Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36748 nr. F |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36748 nr. F |
Ontvangen 24 april 2026
Inleiding
Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de BBB, VVD, D66, CDA, PVV, SP, ChristenUnie, FvD, JA21, Volt, SGP, 50PLUS, OPNL en de Fractie-Walenkamp.
Bij de beantwoording van de vragen wordt zo veel mogelijk de indeling van de memorie van toelichting en de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.
De leden van de fractie van de SP vragen om te bevestigen dat mededelingen over belastingwetgeving en fiscaal beleid in beginsel gedaan worden door de verantwoordelijke Staatssecretaris. Dat kan ik bevestigen.
Visie op belasten van vermogen en samenhang tussen boxen
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat de discussie over box 3 sterk in juridisch vaarwater is beland en vragen of het kabinet de opvatting deelt dat per definitie elke belasting de koopkracht of het bezit van de belastingplichtige aantast.
Het kabinet kan de opvatting van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA volgen. In artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is opgenomen dat het recht op het ongestoorde bezit op eigendom geen afbreuk doet aan het recht van een staat om «die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren». Als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan is een inmenging in het eigendomsrecht gerechtvaardigd. Er moet sprake zijn van een wettelijke grondslag, er moet een rechtsgang mogelijk zijn, een legitieme doelstelling in het algemeen belang en er moet zijn voldaan aan het vereiste van proportionaliteit. Het wetsvoorstel leidt tot een gerechtvaardigde regulering van het eigendomsrecht. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 5.1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet het ermee eens is dat ingrijpende aanpassingen in box 3 niet kunnen worden doorgevoerd zonder gelijktijdige aanpassingen in box 1 en box 2, teneinde per 1 januari 2028 een consistent, rechtvaardig, eenvoudig en doelmatig belastingstelsel te borgen. De leden van de fractie van de SGP refereren aan de constatering van de Afdeling advisering van de Raad van State van 27 november 2024 dat een integrale visie op het belasten van vermogen in de drie belastingboxen ontbreekt. Deze leden constateren tevens dat er behoefte is in de samenleving aan een eenvoudig, eenduidig en voorspelbaar belastingstelsel. Deze leden vragen het kabinet om hierop te reflecteren en vragen of het kabinet voornemens is een integrale visie op het belasten van vermogen te ontwikkelen.
In het IBO Vermogensverdeling «Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling» uit 20221 is uitvoerig het belang van evenwicht in de belastingdruk op inkomen uit arbeid en uit (verschillende vormen van) vermogen beschreven. Een evenwichtige belastingdruk wil niet zeggen dat er in het geheel geen verschillen mogelijk zijn in de fiscale behandeling van verschillende vormen van inkomen en vermogen. Evenwicht vereist wél dat deze verschillen deugdelijk zijn gemotiveerd. Als het evenwicht verloren raakt, leidt dat tot belastingarbitrage en als gevolg daarvan lagere belastingontvangsten en vergroot dit de verschillen tussen inkomens en vermogens van huishoudens, boven op de verschillen die de markt zelf creëert. In het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief»2 is het belang van een evenwichtige belastingdruk nogmaals benadrukt. Een onevenwichtig stelsel leidt tot welvaartsverlies en is uiteindelijk schadelijk voor economie en maatschappij.
De visie op het bereiken van meer evenwicht tussen verschillende vormen van vermogen leidt ten aanzien van box 3 consequent tot het advies om over te stappen naar een stelsel dat zoveel mogelijk het werkelijke rendement belast. Het ontbreken van een grondslag op basis van werkelijk rendement is de belangrijkste onevenwichtigheid in box 3 ten opzichte van de rest van het stelsel. Heffen op basis van werkelijk rendement zorgt ervoor dat de verschillen tussen de boxen verminderen en sluit aan bij het streven naar het gelijker belasten van verschillende vormen van inkomsten uit vermogen. Dit staat expliciet gemeld in het rapport IBO Vermogensverdeling en ook in het recente rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief». Ook opeenvolgende kabinetten dragen deze lijn uit.3
In de ambtelijke adviezen wordt benadrukt dat er geen algehele stelselherziening nodig is om het belasten van werkelijk rendement in box 3 te rechtvaardigen. Het belasten van het werkelijke rendement in box 3 past bij toekomstige hervormingen in het belastingstelsel die een evenwichtige belastingdruk op de verschillende inkomensgrondslagen nastreven. Het wetsvoorstel beoogt niet om een wijziging aan te brengen in het aandeel van de opbrengst uit vermogen binnen de belastingmix (de lasten op arbeid, de lasten op consumptie en de lasten op vermogen).
Het kabinet deelt de ambtelijke adviezen dat het voorstel Wet werkelijk rendement box 3 past bij toekomstige hervormingen in het belastingstelsel die een evenwichtige belastingdruk op de verschillende inkomensgrondslagen nastreven en dat een urgente aanpak van het hervormen van box 3 nodig is.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 vragen naar de verhouding tussen de belasting op vermogen en die op arbeid. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom gekozen is voor een verhoging van de lasten op arbeid in plaats van vermogen. Ook vragen zij waarom het tarief van de belasting op arbeid in box 1 hoger is dan het tarief in box 3. Meer specifiek vragen de leden van de fractie van D66 ook, waarom het kabinet de belasting op arbeid in 2026 licht heeft verhoogd, in plaats van verlaagd. Ook vragen zij of het niet meer in de rede ligt om de belasting op arbeid licht te verlagen en de belasting in box 2 en box 3 licht te verhogen.
Allereerst wil ik benadrukken dat we in Nederland veel onderzoek gedaan hebben naar het belasten van inkomen uit arbeid versus het belasten van (inkomsten uit) vermogen. Ik haal in dat verband ook graag verschillende ambtelijke rapporten aan zoals de Bouwstenen voor een beter belastingstelsel4 uit 2020 en het IBO vermogensverdeling. In deze rapporten is geconstateerd dat het evenwicht in het belasten van met name inkomen uit arbeid en inkomen uit vermogen zoals dat met de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is beoogd, in de jaren daarna zoek is geraakt. Door vorige kabinetten is met name in reactie op het IBO Vermogensverdeling een pakket maatregelen genomen om het evenwicht in de belastingdruk op arbeid en op vermogen te verbeteren. Een belangrijke maatregel uit dat pakket was het verhogen van het lage tarief in de vennootschapsbelasting van 15% naar 19% en het verlagen van de betreffende schijfgrens van € 395.000 naar € 200.000. Daarnaast is een gedifferentieerd tarief in box 2 ingevoerd en is de Wet excessief lenen van de eigen besloten vennootschap (bv) ingevoerd die leningen boven de € 500.000 (exclusief leningen voor de eigen woning) belast als dividenduitkering in box 2. Daarnaast zijn maatregelen genomen die de belastingdruk op vermogen in den brede hebben verzwaard. De belastingdruk op het inkomen uit arbeid versus die op vermogen is daarmee evenwichtiger geworden. In het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief» uit 2024 wordt dat nader toegelicht. Ook wordt in dat rapport ingegaan op nog bestaande onevenwichtigheden. In alle drie rapporten is benadrukt dat een box 3-stelsel dat het werkelijke rendement belast, een belangrijke volgende stap is in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen. Het ontbreken van een grondslag op basis van werkelijk rendement is de belangrijkste onevenwichtigheid in box 3 ten opzichte van de rest van het stelsel. Heffen op basis van werkelijk rendement zorgt ervoor dat de verschillen tussen de boxen verminderen en sluit aan bij het streven naar het gelijker belasten van verschillende vormen van inkomsten uit vermogen. Ik heb dit ook expliciet aangehaald in mijn brief van «Minimumvermogensbelasting van 2% voor zeer vermogende personen»5 die ik op 6 maart jl. naar de Tweede Kamer heb gestuurd.
Tot slot zijn de tarieven en heffingskortingen in de loon- en inkomstenbelasting met ingang van 2026 aangepast in het Belastingplan 2026. Opeenvolgende kabinetten streven over het algemeen naar een evenwichtig koopkrachtbeeld. Ook in het op Prinsjesdag 2026 gepresenteerde Belastingplan 2026 gingen naar verwachting alle inkomensgroepen er qua koopkracht op vooruit.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet de opvatting deelt dat box 2 uitsluitend voor de aandeelhouder met een belang van 5% of meer in gewone aandelen beschikbaar zou moeten zijn. In dat kader vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA tevens of het kabinet vindt dat het beperken van het box 2-regime tot gewone aandelen, het afschaffen van de meetrekregeling, de meesleepregeling en de soortbenadering en het uitsluiten van box 2 voor aandeelhouders in stapelstructuren de Nederlandse fiscale behandeling van aandelen consistenter, rechtvaardiger, eenvoudiger en doelmatiger maakt. Ook vragen deze leden of het kabinet het niet onwenselijk vindt dat er op dit punt een verschil in fiscale behandeling bestaat tussen ogenschijnlijk vergelijkbare situaties.
Naar het oordeel van het kabinet is er geen sprake van gelijke situaties die ongelijk worden behandeld. In box 2 worden inkomsten uit aanmerkelijk belang belast als winst wordt uitgekeerd op de aandelen die kwalificeren als aanmerkelijk belang of als de aandelen worden vervreemd (verkocht). Er is kort gezegd sprake van een aanmerkelijk belang als een belastingplichtige al dan niet gezamenlijk met zijn partner direct of indirect 5% of meer heeft van de aandelen, koopopties of winstbewijzen van een vennootschap of 5% of meer van de stemrechten in een coöperatie. Ook is sprake van een aanmerkelijk belang indien de belastingplichtige al dan niet gezamenlijk met zijn partner 5% of meer een soort aandelen of koopopties van een soort te verwerven aandelen van een vennootschap heeft. In de praktijk komt het erop neer dat ook (cumulatief) preferente aandelen en letteraandelen onder het bereik van de aanmerkelijkbelangregeling vallen. Het bezitspercentage ligt in de lijn met het onderscheidende criterium dat voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting wordt gehanteerd.6 Indien een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap dan behoort tot het aanmerkelijk belang ook zijn overige aandelen in of winstbewijzen van die vennootschap (meesleepregeling). Hiermee worden alle aandelen of winstbewijzen van een aanmerkelijkbelanghouder op gelijke wijze in de heffing betrokken. Daarnaast behoren aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap waarin de belastingplichtige geen, maar zijn partner of een van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner wel een aanmerkelijk belang heeft, ook tot een aanmerkelijk belang van de belastingplichtige (meetrekregeling). Tot slot kan er ook sprake zijn van een zogenoemd fictief aanmerkelijk belang in de bij wet bepaalde gevallen. Hierbij gaat het om gevallen waarbij de belastingplichtige waarschijnlijk in liquiditeitsproblemen terecht zou kunnen komen en daarom wenselijk wordt geacht dat de inkomstenbelasting over de aanmerkelijkbelangclaim bij vervreemding van het aandelenpakket wordt geheven. Vanwege het soort-aanmerkelijkbelang, de meesleep- en meetrekregeling is het mogelijk dat een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft terwijl dat aanmerkelijk belang kleiner is dan 5% van het totaal geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap.
In box 3 wordt de klein-aandeelhouder behandeld als een gewone vermogensbezitter. In box 2 vallen als hoofdregel zogenoemde grootaandeelhouders. De grens waarbij een aanmerkelijk belang aanwezig wordt geacht (5%) is het punt waarop bij een aandelenpakket van enige omvang een zodanige betrokkenheid bij de onderneming mag worden verondersteld, dat het subjectieve belang bij de onderneming als een mengvorm van ondernemen en beleggen kan worden beschouwd.7 Hiermee wordt beoogd rekening te houden met het feit dat een grootaandeelhouder weliswaar ook een vermogensbezitter betreft, maar dat er ook – naar mate een groter belang in de vennootschap wordt verworven – gelijkenissen zijn met een ondernemer: een vennoot in de door de vennootschap gedreven onderneming.8
Voor belastingplichtigen met een lange beleggingshorizon kan de route via box 2 vanwege het kunnen uitstellen van (een deel van) de heffing fiscaal aantrekkelijk zijn ondanks de eenmalige en jaarlijkse kosten voor een bv. Voor spaarders en beleggers met een kleiner vermogen, een lager rendement of een beperktere beleggingshorizon zal het aanhouden van vermogen in box 3 doorgaans fiscaal aantrekkelijker zijn omdat gebruik kan worden gemaakt van het heffingsvrije resultaat van € 1.800 en de kosten van een bv worden bespaard. Hierbij merk ik op dat de verschillen tussen box 2 en box 3 minder zullen zijn op het moment dat in box 3, zoals in het coalitieakkoord is afgesproken, een volledige vermogenswinstsystematiek wordt ingevoerd. Ook de systematiek in het voorliggende wetsvoorstel is een verbetering ten opzichte van het forfaitaire stelsel. Het kabinet monitort voortdurend de verschillen in belastingheffing van de verschillende boxen van de inkomstenbelasting.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet overweegt om de huidige regeling voor lucratief belang te vervangen door een eenvoudiger systeem, waarbij aandelen in beginsel in box 3 vallen, tenzij sprake is van een belang van meer dan 5% van de gewone aandelen.9
De voordelen uit lucratief belang zijn in beginsel in box 1 belast, omdat het door de manager geïnvesteerde kapitaal en/of het feitelijk op de investering gelopen risico (deels) disproportioneel zijn. Het disproportionele gedeelte van het rendement is dan in feite een beloning voor arbeid en hoort daarmee in box 1 en niet voor het geïnvesteerde kapitaal (belast in box 3). De belastingplichtige kan ervoor kiezen deze heffing in box 1 in te ruilen voor een heffing in box 2 onder de voorwaarde dat de belastingplichtige het lucratief belang inbrengt in een kapitaalvennootschap (de «aanmerkelijkbelangvariant»). Vervolgens dient de kapitaalvennootschap de voordelen uit lucratief belang voor minimaal 95% uit te keren naar de aanmerkelijkbelanghouder. Deze verplichting zorgt ervoor dat de heffing in box 2 direct plaatsvindt en voorkomt daarmee uitstel van belastingheffing in box 2. Als de belastingplichtige aan deze voorwaarde voldoet, behoren deze voordelen niet langer tot het box 1-inkomen van de belastingplichtige maar uitsluitend tot de box 2-voordelen. Ter uitvoering van de motie Idsinga c.s. van 25 juni 2025, is in het Belastingplan 2026 een grondslagverbredende maatregel voorgesteld voor belastingplichtigen die de zogenoemde aanmerkelijkbelangvariant toepassen.10 De grondslagverbreding houdt in dat de grondslag voor inkomen uit een middellijk gehouden lucratief belang wordt verbreed met een multiplier. Hierdoor wordt de belastingdruk op de betreffende voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang effectief verhoogd tot maximaal 36%. Dit sluit aan bij het tarief in box 3. Als gevolg van het amendement Van Eijk c.s. is de inwerkingtreding van de voorgestelde maatregel uitgesteld tot 1 januari 2028.11
In het onderzoeksrapport dat op 13 februari 2025 naar uw Kamer is gestuurd12 is een beleidsoptie benoemd waarbij de lucratiefbelangregeling meer dan nu in de loonheffingen wordt ingebed. Deze beleidsoptie wordt momenteel voor de langere termijn ambtelijk verkend. Daarbij kan desgewenst ook rekening gehouden worden met de hoogte van de belastingdruk op carried-interest in het buitenland met het oog op een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Daardoor kan de marginale belastingdruk ook lager zijn dan het hoogste tarief in box 1. Een dergelijk alternatief kan – afhankelijk van de uiteindelijke vormgeving – ook recht doen aan de aangenomen moties Idsinga c.s. van 202413 en 202514 en de aangenomen motie Dijk.15
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet overweegt om de inkomstenbelasting en dividendbelasting zo aan te passen dat er geen uitzondering meer is op de hoofdregel, die bepaalt dat het terugbetalen van eigen vermogen belast is, zolang er winst is. Ook vragen zij of het kabinet een dergelijke wijziging alleen overweegt voor bv’s met hoofdzakelijk beleggingen als bezittingen of voor alle bv’s om zo een beter globaal evenwicht te krijgen tussen belasting op arbeid en vermogen en belasting op de ondernemer onder box 1 en de ondernemer onder box 2.
Het uitgangspunt voor de heffing van dividendbelasting is het belasten van de opbrengst op aandelen (kort gezegd: dividenden). Bij een terugbetaling van kapitaal gaat er geen dividendbelastingclaim verloren, aangezien dit kapitaal doorgaans door de aandeelhouders op een eerder moment is ingebracht. Het belasten van teruggaaf van kapitaal zou daarom de uitgangspunten van de dividendbelasting raken. Om misbruiksituaties te voorkomen is een teruggaaf van kapitaal als startpunt wel belast voor zover er «zuivere winst» is. Zuivere winst is kort gezegd de winst(reserve) in de vennootschap die nog niet is uitgekeerd. Op deze manier wordt voorkomen dat winstreserves onbelast worden uitgekeerd. Er vindt echter geen heffing plaats als de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij voorafgaande statutenwijziging is verminderd. Op deze manier wordt geborgd dat geen sprake is van een winstuitdeling, maar daadwerkelijk van een terugbetaling van kapitaal. Een dergelijke teruggaaf van kapitaal heeft geen invloed op in de vennootschap aanwezige en beclaimde winstreserves. Ook met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting is het uitgangspunt dat de opbrengst op aandelen wordt belast. Een teruggaaf van op aandelen gestort kapitaal leidt in beginsel tot een regulier voordeel, maar hiervan is in box 2 geen sprake als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de teruggaaf bedraagt niet meer dan de verkrijgingsprijs van de aandelen, de algemene vergadering heeft vooraf besloten tot de teruggaaf en de nominale waarde van de desbetreffende aandelen wordt bij statutenwijziging met een gelijk bedrag verminderd. Dit betekent dat het rendement op hetgeen is gestort wordt belast (kort gezegd: de winstreserves), en niet de terugbetaling van hetgeen is gestort en door de aandeelhouder zelf is ingebracht. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding voor de introductie van nieuwe maatregelen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet het wenselijk acht dat een belastingplichtige zijn beleggingen van bijvoorbeeld € 1 miljoen inbrengt in een nieuw opgerichte bv tegen nominaal kapitaal en zo de beschikking heeft tot een bedrag van € 1,5 miljoen winst van de bv zonder box 2 heffing door onbelast het nominaal kapitaal terug te betalen en de bv € 500.000 te laten lenen aan de aandeelhouder. In algemene zin acht het kabinet structuren die alleen zijn bedoeld om belasting te ontwijken onwenselijk. Met betrekking tot de terugbetaling van het nominale kapitaal verwijs ik naar het voorgaande antwoord. In relatie tot deze vraag merk ik op dat de lening van de bv aan de aandeelhouder van € 500.000 inderdaad niet als excessieve lening in box 2 in de heffing wordt betrokken. Dit laat echter onverlet dat de lening in bepaalde gevallen (onzakelijke leningen) wel gekwalificeerd kan worden als dividenduitdeling waarbij over de hoofdsom van lening inkomstenbelasting in box 2 verschuldigd is.16
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet bereid is de inkomstenbelasting zo aan te passen dat elke lening aan de aandeelhouder door een bv met hoofdzakelijk beleggingen als bezittingen als excessief moet worden beschouwd.
Met de Wet excessief lenen eigen vennootschap die op 1 januari 2023 in werking is getreden worden leningen aan de aandeelhouder boven € 500.000 die niet kwalificeren als eigenwoningschuld reeds belast als fictief voordeel. Daarmee wordt bovenmatig lenen bij de eigen vennootschap dat kan leiden tot uitstel of zelfs afstel van belastingheffing reeds ontmoedigd. Er is nu geen voornemen hierin een aanpassing te doen. De Wet excessief lenen eigen vennootschap zal dit jaar worden geëvalueerd. In deze evaluatie zal het effect van het wetsvoorstel onderzocht worden op basis van aangiftegegevens inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Tevens zal nader gekeken worden naar mogelijke uitvoeringsproblemen en ontwijkingssituaties.
De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet kan reflecteren op de fiscale gevolgen in een situatie dat box 2 zou worden opgeheven en ondergebracht in box 3. De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de maatschappelijke wenselijkheid van uitstel van heffing op moment van realisatie en waarom in box 1 en box 2 wel belasting wordt geheven bij realisatie en bij box 3 niet.
In box 2 worden inkomsten uit aanmerkelijk belang belast via een vermogenswinstbelasting. Iemand heeft een aanmerkelijk belang als diegene – al dan niet tezamen met zijn of haar partner – bijvoorbeeld een aandeel van minstens 5% in een vennootschap heeft. Met de bezitseis van 5% is beoogd om onderscheid te maken tussen beleggen en ondernemen. Het bezitspercentage ligt in de lijn met het onderscheidende criterium dat voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting wordt gehanteerd.17 Naast de vermogenswinstsystematiek in box 1 en box 2 zijn diverse faciliteiten beschikbaar om te voorkomen dat de continuïteit van een onderneming in gevaar komt. Hierbij kan voor box 1 (winst uit onderneming) en voor de vennootschapsbelasting gedacht worden aan het kunnen vormen van een voorzieningen en een herinvesteringsreserve bij een verkoopwinst. Daarnaast kan in box 1 en box 2 onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van doorschuiffaciliteiten in het geval van bedrijfsoverdrachten bij schenken en overlijden. Uit de opbouw van het boxenstelsel in de inkomstenbelasting volgt dat het vermogen in box 3 wordt aangemerkt als een belegging waardoor een afwijkende fiscale behandeling ten opzichte van ondernemingsvermogen in de andere boxen is gerechtvaardigd. In het voorgestelde box 3-stelsel geldt als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting. Daarnaast zijn de hiervoor genoemde doorschuiffaciliteiten bij schenken en overlijden niet van toepassing omdat geen sprake is van ondernemingsvermogen. De uitzondering voor onroerend goed en aandelen in startups in het voorgestelde box 3-stelsel komt voort uit het illiquide karakter van deze vermogensbestanddelen. In de situatie die de leden van de fractie van D66 schetsen worden ook aandelenbelangen van meer dan 5% belast in box 3 waar als hoofdregel de vermogensaanwasbelasting geldt. Dit zou betekenen dat de aandeelhouder jaarlijks belasting is verschuldigd over de waardeontwikkeling van de aandelen. Een dergelijke heffing kan de bedrijfsvoering belemmeren omdat de aandeelhouder van de vennootschap een dividenduitkering kan verlangen om de verschuldigde inkomstenbelasting over de waardeontwikkeling te voldoen waardoor minder ruimte is om noodzakelijke investeringen te doen in de onderneming. De mogelijke belemmering van de bedrijfsvoering is doorgaans niet aan de orde voor zover sprake is van aangehouden beleggingsvermogen in de vennootschap.
De voorgestelde aanpassingen
Hybride stelsel en doorontwikkeling naar volledige vermogenswinstbelasting
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of ook bezwaren kleven aan een vermogenswinstbelasting omdat pas na vele jaren belasting wordt betaald over een groot bedrag. Deze leden vragen of het kabinet de analyse deelt dat dit voor kleine beleggers niet gunstig is omdat zij het heffingsvrije resultaat niet elk afzonderlijk jaar, maar slechts eenmalig in het afrekenjaar kunnen benutten. Ook wijzen deze leden op de doorwerking van een eenmalig hoog inkomen in een afrekenjaar naar het verzamelinkomen, waardoor dit met name voor kleine beleggers gevolgen kan hebben voor de toeslagen. Deze leden vragen of het kabinet de analyse deelt dat een vermogenswinstbelasting daarmee vooral voor grote beleggers lucratief is. Naar het oordeel van het kabinet worden spaarders en beleggers met kleine rendementen door het heffingsvrije resultaat van € 1.800 ontzien. Daarbij profiteren spaarders en beleggers met kleine rendementen relatief gezien sterker van het heffingsvrije resultaat dan grote beleggers, aangezien het heffingsvrije resultaat bij hen een groter deel van het rendement beslaat of zelfs volledig voorkomt dat zij in de heffing worden betrokken. De mate waarin belastingplichtigen profiteren van het heffingsvrije resultaat is echter wel afhankelijk van de mate waarin het inkomen fluctueert. Een belastingplichtige met een stabiel rendement over meerdere jaren in box 3 zal meer profijt hebben van het heffingsvrije resultaat dan een belastingplichtige die hetzelfde rendement in slechts één jaar realiseert en in de andere jaren geen rendement heeft. Bij een vermogensaanwassystematiek is het rendement over de jaren heen over het algemeen stabieler dan bij een vermogenswinstsystematiek, waardoor het effect van het heffingsvrije resultaat, waar vooral kleine beleggers van profiteren, bij een vermogensaanwassystematiek groter is. Ook eventuele gevolgen voor de toeslagen als gevolg van een incidenteel hoog inkomen in het jaar van vervreemding zullen zich bij kleine beleggers eerder voordoen dan bij grote beleggers. Op pagina 16 is een schema opgenomen met de voor- en nadelen van een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wijzen erop dat een vermogenswinstbelasting tot uitstel van belastingheffing leidt, en dat dit een rentenadeel oplevert voor de overheid. Deze leden wijzen daarbij op de kosten van de keuze voor een vermogenswinstbelasting op onroerende zaken. Deze leden vragen of is overwogen dit rentenadeel te compenseren met bijvoorbeeld een rentevergoeding. Een vermogenswinstbelasting leidt ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting tot belastinguitstel. Dit levert een liquiditeitsvoordeel op voor belastingplichtigen. De staat ontvangt de belasting op een later moment. In de ingroeiperiode die vele jaren duurt, loopt de staat belastinginkomsten mis die niet meer worden ingehaald. Het voorliggende wetsvoorstel is echter budgettair neutraal vormgegeven. Dit betekent dat de budgettaire effecten van de keuze voor een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken zijn gecompenseerd binnen het voorliggende wetsvoorstel. Een maatregel om de budgettaire effecten van de keuze voor een vermogenswinstbelasting met een rentevergoeding over de vermogenswinst te compenseren is niet overwogen. Een dergelijke maatregel zou naar verwachting zeer bewerkelijk zijn omdat jaarlijks de latente belastingschuld en opgebouwde rente daarover bijgehouden zou moeten worden. Een dergelijke rentevergoeding is ook niet gebruikelijk in box 1 en box 2 van de inkomstenbelasting.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de jaarlijkse belastingopbrengst in box 3 als aandeel van de totale belastingopbrengst. Zij vragen dit voor de periode 1998 tot en met heden. Deze leden vragen verder waarom het aandeel box 3 belasting gedaald is. Het is het kabinet niet duidelijk op welke reeks de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA de conclusie baseren dat in de periode 1998–2001–heden het aandeel van de box 3 ontvangsten in de totale belastingontvangsten is gedaald, aangezien een dergelijke reeks van 1998 tot op heden niet is gemaakt. Eerder is in het achtergrondrapport «De Nederlandse belastingmix» van de Bouwstenen voor een beter belastingstelsel uit 2020 wel een figuur gepresenteerd met het aandeel van de box 3 opbrengsten als aandeel in het bbp in de periode 2001–2018 op basis van de definitieve aangiften Inkomstenbelasting over die periode. Met daarbij de volgende toelichting: «De opbrengst van de vermogensrendementsheffing in box 3 is lange tijd zeer stabiel geweest, geleidelijk stijgend als aandeel van het bbp. Deze stabiele opbrengst volgt logischerwijs op een stabiele spaarquote en het vaste forfaitaire rendement waarmee tot 2016 werd gerekend. Met de in 2017 geïmplementeerde methodiek sluit het forfaitair vastgestelde rendement gemiddeld meer aan bij werkelijke marktrendementen. Als gevolg van de langdurig lage rente (op spaargeld) neemt het aandeel van de opbrengst van box 3 in de belastingmix daardoor af.»
