817cdbd13aad/nld@2025‑12‑18;905-0

gebied matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad

/join/id/regdata/pv26/2025/gio68469db0-0b8d-469b-8eb4-cda6b2f8c005/nld@2025‑10‑10;824

/join/id/regdata/pv26/2025/gioce450fee-52d5-484a-804c-3483ab437e2e/nld@2025‑12‑18;891-0

gebied militair erfgoed

/join/id/regdata/pv26/2025/gioc546b331-0f70-451f-8383-d006e60b11a5/nld@2025‑10‑10;831

gebied landschappelijke waarden

/join/id/regdata/pv26/2025/gio6657c67e-6678-4c1b-8899-50bbd4b5052e/nld@2025‑12‑18;907-0

gebied provinciaal bereikbaarheidsnetwerk

/join/id/regdata/pv26/2025/giobbfb5308-bdbd-4746-b9e3-c566305ebc91/nld@2025‑10‑10;826

gebied ligplaatsen

/join/id/regdata/pv26/2025/gio066ad48c-6855-4fe5-a81b-aad3062e00b6/nld@2025‑12‑18;939-0

gebied provinciaal ov-netwerk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio1209352a-e5c7-4235-8559-d54f1e98ad6b/nld@2025‑10‑10;821

gebied maritiem erfgoed

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa7605e23-a680-4833-9522-8c180a54bfff/nld@2025‑12‑18;861-0

gebied recreatiewoning

/join/id/regdata/pv26/2025/gio9bbfe749-aeaa-4acc-ab18-41429310393e/nld@2025‑10‑10;838

gebied matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad

/join/id/regdata/pv26/2025/gio68469db0-0b8d-469b-8eb4-cda6b2f8c005/nld@2025‑12‑18;886-0

gebied regionaal fietsnetwerk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio85b89c0f-d8cb-4f94-b4a8-512210adf332/nld@2025‑10‑10;845

gebied militair erfgoed

/join/id/regdata/pv26/2025/gioc546b331-0f70-451f-8383-d006e60b11a5/nld@2025‑10‑10;831-0

gebied saneringsregels voor grondwater

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio0db8b52d-dc4d-4c36-a3eb-4aa1a871e63e/nld@2024‑07‑29;607

gebied militaire kazerne

/join/id/regdata/pv26/2025/gio25b34388-f4a5-4d97-8730-eaf52cd8c40c/nld@2025‑12‑18;963-0

gebied stille kern

/join/id/regdata/pv26/2025/gio48eb9c7a-e116-417a-8385-9771f93f794f/nld@2025‑10‑10;848

gebied provinciaal ov-netwerk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio1209352a-e5c7-4235-8559-d54f1e98ad6b/nld@2025‑12‑18;873-0

gebied uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa7f34adc-9299-4a8b-b9da-56af441e42a6/nld@2025‑08‑18;806

gebied recreatiewoning

/join/id/regdata/pv26/2025/gio9bbfe749-aeaa-4acc-ab18-41429310393e/nld@2025‑12‑18;900-0

gebied uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk

/join/id/regdata/pv26/2025/giod437d475-f798-4af7-9428-11da6ebe4a17/nld@2025‑08‑18;805

gebied regionaal fietsnetwerk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio85b89c0f-d8cb-4f94-b4a8-512210adf332/nld@2025‑12‑18;946-0

gebied windenergie

/join/id/regdata/pv26/2025/giocc2ef601-3b25-4428-8808-e77ae1e47b4d/nld@2025‑10‑10;846

gebied regionaal wegennet

/join/id/regdata/pv26/2025/gio9a199d8b-0144-43d4-9b42-190073d61cf5/nld@2025‑12‑18;910-0

gebied zonneveld

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa748cb8c-4f7f-4bbb-83d4-54becd3e0d1d/nld@2025‑10‑10;849

gebied saneringsregels voor grondwater

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio0db8b52d-dc4d-4c36-a3eb-4aa1a871e63e/nld@2024‑07‑29;607-0

gebiedstransformatie of herstructurering

/join/id/regdata/pv26/2024/33giof05fc2b0-816a-4d1e-a4a1-9e6a20c21fde/nld@2024‑07‑29;443

gebied seveso-inrichting

/join/id/regdata/pv26/2025/gioe1086d1d-3b52-4afb-a00f-99e4bec82fa5/nld@2025‑12‑18;970-0

geluidcontour binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33giob6dc70cf-f545-47c5-bdff-980f2c761c79/nld@2024‑07‑29;700

gebied stille kern

/join/id/regdata/pv26/2025/gio48eb9c7a-e116-417a-8385-9771f93f794f/nld@2025‑12‑18;884-0

geluidcontour buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33giob26431a6-7cba-4220-8bfa-3721a953ee1b/nld@2024‑07‑29;699

gebied uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa7f34adc-9299-4a8b-b9da-56af441e42a6/nld@2025‑12‑18;937-0

groene contour

/join/id/regdata/pv26/2025/gioee37db62-22b1-4334-bf89-7ddf4e5812c6/nld@2025‑08‑18;798

gebied uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk

/join/id/regdata/pv26/2025/giod437d475-f798-4af7-9428-11da6ebe4a17/nld@2025‑12‑18;936-0

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gioaf47db5b-c099-4603-828d-015197f15524/nld@2025‑10‑10;839

gebied vakantiepark

/join/id/regdata/pv26/2025/gio2f3002eb-5ddf-4e69-b4d0-6fb68a61ac91/nld@2025‑12‑18;972-0

grondwaterbeschermingsgebied amersfoort-berg, doorn, langerak, soestduinen en woerden

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioa5cb82df-44d2-4356-83ba-d7207dd7342d/nld@2024‑07‑29;447

gebied vitale drinkwaterinfrastructuur

/join/id/regdata/pv26/2025/giof48b7934-dbd2-4c4c-b897-748e2242dfdd/nld@2025‑12‑18;968-0

grondwaterbeschermingsgebied beerschoten

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio5c06dd78-6173-48ba-b06d-af654f1a1124/nld@2024‑07‑29;361

gebied windenergie

/join/id/regdata/pv26/2025/giocc2ef601-3b25-4428-8808-e77ae1e47b4d/nld@2025‑12‑18;906-0

grondwaterbeschermingsgebied bethunepolder, bilthoven, bunnik, cothen, groenekan, linschoten, zeist

/join/id/regdata/pv26/2025/gio2144033c-e4ec-46db-b842-ff4c8bfbd9d9/nld@2025‑10‑10;840

gebied zonneveld

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa748cb8c-4f7f-4bbb-83d4-54becd3e0d1d/nld@2025‑12‑18;908-0

grondwaterbeschermingsgebied driebergen, leersum en rhenen

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio85322a96-55c8-4333-8736-2182a4b3a56e/nld@2024‑07‑29;670

geluidcontour

/join/id/regdata/pv26/2025/gio20666be6-865c-44f7-927e-f316e3c6ebd2/nld@2025‑12‑18;959-0

grondwaterbeschermingsgebied langerak

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio1fbb70c7-63f4-40ae-9e85-86e44985a1ff/nld@2024‑07‑29;450

groene contour

/join/id/regdata/pv26/2025/gioee37db62-22b1-4334-bf89-7ddf4e5812c6/nld@2025‑12‑18;866-0

grondwaterbeschermingszone

/join/id/regdata/pv26/2025/giod62bc3e3-b9b3-4a55-b01a-6640dbcb9ac8/nld@2025‑10‑10;841

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gioaf47db5b-c099-4603-828d-015197f15524/nld@2025‑12‑18;914-0

historische buitenplaatszone

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio391efcfc-3a07-4eb0-a1ea-d91f642a64b3/nld@2024‑07‑29;561

grondwaterbeschermingsgebied amersfoort-berg, langerak, soestduinen en woerden

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3cd89275-e097-4c9d-80b4-48fb2ce65f6d/nld@2025‑12‑18;917-0

historische infrastructuur

/join/id/regdata/pv26/2024/33giod4582f23-78a9-42e3-a25f-4b3c8cbd8915/nld@2024‑07‑29;457

grondwaterbeschermingsgebied beerschoten

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio5c06dd78-6173-48ba-b06d-af654f1a1124/nld@2024‑07‑29;361-0

hoogheemraadschap de stichtse rijnlanden binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio16e79cf6-6c50-43e9-adea-bfdc7d4cca15/nld@2024‑07‑29;611

grondwaterbeschermingsgebied bethunepolder, bilthoven, bunnik, cothen, groenekan, linschoten, zeist

/join/id/regdata/pv26/2025/gio2144033c-e4ec-46db-b842-ff4c8bfbd9d9/nld@2025‑12‑18;916-0

hoogheemraadschap de stichtse rijnlanden buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio5a59a2cf-6c6c-418a-8a72-a2426a9f528f/nld@2024‑07‑29;552

grondwaterbeschermingsgebied driebergen, leersum en rhenen

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio85322a96-55c8-4333-8736-2182a4b3a56e/nld@2024‑07‑29;670-0

kantoor op knooppunt leidsche rijn centrum

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio9bc958cd-b1a0-4f6a-bd94-d81d870e7412/nld@2024‑07‑29;465

grondwaterbeschermingsgebied langerak

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio1fbb70c7-63f4-40ae-9e85-86e44985a1ff/nld@2024‑07‑29;450-0

kantoor op knooppunt utrecht centraal

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio12c328aa-8b07-48f1-b0fa-b9eb2bfde380/nld@2024‑07‑29;460

grondwaterbeschermingszone

/join/id/regdata/pv26/2025/giod62bc3e3-b9b3-4a55-b01a-6640dbcb9ac8/nld@2025‑12‑18;913-0

kernrandzone

/join/id/regdata/pv26/2025/gio8424d8c8-3264-4932-aa07-6cbe369d1489/nld@2025‑10‑10;850

historische buitenplaatszone

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio391efcfc-3a07-4eb0-a1ea-d91f642a64b3/nld@2024‑07‑29;561-0

kernzone lokale spoorweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio2e0daa3a-396d-4009-8f56-685a029c23ae/nld@2024‑07‑29;528

historische infrastructuur

/join/id/regdata/pv26/2024/33giod4582f23-78a9-42e3-a25f-4b3c8cbd8915/nld@2024‑07‑29;457-0

landbouwontwikkelingsgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio6fda2b6d-f056-48b6-ae95-6e3a56fe629b/nld@2024‑07‑29;474

hoogheemraadschap de stichtse rijnlanden binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2025/gio16e79cf6-6c50-43e9-adea-bfdc7d4cca15/nld@2025‑12‑18;951-0

landbouwstabiliseringsgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33giob2455090-5581-48e6-be06-fd67ed84dfa1/nld@2024‑07‑29;469

hoogheemraadschap de stichtse rijnlanden buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2025/gio5a59a2cf-6c6c-418a-8a72-a2426a9f528f/nld@2025‑12‑18;955-0

landelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio17d47ef4-f140-45b7-8809-c5068d74698f/nld@2025‑10‑10;843

kantoorlocatie categorie 1

/join/id/regdata/pv26/2025/gio08c7065d-a16a-4c62-8e0d-785e4f8cc12e/nld@2025‑12‑18;929-0

landschap

/join/id/regdata/pv26/2025/giof9504158-f191-4ddb-9565-b8cb7242cc65/nld@2025‑10‑10;844

kantoorlocatie categorie 2

/join/id/regdata/pv26/2025/gio99512729-a48f-48ba-ab9e-9587c2ea8903/nld@2025‑12‑18;928-0

landschap eemland

/join/id/regdata/pv26/2024/33giof11b0b30-3748-47a6-b9a1-c7e8a84cb0ef/nld@2024‑07‑29;467

kantoorlocatie categorie 3

/join/id/regdata/pv26/2025/gio7f604124-808d-4c87-a126-18928a0df975/nld@2025‑12‑18;930-0

landschap gelderse vallei

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio48abed5e-a8af-4473-9ca9-c6abff90c8ad/nld@2024‑07‑29;468

kantoorlocatie categorie 4

/join/id/regdata/pv26/2025/gio34ea2206-ac96-4b09-9017-549c9ba69ec8/nld@2025‑12‑18;926-0

landschap groene hart

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioa09d883f-de8b-4fb9-a09e-e7a25bf918e3/nld@2024‑07‑29;553

kernrandzone

/join/id/regdata/pv26/2025/gio8424d8c8-3264-4932-aa07-6cbe369d1489/nld@2025‑12‑18;961-0

landschap rivierengebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio89507dfe-df52-4819-b084-4aadd2e48832/nld@2024‑07‑29;471

kernzone lokale spoorweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio2e0daa3a-396d-4009-8f56-685a029c23ae/nld@2024‑07‑29;528-0

landschap utrechtse heuvelrug

/join/id/regdata/pv26/2024/33giof8c0d909-e79c-4a74-ba1e-3ca7fa601337/nld@2024‑07‑29;470

landbouwontwikkelingsgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio6fda2b6d-f056-48b6-ae95-6e3a56fe629b/nld@2024‑07‑29;474-0

luchtvaartterrein

/join/id/regdata/pv26/2025/gio106cdfe3-8d2a-4d29-950a-43dc0d9e3269/nld@2025‑08‑18;800

landbouwstabiliseringsgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33giob2455090-5581-48e6-be06-fd67ed84dfa1/nld@2024‑07‑29;469-0

militaire terreinen of terreinen met militaire objecten binnen het natuurnetwerk nederland

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio558636d9-585a-4642-8270-b204750d31fd/nld@2024‑07‑29;712

landelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio17d47ef4-f140-45b7-8809-c5068d74698f/nld@2025‑12‑18;853-0

natuurnetwerk nederland

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3111b509-00cb-46c0-9967-b8102f81c85f/nld@2025‑08‑18;803

landschap

/join/id/regdata/pv26/2025/giof9504158-f191-4ddb-9565-b8cb7242cc65/nld@2025‑12‑18;941-0

neder-rijn

/join/id/regdata/pv26/2024/33giob30cb8ee-7fc1-4e33-9985-26a6717721bd/nld@2024‑07‑29;426

landschap eemland

/join/id/regdata/pv26/2025/giof11b0b30-3748-47a6-b9a1-c7e8a84cb0ef/nld@2025‑12‑18;865-0

overstroombaar gebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioef44340e-4394-45f1-a153-4eba9b70aef2/nld@2024‑07‑29;566

landschap gelderse vallei

/join/id/regdata/pv26/2025/gio48abed5e-a8af-4473-9ca9-c6abff90c8ad/nld@2025‑12‑18;863-0

recreatiezone

/join/id/regdata/pv26/2024/33giof36e718d-299b-447a-9993-4ad8859b266f/nld@2024‑07‑29;485

landschap groene hart

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa09d883f-de8b-4fb9-a09e-e7a25bf918e3/nld@2025‑12‑18;867-0

reductielocaties

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio1ec57ed1-4ad2-4e84-9140-d14d9c10de3e/nld@2024‑07‑29;484

landschap kromme rijngebied en schalkwijk

/join/id/regdata/pv26/2025/gioc2d7b65a-44a3-487b-83b8-58d4769c08a7/nld@2025‑12‑18;864-0

stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giob5049ae2-9548-4a0d-8e69-f0f1350202de/nld@2025‑10‑10;837

landschap utrechtse heuvelrug

/join/id/regdata/pv26/2025/giof8c0d909-e79c-4a74-ba1e-3ca7fa601337/nld@2025‑12‑18;862-0

stiltegebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio8e108c08-f07d-431a-b17e-c5ca0b7df029/nld@2024‑07‑29;490

luchtvaartterrein

/join/id/regdata/pv26/2025/gio106cdfe3-8d2a-4d29-950a-43dc0d9e3269/nld@2025‑12‑18;897-0

unesco werelderfgoed hollandse waterlinies

/join/id/regdata/pv26/2024/33giobaba1ce0-087f-481b-b245-4e654690ac37/nld@2024‑07‑29;597

militaire terreinen of terreinen met militaire objecten binnen het natuurnetwerk nederland

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio558636d9-585a-4642-8270-b204750d31fd/nld@2024‑07‑29;712-0

unesco werelderfgoed neder-germaanse limes (bufferzone)

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioca8fe24d-7ab7-4f37-9005-4f79c6ecbd02/nld@2024‑07‑29;710

natuurnetwerk nederland

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3111b509-00cb-46c0-9967-b8102f81c85f/nld@2025‑08‑18;803-0

unesco werelderfgoed neder-germaanse limes (kernzone)

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio3a328867-f3cd-4668-88c7-4552e08e8fd6/nld@2024‑07‑29;708

neder-rijn

/join/id/regdata/pv26/2024/33giob30cb8ee-7fc1-4e33-9985-26a6717721bd/nld@2024‑07‑29;426-0

vaarweg in beheer bij provincie utrecht

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio89170da0-30b0-44c8-845d-3e731271d669/nld@2024‑07‑29;691

overstroombaar gebied klasse i

/join/id/regdata/pv26/2025/giocce656bc-5107-4dab-b2e6-57b3021c8148/nld@2025‑12‑18;921-0

vaarweg niet in beheer bij provincie utrecht

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioe26d46ba-b43a-4457-bdfd-fb11e09e1f4c/nld@2024‑07‑29;690

overstroombaar gebied klasse ii

/join/id/regdata/pv26/2025/gioaf513ece-9853-432e-891d-9535b458b3eb/nld@2025‑12‑18;922-0

verbod varend ontgassen

/join/id/regdata/pv26/2024/33giocbe9b77b-8393-4e14-ac91-f6b2f1d2d5f1/nld@2024‑07‑29;497

overstroombaar gebied klasse iii

/join/id/regdata/pv26/2025/gio8f33a540-cb62-4d11-970a-f12e76479196/nld@2025‑12‑18;924-0

verplicht peilbesluitgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio1bc7d78e-28ba-4762-971f-0274b5543a26/nld@2024‑07‑29;595

overstroombaar gebied klasse iv

/join/id/regdata/pv26/2025/gioad33a94c-45a7-4a6c-a184-f7209603892b/nld@2025‑12‑18;925-0

vrijwaringszone regionale waterkering

/join/id/regdata/pv26/2024/33giof4a1c815-82e1-4e1a-888d-23cec22fc716/nld@2024‑07‑29;565

recreatiezone

/join/id/regdata/pv26/2024/33giof36e718d-299b-447a-9993-4ad8859b266f/nld@2024‑07‑29;485-0

waardevolle houtopstanden - oude bosgroeiplaatsen

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3940cf76-bee0-4a1a-8d51-aa0d49be7153/nld@2025‑10‑10;842

stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giob5049ae2-9548-4a0d-8e69-f0f1350202de/nld@2025‑12‑18;852-0

waterbergingsgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio07b1670c-f382-4c38-85ea-e50d6d150dde/nld@2024‑07‑29;506

stikstofexclusiegebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio2a196e93-d4e2-4c20-93c1-57ea6ae59362/nld@2025‑12‑18;944-0

waterschap amstel, gooi en vecht binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioa55fe802-5157-4412-8280-2a4087f2c4cc/nld@2024‑07‑29;500

stikstofreductiezone

/join/id/regdata/pv26/2025/giod6d22e48-4cdc-46a6-9fca-f2d824bf93fb/nld@2025‑12‑18;943-0

waterschap amstel, gooi en vecht buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33giocfa664b4-bb5b-480e-9c56-ddb169b578d0/nld@2024‑07‑29;605

stiltegebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio8e108c08-f07d-431a-b17e-c5ca0b7df029/nld@2025‑12‑18;934-0

waterschap rivierenland binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33giod01b466f-affa-4dca-a856-7518fd70dd2b/nld@2024‑07‑29;505

unesco werelderfgoed hollandse waterlinies

/join/id/regdata/pv26/2025/giobaba1ce0-087f-481b-b245-4e654690ac37/nld@2025‑12‑18;620-0

waterschap rivierenland buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio335fa593-2af7-40e4-9fe3-3663501c60ce/nld@2024‑07‑29;504

unesco werelderfgoed neder-germaanse limes (bufferzone)

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioca8fe24d-7ab7-4f37-9005-4f79c6ecbd02/nld@2024‑07‑29;710-0

waterschap vallei en veluwe binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio525e1fce-dab9-495c-91aa-0084037e0bc8/nld@2024‑07‑29;503

unesco werelderfgoed neder-germaanse limes (kernzone)

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio3a328867-f3cd-4668-88c7-4552e08e8fd6/nld@2024‑07‑29;708-0

waterschap vallei en veluwe buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio245bb717-d5ac-4023-a3fc-1f6e35511188/nld@2024‑07‑29;609

vaarstrook

/join/id/regdata/pv26/2025/gio98c36c6f-67d8-415b-b69f-c9befd40559b/nld@2025‑12‑18;920-0

waterwingebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giod90590cf-9ebc-46cc-8477-0b635fbf3d64/nld@2025‑10‑10;847

vaarweg

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio3b5a2ff8-ee13-4f4e-b43c-1a3fcfb4c225/nld@2024‑07‑29;591-0

waterwingebied bethunepolder

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioa662c492-e704-4a05-91cf-64c4bf7ff48a/nld@2024‑07‑29;508

vaarweg in beheer bij provincie utrecht

/join/id/regdata/pv26/2025/gio89170da0-30b0-44c8-845d-3e731271d669/nld@2025‑12‑18;856-0

waterwingebied bethunepolder waterleidingkanaal

/join/id/regdata/pv26/2025/gio7b64c13a-3f73-415d-a6dd-8b30d4efcb48/nld@2025‑10‑10;836

veiligheidsstrook

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa57d1fc3-2955-4ab3-b8b2-5f9e4097737f/nld@2025‑12‑18;927-0

waterwingebieden lexmond, woerden en vianen

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio0f87db9f-d316-4130-a837-8b5f9ca79a10/nld@2024‑07‑29;509

veiligheidszone

/join/id/regdata/pv26/2025/gio99bda60b-c2f9-4725-a614-d7c4c467afb9/nld@2025‑12‑18;919-0

weidevogelkerngebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioeb64a800-bc8b-46a3-91bb-5c043e8cb1dc/nld@2024‑07‑29;695

verplicht peilbesluitgebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gio1bc7d78e-28ba-4762-971f-0274b5543a26/nld@2024‑07‑29;595-0

zwemlocatie

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioda3aa059-153c-47a9-b160-2d751a05bf00/nld@2024‑07‑29;629

vrijwaringszone regionale waterkering

/join/id/regdata/pv26/2024/33giof4a1c815-82e1-4e1a-888d-23cec22fc716/nld@2024‑07‑29;565-0

waardevolle houtopstanden - oude bosgroeiplaatsen

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3940cf76-bee0-4a1a-8d51-aa0d49be7153/nld@2025‑10‑10;842-0

waterschap amstel, gooi en vecht binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa55fe802-5157-4412-8280-2a4087f2c4cc/nld@2025‑12‑18;950-0

waterschap amstel, gooi en vecht buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2025/giocfa664b4-bb5b-480e-9c56-ddb169b578d0/nld@2025‑12‑18;952-0

waterschap rivierenland binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2025/giod01b466f-affa-4dca-a856-7518fd70dd2b/nld@2025‑12‑18;949-0

waterschap rivierenland buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2025/gio335fa593-2af7-40e4-9fe3-3663501c60ce/nld@2025‑12‑18;953-0

waterschap vallei en veluwe binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2025/gio525e1fce-dab9-495c-91aa-0084037e0bc8/nld@2025‑12‑18;954-0

waterschap vallei en veluwe buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/pv26/2025/gio245bb717-d5ac-4023-a3fc-1f6e35511188/nld@2025‑12‑18;948-0

waterwingebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giod90590cf-9ebc-46cc-8477-0b635fbf3d64/nld@2025‑12‑18;912-0

waterwingebied bethunepolder

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa662c492-e704-4a05-91cf-64c4bf7ff48a/nld@2025‑12‑18;965-0

weidevogelkerngebied

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioeb64a800-bc8b-46a3-91bb-5c043e8cb1dc/nld@2024‑07‑29;695-0

zoekgebied waterberging

/join/id/regdata/pv26/2025/gioff491912-192c-4d79-825a-ea39ea1e3b68/nld@2025‑12‑18;957-0

zwemlocatie

/join/id/regdata/pv26/2024/33gioda3aa059-153c-47a9-b160-2d751a05bf00/nld@2024‑07‑29;629-0

VVVVVVVVVVV

Bijlage VI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VI Lijst niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffen Stoffenlijst

1. Als niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffen worden aangewezen de stoffen en mengsels die staan vermeld in de hierna opgenomen tabel.

2. Een stof is niet een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof als deze deel uitmaakt van:

A. Aanwi jzing niet-toelaatbare stoffen

1. Als voor het grondwater niet-toelaatbare stoffen worden aangewezen alle stoffen die een gezondheidsrisico vormen voor de productie van drinkwater, als ze in het grondwater van een waterwingebied terechtkomen.

2. Hieronder vallen in ieder geval de volgende stoffen:

  • a.

    een zeer zorgwekkende stof (ZZS), zoals vastgesteld door het RIVM;

  • b.

    stoffen opgenomen in de BB-CVM (2020);

  • c.

    stoffen met een schadelijke werking op de smaak of geur van het grondwater en mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan en die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken; en

  • d.

    gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

B. Aanwijzing schadelijke stoffen

1. Als voor het grondwater schadelijke stoffen worden aangewezen de stoffen en mengsels die vermeld staan in de Tabel Schadelijke stoffen.

2. Uitgezonderd zijn stoffen die deel uitmaken van:

  • a.

    een geneesmiddel in de zin van Richtlijn 2001/83/EG en een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG;

  • b.

    cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG;

  • c.

    de volgende brandstoffen en olieproducten:

    • 1.

      benzine en dieselbrandstof bedoeld in Richtlijn 98/70/EG;

    • 2.

      derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties;

    • 3.

      brandstoffen die in een gesloten systeem verkocht worden (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas);

  • d.

    kunstschilderverven die onder Verordening (EG nr. 1272/2008 vallen;

  • e.

    asbest, erioniet en vuurvaste keramische vezels;

  • f.

    derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt); en

  • g.

    de volgende toepassingen van PFAS:

    • 1.

      brandblusschuim; en

    • 2.

      overige toepassingen waarvoor in het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen voor het gebruik een uitzondering opgenomen is.

C Aanwijzing risicovolle stoffen

1. Als voor het grondwater risicovolle stoffen worden aangewezen de stoffen die mogelijk een gezondheidsrisico vormen voor de productie van drinkwater, als ze in het grondwater van een grondwaterbeschermingsgebied terechtkomen.

2. Hieronder vallen in ieder geval de volgende stoffen:

  • a.

    een (potentieel) zeer zorgwekkende stof (ZZS), zoals vastgesteld door het RIVM, waarbij extra aandacht uitgaat naar stoffen die persistent (P), mobiel (M) en toxisch (T) zijn (PMT/ vPvM criteria);

  • b.

    stoffen opgenomen in de BB-CVM (2020);

  • c.

    stoffen met een schadelijke werking op de smaak op geur van het grondwater, en mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken;

  • d.

    stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben zoals opgenomen in de SZW-lijst met kankerverwekkende stoffen en processen, mutagene of voor de voortplanting giftige stoffen, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1‑8‑2024); en

  • e.

    hormoonverstorende stoffen en mengsels: waarvan in ieder geval stoffen en mengsels met die eigenschappen voor zover aangewezen in EG-verordening 1272/2008 indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels of EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.

3. Uitgezonderd zijn stoffen die deel uitmaken van:

  • a.

    een geneesmiddel in de zin van Richtlijn 2001/83/EG ofen een geneesmiddel voor diergeneeskundig  gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG en;

  • b.

    cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG;

  • c.

    de volgende brandstoffen en olieproducten:

    • 1.

      benzine en dieselbrandstof als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG;

    • 2.

      derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste  verbrandingsinstallaties;

    • 3.

      brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas);

  • d.

    kunstschilderverven die onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen;

  • e.

    asbest, erioniet en vuurvaste keramische vezels;

  • f.

    derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt); en

  • g.

    een zeer zorgwekkende stof zoals vastgesteld door het RIVM.

    de volgende toepassingen van PFAS:

    • 1.

      brandblusschuim; en

    • 2.

      overige toepassingen waarvoor in het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen voor het gebruik een uitzondering opgenomen is.

D. Tabel overigeschadelijke stoffen en mengsels

 

Overige stoffen en mengsels waarin de volgende stoffen voorkomen in een concentratie van meer dan 0,1massa-%:

CAS nr.

1

Polybroombifenylen

59536‑65‑1

2

Kwikverbindingen

--

3

Arseenverbindingen

--

4

Organische tinverbindingen

--

5

Trichloormethaan (Chloroform)

67‑66‑3

6

1.1.2-Trichloorethaan

79‑00‑5

7

1,1,2,2-tetrachloorethaan

79‑34‑5

8

1,1,1,2-tetrachloorethaan 630‑20‑6

630‑20‑6

9

Pentachloorethaan

76‑01‑7

10

1,1-dichlooretheen

75‑35‑4

11

Hexachloorethaan

67‑72‑1

12

Gechloreerde parafines met een korte keten (C10-13, SCCP’s)

85535‑84‑8

13

Tolueen

108‑88‑3

14

Trichloorbenzeen

12002‑48‑1

14a

1,2.4- Trichloorbenzeen

120‑82‑1

14b

1,3,5- Trichloorbenzeen

108‑70‑3

14c

1,2,3- Trichloorbenzeen

87‑61‑6

15

Pentachloorbenzeen

608‑93‑5

16

Broommethaan (methylbromide)

74‑83‑9

17

Dichloormethaan (methyleenchloride)

75‑09‑2

18

Hexachloorbutadieen

87‑68‑3

19

Tetrachlooretheen

127‑18‑4

20

Trichlooretheen

79‑01‑6

21

Vinylbromide

593‑60‑2

22

Perfluoroctanylsulfonzuren en hun zouten

--

23

Hexachloorcyclopentadieen

77‑47‑4

24

1,2 dichlooretheen (cis en trans)

540‑59‑0

Stoffen en mengsels waarin de volgende stoffen voorkomen in een concentratie van meer dan 0,1massa-%:

CAS-nummer

GEHALOGENEERDE KOOLWATERSTOFFEN

 

Gechloreerde koolwaterstoffen

 

Trichloormethaan (Chloroform)

67‑66‑3

1.1.2-Trichloorethaan

79‑00‑5

1,1,2,2-tetrachloorethaan

79‑34‑5

1,1,1,2-tetrachloorethaan

630‑20‑6

Pentachloorethaan

76‑01‑7

1,1-dichlooretheen

75‑35‑4

Hexachloorethaan

67‑72‑1

Dichloormethaan (methyleenchloride)

75‑09‑2

Hexachloorbutadieen

87‑68‑3

Tetrachlooretheen

127‑18‑4

Trichlooretheen

79‑01‑6

Hexachloorcyclopentadieen

77‑47‑4

1,2 dichlooretheen (cis en trans)

540‑59‑0

1,2-Dichloorethaan

107‑06‑2

Vinylchloride

75‑01‑4

Chloorbenzenen

 

Trichloorbenzeen

12002‑48‑1

1,2.4- Trichloorbenzeen

120‑82‑1

1,3,5- Trichloorbenzeen

108‑70‑3

1,2,3- Trichloorbenzeen

87‑61‑6

Pentachloorbenzeen

608‑93‑5

Hexachloorbenzeen

118‑74‑1

Overige gechloreerde koolwaterstoffen

 

Gechloreerde parafines met een korte keten (C10-13, SCCP’s)

85535‑84‑8

Dioxinen en dioxineachtige verbindingen

 

Dioxinen en dioxineachtige verbindingen

 

Overige organische halogeenverbindingen

 

Polybroombifenylen

59536‑65‑1

Broommethaan (methylbromide)

74‑83‑9

Vinylbromide

593‑60‑2

Gebromeerde diphenylethers

 

MINERALE OLIEN EN KOOLWATERSTOFFEN

 

Monocyclische aromatische koolwaterstoffen

 

Tolueen

108‑88‑3

Benzeen

71‑43‑2

Xylenen

 

Naftaleen

91‑20‑3

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

 

Benzo(a)pyreen

50‑32‑8

Antraceen

120‑12‑7

OVERIGE ANTROPOGENE STOFFEN

 

Perfluoralkylstoffen (PFAS)

 

PFAS en hun zouten

 

Overig

 

Kwikverbindingen

 

Arseenverbindingen

 

Organische tinverbindingen

 

Cadmiumverbindingen

 

Epichloorhydrine

106‑89‑8

Gehalogeneerde azijnzuren (HAA’s)

 

N- nitrosodimethylamine (NDMA)

62‑75‑9

Acrylamide

79‑06‑1

WWWWWWWWWWW

Bijlage IX wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage IX Vaarwegbeheer

Afkortingen:

AGV: Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht

B&W: College van burgemeester en wethouders

DB: Dagelijks bestuur

GS: Gedeputeerde staten

HDSR: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

SG: Stichtse Groenlanden

Lijst A

Nr.

Naam

1 t/m 4: bestuursorgaan van het overheidsorgaan belast met het vaarwegbeheer; 5 t/m 13: bestuursorgaan aan wie de uitvoering van het vaarwegbeheer is opgedragen

Bevoegd gezag op grond van de Scheepvaartverkeerwet

1

Eem, gelegen buiten de gemeente Amersfoort

GS

GS

2

Oude Rijn-West

GS

GS

3

Merwedekanaal, beneden de Lek

GS (beheer gemandateerd aan GS van Zuid-Holland)

GS (bevoegdheid gemandateerd aan GS van Zuid-Holland)

4

Amstel

GS (beheer is bij een gemeenschappelijke regeling overgedragen aan bestuur van Noord-Holland)

GS van Noord-Holland

5

Vecht

DB van AGV

DB van AGV

6

Kromme Mijdrecht

DB van AGV

DB van AGV

7

Oudhuizersluis

DB van AGV

DB van AGV

8

Pondskoekersluis

DB van AGV

DB van AGV

9

Demmerikse sluis

DB van AGV

DB van AGV

10

Proostdijersluis

DB van AGV

DB van AGV

11

Grecht

DB van HDSR

DB van HDSR

12

Gekanaliseerde Hollandsche IJssel

DB van HDSR

DB van HDSR

13

Linge

DB van Waterschap Rivierenland

DB van Waterschap Rivierenland

Nr.

Naam

Belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer

1

Eem, gelegen buiten de gemeente Amersfoort

GS, met uitzondering van de brugbediening van de Eembrug en Malebrug

2

Oude Rijn-West

GS

Lijst B

Nr.

Naam

Bestuursorgaan van het overheidslichaam belast met het vaarwegbeheer

Bevoegd gezag op grond van de Scheepvaartverkeerswet

1

Geer

DB van AGV

DB van AGV

2

Bijleveld

DB van AGV

DB van AGV

3

Groote Heicop

DB van AGV

DB van AGV

4

Heinoomsvaart-binnen (met uitzondering van de Oudhuizersluis)

DB van AGV

DB van AGV

5

Kerkvaart-west (met uitzondering van de Pondskoekersluis)

DB van AGV

DB van het SG

6

Ringvaart van Groot Mijdrecht

DB van AGV

DB van AVG

7

Gemeenlandsvaart

DB van AGV

DB van het SG

8

Middenwetering (Vinkeveen)

DB van AGV

DB van het SG

9

Geuzensloot-binnen (met uitzondering van de Demmerikse sluis)

DB van AGV

DB van het SG

10

Heul (Vinkeveen)

DB van AGV

DB van het SG

11

Geuzensloot-buiten

DB van AGV

DB van AGV

12

Angstel

DB van AGV

DB van AGV

13

Nieuwe Wetering-West

DB van AGV

DB van AGV

14

Nieuwe Wetering-Oost

DB van AGV

DB van AGV

15

Waver

DB van AGV

DB van AGV

16

Oude Waver

DB van AGV

DB van AGV

17

Winkel

DB van AGV

DB van AGV

18

Sluisvaart (met uitzondering van de Proostdijersluis)

DB van AGV

DB van AGV

19

Holendrecht

DB van AGV

DB van AGV

20

Vaargeul door het Abcoudermeer

DB van AGV

DB van AGV

21

Gein

DB van AGV

DB van AGV

22

Dubbele Wiericke

DB van HDSR

DB van HDSR

23

Singel te Woerden (met uitzondering van het noordelijk gedeelte)

B&W van Woerden

B&W van Woerden

24

Stadsbuitengracht/Singel

B&W van Utrecht

B&W van Utrecht

25

Oude Gracht

B&W van Utrecht

B&W van Utrecht

26

Drecht-West bij de Mijndense brug

B&W van Wijdemeren

B&W van Wijdemeren

27

Eem, gelegen binnen de gemeente Amersfoort

B&W van Amersfoort

B&W van Amersfoort

Nr.

Naam

Belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer

1

Merwedekanaal, bezuiden de Lek

GS van Zuid-Holland

2

Amstel

GS van Noord-Holland (via een gemeenschappelijke regeling)

3

Eem, gelegen binnen de gemeente Amersfoort

B&W van Amersfoort

4

Insteekhaven

B&W van Amersfoort

5

Kerkvaart/Danne

B&W van Stichtse Vecht

6

Stadsbuitengracht/Singel

B&W van Utrecht

7

Oude Gracht

B&W van Utrecht

8

Regionale wateren gelegen in de gemeente Utrecht met uitzondering van de Stadsbuitengracht/Singel en de Oude Gracht (lijst B, nrs. 24 en 25), de Vecht (lijst A, nr. 5), de Kromme Rijn ten oosten van de Waterlinieweg en de Leidsche Rijn ten westen van het Amsterdam-Rijnkanaal

B&W van Utrecht

9

Drecht-West bij de Mijndense brug

B&W van Wijdemeren

10

Singel te Woerden (met uitzondering van het noordelijk gedeelte)

B&W van Woerden

11

De Nieuwe Weteringbrug (Vecht)

B&W van Nieuwegein, voor zover het gaat om de brugbediening

12

Cronenburgherbrug (Vecht)

B&W van Nieuwegein, voor zover het gaat om de brugbediening

13

Vreelandbrug (Vecht)

B&W van Nieuwegein, voor zover het gaat om de brugbediening

14

Eembrug (Eem)

B&W van Nieuwegein, voor zover het gaat om de brugbediening

15

Malebrug (Eem)

B&W van Nieuwegein, voor zover het gaat om de brugbediening

Lijst C

Nr.

Naam

Bestuursorgaan van het overheidslichaam belast met het vaarwegbeheer

Bevoegd gezag op grond van de Scheepvaartverkeerswet

1

Kerkvaart/Danne

B&W van Stichtse Vecht

B&W van Stichtse Vecht

2

Regionale wateren gelegen in de gemeente Utrecht met uitzondering van de Stadsbuitengracht/Singel en de Oude Gracht (lijst B, nrs. 24 en 25), de Vecht (lijst A, nr. 5), de Kromme Rijn ten oosten van de Waterlinieweg en de Leidsche Rijn ten westen van het Amsterdam-Rijnkanaal

B&W van Utrecht

B&W van Utrecht

3

Insteekhaven

B&W van Amersfoort

B&W van Amersfoort

Nr.

Naam

Belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer

Type

1

Geer

DB van AGV

 

2

Bijleveld

DB van AGV

 

3

Groote Heicop

DB van AGV

 

4

Heinoomsvaart-binnen (met uitzondering van de Oudhuizersluis)



DB van AGV

 

5

Kerkvaart-west (met uitzondering van de Pondskoekersluis)

DB van AGV

 

6

Ringvaart van Groot Mijdrecht

DB van AGV

 

7

Gemeenlandsvaart

DB van AGV

 

8

Middenwetering (Vinkeveen)

DB van AGV

 

9

Geuzensloot-binnen (met uitzondering van de Demmerikse sluis)

DB van AGV

 

10

Heul (Vinkeveen)

DB van AGV

 

11

Geuzensloot-buiten

DB van AGV

 

12

Angstel

DB van AGV

 

13

Nieuwe Wetering-West

DB van AGV

 

14

Nieuwe Wetering-Oost

DB van AGV

 

15

Waver

DB van AGV

 

16

Oude Waver

DB van AGV

 

17

Winkel

DB van AGV

 

18

Sluisvaart (met uitzondering van de Proostdijersluis)

DB van AGV

 

19

Holendrecht

DB van AGV

 

20

Vaargeul door het Abcoudermeer

DB van AGV

 

21

Gein

DB van AGV

 

22

Dubbele Wiericke (met uitzondering van de Goejanverwelle sluis te Hekendorp)

DB van HDSR

 

23

Vecht

DB van AGV, met uitzondering van de brugbediening van De Nieuwe Weteringbrug, Cronenburgherbrug en Vreelandbrug

 

24

Kromme Mijdrecht

DB van AGV

 

25

Oudhuizersluis

DB van AGV

 

26

Pondskoekersluis

DB van AGV

 

27

Demmerikse sluis en Demmerikse brug (N201)

DB van AGV

Demmerikse brug voor zover het de brugbediening betreft

28

Proostdijersluis

DB van AGV

 

29

Grecht

DB van HDSR

 

30

Gekanaliseerde Hollandsche IJssel

DB van HDSR

 

31

Linge

DB van Waterschap Rivierenland

 

32

Goejanverwellesluis

DB van HDSR

 

XXXXXXXXXXX

Bijlage XI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage XI Wezenlijke kenmerken en waarden

De wezenlijke kenmerken en waarden (WKW) omvatten de actuele en potentiële natuurwaarden van het NNN en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities. De WKW zijn opgesteld met als doel het beschermen, in stand houden, verbeteren en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

De WKW worden per deelgebied beschreven aan de hand van:

  • a.

    de aanwezige ecosystemen (waaronder biotopen en habitats),

  • b.

    de potenties,

  • c.

    de robuustheid van het systeem inclusief de verbindingsfunctie voor soorten,

  • d.

    bijzondere soorten; en

  • e.

    de abiotische en ruimtelijke condities die deze soorten en ecosystemen nodig hebben

De in het rapport ‘Uitwerking van de Wezenlijke kenmerken en Waarden van het NNN’ (hierna het rapport) onder de paragrafen ‘Wezenlijke kenmerken en waarden’, ‘potentiële waarden’ en ‘abiotische en ruimtelijke condities’ opgenomen kenmerken en waarden moeten in ieder geval worden beschouwd als wezenlijk. Voordat een nieuw omgevingsplan wordt vastgesteld is aanvullend op de uitwerkingen in dit rapport een (veld-)onderzoek ter plekke noodzakelijk. In het onderzoek moet in beeld worden gebracht wat de feitelijke situatie in het veld is, waarbij in ieder geval de kenmerken en waarden beschreven in het rapport worden betrokken. En ook moet het onderzoek ingaan op het vóórkomen van, en de functionaliteit van het leefgebied voor, soorten op de rode lijsten, wettelijk beschermde soorten en Utrechtse aandachtssoortenaandachtsoorten en het functioneren van beheertypen en potentiële natuurwaarden. De in het rapport benoemde kansen en knelpunten behoren niet tot de WKW maar kunnen benut worden voor de verbetering van het NNN (bijvoorbeeld in het geval van de toepassing van de meerwaardebenadering). In het rapport wordt ook ingegaan op vervangbaarheid van natuur. Hier moet rekening mee gehouden worden in het geval dat compensatie aan de orde is.

YYYYYYYYYYY

Bijlage XVIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

Deze bijlage heeft betrekking op verschillende categorieën borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten, te weten: permanente, tijdelijke en bijzondere.

Permanente borden spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

A. Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen en vlaggenvergelijkbare objecten bij een bedrijfsgebouw of tankstation

  • a.

    Borden en spandoeken tegen de gevel en borden, spandoeken en vergelijkbare objecten onder de overkapping van brandstofpompen zijn toegestaan, op het dak niet.

  • b.

    Bij een bedrijfsgebouw ofen een tankstation worden alleen borden, spandoeken, vlaggen en vlaggenvergelijkbare objecten geplaatst en behouden die betrekking hebben op een beroep, bedrijf of dienst, uitgeoefend in dat gebouw in overeenstemming met het omgevingsplan.

  • c.

    Borden, spandoeken en vlaggen worden alleen geplaatst en behouden in het gebied tussen het hoofdgebouw en de openbare weg.

  • d.

    Het aantal en de omvang van borden, spandoeken en vlaggen op een perceel is maximaal:

    • 1.

      1 vrijstaand bord in het gebied tussen het hoofdgebouw en de openbare weg met een oppervlak van niet meer danmaximaal 2,5 m2;

    • 2.

      maximaal 1 permanent bord voor de verkoop van agrarische producten;

    • 3.

      in totaal niet meer dan 9 m2 aan borden en spandoeken plat tegen de gevel bij tankstations;

    • 4.

      een 1 dakrandbord rondom de overkapping van de brandstofpompen;

    • 5.

      2 borden binnen 5 meter van de inrit met een oppervlak van niet meer danmaximaal 2,5 m2; en

    • 6.

      4 vlaggen voor of tegen het gebouw met een oppervlak van ieder niet meer danelk maximaal 6 m2.

  • e.

    Het permanente Een permanent bord voor de verkoop van agrarische producten heeft een oppervlakte van niet meer danmaximaal 2,5 m2, een lengte van niet meer danmaximaal 2 meter en een hoogte van niet meer danmaximaal 2,5 meter boven maaiveld.

  • f.

    Een dakrandbord heeft een hoogte van niet meer danmaximaal 1,5 meter en bevat alleen het logo van de brandstofleverancier.

  • g.

    Borden bij de inrit hebben een hoogte van niet meer danmaximaal 1,5 meter boven maaiveld.

  • h.

    In afwijking van subonderdeel d, onder 1. en 5., heeft het brandstofprijzenbord een breedte van niet meer danmaximaal 2 meter en een hoogte van niet meer danmaximaal 7,5 meter boven maaiveld.

Toelichting op A. Toegelaten borden, spandoeken en vlaggen bij een bedrijfsgebouw of tankstation

Het betreft borden, spandoeken en vlaggen over de uitoefening van een dienst, beroep of bedrijf, inclusief een tankstation. Er moet een duidelijke relatie bestaan tussen het bord of spandoek en de functie van het gebouw. Het gaat daarbij om borden en vlaggen op het gebouw of een bord in de onmiddellijke nabijheid daarvan. Het kan hier gaan om restaurants, hotels, tuincentra enzovoort. Borden tegen de gevel zijn toegestaan, op het dak niet. Inritborden markeren de entree van het betreffende pand. Verder geldt: als er meerdere bedrijven op het terrein zitten, dan moeten zij het toegestane bord delen.

Onderdeel a: borden, spandoeken en vlaggen tegen de gevel en borden, spandoeken en vergelijkbare objecten onder de overkapping van brandstofpompen zijn toegestaan, op het dak niet.

Onderdeel b: het gaat hier om borden, spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten voor de uitoefening van een dienst, beroep of bedrijf, inclusief een tankstation. Het gaat hierbij om borden, spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten op het gebouw of in de onmiddellijke nabijheid daarvan. Het kan hier gaan om restaurants, hotels, tuincentra enzovoort.

Er moet een duidelijke relatie bestaan tussen de weergave en uiting van de borden, spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten en de functie van het gebouw. Het is niet toegestaan te verwijzen naar beroepen, bedrijven of diensten die niet ter plaatse aangeboden worden.

Onderdeel g: inritborden markeren de entree van het betreffende pand. Verder geldt: als er meerdere bedrijven op het terrein zitten, dan moeten zij het toegestane bord delen.

De Onderdeel c: de borden, spandoeken of vlaggen moeten worden geplaatst worden in het gebied tussen het hoofdgebouw en de weg. Dit is het groene gebied in de tekening hieronder. Naast plaatsing op het erf mogen de borden geplaatst worden volgens de grafische weergave op de volgende tekening.

afbeelding binnen de regeling

Tijdelijke borden spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en verglijkbare objecten

B. Toegelaten borden en spandoeken voor de koop, huur of verpachting van een zaak

  • a.

    In aanvulling op onderdeel A, kunnen maximaal 1 bord en 1 spandoek worden geplaatst en behouden die betrekking hebben op de koop, huur of verpachting van de woning of het bedrijfspand op het betreffende erf of bouwperceel.

  • b.

    Het bord of spandoek heeft een oppervlakte van maximaal 2,5 m2, een lengte van maximaal 2 meter en een hoogte van maximaal 2,5 meter boven maaiveld.

  • c.

    Het bord of spandoek wordt niet verlicht.

  • d.

    Het bord of spandoek wordt verwijderd zodra de woning of het bedrijfspand is verkocht, verhuurd of verpacht.

Toelichting op B. Toegelaten borden en spandoeken voor de koop, huur of verpachting van een zaakwoning of bedrijfspand

Dit zijn tijdelijke makelaarsborden of -spandoeken. De borden of spandoeken moeten op het betreffende erf of bouwperceel staan. Het gaat dan bijvoorbeeld om woningen, bedrijfspanden, boerderijen of winkels.

Dit zijn tijdelijke makelaarsborden of -spandoeken. De borden of spandoeken moeten op het betreffende erf of bouwperceel staan. Het gaat dan bijvoorbeeld om woningen, bedrijfspanden, boerderijen of winkels. Borden gericht op het aanbieden van onbebouwd terrein vallenzijn alleen onder de vrijstellingtoegelaten als het bord geplaatst kan worden in de directe nabijheid van een gebouw. Plaatsing in het open veld heeft namelijk een veel grotere impact op het landschap en is daarom ongewenst.

C. Toegelaten borden bij projecten

  • a.

    Bij een project worden alleen borden geplaatst en behouden die betrekking hebben op een woningbouwlocatie, wegwerkzaamheden of een bouwwerk, waterwerk of natuurontwikkelingsproject.

  • b.

    Er worden maximaal 2 informatiebordenborden geplaatst.

  • c.

    Een bord langs een autosnelweg heeft een oppervlakte van maximaal 28 m2 en een lengte van maximaal 7 meter in 1 richting en een hoogte van maximaal 6 meter boven het maaiveld.

  • d.

    Bij overige wegen heeft het bord een oppervlakte van maximaal 6 m2, een lengte van maximaal 3 meter en een hoogte van maximaal 5 meter boven het maaiveld.

  • e.

    Alleen borden langs een autosnelweg worden verlicht.

  • f.

    Borden worden verwijderd zodra het project is gerealiseerd.

Toelichting op C. Toegelaten borden bij projecten

Projecten zijn woningbouwlocatiewoningbouwlocaties, wegwerkzaamheden of een bouwwerk, bouwwerken, waterwerk of natuurontwikkelingsprojectwaterwerken en natuurontwikkelingsprojecten. Bij woningbouwlocaties maakt het bord de bouw van een relatief groot woningproject bekend, dat (eventueel op termijn) binnen het stedelijk gebied zal vallen, met vermelding van 1 centraal nummer. De vrijstelling gaat dus uitdrukkelijk niet over een bord bij de bouw van een enkele woning.

De vrijstelling voor het plaatsen van informatiebordenborden bij wegwerkzaamheden gaat niet over de verkeerskundige aanwijzingen met snelheidsbeperkingen, omleidingen en dergelijke.

Bij bouwwerken, waterwerken ofen natuurontwikkelingsprojecten kan gedacht worden aan borden en spandoeken met een lijst van betrokken opdrachtgevers en aannemers tijdens de aanleg of uitvoering van het werk. Daarnaast gaat het om de tijdelijke bouwborden en spandoeken bij verbouwingen van panden.

D. Toegelaten borden, spandoeken en vlaggen voor de verkoop van agrarische producten

  • a.

    In aanvulling op onderdeel A kunnen voor de verkoop van agrarische producten de volgende borden, spandoeken en vlaggen worden geplaatst worden en behouden in de directe omgeving van het verkooppunt:

    • 1.

      maximaal 2 seizoens-seizoensgebonden en perceelsgebonden borden en spandoeken; en

    • 2.

      maximaal 2 seizoens-seizoensgebonden en perceelsgebonden vlaggen voor de tijdelijke verkoop van agrarische vollegrondsproducten op het oogstperceel.

  • b.

    De seizoen-seizoengebonden en perceelsgebonden borden, spandoeken en vlaggen worden maximaalop z'n vroegst 1 week voor de aanvang van de oogst geplaatst en binnen 1 week na afloop weer verwijderd.

  • c.

    De seizoen-seizoengebonden en perceelsgebonden borden en spandoeken hebben een oppervlakte van maximaal 2,5 m2, een lengte van maximaal 1,5 meter en een hoogte van maximaal 2,5 meter boven het maaiveld.

  • d.

    De seizoen-seizoengebonden en perceelsgebonden vlaggen hebben een oppervlakte van maximaal 2,5 m2.

  • e.

    Het permanente bord en de seizoen-seizoengebonden en perceelsgebonden borden, spandoeken en vlaggen worden niet verlicht.

Toelichting op D. Toegelaten borden, spandoeken en vlaggen voor de verkoop van agrarische producten

Deze regeling Dit onderdeel biedt de mogelijkheid om een borden en vlaggen te plaatsen voor de verkoop van agrarische streekproducenten in de directe omgeving van het verkooppunt. Ook mogen tijdelijke seizoensborden, spandoeken en vlaggen worden geplaatstgeplaatst worden, bijvoorbeeld bij een kersenboomgaardfruitboomgaard. Ze mogen aanwezig zijn zo lang als het fruit in de boomgaard beschikbaar is aanwezig zijn.

E. Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten voor openbare wedstrijden, manifestaties, evenementen of tentoonstellingen

  • a.

    In de openbare ruimte worden alleen borden, spandoeken en vlaggen geplaatst en behouden die betrekking hebben op een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling.

  • b.

    De borden, spandoeken en vlaggen worden maximaal 3 weken vooraf geplaatst en uiterlijkop z'n vroegst 3 dagen na afloop verwijderd.

  • c.

    De borden, spandoeken en vlaggen worden niet gebruikt voor de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst.

  • d.

    Er worden maximaal 2 borden of spandoeken, maximaal 4 vlaggen en 1 vergelijkbaar object op de betreffende locatie geplaatst.

  • e.

    Bij in de directe omgeving aanwezige autowegen worden maximaal 2 borden of vlaggen geplaatst.

  • f.

    De borden, spandoeken, vlaggen en het vergelijkbaar object worden niet verlicht, tenzij het een om evenement bij een dierentuin of tuincentrum betreftgaat.

Toelichting op E. Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten voor openbare wedstrijden, manifestaties, evenementen of tentoonstellingen

Hier gaat het om tijdelijke spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten voor diverseverschillende gebeurtenissen: openbare wedstrijden, manifestaties, evenementen ofen tentoonstellingen. Uit verkeerstechnisch oogpunt kan het ook wenselijk zijn de route naar een evenement e.d.en dergelijke te bewegwijzeren. Deze vrijstelling geldt ook voor tijdelijke borden voor evenementen zoals fiets- enfietstochten, wandeltochten, wielerrondes en puzzelritten. De wegbeheerder bepaalt of de borden noodzakelijk zijn. Plaatsing van de borden moet gebeuren volgens de voorschriften van de betrokken wegbeheerder.

Bijzondere borden spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

F. Toegelaten borden voor duurzame energie

  • a.

    Voor informatie over terreinen, die specifiek gebruikt worden voor het opwekken van duurzame energie, worden alleen de volgende borden geplaatst en behouden:

    • 1.

      maximaal 1 inritbord en maximaal 1 bord tegen de gevel van een gebouw; en

    • 2.

      maximaal 1 vrijstaand informatiebord, als het terrein een oppervlakte heeft van 1 hectare of meer.

  • b.

    Het inritbord heeft een oppervlakte van maximaal 2,5 m2 en een hoogte van maximaal 1,5 meter boven het maaiveld.

  • c.

    Het bord tegen de gevel van een gebouw heeft een oppervlakte van maximaal 2,5 m2.

  • d.

    Het informatiebord op een terrein van 1 hectare of meer heeft een oppervlakte van maximaal 12 m2.

  • e.

    De informatie op de borden bestaat voor maximaal 5% uit reclame.

  • f.

    Er wordt op windmolens alleen een merknaam of logo geplaatst op de gondel.

  • g.

    De borden en de gondel worden niet verlicht.

Toelichting op F. Toegelaten borden voor duurzame energie

Met het oog op de bewustwording van het publiek is het wenselijk, dat de mogelijkheid bestaat bij de locaties waar duurzame energie opgewekt wordt, om voorlichting hierover te geven.

G. Toegelaten borden voor aankondigingen op rotondes

  • a.

    Bij een rotonde worden alleen borden geplaatst en behouden door de wegbeheerder om aan te geven dat het onderhoud van de rotonde is gesponsordgesponsord is.

  • b.

    Er worden maximaal 2 borden op een rotonde geplaatst.

  • c.

    Een bord op een rotonde heeft een lengte van maximaal 1 meter en een hoogte van maximaal 0,7 meter boven het maaiveld.

  • d.

    De borden op een rotonde worden niet verlicht.

Toelichting op G. Toegelaten borden voor aankondigingen op rotondes

Het onderhoud van rotondes, in het bijzonder de beplanting, wordt in toenemende mate gesponsord. De vrijstelling maakt het mogelijk om, met borden op de betreffende rotonde, de sponsor kenbaar te maken.

H. Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten voor aankondigingen bij sportvelden en sportterreinen

  • a.

    Bij een sportveld of sportterrein worden alleen borden, spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten geplaatst en behouden als het sportveld of sportterrein is opgenomen in het omgevingsplan.

  • b.

    Van borden, spandoeken en vergelijkbare objecten, anders dan borden en spandoeken bij het clubgebouw, is het opschrift of de afbeelding gericht naar het sportveld of sportterrein.

  • c.

    Het sportterrein is omgeven door een afschermende beplantingsstrook.

  • d.

    Het bord, spandoek of vergelijkbaar object heeft een hoogte van maximaal 2 meter boven het maaiveld.

  • e.

    Borden en spandoeken worden plat tegen de gevel van een clubgebouw geplaatst, of 1 bord wordt direct voor het clubgebouw of de directe omgeving van de inrit geplaatst.

  • f.

    De oppervlakte van een bord dat direct voor het clubgebouw wordt geplaatst is maximaal 2,5 m2.

  • g.

    Een bord bij een inrit van een clubgebouw heeft een oppervlakte van maximaal 2,5 m2 en een hoogte van maximaal 1,5 meter boven het maaiveld.

  • h.

    Er worden maximaal 4 vlaggen voor of tegen het clubgebouw geplaatst, met een oppervlakte van maximaal 6 m2.

Toelichting op H. Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen en vergelijkbare objecten voor aankondigingen bij sportvelden en sportterreinen

Borden, spandoeken en vergelijkbare objecten zijn vaak aanwezig rondom sportterreinen. Deze objecten mogen op een sportterrein geplaatst worden, onder voorwaarde dat de zijde met de tekst of de afbeelding naar het speelveld toe staat. Om de landschappelijke impact van deze objecten te beperken, geldt de vrijstelling alleen als het sportterrein is omringd is door een afschermende beplantingsstrook.

I. Toegelaten borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten voor het uiten van gedachten en gevoelens

  • a.

    Bij een erf in de nabijheid van een gebouw worden alleen borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten geplaatst en behouden die dienen tot het uiten van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Buiten het erf voor niet langer dan 3 maanden.

  • b.

    Er worden maximaal 2 borden, spandoeken of vergelijkbare objecten, of maximaal 4 vlaggen of vergelijkbare objecten geplaatst.

  • c.

    De borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten bevatten geen bedrijfsreclame.

  • d.

    Een bord, spandoek en vergelijkbaar object heeft een oppervlakte van maximaal 1 m2, een lengte dan welvan maximaal 1 meter, een breedte van maximaal 1 meter en een hoogte van maximaal 2,5 meter boven het maaiveld. Vlaggen en vergelijkbare objecten hebben gezamenlijk een maximale oppervlakte van 6 m2.

  • e.

    De borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten worden niet verlicht.

Toelichting op I. Toegelaten borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten voor het uiten van gedachten en gevoelens

Borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten ter openbaring van gedachten en gevoelens zijn toegestaan volgens artikel 7 van de Grondwet. De vrijheid van meningsuiting bevat 2 elementen: openbaringsvrijheid en verspreidingsvrijheid. Dit laatste ziet op de vorm van het openbaren van een mening: plaats, tijd en wijze van uiting. De openbaringsvrijheid wordt niet beperkt. De verspreidingsvrijheid wordt deels ingeperkt: het kan niet op iedere willekeurige locatie in de open ruimte. De vrijstelling hoort bij een erf met een gebouw, dus in een bewoonde omgeving. Verder gelden er afmetingenvoorschriften en is er een maximumaantal borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten. De borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten moeten worden geplaatst in het gebied tussen het hoofdgebouw en de weg. Naast plaatsing op het erf mogen de borden geplaatst worden volgens de grafische weergave op de volgende tekening.

De toelating van deze borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten hoort bij een erf met een gebouw, dus in een bewoonde omgeving of voor niet langer dan 3 maanden buiten het erf. Verder gelden er afmetingenvoorschriften en is er een maximumaantal borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten. De borden, vlaggen, spandoeken en vergelijkbare objecten moeten geplaatst worden in het gebied tussen het hoofdgebouw en de weg.

afbeelding binnen de regeling

ZZZZZZZZZZZ

Na bijlage XX worden drie bijlagen ingevoegd, luidende:

Bijlage XXII Toekomstbestendig bouwen

Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor woonlocaties mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen, om voorbereid te zijn op verwachte EU wet- en regelgeving en om aan te sluiten op provinciale ambities op deze thema's. De thema's hangen met elkaar samen en zijn daarom integraal beschreven in de toelichting op het omgevingsplan: de toelichting beschrijft hoe de thema's elkaar versterken of beperken in het gebied. Maak daarbij gebruik van de bestaande instrumenten onderaan deze bijlage. Er wordt in ieder geval ingegaan op de volgende thema's van toekomstbestendig bouwen:

Energie: de energiehuishouding van gebouwen, met name het gebruik, de opwek en opslag van energie.

Door de toenemende elektrificatie moet de beschikbare elektriciteit op het net zo efficiënt mogelijk verdeeld worden. De woningbouw speelt hier een belangrijke rol in. Innovaties in de energiehuishouding van gebouwen maken het mogelijk om de beschikbare capaciteit optimaal te verdelen en tegelijkertijd te werken aan een toekomstbestendige woningvoorraad én energiesysteem. Door gebruik te maken van instrumenten als de energietoets en netbudgetten (zie Afdeling 5.3, Artikel 5.10, Artikel 5.11 en Artikel 5.12) kan aangetoond worden dat er aan de voorwaarden voor de energiehuishouding is voldaan.

Aanvullend bevat het omgevingsplan een beschrijving hoe de energiebehoefte en vraag naar primaire fossiele brandstoffen worden beperkt, en hoe het aandeel hernieuwbare energie wordt vergroot.

Circulariteit: de toepassing van circulaire, hoogwaardig hergebruikte en biobased materialen en producten.

De winning en verwerking van grondstoffen in de woningbouw leidt tot veel CO2-uitstoot. Circulair bouwen zorgt voor CO2-reductie. Door te kiezen voor de inzet van materialen met een circulaire oorsprong, zowel duurzame bouwmaterialen als het inzetten op hergebruik, wordt de milieubelasting van een gebouw verminderd. Het Convenant Toekomstbestendig Bouwen 2.0 kan gebruikt worden om binnen het gekozen ambitieniveau per indicator een omschrijving toe te voegen in het omgevingsplan.

Duurzame mobiliteit: het stimuleren van het STOMP-principe.

Het STOMP-principe gaat uit van het prioriteren van de meest gezonde en duurzame mobiliteitsvorm en gaat daarmee de volgende vervoersmogelijkheden in prioriteitsvolgorde af: Stappen, Trappen, OV (Openbaar Vervoer), MaaS (Mobility as a Service), Privéauto. De mens staat hierbij centraal. Gedachte hierachter is een beloopbare en befietsbare samenleving waarbij de belangrijkste voorzieningen lopend of fietsend goed te bereiken zijn. Voor langere afstanden zijn vervolgens de e-bike en het OV schone vervoersalternatieven. Dit kan ondersteund worden met MaaS (Mobility as a Service) en deelmobiliteit. Tot slot wordt er gekeken welke ruimte er is voor de privéauto.

Het STOMP-principe vormt ook de kapstok van het Mobiliteits Programma van Eisen (MPvE). Een MPvE zorgt ervoor dat de mobiliteitsopgave tijdig wordt meegenomen in een gebiedsontwikkeling en voorkomt daarmee dat suboptimale mobiliteitsoplossingen worden gekozen en/of achteraf maatregelen moeten worden genomen om de mobiliteit in en rond een gebied goed te regelen. In het omgevingsplan staat beschreven hoe duurzame mobiliteit is verwerkt. Dit kan door het aanleveren van een MPvE of door aan te geven hoe er is gewerkt met het Convenant Toekomstbestendig Bouwen 2.0.

Klimaatmitigatie: de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken tijdens de ontwerp-, bouw- en de gebruiksfase.

Het omgevingsplan bevat een beschrijving hoe de stikstof- en CO2-uitstoot wordt beperkt tijdens de ontwerp-, bouw- en de gebruiksfase. Hierbij kan worden ingegaan op het gebruik van de volgende maatregelen:

Voor beperking van stikstof- en CO2-uitstoot tijdens de ontwerpfase:

  • Waar mogelijk circulair en biobased bouwen: beton en staal wordt vervangen door hout, bamboe, vezelgewassen (voor isolatie), gerecyclede materialen of producten van dierlijke herkomst (schapenwol of veren) in plaats van beton/staal.

  • Het gebruik van vervangende bindmiddelen, zoals geopolymeren of cementvervangers, of alternatieve constructieve elementen zoals kruislaaghout (CLT).

Voor beperking van stikstof- en CO2-uitstoot tijdens de bouwfase:

  • Het gebruik van emissieloos bouw(plaats)materieel (elektrisch / op waterstof) of, als tweede keuze, bouwmateriaal op schonere brandstoffen (biobrandstoffen(HVO)) of door gebruik te maken van moderne motoren met nabehandeling (Selectieve Katalytische reductie (SCR).

  • Het beperken van het aantal transportbewegingen door zoveel mogelijk te werken volgens methoden voor prefabricatie en met slimme (stads)logistiek: door het in tijd en plaats combineren van leveringen.

Voor beperking van stikstof- en CO2-uitstoot tijdens de gebruiksfase: efficiënt gebruik maken van energie, met een laag energie gebruik, door:

  • Goede isolatie (zoveel mogelijk gebruik van geschikte biobased materialen);

  • Passief bouwen (denk aan: luchtdichtheid, driedubbele beglazing, optimale zoninval in de winter, ventileren met warmteterugwinning);

  • Klimaatadaptieve, circulaire en biobased maatregelen toepassen die zorgen voor natuurlijke koeling in de zomer (natuurlijke airconditioning, groene gevels, meer groen en water om het gebouw) en warmtebehoud in de winter;

  • Geothermie toepassen of duurzaam opgewekte stadswarmte (restwarmte) te gebruiken;

  • Uitfaseren van gasgestookte cv-installaties;

  • Gebruik maken van zonnepanelen, zonneboilers, windenergie, de inkoop van groene stroom en duurzame thuisbatterijen, houd hierbij rekening met de energiehuishouding van het gebouw;

  • Gebruik maken van LED-verlichting, energiezuinige elektrische apparatuur en slimme gebouwinstallaties.

Klimaatadaptatie: het plannen, ontwerpen en bouwen zodat de risico's als gevolg van klimaatverandering zo veel mogelijk worden beperkt dan wel beheersbaar blijven.

Door klimaatverandering nemen de risico's op droogte, hitte, wateroverlast en overstromingen toe. Door maatregelen te treffen, kan dit risico verkleind worden. Het omgevingsplan kan voor het thema klimaatadaptatie een risicoanalyse voor hitte, droogte, wateroverlast, overstromingen en bodemdaling in het plangebied bevatten en is aangevuld met een beschrijving van welke maatregelen er getroffen worden in of buiten het plangebied om deze risico's te verkleinen. Met het nemen van deze maatregelen, wordt gestreefd naar de volgende doelen uit de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen Utrecht, en daarmee ook naar de ambities uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen 2.0:

  • Hitte: tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving;

  • Droogte: langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale en kwetsbare functies;

  • Wateroverlast: hevige neerslag leidt niet tot schade aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar;

  • Overstromingen: de gebouwde omgeving is via gevolgbeperking voorbereid op overstromingen door dijkdoorbraken (zie ook Artikel 2.16);

  • Bodemdaling: bodemdaling van gebouwd gebied blijft beheersbaar en betaalbaar.

(Drink)waterbesparing: Het reduceren van drinkwatergebruik door (drink)waterbesparende maatregelen te treffen.

Vermindering van drinkwatergebruik is noodzakelijk om de stijgende vraag naar drinkwater te reduceren. Bij (drink)waterbesparende maatregelen in, op en aan woningen, gebouwen kan worden gedacht aan waterzuinige sanitair, hemelwateropvang voor doorspoeling toilet, besproeien van de tuin of hergebruiken van douchewater in de woning. Op wijkniveau zouden vacuümtoiletten kunnen worden gerealiseerd, die een ander inzamelingssysteem ([DC1] of rioleringsstelsel) vereisen, of kan hemelwater collectief worden opgevangen en gedistribueerd naar de woningen, bedrijven en andere gebruiksfuncties in de wijk. Het omgevingsplan bevat een beschrijving van hoe er is omgegeven met (drink)waterbesparing.

Natuurinclusiviteit en biodiversiteit: Het behouden en versterken van biodiversiteit door natuurinclusief te ontwerpen en ontwikkelen.

Om biodiversiteitsverlies tegen te gaan, moet een bouwwerk en de omliggende openbare ruimte bijdragen aan behoud en versterken van de lokale biodiversiteit en algemene natuurwaarden. Daarvoor moet in een omgevingsplan worden beschreven hoe wordt omgegaan met het thema natuurinclusiviteit en biodiversiteit. Dat kan door op te nemen welke maatregelen voor welke soorten worden genomen (verblijven en leefgebied (habitats) aan het gebouw en in de omgeving en hoe wordt aangesloten bij groenblauwe structuren in de omgeving zoals groenstroken of watergangen. Groene oplossingen hebben de voorkeur boven technische. Voor de invulling hiervan kan gebruik worden gemaakt van het stappenplan en het toetsingskader in de Handreiking Beleid natuurinclusief bouwen en inrichten voor gemeenten.

Gezonde leefomgeving: realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.

Het omgevingsplan bevat een beschrijving hoe er is omgegaan met een gezonde en veilige leefomgeving in het plangebied en in de woningen zelf. De woonomgeving moet een gezonde milieukwaliteit bieden (lucht, geluid, geur, externe veiligheid), voldoende groen onder andere gericht op bewegen, ontspannen en ontmoeten. Voor een gezonde milieukwaliteit gaat het bijvoorbeeld om de standaardwaarde uit de geluidwetgeving, de richtlijnen van de GGD (GGD Richtlijnen voor Medische Milieukunde | RIVM ) en het beperken van risico’s en blootstelling door het autoluw inrichten en het voorkomen van houtstook, maar ook door de juiste functie op de juiste plek. In een plan gaat het dus ook om inrichtingskeuzes: bijvoorbeeld liever een groene zone met fietspad in een deel van de locatie waar de geluidkwaliteit minder goed is, dan woningen of kinderdagverblijven.

Voor de woningen gaat het om een fijn (binnen)klimaat, vrij van schadelijke stoffen. Hieraan kan worden voldaan door een beschrijving te geven van de wijze waarop invulling is gegeven aan het Convenant Toekomstbestendig Bouwen 2.0.

Instrumenten

Bestaande instrumenten om te gebruiken in de beschrijving zijn:

Bijlage XXIII Netbewuste nieuwbouw

Het netbudget uit Artikel 5.12 voor een woningbouwproject wordt berekend door het aantal m2 gebruiksoppervlakte (GBO) van het totaal aantal woningen te vermenigvuldigen met de prestatienorm per m2 uit onderstaande tabel.

Prestatienorm netbewuste Nieuwbouw



Woningentype

Bodem-Energiesysteem

12 We/m² GBO

Grondgebonden

Wel toepasbaar

13 We/m² GBO

Gestapeld

Wel toepasbaar

13 We/m² GBO

Grondgebonden

Niet toepasbaar

14 We/m² GBO

Gestapeld

Niet toepasbaar

Het netbudget is het maximale piekvermogen van alle woningen en de bijbehorende warmte installaties samen, bij een temperatuur van -10 graden Celsius, die vallen onder een vergunningaanvraag.

Bij het bepalen van het netbudget worden volgende begrippen gehanteerd:

  • elektriciteitsvraag voor warmte (Ew) = Wth/m2 / COP;

  • elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik (Eh) = 6.7 We/m2 voor grondgebonden;

  • elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik (Eh) = 8.3 We/m2 voor gestapeld;

  • gelijktijdigheidsfactor (Gf) voor elektriciteitsaanvraag voor warmte = 0.6;

  • prestatienorm = (Ew * Gf) + Eh;

  • Wth/m2 = Warmtevraag per vierkante meter;

  • COP = Coëfficiënt of Performance; hoe efficiënt elektriciteit wordt omgezet in warmte voor een warmtesysteem bij -10 graden Celsius;

  • gestapelde woningen: een woning die geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woning is gelegen;

  • grondgebonden woningen: een woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld en die niet geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woningen is gelegen.

Berekening netbudget

De prestatienorm wordt vastgesteld in Watt aan elektrisch piekvermogen per vierkante meter gebruiksoppervlakte (We/m2 GBO). De prestatienorm wordt berekend door de elektriciteitsvraag voor warmte te vermenigvuldigen met de gelijktijdigheidsfactor en hier huishoudelijk gebruik bij op te tellen. De elektriciteitsvraag voor warmte is gebaseerd op een weersituatie van -10 graden Celsius. De elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik wordt vastgesteld op 6.7 Watt per vierkante meter voor grondgebonden woningen en 8.3 Watt per vierkante meter voor gestapelde woningen, op basis van ervaringsgetallen van de netbeheerders. De gelijktijdigheidsfactor zorgt ervoor dat er rekening mee wordt gehouden dat de inwoners van een woonwijk niet allemaal tegelijk elektrische apparaten aanzetten. Deze gelijktijdigheidsfactor is vastgesteld op 0.6 en is ook gebaseerd op ervaringsgetallen van de netbeheerders.

Het voldoen aan het netbudget is nodig voor het kunnen verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor woningbouw of, nadat de gemeente het omgevingsplan heeft geactualiseerd, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Als de vergunningaanvraag niet voldoet aan het gestelde netbudget wordt er geen omgevingsvergunning afgegeven.

De vergunningaanvrager moet onderbouwen dat het woningbouwplan aan het netbudget voldoet via concrete maatregelen op het vlak van gebouwontwerp en bouw- en installatietechniek. De aanvrager mag zelf kiezen welke maatregelen toegepast worden, om aan het netbudget te voldoen. Het voldoen aan het netbudget heeft geen gevolg voor de eigenstandige beslissingsbevoegdheid van de netbeheerder bij verzoeken tot aansluiting op het netwerk.

De gemeente stelt vast waar woningbouwprojecten wel of niet bodemenergiesystemen kunnen toepassen. Hierbij houdt de gemeente in ieder geval rekening met bodembescherming gebieden en grondsoort. De gemeente kan er bijvoorbeeld voor kiezen om in het bodemenergieplan te bepalen op welke locaties bodemenergiesystemen wel of niet kunnen worden toegepast. Het kunnen toepassen van een bodemenergiesysteem verplicht de vergunningaanvrager niet om zo’n systeem daadwerkelijk toe te passen maar heeft wel effect op de hoogte van de prestatienorm. Vergunningaanvragen met minder dan 15 woningen worden altijd beschouwd als niet toepasbaar voor een bodemenergiesysteem, vanwege kostenefficiëntie.

Voorbeeldberekening

Voor een vergunningsaanvraag voor een woningbouwproject met 200 grondgebonden woningen (gemiddeld 120 m2 GBO per woning) en 200 gestapelde woningen (gemiddeld 85 m2 GBO per woning), waarbij een bodemenergiesysteem kan worden toegepast, geldt het volgende:

  • grondgebonden woningen: 200 woningen x 120 m2 GBO x 12 We/m2 = 288 kW gelijktijdige netbelasting;

  • gestapelde woningen: 200 woningen x 85 m2 GBO x 13 We/m2 = 221 kW gelijktijdige netbelasting.

Het netbudget voor het woningbouwproject is dan 288 kW + 221 kW = 509 kW

Bijlage XXI Technische eisen huisvestingssysteem

Emissiegrenswaarden ammoniak varkens en kippen

Diercategorie

Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar

Varkens

-

Gespeende biggen van minder dan 25 kilogram

0,0345

Kraamzeugen

0,415

Guste en dragende zeugen

0,21

Vleesvarkens van 25 kilogram en meer, opfokberen van 25 kilogram en meer en jonger dan 7 maanden en opfokzeugen van 25 kilogram en meer

0,15

Kippen

-

Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken:

-

- Batterijhuisvesting

0,0045

- Niet-batterijhuisvesting

0,017

Legkippen van 18 weken en ouder

0,00315

Ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder

0,00315

Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken

0,025

Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder

0,058

Vleeskuikens

0,0068

AAAAAAAAAAAA

Algemene toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Algemene toelichting

Algemeen

De Omgevingswet (hierna: de wet) bepaalt in artikel 2.6 dat provinciale staten één omgevingsverordening vaststellen waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. De wet regelt geen overgangsrecht voor bestaande provinciale verordeningen die opgaan in de omgevingsverordening op basis van de wet. Dus treedt de Omgevingsverordening (PS maart 2022) tegelijk in werking met de wet (1 januari 2024). In de Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn regels over de fysieke leefomgeving opgenomen. De Omgevingsverordening is de opvolger van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (PS op 10 maart 2021).

De Omgevingswet (hierna: de wet) bepaalt in artikel 2.6 dat provinciale staten één omgevingsverordening vaststellen waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. De Omgevingsverordening provincie Utrecht (PS 30 maart 2022) is tegelijk in werking getreden met de Omgevingswet op 1 januari 2024. De Omgevingsverordening provincie Utrecht is de opvolger van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (PS 10 maart 2021).

Onder de systematiek van de wetOmgevingswet wordt geen geheel nieuwe Omgevingsverordeningomgevingsverordening meer opgesteld, maar worden onderdelen van de verordening gewijzigd. Ook de terinzagelegging en besluitvorming gaan alleen over de te wijzigen onderdelen van de Omgevingsverordeningomgevingsverordening. Deel I van de 1e wijziging is op 1 maart 2024 inwerking getreden, deel II op 1 september 2024.

De Omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Bijvoorbeeld: vergunningplichten, waarbij op basis van een aanvraag eerst een besluit wordt genomen, gelden voor iedereen. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld-meldplichten en informatieplichten en de specifieke zorgplichten.

Het ontwerp van de De Omgevingsverordening is gebaseerd op:

Subsidiariteit

De Omgevingsverordening bevat verschillende soorten regels. In de eerste plaats de “verplichte regels”. Dit zijn de regels die de provincie moet opnemen op grond van de wetOmgevingswet, zoals bijvoorbeeld regels over beschermde natuurgebieden (natuurnetwerk Nederland) en omgevingswaarden voor regionale kering en wateroverlast. In de tweede plaats zijn regels opgenomen ten behoeve van de provinciale belangen en de provinciale wettelijke taken. Die regels worden alleen gesteld als dit volgt uit het Afwegingskader en dit doelmatig en doeltreffend is. Deze regels bestaan uit instructieregels en regels voor activiteiten. Instructieregels richten zich tot gemeenten en waterschappen en gaan over de inhoud en motivering van een omgevingsplan, waterschapsverordening, peilbesluit, legger en programma’s. Regels voor activiteiten gelden voor iedereen (burgers en bedrijven).

Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)

In het digitale stelsel zijn er verschillende functies die allemaal met standaarden worden ondersteund. Denk aan het publiceren van omgevingswetbesluiten, het afleveren van een vergunningaanvraag of een melding en aan het opvragen van informatie in het Omgevingsloket.

De Omgevingsverordening heeft een formele juridische status en moet daarom voldoen aan digitale vereisten qua bestandsformaat, structurering en vormgeving. Hiermee kan zij formeel gepubliceerd worden en voor digitale dienstverlening aan burgers, bedrijven en partners via "een klik op de kaart” toegankelijk zijn via het DSO.Omgevingsloket. Dit heeft tot gevolg dat de digitaliseringsopgave leidend is voor de opzet vanen de (wijziging Ontwerp)van de Omgevingsverordening. Na een “klik op de kaart” zijn de regels en informatie te zien die gelden op een specifieke locatie. Op een specifieke locatie kunnen meerder regels uit de Omgevingsverordening van toepassing zijn.

Provinciaal belang

Provinciaal belang

STAD EN LAND GEZOND

Provinciaal belang

Toelichting

Bevorderen van een gezonde leefomgeving.

De provincie heeft wettelijke/(boven)regionale taken op het gebied van geluid, stilte, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Het betreft het beperken van de milieubelasting vanuit diverse bronnen naar waarden die niet negatief bijdragen aan de gezondheid van onze inwoners.

Bevorderen van een veilige inrichting van de leefomgeving.

De provincie heeft wettelijke/(boven)regionale taken op het gebied van waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid op en rond de provinciale infrastructuur.

Versterken van onderlinge relatie tussen ‘stad’ en ‘land’

De zones rondom de kernen vormen de verbinding tussen het stedelijk en het landelijk gebied. Ze hebben invloed op kwaliteit en uitstraling van de steden en dorpen en van het landelijk gebied. Tegengaan leegstand en verrommeling draagt bij aan vitaliteit van de kern.

Zodanige condities scheppen dat een goede recreatieve structuur wordt behouden en versterkt.

De recreatieve structuur bestaat uit routenetwerken, waterwegen en voorzieningen zoals recreatieterreinen, verblijfsaccommodaties en zwemwater. Het overschrijdt gemeente- en provinciegrenzen. De provincie richt zich op een evenwichtige spreiding van toeristen en recreanten over stad en landelijk gebied, een op de vraag aansluitend aanbod en zorg voor behoud van stilte voor de rustzoekende mens.

Bevorderen van een inclusieve samenleving.

De provincie kan met haar taken voor de fysieke leefomgeving ook voorwaarden scheppen voor een inclusieve samenleving. Bijvoorbeeld op het gebied van openbaar vervoer of de woningbouwprogrammering. Ook kan ze hiermee bijdragen aan sociale samenhang en aan dat iedereen mee kan doen in de maatschappij.

GEZONDE, VEILIGE EN TOEKOMSTBESTENDIGE PROVINCIE

Provinciaal belang

Toelichting

Bereiken en in stand houden van een gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving voor inwoners.

Als provincie houden we bij het vormgeven aan alle opgaven in het landelijk en stedelijk gebied rekening met gezondheid, veiligheid en toekomstbestendigheid





Bevorderen van een goede leefomgevingskwaliteit.

Een goede leefomgevingskwaliteit draagt bij aan de gezondheid en het welzijn van mensen, nu en in de toekomst.

Bevorderen van een inclusieve samenleving.

De provincie kan voorwaarden scheppen voor een inclusieve samenleving, bijvoorbeeld op het gebied van openbaar vervoer, de arbeidsmarkt, of de woningmarkt. De sociale samenhang wordt versterkt als iedereen mee kan doen in de maatschappij.

KLIMAATBESTENDIG EN WATERROBUUST

Provinciaal belang

Toelichting

Bevorderen van een klimaatbestendige leefomgeving.

De aanpak van de door klimaatverandering veroorzaakte wateroverlast, hittestress, overstromingen en droogte is vaak regionaal. Er is ruimte nodig voor afdoende klimaatbestendige ingrepen en regionale afstemming en samenwerking om te komen tot een klimaatadaptieve inrichting van de fysieke leefomgeving.

Ontwikkelen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem.

 

De provincie heeft wettelijke taken op het gebied van de bodem- en watersystemen (zowel grond- als oppervlaktewater). Toekomstige veranderingen en ontwikkelingen vragen om het behoud van een duurzaam evenwicht tussen benutten en beschermen op provinciaal niveau. Het regionale bodem- en watersysteem is'draagt' de drager van de bovengrondse ruimtelijke ontwikkelingen. Het systeem stopt niet bij gemeentelijke grenzen en vraagt om regionale keuzes. Waarin de provincie rekening houdt met gebied specifieke belangen en opgaven.

Bevorderen van Bijdragen aan het afremmen van bodemdaling en aan CO₂-reductie in veenweidegebieden.

Afremmen van bodemdaling vergt een gemeentegrensoverschrijdende, (boven)regionale en ‘bovenregionale’ aanpak.

 

Duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening.

De provincie heeft een zorgplicht voor drinkwater en heeft wettelijke taken op het gebied van het aanwijzen van beschermingszones ten behoeve van de openbare drinkwaterwinning. Regionale afstemming en samenwerking is nodig om de leveringszekerheid van schoon en voldoende drinkwater blijvend veilig te stellen.

TOEKOMSTBESTENDIGE NATUUR EN LANDBOUW

Provinciaal belang

Toelichting





Behouden en versterken van de biodiversiteit.









De provincie heeft een wettelijke taak voor het behouden of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde en bedreigde plantensoorten en diersoorten en hun leefomgeving. Hetzelfde geldt voor het onder controle krijgen van de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten. Daarnaast heeft de provincie een zorgplicht voor het behouden en versterken van de biodiversiteit.



Ontwikkelen, versterken en in stand houden van een robuust netwerk van natuurgebieden van hoge kwaliteit.

De provincie heeft een wettelijke taak voor de totstandkoming en instandhouding van het Europees en Nationaal Natuurnetwerk.





Behouden en versterken van ‘natuurwaarden’ voor de mens.

Een groene en biodiverse leefomgeving en het kunnen recreëren in de natuur dragen bij aan de fysieke en mentale gezondheid. De provincie bevordert de betrokkenheid bij en de beleving van natuur. Als mensen zich betrokken voelen bij de natuur, is er meer draagvlak voor de bescherming ervan.

Uitbreiden, revitaliseren en beschermen van houtopstanden.

De provincie heeft een wettelijke en bovenregionale taak voor behouden en beschermen van ‘houtopstanden’ (bossen en bomen). Vanuit het Klimaatakkoord heeft de provincie samen met andere partijen de opdracht tot het vergroten van het oppervlak bos en bomen in de provincie.

Bevorderen van een duurzame en economisch rendabele landbouw die dicht bij de inwoners staat en bijdraagt aan een vitaal landelijk gebied.

De agrarische sector beheert ongeveer de helft van het grondgebied in de provincie Utrecht. Het is belangrijk dat de sector economisch vitaal blijft en deze rol kan blijven vervullen. De provincie biedt mogelijkheden voor een transitie naar een circulaire, natuurinclusieve, klimaatneutrale en diervriendelijke landbouw (kringlooplandbouw), met behoud van gebiedskwaliteiten en een gezonde leefomgeving.

Bevorderen van een duurzame consumptie van lokaal geproduceerd voedsel en gezonde voeding.

De provincie stimuleert dat er meer aanbod is van lokaal geproduceerd voedsel en dat inwoners gezond eten.







DUURZAME ENERGIE EN CIRCULAIRE SAMENLEVING

Provinciaal belang

Toelichting

Bijdragen aan het verminderen van energiegebruik.

De provincie draagt bij aan de inzet op besparingstimuleert energiebesparing, ook om de impact van de energietransitie te verminderen. AlsWant als de energievraag afneemt, wordt de druk op de ruimte voor het realiseren van duurzame energie beperkterkleiner.

Bevorderen van en voldoende ruimte bieden aan de realisatie van duurzame energiebronnen.

De realisatie van duurzame energiebronnen vergt een regionale aanpak, omdat de impact veelal verder gaat dan een individuele gemeente. De uitwerkingDaarbij gaat het om bronnen van provincialeenergie die wordt gehaald uit warmte, wind en zonnestralen. Provinciale en nationale ambities voor de energietransitie vraagtvragen om regie op provinciaal schaalniveauprovinciale regie. Daarnaast zijn wij De provincie is ‘bevoegd gezag voor het mogelijk maken van een deel van de duurzame energieprojecten.

Bevorderen van een duurzaam, robuust en betaalbaar energiesysteem voor het opwekken, opslaan, distribueren en omzetten van energie.

De energievoorziening overstijgt lokale en regionale grenzen. Het is belangrijk om het energiesysteem zo optimaal en zo duurzaam mogelijk te realiseren en af te stemmen met andere ‘ruimtelijke ontwikkelingen’. Dit zorgt voor een betere balans van vraag en aanbod en ook voor een efficiënter energiegebruik.

Beschermen strategische locaties voor de circulaire samenleving.

De aanwezigheid van clusters van circulaire bedrijven voor iedere regio noodzakelijk. Deze locaties zijn echter schaars en nieuw aanbod creëren is zeer complex. Het is van belang om de bestaande locaties te behouden, en zo optimaal mogelijk te benutten en ontwikkeling, behoud en gebruik (boven)regionaal af te stemmen.

GOEDE BEREIKBAARHEID

Provinciaal belang

Toelichting

Zorgdragen voor en voldoende ruimte bieden aan goede, duurzame en veilige bereikbaarheid van woon-, werk- en vrijetijdslocaties.

Mobiliteit gaat voorbij lokale en regionale grenzen. Ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit moeten op elkaar worden afgestemd, vraag en aanbod moeten op elkaar worden afgestemd en verschillende manieren van vervoer en netwerken moeten verder met elkaar geïntegreerd worden.

Zorgdragen voor de instandhouding van de provinciale wegen, vaarwegen, de fiets- en wandelinfrastructuur en de traminfrastructuur.

De provincie heeft een wettelijke verantwoordelijkheid voor het instandhouden van de provinciale infrastructuur.



Zorgdragen voor een adequaat provinciaal ov-netwerk.

De provincie heeft als decentrale ov-autoriteit een wettelijke verantwoordelijkheid voor het instandhouden van het regionale openbaar vervoer.

VITALE STEDEN EN DORPEN

Provinciaal belang

Toelichting

Bevorderen van binnenstedelijke ontwikkeling.

Binnenstedelijke ontwikkeling, dat wil zeggen binnen het stedelijk gebied van steden, dorpen en overige kernen, inclusief transformatie, herstructurering en de aanpak van leegstand, heeft bovengemeentelijke aspecten, omdat we te maken hebben met regionale markten voor woon- en werk- en kantoorlocaties. Het gaat daarbij om regionale afstemming en het creëren van een gelijk speelveld in alle gemeenten.

Voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woonvoorzieningen.

Er is een regionale woningmarkt die vraagt om regionale programmering en afstemming. Het gaat om een aanbod dat op regionaal niveau in kwantitatieve en kwalitatieve zin is afgestemd op de (toekomstige) behoefte en de vraag van alle woningzoekenden, qua woningtype en woonmilieu en qua betaalbaarheid.

Voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale, circulaire en innovatieve regionale economie.

De markten voor kantoren en bedrijventerreinen functioneren op regionaal niveau. Dit vraagt om regionale programmering en afstemming. Het gaat om een aanbod dat op regionaal niveau in kwantitatieve en kwalitatieve zin aansluit bij de behoefte.

Voldoende ruimte bieden voor behoud en versterking van een goede retailstructuur.

Een gevarieerd en bereikbaar aanbod van winkels is mede bepalend voor de binnenstedelijke kwaliteit en de typering van woonmilieus. Ontwikkelingen in de ene gemeente kunnen gevolgen hebben voor de retailstructuur in de andere gemeente.

DUURAAM, GEZOND EN VEILIG BEREIKBAAR

Provinciaal belang

Toelichting

Zorgdragen voor en voldoende ruimte bieden aan goede, duurzame en veilige bereikbaarheid van woon-, werk- en vrijetijdslocaties.

Mobiliteitssystemen overstijgen veelal het lokale niveau en zelfs het regionale niveau. Het gaat om het zo optimaal en zo duurzaam mogelijk afstemmen van ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit, én het met elkaar verbinden van vraag en aanbod en een verdere integratie van de verschillende vervoerwijzen en netwerken.

Zorgdragen voor instandhouding van de provinciale infrastructuur en een adequaat provinciaal OV-netwerk.

De provincie heeft een verantwoordelijkheid voor provinciale wegen en fietsinfrastructuur, traminfrastructuur en regionaal openbaar vervoer en heeft als decentrale OV-autoriteit een wettelijke verantwoordelijkheid voor de instandhouding van het regionale openbaar vervoer.

Provinciaal belang

Toelichting

Bevorderen van een zorgvuldig en efficiënt ruimtegebruik in de stad.

Regionale afstemming en het creëren van een gelijk speelveld in alle gemeenten is nodig. De markten voor woon- en werk- en kantoorlocaties functioneren regionaal. Ook de invloed van binnenstedelijke ontwikkelingen (transformatie, herstructurering en het aanpakken van leegstand) gaan soms voorbij de gemeentegrens.

Bevorderen van en voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woon(zorg)voorzieningen.

Er is een regionale woningmarkt die vraagt om regionale programmering en afstemming. Het gaat om een aanbod dat op regionaal niveau in kwantitatieve en kwalitatieve zin is afgestemd op de (toekomstige) behoefte en de vraag van alle woningzoekenden (inclusief aandachtsgroepen). Dan gaat het om zowel het type woningen als de betaalbaarheid ervan.

Bevorderen van en voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale, circulaire en innovatieve regionale economie.

De markten voor kantoren en bedrijventerreinen hebben een regionale functie. Dit vraagt dus om een regionale aanpak die aansluit bij de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Ook de ontwikkelingen van en op innovatielocaties en op defensieterreinen spelen bovengemeentelijk.

Ruimte bieden voor behoud en versterking van een aantrekkelijk voorzieningenniveau in centrumgebieden.

Gevarieerde en bereikbare voorzieningen bepalen mede de kwaliteit van de binnenstad en het ‘woonmilieu’ (de woning en de omgeving ervan). Ontwikkelingen in de ene gemeente kunnen gevolgen hebben voor de het voorzieningenniveau in de andere gemeente.

GEZONDE OMGEVING EN VRIJE TIJD

Provinciaal belang

Toelichting

Bevorderen van een gezonde leefomgeving.

De provincie heeft wettelijke regionale en bovenregionale taken op het gebied van geluid, stilte, de luchtkwaliteit, geur, trillingen en de bodem- en waterkwaliteit. De belasting van het milieu moet beperkt worden, in het belang van de natuur zelf en dat van de inwoners. De provincie houdt bij keuzes voor ruimtelijke ontwikkelingen en gebruik rekening met het bevorderen van gezond gedrag, met sociale veiligheid en met inclusiviteit van de leefomgeving.

Bevorderen van een veilige inrichting van de leefomgeving.

De provincie heeft wettelijke regionale en bovenregionale taken op het gebied van waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid op en rond de provinciale infrastructuur.

Versterken van de onderlinge relatie tussen stedelijk en landelijk gebied.

De zones die de verbinding zijn tussen stedelijk en landelijk gebied hebben invloed op de kwaliteit en uitstraling van de steden en dorpen en van het landelijk gebied. Het tegengaan van leegstand en verrommeling draagt bij aan de kwaliteit van die zones. Groene verbindingen voor lopen en fietsen tussen stedelijke omgeving en landelijk gebied bevorderen meer bewegen en ontspannen.

Behouden en versterken van goede en aantrekkelijke recreatieve voorzieningen.

De zorg voor fiets- en wandelpaden, routenetwerken, waterwegen, recreatieterreinen, accommodaties en schoon zwemwater gaat voorbij de grenzen van gemeenten of de provincie. Doel is een evenwichtige spreiding van recreanten en toeristen over stad en landelijk gebied, een op de vraag aansluitend aanbod en zorg voor behoud van stilte voor de rustzoekende mens.

LEVEND LANDSCHAP, ERFGOED EN CULTUUR

Provinciaal belang

Toelichting

Ontwikkelen van kernkwaliteiten van het landschap en behouden van aardkundige waarden.

De landschappen vormen gemeentegrensoverschrijdende structuren en kwaliteiten. Ook voor de natuur zijn de landschappen van groot belang. De aardkundige waarden zijn deel van de landschappelijke kwaliteiten.

Beschermen en benutten van de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur.

De Cultuurhistorische hoofdstructuur omvat bovengemeentelijke en deels bovenprovinciale structuren waarbij de provincie zorgt voor de eenheid in aanpak van beschermen en benutten.

Beschermen en benutten van de Outstanding Universal Value van UNESCO Werelderfgoed.

De provincie heeft een wettelijke taak ervoor te zorgen dat de kernkwaliteiten van de bovengemeentelijke structuren van de Neder-Germaanse Limes, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam als UNESCO Werelderfgoed niet worden aangetast.

Zorgdragen voor een hoogwaardig aanbod cultuur en erfgoed.

De provincie bevordert het restaureren van rijksmonumenten, het beheren van archeologische vondsten (wettelijke taak), het in stand houden van molens en kasteelmusea, het organiseren van festivals, het aanbieden van cultuur- en erfgoededucatie via het onderwijs en het faciliteren van het bibliotheeknetwerk (wettelijke taak).