Onderstaande tabel toont het aandeel van de belastingopbrengsten uit box 3 zoals deze uit de definitieve aanslagen Inkomstenbelasting zijn afgeleid in de totale gerealiseerde belastingontvangsten voor de periode 2012 tot en met 2023.18 Het jaar 2023 is het meest recente datajaar voor de aangiften Inkomstenbelasting. De aangiften van de jaren daarna zijn nog niet volledig. Nota bene, voor de periode 2017 tot en met 2023 zijn de herstelbetalingen als gevolg van de Hoge Raad uitspraken uit 2021 en 2024 niet meegenomen omdat deze nog niet zijn gerealiseerd. De toename van box 3 ontvangsten (exclusief het effect van herstelbetalingen en de gevolgen van de tegenbewijsregeling) in de jaren 2020–2024 hangt samen met hogere spaarsaldi bij huishoudens en hogere forfaits (zoals door toename spaarrente).
|
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
2018 |
2019 |
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
1,8% |
1,9% |
1,8% |
1,8% |
1,7% |
1,7% |
1,5% |
1,4% |
1,5% |
1,6% |
1,4% |
2,0% |
Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA of deze reeks aansluit bij reeksen in het IBO onderzoek, waarin Nederland het enige land in de wereld zou zijn in de westerse wereld waar vermogens per saldo niet worden belast maar gesubsidieerd. Ik neem aan dat de leden van GroenLinks-PvdA doelen op het IBO Vermogensverdeling. In het betreffende IBO-rapport wordt op pagina 57 een figuur getoond met de belastingontvangsten met betrekking tot vermogen over het jaar 2020. Het gaat hier zowel om belastingontvangsten over (al dan niet forfaitair) inkomen uit vermogen van huishoudens als de belasting op winst van ondernemingen als om de belasting van vermogensoverdrachten zoals de overdrachtsbelasting en de schenk- en erfbelasting. Ook worden de ontvangsten getoond uit de onroerendezaakbelasting (OZB) die gemeentelijk geheven wordt. Deze figuur laat zien dat de eigen woning en de pensioenopbouw per saldo fiscaal wordt gesubsidieerd. De vermogens in box 2 en box 3 en alle andere belastingsoorten hebben positieve belastingontvangsten. De vennootschapsbelasting zorgt voor het leeuwendeel van de totale belastingopbrengsten met betrekking tot vermogen.
Nederland is verder niet het enige land met een relatief gunstige behandeling van de eigen woning en de pensioenopbouw. Wat betreft de fiscale behandeling van de eigen woning in box 1 valt Nederland wel op: het heeft een van de meest gunstige fiscale behandelingen vergeleken met andere westerse landen in combinatie met het feit dat de eigen woning een relatief breed verdeeld bezit is onder Nederlandse huishoudens. Iets dergelijks geldt ook voor de pensioenopbouw: veel huishoudens in Nederland bouwen een fiscaal gefaciliteerd pensioen op via de werkgever boven op hun AOW.
De leden van de fractie van de VVD vragen naar een realistisch jaar waarin een volledige vermogenswinstbelasting in werking kan treden. De leden van de fractie van Volt vragen op welke termijn het mogelijk zou moeten zijn om in box 3 tot een volledige vermogenswinstbelasting over te gaan. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het kabinet erkent dat tijdelijke belastingmaatregelen vaak een permanent karakter hebben. Dat lid vraagt of het kabinet zich ervan bewust is dat als geen dekking gevonden kan worden, de vermogensaanwasbelasting blijft bestaan. Verder vraagt dat lid of het gewenst is dat lang uitstel van vermogenswinstbelasting dreigt en wat het kabinet ervan vindt dat de vermogensaanwasbelasting dan feitelijk eindstation is. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt op welke wijze en op welk moment een vermogenswinstbelasting kan worden ingevoerd in box 3. Ook vraagt dit lid naar een uitvoerige beschouwing over de daarbij aan de orde zijnde aspecten, waaronder de fiscale vraagstukken, het «lock-in effect» en het dekkingsvraagstuk.
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om het stelsel zo snel mogelijk na 2028 door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting. Ook de Tweede Kamer heeft met de moties van de leden Inge van Dijk c.s. en Vermeer19 erop aangedrongen om in de toekomst toe te werken naar een volledige vermogenswinstbelasting voor box 3. Uiteraard moet hierbij ook de budgettaire impact worden meegewogen, waarbij de dekking plaats moet vinden binnen de bestaande kaders. Over het traject van de doorontwikkeling zal ik uw Kamer voor de zomer een brief sturen.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het wenselijk is om een onafhankelijke staatscommissie belastinghervorming in te stellen met als expliciete opdracht om uiterlijk in 2028/2029 een uitvoerbaar en juridisch houdbaar ontwerp voor een vermogenswinstbelasting in box 3 uit te werken, inclusief een concreet invoeringspad. Een staatscommissie is bij uitstek geschikt om op onafhankelijke wijze en vanuit verschillende disciplines een langdurig en diepgaand onderzoek te doen. Voor een zo spoedig mogelijke invoering van vermogenswinst in box 3 ligt het instellen van een staatscommissie niet voor de hand. Hierbij is van belang dat specifieke deskundigheid op het gebied van budgettaire ramingen, uitvoerbaarheid, wetgevingstechniek en wetgevingsprocedures juist op het Ministerie van Financiën en bij de Belastingdienst volop aanwezig is. Daarnaast horen bij een zorgvuldig wetgevingstraject vele (externe) toetsen. Zo wordt onder andere advies gevraagd bij de Adviescollege toetsing regeldruk, de Raad voor de Rechtspraak en de Afdeling advisering van de Raad van State. Ook bestaat de mogelijkheid tot internetconsultatie en kan het ministerie in overleg treden met bijvoorbeeld belangenorganisaties.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe wordt voorkomen dat ketenpartners werken aan systeemaanpassingen in het kader van de gegevensaanlevering op basis van een wetsvoorstel dat nog via een novelle zal worden gewijzigd.
Het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst werken nauw samen met de ketenpartners en de eventuele impact van een novelle op de werkzaamheden van de ketenpartners zal zorgvuldig in de gaten worden gehouden en met de ketenpartners worden besproken. Niet alle wijzigingen zullen invloed hebben op de gegevensaanlevering. Het invoeren van achterwaartse verliesverrekening in box 3 heeft hier bijvoorbeeld geen invloed op en zal dus niet leiden tot extra werkzaamheden voor de ketenpartners.
De leden van de fractie van de VVD merken op dat de voorgestelde hybride-constructie voor een beperkte periode geldt, omdat uiteindelijk sprake zal zijn van een vermogenswinstbelasting. Zij vragen of er voor de overgangsperiode geen eenvoudiger systeem te bedenken is, zoals een bronheffing, dan het voorliggende en welk onderzoek hiernaar is gedaan. Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is het mogelijk om per 2028 over werkelijk rendement te heffen in box 3. Dat is een verbetering ten opzichte van het huidige forfaitaire box 3-stelsel. Uit onderzoek blijkt dat de alternatieven niet beter scoren op de elementen uitvoerbaarheid, doenvermogen en complexiteit dan het huidige wetsvoorstel.20 Een forfaitaire heffing met een noodzakelijke tegenbewijsregeling heeft forse impact voor de uitvoering, vraagt ten minste evenveel van het doenvermogen van burgers bij het berekenen van het werkelijke rendement en is complex vanwege het van toepassing zijn van twee stelsels binnen een box (forfaitaire heffing en tegenbewijs). Een volledige vermogensaanwas- of vermogenswinstbelasting scoort niet beter op uitvoerbaarheid en doenvermogen, omdat een heffing over het werkelijke rendement inherent complex is. Ook bij een bronheffing over werkelijk rendement moet dit werkelijke rendement worden bepaald, hetgeen onvermijdelijk complexiteit met zich brengt. Weliswaar zou deze berekening door de financiële instellingen worden gedaan die de bronbelasting over de inkomsten uit het bij hen gespaarde of belegde vermogen uit die inkomsten moeten inhouden en afdragen aan de fiscus. Echter, dit zou een enorme inspanning van de ketenpartners vragen. Tot slot is een vermogensbelasting onderzocht. Om schending van het eigendomsrecht te voorkomen is bij een vermogensbelasting een anti-cumulatieregeling nodig om te voorkomen dat wordt ingeteerd op het vermogen. Voor de toepassing van de anti-cumulatiebepaling moet het werkelijke rendement uit vermogen worden berekend. Hierdoor scoort een vermogensbelasting niet beter op de elementen uitvoerbaarheid, doenvermogen en complexiteit dan het huidige wetsvoorstel. Het intrekken van het huidige wetsvoorstel en opstellen van een nieuw wetsvoorstel, inclusief de zorgvuldige voorbereiding die daarbij hoort, levert bovendien een vertraging op van zeker twee jaar.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat maakt dat de Wet tegenbewijsregeling box 3, aangevuld door een mogelijkheid tot kostenaftrek, niet volstaat om gedurende de hele overgangsperiode naar een vermogenswinstbelasting te gebruiken. De leden van de fractie van het CDA vragen waarom het kabinet er niet voor kiest om het huidige systeem te behouden totdat er een alternatief ligt dat pas belasting heft bij realisatie. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom het huidige stelsel als onhoudbaar wordt aangemerkt. Dit lid pleit voor het overslaan van de vermogensaanwasbelasting en vraagt of het kabinet het eens is dat budgettaire argumentatie geen reden mag zijn om de vermogensaanwasbelasting toch tijdelijk in te voeren. Het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling leidt niet tot een rechtvaardige belastingheffing die aansluit bij het draagkrachtbeginsel. De belastingplichtige kan nu jaarlijks de meest gunstige systematiek kiezen: in jaren met een hoog werkelijk rendement wordt namelijk maximaal belasting betaald over het forfaitaire rendement, terwijl in jaren met een laag werkelijk rendement gebruik kan worden gemaakt van de tegenbewijsregeling. Belastingplichtigen met een rendement dat hoger ligt dan het forfait, betalen onder het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling dus belasting over een lager rendement dan dat zij zouden doen onder een stelsel op basis van werkelijk rendement. Hierdoor zorgt de tegenbewijsregeling voor een budgettaire derving van jaarlijks € 2,4 miljard. Bovendien werkt de tegenbewijsregeling niet neutraal uit voor de lastendruk van belastingplichtigen met verschillende vormen van vermogen. De mate waarin gebruik gemaakt kan worden van de tegenbewijsregeling is afhankelijk van de mate waarin het rendement jaarlijks fluctueert rond het langjarige gemiddelde. Dit zal meer het geval zijn bij volatielere beleggingen en minder bij spaargeld of beleggingen met stabielere rendementen. Tot slot wordt op basis van de arresten van de Hoge Raad in de tegenbewijsregeling een definitie van werkelijk rendement gehanteerd waar met name beleggers in onroerende zaken onvrede over hebben geuit. Zo is bijvoorbeeld kostenaftrek niet mogelijk. Het toevoegen van kostenaftrek aan het huidige stelsel zou echter zorgen voor een aanvullende budgettaire derving en voor vertraging bij de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement. Gelet op het bovenstaande vindt het kabinet het wenselijk om met het voorgestelde hybride stelsel per 2028 over het werkelijke rendement te heffen en dit stelsel daarna zo snel mogelijk door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting.
De leden van de fractie van D66 zien het voorliggende voorstel als noodzakelijk tussenstation en vragen of het kabinet deze zienswijze onderschrijft. De leden van de fractie van de SP vragen hoe het voornemen in het coalitieakkoord om over te gaan tot een volledige vermogenswinstbelasting zich verhoudt tot het voorliggende wetsvoorstel en de inhoudelijke motivering daarvan. Deze leden vragen hoe het kabinet het beoordeelt dat zij een wetsvoorstel verdedigt waarin een vermogensaanwasbelasting als uitgangspunt wordt gekozen, terwijl zij tegelijkertijd aangeeft deze keuze te willen herzien. Voorts vragen deze leden of het kabinet nog steeds de analyse onderschrijft in hoofdstuk 6.1 van de memorie van toelichting, waarin wordt beschreven waarom in het wetsvoorstel niet is gekozen voor een volledige vermogenswinstbelasting. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom de keuze voor een hybride stelsel is gemaakt. Dit lid vraagt verder om te reageren op het standpunt van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), dat de NOB niet is overtuigd van de argumenten om te kiezen voor een vermogensaanwasbelasting en dat zwaarder dient te wegen dat een vermogenswinstbelasting beter aansluit bij het draagkrachtbeginsel, het werkelijke rendement en in overeenstemming is met stelsels in andere westerse landen. Ook vraagt het lid van de fractie van 50PLUS waarom de argumenten rechtvaardigheid, inkomensbegrip, neutraliteit, minder verstoring en internationale vergelijking niet zwaarder hebben gewogen en waarom een vermogensaanwasbelasting wordt voorgesteld. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom na het Kerstarrest21 niet gelijk is gekozen voor een wetstraject voor een volledige vermogenswinstbelasting, in plaats van twee tijdelijke wetten.
Het kabinet vindt het wenselijk om zo snel mogelijk af te stappen van het huidige forfaitaire stelsel en belasting te heffen op basis van werkelijk rendement. De wens om een stelsel op basis van werkelijk rendement in te voeren in box 3 dateert nog van voor het Kerstarrest. In het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV van 15 december 2021 was opgenomen dat een stelsel op basis van werkelijk rendement zou worden ingevoerd. Na het Kerstarrest van 24 december 2021 is op 15 april 202222 een contourennota met de eerste hoofdlijnen van het nieuwe stelsel verstuurd. Het voorstel was aanvankelijk een volledige vermogensaanwasbelasting. Het voorgaande kabinet heeft uiteindelijk vanwege het maatschappelijke draagvlak gekozen voor een hybride stelsel, waarbij voor onroerende zaken en voor aandelen en winstbewijzen in startende ondernemingen sprake is van een vermogenswinstbelasting. In onderstaand schema staan de plus- en minpunten van een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting.
|
Vermogenswinstbelasting |
Vermogensaanwasbelasting |
|---|---|
|
De waardeontwikkeling wordt belast op het tijdstip dat de bezitting het vermogen van een belastingplichtige verlaat (meestal bij verkoop) of bij het eindigen van de belastingplicht. |
De jaarlijkse waardeontwikkeling wordt belast. |
|
Voordelen |
Voordelen |
|
1. Sluit aan bij realisatiebeginsel. Heffing op het tijdstip van verzilvering van de waardeontwikkeling heeft maatschappelijk meer draagvlak. 2. Liquiditeitsvoordeel voor burgers ten opzichte van huidige box 3-stelsel en een vermogensaanwasbelasting. |
1. Niet economisch verstorend. Direct en indirect rendement wordt op dezelfde manier in de heffing betrokken. 2. Er zijn alleen gegevens nodig over het jaar waarover belasting wordt betaald. Banken kunnen de gegevensaanlevering sneller realiseren. |
|
Nadelen |
Nadelen |
|
1. Lock-in-effect (fiscale prikkel om bij waardestijging de verkoop uit te stellen). Dit zorgt voor een verstoring van de allocatie van kapitaal en leidt tot minder optimale investeringen. 2. Constructiegevoelig, direct rendement kan eenvoudig worden omgezet in waardeontwikkeling om belasting uit te stellen. 3. Belastingplichtigen moeten langdurig gegevens bijhouden. 4. Groot eenmalig nadeel voor de schatkist. |
1. Betalen over niet-gerealiseerd inkomen kan stuiten op onbegrip van de burger. 2. Vanwege (beperkte) liquiditeitsproblemen zijn betalingsregelingen nodig voor ongeveer 0,4% van de belastingplichtigen in box 3. 3. Er is meer belang bij instrumenten zoals verliesverrekening. |
Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is het mogelijk om per 2028 over werkelijk rendement te heffen in box 3. Dat is een verbetering ten opzichte van het huidige forfaitaire box 3-stelsel. In zoverre onderschrijft het kabinet de wenselijkheid van het hybride stelsel als tussenstap op de korte termijn. Het kabinet maakt voor de langere termijn echter een andere weging ten aanzien van de voor- en nadelen van een vermogenswinstbelasting dan het geval was bij indiening van het wetsvoorstel. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om het stelsel zo snel mogelijk na 2028 door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting. Overigens ondersteunt ook de NOB in een nadere beschouwing op het wetsvoorstel invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 2028, ondanks benodigde aanpassingen, omdat het een rechtvaardiger en houdbaarder stelsel biedt dan de huidige regeling met keuzevrijheid tussen forfaitair en rechtsherstel.23
De leden van de fractie van de SP vragen in het licht van het voornemen om zo snel mogelijk een volledige vermogenswinstbelasting in te voeren, hoe het kabinet de observatie in de memorie van toelichting weegt dat mogelijkheden tot belastinguitstel constructies kunnen uitlokken. Deze leden vragen of het kabinet het eens is dat deze overweging een rechtvaardiging vormt voor de keuze voor een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel. Een voordeel van de vermogensaanwasbelasting is inderdaad dat langdurig belastinguitstel wordt voorkomen doordat de waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen jaarlijks in de heffing wordt betrokken en niet pas in het jaar waarin het vermogensbestanddeel wordt verkocht. Daarnaast is het beter uitvoerbaar dan een vermogenswinstbelasting. Vanwege mogelijke liquiditeitsproblemen is gekozen voor een vermogenswinstbelasting alleen voor onroerende zaken en aandelen en winstbewijzen in startende ondernemingen. Dit omdat bleek dat maatschappelijk een zwaar belang aan het punt van liquiditeit wordt gehecht. Het kabinet heeft het voornemen om na 2028 toe te werken naar een volledige vermogenswinstbelasting. Bij de uitwerking van de volledige vermogenswinstbelasting is het uitgangspunt het mitigeren van de kwetsbaarheden van de vermogenswinstsystematiek. Het gaat dan bijvoorbeeld om mogelijkheden om belastingheffing uit te stellen. Te denken valt aan het omzetten van (jaarlijks belaste) reguliere voordelen in waardestijgingen waarover in dat jaar nog geen belasting wordt geheven. Het kabinet acht dit soort mogelijkheden om belastingheffing uit te stellen niet wenselijk.
De leden van de fractie van de SP vragen welke tijdlijn het kabinet in gedachten heeft voor de overgang naar een volledige vermogenswinstbelasting. De leden van de fractie van het CDA vragen hoe belastingplichtigen zeker kunnen weten dat de nu voorliggende wet voor maximaal twee jaar zal gelden. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het onzeker is wanneer wordt overgegaan naar een volledige vermogenswinstbelasting en of het kabinet bereid is nu reeds aanvang te nemen met het wetsvoorstel voor overgang naar een volledige vermogenswinstbelasting en welke datum voor overgang realistisch is. Het kabinet zal inzetten op een doorontwikkeling van box 3 naar een vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028. Deze doorontwikkeling vergt tijd: zowel vanuit een wetgevingsperspectief, maar ook vanuit het perspectief van implementatie door de Belastingdienst en de financiële instellingen en het regelen van de gegevensaanlevering. Uiteraard moet daarbij ook de budgettaire impact worden meegewogen. Al deze aspecten worden op dit moment nader in kaart gebracht. Over het traject van de doorontwikkeling zal ik uw Kamer voor de zomer een brief sturen, waarin een zo goed mogelijke inschatting van de benodigde tijd zal zijn opgenomen. Het doorlopen van een wetgevingstraject is overigens geen kwestie van maanden, maar een project waar – los van de implementatie – meerdere jaren voor nodig zal zijn. Deze doorontwikkeling doet niets af aan de wenselijkheid van het hybride stelsel in het voorliggende wetsvoorstel als tussenstap op de korte termijn.
De leden van de fractie van de SP vragen wat de aanleiding was voor de aankondiging om met voorstellen te komen tot aanpassing van het wetsvoorstel. Deze leden vragen daarbij met welke organisaties en personen contact is geweest over het wetsvoorstel sinds het aanbieden van het wetsvoorstel op 19 mei 2025 en welke rol deze contacten hebben gespeeld in de besluitvorming om het wetsvoorstel aan te passen, en op welk moment en op welke wijze afstemming is geweest tussen de Staatssecretaris en de Minister van Financiën. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is met de moties van de leden Inge van Dijk c.s. en Vermeer24 erop aangedrongen om in de toekomst toe te werken naar een volledige vermogenswinstbelasting voor box 3. Daarbij is in de weken na de stemmingen in de Tweede Kamer maatschappelijke onrust ontstaan over de effecten van een vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat in Nederland. Het kabinet begrijpt de zorgen die leven bij belastingplichtigen en gaat graag met het parlement in gesprek over verbeteringen aan het huidige wetsvoorstel, met het oog op het realiseren van breed politiek en maatschappelijk draagvlak. Tijdens de totstandkoming van het wetsvoorstel en in de periode na aanbieding heeft een breed scala aan belangenorganisaties inbreng geleverd over het wetsvoorstel, zoals de beroepsorganisaties voor belastingadviseurs en fiscaal dienstverleners, VNO-NCW en ketenpartners zoals banken en verzekeraars. Deze inbreng is gewogen en onderstreept in het algemeen het beeld dat het wetsvoorstel in de huidige vorm verbeterd kan worden om het draagvlak voor het nieuwe stelsel te vergroten. De Minister en Staatssecretaris hebben in de genoemde periode overleg gehad over box 3.
De leden van de fractie van de PVV constateren dat belastingplichtigen nu kunnen kiezen tussen een belasting op basis van forfaitair rendement en een tegenbewijsregeling op basis van een vermogensaanwasbelasting. Deze leden vragen in hoeverre die keuze bepalend is geweest voor de huidige keuze van een vermogensaanwasbelasting. Het huidige forfaitaire stelsel en de tegenbewijsregeling gaan inderdaad uit van een vermogensaanwassystematiek. Dit blijkt uit het feit dat het percentage van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in box 3 is gebaseerd op marktgegevens over ontwikkelingen in de waarde van die bezittingen. Voor de vormgeving van het huidige wetsvoorstel heeft het kabinet een zelfstandige afweging gemaakt, waarbij de vormgeving van het forfaitaire stelsel en de tegenbewijsregeling niet bepalend is geweest. Zo wijkt het wetsvoorstel op enkele cruciale onderdelen af van de regels voor de tegenbewijsregeling. Bijvoorbeeld door voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen een vermogenswinstbelasting te hanteren, en verliesverrekening en kostenaftrek mogelijk te maken.
De leden van de fractie van de PVV vragen of uit de tegenbewijsregeling ervaringen te destilleren zijn met een vermogensaanwasbelasting. De ervaringen met de tijdelijke tegenbewijsregeling, waarbij belastingplichtigen via het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement hun werkelijke rendement doorgeven, kunnen een waardevolle leerbron vormen voor de implementatie van het voorliggende wetsvoorstel. Nadat het formulier in juli 2025 voor belastingplichtigen beschikbaar is gesteld, is de Belastingdienst na een testperiode eind 2025 begonnen met de gefaseerde opstart van de verwerking van de ontvangen formulieren. De Belastingdienst is momenteel bezig met het opstellen van een voortgangsrapportage zoals door de Tweede Kamer is verzocht met de motie Kouwenhoven/Grinwis25, waarbij inzicht zal worden gegeven in de eerste ervaringen met de tegenbewijsregeling. Naar verwachting zullen deze rapportages in mei van dit jaar worden afgerond.