TOEKOMSTBESTENDIGE NATUUR EN LANDBOUW

Provinciaal belang

Toelichting

Ontwikkelen en versterken van een robuust netwerk van natuur met hoge kwaliteit, en bevorderen van een betere beleefbaarheid.

De provincie heeft een wettelijke taak voor de totstandkoming en instandhouding van het Europees en Nationaal Natuurnetwerk. Beleefbaarheid van en maatschappelijke betrokkenheid bij natuur dragen bij aan draagvlak voor natuur en daarmee aan de bescherming ervan.

Behouden en versterken van de biodiversiteit.

De provincie heeft een wettelijke taak voor het behoud/herstel van een gunstige staat van instandhouding van beschermde en bedreigde soorten en hun leefomgeving, en voor de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Daarnaast heeft de provincie zorgplicht voor behouden en versterken biodiversiteit.

Beschermen en ontwikkelen van houtopstanden.

De provincie heeft een wettelijke en bovenregionale taak voor behouden en beschermen houtopstanden. Vanuit het Klimaatakkoord heeft de provincie samen met andere partijen de opdracht tot vergroting van het oppervlak houtopstanden.

Bevorderen van een duurzame en economisch rendabele landbouw.

De agrarische sector beheert ongeveer de helft van het grondgebied in de provincie Utrecht. Het is belangrijk dat de sector economisch vitaal blijft en deze rol kan blijven vervullen. Vanuit het provinciale belang voor gebruik en kwaliteit van het landelijk gebied bieden we mogelijkheden voor een transitie naar een circulaire, natuurinclusieve, klimaatneutrale en diervriendelijke landbouw (kringlooplandbouw), met behoud van gebiedskwaliteiten en gezonde leefomgeving.

Provinciaal belang

Toelichting

Richting geven aan behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten van het landschap en aardkundige waarden.

De structuur en de kwaliteiten van landschappen gaan voorbij de grenzen van gemeenten. ‘Aardkundige waarden’ (bijvoorbeeld stuwwallen) zijn deel van de landschappelijke kwaliteiten.

Beschermen, benutten en beleven van de cultuurhistorische waarden.

De cultuurhistorische hoofdstructuur van Utrecht gaat voorbij de grenzen van gemeenten en soms ook van de provincie zelf. De provincie zorgt voor een eenduidige aanpak, zowel als het gaat om het gebruik van de gebieden als het beschermen en benutten ervan.

Beschermen en benutten van de uitzonderlijke universele waarde van UNESCO Werelderfgoed.

De provincie heeft een wettelijke taak om ervoor te zorgen dat de kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes en de Hollandse Waterlinies als UNESCO Werelderfgoed niet worden aangetast.



Bijdragen aan een sterke en toegankelijke cultuursector.

De provincie bevordert het restaureren van rijksmonumenten, het beheren van archeologische vondsten (wettelijke taak), het in stand houden van molens en kasteelmusea, het organiseren van festivals, het aanbieden van cultuur- en erfgoededucatie via het onderwijs en het faciliteren van het bibliotheeknetwerk (wettelijke taak). Hiermee dragen wij bij aan een sterke en toegankelijke cultuursector, zodat zoveel mogelijk mensen cultuur kunnen beoefenen, beleven en ervaren.

Afwegingskader Omgevingsverordening

Bij het opstellenwijzigen van de verordening zijnOmgevingsverordening worden de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd:

  • regels kunnen gewijzigd worden als dat volgt uit (de wijziging van) de Omgevingsvisie of het stroomschema afwegingskader

  • bestaande regels worden beleidsneutraal omgezet, tenzij uit de Omgevingsvisie of het stroomschema afwegingskader (zie hieronder) een andere keuze voortvloeit. Beleidsneutraal betekent niet regelneutraal: de instrumentkeuze en de formulering kunnen veranderen;

    regels kunnen beleidsneutraal gewijzigd worden. Beleidsneutraal betekent niet regelneutraal: de instrumentkeuze en de formulering kunnen veranderen;

  • regels worden geformuleerd vanuit het principe ‘Ja, mits’ in plaats van ‘Nee, tenzij’;

  • de verordeningOmgevingsverordening bevat zo min mogelijk regels. Daarvoor wordt het 90-10-principe gehanteerd: regels in de verordening zijn bedoeld om in 90% van de gevallen te voldoen. De overige 10% wordt opgelost met flexibiliteit in de toepassing van de regels (bijvoorbeeld maatwerkvoorschriften);

  • regels zijn logisch, eenduidig en samenhangend. De verschillen in systematiek en formulering binnen de huidige regels worden zo veel mogelijk opgelost en de regels zijn op elkaar afgestemd.

afbeelding binnen de regeling

Opbouw omgevingsverordeningOmgevingsverordening

De verordeningOmgevingsverordening bestaat uit verschillende hoofdstukken. Een hoofdstuk is onderverdeeld in afdelingen en als het nodig is in paragrafen en sub paragrafen. Hoofdstuk 1 bevat inleidende bepalingen en hoofdstuk 10 bevat bepalingen over uitvoering en procedures. Hoofdstuk 2 t/m 9 regelen de verschillende thema’s, zoals water, bodem, mobiliteit, energie, natuur, cultuur, landschap, landbouw, wonen, werken en recreëren.

In de hoofdstukken 2 t/m 9 wordt een bepaalde volgorde aangehouden:

  • omgevingswaarden (alleen in hoofdstuk 2);.

  • instructieregels: deze richten zich tot gemeenten, waterschappen en gedeputeerde staten. Regels die zich richten tot de faunabeheer- en wildbeheereenheden zijn ook te vinden bij de instructieregels;.

  • regels voor iedereen: deze regels gelden voor iedereen of voor degene die een bepaalde activiteit uitvoert.

Wanneer Met de wet in werking treedt, komt erinwerkingtreding van de Omgevingswet (01‑01‑2024) is ook een nieuwhet OmgevingsloketOmgevingsloketbeschikbaar gekomen. Dat wordtDit is dé centrale plek waar alle digitale informatie over de fysieke leefomgeving in samenhang te vinden is. In het Omgevingsloket kunnen burgers en bedrijven zien wat kan en mag in hun leefomgeving. Aanvragen ofVergunningaanvragen en meldingen kunnen gedaan worden via datdit loket. DatDit betekent dat overheden de regels zo moeten opschrijven dat ze zichtbaar worden in deRegels op de Kaartviewer in het Omgevingsloket. Met die gedachte in het achterhoofd is binnen de regels voor iedereen gewerkt met een bepaalde volgorde:

  • oogmerk Oogmerk;

  • toepassingsbereik Toepassingsbereik;

  • Specifieke zorgplicht;

  • specifieke zorgplicht Verbod;

  • verbod Vrijstelling; van het verbod

  • vrijstelling;

  • vergunningplicht Vergunningplicht (het is verboden zonder omgevingsvergunning van de provincie een activiteit uit te voeren);

  • vrijstelling Vrijstelling van de vergunningplicht;

  • beoordelingsregel Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning;

  • indieningsvereisten Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning;

  • meldplicht Meldplicht (het is verboden zonder melding een activiteit uit te voeren);

  • indieningsvereisten meldingen Indieningsvereisten melding;

  • informatieplichten Informatieplicht;

  • eis Eis(en) uitvoerenvoor uitvoering activiteit;

  • maatwerkvoorschrift Maatwerkvoorschrift

  • maatwerkregel Maatwerkregel.

BBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen

CCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.6 Beoordelingsregel aanvraag ontheffing instructieregel

Gemeenten en waterschappen kunnen bij gedeputeerde staten een ontheffing van een instructieregel aanvragen. Een reden voor een ontheffing kan zijn dat een instructieregel een bestuursorgaan onevenredig belemmert bij het uitvoeren van zijn taken of bevoegdheden (artikel 2.32, lid 5 van de wetOmgevingswet). Daarvan kan sprake zijn als ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving redelijkerwijs niet waren te voorzien. Een ontheffing kan bijvoorbeeld worden toegepast om ontwikkelingen met behulp van maatwerkoplossingen of innovatieve initiatieven in overeenstemming te brengen met de belangen die met de regel worden beschermd. Gedeputeerde staten moeten in dat geval afwegen wat belangrijker is: het belang van de instructieregel of het belang van de ontwikkeling die belemmerd wordt.

Een ontheffing kan bijvoorbeeld ook worden toegepast als er een integrale afweging is gemaakt van provinciale belangen. Bijvoorbeeld als blijkt dat een bepaald plan of project bijdraagt aan een aantal provinciale belangen, maar dat een enkel provinciaal belang een belemmering vormt voor de realisatie van zo'n plan of project ("plussen en minnen-afweging"). Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden om het oorspronkelijk beoogde doel of belang te beschermen waarop de instructieregel betrekking had.

Is er ontheffing verleend van een instructieregel? Dan kan tegen deze ontheffing beroep worden ingesteld. Artikel 16.83 van de wetOmgevingswet regelt dat een verleende ontheffing voor de mogelijkheid van beroep deel moet uitmaken van het besluit waarop de ontheffing ziet. Een weigering om een ontheffing te verlenen is zelfstandig appellabel volgens de hoofdregel van de Algemene wet bestuursrecht.

DDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.7 Beoordelingsregel aanvraag ontheffing instructieregel voor experimenten of innovatie

Gemeenten en waterschappen kunnen op grond van artikelArtikel 1.6 bij gedeputeerde staten een ontheffing van een instructieregel aanvragen. Naast artikel Artikel 1.6 1.6 biedt artikelArtikel 1.7 de mogelijkheid om op een innovatieve manier ‘uitnodigingsplanologie’ te bedrijven. Hiermee wordt bedoeld: planologie die redeneert vanuit de plek. Dergelijke experimenteerruimte kan helpen bij de transities voor energie, bodemdaling en landbouw. Als een nieuwe technologie zich aandient, is er ruimte om in pilots met deze technologie te experimenteren. Het gaat onder meer om innovaties op het gebied van opwekken van warmte en warmtetransitie (zoals waterstof, zonnegevels, aquathermie en aardwarmte), mobiliteit, transport en opslag van energie, etcenzovoort. Dan is een gezamenlijke kaderstelling, als alternatief voor een deel van de regels nodig. Als uitgangspunt voor het gezamenlijk op te stellen kader gelden ook de algemene uitgangspunten over duurzaamheid en omgevingskwaliteit uit de Omgevingsvisie. Het gaat de provincie erom dat belangen in een gebied bij elkaar worden gebracht en dat gezamenlijk nagedacht gaat worden over de kwaliteiten van een gebied en wat ervoor nodig is om een gebied een goede toekomst te gunnen. De veiligheid voor de omgeving moet worden aangetoond en ook moet aangetoond worden dat er geen nadelig effect is op bodem, water en milieu.

Voor die gebieden waarvoor een gezamenlijk kader is opgesteld, kunnen gedeputeerde staten een ontheffing verlenen op grond van dit artikel Artikel 1.7 . De nieuwe experimenteergebieden worden daarna toegevoegd aan artikelArtikel 9.4 Instructieregel ruimte voor experimenten.

EEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.8 Hardheidsclausule

Het kan zijn dat een kansrijk plan of project niet gerealiseerd kan worden omdat algemene regels uit deze verordeningde Omgevingsverordening een belemmering vormen. Gedeputeerde staten kunnen van een algemene regel afwijken als die voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die niet in verhouding staan tot het doel dat met de algemene regel wordt nagestreefd. Gedeputeerde staten kunnen dan na integrale weging van de betrokken provinciale belangen een omgevingsvergunning verlenen waarmee wordt afgeweken van die regels. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden om het oorspronkelijk beoogde doel of belang waarop de regel betrekking had te beschermen.

FFFFFFFFFFFF

Na sectie 1.8 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 1.8a Vergunningvoorschriften

-

GGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.9 Wijzigen of intrekken omgevingsvergunning

Soms kan het nodig zijn dat een omgevingsvergunning ambtshalve wordt gewijzigd of ingetrokken. Het belang van een ongewijzigde vergunning weegt dan niet op tegen het belang van wijziging of intrekking. De aanwijzingenAanwijzingen voor de regelgevingvoor de regelgeving bepalen dat de bevoegdheid hiertoe uitdrukkelijk in de verordening wordt geregeld en dat de gronden voor het intrekken of wijzigen van een omgevingsvergunning in de verordening worden gespecificeerd.

Dit betekent dat gedeputeerde staten:

  • een omgevingsvergunning door hen verleend voor een activiteit genoemd in de Omgevingsverordening provincie Utrecht, kunnen intrekken en wijzigen;

  • een omgevingsvergunning door hen verleend voor een activiteit genoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor in de Omgevingsverordening provincie Utrecht beoordelingsregels opgenomen zijn, kunnen intrekken en wijzigen;

  • het college van burgemeester en wethouders kunnen verzoeken een omgevingsvergunning, waarin het college een instemmingsbesluit opgenomen heeft voor een activiteit waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, in te trekken en te wijzigen.

HHHHHHHHHHHH

Na sectie 1.9 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 1.9a Wijzigingsverzoek verleende omgevingsvergunning

-

IIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Omgevingswaarde regionale waterkering

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij de omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor waterkeringen die niet primair zijn en die niet in beheer zijn van het Rijk. In dit artikel is vastgelegd wat de gewenste veiligheidsnorm is van de regionale waterkeringen. Voor de norm wordt gebruikgemaakt van de systematiek van het IPO. De omgevingswaarde is de gemiddelde overschrijdingskans per jaar. De waarde is gebaseerd op de verwachte economische schade die kan optreden als de waterkering faalt. De regionale waterkeringen zijn naar gelangop basis van de mogelijk optredende schade in klassen ingedeeld, oplopend van een overschrijdingskans van 1 op 10 per jaar tot een overschrijdingskans van 1 op 1250 per jaar. Met ‘overschrijdingskans’ wordt bedoeld: de kans dat een maximale waterstand die een dijk moet keren wordt overschreden. Hoe groter de mogelijke gevolgen, hoe strenger de norm.

Voor de regionale keringen die met ‘onvoldoende’ zijn beoordeeld bij de periodieke toetsing van 2024 geldt dat deze uiterlijk in 2030 aan de gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen. Op basis van een gemotiveerd verzoek aan gedeputeerde staten is een aanpassing van dit ‘tijdstip op orde’ mogelijk. Een gemotiveerd verzoek bestaat uit:

  • een degelijke onderbouwing waarom de termijn niet gehaald kan worden;

  • een aangepaste planning;

  • benoeming van de risico's; en

  • de wijze waarop deze risico's worden beheerst.

JJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.3 Omgevingswaarde Slaperdijk

Eerste lid, onder a: De omgevingswaarden van waterkeringen die (ook) een compartimenterende functie hebben, wijken af van de omgevingswaarden van regionale waterkeringen die direct water keren. De Slaperdijk bij Veenendaal heeft een dergelijke compartimenterende functie. Zo heeft de Slaperdijk een belangrijke invloed op het overstromingsverloop bij een doorbraak van de Grebbedijk. De aanwezigheid van de Slaperdijk vertraagt de overstroming van het gebied ten noordwesten van de Grebbedijk en heeft een opstuwende werking ten zuidoosten van de Grebbedijk. Voor de Slaperdijk geldt geen omgevingswaarde in de vorm van een overschrijdingskans, maar hier geldt als omgevingswaarde dat het huidige profiel van de waterkering gehandhaafd moet worden. De belangrijkste overweging daarbij is dat het versterken of verwijderen van de Slaperdijk geen significante invloed heeft op de gevolgschade bij een grootschalige overstroming en dat een dijkversterking bovendien grote gevolgen heeft voor de bestaande belangrijke landschaps-, natuur- en cultuurhistorische (LNC) waarden. De keuze voor het handhaven van het huidig profiel betekent dat de Slaperdijk geen volwaardige waterkerende functie heeft.

Eerste lid, onder b: De belangrijkste functie van de Slaperdijk is de vertragende functie in geval van een doorbraak van de Grebbedijk. Hierbij is het van belang dat ook diversede verschillende doorgangen in de Slaperdijk afsluitbaar worden gemaakt. Dat betreftHet gaat hierbij om duikers in watergangen en kruisingen met wegen. De belangrijkste is de doorgang in het Valleikanaal bij de Rode Haan. Het ter plaatse afsluiten van de Slaperdijk is onder meer nodig om de benodigde vertraging (van een overstroming) te realiseren. Hierdoor is er in het achterliggende gebied meer tijd voor evacuatie en voorbereidende maatregelen. Ook bestaat de mogelijkheid dat dit achterliggende gebied helemaal droog blijft bij afsluiting. De nadelige gevolgen van een gesloten Slaperdijk zijn beperkt. Toch is het wenselijk dat bij een dreigende overstroming pas tot sluiting van de doorgangen in de Slaperdijk wordt overgegaan na preventieve evacuatie van de overstroombare gebieden van de gemeenten Veenendaal, Wageningen, Rhenen en Ede. De betrokken overheden en instanties zullen dit moeten verwerken in hun rampenbestrijdingsplannen.

KKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.4 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor wateroverlast door inundatie (het opzettelijk onder water zetten van gronden) vanuit oppervlaktewater als gevolg van grote hoeveelheden neerslag. Deze omgevingswaarden verschillen afhankelijk van het grondgebruik en. Ze zijn gerelateerd aangebaseerd op de economische waarde van landgebruikhet grondgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De omgevingswaarden drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De omgevingswaarden bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft opin het vlak van het voorkomen dan welen beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolgeals gevolg van neerslag. Dit geeft burgers en bedrijven helderheid over het restrisico en over hun eigen verantwoordelijkheid overvoor roerende zaken en onroerende zaken. De omgevingswaarden in deze verordening zijn minimumwaarden. Waterschappen mogen, als zij dit gewenst achten, strengere normen hanteren.

Voor wat betreft de stedelijke kernen is aansluiting gezocht bij het begrip bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikelArtikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij stedelijke uitbreiding schuift hierdoor de norm automatisch op. Omdat de vastgestelde norm een minimumnorm is, zijn waterschappen vrij om, als zij dit gewenst achtenacht, al in de tussentijd (periode tussen feitelijke realisering stedelijke uitbreiding en onherroepelijk besluit tot aanpassing grens bebouwde kom) te anticiperen op de toekomstige ‘bebouwingsnorm’. Op deze manier kan het waterschap soepel inspelen op de nieuwe situatie.

Om te bepalen of een overig gebied (het gebied wat wel binnen de bebouwde kom ligt, maar waar geen feitelijke bebouwing of belangrijke infrastructuur aanwezig is) voldoet aan de omgevingswaarde wordt het zogenaamde maaiveld-criterium gehanteerd. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelniveau) niet aan de omgevingswaarde hoeft te voldoen. Dit betreftHet gaat hierbij om terreindelen die per definitie laag liggen en dus al snel onderlopen, zoals slootkanten en wadi’s. Dit maaiveldcriterium geldt niet voor gebied waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn.

Uitzonderingen op de omgevingswaarden zijn opgenomen in het Delegatiebesluit.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden. Het waterschap kan dit doen als het nemen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen niet doelmatig is.

LLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.5 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor wateroverlast door inundatie (het opzettelijk onder water zetten van gronden) vanuit oppervlaktewater als gevolg van grote hoeveelheden neerslag. Deze omgevingswaarden verschillen afhankelijk van het grondgebruik en. Ze zijn gerelateerd aangebaseerd op de economische waarde van landgebruikhet grondgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De omgevingswaarden drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De omgevingswaarden bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft opin het vlak van het voorkomen dan welen beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolgeals gevolg van neerslag. Dit geeft burgers en bedrijven helderheid over het restrisico en over hun eigen verantwoordelijkheid overvoor roerende zaken en onroerende zaken. De omgevingswaarden in deze verordening zijn minimumwaarden. Waterschappen mogen, als zij dit gewenst achten, strengere normen hanteren.

Voor wat betreft de stedelijke kernen is aansluiting gezocht bij het begrip bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikelArtikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij stedelijke uitbreiding schuift hierdoor de norm automatisch op. Omdat de vastgestelde norm een minimumnorm is, is het waterschap vrij om, indien wenselijk, al in de tussentijd (periode tussen feitelijke realisering stedelijke uitbreiding en onherroepelijk besluit tot aanpassing grens bebouwde kom) te anticiperen op de toekomstige ‘bebouwingsnorm’. Op deze manier kan het waterschap soepel inspelen op de nieuwe situatie.

Om te bepalen of een overig gebied (het gebied wat wel binnen de bebouwde kom ligt, maar waar feitelijk geen bebouwing of belangrijke infrastructuur aanwezig is) voldoet aan de omgevingswaarde wordt het zogenaamde maaiveld-criterium gehanteerd. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelniveau) niet aan de omgevingswaarde hoeft te voldoen. Dit betreftHet gaat hierbij om terreindelen die per definitie laag liggen en dus al snel onderlopen, zoals slootkanten en wadi’s. Dit maaiveldcriterium geldt niet voor gebied waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn. Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden. Het waterschap kan dit doen als het nemen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen niet doelmatig is.

Uitzonderingen op de omgevingswaarden zijn opgenomen in het Delegatiebesluit.

MMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.6 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor wateroverlast door inundatie (het opzettelijk onder water zetten van gronden) vanuit oppervlaktewater als gevolg van grote hoeveelheden neerslag. Deze omgevingswaarden verschillen afhankelijk van het grondgebruik en. Ze zijn gerelateerd aangebaseerd op de economische waarde van landgebruikhet grondgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De omgevingswaarden drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De omgevingswaarden bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft opin het vlak van het voorkomen dan welen beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolgeals gevolg van neerslag. Dit geeft burgers en bedrijven helderheid over het restrisico en over hun eigen verantwoordelijkheid overvoor roerende zaken en onroerende zaken. De omgevingswaarden in deze verordening zijn minimumwaarden. Waterschappen mogen, als zij dit gewenst achten, strengere normen hanteren.

Voor wat betreft de stedelijke kernen is aansluiting gezocht bij het begrip bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Bij stedelijke uitbreiding schuift hierdoor de norm automatisch op. Omdat de vastgestelde norm een minimumnorm is, is het waterschap vrij om, indien wenselijk, al in de tussentijd (periode tussen feitelijke realisering stedelijke uitbreiding en onherroepelijk besluit tot aanpassing grens bebouwde kom) te anticiperen op de toekomstige ‘bebouwingsnorm’. Op deze manier kan het waterschap soepel inspelen op de nieuwe situatie.

Om te bepalen of een overig gebied (het gebied wat wel binnen de bebouwde kom ligt, maar waar geen feitelijke bebouwing of belangrijke infrastructuur aanwezig is) voldoet aan de omgevingswaarde wordt het zogenaamde maaiveld-criterium gehanteerd. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelniveau) niet aan de omgevingswaarde hoeft te voldoen. Dit betreftHet gaat hierom terreindelen die per definitie laag liggen en dus al snel onderlopen, zoals slootkanten en wadi’s. Dit maaiveldcriterium geldt niet voor gebied waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn.

Uitzonderingen op de omgevingswaarden zijn opgenomen in het Delegatiebesluit.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden. Het waterschap kan dit doen als het nemen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen niet doelmatig is.



NNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.7 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Rivierenland

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor wateroverlast door inundatie (het opzettelijk onder water zetten van gronden) vanuit oppervlaktewater als gevolg van grote hoeveelheden neerslag. Deze omgevingswaarden verschillen afhankelijk van het grondgebruik en. Ze zijn gerelateerd aangebaseerd op de economische waarde van landgebruikhet grondgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De omgevingswaarden drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De omgevingswaarden bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen dan welen beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolgeals gevolg van neerslag. Dit geeft burgers en bedrijven helderheid over het restrisico en hun eigen verantwoordelijkheid overvoor roerende zaken en onroerende zaken. De omgevingswaarden in deze verordening zijn minimumwaarden. Waterschappen mogen, als zij dit gewenst achten, strengere normen hanteren.

Voor wat betreft de stedelijke kernen is aansluiting gezocht bij het begrip bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Bij stedelijke uitbreiding schuift hierdoor de norm automatisch op. Omdat de vastgestelde norm een minimumnorm is, is het waterschap vrij om, indien wenselijk, al in de tussentijd (periode tussen feitelijke realisering stedelijke uitbreiding en onherroepelijk besluit tot aanpassing grens bebouwde kom) te anticiperen op de toekomstige ‘bebouwingsnorm’. Op deze manier kan het waterschap soepel inspelen op de nieuwe situatie.

Om te bepalen of een overig gebied (het gebied wat wel binnen de bebouwde kom ligt, maar waar feitelijk geen bebouwing of belangrijke infrastructuur aanwezig is) voldoet aan de omgevingswaarde wordt het zogenaamde maaiveld-criterium gehanteerd. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelniveau) niet aan de omgevingswaarde hoeft te voldoen. Dit betreftHet gaat hier om terreindelen die per definitie laag liggen en dus al snel onderlopen, zoals slootkanten en wadi’s. Dit maaiveld-criterium geldt niet voor gebied waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn.

Uitzonderingen op de omgevingswaarden zijn opgenomen in het Delegatiebesluit.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden. Het waterschap kan dit doen als het nemen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen niet doelmatig is.

OOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.8 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor wateroverlast door inundatie (het opzettelijk onder water zetten van gronden) vanuit oppervlaktewater als gevolg van grote hoeveelheden neerslag. Deze omgevingswaarden verschillen afhankelijk van het grondgebruik en. Ze zijn gerelateerd aangebaseerd op de economische waarde van landgebruikhet grondgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De omgevingswaarden drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De omgevingswaarden bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft opin het vlak van het voorkomen dan welen beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolgeals gevolg van neerslag. Dit geeft burgers en bedrijven helderheid over het restrisico en over hun eigen verantwoordelijkheid overvoor roerende zaken en onroerende zaken. De omgevingswaarden in deze verordening zijn minimumwaarden. Waterschappen mogen, als zij dit gewenst achten, strengere normen hanteren. Om te bepalen of een gebied voldoet aan de omgevingswaarde wordt het zogenaamde maaiveld-criterium gehanteerd. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelniveau bezien) niet aan de omgevingswaarde hoeft te voldoen. Dit betreftHet gaat hierom terreindelen die per definitie laag liggen en dus al snel onderlopen, zoals slootkanten en wadi's. De omgevingswaarden gelden niet voor gebieden met een natuurfunctie of waterbergingsgebiedenbergingsgebieden. Deze gebieden zijn daarom niet opgenomen in het werkingsgebied.

Uitzonderingen op de omgevingswaarden zijn opgenomen in het Delegatiebesluit.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden. Het waterschap kan dit doen als het nemen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen niet doelmatig is.

PPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.9 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor wateroverlast door inundatie (het opzettelijk onder water zetten van gronden) vanuit oppervlaktewater als gevolg van grote hoeveelheden neerslag. Deze omgevingswaarden verschillen afhankelijk van het grondgebruik en. Ze zijn gerelateerd aangebaseerd op de economische waarde van landgebruikhet grondgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De omgevingswaarden drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De omgevingswaarden bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft opin het vlak van het voorkomen dan welen beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolgeals gevolg van neerslag. Dit geeft burgers en bedrijven helderheid over het restrisico en over hun eigen verantwoordelijkheid overvoor roerende zaken en onroerende zaken. De omgevingswaarden in deze verordening zijn minimumwaarden. Waterschappen mogen, als zij dit gewenst achten, strengere normen hanteren. Om te bepalen of een gebied voldoet aan de omgevingswaarde wordt het zogenaamde maaiveld-criterium gehanteerd. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelniveau bezien) niet aan de omgevingswaarde hoeft te voldoen. Dit betreftHet gaat hieromt terreindelen die per definitie laag liggen en dus al snel onderlopen, zoals slootkanten en wadi's. De omgevingswaarden gelden niet voor gebieden met een natuurfunctie of waterbergingsgebiedenbergingsgebieden. Deze gebieden zijn daarom niet opgenomen in het werkingsgebied.

Uitzonderingen op de omgevingswaarden zijn opgenomen in het Delegatiebesluit.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden. Het waterschap kan dit doen als het nemen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen niet doelmatig is.

QQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.10 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor wateroverlast door inundatie (het opzettelijk onder water zetten van gronden) vanuit oppervlaktewater als gevolg van grote hoeveelheden neerslag. Deze omgevingswaarden verschillen afhankelijk van het grondgebruik en. Ze zijn gerelateerd aangebaseerd op de economische waarde van landgebruikhet grondgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De omgevingswaarden drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De omgevingswaarden bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft opin het vlak van het voorkomen dan welen beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolgeals gevolg van neerslag. Dit geeft burgers en bedrijven helderheid over het restrisico en hun over eigen verantwoordelijkheid overvoor roerende zaken en onroerende zaken. De omgevingswaarden in deze verordening zijn minimumwaarden. Waterschappen mogen, als zij dit gewenst achten, strengere normen hanteren. Om te bepalen of een gebied voldoet aan de omgevingswaarde wordt het zogenaamde maaiveld-criterium gehanteerd. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelniveau bezien) niet aan de omgevingswaarde hoeft te voldoen. Dit betreftHet gaat hierbij om terreindelen die per definitie laag liggen en dus al snel onderlopen, zoals slootkanten en wadi's. De omgevingswaarden gelden niet voor gebieden met een natuurfunctie of waterbergingsgebieden. Deze gebieden zijn daarom niet opgenomen in het werkingsgebied.

Uitzonderingen op de omgevingswaarden zijn opgenomen in het Delegatiebesluit.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden. Het waterschap kan dit doen als het nemen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen niet doelmatig is.

RRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.11 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Rivierenland

Op grond van artikelArtikel 2.13 van de wetOmgevingswet moeten bij omgevingsverordeningOmgevingsverordening omgevingswaarden worden vastgesteld voor wateroverlast door inundatie (het opzettelijk onder water zetten van gronden) vanuit oppervlaktewater als gevolg van grote hoeveelheden neerslag. Deze omgevingswaarden verschillen afhankelijk van het grondgebruik en. Ze zijn gerelateerd aangebaseerd op de economische waarde van landgebruikhet grondgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De omgevingswaarden drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De omgevingswaarden bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft opin het vlak van het voorkomen dan welen beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolgeals gevolg van neerslag. Dit geeft burgers en bedrijven helderheid over het restrisico en over hun eigen verantwoordelijkheid overvoor roerende zaken en onroerende zaken. De omgevingswaarden in deze verordening zijn minimumwaarden. Waterschappen mogen, als zij dit gewenst achten, strengere normen hanteren. Om te bepalen of een gebied voldoet aan de omgevingswaarde wordt het zogenaamde maaiveld-criterium gehanteerd. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelniveau bezien) niet aan de omgevingswaarde hoeft te voldoen. Dit betreftHet gaat hier om terreindelen die per definitie laag liggen en dus al snel onderlopen, zoals slootkanten en wadi's. De omgevingswaarden gelden niet voor gebieden met een natuurfunctie of waterbergingsgebieden. Deze gebieden zijn daarom niet opgenomen in het werkingsgebied.

Uitzonderingen op de omgevingswaarden zijn opgenomen in het Delegatiebesluit.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden. Het waterschap kan dit doen als het nemen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen niet doelmatig is.

SSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.12 Instructieregel monitoring omgevingswaarde regionale keringwaterkering

Aan de regels over activiteiten in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit uitvoert. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 Omgevingswaarde regionale kering en Artikel 2.3 Omgevingswaarde Slaperdijk.

Het waterschap is belast met de monitoring van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 en Artikel 2.3. Het is belangrijk dat er frequent getoetst wordt. Hiervoor is een toetsfrequentie vastgelegd van 1 keer per 12 jaar. In 2024 zijn de keringen getoetst. Het eerstvolgende toets moment is 2036. Als peildatum voor het toetsen wordt de eerste dag van het jaar van toetsen aangehouden. Voor de toetsing van 2036 is de peildatum 1 januari 2036. Het verslag van deze gebiedsdekkende veiligheidstoetsing waarin waterkeringen, kunstwerken en niet-waterkerende objecten op alle faalmechanismen zijn getoetst, wordt dus vóór 1 januari 2037 verwacht.

Bij de monitoring van de omgevingswaarde regionale waterkering maakt het waterschap gebruik van het toets instrumentarium van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) en van de maatgevende hoogwaterstanden. Deze maatgevende hoogwaterstanden zijn bedoeld om te toetsen of de betreffende regionale waterkeringen deze waterstanden veilig kunnen keren. De maatgevende hoogwaterstanden worden door gedeputeerde staten vastgesteld na afstemming met het waterschap.

TTTTTTTTTTTT

Na sectie 2.12 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.12a Instructieregel uitvoeringsprogramma regionale waterkering

De uitvoering van de opgave die volgt uit de omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen, bedoeld in Artikel 2.2, kan van grote invloed zijn op de formatie en financiën van de beheerders. Om het waterschap de ruimte te geven om de benodigde werkzaamheden efficiënt en doelmatig uit te voeren is vastgelegd dat gewerkt wordt met een uitvoeringsprogramma regionale waterkeringen. In dit uitvoeringsprogramma beschrijft het waterschap hoe het de benodigde werkzaamheden aan de regionale keringen gaat aanpakken. Jaarlijks brengt het waterschap verslag uit over de voortgang van de werkzaamheden in dit uitvoeringsprogramma. Daarbij kan het waterschap de bijzonderheden in beeld brengen die zijn waargenomen bij de zorgplichtactiviteiten van het waterschap.



UUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.13 Instructieregel monitoring omgevingswaarde wateroverlast

Het waterschap heeft de zorg dat wateroverlast beperkt blijft tot maximaal de gestelde omgevingswaarde. Deze omgevingswaarde kan niet door metingen worden gemonitord, maar moet berekend worden per bergings-bergingsgebied of afvoergebied. De manier waarop het waterschap deze berekening uitvoert, is beschreven in een leidraadleidraaddie door gedeputeerde staten beschikbaar is gesteld of komt tot stand in overleg tussen het waterschap en gedeputeerde staten tot stand.

VVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.14 Instructieregel vrijwaringszone regionale waterkering

Ontwikkelingen binnen de vrijwaringszone van regionale waterkeringen kunnen invloed hebben op de huidige en/of toekomstige waterkerende functie van de regionale waterkering. Er moet voldoende ruimte overblijven voor versterking of reconstructie van de waterkering. Over het algemeen biedt een vrijwaringszone van 30 meter voldoende ruimte. De exacte maat die van toepassing is op een regionale waterkering is opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterbeheerders. In overleg met het waterschap kan bepaald worden welke invloed een ontwikkeling heeft op de waterkerende functie van de regionale kering. De primaire waterkeringen worden door rijksregelingen beschermd.

WWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.15 Instructieregel waterbergingsgebiedbergingsgebied

Het gaat om In een bergingsgebied mogen geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden en het uitvoeren van werken en werkzaamheden uitgevoerd worden die het waterbergend vermogen van het waterbergingsgebied doenbergingsgebied verminderen of de waterberging kunnen belemmeren. In ieder geval kan worden gedacht aan verstedelijking, het dempen van watergangen en het ophogen van gronden. Dergelijke ontwikkelingen zijn wel toegestaan als maatregelen worden getroffen op grond waarvan het waterbergend vermogen en de overstromingsmogelijkheden volledig gehandhaafd blijven. In dat geval is er geen strijd met de waterbergingsfunctie.

Het gaat in dit artikel om ruimtelijke ontwikkelingen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden die zorgen voor een vermindering van het waterbergend vermogen van het waterbergingsgebied of de waterberging kunnen belemmeren. In ieder geval kan worden gedacht aan verstedelijking, het dempen van watergangen en het ophogen van gronden. Zulke ontwikkelingen zijn toegestaan als er maatregelen worden getroffen die ervoor zorgen dat het waterbergend vermogen en de overstromingsmogelijkheden volledig gehandhaafd blijven. In dat geval is er geen conflict met de waterbergingsfunctie.

XXXXXXXXXXXX

Na sectie 2.15 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.15a Instructieregel zoekgebied waterberging

Binnen de zoekgebieden waterberging wordt de komende jaren gezocht naar ruimte om waterbergingslocaties aan te leggen. Definitieve aanwijzing gebeurt pas na een integrale ruimtelijke analyse van het gebied. Op deze plekken waar mogelijk een bergingsgebied ingericht zal worden (binnen de op kaart aangegeven zoekgebieden) moet voorkomen worden dat er ontwikkelingen plaatsvinden die deze functie kunnen beperken (zoals woningbouw, energie-infrastructuur etc.). In geval van een geplande ontwikkeling is een analyse in deze gebieden noodzakelijk (zowel ruimtelijk als hydrologisch) en moet afstemming met het betreffende waterschap plaats te vinden.

Binnen het werkgebied van waterschap Vallei en Veluwe worden deze gebieden aangeduid als beperkingen gebied natuurlijke laagtes (beekdalen). In deze gebieden zullen geen bergingsgebieden actief aangelegd worden, maar wordt water op een natuurlijke manier geborgen via natuurlijk inundatie van het beekdal bij hoge afvoeren. Ook voor deze gebieden geldt dat voorkomen moet worden dat er ontwikkelingen plaatsvinden die deze functie kunnen beperken (zoals woningbouw, energie-infrastructuur etc). In geval van een geplande ontwikkeling is een analyse in deze gebieden noodzakelijk (zowel ruimtelijk als hydrologisch) en moet afstemming met het betreffende waterschap plaats te vinden.



YYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied

Grote delen van de provincie liggen in overstroombare gebieden van de Neder-Rijn, Lek en, het Eemmeer en de regionale wateren. Het is belangrijk dat vitale en kwetsbare objectenfuncties, zoals elektriciteitscentrales, en ziekenhuizen, woonwijkenmaar ook nieuwe woningen en bedrijventerreinenbedrijven, bestand zijn tegen overstromingen. Voor buitendijkse gebieden geldt dit ook voor individuele woningen en bedrijven. Door een goeddoordachte locatiekeuze en inrichting kunnen de gevolgen van een overstroming flink beperkt worden. Verdere definiëring vanMaatregelen mogen echter geen groot negatief effect hebben op omliggende gebieden of functies. In de objectenHandreiking Overstromingsrobuust inrichtenis te vinden in dezijn voorbeelden van maatregelen teHandreiking Overstromingsrobuust inrichten. De Handreiking helpt ookvinden die genomen kunnen worden om wonen en werken in gebieden met overstromingsrisico's veiligerhet overstromingsrisico te makenbeperken.

Beperking van de schade als gevolg van een overstroming is in ieder geval aanvaardbaar wanneer in de handreiking beschreven maatregelen passend zijn en op een juiste manier worden toegepast. De handreiking doet een voortzet hiervoor. De handreiking helpt om wonen en werken in gebieden met overstromingsrisico's veiliger te maken. De keuze voor (een) maatregel(en) moet gebaseerd zijn op nieuw of recent onderzoek naar de overstromingsrisico’s op de betreffende locatie. In de buitendijkse gebieden van de Neder-Rijn en Lek zijn de overstromingsrisico's en de gevolgen zodanig groot dat we nieuwe functies voor wonen, werken of vitale en kwetsbare objecten en infrastructuur niet toestaan.

ZZZZZZZZZZZZ

Na sectie 2.16 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.16a Instructieregel omgevingswaarden waterkwaliteit

De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die tot doel heeft de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater te verbeteren en te behouden, zodat alle Europese wateren in goede toestand verkeren. Nederland moet de doelen die in de richtlijn staan uiterlijk in 2027 gehaald hebben. In paragraaf 2.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn deze doelen geïmplementeerd als omgevingswaarden. De provincie legt, voortkomende uit het Bkl, de ecologische doelen voor de oppervlaktewaterlichamen vast in het regionaal waterprogramma. De uitoefening van de taken en bevoegdheden van gemeenten kan van invloed zijn op het wel of niet behalen van deze omgevingswaarden. De gemeente moet bij het opstellen van regels in het omgevingsplan rekening houden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, onder dit beheer valt onder andere het beschermen van de ecologische en chemische kwaliteit van watersystemen. Deze instructieregel vestigt de aandacht op de bescherming van de waterkwaliteit en schrijft voor dat de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan rekening houdt met de KRW-doelen zoals deze vastgelegd zijn in de omgevingswaarden van het Bkl. Het omgevingsplan mag in ieder geval geen negatief effect hebben op de omgevingswaarden, bijvoorbeeld doordat licht in het water weggenomen wordt, stoffen aan het (grond)water worden toegevoegd of de hydromorfologie van een waterlichaam gewijzigd wordt.

AAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.17 Instructieregel rangorde bij waterschaarste Amsterdam-Rijnkanaal en Lek

In artikel 2.42, tweede lid, van de wetOmgevingswet en artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de regels opgenomen voor de verdeling van het beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften bij waterschaarste of dreigende waterschaarste. In artikel 7.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is de mogelijkheid opgenomen om in de provinciale verordening de rangorde voor de categorieën, zoals bedoeld in artikel 3.14, eerste lid onder c en d van het Besluit kwaliteit leefomgeving, vast te leggen.

Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en economische behoeften groter is dan het aanbod. Het gaat daarbij om de beschikbaarheid van voldoende water van die kwaliteit die voor bepaalde behoeften nodig is. Het beheer van de regionale watersystemen is er onder andere op gericht om alle watervragers zoveel mogelijk te voorzien in het benodigde water. In tijden van waterschaarste is dit echter niet meer mogelijk. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn. De rangorde bij waterschaarste biedt helderheid over welke behoeften in een situatie van waterschaarste voorgaan boven andere. Het draagt zo bij aan een slagvaardig en eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties van (dreigende) waterschaarste. In artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is de rangorde bij waterschaarste in 4 categorieën (eerste lid, a t/m d) aangeduid. In Artikel 2.17 en Artikel 2.18 is de regionale rangorde bij waterschaarste aangegeven voor de categorieën, zoals bedoeld in artikel 3.14, eerste lid onder c en d van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Eerste lid, onder b: Bij kapitaalintensieve gewassen gaat het om gewassen waarbij een totale mislukking van de oogst dreigt als gevolg van het watertekort, terwijl met een relatief kleine hoeveelheid water een schade van een dergelijke omvang kan worden voorkomen. Het gaat hier vaak om glastuinbouw en bollenteelt en soms ook om boom-boomteelt en fruitteelt.

BBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.18 Instructieregel rangorde bij waterschaarste Neder-Rijn

In artikel 2.42, tweede lid, van de wetOmgevingswet en artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de regels opgenomen voor de verdeling van het beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften bij (dreigende) waterschaarste. In artikel 7.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is de mogelijkheid opgenomen om in de provinciale verordening de rangorde voor de categorieën, zoals bedoeld in artikel 3.14, eerste lid onder c en d van het Besluit kwaliteit leefomgeving, vast te leggen. Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en economische behoeften groter is dan het aanbod. Het gaat daarbij om de beschikbaarheid van voldoende water van die kwaliteit die voor bepaalde behoeften nodig is. Het beheer van de regionale watersystemen is er onder andere op gericht om alle watervragers zoveel mogelijk te voorzien in het benodigde water. In tijden van waterschaarste is dit echter niet meer mogelijk. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn. De rangorde bij waterschaarste biedt helderheid over welke behoeften in een situatie van waterschaarste voorgaan boven andere. Het draagt zo bij aan een slagvaardig en eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties van (dreigende) waterschaarste. In artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is de rangorde bij waterschaarste in 4 categorieën (eerste lid, a t/m d) aangeduid. In Artikel 2.17 en Artikel 2.18 is de regionale rangorde bij waterschaarste aangegeven voor de categorieën, zoals bedoeld in artikel 3.14, eerste lid onder d van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

CCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.19 Instructieregel inhoud waterbeheerprogramma

De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het waterbeheerprogramma conform artikel 3.7 van de wet. Het programma bevat een uitwerking van de doelen die de provincie in haar Bodem- en Waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 heeft geformuleerd, op de schaal van het waterschap. Het gaat daarbij onder meer om het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen. In het Bodem- en Waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 wordt minimaal de maatschappelijke functie drinkwater aangewezen, conform artikel 4.4 Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook wordt met de uitvoering van het waterbeheerprogramma en het Bodem- en Waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 achteruitgang van de toestand voorkomen, conform artikel 4.15 Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook wordt een goed ecologisch potentieel bereikt conform artikel 4.13 Besluit kwaliteit leefomgeving. Het waterbeheerprogramma bevat daarom de concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren. In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen betreffende het regionaal waterbeheer aan de orde worden gesteld. Ook de manier waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van afspraken ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen hiervan deel uitmaken.

De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het waterbeheerprogramma conform artikel 3.7 van de Omgevingswet. Het waterprogramma bevat een uitwerking van de doelen die de provincie in het regionaal waterprogramma heeft geformuleerd, op de schaal van het waterschap. Het gaat daarbij onder meer om het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen.

In het regionaal waterprogramma wordt in ieder geval de maatschappelijke functie drinkwaterontrekking aangewezen, conform artikel 4.4 Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarnaast wordt met de uitvoering van het waterbeheerprogramma en het regionaal waterprogramma achteruitgang van de toestand voorkomen, conform artikel 4.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. En wordt een goed ecologisch potentieel bereikt conform artikel 4.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het waterbeheerprogramma bevat de concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren. In periodiek overleg met waterschappen kunnen alle onderwerpen gerelateerd aan het regionaal waterbeheer aan de orde worden gesteld. Ook de manier waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van afspraken ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen hiervan deel uitmaken.

DDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.20 Instructieregel legger waterstaatswerken

In artikelArtikel 2.39 van de wetOmgevingswet is bepaald dat de beheerder van een waterstaatwerk zorgt voor de vaststelling van een legger. In deze legger is omschreven waaraan de ligging, vorm, afmeting en constructie van waterstaatswerken moeteneen waterstaatswerk moet voldoen. In de legger geeft de beheerder aan wat de vereiste en de te handhaven afmetingen zijn van de waterstaatswerkenhet waterstaatswerk en de daaraan grenzende beschermingszones. De beheerder zorgt ervoor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger is belangrijk voor de toetsing van de waterstaatswerkenhet waterstaatswerk aan de voorgeschreven omgevingswaarden. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerkenhet waterstaatswerk is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerkenhet waterstaatswerk. De voorgeschreven omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2, de technische leidraad en de voorschriften, zijn leidend voor de gegevens die vastgelegd moeten worden in de legger van de regionale waterkeringen (en de ondersteunende kunstwerken). Met behulp van situatietekeningen en lengte-lengteprofielen en dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en de te handhaven afmetingen zijn van de (primaire en regionale) waterkeringen en de daaraan grenzende beschermingszones zijn. Ook moet voor de primaire en regionale waterkeringen het profiel van vrije ruimte worden aangegeven. Het profiel van vrije ruimte is het gebied dat volgens de beheerder nodig is om toekomstige verbeteringen aan de waterkering te kunnen realiseren.

De voorgeschreven omgevingswaarden en de voorschriften met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast), zijn leidend voor de gegevens die vastgelegd moeten worden in de legger van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. In de legger wordt aangegeven wat de vereiste en de te handhaven afmetingen zijn van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen en daaraan grenzende beschermingszones en bergingsgebieden. Dit gebeurt met behulp van situatietekeningen, dwarsprofielen en waar mogelijk met overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit. Daarnaast is de legger belangrijk voor de ruimtelijke reikwijdte van de verbods- en beheerbepalingen als gevolg van de waterschapsverordening (de werkingssfeer van vergunningen of ontheffingen). De legger op grond van de wet moet worden onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet (legger voor onderhoudsplichtigen). Als het gewenst is, kunnen beide leggers in 1 document worden gecombineerd.

Daarnaast is de legger belangrijk voor de ruimtelijke reikwijdte van de verbodbepalingen en beheerbepalingen als gevolg van de waterschapsverordening (de werkingssfeer van vergunningen of ontheffingen). De legger op grond van de Omgevingswet moet worden onderscheiden van de legger bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet (legger voor onderhoudsplichtigen). Als het gewenst is, kunnen beide leggers in 1 document worden gecombineerd.

EEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.21 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger

In artikel 2.39 van de wet is een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen voor het vermelden van vorm en constructie van waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen. Van deze mogelijkheid is in dit artikel gebruik gemaakt voor bergingsgebieden en oppervlaktewaterlichamen die in de legger van het waterschap zijn aangeduid als c-wateren of tertiaire watergangen. Deze waterstaatswerken lenen zich niet voor het vastleggen van vorm en constructie. Het vermelden van de ligging van die waterstaatswerken blijft wel verplicht. Dit is noodzakelijk omdat de legger bepalend is voor het toepassingsbereik van de waterschapsverordening.

In artikel 2.39 van de Omgevingswet is een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen voor het vermelden van de vorm, afmeting, ligging en constructie van waterstaatswerken die zich door hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van deze aspecten. Van deze mogelijkheid is in dit artikel gebruik gemaakt voor bergingsgebieden en oppervlaktewaterlichamen. Deze waterstaatswerken lenen zich niet voor het vastleggen van vorm, afmeting en constructie. Voor wateren die in de waterschapsverordening zijn aangemerkt als secundaire of tertiaire wateren (ook wel b-wateren of c-wateren genoemd) hoeft ook de ligging niet te worden vastgelegd in de legger. Voor primaire watergangen en bergingsgebieden geldt wel dat de ligging in de legger moet worden vastgelegd.

FFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.22 Instructieregel vaststellen peilbesluit

Het algemeen bestuur van het waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen.

-

GGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.23 Instructieregel inhoud peilbesluit

Een peilbesluit moet voldoen aan de rechtszekerheid van de burger aan de ene kant en de benodigde flexibiliteit van het waterschap aan de andere kant. Niet alleen door wisselende weersomstandigheden, maar ook door het streven naar een duurzaam waterbeheer heeft het waterschap behoefte aan flexibiliteit. Grondig onderzoek naar de gevolgen van de in te stellen peilen is noodzakelijk voor een zorgvuldige belangenafweging van het te voeren peilbeheer. Het een en ander moet in de toelichting op het peilbesluit worden verwoord, zoals (in verband met de rechtszekerheid) wat het minimum- en maximumpeil is. Het waterschap heeft een inspanningsverplichting om de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven. De toelichting bij het peilbesluit moet inzicht geven in de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewaterregime.

Een peilbesluit is een besluit van het waterschap waarin per peilgebied het minimum en maximum oppervlaktewaterpeil zijn vastgelegd. Een peilbesluit biedt rechtszekerheid. Het waterschap heeft een inspanningsverplichting om de waterstanden te handhaven die in het peilbesluit aangegeven zijn. Daarnaast biedt het peilbesluit de mogelijkheid tot beheermarges. Deze peilen geven het waterschap flexibiliteit voor wisselende weersomstandigheden en duurzaam waterbeheer.

Grondig onderzoek naar de gevolgen van de in te stellen peilen is noodzakelijk voor een zorgvuldige belangenafweging van het te voeren peilbeheer. De motivering van het peilbesluit moet inzicht geven in de belangenafweging die is gemaakt om tot de gekozen peilen en beheermarges te komen en het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt. Het peilbesluit moet gericht zijn op de wettelijke taak van het waterschap, bedoeld in artikel 2.17, lid 1, sub a, onder 1° van de Omgevingswet. Daarnaast moeten alle relevante belangen worden meegewogen, waaronder het faciliteren van de gebruiksfuncties. Verder bevat de motivering in ieder geval de provinciale belangen genoemd onder het tweede lid, sub a. Waar mogelijk moet het effect van het peilbesluit op de verschillende belangen kwantitatief in beeld worden gebracht. Als dit niet mogelijk of doelmatig is, volstaat een kwalitatieve onderbouwing.

Tweede lid, sub a, onder i: er geldt voor Natura 2000- gebieden dat verslechtering van Natura 2000-gebieden en het behalen van de instandhoudingsdoelen moeten worden gehaald. Als een peilbesluit mogelijk significant negatieve effecten heeft op een Natura 2000-gebied moet een voortoets en eventueel een passende beoordeling uitgevoerd worden. Het waterschap moet laten zien hoe ze met het peilbesluit rekening hebben gehouden met de instandhoudingsdoelen. Het is mogelijk dat een peilbesluit geen invloed heeft op een Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld vanwege de afstand; dan moet dit onderbouwd te worden.

Tweede lid, sub a, onder ii: het oppervlaktewaterpeil heeft invloed op de grondwaterstand en daarmee ook op de hoeveelheid bodemdaling die optreedt in het bodemdalingsgevoelig gebied. Het doel is om bodemdaling af te remmen. Bij peilbesluiten binnen het bodemdalingsgevoelig gebied moet daarom het effect van het peilbesluit op het afremmen van bodemdaling beschreven en meegewogen worden.

Tweede lid, sub a, onder iii: het oppervlakte waterpeil heeft invloed op de grondwaterstand en daarmee ook op de broeikasgasemissie (veenoxidatie) en bodemdaling in het veengebied. Het doel is om de broeikasgasemissies uit veengronden te beperken en inzichtelijk te maken wat het effect van het peilbesluit hierop is. Het doel is om de broeikasgasemissies uit veengronden te beperken. Het waterschap moet inzichtelijk te maken wat het effect van het peilbesluit op de CO2-uitstoot is. De omvang van CO2-emissies bij verschillende peilen kan kwantitatief worden bepaald, bijvoorbeeld met het instrument SOMERS.

Tweede lid, sub a, onder iv: de weidevogelkerngebieden zijn internationaal van groot belang voor de bescherming van weidevogels. Waterpeil speelt een belangrijke rol in de kwaliteit van het leefgebied van weidevogels. Vernatting van percelen door verhoging van het waterpeil kan een grote bijdrage leveren aan de habitatgeschiktheid en beschikbaarheid van voedsel. Bij peilbesluiten binnen Weidevogelkerngebieden is het daarom van belang om rekening te houden met de effecten van dit besluit op de kwaliteit van het leefgebied van weidevogels.

HHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.24 Instructieregel actuele peilbesluiten

In het peilbesluit worden waterstanden of bandbreedten opgenomen waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. De waterbeheerder is verantwoordelijk voor een (voor alle functies en belangen) zo optimaal mogelijk peilbeheer. Hij/zijHet waterschap bepaalt de optimale waterstand in het peilbesluit aan de hand van een integrale en transparante afweging tussen de functies en alle bij de waterhuishouding betrokken belangen. Bij het nemen van een peilbesluit is de functie van de betrokken oppervlaktewateren van groot belang. In het licht van die functie moet een afweging plaatsvinden van alle bij de waterhuishouding betrokken belangen. Bij de afweging kunnen belangen betrokken zijn die niet primair door de waterbeheerder worden behartigd.

Het peilbesluit moet zijn afgestemd op de aanwezige functies en belangen in het gebied. Om te bepalen of een peilbesluit actueel is, toetst de beheerder periodiek (ambtelijk) of het peilbesluit nog actueel is. Ook kan een belanghebbende het waterschap verzoeken het peilbesluit te herzien.

Inhoudelijke redenen voor herziening van het peilbesluit kunnen zijn:

  • a.

    een structurele wijziging in de grondgebruiksfunctie of een functiewijziging in een gemeentelijk omgevingsplan of provinciale omgevingsvisie;

  • b.

    autonome verandering van maaiveldhoogtede maaiveld-hoogte, vooral in dalingsgevoelige veenbodem;

  • c.

    een verandering in de belangenafweging, mede op verzoek van ingelanden (eigenaar van land binnen een waterschap); of

  • d.

    veranderingen in het (technisch) beheer met gevolgen voor het watersysteem.

IIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.27 Specifieke zorgplicht beheer zwemlocatie

Voor een zwemlocatie moet een houder van een zwemlocatie bekend zijn. Vanuit de zorgplichtgedachte is het bieden van gelegenheid tot baden en zwemmen alleen toegestaan als beheer en onderhoud van een zwemwaterlocatie goed is geregeld. Dit is conform de Nota van Toelichting bij het onderdeel Kwaliteit en beheer van zwemlocaties (artikel 3.2 en verder) van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Houder van een zwemlocatie is iedereen die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden op een aangewezen zwemlocatie.

Voor elke zwemlocatie is een houder van een zwemlocatie bekend. Dit kan een (particuliere) exploitant zijn, maar ook de grondeigenaar of de gemeente. Vanuit de zorgplichtgedachte en conform afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het bieden van gelegenheid tot baden en zwemmen alleen toegestaan als beheer en onderhoud van een zwemwaterlocatie goed geregeld zijn.

Sub Tweede lid, onderdeel a: de provincie wijst een locatie niet aan als een officiële zwemlocatie wanneer een houder van een zwemlocatie onvoldoende maatregelen treftneemt voor een veilige en hygiënische zwemlocatie. Hiertoe voert de houder een risicoanalyse uit en stelt een beheersplan op. RisicoanalyseDe risicoanalyse en het beheerplan zijn vormvrij.

Sub b: Artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving draagt gedeputeerde staten op om ervoor te zorgen dat er jaarlijks een onderzoek gedaan wordt naar de veiligheid van de zwemlocatie. In de provincie Utrecht delegeert de provincie dit onderzoek naar de RUD Utrecht. De RUD Utrecht rapporteert zijn bevindingen namens de provincie aan de houder van een zwemlocatie. Vanaf 1 januari 2026 is er 1 nieuwe omgevingsdienst voor de hele provincie: de ODRU en RUD Utrecht gaan samen verder als Omgevingsdienst Utrecht.

Tweede lid, onderdeel b: Artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving draagt gedeputeerde staten op om ervoor te zorgen dat er jaarlijks een onderzoek gedaan wordt naar de veiligheid van de zwemlocatie. Dit onderzoek wordt uitgevoerd conform de Handreiking fysieke veiligheid zwemmers in oppervlaktewater. In de provincie Utrecht delegeert de provincie dit onderzoek naar de Omgevingsdienst Utrecht. De Omgevingsdienst Utrecht rapporteert diens bevindingen namens de provincie aan de houder van de zwemlocatie. Op basis van deze bevindingen moet de houder van de zwemlocatie indien nodig maatregelen nemen om de veiligheid van de zwemmers en overige bezoekers te waarborgen of te verbeteren.

Sub Tweede lid,onderdeel c: zwemwaterprofielen worden opgesteld door de waterbeheerders van de oppervlaktewateren (Rijkswaterstaat en waterschappen), conform de Handreiking bij het opstellen van een zwemwaterprofiel. Zij identificeren mogelijke bronnen die de kwaliteit van het zwemwater negatief beïnvloeden en stellen maatregelen op die deze kwaliteit kunnen verbeteren. Als deze maatregelen redelijkerwijs tot de verantwoordelijkheid van de houder van de zwemlocatie horen, dan moet de houder deze maatregelen nemen.

Sub Tweede lid, onderdeel d, e en f: de houder van een zwemlocatie treftneemt maatregelen zoals het plaatsen van toiletten, het plaatsen van voldoende prullenbakken en het instellen en handhaven van een verbod voor honden en andere dieren of tot het voeren van vogels.

Voldoende beheer en onderhoud wil zeggen:richt zich op het schoonhouden van toiletten, het legen van prullenbakken, het verwijderen van uitwerpselen van vogels en huisdieren, het verwijderen van glas en ander afval en het egaliseren van de strandzone en maaien van het grasveld.

Bij negatieve effecten op de veiligheid en hygiëne van zwemwater moet gedacht worden aan blauwalg, waterplanten (macrofyten), ratten, dode dieren en dergelijke.

Ook tegen zwemwaterverontreiniging zoals teerachtige residuen, plastic, rubber of ander afval die blijken uit de monitoring van de waterbeheerder naar de kwaliteit van het zwemwater worden maatregelen getroffen.

Sub Tweede lid, onderdeel h: in sub h is vastgelegd dat de houder van een zwemlocatie brengt drijflijnen aanbrengtaan die een veilige zwemzone markeren en een confrontatie met surfers, kanoërs, roeiers en dergelijke voorkomen.

Sub Tweede lid, onderdeel i: hier wordt bedoeld dat de houder van een zwemlocatie moet toestaan dat de provincie of de RUD Utrecht of de Omgevingsdienst Utrecht borden op het terrein aanbrengt.

Tweede lid, onderdeel j: de houder van een zwemlocatie met entreeheffing of betaling voor toestemming om te kunnen zwemmen, zorgt dat er een EHBO- post aanwezig is en houdt voldoende toezicht op de veiligheid van de zwemmers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor gebruikers.

Sub j: de houder van een zwemlocatie met entreeheffing gericht op het gelegenheid geven tot zwemmen houdt voldoende toezicht op de veiligheid van de zwemmers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor gebruikers recreanten. In het algemeen kan worden gesteld worden dat als er sprake is van een vorm van betaling gericht op het gelegenheid geven tot zwemmen, de gebruiker mag verwachten dat er enige voorzieningen aanwezig zijn zoals schone toiletten, en er door de houder van de zwemlocatie in voldoende mate toezicht houdt op de algemene orde onder de gebruikers en de veiligheid van de zwemmer wordt uitgeoefendzwemmers.

Entreeheffing dan welof betaling voor toestemming tot gebruik van de zwemlocatie kan in diverseverschillende vormen plaatsvinden. Het kan zijn dat er bij een ingang naar de zwemlocatie entreegeld betaald moet worden, parkeergeld betaald moet worden voordat entree naar de zwemlocatie mogelijk is, lidmaatschap of abonnement houderschap verplicht gesteld is, betaalddat het gaat om een betaalde bezoeker of gast van bijvoorbeeld een camping, bungalowpark of recreatieverblijf enzenzovoort..

"In voldoende mate' toezicht" uitoefenen op de veiligheid van de zwemmers, doelt zowel op het aantal toezichthouders alsen op de vereiste vaardigheden waarover deze personen moeten beschikken zoals(bijvoorbeeld zwemmend redden en het verlenen van eerste hulp bij ongevallen (EHBO)). Ook hangt "in voldoende mate toezicht" uitoefenen af van de maatregelen die genomen zijn getroffen ten aanzien van gevaarlijke situaties in en rond de zwemlocatie en de aanwezigheid van reddingsmateriaal.

Het toezicht zal bij de zwemlocaties in oppervlaktewater - gezien de vaak aanzienlijke omvang en het grote aantal bezoekers op een zonnige dag - doorgaans niet adequaat kunnen geschieden in die zin dat de veiligheid zou kunnen worden gegarandeerd. Het risico van zwemmen blijft bij deze zwemgelegenheden altijd groter dan bij een badinrichting (zwembad). Toezicht houden op zwemmers moet gericht zijn op het bereiken en behouden van een goed basisbeschermingsniveau. Absolute uitsluiting van risico’s is onmogelijk. Het gaat om weloverwogen beheersing van risico’s op een acceptabel niveau. De betekenis van het voorschrift "in voldoende mate toezicht" verschilt dan ook per zwemlocatie in oppervlaktewater.

Om die reden worden geen gedetailleerde voorschriften gegeven en wordt alleen de eis gesteld dat toezicht in voldoende mate wordt uitgeoefend. Het is de verantwoordelijkheid van de houder van een zwemlocatie dit naar eigen inzicht en ervaring te regelen. Hierbij zal hij vooral rekening moeten houden met weersgesteldheid, drukte en type publiek.

Op momenten van een klein aantal zwemmers kan gewerkt worden met aanduidingen (bv vlag) dat er slechts beperkt toezicht op de zwemmers aanwezig is. Er kunnen dan bijvoorbeeld zogenaamde sociale toezichthouders, zoals parkwachters, boswachters of medewerkers van de terreinbeheerder rond de zwemlocatie aanwezig zijn, die ook toezien op de veiligheid van de zwemmers.

Daarnaast moet de houder van een zwemlocatie ervoor zorgen dat er een EHBO-post aanwezig is en ook in geval van een calamiteit of een ontruiming de veiligheid van de gebruikers recreanten gewaarborgd blijft. Onveilige of onhygiënische situaties moeten zo snel mogelijk worden gemeld via 030 702 33 33 (zwemwatertelefoon) of zwemwater@rudutrecht.nl.

Het toezicht zal bij de zwemlocaties in oppervlaktewater - gezien de vaak aanzienlijke omvang en het grote aantal bezoekers op een zonnige dag - doorgaans niet dusdanig adequaat kunnen geschieden in die zin dat de veiligheid volledig gegarandeerd zou kunnen worden. Het risico van zwemmen blijft bij deze zwemgelegenheden altijd groter dan bij een badinrichting (zwembad). Op momenten van een klein aantal zwemmers kan daarom gewerkt worden met aanduidingen (bijvoorbeeld vlag) dat er slechts beperkt toezicht op de zwemmers aanwezig is. Er kunnen dan bijvoorbeeld zogenaamde sociale toezichthouders (zoals parkwachters, boswachters of medewerkers van de terreinbeheerder) rond de zwemlocatie aanwezig zijn, die ook toezien op de veiligheid van de zwemmers.

Toezicht houden op zwemmers moet gericht zijn op het bereiken en behouden van een goed basisbeschermingsniveau. Absolute uitsluiting van risico’s is onmogelijk. Het gaat om weloverwogen beheersing van risico’s op een acceptabel niveau. De betekenis van het voorschrift "in voldoende mate toezicht" verschilt dan ook per zwemlocatie in oppervlaktewater.

Het is de verantwoordelijkheid van de houder van een zwemlocatie dit naar eigen inzicht en ervaring te regelen. Hierbij zal diegene vooral rekening moeten houden met weersgesteldheid, drukte en type publiek. De houder legt dit vast in een toezichtsplan. Het toezichtsplan is vormvrij, maar bevat in ieder geval de maatregelen die genomen worden om het risico van verdrinking van de gebruikers te beperken, hoe de risico’s van verdrinking van de verschillende gebruikersgroepen beheerst worden en hoe het personeel daarop getraind wordt.

In geval van een calamiteit of een ontruiming zorgt de houder van de zwemlocatie ervoor dat de veiligheid van alle aanwezigen gewaarborgd blijft.

JJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.30 Vergunningplicht woonschip

Eerste lid: Dit betreft het verbod om zonder omgevingsvergunning met een woonschip, maar geen woonark, een ligplaats in te nemen, te ankeren, af te meren of op een andere manier een woonschip in het water te plaatsen of te houden.

Tweede lid: Dit betreft het verbod om bij een woonschip een aanlegplaats en daarbij horende oever- en afmeervoorzieningen te maken of te hebben. Het gaat over voorzieningen als schuurtjes, houthokken, erfscheidingen en de aanlegsteiger en de meerpalen bij het woonschip. Dit verbod geldt niet voor alle woonschepen. Het verbod geldt voor woonschepen die:

  • a.

    illegaal zijn afgemeerd;

  • b.

    ;woonschepen waarvoor een omgevingsvergunning met oeverbeleid geldt en

  • c.

    woonschepen waaraan een voorschrift bedoeld in Artikel 2.32, derde lid, aan de omgevingsvergunning is verbonden.

[Vervallen]

KKKKKKKKKKKKK

Na sectie 2.27 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 2.27a Informeren over ongewoon voorval zwemlocatie in oppervlaktewater

Een onverwachte situatie of een ongewoon voorval is een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, defecten, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van zwemmers ontstaat. Voorbeelden bij het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden zijn (bijna)verdrinking of het in of rondom de zwemlocatie oplopen van ernstig letsel.

Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een onverwachte situatie of een ongewoon voorval moet de houder van de zwemlocatie het bevoegd gezag direct informeren; vertraging is gezien de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de gebruikers niet wenselijk. Dit wordt zo snel mogelijk gemeld via 030-702 33 33 (zwemwatertelefoon) of het meldingsformulier, waarbij wordt gekozen voor de snelste methode. Ook het waterschap wordt op de hoogte gesteld, in verband met mogelijke gevolgen voor de waterkwaliteit.



Artikel 2.27b Benodigde gegevens over ongewoon voorval zwemlocatie in oppervlaktewater

-

LLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.28 Oogmerk woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats

In deze Deze paragraaf wordenbevat regels gesteld ten aanzien vanvoor de bescherming van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden (hierna: LNCA-waarden) in de provincie. Bij het verloren gaan van deze waarden moet niet alleen gedacht worden aan grootschalige ingrepen en/of vormen van aantasting. Het gaat juist vooral om kleinschalige vormen van aantasting. Door het grotergrotere aantal en de hogere frequentie levert dat een sluipend maar daarom niet minder bedreigend, proces op. Zeker als het gaat om vele kleine onomkeerbare aantastingen.

MMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.29 Toepassingsbereik woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten met woonschepen, vaartuigen, andere drijvende voorwerpen, havens en aanlegplaatsen in het Gebied ligplaatsen.

Als de grens van het toepassingsbereikGebied ligplaatsen gelijk is aan de grens tussen land en water kan het voorkomen dat een woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven of aanlegplaats net buiten die grenshet Gebied ligplaatsen ligt, maar dat de oever of kade waaraan ze liggen binnen die grensin het Gebied ligplaatsen ligt. De ligginglocatie van de oever is in dat geval bepalend. In het hierboven omschreven geval geldt dat hetHet woonschip, vaartuig of ander drijvend voorwerp evenalsen de haven of aanlegplaats vallen in dit geval onder het toepassingsbereik valt. Als de oever of kade waaraan ze liggen zich buiten de aangegeven grens bevindthet Gebied ligplaatsen ligt, geldt dat ook het woonschip, het vaartuig, het ander drijvend voorwerp, de haven of de aanlegplaats niet onder het toepassingsbereik valt. Bij de provinciegrens kunnen woonschepen, vaartuigen, andere drijvende voorwerpen, havens en aanlegplaatsen in de ene provincie liggen, terwijl de oever of kade waaraan zij zich bevinden zich in eende andere provincie bevindenligt. In die gevallendat geval vormt de provinciegrens een harde grens. Voor het woonschip, het vaartuig, het ander drijvend voorwerp, de haven of de aanlegplaats geldt de regelgeving van de provincie waar hetdeze zich bevindt. Daarom is deze paragraaf niet van toepassing op woonschepen, vaartuigen, andere drijvende voorwerpen, havens of aanlegplaatsen die zich geheel buiten de provinciegrens bevinden, ook niet als de bijbehorende oever of kade geheel of gedeeltelijk binnen de provinciegrens ligt. Deze benadering van de provinciegrens geldt ook ten aanzien vanvoor de grenzen van het uitgezonderde gedeelte van Stichtse Groenlanden en Plassenschap Loosdrecht.

NNNNNNNNNNNNN

Na sectie 2.3.2.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.30 Vergunningplicht woonschip

Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een woonschip een ligplaats in te nemen, te ankeren, af te meren of op een andere manier een woonschip in het water te plaatsen of te houden, tenzij een vrijstelling uit Artikel 2.31 of Artikel 2.31a van toepassing is.

Ligt de planlocatie in het Beperkingengebied vaarweg, dan kan voor het woonschip in artikel 2.30 ook een vergunningplicht van toepassing zijn op basis van Artikel 4.59 (activiteit in beperkingengebied vaarweg).

OOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.31 Vrijstelling vergunningplicht woonschip

Deze vrijstelling is niet van toepassing op woonschepen waarvoor een omgevingsvergunning geldt met type- of oeverbeleid. Dit beleid vindt zijn basis in Artikel 2.32, vierde lid. Het typebeleid houdt in dat er op bepaalde ligplaatsen alleen van oudsher varende woonschepen mogen afmeren. Het oeverbeleid houdt in dat er bij bepaalde ligplaatsen (bijvoorbeeld in de uiterwaarden van een rivier) minimale oevervoorzieningen gemaakt mogen worden. De oever moet daar vrij blijven. Het afmeerverbod voor woonschepen geldt op grond van dit artikel niet voor woonschepen die als zodanig in een omgevingsplan zijn aangewezen wanneer dat omgevingsplan voldoet aan Artikel 9.6 of wanneer deze woonschepen voldoen aan de maximale maatvoering, bedoeld in Artikel 2.32, eerste lid, onder b en c. Buiten het afmeerverbod valt op grond van dit artikel ook een woonschip dat in een jachthaven of bedrijfshaven in gebruik is als verenigingsaccommodatie.

Tweede lid: De vrijstelling van de vergunningplicht is niet mogelijk op de volgende locaties:

a. locaties waarop alleen een bepaald type waterwoning toegestaan is;

b. locaties waarvan de aanlegplaats op de oever alleen minimale oevervoorzieningen mag hebben. In verleende ontheffingen en omgevingsvergunningen voor deze locaties is dit als voorschrift opgenomen. De provincie Utrecht werkt aan een kaart waarop deze locaties aangegeven zullen worden. Tot die tijd is inzicht te krijgen in deze locaties door contact op te nemen met het team Vergunningverlening Natuur en Landschap van de provincie Utrecht.

PPPPPPPPPPPPP

Na sectie 2.31 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.31a Vrijstelling vergunningplicht woonschip bij gebruik als verenigingsaccommodatie

-

QQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.32 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning woonschip

Eerste lid, onder a: dit onderdeel benoemt de 2 mogelijkheden op basis waarvan een omgevingsvergunning kan worden verleend. In alle overige gevallen is het verlenen van een omgevingsvergunning buiten deze ligplaatsen niet mogelijk. Hiermee wordt verzekerd dat nieuwe woonschepenligplaatsen alleen daar komen te liggen waar het planologisch verantwoord is. In het geval nieuwe ligplaatsen noodzakelijk zijn, maakt de provincie daar in samenwerking met de gemeenten een plan voor.

Eerste lid, onder a:er zijn 2 mogelijkheden op basis waarvan in het Gebied ligplaatsen een omgevingsvergunning voor een woonschip kan worden verleend: of de ligplaats is aangewezen in een omgevingsplan, of voor de ligplaats gold al een provinciale teostemming. In alle andere gevallen is Gebied ligplaatsen het verlenen van een omgevingsvergunning voor een woonschip niet mogelijk.

Eerste lid, onder b: in dit onderdeel staan de maximale afmetingen voormaten van een woonschip genoemd. Welke lengtemaat binnen het maximum van 30 meter mogelijk is, hangt af van een beoordeling vanworden aan de authenticiteitbuitenkant van het woonschip. Bij deze beoordeling wordt gekeken naar in hoeverre het traditioneel historisch uiterlijk is behouden, en naarschip gemeten op de omgeving (landschap en cultuurhistorie) en de fysieke ligplaatsomstandighedenplaatsen waar ze het grootst zijn. Vaak is vervanging mogelijk binnen hetzelfde scheepstype. Vervanging van dit scheepstype doorAls er tuinkasten, windschermen, serres en dergelijke aanwezig zijn die zorgen voor een woonark is meestal niet mogelijk. Gezien het oogmerk vanvisuele belemmering, horen deze afdeling zijn er geen eisen gesteld aanbij de diepgang van het woonschip.uitwendige meting. Deze objecten vormen dan de grootste maat. Om te zorgen voor een verbetering van het uiterlijkbehoud van het landschap is onder c opgenomen dat dede landschappelijke waarden moet de onderlinge afstand tussen woonschepen minimaal 5 meter moet zijn. DitDeze afstand heeft vooral invloed op de maximale lengtemaat van woonschepen die in een lint liggen. Als deze afstand aan beide zijden van het woonschip kleiner is dan 5 meter, dan is vergroting van de lengtemaat uitgesloten. De bestaande maat van het woonschip is dan de maximale lengtemaat, op. Onder de voorwaarde dat deze kleiner of gelijk is aan 30 meter. Als het woonschip verkort is, dan wordt deze lengte blijvend toegerekend aan het verkorte woonschip. Dit betekent dat de ingeleverde lengte wordt toegevoegd aan de tussenmaat van minimaal 5 meter. Voor ligplaatsen in de uiterwaarden van een rivier voert de provincie een type- en oeverbeleid. Dat betekent dat daar alleen maar woonschepen mogen afmeren die het uiterlijk van een varend voormalig binnenvaartschip met historische waarde hebben. Bij deze ligplaatsen mogen minimale oevervoorzieningen op de oever gemaakt worden.

Gezien het oogmerk van deze paragraaf (genoemd in Artikel 2.28) zijn er geen eisen gesteld aan de diepgang van het woonschip.

Eerste lid, onder c: de ruimte tussen de woonschepen onderling wordt gemeten tussen de casco’s op het punt waar zijdeze het grootst zijn. De maten van een woonschip worden aan de buitenkant van het schip gemeten op de plaatsen waar ze het grootst zijn. Als er tuinkasten, windschermen, serres en dergelijke aanwezig zijn die zorgen voor een visuele belemmering, behoren deze bij de uitwendige meting. Deze objecten vormen dan de grootste maat.

Tweede lid: dit lid biedt de mogelijkheid in bijzondere gevallen af te wijken van het eerste lid van dit artikel. In sommige situaties is maatwerk denkbaar, of is het wenselijk om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Het uitgangspunt is dat de afwijking van de regel een aantoonbare meerwaarde oplevert voor de te beschermen belangen oplevert, genoemd in Artikel 2.28, of dat deze belangen door de nieuwe ontwikkelingen niet meer ontoelaatbaar worden geschaadgeschaad worden. Te denken valt aan woonschepen met historische waarde met een afwijkende lengtemaat.

Derde lid: dit lid formaliseert het uitsterfbeleid, zoals dat nu in een aantal omgevingsvergunningen op verschillende manieren is opgenomen. Het artikel benadrukt dat, wanneer het uitsterfbeleid is verbonden aan een omgevingsvergunning, deze omgevingsvergunning niet overdraagbaar is op een ander woonschip of een andere houder, of dat de omgevingsvergunning van tijdelijke aard is.

Vierde lid: dit lid geeft gedeputeerde staten de bevoegdheid om typebeleid of oeverbeleid op te nemen in een omgevingsvergunning.

Derde lid, onderdeel i: dit lid formaliseert het uitsterfbeleid, zoals dat nu in een aantal provinciale toestemmingen opgenomen is.

Derde lid, onderdeel ii. en iii: op bepaalde locaties mogen alleen woonschepen afmeren van een bepaald type (bijvoorbeeld alleen woonschepen met het uiterlijk van een varend voormalig binnenvaartschip met historische waarde). Of er mogen alleen minimale oevervoorzieningen op de oever gemaakt worden. De oever moet daar zo veel mogelijk vrij blijven.

Vijfde lid: aanvragen voor omgevingsvergunningen worden voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, aan het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of aan een andere toepasselijke waterbeheerder, zodat zij deze aanvragen van adviesover de aanvraag kunnen voorzienadviseren. Dit gebeurt niet bij eenvoudige aanvragen, zoals een aanvraag voorverzoek tot wijzigen van de verleende omgevingsvergunning vanwege eigendomsoverdracht of verlengingsaanvrageneen verzoek tot verlenging van een verleende omgevingsvergunning.

RRRRRRRRRRRRR

Na sectie 2.34 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.34a Verbod aanlegplaats bij woonschip

Het gaat hierbij om voorzieningen als schuurtjes, houthokken, erfscheidingen en de aanlegsteiger en de meerpalen bij het woonschip.

SSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.36 Verbod voorwerp in en op het water

Dit verbod is van toepassing op alle voorwerpen die niet als woonschip of woonark zijn aan te merken en die op welke manier dan ook in, op of vlak boven het water zijn of worden geplaatst. Tenzij het is toegelaten op grond van de vrijstellingen in Artikel 2.36a. Voorbeelden van voorwerpen in, op of boven het water zijn vaartuigen, pontons, boatsavers, bootliften, boottakels, vlonders en drijvende terrassenvlonders. Boothuizen, die per definitie in de bodem gefundeerd zijn, vallen er niet onder en pontjes vallen er niet onder. Een boothuis is een overdekte ligplaats of opslagplaats (geen boatsaver) voor een of meer vaartuigen. Onder het verbod valt ook het bouwen ofen het slopen van vaartuigen of voorwerpen in ofen op het water en de overblijfselen daarvan.

TTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.36a Vrijstelling verbod voorwerp in en op het water

Onderdeel a: het verbod is niet van toepassing op plaatsen aangegeven met verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1. Dit zijn de blauwe borden die de locaties aangeven waar toestemming is om ligplaats te nemen en/of te ankeren. Als genoemde verkeerstekens niet zijn geplaatst, maar als de overheid op een andere manier openbare aanlegplaatsen heeft aangemerkt waar passanten tijdelijk vaartuigen of drijvende voorwerpen mogen aanleggen, dan wordt dat gerespecteerd.

Onderdeel a: als deze verkeerstekens niet geplaatst zijn, maar als de overheid op een andere manier openbare aanlegplaatsen heeft aangemerkt waar passanten tijdelijk vaartuigen en drijvende voorwerpen mogen aanleggen, dan wordt dat gerespecteerd.

Onderdeel b : bij waterscoutinglocaties gaat het nadrukkelijk om de vaartuigen en voorwerpen die bij de waterscouts in gebruik zijn. Het gaat niet om andere, willekeurige vaartuigen en voorwerpen.

Onderdeel c : het gaat hier om de vaartuigen en drijvende voorwerpen die worden ingezet worden om bedrijfsmiddelen via het water naar een locatie of werk te vervoeren en daarom tijdelijk voor laden en lossen worden afgemeerd. Een situatie waarin dit voorkomt, is bijvoorbeeld bij de aanvoer van zand voor een terreinophoging. Deze uitzondering heeftgaat dus geen betrekking opniet over het vervoervervoeren en afleveren van mensen in bijvoorbeeld rondvaartboten. Het gaat alleen om bedrijfsmiddelen (materieel en materialen).

Onderdeel d: dit omschrijft de uitzondering voor deze vrijstelling van het verbod is van toepassing op 1 open vaartuig met een lengtemaat van maximaal 7 meter, zonder stuur-stuurhut of slaaphut, zonder kajuit en zonder andere overdekte verblijfsruimteverblijfsruimten, dat afgemeerd is bij een erf. Het gaat hier dus ook om overdekkingen die aan een of meerdere zijden open zijn. Om een opeenhoping van afgemeerde vaartuigen te voorkomen, mag deze vrijstelling niet cumulerengecombineerd worden met diede vrijstelling uit onderdeel e.

Onderdeel e : in de praktijk is gebleken dat er behoefte is om naast de vrijstelling in onderdeel d, die primair bedoeld is voor vaartuigen die in de lengterichting van het vaarwater zijn afgemeerd, ook een regeling te treffen voor vaartuigen in insteekhavens. Om praktische redenen is deze vrijstelling gekoppeld aan een omgevingsvergunning voor insteekhavens. De vrijstelling geldt ook voor een eventueel in de insteekhaven aanwezige boatsaver. Een in een insteekhaven passende boatsaver heeft weinig impact op de openheid van het omringende landschap. Dit is anders wanneer de boatsaver afgemeerd ligt aan de oever die naar het vaarwater gekeerd ligt. Het verbod voor deze situaties blijft daarom gelden. Om een opeenhoping van afgemeerde vaartuigen te voorkomen, mag deze vrijstelling niet cumuleren met die uit onderdeel d.

Onderdeel e : deze vrijstelling is gekoppeld aan een omgevingsvergunning voor een insteekhaven. Deze vrijstelling geldt ook voor een boatsaver die in de insteekhaven past. De boatsaver heeft dan namelijk weinig impact op de openheid van het omringende landschap omdat de boatsaver zich niet in de vaarweg bevindt. Om een opeenhoping van afgemeerde vaartuigen te voorkomen, mag deze vrijstelling niet gecombineerd worden met de vrijstelling uit onderdeel d.

Onderdeel f : hierin in onderdeel d. en e. is een vrijstelling opgenomen voor het permanent afmeren van 1 vaartuig. Door dezede vrijstelling in onderdeel f. mag daarnaast ooktegelijkertijd tijdelijk een ander vaartuig afgemeerd worden, maar alleen tijdens het recreatieseizoen en alleen om het in- ofinpakken, uitpakken, dan welen vaarklaar maken van dat vaartuig mogelijk te maken.

Onderdeel g : het afmeren van vaartuigen, ook bij een horecagelegenheid, valt onder het afmeerverbod. Het is echter niet de bedoeling om het kortstondig afmeren van partyschepen ofen recreatievaartuigen bij een horecagelegenheid onmogelijk te maken. Er zijn geen zwaarwegende landschappelijke bezwaren tegen het afmeren voor het in-instappen en uitstappen bij horecagelegenheden. Om die reden is deze vrijstellingsbepalingvrijstelling opgenomen. De vrijstelling geldt alleen als het om een horecagelegenheid betreftgaat die aangewezen is in het omgevingsplan die functie heeft gekregen.

Onderdeel h : historische vaartuigen horen bij het Nederlandse landschap en zijn onderdeel van het cultuurhistorisch erfgoed. Historische vaartuigen en hun ligplaatsen kunnen deel uitmaken van het totale samenspel van water, natuur en landschap. Dit is in het bijzonder het geval wanneer historische vaartuigen niet meer weg te denken zijn en door de tijd heen onderdeel van de omgeving zijn gewordengeworden zijn. Cultuurhistorische waarden vallen onder de waarden die deze paragraaf beoogt te beschermen. Het zou daarom niet overeenkomen met de doelstellingen van deze paragraaf om het afmeerverbod voor vaartuigen zonder meer op historische vaartuigen toe te passen. Daarom is er voor deze categorie vaartuigen een vrijstelling opgenomen. Om discussie over het begrip historisch vaartuig te vermijden is aansluiting gezocht bij het register van de Federatie Varend Erfgoed NederlandRegister Varend Erfgoed Nederland. Dit register bevat zowel varend erfgoed, varende monumenten als historische casco’s. Om te voorkomen dat wel ingeschreven, maar vervolgens volledig verwaarloosd varend erfgoed, varende monumenten en vergane casco’s van de vrijstelling gebruik kunnen maken, moeten deze goed onderhouden te zijn.

Daarnaast is de vrijstelling alleen van toepassing op aanlegplaatsen die speciaal voor deze vaartuigen zijn aangewezen zijn in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat historische vaartuigen op een willekeurige plek afmeren. Het wordt aan de betreffende gemeente overgelaten om ligplaatsen aan te wijzen voor geregistreerde historische vaartuigen. De gemeente mag dit doen zonder nadere beperkingen, zolang zijde gemeente zich aan de wettelijke regelingen houdt.

UUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.37 Vergunningplicht vaartuig en vergunningplicht boatsaver

Vaartuigen en boatsavers op bepaalde locaties kunnen - net als de woonschepen, havens en aanlegplaatsen - de door deze paragraaf te beschermen belangen aantasten. Als er ruimte is om een omgevingsvergunning te verlenen, kan door middel van de daarin opgenomen voorschriften de inpassing in het landschap worden geregeld.

Onderdeel a: Een omgevingsvergunning voor het bij een erf afmeren van 1 gesloten vaartuig of vaartuig met een lengte groter dan 7 meter wordt in beginsel alleen verleend als:

  • er sprake is van een vaartuig dat als varend monument of varend erfgoed staat ingeschreven bij het Register Varend Erfgoed Nederland. Het vaartuig vormt in dat geval een meerwaarde voor de ter plaatse aanwezige en door deze afdeling te beschermen landschappelijke en cultuurhistorische waarden of;

  • er op de desbetreffende locatie geen sprake is van de aanwezigheid van landschappelijke waarden.

De vrijstelling uit dit onderdeel voor het bij een erf afmeren van 1 open vaartuig met een lengte van maximaal 7 meter geeft de grens aan van wat landschappelijk aanvaardbaar is.

Onderdeel b: Een omgevingsvergunning voor een boatsaver wordt in beginsel alleen verleend als sprake is van een boatsaver in een natuurlijke inham op eigen terrein.

Vaartuigen op bepaalde locaties kunnen waarden aantasten die regls in deze paragraaf beogen te beschermen. Als er ruimte is om een omgevingsvergunning te verlenen, kan door middel van vergunningvoorschriften de inpassing in het landschap geregeld worden.

Ligt de planlocatie in het Beperkingengebied vaarweg, dan kan voor het vaartuig in Artikel 2.37 ook een vergunningplicht van toepassing zijn op basis van Artikel 4.59 (activiteit in beperkingengebied vaarweg).

VVVVVVVVVVVVV

Na sectie 2.37 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.37a Vergunningplicht boatsaver

Boatsavers op bepaalde locaties kunnen de waarden aantasten die de regels in deze paragraaf beogen te beschermen. Als er ruimte is om een omgevingsvergunning te verlenen, kan door middel van vergunningvoorschriften de inpassing in het landschap geregeld worden.

Ligt de planlocatie in het Beperkingengebied vaarweg, dan kan voor de boatsaver in Artikel 2.37a ook een vergunningplicht van toepassing zijn op basis van Artikel 4.59 (activiteit in beperkingengebied vaarweg).

WWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.38 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning partyschipvaartuig

Diverse restaurants hebben een vaartuig (partyschip) dat gebruikt wordt bij feesten en partijen afgemeerd bij het restaurant. Dit past in het (ook provinciale) streven naar een grote diversiteit aan recreatief-toeristische voorzieningen. Landschappelijk gezien is er geen groot bezwaar tegen het permanent afmeren van maximaal 1 partyschip tot een bepaalde grootte, omdat er een functionele binding is met het gebouw waarbij het hoort (de horecagelegenheid). Daarom maakt dit artikel mogelijk dat er een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.37 kan worden verleend voor maximaal 1 partyschip bij een, als zodanig in het omgevingsplan aangewezen, horecagelegenheid. Voorwaarde hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan, op basis waarvan zowel het partyschip als de aanlegplaats door gedeputeerde staten op landschappelijke aspecten positief worden beoordeeld.

Eerste lid: een omgevingsvergunning voor het afmeren van 1 gesloten vaartuig of een vaartuig met een lengte groter dan 7 meter wordt alleen verleend als:

  • dit gebeurt bij een erf; en

  • er sprake is van een vaartuig dat als varend monument of varend erfgoed staat ingeschreven in het Register Varend Erfgoed Nederland. Het vaartuig vormt in dat geval een meerwaarde voor de aanwezige en door deze paragraaf te beschermen landschappelijke en cultuurhistorische waarden; of

  • er op die locatie geen sprake is van de aanwezigheid van landschappelijke waarden.

Tweede lid: landschappelijk gezien is er geen groot bezwaar tegen het afmeren bij een horecagelegenheid van maximaal 1 partyschip, mits het partyschip een bepaalde grootte heeft,een duidelijke binding heeft met deze horecagelegenheid en het partyschip en de bijbehorende aanlegplaats landschappelijk inpasbaar zijn. Daarom maakt het artikel mogelijk dat er een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.37 verleend kan worden voor maximaal 1 partyschip bij een, als zodanig in het omgevingsplan aangewezen, horecagelegenheid. In de vergunningaanvraag moet een landschappelijk inpassingsplan, opgenomen worden waarin beschreven wordt wat het effect is van het partyschip en de bijbehorende aanlegplaats op landschappelijke waarden.

Het kan zijn dat voor de aanlegplaats voor het partyschip een vergunning op grond van Artikel 2.41 nodig is. Daarvoor kan hetzelfde landschappelijk inpassingsplan gebruikt worden.

XXXXXXXXXXXXX

Na sectie 2.38 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.38a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning boatsaver

-

YYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.39 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning vaartuig en omgevingsvergunning boatsaver

-

Onderdeel g: in een landschappelijk inpassingsplan wordt beschreven wat het effect is van het partyschip en de bijbehorende aanlegplaats op de landschappelijke waarden.

Onderdeel h: bijvoorbeeld eigen erf, oeverzone tussen vaarweg en weg, oeverland

ZZZZZZZZZZZZZ

Na sectie 2.39 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.39a Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning boatsaver

Onderdeel e: bijvoorbeeld eigen erf, oeverzone tussen vaarweg en weg, oeverland.

AAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.41 Vergunningplicht haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp

Havens en aanlegplaatsen op bepaalde locaties kunnen -net als de woonschepen, vaartuigen en voorwerpen zelf- de door deze paragraaf te beschermen belangen aantasten. Als er ruimte is om een omgevingsvergunning te verlenen, kan door middel van de daarin opgenomen voorschriften de inpassing in het landschap worden geregeld. In dit verbod worden de voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de aanleg van havens en aanleg- en ligplaatsen aan elkaar gekoppeld. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een vissteiger, remmingswerk of pontje onder het verbod valt. Voorzieningen die op een bepaalde locatie in het water worden geplaatst of daarin al aanwezig zijn, kunnen ook de door deze paragraaf te beschermen waarden aantasten. Als op een bepaalde locatie een omgevingsvergunning voor een bepaald type woonschip, vaartuig of voorwerp is verleend, moet er gelijktijdig de mogelijkheid zijn om onder voorwaarden een omgevingsvergunning te kunnen verlenen voor de inrichting en het hebben van de aanlegplaats, en het maken en hebben van de daarbij behorende voorzieningen. Afhankelijk van de waarden van het gebied kan het treffen van voorzieningen op de oever tot een minimum worden beperkt.

Havens en aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen (zoals steigers, meerpalen en vlonders) kunnen de waarden aantasten die de regels in deze paragraaf beogen te beschermen. Als er ruimte is om een omgevingsvergunning te verlenen, kan door middel van vergunningvoorschriften de inpassing in het landschap geregeld worden.

In deze vergunningplicht worden de voorzieningen die noodzakelijk zijn voor havens en aanlegplaatsen aan elkaar gekoppeld. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een vissteiger, remmingswerk of pontje onder de vergunningplicht valt.

Als op een bepaalde locatie een omgevingsvergunning voor een woonschip, vaartuig of voorwerp verleend is, moet er tegelijk de mogelijkheid zijn om onder voorwaarden een omgevingsvergunning te kunnen verlenen voor een haven of aanlegplaats, en het maken en hebben van de daarmee verband houdende voorzieningen.

De vergunningplicht geldt tenzij de activiteit is toegelaten op grond van een vrijstelling uit Artikel 2.42.

Ligt de planlocatie in het Beperkingengebied vaarweg, dan kan voor de haven of aanlegplaats in Artikel 2.42 ook een vergunningplicht van toepassing zijn op basis van Artikel 4.59 (activiteit in beperkingengebied vaarweg).





BBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.42 Vrijstelling verbod haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp

Onderdeel a: bij waterscoutinglocaties gaat het nadrukkelijk om dehavens en aanlegplaatsen en de voorzieningen die daarmee verband houdende voorzieningen diehouden en bij de waterscouts in gebruik zijn. Het gaat niet om andere, willekeurige havens en aanlegplaatsen en de daarmee verband houdende voorzieningen.

Onderdeel b: dit onderdeel maakt het mogelijk om aan een erf, 1 aanlegsteiger met maximaal 2 meerpalen te bouwen. Aanlegsteigers aanlegsteigers moeten in ofen boven water aan bepaalde afmetingsvoorschriftenmaximale afmetingen voldoen om te voorkomen dat zij een te grote inbreuk maken op de doorwaarden die de regels in deze paragraaf beogen te beschermen waarden. Om te voorkomen dat verschillende overheden verschillende afmetingsvoorschriftenmaximale afmetingen voor aanlegsteigers hanteren, is aansluiting gezocht bij de voorschriftenmaximale afmetingen die de meeste water-waterbeheerders of vaarwegbeheerders hanteren.

CCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.43 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning insteekhaven

Er is in de praktijk behoefte ontstaan aan duidelijke regels voor insteekhavens. Dit zijn aanlegplaatsen achter de beschoeiing van het vaarwegprofiel. Het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid (meestal een waterschap) stelt voorwaarden waar insteekhavens aan moeten voldoen op het gebied van bijvoorbeeld de veiligheid van primaire waterkeringen. Maar ze stellen geen voorwaarden op ter bescherming van de landschappelijke waarden. Bij deze landschappelijke waarden gaat het vooral om de ligging van de insteekhaven: in de lengterichting van de vaarweg of dwars erop. Dit is belangrijk voor de landschappelijke aansluiting met de ‘verkavelingsrichting’ van het achterliggende landschap, bestaande uit sloten, waterwegen en erfgrenzen. Insteekhavens in de lengterichting van de watergang zijn daarom alleen toegestaan wanneer het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid aangeeft dat vanwege waterveiligheid, een insteekhaven dwars op de vaarweg op die locatie niet mogelijk is. Vanzelfsprekend moet dit worden gemotiveerd. Gedeputeerde staten betrekken die motivering bij hun besluit om wel of niet een insteekhaven in de lengterichting toe te staan. Daarnaast is het wenselijk maximale maten voor insteekhavens vast te leggen, omdat er nu soms enorme ‘gaten’ in de oever worden gegraven. Deze voorschriften scheppen meer duidelijkheid en zijn, waar mogelijk, afgestemd met de verschillende bevoegde instanties op het gebied van waterveiligheid. In de gevallen dat het voor het uiterlijk van het landschap beter is om de insteekhaven niet loodrecht, maar iets schuin op de waterweg aan te leggen, is op grond van het tweede lid een kleine afwijking van de maatvoering toegestaan. Als vastgehouden zou worden aan de grens van 8 meter voor de lange schuine kant, zou dat voor de korte schuine kant betekenen dat deze korter zal zijn dan de toegestane 8 meter. Dat zou betekenen dat een vaartuig met een lengte van maximaal 7 meter, waarvoor volgens deze verordening een vrijstelling geldt, niet in de insteekhaven afgemeerd kan worden. Daarom is voor deze situatie een geringe afwijking toegestaan, waarvan de grootte bepaald wordt door het uitgangspunt dat een vaartuig met een lengte van maximaal 7 meter geheel in de haven moet passen.

Eerste lid: het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid (meestal een waterschap) stelt voorwaarden waaraan insteekhavens moeten voldoen maar stellen geen voorwaarden op het gebied van bescherming van de landschappelijke waarden. Bij deze landschappelijke waarden gaat het vooral om de ligging van de insteekhaven: in de lengterichting van de vaarweg of dwars op de vaarweg. Dit is belangrijk voor de landschappelijke aansluiting met de ‘verkavelingsrichting’ van het achterliggende landschap, dat vaak bestaat uit sloten, waterwegen en erfgrenzen. Insteekhavens in de lengterichting van de vaarweg zijn daarom alleen toegestaan wanneer het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid aangeeft - dat vanwege waterveiligheid-, een insteekhaven dwars op de vaarweg op die locatie niet mogelijk is. Vanzelfsprekend moet dit gemotiveerd worden. Gedeputeerde staten betrekken deze motivering bij hun besluit om wel of niet een insteekhaven in de lengterichting toe te staan. Daarnaast is het wenselijk om maximale afmetingen voor insteekhavens vast te leggen, omdat er nu soms enorme ‘gaten’ in de oever gegraven worden. Deze maximale afmetingen scheppen meer duidelijkheid en zijn afgestemd met de verschillende bevoegde instanties op het gebied van waterveiligheid.

Tweede lid: in de gevallen dat het voor het uiterlijk van het landschap beter is om de insteekhaven niet loodrecht, maar iets schuin op de vaarweg aan te leggen, is op grond van het tweede lid een kleine afwijking van de maatvoering toegestaan. Als namelijk vastgehouden zou worden aan de maximale afmeting van 8 meter voor de lange schuine kant, zou dat voor de korte schuine kant betekenen dat deze korter zal zijn dan de toegestane 8 meter. Daarom is voor deze situatie een geringe afwijking toegestaan.

DDDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.3.3 Activiteiten Oppervlaktewaterlichaam dempen van oppervlaktewaterlichaam

EEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.45 Oogmerk dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

In deze Deze paragraaf wordenbevat regels gesteld overvoor de bescherming van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden (hierna: LNCA-waarden) in de provincie. Bij het verloren gaan van deze waarden moet niet alleen gedacht worden aan grootschalige ingrepen en/of vormen van aantasting. Het gaat juist vooral om kleinschalige vormen van aantasting. Door het grotergrotere aantal en de hogere frequentie levert dat een sluipend maar daarom niet minder bedreigend proces op. Zeker als het gaat om vele kleine onomkeerbare aantastingen.

FFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.46 Toepassingsbereik dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

Deze paragraaf is van toepassing op het in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam geheel of gedeeltelijk dempen van (drooggevallen) oppervlaktewaterlichamen, waarbij geheel of gedeeltelijk dempen ook het ondieper maken van oppervlaktewaterlichamen omvat. Een oppervlaktewaterlichaam kan ook een beschermd klein landschapselement zijn en dan is voor het dempen daarvan (ook) een melding in de zin van Artikel 6.25 vereist. Dat geldt ook buiten het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam en als er sprake is van een ontgrondingsactiviteit in de zin van het tweede lid van dit artikel.

Deze paragraaf is van toepassing op het in het geheel of gedeeltelijk dempen van een (drooggevallen) oppervlaktewaterlichaam in het Gebied dempen oppervlaktelichaam. Hieronder valt ook het ondieper maken van een oppervlaktewaterlichaam. Een oppervlaktewaterlichaam kan ook een beschermd klein landschapselement zijn. Is dit het geval dan moet voor het dempen daarvan (ook) een melding in de zin van Artikel 6.25 ingediend worden. Dat geldt ook buiten het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam, namelijk in het Gebied beschermd klein landschapselement.

GGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.47 Specifieke zorgplicht dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

De specifieke zorgplicht is van toepassing op activiteiten die onder algemene regels vallen. De zorgplicht zet de belangen, zoals omschreven in Artikel 2.45, om naar een algemene gedragsnorm voor de gebruikers van het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam. De zorgplicht is een algemene regel met een zeer algemene strekking. De algemene regels zijn een verdere uitwerking van de zorgplicht. De zorgplicht geldt als algemeen kader voor de activiteiten en is een vangnet voor de handhaving. Bij overtreding van een zorgplichtbepaling kan direct gehandhaafd worden wanneer er sprake is van een duidelijke overtreding.

HHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.48 Vergunningplicht dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

Het uitgangspunt van dit artikel is een compleet verbod op het zonder omgevingsvergunning in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam geheel ofen gedeeltelijk dempen ofen ondieper maken van een (drooggevallen) oppervlaktewaterlichamenoppervlaktewaterlichaam, tenzij de activiteithet dempen is toegelaten op grond van de vrijstellingen in Artikel 2.49 en, Artikel 2.49aof Artikel 2.50. Het verbodDe vergunningplicht geldt ook voor de eigenaar, gebruiker, huurder of pachter van de grond waarop deze activiteiten plaatsvindende demping plaatsvindt of hebben plaatsgevondenplaatsgevonden heeft, al dan niet gedoogd.

IIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.48a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaam

De belangenafweging is dwingend van karakter en biedt geen ruimte om rekening te houden met andere belangen dan de belangen genoemd in Artikel 2.45.

-

JJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.49 Vrijstelling vergunningplicht oppervlaktelichaam dempen bij werkenwerkzaamheden

Binnen deze vrijstelling vallen naast de peilscheidingen van het waterschap ook de aanleg en het onderhoud van infrastructurele openbare werken, zoals: spoor-, water- en (snel)wegen, bruggen, havens en luchtvaartterreinen. Maar ook werken van groot maatschappelijk belang, zoals: geluidwallen en dijken. En het dempen ten behoeve van nieuwbouw, onderhoud of herstel van bijvoorbeeld een huis of een schuur op een in een omgevingsplan aangewezen bouwperceel. De activiteiten duren niet langer dan noodzakelijk en voorwaarde bij infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang is dat de benodigde vergunningen zijn verleend of het werk planologisch is toegestaan.

Onder infrastructurele openbare werken vallen bijvoorbeeld: spoorwegen, waterwegen en (snel)wegen, bruggen, havens en luchtvaartterreinen. Onder werken van groot maatschappelijk belang vallen bijvoorbeeld: geluidwallen en dijken.

Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

KKKKKKKKKKKKKK

Na sectie 2.49 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.49a Vrijstelling vergunningplicht oppervlaktewaterlichaam dempen bij werkzaamheden op aangewezen bouwperceel

-

LLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.50 Vrijstelling vergunningplicht oppervlaktewaterlichaam dempen bij aanleg verbindingen tussen agrarische percelen

Het komt regelmatig voor dat een dam met duiker wordt aangelegd tussen agrarische weide- of akkerpercelen, om de toegang tot die percelen te verbeteren. De aanleg van deze dammen is onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld. Die voorwaarden hebben vooral betrekking op de afmetingen van die dammen en de aanwezigheid van een duiker. Bij het niet dusdanig veel verbindingen hebben of aanbrengen dat dit een onaanvaardbare aantasting oplevert van de belangen, bedoeld in Artikel 2.45, kan worden gedacht aan maximaal 1 verbinding per agrarisch weide- of akkerperceel in een oppervlaktewaterlichaam bestaande uit een breedte sloot, en maximaal 2 verbindingen met een minimale tussenafstand van 25 meter per agrarisch weide- of akkerperceel in een oppervlaktewaterlichaam bestaande uit een lengte sloot.

Het komt regelmatig voor dat een dam met duiker aangelegd wordt tussen agrarische weidepercelen of akkerpercelen, om de toegang tot die percelen te verbeteren.Voor de aanleg van deze dammen geldt onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling van de vergunningplicht genoemd in Artikel 2.48. Deze voorwaarden hebben vooral betrekking op de afmetingen van de dam, de hoeveelheid dammen en dat er een duiker aanwezig moet zijn. Wordt hieraan niet voldaan, dan geldt de vergunningplicht uit Artikel 2.48

Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

MMMMMMMMMMMMMM

Na sectie 2.50 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.50a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning oppervlaktewaterlichaam dempen

De belangenafweging is dwingend van karakter en biedt geen ruimte om rekening te houden met andere belangen dan de belangen genoemd in Artikel 2.45.



NNNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.51 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam dempen

OOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.2 Instructieregel melden, meten en registreren grondwateronttrekking en -infiltratie

Dit artikel legt aan de waterschappen de verplichting op informatie over de onttrokken en geïnfiltreerde hoeveelheden grondwater te laten melden, meten en registreren en deze informatie jaarlijks voor 31 mei van het daaropvolgende kalenderjaar aan gedeputeerde staten te verstrekken.

De provincies moeten op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de bijbehorende Grondwaterrichtlijn zorgdragen voor de kwantiteit en kwaliteit van de grondwaterlichamen. Om een goed beeld te vormen van de hoeveelheid grondwater die aan de grondwaterlichamen in haar provincie wordt onttrokken en toegevoegd, heeft de provincie Utrecht informatie nodig van de waterschappen m.b.t. het onttrokken en geïnfiltreerde (grond)water.

Provincies en waterschappen dragen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de bijbehorende Grondwaterrichtlijn (GWR) zorg het duurzaam beheer van de grondwaterlichamen, zowel kwantitatief als kwalitatief. Daarvoor is het nodig om voldoende inzicht te hebben in (de omvang van) wateronttrekkingsactiviteiten. In dit artikel wordt bepaald in welke gevallen het waterschap (in de waterschapsverordening) niet mag afwijken van de standaard voorgeschreven informatieplicht voor vergunningsvrije wateronttrekkingsactiviteiten (Bruidsschat waterschapsverordening, artikel 3.1) en de standaard voorgeschreven meetverplichting bij onttrekken van grondwater en infiltratie van water (Bruidsschat waterschapsverordening, artikel 3.5).

Degene die grondwater onttrekt dan wel infiltreert, is wettelijk verplicht hierover informatie te verstrekken aan bevoegd gezag. Grondwateronttrekkingen met een debiet kleinerwaarmee minder dan 12.000 m3 per jaar ontrokken wordt zorgen niet significant voor een vermindering van de grondwaterhoeveelheid. Daarom vraagt de provincie de waterschappen om deze informatie alleen op te halen over onttrekkingen die groter zijn dan 12.000 m3 informatie op. De aan te halen. Dezeleveren informatie moet in ieder geval bestaan uit de hoeveelheid onttrokken en geïnfiltreerd (grond)water en het watervoerend pakket waaruit het grondwater is onttrokken dan wel het wat in isof geïnfiltreerd. Voor grote infiltraties moeten daarnaast ook nog kwaliteitsgegevenskwaliteitsgegevens, zoals kleur, temperatuur,zuurgraad en aanwezigheid van bepaalde stoffen worden aangeleverd. De provincie vraagt de waterschappen vervolgens om deze informatie voor 30 april31 mei van het volgende jaar, of bij beëindiging van de onttrekking, en infiltratie te verstrekken aan gedeputeerde staten.

Onder bruto pompcapaciteit wordt verstaan de maximale hoeveelheid water die de pomp per uur kan verpompen volgens de fabrikant.



PPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.2a Instructieregel registratie grondwateronttrekking en -infiltratie

Dit artikel legt gedeputeerde staten de verplichting op informatie te registreren over de onttrokken en geïnfiltreerde hoeveelheden grondwater te registreren. Deze verplichting geldt alleen voor die onttrekkingen en infiltraties waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag is, namelijk:

  • a.

    openbare drinkwatervoorziening,; en

  • b.

    industriële grondwateronttrekkingen groter dan 150.000 m3 per jaar.

Dit artikel legt gedeputeerde staten tevensook de verplichting op om een registratie bij te houden voor de onttrokken en teruggebrachte grondwaterhoeveelheden voor gemelde en vergunde open bodemenergiesystemen. Dit is onder de Omgevingswet een milieubelastende activiteit.

In de praktijk komt dit neer op het bijhouden van het Landelijk Grondwaterregister (LGR). Het bijhouden van een (centraal) register dient meerdere doeleinden. Zicht hebben op de onttrokken en geïnfiltreerde grondwaterhoeveelheden is noodzakelijk voor een doelmatig grondwaterbeheer. Alleen zo weten we of we netto te veel vragen van het systeem of niet. Een tweede doel voor het bijhouden van een register is de controle op naleving van de vergunning. En tot slot is er een relatie met de registratie voor de grondwaterheffinggrondwaterontrekkingsheffing. De grondwaterheffing is een provinciale belasting over de onttrokken hoeveelheid grondwater en wordt bij degene die grondwater onttrekt in rekening gebracht.

QQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.3 Instructieregel onttrekking grondwater voor menselijke consumptie

Deze instructieregel geeft invulling aan de bescherming van de winningengrondwaterwinningen voor menselijke consumptie kleiner dan 150.000 m3/per jaar. Dit zijn de industriële winningen voor menselijke consumptie waarvoor het waterschap het bevoegd gezag is.

De EU-lidstaten hebben op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) de verplichting om zorg te dragen voor het behoud van de huidige kwaliteit van grondwaterbronnen voor menselijke consumptie, geen achteruitgang en verbetering van de waterkwaliteit op termijn met als doel de zuiveringsinspanning te verminderen. Uit artikel 7 van de KRW volgt dat inzicht nodig is in de ontwikkeling van de kwaliteit van het onttrokken water. Op basis van dit inzicht kunnen dan, als dat nodig is, maatregelen worden genomen voor de bescherming van het grondwater. De KRW hanteert hiervoor een ondergrens van 10 m3 per dag, of het bedienen van meer dan 50 personen.

Voor industriële en eigen winningen voor menselijke consumptie gelden hierin dezelfde doelstellingen als voor winningen voor de openbare drinkwatervoorziening (artikel 7 van de KRW). Bij industriële winningen voor menselijke consumptie komt het gewonnen grondwater in contact met levensmiddelen, of wordt het gebruikt als ingrediënt in het levensmiddel. Bij eigen winningen wint een eigenaar water voor de levering van drinkwater aan derden, bijvoorbeeld aan campinggasten.

Eerste lid onder b regelt dat het waterschap degene die grondwater onttrekt voor menselijke consumptie verplicht is om de kwaliteit van het grondwater te monitoren. Doel hiervan is om de winning te beschermen tegen negatieve invloeden uit de omgeving.

Eerste lid, onder c regelt dat de initiatiefnemer vóór het begin van de onttrekking een risicoanalyse van de omgeving (feitendossier) aanlevert aan het waterschap. Het feitendossier is een document dat inzicht geeft in:

1. de kwaliteit van het te onttrekken water;

2. de risico’s in de omgeving die de grondwateronttrekking kunnen bedreigen; en

3. de oorzaken en de mogelijke maatregelen om deze risico’s te verminderen.

Eerste lid, onder d regelt dat het waterschap de informatie -verkregen op grond van lid a tot en met c- over de onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie en over de kwaliteit van het onttrokken grondwater verstrekt aan de provincie. Op basis van deze informatie kan het waterschap (zo nodig in overleg met de provincie) de juiste maatregelen voor de bescherming van de onttrekking opleggen.

RRRRRRRRRRRRRR

Na sectie 3.3 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.3a Instructieregel behoud vitale drinkwaterinfrastructuur

De vitale drinkwaterinfrastructuur bestaat uit (grotendeels ondergronds gelegen) grote transportbuizen en reinwaterkelders. Vanaf deze hoofdinfrastructuur wordt het drinkwater via vele, steeds kleiner wordende leidingen uiteindelijk bij de klant geleverd. Schade aan de vitale drinkwaterinfrastructuur, bijvoorbeeld door graven of funderingswerkzaamheden, is zeer onwenselijk voor de gehele, achterliggende drinkwatervoorziening. Daarom is besloten de vitale drinkwaterinfrastructuur te beschermen. Hiertoe moet al in een vroegtijdig stadium, voordat de concrete plannen voor de nieuwe ontwikkelingen zijn uitgewerkt en voorafgaand aan de formele procedure voor het omgevingsplan, voor nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan of deze zich nabij de vitale drinkwaterinfrastructuur bevinden. Wanneer dit het geval blijkt te zijn, moet worden beoordeeld of de ontwikkelingen tot beschadiging van de vitale drinkwaterinfrastructuur kan leiden en of dit kan worden voorkomen. Er is gekozen voor ‘in acht nemen’ in deze instructieregel omdat de financiële en maatschappelijk gevolgen van beschadiging van de vitale drinkwaterinfrastructuur groot zijn en direct optreden.



Artikel 3.3b Afwijking van instructieregel verstedelijkingsverbod landelijk gebied

Nieuwe functies voor de winning, productie en transport van drinkwater zijn vormen van verstedelijking. Hieronder worden mede begrepen zuiveringsgebouwen, pompputten, reservoirs, opjagers en het bijbehorende (ondergrondse) leidingennetwerk. Om deze functies mogelijk te maken, is in dit artikel bepaald dat afgeweken kan worden van het verstedelijkingsverbod.



SSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.4 Vrijstelling vergunningplicht bij klein open bodemenergiesysteem

In dit artikel is bepaald dat er geen vergunning nodig is voor het onttrekken van grondwater voor een bodemenergiesysteem als de door deze installatie onttrokken en in de bodem teruggebrachte hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur. In dat geval moet die onttrekking worden gemeld aan gedeputeerde staten conform artikel 4.1149 Besluit activiteiten leefomgeving. Een deel van de indieningsvereisten is openomen in artikel 2.17 Besluit activiteiten leefomgeving.

De uitzondering van vergunningsplicht geldt op grond van tweede lid van dit artikel niet voor open bodemenergiesystemen in zogenaamde interferentiegebieden. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet konden gemeenten of provincies op grond van de wet in een verordening gebieden aanwijzen waarbinnen regels voor bodemenergie gelden, om zo doelmatig gebruik van bodemenergie te bevorderen en negatieve interferentie tussen systemen te voorkomen. Onder de huidige wetgeving kunnen dergelijke gebieden worden opgenomen in het Omgevingsplan. Vrijstelling van de vergunningplicht voor open bodemenergiesystemen tot 10 m3 per uur is niet wenselijk in deze gebieden. Zonder vergunningplicht is geen optimale sturing mogelijk van de systemen en ook zou een ongelijk speelveld ontstaan met gesloten bodemenergiesystemen. Voor gesloten bodemenergiesystemen geldt in deze gebieden namelijk ook een vergunningplicht.

De uitzondering van vergunningsplicht geldt niet voor de 3 volgende situaties:.

  • a.

    Waterwingebied. In een waterwingebied is een bodemenergiesysteem verboden op grond van Artikel 3.16.

  • b.

    Grondwaterbeschermingsgebied. In een grondwaterbeschermingsgebied is een bodemenergiesysteem verboden op grond van Artikel 3.31. Er geldt een uitzondering voor een open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals bedoeld in Artikel 3.35. Hiervoor is altijd een vergunning nodig, ongeacht de hoeveelheid onttrokken grondwater, zodat kan worden getoetst aan de beoordelingsregel opgenomen in Artikel 3.36.

  • c.

    Boringsvrije zone. In een boringsvrije zone is op grond van Artikel 3.52 een open bodemenergiesysteem verboden op een diepte groter dan de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen. Boven de dieptegrens zijn open bodemenergiesystemen niet verboden op grond van Artikel 3.52, maar geldt wel altijd de vergunningplicht, ongeacht de hoeveelheid onttrokken grondwater. Daarnaast geldt in boringsvrije zones een uitzondering van het verbod voor een open bodemenergiesysteem beneden de dieptegrens voor een open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering, zoals bedoeld in Artikel 3.54. Hiervoor is altijd een vergunning nodig, ongeacht de hoeveelheid onttrokken grondwater, zodat kan worden getoetst aan de beoordelingsregel opgenomen in Artikel 3.55.

-

TTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.4a Meetplicht en informatieplicht open bodemenergiesysteem

In aanvulling op artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de jaarlijks onttrokken en terug in de bodem gebrachte hoeveelheid grondwater bij een open bodemenergiesysteem geregistreerd. In aanvulling op artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de gegevens en bescheiden over de jaarlijks onttrokken en teruggebrachte hoeveelheid grondwater verstrekt aan het bevoegd gezag.

-

UUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.13a Vrijstelling verbod bestrijdingsmiddelen Waterwingebied Bethunepolder

Aanvullend op de landelijke regelgeving ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, geldt een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de Bethunepolder. Er geldt alleen een uitzondering voor het voorhanden hebben, in voorraad hebben of toepassen van een zeer geringe hoeveelheid van een bestrijdingsmiddel voor normaal gebruik. Het bestrijdingsmiddel moet altijd deugdelijk worden gebruikt en goed beschermd en verpakt worden bewaard. Soms mag het middel glyfosaat voor agrarisch gebruik worden toegepast, gebruikmakend van de onkruidstrijkmethode, waarbij onkruid wordt aangestreken (zie Artikel 3.14).

[Vervallen]

VVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.4b Meetplicht en informatieplicht grondwateronttrekking en -infiltratie

De meet- en informatieplicht voor grondwateronttrekkingen is niet expliciet geregeld via de wet. Bevoegd gezag is vrij om hier via vergunningverlening of krachtens verordening in te voorzien. Dit artikel bevat daarom de verplichting om de hoeveelheid onttrokken en geïnfiltreerd water te meten voor die wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor de provincie volgens paragraaf 16.2.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving bevoegd gezag is. Uiterlijk 31 januari van elk jaar (of als de activiteit is beëindigd binnen een maand na het tijdstip van beëindiging) moeten de op grond van het eerste lid verkregen meetgegevens worden overlegd aan bevoegd gezag. Deze meetgegevens worden door gedeputeerde staten geregistreerd in het register (geregeld via Artikel 3.2a).

-

WWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.14 Meldplicht glyfosaat Waterwingebied Bethunepolder

Voor het toepassen van het bestrijdingsmiddel glyfosaat in geringe hoeveelheden voor agrarische doeleinden in de Bethunepolder, geldt dat dit alleen is toegestaan wanneer dit vooraf wordt gemeld. De melding maakt het mogelijk om te beoordelen of de onkruidbestrijding voldoet aan de in het artikel genoemde eisen. Hiermee treedt zo min mogelijk schade op aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater en oppervlaktewater.

[Vervallen]

XXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.5 Oogmerk grondwaterbeschermingszone

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie.

-

YYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.6 Aanwijzing grondwaterbeschermingszone

Hieronder wordt ingegaan op de verschillende grondwaterbeschermingszones.

In de provincie Utrecht zijn de volgende grondwaterbeschermingszones aangewezen:

Waterwingebieden

Alle grondwaterwinningen voor de bereiding van drinkwater hebben een waterwingebied: dit is de locatie waar zich de grondwateronttrekkingsputten voor de bereiding van drinkwater bevinden. Waterwingebieden zijn de meest kwetsbare grondwaterbeschermingszones. Het beschermingsniveau is hier daarom het hoogst. Alleen activiteiten in het kader van de grondwaterwinning zijn toegestaan.

Alle winningen hebben De grens van een waterwingebied: dit is de locatie waar zich de onttrekkingsputten voor drinkwater bevinden. Waterwingebieden worden begrensd wordt bepaald door de lijn vanaf waar het grondwater minimaal 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft (de verblijftijd) om de onttrekkingdputtenonttrekkingsputten te bereiken. Aangenomen wordt dat eendeze verblijftijd van 60 dagen voldoende is voor een zodanige afbraak van ziekteverwekkende organismen in het grondwater, dat geen gevaar voor de volksgezondheid meer dreigt. De afstand van de ontrekkingsputten tot aan de grens van het waterwingebied tot de winputten inis over het horizontale vlak bedraagt in principealgemeen minimaal 30 meter.

Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil om de waterwingebieden heen. De grens van deze gebieden is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone). Het onderscheid tussen deze zones wordt bepaald door of het grondwater dat wordt gewonnen direct vanaf het oppervlak kan worden beïnvloed (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones).

Grondwaterbeschermingsgebieden liggen als een schil om de waterwingebieden heen. De grens van deze gebieden wordt bepaald door de lijn vanaf waar een waterdruppel vanaf de grondwaterspiegel een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone). In grondwaterbeschermingsgebieden wordt het grondwater dat wordt gewonnen vaak direct vanaf maaiveld beinvloed. Winningen met een grondwaterbeschermingsgebied zijn vaak ondiepe winningen of winningen waar geen tot weinig beschermende lagen in de bodem aanwezig zijn. Deze winningen worden daarom ook wel kwetsbare winningen genoemd. Het zijn vooral winningen op en langs de rand van de Utrechtse Heuvelrug.In grondwaterbeschermingsgebieden zijn geen activiteiten toegestaan waarbij een groot risico geldt op verontreiniging van het grondwater. Daarnaast worden voorwaarden gesteld aan activiteiten in de bodem, zoals boren en funderen.

Boringsvrije zones

Boringsvrije zones liggen ook als een schil om de waterwingebieden heen. De grens van deze gebieden wordt bepaald door de lijn vanaf waar het grondwater in het bepompte pakket een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone). Het verschil met grondwaterbeschermingsgebieden is dat in boringsvrije zones nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is tussen het maaiveld en het grondwaterpakket waaruit wordt onttrokken. Het is vooral van belang dat aantasting van deze beschermende bodemlaag, bijvoorbeeld door boringen, wordt voorkomen, zodat eventuele verontreinigingen zich niet kunnen verspreiden naar het kwalitatief goede grondwater waaruit het drinkwater wordt gemaakt.

Beschermingszone oppervlaktewaterwinning

Bij oppervlaktewaterwinningen ontbreekt de beschermende werking van bodempassage. Dit maakt deze winningen kwetsbaar voor verontreinigingen die via het water of de lucht direct bij de winning kunnen komen. Om deze winningen te beschermen, heeft Rijkswaterstaat een beschermingszone rondom de directe innamepunten van oppervlaktewater opgenomen. De beschermingszone is bedoeld voor beheersing van calamiteiten binnen 100 meter van de oever. Zo kan de waterwinning beter veiliggesteld worden. Omdat de beschermingszone van Rijkswaterstaat geen rechtsgevolgen heeft voor derden, heeft de provincie Utrecht de beschermingszone opgenomen in de verordening en zo de bescherming van oppervlaktewaterwinningen beter verankerd.

100-jaarsaandachtsgebied

Rondom enkele kwetsbare winningen is het 100-jaarsaandachtsgebied aangewezen, als extra schil om het grondwaterbeschermingsgebied heen. Dit zijn vooral winningen op de Utrechtse Heuvelrug.

Strategische grondwatervoorraad Kwetsbare strategische grondwatervoorraad en Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad

De provincie heeft een strategische grondwatervoorraad aangewezen. Doel hiervan is te zorgen dat in de toekomst voldoende mogelijkheden zijn voor het winnen van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Een deel van de strategische grondwatervoorraad is gekwalificeerd als kwetsbaar voor activiteiten aan maaiveld. Mocht hier in de toekomst een drinkwaterwinning worden gerealiseerdgerealiseerd worden, dan is de kans groot dat die winning een grondwaterbeschermingsgebied krijgt. Een ander deel van de strategische grondwatervoorraad is geclassificeerd als matig kwetsbaar omdat erhier scheidende lagen in de bodem voorkomen. Mocht in de toekomst in dit gebied een drinkwaterwinning worden gerealiseerdgerealiseerd worden, dan is de kans groot dat de winning een boringsvrije zone krijgt.

Beschermingszone oppervlaktewaterwinning Waterwingebied Bethunepolder

Winningen van oppervlaktewater zijn kwetsbaar voor verontreinigingen die via het water of de lucht bij de winning kunnen komen omdat er geen bescherming via bodempassage is. Om deze winningen te beschermen heeft Rijkswaterstaat een beschermingszone rondom de directe innamepunten van oppervlaktewater opgenomen. De beschermingszone is bedoeld voor beheersing van calamiteiten binnen 100 meter van de oever. Zo kan de waterwinning veilig worden gesteld. Omdat de beschermingszone van Rijkswaterstaat geen rechtsgevolgen heeft voor derden, heeft de provincie Utrecht de beschermingszone ook opgenomen in de verordening en zo de bescherming verankerend.

De Bethunepolder is een bijzonder waterwingebied. Het gaat hier om een oppervlaktewaterwinning, waarbij drinkwater uiteindelijk gemaakt wordt van kwelwater in plaats van uit (diep) grondwater. In verband met de specifieke eigenschappen van en omstandigheden in de Bethunepolder, zijn hier 2 ‘waterwingebiedregimes’:

  • Waterwingebied Bethunepolder: in dit waterwingebied gelden - door de specifieke eigenschappen van de winning - de regels voor grondwaterbeschermingsgebieden. Deze regels zijn wel aangevuld met enkele gebiedspecifieke regels.

  • Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal: dit waterwingebied beschermt het waterleidingkanaal waarmee het gewonnen water vanuit de Bethunepolder naar de waterleidingplas bij Loenen aan de Vecht getransporteerd wordt. In dit waterwingebied gelden de regels van een waterwingebied.



ZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.7 Instructieregel ruimtelijke bescherming grondwater

De duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening geldt als een dwingende reden van groot openbaar belang. Bescherming van de kwaliteit van het drinkwatergrondwater is hiervoor essentieel. Gemeenten moeten daarom in hun ruimtelijk beleid rekening houden met de drinkwaterwinningenbestaande en toekomstige drinkwaterlocaties. VoorkomenEr moet tenminste worden voorkomen worden dat de kwaliteit van het grond-grondwater en oppervlaktewater verslechtert waaruit drinkwater wordt gewonnen, verslechtert (stand-still)gemaakt.

Voor de toedeling van functies aan locaties moet het belang van drinkwaterwinning nadrukkelijk worden afgewogen. De Handreiking (grond)- en oppervlaktewaterbescherming van bronnen voor drinkwater bij ruimtelijke plannen en activiteiten biedt hierin een methode om risico’s van ruimtelijke ontwikkelingen voor de drinkwaterwinning te beoordelen. Als een functiewijzing in een grondwaterbeschermingszone kan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van het grond-grondwater of oppervlaktewater voor de drinkwaterwinningdrinkwaterproductie, moeten locatiealternatieven voor de functie en bijbehorende activiteiten worden overwogen. Als dit om zwaarwegende redenen niet mogelijk is, moeten maatregelen worden genomen om de risico’s voor de drinkwatervoorziening te verkleinen.

AAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.8 Instructieregel parkeren Bethunepolder

De recreatieve functie van de Bethunepolder leidt soms tot grote verkeers-verkeersdrukte en parkeerdrukte. Bezoekers parkeren hun vervoermiddelen soms op plaatsen die metvannuit het oog op deoogpunt van bescherming van het grondwater voor de drinkwaterwinningdrinkwaterproductie onwenselijk zijn. De instructieregel vraagt aan de gemeente Stichtse Vecht het parkeren in de Bethunepolder in perioden van drukte, vooral optredend tijdens in verband met zomer-zomerrecreatie of winterrecreatie te reguleren in het omgevingsplan. De gemeente bepaalt zelf wanneer er sprake is van drukte in verband met zomer-zomerrecreatie en winterrecreatie. Ook bepaalt zij op welke manier de bescherming van het grondwater het beste kan worden gewaarborgd. De gemeente betrekt de provincie bij de voorbereiding van deze regels.

BBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.9 Instructieregel aanleg (dier)begraafplaats, dierbegraafplaats of uitstrooiveld

De realisatieaanleg van nieuwe begraafplaatsen, uitstrooivelden of dierenbegraafplaatsen in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebiedgrondwaterbeschermingsgebieden zijn gelet opvanwege de negatieve effecten van lijkbezorginghiervan op de kwaliteit van het grondwater in deze gebieden ongewenst. Denk hierbij het uitlogen van medicijnresten, bacteriële verontreiniging en rottingsproducten. De risico’s bij dierbegraafplaatsen zijn vergelijkbaar.

Voor bestaande locaties is het belangrijk dat de gemeente waarborgt dat uitbreidingen of veranderende omstandigheden niet zorgen voor een negatieve beïnvloeding van de kwaliteit van het grondwater.

CCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.10 Instructieregel ruimtelijke bescherming matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad

De provincie heeft de strategische grondwatervoorraad aangewezen om toekomstige mogelijkheden voor de winning van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening te behouden. Een deel van de strategische grondwatervoorraad is kwetsbaar voor activiteiten aan het maaiveld. In Artikel 3.7 is daarom een instructieregel opgenomen voor de ruimtelijke bescherming van de kwetsbare strategische grondwatervoorraad. Een ander deel van de strategische grondwatervoorraad is matig kwetsbaar voor activiteiten vanafaan maaiveld. Ook voor het matig kwetsbare deel van de strategische grondwatervoorraad is het van belang dat deze gebieden zo veel mogelijk worden gevrijwaard worden van nieuwe stedelijke ontwikkelingontwikkelingen. Hierbij is vooral belangrijk om aantasting van de beschermende kleilagen boven het diepe, kwalitatief goede grondwater te voorkomen (onder meer door bodemenergiesystemen). In de matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad worden geen verdere regels gesteld voor omgevingsplannen van gemeenten. Wel wordtworden gemeenten gevraagd om bij nieuwe ontwikkelingen aandacht te hebben voor de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit.

DDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.11 Specifieke zorgplicht grondwater

In de grondwaterbeschermingszones is sprake van een kwetsbare functie,(de winning van drinkwater) in combinatie met een kwetsbare bodem. Daarom moet eeniederiedereen die hierdaar activiteiten ontplooituitvoert extra alert en zorgvuldig zijn op activiteiten die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Voor activiteiten die zonder meerzeker schadelijk zijn, of die mogelijk schadelijk kunnen zijn en vaak voorkomen, zijn in deze verordening gerichte regels opgesteldopgenomen. Het is echter ondoenlijk om alle mogelijk schadelijke activiteiten te benoemen. De specifieke zorgplicht dient alsgrondwater is een vangnetbepaling. Daarmee worden activiteiten die niet onder andere regels in de verordening vallen, maar wel schadelijke gevolgen voor het grondwater kunnen hebben ondervangen.

EEEEEEEEEEEEEEE

Na sectie 3.11 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.11a Informeren over ongewoon voorval grondwater

Een ongewoon voorval is een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater. Als gevolg van een ongewoon voorval kan een risicovolle verontreiniging van het grondwater ontstaan. Te denken valt aan het achterlaten van drugsafval. Om in te kunnen schatten wat de gevolgen van de verontreiniging zijn voor de winning van grondwater voor de bereiding van drinkwater, verzoeken wij een ieder die een ongewoon voorval signaleert, dit te melden aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.11b Benodigde gegevens over ongewoon voorval grondwater

Dit artikel beschrijft de benodigde gegevens om de inschatting te kunnen maken. Maar ook als de melder niet over al deze gegevens beschikt, wordt elke melding van een ongewoon voorval enorm gewaardeerd. Zolang een adres of omschrijving van de locatie beschikbaar is, kan een toezichthouder ook gaan kijken en een inschatting maken van de situatie.

FFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.12 Plaatsen Plaatsing borden Waterwingebied en Grondwaterbeschermingsgebied

Het drinkwaterbedrijf dat eigenaar is van een winning, zorgt ervoor dat langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die toegang geven tot een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied, borden worden geplaatstgeplaatst worden. Op deze wijze is het voor derdeniedereen duidelijk dat zij zich in een voor de drinkwaterwinning kwetsbaar gebied bevindenzijn.

GGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.13 Verbod bestrijdingsmiddelen Waterwingebied Bethunepolder

Aanvullend op de landelijke regelgeving ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, geldt een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de Bethunepolder. Er geldt alleen een uitzondering voor het voorhanden hebben, in voorraad hebben of toepassen van een zeer geringe hoeveelheid van een bestrijdingsmiddel voor normaal gebruik (zie Artikel 3.13a).

-

HHHHHHHHHHHHHHH

Na sectie 3.13 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.14 Meldplicht glyfosaat Waterwingebied Bethunepolder

-

IIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.15 Informatieplicht glyfosaat Waterwingebied Bethunepolder

Minimaal 24 uur voor toepassing van het bestrijdingsmiddel moet bij het drinkwaterbedrijf (Waternet) telefonisch een melding worden gedaan via telefoonnummer 0900-9394.

JJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.16 Verboden activiteitenmilieubelastende activiteit uitvoeren in Waterwingebied

Het waterwingebied is het gebied direct rond de winputtengrondwateronttrekkingsputten voor de drinkwaterproductie. In dit gebied is de waterwinning en daaruit volgende drinkwaterproductie het meest kwetsbaar voor aantasting van de kwaliteit van het grondwater. Verstoringen van de bodem of van de grondwaterkwaliteit (het hebben vandoor schadelijke stoffen, temperatuureffecten enzovoorts,aantasting bodemlagen, enzovoort) zijn in de directe nabijheid van de winningwinputten niet toegestaan. Ook als de exacte invloed niet helemaal bekend is.

In Artikel 3.16 zijn verboden opgenomen voor een aantal activiteiten binnen het waterwingebied. De verboden zijn daarbij algemeen geldend.

Met oog op de bescherming van het grondwater zijn alle milieubelastende activiteiten zoals genoemd in het Besluit activiteiten Leefomgeving (Bal) niet toegestaan. Daarnaast zijn ook een aantal activiteiten uitgesloten die niet in het Bal genoemd zijn, maar wel een risico’s kunnen vormen voor de kwaliteit van het grondwater.

Het gaat hierbij vooral om:

  • activiteiten met risicovolle stoffen. Er is hierbij geen limitatieve opsomming van (potentieel) schadelijke stoffen opgenomen, omdat daarbij het gevaar bestaat dat nieuwe stoffen, die schadelijk (kunnen) zijn, niet onder de verbodsbepalingen vallen. De verordening zou dan telkens gewijzigd moeten worden.

  • activiteiten die de structuur van de bodem verstoren, waardoor de beschermende werking van de bodem mogelijk wordt aangetast.

  • het onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, bijvoorbeeld door bodemenergie­systemen. Het risico van het inbrengen of verspreiden van verontreinigingen via slecht afgedichte boorgaten voor bodemenergie­systemen, is vanuit de risicobenadering niet acceptabel.

Daarnaast is nog onvoldoende bekend wat het effect van temperatuurschommelingen is op de kwaliteit van het grondwater in het algemeen en het ruwwater (onttrokken grondwater voor de bereiding van drinkwater) in het bijzonder.

Met het oog op de bescherming van het grondwater zijn daarom alle milieubelastende activiteiten zoals genoemd in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten Leefomgeving niet toegestaan.

Dit artikel is in de praktijk minder ingrijpend dan het lijkt. De meeste waterwingebieden zijn namelijk omheind en in eigendom van de waterleidingbedrijven. In de gebieden zijn (bijna) geen andere activiteiten aanwezig. Activiteiten en bedrijven die op het moment van inwerkingtreden van de bepaling voor waterwingebieden legaal aanwezig zijn, kunnen overeenkomstig de daarvoor geldende regels, door het overgangsrecht in werking blijven.

Activiteiten en bedrijven die op het moment van inwerkingtreden van de bepaling voor waterwingebieden legaal aanwezig zijn, kunnen overeenkomstig de daarvoor geldende regels, door het overgangsrecht in werking blijven.

Een aantal activiteiten zijn uitgezonderd op de regels zoals omschreven in dit artikel. Doordat een aantal activiteiten generiek zijn verboden, is het nodig een aantal specifieke activiteiten uit te zonderen van het verbod. De redenen daarvoor zijn divers. Soms worden activiteiten rechtstreeks toegestaan (Artikel 3.17). Soms zijn ze alleen mogelijk onder aanvullende voorwaarden (Artikel 3.20). Activiteiten die niet onder de werking van deze artikelen vallen, zijn toegestaan als aan de zorgplicht wordt voldaan (Artikel 3.11).

In verband met de specifieke eigenschappen van en omstandigheden in de Bethunepolder, bevinden zich hier 2 ‘waterwingebiedregimes’:

  • Waterwingebied waterleidingkanaal: dit waterwingebied beschermt het waterleidingkanaal waarmee het gewonnen water wordt getransporteerd vanuit de Bethunepolder naar de waterleidingplas bij Loenen aan de Vecht. In dit waterwingebied gelden van de regels van een waterwingebied.

  • Waterwingebied Bethunepolder: in dit waterwingebied gelden door de specifieke eigenschappen van de winning de regels voor grondwaterbeschermingsgebieden. Deze regels zijn wel aangevuld met enkele gebiedsspecifieke regels (zie artikelen 3.13 t/m 3.16) Dit wordt uitgelegd in de artikelsgewijze toelichting.

KKKKKKKKKKKKKKK

Na sectie 3.16 worden twaalf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.16a Vrijstelling verbod milieubelastende activiteit uitvoeren in Waterwingebied

Er wordt een uitzondering op het verbod in Artikel 3.16 gemaakt voor activiteiten van het drinkwaterbedrijf zelf, voor zover deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Deze uitzondering op het verbod ligt voor de hand: het drinkwaterbedrijf kan anders diens taak niet vervullen. Het drinkwaterbedrijf heeft er ook zelf belang bij dat een goede grondwaterkwaliteit gehandhaafd wordt. Er mag vanuit die optiek dan ook vanuit gegaan worden dat het drinkwaterbedrijf zich in ieder geval houdt aan de zorgplicht grondwater en de regels die voor waterwingebieden gelden, en dat het bevoegd gezag daarop zal letten bij het verlenen van een vergunning aan het drinkwaterbedrijf (bijvoorbeeld de vergunning voor het onttrekken van grondwater, of de bouw van een zuivering).

Artikel 3.16b Verbod opslaan of toepassen niet-toelaatbare stoffen, materialen en producten in Waterwingebied

Het opslaan van schadelijke stoffen is in waterwingebieden niet toegestaan. In Bijlage VI Stoffenlijst onder A worden bepaalde stoffen aangewezen als niet-toelaatbaar. Dit zijn stoffen die in waterwingebieden compleet verboden zijn. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van lijsten van officiële instanties, zoals het RIVM. Als stoffen aan deze lijsten toegevoegd worden, dan zijn deze automatisch ook niet toegestaan in waterwingebieden.

Ook is het binnen waterwingebieden niet toegestaan om kunstmest (anorganische meststoffen) te gebruiken.



Artikel 3.16c Vrijstelling verbod opslaan of toepassen niet-toelaatbare stoffen, materialen en producten in Waterwingebied

Er wordt een uitzondering gemaakt op het in Artikel 3.16b opgenomen verbod voor het gebruiken van strooizout (in verband met de veiligheid), stoffen voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of brommers, transport mits goed verpakt en voor het opslaan en toepassen van zeer geringe hoeveelheden bij woningen en andere gebouwen.

Binnen de waterwingebieden van de winningen Lexmond, Woerden en Vianen is gebruik van kunstmest (anorganische meststoffen) toegestaan.

Artikel 3.16d Verbod constructie aanbrengen op of in de bodem in Waterwingebied

Het is in waterwingebieden verboden activiteiten uit te voeren die de beschermende werking van de bodem mogelijk aantasten. Er mogen daarom in principe geen constructies in waterwingebieden worden aangebracht.

Artikel 3.16e Vrijstelling verbod constructie aanbrengen op of in de bodem in Waterwingebied

Het in Artikel 3.16d opgenomen verbod om constructies in waterwingebieden aan te brengen geldt niet voor constructies die in het belang zijn van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening.

Daarnaast mogen constructies die gericht zijn op het behoud van de natuurfunctie of ten dienste van extensieve recreatie, mits hiermee geen verspreiding ontstaat van schadelijke stoffen op of in de bodem en aantasting plaatsvindt van beschermende bodemlagen.

Ook mogen werkzaamheden die onderdeel uitmaken van het regulier onderhoud van een gebied plaatsvinden. Hieronder vallen de aanleg en onderhoud van verharde of onverharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer en de aanleg en onderhoud van kabels en onderhoud van leidingen.



Artikel 3.16f Verbod boring uitvoeren of boorput oprichten, exploiteren of hebben in Waterwingebied

Het is in waterwingebieden verboden activiteiten uit te voeren die de beschermende werking van de bodem mogelijk aantasten. Daarom geldt binnen het waterwingebied een boorverbod. Er mag ook niet vanuit een locatie buiten het waterwingebied schuin geboord worden onder waterwingebieden door, bijvoorbeeld ten behoeve van geothermie.



Artikel 3.16g Vrijstelling verbod boring uitvoeren of boorput oprichten, exploiteren of hebben in Waterwingebied

Het in Artikel 3.16f opgenomen verbod op boren in of onder waterwingebieden geldt niet voor de noodzakelijke boringen die in het belang zijn van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Hieronder vallen ook horizontaal gestuurde boringen ten behoeve van de aanleg van kabels en (transport)leidingen.



Artikel 3.16h Verbod grondwerk uitvoeren in Waterwingebied

Het is in waterwingebieden verboden activiteiten uit te voeren die de structuur van de bodem verstoren waardoor de beschermende werking van de bodem mogelijk aangetast wordt. Daarom geldt in waterwingebieden een verbod op het uitvoeren van grondwerk.



Artikel 3.16i Vrijstelling verbod grondwerk uitvoeren in Waterwingebied

Het in Artikel 3.16h opgenomen verbod op het uitvoeren van grondwerk in waterwingebieden geldt niet voor grondwerken die in het belang zijn van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Onder deze vrijstelling valt daarnaast onder andere regulier grondwerk, zoals ten behoeve van groenonderhoud of tuinieren, of gericht op behoud van natuurfunctie of extensieve recreatiefunctie. Ook mogen werkzaamheden die deel uitmaken van het regulier onderhoud van een gebied plaatsvinden. Hieronder vallen de aanleg en onderhoud van verharde of onverharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer en de aanleg en onderhoud van kabels en onderhoud van leidingen

Ook is een vrijstelling opgenomen voor grondwerk om de riolering in Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal in stand te kunnen houden.



Artikel 3.16j Verbod locatie als parkeerterrein of evenemententerrein gebruiken in Waterwingebied

Het is verboden in waterwingebieden een locatie te gebruiken als parkeerterrein of evenemententerrein.

Artikel 3.16k Vrijstelling verbod locatie als parkeerterrein of evenemententerrein gebruiken in Waterwingebied

Het in Artikel 3.16j opgenomen verbod om een locatie binnen een waterwingebied te gebruiken als parkeerterrein of evenemententerrein geldt niet voor kleinschalige evenementen, zolang daarbij geen gebruik gemaakt wordt van voorzieningen die een risico vormen voor verontreiniging van de bodem en het grondwater (zoals aggregaten, olietanks, brandstoftanks en andere tijdelijke elektriciteitsvoorzieningen en warmtevoorzieningen, cateringvoorzieningen en toiletvoorzieningen) en het betreffende drinkwaterbedrijf vooraf schriftelijk toestemming gegeven heeft.

Artikel 3.16l Verbod energie aan de bodem toevoegen of onttrekken in Waterwingebied

Het is verboden om energie aan de bodem toe te voegen of eraan te onttrekken, zoals bijvoorbeeld door middel van een bodemenergie­systemen. Het risico van het inbrengen of verspreiden van verontreinigingen via slecht afgedichte boorgaten voor bodemenergie­systemen, is vanuit de risicobenadering niet acceptabel. Daarnaast is nog onvoldoende bekend wat het effect van temperatuurschommelingen is op de kwaliteit van het grondwater in het algemeen en het ruwwater (onttrokken grondwater voor de bereiding van drinkwater) in het bijzonder.

LLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.17 Vrijstelling verboden activiteiten Waterwingebied

Dit artikel benoemt de activiteiten die rechtstreeks zijn toegestaan in waterwingebieden.

Er wordt een uitzondering gemaakt voor activiteiten van het drinkwaterbedrijf, voor zover deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Deze uitzondering ligt voor de hand: het drinkwaterbedrijf kan anders zijn taak niet vervullen. Het drinkwaterbedrijf heeft er zelf belang bij dat een goede grondwaterkwaliteit wordt gehandhaafd. Er mag vanuit worden gegaan dat het bedrijf zich minimaal aan de zorgplicht en de normen die voor waterwingebieden gelden, houdt en dat het bevoegd gezag daar bij het verlenen van een vergunning op zal letten.

Daarnaast is ook een aantal activiteiten toegestaan, wanneer het om extensief gebruik gaat en de activiteit deugdelijk wordt uitgevoerd. Dit zijn onder andere de volgende activiteiten:

  • gladheidsbestrijding;

  • het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, voor normaal gebruik;

  • een constructie of werk op of in de bodem aanbrengen, hebben of onderhouden ten behoeve van extensieve recreatie in het gebied wanneer met de constructie of het werk geen verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan, en;

  • bodemwerkzaamheden voor het behoud van natuur of extensieve recreatie.

Ook kleinschalige evenementen zijn toegestaan, zolang binnen het waterwingebied geen gebruik wordt gemaakt van voorzieningen die een risico vormen voor verontreiniging van de bodem of het zich daarin bevindende grondwater, zoals aggregaten, olie- en brandstoftanks, overige tijdelijke elektriciteits- en warmtevoorzieningen, catering- of toiletvoorzieningen en vooraf schriftelijk toestemming is verkregen van het betreffende drinkwaterbedrijf.

MMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.18 Vrijstelling voor riolering Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal

Binnen het waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal bevindt zich het kanaal waarmee het water richting de zuivering wordt getransporteerd. Op sommige punten bevinden zich om dit gebied riolering. Om te voorkomen dat deze riolering niet in stand kan worden gehouden, is via dit artikel een vrijstelling op het in het Artikel 3.16 benoemde verbod opgenomen.

-

NNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.19 Vrijstelling voor gebruik kunstmest Waterwingebied Lexmond, Woerden en Vianen

Het is binnen waterwingebieden niet toegestaan om kunstmest (anorganische meststoffen) te gebruiken. Dit verbod geldt niet voor gebruik in de waterwingebieden van de winningen Lexmond, Woerden en Vianen. Hier is beperkt gebruik van kunstmest toegestaan.

-

OOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.20 Meldplicht activiteitengrond en baggerspecie toepassen in Waterwingebied

Voor een aantal activiteiten geldt dat deze alleen zijn toegestaan wanneer deze bij de provincie worden gemeld en wordt voldaan aan aanvullende eisen. Dit geldt voor:

  • de aanleg van civieltechnisch en bouwtechnische werken voor bestaande functies;

  • het onder voorwaarden toepassen van grond- en baggerspecie;

  • de buitengebruikstelling van een boorput.

Hierdoor kan vooraf worden bekeken of de activiteit goed wordt uitgevoerd, zodat geen schade optreedt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

Voor het toepassen van grond en baggerspecie geldt dat dit alleen toegestaan is wanneer dit bij de provincie gemeld wordt en voldaan wordt aan bepaalde eisen ten aanzien van de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie.

De indieningsvereisten zijn opgenomen in Artikel 3.21. Hiermee kan beoordeeld worden of de toepassing van grond en baggerspecie volgens de gestelde eisen uitgevoerd wordt en geen schade kan optreden aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

PPPPPPPPPPPPPPP

Na sectie 3.20 worden vier secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.20a Meldplicht civieltechnisch werk en bouwtechnisch werk uitvoeren in Waterwingebied

Voor het uitvoeren van civiel- of bouwtechnische werken geldt dat dit alleen is toegestaan wanneer dit bij de provincie gemeld wordt en voldaan wordt aan de eis dat de civiel- en bouwtechnische werken nodig zijn voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur of waterbeheer.

De indieningsvereisten zijn opgenomen in Artikel 3.22. Hiermee kan beoordeeld worden of het civiel- of bouwtechnische werken voldoet aan de gestelde eisen en geen schade kan optreden aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.



Artikel 3.20b Meldplicht baggerspecie uit watergang verspreiden in Waterwingebied

Voor het verspreiden van baggerspecie uit een of meerdere watergangen geldt dat dit alleen toegestaan is wanneer dit bij de provincie gemeld wordt en voldaan wordt aan de eis dat bij de verspreiding van de baggerspecie uit de watergang over het aangrenzende perceel moet worden voldaan aan de voorwaarden genoemd in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De indieningsvereisten zijn opgenomen in Artikel 3.23. Hiermee kan beoordeeld worden of het verspreiden van baggerspecie uit de watergang(en) voldoet aan de gestelde eisen en geen schade op kan treden aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.



Artikel 3.20c Meldplicht bodemonderzoek en bodemsanering uitvoeren in Waterwingebied

Voor bodemonderzoek en bodemsanering geldt dat dit alleen toegestaan wanneer dit bij de provincie gemeld wordt en voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De indieningsvereisten zijn opgenomen in Artikel 3.24. Hiermee kan beoordeeld worden of het bodemonderzoek en de bodemsanering goed uitgevoerd wordt, zodat geen schade kan optreden aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.



Artikel 3.20d Meldplicht boorput buiten gebruik stellen in Waterwingebied

Voor het buiten gebruik stellen van een boorput geldt dat dit alleen toegestaan is wanneer dit bij de provincie gemeld wordt en voldaan wordt aan de eis dat de boorput binnen 2 weken na buitengebruikstelling door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100 afgedicht is.

De indieningsvereisten zijn opgenomen in Artikel 3.25. Hiermee kan beoordeeld worden of de boorput op de juiste wijze buiten gebruik gesteld gaat worden en geen schade op kan treden aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.



QQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.21 Indieningsvereisten melding bij toepassing grond of baggerspecie toepassen in Waterwingebied

Dit artikel bevat de meldingsvereisten voor het toepassen van grond of baggerspecie met de kwaliteit die voldoet aan de achtergrondwaarden in een waterwingebied. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven in herkomst, klasse en toepassing van de baggerspecie. Ook wordt een onderbouwing verwacht dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

In een waterwingebied mag alleen grond toegepast worden die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur‘ zoals bedoeld in genoemd in tabel 1 en tabel 2 van Bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit. Baggerspecie moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘niet verontreiningd’ of ‘algemeen toepasbaar ‘, zoals bedoeld in genoemd in tabel 1 en tabel 2 van Bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit. Dat voldaan wordt aan deze eis, moet blijken uit de milieuverklaring bodemkwaliteit. In deze milieuverklaring moet van de grond of baggerspecie ook de herkomst en de hoeveelheid opgenomen worden.

RRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.22 Indieningsvereisten melding bij civiel- en bouwtechnische werken voor regulier beheer en onderhoudcivieltechnisch of bouwtechnisch werk uitvoeren in Waterwingebied

Dit artikel bevat de meldingsvereisten voor het uitvoeren van civiel- en bouwtechnische werken voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur en waterbeheer in een waterwingebied. Er wordt een onderbouwing verwacht dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

In een waterwingebied mag een civieltechnisch of bouwtechnisch werk alleen uitgevoerd worden in het kader van regulier beheer of onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur of waterbeheer.

SSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.23 Indieningsvereisten melding bij verspreiding baggerspecie uit watergang verspreiden in Waterwingebied

Dit artikel bevat de meldingsvereisten voor het verspreiden van baggerspecie uit watergang(en) in een waterwingebied. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven in herkomst, klasse en toepassing van de baggerspecie. Ook wordt een onderbouwing verwacht dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

In een waterwingebied mag uit een watergang alleen baggerspecie verspreid worden die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’, zoals bedoeld in tabel 3b van Bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit. Dat voldaan wordt aan deze eis, moet blijken uit de milieuverklaring bodemkwaliteit. In deze milieuverklaring moet van de baggerspecie ook de herkomst en de hoeveelheid opgenomen worden.

Het gaat hier om baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van de watergang. En de verspreiding van deze baggerspecie moet plaatsvinden over het aangrenzend perceel.



TTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.24 Indieningsvereisten melding bij onderzoekbodemonderzoek en sanering van bodembodemsanering uitvoeren in Waterwingebied

Dit artikel bevat de meldingsvereisten voor onderzoek en sanering van de bodem in een waterwingebied. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven in de herkomst, aard en omvang van de verontreiniging. Ook wordt een onderbouwing verwacht dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

In een waterwingebied mag de bodem alleen onderzocht of gesaneerd worden met inachtneming van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven in de herkomst, aard en omvang van de (verwachte) verontreiniging en de verwachte saneringstechniek.

UUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.25 Indieningsvereisten melding buitengebruikstelling boorput buiten gebruik stellen in Waterwingebied

Dit artikel bevat de meldingsvereisten voor de buitengebruikstelling van een boorput in een waterwingebied. Hierbij moet worden aangegeven om hoeveel boorputten het gaat en welk materiaal wordt gebruikt om de boorputten af te dichten.

In een waterwingebied mag een boorput alleen buiten gebruik gesteld worden als deze binnen 2 weken na buitengebruikstelling afgedicht wordt door een gecertificeerd en erkend boorbedrijf. In de melding moet in ieder geval aangegeven worden hoeveel boorputten buiten gebruik gesteld worden, het putnummer van de boorput(ten) en welk materiaal gebruikt wordt om de boorputten af te dichten.

VVVVVVVVVVVVVVV

Na sectie 3.25 worden vijf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.25a Informatieplicht grond en baggerspecie toepassen in Waterwingebied

-

Artikel 3.25b Informatieplicht civieltechnisch werk en bouwtechnisch werk uitvoeren in Waterwingebied

-

Artikel 3.25c Informatieplicht baggerspecie uit watergang verspreiden in Waterwingebied

-

Artikel 3.25d Informatieplicht bodemonderzoek en bodemsanering uitvoeren in Waterwingebied

-

Artikel 3.25e Informatieplicht boorput buiten gebruik stellen in Waterwingebied

-

WWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.26 Eis buitengebruikstelling boorput in Waterwingebied

In dit artikel wordt aangegeven dat uiterlijk binnen 2 weken na buitengebruikstelling van de boorput, deze door een gecertificeerd en erkend boorbedrijf conform BRL SIKB 2100/2101 wordt afgedicht.

-

XXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.27 Verboden activiteiten Verbod milieubelastende activiteit uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

In grondwaterbeschermingsgebieden moet, met het oog op de waterwinning, worden voorkomen dat er activiteiten plaatsvinden die een groot risico vormen voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Voor deze activiteiten geldt een absoluut verbod. Voor de definitie van de in de Bijlage V Lijst verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebied (inclusief waterwingebied Bethunepolder) opgenomen verboden activiteiten wordt aangesloten bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

Met het oog op de waterwinning moet in grondwaterbeschermingsgebieden voorkomen worden dat er activiteiten plaatsvinden die een groot risico vormen voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Voor deze activiteiten geldt een absoluut verbod.

Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt voor het hebben en houden van gastanks voor niet-bedrijfsmatig (particulier) gebruik (zie Artikel 3.27a).

YYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.27a Vrijstelling verboden activiteitenverbod milieubelastende activiteit uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Op het verbod in Artikel 3.273.27aopgenomen verbod wordt een uitzondering gemaakt voor het hebben en houden van gastanks voor niet-bedrijfsmatig (particulier) gebruik.

ZZZZZZZZZZZZZZZ

Na sectie 3.27a wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.27b Verbod thermisch gereinigde grond, staalslakken of AEC-bodemas toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om (producten gemaakt van of met) thermisch gereinigde grond (TGG), staalslakken en AEC-bodemas toe te passen. Het verbod geldt voor alle toepassingen van grond met meer dan 20 massaprocent TGG en voor alle toepassingen van een niet-vormgegeven bouwstof met daarin meer dan 20 massaprocent staalslakken en AEC-bodemas. Er is geen ondergrens voor een volume of gewicht voor dit verbod.

AAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28 Verbod opslag van schadelijke stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om voor het grondwater schadelijke stoffen op te slaan en toe te passen.

In dit artikel staan de eisen voor de opslag van stoffen die (potentieel) schadelijk zijn voor het grondwater. De lijst met schadelijke stoffen is opgenomen in Bijlage VI Lijst niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffenStoffenlijst onder B.

BBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28a Vrijstelling verbod opslag schadelijke stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Van de stoffen genoemd in Artikel 3.28 mogen in grondwaterbeschermingsgebieden slechts beperkte hoeveelheden aanwezig zijn. De opslag van deze stoffen moet gebeuren boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Hieronder valt een lekbak of een dubbelwandige tank. Deze moet uiteraard voldoen aan de gestelde eisen van de landelijke wetgeving.

Het verbod geldt niet voor het in beperkte hoeveelheden opslaan en toepassen ervan. Het gaat daarbij om een maximale werkvoorraad van 25 liter of kilogram. Dit geldt per stof en ook voor mengsels waarin een schadelijke stof voorkomt in een concentratie van meer dan 0,1massa-%.

Alle schadelijke stoffen in opslag moeten in een daarvoor geschikte, goedgekeurde en deugdelijke verpakking (emballage) zitten. Deze verpakking moet voldoen aan de ADR-voorschriften. De opslag van deze stoffen moet bovendien gebeuren boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Hieronder valt een lekbak of een dubbelwandige tank. Deze moet voldoen aan de gestelde eisen van de landelijke wetgeving.



CCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28b Verbod opslag van potentieel schadelijkerisicovolle stoffen opslaan in Grondwaterbeschermingsgebied

Onder potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen wordt verstaan:

Tanks met een potentieel schadelijke stof mogen in grondwaterbeschermingsgebieden een inhoud hebben van 5 m3 (5.000 liter) Compartimenteren is niet toegestaan. Opslag moet bovengronds en boven een vloeistofdichte bodemvoorziening plaatsvinden. Proces en overslag gebeurt bij voorkeur boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Proces en overslag mag ook boven een vloeistofkerende voorziening, als wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in de landelijke wetgeving (beheermaatregelen enzovoorts).

Het gaat hier om de opslag en toepassing van stoffen in grondwaterbeschermingsgebied die risicovol zijn voor het grondwater. Dit zijn stoffen die, als ze in het grondwater van een grondwaterbeschermingsgebied terechtkomen, mogelijk een gezondheidsrisico vormen voor de productie van drinkwater. De lijst met risicovolle stoffen is opgenomen in Bijlage VI Stoffenlijst onder C.

Onder processen in het tweede lidtoepassing worden onder andere werkzaamheden in (garage)werkplaatsen en spuitcabines verstaan. Onder overslag wordt onder andere, maar ook het aftanken van voertuigen en laad- en losactiviteiten van vrachtwagens verstaanvallen hier onder. Mocht landelijke regelgeving strengere eisen stellen aan bepaalde voorzieningen, dan zijn die regels uiteraard van toepassing.

DDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.29 Verbod boorputten, boren en grond- of funderingswerken in Grondwaterbeschermingsgebied Verbod boring uitvoeren en boorput oprichten, exploiteren of hebben in Grondwaterbeschermingsgebied

In Door oude zee-afzettingen en rivierafzettingen komt in de ondergrond komt een afwisseling van zand/grind (waterdoorlatend) en klei/veen (waterremmend) voor. De waterremmende lagen beschermen het grondwater de waterwinning tegen invloeden van ingrepen op of in de bodem. Om negatieve beïnvloeding van deze beschermende lagen en het diepere grondwater zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen grondwaterbeschermingsgebieden dieptegrenzen aangewezen. Beneden deze dieptegrens mag in principe geen verstoring van de bodem optreden. De dieptegrenzen verschillen voor de verschillende grondwaterbeschermingsgebieden, omdat de bodemopbouw en daarmee de diepteligging van de beschermende lagen, op de locaties verschillend is. Er zijn enkele waterwinningen die naast een grondwaterbeschermingsgebied ook een boringsvrije zone hebben. Dit zijn de winningen Bilthoven, Bunnik, Cothen, Langerak, Linschoten en Rhenen.

Een risico bij boorputten/ en boren is dat de doorboring van die in de bodem aanwezige beschermende klei-kleilagen en veenlagen een risico kan vormen voor het grondwater en daarmee de drinkwaterwinning. Vooral wanneer deze boorgaten onvoldoendeniet goed worden afgedicht. Door lekstromen via het boorgat of mogelijk via de boorput zelf, kunnen ongewenste stoffen/verontreinigingen in het diepere grondwater komen. Dit kan ook wanneer een bestaande boorput verstopt raakt en geregenereerd moet worden geregenereerd met chemische middelen wordt om verstopping van een boorput te verhelpen. Hier speelt mee dat een eenmaal aangelegde boorput en het beheer ervan moeilijk controleerbaar zijn.

Grondwerken betreft het uitvoeren of uit laten voeren van werken op of in de bodem. Hierbij worden ingrepen uitgevoerd of stoffen gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken en het plaatsen en verwijderen van dam-, scherm- of diepwanden en folies. Ondiepe activiteiten worden niet geregeld. Het gebruik van materialen en bouw en aanleg worden gereguleerd door landelijke regels. De bijzondere zorgplicht fungeert daarin als vangnet.

EEEEEEEEEEEEEEEE

Na sectie 3.29 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.29a Vrijstelling verbod boring uitvoeren en boorput oprichten, exploiteren of hebben in Grondwaterbeschermingsgebied

Enkele specifieke activiteiten zijn vrijgesteld van het in Artikel 3.29 opgenomen verbod op boringen en boorputten. In die gevallen weegt het belang van de activiteit, zoals boringen en boorputten ten behoeve van de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening, tijdelijke bronbemalingen of bodemonderzoek of bodemaanpak, op tegen het belang om deze te verbieden vanwege de risico’s die ze met zich meebrengen.

Sonderingen zijn ook vrijgesteld omdat de kans op permanente beschadiging van in de bodem voorkomende lagen gering is. Ook noodvoorzieningen zijn vrijgesteld. Hieronder wordt een grondwateronttrekking verstaan bestemd voor incidenteel gebruik bij calamiteiten om de veiligheid te waarborgen zoals het bestrijden van brand.

FFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.30 Verbod aanleggen buisleiding aanleggen in Grondwaterbeschermingsgebied

Transportleidingen voor transport van gevaarlijke vloeistoffen zoals kerosine vormen een belangrijke risicofactor door potentiële lekkages en kans op calamiteiten. Er moet dus worden voorkomen worden dat transportleidingen van (milieu)gevaarlijke stoffen een grondwaterbeschermingszonegrondwaterbeschermingsgebied doorkruisen. Daarom geldt een verbod op nieuwe buisleidingen, niet zijnde aardgas, in grondwaterbeschermingsgebieden. Legaal aanwezige buisleidingen mogen bij aanpassingen niet leiden tot een risicotoename. Hiervoor geldt een meldplicht (Artikel 3.38b), waarbij een risicoanalyse overlegd moet worden.

Legaal aanwezige buisleidingen mogen bij aanpassingen niet leiden tot een risicotoename. Hiervoor geldt een meldplicht bij gedeputeerde staten, waarbij een risicoanalyse moet worden overgelegd (zie Artikel 3.39a en Artikel 3.41a).

GGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.31 Verbod energietoevoeging en -onttrekkingenergie aan de bodem toevoegen of onttrekken in Grondwaterbeschermingsgebied

In afwijking van het boorverbod geldt het verbod op bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden, ongeacht de diepte waarop dit plaatsvindt. Het gaat hier namelijk naast de aantasting van het bodemprofiel, ook om andere effecten zoals temperatuurverandering en menging van grondwater van verschillende kwaliteiten.

Er is 1 uitzondering op het verbod op bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden, namelijk voor een combinatie van een open bodemenergiesysteem met een grondwatersanering. Daarbij heeft de toepassing van het bodemenergiesysteem een significant positief effect op de afbraak van een (grondwater-)verontreiniging in het betreffende grondwaterbeschermingsgebied. Dit kan bijvoorbeeld de toevoeging zijn van bacteriën via het bodemenergiesysteem aan het grondwater, die de afbraak van Vluchtige OrganoChloor-verbindingen (VOCL) bevorderen.

In grondwaterbeschermingsgebieden geldt een verbod op het onttrekken of toevoegen van energie aan de bodem, ongeacht de diepte waarop dit plaatsvindt. Bekende vormen hiervan zijn (open en gesloten) bodemenergiesystemen. Dergelijke systemen verstoren de beschermende werking van de bodem en kunnen door temperatuurverandering en menging van grondwater van verschillende kwaliteiten, de grondwaterkwaliteit negatief beïnvloeden.

Op dit verbod geldt een uitzondering, namelijk wanneer gekozen wordt voor een combinatie van een open bodemenergiesysteem met een grondwatersanering. Hiervoor is een vergunningplicht opgenomen in Artikel 3.35.

HHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.32 Verbod meststoffen op of in de bodem brengen in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit verbod geldt voor zuiveringsslib en secundaire meststoffen, waarvan onbekend en onzeker is hoe de samenstelling is.

Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om meststof op of in de bodem aan te brengen, tenzij voor deze meststof in Artikel 3.32a een vrijstelling opgenomen is.

IIIIIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.32a Vrijstelling verbod meststoffenmeststof op of in de bodem brengen in Grondwaterbeschermingsgebied

JJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.33 Verbod hemelwater via diepinfiltratie in grondwater lozen in Grondwaterbeschermingsgebied

Wanneer hemelwater door diepinfiltratie (diepte groter dan 10 meter beneden maaiveld) in de bodem wordt gebracht, mist dit water de filterende werking van de eerste meters van de bodem. Daardoor kan het op een diepte groter dan 10 meter beneden maaiveld inbrengen van (afstromend) hemelwater een dermate groot risico voor de kwaliteit van het grondwater vormen dat dit niet is toegestaan binnen grondwaterbeschermingsgebieden.

Bij diepinfiltratie (vanaf 10 meter onder maaiveld) wordt opgevangen hemelwater in watervoerende lagen in de ondergrond gebracht. Binnen kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden vormt diepinfiltratie een groot risico, omdat een eventuele verontreiniging zonder de reinigende werking (natuurlijke afbraak, adsorptie aan bodemdeeltjes) van een bodempassage direct in het watervoerende pakket kan doordringen. Het niet naleven van regels, de ondeugdelijkheid van voorzieningen of het maken van fouten kan vergaande gevolgen hebben. Daarnaast is in geval van calamiteiten het probleem moeilijk beheersbaar. Een voorbeeld van zo’n fout is het per ongeluk aansluiten van riolering, of het lozen van vuil water op een hemelwaterkolk (straat- of trottoirput), waardoor vuil water in een hemelwaterriool terecht kan komen. Als dit water diep wordt geïnfiltreerdgeïnfiltreerd wordt, kan dit een drinkwaterbron onbruikbaar maken.

KKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.34 Vrijstelling verbod boorputten, boren of grondwerken in Grondwaterbeschermingsgebied

Enkele specifieke activiteiten worden in dit artikel vrijgesteld van het verbod op boorputten, boren en grondwerken. In die gevallen weegt het belang van de activiteit, zoals grondwatermetingen in verband met de waterwinning, tijdelijke bronbemaling of bodemonderzoek/-aanpak, op tegen het belang om deze te verbieden vanwege de risico’s die ze met zich meebrengen. Sonderingen zijn vrijgesteld omdat de kans op permanente beschadiging van in de bodem voorkomende lagen gering is. Ook noodvoorzieningen zijn vrijgesteld. Hieronder wordt een grondwateronttrekking verstaan bestemd voor incidenteel gebruik bij calamiteiten om de veiligheid te waarborgen zoals het bestrijden van brand.

Ontgrondingen zijn ook vrijgesteld. Gedeputeerde staten verlenen hiervoor als bevoegd gezag vergunning op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gedeputeerde staten geven er de voorkeur aan in dit kader zelf te bepalen wanneer een ontgronding toelaatbaar is en wanneer een vergunning wordt geweigerd. Het spreekt voor zich dat de provincie terughoudend is bij het verstrekken van een vergunning in een dergelijk kwetsbaar gebied.

Horizontaal gestuurde boringen zijn ook vrijgesteld van het verbod op boorputten, boren en grondwerken. Hiervoor geldt een meldplicht (zie Artikel 3.38).

LLLLLLLLLLLLLLLL

Na sectie 3.34 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.34a Verbod bestrijdingsmiddelen opslaan en toepassen in Waterwingebied Bethunepolder

In Waterwingebied Bethunepolder geldt, net als in de andere waterwingebieden, een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Artikel 3.34b Vrijstelling verbod bestrijdingsmiddelen opslaan en toepassen in Waterwingebied Bethunepolder

Op het verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de Bethunepolder geldt alleen een uitzondering voor het beschikbaar hebben, op voorraad hebben of toepassen van een zeer geringe hoeveelheid van een bestrijdingsmiddel voor normaal (huishoudelijk) gebruik.

Aangehouden wordt een maximale hoeveelheid van 20 tot 25 kilo of liter. Het bestrijdingsmiddel moet altijd deugdelijk gebruikt worden en goed afgedicht en beschermd tegen weersinvloeden bewaard worden.

MMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.35 Vergunningplicht open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Grondwaterbeschermingsgebied

In uitzondering op het verbod om in grondwaterbeschermingsgebieden energie aan de bodem toe te voegen en te onttrekken, mag een open bodemenergiesysteem, ongeacht de diepte waarop dit plaatsvindt, wel worden gerealiseerd worden wanneer de toepassing van het bodemenergiesysteemdeze in combinatie met een grondwatersanering een significant positief effect heeft op de afbraak van een bestaande (grondwater-)verontreiniging in het betreffende grondwaterbeschermingsgebied verontreiniging. Dit kan bijvoorbeeld door de toevoeging van bacteriën via het bodemenergiesysteem aan de bodem en het grondwater, waardoor de afbraak van vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCL) wordt bevorderdbevorderd wordt. Voor deze toepassing moet een omgevingsvergunning aanaangevraagd worden gevraagd.

NNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.36 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Grondwaterbeschermingsgebied

Een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering wordt alleen afgegeven wanneer wordt aangetoond wordt dat de koppeling tussen open bodemenergie en gekozen saneringstechniek een significante bijdrage levert aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit.

OOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.37 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor het mogen realiseren van een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering in een grondwaterbeschermingsgebied. Er moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in het type en de omvang van de verontreiniging, de in te zetten saneringstechniek(en) en de wijze waarop de afbraak wordt gemonitordgemonitord wordt. Ook wordt een onderbouwing verwacht dat de koppeling tussen open bodemenergie en gekozen saneringstechniek een significante bijdrage levert aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit ten gunste van de drinkwaterwinning.

PPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.38 Meldplicht horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Horizontaal gestuurde boringen zijn vrijgesteld van het verbod op boorputten, boringen en grond- en funderingswerken in grondwaterbeschermingsgebieden. Ergeldt wel een meldplicht waarbij moet worden voldaan aan meerdere voorwaarden(Artikel 3.29).

Horizontaal gestuurd boren is een techniek die sterksteeds meer in opkomst is. Het is een betrouwbare, maar complexe manier om langere afstanden onder de grond te overbruggen waarbij kanalen, spoor- of snelwegen en gebouwen doorkruist moeten worden doorkruist. Horizontale gestuurde boringen worden vooral gebruikt voor de aanleg van ondergrondse infrastructuur, zoals gas-, elektra-, water- en rioolleidingen. Ze gaan over het algemeen tot een diepte van 3 meter tot 20 meter onder maaiveld. In uitzonderlijke gevallen worden de leidingen gelegd tot een diepte van 30 meter tot 35 meter onder maaiveld.

Horizontaal gestuurd boren voor kabels en leidingen biedt een aantal voordelen in vergelijking met reguliere aanlegtechnieken. Het maakt een snelle uitvoering van complexe projecten mogelijk met minimale impact op de omgeving, zowel bovengronds als in de bodem. Ook zijn de uitvoeringskosten relatief laag. Er is ook een aantal risico’s waar rekening mee gehouden moet worden gehouden. Zo moet worden voorkomen worden dat verontreinigingen in de bodem of rondom de boorput door de boringen verder worden verspreidverspreid worden. Ook is het belangrijk dat de boorvloeistof geen aanvullende stoffen bevat die een negatieve invloed op de bodem hebben.

Er geldt een meldplicht waarbij voldaan moet worden aan meerdere voorwaarden.

QQQQQQQQQQQQQQQQ

Na sectie 3.38 worden negen secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.38a Meldplicht aardgasleiding aanleggen, verleggen, vervangen of verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

In afwijking van het in Artikel 3.30 opgenomen verbod op buisleidingen in grondwaterbeschermingsgebieden, geldt geen verbod op het aanleggen, verleggen en verwijderen van aardgasleidingen. Dit moet wel altijd gemeld worden, ongeacht de diepte waarop deze zijn of worden aangelegd

Artikel 3.38b Meldplicht buisleiding vervangen, verleggen of verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

Transportleidingen voor transport van gevaarlijke vloeistoffen zoals kerosine vormen een belangrijke risicofactor door potentiële lekkages en kans op calamiteiten. Er moet dus voorkomen worden dat transportleidingen van (milieu)gevaarlijke stoffen een grondwaterbeschermingsgebied doorkruisen. Daarom geldt een verbod op nieuwe buisleidingen, niet zijnde aardgas, in grondwaterbeschermingsgebieden (zie Artikel 3.30). Legaal aanwezige leidingen mogen bij aanpassingen niet leiden tot een risicotoename. Hiervoor geldt een meldplicht, waarbij een risicoanalyse overlegd moet worden.

Artikel 3.38c Meldplicht grondwerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Grondwerken is het uitvoeren of uit laten voeren van werken op of in de bodem. Hierbij worden ingrepen uitgevoerd of stoffen gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken en het plaatsen en verwijderen van dam-, scherm- of diepwanden en folies. Het verstoren van in de bodem voorkomende beschermende lagen vormt een risico voor de kwaliteit van het grondwater en moet zoveel mogelijk voorkomen worden.

Om ontwikkelingen in grondwaterbeschermingsgebieden niet volledig onmogelijk te maken, is besloten om grondwerken waarbij na verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig hersteld wordt dat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor het grondwerk, wel mogelijk te maken. Hiervoor geldt wel een meldplicht. Ook zijn voor enkele grondwerken een vrijstelling opgenomen (Artikel 3.38d).



Artikel 3.38d Vrijstelling meldplicht grondwerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

In dit artikel zijn enkele vrijstellingen op de in Artikel 3.38c opgenomen meldplicht voor het uitvoeren van grondwerken opgenomen. Dit geldt voor een bodemonderzoek en bodemsanering dat uitgevoerd wordt in het kader van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Ook ontgrondingen zijn vrijgesteld van deze meldplicht. Gedeputeerde staten verlenen hiervoor als bevoegd gezag een vergunning op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gedeputeerde staten geven er de voorkeur aan in dit kader zelf te bepalen wanneer een ontgronding toelaatbaar is en wanneer een vergunning geweigerd wordt. Het spreekt voor zich dat de provincie terughoudend is bij het verstrekken van een vergunning in een dergelijk kwetsbaar gebied.

Artikel 3.38e Meldplicht funderingswerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Het verstoren van in de bodem voorkomende beschermende lagen vormt een risico voor de kwaliteit van het grondwater. Het aanbrengen van funderingspalen is een dergelijke verstoring. Om ontwikkelingen in gebieden niet volledig onmogelijk te maken, is besloten om bepaalde funderingstechnieken wel toe te staan. Dit geldt voor funderingstechnieken waarbij gebruik gemaakt wordt van grondverdringende of in de grond gevormde funderingswerken zonder verbrede voet. Wel geldt hiervoor een meldplicht.

Artikel 3.38f Meldplicht boorput buiten gebruik stellen in Grondwaterbeschermingsgebied

Verontreinigingen kunnen via boorputten in het grondwater terechtkomen, door kortsluitstromen of door directe verontreiniging in de put. Het is daarom belangrijk dat een boorput die niet meer in gebruik is, goed afgedicht wordt. Daarmee worden de scheidende lagen en de beschermende werking van de bodem hersteld. Er geldt daarom een meldplicht voor het buiten gebruik stellen van een boorput. Daarbij moet binnen maximaal 2 weken na buitengebruikstelling van de boorput deze afgedicht zijn door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.



Artikel 3.38g Meldplicht heipaal verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Langerak, Soestduinen en Woerden

Het verwijderen van heipalen heeft gevolgen voor de beschermende werking van de klei- en veenlagen. Mogelijk aanwezige verontreinigingen kunnen via het ontstane gat vanaf maaiveld naar het onderliggende watervoerende pakket getransporteerd worden. Dit is ongewenst en moet zoveel mogelijk voorkomen worden.

Voor de grondwaterbeschermingsgebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Soestduinen en Woerden is de verplichting opgenomen om bij het verwijderen van heipalen het ontstane gat af te vullen met bentoniet. Er is speciaal voor deze grondwaterbeschermingsgebieden gekozen, omdat het grondwater hier gewonnen wordt uit het ondiepe, eerste watervoerend pakket dat niet of nauwelijks beschermd wordt door een afsluitende kleilaag. Bij de andere winningen bevindt deze kleilaag zich pas op een diepte van 10 meter of meer onder maaiveld.



Artikel 3.38h Meldplicht risicovolle stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Er geldt in grondwaterbeschermingsgebieden een meldplicht voor het opslaan en toepassen van een risicovolle stof, zoals aangewezen in Bijlage VI Stoffenlijst onder C.

Tanks met een risicovolle stof mogen in grondwaterbeschermingsgebieden een inhoud hebben van maximaal 5 m3 (5.000 liter), of in de hoeveelheid zoals in de tabel Bijlage VII Tabel hoeveelheidsdrempel voor stoffen staat. Dit geldt per stof en ook voor mengsels waarin een risicovolle stof voorkomt in een concentratie van meer dan 0,1massa-%. Wel geldt hier een meldplicht voor, tenzij het om hele geringe hoeveelheden gaat. Compartimenteren is niet toegestaan. Opslag moet bovengronds en boven een vloeistofdichte bodemvoorziening plaatsvinden. Toepassing gebeurt bij voorkeur boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Toepassing mag ook boven een vloeistofkerende voorziening, als voldaan wordt aan de eisen zoals opgenomen in de landelijke wetgeving (beheermaatregelen enzovoorts).

Onder toepassing worden onder andere werkzaamheden in (garage)werkplaatsen en spuitcabines verstaan, maar ook het aftanken van voertuigen en laad- en losactiviteiten van vrachtwagens vallen hier onder. Mocht landelijke regelgeving strengere eisen stellen aan bepaalde voorzieningen, dan zijn die regels van toepassing.



Artikel 3.38i Vrijstelling meldplicht risicovolle stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

De toepassing van zeer kleine hoeveelheden van een risicovolle stof, namelijk minder dan 25 liter of kilogram, is vrijgesteld van de in Artikel 3.38h opgenomen meldplicht.

RRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.39 Meldplicht boorputten en grond- en funderingswerken in Grondwaterbeschermingsgebied

Deze meldplicht geldt voor grondwerken, funderingen en afdichting van boorputten beneden de in het betreffende grondwaterbeschermingsgebied geldende dieptegrens.

Het verstoren van in de bodem voorkomende beschermende lagen vormt een risico voor de kwaliteit van het grondwater. Om ontwikkelingen in gebieden niet volledig onmogelijk te maken is besloten om bepaalde grond- en funderingswerken wel mogelijk te maken. Dit geldt voor grondwerken waarbij na verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken. Daarnaast geldt dit voor grondverdringende of in de grond gevormde funderingswerken zonder verbrede voet.

Verontreinigingen kunnen via boorputten in het grondwater terecht komen, door kortsluitstromen of door directe verontreiniging in de put. Het is daarom belangrijk dat een boorput die niet meer in gebruik is goed wordt afgedicht. Daarmee worden de scheidende lagen en de beschermende werking van de bodem hersteld.

Het trekken en verwijderen van heipalen uit de grond heeft gevolgen voor de beschermende werking van de klei- en veenlagen. Mogelijk aanwezige verontreinigingen kunnen via het ontstane gat vanaf maaiveld naar het onderliggende watervoerende pakket worden getransporteerd. Dit is ongewenst en moet worden voorkomen. Daarom is voor de gebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Soestduinen en Woerden de verplichting opgenomen om bij het verwijderen van heipalen het ontstane gat af te vullen met bentoniet. Er is speciaal voor deze grondwaterbeschermingsgebieden gekozen, omdat het grondwater hier gewonnen wordt uit het ondiepe, eerste watervoerend pakket dat niet of nauwelijks wordt beschermd door een afsluitende kleilaag. Bij de andere winningen bevindt deze kleilaag zich pas op een diepte van 10 meter onder maaiveld of dieper. De kans dat fundering tot door deze diepere kleilagen lagen wordt aangebracht, is, gezien de diepte en het bovenliggende zandpakket, praktisch nihil. Voor het verwijderen van heipalen geldt een meldplicht.

SSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.39a Meldplicht aardgas- en buisleidingen in Grondwaterbeschermingsgebied

Voorkomen moet worden dat transportleidingen van (milieu)gevaarlijke stoffen een grondwaterbeschermingsgebied doorkruisen. Daarom geldt een verbod op nieuwe buisleidingen, niet zijnde aardgas, in grondwaterbeschermingsgebieden. Legaal aanwezige leidingen mogen bij aanpassingen niet leiden tot een risicotoename. Hiervoor geldt een meldplicht, waarbij de risicoanalyse overlegd moet worden.

Voor het aanleggen, verleggen en verwijderen van aardgasleidingen geldt geen verbod. Dit moet wel altijd worden gemeld, ongeacht de diepte waarop deze zijn of worden aangelegd.

-

TTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.40 Indieningsvereisten melding horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor het uitvoeren van een horizontaal gestuurde boring in een grondwaterbeschermingsgebied. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in de kenmerken van de horizontaal gestuurde boring (lengte, diepte, diameter, doel) en dat wordt voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in Artikel 3.38.

UUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.41 Indieningsvereisten melding aanleg van aardgasleidingaardgasleiding aanleggen, verleggen, vervangen of verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor de aanleg van een aardgasleiding in een grondwaterbeschermingsgebied. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in de kenmerken van de leiding (lengte, diepte, diameter, fundering) en het te gebruiken afdichtmateriaal.

VVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.41a Indieningsvereisten melding aanleg, verleggen of verwijderen van een buisleiding, niet zijnde aardgas, in Grondwaterbeschermingsgebied Indieningsvereisten melding buisleiding verleggen, vervangen of verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor de aanleg van een buisleiding niet zijnde- geen aardgas - in een grondwaterbeschermingsgebied. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in de kenmerken van de leiding (lengte, diepte, diameter, fundering) en het te gebruiken afdichtmateriaal. TevensDaarnaast moet een risicoanalyse van een deskundige overeenkomstig de Handreiking "Publicatiereeks gevaarlijke stoffen”worden overlegdaanleverd worden. In deze risicoanalyse wordt aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door het aanleggenverleggen, verleggenvervangen of verwijderen gelijk blijft of vermindert ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.

WWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.42 Indieningsvereisten melding grondwerken uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor het uitvoeren van grondwerken in een grondwaterbeschermingsgebied beneden de geldende dieptegrens. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in het doel en de omvang van de ontgraving en hoe het bodemprofiel wordt hersteldhersteld wordt.

XXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.43 Indieningsvereisten melding funderingswerken uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor het uitvoeren van funderingswerken in een grondwaterbeschermingsgebied beneden de geldende dieptegrens. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in de (grondverdringende) funderingstechniek en de diepte ervan.

YYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.44 Indieningsvereisten melding buitengebruikstelling boorput buiten gebruik stellen in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor het buiten gebruik stellen van een boorput beneden de in een grondwaterbeschermingsgebied geldende dieptegrens. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in het aantal boorputten dat buiten gebruik wordt genomen wordt en welk afdichtmateriaal daarvoor wordt gebruiktgebruikt wordt.

ZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.45 Indieningsvereisten melding verwijdering heipaal verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor het verwijderen van heipalen in de grondwaterbeschermingsgebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in het aantal te verwijderen heipalen, tot welke diepte ze worden verwijderd worden en welk materiaal wordt gebruikt wordt om de ontstane ruimte af te dichten.

AAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.88 Toepassingsbereik grondverzet en rommelterrein

Eerste lid: Deze afdeling is van toepassing op het storten, ophogen, egaliseren en inrichten of hebben van een stortplaats of rommelterrein in het landelijk gebied.

[Vervallen]

BBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.91a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondverzet

De belangenafweging is dwingend van karakter en biedt geen ruimte om rekening te houden met andere belangen dan de belangen genoemd in Artikel 3.87.

[Vervallen]

CCCCCCCCCCCCCCCCC

Na sectie 3.45 worden tien secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.45a Indieningsvereisten risicovolle stoffen opslaan of toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor het toepassen of opslaan van een risicovolle stof in grondwaterbeschermingsgebied. Hierbij moet in ieder geval inzicht gegeven worden in welke stof toegepast of opgeslagen wordt, in welke hoeveelheid, welk doel de opslag of toepassing heeft en welke bodembeschermende voorzieningen en maatregelen getroffen worden.



Artikel 3.45b Maatwerkvoorschriften schadelijke en risicovolle stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

In dit artikel is opgenomen dat gedeputeerde staten maatwerkvoorschriften kunnen verbinden aan activiteiten die te maken hebben met het toepassen en opslaan van schadelijke en risicovolle stoffen. Met de maatwerkvoorschriften kan afgeweken worden van het bepaalde in de voor deze activiteiten geldende verboden en meldplichten.

Artikel 3.45c Informatieplicht horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

-

Artikel 3.45d Informatieplicht aardgasleiding aanleggen, vervangen, verleggen en verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

-

Artikel 3.45e Informatieplicht buisleiding vervangen, verleggen en verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied

-

Artikel 3.45f Informatieplicht grondwerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

-

Artikel 3.45g Informatieplicht funderingswerk uitvoeren in Grondwaterbeschermingsgebied

-

Artikel 3.45h Informatieplicht boorput buiten gebruik stellen in Grondwaterbeschermingsgebied

-

Artikel 3.45i Informatieplicht heipaal verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Langerak, Soestduinen en Woerden

-

Artikel 3.45j Informatieplicht risicovolle stoffen opslaan en toepassen in Grondwaterbeschermingsgebied

-

DDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.46 Eis buitengebruikstelling boorput in Grondwaterbeschermingsgebied

Aanvullend op de in Artikel 3.44 genoemde meldingsvereisten laat de eigenaar of exploitant binnen maximaal 2 weken na buitengebruikstelling van de boorput deze afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.

-

EEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.47 Eis verwijdering heipalen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden

Om te voorkomen dat via het door het verwijderen van de heipalen ontstane gat verontreinigingen naar grotere diepte kunnen worden verplaatst, moet bij verwijdering van heipalen in de grondwaterbeschermingsgebieden van Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden het ontstane gat zoveel mogelijk worden afgedicht met bentoniet.

FFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.48 Eis lozen afstromend hemelwater lozen in Grondwaterbeschermingsgebied

Het afkoppelen van verharde oppervlakten zoals daken, wegen of parkeerplaatsen draagt bij aan het langer vasthouden van water in een gebied. Dit is gunstig voor de aanvulling van de grondwatervoorraad, zeker met de huidige droge zomers. Sommige van deze oppervlakten vormen vanwege materiaalgebruik of intensief gebruik een risico voor de kwaliteit van het grondwater en dat is in grondwaterbeschermingsgebieden onwenselijk. Afstromend hemelwater van verharde oppervlakten mag ook in grondwaterbeschermingsgebieden worden afgekoppeldafgekoppeld worden, mits minimaalin ieder geval de LeidraadLeidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie UtrechtAfkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrechtgevolgd wordt gevolgd. In de Leidraad wordt een relatie gelegd tussen het af te koppelen oppervlakte, de te verwachten vuilvracht in relatie tot het risico van afkoppelen ervan. Op basis hiervan wordt aangegeven welke oppervlakten direct afgekoppeld mogen worden afgekoppeld (ja), welke onder bepaalde voorwaarden (ja, mits) en welke niet (nee), zodat ook in grondwaterbeschermingsgebieden het hemelwater zo lang mogelijk vastgehouden kan worden vastgehouden. Het is op grond van Artikel 3.33 wel verboden om water via diepinfiltratie in de bodem te brengen.

GGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.49 Eis aanleggen parkeerplaats aanleggen in Grondwaterbeschermingsgebied

Uit onderzoek is gebleken dat, gezien de huidige conditie van motorrijtuigen, parkeren niet langer als een groot risico voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater gezien hoeft te worden gezien. Daarom mogen (de meeste) verharde en onverharde parkeerplaatsen in een grondwaterbeschermingsgebied worden aangelegd en behouden worden. Hierbij moet verontreiniging van de bodem en het grondwater wel zoveel mogelijk worden voorkomenvoorkomen worden. Dit kan bijvoorbeeld door een verharde parkeerplaats met een vloeistofdichte bodemvoorziening aan te sluiten op het riool. Een verharde parkeerplaats met vloeistofdichte bodemvoorziening kan ook worden afgekoppeldafgekoppeld worden, als minimaalin ieder geval de ‘Leidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrecht’Leidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrecht gevolgd wordt gevolgd.

Om verontreiniging van de bodem ter plaatseop de plek van semi verharde of onverharde parkeerplaatsen te voorkomen, moet de bodem in ieder geval voldoende absorberend vermogen hebben om mogelijke verontreinigingen aan zich te kunnen binden en verdere verspreiding via het grondwater te voorkomen. Verspreiding van mogelijke verontreinigingen kan ook worden voorkomen worden door bijvoorbeeld een folie ondiep in de bodem aan te brengen. Daarnaast kan monitoring van de grondwaterkwaliteit bijdragen aan het zo veel mogelijk beperken van verspreiding van een mogelijke verontreiniging. Hoe om te gaan met semi verharde en onverharde parkeerplaatsen wordt eveneens kort behandeld in de Leidraad AfkoppelenLeidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrecht.

Op parkeren in grondwaterbeschermingsgebieden is de zorgplicht (Artikel 3.11) van toepassing.

HHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.50 Verbod mijnbouwactiviteiten uitvoeren in Boringsvrije zone

Mijnbouwactiviteiten zijn in boringsvrije zones niet toegestaan. Bij mijnbouwactiviteiten zijn te veel risico’s op verontreiniging van het grondwater. Onder mijnbouwactiviteiten wordt verstaan:

  • a.

    het opsporen van delfstoffen;

  • b.

    het opsporen of winnen van aardwarmte;

  • c.

    het opslaan van stoffen en alle activiteiten die ondersteunend zijn aan de voorgenoemde activiteiten.

Onder andere (diepe) geothermie is dus niet toegestaan in de boringsvrije zones.

IIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.51 Verbod boorputten, boren en grond- of funderingswerken in Boringsvrije zone Verbod boring uitvoeren en boorput oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

In de ondergrond komt een afwisseling van zand/grind (waterdoorlatend) en klei/veen (waterremmend) voor. Deze waterremmende lagen beschermen het grondwater en daarmee de waterwinning tegen invloeden van activiteiten op of in de bodem. Om nadelige effecten op deze beschermende lagen en het diepere grondwater zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen boringsvrije zones dieptegrenzen aangewezen. Beneden deze dieptegrens mag in principe geen verstoring van de bodem plaatsvinden. De dieptegrenzen verschillen voor de verschillende boringsvrije zones, omdat de bodemopbouw en daarmee de diepteligging van de beschermende lagen op de locaties verschillend is. Er zijn enkele waterwinningen die een boringsvrije zone hebben met 2 dieptegrenzen. Dit zijn de winningen Benschop, Langerak en Lexmond. Daarnaast zijn er meerdere winningen die naast een boringsvrije zone ook een grondwaterbeschermingsgebied hebben. Dit zijn de winningen Bilthoven, Bunnik, Cothen, Langerak, Linschoten en Rhenen.

Doorboring van de beschermende lagen vormt een risico voor de drinkwaterwinning. Door lekstromen via het boorgat of mogelijk via de boorput zelf, kunnen ongewenste stoffen/verontreinigingen in het diepere grondwater komen. Dit kan ook gebeuren als chemische middelen worden gebruikt worden om verstopping van de boorput tegen te gaan. Een eenmaal aangelegd systeem laat zich moeilijk verwijderen en het beheer van het systeem kan moeilijk controleerbaar zijn.

Grondwerken betreffen het uitvoeren of uit laten voeren van werken op of in de bodem. Hierbij worden ingrepen uitgevoerd, of stoffen gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken en het plaatsen en verwijderen van dam-, scherm- of diepwanden en folies. Ondiepe activiteiten worden niet geregeld. Het gebruik van materialen wordt gereguleerd door landelijke regels.

De specifieke zorgplicht fungeert daarin als vangnet.

JJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 3.5 Gesloten stortplaats

Uit de lijst van vergunningplichtige activiteiten in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is een aantal activiteiten niet overgenomen door provincie. Hier is voor gekozen, omdat deze activiteiten op een gesloten stortplaats geen schade zullen toebrengen aan de deklaag. Hierbij kan gedacht worden aan het plaatsen van handelsreclame op of aan een onroerende zaak op een gesloten stortplaats.

[Vervallen]

KKKKKKKKKKKKKKKKK

Na sectie 3.51 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.51a Vrijstelling verbod boring uitvoeren en boorput oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

Enkele specifieke activiteiten worden in dit artikel vrijgesteld van het verbod op boren en boorputten. Het gaat hier onder andere om de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening, maar ook om tijdelijke bronbemaling of bodemonderzoek of bodemsanering. Het belang van dergelijke activiteiten weegt op tegen het belang om deze te verbieden vanwege de risico’s van die dergelijke activiteiten met zich meebrengen. Ook sonderingen zijn vrijgesteld, omdat de kans op permanente beschadiging van in de bodem voorkomende lagen gering is.

Ook noodvoorzieningen zijn vrijgesteld. Hieronder worden onttrekkingsbronnen verstaan die bestemd zijn voor incidenteel gebruik bij calamiteiten om de veiligheid te waarborgen, zoals het bestrijden van brand.



LLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.52 Verbod energietoevoegingenergie aan bodem onttrekken en -onttrekkingtoevoegen in Boringvrije zone

Het is in principe niet verboden om in boringsvrije zones energie aan de bodem toe te voegen of te onttrekken, bijvoorbeeld door middel van een bodemenergiesysteem. Wel is het verboden om energie toe te voegen en te onttrekken in boringsvrije zones op een diepte groter dan de inhet artikelArtikel 3.51aangegeven dieptegrens in de boringsvrije zone waar het om gaat.

MMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.103 Oogmerk gesloten stortplaats

De regels in deze paragraaf hebben tot doel het milieu te beschermen. Activiteiten op gesloten stortplaatsen kunnen grote gevolgen hebben voor het milieu. Voor het in werking treden van de wet was de provincie op grond van artikel 3.4 Besluit omgevingsrecht het bevoegd gezag over vergunningplichtige activiteiten op gesloten stortplaatsen. Met het in werking treden van de wet is de provincie niet langer automatisch bevoegd gezag over gesloten stortplaatsen. De provincie kan regels stellen om te zorgen dat zij betrokken blijven bij het toelaten van activiteiten op gesloten stortplaatsen. Provincies zijn vrij te kiezen hoe ze dit doen. De provincie Utrecht heeft gekozen voor een beleidsneutrale omzetting van de regels. Dit houdt in dat de provincie in de omgevingsverordening een aanvullende vergunningplicht heeft opgenomen voor bepaalde activiteiten op gesloten stortplaatsen, die in het oude recht vergunningplichtig waren op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit gaat om activiteiten die risico's opleveren voor het milieu, zoals het uitvoeren van bouwactiviteiten of het kappen van bomen. Dit zijn activiteiten waarbij de deklaag op de stortplaats aangetast kan worden, wat grote gevolgen kan hebben voor de bodem en het grondwater.

[Vervallen]

NNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.53 Vrijstelling verbod boorputten, boringen en grondwerken in Boringsvrije zone

Enkele specifieke activiteiten worden in dit artikel vrijgesteld van het verbod op boorputten, boren en grondwerken. In die gevallen weegt het belang van grondwatermetingen in verband met de drinkwaterwinning, een tijdelijke bronbemaling of een bodemonderzoek/-aanpak op tegen het belang om deze te verbieden vanwege de risico’s van die dergelijke activiteiten met zich meebrengen. Ook sonderingen zijn vrijgesteld, omdat de kans op permanente beschadiging van in de bodem voorkomende lagen gering is. Ook noodvoorzieningen zijn vrijgesteld. Hieronder worden onttrekkingsbronnen verstaan die bestemd zijn voor incidenteel gebruik bij calamiteiten om de veiligheid te waarborgen, zoals het bestrijden van brand.

Ontgrondingen zijn ook vrijgesteld, omdat gedeputeerde staten als bevoegd gezag hiervoor vergunning verleent op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De provincie geeft er voorkeur aan in dit kader aan te geven wanneer een ontgronding toegestaan is en wanneer een vergunning wordt geweigerd. Het spreekt voor zich dat de provincie terughoudend is bij het verstrekken van een vergunning in een kwetsbaar gebied.

OOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.104 Toepassingsbereik gesloten stortplaats

Voor het in werking treden van de wet was de provincie op grond van artikel 3.4 Besluit omgevingsrecht het bevoegd gezag over vergunningplichtige activiteiten op gesloten stortplaatsen. Met het in werking treden van de wet is de provincie niet langer automatisch bevoegd gezag over gesloten stortplaatsen. De provincie kan regels stellen om te zorgen dat zij betrokken blijven bij het toelaten van activiteiten op gesloten stortplaatsen. Provincies zijn vrij te kiezen hoe ze dit doen.

De provincie Utrecht heeft gekozen voor een beleidsneutrale omzetting van de regels. Dit houdt in dat de provincie in de omgevingsverordening een aanvullende vergunningplicht heeft opgenomen voor bepaalde activiteiten op gesloten stortplaatsen, die in het oude recht vergunningplichtig waren op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit gaat om activiteiten die risico's opleveren voor het milieu, zoals het uitvoeren van bouwactiviteiten of het kappen van bomen. Dit zijn activiteiten waarbij de deklaag op de stortplaats aangetast kan worden, wat grote gevolgen kan hebben voor de bodem en het grondwater.

Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ook activiteiten in strijd met het bestemmingsplan vergunningplichtig. Deze vergunningplicht is niet eenduidig op te nemen in de omgevingsverordening, omdat het om veel verschillende soorten activiteiten gaat. Daarom heeft de provincie in deze verordening alle omgevingsplanactiviteiten (activiteiten waarvoor een vergunningplicht geldt op grond van het omgevingsplan, of activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan) die plaatsvinden op een gesloten stortplaats aangewezen als omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. Op grond van artikel 5.10 van de wet en artikel 4.6 lid 1 onder a Omgevingsbesluit zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag voor een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang, zodat de provincie kan bepalen of dergelijke activiteiten op een gesloten stortplaats kunnen plaatsvinden.

[Vervallen]

PPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.54 Vergunningplicht open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Boringsvrije zone

In uitzondering op het verbod om in boringsvrije zones beneden de geldende dieptegrens energie aan de bodem toe te voegen en te onttrekken, mag een open bodemenergiesysteem wel beneden de dieptegrens worden gerealiseerd worden wanneer de toepassing van het bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering een significant positief effect heeft op de afbraak van een (grondwater-)verontreiniging in de betreffende boringsvrije zone. Dit kan bijvoorbeeld door de toevoeging van bacteriën via het bodemenergiesysteem aan de bodem en het grondwater, waardoor de afbraak van vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCL) wordt bevorderdbevorderd wordt. Voor deze toepassing moet een omgevingsvergunning aan worden gevraagdaangevraagd.

QQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.55 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Boringsvrije zone

Een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering wordt alleen afgegeven wanneer wordt aangetoond wordt dat de koppeling tussen open bodemenergie en gekozen saneringstechniek een significante bijdrage levert aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit.

RRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.56 Vergunningplicht boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

Op grond van Artikel 3.51 is het verboden om in de daar aangegeven boringsvrije zones beneden de geldende dieptegrens boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. In dit artikel wordt hierop een uitzondering gemaakt. Met een omgevingsvergunning is het oprichten van een boorput voor het onttrekken van grondwater voor industriële winning ten behoeve vanvoor menselijke consumptie toegestaan.

SSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.56a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

Een omgevingsvergunning voor een boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie wordt alleen afgegeven wanneer wordt aangetoond wordt dat het grondwater wordt ingezet wordt binnen een onderdeel van het productieproces voor menselijke consumptie waarvoor een dergelijk hoge waterkwaliteit noodzakelijk is.

TTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.57 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering aanleggen of gebruiken in Boringsvrije zone

Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor het mogen realiseren van een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering in een boringsvrije zone beneden de geldende dieptegrens. Er moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in het type en de omvang van de verontreiniging, de in te zetten saneringstechniek(en) en de wijze waarop de afbraak wordt gemonitordgemonitord wordt. Ook wordt een onderbouwing verwacht dat de koppeling tussen open bodemenergie en gekozen saneringstechniek een significante bijdrage levert aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit ten gunste van de drinkwaterwinning.

UUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.58 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie oprichten, exploiteren of hebben in Boringsvrije zone

Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor het mogen realiseren van een boorput voor een winning voor menselijke consumptie in een boringsvrije zone beneden de geldende dieptegrens. Er moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in het productieproces, waarbij wordt aangetoond wordt dat het onttrokken water in aanraking komt met producten voor menselijke consumptie waar een dergelijk hoge waterkwaliteit voor nodig is. Aanvullend moet inzicht worden gegeven worden in waterbesparingsplannen om aan te tonen dat zo zuinig als mogelijk met het water wordt omgegaanomgegaan wordt.

VVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.59 Meldplicht horizontaal gestuurde boringenboring uitvoeren in Boringsvrije zone

Horizontaal gestuurde boringen zijn vrijgesteld van het verbod op boorputten, boringen en grond- en funderingswerkenboringen in boringsvrije zones. Er geldt wel een meldplicht waarbij voldaan moet worden voldaan aan meerdere voorwaarden.

Horizontaal gestuurd boren is een techniek die sterk in opkomst is. Het is een betrouwbare, maar complexe techniek om langere afstanden ondergronds te overbruggen waarbij kanalen, spoor- of snelwegen en gebouwen moeten worden doorkruistdoorkruist worden. Horizontaal gestuurde boringen worden vooral gebruikt voor de aanleg van ondergrondse infrastructuur, zoals gas-, elektra-, water- en rioolleidingen. Ze gaan over het algemeen tot een diepte van 3 meter tot 20 meter onder maaiveld. In uitzonderlijke gevallen worden de leidingen gelegd tot een diepte van 30 meter tot 35 meter onder maaiveld.

Horizontaal gestuurd boren biedt een aantal voordelen in vergelijking met reguliere aanlegtechnieken. Het maakt een snelle uitvoering van complexe projecten mogelijk met minimale impact op de bovengrondse omgeving. Ook zijn de uitvoeringskosten relatief laag. Er is ook een aantal risico’s waar rekening mee gehouden moet worden gehouden. Zo moet worden voorkomen worden dat verontreinigingen in de bodem of rondom de boorput door de boringen verder worden verspreidverspreid worden. Ook is het belangrijk dat de boorvloeistof geen aanvullende stoffen bevat die een negatieve invloed op de bodem hebben.

WWWWWWWWWWWWWWWWW

Na sectie 3.59 worden drie secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.59a Meldplicht grondwerk uitvoeren in Boringsvrije zone

Grondwerken betreft het uitvoeren of uit laten voeren van werken op of in de bodem. Hierbij worden ingrepen uitgevoerd of stoffen gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken en het plaatsen en verwijderen van dam-, scherm- of diepwanden en folies.

Het verstoren van in de bodem voorkomende beschermende lagen vormt een risico voor de kwaliteit van het grondwater en daarmee voor de drinkwatervoorziening. Daarom is het verboden om zonder melding grondwerken uit te voeren in boringsvrije zones. Om ontwikkelingen in gebieden niet volledig onmogelijk te maken, is besloten om bepaald grondwerk wel mogelijk te maken. Dit geldt voor grondwerken waarbij na verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld wordt dat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor het grondwerk. Wel geldt hiervoor een meldplicht.

Artikel 3.59b Vrijstelling meldplicht grondwerk uitvoeren in Boringsvrije zone

Op de meldplicht voor het uitvoeren van grondwerken (Artikel 3.59a) is een aantal vrijstellingen van toepassing. Er geldt een vrijstelling voor een bodemonderzoek of bodemsanering die uitgevoerd wordt in het kader van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Ook ontgrondingen zijn vrijgesteld. Gedeputeerde staten verlenen hiervoor als bevoegd gezag een vergunning op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gedeputeerde staten geven er de voorkeur aan in dit kader zelf te bepalen wanneer een ontgronding toelaatbaar is en wanneer een vergunning geweigerd wordt. Het spreekt voor zich dat de provincie terughoudend is bij het verstrekken van een vergunning in een dergelijk kwetsbaar gebied.



Artikel 3.59c Meldplicht funderingswerk uitvoeren in Boringsvrije zone

Het verstoren van in de bodem voorkomende beschermende lagen vormt een risico voor de kwaliteit van het grondwater. Het aanbrengen van funderingspalen is een dergelijke verstoring. Om ontwikkelingen in gebieden niet volledig onmogelijk te maken, is besloten om bepaalde funderingstechnieken wel toe te staan. Dit geldt voor funderingstechnieken waarbij gebruik gemaakt wordt van grondverdringende of in de grond gevormde funderingswerken zonder verbrede voet. Wel geldt hiervoor een meldplicht.

XXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.60 Meldplicht boorputten, grond- en funderingswerkenboorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Deze meldplicht geldt uitsluitend voor grondwerken, funderingen en afdichtingen beneden de voor het betreffende boringsvrije zone geldende dieptegrens, met uitzondering van aardgasleidingen.

Het verstoren van in de bodem voorkomende beschermende lagen vormt een risico voor de kwaliteit van het grondwater. Om ontwikkelingen in gebieden volledig onmogelijk te maken is besloten om bepaalde grond- en funderingswerken wel mogelijk te maken. Dit geldt voor grondwerken waarbij na verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken. Daarnaast geldt dit voor grondverdringende of in de grond gevormde funderingswerken zonder verbrede voet.

Verontreinigingen kunnen via boorputten in het grondwater terecht komen, door kortsluitstromen of door directe verontreiniging in de put. Het is daarom belangrijk dat een boorput die niet meer in gebruik is goed wordt afgedicht. Daarmee worden de scheidende lagen en de beschermende werking van de bodem hersteld.

Het trekken en verwijderen van heipalen uit de grond heeft gevolgen voor de beschermende werking van de klei- en veenlagen. Mogelijk aanwezige verontreinigingen kunnen vanaf maaiveld naar het onderliggende watervoerende pakket worden getransporteerd. Dit is ongewenst en moet worden voorkomen. Daarom is voor de gebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Soestduinen en Woerden de verplichting opgenomen om bij het verwijderen van heipalen het ontstane gat af te vullen met bentoniet. Er is speciaal voor deze grondwaterbeschermingsgebieden gekozen omdat het grondwater hier gewonnen wordt uit het ondiep, eerste watervoerend pakket dat niet beschermd wordt door een afsluitende kleilaag. Bij de andere winningen bevindt deze kleilaag zich pas op een diepte van 10 meter onder maaiveld of dieper. De kans dat fundering tot door deze diepere kleilagen lagen wordt aangebracht, is, gezien de diepte en het bovenliggende zandpakket, praktisch nihil. Voor het verwijderen van heipalen geldt een meldplicht.

Vanwege de ondiepe dieptegrens in de boringsvrije zones van de winningen Langerak (Zuid-Holland) en Lexmond, geldt hier een meldplicht voor het buiten gebruik stellen van boorputten. Verontreinigingen kunnen via boorputten in het grondwater terechtkomen, door kortsluitstromen langs de boorwand of door directe verontreiniging via de put. Het is daarom belangrijk dat buiten gebruik gestelde boorputten goed afgedicht worden. Daarmee worden de scheidende lagen en de beschermende werking van de bodem zoveel mogelijk hersteld. Er geldt daarom een meldplicht voor het buiten gebruik stellen van een boorput. Daarbij moet binnen maximaal 2 weken na buitengebruikstelling van de boorput deze afgedicht zijn door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.

YYYYYYYYYYYYYYYYY

Na sectie 3.60 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.60a Meldplicht heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Vanwege de ondiepe dieptegrens in de boringsvrije zones van de winningen Langerak (Zuid-Holland) en Lexmond, geldt hier een meldplicht voor het verwijderen van heipalen. Het trekken en verwijderen van heipalen uit de grond heeft gevolgen voor de beschermende werking van de klei- en veenlagen. Mogelijk aanwezige verontreinigingen kunnen via de achtergebleven ruimte vanaf maaiveld naar het onderliggende watervoerende pakket getransporteerd worden. Dit is ongewenst en moet voorkomen worden. Daarom is voor de boringsvrije zones van Langerak en Lexmond de verplichting opgenomen om bij het verwijderen van heipalen het ontstane gat af te vullen met bentoniet.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.61 Indieningsvereisten melding horizontaal gestuurde boringen in Boringsvrije zone

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor het uitvoeren van een horizontaal gestuurde boring in een boringsvrije zone beneden de geldende dieptegrens. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in de kenmerken van de horizontaal gestuurde boring (lengte, diepte, diameter, doel) en dat wordt voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in Artikel 3.59.

AAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.5 Oogmerk provinciale weg

Eerste lid: Deze regels zijn bedoeld om te zorgen dat er geen schade ontstaat aan de provinciale weg en dat deze veilig en doelmatig kan worden gebruikt. Daarbij hoort ook het belang van onderhoud van de provinciale weg. Het eerste lid van deze regels is gelijk aan wat er is bepaald voor rijkswegen, zoals geregeld in artikel 8.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Tweede lid: In dit lid is een ruimere reikwijdte van de bepalingen opgenomen. In het eerste lid staan alleen de mobiliteitsbelangen. Op grond van het tweede lid kan ook rekening worden gehouden met belangen als landschap, natuur en cultuurhistorie. Een voorbeeld: Kabels en leidingen kunnen niet zomaar overal in de bermen liggen. Er moet rekening worden gehouden met archeologische waarden en met bomen die van cultuurhistorische waarde zijn. Soms worden kabels en leidingen verlegd om een doorgang voor dieren (faunapassage) te realiseren over, door of onder een barrière (bijvoorbeeld onder de weg door, of langs een viaduct). Dan gaat het om het belang van landschappelijke en natuurwaarden waar rekening mee moet worden gehouden. Infrastructuur wordt ook aangelegd vanuit de belangen van recreatie en toerisme, denk aan fietspaden.

[Vervallen]

BBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.62 Indieningsvereisten melding grondwerken in Boringsvrije zone

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor het uitvoeren van grondwerken in een boringsvrije zone beneden de geldende dieptegrens. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in het doel en de omvang van de ontgraving en hoe het bodemprofiel wordt hersteldhersteld wordt.

CCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.63 Indieningsvereisten melding funderingswerken in Boringsvrije zone

Dit artikel bevat de meldingsvereistenindieningsvereisten voor het uitvoeren van funderingswerken in een boringsvrije zone beneden de geldende dieptegrens. Hierbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven worden in de (grondverdringende) funderingstechniek en de diepte ervan.

DDDDDDDDDDDDDDDDDD

Na sectie 3.63 worden zeven secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.63a Indieningsvereisten melding boorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor het buiten gebruik stellen van een boorput in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond beneden de in de geldende dieptegrens. Hierbij moet in ieder geval inzicht gegeven worden in het aantal boorputten dat buiten gebruik gesteld wordt en welk afdichtmateriaal daarvoor gebruikt wordt.

Artikel 3.63b Indieningsvereisten melding heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor het verwijderen van heipalen in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond. Hierbij moet in ieder geval inzicht gegeven worden in het aantal te verwijderen heipalen, tot welke diepte ze verwijderd worden en welk materiaal gebruikt wordt om de ontstane ruimte af te dichten.

Artikel 3.63c Informatieplicht horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Boringsvrije zone

-

Artikel 3.63d Informatieplicht grondwerk uitvoeren in Boringsvrije zone

-

Artikel 3.63e Informatieplicht funderingswerk uitvoeren in Boringsvrije zone

-

Artikel 3.63f Informatieplicht boorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

-

Artikel 3.63g Informatieplicht heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

-

EEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.64 Eis verwijdering van heipalen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Dit artikel bevat de specifieke meldingsvereisten voor het verwijderen van heipalen in de boringsvrije zone Langerak en Lexmond. Het gat in de bodem dat achterblijft na het verwijderen van heipalen, vormt een risico voor de bescherming van het grondwater. Daarom moet het ontstane gat zoveel mogelijk worden afgedicht met bentoniet.

-

FFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.64a Eis buitengebruikstelling boorput in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond

Dit artikel bevat de specifieke meldingsvereisten voor het buiten gebruik stellen van een boorput in de boringsvrije zone van Langerak en Lexmond. Buiten gebruik genomen boorputten vormen een ‘snelweg’ naar dieper gelegen watervoerende pakketten. Niet of slecht afgedichte boorputten kunnen daar een risico vormen voor snelle verspreiding van verontreinigingen naar grotere diepte. Daarom moet de eigenaar of exploitant van de boorput binnen maximaal 2 weken na buiten gebruikstelling de boorput afdichten of laten afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.

-

GGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.66 Instructieregel programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging

Het zogenoemde gebiedsgerichte grondwaterbeheer blijft mogelijk onder de wet, maar nu in de vorm van een (onverplicht) programma (artikel 3.4 van de wetOmgevingswet). Dit artikel regelt dit. Dit artikel is niet van toepassing op een vastgesteld en goedgekeurd plan als bedoeld in artikel 55d Wet bodembescherming (hierna: Wbb) voor de gebiedsgerichte aanpak van gevallen van verontreiniging in het diepere grondwater. Deze plannen gelden na 4 jaar na inwerkingtreding van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet als een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de wetOmgevingswet. De wet gaat ervan uit dat de programma’s in samenspraak met gemeenten en waterschappen worden opgesteld.

Anders dan onder de Wbb is er geen sprake meer van goedkeuring door gedeputeerde staten van een plan dat door een ander bestuursorgaan is vastgesteld. Een ander verschil is dat het niet meer hoeft te gaan om gevallen van verontreiniging die zodanig gemengd zijn of gemengd kunnen raken dat deze gevallen niet ten opzichte van elkaar zijn te onderscheiden of dat zij elkaar bij een afzonderlijke aanpak in betekenende mate kunnen beïnvloeden. Verder kan het programma ook van toepassing zijn op grondwaterverontreinigingen die niet tot het diepere grondwater behoren.

In het laatste lid van Vijfde lid: in dit artikel is geregeld dat het programma betrekking kan hebben op gevallen van ernstige verontreiniging waarop de Wbb nog van toepassing is. Artikel 43 en artikel 55b Wbb kunnen met betrekking tot die gevallen worden ingezet als aan de voorwaarden wordt voldaan. Gedeputeerde staten gaan uiteraard niet over tot het opnemen van dergelijke gevallen in een programma als hier geen bijdrage van een initiatiefnemer of schuldig eigenaar aan de financiering van het programma tegenover staat. Dit kan in een overeenkomst worden vastgelegd.

In een programma kan worden bepaald dat bepaalde grondwaterverontreinigingen zich tot de gebiedsgrens mogen verspreiden. Ook kan worden opgenomen dat een bepaalde mate van verspreiding ten behoeve van grondwateronttrekkingen en bodemenergiesystemen toelaatbaar is.

HHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.67 Toepassingsbereik grondwatersanering

Het gaat hier om het grondwaterverontreinigingen met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico als bedoeld in Annex 2 van het Bodem- en Waterprogramma van de provincie Utrecht. Het is van belang dat grondwatersaneringen met enige waarborgen worden uitgevoerduitgevoerd worden. Met het oog hierop is geregeld dat de saneringen worden uitgevoerd worden door gecertificeerde bedrijven en dat milieukundige begeleiding verplicht is. Na afloop van een grondwatersanering moet duidelijk zijn welke gebruiksbeperkingen in acht genomen moeten worden genomen. EvenalsNet als onder de WbbWet bodem bescherming moet ernaar worden gestreefd worden dat zo min mogelijk nazorg noodzakelijk is. De artikelen zijn alleen van toepassing als de activiteit van het saneren in het grondwater verder gaat dan de activiteiten saneren van de bodem zoals bedoeld in de artikel 4.1241 en artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Als het alleen gaat om het verwijderen van de verontreinigde bodem, ook als dat in de verzadigde zone plaats vindt, dan hoeft geenniet in aanvulling op de melding die bij de gemeente gedaan moet worden, ook een aanvullende melding bij de provincie worden gedaaningediend te worden. Wanneer naast het verwijderen van de bodem er bijvoorbeeld ook sprake is van een onttrekking waarvan het oogmerk is het saneren van het grondwater, moet dezedit wel bij de provincie worden gemeld.

IIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.68 Vergunningplicht grondwatersanering

Het is niet toegestaan om een grondwatersanering van een verontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico zoals bedoeld in Artikel 3.67 uit te voeren zonder een omgevingsvergunning. In de volgende artikelen wordt aangegeven waar de omgevingsvergunning aan moet voldoen.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.69 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondwatersanering

De aanvraag voor de omgevingsvergunning wordt getoetst aan de saneringsdoelstelling uit hoofdstuk 4 van de Circulaire bodemsanering 2013. De in de aanvraag voorgestelde aanpak moet zich minimaalin ieder geval richten op het behalen van deze doelstelling. Er mag natuurlijk altijd gestreefd worden naar een beter resultaat.

KKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.70 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning grondwatersanering

Voor de informatieplicht in dit artikelindieningsvereisten is aangesloten bij hetgeen in het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald is over de milieubelastende activiteit ‘het saneren van de bodem’. Zie artikel 4.1237paragraaf 4.121van het Besluit activiteiten leefomgeving.

LLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.71 Informatieplicht start en locatie grondwatersanering

Het eerste lid bevat een informatieplicht. Het verstrekken van gegevens bevordert het houden van gericht toezicht. Aan de hand van deze gegevens kunnen gedeputeerde staten controleren of de uitvoering van de saneringgrondwatersanering en de milieukundige begeleiding worden gedaan worden door een onderneming met een erkenning.

Het tweede lid is toegevoegd om te verzekeren dat een wijziging van de gegevens ook wordt gemeldgemeld wordt. Een wijziging zal zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een andere milieukundig begeleider wordt ingezet wordt dan eerder opgegeven.

MMMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.72 Informatieplicht uitvoerder en milieukundige begeleider grondwatersanering

Het is van belang dat grondwatersaneringen met enige waarborgen worden uitgevoerduitgevoerd worden. Met het oog hierop is geregeld dat de saneringen worden uitgevoerd worden door gecertificeerde bedrijven en dat milieukundige begeleiding verplicht is.

NNNNNNNNNNNNNNNNNN

Na sectie 3.72 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.72a Informatieplicht evaluatieverslag grondwatersanering

Na afronding van de grondwatersanering wordt zo spoedig mogelijk een evaluatieverslag opgesteld volgens de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 6000. Het verslag moet opgesteld worden onder verantwoordelijkheid van het bedrijf dat de milieukundige verificatie uitvoert, in samenwerking met het bedrijf dat de milieukundige processturing uitgevoerd heeft.

In het evaluatieverslag wordt onder andere beschreven of de grondwatersanering conform de vergunningaanvraag uitgevoerd is, welk eindresultaat behaald is, of het afvalwater op een juiste manier afgevoerd is en welke gebruiksbeperkingen en nazorgmaatregelen noodzakelijk zijn.

Deze informatie wordt geregistreerd in een bodeminformatiesysteem, zodat deze opvraagbaar is als in de toekomst op de dezelfde locatie nieuwe activiteiten plaatsvinden waarbij de kwaliteit van het grondwater van belang is. De gemeente zal de informatie kunnen gebruiken om in het omgevingsplan op te nemen waar gebruiksbeperkingen gelden en waar nazorgmaatregelen in stand gehouden moeten worden.

Het evaluatieverslag hoeft - anders dan onder de Wet bodembescherming - niet goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Als het nodig is, kunnen gedeputeerde staten met toepassing van Artikel 3.76 maatwerkvoorschriften stellen naar aanleiding van een evaluatieverslag. Deze kunnen bijvoorbeeld inhouden dat bepaalde gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen die niet in het verslag beschreven zijn, noodzakelijk zijn. Of, omgekeerd, dat bepaalde beperkingen of maatregelen die wel beschreven zijn, juist niet noodzakelijk zijn.



OOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.73 Eis uitvoering van de activiteit grondwatersanering

Het eerste lid regelt dat de activiteit wordt uitgevoerd en begeleid door erkende ondernemingen. Uit het tweede liddit artikel volgt dat de grondwatersanering conform de vergunningaanvraag uitgevoerd moet worden uitgevoerd. Het indienen van een vergunningaanvraag creëert op zichzelf niet de verplichting om daadwerkelijk over te gaan tot de voorgenomen grondwatersanering. Ook onder de Wet bodembescherming hadden het indienen van een melding en een saneringsplan niet dit effect (ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3930(zie deze uitspraak, M en R 2016/51). Als echter eenmaal met de grondwatersanering is begonnenbegonnen is, moet deze ook worden voltooidvoltooid worden. Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, is degene die saneert gehouden tot uitvoering van de in de meldingvergunning beschreven andere methode om de beoogde effecten te bereiken. Dit is geregeld in het derdetweede lid. Eventueel kan de saneerder om maatwerkvoorschriften verzoeken.

PPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.74 Eis evaluatieverslag grondwatersanering

Na afronding van de grondwatersanering wordt zo spoedig mogelijk een evaluatieverslag opgesteld volgens de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 6000. Het verslag moet worden opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bedrijf dat de milieukundige verificatie uitvoert, in samenwerking met het bedrijf dat de milieukundige processturing heeft uitgevoerd. In het evaluatieverslag wordt meer beschreven of de grondwatersanering conform de melding is uitgevoerd, welk eindresultaat is behaald, of het afvalwater op een juiste manier is afgevoerd en welke gebruiksbeperkingen en nazorgmaatregelen noodzakelijk zijn. Deze informatie wordt geregistreerd in het bodeminformatiesysteem, zodat deze opvraagbaar is als in de toekomst op de dezelfde locatie nieuwe activiteiten plaatsvinden waarbij de kwaliteit van het grondwater van belang is. De gemeente zal de informatie kunnen gebruiken om in het omgevingsplan op te nemen waar gebruiksbeperkingen gelden en waar nazorgmaatregelen in stand moeten worden gehouden. Het evaluatieverslag behoeft - anders dan onder de Wet bodembescherming - niet te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Als het nodig is, kan het college van gedeputeerde staten met toepassing van Artikel 3.76 maatwerkvoorschriften stellen naar aanleiding van een evaluatieverslag. Deze kunnen bijvoorbeeld inhouden dat bepaalde gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen die niet in het verslag zijn beschreven, noodzakelijk zijn of, omgekeerd, dat bepaalde beperkingen of maatregelen die wel zijn beschreven juist niet noodzakelijk zijn.

-

QQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.26 Indieningsvereisten melding lasgaten en huisaansluitingen

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 1.12.

[Vervallen]

RRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.76 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering

In dit artikel is geregeld dat maatwerkvoorschriften gesteld kunnen worden gesteld. Hierdoor kan bijvoorbeeld een andere saneringsmethode worden voorgeschreven worden dan in de melding is beschrevenvergunningaanvraag beschreven is. Een ander voorbeeld is dat naar aanleiding van een evaluatieverslag nazorg wordt voorgeschreven. Zie over dit laatste de toelichting opArtikel 3.74wordt.

SSSSSSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.3.4 Onderzoek en maatregelen grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

TTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.77 Toepassingsbereik onderzoek en maatregelen grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

Deze paragraaf is van toepassing op de activiteithet bouwen van een bodemgevoelige locatiebodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er is voor gekozen om de aanpak van grondwaterverontreinigingen met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico aan deze activiteit te koppelen omdat dit het meest natuurlijke moment van onderzoek en eventueel opruimen is van deze verontreinigingen.

UUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.78 Eis vooronderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

In dit artikel wordt geregeld dat voordat er een bodemgevoelig gebouw wordt gebouwdgebouwd wordt, er eerst vooronderzoek naar de kwaliteit van het grondwater uitgevoerd moet worden uitgevoerd. Dit vooronderzoek moet voldoen aan de NEN 5725. Hiermee wordt aangesloten op de verplichting uit paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het doel van het onderzoek wordt uitgebreid met doelen voor grondwaterkwaliteit ten behoeve van de aanpak van verontreinigingen met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico. Als uit dit vooronderzoek geen verdenking van de aanwezigheid van een verontreiniging in de verzadigde zone van de bodem blijkt (zie Artikel 3.79) hoeft er met het oog op de aanpak van verontreinigingen met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico geen verder onderzoek worden uitgevoerduitgevoerd te worden. De noodzaak tot verder bodemonderzoek kan uiteraard nog wel komen uit de verplichtingen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

VVVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.79 Eis verkennend onderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

Als op basis van het onderzoek als bedoeld in Artikel 3.78wordt geconstateerd wordt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging in het grondwater, moet de initiatiefnemer van de activiteit bouwen van een bodemgevoelige locatiebodemgevoelig gebouw een verkennend onderzoek uitvoeren. Een verontreiniging is grondwater in minimaal 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume waarin minimaal voor 1 stof de gemiddelde gemeten concentratie hoger is dan de signaleringsparameters uit artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de aanvullende PFAS-normen die gedeputeerde staten in de beleidsregelbeleidsregel van 23 maart 2021van 23 maart 2021 heeft vastgesteldvastgesteld hebben. Dit volgt uit Annex 2 van het Bodem- en Waterprogramma van de provincie Utrecht. Bij het verkennend onderzoek wordt ook de omgevingswaarde voor de goede chemische toestand van het grondwaterlichaam als bedoeld in bijlage VCBijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving betrokken. Het onderzoek -zowel het (veldwerk alsen de laboratoriumanalyse-) moet worden uitgevoerd worden door een gecertificeerde instantie met oog op de kwaliteit van het onderzoek. Als het verkennend onderzoek hiertoe aanleiding geeft, moet een nader onderzoek worden uitgevoerd worden als beschreven in Artikel 3.80.

WWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.80 Eis nader onderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

Als uit het onderzoek in Artikel 3.79 daar aanleiding toe geeft, moet een nader grondwateronderzoek worden uitgevoerd worden dat voldoet aan de NTA 5755. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd worden door een gecertificeerde instantie.

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.81 Eis risicobeoordeling grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw

Als uit het naderonderzoek inuit Artikel 3.80 blijkt dat er sprake is van inbreng van een significante verontreiniging in het grondwater als bedoeltbedoeld in Annex 2 van het Bodem- en waterprogrammaWaterprogramma, moet de initiatiefnemer een risicobeoordeling uitvoeren. Dit betekent dat de initiatiefnemer moet beoordelen of er sprake is van een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico. De manier waarop deze risicobeoordeling uitgevoerd moet worden uitgevoerd, staat beschreven in Annex 2 van het Bodem- en waterprogramma van de provincie UtrechtWaterprogramma. Wanneer er sprake is van een verontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico moetmoeten er maatregelen genomen worden getroffen zoals beschreven in Artikel 3.82.

YYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.82 Eis maatregelen grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico bij bouwen bodemgevoelig gebouw

Als uit de risicobeoordeling zoals beschreven in Artikel 3.81 blijkt dat er sprake is van een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico die zich ten minstein ieder geval gedeeltelijk bevindt op het perceel, waar de activiteit bouwenbouwactiviteit uitgevoerd wordt uitgevoerd, bevind,dan moet er een aantalde initatiefnemer maatregelen getroffen worden door de initiatiefnemernemen. Deze maatregelen houden in dat de bronzone en de pluim van de verontreiniging op het perceel van de activiteit moetengesaneerd worden gesaneerd middelsdoor middel van een bodem- en grondwatersanering. Daarnaast moet voor zover mogelijk ook de bronzone en de pluim van de verontreiniging buiten het perceel van de activiteit worden gesaneerd middelsdoor middel van een bodem- en grondwatersanering. GezienAangezien de verontreiniging buiten het perceel van de activiteit in veel gevallen niet geheel te verwijderen is door de initiatiefnemer, verwachten we dat de initiatiefnemer hierover met de provincie in overleg treedt.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.83 Maatwerkvoorschriften maatregelen grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico bij bouwen bodemgevoelig gebouw

AAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.84 Toepassingsbereik verdenkingvermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico

Deze paragraaf is van toepassing als er een redelijk vermoeden bestaat van een grondwaterverontreinigingengrondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico in het grondwater, volgend uit Annex 2 van het Bodem- en waterprogramma van de provincie UtrechtWaterprogramma. Dit vermoeden kan ontstaan naar aanleiding van het onderzoek beschreven in Paragraaf 3.3.4, maar kan ook op andere manier ontstaan bijvoorbeeld. Bijvoorbeeld door de uitvoeruitvoering van bodemonderzoek bij activiteiten of doordat er een verontreiniging via een andere manier van monitoring wordt aangetroffen wordt in bijvoorbeeld een kwetsbaar object.

BBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.85 Informatieplicht initiatiefnemer, eigenaar of erfpachter bij vermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico

Initiatiefnemers die een activiteit uitvoeren op het betrokken grondgebied of eigenaren of erfpachters van het betrokken grondgebied zijn verplicht om informatie over een grondwaterverontreiniging te delen met de provincie Utrechtgedeputeerde staten. Deze informatie kan de provincie Utrechtgedeputeerde staten onder andere opnemen in het Bodeminformatiesysteem.

CCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.86 Informatieplicht gemeente bij vermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico

Wanneer er bij een gemeente het vermoeden ontstaat dat er sprake kan zijn van een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico, stelt ze de provinciegedeputeerde staten hiervan op de hoogte. Dit vermoeden kan bijvoorbeeld ontstaan wanneer een initiatiefnemer een melding van een activiteit doet en hierbij bodemrapporten verstrektaanlevert. Daarnaast moet hetde gemeente ook andere bestuursorganen -zoals bijvoorbeeld het waterschap bij mogelijke verspreiding naar het oppervlaktewater- informeren over het vermoeden.

DDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.87 Oogmerk grondverzet en rommelterrein

In deze Deze afdeling wordenbevat regels gesteld ten aanzien vanvoor de bescherming van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden (hierna: LNCA-waarden) in de provincie. Bij het verloren gaan van deze waarden gaat hetmoet niet alleen omgedacht worden aan grootschalige ingrepen en/of vormen van aantasting. Het gaat juist vooral om kleinschalige vormen van aantasting. Door het grotergrotere aantal en de hogere frequentie levert dat een sluipend maar daarom niet minder bedreigend proces op. Zeker ook als het gaat om vele kleine onomkeerbare aantastingen.

EEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.89 Specifieke zorgplicht grondverzet en rommelterrein

De specifieke zorgplicht is van toepassing op activiteiten die onder algemene regels vallen. De zorgplicht vertaaltzet de belangen, zoals omschreven in het oogmerk van Artikel 3.87, om naar een algemene gedragsnorm voor de gebruikers van het landelijkLandelijk gebied. De zorgplicht is een algemene regel, maar met een zeer algemene strekking. De algemene regels zijn een verdere uitwerking van de zorgplicht. De zorgplicht geldt als algemeen kader voor de activiteiten en is een vangnet voor de handhaving. Bij overtreding van een zorgplichtbepaling kan direct gehandhaafd worden alswanneer er sprake is van een evidenteduidelijke overtreding.

FFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.90 Verbod rommelterrein

Het uitgangspunt van dit artikel is een compleet verbod om in het Landelijk gebied een rommelterrein in te richten ofen te hebben, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de vrijstelling in Artikel 3.93 en wordt voldaan aan de eisen in Artikel 3.1023.90a. HetDit verbod geldt ook voor de eigenaar, gebruiker, huurder of pachter van de grond waarop deze activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden, al dan niet gedoogd.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGG

Na sectie 3.90 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.90a Vrijstelling verbod rommelterrein

-

HHHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.91 Vergunningplicht grondverzet

Het uitgangspunt van dit artikel is een compleet verbod om zonder omgevingsvergunning in het Landelijk gebied materialen te storten, een stortplaats in te richten ofen te hebben, of gronden op te hogen ofen te egaliseren en een baggerdepot aan te leggen, te vullen, uit te vlakken, en te hebben, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de vrijstellingen in Artikel 3.92 tot en met Artikel 3.97en wordt voldaan aanof de eisen inmeldplicht uitArtikel 3.1013.99en Artikel 3.102 of tenzij het gaat om storten ten behoeve van een demping van een oppervlaktewaterlichaam en daar een omgevingsvergunning op basis vantoepassingArtikel 2.48 voor is verleend. Het verbodDe vergunningplicht geldt ook voor de eigenaar, gebruiker, huurder of pachter van de grond waarop deze activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden, al dan niet gedoogd.

IIIIIIIIIIIIIIIIIII

Na sectie 3.91 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.91a

-

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.92 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij werkenwerkzaamheden

Binnen deze vrijstelling vallen de aanleg en het onderhoud van infrastructurele openbare werken zoals spoor-, water- en (snel)wegen, bruggen, havens en luchtvaartterreinen en werken van groot maatschappelijk belang, zoals geluidwallen en dijken. Maar ook het storten, ophogen en egaliseren ten behoeve van nieuwbouw, onderhoud of herstel van bijvoorbeeld een huis of een schuur op een in een omgevingsplan aangewezen bouwperceel. Gelet op de eis in Artikel 3.101 duren de activiteiten niet langer dan noodzakelijk en voorwaarde bij infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang is dat de benodigde vergunningen zijn verleend of het werk planologisch is toegestaan.

Binnen deze vrijstelling vallen de aanleg en het onderhoud van infrastructurele openbare werken zoals spoorwegen, waterwegen en (snel)wegen, bruggen, havens en luchtvaartterreinen en werken van groot maatschappelijk belang, zoals geluidwallen en dijken. Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKK

Na sectie 3.92 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.92a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij werkzaamheden op aangewezen bouwperceel

Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

LLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.93 Vrijstelling vergunningplicht bijgrondverzet voor rijpad op agrarisch perceelgebruikt weideperceel of akkerperceel

Eerste lid: Rijpaden in agrarische weide- en akkerpercelen moeten regelmatig versterkt en opgehoogd worden. Dit is te beschouwen als normaal onderhoud in het kader van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Dit onderhoud is met dit artikel vrijgesteld van het verbod op storten en ophogen als wordt voldaan aan de specifieke eis in Artikel 3.102.

Tweede lid: Het is niet de bedoeling van het verbod op het inrichten en hebben van een stortplaats of rommelterrein om de normale bedrijfsvoering bij agrarische bedrijven te hinderen of te belemmeren. Bij het begrip agrarisch bedrijf moet gedacht worden aan akkerbouw- en veeteeltbedrijven, tuinbouwbedrijven, veemesterijen, fruitteeltbedrijven e.d. Zaken die verband houden met de normale bedrijfsvoering worden daarom door deze bepaling vrijgesteld als wordt voldaan aan de eisen in Artikel 3.102. Zo wordt voorkomen dat agrariërs vergunningplichtig zouden worden voor zaken die de normale bedrijfsvoering betreffen. Het gaat hierbij zowel om goederen zoals hooibalen en grasrollen, als om materieel zoals voertuigen. Hierbij geldt wel de aantekening, dat de vrijstelling beperkt is tot activiteiten op of onmiddellijk aangrenzend aan het agrarische bouwperceel. Het is niet de bedoeling dat de open agrarische ruimte naar willekeur als opslagterrein gebruikt kan worden.

Rijpaden in agrarische weidepercelen en akkerpercelen kunnen aangelegd worden en moeten regelmatig versterkt en opgehoogd worden. Dit zijn gebruikelijke werkzaamheden in het kader van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. De aanleg en het onderhoud van een rijpad is met dit artikel onder voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht voor grondverzet.

Bij het begrip agrarisch bedrijf moet gedacht worden aan akkerbouwbedrijven en veeteeltbedrijven, tuinbouwbedrijven, veemesterijen, fruitteeltbedrijven en dergelijke. Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMM

Na sectie 3.93 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.93a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet voor inrichting stortplaats op of direct naast een agrarisch bouwperceel

Het is niet de bedoeling van de vergunningplicht voor grondverzet om de normale bedrijfsvoering bij agrarische bedrijven te hinderen of te belemmeren. Met deze vrijstelling wordt voorkomen dat agrarische bedrijven vergunningplichtig zouden worden voor zaken die onder de normale bedrijfsvoering vallen.

Bij het begrip agrarisch bedrijf moet gedacht worden aan akkerbouwbedrijven en veeteeltbedrijven, tuinbouwbedrijven, veemesterijen, fruitteeltbedrijven en dergelijke.

Hierbij geldt wel de aantekening dat de vrijstelling beperkt is tot activiteiten op of onmiddellijk grenzend aan het agrarisch bouwperceel. Het is niet de bedoeling dat de open agrarische ruimte naar willekeur als opslagterrein gebruikt kan worden.

Eerste lid, onderdeel b: het gaat hierbij om goederen (zoals hooibalen en grasrollen) en om materieel (zoals voertuigen).

Tweede lid: deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.



Artikel 3.93b Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij dempen oppervlaktewaterlichaam

-

NNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.94 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij normaal onderhoud oppervlaktewaterlichaam

Eerste lid: Dit artikel betreft een vrijstelling voor het storten van baggerspecie, vrijkomend uit normaal onderhoud van oppervlaktewaterlichamen. Onder normaal onderhoud wordt verstaan het periodiek onderhoud van (schouwplichtige) oppervlaktewaterlichamen om deze te laten voldoen aan waterhuishoudkundige eisen (conform de legger en de keur van het waterschap), waarbij de vrijgekomen baggerspecie evenredig wordt verspreid op de oevers gelegen aan die oppervlaktewaterlichamen. Met baggerspecie wordt bagger vermengd met ongewenste begroeiing bedoeld. Als het onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam alleen bestaat uit het verwijderen van begroeiing, mogen de losse plantenresten niet verspreid worden maar moeten ze langs het oppervlaktewaterlichaam neergelegd worden.

Het gaat hier om een vrijstelling voor het storten van bagger en plantenresten die vrijkomt uit normaal onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam. Normaal onderhoud: het periodiek onderhoud van (schouwplichtige) oppervlaktewaterlichaam om deze te laten voldoen aan de waterhuishoudkundige eisen die opgenomen zijn in de legger en de keur van het waterschap. Hierbij wordt de vrijgekomen bagger evenredig verspreid op de oevers van het oppervlaktewaterlichaam.

Onder normaal Normaal onderhoud wordtis in ieder geval niet verstaan:

  • a.

    Het het doelbewust storten van baggerspeciebagger op percelen die niet grenzen aan het uitgebaggerde/ of uitgegraven oppervlaktewaterlichaam ten behoeve vanin het kader onderhoudswerkzaamheden van deze percelen, zoals. Zoals het wegwerken van plaatselijk reliëfverschillen, het ophogen van natuurwetenschappelijk waardevolle percelen, slootdempingen, e.d.en dergelijke;

  • b.

    Het het verbreden en verdiepen van een oppervlaktewaterlichaam groter dan het oorspronkelijke slootprofiel, waarbij de vrijkomende grond en baggerspecie wordt aangewend voor bijvoorbeeld doeleinden als onder a genoemd.

De vrijstelling is voorts niet van toepassing op het storten van baggerspecie op oevers van oppervlaktewaterlichamen die in agrarisch natuurbeheer zijn of zich bevinden binnen een natuurparel, waterparel of natuurnetwerk Nederland, omdat dit juist schade toebrengt aan deze waardevolle oevers.

Als het onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam alleen bestaat uit het verwijderen van begroeiing, mogen de losse plantenresten niet verspreid worden, maar moeten ze bovenaan het talud van het oppervlaktewaterlichaam neergelegd worden.

De vrijstelling is niet van toepassing op het storten van bagger op de oevers van een oppervlaktewaterlichaam dat in agrarisch natuurbeheer is of binnen een Natuurparel, Waterparel, Ganzenrustgebied, Weidevogelkerngebied of natuurnetwerk Nederland of de groene contour ligt. Omdat dit juist schade toebrengt aan deze waardevolle oevers.

Tweede lid: Dit artikel bevat een vrijstelling voor de aanleg van een baggerdepot. Daar zijn een aantal voorwaarden aan verbonden. De vrijstelling geldt niet binnen een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour. De voorwaarden onder a en e betreft de bescherming van aardkundige en landschappelijke waarden. Aardkundige waarden zijn die onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van een gebied. Het gaat bijvoorbeeld om geulen, stuwwallen, glaciale bekkens, oude rivierbeddingen en dekzandruggen. Onder b is een maximale hoogte aan het baggerdepot verbonden. Het gaat dan om de hoogte van de omringende zandwal, waarbinnen de bagger wordt gestort. De voorwaarde onder d betreft de eindsituatie van het depot. Na de periode van inklinking, meestal zo’n 3 jaar, worden de zandwallen en de bagger gelijkmatig verspreid over het perceel. Het is daarbij niet de bedoeling om natuurlijke laagten zoals geulen te dichten, maar om het oorspronkelijke landschapspatroon zo goed mogelijk te volgen. Het perceel mag na verspreiding en egalisatie niet meer dan 10 centimeter hoger zijn ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen.

OOOOOOOOOOOOOOOOOOO

Na sectie 3.94 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.94a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij baggerdepot aanleggen en bagger storten

Het gaat hier om een vrijstelling voor de aanleg van een baggerdepot en het daarin storten van bagger. Daar is een aantal voorwaarden aan verbonden. De vrijstelling geldt niet binnen een Natuurparel, Waterparel, Ganzenrustgebied, Weidevogelkerngebied, natuurnetwerk Nederland en Groene contour. En als het landschap niet als open of extreem open aangeduid is in de Kwaliteitsgidsen landschap.

De voorwaarden onder b. en c. zijn in het kader van de bescherming van aardkundige waarden en landschappelijke waarden.

Onder c. is een maximale hoogte aan het baggerdepot verbonden. Het gaat dan om de hoogte van de omringende zandwal, waarbinnen de bagger gestort wordt.

De voorwaarde onder d. gaan over de eindsituatie van het depot. Na de periode van inklinking, meestal zo’n 3 jaar, worden de zandwallen en de bagger gelijkmatig verspreid over het perceel. Het is daarbij niet de bedoeling de natuurlijke laagten zoals geulen te dichten, maar om het oorspronkelijke landschapspatroon zo goed mogelijk te volgen. Het perceel mag na verspreiding en egalisatie niet meer dan 10 centimeter hoger zijn ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen.



PPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.95 Vrijstelling vergunningplicht bij viaduct,grondverzet voor ecoduct, faunapassage ofen viaduct en planmatige inrichting en ontwikkeling van natuurterrein ofen ecologische zone

De vrijstelling in dit artikel geldt voor allerlei stortactiviteiten met diverseverschillende soorten materialen, die samenhangen met diverseverschillende soorten natuurinrichtingsprojecten. Belangrijk is, dat het gaat om activiteiten, waarmee de terreinbeheerder ingestemd heeft en die een ecologische meerwaarde hebben. Dit om verkapt storten van afvalmateriaal te voorkomen. Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.96 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij snoeihout en dunhout voor takkenwal en takkenril

Houtopstanden moeten worden onderhoudenonderhouden worden. Ze moeten regelmatig gesnoeid, geknot en uitgedund worden. Het takhout dat daarbij vrijkomt, wordt vaak verwerkt in takkenwallen en takkenrillen in de nabijheid van de werkzaamheden. Goed aangelegde takkenrillen zijn een aanwinst voor de natuur. Vogels, muizen, insecten en amfibieën vinden er een schuil-schuiplaats of broedplaats. De vrijstelling in dit artikel heeft uitsluitend betrekking op het gebruik van snoei-snoeihout en dunhout en is aan een aantal voorwaarden gebonden. Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

RRRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.97 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet voor grondwal in tuin, park, landgoed ofen sportaccommodatie

Wallichamen zoals grond-grondwallen en houtwallen werden vroeger vaak aangelegd als eigendomsafscheiding, vee-veekering, wild-wildkering en windkering en het leveren van geriefhout. Houtwallen zijn lijnelementen en vormen vaak een langere, aaneengesloten route waarlangs dieren en planten zich kunnen verplaatsen. De steile wallichamen, met een zonkant en een schaduwzijde, leveren veel insecten, schimmels, mossen, muizen en kruiden op. Door de hoge en steile taluds logen zulke wallen bovendien sneller uit, wat leidt tot verarming van de bodem en daardoor tot een soortenrijkere flora en fauna. Tegenwoordig worden wallichamen vaak aangelegd als perceelgrens en ter bescherming van de privacy. DitOp grond van dit artikel steltis een vrijstelling van de vergunningplicht voor grondverzet van toepassing bij de aanleg van een wallichaam in tuinen bij huizen of landgoederen vrij, voor zover wordt voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

Onder Onderdeel a: Dedeze voorwaarde is opgenomen om te voorkomen dat landeigenaren- of beheerders die aangrenzend aan de tuin bijvoorbeeld een stuk bosperceel bezitten of beheren een wallichaam midden in dat het bos aanleggen.

Onder Onderdeel b: Dedeze voorwaarde beschermt de aanwezige bomen.

Onder Onderdeel c: Dedeze voorwaarde is opgenomen om te voorkomen dat wallichamen worden beplant worden met niet-gebiedseigen beplanting zoals coniferen.

Onder d: De voorwaarde bevat een bepaling over afmetingen.

Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.

SSSSSSSSSSSSSSSSSSS

Na sectie 3.97 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.97a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondverzet

De belangenafweging is dwingend van karakter en biedt geen ruimte om rekening te houden met andere belangen dan de belangen genoemd in Artikel 3.87.

TTTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.99 Meldplicht ophogen ofen egaliseren agrarisch gebruikt weide-weideperceel en akkerperceel

Agrarisch gebruikte weide-weidepercelen en akkerpercelen buiten een natuurparelNatuurparel, waterparelWaterparel, Ganzenrustgebied, Weidevogelkerngebied, het natuurnetwerk Nederland en de Groene contour worden in het kader van de normale bedrijfsuitoefening regelmatig opgehoogd en geëgaliseerd. Dit is toegestaan als hetdit minimaal 4 weken voor het begin van de activiteit wordt gemeld wordt en wordt voldaan wordt aan de eisenalle voorwaarden in Artikel 3.102dit artikel.

UUUUUUUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.100 Indieningsvereisten melding ophogen of egaliseren agrarisch gebruikt weide- enweideperceel of akkerperceel

VVVVVVVVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.101 Specifieke eis bij werk

WWWWWWWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.102 Eisen agrarisch perceel

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Na sectie 3.102 worden drie secties ingevoegd, luidende:

Afdeling 3.5 Gesloten stortplaats

-

Artikel 3.103 Oogmerk gesloten stortplaats

-

Artikel 3.104 Toepassingsbereik gesloten stortplaats

-

YYYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.105 Vergunningplicht activiteiten op gesloten stortplaats

Voor het in werking treden van de wet was de provincie op grond van artikel 3.4 Besluit omgevingsrecht het bevoegd gezag over vergunningplichtige activiteiten op gesloten stortplaatsen. Met het in werking treden van de wet is de provincie niet langer automatisch bevoegd gezag over gesloten stortplaatsen. De provincie kan regels stellen om te zorgen dat zij betrokken blijven bij het toelaten van activiteiten op gesloten stortplaatsen. Provincies zijn vrij te kiezen hoe ze dit doen.

De provincie Utrecht heeft gekozen voor een beleidsneutrale omzetting van de regels. Dit houdt in dat de provincie in de omgevingsverordening een aanvullende vergunningplicht heeft opgenomen voor bepaalde activiteiten op gesloten stortplaatsen, die in het oude recht vergunningplichtig waren op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit gaat om activiteiten die risico's opleveren voor het milieu: het uitvoeren van bouwactiviteiten of het kappen van bomen. Dit zijn activiteiten waarbij de deklaag op de stortplaats aangetast kan worden, wat grote gevolgen kan hebben voor de bodem en het grondwater.

-

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.106 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning gesloten stortplaats

De grond bij een gesloten stortplaats moet beschermd worden, omdat het openen van een gesloten stortplaats grote gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten zoals bouwen en het kappen van bomen, waarbij de grond verstoord kan worden, is het daarom verplicht een vergunning aan te vragen. In de beoordeling wordt meegenomen hoe groot het risico van de uit te voeren activiteit op de gesloten stortplaats is en welke maatregelen in lijn met het nazorgplan moeten worden genomen. Ook moet gezorgd worden dat zowel de voorzieningen ter bescherming van de bodem als de bodem zelf regelmatig worden onderzocht.

-

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.108 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaats

Op grond van artikel 5.10 van de wet en artikel 4.6, eerste lid, onder a, Omgevingsbesluit zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag voor een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. Door alle omgevingsplanactiviteiten die plaatsvinden op een gesloten stortplaats aan te wijzen als omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang, kan de provincie bepalen of dergelijke activiteiten op een gesloten stortplaats kunnen plaatsvinden. Het gaat bijvoorbeeld om het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, het slopen van een bouwwerk of het gebruik van gronden in strijd met een omgevingsplan. Ook voor deze activiteiten geldt dat er schadelijke gevolgen voor het milieu kunnen zijn. De grond bij een gesloten stortplaats moet beschermd worden, omdat het openen van een gesloten stortplaats grote gevolgen voor het milieu kan hebben.

-

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

Na sectie 3.108 worden zes secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.109 Oogmerk ontgrondingsactiviteit

-

Artikel 3.110 Toepassingsbereik ontgrondingsactiviteit

De volgende werkzaamheden vallen niet onder ontgronden op land, regionale wateren en de winterbedding van rivieren:

  • normale landbouwwerkzaamheden, tuinbouwwerkzaamheden en bosbouwwerkzaamheden

  • normale onderhoudswerken

  • delven, openen en ruimen van graven

  • grondboringen en sonderingen

  • afgraven van grond in een gronddepot



Artikel 3.111 Specifieke zorgplicht ontgrondingsactiviteit

Vanwege het belang van het behoud van de aardkundige, landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden is in de Omgevingsverordening provincie Utrecht een specifieke zorgplicht ontgrondingsactiviteit opgenomen.

Artikel 3.112 Afwijking vergunningplicht ontgrondingsactiviteit

Een ontgrondingsactiviteit is in principe vergunningplichtig (artikel 5.1 van de Omgevingswet). In een aantal gevallen is een omgevingsvergunning niet nodig. Deze vrijstellingen staan in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op basis van artikel 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen afwijkingen van deze vrijstellingssituaties in een Omgevingsverordening opgenomen worden. Bijvoorbeeld als - vanwege het regionaal aanwezige type ondergrond of de regionale grondwaterdruk - een andere ondergrens noodzakelijk is. Bijvoorbeeld grondlagen dieper dan 2 meter ongemoeid laten in plaats van grondlagen dieper dan 3 meter.

Op deze manier kan regionaal maatwerk gerealiseerd worden. Voorwaarde hierbij wel is dat deze afwijking niet valt onder artikel 16.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Onderdeel a: vrijstelling van de vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit is ook mogelijk voor grote infrastructurele werken anders dan pleinen, wegen, spoorwegen en luchthavens. Bijvoorbeeld ook voor dijkversterkingen.

Onderdeel c: in de agrarisch cultuurlandschap-gebieden is een vrijstelling van de vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit niet van toepassing voor zover dit het aanleggen of veranderen van een watergang betreft, vanwege de mogelijk schadelijke gevolgen voor het agrarisch cultuurlandschap door het ontgronden.

Artikel 3.113 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit

-

Artikel 3.114 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit

Onderdeel a: afhankelijk van de situatie kan het zijn dat een milieueffectrapport nodig is voor de ontgrondingsactiviteit. Gebruik voor een inschatting hiervan bijvoorbeeld de mer-scan omgevingsvergunning.



Onderdeel b: gebruik hiervoor bijvoorbeeld de Kwaliteitsgidsen Utrechtse landschappen, de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht (CHAT) en andere relevante informatiebronnen over de aardkundige, landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische bijzondere waarden van de locatie.



CCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 4 Bereikbaarheid en mobiliteitinfrastructuur

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1 Instructieregel bereikbaarheid

Gehele artikel: Het bepaalde in dit Dit artikel is van toepassing op het gehele provinciale grondgebied. Het bereikbaarheidsonderzoek kijkt naar de gevolgen voor de bereikbaarheid bij de uitvoering van projecten en andere ingrepen in de leefomgeving. Een ontwikkeling in de leefomgeving (zowel binnen als buiten het Stedelijk gebied) moet samengaan met een bereikbaarheid die voldoet. Dit vloeit voort uit ofwel een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ ofwel uit dit artikel. Wanneer een bereikbaarheidsonderzoek vereist is, worden de resultaten hiervan bij de ontwikkeling in de leefomgeving betrokken.

Eerste lid: Al in een vroeg stadium (vóór het overleg, maar bij voorkeur al in de planvormingsfase) moet er voor de ontwikkelingen in de leefomgeving door middel van een bereikbaarheidsscan gekeken worden welke bereikbaarheidseffecten optreden, en of een bereikbaarheidsonderzoek bij de voorgenomen ontwikkeling in de leefomgeving noodzakelijk is. Om de noodzaak na te gaan, moet bij elk omgevingsplan in een vroeg stadium het aantal verplaatsingen voor de verschillende vervoerwijzen duidelijk zijn. Het gaat om de vervoerwijzen die betrekking hebben op de omliggende verkeers- en vervoersnetwerken, zoals: het wegennet, openbaar-vervoernetwerk, fiets- en looproutes. Als er sprake is van een (relatief) groot aantal verplaatsingen of het vermoeden bestaat dat er zich een knelpunt gaat voordoen op omliggende verkeers- en vervoersnetwerken, is een bereikbaarheidsonderzoek noodzakelijk.

Tweede lid: Al in een vroeg stadium moet er voor de ontwikkelingen in de leefomgeving door middel van een bereikbaarheidsscan gekeken worden welke effecten qua bereikbaarheid en verkeersveligheid optreden en of een bereikbaarheidsonderzoek noodzakelijk is.

De bereikbaarheidsscan is bedoeld om:

  • op hoofdlijnen inzicht te krijgen in het aantal verplaatsingen dat de voorgenomen ontwikkeling in de leefomgeving tot gevolg heeft;

  • inzicht te krijgen in hoe dit zich verhoudt tot het aantal verplaatsingen van al bekende toekomstige ontwikkelingen binnen en buiten de gemeente;

  • te bepalen of er door het aantal nieuwe of extra verplaatsingen knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen ontstaan, waardoor de bereikbaarheid aanzienlijk verslechtert of de ontwikkeling in de leefomgeving wellicht kansen biedt om verkeers- en vervoernetwerken te verbeteren.

Tweede Derde lid: Op basis van de scan wordt bepaald of een bereikbaarheidsonderzoek noodzakelijk is. De verplichting om een bereikbaarheidsonderzoek uit te voeren zal meestal van toepassing zijn op de ontwikkeling van grotere gebieden (bijvoorbeeld woonwijken van meer dan 50 woningen of bedrijventerreinen). In sommige gevallen kan het ook gelden voor kleinschalige ontwikkelingen in de buurt van een verkeersnetwerk dat al zwaar belast is. In zulke gevallen kan de toevoeging van slechts een paar verkeersbewegingen al grote gevolgen hebben voor de doorstroming, bereikbaarheid, toegankelijkheid, veiligheid en leefbaarheid. De reikwijdte van het bereikbaarheidsonderzoek is in verhouding met de ontwikkelingsschaal in de leefomgeving en de te verwachten effecten op het verkeers- en vervoernetwerk. Als de ontwikkelingsschaal groot is, is de reikwijdte van het bereikbaarheidsonderzoek dat ook.

Daarbij moet in de bereikbaarheidsscanhet bereikbaarheidsonderzoek zichtbaar worden gemaakt hoe de voorgenomen ontwikkeling in de leefomgeving zich verhoudt tot andere (te verwachten) ontwikkelingen in een gebied, gemeente en/of de omliggende gemeenten. Hierbij moet het geheel van de (geplande) ontwikkelingen in de omgeving in kaart worden gebracht. Als er sprake is van meerdere (te verwachten) ontwikkelingen kan er namelijk sprake zijn van een stapeling van effecten op de diverse verkeers- en vervoersnetwerken. Hierdoor kunnen specifieke knelpunten ontstaan, maar ook kansen om netwerken te versterken. Dit kan ook een aanleiding zijn om eventuele kosten van infrastructuuraanpassingen te verdelen over verschillende projecten (kostenverevening).

Vierde lid: Een knelpunt mag niet toenemen en neemt bij voorkeur af. Lid 1 blijft het uitgangspunt. Op grond van het vierde lid kan een knelpunt geaccepteerd worden als dit bijdraagt aan een provinciaal belang, zoals het bouwen het woningen, bedrijvigheid of voorzieningen. Hierbij kan gedacht worden aan een verslechtering van een onoplosbaar knelpunt. Of wanneer er sprake is van een ontwikkeling dat een beperkte invloed heeft op de verslechtering van de bereikbaarheid. Bij het bereikbaarheidsonderzoek bedoeld in Bijlage XIV Bereikbaarheidsanalyse wordt ook aandacht besteed aan het optimaliseren van de verkeersveiligheid, de doorstroming van het openbaar vervoer en de bereikbaarheid van of door nood- en hulpdiensten.

Voor een gemotiveerde afwijking van deze regel zal de provincie de optelsom van omgevingsplannen op de regionale verkeersnetwerken in ogenschouw nemen omdat deze samen op corridorniveau de kwaliteit van de bereikbaarheid op de verkeersnetwerken beïnvloeden.

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.2 Instructieregel behoud provinciaal OV-netwerk

Een samenhangend OV-netwerk bestaat onder andere uit de tram- en buslijnen waarvoor de provincie concessieverlener is. Een samenhangend bereikbaarheidsnetwerk bestaat uit de provinciale wegen en een aantal gemeentelijke wegen met regionaal belang. Een samenhangend fietsnetwerk bestaat onder andere uit de provinciale fietspaden en gemeentelijke fietspaden die van regionaal belang zijn. Verstoringen door wegbeheerders van deze netwerken zijn niet wenselijk. Al in een vroegtijdig stadium, voordat de concrete plannen voor de nieuwe ontwikkelingen zijn uitgewerkt en voorafgaand aan de formele procedure voor het omgevingsplan, moet er voor nieuwe ontwikkelingen nagegaan worden of deze tot verstoringen van de netwerken kunnen leiden en of dit voorkomen kan worden. Dit is noodzakelijk voor het provinciaal OV-netwerk. Vandaar dat er gekozen is voor ‘in acht nemen’ in deze instructieregel. De financiële gevolgen van verstoringen van het provinciaal OV-netwerk zijn groot en treden direct op. Bij het provinciaal bereikbaarheidsnetwerk en bij het regionaal fietsnetwerk is gekozen voor een iets lichtere vorm van de instructieregel, namelijk ‘rekening houden met’.

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.3 Instructieregel behoud provinciaal bereikbaarheidsnetwerkregionaal wegennet

Een samenhangend OV-netwerk bestaat onder andere uit de tram- en buslijnen waarvoor de provincie concessieverlener is. Een samenhangend bereikbaarheidsnetwerk bestaat uit de provinciale wegen en een aantal gemeentelijke wegen met regionaal belang. Een samenhangend fietsnetwerk bestaat onder andere uit de provinciale fietspaden en gemeentelijke fietspaden die van regionaal belang zijn. Verstoringen door wegbeheerders van deze netwerken zijn niet wenselijk. Al in een vroegtijdig stadium, voordat de concrete plannen voor de nieuwe ontwikkelingen zijn uitgewerkt en voorafgaand aan de formele procedure voor het omgevingsplan, moet er voor nieuwe ontwikkelingen nagegaan worden of deze tot verstoringen van de netwerken kunnen leiden en of dit voorkomen kan worden. Dit is noodzakelijk voor het provinciaal OV-netwerk. Vandaar dat er gekozen is voor ‘waarborgen’ in deze instructieregel. De financiële gevolgen van verstoringen van het provinciaal OV-netwerk zijn groot en treden direct op. Bij het provinciaal bereikbaarheidsnetwerk en bij het regionaal fietsnetwerk is gekozen voor een iets lichtere vorm van de instructieregel, namelijk ‘rekening houden met’.

Een samenhangend regionaal wegennet bestaat uit de provinciale wegen en een aantal gemeentelijke wegen met regionaal belang. Verstoringen door wegbeheerders van deze netwerken zijn niet wenselijk. Al in een vroegtijdig stadium, voordat de concrete plannen voor de nieuwe ontwikkelingen zijn uitgewerkt en voorafgaand aan de formele procedure voor het omgevingsplan, moet er voor nieuwe ontwikkelingen nagegaan worden of deze tot verstoringen van de netwerken kunnen leiden en of dit voorkomen kan worden. Bij het regionale wegennet is gekozen voor een instructieregel, met ‘waarborgen'.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.4 Instructieregel behoud regionaal fietsnetwerk

Een samenhangend OV-netwerk bestaat onder andere uit de tram- en buslijnen waarvoor de provincie concessieverlener is. Een samenhangend bereikbaarheidsnetwerk bestaat uit de provinciale wegen en een aantal gemeentelijke wegen met regionaal belang. Een samenhangend fietsnetwerk bestaat onder andere uit de provinciale fietspaden en gemeentelijke fietspaden die van regionaal belang zijn. Verstoringen door wegbeheerders van deze netwerken zijn niet wenselijk. Al in een vroegtijdig stadium, voordat de concrete plannen voor de nieuwe ontwikkelingen zijn uitgewerkt en voorafgaand aan de formele procedure voor het omgevingsplan, moet er voor nieuwe ontwikkelingen nagegaan worden of deze tot verstoringen van de netwerken kunnen leiden en of dit voorkomen kan worden. Dit is noodzakelijk voor het provinciaal OV-netwerk. Vandaar dat er gekozen is voor ‘waarborgen’ in deze instructieregel. De financiële gevolgen van verstoringen van het provinciaal OV-netwerk zijn groot en treden direct op. Bij het provinciaal bereikbaarheidsnetwerk en bij het regionaal fietsnetwerk is gekozen voor een iets lichtere vorm van de instructieregelinstructieregel met, namelijk ‘rekening houden met’.

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

Na sectie 4.2.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.5 Oogmerk provinciale weg

Onderdeel a: deze regels zijn bedoeld om te zorgen dat er geen schade ontstaat aan de provinciale weg en dat deze veilig en doelmatig gebruikt kan worden. Daarbij hoort ook het belang van het onderhoud van de provinciale weg. Onderdeel a. van deze regels is gelijk aan wat er bepaald is voor rijkswegen, zoals geregeld in artikel 8.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Onderdeel b: in dit onderdeel is een ruimere reikwijdte van de bepalingen opgenomen. In onderdeel a. staan alleen de mobiliteitsbelangen. Op grond van onderdeel b. kan ook rekening worden gehouden met belangen als landschap, natuur, archeologie en cultuurhistorie. Kabels en leidingen kunnen bijvoorbeeld niet overal in de bermen liggen. Daarbij moet onder andere rekening gehouden worden met archeologische waarden en met bomen die van cultuurhistorische waarde zijn. Een ander voorbeeld is het creëren van een faunapassage voor dieren onder de weg of langs een viaduct. Daarbij wordt rekening gehouden met natuurwaarden. Ook spelen recreatie en toerisme een rol, bij bijvoorbeeld de aanleg van fietspaden.

IIIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.6 Aanwijzing beperkingengebied provinciale weg

In Afdeling 4.2 worden 3 beperkingengebieden onderscheiden. In de artikelen, die daarop volgen, wordt aangegeven aan welk werkingsgebied het artikel is gekoppeldgekoppeld is.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.7 Instructieregel bouwwerken bij provinciale weg

Wil Als een gemeente een bouwwerk wil realiseren of wijzigen? Dan,dan moet zijde gemeente in haarhet omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud en uitbreiding van de provinciale weg. Dit met het oog op de verkeersveiligheid en de doorstroming op deze weg. Daarbij maaktheeft het wijzigen van een gevel geen gevolgen, maar dit geldt wel voor het verder naar voren plaatsen van een gevel waardoor deze dichter op de weg komt te staan. De gemeente maakt daarin wel een eigen afweging. De provincie wordt bij deze afweging betrokken. In stedelijk gebied wordt het belang van de provinciale weg vaak niet verder aangetast door een nieuw bouwwerk. Er staan namelijk al veel bouwwerken binnen het beperkingengebied bouwwerken provinciale weg. Nieuwe bouwwerken betekenen dan ook vaak geen verdere inperking. Dit artikel is daarom niet van toepassing op traverses. Dede delen van de provinciale weg die binnen het stedelijk gebied (en buiten het gebied landschappelijke waarden) liggen.

In de Wegenverordening stond al een verbod op bouwwerken binnen 10 meter van de kant van de verharding van de weg waarvoor ontheffing mogelijk was. Deze instructieregel is dus niet een nieuwe regel, maar een bestaande regel die in een ander jasje is gegoten. Dit betekent bijvoorbeeld dat een wijziging van een gevel geen gevolgen heeft. Maar het naar voren plaatsen van een gevel als deze daardoor dichter op de weg komt, wel.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.8 Toepassingsbereik provinciale weg

Eerste lid: Dezede regels in deze paragraaf gaatgaan over activiteiten op of rond provinciale wegen in de provincie Utrecht waarvoor beperkingen gelden, omdat die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de weg. Het gaat dan om bijvoorbeeld om het op, naast, onder of over de weg aanbrengen van objecten, zoals viaducten, tunnels, bruggen, gebouwen of faunapassages. Maar ook om kabels en leidingen en kleinere objecten, zoals gedenktekens, reclame-uitingen en andere borden. Het gaat daarbij niet alleen om het aanbrengen van die objecten, maar ook om het aanpassen, verwijderen of beheren daarvan. Andere activiteiten waarvoor beperkingen gelden, zijn bijvoorbeeld het beheer van langs de weg liggende sloten, bomen, struiken en ander groen.

Het gebruik van de weg voor het wegverkeer (gelet op artikel 1.4 van de wet) valt hier niet onder. Eventuele nadelige gevolgen daarvan voor de provinciale weg zijn geregeld in andere wetgeving. Het gaat dan vooral om de Wegenverkeerswet en bijbehorende regelingen.

Tweede lid: Activiteiten die door of namens de wegbeheerder worden uitgevoerd, vallen ook niet onder deze paragraaf. Denk hierbij aan onderhoud, herstel, aanleg of wijziging van de weg. Deze activiteiten zijn gericht op het behouden of verbeteren van de staat en werking van de weg. Die hebben in het algemeen dus geen, of beperkte nadelige gevolgen voor de weg.

Tweede lid: activiteiten die door of namens de wegbeheerder uitgevoerd worden, vallen niet onder deze paragraaf. Denk hierbij aan onderhoud, herstel, aanleg of wijziging van de weg. Deze activiteiten zijn gericht op het behouden of verbeteren van de staat en werking van de weg. Die hebben in het algemeen dus geen, of beperkte nadelige gevolgen voor de weg. Het gebruik van de weg voor het wegverkeer (gelet op Artikel 1.4 van de Omgevingswet) valt ook niet onder het toepassingsbereik van de regels in deze paragraaf. Eventuele nadelige gevolgen daarvan voor de provinciale weg zijn geregeld in andere wetgeving. Het gaat dan vooral om de Wegenverkeerswet en bijbehorende regelingen.

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.9 Specifieke zorgplicht provinciale weg

Eerste lid: De specifieke zorgplicht geldt voor activiteiten waarvoor een melding of omgevingsvergunning nodig is en voor activiteiten die onder algemene regels vallen.

De zorgplicht is een algemene gedragsnorm voor de gebruikers van de provinciale weg, om te zorgen dat de belangen waar het oogmerk van Artikel 4.5 op ziet worden gewaarborgd. De zorgplicht is bedoeld als vangnet voor de handhaving. Het is een algemene regel, maar met een zeer algemene strekking. De algemene regels, vergunningvoorschriften en regels die in Afdeling 4.2 staan, zijn een verdere uitwerking van deze zorgplicht. Is er sprake van een overtreding van een zorgplichtbepaling? Dan kan er direct worden gehandhaafd als sprake is van een overduidelijke overtreding. In de andere gevallen moet er eerst een maatwerkvoorschrift op gesteld te worden voordat tot handhaving kan worden overgegaan. De grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften is in Artikel 4.13 opgenomen.

Eerste lid: de zorgplicht is een algemene gedragsnorm voor de gebruikers en omwonenden van de provinciale weg, om te zorgen dat de belangen genoemd in Artikel 4.5 gewaarborgd worden. De zorgplicht is bedoeld als vangnet voor de handhaving. Het is een algemene regel, maar met een zeer algemene strekking. De algemene regels, vergunningvoorschriften en regels die in Afdeling 4.2 staan, zijn een verdere uitwerking van deze zorgplicht. Is er sprake van een activiteit waarbij onmiskenbaar sprake is van handelen in strijd met een specifieke zorgplicht, dan kan er direct gehandhaafd worden.

Tweede lid: In dit lid is de specifieke zorgplicht concreter gemaakt voor een aantal activiteiten die onwenselijk zijn in het beperkingengebied op, of rond provinciale wegen. Door deze activiteiten specifiek te benoemen, is handhaving makkelijker. Het eerst stellen van een maatwerkvoorschrift is dan vaak niet nodig.

Tweede lid, onderdeel e: het gaat hierbij om de weg en alles wat daartoe behoort om deze als zodanig te laten functioneren. Dit betekent de weg, de wegberm, het wegmeubilair, talud, geluidsschermen, abri’s enzovoort.

Voor Tweede lid, onderdeel g: voor beplanting is een specifieke zorgplicht opgenomen in sub g. Onder sub g wordt zowelHet gaat hierbij om de bovengrondse alsen de ondergrondse conditie verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het omhoog drukken van de weg door boomwortels.

Verder wordt in sub k de zorgplicht opgenomen om maatregelen te nemen om ongewone Tweede lid, onderdeek k: ongewone voorvallen te voorkomenbij activiteiten en de gevolgen daarvan te beperken. Ongewone voorvallen bij activiteiten/werkzaamheden in het beperkingengebied op of rond een provinciale weg, kunnen gevaarlijk zijn voor de staat en werking van die weg. Van iedereen mag dan ook worden verwacht worden dat zij de nodige maatregelen nemen om ongewone voorvallen te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

Na sectie 4.9 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 4.9a Informeren over ongewoon voorval provinciale weg

-

Artikel 4.9b Benodigde gegevens over ongewoon voorval provinciale weg

-

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning activiteit provinciale weg algemeen

Deze eisen zijn een aanvulling op de algemene indieningsvereisten in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling.

Om de aanvraag op de juiste manier te kunnen afhandelen, is een tekening in A3-formaat nodig met schaal 1:500 op provinciale ondergrond en als Pdf-file.

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.11 Eis verwijderen of, verleggen en aanpassen van werk en object

Soms is het nodig dat een (bouw)werk of ander object (bijvoorbeeld een brug, viaduct, wegverharding,transformatorhuisje,fietsenstalling, hekwerk, rasterwerk, kabel of leiding) waarvoor een omgevingsvergunning is vereistvereist is, wordtaangepast, verlegd of verwijderd wordt. Bijvoorbeeld bij het verruimen of wijzigen van de weg. Dan wordt dat formeel geregeld door intrekking van de verleende vergunning. Vanzelfsprekend gaat hieraan steeds overleg met de eigenaar van het (bouw)werk of ander object vooraf.

Voor (bouw)werken en andere objecten die zonder omgevingsvergunning aangelegd kunnen worden aangelegd, is intrekking van de omgevingsvergunning niet mogelijk. Er is immers geen vergunning. In die situatie voorziet de verlegplicht van dit artikel. De verlegplicht houdt in dat het (bouw)werk of ander object verplaatst moet worden als het een belemmering vormt. De verlegplicht vervangt de intrekking van de vergunning. Kan er geen overeenstemming worden bereiktbereikt worden? Dan stelt het bevoegd gezag de verlegtermijn door middel van een maatwerkvoorschrift vast.

Het artikel is een vangnet als er geen overeenstemming bereikt wordt. Het gaat hier eigenlijk alleen om bepaalde kabels en leidingen. In Artikel 4.23 en Artikel 4.24 worden de uitzonderingen van de kabels en leidingen op de vergunningplicht vermeld.

Het artikel is een vangnet als er geen overeenstemming bereikt wordt.

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 Eis uitsteken van beplanting

In dit artikel wordt de zorgplicht specifiek gemaakt. OmHet gaat hier om een veilige doorrijhoogte voor het verkeer te garanderen en effectief beheer en onderhoud van de weg mogelijk te maken. Het artikel is een algemene regel. Er wordt een duidelijke norm gesteld. Daarvan kan bij een vergunning niet worden afgewekenafgeweken worden. Het gaat hier regelmatig om beplanting in eigendom van bewoners langs de provinciale weg. Daarom is het tweede lid 2 opgenomen.

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.13 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriftenactiviteit provinciale weg

Kan over een bepaald onderwerp een voorschrift aan een vergunning voor een activiteit worden verbondenverbonden worden? Dan kan er geen maatwerkvoorschrift worden gesteldgesteld worden. Voorschriften die bedoeld zijn als invulling van de specifieke zorgplicht bij activiteiten waarvoor een vergunning nodig is, staan dus altijd in de vergunning en niet in een zelfstandig maatwerkvoorschrift.

RRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.14 Vergunningplicht uitweg bij provinciale weg

Eerste lid: Uitwegen uitwegen (uitritten) op provinciale wegen zijn vanwege de uitwisseling van verkeer potentiële conflictpunten en al snel verkeersonveilig door de grote snelheidsverschillen. Te veel uitwegen op een provinciale weg zijn niet goed voor de overzichtelijkheid en de verkeersveiligheid. Ook de doorstroming komt bij veel uitwegen onder druk te staan. Nieuwe uitwegen worden dan ook tot een minimum beperkt.

Ook voor het veranderen en intensiveren van het gebruik van uitwegen is daarom een omgevingsvergunning nodig. Het kan namelijk een verslechtering betekenen van de verkeersveiligheid en de doorstroming. Ook moet de inrichting van de uitweg worden aangepast worden aan het gebruik, bijvoorbeeld bij bedrijfsmatig gebruik. Dan moet de uitweg ruimer worden gemaaktgemaakt worden, om zo veilig mogelijk gebruik te kunnen maken van de uitweg.

Tweede lid: Uitwegen uitwegen bij verkooppuntenstandplaatsen en standplaatsenverkooppunten binnen het beperkingengebied beheer provinciale wegenweg, vallen niet onder dit artikel. Dit wordt apart geregeld in Artikel 4.35 en Artikel 4.35a.

SSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.15 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg

Dit artikel bevat de beoordelingsregel voor omgevingsvergunningen voor uitwegen naar provinciale wegen. Deze beoordelingsregel zal, als het nodig is, verder worden uitgewerkt in een beleidsregel die door gedeputeerde staten zal worden vastgesteld en gepubliceerd in het Provinciaal blad. Wegen in Nederland worden in het kader van de duurzaamDuurzaam Veilig-visieVeilig visie ingedeeld in categorieën afhankelijk van hun verkeersfunctie binnen het totale netwerk van wegen. Globaal zijn er 3 wegcategorieën met ieder hun eigen richtlijnen voor wegontwerp en regime voor maximale rijsnelheid:

  • Stroomwegen: landelijk: veelal autosnelwegen, regionaal: veelal autowegen;

    Stroomweg: landelijk (vooral autosnelwegen) en regionaal (vooral autowegen).

  • Gebiedsontsluitingswegen Gebiedsontsluitingsweg (GOW): weg met gelijkvloerse kruisingen die is bedoeld is om een landelijk of stedelijk gebied te ontsluiten;.

  • Erftoegangswegen Erftoegangsweg: een weg bestemd voor gemengd verkeer.

De provinciale wegen hebben in de meeste gevallen de verkeersfunctie van verbindingsweg tussen (woon)kernen dan welof de functie om een bepaald gebied te ontsluiten. Zij vallen daarmee in het algemeen in de categorieën stroomwegen en gebiedsontsluitingswegencategorie gebiedsontsluitingsweg, maar kunnen ook de functie hebben van een erfontsluitingsweg. Bij gebiedsontsluitingswegen en stroomwegen hebben de wegvakken, anders dan bij erfontsluitingswegen, een doorstroomfunctie voor het wegverkeer. De maximum rijsnelheid op regionale stroomwegen is in dat verband ingesteld op 100 km/u. Op gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom is de maximale rijsnelheid ingesteld op 60 km/u of 80 km/u. Binnen de bebouwde kom kan de maximaal toegestane rijsnelheid door de wegbeheerder worden bijgesteld worden naar een passende lagere rijsnelheid. Uitwegen op provinciale wegen zijn per definitie,(vanwege de uitwisseling tussen langzaam/invoegend verkeer met verkeer met een hogere rijsnelheid), potentiële conflictpunten en verkeersonveilig. Nieuwe uitwegen moeten daarom tot een minimum beperkt worden. Er mag geen sprake zijn van het onevenredig vergroten van de verkeersonveiligheid of beperking van de doorstroming van het verkeer op de provinciale weg door het maken van de uitweg. Bijvoorbeeld door onvoldoende zicht op en vanaf de weg of uitweg. Dit speelt gezien het bovenstaande met name als deze uitwegen aansluiten op de hoofdrijbaan van stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen. Vandaar dat in onderdeel a. van Artikel 4.15sub aopgenomen is opgenomen dat voor het maken van een extra uitweg bij een perceelsplitsing geen vergunning verleend zal worden afgegeven, als het voornemen is om deze aan te sluiten op de hoofdrijbaan van een gebiedsontsluitingsweg. Dit naast het reeds bestaande verbod van Artikel 4.15 sub c betreffende het maken van een uitweg naar een stroomweg. Bij stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen is echter in veel gevallen ook een vrij liggende parallelweg voor langzaam verkeer en landbouwverkeer aanwezig. Gezien de relatief lage rijsnelheid op deze parallelwegen kan het maken van een uitweg daarop, onder voorwaarden, worden toegestaantoegestaan worden. Dit laatste is eveneensook van toepassing op erftoegangswegen.

TTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.16 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning tijdelijke uitweg bij provinciale weg

Tijdelijke uitwegen worden alleen maar toegestaan voor werkzaamheden van tijdelijke aard en als het werkverkeer niet veilig van een bestaande (uit)weg gebruik kan maken.

UUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.17 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 4.10 en op de algemene indieningsvereisten in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling.

-

VVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.18 Eis uitvoering en onderhoud uitweg

In de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een uitweg wordt bepaald dat de aanleg en het onderhoud in het Beperkingengebied beheer provinciale weg door of in opdracht van de provincie wordt uitgevoerd. De reden hiervoor is dat de uitweg in de berm onderdeel uitmaakt van de provinciale weg. Dat stelt bepaalde eisen aan de vormgeving en kwaliteit van de uitweg. Bovendien moeten de werkzaamheden verkeersveilig uitgevoerd worden. Er moeten verkeersmaatregelen getroffen worden die voldoen aan de CROW-publicaties WIU 96b 2020 Standaardmaatregelen op niet-autosnelwegen en WIU 96b 2020 Werken op niet-autosnelwegen. Gezien de snelheden op de provinciale weg wil de provincie dit in eigen beheer laten uitvoeren om ongevallen te voorkomen. Alle kosten van aanleg zijn voor de aanvrager en het beheer wordt eenmalig afgekocht. Dit laatste is een percentage van de werkelijke beheerkosten.

Voor een aan te leggen uitweg worden ontwerpeisen en uitvoeringseisen gesteld door de provincie. Deze worden vastgesteld en vastgelegd in de omgevingsvergunning.

Op deze manier waarborgt de provincie het behoud van de functie en civieltechnische constructie van de provinciale weg en het kunnen waarborgen van het veilig en doelmatig kunnen gebruiken van de provinciale weg. Voor elke categorie uitweg aan de provinciale weg (Handboek wegontwerp) zijn algemene ontwerpuitgangspunten bepaald. Vergunningaanvragen worden getoetst aan de meest recente versie van het Handboek wegontwerp dat op het moment van vergunningaanvraag geldt.

Voor zover gelegen binnen het door de provincie te beheren deel van de provinciale weg, wordt de uitweg, na aanleg, door of namens de provincie onderhouden. Dit gedeelte van de uitweg gaat mee in het algemeen onderhoud van de provinciale weg.

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.2.3.3 Activiteiten kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, gotenkabelgoten, buizen, afrasteringenmantelbuizen en andere werken

Binnen de grenzen van het Beperkingengebied beheer provinciale weg liggen duizenden kilometers aan kabels en leidingen. Dit kunnen water- en gasleidingen, elektriciteitskabels, telecommunicatienetten, riolering en persleidingen, olie- en aardgastransportleidingen en weggebonden kabels zijn. Met uitzondering van de meeste weggebonden kabels (openbare verlichting, detectielussen enzovoort) zijn al deze kabel- en leidingnetwerken in eigendom en beheer van derden.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.19 Vergunningplicht kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, gotenkabelgoten, buizen, afrasteringenmantelbuizen en andere werken

Voor het hebben, leggen of wijzigen van werken in het beperkingengebied beheer provinciale weg is in beginsel een omgevingsvergunning nodig. Deze activiteiten kunnen namelijk de staat en werking van de provinciale weg aantasten. Het reguleren van deze activiteiten is maatwerk en daarom vergunningplichtig. Uitzondering op de vergunningplicht is gemaakt voor het plaatsen van gedenktekens naar aanleiding van een dodelijk ongeval door directe nabestaanden, telecom kabels en leidingen en laag- en middenspanning elektriciteit kabels en leidingen en lasgaten en huisaansluitingen. Hiervoor geldt alleen een meldplicht. Telecom kabels en leidingen en laag- en middenspanning elektriciteit kabels en leidingen en lasgaten en huisaansluitingen kunnen gemeld worden, mits voldaan wordt aan de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen. Kan hieraan niet voldaan worden dan moet een vergunning aangevraagd te worden. Onder huisaansluitingen verstaan we de aansluiting tussen het betreffende netwerk (gas, elektriciteit, water) en een individueel gebouw (huis). Het gaat hierbij om een kabel of leiding die niet langer is dan 15 meter.

Voor het hebben, leggen en wijzigen van werken in het Beperkingengebied beheer provinciale weg is een omgevingsvergunning nodig. Deze activiteiten kunnen namelijk de staat en werking van de provinciale weg aantasten. Het reguleren van deze activiteiten is maatwerk en daarom vergunningplichtig. Uitzondering op de vergunningplicht is gemaakt voor telecom- kabels en laag- en middenspanning elektriciteit kabels, duikers en bijkomende werken als lasgaten en huisaansluitingen, kabelgoten en mantelbuizen en het plaatsen van gedenktekens door directe nabestaanden naar aanleiding van een dodelijk ongeval. Hiervoor geldt onder bepaalde voorwaarden een meldplicht.

Telecomkabels, laag- en middenspanning elektriciteitskabels, lasgaten en huisaansluitingen kunnen gemeld worden, mits voldaan wordt aan de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen. Kan hieraan niet voldaan worden dan moet een vergunning aangevraagd te worden. Onder huisaansluitingen verstaan we de aansluiting tussen het betreffende (hoofd-) netwerk (gas, elektriciteit, water) en een individueel gebouw (huis). Om enigszins onderscheid te kunnen maken tussen het aanleggen van een huisaansluiting en het aanpassen/uitbreiden van het hoofdnetwerk wordt ervan uitgegaan dat een huisaansluiting nooit langer zal zijn dan ongeveer 15 meter.

Alle andere soorten kabels en leidingen, zoals bijvoorbeeld hoogspanningskabels, waterleidingen en gasleidingen, zijn vergunningplichtig op grond van deze verordening.

Als voor het (ver)leggen van een kabel of leiding een (gestuurde) boring uitgevoerd moet worden of een overkluizing (constructie waarmee kabels en leidingen beschermd worden tegen de (extra) belasting op de grond, zoals tegels, asfalt en dergelijke) aangelegd moet worden, dan is de vergunningplicht van toepassing.

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.20 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, gotenkabelgoten, buizen, afrasteringenmantelbuizen en andere werken

Dit artikel bevat de beoordelingsregel voor omgevingsvergunningen voor kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken. Deze beoordelingsregel is voor kabels en leidingen verder uitgewerkt in een beleidsregel die door gedeputeerde staten is vastgesteld en gepubliceerd in het provinciaal blad.

Deze beoordelingsregels zijn voor kabels en leidingen verder uitgewerkt in beleidsregels die door gedeputeerde staten vastgesteld zijn en gepubliceerd in het Provinciaal blad.

Op kabels en leidingen met een openbare functie (inclusief lasgaten en huisaansluitingen) rust bijna altijd een gedoogplicht. Het doel van de gedoogplicht is een ander doel dan het doel dat met Afdeling 4.2 wordt nagestreefdnagestreefd wordt. In beginsel moeten kabels en leidingen worden toegestaantoegestaan worden, maar aanvullend wordt getoetst op de belangen die het oogmerk van Artikel 4.5 beoogd te beschermen. Als er kans is op schade of aantasting van het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale weg zal samen met de initiatiefnemer gekeken worden naar een alternatief tracé.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.21 Wijzigen of intrekken van omgevingsvergunning kabels en leidingen

Soms is het nodig dat kabels en leidingen worden verlegdverlegd worden. Bijvoorbeeld bij het verruimen of wijzigen van de weg. Dit wordt dan formeel geregeld door intrekking van de verleende vergunning. Vanzelfsprekend gaat hieraan steeds overleg met de netwerkbeheerder vooraf.

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.22 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning kabels en leidingen

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 4.10 en op de algemene indieningsvereisten in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling.

-

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 Meldplicht lasgaten en huisaansluitingen

  • Energievoorziening: alle energiebronnen zoals gas, elektriciteit, waterstof en warmtenetten.

  • Lasgat: sleuf die wordt gemaakt om een kabel te repareren en/of aan te sluiten.

  • Huisaansluiting: de aansluiting tussen het betreffende netwerk (gas, elektriciteit, water) en een individueel gebouw (huis). Het gaat hierbij om een kabel of leiding die niet langer is dan 15 meter.

  • Verharding van de weg: de verharding van de rijbanen (auto en fiets), de stoep valt hier niet onder.

Onder energievoorziening verstaan we alle energiebronnen zoals gas, elektriciteit, waterstof en warmtenetten. Een lasgat is een sleuf die wordt gemaakt om een kabel te repareren en/of aan te sluiten. Onder een huisaansluiting verstaan we de aansluiting tussen het betreffende netwerk (gas, elektriciteit, water) en een individueel gebouw (huis). Het gaat hierbij om een kabel of leiding die niet langer is dan 15 meter. Onder verharding van de weg verstaan we de verharding van de rijbanen (auto en fiets), de stoep valt hier niet onder. Werkzaamheden aan lasgaten en huisaansluitingen zijn meestal van beperkte aard en omvang. Dit geldt ook voor huisaansluitingen. Daarom geldt voor deze activiteiten, onder voorwaarden, een meldplicht, minimaal 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden. Een lasgat of huisaansluiting kan alleen worden gemeld:

  • als er geen verhardingen worden opengebroken of gekruist ènworden;

  • als het lasgatenlasgat of huisaansluiting niet door middel van een boring of persing wordt aangelegd ènwordt; en

  • als voldaan kan worden aan de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen.

Wordt de verharding wel open gebroken of gekruist of is er wel een boring of persing nodig dan moet een vergunning aangevraagd worden. Een vergunning moet ook aangevraagd worden als niet voldaan kan worden aan de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen.

Kan de melding niet worden getoondgetoond worden? Dan kan het werk direct stilgelegd worden tot het moment dat de melding wel kan worden getoond.

CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.24 Meldplicht telecom en laag- of middenspanning elektriciteit kabels en leidingen Meldplicht telecom-, laagspanning- en middenspanning-elektriciteitskabels en -leidingen

Binnen de grenzen van het Beperkingengebied beheer provinciale weg liggen duizenden kilometers aan kabels en leidingen. Dit kunnen water- en gasleidingen, elektriciteitskabels, telecommunicatienetten, riolering en persleidingen, olie- en aardgastransportleidingen en weggebonden kabels zijn. Met uitzondering van de meeste weggebonden kabels (openbare verlichting, detectielussen enzovoorts) zijn al deze kabel- en leidingnetwerken in eigendom en beheer van derden.

Voor alle activiteiten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, als het gaat om kabels en leidingen, is in eerste instantie een vergunning verplicht. Maar dat geldt niet voor:

1. lasgaten en huisaansluitingen;

2. kabels en leidingen in de zin van de Telecommunicatiewet; en

3. laag- en middenspanning elektriciteitskabels en leidingen.

  • lasgaten en huisaansluitingen;

  • kabels en leidingen in de zin van de Telecommunicatiewet; en

  • laag- en middenspanning elektriciteitskabels en leidingen.

Activiteiten met betrekking tot deze kabels en leidingen vallen onder de meldplicht. Telecom en laag-laagspanning en middenspanning elektriciteitskabels en leidingen, lasgaten en huisaansluitingen kunnen gemeld worden mits er geen verhardingen opengebroken en gekruist worden en voldaan wordt aan de regels van Bijlage VIII Eisen kabels en leidingen. Kan hieraan niet voldaan worden dan moet een vergunning aangevraagd te worden.

Als de melding niet getoond kan worden getoond, dan kan het werk direct worden stilgelegd worden tot het moment dat de melding wel getoond kan worden.

Voor kabels en leidingen als bedoeld in de Telecommunicatiewet geldt het volgende:

Artikel 5.15.2 van de Telecommunicatiewet bepaalt dat er een gedoogplicht geldt voor ‘kabels en leidingen die ten dienste staan van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in en op openbare gronden, alsmede de opruiming ervan’. Deze gedoogplicht is ingesteld voor de bevordering van de vrije toetreding tot de telecommunicatiemarkt. Dit betekent dat de provincie moet gedogen dat deze kabels of leidingen in het beperkingengebied van de weg liggen, of komen te liggen. Maar deze gedoogplicht gaat niet over de belangen die deze verordening beschermt. Deze verordening en de Telecommunicatiewet werken naast elkaar. Dat houdt in dat ook het aanleggen en verwijderen van deze kabels of leidingen niet mag zonder een melding of vergunning.