De leden van de fractie van Volt vragen waarom op dit moment wordt gekozen voor een vermogensaanwasbelasting met uitzonderingen in plaats van een vermogenswinstbelasting. Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is het mogelijk om per 2028 over werkelijk rendement te heffen in box 3. Dat is een belangrijke verbetering ten opzichte van het huidige forfaitaire stelsel. Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, streeft het kabinet naar de doorontwikkeling van het box 3-stelsel naar een volledige vermogenswinstbelasting. Het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief» benadrukt voor box 3 dat hét ideale stelsel dat werkelijk rendement belast niet bestaat en dat er voor- en nadelen zitten aan zowel een 100% vermogenswinst- als een 100% vermogensaanwasbelasting. Deze voor- en nadelen zijn samengevat in het schema op pagina 16. Het rapport stelt bovenal dat een urgente aanpak gevraagd is en er een keuze moet worden gemaakt. Als dat niet gebeurt raken we een belangrijke belastinggrondslag kwijt en ontstaat er juist dan een grote onevenwichtigheid in het belastingstelsel met forse budgettaire dervingen.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het kabinet het ermee eens is dat de vermogensaanwasbelasting en het invoeren van achterwaartse verliesverrekening zeer complicerend zijn en dat daarom een vermogenswinstbelasting de voorkeur verdient. Een voordeel van een vermogensaanwasbelasting is juist dat belastingplichtigen en ketenpartners niet langdurig gegevens hoeven bij te houden over de kostprijs van alle vermogensbestanddelen. Voor een vermogensaanwasbelasting zijn namelijk alleen gegevens nodig over het jaar waarover belasting wordt betaald. Daarom hebben banken aangegeven dat de gegevensaanlevering die nodig is voor de invoering van een vermogensaanwasbelasting eenvoudiger is en dat banken de invoering van een belasting over werkelijk rendement op basis van een vermogensaanwasbelasting sneller kunnen realiseren dan de gegevensaanlevering die nodig is voor een vermogenswinstbelasting. Het toestaan van achterwaartse verliesverrekening is een structuurwijziging en complex in de uitvoering voor de Belastingdienst, omdat aanslagen van het voorafgaande jaar moeten worden aangepast.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt onder verwijzing naar een interview van prof. dr. Stevens of het klopt dat bij de invoering van het boxenstelsel het de bedoeling was om tijd te kopen voor invoering van een vermogenswinstbelasting en of herinvoering van het stelsel van voor 2001 maar dan aangevuld met vermogenswinstbelasting alsnog te overwegen zou zijn. Bij de invoering van box 3 gaf het kabinet aan dat een vermogenswinstbelasting op dat moment onvoldoende perspectief bood om in de sfeer van de inkomsten uit vermogen vooruitgang te kunnen boeken.26 Als argumenten werden onder andere genoemd bezwaren op het vlak invoering en uitvoering en instabiele opbrengst. Ook invoering van een vermogensaanwasbelasting werd als niet opportuun aangemerkt vanwege uitvoeringsbezwaren.27 Onder het stelsel van vóór 2001 werden enkel de reguliere voordelen zoals rente en dividend belast. Met het voorliggende wetsvoorstel worden ook vermogenswinsten belast, in eerste instantie door middel van een hybride stelsel met zowel een vermogensaanwasbelasting als vermogenswinstbelasting. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om het stelsel daarna zo snel mogelijk na 2028 door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt om een reactie op de stelling van de NOB dat het conceptueel kwestieus is of bij vermogensaanwasbelasting gesproken kan worden van inkomen. Dit lid vraagt of het kabinet het met hem eens is dat de vermogensaanwasbelasting een belasting is op papieren waardestijging die betaald moet worden uit ander inkomen, terwijl dat altijd betaald behoort te worden uit het inkomen dat wordt belast. Dat lid vraagt of wordt erkend dat fiscaal een fundamenteel verschil is tussen rente en dividend en ongerealiseerde waardestijging. Dit lid vraagt verder of het kabinet het eens is dat fiscaal gezien een vermogenswinstbelasting een logisch verlengstuk is van het belasten van dividend en rente omdat bij beide soorten wordt uitgegaan van het realisatiebeginsel, en of dit fiscaal gezien doorslaggevend moet zijn. Naar het oordeel van het kabinet sluit de voorgestelde vermogensaanwasbelasting goed aan op de doelstelling van de inkomstenbelasting om belasting te heffen naar de draagkracht van belastingplichtigen. Door de inkomstenbelasting vorm te geven als draagkrachtheffing wordt van elke belastingplichtige – rekening houdend met de aard en de omvang van zijn inkomen – een bijdrage gevraagd aan de algemene middelen die is afgestemd op zijn feitelijke draagkracht. De voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement sluit beter aan bij de werkelijke draagkracht van belastingplichtigen dan het huidige forfaitaire stelsel. Het huidige stelsel beoogt ook ongerealiseerde waardemutaties te belasten. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in het feit dat de forfaitaire rendementspercentages mede zijn gebaseerd op de (al dan niet gerealiseerde) waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen. Ook ongerealiseerde waardestijgingen vergroten feitelijk de draagkracht van belastingplichtigen. Het maakt daarbij geen verschil of een belastingschuld wordt voldaan door het vermogensbestanddeel te verkopen of uit ander inkomen. Vanwege mogelijke liquiditeitsproblemen is voor onroerende zaken en aandelen of winstbewijzen in startende ondernemingen gekozen voor een vermogenswinstbelasting. Dit omdat bleek dat maatschappelijk een zwaar belang aan het punt van liquiditeit wordt gehecht.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of de doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting plaats kan vinden indien er geen dekking wordt gevonden. Het kabinet heeft inmiddels in bredere zin aangegeven dat het huidige voorstel nog niet het ideale eindbeeld is en, conform het coalitieakkoord, wil werken aan een doorontwikkeling naar een vermogenswinstsystematiek zo snel mogelijk na 2028. Ik heb daarover op 6 maart 2026 aan beide Kamers geschreven dat het ideale stelsel er nog niet is, dat de Tweede Kamer heeft aangedrongen op een volledige vermogenswinstbelasting en dat het kabinet daarom zal werken aan het zo snel mogelijk invoeren ervan.28 Tegelijkertijd moet conform de begrotingsregels een beleidsmatige lastenverlichting worden gecompenseerd door een even grote lastenverzwaring. Om te voorkomen dat rekeningen worden doorgeschoven, moeten beleidswijzigingen met (structurele) budgettaire consequenties na de kabinetsperiode ook (structureel) worden gedekt. Het kabinet zal de beide Kamers voor de zomer informeren hoe het kabinet dit proces voor zich ziet.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom de kosten van het voortbestaan van de tegenbewijsregeling worden aangevoerd als argument voor invoering van het voorliggende wetsvoorstel terwijl de kosten van achterwaartse verliesverrekening niet worden genoemd bij de verdediging van de vermogensaanwasbelasting. Het laten voortbestaan van het huidige stelsel met tegenbewijsregeling zorgt voor een jaarlijkse budgettaire derving van € 2,4 miljard. Het toevoegen van achterwaartse verliesverrekening aan het huidige wetsvoorstel zorgt voor een budgettaire derving van cumulatief € 3,4 miljard in de eerste vijf jaar, waarvan € 1,2 miljard in het eerste jaar. Indien besloten wordt tot invoering van de achterwaartse verliesverrekening en deze van dekking kan worden voorzien, zal deze wijziging meelopen in het pakket Belastingplan 2027.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het kabinet bereid is banken nu al te vragen noodzakelijke systemen voor te bereiden voor de invoering van de vermogenswinstbelasting, zodat banken tijdig gegevens kunnen aanleveren. Voor de voorbereiding van de gegevenslevering door ketenpartners is van belang dat voldoende zicht is op uitgewerkte wetteksten. Het overleg met de ketenpartners over de handleiding voor de datastructuur voor het voorliggende wetsvoorstel vindt plaats aan de hand van de tekst van het wetsvoorstel zoals dat is aangenomen in de Tweede Kamer. Het kabinet is in gesprek met ketenpartners met het oog op tijdige gegevenslevering voor de volledige vermogenswinstbelasting.
De leden van de fractie van de SGP vragen of het feit dat dit voorstel wordt voorgelegd als overbruggingsmaatregel betekent dat er fundamentele aanpassingen aan het belastingstelsel en de uitvoeringsorganisatie nodig zijn om die veerkrachtig en flexibel en daarmee toekomstbestendig te maken. Het wetsvoorstel wordt voorgelegd als overbruggingsmaatregel, omdat er op korte termijn een oplossing nodig is voor box 3. Het is uiteraard noodzakelijk dat het belastingstelsel en de uitvoeringsorganisatie toekomstbestendig zijn. Zoals ook in het coalitieakkoord is opgenomen, is het kabinet van oordeel dat ons belasting- en toeslagenstelsel en andere inkomensregelingen en -verzekeringen aan herziening toe zijn. Het kabinet geeft prioriteit aan het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen en het op orde krijgen van het personeelsbestand. Dit moet de weg vrijmaken voor het daadwerkelijk kunnen uitvoeren van een concreet hervormingsscenario. Het kabinet komt voor het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd op verschillende onderdelen.
De leden van de fractie van Volt vragen waarom het gecompliceerd zou moeten zijn voor de ketenpartners om een historisch overzicht van aan- en verkopen te verstrekken van aandelen op first-in-first-out basis, afgezien van het lang moeten bewaren van gegevens. De leden van deze fractie vragen tevens of hierover alleen met banken is gesproken of ook met andere organisaties. Daarnaast vragen de leden van deze fractie of het kabinet heeft overwogen om belastingbetalers een platform of app aan te bieden waar zij hun gegevens op zouden kunnen bijhouden en op welke wijze het kabinet het vertrouwen in de oprechtheid van de Nederlandse belastingbetaler heeft afgewogen tegen de noodzaak van een controlesysteem. De banken hebben, naast het lang moeten bewaren van gegevens, een aantal aandachtspunten bij de invoering van een vermogenswinstsystematiek. Ten eerste de problematiek rond gebeurtenissen zoals overlijden of trouwen in gemeenschap van goederen. Deze life-events leiden bij een vermogenswinstbelasting tot een fiscale realisatie, maar deze is niet direct zichtbaar in de systemen van een bank. Ten tweede vragen de banken aandacht voor het gelijke speelveld met buitenlandse banken die Nederlandse beleggers bedienen. Tot slot hechten de banken belang aan regie op de methodiek voor het geautomatiseerd meegeven van gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld het investeringsbedrag van aandelen die in een ver verleden door de klant zijn aangeschaft maar nog niet zijn verkocht, als de belastingplichtige van bank wisselt. Overigens hebben banken een voorkeur uitgesproken voor een systeem op basis van een gemiddelde verkrijgingsprijs in plaats van een systeem op basis van first-in-first-out. Over de invoering van werkelijk rendement in box 3 is met een breed scala aan belangenorganisaties overleg gevoerd. De gegevenslevering van ketenpartners is niet alleen van belang voor controle, maar ook voor de vooraf ingevulde aangifte. Het zelf bijhouden van gegevens door belastingplichtigen heeft een grote impact op het doenvermogen. Belastingplichtigen zijn gewend geraakt aan de eenvoud van de vooraf ingevulde aangifte. Een overstap naar een complexer systeem op basis van werkelijk rendement vergt een extra beroep op het doenvermogen van belastingplichtigen. De vooraf ingevulde aangifte is een effectief middel om het doenvermogen zoveel mogelijk te ondersteunen.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt welke consequenties de aangekondigde verzachtingen hebben voor de zorgvuldige en consciëntieuze behandeling in de Eerste Kamer en wat het kabinet vindt van een afronding van deze behandeling voorafgaand aan het zomerreces. Ook wijst het lid van de fractie van 50PLUS erop dat een deel van de commissie Financiën van de Eerste Kamer een behandeling van de novelle in samenhang met de behandeling van het pakket Belastingplan 2027 in december niet wenselijk vindt en vraagt dit lid waarom het kabinet de dekking van de verzachtingen verbindt met het Belastingplanpakket 2027 en of indiening van de novelle als onderdeel van het pakket Belastingplan 2027 op gespannen voet staat met de uitvoering van de motie Hoekstra.
Het kabinet stelt de voortvarendheid waarmee uw Kamer de behandeling van het wetsvoorstel ter hand heeft genomen zeer op prijs. Het is uiteraard aan uw Kamer om de procedurele behandeling vast te stellen. Indien uw Kamer daarvoor zou kiezen, dan zou een groot deel van de behandeling van het wetsvoorstel voorafgaand aan het zomerreces kunnen plaatsvinden. Vervolgens kan in het najaar bijvoorbeeld in een derde termijn de novelle die het kabinet overweegt aan de orde komen. De motie Hoekstra verzoekt het kabinet zich te onthouden om twee eigenstandige wetsvoorstellen op te nemen in één wetsvoorstel (zoals het Belastingplan). Het kabinet wil de maatregel voor box 3 en de budgettaire dekking daarvan betrekken bij de augustusbesluitvorming. Als het kabinet besluit tot invoering van achterwaartse verliesverrekening, dan zal ook een dekkingsmaatregel moeten worden getroffen voor de incidentele en structurele derving van deze maatregel. Bezien vanuit het oogpunt dat het kabinet ook verantwoordelijk is voor een sluitende begroting, is het verstandig dat de lastenverlichting (derving) en dekking in hetzelfde wetsvoorstel worden opgenomen. Het is niet ongebruikelijk dat een dergelijke dekking in een totaalpakket wordt opgenomen met andere maatregelen. In dat geval is geen sprake van een eigenstandig voorstel met een direct daaraan te koppelen dekking. In die situatie kan de individuele maatregel (de achterwaartse verliesverrekening) niet los worden gemaakt van het totale pakket.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt hoe het voornemen om box 3 zo snel mogelijk na 2028 door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting, zich verhoudt tot de motie Vermeer29 waarin wordt verzocht om uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren. Het kabinet legt de aangenomen motie Vermeer zo uit dat box 3 zo snel mogelijk na 2028 door ontwikkeld moet worden naar een volledige vermogenswinstbelasting. Dat sluit goed aan op het voornemen van het kabinet.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt hoe de keuzes in het wetsvoorstel zich verhouden tot de motie Van Rooijen, waarin is verzocht primair te kiezen voor een vermogenswinstbelasting.30 Dit lid vraagt of het kabinet voornemens is uitvoering te geven aan de motie Van Rooijen. Een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting kennen beide voor- en nadelen die het kabinet heeft afgewogen. Een belangrijk voordeel van de vermogensaanwasbelasting is dat een vermogensaanwasbelasting eenvoudiger is en dat banken niet langdurig gegevens hoeven bij te houden over de kostprijs van vermogensbestanddelen. Voor een vermogensaanwasbelasting zijn namelijk alleen gegevens nodig over het jaar waarover belasting wordt betaald. Banken kunnen de gegevensaanlevering die nodig is voor de invoering van een belasting over werkelijk rendement op basis van een vermogensaanwasbelasting sneller realiseren dan de gegevensaanlevering die nodig is voor een vermogenswinstbelasting. Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is het mogelijk om per 2028 over werkelijk rendement te heffen in box 3. Dat is een verbetering ten opzichte van het huidige forfaitaire box 3-stelsel. Het kabinet maakt voor de langere termijn echter een andere weging ten aanzien van de voor- en nadelen van een vermogenswinstbelasting dan het geval was bij indiening van het wetsvoorstel. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om het stelsel zo snel mogelijk na 2028 door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting, in lijn met de genoemde motie.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of een structurele dekking nodig is voor de incidentele tegenvaller van € 2,4 miljard bij eventueel uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3. Uitstel van één jaar vraagt om een eenmalige dekking van € 2,4 miljard in het betreffende jaar. Voor dekking geldt dat beleidsmatige aanpassingen in hetzelfde jaar gedekt dienen te worden. Om te voorkomen dat rekeningen worden doorgeschoven, worden beleidswijzigingen met structurele budgettaire consequenties na de kabinetsperiode ook structureel gedekt.
Bepalen van het inkomen op basis van het werkelijke rendement
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom verschillende vormen van vermogensrendement fiscaal verschillend worden behandeld. De leden van de fractie van de SP vragen hoe het kabinet deze verschillende heffingssystematieken rechtvaardigt. De leden van de fractie van het CDA vragen of dit onderscheid naar verwachting houdbaar is. Het wetsvoorstel belast van alle vermogensbestanddelen het werkelijke rendement. Als hoofdregel gebeurt dit op basis van een vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen geldt een vermogenswinstbelasting. De uitzondering voor onroerende zaken en aandelen of winstbewijzen in startende ondernemingen komt voort uit het illiquide karakter van deze vermogensbestanddelen. Dit onderscheid is daarmee te rechtvaardigen op basis van de specifieke kenmerken van onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen.
De leden van de fractie van de SP vragen welke gedragsreacties en arbitrage-effecten worden verwacht als gevolg van het verschillend behandelen van verschillende vermogenscategorieën. In het voorstel wordt in beginsel voor al het vermogen het werkelijke rendement belast. Wel kan het feit dat voor bepaalde vermogensbestanddelen, namelijk onroerende zaken en aandelen in een startende onderneming, een vermogenswinstbelasting geldt een liquiditeitsvoordeel opleveren voor belastingplichtigen met deze vermogensbestanddelen. Dit kan een prikkel vormen om een groter aandeel van dit type vermogen aan te houden. Daar staat echter tegenover dat de illiquiditeit van deze vermogensbestanddelen ook nadelen heeft voor belastingplichtigen. Daarnaast kan ook de overdrachtsbelasting een rol spelen bij een beslissing om al dan niet in onroerende zaken te investeren.
De leden van de fractie van JA21 vragen hoe de grondslagverbreding zich verhoudt tot het uitgangspunt van een rechtvaardige belastingheffing naar draagkracht.
Een belasting over het werkelijke inkomen uit vermogen acht het kabinet rechtvaardiger dan het huidige forfaitaire regime omdat het beter aansluit bij de werkelijke draagkracht van een belastingplichtige. Hierbij is van belang dat het wetsvoorstel niet tot doel heeft om de grondslag te verbreden. Het doel is om de inkomsten uit box 3-vermogen die op dit moment forfaitair worden berekend, op basis van werkelijk rendement te bepalen en te belasten. Het gaat dus om dezelfde inkomsten, alleen de wijze waarop deze inkomsten worden bepaald is niet langer forfaitair. Het forfaitaire rendement is gebaseerd op langjarige gemiddelde historische marktrendementen. Hiermee wordt geprobeerd een goede forfaitaire benadering te krijgen van het gemiddelde werkelijke rendement dat behaald wordt met die overige bezittingen. Het rendement bestaat uit twee componenten: enerzijds de directe inkomsten uit het vermogen, zoals rente, dividend, royalty’s en huur, en anderzijds de waardeveranderingen van het vermogen, bijvoorbeeld door koerswinsten of waardedalingen.
De overstap van een forfaitair stelsel met een tegenbewijsregeling naar een stelsel op basis van werkelijk rendement zal uiteraard gevolgen hebben voor de belastingdruk bij individuele belastingplichtigen. Belastingplichtigen met een hoger werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement gaan meer belasting betalen. Voor belastingplichtigen met alleen spaargeld wijzigt de belastingdruk niet of nauwelijks. Hun inkomen wordt in het huidige stelsel immers forfaitair bepaald op basis van de gemiddelde rente op bank- en spaartegoeden in het belastingjaar, wat doorgaans goed aansluit op het werkelijk behaalde rendement. Voor belastingplichtigen met overige bezittingen is het verschil tussen het werkelijke en het forfaitaire rendement gemiddeld groter. In paragraaf 8.1 van de memorie van toelichting staan enkele voorbeelden die een goed beeld geven van de voorgestelde box 3-heffing op basis van werkelijk rendement.
De leden van de fractie van JA21 vragen hoe werkenden en ondernemers erop vooruitgaan, nu vermogen hoger wordt belast.
Naar het oordeel van het kabinet is het voorgestelde stelsel voor box 3 budgetneutraal, dat wil zeggen dat de inkomsten uit vermogen per saldo niet zwaarder worden belast. Met het voorgenomen voorstel vindt belastingheffing in box 3 juist evenwichtiger plaats dan in het huidige forfaitaire stelsel. Er zijn geen wijzigingen in het wetsvoorstel opgenomen met betrekking tot inkomen uit arbeid of winst uit een onderneming. Voor de hoogte van het rendement dat behaald kan worden op vermogensbestanddelen in box 3 maakt het niet uit of het vermogen behaald is door middel van arbeid in loondienst of als ondernemer.
Grondslag en waardering
De leden van de fracties van de BBB en van D66 vragen welke waarderingsmethodiek wordt voorgeschreven bij gebrek aan marktprijzen voor incourante aandelen of familiekapitaal. De hoofdregel voor de waardering is, net als nu, dat bezittingen en schulden worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer. De waarde in het economische verkeer is meestal gelijk aan de verkoopwaarde. Soms is het moeilijk om de verkoopwaarde van bezittingen te bepalen, bijvoorbeeld omdat er geen «markt» voor is. De belastingplichtige moet de waarde dan schatten. Dat is niet anders dan nu.
De leden van de fracties van de BBB en van D66 vragen hoe vaak het kabinet verwacht dat over de waardering van incourante aandelen geschillen ontstaan. Daarnaast vragen deze leden welke druk deze hoeveelheid geschillen gaat geven bij de Belastingdienst en/of de rechter. Tot slot vragen de leden van de fractie van D66 of het kabinet verwacht dat het bij iedere vorm van vermogen in box 3 mogelijk is een waardering te bepalen, zonder realisatie van dit vermogen. Als hoofdregel moet worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer. Deze regel geldt al sinds de invoering van het box 3-stelsel in 2001. Tegelijkertijd zal de waardering van bezittingen en schulden prominenter in beeld komen doordat de jaarlijkse waardemutatie volledig in de heffing wordt betrokken ten opzichte van het huidige forfaitaire stelsel waarbij een waardestijging zich vertaalt in een hogere grondslag ter berekening van het forfaitaire rendement. In de uitvoeringstoets spreekt de Belastingdienst de verwachting uit dat belastingplichtigen vaker zullen verzoeken om vooroverleg met de Belastingdienst om vooraf duidelijkheid te krijgen over de juiste toepassing van het nieuwe stelsel in hun individuele situatie. Het kan bijvoorbeeld gaan om waarderingsvraagstukken van niet-beursgenoteerde beleggingen en overige bezittingen. Het fiscale belang bij de waarde van de bezittingen neemt immers substantieel toe bij een heffing die mede de werkelijke waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen en de gerealiseerde inkomsten hieruit belast. De Belastingdienst gaat ten behoeve van het vooroverleg uit van een noodzakelijke extra personele inzet van fiscaal geschoolde medewerkers van structureel 120 fte.
De leden van de fractie van de BBB vragen of voorzien is in een hardheidsclausule bij evidente overwaardering. Nee, daar is niet in voorzien. Een belastingplichtige kan in bezwaar gaan tegen de opgelegde aanslag. Daarnaast kan een belastingplichtige de inspecteur verzoeken om een onjuiste belastingaanslag, bijvoorbeeld als gevolg van een onjuiste waardering, ambtshalve te verminderen. Dit verzoek kan tot vijf jaar na afloop van het belastingjaar worden ingediend.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe rekening wordt gehouden met beperkte verhandelbaarheid (illiquiditeitskorting) in de waardering door de fiscus van illiquide aandelen. Een beperkte verhandelbaarheid kan afhankelijk van de omstandigheden van het geval invloed hebben op de waarde in het economische verkeer. In dat geval wordt het meegenomen bij de berekening van de waarde in het economische verkeer.
Invoering van de mogelijkheid tot verliesverrekening
De leden van de fractie van de BBB stellen een aantal vragen over de mogelijkheid tot verliesverrekening. Bij de hierna volgende beantwoording is geen rekening gehouden met de mogelijkheid tot introductie van achterwaartse verliesverrekening. De antwoorden zien dus op de huidige mogelijkheid van voorwaartse verliesverrekening in het wetsvoorstel.
De leden van de fractie van de BBB vragen of er een plafond of beperking op verliesverrekening bestaat. Ook vragen deze leden hoe het kabinet de asymmetrie tussen directe belastingheffing en uitgestelde verliescompensatie rechtvaardigt. Zij vragen of het kabinet deze asymmetrie maatschappelijk en economisch wenselijk vindt.
In het wetsvoorstel is onbeperkte voorwaartse verliesverrekening opgenomen. Deze ruime verliesverrekening wordt voorgesteld, omdat in het nieuwe stelsel als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting geldt. Daarbij is belasting verschuldigd over waardestijgingen, die mogelijk in latere belastingjaren worden tenietgedaan door waardedalingen. Door een ruime verliesverrekening toe te staan wordt zoveel mogelijk voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden. Het kabinet is van mening dat dit niet asymmetrisch is.
Indien er sprake is van een nettoverlies over het totale vermogen in box 3, kan dit verlies (boven het drempelbedrag van € 500) weggestreept worden tegen inkomsten in de toekomst wanneer die zich voordoen (voorwaartse verliesverrekening). Deze verliesverrekening is onbeperkt in de tijd mogelijk. Er is dus wel sprake van een drempelbedrag, maar er is in principe geen plafond. Aan de verliesverrekening zit wel een praktische grens: als in de toekomst helemaal geen winst meer wordt gemaakt, kunnen eerdere verliezen ook niet verrekend worden.
De leden van de fractie van de BBB vragen ook hoe de tijdswaarde van geld wordt meegenomen bij verliesverrekening over meerdere jaren en of sprake is van een rentevergoeding op niet gecompenseerde verliezen. Het voorstel is om het nominale werkelijke rendement uit sparen en beleggen te belasten. Dit betreft de toename van de waarde van het vermogen in euro’s. Redenen om geen rekening te houden met inflatie in box 3 is dat dit zich niet beperkt tot box 3, maar geldt voor alle onderdelen van het belastingstelsel waar kapitaalinkomsten worden belast. In die andere onderdelen van het belastingstelsel is het belasten van het nominale werkelijke rendement de hoofdregel. Daarnaast zou het lastig uitlegbaar zijn om bij deflatie extra belasting te heffen en zou het rekening houden met inflatie naar verwachting aanzienlijke budgettaire effecten hebben. Er is dus ook geen sprake van rentevergoeding bij verliesverrekening.
Er is – in reactie op de vraag van de leden van de BBB over het direct uitkeren van verrekenbare verliezen – niet overwogen om een negatieve belasting te introduceren in plaats van verliezen te verrekenen met positieve inkomsten. Dit sluit aan bij de systematiek in de inkomstenbelasting: er moet op enig moment sprake zijn van inkomsten om het verlies mee te verrekenen.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe voorkomen wordt dat belastingplichtigen over een langere periode structureel netto meer belasting betalen dan hun cumulatieve rendement rechtvaardigt. In het wetsvoorstel wordt een verliesverrekeningssystematiek voorgesteld. Daarbij kunnen verliezen in box 3 worden verrekend met toekomstige inkomsten in box 3 (voorwaartse verliesverrekening). Hiermee wordt beter recht gedaan aan het draagkrachtbeginsel, worden grote schommelingen in box 3-inkomen enigszins gemitigeerd en is het genietingsmoment van het inkomen minder van belang voor de belastingdruk. Bovendien hoort de mogelijkheid tot verliesverrekening in een stelsel waarin het totale voordeel uit vermogen belast wordt.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het kabinet erkent dat het weglaten van achterwaartse verliesverrekening een fundamentele weeffout is. Ook is dit lid van mening dat het niet opnemen van achterwaartse verliesverrekening een inbreuk is op het inkomensbegrip en dat alleen het door de jaren heen gerealiseerde inkomen kan worden belast.
Het kabinet heeft het voorgestelde systeem getoetst aan de eisen van het Europese recht. Het inkomensbegrip in het voorgestelde stelsel voor box 3 komt bovendien in de basis overeen met het kader van de Hoge Raad voor de tegenbewijsregeling.31 Ook in box 1 en in box 2 wordt een heffing op basis van het werkelijke inkomen gecombineerd met beperkingen voor de verliesverrekening; dit is niet met elkaar in strijd. Het kabinet is dus niet van mening dat er sprake is van een fundamentele weeffout. Het kabinet vindt realiseren van voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak echter van groot belang en onderzoekt daarom eventuele aanpassingen.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt naar voorbeelden van life-events en de effecten daarvan voor box 3. Ook vraagt het lid van deze fractie op welke wijze achterwaartse verliesverrekening hiervoor mogelijk een oplossing zou kunnen bieden en of er een afzonderlijk wetsvoorstel moet komen met aanpassingen in het kader van life-events.
Bij een vermogenswinstbelasting wordt over de waardeontwikkeling geheven op het tijdstip van realisatie. Meestal vindt realisatie plaats bij verkoop, maar er is fiscaal gezien ook sprake van realisatie als een (deel van een) bezitting op een andere manier het vermogen van een belastingplichtige verlaat of bij het eindigen van de (binnenlandse) belastingplicht. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in geval van life-events zoals trouwen in gemeenschap van goederen, scheiding, schenking, overlijden of emigratie. Met name bij overlijden of emigratie kan het ontbreken van achterwaartse verliesverrekening nadelige gevolgen hebben voor de belastingplichtige. Vanwege het eindigen van de belastingplicht heeft hij immers geen mogelijkheden heeft om verliezen voorwaarts te verrekenen. Door het invoeren van achterwaartse verliesverrekening kunnen ook verliezen in het laatste jaar van de belastingplicht worden verrekend met het voorgaande belastingjaar. Het kabinet overweegt een separaat wetsvoorstel of een novelle om achterwaartse verliesverrekening te regelen. Deze achterwaartse verliesverrekening verzacht de effecten bij life-events in de vorm van emigratie of overlijden, waarbij vanwege het eindigen van de belastingplicht geen voorwaartse verliesverrekening meer mogelijk is. Bij de life-events trouwen in gemeenschap van goederen, scheiding en schenking, biedt achterwaartse verliesverrekening geen soelaas. Hoewel ook deze belastingplichtigen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid een verlies achterwaarts te verrekenen, is het probleem bij deze life-events juist vaak dat er winst gemaakt wordt op het realisatiemoment, terwijl de belastingplichtige het vermogensbestanddeel niet verkoopt. Dit probleem speelt met name bij vermogensbestanddelen die onder de vermogenswinstsystematiek vallen. Bij een vermogensaanwasbelasting wordt al jaarlijks belasting geheven over de waardestijging.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt wat de technische problemen zijn bij de implementatie van achterwaartse verliesverrekening, ook in IT-opzicht, en welke juridische aspecten hierbij een rol spelen. Ook vraagt dit lid vraagt welke prioriteiten worden bijgesteld indien de achterwaartse verliesverrekening prioriteit krijgt binnen de IT-portefeuille van de Belastingdienst en welke knelpunten naar verwachting aan de orde zullen komen bij de uitvoering van de achterwaartse verliesverrekening in de zomer.