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.25 Meldplicht gedenkteken

Soms willen nabestaanden na een dodelijk ongeluk een gedenkteken langs de provinciale weg plaatsen. Dit mag alleen worden gedaan door directe nabestaanden. Voor het plaatsen van een gedenkteken geldt een meldplicht. De provincie Utrecht stelt het gedenkteken ter beschikking. In overleg met de nabestaanden wordt het gedenkteken door de provincie geplaatst op een verkeerveilige manier en plaats. Het gedenkteken wordt zo geplaatst dat uitvoering van de onderhoudstaken mogelijk blijft en dat het gedenkteken ook niet beschadigd wordt, bijvoorbeeld bij maaien. De nabestaanden onderhouden het gedenkteken. Er wordt met de nabestaanden een periode afgesproken dat het gedenkteken mag blijven staan. Na afloop van deze periode wordt het gedenkteken, als zij dat willen, kosteloos aan de nabestaanden gegeven.

-

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

Na sectie 4.25 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.26 Indieningsvereisten melding lasgaten en huisaansluitingen

-

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.27 Indieningsvereisten melding telecom-, laagspanning-, middenspanning-elektriciteitskabels of elektriciteitskabel of -leidingleidingen

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 1.12.

Met de indieningsvereiste “situatietekening met daarop de hectometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding en van de objecten die daarmee samenhangen” wordt met “objecten die hiermee samenhangen” bijvoorbeeld bedoeld de verharding, een bermsloot, talud, geleiderailconstructie of een duiker.

Om de melding op de juiste manier te kunnen afhandelen, is een tekening in A3-formaat nodig met schaal 1:500 op provinciale ondergrond en als Pdf-filebestand nodig.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.28 Indieningsvereisten melding gedenkteken

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.29 Vergunningplicht borden en vergelijkbare objecten

Borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame en licht- oflichtgevende en geluidgevende voorzieningen en vergelijkbare objecten in het Beperkingengebied beheer provinciale wegen kunnen de weggebruiker afleiden. Daarom worden deze zoveel mogelijk beperkt met het oog op de verkeersveiligheid. Ligt de planlocatie van het bord of vergelijkbaar object in het Gebied landschappelijke waarden? Dan kan het zijn dat er op basis van Artikel 7.16 een verbod geldt.

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.30 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten

Dit artikel bevat de beoordelingsregel voor omgevingsvergunningen voor borden en vergelijkbare objecten. Borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame en licht- of geluidgevende voorzieningen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen kunnen de weggebruiker afleiden. Daarom worden deze zoveel mogelijk beperkt met het oog op de verkeersveiligheid. Denk hierbij aan ongewenste en gevaarlijke afleiding, aan botsgevaarlijke opstellingen van borden en onvoldoende zicht door de situering van borden.

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor borden en vergelijkbare objecten wordt in ieder geval geweigerd als deze nadelige gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid. Denk hierbij aan ongewenste en gevaarlijke afleiding, botsgevaarlijke opstellingen van borden en onvoldoende zicht door de situering van borden.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.31 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten voor aanduiding van objecten en terreinen

Dit Het gaat in dit artikel bevat de beoordelingsregel voor omgevingsvergunningen voor borden en vergelijkbare objecten ter aanduiding van objecten en terreinen (objectbewegwijzering)om objectbewijzering bijvoorbeeld naar een restaurant, recreatieplark, uitkijkplaats of dierentuin. Deze beoordelingsregel zal, als het nodig is, verder worden uitgewerkt in een beleidsregelbeleidsregels die door gedeputeerde staten zal worden vastgesteld zijn en gepubliceerd in het provinciaalProvinciaal blad. Objectbewegwijzering op, langs of boven de weg mag de verkeersveiligheid niet nadelig beïnvloeden en moet een verkeersveilige afwikkeling en een zoveel mogelijk ongehinderde doorstroming van het verkeer te bevorderen. Er wordt geen objectbewegwijzering geplaatst zolang er op basis van de algemene geografische bewegwijzering gereden kan worden gereden naar een geografische bestemming waar het terrein of object is gelegen is of waarmee het terrein of object wordt geassocieerdgeassocieerd wordt.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 4.10 en op de algemene indieningsvereisten in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling.

-

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.33 Meldplicht borden en vergelijkbare objecten

Voor borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame, kunstuitingen en licht- oflichgevende en geluidgevende voorzieningen buiten het gebied landschappelijke waarden (binnen het stedelijk gebied)Gebied landschappelijke waarde is geen omgevingsvergunning op grond van deze verordening nodig. HierHiervoor is een melding voldoende. Het gaat hier om traversen waar een snelheid van maximaal 50 kilometer per uur geldt. Een traverse heeft vaak het karakter van een dorpskern. Om als wegbeheerder, die aansprakelijk is voor de verkeersveiligheid op de weg, zicht te houden op deze activiteitenhet hebben, plaatsen en wijzigen van borden en vergelijkbare objecten, geldt voor deze activiteiten een meldplicht.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

Na sectie 4.33 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.33a Meldplicht gedenkteken

Soms willen nabestaanden na een dodelijk ongeluk een gedenkteken langs de provinciale weg plaatsen. Dit mag alleen gedaan worden door directe nabestaanden. Voor het plaatsen van een gedenkteken geldt een meldplicht. De provincie Utrecht stelt het gedenkteken ter beschikking. Hiervoor is een catalogus met opties beschikbaar. In overleg met de directe nabestaanden wordt het gedenkteken door de provincie geplaatst op een verkeersveilige manier en plaats. Het gedenkteken wordt zo geplaatst dat uitvoering van de onderhoudstaken mogelijk blijft en dat het gedenkteken ook niet beschadigd wordt, bijvoorbeeld bij maaien. De nabestaanden onderhouden het gedenkteken, waarbij ze veiligheidsinstructies vanuit de provincie opvolgen. Er wordt met de nabestaanden een periode afgesproken dat het gedenkteken mag blijven staan. Na afloop van deze periode wordt het gedenkteken, als zij dat willen, kosteloos aan de nabestaanden gegeven.

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.34 Indieningsvereisten melding borden en vergelijkbare objecten

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 1.12. -

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

Na sectie 4.34 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.34a Indieningsvereisten melding gedenkteken

-

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.2.3.5 Activiteiten standplaats voor handel of bedrijf en verkooppunt voor energie aan voertuigen

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.35 Vergunningplicht standplaats voor handel en verkooppuntbedrijf

Standplaatsen voor de verkoop aan verkeersdeelnemers kunnen verkeersonveilige situaties opleveren. Bij de vergunningverlening zijn onder andere verkeersveiligheid, doorstroming en doorstrominglandschappelijke inpassing belangrijke factoren die worden meegewogenmeegewogen worden.

Verkooppunten voor het leveren van energie aan voertuigen (denk aan tankstations, elektrische laadstations), of andere goederen (de bijbehorende shop) binnen het Beperkingengebied beheer provinciale wegen hebben ook een omgevingsvergunning nodig.

Verkooppunten buiten het beperkingengebied die een uitweg op de provinciale weg hebben/willen hebben, vallen onder Artikel 4.14.

Is een uitweg op de provinciale weg gewenst voor de standplaats, maar ligt de locatie van de standplaats buiten het Beperkingengebied beheer provinciale weg? Dan is voor de uitweg een vergunning nodig op grond van Artikel 4.14.

RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

Na sectie 4.35 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.35a Vergunningplicht verkooppunt voor energie aan voertuigen

Verkooppunten voor het leveren van energie aan voertuigen (bijvoorbeeld tankstations, elektrische laadstations) of andere goederen (de bijbehorende shop) binnen het Beperkingengebied beheer provinciale wegen hebben een omgevingsvergunning nodig.

Is een uitweg op de provinciale weg gewenst voor het verkooppunt, maar ligt de locatie van het verkooppunt buiten het Beperkingengebied beheer provinciale weg? Dan is voor de uitweg een vergunning nodig op grond van Artikel 4.14.



SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.36 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning standplaats en verkooppuntvoor handel of bedrijf

Dit artikel bevat de beoordelingsregel voor omgevingsvergunningen voor standplaatsen en verkooppunten. Als er een aanmerkelijke kans bestaat op overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer en de omgeving van een standplaats of verkooppunt wordt er geen vergunning verleend. Ook als de gemeente geen toestemming geeft wordt er geen vergunning verleend.

Als er een aanmerkelijke kans bestaat op overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer en de omgeving van de standplaats, dan wordt er geen omgevingsvergunning verleend. Ook als de gemeente geen toestemming geeft voor het innemen van een standplaats voor handel of bedrijf wordt er geen omgevingsvergunning verleend.

TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

Na sectie 4.36 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.36a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning verkooppunt voor energie aan voertuigen

Als er een aanmerkelijke kans bestaat op overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer en de omgeving van het verkooppunt, dan wordt er geen omgevingsvergunning verleend. Ook als de gemeente geen toestemming geeft voor het verkooppunt wordt er geen omgevingsvergunning verleend. Voor brandstofverkooppunten is deze beoordelingsregel verder uitgewerkt in beleidsregels die door gedeputeerde staten vastgesteld zijn en gepubliceerd zijn in het Provinciaal blad.

Soms is voor het innemen van een standplaats een gemeentelijke vergunning vereist. Dit verschilt van gemeente tot gemeente. De exploitant moet een (standplaats)vergunning van de gemeente overleggen of aantonen dat de gemeente geen bezwaren heeft tegen de standplaats (als geen vergunning vereist is).



UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.37 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning standplaats en verkooppuntvoor handel of bedrijf op carpoolplaats

Dit artikel bevat de beoordelingsregel voor omgevingsvergunningen voor standplaatsen voor handel en verkooppuntenbedrijf op een carpoolplaats. Deze beoordelingsregel is uitgewerkt in een werkinstructie voor de dienstdoende weginspecteurs. Deze werkinstructie zal verder worden uitgewerkt in een beleidsregel die door gedeputeerde staten zal worden vastgesteld en gepubliceerd in het provinciaalProvinciaal blad.

Om het gebruik van carpoolplaatsen te bevorderen en de sociale veiligheid op carpoolplaatsen te vergroten wordt in beginsel per productgroep op hetzelfde tijdstip 1 standplaats of verkoopplaats toegestaan. Omdat het hier om een zogenaamde schaarse vergunning gaat zal in de beleidsregel een bekendmakingsprocedure en een verdelingsprocedure opgenomen worden.

Om te zorgen voor voldoende parkeergelegenheid op een carpoolplaats kan een maximum gesteld worden aan de ruimte die de standplaats(en) of verkoopplaats(en) inneemt/innemen.

Soms is voor het innemen van een standplaats/verkooppunt een gemeentelijke vergunning vereist. Dit verschilt van gemeente tot gemeente. De exploitant moet of een (standplaats)vergunning van de gemeente overleggen of aantonen dat de gemeente geen bezwaren heeft tegen de standplaats (als geen vergunning vereist is).

VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

Na sectie 4.37 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.37a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning verkooppunt voor energie op carpoolplaats

Om te zorgen voor voldoende parkeergelegenheid op een carpoolplaats kan een maximum gesteld worden aan de ruimte die het verkooppunt inneemt.

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.38 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning standplaats voor handel en verkooppuntbedrijf

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 4.10 en op de algemene indieningsvereisten in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling.

-

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Na sectie 4.38 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.38a Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning verkooppunt energie voor voertuigen

-

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.39 Vergunningplicht evenement

Zijn er bij een evenement maatregelen nodig om de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid te garanderen op de provinciale weg? Dan is een omgevingsvergunning voor het evenment verplicht. Met evenementen worden zowel route als plaatsgebondenplaatsgebonden en routegebonden evenementen bedoeld. Voorbeelden van plaatsgebonden evenementen zijn een braderie, markt, kermis en bloemencorso. Voorbeelden van route gebonden evenementen zijn toertochten, optochten en wedstrijden zonder voertuigen (zoals hardloopwedstrijden).

Voor wedstrijden met voertuigen, zoals wielerwedstrijden, gelden artikel 10 en artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze evenementen vallen dus niet onder dit artikeldeze verordening, maar worden gereguleerd door de Wegenverkeerswet.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.40 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning evenement

Dit artikel bevat de beoordelingsregel voor omgevingsvergunningeneen omgevingsvergunning voor evenementeneen evenement. Deze beoordelingsregel kan als dat nodig is, verder worden uitgewerkt in beleidsregels die door gedeputeerde staten worden vastgesteldvastgesteld worden. Deze beleidsregels worden daarnazijn gepubliceerd in het Provinciaal blad.

Naast het doel waarvoor wegen zijn aangelegd zijn (verkeersfunctie) worden wegen ook gebruikt voor evenementen (en wegwedstrijden). Evenementen beïnvloeden de doorstroomfunctie van de weg en beperken de bereikbaarheid voor aanwonenden en van gebieden. OokDaarnaast kunnen evenementen leiden tot afwijkend verkeersgedrag en conflicten, waardoor de verkeersveiligheid vermindert. Vanuit het verkeersbelang moeten evenementen dan ook tot een minimum beperkt te worden. Daarnaast is het echter zo dat de provincie Utrecht het houden van evenementen (en wegwedstrijden) met (inter)nationale betekenis binnen haar provincie wil stimuleren. Evenementen worden dan ook toegestaan zolang de verkeersbelangen in voldoende mate gewaarborgd kunnen worden.

Op wegwedstrijden is de verbodsbepaling uit artikel 10 van de Wegenverkeerwet 1994 van toepassing en op. Op evenementen, niet zijnde een (geen wedstrijd,) is de verbodsbepalingvergunningplicht uit Artikel 4.39 van toepassing. Ook evenementen die weliswaar niet plaatsvinden op de provinciale weg, maar die als gevolg van de omvang een dermatedusdanige verkeersaantrekkende werking hebben dat de provincie maatregelen moet treffen ternemen voor de bescherming van de verkeersveiligheid en de doorstroming op de weg vallen onder de werkingssfeer van Artikel 4.39. Dit is ter beoordeling van de provincie.

Mogelijk is ook een ontheffing op grond van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990(RVV 1990) nodig, als bijvoorbeeld bij wielerwedstrijden door fietsers gebruikt gemaakt wordt van de hoofdrijbaan in plaats van het fietspad. OokDaarnaast kan de plaatselijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV () of omgevingsplan) kan op een evenement van toepassing zijn. De gemeente is hiervoor bevoegd gezag.

Eerste lid subonderdeel a:  Steeds steeds zal bekeken moeten worden of natuur en landschap het evenement toelaten. Overigens wordtworden overlast, hinder en schade bij routegebonden evenementen vaak niet veroorzaakt door de deelnemers zelf, maar meer door de toeschouwers.

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.41 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning evenement

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 4.10 en op de algemene indieningsvereisten in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling.

-

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.42 Meldplicht tijdelijk verwijsbord evenement

Bij sommige evenementen is het nodig om het verkeer om te leiden. Hiervoor worden tijdelijke borden geplaatst. Ook worden borden geplaatst om naar het evenement te verwijzen. Voor tijdelijke verwijsborden, die kort voor en tijdens een evenement geplaatst worden, is geen omgevingsvergunning nodig. HierHiervoor is een melding voldoende. In Artikel 4.44 worden verdere eisen gesteld aan de grootte van deze borden, het tijdstip van de plaatsing en de locatie van de borden.

CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.43 Indieningsvereisten melding tijdelijk verwijsbord evenement

Deze eisen zijn een aanvulling op Artikel 1.12. -

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.44 Eis tijdelijk verwijsbord evenement

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg zijn tijdelijke verwijsborden alleen kort vóórvoor en tijdens een evenement aanwezig. We hanteren hierbij (maximaal 24 uur voor het evenement).

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.45 Oogmerk lokale spoorweg

Het oogmerk in dit artikel geeft aan met welk doel de regels in deze afdeling zijn opgesteld. Het oogmerk sluit aan op het oogmerk dat in artikel 9.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomenopgenomen is.

De betekenis van dit artikel is beperkt. Het geeft een motivatie waarom er gekozen is voor een ruim beperkingengebied (Artikel 4.46) en waarom er aanvullende indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen zijn geformuleerd bovenop de Omgevingsregeling (Artikel 4.51).

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.46 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg

Door de aanwijzing als beperkingengebied worden de regels van de afdeling 9.1 en afdeling 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing.

Het beperkingengebied is verdeeld in 2 zones: de kernzone en de beschermingszone. De regels voor deze zones verschillen. In de kernzone gelden strenge regels: alle activiteiten zijn daar vergunningplichtig op grond van artikel 9.48 van het Bal. In de beschermingszone worden alleen vergunningen gehanteerd voor het bouwen van bouwwerken, het plaatsen, aanpassen of behouden van hoge objecten en bomen, het gebruik van ladders, hijskranen of hoogwerkers, hei- en graafwerkzaamheden en grondwateronttrekkingen. Deze activiteiten kunnen ook op grotere afstand van de lokale spoorweg gevaar voor het gebruik van die spoorweg opleveren. Ook activiteiten die niet in de opsomming staan kunnen van invloed zijn op het lokale spoor, en vallen dus onder dit artikel.

Het beperkingengebied is verdeeld in 2 zones: de Kernzone lokale spoorweg en de Beschermingszone lokale spoorweg. De regels voor deze zones verschillen.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.47 Instructieregel beperkingengebied lokale spoorweg

Vooral in de stadscentra van Utrecht en Nieuwegein bestaat een grote druk op de beschikbare ruimte voor allerlei functies. Voor het bouwen van nieuwe woningen wordt ook gekeken naar gebieden in de buurt van de huidige lokale spoorwegen. Bewoners of gebruikers van gebouwen langs die spoorwegen kunnen hinder ondervinden van de tram in de vorm van geluid, trillingen, elektromagnetische straling of emissies van koper- of ijzerslijpsel. De provincie wil ervoor zorgen dat deze hinder niet toeneemt. Dat is in het belang van bewoners en gebruikers, maar ook voor het lokale vervoer. Door gevoelige functies (denk aan woningen) toe te staan in de buurt van een spoorweg, kunnen er belemmeringen ontstaan voor het tramverkeer, inclusief een intensivering van de dienstregeling. In dit artikel zijn daarom instructieregels opgenomen voor omgevingsplannen van de gemeente, voor zover die betrekking hebben op het beperkingengebied van een lokale spoorweg. Het omgevingsplan mag in dat gebied geen nieuwe gebouwen toestaan. Ook mag het omgevingsplan geen wijzigingen van de functie van een bestaand gebouw toestaan, die voor meer hinder zorgen. Ook geldt hier dat de berekende binnenwaarde bij wijziging van de functie van een bestaand gebouw naar een geluidgevoelig gebouw nooit hoger dan 33 dB Lden mag zijn. Voor nieuwbouw van geluidgevoelige functies is deze grens vastgesteld op basis van de wet. Daardoor kan die hier achterwege blijven. Daarbij kan gedacht worden aan het omzetten van een kantoorfunctie naar een woonfunctie.

Vooral in de stadscentra van Utrecht en Nieuwegein bestaat een grote druk op de beschikbare ruimte voor allerlei functies. Voor het bouwen van nieuwe woningen wordt ook gekeken naar gebieden in de buurt van de huidige lokale spoorwegen. In dit artikel zijn daarom instructieregels opgenomen voor omgevingsplannen van de gemeente, voor zover die betrekking hebben op het beperkingengebied van een lokale spoorweg. Het omgevingsplan mag in dat gebied alleen nieuwe gebouwen toestaan als rekening wordt gehouden met de instandhouding en mogelijke uitbreiding van lokale spoorweg. Ook mag het omgevingsplan geen wijziging van de functie van een bestaand gebouw toestaan, die voor meer hinder zorgt.

De regels in Afdeling 4.3 over activiteiten rond lokale spoorwegen bieden geen bescherming tegen (de verergering van) hinder. De regels in die paragraaf zijn gemaakt met het oog op het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg of wijziging van functie van de omgeving van de spoorweg. Vandaar dat de provincie ervoor kiest om het (verergeren van) hinder voor bewoners en andere gebruikers van gebouwen langs het spoor via een instructieregel te voorkomen. De gemeente moet onderbouwen dat er afdoende maatregelen worden getroffen om hinder te voorkomen.

Op grond van het derde lid kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de instructieregels van het eerste en tweede lid. Bij het bouwen van een gebouw of het wijzigen van de functie ervan, wordt er alleen ontheffing verleend als het zeker is dat er (ook in de toekomst) niet meer hinder ontstaat voor bewoners of andere gebruikers. Gedeputeerde staten kunnen in de ontheffing voorschriften opnemen over die maatregelen (zie artikel 2.32, vijfde lid, van de wet).

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.48 Instructieregel hinder lokale spoorweg

In het geval een omgevingsplan een wijziging van functies van gebouwen of nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk maakt, moet de gemeente in haar omgevingsplan te onderbouwen dat er geen sprake is van toename van de hinder van de lokale spoorweg.

Als een gemeente een gebouw bijvoorbeeld een kantoor, wil transformeren tot een woning (geluidgevoelig gebouw), dan kan dat als de binnenwaarde van die woning maximaal 33 dB Lden is. Nieuwe geluidgevoelige gebouwen zijn mogelijk als deze binnen de normen vallen van het tweede lid. De gemeente moet motiveren dat er afdoende maatregelen worden getroffen om hinder te voorkomenVoor deze nieuwbouw is de grens vastgesteld op basis van de Omgevingswet.

Bewoners of gebruikers van gebouwen langs die spoorwegen kunnen hinder ondervinden van de tram in de vorm van geluid, trillingen, elektromagnetische straling of emissies van koper- of ijzerslijpsel. De provincie wil ervoor zorgen dat deze hinder niet toeneemt. Dat is in het belang van bewoners en gebruikers, maar ook voor het lokale vervoer. Door gevoelige functies (denk aan woningen) toe te staan in de buurt van een spoorweg, kunnen er belemmeringen ontstaan voor het tramverkeer, inclusief een intensivering van de dienstregeling

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.49 Toepassingsbereik lokale spoorweg

Deze paragraaf gaat over de activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot lokale spoorwegen in beheer bij de provincie Utrecht. Artikel 9.48a Besluit activiteiten leefomgeving biedt de mogelijkheid aan provincies om bij omgevingsverordening te bepalen dat die vergunningplicht niet geldt. In deze verordening wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt. In de kernzone zijn alle activiteiten vergunningplichtig. In de beschermingszone zijn alleen activiteiten vergunningplichtig die ook op grotere afstand van het spoor een risico kunnen vormen.

De regels in deze paragraaf gaan over de activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot lokale spoorwegen in beheer bij de provincie Utrecht.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.50 Vrijstelling vergunningplicht beschermingszoneBeschermingszone lokale spoorweg

Gehele artikel: Bij een enkelvoudige aanvraag zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit (artikel 4.6 Omgevingsbesluit). Als de aanvraag meer activiteiten omvat (zoals een beperkingengebiedactiviteit en een bouwactiviteit), dan zijn college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. In dat geval hebben gedeputeerde staten een advies- en instemmingsrecht (artikel 4.25 Omgevingsbesluit).

Sub a t/m f: Er zijn 6 activiteiten in de beschermingszone die in ieder geval vergunningplichtig zijn.

Artikel 9.48a van het Besluit activiteiten leefomgeving biedt de mogelijkheid aan provincies om bij Omgevingsverordening te bepalen dat de vergunningplicht in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet geldt. In deze verordening wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

In de Kernzone lokale spoorweg gelden strenge regels: alle activiteiten zijn daar vergunningplichtig op grond van artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

In de Beschermingszone lokale spoorweg geldt de vergunningplicht alleen voor de activiteiten genoemd in het tweede lid van dit artikel. Deze activiteiten kunnen ook op grotere afstand van de lokale spoorweg gevaar voor het gebruik van die spoorweg opleveren. Ook activiteiten die niet in de opsomming staan, kunnen van invloed zijn op het lokale spoor, en vallen dus onder dit artikel.

Sub Onderdeel e: Voor voor graafwerkzaamheden geldt dat alleen een vergunning is vereist is als er dieper wordt gegraven wordt dan 1/10 van de afstand tot de buitenste spoorstaaf. Dus alsAls de afstand tussen de buitenste spoorstaaf en de locatie van de graafwerkzaamheden bijvoorbeeld 40 meter is, dan is een vergunning vereist als er dieper wordt gegraven wordt dan 4 meter.

Sub Onderdeel g: Als als restcategorie zijn ook andere activiteiten die van invloed zijn op het lokale spoor als vergunningplichtig aangewezen. Dit zijn uitzonderlijke gevallen;, mochten zulke activiteiten zich voordoen, dan worden deze in de toekomst door wijziging van de verordening aan dit artikel toegevoegd, zodat voor initiatiefnemers duidelijk is wanneer een vergunning is vereistvereist is.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.51 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning lokale spoorweg

Sub c Onderdeel g: w Wanneer anneer een vloeistof-vloeistofleiding of gasleiding onder of langs het spoor wordtde lokale spoorweg gelegd wordt, moet een zogenaamde kraterberekening worden aangeleverdaangeleverd worden. Met deze berekening wordt aangetoond wat de gevolgen zijn voor de baanstabiliteitspoorstabiliteit in het geval van overstroming bij een leidingbreuk.

Sub d Onderdeel h: h Het et uitvoeren van graaf- ofgraafwerkzaamheden en heiwerkzaamheden of het onttrekken van grondwater (bijvoorbeeld voor een bronbemaling) kan de stabiliteit van de tramweglokale spoorweg beïnvloeden. Om deze reden is het vereist dat een monitoringsplan wordt aangeleverd wordt waarin beschreven wordt hoe het monitoren van de tramweg wordtlokale spoorweg uitgevoerd wordt gedurende de uitvoering van de werkzaamheden en gedurende minimaal 5 dagen na beëindiging van de werkzaamheden.

In sommige gevallen zal ook een impactanalyse nodig zijn. Deze is niet als aanvraagvereisteindieningsvereiste opgenomen, maar zal in individuele gevallen met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht worden opgevraagdopgevraagd worden.

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.52 Oogmerk vaarweg

De regels in deze afdeling zijn gemaakt om de vaarwegen in stand en bruikbaar te houden en om een veilig en vlot verloop van het scheepvaartverkeer te bevorderen. De regels hebben betrekking op de uitvoering van het vaarwegbeheer door de provincie Utrecht en andere provincies, gemeenten en waterschappen. Daarnaast zijn er regels gemaakt om de vaarwegen die in beheer zijn bij de provincie te beschermen tegen de nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarwegen. De andere vaarwegbeheerders maken zelf regels over activiteiten op of rond de vaarwegen die in hun beheer zijn.

Bij het uitoefenen van de taken en bevoegdheden in deze afdeling, kan de provincie of een andere vaarwegbeheerder ook andere belangen behartigen dan de belangen, genoemd in het eerste lid. Door het beheren van de vaarwegen kunnen namelijk ook landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden of de natuur worden beschermdbeschermd worden. Maar deze belangen kunnen niet op zichzelf de reden zijn om een taak of bevoegdheid uit te oefenen op grond van deze afdeling. Ze worden altijd gecombineerd met de primaire oogmerken van het vaarwegbeheer.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.53 Toedeling vaarwegbeheer

De provincie heeft maar een paar vaarwegen in eigen beheer. De overige, veelal kleinere recreatieve vaarwegen zijn in beheer bij waterschappen, recreatieplassen-schappen en gemeenten. Dit artikel regelt de verdeling van het vaarwegbeheer.

Het vaarwegbeheer betreft zowel het uitvoeren van het onderhoud aan de vaarweg als het uitvoeren van het nautisch beheer.

Onder vaarwegbeheer vallen onder meer de taken:

  • het regulier en groot onderhoud;

  • de inspectie van de vaarweg;

  • het opstellen en uitvoeren van het onderhoudsprogramma;

  • juridische ondersteuning en afhandeling schades.

Onder nautisch beheer wordt verstaan:

  • vergunningverlening en handhaving op grond van de Scheepvaartverkeerswet en provinciale verordeningen;

  • inspectie en beheer;

  • beleidsvorming;

  • juridische ondersteuning;

  • regulering en vaarwegbebording.

Voor de vaarwegen op lijst A van Bijlage IX Vaarwegbeheer ligt het vaarwegbeheer formeel bij de provincie Utrecht. De uitvoering van het vaarwegbeheer is voor een deel van deze vaarwegen elders belegd. Over deze uitvoering worden afspraken gemaakt tussen de provincie Utrecht en het uitvoerende bestuursorgaan.

Voor de vaarwegen op lijst B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer ligt het vaarwegbeheer ook in formele zin bij het genoemde bestuursorgaan.

In de rechterkolom van de lijsten wordt aangegeven wie bevoegd gezag is op grond van de Scheepvaartverkeerswet en daarmee belast is met het nautisch beheer.

Provincie Utrecht probeert ervoor te zorgen dat de vaarwegen waarop deze verordening van toepassing is, in zowel economisch als recreatief opzicht hun functie blijven vervullen.

Niet alle wateren waarop recreatievaart plaatsvindt zijn opgenomen in de verordening. Hoofdlijn is dat de wateren van belang zijn voor de scheepvaart en minimaal onderdeel uitmaken van het recreatietoervaartnet uit de Basisvisie Recreatie Toervaartnet Nederland (BRTN). Een paar vaarwegen uit de BRTN zijn niet opgenomen in de verordening. De reden daarvoor is het beperkte gebruik van deze vaarwegen vaak het gevolg van een groot aantal hoogte- en dieptebeperkingen, die niet binnen een periode van 10 jaar opgeheven zullen zijn. Het betreft een gedeelte van de Oude Rijn aansluitend aan de Leidsche Rijn, de Leidsche Rijn en ’t Gein. Daarnaast zijn wateren komen te vervallen, omdat deze geen onderdeel uitmaken van de BRTN en ook van zeer beperkte betekenis zijn voor de recreatietoervaart. Voorbeelden hiervan zijn de Montfoortse Vaart, de Jaap Bijzerwetering, de Linschoten en de kleinere vaarwegen richting de Loosdrechtse Plassen. Deze worden vooral door kleine motorboten en sloepen bevaren.

Specifieke wateren

Dit artikel legt de toedeling van het vaarwegbeheer van regionale wateren vast. Het betreft vaarwegen gelegen binnen de provinciegrenzen, die niet door het Rijk worden beheerd en met een regionaal belang voor de beroepsvaart en de recreatievaart. Vaarwegbeheer ziet op de zorg van de overheid om scheepvaart mogelijk te maken en te behouden, overeenkomstig de aan de vaarweg toegekende vaarwegfunctie. Dat wil zeggen dat het water toegankelijk moet zijn voor de vaartuigen die gebruik maken van het betreffende water.

Het uitgangspunt uit artikel 2.18 lid 2 van de Omgevingswet is dat bij provinciale verordening, met inachtneming van artikel 2 lid 2 van de Waterschapswet, het beheer van regionale wateren wordt toegedeeld aan waterschappen. Dit betreft het watersysteembeheer dat op grond van artikel 2 lid 1 van de Waterschapswet wordt toegedeeld aan het Waterschap. Uitgangspunt hierbij is dat het vaarwegbeheer binnen het watersysteembeheer valt. Toedeling van het vaarwegbeheer aan het waterschap is in de Omgevingsverordening dan ook niet nodig. Een uitzondering hierop is wanneer:

1. het beheer van regionale wateren door de provincie bij Omgevingsverordening wordt toegedeeld aan een bestuursorgaan van een provincie of gemeente of;

2. het vaarwegbeheer door de provincie bij Omgevingsverordening aan een bestuursorgaan van het waterschap wordt toegedeeld, in het geval dat het een ruimere taak is dan het watersysteembeheer dat aan het waterschap is opgedragen, omdat het vaarwegbeheer een bovenwaterschappelijk belang dient en leidt tot substantiële overschrijding van de kosten van het watersysteembeheer.



Reden voor deze uitzondering is dat de instandhouding van een vaarweg om scheepvaartverkeer te kunnen laten plaatsvinden alsmede instandhouding van kunstwerken die deel uitmaken van die infrastructuur niet behoren tot de kerntaken van het waterschap, voor zover het vaarwegbeheer de kosten van het watersysteembeheer overstijgt. In de twee uitzonderingsgevallen wordt het vaarwegbeheer gescheiden van het watersysteembeheer. Het vaarwegbeheer kan bij Omgevingsverordening worden toegedeeld aan het bevoegde bestuursorgaan van een provincie of gemeente op grond van artikel 2.18 lid 2 sub a van de Omgevingswet. Op grond van artikel 2.18 lid 2 sub b van de Omgevingswet kan het vaarwegbeheer bij omgevingsverordening worden toegedeeld aan waterschappen. Bovenstaand leidt tot de volgende systematiek van aanwijzing van vaarwegbeheerders.

Lijst A Het vaarwegbeheer van de in deze lijst genoemde vaarwegen wordt toegedeeld aan gedeputeerde staten van de provincie Utrecht. Dit zijn in beginsel vaarwegen met een regionaal belang voor de beroepsvaart (vaarwegklasse CEMT II en hoger) en voor de recreatievaart.

Lijst B Het vaarwegbeheer van de in deze lijst genoemde vaarwegen en bijbehorende kunstwerken wordt toegedeeld aan de genoemde bestuursorganen in deze lijst. Daarbij zijn er twee vaarwegen met een regionaal belang toegedeeld aan provincies.

Het vaarwegbeheer van de in deze lijst genoemde vaarwegen en bijbehorende kunstwerken wordt toegedeeld aan de genoemde bestuursorganen in deze lijst. Daarbij zijn er twee vaarwegen met een regionaal belang toegedeeld aan provincies:

1. Amstel

De Amstel ligt op het grondgebied van 3 provincies, namelijk Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Om dit beheer goed te regelen zijn deze provincies een gemeenschappelijke regeling aangegaan, die op 1 januari 1993 inwerking is getreden. Op basis van deze Beheersregeling Amstel voert de provincie Noord-Holland het beheer over de (gehele) Amstel uit, dus ook over het Utrechtse deel. Wat de Amstel betreft zijn dus uitsluitend de regels van het provinciaal bestuur van Noord-Holland van kracht, zoals bedoeld in de overdracht van bevoegdheid in artikel 41, juncto artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Dit betekent dat de Amstel niet onder het toepassingsbereik van de Utrechtse Scheepvaartwegenverordening valt en hierin dan ook niet is opgenomen. Volgens artikel 7 van de Beheersregeling Amstel kan de regeling alleen maar opgeheven of gewijzigd worden door de deelnemers aan de regeling. Dit betekent dat de 3 provincies dezelfde besluiten moeten nemen bij opheffing of wijziging van de regeling. Mocht in de toekomst de regeling worden opgeheven, dan moet tegelijkertijd met het besluit tot opheffen van de Beheersregeling Amstel voor het Utrechtse deel, een besluit genomen worden waarbij de Amstel wordt opgenomen in de dan geldende Utrechts scheepvaartwegen-verordening.

2. Vecht Merwedekanaal, bezuiden de Lek

Het beheer en onderhoud van de Vecht is in 1997 van het Rijk via de provincies overgedragen aan het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De provincies Utrecht en Noord-Holland zijn formeel vaarwegbeheerder, maar het feitelijk beheer wordt uitgevoerd door AGV/Waternet. AGV had toen de overdracht plaatsvond geen specifieke regelgeving beschikbaar om de uitvoering van het vaarwegbeheer van de Vecht op een geschikte manier op zich te kunnen nemen. Er is toen in de huidige verordening een regeling opgenomen waardoor de uitvoering van het vaarwegbeheer op het Utrechtse gedeelte plaatsvindt op basis van de Scheepvaartwegenverordening provincie Utrecht 1992. Inmiddels heeft het waterschap beleid en regelgeving vastgesteld om de het beheer en onderhoud goed te kunnen uitvoeren. Regeling in deze Omgevingsverordening is daarom niet meer nodig.

Het Merwedekanaal bezuiden de Lek, ligt op het grondgebied van de provincie Utrecht en de provincie Zuid-Holland. Om dit beheer goed te regelen wordt het beheer toegedeeld aan Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland voert het vaarwegbeheer naar eigen inzicht en onder eigen verantwoordelijkheid uit. Voor wat betreft het Utrechtse deel van het Merwedekanaal zijn de regels uit deze Omgevingsverordening van kracht, waarbij een artikelen 4.57a en 4.59b zo zijn geformuleerd dat deze aansluiten bij de regels van de provincie Zuid-Holland. De financiële gevolgen en de verdere afspraken over het vaarwegbeheer zijn vastgelegd in een beheerovereenkomst met de provincie Zuid-Holland.

Daarnaast wordt het vaarwegbeheer van een aantal vaarwegen met toepassing va nartikel 2.18 lid 2 sub a van de Omgevingswet toegedeeld aan gemeenten. Deze wateren zijn van belang voor de beroepsvaart dan wel voor de doorgaande recreatievaart en hebben een lokaal karakter, waarbij het beheer door een gemeente beter passend is. Om te voorkomen dat het vaarwegbeheer van deze wateren komt te berusten bij het waterschap als watersysteembeheerder, worden die gemeenten conform de huidige situatie als vaarwegbeheerder aangewezen.

Brugbediening gemeente Nieuwegein

Brugbediening vormt een onderdeel van het vaarwegbeheer van de desbetreffende vaarweg. Het heeft immers een directe relatie met het goed functioneren van vaarwegen. Normaliter berust deze taak dan ook bij de vaarwegbeheerder. Voor vijf beweegbare bruggen is de brugbediening losgekoppeld van het overige vaarwegbeheer en specifiek toegedeeld aan de gemeente Nieuwegein.

Lijst C

De in lijst C opgenomen regionale wateren zijn wateren die in beheer zijn bij waterschappen. Bij de wateren genoemd onder nummers 1 tot en met 22 gaat het vaarwegbeheer op in het watersysteembeheer. Het vaarwegbeheer is hier niet aan een ander bestuursorgaan toegedeeld en leidt niet tot substantiële overschrijding van de kosten van het watersysteembeheer. Omdat de waterschappen reeds als watersysteembeheerder zijn aangewezen en het vaarwegbeheer begripsmatig onderdeel daarvan uitmaakt is geen aanwijzing als vaarwegbeheerder nodig. Om die reden hebben nummers 1 tot en met 22 van lijst C slechts informatieve betekenis.

De wateren en sluizen die op lijst C zijn aangeduid met de nummers 23 tot en met 32 zijn wateren en sluizen waarvan het vaarwegbeheer wordt losgekoppeld van het watersysteembeheer, omdat het vaarwegbeheer een bovenwaterschappelijk belang dient en leidt tot substantiële overschrijding van de kosten. De uitvoering van dat beheer wordt op grond van artikel 2.18 lid 2 sub b van de Omgevingswet toegedeeld aan de waterschappen tegen vergoeding van de meerkosten van het vaarwegbeheer. De financiële gevolgen en de verdere afspraken zijn vastgelegd in een bestuursovereenkomst met elk van de betrokken waterschappen. De uitoefening van het vaarwegbeheer vindt onder eigen inzicht en verantwoordelijkheid van het uitvoerende bestuursorgaan plaats.

Overige wateren

Niet alle wateren waarop recreatievaart plaatsvindt zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Hoofdlijn is dat de wateren van belang zijn voor de scheepvaart en minimaal onderdeel uitmaken van het recreatietoervaartnet uit de Basisvisie Recreatie Toervaartnet Nederland (BRTN). Een paar vaarwegen uit de BRTN zijn niet opgenomen in de verordening. De reden daarvoor is het beperkte gebruik van deze vaarwegen vaak het gevolg van een groot aantal hoogte- en dieptebeperkingen, die niet binnen een periode van 10 jaar opgeheven zullen zijn. Het betreft een gedeelte van de Oude Rijn aansluitend aan de Leidsche Rijn, de Leidsche Rijn en ’t Gein.

Vaarwegbeheer en nautisch beheer

Deze paragraaf heeft geen betrekking op het nautisch beheer. Het nautisch beheer is gericht op het bevorderen van een veilige, vlotte en doelmatige afwikkeling van het scheepvaartverkeer, onder andere door regulering en handhaving. Het nautisch beheer is grotendeels geregeld in de Scheepvaartverkeerswet en de daaruit voortvloeiende regelingen zoals het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en het Besluit Administratieve Bepalingen Scheepvaartverkeer (BABS). De nautische bepalingen vallen buiten het stelsel van het omgevingsrecht en horen daarom niet thuis in de Omgevingsverordening.

Toedeling van het vaarwegbeheer in deze Omgevingsverordening heeft echter wel invloed op het nautisch beheer. De systematiek van de toedeling van het nautisch beheer volgt uit artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet. De regel is dat:

1. De vaarwegbeheerder (zoals onder Artikel 4.53 is aangewezen) ook de nautisch beheerder is.

2. Als er geen vaarwegbeheerder is aangewezen, het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente de nautisch beheerder is.

3. Ten aanzien van een vaarweg in beheer bij een waterschap provinciale staten bepalen wie het bevoegd gezag is.

In het laatste geval wijzen provinciale staten van Utrecht in de nautische verordening het dagelijks bestuur van het waterschap aan voor zover dit verenigbaar is met de in het reglement aan het waterschap ter behartiging opgedragen taken, en in andere gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de scheepvaartweg is gelegen of gedeputeerde staten.

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.54 Vaarwegonderhoud door vaarwegbeheerder

Dit artikel bevat de opdracht aan de vaarwegbeheerder om onderhoud aan de vaarweg uit te voeren (een instructieregel over een taak, op grond van artikel 2.22 en artikel 2.23, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet).

Onder vaarwegbeheer vallen onder meer de taken:

  • het regulier en groot onderhoud;

  • de inspectie van de vaarweg;

  • het opstellen en uitvoeren van het onderhoudsprogramma;

  • juridische ondersteuning en afhandeling schades

Dit artikel bevat de opdracht aan de Daarnaast moet vaarwegbeheerder om onderhoud aan de vaarweg uit te voeren (een instructieregel over een taak, op grond van artikel 2.22 en artikel 2.23, eerste lid, onder b, van de wet). De vaarwegbeheerder moet ervoor zorgen dat de vaarweg voldoet aan de vereiste vaarwegdiepte en vaarweghoogte. De vaarwegdiepte en vaarweghoogte worden vastgesteld door gedeputeerde staten. Dit zijn minimale waarden, die de vaarwegbeheerder in ieder geval zal aanhouden. Over het algemeen zal de vaarwegbeheerder bij het baggeren een overdiepte willen realiseren, waardoor gedurende 10 tot 30 jaar niet gebaggerd hoeft te worden.

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

Na sectie 4.54 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.54a Beoordelingsregel aanvraag ontheffing vaarwegonderhoud door vaarwegbeheerder

Met het op de gewenste hoogte brengen van zowel nieuwe als bestaande vaste bruggen zijn veelal zeer hoge kosten gemoeid. Zo is denkbaar dat vanwege de specifieke lokale situatie de kosten van het op de vereiste doorvaarthoogte brengen van een vaste brug zodanig hoog zijn dat dit maatschappelijk gezien in redelijkheid niet van de brugbeheerder kan worden gevergd. Die situatie kan zich ook voordoen bij de bouw van een nieuwe vaste brug. Door te bepalen dat in dergelijke gevallen een ontheffing van gedeputeerde staten vereist is, is die afweging in handen gelegd van het bestuursorgaan dat de doorvaarthoogten vaststelt. Ook kan de situatie zich voordoen dat de locatie van de brug vereist dat een hogere doorvaarthoogte dan vastgesteld uiteindelijk wordt gerealiseerd. Te denken valt aan situaties waarbij gekozen is voor een hogere schrikhoogte dan de Richtlijnen vaarwegen voorschrijven. Deze situaties kunnen zich bijvoorbeeld voordoen als op de locatie van de brug in de recreatievaartroute een sterke invloed merkbaar is van een grotere beroepsvaartuig met meer deining/golfslag tot gevolg. Er wordt in die situaties door de vaarwegbeheerder bij de vergunningverlening gekozen voor een hogere doorvaarthoogte dan de minimaal benodigde doorvaarthoogte (maatwerk). Als over een route een vaste brug aanwezig is met een hogere minimale doorvaarthoogte dan de vastgestelde doorvaarthoogte dan geldt in beginsel het principe ‘houden wat je hebt’.

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.55 Bediening bruggen en sluizen

-

Dit artikel is verplaatst naar de Nautische Verordening van de provincie Utrecht, omdat dit valt onder de Scheepvaartverkeerswet.

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.56 Verhaalplicht

-

Dit artikel vormt een aanvulling op de nautische regel in het Binnenvaartpolitiereglement ten aanzien van de verhaalplicht van schepen die afgemeerd zijn op plaatsen waar andere schepen moeten worden geladen of gelost. Deze verhaalplicht wordt in dit artikel ook opgelegd aan schepen wanneer onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd.

RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.4.3 Regels over activiteiten op de vaarweg

SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.57 Toepassingsbereik vaarweg

In deze paragraaf staan regels over activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale vaarweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de staat en werking van die vaarweg. Er wordt alleen een beperkingengebied aangewezen voor de Eem buiten de gemeente Amersfoort, de Oude Rijn-West en het Merwedekanaal beneden de Lek. Voor andere vaarwegen worden de regels over activiteiten in het beperkingengebied opgesteld door de betreffende vaarwegbeheerders.

Er is alleen een beperkingengebied aangewezen voor de Eem buiten de gemeente Amersfoort, de Oude Rijn-West en het Merwedekanaal bezuiden de Lek. Voor de andere vaarwegen in de provincie Utrecht gelden de regels van de betreffende vaarwegbeheerders voor de activiteiten in de beperkingengebieden die zij aangewezen hebben.

TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

Na sectie 4.57 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.57a Aanwijzing beperkingengebied vaarweg

Het beheer en onderhoud van het Merwedekanaal, bezuiden de Lek, is toebedeeld aan de provincie Zuid-Holland. Om de regels op de vaarweg zo eenduidig mogelijk in te richten, is deze vaarweg – net zoals in het Zuid-Hollandse deel – verdeeld in zones met functies die van belang zijn voor het ligplaatsenbeleid:

  • Vaarstrook: deel van de vaarweg dat alleen bestemd is voor varend verkeer;

  • Veiligheidsstrook: parallel aan de vaarstrook en aan weerszijden daarvan richting oever gelegen deel van de vaarweg dat als een buffer werkt tussen varende en liggende schepen;

  • Veiligheidszone: deel van de vaarweg met een relatief hoog risico op ongevallen;

  • Overige delen van de vaarweg: beleidsvrije zone.



UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.58 Specifieke zorgplicht activiteit in beperkingengebied vaarweg

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor iedereen die een activiteit in het beperkingengebiedBeperkingengebied vaarweg uitvoert. De specifieke zorgplicht is in het tweede lid verder uitgewerkt. Dit houdt onder meer in dat de vaarweg vrij gehouden moet worden gehouden van schadelijke obstakels en losse stoffen en. En dat een vaarweg of een daarbij behorend werk niet beschadigd mag worden beschadigd. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aanBij voorbeeld door het ontregelen of onbruikbaar maken van technische installaties voor de operationele sluis-sluisbediening en brugbediening. Met gevaarlijkGevaarlijk of hinderlijk gedrag wordtis bijvoorbeeld bedoeld: het vissen met vistuig dat gevaar kan opleveren voor de scheepvaart of voor de bediening van kunstwerken, het stremmen van een vaarweg door een vaarweggebruiker en het achterlaten van kraampjes en andere voorwerpen op het ijs. Er is gekozen voor een specifieke zorgplicht omdat gedrag dat gevaar of hinder voor het scheepvaartverkeer kan veroorzaken, in deze verordening niet uitputtend en geregeld kan worden geregeld. Dat betekent dat er meer gedragingen kunnen zijn die hinder of gevaar kunnen veroorzaken dan in de opsomming zijn opgenomenopgenomen zijn.

VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

Na sectie 4.58 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 4.58a Informeren over ongewoon voorval beperkingengebied vaarweg

Bij een ongewoon voorval kan het gaan om een situatie waarbij de fysieke leefomgeving significant beïnvloed wordt of beïnvloed dreigt te worden. Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten hierover geïnformeerd worden.



Artikel 4.58b Benodigde gegevens over ongewoon voorval beperkingengebied vaarweg

Na het voordoen van een ongewoon voorval worden gedeputeerde staten geïnformeerd. Onmiddellijk nadat de gegevens en bescheiden – zoals informatie over de oorzaken en omstandigheden – bekend zijn, worden ze verstrekt.

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.59 Vergunningplicht beperkingengebiedactiviteitactiviteit beperkingengebied vaarweg

-

Ligt de planlocatie in het Gebied ligplaatsen, dan kan voor de activiteit in Artikel 4.59 ook een vergunningplicht van toepassing zijn op basis van Artikel 2.30, Artikel 2.37, en Artikel 2.41.



XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.59a Vrijstelling vergunningplicht beperkingengebiedactiviteitactiviteit beperkingengebied vaarweg

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

Na sectie 4.59a wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.59b Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning activiteit in beperkingengebied vaarweg

Het Merwedekanaal, bezuiden de Lek, ligt deels in de provincie Utrecht en deels in de provincie Zuid-Holland. Om het gebruik van het Merwedekanaal voor de vaarweggebruiker zo veel mogelijk uniform te houden, zijn er beoordelingsregels geformuleerd die in lijn zijn met de regels uit de verordening van de provincie Zuid-Holland. De beoordelingsregels in onderdeel b. tot en met f. zijn daarom alleen van toepassing op deze vaarweg.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.60 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteitactiviteit in beperkingengebied vaarweg

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.61 Intrekken omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.62 Verbod ontgassen

De verwachting is dat er een landelijk ontgassingsverbod voor binnenvaartankschepen komt. Als dat het geval is, worden de artikelen uit deze paragraaf uit deze verordening geschrapt.

-

CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.70 Aanwijzing weg waarvoor een geluidproductieplafond geldt

Op basis van de wetOmgevingswet moeten provincies in de omgevingsverordeningOmgevingsverordening wegen en lokale spoorwegen aanwijzen waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld. Voor wegen met een verkeersintensiteit tot en met 1000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde geldt de verplichting tot aanwijzen van geluidproductieplafonds niet. Daarnaast is de provincie beheerder van de tramlijnen Nieuwegein/IJsselstein Utrecht en de Uithoflijn. Deze tramlijnen zijn nauw verweven met de gemeentelijke infrastructuur, waardoor het niet effectief is om voor deze tramlijnen een geluidproductieplafond vast te stellen. Het geluid van de tram wordt daarom meegenomen in de gemeentelijke basisgeluidemissie.

De geluidproductieplafonds voor provinciale wegen worden bij een separaat besluit door provinciale staten vastgesteld. Dit besluit moet volgens de wet binnen een nog door het Rijk te bepalen termijn vastgesteld worden. Dit zal vermoedelijk binnen 2 of 3 jaar na de inwerkingtreding van de weteind 2026 zijn.

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.71 Instructieregel geluidcontour van provinciale wegen

De aanwezigheid van hoog belaste woningen maakt dat de provincie maatregelen moet nemen om aan haar wettelijke taak te voldoen en om uitvoering te geven aan het provinciaal belang duurzaam,gezond en veilig bereikbaar. In een aantal gevallen kan dat grote problemen opleveren. Bijvoorbeeld wanneer een geluidscherm de enig mogelijke maatregel is, maar dit vanuit verkeersoogpunt onacceptabel is. Daarnaast is hetHet doel van dit artikel is behoud van de staat en de werking van de provinciale weg en het zoveel mogelijk beperken van de negatieve gezondheidseffecten van het wegverkeer. Bekend is dat boven de 61 dB Ldenbij meer geluid de gezondheidsklachten exponentieel toenemen. Binnen het stedelijk gebied wordtVoor gebouwen langs de grens op 65 dB Lden gesteld. Voor gebouwenprovinciale weg die getransformeerd worden, bijvoorbeeld van kantoor naar woning, geldt dat de binnenwaarde maximaal 33 dB Lden mag zijn. Dit geldt zowel voor de gebouwen langs provinciale wegen in het landelijk gebied, als voor de gebouwen langs provinciale wegen in het stedelijk gebied. De provincie probeertheeft uitvoeringsbeleid om woningen diegeluidgevoelige gebouwen vanwege provinciale wegen bloot worden gesteld aan 61 dB Lden of meer doelmatig terug te brengen tot 61 dB Lden of minder op de gevel. Zie ook: Actieplan omgevingslawaaiprovinciaal actieplan geluid. Het is belangrijk om toekomstige bewonersOok zal het wettelijk stelsel van geluidproductieplafonds langs provinciale wegen een rol gaan spelen. De plafonds worden in 2026 vastgesteld. Bij dreigende overschrijdingen van plafondwaarden zal de provincie geluidmaatregelen moeten treffen. Hoe meer geluid op de hoogte te stellengevels van de geluidbelasting opgeluidgevoelige gebouwen aanwezig is hoe meer kosten er gemaakt worden. Conform de woning en de mogelijke effectenOmgevingsvisie is het geluid op de gezondheid daarvan. Ook bij het overschrijdengevel van een geluidgevoelig gebouw van de geluidproductieplafonds moetmaximaal 60 dB, gegeven de provincie maatregelen nemenhuidige infrastructuur, acceptabel.

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.8 Ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.72 Oogmerk ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken

Deze afdeling bevat uitzonderingen op de aanwijzing van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten, die zijn opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze uitzonderingen hebben tot doel om de ontgrondingen, die nodig zijn voor de uitvoering van ontgrondingsactiviteiten voor infrastructurele werken en waterstaatswerken, doelmatig te laten plaatsvinden. Dit wordt bereikt door geen omgevingsvergunning voor ontgrondingsactiviteiten te vereisen als de afweging over de omvang van de ontgraving van bodemmateriaal al voldoende is meegewogen in de ruimtelijke besluitvorming (het omgevingsplan of een projectbesluit).

-

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.73 Vrijstelling vergunningplicht ontgrondingsactiviteit

Deze afdeling bevat uitzonderingen op de aanwijzing van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten, die zijn opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze uitzonderingen hebben tot doel om de ontgrondingen, die nodig zijn voor de uitvoering van ontgrondingsactiviteiten voor infrastructurele werken en waterstaatswerken, doelmatig te laten plaatsvinden. Dit wordt bereikt door geen omgevingsvergunning voor ontgrondingsactiviteiten te vereisen als de afweging over de omvang van de ontgraving van bodemmateriaal al voldoende is meegewogen in de ruimtelijke besluitvorming (het omgevingsplan of een projectbesluit).

-

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.1 Wind, zon, energienetwerk en biomassa

De activiteiten die nodig zijn om energie te winnen uit wind, zon en biomassa worden in deze verordening aangemerkt als verstedelijking (zie Bijlage I).

Net als het Rijk wil de provincie dat initiatiefnemers de omgeving zorgvuldig betrekken bij de duurzame energieprojecten. De provincie vindt het belangrijk om bij een zorgvuldige locatiekeuze omwonenden, naburige grondeigenaren en grondgebruikers te betrekken in een gebiedsproces. Omwonenden moeten tijdig geïnformeerd worden over de ontwikkelingen. Ook moeten ze inspraak kunnen leveren op het ontwerp in de conceptuele fase. Daarnaast moet de omgeving financieel kunnen meeprofiteren van de opbrengsten van de windturbines vanaf 3 megawatt (MW) en van de zonnevelden. Dit om de lusten en lasten te verdelen waarbij rekening wordt gehouden met de in het Klimaatakkoord afgesproken bijzondere positie van gemeenten en waterbeheerders als zij de initiatiefnemers zijn. Financieel meeprofiteren kan bijvoorbeeld door zelf te investeren, via een lagere energierekening of een gebiedsfonds waaruit lokale voorzieningen worden betaald. In geval van zonnevelden is het bespreken van de mogelijkheden voor kavelruil vanwege het behouden en verbeteren van een goede landbouwstructuur en een goede landschappelijke inpassing belangrijk. Samen met gemeenten en waterbeheerders zoekt de provincie naar mogelijkheden om hier invulling aan te geven.

De provincie hanteert als uitgangspunt om minimaal 50% lokaal eigendom te bewerkstelligen, waarbij gestreefd wordt naar maximale participatie door omwonenden.

De provincie zet in op een duurzame en circulaire economie in 2050. De provincie streeft er naar om minimaal 50% lokaal eigendom te bewerkstelligen. Recycling van materialen na beëindiging van de energieprojecten draagt daaraan bij. Een mogelijkheid om recycling te stimuleren van elektronische apparaten, is dat de importeur of leverancier voldoet aan de AEEA-richtlijn (regeling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur) en staat ingeschreven bij WEEE-Nederland.

Het is evident dat ook rekening moet worden gehouden met beperkingen vanuit andere beleidsterreinen, zoals rijksbeleid met betrekking tot vrijwaringszones voor radar, hoogspanningsleidingen, natuur-toets, Natura 2000, etc. en milieubeheer zoals geluidnormen.

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 Afwijking van instructieregel verstedelijkingsverbod landelijk gebied

Nieuwe functies voor energie en transformatiestations zijn vormen van verstedelijking (hieronder worden mede begrepen schakelstations en verdeelstations). Om deze functies mogelijk te maken, is in dit artikel bepaald dat afgeweken kan worden van het verstedelijkingsverbod.

Nieuwe functies voor energieopwekking, energieopslag, energietransformatie en energietransport zijn vormen van verstedelijking (hieronder worden mede begrepen schakelstations en verdeelstations). Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de “duurzame verstedelijkingsladder” (artikel 5.129g: zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) worden toegepast. Dat geldt ook voor nieuwe functies voor energieopslag en energietransformatie. Om deze functies mogelijk te maken, is in dit artikel bepaald dat afgeweken kan worden van het verstedelijkingsverbod.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 Instructieregel kleine windturbine

Artikel 5.3 heeft betrekking op het opwekken van windenergie voor eigen behoefte. Windturbines met een ashoogte tot 20 meter zijn in het landelijk gebied op of in aansluiting op een bestaand bouwperceel mogelijk. De locatie van een kleine windturbine wordt zodanig gekozen dat deze een zo klein mogelijk effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van vogel- en vleermuissoorten. Dit wordt aangetoond door het uitvoeren van een quickscan flora en fauna en eventueel aanvullend ecologisch onderzoek. Als uit het ecologisch onderzoek blijkt dat de kleine windturbine het best op een kleine afstand van het bouwperceel (in aansluiting op het bouwperceel) kan worden geplaatst, dan moet dat landschappelijk gezien passen binnen een ensemble van erfbeplanting en gebouwen. Zie hiervoor ook ontwikkelprincipes uit de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen (Kwaliteitsgids). Een windturbine met een ashoogte tot 30 meter is toegestaan als dat noodzakelijk is om te voldoen in eigen energiebehoefte van de bestaande bouwwerken. Dit moet onderbouwd worden. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de opgewekte energie zelf gebruikt gaat worden. Dit om de belasting door teruglevering aan het elektriciteitsnet zoveel mogelijk te beperken.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.4 Instructieregel windenergielocatie

Gehele artikel: Artikel 5.4 heeft betrekking op het opwekken van windenergie voor regionale behoefte. Deze verordening bevat geen bepalingen voor windenergie binnen het stedelijk gebied. Dit artikel heeft betrekking op het landelijk gebied met uitzondering van de Natura 2000-gebieden en de ganzenrustgebieden.

De voorkeur gaat uit naar een combinatie van meerdere windturbines met elk een vermogen van 3 megawatt (MW) of meer in de door de provincie Utrecht in het PlanMER Windenergie (2023) aangegeven Meest Kansrijke Gebieden Windenergie. Van minder vermogende turbines vindt de provincie dat hun energie­opbrengst niet genoeg oplevert in verhouding met de impact die turbines hebben op de omgeving. Een solitaire turbine is alleen mogelijk als onderbouwd kan worden dat meerdere windturbines niet mogelijk zijn en dat de energieopbrengst opweegt tegen de impact die een solitaire turbine heeft op de omgeving.

Bij het plaatsen van de windturbines moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten van de Utrechtse Landschappen (zie Artikel 7.11). Het is ook duidelijk dat daarbij rekening moet worden gehouden met beperkingen vanuit andere beleidsterreinen, zoals: rijksbeleid met betrekking tot vrijwaringszones voor radar, etc. en milieubeheer, zoals geluidnormen. Verder bevat Afdeling 6.1 en Afdeling 9.4 aanvullende voorwaarden voor specifieke gebieden. Uit oogpunt van leveringszekerheid en maatschappelijk belang acht de provincie het van belang plaatsing van windturbines te toetsen aan de berekeningen zoals opgenomen in het Rekenvoorschrift Omgevingsbeleid Module IV en in overleg te treden met de beheerder van hoogspanningsverbindingen.

Eerste lid, onder b: Wanneer de windturbines niet meer gebruikt worden, moeten ze worden opgeruimd.

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 Instructieregel zonneveld

Deze Gehele artikel: deze verordening bevat geen bepalingen voor zonne-energie binnen het stedelijk gebied. Dit artikel heeft betrekking op het landelijk gebied met uitzondering van de natura 2000-gebieden en de ganzenrustgebieden.

Voor zonne-energie heeft de provincie de voorkeur voor plaatsing van zonnepanelen op daken, gevels en infrastructurele werken boven veldopstellingen. Dit omdat zonnepanelen op deze plekken normaal gesproken minder invloed hebben op de kenmerken of identiteit van een gebied. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen zijn ook zonnevelden nodig. Dit bij voorkeur op gronden met een andere functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwateren, langs van spoor- en autowegen en kanalen. Ook hierbij gaat de voorkeur uit naar het zoeken van slimme functiecombinaties met creatieve toepassingen, zodat de ruimtelijke kwaliteit verbetert. Daarnaast ziet de provincie kansen om zonnevelden te combineren op bepaalde locaties. Denk aan plaatsing bij sommige waterplassen, als buffer rondom natuurgebieden en in combinatie met recreatie. Toch is met al deze voorkeurslocaties binnen de provincie Utrecht onvoldoende oppervlak beschikbaar om de energieambities te behalen. Het is nodig om zonnevelden te plaatsen op agrarische grond, of deze samen te laten gaan met agrarische doeleinden. Maar ook om de zonnevelden te plaatsen op gronden met een lage natuurkwaliteit.

Eerste lid, onder a: Dede structuren in landschap moeten herkenbaar blijven en er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. De randen en afscheidingen van de zonnevelden moeten passen in het landschap.

Eerste lid, onder b: Tijdens de aanleg van de zonnevelden zijn het voorkomen van bodemverdichting, erosie en verslemping specifieke aandachtspunten. Erosie en verspoeling van de bodem kunnen een probleem zijn als panelen vlak liggen en de ruimte tussen rijen panelen nauw is. Vooral als de vegetatie slecht ontwikkeld is en het zonneparkzonneveld op een helling gebouwd is, kunnen deze problemen ontstaan. Het is van belang het bodemleven en de waterkwaliteit in stand te houden en bodemdaling zo veel mogelijk te voorkomen. Uitlogen van materialen die via de bodem of rechtstreeks in het (grond)water kunnen komen moet tegengegaan worden. Ook het wegnemen van licht of inbreng van chemische stoffen kan negatieve effecten hebben, die vermeden moeten worden.

Eerste lid, onder c: Wanneer de zonnepanelen niet meer gebruikt worden, moeten ze worden opgeruimd.

Eerste lid, onder c: in de Kamerbrief over aangescherpte voorkeursvolgorde zon is de voorkeursvolgorde zon gedefinieerd. De provincie Utrecht wil ruimte houden voor het voldoen aan de opwekdoelen van de provincie. Daarom wordt aan gemeenten verzocht te onderbouwen hoe rekening is gehouden met de voorkeursvolgorde zon:

  • a.

    als het een zonneveld op landbouwgrond betreft, de door de gemeente gepleegde beleidsinspanningen om zonnepanelen mogelijk te maken op daken en gevels van gebouwen, op onbenutte terreinen in bebouwd gebied en op gronden in het buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur;

  • b.

    hoe gezocht is naar mogelijkheden voor AgriPV: de combinatie van een substantiële agrarische functie met een zonneveld. Daarbij blijft de functie landbouw behouden en maakt het gebruik van zonnepanelen slechts beperkt inbreuk daarop of draagt juist bij aan de landbouwkundige functie. Meervoudig ruimtegebruik, met primair landbouwkundig gebruik is hierbij de norm;

  • c.

    hoe het plan past of te verenigen is met gebiedsplannen waarin landbouwgronden liggen die op basis van bestuurlijk bindende afspraken in transitie zijn, bijvoorbeeld gronden die in de toekomst een andere functie krijgen zoals woon-werk, recreatie of overgang naar natuur of gronden die minder geschikt zijn of worden voor een landbouwfunctie door verzilting, vernatting of bodemdaling. Zonne-energie draagt financieel bij aan het mogelijk maken van de gebiedsgerichte opgaven voor een maximale periode (30 jaar), waarna de gebieden hun definitieve bestemming zullen krijgen;

  • d.

    hoe gezocht is naar mogelijkheden waarop de aanleg van zonnevelden op gronden betekenisvol bijdraagt aan de vermindering van de netcongestie of zorgt voor vergroting van een efficiënter netwerkgebruik (netneutraal). Door een combinatie met congestiemanagement kan sprake zijn van betekenisvol bijdragen. Initiatieven voor zonne-energie kunnen op zichzelf nooit een volledige oplossing bieden voor netcongestie, aangezien het aansluiten van zonnevelden altijd een aansluiting op het elektriciteitsnet vereist. Zonne-energie kan in bepaalde situaties wel bijdragen aan een efficiënter gebruik van het elektriciteitsnetwerk. Deze efficiëntieslag kan plaatsvinden in enerzijds het invoeren van energie in het netwerk en anderzijds in efficiënter aanleggen en uitbreiden van het netwerk. Hieraan kan bijvoorbeeld (niet uitputtend) worden gedacht bij:

  • initiatieven die in samenhang met een windproject in of nabij een zoekgebied wind of zon/wind worden ontwikkeld dan wel gerealiseerd;

  • achter de meter aangesloten worden van een enkele afnemer;

  • aangesloten worden op een elektriciteitsaansluiting van een energieopwekker (zgn. cable-pooling); of

  • initiatieven waarvan de opbrengst aantoonbaar (bijvoorbeeld via een zogeheten directe lijn) ten goede komt aan een nabijgelegen grote afnemer; of initiatieven die nabij een schakelstation bij het hoofd- of middenspanningsnet liggen.



De netbeheerder wordt in de praktijk betrokken bij de beoordeling of een ontwikkeling inpasbaar is in het elektriciteitsnet aangezien deze de daartoe benodigde expertise in huis heeft. Het gestelde onder punt 2, kan benut worden voor (1) een enkele ondernemer die wil voorzien in eigen hernieuwbare energie. Deze uitzondering geldt ook voor (2) meerdere bedrijven die willen samenwerken en hun verbruik en opwek met elkaar afstemmen en daarover een groepscontract afsluiten met de netbeheerder. Dit collectief van bedrijven kan gezamenlijk besluiten tot extra opwek via zonnepanelen om te voorzien in een ontbrekende energievraag. Ook (3) energiegemeenschappen kunnen op soortgelijke wijze opereren. Voorwaarde voor deze 3 voorbeelden is dat zon-op-dak is benut en er geen (aanvullende) teruglevering plaatsvindt op het elektriciteitsnet. Hiervoor moet de omvang van het zonneveld aansluiten bij het gebruiksprofiel van de afnemer(s) en kan met opslag verder worden geoptimaliseerd en voorkomen worden dat er teruglevering plaatsvindt.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

Na sectie 5.5 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.5a Instructieregel zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen

-

Artikel 5.5b Instructieregel energieopslag, energietransformatie en energietransport

-

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 Instructieregel energie uit biomassa landelijk gebied

Eerste lid: Voorvoor het realiseren van nieuwe initiatieven voor bio-energie gaat de voorkeur uit naar aansluiting bij bestaande bebouwde agrarische percelen en bestaande legale (half)verhardingen op landgoederen. In sommige gevallen kan een betere landschappelijke inpassing een andere locatiekeuze rechtvaardigen. Het is belangrijk dat in zulke gevallen een zorgvuldige afweging wordt gemaakt die rekening houdt met onderdelen als verkeersaantrekkende werking, stankoverlast, afstand tot de afnemer (warmte, stoom, groen gas, eventueel groene stroom) en het landschap.

Er wordt een onderscheid gemaakt naar schaalgrootte. De omvang van de installaties blijkt uit de afweging tegen andere provinciale belangen, zoals gezonde leefomgeving (gezondheidsrisico’s vanwege fijnstof), landschap, beschikbaarheid van biomassa op eigen bedrijf of van lokale herkomst, opslag en een bereikbaarheidsonderzoek.

Bij kleinschalige bio-energie-installaties kan onderscheid gemaakt worden tussen vergisting en verbranding.

Met kleinschalige vergisting wordt voornamelijk boerderijvergisting van ruwe mest van het eigen bedrijf bedoeld maar het kan ook co-vergisting op kleine schaal zijn. Hiermee wordt bedoeld het vergisten van merendeels mest waaraan in beperkte mate bijvoorbeeld bermgras, maaisel, GFT of schoon slib wordt toegevoegd. Voor dergelijke installaties worden kansen gezien op en nabij agrarische bouwpercelen en op landgoederen.

Met monomestvergisting wordt voornamelijk boerderijvergisting van ruwe mest van het eigen bedrijf bedoeld met een maximale omvang van 25.000 m3 ingaande mest per jaar. Voor dergelijke installaties worden kansen gezien op en nabij agrarische bouwpercelen en op landgoederen.

Monomestvergisting mag ook met mest van elders als de geproduceerde mest afkomstig is van met elkaar samenwerkende melkrundveehouderijen, mits de locatie goed is ontsloten en de maximale omvang van 25.000 m3 ingaande mest per jaar niet wordt overschreden.

Het op kleine schaal verbranden van bewerkte en relatief schone houtachtige biomassa (pellets, zaagsel) in het buitengebied is in principe mogelijk mits in aanvulling op de voorwaarden wordt voldaan aan minimale stofemissies.

Tweede lid: Hethet tweede lid geldt alleen voor bio-energie installaties met een nominaal ingaand thermisch vermogen groter dan 500 kilowatt.

Tweede lid, onder a: Aannemelijkaannemelijk moet worden gemaakt dat er voor het invullen van de warmtevraag geen haalbare alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn anders dan biomassa. Met haalbaar wordt bedoeld: realiseerbaar in techno-economische zin en binnen een afzienbare termijn. Denkbare alternatieven voor biomassa zijn onder meer aquathermie, zonthermie en geothermie.

Tweede lid, onder b: Aanvullendaanvullend moet aannemelijk worden gemaakt dat de in te zetten biomassa niet binnen een redelijke termijn ingezet kan worden als grondstof voor hoogwaardiger toepassingen. Hoogwaardiger toepassingen zijn bijvoorbeeld de chemie, de bouw en de materialensector. De reden dat deze markten worden gezien als hoogwaardiger is dat er minder of geen alternatieven zijn om fossiele grondstoffen te vervangen door biomassa.

Tweede lid, onder c: Dede biomassa die wordt ingezet voor de energievoorziening moet gecertificeerd zijn volgens de ‘Better Biomass’ criteria (norm NTA 8080) of een vergelijkbaar certificeringssysteem. Specifiek voor de kleinschalige toepassing van houtpellets geldt dat deze (aanvullend) ENplus gecertificeerd moeten zijn, of met een vergelijkbaar kwaliteitstabel. Als kan worden aangetoond dat er uitsluitend biomassa wordt ingezet vanuit het eigen bedrijf vervalt deze voorwaarde.

Tweede lid onder d: Alleen alleen biomassa kan worden ingezet in de provincie Utrecht met een aantoonbare CO2-emissiereductie over de gehele keten van ten minsteminimaal 80% in vergelijking met het fossiele energiealternatief. De basis voor deze berekening is de BioGrace-II rekenmethodiek. Deze rekentool wordt gepubliceerd door de Europese Commissie.

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

Na sectie 5.7 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.7a Instructieregel behoud energienetwerk

-

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.8 Vergunningplicht transformatorstation

Vóór de inwerkingtreding van de wet waren op grond van categorie 20 van bijlage I Besluit omgevingsrecht (Bor) transformatorstations, met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren en een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, vergunningplichtig. Deze vergunningplicht komt niet terug in het Besluit activiteiten leefomgeving. De provincie heeft om die reden gekozen om deze regels beleidsneutraal om te zetten in de omgevingsverordening. De vergunningplicht blijft zo gehandhaafd.

-

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.11 Instructieregel weging elektriciteits-infrastructuur

Gehele artikel: Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op het gehele provinciale grondgebied. Bij een omgevingsplan dat tot doel heeft nieuwe functies in de leefomgeving mogelijk te maken, moet in een vroeg stadium (vóór het overleg, maar bij voorkeur al in de planvormingsfase) inzicht worden gegeven in het te verwachten systeem van energiebeheer. Het gaat om een inventarisatie van de mogelijke impact op en de beperkingen van de elektriciteits-infrastructuur voor een bepaalde nieuwe functie en inzicht in het beoogde systeem van energiebeheer voor deze nieuwe functies. Hieronder valt in ieder geval: opwek, opslag, gebruik, transport, levering van elektriciteit of combinaties daarvan. Dit artikel is niet van toepassing op minder dan 10 woningen.

Eerste lid: De problemen in het elektriciteitsnet van de afgelopen jaren maken duidelijk dat er grenzen zijn aan de te leveren of af te nemen elektriciteitscapaciteit. Gevraagd wordt rekening te houden met de mogelijke impact op de elektriciteits-infrastructuur en dit in ieder geval te betrekken voorafgaand aan de planvorming. Het doel van de energietoets is vroegtijdig in overleg te gaan met de netbeheerder over de energie-aspecten van het betreffende plan. Door de netbeheerder wordt dan een afweging gemaakt die in de vorm van een energieparagraaf aan het omgevingsplan kan worden toegevoegd.

Inzichtelijk moet worden gemaakt hoe nieuwe functies zich verhouden tot het geheel aan (te verwachten) ontwikkelingen in een gebied of gemeente en de omliggende gemeenten. Ook bij kleinere plannen kunnen zich beperkingen voor de aansluitbaarheid op het energiesysteem voordoen. Bij de realisatie tot 10 woningen zal hier naar verwachting geen sprake van zijn.

Wanneer er sprake is van meerdere te verwachten ontwikkelingen in een gebied, gemeente of omliggende gemeenten kan er sprake zijn van een stapeling van effecten in het functioneren van de elektriciteits-infrastructuur of zich juist kansen voordoen om deze te versterken. Dit kan ook een aangrijpingspunt vormen voor eventuele kostenverevening (het verdelen van de kosten van infrastructuuraanpassingen over verschillende projecten).

Tweede lid: In de energieparagraaf wordt in ieder geval ingegaan op de beschikbaarheid van de elektriciteits-infrastructuur, het voorziene systeem van energiebeheer en een afweging of de nieuwe functies er vanuit het beheer en beschikbaarheid van de elektriciteits-infrastructuur ontwikkeld kunnen worden. Daarnaast kan gedacht worden aan:

Gehele artikel: dit artikel is van toepassing op het gehele provinciale grondgebied. De problemen in het elektriciteitsnet van de afgelopen jaren maken duidelijk dat er grenzen zijn aan de te leveren of af te nemen elektriciteitscapaciteit. Bij een omgevingsplan dat tot doel heeft nieuwe functies in de leefomgeving mogelijk te maken, en die een aansluiting van 3 x 80 Ampère en groter op de elektriciteitsinfrastructuur nodig hebben, moet in de planvormingsfase onderbouwd worden hoe de piekvraag op het elektriciteitsnet beperkt kan worden. Het gaat om het inzichtelijk maken van de mogelijke impact op en de beperkingen van de elektriciteitsinfrastructuur voor een bepaalde nieuwe functie en inzicht in het beoogde systeem van energiebeheer voor deze nieuwe functies waardoor overbelasting van de elektriciteitsinfrastructuur zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt voorkomen. Hieronder valt in ieder geval: opwek, opslag, gebruik, transport, levering van elektriciteit of combinaties daarvan, waar mogelijk in combinatie met omliggende ontwikkelingen.

Tweede lid: in de beschrijving wordt in ieder geval ingegaan op de capaciteit van de elektriciteits-infrastructuur, een afweging of de nieuwe functies er vanuit de capaciteit van de elektriciteitsinfrastructuur ontwikkeld kunnen worden en het voorziene systeem van energiebeheer. Daarbij kan gedacht worden aan:

  • de redelijkerwijs te verwachten elektriciteitsafname of -teruglevering per jaar;

  • de voorgenomen maatregelen om de te verwachten elektriciteitsafname of –teruglevering te minimaliseren;

  • de redelijkerwijs te verwachten piek- en dalmomenten van de afname of teruglevering, bezien op jaar en dag;

  • het te verwachten elektriciteitsgebruik en elektriciteitslevering dat passend is op de aanwezige elektriciteits-infrastructuur zodat er geen knelpunten ontstaan;

  • maatregelen die voorzien in een afdoende aansluiting van de nieuwe woningen op de elektriciteits-infrastructuur; en;

    voorgenomen maatregelen die piek- en dalmomenten van de afname of teruglevering verlagen; en

  • ruimte die het omgevingsplan biedt voor de realisatie van nieuwe elektriciteits-infrastructuur wanneer blijkt dat de bestaande elektriciteits-infrastructuur niet toereikend is voor de nieuwe functie.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in 10 tot 50 woningen kan gedacht worden aan:

  • de locatie en het type woningen die passend zijn binnen de aanwezige elektriciteits-infrastructuur van de netbeheerder; en

  • het te verwachten elektriciteitsgebruik en elektriciteitslevering dat passend is op de aanwezige elektriciteits-infrastructuur zodat er geen knelpunten ontstaan.

RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

Na sectie 5.11 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.12 Instructieregel netbewuste nieuwbouw

De regel gaat alleen over woningen en warmte installaties voor woningbouw en heeft geen gevolgen voor bijvoorbeeld bedrijven of laadpalen voor auto’s. Het netbudget is de maximale hoeveelheid elektriciteit op gebiedniveau of woningniveau die nieuwbouwwoningen mogen verbruiken (in We/m2). Bouwen volgens het netbudget helpt om de druk op het elektriciteitsnet te verminderen. Door toepassing van een netbudget wordt ervoor gezorgd dat er meer capaciteit beschikbaar blijft voor toekomstige ontwikkelingen. Bijlage XXIII Netbewuste nieuwbouw bevat een toelichting op de wijze waarop netbewuste nieuwbouw kan worden gerealiseerd.



SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.2 Instructieregel bescherming natuurnetwerk Nederland

Eerste lid: Inin dit artikel is, vanuit het oogmerk als omschreven in Artikel 6.1 van de verordening, een instructieregel opgenomen waaraan gemeenten bij het opstellen van - de wijziging van - een omgevingsplan moeten voldoen. Deze instructieregel houdt in dat er in zo’n plan regels moeten worden opgenomen die erop gericht zijn de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang het natuurnetwerk Nederland (NNN) beschermen, in stand te houden, te verbeteren en te ontwikkelen. Deze instructieregel geldt voor elk(e) - wijziging van een - omgevingsplan. Dit houdt in dat niet alleen bij gewenste nieuwe ontwikkelingen of wijzigingen aan deze regel moet worden voldaan, maar ook bij het opnieuw in een plan/planwijziging opnemen van bestaande rechten en mogelijkheden. Van gemeenten wordt verwacht dat in dat laatste geval minimaal wordt bekeken of en waarom bestaande rechten en mogelijkheden gelet op deze instructieregel wel in de bestaande vorm kunnen worden gehandhaafd. Hierbij worden ook andere wijzen van ontwerp en uitvoering (waaronder de locatiekeuze) van de toegestane nieuwe activiteiten of wijziging/handhaving van bestaande activiteiten bezien die mogelijk negatieve gevolgen op het NNN kunnen voorkomen, minimaliseren of aangetast NNN kunnen herstellen. De verplichting dit te doen bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van - de wijziging van - het plan bestaat overigens al op grond van de Omgevingswet en de Awb (onder meer artikel 3:2 van de Awb betreffende zorgvuldige voorbereiding, artikel 3:46 van de Awb betreffende het motiveringsbeginsel en de andere in de Awb genoemde dan wel ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur).

TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.3 Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland

Eerste lid: in dit artikel is de instructieregel uit Artikel 6.2 nader uitgewerkt voor de situatie dat het gemeentebestuur in een plan wil voorzien in nieuwe activiteiten in het natuurnetwerk Nederland of in een plan bestaande activiteiten in het natuurnetwerk Nederland wil wijzigen. Uitgangspunt in zo’n situatie is dat een omgevingsplan géén nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maakt als die activiteiten kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden of vermindering van kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland. Het toestaan van dergelijke activiteiten gaat namelijk in tegen de eis om regels op te nemen die erop gericht zijn de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang het natuurnetwerk Nederland te beschermen, in stand te houden, te verbeteren en te ontwikkelen.

Om het gemeentebestuur te ondersteunen bij de toepassing van dit artikel en bij Artikel 6.9 bij de voorbereiding van (een wijziging van) het omgevingsplan is de Handreiking bij de regels ter bescherming van het natuurnetwerk Nederland opgesteld. In deze toelichting zal op een aantal plekken naar deze handreiking worden verwezen. Onder activiteiten die leiden tot verlies van kwaliteit wordt ook het mogelijk maken van activiteiten die leiden tot een toename van (tijdelijke) verstoring zoals bijvoorbeeld veroorzaakt door versterkte muziek of menselijke aanwezigheid bij evenementen gerekend.

Tweede lid: van het uitgangspunt in het eerste lid kan alleen worden afgeweken als sprake is van één van de in het tweede lid genoemde gevallen en is voldaan aan de genoemde voorwaarden.

Tweede lid, sub a: in 3 gevallen kan, bij voldoen aan de voorwaarden, worden afgeweken van het uitgangspunt in het eerste lid. Het gaat om:

1. activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten in verband met groot openbaar belang. Met groot openbaar belang worden grote maatschappelijke belangen en geen individuele belangen bedoeld. In de handreiking zijn voorbeelden van activiteiten met groot openbaar belang beschreven. Het groot openbaar belang staat altijd in zekere verhouding tot de aantasting. Wanneer waarmee bedoeld wordt dat, wanneer de aantasting groter is, moet dushet groot openbaar belang ook het belang grotervan meer gewicht moet zijn. Alleen activiteiten waarvoor geen reële alternatieven aanwezig zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten, vallen dus onder deze uitzondering. Het alternatievenonderzoek is een breed onderzoek naar zowel alternatieve oplossingen voor de gewenste ontwikkeling als onderzoek naar alternatieven locaties onder valt. Door middel van een locatieonderzoek moet aangetoond worden:

  • ; op welke manier onderzoek is gedaan

  • hoe groot de ontwikkeling is;

  • welke andere locaties zijn onderzocht;

  • waarom deze geen reëel alternatief vormen;

  • of en hoe is gezocht naar een zo klein mogelijk ruimtelijk beslag en een zo klein mogelijke aantasting van de natuurwaarden;

  • of en hoe is gezocht naar een slimme terreininrichting en hoe de initiatiefnemer natuur en landschap voldoende mee ontwikkelt.

2. situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van meerwaarde volgens de meerwaardebenadering; zie Bijlage I Begripsbepalingen voor de begripsbepaling van meerwaardebenadering. Aan deze begripsbepaling, waarin het meervoudige doel van de meerwaardebenadering en de zwaarwegendheid van het natuurbelang is neergelegd, zal een omgevingsplan dat van deze benadering gebruik wil maken moeten voldoen. Het gaat hierbij, samengevat weergegeven, om een de situatie waarin de aanleiding voor een plan(wijziging) of combinatie van plan(wijziging)en ligt in zowel het natuurbelang op zichzelf als belangen bij een nieuwe activiteit of wijziging van een bestaande activiteit. In de nieuwe planregeling(en) bestaat de nieuwe ontwikkeling dus uit een activiteit en uit een verbetering of uitbreiding van het natuurnetwerk Nederland. Deze uitzondering is mogelijk als de aantasting door de toegestane activiteit niet enkel (kaal/alleen door toepassing van de compensatieregels in Paragraaf 6.1.3) wordt gecompenseerd, maar in het met de locatie waarop de activiteit wordt toegestaan samenhangende gebied óók binnen 10 jaar een meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland wordt gecreëerd. Om te kunnen bepalen of in het betreffende gebied een meerwaarde wordt bereikt, wordt in de voorbereiding van het plan een visie op het natuurnetwerk Nederland/de natuur opgesteld. Deze visie beschrijft in ieder geval de natuurknelpunten en -bedreigingen en de mogelijkheden/kansen voor het oplossen van deze natuurknelpunten en bedreigingen. Bij deze beschrijving en de gekozen oplossingen, wordt rekening gehouden met de beperking die de eis van 10 jaar voor het bereiken van de meerwaarde, inhoudt voor de keuze in compenserende maatregelen. Hierin worden de abiotische vereisten en ontwikkelingstermijnen betrokken. Beslaat deze visie een groter gebied dan het omgevingsplan? Dan maakt deze onderdeel uit van een op te stellen gebiedsvisie. Deze gebiedsvisie omvat in het algemeen meer thema’s en ontwikkelingen dan alleen natuurnetwerk Nederland/natuur. Het beschrijven van natuurknelpunten volgt al impliciet uit de regel. Het gebied waar de gebiedsvisie over gaat, in de regel het samenhangend gebied genoemd, wordt vanuit de locatie van de aantasting bepaald aan de hand van de ecologische samenhang van het gebied en de te borgen maatregelen. Bij het bepalen van de samenhang worden in ieder geval de volgende criteria betrokken:

  • de aanwezigheid van zones met bijzondere ecologische kwaliteit (bijzondere samenhang abiotische en biotische kenmerken, goed ontwikkelde systemen, zoals waardevolle oude boskernen);

  • gebieden die bepalend zijn voor de aaneen geslotenheid en robuustheid van het natuurnetwerk Nederland;

  • de aanwezigheid van bijzondere soorten;

  • de aanwezigheid van essentiële verbindingen (bijvoorbeeld foerageer- en migratieroutes). Om gemeentebesturen te ondersteunen bij de toepassing van de meerwaardebenadering bij het opstellen van - een wijziging van - het omgevingsplan wordt een handreiking opgesteld.

Om gemeentebesturen te ondersteunen bij de toepassing van de meerwaardebenadering bij het opstellen van - een wijziging van - het omgevingsplan wordt een handreiking opgesteld.

Bij toepassing van deze meerwaardebenadering kan de handreiking, waarin onder meer de te doorlopen stappen uit Artikel 6.3 aan de orde komen, als hulpmiddel worden gebruikt.

3. situaties waarbij in het plan een beperkte uitbreiding of wijziging van al binnen het natuurnetwerk Nederland gelegen bestaande activiteiten wordt toegestaan. Deze wijziging kan bijvoorbeeld een verandering of uitbreiding van toegestaan gebruik of de uitbreiding of toevoeging van bebouwing zijn; in de handreiking zijn hiervan voorbeelden gegeven. Het natuurnetwerk Nederland mag worden aangetast voor een uitbreiding van bestaande activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten als:

  • deze uitbreiding of wijziging op zich zelf ruimtelijk beperkt is (zowel in oppervlakte als in eventueel toegestane bebouwing/verharding of toegestaan gebruik, flexibiliteitsbepalingen meegerekend);

  • als deze uitbreiding of wijziging nodig is voor de instandhouding van zogenoemde ingesloten functies; en

  • als de aantasting door de uitbreiding of wijziging wordt gecompenseerd op een locatie in de directe nabijheid van die aantasting. Dit gebeurt eerst op het terrein van de bestaande activiteit (ingesloten functie). Alleen als in het plan deugdelijk is onderbouwd dat compensatie op het terrein van de bestaande activiteit blijvend onmogelijk is, kan de compensatie buiten dat terrein, maar wel in de directe nabijheid van de aantasting plaatsvinden. Zie daarvoor Artikel 6.9, derdevierde lid.

Tweede lid, sub b: Inin sub b staat dat de aantasting zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Dit kan door in het plan alleen een nieuwe activiteit of bestaande activiteit mogelijk te maken áls en in een vorm waarin deze een zo klein mogelijke impact heeft op de bestaande en potentiële natuurwaarden. Om de impact zo klein mogelijk te maken, zullen bij het omgevingsplan meerdere mogelijkheden voor invulling moeten worden bezien, naar aanleiding daarvan keuzes moeten worden gemaakt én onderbouwd waarom de gekozen invulling de kleinste aantasting van het natuurnetwerk Nederland inhoudt. Zo zal er in het plan een locatie voor de activiteit moeten worden gekozen die het natuurnetwerk Nederland zo min mogelijk aantast, waarbij in ieder geval de moeilijk vervangbare natuurtypen moeten worden ontzien. Ook zal het ruimtebeslag van de activiteit én wat daar als bebouwing en gebruik wordt toegestaan in het plan zo klein mogelijk moeten worden gehouden. Het gaat dus om de beperking van de in het plan toegestane maximale mogelijkheden, waarbij de flexibiliteitsbepalingen worden meegeteld.

Tweede lid, sub c: Inin sub c is opgenomen dat de aantasting van het natuurnetwerk Nederland door de nieuwe activiteit of de wijziging van een bestaande activiteit tijdig moet worden gecompenseerd; in sub e is een hierop aansluitende voorwaarde opgenomen voor de regels in het omgevingsplan. Uitgangspunt is dat de compensatie zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd. In sub c is ook opgenomen dat op het moment van vaststelling van het plan voldoende moet zijn verzekerd dat de compenserende maatregelen worden genomen en de compensatie ook in stand zal blijvendat deze compensatienatuur ook, zoweljuridisch en feitelijk, in omvang alsen kwaliteit blijft bestaan in de toekomst (in stand gehouden). Bij de vaststelling van het omgevingsplan zal moeten worden onderbouwd dat aan deze voorwaarden kan worden voldaan. Uit deze onderbouwing moet blijken dat de benodigde omvang en kwaliteit van de compensatie echt op tijd kán worden gerealiseerd en na realisatie zal voldoen en blijven voldoen als compensatie. Ook moet blijken dat voldoende zeker is met welke maatregelen dit gaat gebeuren en dat daarmee de benodigde compensatie kan worden behaald. In deze onderbouwing wordt ook aandacht besteed aan de verdere zekerstelling die plaatsvindt door de op grond van sub e op te nemen verplichting in de planregels. Hiermee is het namelijk mogelijk de tijdige realisatie van de compenserende maatregelen en instandhouding van de gerealiseerde compensatienatuur af te dwingen.

Een nadere zekerstelling dat verdere ontwikkeling enEr kunnen zich situaties voordoen waarin naast de instandhouding vanvoorwaardelijke verplichting in de gerealiseerde compensatienatuur enregels van het daarvoor noodzakelijke beheer ook echt plaatsvindt en wordt uitgevoerd, is ook eenomgevingsplan, een verdere verzekering van de compenserende maatregel in de vorm van een natuurcompensatieovereenkomst tussen de provincie en een initiatiefnemer wenselijk of nodig is. Te denken is daarbij aan een situatie waarin de activiteit op verzoek van een initiatiefnemer van de nieuwe of gewijzigde activiteit afin het plan wordt opgenomen om een concreet en op korte termijn te sluiten privaatrechtelijke overeenkomst (natuurcompensatie-overeenkomst)realiseren initiatief mogelijk te maken. In deze overeenkomst wordt in ieder geval het vereiste opgenomen dat er op de gronden waar nieuwe natuur is ontwikkeld met de compenserende maatregelen, een kwalitatieve verplichting wordt gevestigd ten gunste van de provincie. Een dergelijke verplichting verzekert de instandhouding en het beheer van de ontwikkelde natuur en voorkomt dat er acties worden uitgevoerd die de natuur in gevaar brengen of verstoren. De overeenkomst wordt gesloten tussen de provincie en de initiatiefnemer. Reden hiervoor is dat de provincie verantwoordelijk is voor het natuurnetwerk Nederland (NNN), waar de gerealiseerde compensatienatuur deel van gaat uitmaken.

Ook het opnemen van ruimtelijke bescherming van (een) in het plangebied gelegen compensatielocatie(s) in – de wijziging van – het omgevingsplan zorgt voor een nadere verzekering dat de compensatie zal worden gerealiseerd en in stand zal worden gehouden.

Hierbij is van belang dat de term compensatie in deze verordening wordt gebruikt voor alle situaties waarbij natuurwaarden moeten worden verhoogd of gecreëerd, als tegenwicht voor aangetaste of verloren natuur onafhankelijk of dit gebeurt op basis van de afwijking voor een groot openbaar belang, de meerwaardebenadering of een beperkte ontwikkeling. De aard van de compenserende maatregelen is immers in alle gevallen dezelfde, al zullen er verschillen zijn in schaal en locatie. Ook gaat de verplichting tot compensatie over de volledige ontwikkelingsruimte die in het omgevingsplan of ander daarmee gelijk te stellen besluit wordt geboden (de maximale mogelijkheden). Dat in een concreet voorliggend bouwvoornemen wellicht niet van al deze ontwikkelingsruimte gebruik wordt gemaakt, verandert niets aan de verplichting om de geboden volledige ontwikkelingsruimte te compenseren.

De wijze waarop moet worden gecompenseerd, is nader vastgelegd in Paragraaf 6.1.3. Ook de toepassing van deze paragraaf komt aan de orde in de handreiking.

Tweede lid, sub d: Inin sub d is bepaald dat moet worden gemotiveerd dat en waarom aan de voorwaarden genoemd in dit artikellid wordt voldaan. In deze motivering wordt in ieder geval deugdelijk onderbouwd waarom het voor de in het plan toegestane activiteit noodzakelijk is om af te wijken van het uitgangspunt genoemd in het eerste lid. Daartoe worden ook, de in het kader van een zorgvuldige voorbereiding bekeken, andere wijzen van ontwerp en uitvoering (waaronder de locatiekeuze) van de toegestane nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten die mogelijk negatieve gevolgen op het natuurnetwerk Nederland kunnen voorkomen, minimaliseren of aangetast natuurnetwerk Nederland kunnen herstellen, meegenomen. Voorts wordt in deze toelichting deugdelijk onderbouwd onder welk geval (1, 2 of 3) de activiteit valt en hoe aan de daarvoor gestelde voorwaarden wordt voldaan, waarbij ook de toelichtingen op het eerste lid en de in het tweede lid opgenomen voorwaarden worden betrokken.

Tweede lid, sub e: Inin sub e is bepaald dat in de regels van het omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting voor de initiatiefnemer van de nieuwe activiteit of gewijzigde bestaande activiteit moet worden opgenomen om te verzekeren dat de aantasting door die activiteit tijdig wordt gerealiseerd en blijvend in stand wordt gehouden. Er wordt daarbij uitgegaan van het uitgangspunt, als onder c. is vermeld, dat de compensatie zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd. Voor ingesloten ontwikkelingen zoals bedoeld in sub a, onderdeel 3, betekent dat dat de uitvoering van de compensatiemaatregelen in ieder geval klaar moet zijn voorafgaand aan, of gelijktijdig met de realisatie van de activiteit. Als er sprake is van groot openbaar belang zoals bedoeld in sub a, onderdeel 1, is de compensatieopgave naar verwachting veelomvattender. Ook in dat geval geldt dat de volledige realisatie van de compensatie zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden, waarbij. Per geval en afhankelijk van de omstandigheden van het geval en aard en omvang van de benodigde compensatie moet worden bepaald wat in dat geval nodig is, al moet de volledige realisatie in ieder geval bínnen 3 jaar moetvolledig zijn afgerond. Door het gemeentebestuur moet deze keuze deugdelijk worden onderbouwd. Voor de meerwaardebenadering zoals bedoeld in sub a, onderdeel 2, is het uitgangspunt dat de meerwaarde binnen 10 jaar moet worden bereikt. Gezien de ontwikkelingstermijn van de natuur zal dit in de meeste gevallen betekenen dat de compenserende maatregelen al voorafgaand aan of in ieder geval gelijktijdig met de ontwikkeling zullen moeten worden gerealiseerd om binnen de termijn van 10 jaar ook een meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland te kunnen bereiken.

Derde lid: militaire terreinen of terreinen met militaire objecten zijn van nationaal belang. In onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn regels opgenomen waaraan provinciale staten moeten voldoen als zij in de Omgevingsverordening regels willen stellen over gronden waarop die terreinen gelegen zijn. Bij het aanwijzen van gronden als NNN en het stellen van NNN-regels moet bijvoorbeeld worden voldaan aan artikel 7.8, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met dit artikellid is dat het geval.

Derde lid: Het kan zijn dat terreinverhardingen of bouwactiviteiten nodig zijn op Militaire terreinen of terreinen met militaire objecten binnen het natuurnetwerk Nederland. Dit lid maakt dat mogelijk. Daar is wel de voorwaarde aan verbonden dat verzekerd moet zijn dat compensatie op tijd plaats vindt. Dit moet in de motivering bij het plan worden onderbouwd.

Vierde lid: Inin dit lid is bepaald dat bepaalde plekken gelegen ín het natuurnetwerk Nederland niet tot de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland worden gerekend; het gaat dan om bestaande legale bebouwing en de daaraan direct grenzende strook grond die bestaand en legaal is ingericht ten dienste van die bebouwing, en bestaande legale halfverhardingen of verhardingen. Het gaat hierbij om de bebouwing en om de daaraan direct grenzende strook grond die bestaand en legaal is ingericht ten dienste van die bebouwing. Met deze strook wordt gedoeld op een strook de grond van beperkte diepte die evenwijdig en direct aansluitend aan de bestaande legale bebouwing ligt. Deze kan bijvoorbeeld bestaan uit een deel van een terras of deel van een groenstrook langs/tegen de bebouwing. Bij de bestaande (half) verharding worden ook de eventueel aanwezige en daarbij behorende bermen gerekend.