Als de implementatie van achterwaartse verliesverrekening prioriteit moet krijgen in het ICT-portfolio voor de keten Inkomensheffingen, betekent dat onherroepelijk dat andere zaken een lagere prioriteit krijgen en dat deze herpland moeten worden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om verbeteringen van de dienstverlening voor burgers. Voor de uitgebreidere beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de brief die op basis van de door mij gedane toezegging voor de zomer zal worden verzonden en waarin ook wordt ingegaan op de mogelijkheid om achterwaartse verliesverrekening per januari 2029 te introduceren, zoals verzocht in de motie Eerdmans/Bikkers.32
Aanpassing in de tariefstelling
De leden van de fractie van D66 geven aan dat het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 bij uitstek zou kunnen voorzien in (het begin van) een harmonisering van de belastingtarieven in box 1, box 2 en box 3. Deze leden vragen waarom het kabinet de mogelijkheid tot een lichte harmonisering van de belastingtarieven in de drie boxen niet heeft benut in het voorliggende wetsvoorstel. Allereerst zij opgemerkt dat het bij de effectieve belastingdruk niet alleen gaat om de hoogte van de tarieven maar ook grondslagaspecten een belangrijke rol spelen. De overgang van het huidige forfaitaire stelsel naar een stelsel waarbij belasting wordt geheven over het werkelijke rendement is een majeure stelselwijziging. Het belasten van het werkelijke rendement in box 3 is een volgende stap na eerdere stappen die zijn gezet in het evenwichtiger belasten van de verschillende inkomensgrondslagen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom niet is gekozen voor een progressieve tariefstelling. De leden van de fractie van de SP lezen dat het kabinet kiest voor een vlak belastingtarief van 36%. Tegelijkertijd blijkt uit de memorie van toelichting dat circa 0,4% van de bevolking ongeveer 30% van het box 3-vermogen bezit. Deze leden vragen waarom het kabinet kiest voor een vlak tarief, gegeven deze sterke vermogensconcentratie. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet de opvatting deelt dat een progressief tarief beter zou aansluiten bij het draagkrachtbeginsel en kan bijdragen aan een rechtvaardiger verdeling van de belastingdruk. Net als het huidige box 3-stelsel kent het wetsvoorstel een zogeheten Benthamse progressie: een vlaktaks in combinatie met een belastingvrije voet. Hierdoor stijgt het gemiddelde belastingtarief naarmate het inkomen uit vermogen toeneemt. Het kabinet heeft er verder voor gekozen om box 3 budgettair neutraal te hervormen waarbij het tarief van 36% als uitgangspunt wordt genomen. Het tarief van 36% geldt sinds 2024. In 2020 bedroeg het box 3-tarief nog 30%, daarna is dit tarief in opeenvolgende stappen verhoogd naar 36%. Dit kabinet kiest er nu niet voor dit tarief nog verder te verhogen of een progressief tarief in te voeren. Het kabinet benadrukt dat het belasten van het werkelijke rendement op vermogen in box 3 een belangrijke volgende stap is in het evenwichtig belasten van arbeid en vermogen. Hierdoor wordt immers ook al het rendement belast dat nu hoger uitkomt dan het forfaitaire rendement in het huidige stelsel.
De leden van de fractie van de PVV vragen of het kabinet precies kan aangeven (met cijfers, wegingsfactoren e.d.) hoe nu het forfaitaire rendement is berekend en wat de waarden waren voor de afgelopen vijf jaar.
Het huidige box 3-stelsel kent sinds 2023 drie categorieën met elk een ander forfaitair rendement, namelijk banktegoeden, overige bezittingen en schulden.
Het percentage voor het forfaitaire rendement voor banktegoeden wordt gesteld op de door twaalf te delen som van het gemiddelde maandelijkse rendement in procenten op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, uit een periode van elf maanden, beginnend op 1 januari en eindigend op 30 november van het kalenderjaar, onder dubbeltelling van het percentage over de maand november.33
Het percentage voor het forfaitaire rendement voor overige bezittingen wordt gesteld op de som van 53% van het langetermijnrendement op onroerende zaken, 33% van het langetermijnrendement op aandelen en 14% van het langetermijnrendement op obligaties.34 Het langetermijnrendement is gebaseerd op respectievelijk de prijsindexcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor Bestaande Koopwoningen (voor onroerende zaken), de MSCI Europe Standard Gross Local Index (voor aandelen) en de kapitaalmarktrentevoet in procenten van de Nederlandse 10-jarige staatsobligatie (voor obligaties). Voor de exacte formule van de berekening van deze drie langetermijnrendementen verwijs ik u naar artikel 10.6ter, vijfde tot en met zevende lid, Wet IB 2001.
Het percentage voor het forfaitaire rendement voor schulden wordt gesteld op de door twaalf te delen som van het gemiddelde maandelijkse rentepercentage over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, uit een periode van elf maanden, beginnend op 1 januari en eindigend op 30 november van het kalenderjaar, onder dubbeltelling van het percentage over de maand november.35
In de onderstaande tabel zijn de forfaits van de jaren 2023 t/m 2026 weergegeven.
|
Categorie |
2023 |
2024 |
2025 |
20261 |
|---|---|---|---|---|
|
Banktegoeden |
0,92% |
1,44% |
1,37% |
1,28% |
|
Overige bezittingen |
6,17% |
6,04% |
5,88% |
6,00% |
|
Schulden |
2,46% |
2,61% |
2,70% |
2,70% |
Het percentage voor de categorie overige bezittingen voor het jaar 2026 staat al vast. De percentages voor de categorieën banktegoeden en schulden voor het jaar 2026 zijn nog voorlopig. Begin 2027 worden die percentages vastgesteld. De vastgestelde percentages gebruikt de Belastingdienst bij het vaststellen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2026.
In de belastingjaren 2017 tot en met 2022 werd het forfait berekend op basis van twee rendementsklassen die elk een afzonderlijk rendement kende. Het box 3-vermogen werd op basis van de omvang toegerekend de rendementsklassen. Het forfait voor het belastingjaar 2022 werd als volgt berekend.
Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op – 0,01% van het gedeelte van de grondslag sparen en beleggen dat behoort tot rendementsklasse I, vermeerderd met 5,53% van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse II (forfaitair rendement). De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. De omvang van het gedeelte van de grondslag sparen en beleggen dat behoort tot rendementsklasse I, onderscheidenlijk rendementsklasse II, wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.
Tabel 3 – bepalen rendementsklasse

Onroerende zaken
De leden van de fracties van het CDA, JA21, SGP en 50PLUS hebben vragen gesteld over de vastgoedbijtelling. Deze vragen gaan over het uitgangspunt dat de belastingheffing moet plaatsvinden over het werkelijke rendement. De leden van de fractie van het CDA vragen waarom is gekozen voor de vastgoedbijtelling aangezien deze met name eigenaren van een vakantiewoning in privébezit raakt. Daarnaast vragen deze leden waarom er niet voor is gekozen deze bijtelling te baseren op werkelijk eigen gebruik. De leden van de fractie van de SGP wijzen erop dat er bij vakantiehuizen voor eigen gebruik geen huurinkomsten zijn waaruit de belastingplichtige belasting kan afdragen. Deze leden vragen hoe dat zich verhoudt tot het draagkrachtbeginsel. Volgens het lid van de fractie van 50PLUS staat «ter beschikking staan» niet gelijk aan «genieten». Het voordeel bij eigen gebruik zou volgens dit lid daarom nihil moet zijn. Dit lid vraagt verder of er een risico bestaat dat de Hoge Raad in de toekomst gaat stellen dat het nieuwe stelsel niet meer het werkelijke rendement belast.
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 beoogt het werkelijke rendement te belasten dat een belastingplichtige behaalt uit bezittingen en schulden die tot de box 3-grondslag behoren. Onroerende zaken behoren tot deze bezittingen ongeacht de wijze van gebruik van die onroerende zaak of het antwoord op de vraag of de belastingplichtige de onroerende zaak (hoofdzakelijk) als belegging heeft. Het rendement uit onroerende zaken behoort tot het te belasten rendement. Daartoe behoort ook de economische huurwaarde van een individuele, niet (voor ten minste 90% van de tijd) verhuurde onroerende zaak. Een bezitter van een onroerende zaak kan ervoor kiezen om een onroerende zaak in box 3 voor ten minste 90% van de tijd te verhuren of om dat niet te doen. Kiest hij ervoor deze niet te verhuren en beschikbaar te houden voor (eigen) gebruik? Dan vormt het beschikbaar zijn voor gebruik (eigen gebruik, verhuur of andere doeleinden) van deze onroerende zaak voor de eigenaar inkomen in natura. De omvang van dat inkomen wordt vastgesteld op basis van de huurwaarde. Dat is de huur die hij in een open markt zou kunnen ontvangen. Volgens het kabinet is het voordeel van een niet voor ten minste 90% van de tijd verhuurde onroerende zaak dan ook niet nihil. De huurwaarde is rendement voor deze belastingplichtige dat hij geniet en dat rendement geniet hij niet alleen bij daadwerkelijk eigen gebruik. Daarom past het bij het draagkrachtbeginsel om deze (forfaitair bepaalde) huurwaarde te belasten. Het bepalen van de economische huurwaarde van een dergelijke onroerende zaak is zowel voor belastingplichtigen als voor de Belastingdienst erg ingewikkeld. Om redenen van eenvoud, uitvoerbaarheid en doenvermogen is in het wetsvoorstel dan ook voorgesteld om de economische huurwaarde van een onroerende zaak forfaitair te bepalen door middel van de (bruto) vastgoedbijtelling. De werkelijke kosten zijn aftrekbaar van de vastgoedbijtelling. Het kabinet is voornemens om de hoogte van het forfait periodiek te actualiseren. Daarmee moet het forfait ook in de toekomst aansluiten bij de rechtsoverweging van de Hoge Raad dat met het forfait is getracht de werkelijkheid te benaderen.36
De leden van de fractie van de PVV vragen of het kabinet erkent dat doordat het geen rekening houdt met het bestedingsaspect en het daadwerkelijke gebruik, de vastgoedbijtelling te hoog is. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het kabinet erkent dat voor mensen die een woning slechts een paar weken per jaar gebruiken, de werkelijke waarde van het gebruik minder dan € 1.000 kan zijn, terwijl het forfait op een woning van bijvoorbeeld € 300.000 € 10.050 bedraagt. Daarnaast heeft dit lid gevraagd waarom geen rekening is gehouden met lage pensioeninkomens of kleine liquiditeitsposities.
Volgens het kabinet hoeft bij een onroerende zaak in box 3 geen rekening te worden gehouden met het bestedingsaspect. Onroerende zaken in box 3 worden namelijk te allen tijde geacht ter belegging te worden gehouden. Daardoor wordt zowel het rendement in natura als het financiële rendement evenredig in de heffing betrokken. Voor het bepalen van de omvang van het rendement in natura is het feitelijke eigen gebruik niet van belang. Dat beoogt de vastgoedbijtelling ook niet forfaitair te bepalen. De vastgoedbijtelling beoogt op een eenvoudige wijze de economische huurwaarde van de onroerende zaak te bepalen. De vastgoedbijtelling is volgens het kabinet dan ook niet te hoog. Het kabinet wijst in dit kader op de op 10 februari 2026 aangenomen motie Grinwis37 c.s. over het actualiseren van het vastgoedbijtellingspercentage op basis van de meest recente en representatieve data.
Het kabinet kan zich vinden in de berekening van het lid van de fractie van 50PLUS. Maar niet in de gedachte die aan deze vraag van dit lid ten grondslag ligt. Die gedachte gaat er namelijk aan voorbij dat in de situatie waarin de belastingplichtige die geen onroerende zaak in box 3 bezit, maar wel het gehele kalenderjaar hierover de beschikking wil hebben, hij deze onroerende zaak het gehele jaar zou moeten huren. Wanneer de belastingplichtige wel een onroerende zaak in box 3 bezit, staat deze woning deze belastingplichtige dan ook het gehele kalenderjaar ter beschikking. In die situatie kan hijzelf bepalen wanneer hij gebruikmaakt van de onroerende zaak en wanneer niet. Deze belastingplichtige heeft dan ook het gehele jaar het voordeel van de onroerende zaak. Het kabinet vindt het belangrijk om rekening te houden met belastingplichtigen met lage pensioeninkomens of kleine liquiditeitsposities. De keuze voor een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken zorgt ervoor dat belastingplichtigen niet jaarlijks inkomstenbelasting moeten betalen over hun vermogensaanwas. De vermogensaanwas is immers pas belast wanneer de onroerende zaak het vermogen van de belastingplichtige verlaat. In voorkomende gevallen kan een belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden de Belastingdienst om een betalingsregeling vragen wanneer hij zijn belastingaanslag niet kan betalen.
De leden van de fractie van de PVV vragen of volgens de inschatting van het kabinet de keuze voor de toepassing van de WOZ-waarde bij het bepalen van de hoogte van de vastgoedbijtelling tot een explosie van bezwaarprocedures gaat leiden en een toename van de werkdruk voor de Belastingdienst.
Bij woningen is de vastgoedbijtelling een percentage van de WOZ-waarde. Voor niet-woningen gaat het om hetzelfde percentage van de waarde in het economische verkeer op 1 januari van het betreffende belastingjaar. Aangezien in de huidige systematiek het forfait in box 3 voor woningen ook wordt toepast op de WOZ-waarde, verwacht het kabinet geen forse toename van bezwaarprocedures bij het bepalen van de hoogte van de vastgoedbijtelling.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen met betrekking tot de heffing over onroerende zaken of de bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren (VvE) onder onderhoudskosten valt. De bijdrage aan een VvE is zelf niet aftrekbaar. Op het tijdstip dat een VvE onderhoudskosten maakt voor een onroerende zaak in box 3, is er wel een aftrekpost voor de belastingplichtige naar rato van zijn aandeel in de VvE.
De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet te verduidelijken hoe de belastingheffing over vastgoed in box 3 precies uitwerkt in relatie tot huurinkomsten en de vastgoedbijtelling. Deze leden vragen het kabinet te bevestigen dat bij volledig verhuurd vastgoed geen vastgoedbijtelling wordt toegepast en uitsluitend het werkelijke rendement (waaronder huurinkomsten na aftrek van kosten) wordt belast. Deze leden vragen verder of bij gedeeltelijke verhuur of tijdelijke leegstand zowel huurinkomsten als een (tijdsevenredige) vastgoedbijtelling in aanmerking worden genomen.
Bij volledig verhuurd vastgoed in box 3 – bij ten minste 90% verhuur in een kalenderjaar – wordt op basis van dit wetsvoorstel de werkelijke huuropbrengst belast. De vastgoedbijtelling wordt dan niet toegepast. Met het percentage van 90 wordt rekening gehouden met tijdelijke leegstand, bijvoorbeeld vanwege een (ingrijpende) verbouwing dan wel met de dagen tussen verhuurperiodes in. Bij bijvoorbeeld 95% verhuur in een kalenderjaar wordt, zoals opgemerkt, de huuropbrengst belast; de resterende 5% niet-verhuur wordt dan niet belast. Wordt het vastgoed wel verhuurd maar voor minder dan 90% in een kalenderjaar? Dan is sprake van gemengd gebruik. Dan is de hoogste opbrengst belast – de huuropbrengst of de vastgoedbijtelling gedurende de bezitsperiode in het kalenderjaar. In beide gevallen zijn de werkelijke kosten aftrekbaar.
Het lid van de fractie van 50PLUS wijst erop dat volgens het EVRM belastingmaatregelen proportioneel moeten zijn en dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie (en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)) volgt dat een eigendomsbeperking niet onevenredig mag zijn. Dit lid vraagt of het kabinet bekend is met deze jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en het EHRM. Daarnaast vraagt dit lid om een betere onderbouwing van de hoogte van de vastgoedbijtelling van 3,35%.
Het kabinet is bekend met de bedoelde jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en het EHRM. Op verzoek van het kabinet heeft SEO Economisch Onderzoek in 2024 onderzoek38 gedaan naar de hoogte en de spreiding van de huurwaarde van niet-verhuurde box 3-woningen. Uit dit onderzoek blijkt dat in de periode 2019–2021 de gemiddelde (bruto) economische huurwaarde gelijk was aan 5,06% van de WOZ-waarde. De ruwheid die inherent is aan een forfaitaire regeling, zoals genoemd door de Hoge Raad, geeft aanleiding om bij het vaststellen van de bijtelling een aanzienlijke voorzichtigheidsmarge in te bouwen ten opzichte van deze gemiddelde huurwaarde. Daarom is gekozen voor een brutohuurwaarde die behoort bij het 10e percentiel van de verdeling. Dat betekent dat 90% van de woningen een hogere huurwaarde heeft dan waar in het gekozen percentage rekening mee is gehouden. De brutohuurwaarde van het 10e percentiel is 3,35%. Het kabinet wijst in dit kader op de op 10 februari 2026 aangenomen motie Grinwis39 c.s. over het actualiseren van het vastgoedbijtellingspercentage op basis van de meest recente en representatieve data.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom een tweede woning belast moet worden in box 3.
Ook onder het huidige box 3-stelsel wordt een tweede woning in box 3 in de heffing betrokken. Ongeacht de wijze van gebruik of het antwoord op de vraag of belastingplichtige de onroerende zaak (hoofdzakelijk) als belegging heeft. Het uitgangspunt bij de overgang naar een stelsel op basis van werkelijk rendement is dat de grondslag voor wat betreft bezittingen en schulden niet wijzigt. De huidige afbakening wanneer (de inkomsten van) een bezitting of een schuld wel of niet in box 3 wordt belast, blijft bestaan. Ook de huidige vrijstellingen zijn gehandhaafd in dit wetsvoorstel, tenzij de overgang naar een stelsel op basis van werkelijk rendement aanleiding geeft een vrijstelling anders vorm te geven of af te schaffen. Volgens het kabinet is er geen reden om onder het nieuwe box 3-stelsel af te zien van belastingheffing over een tweede woning. Overigens zou het afzien van belastingheffing bij een tweede woning volgens het kabinet een ongewenste fiscale bevoordeling tot gevolg hebben ten opzichte van andere bezittingen in box 3, zoals een effectenportefeuille.
Het lid van de fractie van 50PLUS wijst erop dat vakantiewoningen doorgaans een lagere waarde hebben dan andere woningen en vraagt of de bruto huurwaarde van 3,35% voor eigen gebruik bij een vakantiewoning adequaat is, gelet op het feit dat 19% van die woningen vakantiewoning zijn. De vastgoedbijtelling beoogt de bruto economische huurwaarde van de onroerende zaak te benaderen. Dat is de huur die de belastingplichtige in een open markt zou kunnen ontvangen. De hoogte van de vastgoedbijtelling is afhankelijk van de waarde van een woning. Indien de vakantiewoning een lagere waarde zou hebben dan een vergelijkbare andere woning dan is de vastgoedbijtelling ook evenredig lager. Immers, hoe lager de waarde van een woning is, hoe lager het bedrag van de vastgoedbijtelling wordt. Met betrekking tot vakantiewoningen is van belang dat het kabinet uitvoering zal geven aan de op 10 februari 2026 aangenomen motie Inge van Dijk40 c.s. over een aanvullend onderzoek naar rendementen op vakantiewoningen in eigen bezit en een juridische analyse van een houdbare vastgoedbijtelling voor deze woningen.
De leden van de fractie van BBB vragen of het wetsvoorstel tot gevolg heeft dat fiscale verschillen ontstaan tussen bedrijfsmatige en particuliere kopers op de markten voor vastgoed en (landbouw)grond. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet heeft meegewogen dat in de agrarische sector privévermogens worden aangehouden in grond en opstallen die dienen als basis voor pensioen en dat deze vermogenscategorie volgens deze leden nu mogelijk cash negatief wordt in plaats van cash genererend zoals dat bedoeld was. Verder vragen deze leden naar de impact van het wetsvoorstel op actief agrarisch vermogen en op passief agrarisch vermogen (binnen familie in gebruik maar in privéhanden). Deze leden vragen welke instrumenten en of overgangsregelingen het kabinet biedt om de «familiale financiering» van nieuwe generaties boeren mogelijk te houden.
Het kabinet beoogt gelijke gevallen gelijk te behandelen. Ondernemers – zoals bedrijfsmatige kopers op de markten voor vastgoed en (landbouw)grond – en beleggers – zoals particuliere kopers op deze markten – zijn geen gelijke gevallen. De verschillen tussen beide belastingplichtigen zien onder andere op de aard van de activiteiten (ondernemersactiviteiten tegenover normaal actief vermogensbeheer). Ondernemers lopen ondernemersrisico, terwijl beleggers ervoor kunnen kiezen (zeer) defensief te beleggen. Beleggers kennen vaak een langetermijnhorizon, terwijl dat bij ondernemers niet het geval hoeft te zijn. Dit neemt echter niet weg dat met dit wetsvoorstel de fiscale behandeling van ondernemers en beleggers van onroerende zaken juist meer naar elkaar toegroeit vanwege de introductie van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken in box 3. Volgens het kabinet is van het ontstaan van fiscale verschillen tussen bedrijfsmatige en particuliere kopers op de markten voor vastgoed en (landbouw)grond geen sprake. Het kabinet is dan ook van mening dat het wetsvoorstel geen negatieve impact heeft op actief agrarisch vermogen en op passief agrarisch vermogen. Het introduceren van instrumenten en of overgangsregelingen om de «familiale financiering» van nieuwe generaties boeren mogelijk te houden, is naar de mening van het kabinet dan ook niet nodig.
Het kabinet is zich ervan bewust dat belastingplichtigen vermogen in box 3 opbouwen als appeltje voor de dorst na hun werkende leven hoewel box 3 daarvoor niet primair is bedoeld. Het opbouwen van pensioen kan immers via fiscaal gefaciliteerde producten plaatsvinden, zoals lijfrenten en pensioen. Het vermogen in dergelijke voorzieningen is geblokkeerd tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Wanneer een belastingplichtige ervoor kiest niet fiscaal gefaciliteerd vermogen op te bouwen, bijvoorbeeld door zelf te beleggen in onroerende zaken of aandelen, dan is dit vermogen wel belast in box 3. Deze belastingplichtige kan er immers vrij over beschikken en ook aanwenden voor andere zaken dan zijn levensonderhoud vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.
De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet het risico weegt dat burgers voor wat betreft vastgoed mogelijk de neiging hebben investeringsfacturen te verantwoorden als onderhoudsfacturen. Zij vragen hoe doelmatig de Belastingdienst hierop kan controleren.
In hoeverre burgers afwegingen maken om bij onroerende zaken investeringskosten (verbeteringen) als onderhoudskosten in aftrek te nemen terwijl deze investeringskosten de verkrijgingsprijs van de onroerende zaak moeten verhogen, zal in het kader van het toezicht en handhaving door middel van de uitgevoerde controles door de Belastingdienst naar boven komen. De Belastingdienst zal op basis van ervaringscijfers kunnen acteren en bijvoorbeeld het toezicht en handhaving verscherpen door meer specifiek binnen bepaalde doelgroepen gegevens uit te vragen. Daarnaast kan de Belastingdienst ook anticiperen door over te verwachten gedragseffecten aan burgers te communiceren en aan te kondigen dat zij met betrekking tot bepaalde inkomensvermogensbestanddelen meer intensief zal gaan controleren.
De leden van de fracties van D66, het CDA en de ChristenUnie stellen vragen over NSW-landgoederen. De leden van de fractie van D66 vragen specifiek naar de maatschappelijke betekenis van de particuliere instandhouding van historische buitenplaatsen en landgoederen, zoals vastgelegd in de Natuurschoonwet 1928 (NSW 1928). De leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen van de voorgestelde wet voor de doelen van de NSW 1928 als papieren waardestijgingen van landgoederen en kastelen in box 3 worden belast. De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben in dit kader gewezen op de op 10 februari 2026 aangenomen motie Grinwis/Vermeer41 over NSW-landgoederen. De leden van de fractie van het CDA vragen ook hoe de heffing over de vermogensaanwas uitpakt bij trouwen in gemeenschap van goederen. Deze vraag sluit aan bij de op 31 maart 2026 aangenomen motie Hoogeveen42 over een onderzoek naar een doorschuifregeling bij huwelijksvermogensrechtelijke overgangen in box 3. Deze leden vragen of dan een belastingheffing plaatsvindt omdat de eigendom van de helft van een onroerende zaak overgaat naar de andere partner. Volgens deze leden kan dat niet de bedoeling zijn. De leden van de fractie van de SGP vragen hoe het kabinet aankijkt tegen verpachte landbouwgronden, mede in het licht van de op 10 februari 2026 aangenomen motie Stoffer c.s.43
Het kabinet is bekend met de problematiek waaraan de leden van de fracties van D66, het CDA, de ChristenUnie en de SGP refereren. Als een onroerende zaak niet meer behoort tot het vermogen voor de vermogenswinstbelasting (in box 3) bij de belastingplichtige is sprake van een vervreemding waarbij het verveemdingsvoordeel wordt belast bij de belastingplichtige die de onroerende zaak in bezit had. Vaak zal dat bij verkoop van de onroerende zaak zijn. Maar hiervan kan ook sprake zijn bij bijvoorbeeld echtscheiding, bij trouwen in gemeenschap van goederen en bij overlijden. Hierbij is van belang dat voor belastingplichtigen die nu trouwen een beperkte gemeenschap geldt. Als zij een volledige gemeenschap van goederen wensen, moeten zij naar de notaris om huwelijkse voorwaarden te laten opstellen. Bij overlijden kan in een testament worden vastgelegd wie onder welke voorwaarden en waarvan erfgenaam is. Er is voor gekozen om voor deze situaties geen doorschuifregelingen te introduceren. Belastingplichtigen zouden de belastingheffing in box 3 dan namelijk voor een heel lange periode kunnen uitstellen.
De vragen van de leden van de fracties van D66, het CDA en de ChristenUnie over NSW-landgoederen, de vraag van de leden van het CDA over de belastingheffing bij trouwen in gemeenschap van goederen en de vraag van de leden van de SGP over verpachte landbouwgronden zien op diverse in de Tweede Kamer aangenomen moties. Naar aanleiding van deze moties brengt het kabinet in kaart wat er mogelijk en uitvoerbaar is en welke aspecten hierbij moeten worden meegewogen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet risico’s ziet wanneer de WOZ-waarde van vakantiehuizen niet overeenkomt met de werkelijke waarde. Deze leden vragen of het kabinet hiervoor de introductie van een tegenbewijsregeling overweegt. Ook het lid van de fractie van 50PLUS vraagt daarnaar en noemt daarbij specifiek de op 10 februari 2026 aangenomen motie Van Eijk c.s.44 over een verkenning naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling voor het werkelijke voordeel van eigen gebruik van onroerende zaken en de openingsbalanswaarde van vastgoed in box 3.
Het kabinet schat deze risico’s beperkt in aangezien de WOZ-waarde bij woningen in veel gevallen overeenkomt met de werkelijke waarde. Daarnaast hebben belastingplichtigen de mogelijkheid om tijdig bezwaar te maken tegen de hoogte van de WOZ-waarde.
Het lid van de fractie van 50PLUS heeft tevens enkele vragen gesteld over de beginwaarde van woningen bij inwerkingtreding van het nieuwe box 3-stelsel per 1 januari 2028. Volgens dit lid leidt het toepassen van de WOZ-waarde voor woningen als beginwaarde tot een discriminerende en daarmee ongerechtvaardigde benadeling van woningen ten opzichte van overig vastgoed. Dit lid vraagt het kabinet te reageren op de gedane suggestie om een opslag te hanteren van 10% op de WOZ-waarde of tegenbewijs te mogen leveren voor een hogere waarde dan de WOZ-waarde en of het kabinet bereid is voor woningen als beginwaarde uit te gaan van de waarde in het economische verkeer. Dit lid wijst erop dat bij aanvang van het boxenstelsel in 2001 destijds een opslag van 20% werd toegepast. Verder vraagt dit lid waarom het logisch en consistent is om als startwaarde de WOZ-waarde te nemen en niet de werkelijke waarde en bij latere verkoop wel de werkelijke waarde en niet de WOZ-waarde.
Bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel per 1 januari 2028 wordt de beginwaarde voor alle woningen in box 3 gesteld op de WOZ-waarde van die woning die is gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari 2028. Dat is de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2029. Hiervoor is gekozen vanwege de eenvoud en herkenbaarheid voor de belastingplichtigen met een woning in box 3. Het kabinet herkent zich dan ook niet in de zienswijze van het lid van de fractie van 50PLUS dat met de keuze voor de WOZ-waarde als beginwaarde sprake zou zijn van een discriminerende en daarmee ongerechtvaardigde benadeling van woningen ten opzichte van overig vastgoed. Bij latere verkoop is de verkoopprijs bekend en ligt het voor de hand om bij het bepalen van de vermogenswinst de verkoopprijs als overdrachtsprijs in aanmerking te nemen.
Het gebruikmaken van de WOZ-waarde als beginwaarde sluit aan bij de huidige systematiek waarbij ook voor woningen de WOZ-waarde in aanmerking wordt genomen. De huidige systematiek gaat echter uit van de WOZ-waarde die is gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari van het vorige jaar (t-1). Maar het kabinet heeft er niet voor gekozen om bij inwerkingtreding van het nieuwe stelsel in box 3 per 2028 voor de beginwaarde voor woningen de WOZ-waarde die is gebaseerd op de waardepeildatum van 1 januari 2027 te hanteren. Dan zou namelijk de vermogensontwikkeling vanaf die datum belast worden onder een stelsel dat pas per 2028 inwerking treedt. Het kabinet vindt dat onwenselijk. Voor alle niet-woningen, ongeacht of deze zijn verhuurd, wordt de beginwaarde gesteld op de waarde in het economische verkeer op de peildatum 1 januari 2028. Ook dit laatste sluit aan bij de huidige systematiek.
Zoals opgemerkt, sluit de WOZ-waarde in veel gevallen aan bij de werkelijke waarde (de waarde in het economische verkeer). Het kabinet vindt het dan ook niet wenselijk om de WOZ-waarde als beginwaarde te verhogen met een opslag van 10%. Dit zou bij die gevallen immers leiden tot een fiscale bevoordeling van woningen ten opzichte van andere bezittingen in box 3. Dat vindt het kabinet onwenselijk. De vergelijking met de aanvang van het boxenstelsel in 2001 waarbij destijds een opslag van 20% werd toegepast, gaat naar de mening van het kabinet niet op, want voor de terbeschikkingstellingsregeling werd voor de beginwaarde per 1 januari 2001 immers de WOZ-waarde op 1 januari 1999 met een opslag van 10% per jaar in aanmerking genomen. Dit wetsvoorstel gaat bij inwerkingtreding per 2028 voor de beginwaarde voor woningen uit van de WOZ-waarde die is gebaseerd op de waardepeildatum van 1 januari 2028. Op basis van deze vergelijking zou een opslag dan ook niet nodig zijn.
Startende ondernemingen en familiebedrijven
De leden van de fractie van de BBB vragen of is overwogen om meerdere vermogenssoorten te compartimenteren en te behandelen conform de systematiek bij onroerende zaken. Deze leden wijzen op andere illiquide vermogenscomponenten en vermogenscomponenten met een hoog risico en lage liquiditeit zoals kunst. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom besloten is om enkel voor startups en scale-ups een regime van vermogenswinstbelasting in te richten, en niet voor andere ondernemingen met een grote mate van illiquiditeit, zoals familiebedrijven en kapitaalverzekeringen.
Het wetsvoorstel kent een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen. Het kabinet heeft ook overwogen om familiebedrijven onder de vermogenswinstbelasting te brengen. Dit zou echter leiden tot onrechtmatige staatssteun. Hierover is extern juridisch advies ingewonnen bij NautaDutilh. Uit de analyse van NautaDutilh blijkt dat een uitzondering voor aandelen in familiebedrijven niet gerechtvaardigd kan worden. Dit is toegelicht in de kamerbrief van 15 april 2024.45 Daarnaast is in de brief aan de Tweede Kamer van 15 mei 202446 ingegaan op de vraag of het mogelijk is om voor illiquide aandelen een vermogenswinstregime te hanteren. Het antwoord is dat dit niet mogelijk is. In de eerste plaats is er geen duidelijke grens te trekken tussen liquide en illiquide beleggingen. Daarnaast is er sprake van een risico op staatssteun. Dat geldt zowel voor een onderscheid tussen liquide en illiquide aandelen, als voor een onderscheid tussen beursgenoteerde of niet-beursgenoteerde aandelen. Vanuit staatssteunperspectief is van belang dat voor zover sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, dat onderscheid te verantwoorden is aan de hand van objectieve criteria. Deze criteria moeten specifiek zijn voor de begunstigde ondernemingen (in tegenstelling tot overige ondernemingen). Ook moeten de criteria passen bij de doelstellingen van de betrokken belastingmaatregel, namelijk het draagkrachtbeginsel, minder kans op belastingontwijking en betere administratieve beheersbaarheid. Ook voor banken is het niet goed mogelijk om op een effectieve wijze in de renseignering voor de Vooraf Ingevulde Aangifte (VIA) onderscheid te maken tussen liquide en illiquide beleggingen. De Belastingdienst zal niet in alle situaties kunnen bepalen of (terecht) sprake is van liquide of illiquide beleggingen, omdat geen contra-informatie beschikbaar is. Het controleren van gegevens vergt naar verwachting veel capaciteit van de Belastingdienst.47 Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is overigens gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met illiquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.48 Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel, waarin het forfait voor overige bezittingen eveneens berust op de vermogensaanwassystematiek, als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting onder het toekomstige box 3-stelsel. Bij de toekomstige vermogensaanwasbelasting lijken gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen.
De leden van de fractie van de BBB vragen of het kabinet het risico reëel acht dat de continuïteit van familiebedrijven in gevaar komt. Hierbij geven zij als voorbeeld dat het dividendbeleid van familiebedrijven aangepast of verhoogd moet worden om de aandeelhouders de belasting op het ongerealiseerd rendement te kunnen laten betalen. De aandelenbelangen die in box 3 worden belast vertegenwoordigen een belang van minder dan 5% in een vennootschap. Vanaf een belang van 5% is sprake van een aanmerkelijk belang dat in box 2 in de heffing wordt betrokken. Momenteel worden deze (minderheids)aandeelhouders in box 3 jaarlijks in de heffing betrokken op basis van een forfaitair berekend rendement, gebaseerd op de waarde van de aandelen op 1 januari. In het nieuwe stelsel gebeurt worden deze aandeelhouders op dezelfde wijze in de heffing betrokken, maar dan op basis van werkelijk rendement in plaats van een forfaitair rendement. Het nieuwe stelsel is in dat opzicht een verbetering. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de continuïteit van bedrijven in gevaar komt doordat een deel van de aandeelhouders van het bedrijf, namelijk de natuurlijke personen met een belang van minder dan 5%, voortaan op basis van de werkelijke waardeontwikkeling wordt belast.
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de motie Stoffer c.s.49 over de mogelijkheid om aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting te belasten. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen naar de uitvoering van deze motie. Het kabinet zal in een Kamerbrief voor de zomer op dit punt reageren.
Verzekeringsproducten
De leden van de fractie van de BBB stellen een aantal vragen over pensioen in eigen beheer. Inleidend vragen deze leden naar het cumulatieve verschil in een particulier vermogen na 30 jaar onder beide systemen en hoe zich dat verhoudt tot pensioenvermogen en pensioenrendement vanuit pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen (PPI’s). Allereerst beklemtoont het kabinet dat box 3 niet bij het Nederlandse pensioenstelsel hoort en zodoende niet bedoeld is voor pensioenopbouw. Het kabinet is zich ervan bewust dat ondernemers vermogen in box 3 opbouwen met onder andere het doel om dit als oudedagsvoorziening te gebruiken. Dit is echter geen «pensioen in eigen beheer». Pensioen in eigen beheer (PEB) was een oudedagsvoorziening die een directeur-grootaandeelhouder als werknemer van zijn eigen bv kon opbouwen in die bv. Fiscaal werd een PEB behandeld als een pensioen in de zin van de tweede pijler. Echter, deze vorm van pensioenopbouw is sinds 2017 niet meer mogelijk. Wat in Nederland wordt verstaan onder pensioen (tweede pijler) en oudedagsvoorzieningen (derde pijler) – die naast de AOW (eerste pijler) het levensonderhoud voor de oude dag bekostigen – is ondergebracht bij onder andere pensioenfondsen, PPI’s, professionele verzekeraars en banken. Deze vormen van vermogensopbouw voor de oude dag zijn in box 1 fiscaal gefaciliteerd. In zoverre is in box 3 geen sprake van pensioenvermogen. Belastingplichtigen hebben zelf de vrije keuze om in box 1 fiscaal gefacilieerd voorzieningen voor de oude dag op te bouwen of in box 3 vrij beschikbaar vermogen op te bouwen.
Om wel zo goed mogelijk de gestelde vraag te beantwoorden, hierbij een rekenvoorbeeld: Stel iemand legt € 2.400 per jaar in (€ 200 per maand), bij een rendement van nominaal 4%. Onder een vermogensaanwasbelasting zou dit na 30 jaar resulteren in een vermogen van € 109.103 en onder een vermogenswinstbelasting zou dit na dertig jaar resulteren in een vermogen van € 115.512. In deze berekening is geen rekening gehouden met het heffingsvrije resultaat. Ter vergelijking, in box 1 waar pensioensparen fiscaal wordt gestimuleerd resulteert een inleg van € 2.400 per jaar in een pensioenvermogen van € 176.385 (uitgaande van een tarief van 50% waartegen de pensioenpremie wordt afgetrokken en een tarief van 37% waartegen de pensioenuitkering wordt belast). Een nominaal rendement van 4% ligt in de orde van grootte waarvan bij de fiscale premiegrens is uitgegaan in de Wet toekomst pensioenen (namelijk 1,5% reëel).
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot het beleid om zelfstandigen meer pensioen te laten opbouwen en in welke mate de overheid zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zou dwingen naar verzekerde regelingen of PPI’s. Deze leden vragen of dit bewust beleid van het kabinet is of slechts een consequentie van de wetgeving. Verder vragen deze leden of het kabinet het wenselijk acht dat private oudedagsvoorzieningen fiscaal worden afgeremd en of er specifieke vrijstellingen of tegemoetkomingen of gecompartimenteerde vermogenscomponenten voor pensioenopbouw of voor kasstroom genererende pensioenvoorzieningen zijn overwogen.
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 staat helemaal los van het beleid om zelfstandigen daadwerkelijk pensioen te laten opbouwen en het is ook niet bedoeld om «zzp’ers te dwingen naar verzekerde regelingen». Zzp’ers kunnen fiscaal gefacilieerd in box 1 een oudedagsvoorziening opbouwen in de derde pijler. Dat kan bij een bank of een beleggingsonderneming. Een zzp’er wordt dus niet gedwongen om naar een PPI of verzekeraar te gaan. Vanaf 1 januari 2023 is de fiscale ruimte in de derde pijler met de Wet toekomst pensioenen flink vergroot. Van jaarlijks 13,3% van de premiegrondslag (inkomen minus franchise) naar 30% van de premiegrondslag. Daarmee hebben zzp’ers die in de derde pijler een oudedagsvoorziening opbouwen dezelfde fiscale ruimte gekregen als werknemers die vooral in de tweede pijler pensioen opbouwen.
Zoals in een voorgaand antwoord al toegelicht, is box 3 niet bedoeld om daarin pensioen of een oudedagsvoorziening op te bouwen. Niet onder het huidige stelsel en niet onder het toekomstige stelsel. Pensioenopbouw kan via in box 1 fiscaal gefaciliteerde producten, zoals pensioen in de tweede pijler en lijfrenten (verzekeringen en bancaire producten, zoals lijfrenterekening en lijfrentebeleggingsrecht) in de derde pijler. Ondernemers, waaronder zzp’ers, zijn zelf verantwoordelijk om, boven op de AOW, pensioen op te bouwen. Zij kunnen er ook voor kiezen om niet fiscaal gefaciliteerd vermogen op te bouwen in box 3. Bijvoorbeeld door gewoon te sparen, zelf te beleggen in onroerende zaken of in aandelen. Dit vermogen is wel van belang in box 3. De ondernemer kan er immers vrij over beschikken en ook aanwenden voor andere zaken dan het pensioen. Bij fiscaal gefaciliteerde producten zit het vermogen vast tot de pensioendatum. Vanaf pensioendatum keert het opgebouwde vermogen periodiek uit, veelal tot overlijden. Deze insteek (geblokkeerd tot pensioeningangsdatum) kan voor ondernemers de aanleiding zijn om zelf vermogen op te bouwen. Daarmee houden ze zelf beschikking over het geld en hoeven ze niet te wachten met aanwending daarvan tot pensioendatum. Deze keuze heeft echter wel fiscale consequenties, namelijk box 3-belasting. Met het oog op de bestaande mogelijkheden om in box 1 fiscaal gefaciliteerd pensioen of een vrijwillige oudedagsvoorziening op te bouwen is bij het opstellen van het voorliggende wetsvoorstel niet overwogen om in box 3 tegemoetkomingen op te nemen voor belastingplichtigen die geen gebruik maken van de fiscale faciliteiten in box 1 – met wel een blokkering tot pensioeningangsdatum – maar ervoor kiezen om hun vermogen vrij beschikbaar aan te houden.
Internationale aspecten
Belasten van inkomsten uit vermogen in andere landen
De leden van de fractie van de VVD vragen om een uiteenzetting hoe andere Europese landen belasting heffen over winsten uit kapitaalvermogen en in hoeverre de ervaringen van andere Europese landen zijn meegewogen in de totstandkoming van het wetsvoorstel. Hoe in andere landen, waaronder meerdere Europese landen, inkomsten en winsten uit kapitaalvermogen aan belastingheffing worden onderworpen heeft mijn toenmalige ambtsvoorganger in 2016 onderzocht. Dat onderzoek is als «Internationaal onderzoek box 3»50 als bijlage bij de Kamerbrief van 20 september 201651 gepubliceerd. Vorig jaar heeft het belastingadvieskantoor PwC op verzoek van de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) een actualisatie op dat onderzoek uitgebracht.52 In de update van het onderzoek zijn ook België, Frankrijk en Spanje betrokken. Voor de gevraagde uiteenzetting verwijs ik naar deze drie documenten. Op basis van het onderzoek uit 2016 was de conclusie dat een vermogensaanwasbelasting het werkelijke rendement goed benaderd, maar dat veel gegevens moeilijk te ontsluiten zijn. In 2021 heeft PwC in opdracht van het Ministerie van Financiën onderzoek gedaan naar de praktische uitvoerbaarheid van een heffing in box 3 op basis van werkelijk rendement.53 Uit dat onderzoek bleek dat inmiddels wel voldoende gegevens ontsloten en gerenseigneerd zouden kunnen worden. Dat onderzoek samen met het eigen internationale onderzoek uit 2016 heeft geleid tot het voorliggende wetsvoorstel.
Het gebruik van een vermogenswinstbelasting in andere landen is overigens niet onomstreden en gaat gepaard met uitdagingen. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) noemt in een recent rapport de volgende aandachtspunten.54 Een gunstig belastingregime voor vermogenswinsten kan leiden tot economische verstoringen, zoals verschuivingen van arbeidsinkomen naar kapitaalinkomen, en verstoringen in investerings- en winstverdelingskeuzes. Het vermindert daarnaast de zogenoemde horizontale gelijkheid tussen personen, omdat personen met vergelijkbare inkomensniveaus maar uit verschillende bronnen te maken krijgen met verschillende fiscale verplichtingen. Ook vermindert het de zogenoemde verticale gelijkheid tussen personen, omdat personen met een hoog inkomen en vermogen een onevenredig groot deel van zowel gerealiseerde als ongerealiseerde vermogenswinsten ontvangen. Het realisatiebeginsel maakt het bovendien mogelijk voor individuen om de realisatie van vermogenswinsten strategisch uit te stellen of te timen. Een gunstig belastingregime voor winsten is een belangrijke drijfveer achter de lage effectieve belastingtarieven voor vermogende particulieren. Door mogelijkheden te bieden voor belastingontwijking, verminderen de bestaande vermogenswinstbelastingstelsels ook de mogelijkheid om meer inkomsten te genereren door verhogingen van de vermogenswinstbelastingtarieven. In de Verenigde Staten is er bijvoorbeeld discussie over het uitsteleffect van de vermogenswinstbelasting (capital gains tax) waardoor personen eindeloos belastingheffing kunnen uitstellen. Als oplossing hiervoor wordt door de OESO een vorm van vermogensaanwasbelasting (accrual-based taxation) aangedragen.
De leden van de fractie van Volt vragen of het kabinet kan aangeven welke voorbeelden er zijn vanuit andere landen van een vermogensaanwasbelasting. Deze leden vragen of hiervan evaluaties bekend zijn en of het kabinet deze evaluaties met de kamer kan delen. De OESO heeft vorig jaar een onderzoeksrapport gepubliceerd over de ervaring en uitdagingen van het belasten van vermogenswinsten.55 Zij geven aan dat de Verenigde Staten, Australië, Nederland en Nieuw-Zeeland in bepaalde situaties een vermogensaanwasbelasting (accrual-based taxation) kennen. «Accrual-based taxation can apply in certain contexts in some countries. In the United States, for example, the accrual basis of taxation applies to securities dealers» holdings and to commodity futures contracts (for a discussion, see Toder and Viard (2016[116])). Australia recently introduced a reform that, if legislated, would tax unrealised capital gains in high value retirement accounts. The Netherlands also has a system of deemed returns on an asset that intends to capture both realised and unrealised gains (see also section 6.2.3). New Zealand taxes gains (and deducts losses) on financial arrangements on an accrual basis (subject to certain thresholds) and taxes portfolio investment in foreign shares on a deemed rate of return basis.»
De leden van de fractie van de BBB vragen of het kabinet het risico reëel acht dat Nederland fiscaal uit de pas loopt met andere landen in de EU en wat de impact daarvan zal zijn op de Nederlandse kapitaalmarkten. Deze leden vragen welke landen een vergelijkbaar aanwassysteem hebben en vragen naar een kwantitatieve analyse van economische effecten in die landen. Ook de leden van de fractie van de VVD vragen naar kwantitatieve scenarioanalyses over de mogelijke effecten van het voorgestelde stelsel op de internationale positionering van Nederland, zoals kapitaalverplaatsing, uitwijkgedrag van beleggers en familiebedrijven alsmede de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland. Daarnaast vragen deze leden welke stappen het kabinet zet om ervoor te zorgen dat Nederland met het voorliggende wetsvoorstel niet uit de pas loopt met andere Europese landen ten aanzien van het investeringsklimaat en de effectieve druk op vermogen. Verder vragen deze leden of er niet voor internationale beleggers en ondernemers een disproportioneel onaantrekkelijk regime wordt gecreëerd.
Het kabinet onderkent dat een vermogensaanwasbelasting internationaal minder gebruikelijk is dan een vermogenswinstbelasting. Het kabinet is niet bekend met kwantitatieve analyses van vermogensaanwasbelastingen in het buitenland. Het kabinet verwacht echter geen nadelige gevolgen voor de Nederlandse kapitaalmarkten van de voorgestelde gedeeltelijke vermogensaanwasbelasting. Onder het huidige forfaitaire stelsel wordt immers ook al de vermogensaanwas van vermogensbestanddelen belast en de overgang naar het nieuwe stelsel wordt budgettair neutraal vormgegeven. Een vermogensaanwasbelasting is economisch gezien weinig verstorend omdat alle vormen van rendement jaarlijks op gelijke wijze in de heffing worden betrokken. Dit voorkomt een fiscale prikkel om vermogenswinsten uit te stellen. Overigens zal een groot deel van de investeerders in Nederlandse kapitaalmarkten niet belastingplichtig zijn in box 3, bijvoorbeeld in het geval van institutionele beleggers of buitenlandse beleggers. Box 3 betreft particulieren en het particuliere vermogen van ondernemers en is op voorhand niet van belang voor internationale beleggers of ondernemers in hun hoedanigheid als ondernemer. Box 3 ziet namelijk niet op ondernemingsvermogen. Internationale beleggers die als particulieren in Nederland beleggen worden alleen in box 3 aan belastingheffing onderworpen, wanneer zij in vermogen investeren waarover in internationale verdragen het heffingsrecht aan Nederland is toegewezen. Dat is bij box 3-vermogen doorgaans alleen het geval bij onroerende zaken die in Nederland zijn gelegen. Voor onroerende zaken voorziet het voorliggende wetsvoorstel in de vermogenswinstsystematiek. Daarbij wordt pas belasting over de waardeverandering geheven, wanneer een onroerende zaak wordt verkocht. Ook beleggingen in aandelen en winstbewijzen van startende ondernemingen vallen onder de vermogenswinstsystematiek. Het kabinet acht het risico van nadelige effecten voor het Nederlandse investeringsklimaat dan ook zeer beperkt.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het, indien andere landen geen punt zouden maken van het lock-in effect, nog wel logisch is om het lock-in effect als dragend argument voor een vermogensaanwasbelasting aan te voeren. Het kabinet deelt die redenering niet. Juist in de memorie van toelichting is uiteengezet dat een vermogenswinstbelasting een prikkel geeft om realisatie van winsten uit te stellen, dat dit economisch verstorend werkt en dat de ervaring met de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met box 2 en met buitenlandse stelsels leert dat dit risico reëel is. Daarom vermeldt de memorie van toelichting expliciet dat een vermogenswinstbelasting meer verstorende gedragseffecten oproept en kwetsbaarheden introduceert in de belastinggrondslag, en dat een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel daarom de voorkeur verdient. Het lock-in effect wordt waargenomen in buitenlandse stelsels die inkomen uit vermogen belasten. Voorbeelden zijn te vinden in een recent rapport van de OESO.56 Diverse OESO-landen worstelen met dit probleem zoals Noorwegen, Zweden, Australië, Duitsland en de Verenigde Staten.
Verhouding tot hoger recht
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe het kabinet waarborgt dat de wet volledig in lijn is met het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel. Deze leden vragen hoe robuust het kabinet de wet acht tegen toekomstige procedures bij nationale en Europese rechters, of er een risico is op grootschalige bezwaarprocedures en in welke mate het kabinet die risico’s denkt af te dekken. De Hoge Raad heeft in meerdere arresten over box 3 een duidelijk kader geschetst over wanneer sprake is van een schending van het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel. Met dit duidelijke kader in de hand is het mogelijk geweest om risico’s op een schending van het eigendomsrecht en het gelijksbeginsel zoveel mogelijk uit te sluiten. De jurisprudentie van de Hoge Raad is dan ook nauwgezet in acht genomen bij de totstandkoming van het wetsvoorstel. De voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement sluit beter aan bij de werkelijke draagkracht van belastingplichtigen dan het huidige forfaitaire stelsel. Het huidige stelsel beoogt ook al nog niet verzilverde waardemutaties te belasten. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in het feit dat de forfaitaire rendementspercentages mede zijn gebaseerd op de (al dan niet gerealiseerde) waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen. De Hoge Raad heeft dit aspect niet als strijdig met het EVRM beoordeeld, maar juist het feit dat het huidige stelsel forfaitair is vormgegeven en daardoor voor een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling zorgt tussen belastingplichtigen met goede en slechte rendementen. De ongelijkheid die kon ontstaan als gevolg van het forfaitaire stelsel wordt weggenomen door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Het onderhavige wetsvoorstel is daarmee naar de mening van het kabinet in overeenstemming met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM. Het wetsvoorstel leidt tot een gerechtvaardigde regulering van het eigendomsrecht. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 5.1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.57
De leden van de fractie van de BBB vragen op welke punten deze wet qua juridische houdbaarheid wezenlijk verschilt van het eerdere box 3-stelsel, in het bijzonder voor vermogenscomponenten die illiquide zijn of maar een beperkte onafhankelijke referentie hebben voor waardegroei. Het wezenlijke verschil tussen het forfaitaire stelsel en het voorgestelde stelsel is dat in het nieuwe box 3-stelsel belasting wordt geheven over het werkelijke rendement in plaats van een forfaitair bepaald rendement. Daarnaast is in het nieuwe stelsel kostenaftrek mogelijk en verliesverrekening. De Hoge Raad heeft in het Kerstarrest gezegd dat het forfaitaire stelsel met de fictieve vermogensmix tot ongelijkheid tussen «gelukkige beleggers» en minder fortuinlijke belastingplichtigen leidt. In een stelsel op basis van werkelijk rendement wordt deze ongelijkheid voorkomen. Naar de mening van het kabinet is het voorliggende voorstel daarom juridisch beter houdbaar.