Als het plan op deze plekken een nieuwe activiteit of de wijziging van een bestaande activiteit toestaat, wordt dit niet als oppervlakteverlies voor het natuurnetwerk Nederland gezien. Eis is wel dat de bebouwing mét direct aangrenzende strook, (half)verharding feitelijk bestaat op het moment van vaststelling van het plan én dat deze legaal is, zowel planologisch legaal als vergund. Als bijvoorbeeld bebouwing niet meer bestaat bij de vaststelling van het plan, deze eerder niet planologisch was toegestaan óf deze illegaal is op dat tijdstip, is deze uitzondering niet van toepassing en maakt de plek van de - voormalige - bebouwing wel deel uit van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland.

Er zijn ook – delen van - locaties die in ieder geval niet kunnen worden aangeduid als behorende tot de direct aan de bebouwing grenzende stook grond die bestaand en legaal is ingericht ten dienste van die bebouwing. Het gaat hierbij om: natuur met een natuurtype, grasland zonder specifieke natuurwaarden (zoals grotere tuinen en gazons), bos, struiken (zonder specifieke waarden (zoals plantsoenen)) en water. Deze worden in ieder geval niet tot de in dit lid genoemde uitzonderingsgevallen gerekend en maken dus deel uit van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland.

Vijfde lid:  Dit artikellid dit lid heeft betrekking op locaties in het natuurnetwerk Nederland die ook als oude bosgroeiplaats zijn aangewezen. Voor die locaties geldt de speciale regeling zoals die is opgenomen in Artikel 6.13.

UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.5 Instructieregel ontwikkelingen binnen de Groene contour

Activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten die de mogelijkheden kunnen belemmeren om nieuwe natuur binnen de Groene contour te realiseren, zijn in principe uitgesloten. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene contour nieuwe natuur te ontwikkelen.

In de Groene contour wordt natuur gerealiseerd ter uitbreiding en versterking van het natuurnetwerk Nederland om tot een robuust natuurnetwerk te komen. Het uitganspunt is dan ook dat activiteiten die de mogelijkheden om die natuur te realiseren kunnen belemmeren, in principe zijn verboden. Hierop is een uitzondering mogelijk als de activiteit van groot openbaar belang is en aan de voorwaarden in het eerste lid van dit artikel wordt voldaan.

Onder a t/m c zijn voorwaarden aan de in het plan toegestane activiteit zelf opgenomen.

Onder d en f zijn voorwaarden over de compensatie van het verlies aan mogelijkheden om natuur te realiseren door die activiteit, opgenomen.

De voorwaarde onder d ziet op de tijdigheid en de vorm van , maar eist ook dat voldoende is verzekerd dat de compensatie daadwerkelijk plaatsvindt en daarna in stand wordt gehouden en beheerd.Onder f is een hierop aansluitende voorwaarde opgenomen die ziet op zekerstelling hiervan in de regels van het omgevingsplan. Er kunnen zich situaties voordoen waarin naast de voorwaardelijke verplichting in de regels van het omgevingsplan een verdere verzekering als bedoeld in sub d in de vorm van een compensatieovereenkomst tussen de provincie en een initiatiefnemer onder omstandigheden, wenselijk of nodig kan zijn. Te denken is daarbij aan een situatie waarin de activiteit, eventueel op verzoek van een initiatiefnemer, in het plan wordt opgenomen om een concreet initiatief mogelijk te maken. De wijze waarop moet worden gecompenseerd, is nader vastgelegd in Artikel 6.11.

Onder e is bepaald dat moet worden gemotiveerd dat en waarom aan de voorwaarden genoemd in dit artikellid wordt voldaan. In deze motivering wordt in ieder geval deugdelijk onderbouwd waarom het voor de in het plan toegestane activiteit noodzakelijk is om af te wijken van het uitgangspunt van dit artikel. Ook wordt beschreven wat de gevolgen van de activiteit zijn voor de mogelijkheden om natuur te realiseren in de Groene contour. Voorts wordt in deze toelichting deugdelijk onderbouwd dat aan de voorwaarden in het artikellid wordt voldaan. Zo moet zijn onderbouwd dat en waarom sprake is van een groot openbaar belang, moeten andere wijzen van ontwerp en uitvoering (waaronder de locatiekeuze) van de activiteit worden besproken en moet gemotiveerd zijn dat de compensatie tijdig wordt uitgevoerd, de juiste omvang heeft, voldoende is verzekerd dat deze daadwerkelijk plaatsvindt en waarin die zekerheid ligt.

In het tweede lid is een uitzondering opgenomen waarmee gebruik kan worden toegestaan dat de mogelijkheden om binnen de Groene contour natuur te ontwikkelen, belemmert. Deze uitzondering maakt het mogelijk om het in de Groene contour veelal bestaande agrarisch gebruik van gronden uit te breiden door de uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel toe te staan. Een dergelijke uitbreiding moet natuurlijk ook aan de eisen voldoen die in afdeling 8.1 voor agrarische bedrijven zijn opgenomen.

Het derde lid bevat een verwijzing naar aanvullende eisen aan het toestaan van een activiteit van groot openbaar belang die, deels, bestaat uit de opwekking van zonne-energie door middel van zonnevelden. Door deze verwijzing gelden naast de eisen genoemd in het eerste lid van Artikel 6.5 voor zonnevelden ook de eisen in het tweede lid van Artikel 6.6

VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.5a Instructieregel borging realisatie nieuwe natuur door verstedelijking en compensatie Groene contour

Eerste lid: de realisatie van de compensatienatuur of de nieuwe natuur, de ontwikkeling, de instandhouding en het beheer daarvan moeten verzekerd zijn op het moment van vaststelling van het besluit waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt.

Tweede lid: de realisatie van de compensatie, als bedoeld in Artikel 6.5 en de realisatie van nieuwe natuur in samenhang met verstedelijking zoals bedoeld in Artikel 6.6 Instructieregel realisatie nieuwe natuur binnen Groene contour door verstedelijking, moet uiterlijk binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van het omgevingsplan zijn voltooid. Deze borging vindt plaats door het opnemen van een voorwaardelijk verplichting in het omgevingsplan. Hiermee is het in het algemeen mogelijk de tijdige realisatie af te dwingen. Maar hiermee kan niet, of maar in beperkte mate de verdere ontwikkeling, de instandhouding en het beheer van de gerealiseerde natuur worden afgedwongen. Daarom moeten deze zaken (de realisatie, de ontwikkeling, de instandhouding en het beheer van de compensatienatuur dan wel de nieuwe natuur) bij de vaststelling van het omgevingsplan, naast de voorwaardelijke verplichting, zeker worden gesteld in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de provincie en de initiatiefnemer. De overeenkomst wordt gesloten tussen de provincie en de initiatiefnemer. Reden hiervoor is dat de provincie verantwoordelijk is voor het natuurnetwerk Nederland, waar de gerealiseerde natuur deel van uit gaat maken.

In deze overeenkomst moet in ieder geval een kwalitatieve verplichting ten gunste van de provincie voor de nieuw ontwikkelde natuur worden opgenomen. Hierin moet worden vastgelegd dat de gronden niet voor andere doeleinden gebruikt worden dan voor de ontwikkeling en instandhouding van de nieuwe natuur. Ook moet daarin worden vastgelegd dat er geen acties worden uitgevoerd die de ontwikkeling of instandhouding in gevaar brengen of verstoren.

Derde lid: voor zonnevelden, ook een vorm van verstedelijking, geldt een afwijkende regeling. Allereerst wordt de nieuwe natuur niet binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van het omgevingsplan uitgevoerd, maar binnen een jaar na het verwijderen van de zonnevelden en uiterlijk 25 jaar na plaatsing van de zonnevelden. De zonnevelden moeten na 25 jaar verwijderd zijn. Daarnaast geldt de voorwaardelijke verplichting van het tweede lid, niet voor zonnevelden. Daarin wordt bepaald dat de verstedelijking pas kan plaatsvinden nadat de realisatie van de nieuwe natuur is voltooid.

[Gereserveerd]

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.6 Instructieregel realisatie nieuwe natuur binnen Groene contour door verstedelijking

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour kan, in afwijking van artikel Instructieregel ontwikkelingen binnen de Groene contour, ten behoeve van de realisatie van nieuwe natuur verstedelijking toestaan. In het artikel zijn de hieraan verbonden voorwaarden opgenomen.

De activiteiten die nodig zijn om energie te winnen uit wind en zon worden in deze verordening aangemerkt als verstedelijking (zie bijlage I). Dit betekent dat als windturbines worden geplaatst binnen de Groene contour, nieuwe natuur moet worden gerealiseerd.

Tweede lid: Zonnevelden worden aangemerkt als verstedelijking (zie bijlage I). Binnen de Groene contour geldt voor zonnevelden een andere regeling dan voor bijvoorbeeld een woning. De zonnevelden kunnen slechts tijdelijk in de Groene contour staan. Na 25 jaar moeten ze opgeruimd worden. De nieuwe natuur wordt niet in samenhang met de zonnevelden gerealiseerd, maar na 25 jaar. Dat is geregeld in artikel 6.11.

Dit artikel ziet op omgevingsplannen die voorzien in natuurontwikkeling in de Groene contour en die daarmee bijdragen aan het provinciaal belang bij de verwezenlijking van natuur in de Groene contour. Voor dat soort plannen is in dit artikel voorzien in de mogelijkheid om verstedelijking toe te staan op een locatie in de Groene contour om die natuurontwikkeling financieel mogelijk te maken. Een dergelijk plan moet voldoen aan de voorwaarden uit het eerste lid.

in het omgevingsplan moet worden onderbouwd dat aan de voorwaarden uit het eerste lid is voldaan. Daartoe moet in ieder geval worden onderbouwd dat de verstedelijking nodig is om de natuur in het omgevingsplan te realiseren en deze ondersteunt, en dat er samenhang is doordat sprake is van één ontwikkeling met ruimtelijke samenhang.

De voorwaarde onder e ziet op de tijdigheid en de vorm van de compensatie, maar eist ook dat voldoende is verzekerd dat de compensatie daadwerkelijk plaatsvindt en daarna in stand wordt gehouden en beheerd.

Onder g is een hierop aansluitende voorwaarde opgenomen die ziet op zekerstelling hiervan in de regels van het omgevingsplan. Er kunnen zich situaties voordoen waarin naast de voorwaardelijke verplichting in de regels van het omgevingsplan een verdere verzekering bedoeld in het eerste lid, onder e in de vorm van een compensatieovereenkomst tussen de provincie en een initiatiefnemer kan onder omstandigheden, wenselijk of nodig zijn. Te denken is daarbij aan een situatie waarin de activiteit, eventueel op verzoek van en initiatiefnemer, in het plan wordt opgenomen om een concreet initiatief mogelijk te maken.De wijze waarop moet worden gecompenseerd, is nader vastgelegd in Artikel 6.11 van deze verordening.

Het tweede lid is een aanvulling op het eerste lid voor de situatie waarin de in het omgevingsplan toegestane verstedelijking ook een zonneveld betreft. Zonnevelden worden aangemerkt als verstedelijking (zieBijlage I Begripsbepalingen). Er moet in dat geval zowel aan de eisen uit het eerste áls het tweede lid worden voldaan.

Een zonneveld kan slechts tijdelijk in de Groene contour worden toegestaan. Na 25 jaar moeten ze opgeruimd worden. Dat geldt voor de hele installatie van het zonneveld, dus zowel de panelen als alles wat er nodig is om deze installatie te laten werken (bijbehorende voorzieningen). Andere maatregelen of voorzieningen, bijvoorbeeld een houtwal om het zonneveld landschappelijk in te passen, vallen hier niet onder.

Dat het zonneveld en de bijbehorende voorzieningen ook opgeruimd worden, moet juridisch zijn geborgd. De juridische borging daarvan kan in het omgevingsplan worden opgenomen, bijvoorbeeld door het opnemen van de mogelijkheid de functie van de gronden te wijzigen en door het opnemen van beoordelingsregels voor een te verlenen omgevingsvergunning, en daarnaast worden vastgelegd in de voor het zonneveld te verlenen omgevingsvergunning.

Gelet op bepalingen over de tijdelijke aanwezigheid en daarna verwijdering van een zonneveld, is bepaald dat de natuur ter compensatie van de verstedelijking na 25 jaar gerealiseerd moet worden. Dit maakt het mogelijk om - een deel van - de compensatie op de locatie van het zonneveld zelf te realiseren.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.7 Instructieregel ontwikkelingen weidevogelkerngebied

Eerste lid: De weidevogelkerngebieden zijn internationaal van groot belang voor de bescherming van weidevogels. Ontwikkelingen zoals windturbines en zonnevelden, woningbouw, fietspaden etc. kunnen negatieve gevolgen hebben voor de weidevogelkerngebieden. Ontwikkelingen worden niet uitgesloten binnen de weidevogelkerngebieden. Voorwaarde is wel dat er tegelijkertijd sprake is van aantoonbaar per saldo minimaal behoud van de kwaliteit van het leefgebied.

Met het oog op het leefgebied weidevogelkerngebieden wordtis een handreiking opgesteld. In de handreiking wordenzijn richtlijnen uitgewerkt op welke wijze een omgevingsplan de voorwaarden voor het per saldo behoud van het leefgebied van weidevogels kan borgen. Hierbij wordt ook ingegaan op de mogelijke maatregelen tot behoud van het leefgebied. De volgende factoren zijn belangrijk voor de geschiktheid van een gebied als leefgebied van weidevogels: voldoende omvang van het gebied (met daarbinnen zo mogelijk een reservaat als harde kern), openheid, rust, relatief hoge waterpeilen, agrarisch natuurbeheer gericht op weidevogels, een goede inrichting (zoals plas-dras, natuurvriendelijke oevers en microreliëf) en voorkomen van predatie. De regel heeft betrekking op weidevogelkerngebieden buiten het natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor de weidevogelkerngebieden binnen het NNN gelden de NNN -regels.

Tweede lid: de uitbreidingen van agrarische bouwblokken vallen niet onder het eerste lid.

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.9 Eisen compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland

Compensatie moet op zo’n manier gebeuren dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland (NNN) versterkt. Compensatie moet verder bij voorkeur buiten het NNN plaatsvinden, in directe aansluiting op het NNN of binnen de Groene contour. De compensatie kan in de hele provincie, maar bij voorkeur dicht bij de aantasting.

Gehele artikel: in dit artikel zijn de eisen opgenomen waaraan moet worden voldaan bij compensatie van een aantasting door een activiteit als bedoeld in Artikel 6.3. Deze eisen gelden voor het omgevingsplan waarin deze activiteit mogelijk wordt gemaakt. Ze zijn een aanvulling op de eisen in Artikel 6.3 waaraan een dergelijk plan al moet voldoen.

Eerste lid: uitgangspunt van dit artikel is dat compensatie op zo’n manier gebeurt dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland (NNN) versterkt. Dit is opgenomen in het eerste lid.

Tweede lid: in het tweede lid is neergelegd dat het de voorkeur heeft dat de compensatie dicht bij de aantasting plaatsvindt. Het gaat dan om compensatie van het verlies in kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN. Ook is een geval benoemd waarin compensatie in de nabijheid niet alleen de voorkeur heeft, maar een eis is. Dat is het geval als compensatie in de nabijheid voor het functioneren van het NNN nodig is. Denk bijvoorbeeld aan het wegvallen van een belangrijke natuurverbinding door de aantasting. De compensatie moet dan gericht zijn op het in stand houden of herstellen van de verbinding.

Derde lid: dit lid gaat over een activiteit van groot openbaar belang of een activiteit in een plan waarop de meerwaardebenadering wordt toegepast, die - onder meer - de oppervlakte van het NNN aantast. Voor de compensatie van de verloren oppervlakte door die aantasting is vereist dat deze buiten het NNN plaatsvindt, in directe aansluiting op het NNN of binnen de Groene contour. Dit is een aanvulling op de eisen in Artikel 6.3 en die in het eerste en tweede lid van dit artikel. Voor de meerwaardebenadering betekent dit bijvoorbeeld dat de locatie van de oppervlaktecompensatie ligt in een met de aantastende activiteit samenhangend gebied, dat deze (in beginsel of alleen) in de nabijheid van de aantasting ligt én buiten het NNN en in directe aansluiting daarop dan wel in de Groene contour.

Nabijheid Vierde lid : in een aantal gevallenIn dit lid is compensatie in de nabijheid een eis. Dit is het geval als hetaanvullende eis opgenomen voor het functioneren van het NNN nodig is. Denk bijvoorbeeld aan het wegvallen van een belangrijke natuurverbinding door de aantasting. De compensatie moet dan gericht zijn op het in stand houden of herstellen van de verbinding. Daarnaast geldt voor compensatie in geval van uitbreiding en toevoeging van activiteiteneen activiteit bij zogenoemde ingesloten functies (zie Artikel 6.3, lid 1eerste lid, onder c). Deze eis houdt in dat dezecompensatie in de directe nabijheid en bij voorkeur op het terrein van de ingesloten ontwikkeling moet plaatsvinden. Als dit blijvend niet mogelijk is, kan deze compensatie in de nabijheid maar buiten het terrein van de ingesloten ontwikkeling worden uitgevoerd. De begrenzing van het terrein betreft de locaties waarop een andere medefunctie dan natuur ligt (bijvoorbeeld recreatieterrein of zorginstelling).

Buiten het NNN: Van de eis dat compensatie buiten het NNN moet plaatsvinden kan worden afgeweken in het geval van compensatie binnen NNN in de directe nabijheid van de aantasting, als deze compensatie leidt tot versnelling van de realisatie van het NNN ter plekke van deze nieuwe natuur. Het gaat dus niet om een algemene versnelling van natuurontwikkeling in het NNN. Het doel hiervan is vooral om te voorkomen dat in de directe nabijheid van de aantasting als compensatie nieuwe natuur buiten het NNN (waaronder Groene contour) wordt gerealiseerd, die de realisatie van nog te realiseren nieuwe natuur binnen het NNN in de directe nabijheid op korte termijn moeilijker maakt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er sprake is van afspraken over of ruiling van grond met betrokken grondeigenaren. Om te voorkomen dat het NNN en de bijbehorende ontwikkelingsopgave afneemt geldt als voorwaarde dat gedeputeerde staten de begrenzing van het NNN tegelijkertijd moeten uitbreiden met een even groot oppervlakte als die van de compensatie die binnen het NNN plaatsvindt. Dit geldt niet voor compensatie op agrarische gronden zonder natuurontwikkelingsopgave.

Oppervlakte: Voor het bepalen van de oppervlakte van de compensatie worden toeslagen gebruikt. Deze toeslagen zijn afhankelijk van de leeftijd van de natuur die wordt aangetast en de natuurbeheertypen die worden aangetast. Deze toeslagen zijn opgenomen in de Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen. De kaarten uit het natuurbeheerplan kunnen indicatief worden gebruikt, er is altijd een controle in het veld nodig om de begrenzing en de kwaliteit exact vast te stellen.

Compensatieplan: Voor compensatie moet altijd een compensatieplan worden opgesteld waarbij niet afgeweken mag worden van het Natuurbeheerplan.

Vijfde lid: In dit lid is voor het bepalen van de benodigde compensatie van het aspect oppervlakte verwezen naar de Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen. In deze bijlage is nader uitgewerkt hoe deze oppervlaktecompensatie moet worden berekend. Hierbij worden toeslagen gebruikt. Deze toeslagen zijn afhankelijk van de leeftijd van de natuur die wordt aangetast en de natuurbeheertypen die worden aangetast. Om exact vast te stellen wat de leeftijd, locatie en kwaliteit van die natuur en -beheertypen zijn, is altijd een controle in het veld nodig.

Zesde lid: In dit lid is bepaald dat bij compensatie altijd een compensatieplan moet worden opgesteld. Dit compensatieplan behoort bij de onderbouwing van het omgevingsplan en kan direct in de plantoelichting worden opgenomen of een bijlage die daarbij hoort. Op grond van Artikel 6.3 moet al duidelijk en onderbouwd zijn:

  • wat de natuurwaarden zijn van de locatie en de directe omgeving waar het natuurnetwerk Nederland wordt aangetast en wat het belang van deze waarden is voor het functioneren van het natuurnetwerk Nederland in de omgeving;

  • op welke wijze en met welke maatregelen de aantasting zoveel mogelijk is beperkt;

  • wat de exacte aantasting in kwaliteit, oppervlakte en samenhang is. In het compensatieplan wordt hiervan uitgegaan en worden in aanvulling hierop nog de in het artikellid opgenomen onderdelen toegelicht.

Uitgangspunt is dat moet blijken welke maatregelen ter compensatie van de aantasting worden genomen, of daarmee kwaliteit, oppervlakte en/of samenhang wordt gecompenseerd, en hoe deze maatregelen zich verhouden tot de aantasting. Bij de beschrijving van de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de maatregelen plaatsvinden, komt ook aan de orde hoe het middel monitoring daarbij wordt ingezet. Als in het omgevingsplan de meerwaardebenadering wordt toegepast, komt ook in de toelichting aan de orde welke maatregelen die meerwaarde opleveren, waaruit die bestaat en wat het beoogde resultaat na 10 jaar is.

Als de compensatie (deels) bestaat uit natuurrealisatie moet ook een inrichtings- en beheerplan worden opgesteld. Dit is deel van het compensatieplan. In het inrichtings- en beheerplan wordt onder meer beschreven wat de beoogde eindsituatie van de gronden waarop natuur wordt gerealiseerd is, en wordt de beoogde natuur met beoogde kwaliteiten, doelen en oppervlakten beschreven.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.11 Eisen aan realisatie nieuween compensatie natuur door verstedelijking en compensatiein de Groene contour

Aan de realisatie van de compensatie zoals bedoeld in Artikel 6.5 en de realisatie van nieuwe natuur in samenhang met verstedelijking zoals bedoeld in Artikel 6.6 moet een inrichtings- en beheerplan ten grondslag liggen. In het artikelArtikel 6.116.11 zijn de eisen opgenomen waaraan dit plan in ieder geval moet voldoen.

Hierin wordt onder meer beschreven wat de beoogde eindsituatie van de gronden waarop natuur wordt gerealiseerd is, en wordt de beoogde natuur met beoogde kwaliteiten, doelen en oppervlakten beschreven. Daarbij wordt in ieder geval een kwaliteit gelijk aan of hoger dan de aan de gronden toegekende natuur- of landschapsbeheertypen in het Natuurbeheerplan aangehouden. Bij de beschrijving van de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde natuur plaatsvinden, komt ook aan de orde hoe het middel monitoring daarbij wordt ingezet.



AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.13 Instructieregel bescherming waardevolle houtopstanden - oude bosgroeiplaatsen

Deze Gehele artikel: deze instructieregel is opgenomen ter uitvoering van het provinciaal beleid over bossen/houtopstanden dat is neergelegd in het Strategisch bosbeleid (vastgesteld op 11 mei 2022). In dit beleid is vermeld dat aan bepaalde waardevolle houtopstanden extra bescherming moet wordt geboden. Het gaat dan om de “oude bosgroeiplaatsen”. In Bijlage I Begripsbepalingen is opgenomen wat er in deze verordening onder een oude bosgroeiplaats wordt verstaan. Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam en waardevol door de daar aanwezige boven- en ondergrondse bosgebonden biodiversiteit; deze is onvervangbaar door de lange ontwikkelingstijd.

In opdracht van de provincie Utrecht is er in 2021 door Wageningen Environmental Research (WENR) onderzoek gedaan naar de oude bosgroeiplaatsen in de provincie Utrecht. Resultaten van dit onderzoek, onder andere een geactualiseerde kaart en criteria voor de ecologische beoordeling, zijn neergelegd in een het rapport “Oude bosgroeiplaatsen in de provincie Utrecht”, van Bijlsma en Koop, uit 2022, dat ten grondslag is gelegd aan het Strategisch bosbeleid.

Deze instructieregel vraagt van gemeenteradengemeenten bij de voorbereiding van het plan dat betrekking heeft op een oude bosgroeiplaats-locatie, deze oude bosgroeiplaats en de daar aanwezige waarden nader te onderzoeken en in beeld te brengen, en aan de hand van dit onderzoek deugdelijk gemotiveerd een planregeling vast te stellen die strekt tot bescherming en instandhouding van die bosgroeiplaats. Bij dit onderzoek, het opstellen van een planregeling met betrekking tot de oude bosgroeiplaats-locaties en de motivering daarvan, wordt uitgegaan van het provinciaal beleid uit het Strategisch bosbeleid en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek van de WENR. Daarin is onder meer het kaartmateriaal beschreven op grond waarvan de aanwezigheid van de oude bosgroeiplaats sinds het verleden is vastgesteld. Van gemeenten wordt gevraagd nog een check te doen op dit kaartmateriaal voor de in hun plan betrokken specifieke oude bosgroeiplaats‑locatie(s) om de leeftijd en langdurige aanwezigheid van de bosgroeiplaats te bevestigen. Ook zijn in het provinciaal beleid uit het Strategisch bosbeleid en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek van de WENR, de criteria voor een ecologische beoordeling opgenomen en zijn de te beschermen waarden die (kunnen) voorkomen op een oude bosgroeiplaats-locatie beschreven. Deze gelden als basis voor het gevraagde nadere (veld)onderzoek en regeling in het omgevingsplan ter bescherming van de in dat plangebied gelegen specifieke oude bosgroeiplaats-locatie(s). Bij het voorbereiden en opstellen van zo’n plan, kan de Handreiking oude bosgroeiplaatsen die is opgesteld voor de toepassing van deze instructieregel worden gebruikt. Daarin wordt onder meer aandacht besteed aan het uit te voeren onderzoek in de voorbereiding van het plan, aan de waarden uit het onderzoek van WENR en de daarvoor benodigde bescherming en aan de wijze waarop in een passende planregeling kan worden voorzien. Daarbij wordt bij het vaststellen van een plan dat betrekking heeft op een locatie met een oude bosgroeiplaats, voor zover van belang, ook acht geslagen op de regels over activiteiten betreffende houtopstanden, zoals opgenomen in Artikel 6.14 en verder in deze verordening, en worden deze in de motivering van het plan betrokken. Deze regels, die zien op het vellen van een houtopstand, en de bijbehorende provinciale beleidsregels zijn namelijk van toepassing als een initiatiefnemer tot het vellen van - een deel van een - houtopstand wil over gaan en daarvoor toestemming van gedeputeerde staten wil krijgen.

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 6.2.2 Regels over activiteiten houtopstand

Niet alle houtopstanden mogen zomaar geveld worden. Met “vellen” worden alle activiteiten bedoeld die een boom of andere houtopstand ontsieren, ernstig beschadigen of tot de dood van de houtopstand kunnen leiden. Dit omvat kappen, rooien of verplanten en ook het kandelaberen of snoeien van meer dan 20% van de kroon of het wortelstelsel. Met de term “houtopstand” worden, zo volgt ook uit de definitie in de rijksregels, alle houtachtige gewassen bedoeld. Dit betekent dat niet alleen bomen, maar ook houtopstanden zoals struiken, hagen, hakhout of boomvormers door de regels beschermd kunnen zijn.

Een speciale categorie houtopstanden zijn de oude bosgroeiplaatsen. Het beleid van de provincie voor, onder meer, de oude bosgroeiplaatsen is neergelegd in het Strategisch bosbeleid vastgesteld op 11 mei 2022). In deze verordening is voor oude bosgroeiplaatsen in Artikel 6.13 ook een instructieregel voor (het wijzigingen van - plannen) omgevingsplannen opgenomen. OokDaarnaast bevat deze verordening een begripsbepaling en een kaart waarop de oude bosgroeiplaatsen zijn weergegevenweergegeven zijn. De begripsbepaling komt erop neer dat oude bosgroeiplaatsen boslocaties zijn die sinds het midden van de negentiende eeuw als bos op de historische kaarten staan aangegeven staan en die tot op heden onafgebroken een boslocatie zijn geblevengebleven zijn. Voor wat betreft de activiteit "vellen", zijn de Beleidsregels Natuurnatuur en Landschaplandschap van belang. Daar is onder andere opgenomen dat er op oude bosgroeiplaatsen geen ontheffing wordt verleend wordt voor compensatie op andere grond. Dit betekent dat er in beginsel in een oude bosgroeiplaats geen andere ontwikkelingen mogelijk zijn.

Voor het kappen van een grotere houtopstand buiten de bebouwde kom, geldt vanuit de landelijke regelgeving vaak een meldplicht. Ook is in die regelgeving de verplichting opgenomen om de gronden waar een houtopstand is geveldgeveld is, binnen 3 jaar te herbeplanten. Dit onderwerp is onder meer nader uitgewerkt in de Beleidsregels Natuur en Landschap.

CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.14 Toepassingsbereik houtopstand

-

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het Gebied houtopstand. Dit is het gebied buiten de bebouwingscontouren houtkap van de gemeenten. De gemeenten moeten in hun omgevingsplan de bebouwingscontour houtkap aanwijzen. Nog niet elke gemeente heeft deze bebouwingscontour houtkap aangewezen in het omgevingsplan. Omdat nog niet elke gemeente een bebouwingscontour houtkap vastgesteld heeft en hierin veranderingen kunnen optreden tussen twee wijzigingen van de Omgevingsverordening, is de kaart Gebied houtopstand niet altijd actueel. Aangeraden wordt dan ook om eerst contact op te nemen met de gemeente(n) of zij een bebouwingscontour houtkap vastgesteld hebben.

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.15 Vrijstelling meldplicht vellen houtopstand

Voor het maken van verjongingsgaten voor duurzaam bosbeheer, natuurherstel en geregistreerde tijdelijk natuur geldt, onder bepaalde voorwaarden, een uitzondering op de meldplicht voor het vellen van houtopstanden. Die voorwaarden worden in dit artikel toegelicht.

Kleinschalige verjonging door het maken van verjongingsgaten kan worden gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is en door verjonging van kleine delen van de houtopstand gezorgd kan worden voor een verbetering van die kwaliteit. Met het maken van verjongingsgaten kan het bosklimaat worden behoudenbehouden worden. Dit is zowel ecologisch als vanuit productie van belang. Ook biedt het ruimte om in gesloten bossen tijdelijk open ruimten te krijgen. Daarmee wordt de biodiversiteit bevorderd.

Onder "(bos)perceel" (onder a, sub 12) wordt verstaan een bosvak dat omringd wordt door paden (maar geen dunningspaden), wegen of waterlopen. Als er een duidelijke ruimtelijke begrenzing bestaat door bijvoorbeeld zichtlijnen, kan dit ook deel zijn van de omringing van een bosvak. Onder "duurzaam bosbeheer", zoals bedoeld onder a, sub 4, valt bijvoorbeeld niet het uitdunnen van bos om begrazing met vee mogelijk te maken, of om gronden ook agrarisch te kunnen gaan gebruiken. Voor natuurherstel en geregistreerde tijdelijke natuur geldt geen meldplicht en ook geen verplichting om te herbeplanten. Ook in de wet zijn uitzonderingen opgenomen op de meldplicht en op de verplichting tot herbeplanting. Dit gaat onder meer over:

  • instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen in het kader van de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn;

  • herstelmaatregelen die nodig zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden;

  • de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

Natuurterreinen, zoals bedoeld in onderdeel b, sub 1, hebben alleen betrekking op natuurterreinen met de hoofdfunctie natuur.

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.16 Indieningsvereisten melding vellen houtopstand

Het vellen van een houtopstand moet gemeld worden bij gedeputeerde staten. Dit moet gelet op artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving minimaal 4 weken, maar niet eerder dan een jaar voor het begin van de velling gebeuren. In dit artikel staat welke gegevens de melding minimaalin ieder geval moet bevatten.

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.17 Eisen aan Eis herbeplanting

Op basis van artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving moet binnen 3 jaar na velling of tenietgaan van een houtopstand op bosbouwkundig verantwoorde wijze dezelfde grond worden herbeplantherbeplant worden. Binnen 3 jaar na herbeplanting moet beplanting die niet is aangeslagenaangeslagen is, worden vervangenvervangen worden. In dit artikel worden eisen gesteld aan deze herbeplanting, waarmee ook verdere invulling wordt gegeven wordt aan de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting van artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Eén van de eisen is dat de herbeplanting op termijn minimaalin ieder geval gelijkwaardige ecologische en landschappelijke waarden heeft.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.18 Eisen aan Eis herbeplanting op andere grond

Eerste en tweede lid: Op op basis van artikel 11.119, tweede lid in samenhang gelezen met artikel 11.130, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen gedeputeerde staten met een maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond toestaan dan waarop de velling plaatsvond toestaan.

Daarvoor moet wel worden voldaan aan eisen gesteld in deze verordening. Deze eisen zijn in dit artikel opgenomen. Naast de eisen die gelden voor herbeplanting op dezelfde grond, gelden er aanvullende eisen voor de herbeplanting op andere grond. Zo moet de aanvraag voor dit maatwerkvoorschrift ingediend worden uiterlijk 6 maanden na het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand ingediend worden. Bij het stellen van deze termijn is er rekening mee gehouden dat de initiatiefnemer kan voldoen aan de eis uit het Besluit activiteiten leefomgeving, dat de herbeplanting binnen 3 jaar na het vellen uitgevoerd moet zijn uitgevoerd. Mede gelet op deze eis uit het Besluit activiteiten leefomgeving, zal aan aanvragen om een dergelijk maatwerkvoorschrift die buiten de genoemde termijn worden gedaangedaan worden, niet tegemoet worden gekomengekomen worden. Ook geldt als aanvullende eis dat herbeplanting, op basis van het tweede lid, moet passen binnen bestaand natuur-, bos- en landschapsbeleid van de provincie en de betrokken gemeente.

Derde lid: De de herbeplanting op andere grond vindt op basis van dit lid bij voorkeur plaats in de provincie Utrecht, in de directe nabijheid van de velling. Is dit niet mogelijk? Dan kan herbeplanting op een andere plek in de provincie Utrecht plaatsvinden. In uitzonderingsgevallen mag dat ook in de directe nabijheid van de velling in een aangrenzende provincie, als hiermee vergelijkbare natuur- en landschapswaarden teruggebracht kunnen worden teruggebracht. Vanuit het draagvlak voor een velling kan het gewenst zijn dat, als realisatie niet in de directe nabijheid in de provincie Utrecht kan plaatsvinden, dat deze dan plaatsvindt in de directe nabijheid in een aangrenzende provincie. Ook wanneer de velling deel uitmaakt van een provinciegrensoverschrijdend projectproject dat in meerdere provincies plaatsvindt, of bijvoorbeeld plaatsvindt op een landgoed dat voor een deel in de provincie Utrecht ligt en voor een deel in een aangrenzende provincie en de herbeplanting op datzelfde landgoed plaats kan vindenplaatsvinden, is het voor de hand liggend de provinciegrens niet als harde grens te hanteren.

Vierde lid: Bij bij het vellen van houtopstanden gaan natuur-natuurwaarden, bos-boswaarden en landschapswaarden verloren. Hoe langer de houtopstanden aanwezig zijn geweestgeweest zijn, hoe langer het in het algemeen duurt voordat dezelfde waarden weer bereikt kunnen worden bereikt. Dit kan soms tientallen tot honderden jaren duren. Om dit ‘tijdelijke’ verlies aan waarden te compenseren, geldt op basis van dit lid een oppervlaktetoeslag bij herbeplanting op andere grond.

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.22 Toepassingsbereik en aanwijzing beschermd klein landschapselement

Dit artikel bepaalt op welke kleine landschapselementen deze paragraaf van toepassing is. Dit zijn de beschermde kleine landschapselementen die staan in het informatieobjectop de kaart Beschermd klein landschapselement. In het informatieobjectHierop staan zeer waardevolle, al zeer lange tijd aanwezige landschapselementen. Het gaat daarbij niet alleen om houtopstanden, maar ook om andere kleine landschapselementen zoals bijvoorbeeld poelen en ringsloten. De provincie vindt de bescherming en instandhouding van deze kleine landschapselementen vanuit natuur, landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt van groot belang. Door de bepalingen in deze paragraaf geeft de provincie invulling aan deze bescherming. Het object Beschermd klein landschapselement bevat alle kleine landschapselementen die voor bescherming in aanmerking komen en moet flexibel bij te houden zijn.

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

Na sectie 6.22 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 6.22a Aanwijzing beschermd klein landschapselement

Een klein landschapselement dat voldoet aan de criteria genoemd in de Beleidsregels natuur en landschap kunnen gedeputeerde staten aanwijzen als beschermd klein landschapselement.De kaart met de beschermde kleine landschapselementen bevat alle kleine landschapselementen die voor bescherming in aanmerking komen. Deze kaart moet flexibel bij te houden zijn.



Artikel 6.22b Oogmerk beschermd klein landschapselement

De provincie vindt de bescherming en instandhouding van kleine landschapselementen vanuit natuur, landschappelijk, cultuurhistorisch en archeologisch oogpunt van groot belang. Door de bepalingen in deze paragraaf geeft de provincie invulling aan deze bescherming.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.23 Specifieke zorgplicht beschermd klein landschapselement

In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor de beschermde kleine landschapselementen.

-

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.24 Verbod aantasting beschermd klein landschapselement

De integrale bescherming van de beschermde kleine landschapselementen staat voorop. In Artikel 6.24a staat wanneer de verboden uit Artikel 6.24 niet van toepassing zijn.

De integrale bescherming van de beschermde kleine landschapselementen staat voorop. Het verbod geldt voor een beschermd klein landschapselement. Tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de vrijstellingen in Artikel 6.24a

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.24a Vrijstelling verbod aantasting beschermd klein landschapselement

Dit artikel geeft aan wanneer de verboden uit Artikel 6.24 niet van toepassing zijn. Griend-Griendhout en hakhout mogen worden onderhouden worden op een manier die duurzaam behoud waarborgt. De vrijstelling voor het vellen of rooien van een landschapselement op grond van de Plantgezondheidswet en voor de bestrijding van overige boomziekten geldt alleen als de uitvoerende instantie aan gedeputeerde staten kan bevestigen dat de bestrijding van ziekten noodzakelijk is.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.25 Meldplicht aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen

Het kan voorkomen dat aan een beschermd klein landschapselement om dringende redenen een of meer schadelijke handelingen moet uitvoerenuitgevoerd moeten worden. Dit is bijvoorbeeld het geval als een werk van groot maatschappelijk belang wordt uitgevoerduitgevoerd wordt, zoals een dijkversterking. Er geldt dan een meldplicht en gedeputeerde staten kunnenstellen maatwerkvoorschriften stellen in de acceptatie van de melding. De schadelijke handelingen mogen pas worden uitgevoerd worden nadat het besluit tot acceptatie van de melding onherroepelijk is. Degene die de handelingen wil gaan uitvoeren, moet dit minimaal 8 weken en maximaal 24 weken voorafgaand aan de voorgenomen uitvoering melden.

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.27 Maatwerkvoorschriften beschermd klein landschapselement

-

Bij compenserende maatregelen gaat het om het zo veel mogelijk en op dezelfde locatie in oorspronkelijke staat herstellen of herbeplanten van het beschermd klein landschapselement. In bepaalde situaties met groot maatschappelijk belang is herstel of herbeplanting op dezelfde locatie niet mogelijk en kan dit toegestaan worden op een alternatieve locatie. Bijvoorbeeld in geval van een dijkversterking of wegverbreding. Daarnaast kan bij uitzondering en binnen 500 meter van de oorspronkelijke locatie compensatie plaatsvinden door aanwijzing als zijnde beschermd klein landschapselement van een bestaand klein landschapselement dat voldoet aan de aanwijzingscriteria genoemd in de Beleidsregels natuur en landschap.

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.28 Herstelplicht en plicht tot herbeplanting beschermd klein landschapselement

De overtreder, zakelijke gerechtigde van de grond of degene die vanwege een andere reden bevoegd tot het treffen van voorzieningen, is verplicht om het beschermd klein landschapselement te herstellen binnen 1 jaar na de uitgevoerde handelingen die tot gedeeltelijke, of gehele vernietiging van het elementen hebben geleidgeleid hebben. Hiermee wordt zeker gesteld dat het element in ieder gevalbeschermde kleine landschapselement zo veel mogelijk op dezelfde locatie wordten in de oorspronkelijke staat hersteld wordt. Hierbij kan het gaan om herbeplanten, maar ook om grondwerk en dergelijke. Deze plicht blijft van toepassing op het perceel ook al wordt het verloren gaan van het element pas jaren later ontdekt. CompensatieHerbeplanting op een andere locatie is in de meeste gevallen ongewenst en nadelig voor de ontwikkeling van een beschermd klein landschapselement dat bij voorkeur decennialang op dezelfde plaats moet staan. Daarnaast verdwijnen door compensatieherbeplanting op een andere locatie meestal ongewenst de kleinere beschermde kleine landschapselementen met actuele natuurwaarden. Hierdoor ontstaan open en kale beschermde kleine landschapselementen die ecologisch minder waardevol zijn.

Op basis van het tweede lid moet er voor het einde van het eerstvolgende plantseizoen opnieuw herbeplant, of hersteld worden als de herstelbeplanting of andere herstelmaatregelen onvoldoende zijn.

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.29 Oppervlakte en begrenzing faunabeheereenheid

Eerste lid: Faunabeheereenheden faunabeheereenheden zijn door hun schaalgrootte in staat om binnen de provincie een samenhangende aanpak van het faunabeheer te verzekeren en daarover verantwoording af te leggen aan de provincie. Binnen de provincie is slechts 1 faunabeheereenheid actief. Meerdere actieve faunabeheereenheden zijn niet wenselijk door de extra administratieve belasting en afstemmingsproblemen die dit met zich meebrengt.



Tweede lid: De de eis van minimaal 75% is bedoeld als garantie dat er voldoende jachthouders vertegenwoordigd zijn om te kunnen zorgen voor een effectief (gecoördineerd) beheer en voldoende draagvlak bij de grondgebruikers. In de praktijk heeft niet elke grondgebruiker of jachthouder in een bepaald gebied behoefte aan samenwerking in een faunabeheereenheid. Daardoor zijn niet alle gronden binnen het werkgebied toegankelijk voor jachthouders. Maar populaties van veel diersoorten verplaatsen zich vaak op de gronden van meer dan één grondgebruiker. Daarom is het ook mogelijk de populaties van die diersoorten te reguleren (en ook daardoor schade in een gebied te voorkomen) als samenwerkende jachthouders in de faunabeheereenheid beschikken over de jachtrechten op 75% van de oppervlakte van dat gebied.

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.30 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid

Eerste lid: De de grote terrein beherende organisaties, zoals Natuurmonumenten en Het Utrechts Landschap, worden in dit verband in de eerste plaats als maatschappelijke organisaties gezien. Hoewel zij vanuit hun eigendom van terreinen ook jachthouder zijn, zijn hun doelstellingen vooral gericht op de bescherming van de natuur. Staatsbosbeheer heeft in deze context een aparte positie omdat het een zelfstandig bestuursorgaan is. Daarom kan zij dan ook niet als een maatschappelijke organisatie worden beschouwd. Omdat Staatsbosbeheer het beheer voert over verschillende Utrechtse gebieden, is het wel wenselijk dat zij deel uitmaakt van het bestuur van de faunabeheereenheid. Daarom is deze organisatie expliciet benoemd.

RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.32 Werkzaamheden faunabeheereenheid

Er is in dit artikel een aantal eisen gesteld aan de werkzaamheden en activiteiten van een faunabeheereenheid. De uitvoering van het beheer en de schadebestrijding is in beginsel geen taak of verantwoordelijkheid van de provincie. Het gaat om een private taak die de wetgever bij de grondgebruikers heeft neergelegd. Een faunabeheereenheid is dus beslist geen uitvoeringsorganisatie van de provincie, maar een privaat samenwerkingsverband.

De gestelde eisen zijn bijgesteld naar de eisen die de gerechtelijke macht voor acceptatie van bijvoorbeeld telgegevens daaraan stelt. Voor de opbouw van schadedossiers is inzicht nodig over de inzet van niet dodende maatregelen ter voorkoming van schade voorafgaand aan mogelijk afschot. Het registratiesysteem zal dit moeten geven en beschikbaar moeten stellen voor de gegevensverzameling voor een toekomstbestendig faunabeheer. Een uitbreiding van een bestaand systeem is ook een mogelijkheid, zolang de range van opeenvolgende handelingen ter voorkoming van schade inzichtelijk wordt gemaakt per diersoort op de schadelocatie. Een faunabeheereenheid houdt de registratie bij van alle gebruikers, ook die zijn doorgeschreven aan gebruikers door de wildbeheereenheden, van iedere aan haar verleende omgevingsvergunning. Deze registratie is altijd actueel en op verzoek van gedeputeerde staten direct beschikbaar ten behoeve van toezicht of handhaving.



SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.33 Verslaglegging faunabeheereenheid

In dit artikel staat een opsomming van de gegevens waaraan het jaarverslag van de faunabeheereenheid moet voldoen. Deze gegevens zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de populaties van diersoorten en van de schade. Voor de vergunningverlening is het belangrijk om over de meest actuele informatie te beschikken. Daarnaast hebben gedeputeerde staten deze informatie nodig om aan de verplichting uit het Besluit activiteiten leefomgeving te voldoen. Daarin staat dat zij gegevens moeten verstrekken aan de minister over de staat van instandhouding van soorten.

Daarom is ook de voorwaarde toegevoegd om in de rapportages activiteiten in Natura 2000 gebieden en Ganzenrustgebieden te onderscheiden.Gezien het belang van de inzet van preventieve niet dodelijke maatregelen is dit artikel aangevuld met de hiervoor gewenste gegevens in de verslaglegging. Met het oog op de eisen die gesteld worden aan deze gegevens wordt hierbij de bron vermeld, waarbij bijvoorbeeld wordt aangegeven dat de preventieve maatregelen door de grondgebruikers zijn uitgevoerd. Het is van belang dat niet alleen het totaal aantal geraapte of onklaar gemaakte eieren wordt geregistreerd, maar dat er ook per nest inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel eieren zijn behandeld en of er eieren zijn achtergebleven die niet zijn behandeld.Op verzoek van de faunabeheereenheid is het oplevermoment van het verslag twee maanden opgeschoven naar 1 juli.

TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.34 Faunabeheerplan algemeen

UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.35 Inhoud faunabeheerplan algemeen

In dit artikel zijn enkele algemene bepalingen opgenomen die zowel betrekking hebben op de jacht, de uitvoering van de landelijke en provinciale vrijstelling als op beheer en schadebestrijding in het kader van artikel 6.2 van het Omgevingsbesluit. In het faunabeheerplan wordt de relatie tussen de specifieke diersoorten en de door deze soorten veroorzaakte schade dan wel dreiging van schade aannemelijk gemaakt. Hiervoor is het onder meer noodzakelijk om te beschikken over gegevens over de aanwezigheid van deze diersoorten, de trend (zowel landelijk als provinciaal) van deze soorten, de verspreiding en de aanwezigheid over het jaar. Deze informatie is ook nodig om een oordeel te kunnen vellen over de staat van instandhouding van deze diersoorten. Dit is één van de toetsingscriteria bij een afwijking van de algemene beschermingsbepalingen bij beschermde diersoorten. Verder is een bepaling opgenomen die het uitgangspunt van voorkomen, accepteren en beperken van schade uit het Omgevingssprogramma Faunabeleid en Monitoring doorvoert in het faunabeheerplan. Dit plan werkt de drie opeenvolgende stappen uit voor elke diersoort, waarbij inzichtelijk is dat dodende maatregelen pas worden ingezet als niet dodelijke maatregelen niet afdoende werken om belangrijke schade te voorkomen.

VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.36 Inhoud faunabeheerplan, specifiek, beheer en schadebestrijding

Dit artikel bevat enkele specifieke bepalingen over soorten waarvoor een landelijke of provinciale uitzondering op de ontheffingsplicht geldt, of waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. Gelet op de eisen van de wetOmgevingswet en de intrinsieke waarde van de dieren moet de noodzaak van de activiteiten worden onderbouwd. Dit betekent ook dat, als er maatregelen nodig zijn, als eerste gekeken wordt naar de minst ingrijpende maatregelen. Dit volgt ook uit de wettelijke eis dat er geen sprake mag zijn van een andere passende oplossing. Zo heeft het weren of verjagen van diersoorten de voorkeur boven het doden. Per diersoort moet worden omschreven hoe deze niet dodende preventieve maatregelen worden ingezet om schade te voorkomen en hiermee uiteindelijk afschot. De maatregelen moeten ook efficiënt zijn. Het verstoren en doden van dieren, zonder dat dit bijdraagt aan het voorkomen van schade, is onwenselijk.

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.39 Werkzaamheden wildbeheereenheden

Wildbeheereenheden hebben via de wet een belangrijke verantwoordelijkheid gekregen in de uitvoering van faunabeheerplannen. Daarom is het belangrijk dat er professionele secretariaten zijn die zorgen voor optimale coördinatie op lokaal niveau. Belangrijk hierbij is de informatieoverdracht naar de leden van de wildbeheereenheid. Daarom verplicht dit artikel het secretariaat om haar leden op adequate wijze te informeren over relevante feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. Verder coördineren de wildbeheereenheden tellingen van diersoorten voor het faunabeheerplan en geven zij deze resultaten aan de faunabeheereenheid. Ook voor deze tellingen geldt dat ze worden geaccepteerd door gerechtelijk instanties. Daarom zijn er ook hier hogere eisen gesteld aan de gegevens, daar waar beschikbaar op basis van landelijke telprotocollen bij voorkeur erkend door het Centraal Bbureau vooran de Statistiek. Het betreft in ieder geval de telling van reeën, damherten en eventueel in de toekomst wilde zwijnen en edelherten in het voorjaar en ganzen in juli (zomertelling). Daarnaast coördineren zij de verstrekkingwildbeheereenheden het verstrekken van gegevens over, daar waar van toepassing, de ingezette niet-dodende maatregelen, en hoeveel dieren tijdens de jacht, schadebestrijding en beheer zijn gedood. Voor een eenduidig beeld moeten de gegevens inzichtelijk op het niveau van jachtveld beschikbaar worden gesteld.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.40 Lidmaatschap wildbeheereenheden

Eerste lid: Op grond van artikel 8.2, eerste lid, van de wetOmgevingswet moeten jachthouders met een omgevings­vergunning voor een jachtgeweeractiviteit zich organiseren in een wildbeheereenheid. Op grond van artikel 8.2, vijfde lid onder b, van de wetOmgevingswet kunnen in deze verordening gevallen aangewezen worden waarin en voorwaarden waaronder jachthouders zijn uitgezonderd van artikel 8.2, vijfde lid onder b, van de wetOmgevingswet. Medewerkers van terreinbeherende organisaties kunnen houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit zijn. In dat geval zou deze medewerker op grond van het eerste lid verplicht zijn zich bij een wildbeheereenheid aan te sluiten. Daarom zijn deze medewerkers hiervan vrijgesteld. Daarvoor zijn verschillende redenen. Zo zijn de terreinen van deze organisaties vaak verspreid over meerdere wildbeheereenheden. Dat zou betekenen dat deze medewerkers lid moeten worden van al deze wildbeheereenheden. Ook is bij deze organisaties, door de aard van de organisatie en de omvang van hun terreinen, al sprake van een samenhangend beheer. Deze vrijstelling geldt vanzelfsprekend alleen als de medewerkers waar het hier over gaat voor de genoemde organisaties uitvoering geven aan de bevoegdheden op basis van de wetOmgevingswet. Oefenen zij deze bevoegdheden niet voor de terreinbeherende organisaties uit? Dan moeten zij zich wel aansluiten bij een wildbeheereenheid. Om zeker te kunnen zijn dat dit beheer plaatsvindt in het kader van het faunabeheerplan, geldt als voorwaarde dat de betrokken organisaties wel deel uitmaken van het bestuur van de faunabeheereenheid. Ook wordt een uitzondering gemaakt voor medewerkers van het (door de faunabeheereenheid ingestelde en aangestuurde) Ganzenbeheerteam Utrecht, en voor medewerkers van professionele schadebestrijders die in opdracht van de faunabeheereenheid of gedeputeerde staten handelen. De reden daarvoor is dat deze medewerkers hun activiteiten over de gehele provincie kunnen uitoefenen.

Tweede lid: Voor het lidmaatschap moeten geen onnodige belemmeringen bestaan. Daarom is in het derde lid aangegeven dat aan het lidmaatschap van een wildbeheereenheid alleen eisen gesteld kunnen worden die relevant zijn voor de uitvoering van het faunabeheerplan. Dit betekent bijvoorbeeld dat niet kan worden geëist dat de jachthouder lid is van een belangenvereniging, of dat jachtveldgrenzen worden aangepast. Het lidmaatschap kan ook niet geweigerd of beëindigd worden als de houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit zich bij de uitvoering van het beheer en de schadebestrijding houdt aan de bepalingen uit de vrijstelling of vergunning, de wet en het faunabeheerplan.

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.42 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning afschot paarvormende ganzen

Voor een effectieve bestrijding en om uitvoering te kunnen geven aan gemaakte afspraken, kunnen gedeputeerde staten een vergunning verlenen voor het doden van paarvormende grauwe ganzen en brandganzen.

Op grond van artikel 5.29a, gelezen in samenhang met artikel 5.18 en artikel 5.1, van de wetOmgevingswet kunnen beoordelingsregels gesteld worden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, zoals het doden van paarvormende grauwe ganzen en brandganzen. In dit artikel is een dergelijke beoordelingsregel neergelegdopgenomen. Door deze regel kan een omgevingsvergunning voor de het doden van paarvormende grauwe ganzen en brandganzen alleen worden verleend voor afschot dat plaatsvindt binnen de in het artikel genoemde periodes. De periodes zijn afgestemd op de 2 ganzensoorten en de periode waarin zij paren gaan vormen. Ook is bij het kiezen van de begin- en einddata van de periodes rekening gehouden met de afwezigheid van trekvogels (winterganzen) en weidevogels om deze zoveel mogelijk te beschermen.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.43 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit voor bepaalde diersoorten bij asbestsanering

Op grond van de wetOmgevingswet is het verboden om zonder vergunning een activiteit uit voeren die mogelijk gevolgen heeft voor van nature in het wild levende dieren of planten (een flora- en fauna-activiteit) en die als vergunningplichtig geval is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Een voorbeeld van een dergelijke activiteit is het beschadigen of vernielen van een nest van vogels als de kerkuil.

In de omgevingsverordeningOmgevingsverordening kunnen, op grond van de artikel 11.42 en artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gevallen en soorten aangewezen worden waarbij een flora- en fauna-activiteit zonder omgevingsvergunning kan worden uitgevoerd. Dit kan alleen als is voldaan aan de eisen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vogelsoorten zijn die eisen opgenomen in artikel 8.74j, eerste lid, van dit besluit, en voor andere in het wild levende diersoorten, als de steenmarter en boommarter, zijn die eisen opgenomen in artikel 8.74l, eerste lid, onder a, b en c, van dat besluit. Deze eisen houden kortgezegd in dat de activiteit nodig moet zijn voor bijvoorbeeld de volksgezondheid, er geen andere bevredigende oplossing is dan het uitvoeren van de activiteit en de staat van instandhouding van de diersoort niet verslechtert door de activiteit.

De activiteit die met deze regel als vergunningvrij wordt aangewezen, is het vervangen van asbesthoudende dakplaten door asbestvrije dakplaten op bouwwerken in het landelijk gebied die geen woningen zijn, zoals schuren en stallen op een erf. In het landelijk gebied komt het nog regelmatig voor dat dit soort bouwwerken van een asbesthoudend dak zijn voorzien. Het vervangen van deze dakplaten is onder meer nodig vanuit het belang van de volksgezondheid; vrijkomende asbest is immers gevaarlijk voor de gezondheid van de mens. Het duurzaam voorkomen van deze gevaren kan alleen worden bereikt door asbest uit de leefomgeving te verwijderen. Het rijksbeleid voor volksgezondheid is gericht op asbestsanering en bestaande initiatieven om asbestsanering met het oog op dit belang te versnellen. Dat wordt ondersteund in deze verordening door een drempel voor het vervangen van deze asbesthoudende dakplaten weg te halen en deze activiteit vergunningvrij te maken. Bij het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten kan het voorkomen dat er bijvoorbeeld een nest van een huismus moet worden weggehaald. Econsultancy heeft onderzocht of er effecten zijn, en zo ja welke effecten, op de soorten huismus, kerkuil, steenuil, steenmarter en boommarter onder welke voorwaarden zeker is dat deze activiteit de staat van instandhouding van deze soorten niet verslechtert. Uit het rapport van Econsultancy, “Rapportage onderbouwing vrijstellingsregeling asbestdaksaneringen, provincie Utrecht”Rapportage onderbouwing vrijstellingsregeling asbestdaksaneringen, provincie Utrecht van 11 mei 2023 (zie website provincie Utrecht), blijkt dat onder bepaalde voorwaarden de staat van instandhouding van deze soorten niet wordt aangetast. Te denken is aan de periode waarin de activiteit mag worden uitgevoerd en de voorwaarde dat vervangende en vergelijkbare nestmogelijkheden worden geboden. Ook is te denken aan voorwaarden die, mede vanuit de - specifieke - zorgplicht, de voorbereiding van de activiteit betreffen, zoals het laten doen van een inventarisatie door een deskundige en het werken volgens een methodiek met preventiecheck. In die methodiek wordt in het traject voor de asbestinventarisatie ook een inventarisatie naar de aanwezige soorten wordt uitgevoerd. De deskundige inventarisatie asbest heeft een aanvullende opleiding gehad om ook als deskundige voor soorten deze inventarisatie uit te kunnen voeren.

Sub b: de voorwaarden zijn opgenomen in de Bijlage XX Vrijstelling soorten in verband met asbestsanering bij deze regel. Degene die de asbesthoudende dakplaten op zijn bouwwerk wil laten vervangen moet dus aan alle in het artikel én de bijlage genoemde voorwaarden voldoen om de activiteit met betrekking tot de genoemde soorten vergunningvrij te kunnen uitvoeren.

De in dit artikel opgenomen vrijstelling van de vergunningplicht geldt alleen voor de in het artikel genoemde soorten: huismus, kerkuil, steenuil en steenmarter. Wanneer moet er wel een omgevingsvergunning voorafgaand aan de flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden? Dat is het geval als verwacht kan worden, of uit een preventiecheck voorafgaand aan de activiteit blijkt, dat andere beschermde soorten, zoals vleermuizen of andere vogels) voorkomen en deze beschermde soorten mogelijk gevolgen kunnen ondervinden van het vervangen van de asbesthoudende dakplaten.

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 6.4.2.2 Vrijstelling voor ganzen Activiteiten in Ganzenrustgebied

-

Met het Utrechts ganzenakkoord uit 2014 is een samenhangend pakket van maatregelen afgesproken met onder andere de stakeholders in de Faunabeheereenheid Utrecht en bekrachtigd in het Beleidskader wet natuurbescherming (PS 12‑12‑2016) en met enige herzieningen opnieuw overgenomen en vastgesteld in het Omgevingsprogramma Faunabeleid en monitoring (GS 08‑07‑2024).

De pijlers van het akkoord zijn het fors reduceren van de jaarrond verblijvende populatie ganzen in de periode februari tot 1 november. Daartegenover staat de relatieve winterrust in de gehele provincie Utrecht voor de overwinterende trekkende ganzen in de periode van 1 november tot 1 januari vanwege onze internationale verantwoordelijkheid voor de instandhouding van deze ganzen voortkomend uit zowel de Vogelrichtlijn als één van de doelen uit de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Rijntakken.

Tevens is er extra rust gecreëerd binnen de provincie Utrecht via het aanwijzen van 3 ganzenrustgebieden. Ze maken deel uit van het totaalpakket van de Utrechtse ganzenafspraken sinds 2014. De gebieden zijn in 2015 door de provincie aangewezen en sindsdien niet gewijzigd.

In de Omgevingsverordening is opgenomen dat in deze gebieden tussen 1 november en 1 april (Lopikerwaard: 952 hectare, waarvan 728 hectare grasland, Oostelijke Vechtplassen: 4.301 hectare, waarvan 2.012 hectare grasland) of tussen 1 november en 1 mei (Nederrijn: 1.019 hectare, waarvan 334 hectare grasland) beschermde trekganzen (met name kolganzen, brandganzen en grauwe ganzen) niet verstoord en gedood mogen worden.

Ook is opgenomen dat normaal agrarisch gebruik en beheer en schadebestrijding binnen de in de Omgevingsverordening gestelde voorwaarden in deze gebieden mogelijk blijft.

Deze subparagraaf wordt ondersteund met een handreiking activiteiten in Ganzenrustgebied.

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.44 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij verjaging met ondersteunend afschot van schadeveroorzakende ganzen

Op grond van artikel11.42 en artikel 11.44 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan een flora en fauna-activiteit in een omgevingsverordening worden aangewezen als vergunningvrij geval; in deze verordening ook wel vrijstelling genoemd. Met dit artikel wordt dat gedaan voor een specifieke categorie van schadebestrijding door de grondgebruiker. Bij schadebestrijding door de grondgebruiker gaat het om maatregelen die een grondgebruiker mag nemen tegen dieren die belangrijke schade aan kwetsbare gewassen veroorzaken. De vrijstelling van de vergunningplicht geldt voor het verjagen met ondersteunend afschot van 3 soorten ganzen: de brandgans, kolgans en grauwe gans. Dit zijn soorten die in de hele provincie schade veroorzaken en die niet in hun voortbestaan (dreigen te) worden bedreigd. De grondgebruiker moet deze schade kunnen aantonen. De regels hebben geen betrekking op ganzenrustgebieden.

Eerste en tweede lid: Met deze leden houdt de provincie zich aan de afspraken die zijn gemaakt bij de Utrechtse invulling van het landelijke ganzenakkoord (Projectteam Ganzenbeheer Utrecht). Er mag alleen worden verjaagd met ondersteunend afschot (doden van dieren ter verjaging) als sprake is van een kwetsbaar gewas. Kwetsbare gewassen zijn oogstbare akker- en tuinbouwgewassen en jong grasland (grasland dat na 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de winterperiode is ingezaaid of doorgezaaid). Zijn de gewassen geoogst? Dan is verjaging met ondersteunend afschot dus niet meer toegestaan. Overjarig grasland (grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid voor 1 augustus voorafgaand aan de betreffende winterperiode) wordt niet gezien als kwetsbaar gewas. Hetzelfde geldt voor percelen kleiner dan 1 hectare die zijn ingezaaid of doorgezaaid na 1 augustus. Ook graslandpercelen die zijn ingezaaid als afvanggewas op geoogste maispercelen en groenbemesters worden niet gezien als kwetsbaar gewas.

Derde lid: Het is objectief vast te stellen of ganzen invallen. Invallende ganzen vliegen niet meer in formatie, hangen vrijwel stil en strekken de poten uit. Daarom mag niet geschoten worden op groepen die alleen maar overvliegen en bovenstaand gedrag niet vertonen. Ondersteunend afschot is niet toegestaan bij een groep van 5 of minder ganzen. Van groepjes van maximaal 5 ganzen gaat onvoldoende schadedreiging uit om ondersteunend afschot toe te staan. Hoewel zo'n groepje ook andere ganzen kan aantrekken, hoeft dit de schadebestrijding niet te belemmeren. Als er meer ganzen invallen, is ondersteunend afschot alsnog mogelijk.



Vierde lid: Uitgangspunt is dat er in de periode van 1 november tot 1 maart alleen verjaging met ondersteunend afschot en geen populatiereductie plaatsvindt. Hierbij past het niet dat er meer ganzen worden geschoten dan strikt noodzakelijk is om de verjaging effectiever te maken. Daarom is een maximum gesteld aan het aantal ganzen dat per actie mag worden gedood. Onder actie wordt verstaan: elke individuele verjaagactie van een groep ganzen groter dan 5 exemplaren. Als deze ganzen zijn verjaagd is de actie afgelopen. Als er later opnieuw een groep ganzen invalt en deze wordt verjaagd, is er sprake van een nieuwe actie.

Vijfde lid: Vogels met een ring of halsband zijn belangrijk voor onderzoeksdoeleinden. Het heeft daarom de voorkeur deze dieren niet te doden. Is zo'n vogel toch gedood? Dan moeten de gegevens worden gemeld.

-

CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.45 Eis middelen verjagen schadeveroorzakende ganzen

Verjagen met ondersteunend afschot, zoals bedoeld in Artikel 6.44 mag alleen nadat eerst een preventief akoestisch middel en een visueel middel zijn ingezet, volgens de voorwaarden voor effectief gebruik die zijn opgenomen in de Faunaschade Preventie Kit, module ganzen. Naast verjaging door bijvoorbeeld mensen of honden in het veld, zijn, voor zover effectief, ook andere akoestische en visuele middelen toegestaan, zoals vlaggen, linten, vogelverschrikkers en een gaskanon. Maar ganzen kunnen wennen aan akoestische en visuele middelen. Daarom is het van groot belang dat middelen afwisselend worden toegepast. Visuele middelen worden voor een optimale werking regelmatig verplaatst, en bij voorkeur gecombineerd met akoestische middelen of verjaging in het veld. Het geweer wordt hier niet als akoestisch middel beschouwd. De reden hiervoor is dat er in het veld onduidelijkheid kan ontstaan of dit middel wordt gebruikt als preventief middel, of voor ondersteunend afschot. Dit is bijvoorbeeld het geval als er wordt geschoten richting een groep van maximaal 5 ganzen. Dit kan een effectieve handhaving van de regels uit de omgevingsverordening belemmeren. Zoals is aangegeven in Artikel 6.44 (over toepassing van verjaging met ondersteunend afschot) heeft de vrijstelling als doel om de ganzen te verjagen van kwetsbare gewassen. Hierbij past niet dat de ganzen met lokmiddelen naar de schadegevoelige percelen worden gelokt. Om deze reden is het gebruik van lokmiddelen voor ondersteunend afschot tijdens de periode 1 november tot 1 maart niet toegestaan. Lokmiddelen zijn bijvoorbeeld lokganzen (levend, dood of kunstmatig), lokfluiten, elektronische middelen voor geluidnabootsing, enzovoorts.

Het kan voorkomen dat de schadeveroorzakende ganzen tijdens het verjagen door het ondersteunend afschot, gewond raken en in nood verkeren. In zo'n geval is het toegestaan deze gans met een slag- of steekwapen te doden om verder lijden te voorkomen. Voor het gebruik van die wapens moet het 'Instructieblad slag- en steekwapens', in te zien via de provinciale website, worden gevolgd.

-

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.46 Informatieplicht schadebestrijding ganzen

Om de effectiviteit van de maatregelen te kunnen beoordelen en te zorgen voor controle hierop, is inzicht in de locaties waar en data waarop de uitvoering van maatregelen plaatsvond belangrijk. Ook het aantal gedode vogels en om welke soorten het gaat, moet worden bijgehouden. Daarom is (net als in de ontheffingen) een rapportageverplichting opgenomen. De Faunabeheereenheid Utrecht stelt een webapplicatie ter beschikking voor het registeren van de faunadata. Als de grondgebruiker de schadebestrijding aan een ander overlaat, dan kan deze persoon de rapportage doen. Maar de grondgebruiker blijft verantwoordelijk.

-

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.47 Geen schadebestrijding bij bijzondere weersomstandigheden

Door bijzondere weersomstandigheden zoals de bedekking van wateroppervlakken met ijs of de onbereikbaarheid van voedsel door sneeuw, kunnen de soorten waarin deze paragraaf aan refereert extra kwetsbaar zijn. In dit soort gevallen kunnen gedeputeerde staten beslissen om de uitzonderingen op de ontheffingsplicht helemaal, of gedeeltelijk op te schorten. Hiervoor wordt het beleid zoals verwoord in het Draaiboek bijzondere weersomstandigheden gebruikt.

-

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

Na sectie 6.47 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 6.47a Oogmerk activiteiten in Ganzenrustgebied

-

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.48 Verbod opzettelijke verstoring ganzen in ganzenrustgebied

Met het Utrechts ganzenakkoord uit 2014 is een samenhangend pakket van maatregelen afgesproken met o.a. de stakeholders in de Faunabeheereenheid Utrecht en dat is overgenomen en vastgesteld in het Beleidskader wet natuurbescherming (PS 12-12 2016). De pijlers van het akkoord zijn het fors reduceren van de jaarrond verblijvende populatie ganzen in de periode van 1 maart tot 1 november. Daartegenover staat de relatieve winterrust voor de overwinterende trekkende ganzen in de periode van 1 november tot 1 maart vanwege onze internationale verantwoordelijkheid voor de instandhouding van deze ganzen voortkomend uit zowel de Vogelrichtlijn als één van de doelen uit de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000 gebieden Oostelijke Vechtplassen en Rijntakken. Naast de winterrust zijn voor de overwinterende trekkende ganzen specifieke rust- en foerageergebieden aangewezen (1 november – 1 april/1 mei), waar de ganzen bij verjaging en afschot in de rest van de provincie naar toe kunnen voor rust en voedsel. Voorwaarde bij de aanwijzing van de rustgebieden door de provincie was voldoende capaciteit voor de overwinteraars. Op 10 maart 2015 zijn de gebieden vastgelegd in de voormalige Verordening schadebestrijding dieren provincie Utrecht 2014. Deze gebieden, waarvan er 2 grotendeels samenvallen met Natura 2000 gebieden en hun externe werking, zijn het Oostelijk Vechtplassengebied, een gebied in de Lopikerwaard en een deel van de uiterwaarden van de Neder-Rijn. Het artikel geeft de verboden activiteiten in de ganzenrustgebieden.

Sub a Dit artikel borgt dat de ganzentrekganzen ongestoord kunnen foerageren en rusten in de vastgestelde periode. Het verbiedt om ze te verstoren en dus te verjagen uit deze gebieden. Ook is het verboden om beheer en schadebestrijding uit te voeren gericht op andere soorten door middel van verjaging met (ondersteunend) afschot. SubOnderdeel c. en subonderdeel d. bevatten hierop de uitzonderingen en geven de mogelijkheid om schade aan gewassen door andere soorten ’s middags te voorkomen en. Daarnaast heeft de jagerjachtaktehouder de mogelijkheid een eventueel aanwezig jachtrecht uit te oefenen voor de soorten op de wildlijst in de aangegeven perioden.

Sub b borgt primair het behoud van voldoende oppervlakte beschikbaar grasland en daarmee het functioneren van de gebieden in omvang sinds de aanwijzing in 2015. Ook moet het andere handelingen of activiteiten weren die het gebied ongeschikt maakt als foerageergebied voor ganzen. Het artikel is dus gericht op het behoud van percelen met (overblijvend) grasland en het voorkomen van verstoring in het gebied, waarmee de foerageerfunctie in gevaar komt. Het geeft tevens een handhavingstitel. Het artikel ziet niet op normaal agrarisch onderhoud, mits de foerageerfunctie intact blijft en de aanwezige ganzen niet worden verstoord. Het artikel ziet ook niet op het gebied binnen de begrenzing stedelijk gebied ingevolge deze Omgevingsverordening (voorheen rode contour). Tevens niet op buiten deze stedelijke gebieden gelegen bestaande bebouwingsvlakken zoals opgenomen in geldende omgevingsplannen. Het kan wel gelden voor nieuwe activiteiten en handelingen op deze vlakken als die door verstoring van de ganzenrust invloed hebben op de foerageerfunctie, zoals bijvoorbeeld windmolens. Het gaat meestal om percelen die feitelijk al geen aanwijsbare foerageerfunctie hebben vanaf de aanwijzing in 2015.

In de zomerperiode is het gebied wel zodanig aangewezen, maar heeft het tijdelijk geen opvangfunctie. In deze periode wordt alleen toegezien op het voorkomen van activiteiten die de foerageerfunctie onomkeerbaar te niet doen. Deze zomerperiode loopt vanaf 1 april (voor ganzenrustgebieden Benschop en Oostelijke Vechtplassen) en vanaf 1 mei (ganzenrustgebied Nederrijn) tot 1 november. Deze periode is langer omdat de Brandgans later vertrekt naar zijn broedgebieden.

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

Na sectie 6.48 worden vijf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 6.48a Vergunningplicht tenietdoen foerageerfunctie Ganzenrustgebied

Dit artikel borgt primair het behoud van voldoende oppervlakte beschikbaar grasland en daarmee het functioneren van de gebieden in omvang sinds de aanwijzing in 2015. Ook moet het andere handelingen of activiteiten weren die het gebied ongeschikt maken als foerageergebied voor ganzen, tenzij hiervoor een vergunning verleend wordt. Het artikel is dus gericht op het behoud van percelen met (overblijvend) grasland en het voorkomen van verstoring in het gebied, waarmee de foerageerfunctie in gevaar komt. Het geeft tevens een handhavingstitel.

Het artikel ziet niet op normaal agrarisch onderhoud, mits de foerageerfunctie intact blijft en de aanwezige ganzen niet verstoord worden.

Het artikel ziet ook niet op het gebied binnen de begrenzing stedelijk gebied ingevolge deze Omgevingsverordening. Tevens niet op buiten deze stedelijke gebieden gelegen bestaande bebouwingsvlakken zoals opgenomen in geldende omgevingsplannen.

Het kan wel gelden voor nieuwe activiteiten en handelingen op deze vlakken als die door verstoring van de ganzenrust invloed hebben op de foerageerfunctie, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van windturbines. Het gaat meestal om percelen die feitelijk al geen aanwijsbare foerageerfunctie hebben vanaf de aanwijzing in 2015.

In de zomerperiode is het gebied wel zodanig aangewezen, maar heeft het tijdelijk geen opvangfunctie. In deze periode wordt alleen toegezien op het voorkomen van activiteiten die de foerageerfunctie onomkeerbaar te niet doen, tenzij hiervoor een vergunning verleend wordt. Deze zomerperiode loopt vanaf 1 april (voor ganzenrustgebieden Benschop en Oostelijke Vechtplassen) en vanaf 1 mei (ganzenrustgebied Nederrijn) tot 1 november. Deze periode is langer omdat de brandgans later vertrekt naar zijn broedgebieden.

Artikel 6.48b Beoordelingsregel vergunning tenietdoen foerageerfunctie Ganzenrustgebied

Op het moment dat gestart wordt met de activiteit die de foerageerfunctie van een Ganzenrustgebied teniet doet, is gelijktijdig geborgd dat middels een overeenkomst op een perceel elders voorzien is in de foerageerfunctie die gelijkwaardig is in oppervlakte en kwaliteit in voedingswaarden van de tenietgedane foerageerfunctie. Het moet gaan om aaneengesloten percelen grasland die grenzen aan het ganzenrustgebied waar de foerageerfunctie teniet gedaan wordt. Dit is mogelijk voor activiteiten die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van artikel 2.18, eerste 1 onder g. van de Omgevingswet, zoals het treffen van maatregelen in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen. Dit geldt ook voor activiteiten van groot openbaar provinciaal belang, zoals de provinciale belangen genoemd in de Omgevingsverordening.

Onderdeel a: de vereiste borging gebeurt door middel van een overeenkomst met de rechthebbende van het perceel waarop in de foerageerfunctie wordt voorzien wordt.

Artikel 6.48c Indieningsvereisten vergunning tenietdoen foerageerfunctie Ganzenrustgebied

Onderdeel d: wanneer een overeenkomst gesloten is met de rechthebbende van een perceel die het gelijkwaardige tegenwicht is voor verloren gegaan foerageergebied en een vergunning bedoeld in Artikel 6.48a verleend kan worden, dan wordt dat perceel door middel van een wijziging van deze Omgevingsverordening aangewezen als ganzenrustgebied.

Artikel 6.48d Meldplicht tijdelijke aantasting foerageerfunctie Ganzenrustgebied

Naast de vergunningplichtige activiteiten worden in het gebied ook activiteiten toegestaan die onder de meldplicht vallen. Het gaat dan om activiteiten die de foerageerfunctie tijdelijk aantasten voor de duur van 1 jaar of in ieder geval 1 maal de periode zoals genoemd in Artikel 6.48 onder a. en b: het van 1 november tot 1 april opzettelijk verstoren van grauwe ganzen en kolganzen; en van 1 november tot 1 mei het opzettelijk verstoren van brandganzen. Voor de aanleg en het storten van baggerspecie in een baggerdepot geldt een periode van maximaal 3 jaar of 3 maal de periode zoals genoemd in Artikel 6.48 onder a.

Artikel 6.48e Indieningsvereisten melding tijdelijke aantasting foerageerfunctie Ganzenrustgebied

-

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.50 Indieningsvereisten melding vergunningvrije bestrijding veldmuis

Voor een melding van het bestrijden van de veldmuis is een e-mail aan de provincie voldoende.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.51 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij specifieke diersoorten

Naast de vrijstelling van soorten die vallen onder wet en het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt een vrijstelling voor soorten genoemd in Bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten. Daaronder vallen geen vogels, en geen soorten die vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn en het Verdrag van Bern. Dit betekent bijvoorbeeld, dat voor maaiwerkzaamheden waarbij nesten of eieren van vogels worden vernield, altijd een ontheffing nodig is. Voor deze veelvoorkomende en regelmatig terugkerende activiteiten ligt het opstellen van een gedragscode voor de hand. Bij minder algemene gevallen of soorten die in een ongunstige staat van instandhouding verkeren, is individuele beoordeling belangrijk. Daarom zijn in Bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten alleen de algemene soorten opgenomen. Het gaat hierbij alleen om diersoorten, omdat alle plantensoorten in de bijlage van de Wnb in een ongunstige staat van instandhouding verkeren. Het is belangrijk te noemen dat een vrijstelling niet betekent dat deze dieren in het kader van deze activiteiten altijd mogen worden gedood. Gelet op de intrinsieke waarde van deze dieren is dit niet wenselijk. Dit zou ook in strijd zijn met de zorgplicht van de wet. Bij bestendig (duurzaam) beheer en onderhoud gaat het om het voortzetten van de bestaande praktijk. Om te beoordelen of er sprake is van bestendig beheer en onderhoud worden onder andere de aard, het tijdstip en de frequentie van de activiteiten en de schaal waarop deze worden uitgevoerd, meegewogen. Nieuwe vormen van onderhoud, intensivering van het beheer en onderhoud en dergelijke worden niet als bestendig beschouwd. Daarom is voor deze activiteiten een vergunning nodig, of er moet sprake zijn van het handelen volgens een goedgekeurde gedragscode uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Naast de vrijstelling van soorten die vallen onder wet en het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt een vrijstelling voor soorten genoemd in Bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten. Bij minder algemene gevallen of soorten die in een ongunstige staat van instandhouding verkeren, is individuele beoordeling belangrijk. Daarom zijn in Bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten alleen de algemene soorten opgenomen. Het gaat hierbij alleen om diersoorten, omdat beschermde plantensoorten in een ongunstige staat van instandhouding verkeren. Het is belangrijk te noemen dat een vrijstelling niet betekent dat deze dieren in het kader van deze activiteiten altijd mogen worden gedood. Gelet op de intrinsieke waarde van deze dieren is dit niet wenselijk. Dit zou ook in strijd zijn met de zorgplicht van de Omgevingswet.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.54 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij veiligstelling amfibieën tegen verkeer

De verboden uit de wet en het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor dit artikel vrijstelling verleent, omvatten het verbod op het vangen en verstoren van amfibieën die zijn beschermd op grond van:

Het doden van de amfibieën is met dit artikel uitdrukkelijk niet vrijgesteld. Het kan een argument zijn dat uit de zorgplicht van de wetOmgevingswet al voortvloeit, dat in het wild levende soorten verplaatst mogen worden als er concreet gevaar bestaat dat deze worden gedood, of verwond door het verkeer. Toch is er in verband met de rechtszekerheid voor gekozen deze vrijstelling op te nemen in de omgevingsverordeningOmgevingsverordening. De vrijstelling is gebaseerd op het belang van de bescherming van de fauna. De dieren moeten zo snel mogelijk, in de directe omgeving (een afstand van maximaal 100 meter vanaf de vangplaats) weer in vrijheid worden gesteld.

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.55 Vrijstelling vergunningplicht flora- en fauna-activiteit bij vangen amfibieën voor onderzoek en onderwijs

Bij de groene kikker is er sprake van 2 echte soorten: de meerkikker (Rana ridibunda) en de poelkikker (Rana lessonae). De bastaardkikker of middelste groene kikker (Rana klepton esculentus) is een hybride tussen deze beide soorten. De poelkikker is een soort groene kikker die is vermeld op bijlage IV van de Habitatrichtlijn. De meerkikker en bastaardkikker zijn beschermde soorten op grond van Besluit activiteiten leefomgeving. Voor alle 3 genoemde soorten is het mogelijk om een vrijstelling te verlenen in het belang van onderzoek en onderwijs. De volwassen dieren zijn erg lastig uit elkaar te houden. De eieren zijn niet te onderscheiden. Daarom en ook omdat alle 3 de soorten landelijk in een gunstige staat van instandhouding verkeren, zijn deze allemaal opgenomen. De vrijstellingen gelden voor de verschillende ontwikkelingsstadia van deze soorten, met uitzondering van exemplaren waarvan de metamorfose klaar is. Deze dieren moeten zo snel mogelijk in vrijheid worden gesteld.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.58 Maatwerkregel sluiten jachtseizoen

Door Als gevolg van bijzondere weersomstandigheden, zoals de bedekking van wateroppervlakten met ijs of de onbereikbaarheid van voedsel als gevolg van sneeuw, kunnen jachtsoorten (wildlijst) en soorten in het kader van beheer en schadebestrijding extra kwetsbaar zijn. Het sluiten van de jacht i.v.m.in verband met bijzondere weersomstandigheden kan onder de wetOmgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving alleen nog bij maatwerkregel geregeld worden. Hiervoor wordt het beleiddraaiboek, opgenomen inbijlage 2 van het Beleidskader wet natuurbescherming 2017, gebruikt totdat deze in 2027 is herzien zoals verwoordvastgesteld in het Draaiboek bijzondere weersomstandighedenOmgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring gebruikt.

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.5 Invasieve exoten, bestrijding Aziatische duizendknoop

In deze afdeling worden regels opgesteld voor de bestrijding van Aziatische duizendknoopsoorten. Daaronder worden de volgende invasieve (onder)soorten verstaan:

  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)

  • Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis)

  • Boheemse of Bastaardduizendknoop (Fallopia x bohemica)

Nog levende afgeleide producten van de Aziatische duizendknopen, waaronder groene polygonumstokken en de dwergvariëteit van de Japanse duizendknoop, de Fallopia japonica var. compacta, worden ook tot de Aziatische duizendknoopsoorten gerekend. Alle hier genoemde soorten zijn invasief (veroorzaken schade) en kunnen de biodiversiteit negatief beïnvloeden. Doordat de Aziatische duizendknopen vroeg uitlopen, een snelle lengtegroei hebben en een zo goed als gesloten bladerdek vormen, wordt de overige plantengroei helemaal overgroeid en op den duur verdrongen. Hierdoor wordt onder meer bosverjonging geblokkeerd. Ook het aantal soorten ongewervelde dieren wordt lager als Aziatische duizendknopen de groeiplaats overheersen. De provincie heeft de wettelijke taak om de biodiversiteit (actief en passief) te beschermen. Op grond van die taak zijn de provincies door het Rijk ook belast met de bestrijding van invasieve exoten die de biodiversiteit kunnen aantasten. Maar de taak van het Rijk is beperkt tot de soorten die op de landelijke exotenlijst staan. De Aziatische duizendknoopsoorten staan niet op deze lijst. Daarom hebben provinciale staten ervoor gekozen zelfstandig regels op te stellen voor de Aziatische duizendknopen op basis van artikel 145 van de Provinciewet. Deze regels zijn opgenomen in deze afdeling. De provincie wil met de regels natuur en milieu beschermen. In het bijzonder wil de provincie nadelige gevolgen voor de biodiversiteit voorkomen of beperken. Deze belangen vallen ook onder de belangen die het Rijk wil beschermen met de rijksregels voor de soorten die op de landelijk exotenlijst staan. De regels in deze paragraaf gaan over een nieuwe regeling. Daarom wordt in de eerste jaren na ingang van deze regeling terughoudend omgegaan met de inzet van handhaving. De nadruk zal in eerste instantie liggen op preventie en het bekendheid geven aan de regeling en het hoofddoel daarvan: het voorkomen van de verdere verspreiding van Aziatische duizendknopen. Dit doel kan worden bereikt als iedereen de zorgplicht, opgenomen in Artikel 6.59, op een juiste manier toepast.

-

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.59 Specifieke zorgplicht bestrijding Aziatische duizendknoop

Met de invoering van deze zorgplicht moet iedereen in de provincie nagaan of er met de uit te voeren activiteiten op of in de grond geen Aziatische duizendknopen zijn betrokken. Deze zorgplicht volgt uit de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 tot en met 1.8 van de wet. Die stelt dat iedereen voldoende moet zorgen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Meer weten over hoe te handelen om de verspreiding van plantdelen van Aziatische duizendknopen te voorkomen? Kijk dan op Bestrijding van duizendknoop. Daar is het Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen te vinden. In dit protocol zijn afzonderlijke infobladen per type werkzaamheden opgenomen, bijvoorbeeld voor grondwerk en maaibeheer. De kenmerken van de Aziatische duizendknopen staan in Infoblad A Herkenning.

-

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.60 Verbod verspreiding Aziatische duizendknoop

In Europa verspreiden de Aziatische duizendknopen zich doorgaans niet op natuurlijke wijze (door zaden), maar op grote schaal juist vegetatief door menselijk toedoen. Dit gebeurt vooral door maaiactiviteiten en grondverzet (verplaatsing van grond). Hierbij kunnen de kleinste wortel- en stengelfragmenten die in het buitenmilieu terecht komen, tot een volwassen plant uitgroeien. Met dit verbod moet de verdere verspreiding worden gestopt. Verspreiding heeft in dit artikel betrekking op het in het buitenmilieu brengen van planten of plantdelen van de Aziatische duizendknopen. Het buitenmilieu zijn alle gronden inclusief bebouwing en voertuigen, maar exclusief de binnenkant van die bebouwing en voertuigen.

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.61 Meldplicht gevolgen verspreiding Aziatische duizendknoop

Zijn er activiteiten uitgevoerd die tot verspreiding hebben geleid? Dan geldt de opruimplicht voor degene die de verspreiding heeft veroorzaakt. Er kunnen nadelige gevolgen voor de biodiversiteit optreden als de verspreiding niet ongedaan wordt gemaakt. De maatregelen om de verspreiding ongedaan te maken of maximaal te beperken, moeten worden gemeld bij gedeputeerde staten. Daarmee kan gedeputeerde staten beoordelen of de opruimmaatregelen effectief zijn en werkelijk worden uitgevoerd. Zo nodig kan alsnog bestuursrechtelijk of strafrechtelijk worden gehandhaafd.

Derde lid: Gedeputeerde staten informeren het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de verspreiding is gemeld. Het is niet ondenkbaar dat er nog andere belangen dan die van de provincie voor het behouden en versterken van de biodiversiteit (dreigen te) worden geschaad, die door andere regelgeving worden beschermd, of andere passende actie door het college van burgemeester en wethouders vereisen.

-

RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.62 Maatwerkvoorschriften maatregelen Aziatische duizendknoop

Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften opstellen over de maatregelen die op basis van Artikel 6.59 moeten worden uitgevoerd. Dit om de nadelige gevolgen van verspreiding te voorkomen of te beperken.

Tweede lid: Dit lid bevat de bepaling op basis waarvan de eigenaar of gebruiker van een onroerende zaak door de provincie kan worden verplicht tot het nemen van maatregelen voor de bestrijding van de Aziatische duizendknoop. Het gaat om maatwerk, zowel wat betreft locatie als bestrijdingsmethode(n). De verplichting kan worden opgelegd als dit nodig is:

  • voor het behouden en versterken van de biodiversiteit;

  • als niet voldaan is aan de zorgplicht;

  • of als de op basis van Artikel 6.59 gemelde maatregelen om verspreiding en de directe gevolgen daarvan te beperken, niet worden uitgevoerd.

Het belang van behouden en versterken van de biodiversiteit is in ieder geval aan de orde in de zogenaamde gebieden met belang Aziatische duizendknopen. Een kaart met deze gebieden is te vinden op de website van de provincie Utrecht. Het gaat hier om:

  • alle Utrechtse Natura 2000-gebieden;

  • alle gebieden van het Utrechtse deel van het natuurnetwerk Nederland;

  • de Groene contour;

  • de Kaderrichtlijn Water-oppervlaktewaterlichamen en waterparels;

  • weidevogelkerngebieden en ganzenrustgebieden;

  • waardevolle houtopstanden buiten de bebouwde kom;

  • beschermde kleine landschapselementen.

Ook buiten deze gebieden kan het belang van biodiversiteit aan de orde zijn. Dit is vooral het geval als er sprake is van een leefgebied van een of meer Utrechtse aandachtsoorten uit de Natuurvisie 2016 (inclusief Rode Lijst-soorten). Omdat er ruim 500 Utrechtse aandachtsoorten zijn en omdat de ligging van die leefgebieden niet vastligt, is het niet mogelijk om deze soorten samen in kaartvorm weer te geven. De bestrijding van de Aziatische duizendknoop in het kader van bescherming van de biodiversiteit, wordt overigens gestimuleerd door de subsidieregeling Uitvoeringsverordening subsidie Biodiversiteit provincie Utrecht. Op basis van deze subsidieregeling kan een eigenaar of gebruiker van een onroerende zaak onder voorwaarden een tegemoetkoming in de kosten van de maatregelen krijgen.

-.

SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.2 Aanwijzing UNESCO Werelderfgoed

Sub b: het Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bestaat niet uit één aaneengesloten zone, maar uit een verzameling losse terreinen (de zogeheten kernzones). In de provincie Utrecht gaat het om 6 terreinen, waarvan 1 in de gemeente Woerden, 4 in de gemeente Utrecht en 1 in de gemeente Bunnik. Vrijwel al deze terreinen worden al beschermd via het rijksmonumentenregime als archeologisch rijksmonument en zijn dus niet opgenomen in deze verordening. Slechts bij Hoge Woerd-Utrecht bevindt zich een deel kernzone dat géén

archeologisch rijksmonument is; dit is wél opgenomen in deze verordening. Daarnaast kent elke kernzone een lokale bufferzone. Deze maakt technisch gezien geen onderdeel uit van het Werelderfgoed, maar is wel een belangrijk onderdeel van de inschrijving van de Neder-Germaanse Limes op de Werelderfgoedlijst. De bufferzone geeft aanvullende bescherming aan het Werelderfgoed. Op plaatsen bevat de bufferzone zoals ingeschreven bij UNESCO delen van bestaande archeologische rijksmonumenten (met resten van de Limes); deze delen zijn niet

opgenomen in de bufferzone in deze verordening, omdat deze reeds beschermd worden via het rijksmonumentenregime. Voor een volledig beeld van de kern- (en buffer)zone van het Werelderfgoed zijwordt verwezen naar de Cultuurhistorische Atlas (CHAT) van de provincie Utrecht.

TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.3 Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies

Eerste lid: Voor het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies geldt dat de uitzonderlijke universele waarde niet mag worden aangetast. Deze wordt uitgedrukt in de kernkwaliteiten. Het is echter niet in alle gevallen direct duidelijk of de voorgenomen activiteit het werelderfgoed aantast. In die gevallen moet eerst worden onderzocht en beoordeeld wat de effecten van de activiteit op het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies zijn. Hierbij kan een Heritage Impact Assessment (HIA) gebruikt worden. De uitzonderlijke universele waarde (OUV) is vaak abstract omschreven. Vandaar dat voor de effectmeting wordt uitgegaan van de effecten van een ontwikkeling op de kernkwaliteiten (‘attributes’, dragers van de uitzonderlijke universele waarde). Hoe dat te doen op een universeel conforme en door UNESCO als aanbevelenswaardig omschreven wijze, is toegelicht in de GuidanceLeidraad en toolkit voor effectbeoordelingen in een Werelderfgoedcontextand Toolkit for Impact Assessments in a World Heritage Context (UNESCO, ICCROM, ICOMOS, IUCN 2022)), Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Agentschap Onroerend Erfgoed, 2024.

Een HIA is een rapportage die inzicht geeft in de effecten van een voorgenomen ontwikkeling op de uitzonderlijke universele waarde (OUV) van het Werelderfgoed. Bij de toetsing spelen ook de visuele integriteit en authenticiteit een rol “Visuele Integriteit Waterlinies”, Advies Kwaliteitsteam Nieuwe Hollandse Waterlinie, 2018).

Tweede lid: De uitzonderlijke universele waarde is terug te vinden in de kernkwaliteitenkernkwaliteiten zijn een uitdrukking van de uitzonderlijke universele waarde. Deze zijn op hoofdlijnen benoemd in de Bijlage Cultuurhistorie Bijlage XV Cultuurhistorie . In de Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies is een specifiekere uitwerking van de kernkwaliteiten per gebied te vinden evenals uitgangspunten hoe met die kernkwaliteiten om te gaan. Deze gebiedsanalyses zijn voor diversealle deelgebieden van de Hollandse Waterlinies ontwikkeld (of worden nogin de provincie Utrecht ontwikkeld). De provincie vraagt gemeenten en initiatiefnemers bij ontwikkelingen gebruik te maken van de gebiedsanalyses. Wanneer het om ontwikkelingen gaat voor de inpassing van duurzame energie, vraagt de provincie om het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies te gebruiken; deze is voorzien van een leeswijzer.

UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.3a Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone)

Gehele artikel: Voor het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes geldt dat de kernkwaliteiten als uitdrukking van de uitzonderlijke universele waarde niet magmogen worden aangetast. De begrenzing van het Werelderfgoed (de property, ook wel kernzone genoemd) is na indiening van het nominatiedossier nog gewijzigd naar aanleiding van opmerkingen van het UNESCO-adviesorgaan ICOMOS. Hierdoor is de kernzone op Hoge Woerd-Utrecht ook een deel komen te bevatten dat niet beschermd wordt door het rijksmonumentenregime. Om voor dat deel van de kernzone  gelijkwaardige bescherming te bieden als voor de rest van de kernzone(s), is deze instructieregel met bijbehorende beoordelingsregel (Artikel 7.5a) opgenomen.

Tweede lid: De uitzonderlijke universele waarde is terug te vinden in de kernkwaliteiten. Deze zijn benoemd in de Bijlage XV Cultuurhistorie.

VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.4 Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone)

Gehele artikel: De bufferzone is zelf geen Werelderfgoed, maar beschermt het Werelderfgoed en de uitzonderlijke universele waarde (zie de toelichting op Artikel 7.2). Daarom geldt voor de bufferzone geen strikte regel die elke aantasting van archeologische waarden verbiedt. Wel is behoud op de plek zelf (in situ) het uitgangspunt, zoals dat feitelijk voor alle archeologie geldt, conform het Verdrag van Valletta en de Erfgoedwet.

Tweede lid: De uitzonderlijke universele waarde is terug te vinden in de kernkwaliteiten. Deze zijn benoemd in de Bijlage XV Cultuurhistorie.

Derde lid: Dit lid, in combinatie met Artikel 7.6, regelt een onderzoeksverplichting bij ingrepenactiviteiten vanaf een bepaalde omvang en diepte. Voor de normen wordt aangesloten bij de standaardoppervlakte uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130) en de gemiddelde dikte van de bouwvoor. De kennis die het onderzoek naar de archeologische waarden van de Limes in de bufferzone oplevert, kan de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes in de kernzone(s) verder inkleuren en duiden.

Vierde lid: Het is mogelijk om maatwerk toe te passen op de in het derde lid vastgestelde standaardnormen. Als uit archeologische gegevens blijkt dat ruimere of striktere normen op hun plaats zijn, kunnen de normen uit het derde lid worden bijgesteld. Dit kan alleen als deze aanpassing wordt ondersteund door de bevindingen van een archeologisch deskundige.

Vijfde lid: De eis dat het archeologisch onderzoek en het ‘ex-situ’ behoud (in de vorm van een opgraving) wordt uitgevoerd volgens de kwaliteitsregels in de Nederlandse archeologie en door een gecertificeerde partij, is gesteld om ervoor te zorgen dat deze onderzoeken professioneel en vakkundig worden uitgevoerd. Met de kwaliteitsregels in de Nederlandse archeologie bedoelt de provincie de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, zoals beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB).

Zesde lid: Het kan voorkomen dat het omgevingsplan wel de bufferzone bevat, maar niet de kernzone waar de provincie doorgaans geen regels voor stelt, zie toelichting op Artikel 7.2. Ook in die gevallen wil de provincie dat het omgevingsplan ingaat op de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes.