De leden van de fractie van het CDA wijzen erop dat bij box 2 pas belasting wordt geheven bij daadwerkelijke vervreemding, en niet op basis van een vermogensaanwasbelasting. Deze leden vragen hoe dit onderscheid tussen box 2 en box 3 raakt aan het gelijkheidsbeginsel. Bij de herziening van de inkomstenbelasting per 2001 heeft de wetgever het boxenstelsel gecreëerd. Elke box kent zijn eigen regels en belastingtarief. Vermogensbestanddelen worden afhankelijk van de fiscale kwalificatie belast in een van de drie boxen. Een verschillende fiscale kwalificatie van hetzelfde type vermogensbestanddeel leidt ertoe dat de belastingheffing ook verschilt. Aandelen bijvoorbeeld kunnen op de balans van een eenmanszaak staan (box 1), een aanmerkelijk belang vormen bij een belang van 5% of meer (box 2) of als bezitting in box 3 belast worden bij een belang van minder dan 5%. Uit de opbouw van het boxenstelsel in de inkomstenbelasting volgt dat het vermogen in box 3 wordt aangemerkt als een belegging waardoor een afwijkende fiscale behandeling ten opzichte van ondernemingsvermogen in de andere boxen is gerechtvaardigd. In het huidige box 3-stelsel is sprake van een forfaitaire vermogensaanwassystematiek. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in het feit dat de forfaitaire rendementspercentages mede zijn gebaseerd op de (al dan niet gerealiseerde) waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen. Voorgesteld wordt om bij de invoering van een heffing over het werkelijke rendement in box 3 als hoofdregel de vermogensaanwassystematiek te behouden.
De leden van de fractie van de VVD verwijzen naar de proportionaliteitstoets die de Hoge Raad hanteert in het Kerstarrest en vragen hoe het kabinet de vermogensaanwassystematiek in dit wetsvoorstel beoordeelt in het licht van deze proportionaliteitstoets. Ook vragen deze leden hoe het kabinet het risico weegt dat de Hoge Raad dit nieuwe stelsel opnieuw in strijd acht met het EVRM. Ook het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of sprake is van strijd met fundamentele rechtsbeginselen en of wordt gekozen voor een systematiek die haaks staat op jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft in meerdere arresten over box 3 een duidelijk kader geschetst. Met dit duidelijke kader in de hand is het mogelijk geweest om risico’s op een EVRM-schending zoveel mogelijk uit te sluiten. De jurisprudentie van de Hoge Raad is dan ook nauwgezet in acht genomen bij de totstandkoming van het wetsvoorstel. In de arresten van 6 juni 202458 heeft de Hoge Raad enkele onderdelen van het Kerstarrest verduidelijkt, waaronder de betekenis van het Kerstarrest voor ongerealiseerde waardeveranderingen: «Het werkelijke rendement omvat niet alleen de voordelen die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Deze waardeveranderingen behoren ook tot het werkelijke rendement indien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd. Dit vloeit voort uit het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. Daartoe behoort namelijk mede het rendement dat kan worden behaald door waardevermeerdering van bezittingen (beleggingsobjecten), ook indien dat voordeel pas later wordt gerealiseerd door verkoop van de desbetreffende bezitting (beleggingsobject). Dit blijkt ook uit het feit dat het percentage van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in box 3 is gebaseerd op marktgegevens over ontwikkelingen in de waarde van dergelijke bezittingen. Bij zulke marktgegevens speelt geen rol of een individuele belegger die waardeveranderingen ook heeft gerealiseerd. Opmerking verdient dat de Hoge Raad, door in het arrest van 24 december 2021 ook te spreken van het werkelijk «behaalde» rendement, in dit opzicht geen beperking heeft beoogd.»59
Naar het oordeel van het kabinet voldoet het wetsvoorstel aan de eisen van het EVRM, waaronder de proportionaliteitstoets. Het wetsvoorstel leidt tot een gerechtvaardigde regulering van het eigendomsrecht. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 5.1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is het voorliggende wetsvoorstel vóór inwerkingtreding te laten onderwerpen aan een aanvullende, onafhankelijke toets op verenigbaarheid met artikel 1 Eerste Protocol EVRM en het gelijkheidsbeginsel, bijvoorbeeld door een externe deskundigencommissie.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het voorliggende wetsvoorstel. Eén van de kerntaken van de Afdeling advisering van de Raad van State is het uitvoeren van een constitutionele en juridische analyse, waarbij het voorgelegde wetsvoorstel wordt getoetst aan de verhouding tot hoger recht, waaronder mensenrechtenverdragen. Het kabinet heeft vertrouwen in de expertise van de Afdeling advisering van de Raad van State op dit punt en acht een extra toets door een deskundigencommissie niet nodig.
Voorkoming dubbele belasting
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe de wet aansluit bij internationale belastingverdragen en of daar risico’s zijn geïdentificeerd. Zij vragen verder hoe het kabinet belastingontwijking via buitenlandse structuren wil tegengaan en of er risico’s zijn dat buitenlandse structuren onvoldoende passen binnen het wetgevingskader en derhalve ontwijking ontstaat. Bij het opstellen van het wetsvoorstel is in algemene zin rekening gehouden met bekende constructies voor belastingontwijking en situaties waarin Nederland zijn heffingsrecht verliest (waardoor een situatie kan ontstaan waarin geen of minder belasting betaald wordt dan in een zuiver binnenlandse situatie). In het algemeen kan worden opgemerkt dat het uitgangspunt om bij de belastingheffing aan te sluiten bij de vermogensaanwas het risico verkleint dat (een deel van) het werkelijke rendement van de bezittingen minus schulden van een inwoner onbelast zou blijven door een emigratie. Er zijn momenteel geen internationale constructies bekend die niet binnen het wetgevingskader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, of daarbuiten via bijvoorbeeld het nationaalrechtelijke algemene antimisbruikbeginsel fraus legis, bestreden kunnen worden. Een eventuele toekomstige constructie waarmee gepoogd zou worden om op oneigenlijke wijze gebruik te maken van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting zou in veel gevallen bestreden kunnen worden met daarin opgenomen internationaal afgesproken OESO-minimumstandaarden tegen verdragsmisbruik. Voor de handhaving van de Belastingdienst is in dit kader van belang dat hun informatiepositie wordt verbeterd door internationale gegevensaanlevering op basis van de Common Reporting Standard (CRS) en Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA), aangevuld met de DAC8-richtlijn voor crypto-activa. Daarnaast is de uitvoerings- en handhavingsstrategie van de Belastingdienst erop gericht om de compliance van burgers en bedrijven te borgen en bevorderen en non-compliance te bestrijden. De Belastingdienst doet dit onder andere door het verhuld vermogen alsnog te detecteren en te belasten, en waar nodig opsporing in te zetten. Mocht de Belastingdienst op een later moment alsnog een (internationale) constructie aantreffen dan wordt dat gesignaleerd en wordt er bekeken hoe dit het beste kan worden aangepakt. De leden van de fractie van de BBB vragen daarnaast naar het risico op dubbele belastingheffing. Zij vragen voor welke vermogenscomponenten dit risico speelt. Ook vragen zij of het kabinet een inschatting kan geven van de omvang van dit risico.
Nederland streeft er in algemene zin naar om de vermogensaanwas en het inkomen dat een belastingplichtige opbouwt in de periode dat hij in Nederland woont, in Nederland te belasten. Dit uitgangspunt is niet alleen vervat in de voorgestelde systematiek in box 3, maar ook in de verschillende bestaande exitheffingen in box 1 en box 2. Omdat de belastingplichtige bij emigratie zal moeten afrekenen over waardeveranderingen toerekenbaar aan de Nederlandse periode, is het resultaat voor de vermogenswinstbelasting en vermogensaanwasbelasting in dit geval vergelijkbaar. In veel gevallen zal het land waarnaar geëmigreerd wordt een step-up geven voor de relevante vermogensbestanddelen (zoals aandelen of effecten), evenals Nederland zou doen bij immigratie. Een step-up voorkomt dat er dubbele belasting ontstaat over dezelfde vermogensaanwas. Als het andere land geen step-up verleent, kan dubbele belasting ontstaan. Door het niet verlenen van een step-up betrekt een land effectief inkomen in zijn grondslag dat is opgebouwd in de periode dat een belastingplichtige in het andere land woonde. Vanuit Nederlandse optiek is dit ongewenst. Nederland betrekt alleen de vermogensaanwas in de Nederlandse periode in de heffing en doet daarmee binnen zijn mogelijkheden datgene wat nodig is om dubbele belastingheffing zoveel mogelijk te voorkomen.
Overwogen alternatieven
Belasting op basis van het reële werkelijke rendement
De leden van de fractie van de BBB vragen wat het effect is van inflatie op de reële waarde van voorwaartse verliescompensatie. Uitgedrukt als rendementsverlies voor de Nederlandse samenleving en gespecificeerd voor verschillende typen vermogens/huishoudens. Vermogensbestanddelen (bezittingen en schulden) en uitgaven zijn onderhevig aan inflatie. Verlies kan in het wetsvoorstel onbeperkt voorwaarts worden verrekend met toekomstige rendementen. Het saldo aan nog te verrekenen verliezen wordt niet jaarlijks verhoogd met een inflatiefactor. Jaarlijks worden wel andere bedragen in het nieuwe box 3-stelsel geïndexeerd, zoals het heffingsvrije resultaat, de vrijstelling van bepaalde rechten en de verliesverrekeningsdrempel.
De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet het met hen eens is dat het belasten op rendement gecorrigeerd zou moeten worden voor inflatie. In de brief aan de Tweede Kamer van 29 september 202260 is ingegaan op de overwegingen om in een stelsel op basis van werkelijk rendement in box 3 wel of geen rekening te houden met inflatie. De brief bevat als conclusie dat een belasting over het reële werkelijke rendement het beste aansluit bij het draagkrachtbeginsel. Het deel van het nominale inkomen dat nodig is om de koopkracht van het vermogen op peil te houden, levert de spaarder immers per saldo geen extra draagkracht op ten opzichte van iemand zonder spaargeld. Rekening houden met inflatie heeft echter een aantal belangrijke nadelen. Dit is ook toegelicht in de brief aan uw Kamer van 1 september 2023.61 In deze brief is een inventarisatie opgenomen rondom het begrip inflatieneutrale belastingheffing op basis van een toezegging aan het Eerste Kamerlid Essers.
Aansluiten bij het nominale werkelijke rendement is herkenbaar en eenvoudig. Als alleen in box 3 het reële werkelijke rendement zou worden belast, zou dat tot verschillen tussen de boxen in inkomstenbelasting leiden. Dat kan tot gedragseffecten leiden. Rekening houden met inflatie zal naar verwachting aanzienlijke budgettaire gevolgen hebben. Het reële inkomen is in box 3 immers normaal gesproken lager dan het nominale inkomen. Deze derving zou in box 3 (geheel of gedeeltelijk) gecompenseerd kunnen worden met een lager heffingsvrij resultaat of een hoger tarief. Gemiddeld schieten belastingplichtigen er dan per saldo niets mee op. Het zou voor de te betalen belasting immers niet uitmaken of bijvoorbeeld 30% belasting verschuldigd is over € 6.000 nominaal werkelijk rendement of bijvoorbeeld 45% over € 4.000 reëel werkelijk rendement. Rekening houden met inflatie zou het stelsel ook complexer maken voor de burger en de uitvoering. Inflatie staat immers niet op de bankafschriften. Een ander punt is dat het lastig uitlegbaar zal zijn als spiegelbeeldig extra belasting wordt geheven in het geval van negatieve inflatie (deflatie).
Op basis van de voornoemde brief van 1 september 2023 wordt geconcludeerd dat een inflatieneutrale belastingheffing als theoretisch concept weliswaar superieur is ten opzichte van het nominalistische stelsel, maar dat een inflatieneutrale belastingheffing én uitvoeringstechnisch complex én beleidsmatig ingrijpend is. Daarom stelt het kabinet voor om het nominale werkelijke rendement uit sparen en beleggen te belasten.
De leden van de fractie van FvD vragen of het belasten van nominale vermogensaanwas (zonder inflatiecorrectie) een opdrijvend effect kan hebben op overheidsbestedingen, omdat de overheid via monetair en begrotingsbeleid mede inflatie veroorzaakt en vervolgens via box 3 medebelast over de daardoor ontstane waardestijging. Het monetaire beleid wordt niet gevoerd door het kabinet maar door onafhankelijke centrale banken, zoals de Nederlandsche Bank en de Europese Centrale Bank. Bij de start van een nieuw kabinet worden afspraken over het financiële kader vastgelegd in de zogenoemde startnota. Hierin wordt onder andere afgesproken hoeveel geld het kabinet maximaal gaat uitgeven per jaar (uitgavenplafond) en welke belastingen en premies zullen worden geheven (het inkomstenkader). Met belastingen en premies worden de uitgaven voor de collectieve voorzieningen gefinancierd. De prijs voor collectieve voorzieningen (bijvoorbeeld de zorg en de sociale zekerheid) is onderhevig aan inflatie. De inkomsten moeten hiermee in de pas lopen om deze uitgaven te kunnen bekostigen.
De leden van de fractie van FvD vragen of het ontbreken van inflatiecorrectie in box 3 kan leiden tot erosie van het maatschappelijke en politieke draagvlak voor het belastingstelsel ondanks aanpassingen op effecten van de systematiek. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 brengt geen wijziging aan in de verhouding tussen belastingheffing en inflatie. Ook in het forfaitaire box 3-stelsel worden de forfaitair bepaalde rendementen niet gecorrigeerd voor inflatie.
De leden van de fractie van Volt geven aan dat bij de beschrijving van de vermogenswinstbelasting in algemene zin simpele rekensommen worden gebruikt in de zin dat belasting zou moeten worden geheven op het verschil tussen verkopen en aankopen. Deze leden vragen of het kabinet duidelijk kan maken hoe hierbij rekening wordt gehouden met inflatie omdat een euro van 2028 minder waard is dan een euro van 2020. Het kabinet stelt voor om het nominale werkelijke rendement uit sparen en beleggen te belasten. Het nominale werkelijke rendement is de toename van de waarde van het vermogen in euro’s. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is in paragraaf 6.2 ingegaan op het overwogen alternatief om belasting te heffen op basis van het reële werkelijke rendement.
Handhaving van het huidige box 3-stelsel met verfijningen
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het klopt dat het Kerstarrest van de Hoge Raad vooral zag op het te grote verschil tussen het werkelijk haalbare rendement en het veronderstelde haalbare forfaitaire rendement. Deze leden vragen of het kabinet de interpretatie deelt dat er politieke beleidsvrijheid is en zij noemen hierbij onder andere de mogelijkheid van een forfaitaire variant die beter aansluit bij het werkelijk te realiseren rendement dan in het oude stelsel het geval was. Het kabinet is het ermee eens dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het vormgeven van belastingwetgeving. Hierbij past wel de kanttekening dat pogingen om het forfaitaire stelsel beter te laten aansluiten bij het werkelijke rendement in het recente verleden niet het beoogde resultaat hebben gehad. De Hoge Raad heeft sinds 2015 in meerdere arresten over box 3 waarschuwingen gegeven over de forfaitaire systematiek en de juridische risico’s hiervan op het gebied van het eigendomsrecht.62 De wetgever heeft in het Belastingplan 2016 met ingang van 2017 de forfaitaire systematiek aangepast om deze beter aan te laten sluiten op het werkelijke rendement.63 Vervolgens heeft de Hoge Raad in het Kerstarrest geoordeeld dat voor het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel niet voldoende rechtvaardiging bestond. Daarbij heeft de Hoge Raad met name gewezen op de ongelijke behandeling van verschillende belastingplichtigen, omdat deze belastingplichtigen werden geconfronteerd met een belastbaar fictief rendement dat was gebaseerd op het gemiddelde rendement op risicovolle beleggingen, ongeacht de mate waarin zij in werkelijkheid wel of niet succesvol waren. Vervolgens heeft de wetgever met de aanpassingen van de Wet IB 2001 door de Overbruggingswet box 3 met ingang van 2023 een tweede poging gedaan om de forfaitaire systematiek in overeenstemming te brengen met de waarborgen die gelden op grond van het eigendomsrecht. Hierover heeft de Hoge Raad op 6 juni 202464 geoordeeld dat dit aangepaste forfaitaire stelsel nog steeds in strijd is met het eigendomsrecht en discriminatieverbod. Beide aanpassingen van de forfaitaire systematiek, die bedoeld waren als een verbetering, hebben geleid tot omvangrijke hersteloperaties met grote budgettaire gevolgen en met ingrijpende gevolgen voor burgers en de Belastingdienst. Tegen deze achtergrond wordt nu voorgesteld om box 3 fundamenteel te herzien door de forfaitaire systematiek te vervangen door een heffing op basis van werkelijk rendement.
Vermogensbelasting
De leden van de fractie van de SP verwijzen naar de memorie van toelichting waarin uiteen is gezet waarom niet gekozen is voor een generieke vermogensbelasting. Deze leden vragen of het kabinet nader kan toelichten in hoeverre de genoemde bezwaren, zoals mogelijke kapitaalvlucht en internationale concurrentie, empirisch zijn onderbouwd en in hoeverre deze zich daadwerkelijk hebben voorgedaan in landen waar dergelijke belastingen bestaan of recent zijn afgeschaft. In het verleden hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar een vermogensbelasting.
Intern onderzoek (2016), geüpdatet door de NOB (2025)
In 2016 is door het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst internationaal onderzoek gedaan naar de belasting van inkomsten uit vermogen en vermogenswinsten in Denemarken, Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten (VS) en Zweden.65 In het rapport is ook aandacht besteed aan de vermogensbelasting die de betreffende landen hebben of hebben gehad. In 2025 heeft het belastingadvieskantoor PwC op verzoek van de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs het onderzoek uit 2016 van een update te voorzien.66 In de update van het onderzoek zijn ook België, Frankrijk en Spanje betrokken. Diverse landen hebben hun vermogensbelasting afgeschaft of versoberd. Frankrijk heeft bijvoorbeeld per 2018 de (brede) vermogensbelasting vervangen door een (smalle) vermogensbelasting over in Frankrijk gelegen onroerend goed. Duitsland en Zweden hebben hun vermogensbelasting afgeschaft, respectievelijk per 1997 en 2007.
Onderzoek door de Landsadvocaat (2022)
In 2022 heeft het kabinet de mogelijkheden van een vermogensbelasting laten onderzoeken door de Landsadvocaat.67 Een belangrijk punt bij de vormgeving van een vermogensbelasting is een eventuele schending van het recht op ongestoord genot van eigendom. Inbreuk op dit recht is toegestaan als er een redelijke verhouding is tussen het algemeen belang en de individuele rechten van de belastingplichtige (de proportionaliteitstoets). De Landsadvocaat concludeert dat wanneer de vermogensbelasting niet kan worden betaald uit de inkomsten uit het vermogen en dit daarom leidt tot interen op het vermogen, deze belasting de proportionaliteitstoets mogelijk niet kan doorstaan omdat er dan sprake is van ongeoorloofde schending van het eigendomsrecht.
Initiatiefvoorstel Wet vermogensbelasting 2024 (2022)
De Tweede Kamerleden Nijboer, Alkaya, Van Raan en Gündoğan hebben in 2022 een initiatiefwetsvoorstel ingediend. De afdeling Advisering van de Raad van State heeft hierover een advies uitgebracht op 15 maart 2023.68 De verdediging van dit initiatief is overgenomen door de leden Stultiens, Dijk en Teunissen omdat de oorspronkelijke initiatiefnemers inmiddels zijn vertrokken uit de Tweede Kamer.69
Onderzoek door de OESO (2024)70
Internationale ervaringen laten zien dat vermogensbelastingen de migratie van personen kunnen beïnvloeden, met name onder zeer vermogenden, al verschilt de omvang van het effect per context. Het beschikbare empirische bewijs over migratie naar aanleiding van de invoering of afschaffing van een vermogensbelasting is echter beperkt en richt zich vooral op binnenlandse migratie. Studies naar binnenlandse migratiebewegingen in Zwitserland, Noorwegen en Spanje indiceren dat ontduiking een groter risico voor belastingopbrengsten is dan migratie (verschillen in gerapporteerd vermogen zouden voor een kwart toerekenbaar zijn aan migratie),71 dat frauduleuze migratieclaims een rol kunnen spelen72 en dat het migratie-effect op korte termijn duidelijker zichtbaar is dan op lange termijn.73 Onderzoek uit Zweden en Denemarken suggereert dat het effect van vermogensbelasting op internationale migratie relatief gering is, vooral op langere termijn, maar dat met name ondernemers, jongeren en hoogopgeleiden gevoeliger reageren op de belasting.74
De leden van de fractie van de SP vragen in hoeverre het kabinet het consistent acht om een vermogensbelasting af te wijzen vanwege mogelijke ontwijking, terwijl een vermogenswinstbelasting juist expliciet prikkels tot uitstel en ontwijking introduceert. Het kabinet heeft niet gekozen voor een vermogensbelasting om een aantal redenen. Deze worden in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel genoemd (afdeling 6.4).
Een vermogensbelasting als alternatief voor het belasten van werkelijk rendement uit vermogen heeft voor- en nadelen. Een voordeel van een vermogensbelasting in plaats van het wetsvoorstel is dat deze eenvoudig is in de uitwerking, in ieder geval als die zonder anticumulatieregeling wordt vormgegeven. Alleen de waarde van bezittingen en schulden op 1 januari zijn namelijk relevant, net zoals in het huidige forfaitaire box 3-stelsel. Een belangrijk en relevant nadeel is dat net als bij de oorspronkelijke box 3 (vermogensrendementsheffing) niet de werkelijke rendementen worden belast. Hierdoor betalen mensen met laagrenderend vermogen of vermogen met een negatief rendement evenveel belasting als mensen met hoogrenderend vermogen. Naast de economische nadelen sluit een vermogensbelasting net als het oude box 3-stelsel daardoor niet goed aan bij het draagkrachtbeginsel. Daarbij komt dat de Landsadvocaat heeft aangegeven dat er – in het geval van een vermogensbelasting waarbij sprake is van interen op vermogen – niet kan worden uitgesloten dat in dat geval sprake is van een ongeoorloofde schending van het eigendomsrecht. Een maximum (anticumulatiebepaling) in de vermogensbelasting waarbij nooit meer dan een bepaald percentage van het inkomen uit het vermogen wordt betaald, zou dit kunnen voorkomen. Een dergelijke bepaling gold ook in de oude vermogensbelasting die in 2001 is afgeschaft, in de vorm van de zogenoemde «68%-regeling». Echter, een anticumulatiebepaling is complex en zal gepaard gaan met nieuwe ontwijkingsmogelijkheden. Zo was het met de voormalige 68%-regeling in de situatie van vóór 2001 mogelijk dat zeer vermogende personen geen vermogensbelasting betalen als zij geen belastbaar inkomen in de inkomstenbelasting hebben. Dit kwam veelvuldig voor en was juist een van de aanleidingen voor de introductie van het boxenstelsel in 2001.
Iets anders is een vermogensbelasting naast het belasten van inkomen uit vermogen. De rechtvaardiging daarvoor kan zijn om de vermogensongelijkheid te verkleinen. Het gaat dan om een vermogensbelasting voor topvermogens die het vermogen boven een bepaalde omvang belasten tegen een beperkt tarief. Hierover heeft het kabinet onlangs nog een brief «Minimumvermogensbelasting van 2% voor zeer vermogende personen» naar de Tweede Kamer gestuurd.75
Budgettaire effecten
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat de belastingderving zal zijn als alle beleggingen onder de vermogenswinstbelasting zouden gaan vallen. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt hoe hoog de noodzakelijke budgettaire dekking is voor een overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting. Deze leden vragen te bevestigen dat de dekking niet beperkt blijft tot box 3 maar in bredere zin wordt gezocht en of wordt overwogen om deze dekking deels via het financieringstekort te laten lopen. De budgettaire derving van de doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting wordt nog onderzocht. De budgettaire derving zal conform de begrotingsregels gedekt moeten worden. Het kabinet overweegt niet het financieringstekort hiervoor op te laten lopen, aangezien dat in strijd is met de begrotingsregel dat een beleidsmatige lastenverlichting moet worden gecompenseerd door een even grote lastenverzwaring. Het kabinet zal daarvoor naar dekkingsopties zoeken en gaat hierover graag het gesprek met uw Kamer aan.
De leden van de fractie van de BBB vragen naar de mate waarin het kabinet stresstests heeft uitgevoerd voor scenario’s met sterke koersschommelingen en gelijktijdige belastingheffing. Deze leden vragen ook naar het risico dat belastingheffing in dalende markten zou kunnen leiden tot gedwongen verkoop en daarmee tot procyclische marktversterking, in het bijzonder op de Nederlandse aandelenmarkt. De leden van de VVD vragen of er budgettaire risico’s optreden doordat conjunctuurverschillen de opbrengst van box 3 beïnvloeden. Het kabinet heeft geen afzonderlijke externe stresstest laten uitvoeren voor specifieke marktpartijen of voor afzonderlijke categorieën particuliere vermogens. Wel is voor het wetsvoorstel een budgettaire raming gemaakt waarin rekening is gehouden met spreiding in rendementen over verschillende jaren als gevolg van koersschommelingen. Deze raming is gecertificeerd door het CPB.
Voor het risico op gedwongen verkoop en procyclische effecten is van belang om te benadrukken dat het voorgestelde stelsel juist beter met de conjunctuur meebeweegt dan het forfaitaire box 3-stelsel. In economisch slechtere jaren wordt minder belasting geheven, verliezen bij waardedalingen kunnen in latere jaren worden verrekend en belastingplichtigen worden dan dus niet, zoals onder een forfaitair stelsel, geconfronteerd met belastingheffing die geen relatie heeft met het daadwerkelijk behaalde rendement. In de memorie van toelichting wordt daarom opgemerkt dat het voorgestelde stelsel licht stabiliserend werkt op de conjunctuur. Volgens de begrotingsregels mogen tegenvallers aan de inkomstenkant van de begroting mee-ademen met de conjunctuur, zodat beleidsmatige lastenverzwaringen in tijden van recessie niet nodig zijn. Omgekeerd geldt dit ook voor eventuele meevallers. Dit is de kern van het trendmatig begrotingsbeleid dat het kabinet voert.
Uit een onderzoek uit 202276 blijkt dat in 2017 en 2018 slechts 0,4% van de box 3-belastingplichtigen een betalingsregeling heeft aangevraagd. Voor ruim 90% van deze groep was deze betalingsregeling voldoende. Uit recente gegevens van de Belastingdienst blijkt dat dezelfde percentages gelden voor de jaren 2019 tot en met 2022.77 De optie van een betalingsregeling blijft onverkort beschikbaar voor belastingplichtigen in het nieuwe box 3-stelsel. Bovendien zal voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen een vermogenswinstbelasting gelden, terwijl voor die vermogensbestanddelen de ongerealiseerde vermogensaanwas nu nog jaarlijks forfaitair wordt belast. Om die reden verwacht het kabinet eerder minder dan meer liquiditeitsproblemen ten opzichte van het huidige forfaitaire stelsel. Ook bestaan reeds mogelijkheden voor uitstel van betaling en maatwerk in bijzondere omstandigheden. Tegen die achtergrond ziet het kabinet geen aanleiding om te veronderstellen dat het wetsvoorstel tot een specifieke procyclische versterking op de Nederlandse aandelenmarkt zal leiden.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of de raming van de tegenbewijsregeling niet te hoog is ingeschat en of het kabinet een nieuwe inschatting gaat maken. Bij het indienen van het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 is een raming aangeleverd. Deze raming is door het CPB beoordeeld als redelijk en neutraal en vervolgens gecertificeerd. Conform de begrotingsregels is aan de inkomstenkant sprake van automatische stabilisatie. Dat betekent dat eventuele mee- en tegenvallers meelopen in het saldo en niet relevant zijn voor het inkomstenkader. Het inkomstenkader betreft alleen de effecten van beleidsmatige wijzigingen zoals wijzigingen in de hoogte van het tarief. Tegenvallende belastinginkomsten hoeven dus niet gedekt te worden door de belasting ergens anders te verhogen en andersom. Het kabinet gaat dus geen nieuwe inschatting maken van de kosten van de tegenbewijsregeling. Vervolgens refereren deze leden naar een voorstel uit het Belastingplan 2026 om het forfait op overige bezittingen te verhogen naar 7,78%. Dit voorstel heeft de Tweede Kamer uit het Belastingplan 2026 geamendeerd. In de raming van de voorgestelde maatregel om het forfait op overige bezittingen te verhogen, was meegenomen dat bij een hoger forfait meer mensen tegenbewijs zouden indienen. De ramingen voor het rechtsherstel in box 3 gingen uit van de huidige (ongewijzigde) berekeningsmethode van het forfait. Het terugdraaien van de voorgestelde verhoging van het forfait leidt dus niet tot lagere kosten van de tegenbewijsregeling.
De leden van de fractie van het CDA en 50PLUS vragen om meer inzicht in de budgettaire derving van circa € 2,4 miljard per jaar bij verder uitstel van het stelsel op basis van werkelijk rendement. De leden van de fractie van het CDA vragen of een deel van deze derving inmiddels niet is verdwenen door de sterke toename van het totale vermogen in box 3. In de raming is rekening gehouden met een vermogenstoename van 2,5% per jaar. De rendementen in de toekomst zijn nog niet bekend. De derving van een jaar uitstel kan lager uitvallen bij een goed beursjaar en stijgende huizenprijzen, maar kan ook veel hoger uitvallen bij een slecht beursjaar en dalende huizenprijzen. Op dit moment is de inschatting van € 2,4 miljard per jaar de beste inschatting die het kabinet kan maken. Deze leden refereren ook aan de procedure massaal bezwaar plus die nog loopt bij de Hoge Raad. De kosten voor een eventuele negatieve uitspraak in deze zaak zijn nog niet geraamd en zijn dus ook geen onderdeel van de circa € 2,4 miljard. Echter heeft een negatieve uitspraak in deze zaak geen gevolgen voor de derving van een jaar uitstel van het stelsel op basis van werkelijk rendement. Deze zaak gaat over de belastingjaren 2017 tot en met 2020.
De leden van de fractie van het CDA vragen of bij de berekening van de budgettaire derving rekening is gehouden met de kosten die invoering van het wetsvoorstel met zich brengt. De noodzakelijke uitbreiding van de Belastingdienst met 900 fte kost toch ook bijna een miljard euro, zo vragen deze leden. In de memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn zowel de budgettaire gevolgen aan de inkomstenkant van de begroting (hoofdstuk 7) als de uitvoeringkosten (hoofdstuk 9) uiteengezet. De structurele uitvoeringkosten bedragen jaarlijks € 112 miljoen. Daarnaast is sprake van € 20 miljoen aan incidentele uitvoeringskosten.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de toename van de belastingopbrengsten in box 3 in het licht van budgetneutraliteit. De belastingopbrengst in box 3 is de afgelopen jaren flink gestegen en zal de komende jaren naar verwachting nog verder stijgen. Deze stijging wordt onder andere veroorzaakt doordat mensen meer zijn gaan sparen en beleggen. Verder hebben beleidswijzigingen, zoals de tariefsverhoging van 30% naar 36% een grote impact op de gestegen belastingopbrengst. Verhogingen of verlagingen van de forfaits als gevolg van wisselende rendementen over de jaren hebben ook een impact op de belastingopbrengst, maar het effect hiervan is lager dan het effect van het toegenomen vermogen en de beleidswijzigingen. Bij budgetneutraliteit wordt altijd gekeken naar wat box 3 in de toekomstige jaren in het basispad zou ophalen. Een budgetneutraal wetsvoorstel moet eenzelfde opbrengst genereren.
De leden van de fracties van de ChristenUnie en het CDA vragen of in het simulatiemodel rekening is gehouden met verschillende conjunctuurscenario’s. Per definitie is het rendement op vermogen gevoeliger voor de economische conjunctuur dan het vermogen zelf. Dit betekent ook dat de belastingopbrengst van het voorgestelde nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement volatieler is dan de belastingopbrengst van het forfaitaire stelsel. De conjunctuurschommelingen zijn meegenomen in de raming door gebruik te maken van een simulatiemodel. In een simulatiemodel worden met behulp van kansverdelingen verschillende scenario’s gesimuleerd. Vervolgens worden deze scenario’s met bepaalde gewichten bij elkaar opgeteld. De leden van de fractie van het CDA vragen expliciet of er rekening is gehouden met het scenario dat in 2028 en 2029 € 0 wordt opgehaald met box 3 vanwege een negatief beursjaar. Het simulatiemodel houdt hier inderdaad rekening mee. Dit scenario heeft echter een lage kans. Hier tegenover staan ook scenario’s waarin bijvoorbeeld het dubbele van de huidige box 3 belastingopbrengst wordt opgehaald in 2028 en 2029. Ook deze scenario’s worden meegenomen in het model. De uiteindelijke raming is een gewogen gemiddelde van alle scenario’s.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of bij de dekking van het wetsvoorstel overwogen is enkele specifieke tarieven voor vermogen te verhogen De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom eventuele budgettaire maatregelen binnen box 3 gedekt moeten worden. Conform de begrotingsregels moet een beleidsmatige lastenverlichting binnen de kabinetsperiode in hetzelfde jaar worden gecompenseerd door een even grote lastenverzwaring. Om te voorkomen dat rekeningen worden doorgeschoven, moeten beleidswijzigingen met structurele budgettaire consequenties na de kabinetsperiode ook structureel worden gedekt. Hiermee draagt het inkomstenkader bij aan zowel budgettaire beheersing als automatische stabilisatie. Het is gebruikelijk dat voor de dekking eerst wordt gekeken binnen het domein waar de derving zich voordoet, voordat andere dekkingsopties worden overwogen. Op deze manier vindt er een zo klein mogelijke verschuiving van lastendruk plaats.
De leden van de fractie van de SP vragen naar de budgettaire risico’s van achterwaartse verliesverrekening in box 3. In een jaar met forse waardedalingen zullen er meer verliezen gemaakt worden. Of deze verliezen dan verrekend kunnen worden met het voorgaande jaar hangt af van het rendement in dat jaar. Als dit niet (volledig) kan, worden de (niet verrekende) verliezen meegenomen naar toekomstige jaren om later te verrekenen. Onderstaande tabel toont de budgettaire gevolgen van deze maatregel. De hoge incidentele derving in 2028 van € 1.236 miljoen komt doordat in het basispad (met alleen voorwaartse verliesverrekening) er geen verliezen in 2028 verrekend kunnen worden. Met achterwaartse verliesverrekening kan dit wel al in 2028. Verliezen die achterwaarts verrekend zijn kunnen niet nogmaals voorwaarts verrekend worden. Vandaar dat de reeks afloopt. Vanaf 2060 blijft er een kleine structurele derving over van € 12 miljoen per jaar, omdat niet alle verliezen verrekend kunnen worden, bijvoorbeeld vanwege overlijden of migratie. Al met al zijn op de lange termijn de budgettaire risico’s van het invoeren van achterwaartse verliesverrekening in box 3 beperkt. De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de onzekerheid van deze raming. Zoals ook geldt voor de raming voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is de raming voor achterwaartse verliesverrekening gevoelig voor conjunctuurschommelingen. Het rendement op vermogen is inherent volatieler dan het vermogen zelf. Zo ook een belasting op het rendement op vermogen.
|
2028 |
2029 |
2030 |
2031 |
2032 |
2033 |
2034 |
2035 |
2036 |
Struc |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
– 1.236 |
– 1.010 |
– 526 |
– 367 |
– 250 |
– 197 |
– 162 |
– 131 |
– 110 |
– 12 |
De leden van de fractie van de SGP vragen naar de kosten voor het continu wijzigingen van regels en systemen in box 3 en vragen wat deze tussentijdse oplossing oplevert. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is budgetneutraal vormgegeven. De derving van circa € 2,4 miljard die ontstaat als de tegenbewijsregeling een jaar langer van kracht blijft, blijft dus bespaard met de invoering van het nieuwe stelsel per 1 januari 2028. Het kabinet kiest niet voor het doorzetten van het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling tot het stelsel van een volledige vermogenswinstbelasting af is. Het huidige stelsel kent forse nadelige effecten, naast de hiervoor genoemde jaarlijkse budgettaire tegenvaller. Een belangrijk nadeel van het huidige systeem is dat werkelijke rendementen voor zover ze hoger zijn dan het forfaitaire rendement niet worden belast. Daarnaast geldt voor het bepalen van het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling geen kostenaftrek en geen verliesverrekening. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is wel kostenaftrek en verliesverrekening opgenomen.
De leden van de fractie van de SGP vragen of een algehele bezinning op de overheidsfinanciën noodzakelijk is gezien het feit dat uitstellen van de Wet werkelijk rendement box 3 gepaard gaat met een budgettaire derving van circa € 2,4 miljard per jaar. Bij uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 blijven de huidige forfaits met mogelijkheid tot tegenbewijs langer van kracht. Belastingplichtigen hebben dan de mogelijkheid om bij een lager werkelijk rendement dan het forfait belast te worden op basis van hun werkelijke rendement. Tegelijkertijd worden belastingplichtigen met hogere rendementen dan het forfait daarvoor niet belast. Deze asymmetrische behandeling draagt niet bij aan belasten naar draagdracht en wordt daarom door het kabinet als onwenselijk geacht. Tevens leidt dit ertoe dat de tegenbewijsregeling minder geld oplevert dan in het basispad is verondersteld. Het eventueel langer voortzetten van deze regeling leidt dus onvermijdelijk tot een budgettaire derving.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het budgettaire aspect leidend was bij het maken van box 3 beleid. Ook vraagt dit lid om een reflectie op de redenering van Tamminga.78 Het kabinet is het niet eens met het betoog van het lid van de fractie van 50PLUS en de redenering van Tamminga. Bij de vormgeving van box 3 zijn steeds verschillende aspecten gewogen. In de memorie van toelichting staat opgenomen dat naast budgettaire gevolgen ook uitvoerbaarheid, doenvermogen, complexiteit, rechtmatigheid, gedragseffecten en fiscale beginselen een rol spelen bij het maken van beleid. Ook wordt toegelicht dat lange tijd juist de eenvoud en uitvoerbaarheid van een forfaitair stelsel voor belastingplichtigen en Belastingdienst zwaar hebben meegewogen, terwijl later het rechtvaardigheidsprobleem van het forfaitaire stelsel steeds pregnanter is geworden, mede door de lage spaarrente en uiteindelijk de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dat neemt niet weg dat het kabinet een budgettair neutrale hervorming van box 3 wel van groot belang acht. In de nota naar aanleiding van het verslag is daarom ook aangegeven dat het doel van het wetsvoorstel is om het werkelijke rendement te belasten, zonder dat daarmee op zichzelf wordt beoogd de totale belastingdruk in box 3 te verhogen of te verlagen. Budgettaire neutraliteit is dus een belangrijk uitgangspunt, maar niet het leidende criterium.
Gevolgen voor het bedrijfsleven en de burger
Inkomenseffecten
De leden van de fractie van de BBB vragen in welke mate het rente-op-rente effect kwantitatief wordt aangetast door jaarlijkse belastingheffing. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet een impact analyse heeft gemaakt van het effect op beleggingsrendementen voor Nederlandse burgers en zo ja, wat de uitkomst van deze analyse is. Het is evident dat elke uitgave (consumptie, herallocatie van vermogen, het betalen van belasting etc.) vanuit het perspectief van de belastingplichtige effect heeft op het rente-op-rente effect van het rendement van bijvoorbeeld een spaarrekening of effectenrekening. In een artikel van Bas Jacobs (hoogleraar economie en overheidsfinanciën aan de School of Business and Economics – Vrije Universiteit Amsterdam) wordt ingegaan op het rente-op-rente effect in relatie tot het wetsvoorstel.79 Volgens het artikel klopt de claim dat beleggers met een vermogensaanwasbelasting minder geld overhouden om te herbeleggen niet. Volgens critici zou een vermogensaanwasbelasting via «rente-op-rente» effecten leiden tot veel minder vermogensopbouw en daardoor uiteindelijk ook tot lagere belastingopbrengsten. Dit is onjuist volgens het artikel. Zolang beleggers de verkoop van hun aandelen niet om fiscale redenen uitstellen én de belastingopbrengst gelijk blijft, is de vermogensopbouw hetzelfde bij een vermogenswinstbelasting als bij een vermogensaanwasbelasting. Er is geen impactanalyse gemaakt van het effect op beleggingsrendementen voor Nederlandse burgers. Het doel van dit wetsvoorstel is door middel van een robuust stelsel het werkelijke rendement uit sparen en beleggen te belasten. Dit leidt tot een rechtvaardige belastingheffing. Het voorgestelde box 3-stelsel werkt neutraler uit ten opzichte van het huidige forfaitaire stelsel omdat de werkelijke rendementen worden belast, zowel van een spaarder met doorgaans een lager rendement als een belegger met een doorgaans hoger rendement.
De leden van de fractie van de BBB vragen wat het effect is van het wetsvoorstel op de Lorenzcurve respectievelijk de Gini-coëfficiënt zowel wat betreft inkomen als vermogen. Het partiële effect op de Lorenzcurve van een beleidswijziging – in dit geval de invoering van het nieuwe box 3-stelsel – op het totale vermogen valt niet te kwantificeren om twee redenen: allereerst is het effect van een beleidswijziging op de vermogensverdeling sowieso vrijwel onmogelijk partieel af te bakenen. Dat komt omdat economische ontwikkelingen een veel grotere rol spelen in de vermogensontwikkeling van huishoudens en daarmee ook in de vermogensverdeling. Het is dan heel lastig het partiële effect van een beleidswijziging af te bakenen. Tegelijkertijd brengen alleen grote economische schokken dan wel een qua impact rigoureuze vermogensmaatregel wezenlijke ontwikkelingen in de deze maatstaven te weeg. De Lorenzcurve en Gini-coëfficiënt van de vermogensverdeling zijn dan ook vrij constant gebleken de afgelopen vijftien jaar. Achter deze maatstaven gaan wel allerlei ontwikkelingen schuil die relevant zijn maar die in deze maatstaven niet tot uitdrukking komen. Dit alles wordt uitgebreid toegelicht in hoofdstuk 4 en bijlage 14 van het rapport IBO Vermogensverdeling uit 2022.
Het effect van een fiscale beleidswijziging werkt meestal veel directer door op het inkomen van huishoudens en de verdeling daarvan. Voor het totale inkomen van huishoudens in Nederland geldt dat dit voor het grootste deel bestaat uit inkomen uit arbeid. Inkomen uit vermogen vormt een veel kleiner deel van het totale inkomen in Nederland. Inkomen uit arbeid is vele malen breder verdeeld onder huishoudens in Nederland dan inkomen uit box 3-vermogen. Daarbij is het wetsvoorstel budgettair neutraal vormgegeven binnen box 3. Daarmee is het effect van het wetsvoorstel op de Lorenzcurve en Gini-coëfficiënt van de inkomensverdeling zeer beperkt.
De leden van de fractie van de BBB vragen welke groepen erop vooruit- en achteruitgaan in het nieuwe stelsel. Grofweg gaan spaarders erop vooruit. In het wetsvoorstel geldt een heffingsvrij resultaat van € 1.800. Spaarders met een rendement van 2% moeten een vermogen van meer dan € 90.000 hebben om boven het heffingsvrije resultaat uit te komen. In het forfaitaire stelsel geldt een heffingvrij vermogen van € 59.357 (bedrag 2026). Ook beleggers in onroerende zaken gaan erop vooruit. In het wetsvoorstel geldt namelijk een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken, waardoor belastingplichtigen hun belasting over de waardeontwikkeling kunnen uitstellen tot het moment van vervreemding. Daarnaast is kostenaftrek mogelijk, wat in het forfaitaire stelsel niet mogelijk was. Tot slot kent het wetsvoorstel verliesverrekening. Dit is voordelig voor alle belastingplichtigen die een jaar verlies maken. Daartegenover staan belastingplichtigen die structureel een hoger rendement behaalden dan het forfaitaire rendement. Deze belastingplichtigen zullen in het nieuwe box 3-stelsel worden aangeslagen voor hun werkelijke rendement en betalen dus, wanneer ze onder het nieuwe stelsel nog steeds hoge rendementen behalen, meer belasting.
De leden van de fractie van de BBB en GroenLinks-PvdA vragen naar het effect van het wetsvoorstel op verschillende inkomens en vermogensgroepen, zoals hoeveel burgers het betreft en welke vermogens daarbij horen en de impact op deze vermogens. Het wetsvoorstel betreft burgers die box 3-vermogen bezitten en daarover belasting in box 3 moeten betalen. Onderstaande tabel laat de vermogensverdeling van deze burgers zien.
|
€ 0–€ 100.000 |
€ 100.000–€ 1 mln |
> € 1 mln |
Totaal |
|
|---|---|---|---|---|
|
Bank- en spaartegoeden (mld.) |
61 |
178 |
32 |
272 |
|
Aandelen/obligaties (mld.) |
8 |
69 |
70 |
147 |
|
Onroerende zaken (mld.) |
14 |
141 |
77 |
232 |
|
Overige vermogenstitels (mld.) |
4 |
30 |
20 |
54 |
|
Schulden (mld.) |
11 |
55 |
32 |
98 |
|
Totaal vermogen (rendementsgrondslag, mld.) |
77 |
362 |
167 |
606 |
|
Aantal belastingplichtigen (x dzd) |
1.023 |
1.459 |
68 |
2.550 |
In het huidige stelsel zijn er de afgelopen jaren bijna 4 miljoen burgers die aangifte in box 3 hebben gedaan, daarvan heeft circa 2,5 miljoen ook daadwerkelijk belasting betaald in box 3. Burgers die belasting betalen in box 3 hebben een particulier spaar- en beleggingsvermogen dat boven het heffingvrije vermogen in box 3 (€ 59.357 in 2026) uitvalt. Het aantal kan jaarlijks wat fluctueren omdat het vermogen van mensen ook fluctueert. In het nieuwe stelsel zullen naar verwachting dezelfde aantallen burgers belasting in box 3 moeten betalen. Dat zijn burgers met een rendement op vermogen van meer dan € 1.800. Ongeveer 40% van deze burgers heeft een vermogen tot € 100.000 en zij bezitten voornamelijk bank- en spaartegoeden. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben gelijk dat liquiditeitsproblemen bij burgers met voornamelijk bank- en spaartegoeden hoogstwaarschijnlijk niet spelen.
De impact van het wetsvoorstel is dat elke euro rendement die boven het heffingsvrije rendement van € 1.800 uitkomt met 36% wordt belast, ongeacht of het rendement wordt bepaald via rente op spaarvermogen dan wel beleggingsvermogen. In het huidige stelsel wordt boven het heffingvrije vermogen van € 59.357 in 2026 het rendement op spaarvermogen in de voorlopige aanslag forfaitair vastgesteld op 1,28% en het rendement op beleggingsvermogen op 6%. Het op die manier berekende rendement wordt belast met 36%.
Dit betekent voor iemand met bijvoorbeeld € 100.000 op een spaarrekening met 1% rente dat deze persoon in de huidige situatie € 187 aan box 3 belasting betaalt en met 1,5% rente ook € 187. In de nieuwe situatie betaalt deze persoon met een werkelijk behaalde rente van 1% respectievelijk 1,5% 0 euro in box 3. Bij een werkelijk rendement van 2% betaalt deze persoon nu € 187 in box 3 en in de nieuwe situatie € 72. Personen die met een spaarrekening van € 100.000 op dit moment een rente behalen van 2,5% of meer, gaan gegeven de huidige forfaitaire rente in de nieuwe situatie meer belasting in box 3 betalen. Bij een spaarrekening van € 200.000 en werkelijk behaalde rentes tot 1,8% betaalt deze persoon in de toekomstige situatie minder dan in de huidige situatie en daarboven meer, dit gegeven het huidige forfait voor bank- en spaartegoeden van 1,28% (in de voorlopige aanslag voor 2026).
Voor personen met € 100.000 aan beleggingsvermogen die op dit moment minder dan 4,3% aan werkelijk rendement behalen zal het nieuwe stelsel voordeliger zijn en dat geldt ook voor personen met € 200.000 aan beleggingsvermogen die minder dan 5,1% werkelijk rendement behalen.
De leden van de fractie van de BBB vragen vervolgens of er sprake is van een piek in de marginale druk. Het nieuwe stelsel kent een vlak tarief boven een vrijgesteld rendement van € 1.800. Er is dan per definitie geen sprake van pieken in de marginale druk.
De leden van de fractie van de BBB vragen vervolgens of de beoogde herverdeling daadwerkelijk wordt gerealiseerd in de praktijk. Het nieuwe stelsel is nog niet ingevoerd en dus nog niet in de praktijk gebracht. Het nieuwe stelsel beoogt geen herverdeling tussen inkomens en vermogensgroepen maar beoogt het werkelijke rendement in box 3 te belasten in plaats van het forfaitaire rendement. Dit is efficiënter, evenwichtiger en rechtvaardiger dan het huidige forfaitaire stelsel waarbij beleggingen met een rendement van meer dan 6% boven dit percentage onbelast blijven. De kans op een hoger rendement dan 6% is gemiddeld hoger bij een vermogensportefeuille vanaf een bepaalde omvang.
De leden van de fractie van het CDA vragen of bij de totstandkoming van het wetsvoorstel er rekening mee is gehouden dat jonge starters sparen of beleggen om vermogen op te bouwen, omdat zij op de huidige woningmarkt op andere wijze geen woning meer kunnen bemachtigen. Deze leden stellen dat het voorliggende wetsvoorstel mensen met een relatief beperkte buffer het hardst raakt en vraagt of er alternatieven zijn om deze groep tegemoet te komen. Het kabinet stelt voorop dat de primaire doelstelling van het wetsvoorstel is om te komen tot een rechtvaardiger stelsel waarbij op basis van het werkelijke rendement belasting wordt betaald, ongeacht de redenen die een belastingplichtige heeft om te sparen of beleggen. Het wetsvoorstel staat niet in de weg aan de mogelijkheden voor jonge starters om vermogen op te bouwen om bijvoorbeeld voor een woning te sparen. Het kabinet herkent ook niet het beeld dat het wetsvoorstel juist mensen raakt met een relatief beperkte buffer. Ter illustratie: fiscale partners met € 200.000 spaargeld – toch een aanzienlijke buffer of spaarpot voor een eigen woning – betalen op basis van het forfaitaire stelsel in 2025 € 417 belasting in box 3, uitgaande van het definitief vastgestelde forfait voor spaargeld van 1,37%. In het nieuwe stelsel betalen deze fiscale partners bij een spaarrente van 1,37% over de € 200.000 spaargeld geen belasting meer in box 3, omdat het gezamenlijke heffingsvrije resultaat (€ 3.600) hoger is dan de ontvangen rente (€ 2.740). Logischerwijs neemt de verschuldigde box 3-belasting toe naarmate sprake is van een hoger werkelijk rendement, maar in dat geval is ook sprake van een hogere draagkracht waardoor geen sprake is van onwenselijke uitkomsten.
De leden van de fractie van JA21 vragen om een toelichting hoe de uitbreiding van de grondslag in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 tot een hogere belastingdruk leidt bij bepaalde groepen belastingplichtigen. Het uitgangspunt bij de overgang naar een stelsel op basis van werkelijk rendement is dat de grondslag voor wat betreft bezittingen en schulden niet wijzigt. De huidige afbakening wanneer (de inkomsten van) een bezitting of een schuld wel of niet in box 3 worden belast blijft bestaan en de huidige vrijstellingen worden gehandhaafd, tenzij de overgang naar een stelsel op basis van werkelijk rendement aanleiding geeft om een vrijstelling anders vorm te geven of af te schaffen. De berekening van het te belasten rendement uit de bezittingen en schulden dat in box 3 wordt belast wijzigt wel. In het wetsvoorstel is het directe rendement uit onroerende zaken, dat zijn onder andere de huurinkomsten en de vastgoedbijtelling, betrokken in de berekening van het rendement. Daar staat tegenover dat onderhoudskosten aftrekbaar zijn. Daarnaast is voor onroerende zaken een vermogenswinstregime van toepassing, wat betekent dat de belastingplichtige pas op het moment van vervreemding belasting over de waardeontwikkeling betaalt. De huurinkomsten en de vastgoedbijtelling minus de onderhoudskosten zullen voor de meeste belastingplichtigen lager zijn dan het forfaitaire rendement. Wat betekent dat in de jaren dat de onroerende zaak niet verkocht wordt de belastingdruk voor deze belastingplichtigen lager zal zijn dan in het huidige forfaitaire stelsel. De leden van de fractie van JA21 refereren ook naar de saldering van schulden en bezittingen. In het huidige forfaitaire stelsel worden voor de categorieën banktegoeden, overige bezittingen en schulden afzonderlijke forfaitaire rendementen gehanteerd. Hiermee wordt het effectieve rendementspercentage berekend wat wordt vermenigvuldigd met de rendementsgrondslag (bezittingen minus schulden). Bij de berekening van de rendementsgrondslag worden bezittingen en schulden met elkaar gesaldeerd. In het nieuwe box 3-stelsel is deze saldering niet meer mogelijk (en niet meer nodig) omdat het werkelijke rendement van bezittingen en schulden in de heffing wordt betrokken.
De leden van de fractie van de VVD en BBB vragen naar eventuele liquiditeitsproblemen bij een vermogensaanwasbelasting. Uit een onderzoek uit 202280 blijkt dat in 2017 en 2018 slechts 0,4% van de box 3-belastingplichtigen een betalingsregeling heeft aangevraagd. Voor ruim 90% van deze groep was deze betalingsregeling voldoende. Uit recente gegevens van de Belastingdienst blijkt dat dezelfde percentages gelden voor de jaren 2019 tot en met 2022.81 Het liquiditeitsrisico bij box 3-beleggingen waarbij belasting wordt geheven over ongerealiseerde waardestijgingen is dus zeer beperkt. De optie van een betalingsregeling blijft onverkort beschikbaar voor belastingplichtigen in het nieuwe box 3-stelsel. Bovendien zal voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen een vermogenswinstbelasting gelden, terwijl voor die vermogensbestanddelen de ongerealiseerde vermogensaanwas nu nog jaarlijks forfaitair wordt belast. Het zeer beperkte liquiditeitsrisico zal dus met het wetsvoorstel niet toenemen.