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 Beoordelingsregel aanvraag ontheffing UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies

Het is mogelijk om bij gedeputeerde staten een ontheffing van de instructieregel in Artikel 7.3, eerste lid, te vragen. Dit is bedoeld voor situaties waarbij de instructieregel leidt tot een onevenredige belemmering van de uitoefening van een taak of bevoegdheid. Dit artikel legt het begrip 'onevenredige belemmering' verder uit en bevat beoordelingsregels voor gedeputeerde staten. Bij een aanvraag tot ontheffing toetsen gedeputeerde staten of aan de voorwaarden sub a tot en met d is voldaan. Ontheffing kan worden verleend als er een groot maatschappelijk belang aan de orde is, zoals de nationale veiligheid bij een dijkverzwaring of de aanleg van noodzakelijke verkeersinfrastructuur, en de activiteit niet op een andere plek kan worden uitgevoerd. Daarnaast moeten er op de locatie van de aantasting genoeg maatregelen worden genomen die de overgebleven uitzonderlijke universele waarde versterken, zodat de negatieve gevolgen van de aantasting worden gecompenseerd.

Het is mogelijk om bij gedeputeerde staten een ontheffing van de instructieregel in Artikel 7.3, eerste lid, te vragen voor een activiteit die weliswaar de nader uitgewerkte kernkwaliteiten aantast, maar in het betreffende concrete geval toch in overeenstemming is met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarden van het Werelderfgoed is hierbij leidend: ontheffing voor activiteiten is alleen mogelijk als deze niet in strijd is met internationale verplichtingen (het Werelderfgoedverdrag). Daarbij mag de uitzonderlijke universele waarde (wat het erfgoed zo bijzonder maakt dat het de status van Werelderfgoed verdient) niet aangetast worden. De kernkwaliteiten (concrete uitwerking van wat de waarde betekent) wel. Want het aantasten van (een klein onderdeel van) de kernkwaliteiten hoeft niet te betekenen dat daarmee het geheel van de uitzonderlijke universele waarde verloren gaat. Dit is maatwerk en aan toetsing onderheving. De ontheffing is bedoeld voor situaties waarbij de instructieregel leidt tot een onevenredige belemmering van de uitoefening van een taak of bevoegdheid. Dit artikel legt het begrip 'onevenredige belemmering' verder uit en bevat beoordelingsregels voor gedeputeerde staten. Bij een aanvraag tot ontheffing toetsen gedeputeerde staten of de activiteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed en of aan de voorwaarden sub a tot en met d is voldaan. Ontheffing kan worden verleend als er een groot maatschappelijk belang aan de orde is, zoals de nationale veiligheid bij een dijkverzwaring of de aanleg van noodzakelijke verkeersinfrastructuur, en de activiteit niet op een andere plek kan worden uitgevoerd. Daarnaast moeten er op of nabij de locatie van de aantasting genoeg maatregelen worden genomen die de uitzonderlijke universele waarde versterken, zodat de negatieve gevolgen van de aantasting van de kernkwaliteiten worden gecompenseerd.

Gedeputeerde staten zullen zich, voordat zij een eventuele ontheffing op grond van dit artikel verlenen, ervan moeten vergewissen of UNESCO de activiteit waarop de ontheffing betrekking heeft evenmin ziet als een activiteit die de uitzonderlijke universele waarde van een werelderfgoed zou kunnen aantasten. Artikel 10.49 van het Omgevingsbesluit verplicht de siteholder en andere betrokken of bevoegde bestuursorganen om de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voordat zich onomkeerbare gevolgen kunnen voordoen, op de hoogte te stellen van een activiteit die de uitzonderlijke universele waarde van een werelderfgoed kan aantasten. De Minister kan besluiten om – bij monde van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed – vervolgens UNESCO te informeren.

Het tijdig informeren van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en UNESCO creëert ruimte om bij ruimtelijke en maatschappelijke initiatieven de knelpunten vroegtijdig te kunnen bespreken, advies in te winnen, randvoorwaarden te verhelderen en nieuwe oplossingsrichtingen te verkennen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.9 Instructieregel beschermen en benutten Cultuurhistorische hoofdstructuur

Gehele artikel: De Cultuurhistorische hoofdstructuur geeft aan welke cultuurhistorische waarden in beginsel behouden moeten worden. Door het volgen van het 'behoud door ontwikkeling'-principe zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Kleine aantastingen van waarden kunnen in sommige gevallen acceptabel zijn als tegelijk op structuurniveau de cultuurhistorische waarden worden versterkt, bijvoorbeeld door het herstel van verkavelingen of het openmaken van zichtlijnen.

Rekening houden met en de bijbehorende belangenafweging kan ertoe leiden dat het behoud van cultureel erfgoed niet altijd gerealiseerd kan worden: namelijk wanneer een ander belang nog zwaarwegender wordt geacht. Dit kan bij grote maatschappelijke opgaven zoals elektriciteitsinfrastructuur het geval zijn.

Eerste lid:

Historische buitenplaatszone en Militair erfgoed

Het uitgangspunt is behoud door ontwikkeling. Er is ruimte voor ontwikkelingen, inclusief verstedelijking, gericht op het creëren van economische kostendragers als deze bijdragenmits aan het herstel van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone of het militaire erfgoedvoorwaarden wordt voldaan. Denk aan kleinschalige stedelijke functies of bebouwing. De uitvoering hiervan kan op de buitenplaats plaatsvinden, of daarbuiten mits binnen in de buurt van de buitenplaatsbuitenplaatszone, als dit tot een betere oplossing leidt. Zie ook de toelichting op Artikel 7.10.

Militair erfgoed

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NB: het gaat hier om het deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie dat géén onderdeel uitmaakt van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies) en de Grebbelinie is het behouden van de openheid van de voormalige inundatiegebieden en de samenhang tussen de elementen van de linie (strategisch landschap, watermanagement en de militaire attributen) van groot belang. De linies bepalen de ontwikkelingsrichting en de vorm van de verstedelijking en de grootschalige infrastructuur. Voor de Oude Hollandse Waterlinie geldt een andere benadering. Daar zit de cultuurhistorische waarde in de in het landschap zichtbare forten en linies. De vestingsteden en inundatiezones van de Oude Hollandse Waterlinie maken geen deel uit van het Militaire erfgoed in de Cultuurhistorische hoofdstructuur. Voor de voormalige vliegbasis Soesterberg en omgeving ligt de cultuurhistorische waarde in de historische structuren en de objecten van land- en luchtmacht, inclusief de elementen van de Koude Oorlog.

Agrarisch cultuurlandschap

De cultuurhistorische waarde van het Agrarisch cultuurlandschap ligt vooral in:

· de aanwezige ontginningsstructuur en de ontginningsrichting;

· de structuur, maatvoering, kenmerken en karakter van de boerderijlinten; en

· het waterbeheersingssysteem.

Bij ontwikkelingen in dit gebied vormt de cultuurhistorische waarde een uitgangspunt en inspiratiebron. Het uitgangspunt is behoud door ontwikkeling.

Historische infrastructuur

Het beleid van de Historische infrastructuur richt zich op behoud en versterking van de samenhang en de beleefbaarheid van de 3 iconische routes: Route Impériale, Via Regia, Wegh der Weegen. Belangrijk daarbij is het behoud van:

· het historische tracé en de historische structuur,

· de sporen in het landschap gerelateerd aan de historische aanleg; en

· de bijbehorende historische elementen, waaronder trek- en jaagpaden, sluisjes en (grens)paaltjes.

Voor de overige historische infrastructuur (zoals land-, spoor- en waterwegen) geldt de informatie uit de Cultuurhistorische Atlas (CHAT) als inspiratiebron bij toekomstige ontwikkelingen. Specifiek voor de Trage paden (historische kerk- en jaagpaden), te vinden in de CHAT, wordt een handreiking ontwikkeld.

Maritiem erfgoed

Het beleid van het Maritiem Erfgoed richt zich op behoud en versterking van de samenhang en de beleefbaarheid van de maritieme ensembles in de historische havens van Utrecht, Amersfoort, Wijk bij Duurstede, Spakenburg, Vreeswijk. Belangrijk daarbij is aandacht voor:

· de historische haven;

· de bijbehorende maritieme elementen als laad- en loskades, pakhuizen, historische schepen en werkplaatsen.

Voor het overige maritieme erfgoed geldt de informatie uit de Cultuurhistorische Atlas (CHAT) als inspiratiebron bij toekomstige ontwikkelingen. Een overzicht van het maritieme erfgoed in woord en beeld is terug te vinden in de publicatie ‘Voor de boeg. Maritiem erfgoed in de provincie Utrecht’.

Archeologie

Bij het behouden van archeologische waarden is behoud in situ (in de bodem) het uitgangspunt, conform het Verdrag van Valletta en de Erfgoedwet. Wanneer behoud in situ niet mogelijk is, kan behoud ex situ (opgraving) uitkomst bieden. Om de archeologische waarden die in de bodem liggen te behouden is het belangrijk om zowel bekende als aantoonbaar te verwachten waarden te beschermen. Het regelen van een onderzoeksplicht bij ingrepenactiviteiten vanaf een bepaalde omvang en verstoringsdiepte zijn hier een geschikt middel voor. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staat in artikel 5.130 als standaardoppervlaktemaat 100 vierkante meterm2, maar hier mag gemotiveerd van worden afgeweken. Voor de dieptegrens is geen wettelijke standaard ingesteld. Wij gaan uit van de gemiddelde bouwvoordiepte van 30 centimeter (de bouwvoor is de bewerkte bovenlaag van de bodem). Ook hier kan gemotiveerd een andere norm worden gehanteerd. Onderzoek in het Kromme Rijn-gebied naar de dikte van de bouwvoor en de diepteligging van archeologische waarden (RAAP-rapport 3308) toonde aan dat archeologische waarden in dit gebied meestal direct onder de bouwvoor liggen. De bouwvoordikte/verstoorde bovenlaag varieert vooral van 10 tot 50 centimeter, met een paar uitschieters tot 1,5 meter, waarbij dit soms zelfs binnen een perceel sterk verschilt. Het rapport toont aan dat het stellen van een dieptegrens die op lokaal niveau effectieve bescherming biedt én ruimte biedt waar dat kan, om maatwerk vraagt.

Tweede lid: De Bijlage XV Cultuurhistorie beschrijft de te beschermen cultuurhistorische waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur, bestaande uit 56 hoofdgebieden met elk een eigen cultuurhistorisch thema. Daarbinnen onderscheidt de provincie verschillende deelgebieden. Per deelgebied ligt de focus op de kenmerkende cultuurhistorische samenhang. Voor een uitgebreidere beschrijving van alle aanwezige cultuurhistorische waarden verwijst de provincie naar de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht, ook wel bekend als de CHAT (online beschikbaar als digitale kaart).

Derde lid: De toelichting op het omgevingsplan verduidelijkt hoe het belang van de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur in de afweging is meegenomen en hoe de waarden worden beschermd.

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.10 Instructieregel uitzondering verstedelijkingsverbod Historische buitenplaatszone en Militair erfgoed

Binnen de Historische buitenplaatszone en het Militair erfgoed is aangegeven dat een beperkte hoeveelheid verstedelijking is toegestaan om het behoud van historische buitenplaatsen of militair erfgoed te ondersteunen. Dit wijkt af van het in artikelArtikel 9.3 opgenomen verstedelijkingsverbod voor het Landelijk gebied. BinnenDe verstedelijking kan plaatsvinden op de andere onderdelenbuitenplaats of daarbuiten, mits het binnen de buitenplaatszone is. De historische buitenplaatsen zijn buitenplaatsen die in de Cultuurhistorische atlas van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en in situaties waar de verstedelijking niet bijdraagt aan de ondersteuningprovincie Utrecht staan (Chat) staan, inclusief aangrenzende gronden die onderdeel van het militair erfgoed of de buitenplaatszone, is verstedelijking in het landelijk gebied alleen mogelijk op basislandgoed van artikel 9.3de buitenplaats uitmaken.

Voor de buitenplaatsen is de Leidraad Behoud door ontwikkeling op historische buitenplaatsen (juli 2023) opgesteld. Deze leidraad biedt buitenplaatseigenaren (initiatiefnemers) en gemeenten houvast bij het opstellen en beoordelen van ontwikkelplannen die een bijdrage moeten leveren aan het duurzame behoud van historische buitenplaatsen. De leidraad helpt om de mogelijkheden en regels uit de Omgevingsverordening te vertalen naar plannen voor de buitenplaatsen; zo wordt onder andere toegelicht wat verstaan wordt onder ‘kleinschalig’. In de

leidraad staat voorts een stappenplan (ontwikkelladder) voor de ontwikkeling van een plan. Wanneer alle stappen zijn doorlopen en deze niet volstaan om te komen tot een structureel gezonde exploitatie, pas dan komen mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen op de buitenplaats aan de orde.

Binnen de andere onderdelen van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en in situaties waar de verstedelijking niet bijdraagt aan de ondersteuning van behoud van een historische buitenplaats of waar dit wel het geval is maar de beoogde locatie buiten de buitenplaatszone ligt, is verstedelijking in het landelijk gebied alleen mogelijk op basis andere uitzonderingen op het verstedelijkingsverbod van Artikel 9.3.

De Leidraad Behoud door ontwikkeling op historische buitenplaatsen (juli 2023) biedt buitenplaatseigenaren (initiatiefnemers) en gemeenten houvast bij het opstellen en beoordelen van ontwikkelplannen die een bijdrage moeten leveren aan het duurzame behoud van historische buitenplaatsen. In de leidraad worden hulpmiddelen geboden voor het opstellen van een plan voor de buitenplaats dat in aanmerking komt voor de uitzondering. Zo wordt onder andere toegelicht wat verstaan wordt onder ‘kleinschalig’.

Het beoordelen van kleinschaligheid is maatwerk en afhankelijk van onder andere de grootte van de buitenplaats. Het is dan ook belangrijk dat de plannen laten zien dat de gewenste ontwikkeling qua schaal past bij de omvang van de buitenplaats. Een ontwikkeling mag de cultuurhistorische waarden van de buitenplaats in elk geval niet aantasten. Een nieuwe ontwikkeling mag de buitenplaats ook niet gaan overheersen. Het dient ondergeschikt te blijven aan de historische onderbouwing. De gewenste ontwikkeling moet aansluiten bij de historische, landschappelijke en natuurwaarden van de buitenplaats. Dat kan eventueel aangetoond worden door een cultuurhistorische analyse, landschapsbiografie of waardestellend onderzoek te laten uitvoeren.”

In de leidraad staat voorts een stappenplan (ontwikkelladder) voor de ontwikkeling van een plan. Wanneer alle stappen zijn doorlopen en deze niet volstaan om te komen tot een structureel gezonde exploitatie, pas dan komen mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen op de buitenplaats aan de orde.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.13 Oogmerk activiteiten landschap

In Deze deze paragraaf staanbevat regels voor de bescherming van de landschappelijke, natuurwetenschapelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden (LNCA-waarden) in de provincie. Bij het verloren gaan van deze waarden gaat hetmoet niet alleen omgedacht worden aan grootschalige ingrepen ofen vormen van aantasting, maar juist. Het gaat vooral om kleine aantastingenkleineschalige vormen van aantasting. Door het grotegrotere aantal en de hogehogere frequentie levert dat een sluipend proces op en treedt steeds meer verrommeling van het landschap op. Door de plaatsing van borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten gedoseerd toe te staan, worden de kwaliteiten van de landschappen behouden.

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.14 Toepassingsbereik activiteiten landschapborden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het gebied landschappelijke waardenGebied landschappelijke waarden, die betrekking hebben op borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten. Bij vergelijkbare objecten kan bijvoorbeeld gedacht worden aan opblaasbare objecten.

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.15 Specifieke zorgplicht borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

Eerste lid: de De specifieke zorgplicht gaat overis van toepassing op activiteiten die onder algemene regels vallen. De zorgplicht operationaliseertzet de belangen (overeenkomstig, zoals omschreven in het oogmerk van Artikel 7.13 ) om naar een algemene gedragsnorm voor de gebruikers. De zorgplicht is een algemene regel met een algemene strekking en van het Gebied landschappelijke waarden. De zorgplicht geldt voor iedereen die iets wil met borden, spandoeken, vlagen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten. De zorgplicht geldt als algemeen kader voor de activiteiten en functioneert als vangnet voor de handhaving. Bij overtreding van een zorgplichtbepaling kan direct gehandhaafd worden alswanneer er sprake is van een duidelijke overtreding.

Tweede lid: in dit lid is de specifieke zorgplicht concreter gemaakt voor een aantal activiteiten die onwenselijk zijn. Door deze activiteiten te specificeren kan gemakkelijker gehandhaafd worden.

CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.16 Verbod borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

Uitgangspunt is, dat elk bord of reclameobject, elk spandoek, elke vlag, elke informatiezuil en elk vergelijkbaar object, inclusief de constructies ten behoeve daarvan, in beginselprincipe een aantasting vormt van de landschappelijke waarde. In bepaalde situaties kan deze aantasting aanvaardbaar zijn en andere belangen dienen. De regels rondvoor de borden in het landschap, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten worden geregeld bijgesteld naar aanleiding van de maatschappelijke actualiteit. Dit heeft onder andere geleid tot een algemene versoepeling van de regelgeving omtrent borden en vlaggen bij bedrijven; de regels zijn algemener en er zijn mindermeer uitzonderingen dan voorheen. Daarbij blijft van belang dat het plaatsen of behouden van borden en vlaggen passenpast in het landschap als deze duidelijk te relateren zijn aan de bebouwing. Zo blijft de doelstelling gehandhaafd. DeDaarnaast is de maatvoering van de borden is eenduidiger en er is meer vrijheid voor de plaatsinghet plaatsen en behouden van borden. Per saldo betekent dit vereenvoudiging van de regelgeving. Zie voorIn Artikel 7.16a zijn de vrijstellingen van het verbod Artikel 7.16a opgenomen.

Ligt de planlocatie van het bord of vergelijkbaar object in het Beperkingengebied beheer provinciale weg? Dan kan het zijn dat er op basis van Artikel 4.29 een vergunningplicht geldt.



DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.16a Vrijstelling verbod borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

Uitgangspunt is, dat elk bord of reclameobject, inclusief de constructies ten behoeve daarvan, in beginsel een aantasting vormt van de landschappelijke waarde. In bepaalde situaties kan deze aantasting aanvaardbaar zijn en andere belangen dienen. De regels rond de borden in het landschap worden geregeld bijgesteld naar aanleiding van de maatschappelijke actualiteit. Dit heeft geleid tot een algemene versoepeling van de regelgeving omtrent borden en vlaggen bij bedrijven; de regels zijn algemener en er zijn minder uitzonderingen dan voorheen. Daarbij blijft van belang dat het plaatsen van borden en vlaggen passen in het landschap als deze duidelijk te relateren zijn aan de bebouwing. Zo blijft de doelstelling gehandhaafd. De maatvoering van de borden is eenduidiger en er is meer vrijheid voor de plaatsing van borden. Per saldo betekent dit vereenvoudiging van de regelgeving.

Ligt de planlocatie van het bord of vergelijkbaar object in het Beperkingengebied beheer provinciale weg? Dan kan het zijn dat er op basis van Artikel 4.29 een vergunningplicht geldt.

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.17 Wijze van meten activiteiten landschap Meetwijze borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten

In dit artikel is aangegeven hoe borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten uit Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objectenworden gemetengemeten worden. Zo gaat het bijvoorbeeld niet alleen om de borden ofen vlaggen zelf, maar ook om de draag-draaconstructie en steunconstructie ervan. Ook is aangegeven dat dubbelzijdige borden als 1 bord worden geziengezien worden. Dit betekent dat een bord van 2,5 m2 aan beide zijden gebruikt mag worden.

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.1 Instructieregel agrarisch bedrijf

Gehele artikel: dit artikel geldt voor agrarische bedrijven. Hieronder vallen de grondgebonden landbouw en de niet-grondgebonden landbouw. Onder grondgebonden landbouw vallen veehouderijen, akkerbouw en tuinbouw. Onder de niet-grondgebonden landbouw vallen intensieve veehouderijen, glastuinbouw en teelt van bijvoorbeeld champignons. De glastuinbouw is in aparte artikelen geregeld (zie de artikelen Glastuinbouw niet toegestaan en Concentratiegebied glastuinbouw).

Dit artikel bevat maximale oppervlaktematen. De bebouwing voor dieren bestaat uit 1 bouwlaag met bijbehorende reguliere bouwhoogten: een veestapel mag niet gestapeld worden. Maximale oppervlaktematen:

  • een agrarisch bouwperceel voor grondgebonden veehouderij is maximaal 1,5 hectare. Doorgroei naar 2,5 hectare is mogelijk onder voorwaarden die gericht zijn op verbetering van de omgevingskwaliteit;

  • een agrarisch bouwperceel voor niet-grondgebonden veehouderij is maximaal 1,5 hectare. Doorgroei naar 2,5 hectare is alleen in het 'Landbouwontwikkelingsgebied' mogelijk onder voorwaarden die gericht zijn op verbetering van de omgevingskwaliteit;

  • een agrarisch bouwperceel voor van akker- en tuinbouw en een agrarisch bouwperceel voor bedekte teelt (bijvoorbeeld champignons) is maximaal 1,5 hectare. Doorgroeimogelijkheden zijn er niet;

  • een agrarisch bouwperceel voor niet-grondgebonden veehouderij in het ‘Landbouwstabiliseringsgebied’ heeft geen uitbreidingsmogelijkheden;

  • een agrarisch bouwperceel voor glastuinbouw is maximaal 2 hectare buiten de glastuinbouwconcentratie­gebieden. Dit is in aparte artikelen geregeld.

Eerste lid, sub a: het beleid en de regels van de provincie verzetten zich in principe tegen nieuwvestiging van agrarische bedrijven. Is het voor het uitvoeren van internationale verplichtingen nodig om een bedrijf te verplaatsen en is geen geschikt vrijkomend agrarisch bouwperceel beschikbaar, dan is de provincie bereidt aan nieuwvestiging mee te werken. Maar alleen als wordt voldaan aan de noodzakelijke vereisten voor landschappelijke inpassing en als de gewenste locatie niet in strijd is met de overige regels in de verordening.

Nieuwvestiging is ook mogelijk op een voormalig agrarische bouwperceel dat in de tussentijd een stedelijke functie heeft gehad. Deze mogelijkheid is voorbehouden aan een agrarische bedrijf waarvan het bedrijfsmodel nadrukkelijk en volledig is gericht op kringlooplandbouw of natuurinclusieve landbouw of soortgelijke duurzame bedrijfsmodellen en past onder het type gemeenschapslandbouw uit de Toekomst landbouw en voedsel Provincie Utrecht 2050.

Om kansrijke kleinschalige initiatieven passend bij de landbouwtransitie-opgave te kunnen faciliteren en zich op een passende locatie te laten vestigen, wordt een uitzondering gemaakt op het nieuwvestigingsverbod.

In artikel 3.200, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is vastgelegd dat het houden van rundvee, varkens, kippen en overige landbouwhuisdieren met de aldaar genoemde maximumaantallen, voor de toepassing van de Omgevingswet niet wordt beschouwd als een ‘milieubelastende activiteit’ in de zin van die wet. De wetgever gaat er dus vanuit dat het houden van de landbouwhuisdieren in die aantallen als zodanig in beginsel geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt. De opsomming in artikel 3.200, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is cumulatief bedoeld: het houden van 10 koeien + 15 varkens + 350 kippen + 25 overige landbouwhuisdieren wordt niet als een milieubelastende activiteit wordt aangemerkt. Wanneer voor één of meerdere categorieën van diersoorten deze maximumaantallen wordt overschreden, dan valt het initiatief voor de toepassing van de Omgevingsverordening niét meer onder de uitzondering.

Het feit dat een bijzonder duurzaam agrarisch bedrijf qua aantal en categorie dieren voldoet aan het bepaalde in artikel 3.200, tweede lid, van het Bal en daarmee dus als niet milieubelastend wordt gekwalificeerd, betekent overigens niet dat een dergelijk initiatief dus overal is toegestaan.



Eerste lid, sub b: bij omschakeling kan het gaan om gehele of gedeeltelijke omschakeling van een grondgebonden vorm van landbouw naar een niet grondgebonden vorm van veehouderij. Bijvoorbeeld de omschakeling van grondgebonden melkveehouderij naar varkens-varkenshouderij of kippenhouderij. Maar ook een intensivering (meer veedieren) op een grondgebonden melkveebedrijf is een vorm van omschakeling als niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde dat het ruwvoer (nagenoeg) geheel afkomstig is van structureel bij het bedrijf behorende gronden.

Eerste lid, sub c: een verbod op gehele of gedeeltelijke omschakeling naar sierteelt inclusief bollenteelt en uitbreiding van het areaal sierteelt, inclusief bollenteelt, is in de Omgevingsverordening opgenomen, omdat bij deze teelten relatief veel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze middelen en residuen ervan kunnen negatieve impact op de omgeving hebben. Uit voorzorg wordt een verbod opgenomen voor omschakeling naar sierteelt. Onder sierteelt wordt verstaan:

1. Bloembollen- en knollen

  • Dahlia, gladiolen, hyacinten, irissen, krokussen, lelies, narcissen, tulpen, zantedeschia, overige bol- en knolgewassen met o.a. knolbegonia, fritillaria imperialis, acidanthera, anemone coronaria

2. Bloemkwekerijgewassen

  • Snijbloemen met o.a. pioenroos, gladiool, lelie, tulp, chrysant, dahlia, hyacint, narcis

  • Bloemzaden

  • Overige bloemkwekerijgewassen met o.a. droogbloemen en snijgroen

3. Boomkwekerijgewassen en vaste planten

  • Bos- en haagplantsoen met o.a. beuk, haagbeuk, wilg, eik, es, veldesdoorn en els, struiksoorten als de hazelaar, vlier en vogelkers, naaldhoutsoorten zoals larix, den, fijnspar

  • Buxus

  • Laan- en parkbomen met o.a. kastanje, els, berk, meidoorn, populier, Japanse sierkers

  • Rozenstruiken (incl. zaailingen en onderstammen)

  • Siercorniferen met o.a. cypres, ceder, jeneverbes

  • Sierheesters en klimplanten met o.a. rododendrons, azalea’s, klimop, wilde wingerd

  • Trek en besheester

  • Vruchtbomen

  • Vaste planten met o.a. monnikskap, anemoon, siergrassen, bamboe, varens

Uitbreiding van sierteelt is niet verboden als de teelt hiervan zonder chemisch-synthetische middelen plaatsvindt. Dat is het geval bij een bedrijf met een certificaat van Skal Biocontrole, Demeter, EKO (planten) of MPSGreenerGrown (***). Bloemenverenigingen, zoals een dhaliavereniging of pluktuinen bij een lokaal voedselinitiatief, die geen chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruiken, hebben geen certificaat nodig.

Tweede lid: de maximale oppervlaktemaat bedraagt 1,5 hectare. Dit betekent niet dat elk oppervlaktemaat ook 1,5 hectare moet zijn: kleinere bouwvlakken zijn ook zeer zeker mogelijk.

Derde lid: de uitbreiding boven de 1,5 hectare tot maximaal 2,5 hectare wordt alleen onder voorwaarden toegestaan. Bij de ontwikkeling van bebouwing in het landelijk gebied is ruimtelijke samenhang nodig met de bestaande bebouwing én met structurerende elementen in het landschap. Voor een landschappelijke inpassing kan gebruik worden gemaakt van de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen, net als voor het omgaan met de kernkwaliteiten van de landschappen. Dit is een goede inspiratiebron voor inpassing in de verschillende landschappen in onze provincie. Zie ook: Kwaliteitsgids. Onder landschappelijke inpassing valt ook de biodiversiteit door gebruik te maken van gebiedseigen beplanting. Als het gaat om de voorwaarden onder b, c, en d: maatgevend is een verbetering van de bestaande wettelijke normen, op zo’n manier dat de uitbreiding een duidelijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van een mens-, dier- en milieuvriendelijke landbouw. Mogelijkheden om hier invulling aan te geven zijn onder andere:

a. het voldoen aan de Maatlat Duurzame Veehouderij van de Stichting Milieukeur;

b. de vergroting van de beschikbare ruimte per gehouden dier, oftewel grotere ruimtebehoefte bij gelijkblijvende veebezetting en het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming;

c. het verkleinen van hindercontouren via het sterk verminderen van afvalstromen, ammoniakuitstoot, fijnstof­uitstoot en geurhinder en de inzet van Beste Beschikbare Technieken (Plus);

d. het aantoonbaar verminderen of verkleinen van gezondheidsrisico’s van werknemers, omwonenden, omgeving en bezoekers van het bedrijf.

Vierde lid: in het hele landelijk gebied zijn niet-agrarische nevenactiviteiten mogelijk. Deze nevenactiviteiten vallen niet onder de definitie van “verstedelijking” (zie Artikel 1.1). Denk bij neven­activiteiten aan zorglandbouw, recreatie kinderopvang, boerderijeducatie, agrarische natuur- en landschapsbeheer en de productie en verkoop van streekproducten. Voor deze activiteiten moet ruimte worden gevonden binnen het bestaande bouwvlak. Nevenactiviteiten moeten ruimtelijk ondergeschikt blijven aan de agrarische activiteiten. Voorkomen moet worden dat de nevenactiviteit hoofdactiviteit wordt, zonder dat voldaan wordt aan de sloopverplichting die van toepassing is bij de bedrijfsvestiging na beëindiging van de agrarische activiteiten. Dit is alleen anders als de nevenfunctie uitdrukkelijk bijdraagt aan de dagrecreatiemogelijkheden voor bestaande woongebieden of woongebieden die nog in de nabije omgeving worden gerealiseerd. Op grond van Artikel 1.7 kan een ontheffing worden aangevraagd voor een gebiedsproces voor een deel van het Landelijk gebied. De experimenteerruimte die Artikel 1.7 biedt kan helpen bij de transities voor onder meer landbouw.

  • a.

    het voldoen aan de Maatlat Duurzame Veehouderij van de Stichting Milieukeur;

  • b.

    de vergroting van de beschikbare ruimte per gehouden dier, oftewel grotere ruimtebehoefte bij gelijkblijvende veebezetting en het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming;

  • c.

    het verkleinen van hindercontouren via het sterk verminderen van afvalstromen, ammoniakuitstoot, fijnstof­uitstoot en geurhinder en de inzet van Beste Beschikbare Technieken (Plus);

  • d.

    het aantoonbaar verminderen of verkleinen van gezondheidsrisico’s van werknemers, omwonenden, omgeving en bezoekers van het bedrijf.

  • e.

    onder groenblauwe dooradering (GBDA) wordt verstaan de ‘kleine’ natuurelementen die het landschap in belangrijke mate vormgeven, met als bovengrens een omvang van maximaal 1,5 hectare. Om die reden wordt vaak gesproken van kleine landschapselementen (KLE). Deze kunnen als punten, lijnen of vlakken aanwezig zijn. Naast houtige elementen – zoals singels, bomenrijen, houtwallen, heggen, hagen, knotbomen, graften, griendjes en hoogstam-boomgaarden – gaat het om elementen met een begroeiing van kruiden en ruigten en natte elementen, zoals slootkanten, natuurvriendelijke oevers en poelen. Ecologisch beheerde sloten kunnen ook tot landschapselementen gerekend worden, evenals elementen als keverbanken of kruidenrijke akkerranden. Een verbetering van de GBDA kan gerealiseerd worden via een uitbreiding van de GBDA of een kwaliteitsimpuls van de bestaande GBDA:

  • uitbreiding: vergroting van het areaal GBDA. Denk aan de aanleg van extra landschapselementen;

  • kwaliteitsimpuls: in het kort gaat een kwaliteitsimpuls over het verbeteren van de functie van het element voor de biodiversiteit, waterkwaliteit en het landschap (zonder per se het element uit te breiden). Hoe dat kan verschilt per element. Je kan denken aan het verbeteren van het (ecologisch) beheer van al bestaande GBDA en GBDA waarvan het onderhoud achterstallig is. Verder kan je denken aan het herstellen van onvolledige landschapselementen (bijvoorbeeld het herstellen van een knotbomenrij, waarvan bijvoorbeeld 5 van de oorspronkelijke 20 bomen verdwenen zijn);

  • combineren van uitbreiding en kwaliteitsimpuls kan ook. Bijvoorbeeld door het aanleggen van een bosje in de buurt van een amfibieënpoel. Daarmee leg je een nieuw element aan (een bosje) en verbeter je de ecologische functie van de poel. Amfibieën verblijven namelijk in de zomer in de poel en de wintermaanden in houtige elementen, zoals bosjes.

Vijfde Vierde lid: een beeldkwaliteitsparagraaf bevat in ieder geval een analyse van de bestaande kwaliteiten, een onderbouwing van hoe de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan die kwaliteiten en op welke wijze dit in de regels van het omgevingsplan is verankerd.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

Na sectie 8.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 8.1a Instructieregel Nevenfuncties agrarisch bedrijf

Gehele artikel: met dit artikel worden multifunctionele erven in het landelijk gebied mogelijk gemaakt. In plaats van een onderverdeling in hoofd- en nevenactiviteiten, mogen verschillende gelijkwaardige activiteiten plaatsvinden op één erf. Dit wordt ook wel de "Brede Plattelandsbestemming” genoemd. Daardoor kunnen naast de agrarische functie ook andere functies samenkomen op 1 locatie. Dit kunnen functies zijn die multifunctioneel gebruik van de kwaliteiten van het landelijk gebied kunnen ondersteunen, zoals zorglandbouw, kinderopvang en verkoop van streekproducten. Maar ook andere functies zoals recreatie, maatschappelijk (zorg), detailhandel, kantoren. Gemeenten kunnen ook meer stedelijke functies zoals een vergaderlocatie of ambachtelijk bedrijf toestaan, mits de schaal nog passend is in het gebied en het effect op het verkeersnet niet aanzienlijk. Grootschalige bedrijfsfuncties worden niet passend geacht in het landelijk gebied, daarvoor zijn bedrijventerreinen bedoeld.

Het artikel biedt de agrariër de mogelijkheid om niet afhankelijk te zijn van slechts één inkomstenbron. Daarnaast kan met de niet-agrarische activiteiten meer verbinding worden geboden tussen de agrariër en burgers die het erf bezoeken. Het multifunctionele erf biedt een ander, extra verdienmodel dat kan bijdragen aan een vitaal, levendig, toekomstbestendig landelijk gebied.

Eerste lid, sub a: belangrijkste randvoorwaarde is dat de ruimere mogelijkheden voor een multifunctioneel erf alleen mogen worden benut op locaties waar de agrarische functie ook nog daadwerkelijk wordt uitgeoefend. De “ondergrens” voor de agrarische functie is de uitoefening van vergunning- of meldingsplichtige agrarische activiteiten. Als de agrarische functie op de locatie niet langer wordt uitgeoefend is een omgevingsplanwijziging gericht op de overblijvende functie nodig, conform de hiervoor geldende randvoorwaarden (conform instructieregels, zoals opgenomen in Artikel 9.11 en Artikel 9.12), waaronder de sloopverplichting.

Eerste lid, sub b: om onwenselijke potentieel negatieve effecten voor de omgeving en de kernen bij het faciliteren van meer ruimte voor andere functies in het landelijk gebied zoveel mogelijk te voorkomen, geldt een aantal randvoorwaarden, zowel kwalitatief als kwantitatief. Zo moeten de toe te stane stedelijke functies, naar aard en omvang passen binnen de ruimtelijke en landschappelijke gebiedskenmerken. Zie voor een uitgebreidere toelichting hierop de toelichting bij Artikel 9.11. De omvang en verschijningsvorm van het nieuwe erf moet passen binnen het omringende landschap en aansluiten bij de bestaande bebouwing. Er moet sprake zijn van een ruimtelijke samenhang met de bestaande bebouwing én met structurerende elementen in het landschap. Dit is opgenomen in de motivering van een plan.

Om de kleinschaligheid te borgen geldt voor de toegestane functies in beginsel een maximale toegestane oppervlakte van 500 m2. Conform het provinciaal detailhandelsbeleid wordt detailhandel slechts zeer beperkt toegestaan. Hiervoor geldt dan ook een beperkter maximum van 100 m2, om de vitaliteit van de kernen en het winkelbestand daar te beschermen. Voor statische opslag geldt een wat ruimere oppervlakte, maximaal 1.000 m2. Dergelijke opslag hoort in beginsel op een bedrijventerrein, maar de ruimte is daar schaars. Voor bepaalde typen statische opslag zijn voormalige agrarische bedrijfsgebouwen wel geschikt en zijn er geen goede economisch haalbare alternatieven. Zolang de ruimtelijke kwaliteit er niet onder leidt, wordt statische opslag toegestaan, waaronder stalling van caravans en opslag van haardvuurhout. Opslag ter ondersteuning van circulaire economie is ook mogelijk. Onder statische opslag vallen binnenopslag van goederen die niet regelmatig hoeven te worden verplaatst, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf. Aan deze voorwaarden voldoet in ieder geval seizoensstalling van antieke auto's, boten, caravans campers en dergelijke.

Indien sprake is van situering in een kernrandzone, bebouwingsenclave of bebouwingslint kan de toegestane gezamenlijke oppervlakte aan niet-agrarische functies worden verruimd tot 750 m2, en voor statische opslag tot 1500 m2.

Eerste lid, sub c tot en met e: daarnaast gelden de algemene randvoorwaarden dat:

  • de activiteiten plaats moeten vinden binnen het bestaande bouwvlak; aanvullend wordt gestreefd naar zorgvuldig ruimtegebruik, zodat de bebouwing compact (en dus niet verspreid over) het bouwperceel wordt gesitueerd;

  • erfinrichting en bedrijfsbebouwing landschappelijk goed inpasbaar zijn; en

  • omliggende agrarische bedrijven niet mogen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Tweede lid: de generiek toegestane gezamenlijke oppervlakte aan niet-agrarische functies, zoals beschreven in het eerste lid, kan met 500 m2 extra worden verruimd als sprake is van een aantoonbare versterking van de omgevingskwaliteit, behalve voor detailhandel. De toegestane omvang van kantoorfuncties wordt geregeld in Artikel 9.19, zesde lid. De vereiste versterking van de omgevingskwaliteit kan onder meer betreffen de sloop van bebouwing (voor zover niet cultuurhistorisch waardevol) en die niet meer wordt gebruikt voor het agrarisch bedrijf of de stedelijke functies. Het uitgangspunt is, dat er niet meer bebouwing blijft staan dan voor de functies nodig is. Vervanging van bestaande bebouwing is mogelijk. Voor versterking van de omgevingskwaliteit kan echter ook worden gedacht aan:

  • herstel van landschapselementen, doorzichten en landschapsstructuren,

  • realisering van extra natuur binnen de Groene contour;

  • oplossingen voor aanvullende wateropgave en/of herstel van waterlopen;

  • restauratie van cultuurhistorische waardevolle bebouwing;

  • realisering van wandel- en recreatiemogelijkheden.

Derde lid: tenslotte moet de motivering een beeldkwaliteitsparagraaf bevatten met een analyse van de bestaande kwaliteiten, een onderbouwing van hoe de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan die kwaliteiten en op welke wijze dit in de regels van het omgevingsplan is verankerd. De reikwijdte van de onderbouwing is afhankelijk van de omvang en aard van de ontwikkeling en omvang en kwaliteiten van het gebied waar deze plaatsvinden.

Van gemeenten wordt verwacht dat zij projecten en initiatieven stimuleren en faciliteren op daarvoor geschikte locaties. Hierbij kan het opstellen van een Vrijkomende agrarisch bedrijf-visie of soortgelijk document een gepast hulpmiddel zijn, ook voor situaties als deze, waarbij meestal sprake is van gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging. Dit betreft een ruimtelijke uitwerking van de mogelijkheden en beperkingen voor stedelijke functies op een erf in deelgebieden van het buitengebied om te bepalen welke functies in welke gebieden juist wel of (liever) niet gewenst zijn en onder welke voorwaarden. Op basis van de visie kunnen ondernemers zelf globaal de ontwikkel(on)mogelijkheden voor een erf inschatten. Daarnaast kan de gemeente de beoordeling van initiatieven en wijzigingen van het omgevingsplan onderbouwen met de visie.

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.2 Instructieregel landbouwontwikkelingsgebied

Eerste lid: Uitbreidingen boven de 1,5 hectare tot maximaal 2,5 hectare worden alleen onder voorwaarden toegestaan. Bij de ontwikkeling van bebouwing in het landelijk gebied is ruimtelijke samenhang nodig met de bestaande bebouwing én met structurerende elementen in het landschap. Voor een landschappelijke inpassing kan gebruik worden gemaakt van de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen, net als voor het omgaan met de kernkwaliteiten van de landschappen. Dit is een goede inspiratiebron voor inpassing in de verschillende landschappen in onze provincie. Zie ook: Kwaliteitsgids. Onder landschappelijke inpassing valt ook de biodiversiteit door gebruik te maken van gebiedseigen beplanting. Als het gaat om de voorwaarden onder b, c, en d: maatgevend is een verbetering van de bestaande wettelijke normen, op zo’n manier dat de uitbreiding een duidelijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van een mens-, dier- en milieuvriendelijke landbouw.

Mogelijkheden om hier invulling aan te geven zijn onder andere:

  • het voldoen aan de Maatlat Duurzame Veehouderij van de Stichting Milieukeur;

  • de vergroting van de beschikbare ruimte per gehouden dier, oftewel grotere ruimtebehoefte bij gelijkblijvende veebezetting en het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming;

  • het verkleinen van hindercontouren via het sterk verminderen van afvalstromen, ammoniakuitstoot, fijnstof­uitstoot en geurhinder en de inzet van Beste Beschikbare Technieken (Plus);

  • het aantoonbaar verminderen of verkleinen van gezondheidsrisico’s van werknemers, omwonenden, omgeving en bezoekers van het bedrijf.

Tweede lid: Voor bestaande niet-grondgebonden veehouderijbedrijven in het landbouwstabiliseringsgebied geldt een "stand still": er zijn geen doorgroeimogelijkheden. Peildatum is de dag van publicatie van (het ontwerp) van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (Herijking 2016).

Eerste lid, onder e: onder groenblauwe dooradering (GBDA) wordt verstaan de ‘kleine’ natuurelementen die het landschap in belangrijke mate vormgeven, met als bovengrens een omvang van maximaal 1,5 hectare. Om die reden wordt vaak gesproken van kleine landschapselementen (KLE). Deze kunnen als punten, lijnen of vlakken aanwezig zijn. Naast houtige elementen – zoals singels, bomenrijen, houtwallen, heggen, hagen, knotbomen, graften, griendjes en hoogstam-boomgaarden – gaat het om elementen met een begroeiing van kruiden en ruigten en natte elementen, zoals slootkanten, natuurvriendelijke oevers en poelen. Ecologisch beheerde sloten kunnen ook tot landschapselementen gerekend worden, evenals elementen als keverbanken of kruidenrijke akkerranden. Een verbetering van de GBDA kan gerealiseerd worden via een uitbreiding van de GBDA of een kwaliteitsimpuls van de bestaande GBDA.

Derde Tweede lid: Een een beeldkwaliteitsparagraaf bevat in ieder geval een analyse van de bestaande kwaliteiten, een onderbouwing op welke wijze de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan die kwaliteiten en op welke wijze dit in de regels van het omgevingsplan is verankerd.

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.4 Instructieregel geitenhouderij

Gehele artikel: Gelet op de betekenis van het voorzorgsbeginsel (“het zekere voor het onzekere nemen”), dat gebaseerd is op artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in samenhang met de provinciale zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (voorheen een goede ruimtelijke ordening) en de daarmee verbonden bevordering van de kwaliteit van de leefomgeving, waarvan ook gezondheidsaspecten deel uitmaken, is het in 2018 noodzakelijk geacht om met de huidige kennis van zaken over de gezondheidseffecten van geitenhouderijen op de leefomgeving, een ‘geitenstop’ in te voeren: de Verklaring voorbereiding provinciale ruimtelijke verordening inzake vestiging, uitbreiding of omschakeling geitenhouderijen. Deze Verklaring is bekendgemaakt in het Provinciaal Blad 2018, nr. 5193 en in de Staatscourant 2018-39298. De ‘geitenstop’ zal een positieve bijdrage leveren aan de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Dat was in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Dat belang was in dit geval zodanig groot dat de ‘geitenstop’ op hetzelfde tijdstip provinciebreed is ingevoerd (2018). Dit artikel continueert de zogenoemde voorbereidingsbescherming van de ‘geitenstop’. Het verbod met rechtstreekse werking uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening is omgezet naar een instructieregel. Wanneer duidelijkheid komt over gezondheidseffectenIn 2025 hebben onderzoeksresultaten van het RIVM wederom aangetoond dat er een verhoogde kans op longontsteking is voor omwonenden in een cirkel van 2 kilometer rondom geitenhouderijen op. De "geitenstop" wordt daarom gecontinueerd. Op dit onderwerp worden de leefomgeving (waarschijnlijklandelijke ontwikkelingen gevolgd. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat het om het belang van het bereiken en in loopstand houden van 2024), wordt bezien ofeen veilige en op welke wijzegezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.Dit artikel heeft betrekking op de “geitenstop” wordt opgehevengehele provincie Utrecht.

Na inwerkingtreding van de wet gaat het om het belang van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

Dit artikel heeft betrekking op de gehele provincie Utrecht.

Eerste lid: Bij de vormgeving van dit artikel is vanwege de beoogde harmonisatie aangesloten bij de Gelderse regeling. Dit is wenselijk, omdat voor het gebied Utrechts/Gelderse Vallei een zelfde regeling ontstaat. Dit gebied ligt namelijk in 2 provincies.

Tweede lid: In dit lid worden uitzonderingen gemaakt op het verbod uit het eerste lid. Beoogd is bevriezing van de bestaande legale situatie op een bedrijf per 11 juli 2018. Hierbij kan de feitelijke situatie afwijken van de op dat tijdstip vergunde of gemelde situatie. Dat is het geval wanneer op die datum nog geen uitvoering was gegeven aan de vergunde of gemelde uitbreiding. Door de eerbiedigende werking van dit artikel kunnen deze uitbreidingen gewoon plaatsvinden.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.7 Instructieregel beperken bodembewerking

Het gaat hier om een regeling voor agrarische bodembewerkingen (onder meer scheuren en ploegen). Deze bodembewerkingen zijn niet toegestaan doordat de bodemdaling hierdoor versnelt.

Bodembewerkingen die worden uitgevoerd ten behoeve van graslandvernieuwing of aanleg van een andere blijvende teelt zijn wel toegestaan, vanwege het beperktere effect op de bodemdaling (in vergelijking met bijvoorbeeld maïsteelt), het minder frequent voorkomen en het grote belang dat dit kan hebben voor de bedrijfsvoering op een grondgebonden veehouderijbedrijf zoals veel voorkomt in de veengebieden.

Ook zonder dat dit expliciet benoemd staat, is binnen het gebied van artikel Artikel 8.7 8.7 begreppelen wel toegestaan.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

Na sectie 8.7 worden veertien secties ingevoegd, luidende:

Afdeling 8.3 Stikstofemissie

In de drie paragrafen in deze afdeling worden maatregelen tegen de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden juridisch geborgd bij:

  • a.

    het uitrijden van mest in en om Natura-2000 gebieden;

  • b.

    de melkveehouderij; en

  • c.

    de intensieve veehouderij.

De stikstofdepositie op de in de provincie Utrecht gelegen voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden moet ingrijpend en duurzaam worden teruggebracht. Dit blijkt uit de natuurdoelanalyses van elk van deze Natura 2000-gebieden uit 2023 en de adviezen daarover van de Ecologische Autoriteit. De stikstofemissies van de landbouw moeten in de provincie Utrecht met ten minste 46% dalen, om de noodzakelijke depositiedaling te bereiken in de Natura 2000-gebieden in de provincie Utrecht en de nabijgelegen Natura 2000-gebieden in onze buurprovincies. Bij het provinciebestuur berust de taak te zorgen voor maatregelen voor Natura 2000-gebieden (artikel 2.18, lid 1, onder g van de Omgevingswet). Met algemene regels in de Omgevingsverordening kan de emissie van de landbouw worden teruggebracht tot een niveau, waarmee met gebiedsgerichte maatregelen zoals natuurvergunningen voor het verplaatsen, beëindigen of omschakelen van veehouderijen de voor elk gebied noodzakelijke depositiereductie kan worden bereikt. Deze maatregelen en de hydrologische maatregelen, maatregelen om de habitats te verbinden en te vergroten tot een robuuste omvang en het flankerend beleid om de landbouw een toekomstperspectief te geven zijn opgenomen in een ontwerp programma van gedeputeerde staten: het Utrechtse Programma Landelijk Gebied (UPLG). Met deze drie maatregelen in de Omgevingsverordening is gewaarborgd dat de landbouw in en om Natura 2000, de melkveehouderij en de intensieve veehouderij elk een evenredige bijdrage leveren aan de reductie van de stikstofdepositie, zodat de natuurwaarden worden behouden of de verbeter- en hersteldoelen worden gerealiseerd.

De bevoegdheid voor het nemen van de mestmaatregelen en de maatregelen bij de melkveehouderij hebben provinciale staten op grond van artikel 11.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van dit artikel mogen als zorgplicht beschermings- en herstelmaatregelen worden opgelegd met het oog op artikel 6, eerste en tweede lid van de Habitatrichtlijn. Dit oogmerk is een andere dan het doel van de meststoffenwetgeving. Immers, de gebruiksnormen voor het op en in de bodem brengen van mest in de meststoffenwetgeving en paragraaf 4.116 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn een omzetting van de Nitraatrichtlijn voor de bescherming van de bodem en de waterkwaliteit. Met strengere mestmaatregelen voor de Natura 2000-gebieden doorkruizen provinciale staten dus niet de bevoegdheden van de minister van Landbouw, Visserrij, Voedselzekerheid en Natuur voor het beschermen van de bodem en waterkwaliteit met de meststoffenregelgeving. De grondslag voor de maatregelregels voor de intensieve veehouderij is artikel 2.12 in samenhang gelezen met de artikel 11.3 en artikel 11.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

In de toelichting op de afzonderlijke paragrafen worden de drie maatregelen toegelicht.

Paragraaf 8.3.1 In en om Natura 2000-gebieden

Binnen habitatrichtlijngebieden in de negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden mag geen mest meer worden uitgereden behalve voor natuurdoelen, en in een straal van 250 meter om de meest overbelaste habitatrichtlijngebieden in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden mogen alleen dierlijke meststoffen worden uitgereden tot maximaal 100 kilogram stikstof per hectare per jaar. De reden is dat emissiereductie in een habitatgebied twee en een half keer doeltreffender is voor het terugdringen van de stikstofdepositie dan reducties op meer dan een kilometer afstand, zo blijkt uit onderzoek van de Wageningen University & Research. Reducties op een afstand tot 250 meter zijn meer dan twee keer doeltreffender. De beperkingen aan het bemesten in en om stikstofgevoelige (delen van) Natura 2000-gebieden gaan in per 1 januari 2027, omdat de Ecologische Autoriteit in haar adviezen naar aanleiding van de natuurdoelanalyses heeft aangedrongen op snel ingrijpen. Bovendien zijn de Natura 2000-gebieden en delen van de desbetreffende omliggende 250 meter zone voor een belangrijk deel al aangewezen als onderdelen van het in 2028 op te leveren Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het flankerende maatregelenprogramma voorziet in hydrologische maatregelen, maatregelen om de habitats te verbinden en te vergroten tot een robuuste omvang, waarvoor een belangrijk aantal landbouwpercelen in Natura 2000-gebieden of op 250 meter afstand binnen afzienbare tijd zal worden verworven om te worden heringericht tot natuur. Met het flankerend programma krijgen de getroffen veehouderijen de kans een nieuwe toekomst op te bouwen door om te schakelen, te extensiveren, te verplaatsen dan wel de mogelijkheid bedrijfsactiviteiten te beëindigen.

Bemestingsplan

De landbouwer toetst met behulp van diens bemestingsplan of diens activiteiten voldoen aan deze bemestingsregels. Alle grondgebonden veehouders moeten al met een bemestingsplan voor zichzelf controleren of zij voldoen aan de gebruiksnormen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving en de Meststoffenwetgeving (de normen aan het maximale gebruik van meststoffen op landbouwgrond) bij het bemesten op grond van de artikel 27 en artikel 39 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Omdat de bewoordingen en begrippen in deze paragraaf van de verordening zoveel mogelijk zijn overgenomen uit het Besluit activiteiten leefomgeving en de Meststoffenwetgeving, kan een landbouwer met hetzelfde bemestingsplan nagaan of voldaan wordt aan de regels voor de naleving van Nitraatrichtlijn in de meststoffenwetgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving en deze regels in de Omgevingsverordening.

Artikel 8.8 Bemesting in Stikstofexclusiegebied

Binnen de habitatrichtlijngebieden in negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de provincie Utrecht mag geen mest meer worden uitgereden. Sommige dieren zoals insecten en weidevogels kunnen echter baat hebben bij ruwe stalmest. Daarom zijn twee uitzonderingen op het bemestingsverbod gemaakt voor agrarisch natuurbeheer. Het bemestingsverbod geldt niet voor zover in een subsidiebeschikking of in een privaatrechtelijke overeenkomst over agrarisch natuurbeheer al voorwaarden zijn gesteld aan de bemesting.

Het betreft de volgende Natura 2000-gebieden:

  • a.

    Binnenveld

  • b.

    Botshol

  • c.

    Kolland & Overlangbroek

  • d.

    Lingegebied & Diefdijk Zuid

  • e.

    Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

  • f.

    Oostelijke Vechtplassen

  • g.

    Rijntakken

  • h.

    Uiterwaarden Lek

  • i.

    Zouweboezem

Artikel 8.9 Bemesting in Stikstofreductiezone

Binnen een straal van 250 meter om de habitatrichtlijngebieden van de 6 meest met stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden mag slechts dierlijke mest worden opgebracht tot een maximum van 100 kilogram stikstof per hectare per jaar. Kunstmest en RENURE mogen niet worden ingezet in deze zone. RENURE heeft, door de bewerking van de dierlijke mest, een vergelijkbaar effect als kunstmest op de hoeveelheid insecten in de bodem en het grasland. Deze insecten zijn van belang als voedsel voor een verscheidenheid aan vogels, amfibieën, reptielen en kleine zoogdieren in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Een mestgift van maximaal 100 kilogram stikstof per hectare per jaar maakt grasland met kruiden mogelijk, zodat de insecten, weidevogels en andere soorten zich kunnen herstellen. Met een aanvraag voor maatwerkvoorschriften of een natuurvergunning kan een uitzondering worden aangevraagd bij Gedeputeerde Staten, wanneer kan worden aangetoond dat met andere voorschriften de voor dit Natura 2000-gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen ook worden gehaald.

Het betreft de habitatrichtlijngebieden in de volgende Natura 2000-gebieden:

  • a.

    Binnenveld

  • b.

    Botshol

  • c.

    Lingegebied & Diefdijk Zuid

  • d.

    Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

  • e.

    Oostelijke Vechtplassen

  • f.

    Zouweboezem

Omdat tussen 2 tegenover elkaar gelegen habitatrichtlijngebieden in Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen kleine restgebieden buiten de Stikstofreductiezone van 250 meter zouden vallen, is om onduidelijkheid te voorkomen besloten deze kleine restgebieden ook aan te wijzen als Stikstofreductiezone.

Paragraaf 8.3.2 Melkveehouderij

Melkveehouderijen krijgen tot 2035 de tijd aan een emissiegrenswaarde van 40 kilogram ammoniak per hectare per jaar te voldoen. Uit praktijkproeven blijken de reguliere melkveehouderijen deze eis te kunnen halen door de hoeveelheid ruweiwit in het voer te verminderen en hun vee meer te weiden. Voor een belangrijke groep reguliere melkveehouderijen is deze norm echter enkel haalbaar door met ruilverkaveling de grond van stoppende veehouders te herverdelen. Omdat ruilverkavelingen langjarige projecten zijn, gaat de hectarenorm in 2035 in. De norm van 40 kilogram ammoniak per hectare per jaar wordt versoepeld of zelfs geschrapt, wanneer uit ammoniakemissiemonitoring door de melkveehouderij in de komende jaren blijkt dat de sector zelf voldoende vooruitgang heeft geboekt met de naleving van de zorgplicht voor activiteiten die de natuur betreffen (artikel 11.6 Besluit activiteiten leefomgeving) om in 2035 de ammoniakemissie sectorbreed met 46% te verlagen.

De emissiegrenswaarde

De emissiegrenswaarde is uitgedrukt in de bedrijfsspecifieke emissie van ammoniak zoals deze wordt berekend met de KringloopWijzer van Wageningen University & Research. De KringloopWijzer is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek bij een reeks praktijkbedrijven vanaf 2013 en wordt jaarlijks verder verbeterd met de inzichten uit het wetenschappelijke onderzoek van het afgelopen jaar. De bedrijfsspecifieke emissie van ammoniak is de optelsom van de berekende ammoniakemissies uit de stal, de mestopslag, het uitrijden van mest, het beweiden van vee en het oogsten van veevoergewassen. De KringloopWijzer is de meest volledige en wetenschappelijk bewezen bedrijfsspecifieke berekening van de ammoniakemissie van een individuele veehouder.

Monitoring

Melkveehouders, met uitzondering van biologische melkveehouders, gebruiken de KringloopWijzer al voor verplichte kwaliteitsrapportages aan hun zuivelafnemer, dus voor het merendeel van de melkveehouders is de berekening van hun ammoniakemissie met de KringloopWijzer geen nieuwe administratieve last. Uit praktijkproeven bleek het invullen van de KringloopWijzer voor biologische bedrijven ook geen grote opgave, omdat veel gegevens door bestandkoppeling worden opgehaald bij onder andere de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Door bestandkoppeling worden gegevens aangeleverd voor de berekeningen met de KringloopWijzer door bedrijven of instellingen, die zelf belang hebben bij de nauwkeurigheid van deze gegevens.

Artikel 8.10 Emissiegrenswaarde melkveehouderij

Eerste lid: op grond van het eerste lid krijgen melkveehouders tot 2035 de tijd om hun ammoniakemissie van gemiddeld 56 (cijfers 2023) kilogram per hectare per jaar terug te dringen tot een voortschrijdend gemiddelde over drie jaar van 40 kilogram ammoniak per hectare per jaar. Dit voortschrijdend gemiddelde wordt berekend door van de afgelopen drie jaar de gemiddelde ammoniakemissie per hectare te berekenen, zodat pieken en dalen in de ammoniakemissie door oorzaken buiten de macht van de melkveehouder - zoals weersomstandigheden - worden uitgemiddeld. Wanneer de eis in 2035 ingaat, moet het voortschrijdend gemiddelde worden berekend van de jaren 2033, 2034 en 2035.

Tweede lid: op grond van het tweede lid hebben gedeputeerde staten de mogelijkheid met een natuurvergunning af te wijken van de eis van 40 kilogram per hectare per jaar, wanneer uit de passende beoordeling bij bijvoorbeeld een maatregelenprogramma of een inrichtingsprogramma voor een bepaald gebied blijkt dat door het verplaatsen van veehouderijen, het omschakelen naar biologische veehouderij of agrarisch natuurbeheer de instandhoudingsdoelstelling van de betreffende Natura 2000-gebieden al worden gehaald. Wanneer samenwerkende veehouders in delen van de provincie Utrecht harde, rechtens afdwingbare, afspraken kunnen maken die in een gebiedsprogramma worden vastgelegd, kunnen gedeputeerde staten die veehouders een soepelere emissiegrenswaarde vergunnen.

Melkveehouderijen met een intensieve tak moeten ook een natuurvergunning of maatwerkvoorschriften aanvragen, zodat gedeputeerde staten met voorschriften een duidelijk onderscheid in de emissieberekeningen tussen de intensieve en de grondgebonden tak kunnen waarborgen. De bedrijfsspecifieke emissie van ammoniak van de KringloopWijzer kan slechts nauwkeurig worden berekend, wanneer mest- en voerstromen duidelijk zijn gescheiden.

Artikel 8.11 Monitoring ammoniakemissie melkveehouderij

Eerste lid: in het eerste lid wordt de melkveehouder verplicht zelf zijn ammoniakemissies te monitoren met de Bedrijfsspecifieke emissie ammoniak uit de KringloopWijzer en de jaarrapportage van de KringloopWijzer in XML-formaat bij gedeputeerde staten in te dienen. Gedeputeerde staten gaan met deze gegevens de ontwikkeling van ammoniakdeposities op Natura 2000-gebieden binnen haar provincie scherper monitoren. Met deze gegevens kunnen gedeputeerde staten gerichter ingrijpen in de provincie Utrecht en natuurvergunningen en beschikkingen op verzoeken tot handhaving of intrekking van vergunningen nauwkeuriger gaan onderbouwen. Bovendien monitort de provincie vanaf 2029 en in de jaren daarna of de maatregelen in deze afdeling van de Omgevingsverordening kunnen worden afgeschaald of moeten worden aangescherpt.

Eerste lid, onderdeel b: in onderdeel b van het eerste lid wordt de melkveehouder verplicht ook zijn gemiddelde melktankureum aan te leveren aan gedeputeerde staten. Als alternatief voor de 40 kilogram stikstof per hectare per jaar is een verplichte emissiegrenswaarde voor de stalemissie voorgesteld door vertegenwoordigers van de sector. Volgens dit voorstel kan door middel van een tabel met het minimum aantal uren weidegang en het jaarlijkse gemiddelde tankmelkureum de ammoniakemissie per dierplaats worden bepaald. Het ureumgehalte van tankmelk is een indicator voor de hoeveelheid ruw eiwit die de melkkoeien met het voer binnen krijgen. Minder ruw eiwit in het voeder leidt tot efficiënter gebruik van ingenomen stikstof. Dit vermindert de omzetting van stikstof in ammoniak. Een hoog ureumgehalte betekent een groot stikstofverlies via de urine. Het melktankureum meet het zuivelbedrijf, wat de melk afneemt. In de wetenschap is nog onvoldoende consensus over het rechtstreekse verband tussen tankmelkureum en de ammoniakemissie. Daarvoor is meer onderzoek, en zijn vooral meer gevalideerde gegevens, noodzakelijk. De provincie Utrecht zal daarom de monitoring van de ammoniakemissie met de bedrijfsspecifieke emissie per hectare per jaar aanvullen met cijfers over het melktankureum en gerelateerde indicatoren van de veehouderijen in Utrecht.

Artikel 8.12 Berekening ammoniakemissie melkveehouderij

Eerste lid: met het eerste lid wordt voorkomen dat de stalemissies worden berekend met emissiefactoren van stalsystemen, waarvan de doeltreffendheid ter discussie staat. Uit onderzoek van de Wageningen University & Research blijkt, dat op dit ogenblik bij elke melkveestal met een emissiefactor voor ammoniak van 13 kilogram ammoniak per dierplaats per jaar veilig kan worden gerekend. Naar de emissiefactoren van melkveestallen wordt voortdurend verder wetenschappelijk onderzoek gedaan, zodat dit getal bij de periodieke herzieningen van deze verordening zal worden heroverwogen.

Tweede lid: op grond van het tweede lid hebben gedeputeerde staten de bevoegdheid een andere emissiefactor in de natuurvergunning voor veehouderij vast te stellen, wanneer met een passende beoordeling de werking van een stalsysteem door de betreffende veehouder is onderbouwd.

Derde lid: op grond van het derde lid hebben gedeputeerde staten de mogelijkheid met aanvullende voorschriften te regelen, dat bijvoorbeeld de gegevens van de melkproductie van zelfkazende boeren kloppen. Immers, zelfkazende boeren krijgen geen of veel minder volledige gegevens van de zuivelfabriek over hun melkproductie en ureumgehalte.

Artikel 8.13 Registratie weidegang

Met een elektronische monitoring weet de melkveehouder zeker hoeveel uren een koe buiten is geweest. Omdat ontlasting en urine bij weidegang minder met elkaar vermengd raken, zijn ammoniakemissies van vee in de wei lager dan stalemissies. Veel veehouders zetten tegenwoordig de staldeuren overdags en `s nachts open, zodat koeien zelf kunnen bepalen of ze binnen staan of buiten lopen. Om betrouwbare berekeningen uit te kunnen voeren over de gemiddelde emissies van een individuele melkveehouderij van 2033 tot 2035 is het belangrijk om twee jaar eerder al te beschikken, dus vanaf 2033, over betrouwbare gegevens over de weidegang.

Paragraaf 8.3.3 Intensieve veehouderij

Van intensieve veehouderijen met vleeskalveren, kippen- en varkens wordt het maximaal haalbare gevraagd. De emissiegrenswaarden zijn berekend door 5% of 10% van de emissiefactor van een niet-emissiearm stalsysteem uit bijlage V van de Omgevingsregeling te nemen, omdat volgens bijlage VI van de Omgevingsregeling een chemische luchtwasser een reductie oplevert van 95% bij varkens en vleeskalveren en 90% bij kippen. Immers, met wetenschappelijk bewezen metingen is deze reductie van de chemische luchtwassers aangetoond.

Voor intensieve veehouderijen, waar met het oog op het dierenwelzijn kippen of varkens een groter aantal vierkante meters per dier of een vrije uitloopruimte hebben, kunnen gedeputeerde staten op grond van de tweede leden van de Artikel 8.15 en Artikel 8.16 in maatwerkvoorschriften of een natuurvergunning een oplossing vastleggen voor het niet volledig kunnen voldoen aan de hogere emissiegrenswaarden.

Artikel 8.14 Emissiegrenswaarde huisvestingssysteem vleeskalveren

-

Artikel 8.15 Emissiegrenswaarde huisvestingssysteem varkens

-

Artikel 8.16 Emissiegrenswaarde huisvestingssysteem kippen

-

Artikel 8.17 Afwijkende emissiegrenswaarde

Op grond van dit Artikel 8.17 kunnen gedeputeerde staten een uitzondering op de emissiegrenswaarden van de artikelen Artikel 8.14, Artikel 8.15 en Artikel 8.16 toestaan, voor zover de intensieve veehouder bijvoorbeeld door een bedrijfsverplaatsing of een reductie van de dierenaantallen op een eigen locatie of een locatie van een andere veehouder een reductie van gelijke omvang bereikt.

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.1 Oogmerk kwaliteit en vitaliteit landelijk gebied

De regels in deze paragraaf zijn bedoeld om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden. Onder vitaliteit wordt verstaan, dat er sprake is van een duurzaam beheer van landbouwgronden, natuur en recreatieterreinen en dat de verschillende functies in het landelijke gebied elkaar zo veel mogelijk versterken en bijdragen aan de beleefbaarheid van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Als het voor de versterking van de omgevingskwaliteit nodig is om een kostendrager te zoeken, dan is kleinschalige verstedelijking die zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving mogelijk.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.3 Instructieregel verstedelijkingsverbod Landelijk gebied

Om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden, moet een ongebreidelde uitwaaiering van stedelijke functies hier voorkomen worden. Daarom zijn nieuwe vormen van verstedelijking in het landelijk gebied verboden. Op dit verbod zijn in de verordening uitzonderingen mogelijk. Deze uitzonderingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 5 Energie, Hoofdstuk 6 Natuur, Hoofdstuk 7 Cultuurhistorie en Hoofdstuk 9 Wonen, werken, recreëren. Het gaat om situaties waarbij:

  • vormen van energie worden gerealiseerd,

  • nieuwe bebouwing voor stedelijke functies in de plaats komt van bestaande bebouwing (agrarisch of in een andere vorm),

    nieuwe bebouwing voor stedelijke functies wordt gerealiseerd op plekken waar het bestaande gebruik (agrarisch of anders) wordt beëindigd en bestaande bebouwing onbruikbaar is geworden, op een wijze die voor de locatie naar aard en omvang passend is, en zodanig dat de vitaliteit van het landelijk gebied in stand wordt gehouden of versterkt,

  • nieuwe stedelijke functies tot stand komen in samenhang met de verhoging van de omgevingskwaliteit,

  • sprake is van zogeheten “rood voor groen”-constructies (diverse mogelijkheden om stedelijke bebouwing toe te staan in ruil voor ontwikkeling van natuur), of

  • nieuwe stedelijke bebouwing nodig is om te voorzien in de behoefte aan woningen en bedrijven.

Ook maakt deze verordening situaties mogelijk waarbij een beperkte hoeveelheid verstedelijking wordt ingezet voor ondersteuning van het behoud van historische buitenplaatsen respectievelijk militair erfgoed. Dit geldt ook voor voorzieningen die gericht zijn op het exploitabel houden en behouden van bovenlokale recreatieterreinen. Daarnaast geldt het voor kleinschalige recreatieve voorzieningen om de recreatiedoelstellingen te realiseren.

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.6 Instructieregel woning, woonschip en woonark in landelijk gebied

Tweede lid, onder a: De maximale inhoudsmaat van een woning in het landelijk gebied moet landschappelijk goed inpasbaar zijn. Hierbij moet gedacht worden aan 600 tot 800 m3. Als de woning al groter is, dan kan dit volume in stand blijven. Dat geldt ook voor woningen die een verleden hebben als bedrijfswoning (boerderij) met aangebouwde deel, onder één dak. Die deel kan bij de woning worden getrokken. Die grote volumes zijn vaak toereikend voor 2 of meer kleinere woningen die in een behoefte kunnen voorzien. Splitsing van die grotere woningen is daarom mogelijk, onder de voorwaarde dat sprake blijft van een samenhangend bouwvolume. Verder moet voorkomen worden dat als gevolg van de splitsing de erfinrichting versnipperd raakt en de landschappelijke inpassing achteruit gaat.

Tweede lid, onder b en c: De maatvoering van woonschepen of woonarken en ligplaatsen moet landschappelijk goed inpasbaar zijn. De maatvoering mag niet leiden tot een onevenredige afbreuk van de landschappelijke kwaliteit van de omgeving. Hierbij moet gedacht worden aan:

  • lengte, breedte en hoogte van een woonark zijn maximaal 18 meter, 6 meter en 3.50 meter;

  • lengte, breedte en hoogte van een woonschip zijn maximaal 30 meter, 6 meter en 4 meter;

  • de afstand tussen woonschepen en woonarken is minimaal 5 meter;

  • de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn.

Tweede lid onder c: Voor nieuwe vervangende ligplaatsen geldt dat rekening moet worden gehouden met de belangen van natuur, landschap, cultuurhistorie, scheepvaart en waterbeheer.

Derde lid: Hier wordt een generieke onderbouwing van een generieke inhoudsmaat (woningen, woonschepen en woonarken) gevraagd. Gebiedsgewijs kan hierin onderscheid worden gemaakt.

Villawijken in het bos buiten het stedelijk gebied (woningen) kunnen bijvoorbeeld van deze inhoudsmaat afwijken.

Een beeldkwaliteitsparagraaf (zie Artikel 1.1) is nodig wanneer het nieuwe ruimtelijk besluit een “wezenlijk” grotere maat (inhoud; ligplaats) mogelijk maakt ten opzichte van het oude ruimtelijk besluit. Een beeldkwaliteitsparagraaf bevat in ieder geval:

  • een analyse van de bestaande kwaliteiten;

  • een onderbouwing op welke manier de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan die kwaliteiten; en

  • hoe dit in de regels van het omgevingsplan is verankerd.

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.7 Instructieregel bebouwingsenclave en -lintbebouwingslint

Eerste lid, onder a: Er bestaan verschillende mogelijkheden om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Binnen bestaande bouwkavels kan worden gedacht aan herstel van waardevolle bebouwing, afbraak van storende bebouwing en sanering (opruiming) van storende functies in samenhang met de vestiging van gewenste functies. Op naastgelegen onbebouwde kavels kan worden gedacht aan herstel van waterlopen en landschapsstructuren (bijvoorbeeld door groenblauwe dooradering te herstellen of uit te breiden), herstel van doorzichten (doorkijkjes) en dergelijke. De omvang en verschijningsvorm van een nieuwe of uit te breiden stedelijke bestemming moet passen binnen het omringende landschap en de bestaande bebouwing. De inhoud van de woning of het woongebouw (m3) moet aansluiten bij de omliggende bebouwing.

Tweede lid: Een beeldkwaliteitsparagraaf (zie Artikel 1.1 Begrippen) bevat in ieder geval:

· een analyse van de bestaande kwaliteiten;

· een onderbouwing op welke manier de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan die kwaliteiten; en

· hoe dit in de regels van het omgevingsplan is verankerd.

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8 Instructieregel recreatiewoning

-

Eerste lid: Recreatiewoningen leveren een belangrijke bijdrage aan de toeristisch economische sector en voorzien in de mogelijkheid van meerdaags toerisme. Recreatiewoningen mogen om die reden enkel recreatief gebruikt worden.

Tweede lid: Om te stimuleren dat recreatiewoningen verduurzaamd worden, is het mogelijk om bij sloop, nieuwbouw of renovatie de inhoudsmaat eenmalig daarvoor te vergroten. De inhoudsmaat kan vergroot worden voor verduurzamingsmaaatregelen die extra ruimte vragen met een maximaal 25 m3 waarbij de maximale inhoudsmaat niet groter mag worden dan 275 m3. Hiermee is het mogelijk om de recreatiewoning te voorzien van bijvoorbeeld een betere isolatie, realisatie technische ruimte voor warmtepomp of WTW-installatie (warmte terugwin installatie).



QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

Na sectie 9.8 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 9.8a Instructieregel vakantiepark

Eerste lid, sub a: vakantieparken en recreatiewoningen zijn uitsluitend bedoeld voor verblijfs- en dagrecreatie en niet voor permanente bewoning. Oneigenlijk gebruik zoals permanente bewoning, verpaupering en ondermijnende criminaliteit is ongewenst. Daarom moet een vakantiepark (in geval van uitbreiding) bedrijfsmatig worden geëxploiteerd. Dit om ‘uitponding’ tegen te gaan.

Eerste lid, sub b: initiatieven voor uitbreiding moeten aantoonbaar zijn dat deze uitbreiding noodzakelijk is als kostendrager voor de genoemde doelen. Uitbreidingsplannen worden in samenhang met een verbetering van recreatiegroen ontwikkeld en voorzien in een goede inpassing.



RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.9 Instructieregel bestaande stedelijke functie, anders dan wonen

Eerste lid, sub a: Een perceel met een specifieke stedelijke functie kan een andere stedelijke functie krijgen, waaronder een tijdelijke invulling met flexwoningen. Niet alle stedelijke functies zijn toegestaan: een recreatiewoning mag niet omgezet worden naar permanente bewoning. Bestaande stedelijke functies mogen niet omgezet worden naar de functie kantoor of detailhandel, tenzij deze functies ondergeschikt zijn aan, en betrekking hebben op, de hoofdfunctie van het betreffende perceel. De omvang van detailhandel is maximaal 100 m2 bvo. De maximale omvang van kantoren wordt geregeld in Artikel 9.19, zesde lid. De locatie mag niet worden vergroot. De toename van de invloed die de wijziging in stedelijke functies heeft op de omgeving moet, in het kader van de kwaliteitevenwichtige toedeling van de fysieke leefomgeving (voorheen een goede ruimtelijke ordening)functies aan locaties, breed worden beoordeeld. Het resultaat van die brede beoordeling moet zijn dat de ruimtelijke impact op de omgeving vermindert of op zijn minst gelijk blijft. Dat wil niet zeggen dat op onderdelen geen kleine verslechteringen mogen plaatsvinden. Het gaat om het resultaat van de integrale (totale) beoordeling. Tot de relevante aspecten worden in ieder geval gerekend: milieuhinder, onevenredige verkeerstoename en verstoring van het landschap.

Eerste lid, sub b: Voorvoor bestaande stedelijke functies is een uitbreidingsmogelijkheid van 20% ten opzichte van het geldende regime in het algemeen toereikend. Van een economische noodzaak is sprake als met een deskundige bedrijfseconomische onderbouwing aangetoond wordt dat de uitbreiding nodig is voor de continuïteit van het bedrijf. Daarbij moet ook duidelijk zijn dat de mogelijkheden voor een efficiëntere inrichting van het bedrijfsperceel zijn benut en dat verplaatsing naar een bedrijventerrein geen reële optie is. Hoe groter de uitbreiding, hoe beter moet worden onderbouwd dat voldaan wordt aan het vereiste in Artikel 7.11: de kernkwaliteiten van het landschap mogen door de uitbreiding niet onevenredig worden aangetast.

Tweede lid, sub b: Voorvoor bestaande stedelijke functies is een uitbreidingsmogelijkheid van 20% ten opzichte van het geldende regime in het algemeen toereikend. Om herhaalde vergroting te beperken mag het functievlak niet verder groeien dan tot 1,5 hectare.

SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

Na sectie 9.9 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 9.9a Instructieregel militaire kazerne

Gehele artikel: voor een aantal militaire terreinen, is de bebouwingsmogelijkheid ontoereikend gelet op de groeiopgave van defensie. Het gaat om de militaire terreinen Soesterberg, Walaardt Sacré Kamp, Camp New Amsterdam en de Bernhardkazerne. Op deze terreinen kan de bestaande bebouwing ten behoeve van militaire doeleinden uitgebreid worden onder voorwaarden. Niet alle stedelijke functies zijn toegestaan. Bestaande stedelijke functies mogen niet omgezet worden naar de functie kantoor of detailhandel. Bij stedelijke functies die toegestaan zijn, kan gedacht worden aan de huisvesting van militairen, hun uitrusting en materieel. Een kantoor voor defensiedoeleinden is ook toegestaan. Het gaat niet om de onbebouwde oefenterreinen.



TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.10 Instructieregel kernrandzone

Gehele artikel: Gemeenten worden gestimuleerd om beleid te ontwikkelen gericht op het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied binnen de kernrandzone (zie Artikel 1.1) van hun kern(en). Als het voor versterking van de kwaliteit nodig is om een kostendrager te zoeken kan door de toepassing van dit artikel verstedelijking mogelijk worden gemaakt. Deze verstedelijking buiten het stedelijk gebied betekent een aantasting. Dit mag alleen als tegelijkertijd een versterking van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt in de kernrandzone, of in de kern. De met dit artikel toegestane verstedelijking is gericht op functies ten dienste van de aangrenzende kern, of die voorziet in woonfuncties of verblijffuncties waaraan vanuit de kern behoefte is.

Eerste lid: Iedere kern beschikt over een kernrandzone, rondom de kern, waarin stedelijke activiteiten plaatsvinden. Deze kernrandzone (zie Artikel 1.1) is indicatief aangegeven. Het is aan de gemeente om aan te geven waar in deze zone gebruik wordt gemaakt van dit artikel. Dit doet de gemeente op basis van een op deze zone gericht ruimtelijk beleid waarin samenhangen en beoogde kwaliteitsverbeteringen worden beschreven.

Bij kwaliteitsversterking in de kernrandzone valt te denken aan:

  • prettige verblijfsmogelijkheden;

  • goede verbindingen vanuit de kern;

  • een landschappelijk zorgvuldige overgang tussen stedelijk gebied en het omliggende buitengebied, zoals het inrichten van groenblauwe dooradering; en

  • de mogelijkheid van ‘ommetjes’ in de kernrandzone. Dit kan gepaard gaan met de aanleg en het beheer van groen en recreatieve voorzieningen.

Deze doelen kunnen eventueel worden gerealiseerd door verstedelijking in de vorm van bijvoorbeeld woningbouw of horeca toe te staan. De omvang hiervan kan variëren van bijvoorbeeld een enkele woning tot een klein woonbuurtjecollectief erf (“Erfdelen”). Deze is afhankelijk van (de aard en omvang van) het te realiseren doel. Hierbij moet de toe te voegen verstedelijking in redelijke verhouding staan tot het te bereiken doel.

Kwaliteitsversterking kan ook buiten de kernrandzone, in het stedelijk gebied. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de uitplaatsing (verplaatsing) van een functie uit het stedelijk gebied ten dienste van leefmilieu of binnenstedelijke ontwikkeling. Bij uitplaatsing van een bedrijf moeten eerst de alternatieve vestigingsmogelijk­heden op een regulier bedrijventerrein in de regio worden onderzocht.

Bestaat de verstedelijking uit de ontwikkeling van een kernrandactiviteit (zie Artikel 1.1). Dan is extra kwaliteitsversterking niet nodig en is een goede landschappelijke inpassing voldoende.

Ook op basis van andere artikelen in deze verordening is onder voorwaarden verstedelijking in het landelijk gebied mogelijk, bijvoorbeeld op basis van een gemeentelijke sloopmetersystematiek, de regel voor de Groene contour en Ruimte voor Ruimte. Deze artikelen maken het mogelijk de verstedelijking te realiseren op een andere locatie dan binnen de natuurontwikkeling of op het agrarisch bouwperceel. Die locatie kan ook een kernrandzone zijn, als de verstedelijking daar functioneel en ruimtelijk het beste inpasbaar is, zoals bij meerdere kleinere woningen met een gedeeld erf of woonzorgvoorzieiningen. Ook in deze situaties is er sprake van verstedelijking en gelijktijdige kwaliteitswinst, alleen vindt de laatste niet in de kernrandzone plaats. Zo kan sprake zijn van een combinatie van artikelen uit deze verordening voor ontwikkelingen in de kernrandzone. De gemeente kan dit beschrijven in haar beleid voor de kernrandzone.

Eerste lid, onder a: wat een redelijke verhouding is tussen kwaliteitsversterking en verstedelijking, hangt af van de aard en de omvang van zowel de kwaliteitsversterking als de verstedelijking. Er zijn verschillende methoden mogelijk om te bepalen of de aantasting door de beoogde verstedelijking voldoende wordt gecompenseerd door kwaliteitsversterking. Zie ook de Handreiking Kwaliteit van kernrandzones.

Kan de verstedelijking niet een-op-een kan worden gekoppeld aan een concrete kwaliteitsversterking? Dan bevat de onderbouwing een toelichting op de te hanteren verdeelsleutel voor het bepalen van de bijdrage die initiatiefnemer ten laste wordt gelegd.

Eerste lid, onder b: landschappelijke inpassing van verstedelijking vraagt zowel om een zorgvuldige afweging van situering en massawerking van het planinitiatief zelf, als om bij het gebied aansluitende specifieke inpassings­maatregelen. Deze maatregelen kunnen betrekking hebben op het toevoegen, versterken of herstellen van bestaande landschappelijke kenmerken of kwaliteiten. De Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen (Kwaliteitsgids) vormt hiervoor een goede bron.

De gebiedskenmerken van kern en kernrandzone zijn wat betreft schaal anders van omvang dan bij een grote stad. Zowel aard (woning, bedrijf) als omvang (enkele woning, woonbuurtje) zijn belangrijk bij de beoordeling of het gebied de beoogde planontwikkeling op kan nemen. Voor beoordeling van de aanvaardbaar­heid speelt ook de afwijking ten opzichte van de geldende functie een rol. Zowel overwegend bebouwde (onder ander woonbuurtje) als onbebouwde verstedelijking (onder ander sportvelden) moet aansluitend aan stedelijk gebied worden gerealiseerd. Bij meer incidentele ontwikkelingen (onder ander een individuele woning) kan ook worden aangesloten op overige verstedelijkte structuur in de kernrandzone. In het laatste geval betekent dat niet altijd, dat in de onmiddellijke nabijheid van bestaande bebouwing moet worden gebouwd. Het gaat vooral om de samenhang: een enkele woning kan bijvoorbeeld aansluiten op een bestaand lint. Een nieuw landhuis op een buitenplaats kan iets meer ruimte krijgen. In dit laatste geval moet de buitenplaats als geheel wel op de bestaande bebouwing worden afgestemd.

Eerste lid, onder cd: veiliggesteld moet worden dat de kwaliteitsversterking parallel dan wel binnen afzienbare, in de planregels vast gelegde, periode na realisatie van de verstedelijking wordt uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden. Zie hiervoor ook de Handreiking Kwaliteit van kernrandzones.

Tweede lid: de reikwijdte van de onderbouwing en beeldkwaliteitsparagraaf (zie Artikel 1.1) is afhankelijk van de omvang en aard van de ontwikkeling en omvang en kwaliteiten van het gebied waar deze plaatsvinden. De kernrandzone is indicatief aangegeven. Het is aan de gemeente om in de onderbouwing aan te geven in welk (samenhangend) gebied de regel wordt toegepast, welke kwaliteiten daar worden versterkt en hoe de stedelijke ontwikkelingen worden ingepast. De onderbouwing voor een deelgebied is eenvoudiger, wanneer er een gemeentelijke (structuur)visie beschikbaar is voor een groter gebied dat bijvoorbeeld de kern en de gehele kernrandzone omvat. Zo’n visie kan als uitnodigend ruimtelijke beleidskader procedurele meerwaarde bieden als daarover met de provincie overeenstemming is. Maar het opstellen van een ontwikkelingsvisie is een gemeentelijke keuze.

UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.11 Instructieregel functiewijzing (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar stedelijke functie (anders dan wonen)

Artikel 9.11, Artikel 9.12 en Artikel 9.13 gaan over agrarische bouwpercelen waar het agrarisch gebruik is gestopt, maar waar nog wel agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig zijn. Voor de overzichtelijkheid zijn de verschillende mogelijkheden voor hergebruikfunctiewijziging geregeld in afzonderlijke artikelen. Doel van deze artikelen is om op bedrijfspercelen waar de agrarische functie is gestopt sloop van overtollige bedrijfsgebouwen te bevorderen en zinvol hergebruik te bevorderen van bedrijfsgebouwen die hun agrarische gebruiksfunctie hebben verlorenhet functievlak mogelijk te maken.

Voor toepassing van de artikelen maakt het niet uit of het perceel nog een agrarische functie heeft tijdens het opstellende wijziging van een omgevingsplan datdie het geven van een nieuwe functie (voorheen “herbestemming”) als doel heeft. Ook maakt het niet uit of dat perceel eerder een woonfunctie heeft gekregen nadat het agrarisch gebruik is gestaakt, terwijl wel alle bedrijfsbebouwing nog aanwezig is. Sloop van de oude bedrijfsbebouwing en zinvol hergebruik blijft ook in deze situaties gewenst. Wanneer het bouwperceel optimaal gesitueerd (gelegen) en uitgerust is voor de grondgebonden landbouw, dan blijft dat perceel in principe behouden voor de agrarische sector. Dit geldt ook voor bouwpercelen voor glastuinbouw als deze in het gebied Concentratiegebied glastuinbouw liggen. Bij optimaal gesitueerde bouwpercelen voor de grondgebonden landbouw moet vooral worden gedacht aan boerderijen die in het kader van de ruilverkaveling zijn gerealiseerd. De agrarische gronden komen bij voorkeur beschikbaar voor de omliggende agrarische bedrijven. Het beschikbaar blijven voor de landbouw is geen aspect dat kan meewegen voor extra ruimtelijke kwaliteit.

Schema mogelijkheden bij functieverandering (voormalige) agrarische bedrijfspercelen:

afbeelding binnen de regeling

Artikel 9.11 maakt stedelijke functies mogelijk na beëindiging van het agrarische gebruik. Hoofdregel is dat minimaal 50% van de bedrijfsgebouwen (bedrijfswoning en aangebouwde deel niet meegerekend) wordt gesloopt. Het is mogelijk om tegelijkertijd meerdere vrijkomende agrarische percelen in de afweging te betrekken. Als op 1 van de percelen het slooppercentage van 50% niet wordt bereikt, kan ergens anders worden gecompenseerd. In totaal moet de 50% worden bereikt. Van het vereiste slooppercentage kan in een aantal gevallen afgeweken worden. Deze gevallen zijn genoemd in eerste lid, onder b, 1. tot en met 6. In deze gevallen mag er minder worden gesloopt. Zo is er ruimte om een grotere oppervlakte te gebruiken voor gebouwen met zorgfunctie of een recreatieve functie. Het uitgangspunt hierbij is, dat er niet meer bebouwing blijft staan dan voor de nieuwe functie nodig is. Vervanging van bestaande bebouwing is mogelijk. Voorwaarde hiervoor is dat de nieuwe bebouwing compact op (en dus niet verspreid over) het voormalige bouwperceel wordt gesitueerd en het bouwperceel wordt verkleind. Afwijking van de sloopeis is ook mogelijk als dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan:

Artikel 9.11 maakt stedelijke functies mogelijk na beëindiging van het agrarische gebruik. Hoofdregel is dat minimaal 50% van de bedrijfsgebouwen (bedrijfswoning en aangebouwde deel niet meegerekend) wordt gesloopt. Het is mogelijk om tegelijkertijd meerdere vrijkomende agrarische percelen in de afweging te betrekken. Als op 1 van de percelen het slooppercentage van 50% niet wordt bereikt, kan ergens anders worden gecompenseerd. In totaal moet de 50% worden bereikt. Of een stedelijke functie passend is op de betreffende locatie hangt af van de aard en omvang van die stedelijke functie. Dit verschilt per type bedrijfsfunctie. En hoe kleinschaliger hoe meer mogelijkheden hiervoor zijn. In de Handreiking functiewijziging agrarische erven wordt beschreven welke typen bedrijfsfuncties in welke omvang in het algemeen passend kunnen zijn in het landelijk gebied. De gemeente bepaalt dat voor de betreffende locatie. Een beleidsvisie die voor de verschillende delen van een gemeente de geschiktheid voor diverse stedelijke functies beschrijft, kan een goed hulpmiddel zijn voor een formeel afwegingskader in het omgevingsplan.

Van het vereiste slooppercentage kan in een aantal gevallen afgeweken worden. Deze gevallen zijn genoemd in eerste lid, onder b, 1 tot en met 7.

Sub 1. tot en met sub 4. betreft de vestiging van concrete functies waarbij in een voorzienbare ruimtelijke opgave wordt voorzien.

Bij sub 5. is aangegeven, dat het mogelijk is de sloop op twee vrijkomende percelen gezamenlijk te beoordelen en op het ene perceel meer, op het andere minder te slopen.

Sub 6. geeft de mogelijkheden bij gebruik van een sloopmetersystematiek aan. Daarbij worden twee of meer locaties aan elkaar gekoppeld aan de hand van een door de gemeente vast te stellen rekenmethodiek die garandeert dat op gemeenteniveau een kwalitatief vergelijkbaar of beter resultaat wordt bereikt. Dat kan ertoe leiden dat op het ene vrijkomende perceel meer, op een ander minder wordt gesloopt of bebouwing wordt toegevoegd. Zo’n sloopmetersystematiek wordt bij voorkeur door een aantal gemeenten in een regio samen opgesteld, zodat ook het uitwisselen van sloopmeters en bouwrechten tussen gemeenten mogelijk is. Het verdient aanbeveling de invoering van zo’n sloopmetersystematiek vroegtijdig met de provincie te bespreken, zodat geen verschil van mening kan ontstaan over de gelijkwaardigheid met de in dit artikel genoemde standaardsloopeis van 50%.

Ook is er ruimte om van die standaardsloopeis af te wijken, indien extra ruimtelijke kwaliteit wordt toegevoegd, anders dan vermindering van bebouwing.

Hierbij kan onder andere gedacht worden aan:

  • herstel van landschapselementen en/of inrichting groenblauwe dooradering;

  • versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap);

  • realisering van extra natuur binnen de Groene contour;

  • oplossingen voor de wateropgave;

  • realisering van wandel-wandelmogelijkheden en recreatiemogelijkheden;

  • verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern; of

  • sanering van niet-grondgebonden veehouderij uit de nabijheid van een natuurgebied (natuurnetwerk Nederland). Dit kunnen bijvoorbeeld agrarische bedrijven zijn die in een landbouwstabiliseringsgebied zijn gelegen.

Tenslotte kan ook de vestiging van een specifieke functie op zichzelf al een kwaliteitsverbetering zijn die afwijking van de sloopeis rechtvaardigt, als deze functie uitdrukkelijk bijdraagt aan de vitaliteit van het landelijk gebied in de nabijheid van de functie. Dat vergt wel een zeer goede ruimtelijke onderbouwing, bij voorkeur op basis van een gemeentelijk beleidsdocument of een algemene toelichting bij het omgevingsplan waarin voor de verschillende mogelijke functies is aangegeven waar deze wel en waar niet gewenst en inpasbaar zijn. Als voorbeeld van een bedrijf dat bijdraagt aan de vitaliteit kan een bedrijf worden genoemd, dat de korte-ketenlandbouw in het gebied ondersteunt. Bijvoorbeeld een kleinschalige kaasmakerij die de melk betrekt van boeren uit de naaste omgeving en kaas produceert die ook lokaal wordt afgezet.

Dit artikel maakt ook de vestiging van meer dan één bedrijf mogelijk. De functies moeten elkaar dan niet in de weg zitten, maar bij voorkeur versterken. Ook (bedrijfs)woningen zijn daarbij niet uitgesloten. De woonfunctie moet echter wel ondergeschikt blijven ten opzichte van de andere stedelijke functies. Voor een zelfstandige woonfunctie zijn Artikel 9.12 en Artikel 9.13 van toepassing.



VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.12 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie

Zie ook de toelichting op de algemene uitgangspunten voor functiewijziging bij Artikel 9.11. en het daarbij opgenomen schema.

Als Aan een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel kan een woonfunctie worden gegeven. BedrijfsruimteVoormalige bedrijfsruimte die tot het hoofdgebouw behoort en onder hetzelfde dak als de bedrijfswoning is aangebouwd (de voormalige deel), mag aan de burgerwoonfunctie worden toegevoegd. InOp basis vanArtikel 9.6 is in deze situatie is ook splitsing van het gebouw in meerdere wooneenheden toegestaan. Dat geldt ook voor andere woningen die groot genoeg zijn om splitsing in twee of meer kleinere mogelijk te maken. Voorwaarde is wel dat de eenheid in de bebouwing behouden blijft. Daarbij moet voorkomen worden dat de woningen op termijn vervangen worden door bijvoorbeeldgrotere vrijstaande woningen.

Een kantoor of bedrijf aan huis is mogelijk binnen de woonfunctie in de bedrijfswoning en de tot het hoofdgebouw behorende aangebouwde bedrijfsruimte. Daarnaast is een kantoor of bedrijf aan huis mogelijk in maximaal 1 ander voormalig bedrijfsgebouw. De omvang van het kantoor of bedrijf moet ondergeschikt blijven aan de woonfunctie.

Indien geen extra woning buiten de bestaande wordt toegevoegd, is er dus op basis van deze verordening geen verplichting tot sloop van de bedrijfsgebouwen. Het verdient echter wel aanbeveling om als gemeente de sloop van leegstaande oude opstallen te stimuleren. Dat kan door:

  • met een sloopmetersystematiek sloopmeters verhandelbaar te maken; of

  • in een later stadium alsnog gebruik te maken van de mogelijkheden in Artikel 9.13 (ruimte voor ruimte).

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.13 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’)

Zie ook de toelichting op de algemene uitgangspunten voor functiewijziging bij Artikel 9.11 en het daarbij opgenomen schema.

De kwaliteiten van het landelijk gebied moeten beschermd worden om die reden wordt terughoudend omgegaan bij de vestiging van nieuwe stedelijke functies in het landelijk gebied. Wanneer agrarische bedrijfspercelen vrijkomen, kan daarvoor een nieuwe passende functie worden gezocht. De risico’s op verrommeling, ongewenste functiemenging en ondermijning moeten worden beperkt. Er is zeker ruimte voor maatwerk. Die ruimte in de regels is groter naarmate een grotere bijdrage wordt geleverd aan de opgave voor het landelijk gebied. De regels voor functiewijziging bieden daarom ruimte om te experimenteren. De vrijkomende bebouwing biedt ook kansen om bij te dragen aan gebiedsopgaven. Bij de ruimte om af te wijken van de sloopnorm kan in eerste instantie gedacht worden aan de toevoeging van kwaliteiten (landschap, waterhuishouding, recreatie). Bij een bijdrage aan gebiedsopgaven kan verder gedacht worden aan vermindering van de stikstofbelasting van natuurgebieden en aan een bijdrage aan de aanpak van bodemdaling. De extra kwaliteit kan ook in de nieuwe, stedelijke functie zelf liggen: als de lokale verstedelijkingsbehoefte op bestaande erven wordt gerealiseerd en niet in de wei, kan dat zeker ook bijdragen aan behoud van kwaliteiten van het landelijk gebied. Er kan bijvoorbeeld ruimte worden geboden voor extra, compact gebouwde woningen op vrijkomende erven, als daarmee aantoonbaar in de plaatselijke woningbehoefte wordt voorzien. Daarbij is er ook ruimte voor nieuwe of andere woonconcepten. Ook passende kleinschalige bedrijvigheid kan zo worden gefaciliteerd. Nog mooier is het, als de plaatselijke verstedelijkingsbehoefte wordt gefaciliteerd op één geschikte plek, nadat op verschillende vrijkomende agrarische bedrijfspercelen de bedrijfsbebouwing is gesloopt (saldering sloopmeters). Ook daarvoor biedt de verordening ruimte omdat de concentratie van nieuwe bebouwing op een beperkter aantal plekken bijdraagt aan de kwaliteit van het landelijk gebied. Zie ook de VAB-wijzer | provincie Utrecht.

De term “Ruimte voor Ruimte” wordt van oudsher gebruikt om de mogelijkheid aan te duiden om na de beëindiging van een agrarisch bedrijf de bedrijfsgebouwen te vervangen door woningen. Omdat een functie die thuishoort in het landelijk gebied wordt vervangen door een stedelijke, moet vermindering van bebouwing worden gerealiseerd. Met de 2e wijziging van de Omgevingsverordening is de wijze van berekening voor de toegestane hoeveelheid woonbebouwing veranderd. Er wordt niet meer uitgegaan van 1, 2 of 3 woningen die bij een bepaalde minimale oppervlakte aan te slopen gebouwen mogelijk is of zijn, maar van een maximaal volume aan te bouwen woningen. Dat volume is gerelateerd aan de oppervlakte van de te slopen gebouwen. Ten opzichte van de oude regeling heeft dit 2 voordelen: elke sloopmeter telt mee en de mogelijkheid ontstaat om in 1 woongebouw (of als dit passender is 2) meerdere kleinere woningen onder te brengen. De omvang van een individuele nieuwe woning mag niet groter zijn dan het in Artikel 9.6 genoemde maximum. De omvang en situering van een woongebouw moet worden afgestemd op wat op een erf in een specifiek landschap passend is. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de traditionele inrichtingsprincipes van een agrarisch erf. Ook bij de erfinrichting moet die eenheid van erf in acht worden genomen. Dat kan bijvoorbeeld door zo veel mogelijk van gemeenschappelijke buitenruimte gebruik te maken.Afwijking van de genoemde eisen is mogelijk als op een andere wijze een evenredige verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Zie voor voorbeelden van extra kwaliteit de toelichting op Artikel 9.11. In lid 2 en lid 3 zijn andere vormen van flexibiliteit beschreven. De basisregel is dat de nieuwe woonbebouwing op hetzelfde bouwperceel wordt gerealiseerd, aansluitend bij de bestaande bedrijfswoning. Maar als een betere plek kan worden gevonden, kan hiervan worden afgeweken. Verder kunnen bouw- en sloopmeters van verschillende percelen worden uitgewisseld als dit goed worden ingepast. Een uitbreiding van de laatste mogelijkheid is de zogenaamde sloopmetersystematiek. Daarbij worden 2 of meer locaties aan elkaar gekoppeld aan de hand van een door de gemeente vast te stellen rekenmethodiek die garandeert dat op gemeenteniveau een kwalitatief vergelijkbaar of beter resultaat wordt bereikt dan volgens dit artikel vereist. Dat kan ertoe leiden dat op het ene vrijkomende perceel meer, op een ander minder wordt gesloopt of bebouwing wordt toegevoegd. Als sloopmeters van een groter aantal percelen worden gecombineerd, kan zelfs gedacht worden aan een kleine bouwlocatie aan de rand van het dorp. De provincie juicht het toe als met de sloopmetersystematiek wordt bevorderd, dat niet slechts grote huizen, maar ook betaalbare woningen (gecombineerd onder 1 dak) op daarvoor geschikte plekken worden gebouwd. Dat kan door voor dergelijke woningen relatief meer bouwvolume toe te staan.De sloopmetersystematiek wordt bij voorkeur door een aantal gemeenten in een regio samen opgesteld, zodat ook het uitwisselen van sloopmeters en bouwrechten tussen gemeenten mogelijk is. Het verdient aanbeveling de invoering van zo’n sloopmetersystematiek vroegtijdig met de provincie te bespreken, zodat geen verschil van mening kan ontstaan over de gelijkwaardigheid met de in dit artikel genoemde sloop- en inrichtingseisen.



XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.14 Instructieregel eenmalige uitbreiding tot 50 woningen voor lokale vitaliteit van een kern

Kernen waarbij binnen het bebouwd gebied geen of onvoldoende ruimte meer is voor woningbouw krijgen ruimte voor een eenmalige uitbreiding tot 50 (flex)woningen ten behoeve van lokale vitaliteit. De omvang van deze eenmalige uitbreiding moet wat betreft aard en omvang passen bij de kern. Daarbij is het ook denkbaar, dat deze 50 woningen over meerdere kleine locaties worden verdeeld, mits dat in één keer opgenomen wordt ineen omgevingsplanwijziging. Kernen waarbij al een grotere uitbreiding is geprogrammeerd via het programma wonen en werken, komen niet in aanmerking komen voor deze eenmalige uitbreiding. Bij de regionale programmering krijgen deze eenmalige uitbreidingen voor lokale vitaliteit een aparte positie. Zo wordt ervoor gezorgd dat dedeze ontwikkelingsruimte voor vitaliteit van kernen is gegarandeerd. Bij kleinschalige uitbreidingslocaties bij kleine kernen (tot 50 woningen) zijn de bereikbaarheidseffecten zeer beperkt. Het bereikbaarheidsonderzoek zal hier over het algemeen geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van de locatie. Wanneer de eenmalige uitbreiding in een aandachtsgebied stiltegebied ligt, dan vraagt dat om een slimme inrichting van het gebied. Ook in dit artikel wordt gevraagd om de woningbouw bij te laten dragen aan een goede kwaliteit van de nieuwe kernrandzone. Hierbij kan worden gedacht aan dezelfde vormen van ruimtelijke kwaliteit als genoemd in Artikel 9.10.

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.15 Instructieregel uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk

Gehele artikel: Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de “duurzame verstedelijkingsladder” (artikel 5.129g: zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) worden toegepast. Op locaties waar woningbouw volgens het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en Werken al is voorzien kunnen flexwoningen worden gerealiseerd. Het aantal flexwoningen is gemaximeerd op het aantal woningen zoals dat in het programma Wonen en Werken is opgenomen. Bij locaties tot 200 flexwoningen kunnen de verplichtingen t.a.v. lokale en regionale groenontwikkeling worden doorgeschoven naar de opvolgende permanente ontwikkeling.

Het gebied "Uitbreiding Woningbouw onder voorwaarden mogelijk" is gedefinieerd door uit te gaan van het Landelijk gebied en daar gebieden met de natuurnetwerk Nederland-status, Groene contourgebieden, Stille kerngebieden, Ganzenrustgebieden, Gglastuinbouwconcentratiegebied en Militair oefenterrein met natuurwaarde van af te halen (deze aftreksom wordt aangeduid als geo-som).

Eerste lid, onder a: Het provinciaal programma Wonen en werken bevat de hoofdlijnen van de gezamenlijke regionale programmeringsafspraken van gemeenten en provincie. In deze regionale programmering:

  • worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

In het Provinciaal Programma Wonen en Werken:

⦁ worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

1. zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten;

2. daarnaast in overig stedelijk gebied;

3. eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors;

  • worden afspraken vastgelegd om te borgen dat binnen het programma voldoende woningen worden gebouwd in het sociale en -middensegment waarbij wordt uitgegaan van de afspraken uit de regionale woondeals; en

  • worden afspraken gemaakt over energieneutrale, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw, evenredige groenontwikkeling en efficiënt ruimtegebruik.

⦁ wordt in aanvulling hierop aan overige kernen ruimte geboden voor kleinschalige uitbreidingen om te ontwikkelen ten behoeve van lokale vitaliteit. Hiervoor werkt de provincie met een maatwerkaanpak. Afweging over deze locaties vindt plaats via het proces van Provinciaal Programmeren

⦁ wordt op het niveau van de regio en op het niveau van de gemeente vastgelegd hoeveel woningen er naar verwachting gerealiseerd kunnen worden en wordt dit vertaald naar locaties en randvoorwaarden. Het uitgangspunt daarbij is dat op regionaal niveau voldoende woningen kunnen worden gerealiseerd. Voorafgaand aan de programmering stellen Provinciale Staten een Kader vast waarin wordt vastgelegd hoeveel woningen minimaal en maximaal kunnen worden toegevoegd.

⦁ bij de totstandkoming van het programma wordt gestuurd op efficiënt ruimtegebruik en voor woonlocaties op het meegroeien van groen (zie tweede lid). Vanaf 2027 worden specifieke ambities op het gebied van duurzaamheid van woningen en betaalbaarheid vastgelegd in het Volkshuisvestingsprogramma.

⦁ worden afspraken vastgelegd om te borgen dat binnen het programma voldoende woningen worden gebouwd in het sociale en -middensegment waarbij wordt uitgegaan van:

  • a.

    het Kader PPWW;

  • b.

    indien de Wet versterking regie volkshuisvesting is vastgesteld en in werking is getreden de hieruit voortvloeiende betaalbaarheidseisen; en

  • c.

    indien de Wet versterking regie volkshuisvesting is vastgesteld en in werking is getreden de eisen die voortvloeien uit het provinciaal volkshuisvestingsprogramma; en

⦁ worden afspraken gemaakt over netbewuste, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw, evenwichtige groenontwikkeling en efficiënt ruimtegebruik.



Eerste lid, onder b: Door aan te sluiten bij het stedelijk gebied, wordt het creëren van nieuwe kernen uitgesloten.

Tweede lid: Onderbouwd moet worden hoe lokale en regionale groenontwikkeling (natuur en recreatie) wordt gerealiseerd. Daarbij moet de verhouding tussen de aanwezigheid van 'rood' en 'groen' in verhouding zijn. Met het oog op een nadere duiding van een evenwichtige verhouding tussen verstedelijking en groen wordt een handreiking opgesteld: de Handreiking Nieuwe Woongebieden. Het in samenhang ontwikkelen van groen en woningbouw leent zich bij uitstek voor regionale afstemming. Wanneer het gaat om kleinschalige uitbreidingen (tot 50 woningen) kan deze onderbouwing achterwege blijven.

Tweede lid, onder a: Onderbouwd moet worden hoe lokale en regionale groenontwikkeling (natuur en recreatie) wordt gerealiseerd in samenhang met het programma. Daarbij moet de verhouding tussen de aanwezigheid van 'rood' en 'groen' in verhouding zijn. Met het oog op een nadere duiding van een evenwichtige verhouding tussen verstedelijking en groen is een handreiking opgesteld: de Handreiking Groen bij Uitbreidingslocaties – Groen Groeit Mee met betekenis van voordeur tot landschap. Een goede manier om tot een evenwichtige verhouding te komen is in ieder geval de toepassing van de in de handreiking uitgewerkte instrumenten van ‘Groene schakels van voordeur tot landschap’ en de ‘Schijf van Vijf’. Deze instrumenten geven eenvoudige handvatten voor het bereiken van meervoudige waarde en multifunctionaliteit. De ‘Schijf van Vijf’ beschrijft waar je aan moet denken bij het invullen van groen. Onder lokale groenontwikkeling verstaan we de in de handreiking toegelichte schakels voordeurgroen, buurtgroen en wijkgroen en de schakels stad-landgroen en landschap geven invulling aan de regionale groenontwikkeling. Het is belangrijk dat de evenwichtige groenontwikkeling niet blijft bij goede voornemens. Wij vragen daarom garanties dat het groen ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd en adequaat beheerd. Die garanties kunnen op verschillende manieren gestalte krijgen. Goede voorbeelden daarvan zullen we delen met andere gemeenten.

Onder recreatiegroen wordt ook verstaan ondersteunende ‘rode’ elementen die bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit en aan een duurzame exploitatie van de dagrecreatieve voorziening. Dit moet in het omgevingsplan gemotiveerd te worden en betreft maatwerk. Onder deze ‘rode’ elementen verstaan we bijvoorbeeld kleinschalige horeca, verkooplocatie voor lokaal geproduceerde producten, een ontvangstruimte, schuilgelegenheid, sanitaire voorziening, opslagruimte voor materiaal. Het gaat per definitie niet om verblijfsrecreatie.

Het in samenhang ontwikkelen van groen en woningbouw leent zich bij uitstek voor regionale afstemming. Wanneer het gaat om kleinschalige uitbreidingen (tot 50 woningen) kan deze onderbouwing achterwege blijven.

De provincie heeft taken op het gebied van bereikbaarheid, bijvoorbeeld het openbaar vervoer en het provinciaal wegennet. Voorkomen moet worden dat een ontwikkeling leidt tot (grote) knelpunten op het gebied van bereikbaarheid van de ontwikkeling en de omgeving. Eerst wordt een bereikbaarheidsscan gevraagd. Als hieruit blijkt dat er mogelijk geen sprake meer is van een ‘goede bereikbaarheid’, dan moet een nader bereikbaarheidsonderzoek worden uitgevoerd. Binnen dit onderzoek wordt de impact op de bereikbaarheid in beeld gebracht en worden oplossingen meegewogen die nodig zijn om de bereikbaarheid te borgen (zie Bijlage XIV Bereikbaarheidsanalyse).

Tweede lid, onder b: Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor woonlocaties mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen. Hierbij wordt in ieder geval ingegaan op de volgende thema's van toekomstbestendig bouwen uit de Bijlage XXII Toekomstbestendig bouwen:

  • Energie;

  • Circulariteit;

  • Duurzame mobiliteit;

  • Klimaatmitigatie;

  • Klimaatadaptatie;

  • (Drink)waterbesparing;-

  • Natuurinclusiviteit en biodiversiteit;

  • Gezonde leefomgeving.



ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.16 Instructieregel uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk

Gehele artikel: volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de "duurzame verstedelijkingsladder" (artikel 5.129g: zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) worden toegepast.

Onder uitgifte bedrijventerrein wordt verstaan: nieuwe of hernieuwde uitgifte van een kavel die is toegedeeld met de functie als bedrijventerrein. De gewijzigde regels in de verordening zijn van toepassing bij een nieuw of gewijzigd omgevingsplan. De verordening geldt in dat geval voor uitbreidingen van bedrijventerrein, maar ook als een kavel op een bestaand bedrijventerrein opnieuw uitgegeven wordt. Dus ook als bedrijven onderling grond verkopen, of als een kavel op een bedrijventerrein de functie ‘Bedrijventerrein’ krijgt.

Onder een ruimtelijk of functioneel knelpunt wordt een knelpunt verstaan:

  • op het gebied van milieu of mobiliteit, wanneer een bedrijf op een suboptimale plek is gevestigd in relatie tot het stedelijk gebied en daar overlast (geluid, hinder, geur, veiligheid, belasting wegennet of doorstroming) veroorzaakt voor de omgeving;

  • of waar het gaat om een bedrijf dat herplaatst moet worden ten behoeve van transformatie naar wonen, energie of groen of ten behoeve van intensivering en verduurzaming van een bestaand terrein in de regio.

Eerste lid: het provinciaal programma Wonen en werken bevat de hoofdlijnen van de gezamenlijke regionale programmeringsafspraken van gemeenten en provincie. In deze regionale programmering:

  • worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

⦁ worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

1. zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten;

2. daarnaast in overig stedelijk gebied;

3. eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors;

  • worden afspraken gemaakt over herstructurering, verduurzaming, circulariteit en efficiënt ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen.

⦁ worden afspraken gemaakt over herstructurering, verduurzaming, circulariteit en efficiënt ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen.

Eerste lid, onder a: de maximale toevoeging per bedrijventerrein is 1 hectare netto, waarbij de 8 gemeenten met het minste areaal maximaal 1 hectare mogen toevoegen, de 8 gemeenten met het meeste areaal maximaal 3 hectare, en de 10 middelste gemeenten maximaal 2 hectare. Deze uitwerking is gekozen omdat de relatieve toevoeging per gemeente op deze manier het meest bij elkaar in de buurt ligt, terwijl de (theoretisch maximale) toevoeging aanvaardbaar blijft. Meer en grotere uitbreidingen kunnen daarnaast mogelijk worden gemaakt via het programma Wonen en werken.

Eerste lid, onder b: Dede milieucategorie of gebruiksruimte van het te vestigen bedrijf moet aansluiten op de vastgelegde maximale milieucategorie of gebruiksruimte van de kavel. De maximaal toegestane milieucategorie of gebruiksruimte van de kavel in het omgevingsplan bepaalt welke bedrijven zich hier mogen vestigen. Hierbij mag het te vestigen bedrijf maximaal 1 milieucategorie lager, maar niet hoger zijn dan de vastgelegde milieucategorie in het omgevingsplan. Zo wordt geborgd dat de beschikbare milieuruimte zo goed mogelijk wordt benut. Hierbij geldt de indeling in de volgende tabel:

Maximale milieucategorie van de kavel in het bestemmingsplan of vergelijkbare gebruiksruimte voor geluid en geur onder de wet

Toegestane milieucategorie van bedrijven of vergelijkbare gebruiksruimte voor geluid en geur onder de wet

Milieucategorie 5.2

Milieucategorie 4.1, 4.2, 5.1 of 5.2

Milieucategorie 5.1

Milieucategorie 4.1, 4.2 of 5.1

Milieucategorie 4.2

Milieucategorie 4.1 of 4.2

Milieucategorie 4.1

Milieucategorie 3.2 of 4.1

Milieucategorie 3.2

Milieucategorie 3.1 of 3.2

Milieucategorie 3.1

Milieucategorie 2 en 3.1

Milieucategorie 2

Milieucategorie 2

In bestemmingsplannen, die na de inwerkingtreding van de wetOmgevingswet het omgevingsplan van rechtswege zijn, is veelvuldig de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) met milieucategorieën en een Staat van bedrijfsactiviteiten gehanteerd. In de Staat van bedrijfsactiviteiten staat een overzicht van de bedrijven die binnen deze categorieën passen. Bij een hoge categorie zijn zwaardere bedrijven toegestaan dan bij een lage categorie.

Voor de totstandkoming van omgevingsplannen bestaat een overgangstermijn. Om deze reden is hier de indeling in milieucategorieën aangehouden, maar wordt al wel verwezen naar de milieuzonering nieuwe stijl (VNG). Zie ook Servicedocument Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (juni 2022). Onder de Omgevingswet worden zones met oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur gehanteerd, zonder Staat van bedrijfsactiviteiten. Voor nieuwe omgevingsplannen onder de Omgevingswet geldt de gebruiksruimte voor geluid en geur die vergelijkbaar is met de betreffende milieucategorie. Onderstaande tabel geldt als richtlijn voor de geluidruimte.

Milieucategorie uit VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering 2009

Vergelijkbare zone geluidruimte onder de wet

Milieucategorie 1 en 2

Geluidruimte zone 1

Milieucategorie 3.1

Geluidruimte zone 2

Milieucategorie 3.2

Geluidruimte zone 3

Milieucategorie 4.1

Geluidruimte zone 4

Milieucategorie hoger dan 4.1

Hier gelden geluidproductieplafonds. Onder de Omgevingswet komen hiervoor regels in het omgevingsplan die er voor zorgen dat de geluidproductieplafonds niet worden overschreden.

Eerste lid, onder c: De vestiging van een bedrijf (ook: voorziening) werkt conceptversterkend wanneer fysieke nabijheid van dit bedrijf tot een of meerdere andere bedrijven meerwaarde creëert. Er is sprake van fysieke nabijheid wanneer de bedrijven op hetzelfde bedrijventerrein zijn gevestigd. Meerwaarde door fysieke nabijheid kan voortkomen uit ketensamenwerking, schaal- en efficiencyvoordelen of uit een substantiële bijdrage aan de aantrekkelijkheid van de werkomgeving van gevestigde bedrijven.

Met bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden worden bedrijven bedoeld die passen binnen een gemengd gebied met wonen van de VNG publicatie Activiteiten en milieuzonering.

Eerste lid, onder cd: Het onbebouwde terrein bestaat zowel uit de (private) kavels als de openbare ruimte. Het groen op daken en gevels telt ook mee voor het percentage groen-blauwe inrichting op de bedrijfskavel. Voor inspiratie, zie Groenblauwe bedrijventerreinen.

Eerste lid, onder f: Naast groen-blauwe inrichting op het bedrijventerrein, moet het bedrijventerrein zelf landschappelijk worden ingepast.

Eerste lid, onder h: de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen moeten worden verzekerd door in het Integraal Bedrijven Informatie Systeem (IBIS) aan te geven met hoeveel hectare of m2 deze revitalisering, herstructurering en efficiënter ruimtegebruik is gevorderd.

Eerste lid, onder hi: Door aan te sluiten op een bestaand bedrijventerrein of stedelijk gebied wordt het creëren van nieuwe bedrijventerreinen uitgesloten.

Tweede lid onder a: In de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is de ambitie opgenomen van een duurzame en circulaire economie in 2050. Hierbij is ook het behoud van het goede economische vestigingsklimaat van belang. De provincie Utrecht is een gewilde provincie voor bedrijfsvestiging, niet in de laatste plaats vanwege de aantrekkelijke leefomgeving. De provincie Utrecht streeft dan ook naar duurzame ontwikkeling, waaronder voor bedrijventerreinen. Een duurzame ontwikkeling voor bedrijventerreinen:

1. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;

2. bevordert efficiënt ruimtegebruik, door te streven naar een zo hoog mogelijke floor space index;

3. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

4. draagt bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;

5. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;

6. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

  • a.

    bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;

  • b.

    bevordert efficiënt ruimtegebruik, door te streven naar een zo hoog mogelijke floor space index;

  • c.

    geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

  • d.

    draagt bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;

  • e.

    geeft invulling aan de indicatoren uit de leidraad Het Nieuwe Normaal Nieuwbouw ten behoeve van circulair bouwen;

  • f.

    draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Efficiënt ruimtegebruik: efficiënt ruimtegebruik op bedrijventerreinen betekent dat de ruimte zo efficiënt mogelijk wordt benut, zowel de bedrijfskavels als de openbare ruimte. Hiervoor wordt op bedrijfskavels een zo hoog mogelijke floor space index gerealiseerd. Voorbeelden van mogelijkheden om bedrijventerreinen efficiënter te gebruiken zijn bijvoorbeeld de aanleg van ondergrondse of inpandige (collectieve) parkeervoorzieningen, het meer in de hoogte bouwen, het terugdringen van restruimte en gezamenlijk parkmanagement. Vanuit de ladder voor verstedelijking die in het Besluit kwaliteit leefomgeving is opgenomen gelden dienaangaande ook voorwaarden, zoals het zoveel mogelijk hergebruiken van leegstaand of leegkomend vastgoed.

Duurzame mobiliteit: duurzame mobiliteit is klimaatneutraal, toekomstbestendig en voldoet zo veel mogelijk aan de gewenste kwaliteit van de leefomgeving. Dit betekent onder andere terugdringing van het (fossiele) energieverbruik en van de CO2-uitstoot.

Duurzame, concurrerende economie: een duurzame economie is een circulaire, schone en op groene grondstoffen gebaseerde en toekomstbestendige economie. Een concurrerende economie is een economie die zich blijvend vernieuwt en aanpast aan nieuwe omstandigheden en zo een aantrekkelijk vestigingsklimaat biedt aan bedrijven en een goede regionale en (inter)nationale concurrentiekracht kent.

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.16a Beoordelingsregel aanvraag ontheffing tijdelijke locaties voor flexwoningen

Gehele artikel: De beoordelingsregel geeft aan onder welke voorwaarden gedeputeerde staten een ontheffing kan verlenen of weigeren.

Artikel 9.14a biedt mogelijkheden voor de bouw van een beperkt aantal flexwoningen in het gebied 'Uitbreiding woningbouw onder voorwaarden'. Wanneer blijkt dat de urgente vraag naar flexwoningen daarmee niet opgelost kan worden, kan een ontheffing aangevraagd worden van dat artikel. De beoordelingsregel daarvoor staat in artikel 9.16aArtikel 9.16a. De beoordelingsregel geeft aan onder welke voorwaarden gedeputeerde staten een ontheffing kan verlenen of weigeren. De ontheffingsmogelijkheid beperkt zich tot het gebied Uitbreiding woningbouw onder voorwaarden.

Sub b: volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de “duurzame verstedelijkingsladder” (artikel 5.129g: zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) worden toegepast. Dat geldt ook voor tijdelijke locaties.

Sub d: door aan te sluiten bij het stedelijk gebied, wordt het creëren van nieuwe kernen uitgesloten. Bij een ontheffing voor flexwoningen kan daar iets soepeler mee worden omgegaan, maar de woningen moeten in ieder geval nabij het stedelijk gebied worden gerealiseerd. Ook voor flexwoningen moet immers de bereikbaarheid van voorzieningen en een goede ontsluiting zijn verzekerd. Ook mag door het niet aansluiten bij de kern geen onevenredige inbreuk op het landschap ontstaan.

Sub f: flexwoningen zijn per definitie van tijdelijke aard. Er moet daarom worden voorzien in een opruimplicht. Daarin moet vastliggen dat de flexwoningen tot maximaal 15 jaar blijven staan en moet ook worden aangegeven, hoe het terrein na verwijdering van de flexwoningen wordt opgeleverd.

Sub g: de flexwoningen moeten landschappelijk goed worden ingepast. Daarbij moet, en kan, wel rekening gehouden worden met de tijdelijke aard van de flexwoningen en het beoogde gebruik van het terrein na verwijdering van de flexwoningen.

Sub h: tot 200 flexwoningen geldt er geen verplichting ten aanzien van lokale en regionale groenontwikkeling. Daarboven wel. Daarbij moet onderbouwd worden hoe de lokale en regionale groen ontwikkeling (natuur en recreatie) wordt gerealiseerd. Daarbij moet de verhouding tussen de aanwezigheid van “rood” en “groen” in verhouding zijn. Met het oog op een nadere duiding van een evenwichtige verhouding tussen verstelijking en groen is een handreiking opgesteld: de Handreiking Nieuwe Woongebieden.

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.17 Instructieregel verstedelijking

Gehele artikel: Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de “duurzame verstedelijkingsladder” (artikel 5.129g: zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) worden toegepast.

Tweede lid, onder a: Het provinciaal programma Wonen en werken bevat de hoofdlijnen van de gezamenlijke regionale programmeringsafspraken van gemeenten en provincie. In deze regionale programmering:

  • worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

⦁ worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

1. zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten;

2. daarnaast in overig stedelijk gebied;

3. eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors);

⦁ worden afspraken vastgelegd om te borgen dat binnen het programma voldoende woningen worden gebouwd in het sociale en middensegment waarbij wordt uitgegaan van het kader PPWW ; en indien de Wet versterking regie in werking is getreden de hieruit voortvloeiende betaalbaarheidseisen; en

⦁ worden afspraken gemaakt over energieneutrale, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw, evenredige groenontwikkeling en efficiënt ruimtegebruik.

Derde lid onder b: Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor woonlocaties mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen. Hierbij wordt in ieder geval ingegaan op de volgende thema's van toekomstbestendig bouwen uit de Bijlage XXII Toekomstbestendig bouwen:

  • worden afspraken vastgelegd om te borgen dat binnen het programma voldoende woningen worden gebouwd in het sociale en middensegment waarbij wordt uitgegaan van de afspraken uit de regionale woondeals energie; en

  • circulariteit;

  • duurzame mobiliteit;

  • klimaatmitigatie;

  • klimaatadaptatie;

  • (drink)waterbesparing;

  • worden afspraken gemaakt over energieneutrale, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw, evenredige groenontwikkeling en efficiënt ruimtegebruik.

    natuurinclusiviteit en biodiversiteit;

  • gezonde leefomgeving.



CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.18 Instructieregel bedrijventerreinen stedelijk gebied

Gehele artikel: volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de "duurzame verstedelijkingsladder" (artikel 5.129g: zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) worden toegepast.

Onder uitgifte bedrijventerrein wordt verstaan: nieuwe of hernieuwde uitgifte van een kavel die is toegedeeld met de functie als bedrijventerrein. De gewijzigde regels in de verordening zijn van toepassing bij een nieuw of gewijzigd omgevingsplan. De verordening geldt in dat geval voor uitbreidingen van bedrijventerrein, maar ook als een kavel op een bestaand bedrijventerrein opnieuw uitgegeven wordt. Dus ook als bedrijven onderling grond verkopen, of als een kavel op een bedrijventerrein de functie ‘Bedrijventerrein’ krijgt.

Onder een ruimtelijk of functioneel knelpunt wordt een knelpunt verstaan:

  • op het gebied van milieu of mobiliteit, wanneer een bedrijf op een suboptimale plek is gevestigd in relatie tot het stedelijk gebied en daar overlast (geluid, hinder, geur, veiligheid, belasting wegennet of doorstroming) veroorzaakt voor de omgeving;

  • of waar het gaat om een bedrijf dat herplaatst moet worden ten behoeve van transformatie naar wonen, energie of groen of ten behoeve van intensivering en verduurzaming van een bestaand terrein in de regio.

Eerste lid: het provinciaal programma Wonen en werken bevat de hoofdlijnen van de gezamenlijke regionale programmeringsafspraken van gemeenten en provincie. In deze regionale programmering:

  • worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

⦁ worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten:

1. zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten;

2. daarnaast in overig stedelijk gebied;

3. eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors;

  • worden afspraken gemaakt over herstructurering, verduurzaming, circulariteit en efficiënt ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen.

⦁ worden afspraken gemaakt over herstructurering, verduurzaming, circulariteit en efficiënt ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen.

Eerste lid, onder c: de milieucategorie of gebruiksruimte van het te vestigen bedrijf moet aansluiten op de vastgelegde maximale milieucategorie of gebruiksruimte van de kavel. De maximaal toegestane milieucategorie of gebruiksruimte van de kavel in het omgevingsplan bepaalt welke bedrijven zich hier mogen vestigen. Hierbij mag het te vestigen bedrijf maximaal 1 milieucategorie lager, maar niet hoger zijn dan de vastgelegde milieucategorie in het omgevingsplan. Zo wordt geborgd dat de beschikbare milieuruimte zo goed mogelijk wordt benut. Hierbij geldt de indeling in de volgende tabel:

Maximale milieucategorie van de kavel in het bestemmingsplan of vergelijkbare gebruiksruimte voor geluid en geur onder de wet

Toegestane milieucategorie van bedrijven of vergelijkbare gebruiksruimte voor geluid en geur onder de wet

Milieucategorie 5.2

Milieucategorie 4.1, 4.2, 5.1 of 5.2

Milieucategorie 5.1

Milieucategorie 4.1, 4.2 of 5.1

Milieucategorie 4.2

Milieucategorie 4.1 of 4.2

Milieucategorie 4.1

Milieucategorie 3.2 of 4.1

Milieucategorie 3.2

Milieucategorie 3.1 of 3.2

Milieucategorie 3.1

Milieucategorie 2 en 3.1

Milieucategorie 2

Milieucategorie 2

In bestemmingsplannen, die na de inwerkingtreding van de Omgevingswet het omgevingsplan van rechtswege zijn, is veelvuldig de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) met milieucategorieën en een Staat van bedrijfsactiviteiten gehanteerd. In de Staat van bedrijfsactiviteiten staat een overzicht van de bedrijven die binnen deze categorieën passen. Bij een hoge categorie zijn zwaardere bedrijven toegestaan dan bij een lage categorie.

Voor de totstandkoming van omgevingsplannen bestaat een overgangstermijn. Om deze reden is hier de indeling in milieucategorieën aangehouden, maar wordt al wel verwezen naar de milieuzonering nieuwe stijl (VNG). Zie ook Servicedocument Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (juni 2022). Onder de Omgevingswet worden zones met oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur gehanteerd, zonder Staat van bedrijfsactiviteiten. Voor nieuwe omgevingsplannen onder de Omgevingswet geldt de gebruiksruimte voor geluid en geur die vergelijkbaar is met de betreffende milieucategorie. Onderstaande tabel geldt als richtlijn voor de geluidruimte.

Milieucategorie uit VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering 2009

Vergelijkbare zone geluidruimte onder de Omgevingswet

Milieucategorie 1 en 2

Geluidruimte zone 1

Milieucategorie 3.1

Geluidruimte zone 2

Milieucategorie 3.2

Geluidruimte zone 3

Milieucategorie 4.1

Geluidruimte zone 4

Milieucategorie hoger dan 4.1

Hier gelden geluidproductieplafonds. Onder de Omgevingswet komen hiervoor regels in het omgevingsplan die er voor zorgen dat de geluidproductieplafonds niet worden overschreden.

Eerste lid, onder d: de vestiging van een bedrijf (ook: voorziening) werkt concept-versterkend wanneer fysieke nabijheid van dit bedrijf tot een of meerdere andere bedrijven meerwaarde creëert. Er is sprake van fysieke nabijheid wanneer de bedrijven op hetzelfde bedrijventerrein zijn gevestigd. Meerwaarde door fysieke nabijheid kan voortkomen uit ketensamenwerking of schaal- of efficiencyvoordelen.

Met bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden worden bedrijven bedoeld die passen binnen een gemengd gebied met wonen van de VNG publicatie Activiteiten en milieuzonering.

Eerste lid, onder de: het onbebouwde terrein bestaat zowel uit de (private) kavels als de openbare ruimte. Het groen op daken en gevels telt ook mee voor het percentage groen-blauwe inrichting op de bedrijfskavel. Voor inspiratie, zie Groenblauwe bedrijventerreinen.

Eerste lid, onder f: door aan te sluiten op een bestaand bedrijventerrein of stedelijk gebied wordt het creëren van nieuwe bedrijventerreinen uitgesloten.

Tweede Derde lid: inIn de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is de ambitie opgenomen van een duurzame en circulaire economie in 2050. Hierbij is ook het behoud van het goede economische vestigingsklimaat van belang. De provincie Utrecht is een gewilde provincie voor bedrijfsvestiging, niet in de laatste plaats vanwege de aantrekkelijke leefomgeving. De provincie Utrecht streeft dan ook naar duurzame ontwikkeling, waaronder voor bedrijventerreinen. Een duurzame ontwikkeling voor bedrijventerreinen:

Een duurzame ontwikkeling voor bedrijventerreinen:

  • a.

    bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;

  • b.

    bevordert efficiënt ruimtegebruik, door te streven naar een zo hoog mogelijke floor space index;

  • c.

    geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

  • d.

    draagt bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;e. geeft invulling aan de indicatoren uit de leidraad

  • e.

    het Nieuwe Normaal Nieuwbouw ten behoeve van circulair bouwen;

  • e f.

    geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;

  • f g.

    draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Efficiënt ruimtegebruik: : efficiënt Efficiënt ruimtegebruik op bedrijventerreinen betekent dat de ruimte zo efficiënt mogelijk wordt benut, zowel de bedrijfskavels als de openbare ruimte. Hiervoor wordt op bedrijfskavels een zo hoog mogelijke floor space index gerealiseerd. Voorbeelden van mogelijkheden om bedrijventerreinen efficiënter te gebruiken zijn bijvoorbeeld de aanleg van ondergrondse of inpandige (collectieve) parkeervoorzieningen, het meer in de hoogte bouwen, het terugdringen van restruimte en gezamenlijk parkmanagement. Vanuit de ladder voor verstedelijking die in het Besluit kwaliteit leefomgeving is opgenomen gelden dienaangaande ook voorwaarden, zoals het zoveel mogelijk hergebruiken van leegstaand of leegkomend vastgoed.

Duurzame mobiliteit: duurzame mobiliteit is klimaatneutraal, toekomstbestendig en voldoet zo veel mogelijk aan de gewenste kwaliteit van de leefomgeving. Dit betekent onder andere terugdringing van het (fossiele) energieverbruik en van de CO2-uitstoot.

  Duurzame, concurrerende economie mobiliteit: een Duurzame mobiliteit is klimaatneutraal, toekomstbestendig en voldoet zo veel mogelijk aan de gewenste kwaliteit van de leefomgeving. Dit betekent onder andere terugdringing van het (fossiele) energieverbruik en van de CO2-uitstoot.

Duurzame, concurrerende economie: Een
duurzame economie is een circulaire, schone en op groene grondstoffen gebaseerde en toekomstbestendige economie. Een concurrerende economie is een economie die zich blijvend vernieuwt en aanpast aan nieuwe omstandigheden en zo een aantrekkelijk vestigingsklimaat biedt aan bedrijven en een goede regionale en (inter)nationale concurrentiekracht kent.

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

Na sectie 9.18 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 9.18a Instructieregel bedrijventerrein van strategisch belang

Bedrijventerreinen met bereikbaarheid via het water en veel milieuruimte zijn schaars en staan onder druk door planvorming voor transformatie. Deze bedrijven met bijbehorende infrastructuur kunnen niet of bijna niet worden verplaatst, maar zijn wel van provinciaal (en nationaal) belang voor strategische autonomie en/of het duurzaam verdienvermogen. De provincie wil de bestaande bedrijventerreinen met deze kenmerken daarom behouden. Om te voorkomen dat dergelijke bedrijventerreinen worden afgewaardeerd, wordt de hoogst mogelijke gebruiksruimte vastgelegd in het omgevingsplan. Op deze wijze wordt het aanbod van fysieke ruimte voor zware bedrijvigheid, die onder meer nodig is voor de opgaven in de circulaire economie, zoveel mogelijk geborgd. Bestaande woningen en/of andere bestaande functies mogen aanwezig blijven. Het toestaan van nieuwe milieugevoelige objecten op het gebied van het bedrijventerrein van strategisch belang is echter niet in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er mogen dus geen nieuwe milieugevoelige objecten op het bedrijventerrein van strategisch belang worden toegestaan die de gebruiksruimte van het bedrijventerrein van strategisch belang beperken.

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.19 Instructieregel kantoren

Gehele artikel: deDe regels van dit artikel die betrekking hebben op kantoren zijn van toepassing op het gehele provinciale grondgebied. Dit is alleen anders voor de regels die gelden voor kantoren op een knooppunt (zie derde lid) omdat daarvoorwaarvoor expliciet een gebied is aangewezen en voor de locaties waar het vierde lid betrekking op heeft. In Artikel 1.1 is gedefinieerd wat in deze verordening onder het begrip “kantoren”, “zelfstandige kantoren” en “ondergeschikte kantoren” wordt begrepen. Onder nieuwvestiging kantoren wordt verstaan de toevoeging of uitbreiding van een kantoor of de transformatie van een gebouw naar een kantoor ten opzichte van het vigerende omgevingsplan door middel van een besluit. Hierbij gaat het uitsluitend om de planologische nieuwvestiging voor zover dit betrekking heeft op zelfstandige en ondergeschikte kantoren. De (gedeeltelijke) planologische transformatie van een gebouw naar een kantoor, waardoor dit getransformeerde gebouw kan worden gekwalificeerd als een zelfstandig of ondergeschikt kantoor, wordt onder “nieuwvestiging van een zelfstandig kantoor” begrepen. Hetzelfde geldt voor de planologische uitbreiding van een zelfstandig of ondergeschikt kantoor.

Dit artikel heeft betrekking op nieuwvestiging van kantoren en op aanwezige plancapaciteit in bestaande gemeentelijke omgevingsplannen en is een voortzetting van de regeling uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (herijking 2016) en Interim omgevingsverordening.

Dienstenrichtlijn: De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 16 januari 2016 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn (DRL) op bestemmingsplannen met brancheringsbepalingen over detailhandel. Uit het op 30 januari 2018 verschenen arrest van het Hof (C-31/16), ECLI:EU:C:2018:44) moet onder meer de conclusie worden getrokken dat de DRL ook van toepassing is op de regeling in deze omgevingsverordening over kantoren. Vervolgens heeft de ABRvS op 24 juli 2019 definitief uitspraak gedaan in de zaak Appingedam (ECLI:NL:RVS:2019:2569). Uit de artikelen 14 lid 5 en 15 lid 3 onder b van de DRL in onderling verband bezien, volgt dat regels in een omgevingsverordening geen planningseisen mogen bevatten waarmee economische doelen worden nagestreefd, maar uitsluitend mogen voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang waarbij de noodzaak van de regeling moet worden aangetoond. Het gaat daarbij om de vraag wat uit een oogpunt van evenwichtige regulering van activiteiten de noodzaak is voor een kantorenregeling en het maken van onderscheid tussen verschillende gebieden. Inmiddels is er een aantal belangrijke uitspraken van de ABRvS verschenen over de DRL. De kern van deze uitspraken is dat een ruimtelijk besluit waarop de DRL van toepassing is, niet in strijd mag zijn met het discriminatiebeginsel (de herkomst van de dienstverrichter mag geen rol spelen), het noodzakelijkheidsbeginsel (er moet sprake zijn van een dwingende reden van algemeen belang) en het evenredigheidsbeginsel (is het besluit geschikt: daartoe moet het doel van de regeling coherent en systematisch worden nagestreefd, is de regeling effectief om de nagestreefde doelen te bereiken, gaat de regeling niet verder dan nodig is en zijn er geen andere, minder beperkende maatregelen mogelijk).

· Artikel 14 lid 5 DRL: geen economische- en marktordening. De DRL verbiedt economische ordening en marktordening van activiteiten van dienstverrichters. Dat vloeit voort uit art. 14 lid 5 DRL. Het Kantorenmarktonderzoek 2015 en de Monitor 2018 van dit onderzoek vormen de onderbouwing voor de TSK en het daaruit voortvloeiende inpassingsplan. Het gaat hier niet om de regulering van concurrentieverhoudingen of (economische) marktordening. Het onderzoek is uitsluitend gericht op de beantwoording van de vraag wat de behoefte is aan ten opzichte van de bestaande voorraad toe te voegen kantoren in de planperiode van het Inpassingsplan Kantoren tot en met 2027. Deze behoefte is bepalend voor de omvang van de planreductie op TSK-locaties: is er sprake van volledige of gedeeltelijke reductie van in het omgevingsplan opgenomen overcapaciteit voor zelfstandige kantoren? Deze behoefte en de daarop afgestemde omvang van plancapaciteit op TSK-locaties is vanwege het hiermee gemoeide ruimtebeslag een ruimtelijk relevant aspect dat zich leent voor regulering door middel van een besluit over de ruimtelijke ordening omdat het gevolgen heeft voor de ruimtelijke ontwikkeling van bepaalde locaties. Dat bij dit onderzoek ook economische criteria een rol hebben gespeeld, maakt een en ander niet anders omdat de aanwijzing in de TSK van reductielocaties uitsluitend heeft plaatsgevonden op basis van ruimtelijk relevante overwegingen die rechtstreeks verband houden met het criterium ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ uit de wet. Er is geen strijd met artikel 14 lid 5 DRL.

· Artikel 15 lid 3 onder a DRL: het discriminatieverbod. Uit een oogpunt van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (voorheen een goede ruimtelijke ordening) is het niet relevant of een dienstverrichter uit Nederland afkomstig is of uit een andere lidstaat van de EU. Bij de in het Inpassingsplan Kantoren doorgevoerde planreductie wordt geen onderscheid naar herkomst van dienstverrichters uit de lidstaten van de EU gemaakt. De hoeveelheid plancapaciteit voor kantoren staat los van de herkomst van dienstverrichtersverleners. Planreductie door middel van het artikel Instructieregel kantoren is niet discriminerend. Er is geen strijd met artikel 15 lid 3 onder a DRL.

· Artikel 15 lid 3 onder b DRL: het noodzakelijkheidsbeginsel. Met planreductie door middel van het artikel Instructieregel kantoren wordt beoogd om in vigerende omgevingsplannen opgenomen planologische overcapaciteit voor zelfstandige kantoren te verminderen. Uit het Kantorenmarktonderzoek 2015 en de Monitor 2018 van dit onderzoek komt duidelijk naar voren dat voor bepaalde locaties tot en met 2027 (veel) minder behoefte is aan ten opzichte van de bestaande voorraad toe te voegen kantoren dan is voorzien in de bestaande plancapaciteit die is opgenomen in vigerende omgevingsplannen. Op basis van deze Monitor kunnen actuele en concrete uitspraken worden gedaan over planreductie op gemeentelijk locatieniveau. Hierdoor kunnen op dat niveau ook uitspraken worden gedaan over de noodzaak van een (planologische) ingreep op de locaties die zijn opgenomen in de TSK en het Inpassingsplan Kantoren vanwege de onbenutte plancapaciteit voor de bouw van zelfstandige kantoren die op deze locaties aanwezig is. Dat betekent dat er sprake is van planologische overcapaciteit, wat niet in overeenstemming is met de eis van kwaliteit van de fysieke leefomgeving (voorheen een goede ruimtelijke ordening). Het in stand houden van deze (planologische) overcapaciteit kan leiden tot het ontstaan van ongewenste neveneffecten. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan leegstaande kantoorgebouwen die niet worden gerenoveerd omdat nieuwbouw op een locatie met planologische overcapaciteit financieel aantrekkelijker is dan renovatie. Op deze wijze ontstaat op sluipende wijze een proces van verpaupering op bepaalde locaties, wat een negatief effect heeft op de kwaliteit van het stedelijk milieu in een bepaald gebied.

· Na realisering van de planreductie voldoet het vigerende (planologische) regime voor de betreffende locaties weer aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Planreductie door middel van het artikel Instructieregel kantoren betreft dan ook een noodzakelijke ingreep die moet worden beschouwd als een gerechtvaardigde eis om een dwingende reden van algemeen belang. Er is geen strijd met artikel 15 lid 3 onder b DRL.

· Artikel 15 lid 3 onder c DRL: het evenredigheidsbeginsel. Gelet op het gemeentegrensoverschrijdende karakter van de problemen die gepaard gaan met kantorenleegstand en het bestaan van (planologische) overcapaciteit van zelfstandige kantoren, op het schaalniveau van de provincie is een provinciale regeling nodig en deze regeling gaat niet verder dan nodig is om het beoogde doel te bereiken.

Tweede lid, onder c: Wat een redelijke termijn is, zal uit nadere jurisprudentie moeten blijken. Vooralsnog wordt aansluiting gezocht bij de planperiode van 10 jaar, zoals die onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) overigens nog wel bestond voor analoge bestemmingsplannen. Dit vraagstuk doet zich ook voor bij het vraagstuk positieve bestemming/ of overgangsrecht voor bestaand afwijkend gebruik. Tot op heden gaat de ABRvS hierbij nog steeds uit van de 10 jaar. De Memorie van Toelichting Omgevingswet (TK 33962, nr.3) merkt op: “Het loslaten van de tienjaarlijkse actualiseringstermijn van de Wro, waaraan ook de uitvoeringstermijn van 10 jaar is gekoppeld, betekent dat de gemeenteraad bij een wijziging van de bestaande functie of – bijvoorbeeld in het kader van uitnodigingsplanologie – bij het toevoegen van een nieuwe functie aan een locatie uitsluitend moet beoordelen of de nieuwe functie uit oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is en of er objectieve belemmeringen zijn, waarvan op voorhand aannemelijk is dat die niet binnen een redelijke termijn zullen worden weggenomen. Daarbij mag de raad ook maatschappelijke ontwikkelingen op de langere termijn in aanmerking nemen.”

Vierde lid: De regeling van dit lid geldt tot 1 januari 2029. Na 1 januari 2029 zijn de eerste 2 leden van artikel 9.19 ook van toepassing op de Reductielocaties TSK.

Het vierde lid bevat een regeling voor de benutting van nog resterende plancapaciteit voor zelfstandige kantoren. De wet en de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) kennen een complex stelsel van overgangsrecht voor de instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Dat geldt ook voor wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen die gebaseerd zijn op artikel 3.6, eerste lid, Wro. Op basis van artikel 22.1 onder a, van de wet, in samenhang met artikel 4.6, lid 1 onder g en h IOw, worden deze bevoegdheden en verplichtingen van rechtswege omgezet in een delegatiebesluit als bedoeld in artikel 2.8 van de wet. Uit artikel 4.6, tweede lid, IOw, volgt dat de Wro uitsluitend van toepassing is wanneer vóór de inwerkingtreding van de wet een ontwerp van een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan ter inzage is gelegd. In dat geval blijven de wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen deel uitmaken van het ‘tijdelijk deel’ van de wet. Tijdens de overgangsfase, die loopt tot 1 januari 2029, hoeft dit tijdelijk deel niet te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.2, eerste lid, van de wet (“Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn”). Wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen uit bestemmingsplannen die niet gebruikt zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet vallen dus niet onder de eerbiedigende werking van het overgangsrecht maar hiervoor heeft de wet onmiddellijke werking. Dat betekent dat onbenutte capaciteit voor zelfstandige kantoren die is opgenomen in niet tijdig gebruikte wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen, na de inwerkingtreding van de wet alleen nog kan worden aangewend door middel van een nieuw vast te stellen omgevingsplan dat voldoet aan de eisen van artikel 4.2, eerste lid, van de wet, het ‘nieuwe deel’ van de wet. Het beslissend criterium is dus of op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet en deze verordening een ontwerp van een wijzigingsplan of uitwerkingsplan dat voorziet in aanwending van onbenutte capaciteit, ter inzage is gelegd. Is dat het geval, dan is het ‘tijdelijk deel’ van de wet op de procedure van toepassing en hoeft niet te worden voldaan aan de eisen van artikel 4.2, eerste lid, van de wet. Is dat niet het geval, dan geldt het ‘nieuwe deel’ van de wet en moet aan deze bepaling worden voldaan door middel van een vast te stellen omgevingsplan.

Voor op artikel 3.6 lid 1 onder c Wro gebaseerde binnenplanse afwijkingsbevoegdheden geldt dat regels hierover in het bestemmingsplan van rechtswege worden opgenomen in het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan. Dat betekent dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor binnenplanse afwijking na inwerkingtreding van de wet aan de regels uit het omgevingsplan moeten worden getoetst. Dat volgt uit artikel 22.10 van de wet, in samenhang met artikel 5.21, tweede lid onder a, van de wet. De huidige omgevingsvergunning voor binnenplanse afwijking wordt straks vervangen door “het besluit tot verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit afwijken van de binnenplanse regels van het omgevingsplan”.

Vijfde lid: Deze flexibiliteitsbepaling maakt het mogelijk om onbenutte plancapaciteit voor zelfstandige kantoren op locaties die gelegen zijn binnen de TSK, te verplaatsen naar een onbebouwd perceel dat binnen dezelfde locatie gelegen is. Het gaat om een schuifregeling. Voorwaarde voor verplaatsing van onbenutte plancapaciteit is dat binnen de betreffende locatie gelijktijdig reductie plaatsvindt op gronden die niet zullen worden gebruikt voor de bouw van een zelfstandig kantoor of zelfstandige kantoren. Deze voorwaarde borgt dat het bvo aan bouwmogelijkheden voor zelfstandige kantoren binnen de locatie minimaal gelijk blijft aan dat wanneer er geen verplaatsing zou hebben plaatsgevonden. De behoefte van aan ten opzichte van de bestaande voorraad nog toe te voegen kantoorruimte in de periode tot 2027, is berekend in het Kantorenmarktonderzoek 2015. In 2018 is in het kader van de voorbereiding van het Inpassingsplan Kantoren het onderzoek gemonitord (Monitor 2018). Onderzoek en monitoring zijn uitgevoerd door Stec. Omdat verplaatsing van onbenutte plancapaciteit oppervlakteneutraal moet plaatsvinden, is dat in overeenstemming met de uitgangspunten van de TSK en het op 10 december 2018 vastgestelde Inpassingsplan Kantoren, waarvan de onderbouwing wordt gevormd door Stec 2015 en 2018.

Eerste lid, tweede lid, derde lid en vierde lid:

De werkingsgebieden van Categorie 1, 2, 3 en 4 zijn gebaseerd op de marktbehoefte aan kantoren uit de provinciale behoefteraming kantoren. Om de drie jaar wordt de behoefte aan kantoren in beeld gebracht door middel van een vraag-aanbod-confrontatie. In deze behoefteraming wordt de behoefte op alle kantoorlocaties in de provincie geraamd, met een extra focus op goed bereikbare locaties in brede zin. Conform de marktbehoefte in de meest recente behoefteraming kunnen de categorieën 1, 2, 3 en 4 elke wijzigingsronde van de Omgevingsverordening aangepast worden aan de marktbehoefte op dat moment.

Om te bepalen of de provinciale kantorenleegstand minder dan 8% dan wel 10% is, wordt de jaarlijkse actualisatie van de vastgoedmonitor van de provincie Utrecht gehanteerd. Hierbij gaat het om het leegstandspercentage van de gehele provincie Utrecht. De meest recente vastgoedmonitor is te vinden op: CW - Vastgoedmonitor Provincie Utrecht 2025.

Vierde lid, onder a: het betreft hier een vrije mogelijkheid voor gemeenten om naar eigen inzicht een gelimiteerd aantal m2 kantoren toe te voegen, zodat maatwerk geleverd kan worden aansluitend op lokale wensen. Het biedt ruimte om marktvraag te bedienen buiten de categorie 1 tot en met categorie 3 kantoorlocaties. Het strekt tot aanbeveling om te kiezen voor concentratie op goed bereikbare locaties, zoals OV-knooppunten, maar ook andere locaties met een aantoonbare mobiliteitskwaliteit. Het geeft de mogelijkheid om in te kunnen spelen op mogelijk veranderende lokale vestigingscriteria in de toekomst en om, in beperkte mate, te kiezen voor niet OV-locaties/snelweglocaties.

Het gaat hier om een toevoeging van nieuwe kantoorruimte. De bestaande voorraad kantoren blijft gewoon bestaan, zodat nog steeds voorzien wordt in kantoorruimte op snelweglocaties voor bedrijven met werknemers die voor uitvoering van hun baan veel gebruik maken van de auto.

Vierde lid, onder b: bij het bepalen van de omvang van het kantorenprogramma kunnen de volgende aspecten door de gemeente worden afgewogen:

  • Ov-bereikbaarheid van de locatie en de mobiliteitsopgave (capaciteit treinstations en bijdrage aan het creëren van tegenspits);

  • voorziene functiemix in de gebiedsontwikkeling (programmering);

  • voorzien aantal woningen in de gebiedsontwikkeling;

  • het kantorenprogramma voorziet in een marktbehoefte;

  • het kantorenprogramma past bij de aard en omvang van het gebied/de kern;

  • in hoeverre er in dit gebied of elders in de gemeente (incourante/leegstaande) kantoren worden onttrokken/getransformeerd, en rekening houdend met de bestaande leegstand in het gebied en de omgeving;

  • in hoeverre er bij het bouwkundig ontwerp van de kantoren rekening wordt gehouden met een eventuele toekomstige transformatie naar een woonfunctie;

  • bijdrage van de kantoorontwikkeling aan (kwalitatieve) doelstellingen van de provincie Utrecht, zoals klimaatadaptief, natuurinclusief, duurzaam en circulair bouwen.

Zesde Zevende lid : : Deze bepaling bevat een schuifregeling die het mogelijk maakt om bestaande plancapaciteit (benutteonbenutte bouwmogelijkheden) voor zelfstandige kantoren binnen een gebied dat is aangewezen als locatie Gebiedstransformatie of herstructurering te herhuisvesten op een ander bouwperceel binnen die locatie. Dat is mogelijk wanneer dat nodig is in verband met gebiedstransformatieeenzelfde categorie of herstructurering van die locatie en daarbinnen gelegen bouwpercelen. In dat geval kan de functie voor zelfstandige kantoren worden verplaatst naar een nieuw bouwperceelhogere categorie binnen dezelfde locatiede gemeente. Gelijktijdig met die verplaatsing moeten de gebruiksmogelijkheden voor zelfstandige kantoren op het te verlaten bouwperceel worden beëindigd waardoor er sprake is van een oppervlakteneutrale verplaatsing. Het bvo voor zelfstandige kantoren op het nieuwe bouwperceel mag maximaalten hoogste gelijk zijn aan het bvo op basis van de maximale gebruiksmogelijkheden van het te verlaten bouwperceel. Dat betekent dat wanneer op basis van deze maximale gebruiksmogelijkheden het bvo voor zelfstandige kantoren op het te verlaten bouwperceel 20002.000 m2 bedraagt en er 15001.500 m2 gerealiseerd is, het bvo op het nieuwe bouwperceel maximaal 20002.000 m2 mag bedragen. Er is dus sprake van een oppervlakteneutrale verplaatsing van de kantoorfunctie, waarbij geen onbenutte meters voor uitbreiding worden ingeleverd. Dat voorkomt (ook) dat het voor een partij minder aantrekkelijk wordt op vrijwillige basis aan verplaatsing mee te werken waardoor het risico bestaat dat het proces van gebiedstransformatie of herstructurering onnodige vertraging oploopt. Een en ander is ook in overeenstemming met het bepaalde in het tweede lid onder e van artikel Instructieregel kantoren. Omdat het om een oppervlakteneutrale verplaatsing van plancapaciteit voor zelfstandige kantoren naar een ander bouwperceel binnen dezelfde locatie gaat, is er geen sprake van toevoeging van nieuwe kantorenmeters voor zelfstandige kantoren aan de betreffende locatie. Door de schuifregeling wordt de speelruimte vergroot om binnen de regels die gelden voor nieuwvestiging van zelfstandige kantoren, maatwerk te kunnen leveren waardoor beter kan worden ingespeeld op nieuwe en dynamische ontwikkelingen.

Zesde lid, onder c: Deze regeling moet voorkomen dat bestaande plancapaciteit voor zelfstandige kantoren die betrekking heeft op een bouwperceel waarop een inmiddels een in een andere functie getransformeerd kantoorgebouw staat, wordt verplaatst naar een nieuw bouwperceel binnen de transformatielocatie. In dat geval zouden nieuwe kantorenmeters aan die locatie worden toegevoegd, wat niet de bedoeling is van de verplaatsingsregeling. De transformatie heeft in dat geval plaatsgevonden door middel van een vergunning die van het omgevingsplan afwijkend gebruik mogelijk maakt. Voor zover het gaat om de transformatie van een kantoorgebouw in een ander functie, kan deze bepaling uitsluitend worden gebruikt voor zover de gronden zijn gelegen binnen de bebouwde kom. Bij de omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van de functie wordt de kantorenfunctie echter niet gewijzigd omdat daarvoor een door de raad vastgestelde omgevingsplanwijziging nodig is.

Achtste lid: Deze bepaling bevat een schuifregeling die het mogelijk maakt om bestaande kantoren (benutte bouwmogelijkheden) voor zelfstandige kantoren te herhuisvesten op een ander bouwperceel binnen eenzelfde categorie of naar een hogere categorie binnen de gemeente. Gelijktijdig met die verplaatsing moeten de gebruiksmogelijkheden voor zelfstandige kantoren op het te verlaten bouwperceel worden beëindigd waardoor er sprake is van een oppervlakteneutrale verplaatsing. Het bvo voor zelfstandige kantoren op het nieuwe bouwperceel mag ten hoogste gelijk zijn aan het bestaande bvo op het te verlaten bouwperceel. Omdat het om een oppervlakteneutrale verplaatsing van bestaande zelfstandige kantoren naar een ander bouwperceel gaat, is er geen sprake van toevoeging van nieuwe kantorenmeters voor zelfstandige kantoren. Door de schuifregeling wordt de speelruimte vergroot om binnen de regels die gelden voor nieuwvestiging van zelfstandige kantoren, maatwerk te kunnen leveren waardoor beter kan worden ingespeeld op nieuwe en dynamische ontwikkelingen.

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.20 Instructieregel detailhandel

Gehele artikel: in Artikel 1.1 is gedefinieerd wat in deze verordening onder het begrip “detailhandel” wordt begrepen. Met dit artikel wordt mede beoogd leegstand in “Bestaand winkelgebied” te voorkomen vanwege de negatieve effecten die dat heeft voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het behoud van een goede retailstructuur richt zich op de nabijheid en bereikbaarheid van goede voorzieningen. Bestaande winkelgebieden moeten daarom worden behouden en versterkt.

In de regeling voor detailhandel wordt een onderscheid gemaakt in gebieden die zijn aangewezen als ‘Bestaand winkelgebied’ en ‘Detailhandel buiten bestaand winkelgebied’. Uitgangspunt is dat nieuwvestiging en uitbreiding van detailhandel, of het wijzigen van brancheringsregels voor detailhandel – zowel van reguliere als van volumineuze detailhandel – moet plaatsvinden op locaties binnen ‘Bestaand winkelgebied’. Alleen wanneer wordt voldaan aan 1 van de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 9.20, lid 2, onder a t/m e, zijn deze activiteiten ook mogelijk op locaties binnen ‘Detailhandel buiten bestaand winkelgebied’.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 16 januari 2016 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn (DRL) op bestemmingsplannen met brancheringsbepalingen over detailhandel. Uit het op 30 januari 2018 verschenen arrest van het Hof (C-31/16), ECLI:EU:C:2018:44) moet onder meer de conclusie worden getrokken dat de DRL ook van toepassing is op de regeling in deze omgevingsverordeningOmgevingsverordening over detailhandel. Vervolgens heeft de ABRvS op 24 juli 2019 definitief uitspraak gedaan in de zaak Appingedam (ECLI:NL:RVS:2019:2569). Uit de artikelen 14 lid 5 en 15 lid 3 onder b van de DRL in onderling verband bezien, volgt dat regels in een omgevingsverordeningOmgevingsverordening geen planningseisen mogen bevatten waarmee economische doelen worden nagestreefd, maar uitsluitend mogen voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang waarbij de noodzaak van de regeling moet worden aangetoond. Het gaat daarbij om de vraag wat uit een oogpunt van evenwichtige regulering van activiteiten de noodzaak is voor een detailhandelsregeling en het maken van onderscheid tussen ‘Bestaand winkelgebied’ en ‘Detailhandel buiten bestaand winkelgebied’. Inmiddels is er een aantal belangrijke uitspraken van de ABRvS verschenen over de DRL. De kern van deze uitspraken is dat een ruimtelijk besluit waarop de DRL van toepassing is, niet in strijd mag zijn met het discriminatiebeginsel (de herkomst van de dienstverrichter mag geen rol spelen), het noodzakelijkheidsbeginsel (er moet sprake zijn van een dwingende reden van algemeen belang) en het evenredigheidsbeginsel (is het besluit geschikt: daartoe moet het doel van de regeling coherent en systematisch worden nagestreefd, is de regeling effectief om de nagestreefde doelen te bereiken, gaat de regeling niet verder dan nodig is en zijn er geen andere, minder beperkende maatregelen mogelijk).

Met het behoud en versterken van bestaande winkelgebieden (‘Bestaand winkelgebied’) wordt niet beoogd om gevestigde belangen van detailhandelondernemers te beschermen – dan zou er immers sprake zijn van een economisch doel en van verboden marktordening – maar om de vitaliteit van bestaande detailhandelsvoorzieningen te optimaliseren. Deze gebieden zijn gelegen in het stedelijk gebied in de directe nabijheid van (grote) woonkernen waardoor grote aantallen mensen in de gelegenheid worden gesteld hun inkopen te doen op niet al te grote afstand van hun woning. Ook zijn deze bestaande winkelgebieden qua infrastructuur goed ontsloten en daarmee voor het winkelend publiek goed bereikbaar. Deze winkelgebieden leveren daarmee onmiskenbaar een belangrijke bijdrage aan de versterking van de kwaliteit van de leefomgeving. Uit een oogpunt van evenwichtige regulering van activiteiten moet het dan ook noodzakelijk worden geacht om het beleid te richten op behoud en versterking van de vitaliteit van deze bestaande winkelgebieden. Dat betekent ook dat beperkingen moeten worden gesteld aan de mogelijkheden voor nieuwvestiging van detailhandel of uitbreiding van bestaande detailhandel op locaties die zijn aangeduid als ‘Detailhandel buiten bestaand winkelgebied’. Zonder dergelijke beperkingen zou afbreuk worden gedaan aan het streven naar optimalisering van de vitaliteit van bestaande winkelgebieden. Overigens zijn de mogelijkheden van nieuwvestiging of uitbreiding van bestaande detailhandel op locaties met de aanduiding ‘Detailhandel buiten bestaand winkelgebied’ niet uitgesloten, maar hiervoor gelden wel stringente voorwaarden. Ook deze uitzonderingen zijn uitsluitend ingegeven door ruimtelijke overwegingen: het gaat om situaties waarbij de bestaande winkelgebieden redelijkerwijs niet in de benodigde vestigingsruimte kunnen voorzien. Voor concrete plannen voor detailhandel op deze locaties geldt overigens dat zij naast de voorwaarden uit Artikel 9.20, lid 2, onder a t/m e, ook moeten worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel uit artikel 15 lid 3 onder c van de DRL. Het is denkbaar dat een omgevingsplan over detailhandel weliswaar niet in overeenstemming is met de uitzonderingsbepalingen uit Artikel 9.20, lid 2, maar dat een provinciale interventie niet proportioneel is in verhouding tot het hiermee beoogde doel, gelet op de onevenredige gevolgen van die interventie voor de initiatiefnemer. Dat vraagt om een nauwkeurige analyse van de concrete situatie. De uitkomst van die analyse kan zijn dat Artikel 9.20, lid 2 in dat specifieke geval buiten toepassing wordt gelaten omdat anders het evenredigheidsbeginsel uit de DRL zou worden geschonden. Het gaat hier om een zogenoemde richtlijnconforme uitleg van Artikel 9.20, lid 2.

Eerste lid, sub a: het kan hierbij gaan om een grootschalige stedelijke ontwikkeling zoals bij de Merwedekanaalzone in Utrecht. De Rijksladder van duurzame verstedelijking (artikel 5.129g zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand uit Besluit kwaliteit leefomgeving) moet worden toegepast.

Eerste lid, sub b: in verband met veiligheidseisen is brand- of explosiegevaarlijke detailhandel binnen bestaand winkelgebied niet wenselijk.

Eerste lid, sub c: het gaat hierbij om de mogelijke toevoeging van nieuwe volumineuze detailhandelsmeters. De Rijksladder van duurzame verstedelijking (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) moet worden toegepast.

Eerste lid, sub d: het gaat hierbij om oppervlakteneutrale verplaatsing van volumineuze detailhandel (“goede meters voor slechte meters”). Om te borgen dat de “slechte meters” planologisch verdwijnen, wordt bij voorkeur het instrument van de voorwaardelijke verplichting ingezet.

Eerste lid, sub f: gedacht kan worden aan bijv. een bezoekerscentrum die souvenirs verkoopt of een kiosk ten behoeve van watersportactiviteiten (zwembandjes e.d.) op het bovenlokaal dagrecreatieterrein. Bij voorkeur moet de detailhandel ondergebracht worden in bestaande bebouwing of onderdeel uit te maken van geclusterde bebouwing.

Tweede lid: wanneer detailhandel (a) er geen bouw- of omgevingsvergunning is aangevraagd en er (b) ook geen zicht is op realisatie van het gebouw en het gebruik overeenkomstig de functie detailhandel, dan moet een omgevingsplan niet langer voorzien in de mogelijkheid van detailhandel. Zicht op realisatie van het gebouw en gebruik van detailhandel kan onder meer blijken uit vastgestelde visies, onderzoeken of afgesloten contracten.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.21 Instructieregel ontwikkelingen rond Seveso-inrichtingen

[Gereserveerd]

In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan 3 categorieën gebouwen en locaties waarvoor regels zijn opgenomen ter bescherming voor zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico's.

Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen, dat kan een deel of het gehele aandachtsgebied zijn. In dat deel van of het gehele aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikel 4.90 tot en met artikel 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen.

Uitzondering daarop zijn locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosie aandachtsgebied. Hiervoor moeten altijd voorschriftengebieden worden aangewezen, en daarmee zijn hier altijd aanvullende bouweisen van toepassing. Het bevoegd gezag moet ze actief aanwijzen in het omgevingsplan.

De ambitie van de provincie Utrecht gaat verder dan enkel de zeer kwetsbare gebouwen op deze manier extra te beschermen, rondom Seveso-inrichtingen wordt het ook voor de kwetsbare gebouwen en locaties verplicht het voorschriftengebied aan te wijzen in het geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw, zodat ook hier aanvullende bouwkundige maatregelen van toepassing zijn.

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

Na sectie 9.23 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 9.23a Instructieregel dagrecreatieve voorziening

Onder recreatiegroen wordt ook verstaan ondersteunende ‘rode’ elementen die bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit en van een duurzame exploitatie van de dagrecreatieve voorziening. Dit dient in het ruimtelijk plan gemotiveerd te worden en betreft maatwerk. Onder deze ‘rode’ elementen verstaan we kleinschalige horeca, verkooplocatie voor lokaal geproduceerde producten, een ontvangstruimte, schuilgelegenheid, sanitaire voorziening, opslagruimte voor materiaal. Het gaat per definitie niet om verblijfsrecreatie.

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.24 Oogmerk stiltegebied

Stilte heeft een positief effect op gezondheid en vergroot de belevingswaarde van landschap en natuur.

Het algemene uitgangspunt is dat het toelaatbare of gewenste gezamelijke geluidniveau van niet-gebiedseigen geluiden in een stiltegebied maximaal 40 decibel (A) is. Als beoordelingsgrootheid hanteert de provincie 24-uurs gemiddelde geluidniveau LAeq,24h op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld. Deze hoogte is gekozen omdat de rustzoekende recreant de belangrijkste doelgroep is. De provincie hanteert geen strengere beoordeling of toetsing voor de avond- en of nachtperiode ten opzichte van de dagperiode. Bij veel andere situaties zijn de normen voor avond en nacht wel strenger, omdat in die perioden sneller hinder en slaapverstoring optreedt. Voor bijvoorbeeld een wandelaar of een fietser in het stiltegebied is die verhoogde gevoeligheid echter niet waarschijnlijk, zodat strengere toetsing niet zinvol is.

De norm is een A-gewogen equivalent geluidniveau gemiddeld over het hele etmaal: LAeq,24h. In deze geluidmaat zijn over een periode variërende geluidniveaus gemiddeld tot 1 waarde. Zowel de hoogte als het verloop van het geluidniveau spelen hierbij een rol. De A-weging houdt rekening met de gevoeligheid van het menselijke oor voor de toonhoogte van het geluid. De eenheid wordt gegeven in dB(A). Een geluidniveau van 40 dB(A) of lager wordt over het algemeen als stil ervaren. In de bufferzone rondom de stille kern is een geluidniveau tot 45 dB(A) aanvaardbaar, hoewel het streven is ook in de bufferzone een geluidniveau van 40 dB(A) te behouden.

Het beleid is erop gericht om de geluidbelasting veroorzaakt door menselijke activiteiten in de stiltegebieden onder de waarde van 40 dB(A) LAeq,24h te houden. Bij de bepaling van deze geluidbelasting blijven de geluiden buiten beschouwing die het gevolg zijn van in het gebied passende activiteiten, zoals landbouwactiviteiten, ook als zij door mensen worden veroorzaakt.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.25 Aanwijzing stiltegebied en aandachtsgebied stiltegebied

Rondom het stiltegebied ligt een "aandachtsgebied stiltegebied". Dit aandachtsgebied is indicatief begrensd. Activiteiten in het aandachtsgebied kunnen effect hebben op het stiltegebied.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.27 Instructieregel geluidniveau in stiltegebied

Omdat in de meeste gevallen sprake is van cumulatie (opeenstapeling) van het geluid van meerdere bronnen, hanteert de provincie per geluidbron een LAeq,24h, van maximaal 35 dB(A) op een afstand van 50 meter van de geluidbron. In de bufferzone geldt dezelfde waarde als in de stille kern, ook al is hier een hoger totaal geluidniveau aanvaardbaar. De reden hiervoor is dat hier over het algemeen meer sprake is van cumulatie van het geluid van meerdere geluidbronnen.

Bij milieubelastende activiteiten zoals in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de maximaal toelaatbare waarde niet vanaf iedere geluidbron die behoort tot de activiteit, maar vanaf de begrenzing van de milieubelastende activiteit. Deze begrenzing wordt aangegeven door degene die de milieubelastende activiteit uitvoert, op grond van de informatieplichten in dat hoofdstuk. Bij vergunningplichtige milieubelastende activiteiten staat de begrenzing van de activiteit in de vergunning.

De maximaal toelaatbare waarde is ook van toepassing op activiteiten die niet onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen. Dit zijn onder meer de milieubelastende activiteiten waarvoor het Rijk regels heeft opgenomen in de bruidsschat voor het omgevingsplan. Dit zijn de bedrijfsmatige activiteiten die vroeger onder het begrip inrichting vielen, maar niet langer op rijksniveau worden geregeld. Daarnaast geldt de waarde ook voor activiteiten die niet in de bruidsschat zijn geregeld maar van oudsher alleen onder decentrale regels vallen, zoals evenementen. Bij zulke activiteiten kan niet verwacht worden dat een begrenzing van de activiteit bekend is. Daarom geldt in principe dat de maximaal toelaatbare waarde van toepassing is op iedere geluidbron afkomstig van de activiteit.

In vergelijking met de voormalige provinciale milieuverordening is het toepassingsbereik van de instructieregels kleiner geworden. Het is onder de wet niet meer mogelijk om instructieregels te stellen over verkeersbesluiten op grond van de Wegenverkeerswet. De instructieregels hebben wel betrekking op projectbesluiten voor bijvoorbeeld het aanleggen van provinciale wegen of rijkswegen, en op omgevingsplannen waarin de functie “Verkeer” wordt toegelaten. Het is daarom niet de verwachting dat deze beperking van de wet veel ongewenste effecten heeft.

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.30 Toepassingsbereik stiltegebiedactiviteit in Stiltegebied

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die ervoorertoe kunnen zorgenleiden dat de ervaring van natuurlijke geluiden in een stiltegebied worden verstoordverstoord wordt. In Artikel 9.32zijn vergunningplichtenis een vergunningplicht opgenomen voor activiteiten binnen stiltegebieden die storende geluiden kunnen produceren. Dit zijn niet-plaatsgebonden activiteiten, waarvan niet verwacht kan worden dat de gemeente hierover regels stelt in het omgevingsplan.

Tweede lid: in dit lid hierin zijn enkele activiteiten opgenomen die niet aan de vergunningplicht voor een stiltegebied hoeven te voldoen. Het gaat vooral om activiteiten die direct verband houden met een aantal functies van het gebied, zoals energievoorziening. Het gaat om activiteiten die absoluut noodzakelijk zijn en waarvoor de provincie ook steeds een vergunning zou verlenen.

Tweede lid, onder a: over de reikwijdte van de vrijstelling voor agrarische activiteiten blijkt soms onduidelijkheid te bestaan. Landbouw landbouw omvat akkerbouw, fruitteelt en veeteelt. Een paardenfokkerij is bijvoorbeeld een agrarische activiteit. Een manege, hoveniersbedrijf en loonwerkbedrijf vallen echter niet onder deze uitzondering.

De uitzondering geldt niet voor de specifieke zorgplicht van Artikel 9.31. Bij het uitvoeren van activiteiten in het kader van bijvoorbeeld de landbouw, het bouwen of onderhouden van gebouwen of dijkwerkzaamheden moet de initiatiefnemer zich dus wel inspannen om de stilte te bewaren. Als bij zulke activiteiten onnodig veel geluid wordt veroorzaaktveroorzaakt wordt, kan de provincie de initiatiefnemer aanspreken op overtreding van deze zorgplicht.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.31 Specifieke zorgplicht stiltegebiedactiviteit in Stiltegebied

De regels in dit artikel hebben als doel het weren van gedragingen die het stille karakter van het stiltegebied verstoren, omdat ze te lawaaiig zijn en niet thuishoren in dit gebied. Als deze gedragingen niet voorkomen kunnen worden, dan moet er gebruik worden gemaakt worden van de best beschikbare technieken om de verstoring zo veel mogelijk te beperken.

Of er sprake is van een significante verstoring wordt bepaald met de doelstelling voor stiltegebieden als bedoeld in Artikel 9.24. Daarbij wordt ook de cumulatie van verschillendesamenloop met andere geluidbronnen meegenomen. Iemand die een activiteit uitvoert die geluid veroorzaakt, moet zich dus ook rekenschap gevenrekening houden met van de andere geluidbronnen in de omgeving en de activiteiten daar zo nodig op aanpassen.

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.32 Vergunningplicht activiteiten in stiltegebiedStiltegebied

Onder Onderdeel d, subonder 1: het gaat hier om het gebruik van vuurwerk als noodsignaal voor vaartuigen op het water.

Onder Onderdeel e: airguns zijn wapens die de munitie naar buiten duwen door de uitzetting van een samengeperst gas. Hieronder valt onder andere een luchtbuks. Het inzetten van knalapparatuur is op grond van Artikel 9.30 toegestaan in de land- oflandbouw en de tuinbouw, bijvoorbeeld voor het verjagen van wild of gevogelte om vruchten en gewassen te beschermen.

Onder Onderdeel f: seismologisch onderzoek wordt gebruikt voor het onderzoeken van de omvang van de ondergrondse gas-, olie of- en watervoerende structuren. Seismologisch onderzoek kan bijvoorbeeld uitgevoerd worden door het inzetten vrachtwagens, die met trilplaten trillingen opwekken.

Onder Onderdeel g: elke eerste maandag van de maand om 12.00 uur gaat het luchtalarm 1 minuut en 26 seconden af. Dit luchtalarm is een test van de overheid. In geval van nood gaat dit luchtalarm af als waarschuwing. Deze activiteiten mogen ook zonder omgevingsvergunning plaatsvinden in een stiltegebied.

Onder Onderdeel h: een onbemand luchtvaartsysteem (of Unmanned Aerial Vehicle (UAS)), ook wel drone genoemd, kan ingezet worden bij het opsporen van personen die illegale (eventuele milieubelastende) activiteiten in stiltegebieden uitvoeren. Ook kan een drone gebruikt worden voor het snel en veilig verkrijgen van informatie over een brand. Dit gebruik is vrijgesteld van het verbodde vergunningplicht. Ook de inspectie van een privégebouw of -terrein met een lichte drone is vrijgesteld van de vergunningplicht.

Onder Onderdeel i: de jacht is grotendeels uitgezonderd van het verbodde vergunningplicht in dit artikel. Jagen door de fauna-faunabeheereenheid of de wildbeheereenheid valt onder de uitzondering voor het beheer van het gebied als bedoeld in Artikel 9.30, tweede lid, onder e. Jagen in het kader van de schadebestrijding door dieren valt onder de uitzondering voor land-landbouw en tuinbouw als bedoeld in Artikel 9.30, tweede lid, onder a.

Onder Onderdeel j: toertochten met motorrijtuigen door een stiltegebied vereisen een vergunningomgevingsvergunning, behalve als alleen elektrische motorrijtuigen deelnemen. Deelname aan een toertocht waarvoor geen omgevingsvergunning voor activiteiten in Stiltegebiedeen stiltegebied verleend is, is verboden. Naast deze vergunning kunnen nog andere toestemmingen vereist zijn. Toertochten zijn vaak ook evenementen in de zin van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) of het omgevingsplan van de gemeente. Op grond daarvan kan ook een vergunning vereist zijn of een meldplicht gelden.

Niet iedere gezamenlijke rit valt onder een toertocht. Er is pas sprake van een toertocht als er een organisator is in de vorm van bijvoorbeeld een sportclub of vereniging. Een ritje in familieverband of van een vriendenclub is geen toertocht.

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.33 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning activiteit in stilleStille kern

-

Onderdeel c: bestaande activiteiten binnen stiltegebieden hebben een aparte positie. Binnen een aantal stiltegebieden worden jaarlijks terugkerende activiteiten georganiseerd. Dit zijn veelal evenementen zoals de zogenaamde schuurfeesten. Een deel hiervan vindt plaats in de stille kern van het stiltegebied. Het gaat vooral om activiteiten die al vele jaren op dezelfde plaats georganiseerd worden en die vaak locatiegebonden zijn. Het van de ene op de andere dag verbieden van deze activiteiten zorgt voor maatschappelijke bezwaren.

Op de kaart Gebied bestaand evenement of activiteit zijn (na overleg met de betrokken gemeenten) de locaties van deze jaarlijks terugkerende activiteiten opgenomen. Deze aangeduide activiteiten komen in aanmerking voor een vergunning, ook al vinden deze plaats binnen de stille kern. Ze moeten wel voldoen aan de voorwaarden die in de vergunning opgenomen zijn.

Afhankelijk van de activiteit en de locatiegebondenheid daarvan zal in overleg met de betrokken gemeente bekeken worden of het mogelijk is de activiteit op termijn naar een locatie buiten het stiltegebied te verplaatsen. Ook voor deze bestaande activiteiten moet een vergunning aangevraagd worden. Bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een bestaande, op de kaart aangeduide activiteit, betrekt de provincie de genoemde aspecten. Uitbreiding van de bestaande activiteiten is niet toegestaan.

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.34 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning en maatwerkvoorschriftactiviteit in bufferzoneStiltegebied of Aandachtsgebied stiltegebied

Als in een Stiltegebied of in een Aandachtsgebied stiltegebied een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt verleend wordt op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving in een stiltegebied of in een aandachtsgebied stiltegebiedop grond van de Omgevingsverordening, dan moet het bevoegd gezag ook rekening houden met de maximaal toelaatbare waarden voor het geluidniveau. Hetzelfde geldt voor het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.13 van dat besluithet Besluit activiteiten leefomgeving. Hiermee wordt geborgd dat een milieubelastende activiteit past binnen het omgevingsplan en voldoende aandacht schenkt aan het beperken van de geluidbelasting in stiltegebieden.

De verplichting om rekening te houden met een maximaal toelaatbaar geluidniveau bij het verlenen van een omgevingsvergunning of het vaststellenstellen van een maatwerkvoorschrift is een aanvulling op de beoordelingsregel van artikel 8.18 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die beoordelingsregel heeft als doel de geluidbelasting op geluidgevoelige ruimten te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Maar deze beoordelingsregel borgt niet dat het geluidniveau in stiltegebieden aan de doelstellingen van Artikel 9.229.26 voldoet. Er zijn daarom aanvullende regels nodig.

Een omgevingsvergunning voor niet-plaatsgebonden activiteiten binnen een Stiltegebied mag slechts beperkt verleend worden voor een tijdsduur van maximaal 24 uur per vergunning. Per Stiltegebied geldt dat in totaal maximaal 12 van dergelijke omgevingsvergunningen per kalenderjaar verleend mogen worden. Dit lid borgt dat niet-plaatsgebonden activiteiten zoals evenementen, niet onbeperkt kunnen plaatsvinden.

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.35 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning activiteit in stiltegebiedStiltegebied

Bestaande activiteiten binnen stiltegebieden hebben een aparte positie. Binnen een aantal stiltegebieden worden jaarlijks terugkerende activiteiten georganiseerd. Dit zijn veelal evenementen zoals de zogenaamde schuurfeesten. Een deel hiervan vindt plaats in de stille kern van het stiltegebied. Het gaat vooral om activiteiten die al vele jaren op dezelfde plaats worden georganiseerd en die vaak locatiegebonden zijn. Het van de ene op de andere dag verbieden van deze activiteiten zorgt voor maatschappelijke bezwaren. Op de kaart Bestaand evenement of activiteit zijn (na overleg met de betrokken gemeenten) de locaties van deze jaarlijks terugkerende activiteiten opgenomen. Deze aangeduide activiteiten komen in aanmerking voor een vergunning, ook al vinden deze plaats binnen de stille kern. Ze moeten wel voldoen aan de voorwaarden die in de vergunning zijn opgenomen. Afhankelijk van de activiteit en de locatiegebondenheid daarvan zal in overleg met de betrokken gemeente worden bekeken of het mogelijk is de activiteit op termijn naar een locatie buiten het stiltegebied te verplaatsen. Ook voor deze bestaande activiteiten moet een vergunning worden aangevraagd. Bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een bestaande, op de kaart aangeduide activiteit, betrekt de provincie de genoemde aspecten. Uitbreiding van de bestaande activiteiten is niet toegestaan.

-

RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.7 Taxatie faunaschade

Dit artikel regelt in samenhang met de door gedeputeerde vastgestelde beleidsregels (vooralsnog de Beleidsregels natuur en landschap 20242026) de wijze waarop de schade wordt vastgesteld.

De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achterlaten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. De aanvrager heeft de mogelijkheid om bedenkingen over de taxatie te vermelden. De taxateur voorziet die bedenkingen vervolgens van commentaar en stuurt deze terug naar de aanvrager zodat diegene hier kennis van kan nemen.

SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.8 Toepassingsbereik uitvoeringstaken en handhavingstaken

Deze afdeling is van toepassing op de uitvoerings- en handhavingstaak door of in opdracht van gedeputeerde staten. Het gaat daarbij in ieder geval om de taken die door de omgevingsdiensten worden uitgevoerd. Daarbovenop kunnen gedeputeerde staten bepalen dat deze afdeling ook op de taken die niet door de omgevingsdienst worden uitgevoerd, van toepassing is. Dat zal bijvoorbeeld blijken uit het jaarlijkse VTH-Uitvoeringsprogramma. Het van toepassing verklaren van deze afdeling blijkt dus uit een apart besluit buiten de omgevingsverordeningOmgevingsverordening; onderdeel b van dit artikel moet niet als delegatiegrondslag worden gelezen.

TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.13 Overgangsrecht lopende procedures

Afdeling 4.1 van de Invoeringswet Omgevingswet bevat overgangsrecht voor procedures die nog lopen bij inwerkingtreding van de wetOmgevingswet. Uit artikel 4.1 Invoeringswet Omgevingswet blijkt dat die afdeling wel van toepassing is op bepaalde provinciale regels in medebewind (zoals de regels over grondwaterbeschermingsgebieden), maar niet op de autonome regels van de provincie. In dit artikel is daarom hetzelfde overgangsrecht opgenomen als in afdeling 4.1 Invoeringswet Omgevingswet, maar dan alleen voor de besluiten op grond van de autonome regels van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht. De afbakening is in het voorgaande artikel opgenomen.

Eerste lid: bij een beschikking op een aanvraag wordt, ongeacht welke procedure van toepassing is, altijd de dag waarop de aanvraag is ingediend als kantelmoment gehanteerd. Dit betekent dat als de aanvraag (volgens de ontvangsttheorie) is ingediend voordat de omgevingsverordeningOmgevingsverordening in werking is getreden, het besluit wordt voorbereid en vastgesteld op basis van het oude recht. Dan wordt dus de volledige procedure doorlopen en gevolgd conform de oude verordening.

Tweede lid: voor ambtshalve besluiten is het gangbaar om bij toepassing van de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure de ter inzagelegging als kantelmoment te hanteren. In deze verordening wordt bij dat gebruik aangesloten. Als tweede kantelmoment van oud naar nieuw wordt voorgesteld als hoofdregel te kiezen voor het moment van onherroepelijkheid. Het eerste kantelmoment betekent dat als de terinzagelegging aanvangt voor de dag waarop deze verordening in werking treedt, op de verdere besluitvormingsprocedure het oude recht van toepassing blijft. Het tweede kantelmoment brengt mee dat dit oude recht blijft gelden tot en met een eventuele beroepsprocedure.

Derde lid: voor ambtshalve besluiten met toepassing van titel 4.1 Awb wordt als kantelmoment gekozen voor het bekendmaken van het besluit. Is een besluit bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van deze verordening en staat tegen dat besluit bezwaar of beroep open, dan blijft het oude recht van toepassing op de afhandeling van bezwaarschriften en de behandeling van beroep en hoger beroep, totdat het besluit onherroepelijk is. Als tweede kantelmoment van oud naar nieuw wordt dus ook hier voorgesteld als hoofdregel te kiezen voor het moment van onherroepelijkheid.

UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.14 Overgangsrecht handhavingszaken

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor lopende handhavingsprocedures. Paragraaf 4.2.8 van de Invoeringswet Omgevingswet bevat overgangsrecht voor handhavingszaken die nog lopen bij inwerkingtreding van de wetOmgevingswet. Uit artikel 4.22 Invoeringswet Omgevingswet blijkt dat die afdeling wel van toepassing is op bepaalde provinciale regels in medebewind (zoals de regels over grondwaterbeschermingsgebieden), maar niet op de autonome regels van de provincie. In dit artikel is daarom hetzelfde overgangsrecht opgenomen als in paragraaf 4.2.8 Invoeringswet Omgevingswet, maar dan alleen voor de besluiten op grond van de autonome regels van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht. De afbakening is in het eerste artikel van deze afdeling opgenomen.

De hoofdlijn is dat overtredingen van de oude regels worden afgehandeld op basis van die oude regels. Mocht zich een situatie voordoen waarbij een overtreding is begaan van de oude regels, terwijl die handeling onder de nieuwe regels geen overtreding meer oplevert, dan zal de provincie het handhavingsbesluit intrekken.

VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.16 Overgangsrecht aanpassing omgevingsplan

Gehele artikel: dit artikel heeft betrekking op de instructieregels van deze verordening. Voor rechtstreeks werkende regels geldt de eerbiedigende werking zoals verwoord in dit artikel niet. Bestemmingsplannen die in ontwerp ter inzage zijn gelegd voor inwerkingtreding van deze verordening moeten voldoen aan de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.

Eerste lid: de regels van deze verordening hebben geen betrekking op bouw- en gebruiksmogelijkheden die worden geboden bij of krachtens bestemmingsplannen die voor inwerkingtreding van deze verordening ter inzage zijn gelegd. Dit is de zogenaamde eerbiedigende werking: bestaande, planologische mogelijkheden hoeven niet te voldoen aan de regels van deze verordening. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening kon in een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen. Met de invoering van de wetOmgevingswet verdwijnt de wettelijke wijzigingsbevoegdheid. Er komt een algemene delegatiemogelijkheid aan B&W. Er bestaat geen overgangsrecht waarmee de bestaande wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast na invoering van de wetOmgevingswet. De wet faciliteert wel 2 mogelijkheden om, voor ontwikkelingen die passen binnen een bestaande wijzigingsbevoegdheid, buitenplans af te wijken:

  • via een geheel nieuw omgevingsplan; en

  • met een vergunning los van het omgevingsplan.

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan op zich zelf kan niet worden gewijzigd; bestaande regels kunnen alleen worden gewijzigd door het vaststellen van een nieuw omgevingsplan waarin de nieuwe regels worden opgenomen en waarin wordt bepaald dat de regels uit het oude plan vervallen. Ook geldt dat omzetting slechts 1 keer mag plaatsvinden per locatie. Het is niet mogelijk om een aantal regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan in stand te laten en andere te wijzigen regels in een nieuw plan op te nemen.

Derde lid: de eerbiedigende werking geldt niet voor het Artikel 9.19. Een nieuw plan, waarvan het ontwerp nog niet ter inzage is gelegd voor inwerkingtreding van deze verordening, moet in overeenstemming zijn met deze regel. Ook voor zover het bouw- en gebruiksmogelijkheden betreft die in het vigerend planologisch regime worden geboden. Dit geldt niet voor de benutting van ongebruikte bouwtitels op reductielocaties uit de Thematische Structuurvisie Kantoren 2016-2027. Op 10 januari 2019 is de 2e partiële herziening van de PRV (Herijking 2016) in werking getreden.

Vierde lid: de eerbiedigende werking geldt niet voor het tweede lid van Artikel 9.20. Een nieuw plan, waarvan het ontwerp nog niet ter inzage is gelegd voor inwerkingtreding van deze verordening, moet in overeenstemming zijn met deze regel. Ook voor zover het bouw- en gebruiksmogelijkheden betreft die in het vigerend planologisch regime worden geboden. Op 10 januari 2019 is de 2e partiële herziening van de PRV (Herijking 2016) in werking getreden.

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.17 Overgangsrecht bestaande activiteiten in grondwaterbeschermingszones

De inwerkingtreding van de wetOmgevingswet heeft onder meer tot gevolg dat er veranderingen optreden in begrippen ten opzichte van het oude recht. Zo vervalt het begrip 'inrichting' in de zin van de Wet milieubeheer. In plaats daarvan wordt het begrip milieubelastende activiteit gebruikt, maar dat begrip heeft niet dezelfde betekenis. Ondanks dat de regels in deze verordening ter bescherming van de grondwaterkwaliteit zoveel mogelijk beleidsneutraal zijn omgezet, kunnen voor burgers of bedrijven strengere regels gaan gelden, doordat de nieuwe begrippen niet exact overeenkomen met de oude begrippen uit de provinciale milieuverordening. Daarnaast kunnen er in het gebied van Vijfheerenlanden veranderingen optreden in de regels, vanwege de overgang van de provincie Zuid-Holland naar de provincie Utrecht.

In dit artikel is overgangsrecht opgenomen om te zorgen dat bestaande activiteiten in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones niet plotseling met strengere regels worden geconfronteerd. Dit overgangsrecht geldt voor activiteiten die direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening of de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht rechtmatig werden uitgevoerd. Het overgangsrecht geldt dus niet voor bestaande activiteiten die al in strijd waren met de regels van de provinciale milieuverordening. Het overgangsrecht geldt alleen voor zover de nieuwe regels strenger zijn dan de oude regels. Dat betekent dat bij het uitvoeren van bestaande activiteiten nog steeds de oude regels van de provinciale milieuverordening gevolgd moeten worden; de nieuwe regels blijven alleen buiten toepassing voor het deel dat strenger is dan de oude regels. Bovendien geldt op grond van het tweede lid als voorwaarde dat de bestaande activiteit ongewijzigd moet worden voortgezet. Als de activiteit wordt gewijzigd, moet aan de nieuwe regels van de omgevingsverordeningOmgevingsverordening worden voldaan.

Het derde lid biedt gedeputeerde staten de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de activiteit, als dat nodig is ter bescherming van het grondwater. Deze bevoegdheid dient alsis een vangnet, voor gevallen waarin de oude regels niet in een afdoende beschermingsniveau blijken te voorzien.

In de formulering van dit artikel is aansluiting gezocht bij het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet (met name artikel 4.14 van die wet).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.18 Overgangsrecht uitbreiding grondwaterbeschermingsgebied Langerak

Met de inwerkingtreding van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht is het grondwaterbeschermingsgebied rond de winning Langerak uitgebreid. Het is echter niet gewenst dat burgers en bedrijven die voorheen niet met regels voor grondwaterbescherming van doen hadden, opeens worden beperkt in hun activiteiten. De provincie voorziet een periode van 3 jaar vanaf de inwerkingtreding van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (dus tot 1 april 2024) waarin voor de bestaande activiteiten een risico-inventarisatie wordt uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst van die inventarisatie worden de maatregelen bepaald die de betreffende initiatiefnemers moeten nemen.

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de regels van Paragraaf 3.2.5 tot 1 april 2024 niet gelden voor bestaande activiteiten in het grondwaterbeschermingsgebied Langerak die direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht rechtmatig werden uitgevoerd. Het overgangsrecht geldt dus niet voor bestaande activiteiten die al in strijd waren met de regels van de provinciale milieuverordening (als die al van toepassing was). Het overgangsrecht geldt alleen voor zover de regels in de omgevingsverordeningOmgevingsverordening strenger zijn dan de oude regels. Voor activiteiten die al binnen de begrenzing van de oude boringsvrije zone vielen, en na inwerkingtreding van de interim omgevingsverordeningOmgevingsverordening binnen het grondwaterbeschermingsgebied vallen, moet dus een vergelijking worden gemaakt tussen de oude regels van de provinciale milieuverordening voor boringsvrije zones en de nieuwe regels van de omgevingsverordeningOmgevingsverordening voor het grondwaterbeschermingsgebied. Alleen voor zover die nieuwe regels strenger zijn dan de oude regels, blijven de nieuwe regels buiten toepassing. Als een activiteit voor het eerst binnen het grondwaterbeschermingsgebied komt te vallen – en er dus onder de provinciale milieuverordening geen regels golden – blijven de nieuwe regels volledig buiten toepassing.

Op grond van het tweede lid geldt als voorwaarde dat de bestaande activiteit ongewijzigd moet worden voortgezet. Als de activiteit wordt gewijzigd, moet aan de nieuwe regels van de omgevingsverordeningOmgevingsverordening worden voldaan.

Het derde lid biedt gedeputeerde staten de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de activiteit, als dat nodig is ter bescherming van het grondwater. Deze bevoegdheid wordt gebruikt om maatregelen voor te schrijven die voortvloeien uit de risico-inventarisatie.

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

Na sectie 10.18 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 10.18a Overgangsrecht klein open bodemenergiesysteem

Op grond van de Omgevingswet (artikel 5.1) en het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 3.19) is het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem een vergunningplichtige milieubelastende activiteit. Op grond van artikel 2.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan de provincie kleine open bodemenergiesystemen uitzonderen van de vergunningplicht, met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer èn als de hoeveelheid onttrokken grondwater niet meer dan 10 m3 per uur is. Voorheen was een dergelijke uitzondering opgenomen in de Interim Omgevingsverordening en daarvoor in de Provinciale Milieuverordening.Vanwege enkele nadelen is deze uitzondering van de vergunningplicht voor kleine open bodemenergiesystemen per 1 januari 2027 niet meer opgenomen in de Omgevingsverordening. Daarmee zijn deze systemen nu vergunningplichtig. Om te voorkomen dat bestaande systemen, die voor het afschaffen van de vrijstelling van de vergunningplicht zijn gemeld en aangelegd conform de destijds vigerende wet- en regelgeving, alsnog een vergunning moeten aanvragen, is voor deze systemen in dit artikel geregeld dat daarvoor geen vergunning vereist is. Indien het bestaande systeem wordt vervangen is de vergunningplicht wél van toepassing.



Artikel 10.18b Uitzondering meet- en informatieplicht

Dit artikel is van toepassing op kleine open bodemenergiesystemen, die vallen onder het overgangsrecht van Artikel 10.18a. Bij de aanleg van deze systemen is over het algemeen niet voorzien in de benodigde meetapparatuur. Vrijwel alle vergunninghouders van kleine open bodemenergiesystemen blijken dan ook niet te voldoen aan de meet- en registratieverplichting en zich daar ook niet van bewust te zijn. Hierop is de afgelopen jaren ook niet gehandhaafd. Vanwege de geringe effecten van de betreffende systemen en de relatief hoge kosten om alsnog de benodigde meetapparatuur in te bouwen, zijn de bestaande kleine systemen uitgezonderd van de meet- en informatieplicht opgenomen in Artikel 3.4a en artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het betreft de registratie van de hoeveelheid grondwater, de hoeveelheden warmte en koude die aan de bodem zijn toegevoegd, het jaarlijkse energierendement en de gemiddelde temperatuur van het terug in de bodem geleide water. De overige algemene regels in paragraaf 4.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn wel onverminderd van kracht.



Naar boven