Gedragseffecten
De leden van de fractie van de VVD vragen naar analyses over het effect van de vermogensaanwasbelasting op Nederlandse investeringen, vermogensopbouw en eventuele kapitaalvlucht. Ook de leden van de fractie van de BBB vragen naar het allocatiegedrag van belastingplichtigen, de gevolgen voor investeringen in onroerende zaken, de samenstelling van vermogens en de gevolgen voor risicobereidheid en liquiditeit en de mogelijke migratie van kapitaal. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de gevolgen voor investeringen in ondernemingen en de leden van de fractie van het CDA vragen naar de bredere effecten op langetermijninvesteringen, ondernemerschap en het vestigingsklimaat. De voor- en nadelen van een vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting zijn door dit kabinet en voorgaande kabinetten uitgebreid onderzocht. In het wetsvoorstel is gekozen voor een hybride variant, met als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting en met een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken en voor aandelen in startende ondernemingen. In het forfaitaire stelsel geldt een vermogensaanwasbelasting voor alle vermogensbestandsdelen.
De economische rationale voor de keuze voor een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel is dat deze vorm van belastingheffing het minst verstorend werkt. Een (volledige) vermogenswinstbelasting leidt tot additionele verstoringen. Zo ontstaat er een lock-in effect: belastingplichtigen krijgen een prikkel om winstrealisatie uit te stellen omdat de belastingclaim pas bij verkoop wordt geëffectueerd. Daarnaast kan portfolioherschikking optreden: beleggers worden fiscaal geprikkeld om meer vermogen aan te houden in vermogensbestanddelen die weinig of geen dividend uitkeren en waarvan het rendement vooral in waardestijging zit omdat daarmee belastingheffing langer kan worden uitgesteld. In de derde plaats kan een vermogenswinstbelasting beleggers ertoe aanzetten realisatie uit te stellen tot een later jaar met een gunstiger tarief. Vanuit economisch perspectief is juist daarom een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel efficiënter: zij belast verschillende liquide vermogensvormen neutraler en beperkt fiscale verstoringen in allocatiegedrag en portefeuilleverdeling. In het schema op bladzijde 16 zijn de voor- en nadelen van een vermogenswinstbelasting opgesomd.
Voor het gedrag van belastingplichtigen geldt dat geen grote gedragseffecten worden verwacht, mede omdat het huidige forfaitaire stelsel ook een vermogensaanwasbelasting is. In het wetsvoorstel wordt rekening gehouden met de beperkte liquiditeit van onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen. Daarom geldt voor deze bezittingen een vermogenswinstbelasting. De memorie van toelichting vermeldt daarbij wel dat deze uitzondering een beperkt liquiditeitsvoordeel kan opleveren en dus enige prikkel kan geven om relatief meer van dit type vermogen aan te houden en het langer aan te houden. Voor startende ondernemingen geldt bovendien dat de regeling naar verwachting doeltreffend is, omdat investeerders meer liquide middelen overhouden om te kunnen investeren.
Voor overige investeringen geldt dat het kabinet evenmin verwacht dat de investeringsruimte en continuïteit worden geschaad. Ook voorziet het kabinet geen kapitaalvlucht of emigratie als gevolg van dit wetsvoorstel. Concluderend verwacht het kabinet geen nadelige gevolgen voor het investerings- en vestigingsklimaat van de gedeeltelijke vermogensaanwasbelasting. Onder het huidige forfaitaire stelsel wordt de waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen immers ook al in de heffing betrokken en de overgang naar het nieuwe stelsel wordt budgettair neutraal vormgegeven.
Een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting hebben beide voor- en nadelen. Deze zijn samengevat in het schema op pagina 16. Het wetsvoorstel is een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen zoals dat met de invoering van Wet IB 2001 is beoogd. Dat laat onverlet dat het kabinet inmiddels in bredere zin heeft aangegeven dat het huidige voorstel nog niet het ideale eindbeeld is en, conform het coalitieakkoord, wil werken aan een doorontwikkeling naar een vermogenswinstsystematiek zo snel mogelijk na 2028.
Ten slotte merkt het kabinet op dat het, mede met het oog op het investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen, werkt aan een aanpassing van de huidige definitie van startende ondernemingen in de fiscaliteit. Blijkens de op 1 april 2026 gepubliceerde internetconsultatie wordt in de Wet werkelijk rendement box 3 toegewerkt naar een definitie van startups en scale-ups, waarbij deze bedrijven niet meer worden beoordeeld op bestaansduur en jaaromzet, maar op snelle groei op basis van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie. Daarmee beoogt het kabinet beter aan te sluiten bij de economische realiteit van startups en scale-ups en het Nederlandse ecosysteem voor deze ondernemingen te versterken.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de leenfaciliteit voor directeur grootaandeelhouders. De leden van de fractie van de BBB vragen welke fiscale structuren beschikbaar blijven om box 3 te vermijden. Deze leden vragen wat het kabinet verwacht wat de reactie zal zijn op grotere vermogens. Tot slot vragen deze leden hoeveel vermogen zich via structuren zal verplaatsen.
Allereerst geldt dat in de afgelopen jaren de nodige maatregelen zijn genomen die de verschillende vormen van (inkomen uit) vermogen in box 1, box 2 en box 3 evenwichtiger belasten. Het kabinet verwijst hiervoor graag naar hoofdstuk 7 en 8 van het rapport «Bouwstenen voor een beter en evenwichtiger belastingstelsel» dat in februari 2024 naar de Tweede Kamer is gestuurd82, en naar mijn recente brief «Minimum vermogensbelasting van 2% voor zeer vermogende personen», die ik op 6 maart jl. naar de Tweede Kamer heb gestuurd.83 Het belasten van werkelijk rendement uit box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen.
Een van de belangrijkste maatregelen betrof het verhogen van het lage vennootschapsbelastingtarief (Vpb-tarief) van 15% naar 19% en het verlagen van de bijbehorende schijfgrens van € 395.000 naar € 200.000 per 2023. Verder zijn de invoering van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap84 per 2023 waardoor leningen van meer dan € 500.000 worden belast in box 2 als dividenduitkering en de introductie van een progressief tarief in box 2 sinds 2024 belangrijke maatregelen geweest in het zwaarder belasten van aanmerkelijk belang (box 2). Met de wetswijzigingen door de Overbruggingswet box 385 is het aanhouden van zogeheten spaar-bv’s fiscaal al minder aantrekkelijk geworden. Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is – zoals gezegd – een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen. De prikkel voor box-arbitrage neemt hierdoor verder af omdat hierdoor – net als in box 2 – belasting wordt geheven over het werkelijke rendement in plaats van over een forfaitair rendement.
De maatregelen uit het recente verleden en het per 2028 invoeren van werkelijk rendement in box 3 pakken niet alle fiscale structuren helemaal aan maar maken die per saldo wel minder aantrekkelijk.
Er zijn enkele situaties waarin de combinatie van vennootschapsbelasting en box 2 aantrekkelijker kan zijn dan de inkomstenbelasting in box 3. Zo geldt in de vennootschapsbelasting het winstregime op basis van het realisatiebeginsel, waardoor waardemutaties veelal op een later moment worden belast dan bij de voor box 3 voorgestelde vermogensaanwasbelasting. Dit geldt in het bijzonder voor resultaten op liquide effecten die in de vennootschapsbelasting pas bij verkoop belast hoeven worden, terwijl dit in het nieuwe box 3-stelsel jaarlijks zal gebeuren. Ook bij de regels voor kostenaftrek en verliesverrekening gelden verschillen.
Een fiscale reden om vermogen juist in box 3 onder te brengen kan ontstaan door verschillen in het box 3-tarief ten opzichte van het vennootschapsbelastingtarief in combinatie met het toepasselijke box 2-tarief.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe groot het verschil in effectieve belastingdruk is tussen box 2 en box 3 en vanaf welke vermogensomvang het kabinet verwacht dat een migratie van box 2 naar box 3 zal plaatsvinden. De leden van de fractie van het CDA vragen naar de kans dat mensen een spaar-bv gaan oprichten en zo hun vermogen naar box 2 verplaatsen. De omvang van het gedragseffect is vaak lastig precies te bepalen. Waar mogelijk wordt een gedragseffect gebaseerd op empirisch bewijs of modelsimulaties. Als er voldoende empirische onderbouwing is, kan het gedragseffect vrij nauwkeurig ingeschat worden. In veel gevallen is dat echter niet mogelijk, omdat betrouwbare studies over de omvang van gedragsreacties ontbreken.86 Bij gedragseffecten wordt voor budgettaire ramingen uitgegaan van de vuistregelpercentages van 20%, 50% en 80%, tenzij puntschattingen mogelijk zijn op basis van bestaande literatuur. In de raming bij het wetsvoorstel is een gedragseffect van 20% van het budgettaire effect verondersteld bij personen die structureel meer belasting gaan betalen onder het nieuwe box 3-stelsel. Dit gedragseffect sluit aan bij het effect dat is toegepast bij invoering van de Overbruggingswet box 3. De verwachting is dat een deel van de mensen die structureel meer box 3-belasting gaat betalen het gedrag zal aanpassen door meer consumptie, schenkingen en/of giften, het verschuiven van hoogrenderende naar laagrenderende beleggingen en/of het verplaatsen van vermogen naar een bv. Door dit gedragseffect valt de budgettaire opbrengst lager uit. In het algemeen kan het volgende worden gezegd over de verschillen in effectieve belastingdruk tussen box 2 en box 3. Het laagste gecombineerde tarief in de vennootschapsbelasting en box 2 (38,85%) is hoger dan het tarief in box 3 (36%).87 Anderzijds kan in de bv de heffing van vennootschapsbelasting over waardeaangroei van beleggingen worden uitgesteld tot verkoop, bijvoorbeeld door een effectenportefeuille te waarderen op de kostprijs. Daarnaast kan in bepaalde situaties onder voorwaarden ook de heffing van vennootschapsbelasting over de verkoopwinst worden uitgesteld via de vorming van een zogenoemde herinvesteringsreserve. Verder kan de heffing in box 2 worden uitgesteld als de winst in de bv wordt gehouden. Het opzetten en onderhouden van een bv brengt wel incidentele en jaarlijkse kosten met zich mee, zoals notariskosten voor de oprichting, kosten voor het voeren van de administratie, opstellen van jaarstukken en het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting. Voor belastingplichtigen met een lange beleggingshorizon kan de route via de bv vanwege het kunnen uitstellen van (een deel van) de heffing fiscaal aantrekkelijk zijn ondanks de eenmalige en jaarlijkse kosten voor een bv. Voor spaarders en beleggers met een kleiner vermogen, een lager rendement of een beperktere beleggingshorizon zal het aanhouden van vermogen in box 3 doorgaans fiscaal aantrekkelijker zijn omdat gebruik kan worden gemaakt van het heffingsvrije resultaat van € 1.800 en de kosten van een bv worden bespaard.
Het is ook onder het huidige box 3-stelsel onder voorwaarden mogelijk vermogen over te hevelen van box 3 naar de bv. Het kabinet blijft deze ontwikkeling monitoren.
De leden van de fractie van de BBB vragen of het kabinet het risico reëel acht dat middenvermogens relatief zwaarder worden belast dan grote vermogens. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet een instrumentarium in de wet heeft waarmee een dergelijk effect geminimaliseerd kan worden. In het nieuwe box 3-stelsel wordt het werkelijke rendement belast. In zoverre is de omvang van het vermogen niet relevant, alleen het rendement dat daarmee wordt behaald. Als bijvoorbeeld 2,5% rente wordt gehaald op een spaarrekening met een saldo van € 1.000.000 (dus € 25.000 rendement) wordt dat gelijk belast (met 36% inkomstenbelasting) als het rendement van 10% dat wordt behaald met een effectenportefeuille van € 250.000 (dus € 25.000 rendement). Dit is evenwichtiger dan het huidige forfaitaire stelsel waarbij het forfaitaire rendement voor de categorie overige bezittingen, waar een effectenportefeuille onder valt, 6% bedraagt. Via de tegenbewijsregeling kan het forfaitaire rendement van 6% wel naar beneden worden bijgesteld, maar niet omhoog waardoor werkelijk behaalde rendementen van meer dan 6% onbelast blijven. Zoals gezegd past het belasten van werkelijk rendement in box 3 in een reeks van eerdere maatregelen die het belasten van inkomen uit vermogen evenwichtiger belasten en in die context moet dit wetsvoorstel dan ook worden bezien. Ik verwijs daarvoor ook graag naar het rapport van het IBO Vermogensverdeling.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe het kabinet omgaat met de familiebank of familiestichting in het kader van vluchtwegen voor vermogens. Het wetsvoorstel is een verdere stap in het evenwichtiger belasten van inkomen uit vermogen, zo ook het evenwichtiger belasten van box 2- en box 3-vermogen, doordat met het wetsvoorstel straks het werkelijke rendement in box 3 wordt belast, net als in box 2. Voor zover er op dit moment «vluchtwegen» voor grote vermogens bestaan, brengt het nieuwe stelsel daar geen verandering in. Dat geldt ook voor fenomenen als de familiebank of familiestichting.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe het kabinet belastingontwijking via buitenlandse structuren wil tegengaan en of er risico’s zijn dat buitenlandse structuren onvoldoende passen binnen het wetgevingskader en derhalve ontwijking ontstaat. Bij het opstellen van het wetsvoorstel is in algemene zin rekening gehouden met bekende constructies voor belastingontwijking en situaties waarin Nederland zijn heffingsrecht verliest (waardoor een situatie kan ontstaan waarin geen of minder belasting betaald wordt). Bij emigratie wordt bijvoorbeeld een (conserverende) aanslag opgelegd over de waardeaangroei die in Nederland heeft plaatsgevonden, zodat het Nederlandse heffingsrecht behouden blijft. Er zijn geen internationale constructies bekend die niet binnen het wetgevingskader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, of daarbuiten via bijvoorbeeld het nationaalrechtelijke algemene antimisbruikbeginsel fraus legis, bestreden kunnen worden. Een constructie die gebruik zou maken van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting waarin de internationaal afgesproken minimumstandaarden tegen verdragsmisbruik zijn opgenomen, zou bijvoorbeeld op grond van die minimumstandaarden bestreden kunnen worden. Voor de handhaving door de Belastingdienst is in dit kader van belang dat hun informatiepositie wordt verbeterd door intensieve internationale gegevensaanlevering op basis van de CRS en FATCA, aangevuld met de DAC8-richtlijn voor crypto-activa. Daarnaast is de uitvoerings- en handhavingsstrategie van de Belastingdienst erop gericht om de compliance van burgers en bedrijven te borgen en te bevorderen en non-compliance te bestrijden. De Belastingdienst doet dit onder andere door het verhuld vermogen alsnog te detecteren en te belasten en waar nodig opsporing in te zetten. Mocht de Belastingdienst op een later moment alsnog een (internationale) constructie aantreffen dan wordt dat gesignaleerd en wordt er bekeken hoe dit het beste kan worden aangepakt.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet het standpunt deelt dat dat het onwenselijk is als kleine spaarders zwaarder worden aangeslagen dan vermogenden. De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat het wetsvoorstel juist mensen zonder een groot vermogen raakt terwijl echte rijke mensen met veel vermogen gemakkelijk kunnen schuiven naar box 2. Het klopt niet dat het wetsvoorstel mensen zonder een groot vermogen raakt. Het wetsvoorstel zorgt er juist voor dat vermogens met lage rendementen minder worden belast dan in het huidige forfaitaire box 3-stelsel en relatief hoge rendementen zwaarder. Dat geldt ongeacht de omvang van het vermogen. Het nieuwe stelsel belast werkelijke rendementen voor zover het rendement uitgaat boven het heffingsvrije resultaat van € 1.800. Iemand met € 200.000 aan spaargeld en een spaarrente van 1,5% betaalt in het nieuwe stelsel minder box 3 belasting dan in het huidige stelsel.
Met beleggingen kunnen veel hogere rendementen worden behaald dan met spaargeld, maar ook lagere of negatieve rendementen. Iemand met alleen € 50.000 aan beleggingen en een rendement van 6% gaat in het nieuwe stelsel 36% betalen over € 1.200 (= € 3.000 – € 1.800), dat is € 432. Deze persoon betaalt nu niets in box 3 vanwege het heffingvrije vermogen van € 59.357 (2026). Een persoon met € 500.000 aan beleggingen die nu een rendement van 6% haalt betaalt straks 36% over € 28.200 (€ 30.000 – € 1.800), dat is € 10.142 terwijl die persoon nu € 9.518 betaalt, dat is een verschil van € 624. De persoon met € 500.000 aan beleggingen en een rendement van 6% betaalt in het nieuwe stelsel dus € 624 meer in het nieuwe stelsel en de persoon met € 50.000 aan beleggingen en met een rendement van 6% betaalt € 432 meer. Dat verschil is niet zo groot. Als in enig jaar hele hoge vermogens in box 3 een slecht rendement behalen, dan zullen zij in principe ook minder betalen in box 3. Om bij het voorbeeld van iemand met € 500.000 aan beleggingen te blijven: als deze persoon 0,3% rendement behaalt dan hoeft er geen box 3 belasting te worden betaald. In het huidige stelsel betaalt deze persoon € 540. Bij een negatief rendement geldt een voorwaartse verliesverrekening.
Daarmee zijn grote vermogens niet per se beter uit in een beleggings-bv dan in box 3. Bij een bv komen daarbij ook incidentele en jaarlijkse kosten kijken zoals het jaarlijks opstellen van een jaarrekening naast eenmalige oprichtingskosten bij een notaris en inschrijving in de Kamer van Koophandel (KvK). Verder dient de jaarrekening van een bv jaarlijks gedeponeerd te worden bij de KvK.
De leden van de fractie van het CDA vragen hoe hoog het kabinet het risico inschat dat ook Nederland te maken gaat krijgen met een Noorwegen effect, te weten een rem op de investeringsbereidheid en het ondernemerschap en een miljardenvlucht van kapitaal met als resultaat uiteindelijk ook minder belastinginkomsten.
Het wetsvoorstel gaat het werkelijke rendement over vermogen in box 3 belasten. Dat gaat over particuliere spaarrekeningen en beleggingen. Winst uit een onderneming voor IB-ondernemers (zoals eenmanszaken en vennootschappen onder firma (VoF’s)) wordt belast in box 1. Winst uit een vennootschap wordt belast in de vennootschapsbelasting en bij winstuitkering in box 2. Het kabinet verwacht dus niet dat het wetsvoorstel een rem zet op ondernemerschap en investeringsbereidheid. Het Noorwegen effect had niet te maken met het belasten van werkelijk rendement. Dat gebeurt in Noorwegen al decennia. Noorwegen kent naast een belasting die al het inkomen uit vermogen belast ook een vermogensbelasting. Daar wordt de miljardenvlucht – voor zover daar sprake van was – mee in verband gebracht.
De leden van de fractie van de SP stellen meerdere vragen over de verschillen tussen een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting, waaronder of een vermogenswinstbelasting leidt tot meer verstorende gedragseffecten en of een vermogensaanwasbelasting daarom economisch superieur is. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de SP of een vermogenswinstbelasting leidt tot een lagere structurele belastingopbrengst. Het kabinet onderschrijft de analyse uit de memorie van toelichting dat een volledige vermogenswinstbelasting tot verstorende gedragseffecten zou leiden en daarmee kwetsbaarheden introduceert. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat een vermogenswinstbelasting een lock-in effect veroorzaakt, een drempel kan opwerpen om in het meest rendabele beleggingsproduct te beleggen en constructies kan uitlokken. Voor box 3 is voorstelbaar dat reguliere voordelen (zoals rente en dividend, beide normaal gesproken direct belast) worden «vervangen» door waardemutatie van vermogen, die pas bij verkoop belast is. Gedacht kan worden aan beleggingsfondsen die geen dividend uitkeren en aan spaarproducten die geen rente uitkeren, maar wel in waarde stijgen. De ervaring met het belastingstelsel vóór 2001, toen de Wet inkomstenbelasting 1964 gold, en ervaringen in het buitenland leren dat dit risico zeer reëel is. De introductie van het boxenstelsel met de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB2001) was op dat punt een verbetering. Het kabinet erkent voorts dat een vermogenswinstbelasting niet alleen tot uitstel, maar ook tot afstel en daarmee tot een lagere en minder bestendige belastingopbrengst kan leiden. De memorie van toelichting vermeldt weliswaar dat een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting op de lange termijn in beginsel dezelfde opbrengst kunnen genereren, maar voegt daar aan toe dat dit berust op de kwetsbare aanname dat de gesignaleerde kwetsbaarheden van een vermogenswinstbelasting zich niet voordoen. Een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting hebben beiden zowel voor- als nadelen. Deze zijn samengevat in het schema op pagina 16. Het kabinet maakt voor de langere termijn een andere weging ten aanzien van de voor- en nadelen van een vermogenswinstbelasting dan het geval was bij indiening van het wetsvoorstel. Een belangrijke overweging daarbij is het grote maatschappelijke belang dat wordt gehecht aan het punt van liquiditeit. Daarover heb ik op 6 maart 2026 aan beide Kamers geschreven dat het ideale stelsel (nog) niet bestaat, dat de Tweede Kamer heeft aangedrongen op een volledige vermogenswinstbelasting en dat het kabinet daarom zal werken aan het zo snel mogelijk invoeren van een volledige vermogenswinstsystematiek voor het gehele box 3-stelsel. Bij de verdere uitwerking van de volledige vermogenswinstbelasting is het uitgangspunt het mitigeren van de kwetsbaarheden van de vermogenswinstsystematiek. Het gaat dan bijvoorbeeld om mogelijkheden om (jaarlijks belaste) reguliere voordelen om te zetten in waardestijgingen waarover in dat jaar nog geen belasting wordt geheven.
Administratieve lasten en administratieplicht
De leden van de fractie van de BBB vragen in hoeverre de administratieve lasten toenemen en in welke mate deze toename proportioneel is. Deze leden vragen in welke mate de aangifte nog zelfstandig te doen is zonder fiscale expertise en welke instrumenten de Belastingdienst biedt in het bijzonder voor illiquide vermogenscomponenten.
Bij het nieuwe stelsel zijn meer gegevens nodig dan in het huidige forfaitaire stelsel. Dit leidt tot nieuwe administratieve lasten. Het kabinet acht deze toegenomen administratieve lasten proportioneel, omdat het inherent is aan een heffing over het werkelijke rendement dat meer gegevens nodig zijn en bij de vormgeving van het wetsvoorstel is beoogd om de impact hiervan op het doenvermogen zo veel mogelijk te beperken. Voor het doenvermogen van de burger is van belang dat veel gegevens vooraf in de aangifte ingevuld kunnen worden door de Belastingdienst. Denk hierbij aan rente op bankrekeningen en schulden, ontvangen dividend en vermogensaanwas van publiek verhandelbare aandelen en obligaties waarbij de gegevens afkomstig zijn van Nederlandse financiële instellingen. Circa 2,5 miljoen belastingplichtigen (van de in totaal circa 3,9 miljoen belastingplichtigen in box 3) hebben alleen bezittingen in deze categorieën. Voor hen blijft de aangifte voor box 3 volledig vooraf ingevuld en daarmee relatief eenvoudig. De Belastingdienst beschikt niet over alle relevante gegevens voor andere vermogensbronnen. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatie over onroerende zaken en niet-beursgenoteerde aandelen. Omdat voor die vermogensbronnen niet alle relevante gegevens beschikbaar zijn, kan de aangifte voor 1,4 miljoen belastingplichtigen niet volledig vooraf worden ingevuld. Naarmate het vermogen gevarieerder en complexer is, zal het beroep op het doenvermogen groter zijn. De verwachting is daarbij ook dat belastingplichtigen met een gevarieerder en complexer vermogen over het algemeen over een hoger doenvermogen beschikken. Voor vermogenscategorieën die niet vooraf ingevuld kunnen worden, zal de belastingplichtige zelf gegevens die relevant zijn voor het werkelijke rendement moeten verzamelen. Omdat het invullen van de aangifte – zoals in deze paragraaf uiteengezet – voor sommige belastingplichtigen een groter beroep doet op het doenvermogen, zal de Belastingdienst bij de invoering van het voorstel een intensief communicatietraject starten. Het doel hiervan is belastingplichtigen te ondersteunen bij het doen van aangifte. De Belastingdienst zal hierbij via algemene communicatiekanalen bekendheid geven aan de veranderingen en hierover uitleg geven. Belastingplichtigen kunnen vragen over de aangifte inkomstenbelasting stellen bij de BelastingTelefoon. Het is staand beleid van de Belastingdienst dat burgers geholpen worden met vragen over en het invullen van de aangifte inkomstenbelasting. Specifiek voor illiquide vermogenscomponenten wijst het kabinet erop dat de huidige waarderingsregels in box 3 in beginsel in stand blijven. De meeste vermogensbestanddelen worden – net zoals in het huidige stelsel – gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Deze waarderingsregel geldt al sinds de invoering van box 3 en is dus bekend voor belastingplichtigen.
De leden van de fractie van het CDA wijzen erop dat het voorliggende wetsvoorstel leidt tot een forse toename van complexiteit en administratieve lasten voor met name de kleine vermogenshouders, en vragen of het kabinet oplossingen heeft overwogen om kleine vermogenshouders te ontzien zoals bijvoorbeeld een ruimere belastingvrije voet. Het wetsvoorstel leidt niet per definitie tot een forse toename van complexiteit voor met name kleine vermogenshouders of belastingplichtigen met voornamelijk spaargeld. Voor circa 2,5 miljoen van hen blijft de aangifte voor box 3 volledig vooraf ingevuld en daarmee relatief eenvoudig. Het gaat daarbij om belastingplichtigen met enkel rente op bankrekeningen en schulden, ontvangen dividend en vermogensaanwas van publiek verhandelbare aandelen en obligaties waarbij de gegevens afkomstig zijn van Nederlandse financiële instellingen. Juist kleine vermogenshouders hebben over het algemeen vaker uitsluitend spaarrekeningen of een spaarrekening en een gewone beleggingsrekening bij Nederlandse financiële instellingen. Het voorgestelde heffingsvrije resultaat van € 1.800 voorkomt bovendien dat burgers met kleine rendementen in box 3 vallen. Een verhoging van het heffingsvrije resultaat is een parameterwijziging die zou leiden tot een budgettaire derving die gedekt zou moeten worden.
De leden van de fractie van het CDA vragen wat het wetsvoorstel betekent voor de administratieve lastendruk voor het MKB. Bedrijven zijn geen belastingplichtige in box 3, aangezien de heffing uitsluitend ziet op de inkomsten uit sparen en beleggen van natuurlijke personen in hun positie als particulier, niet voor zover zij ondernemer zijn. Voor MKB-ondernemingen treden dan ook geen administratieve lasten op als gevolg van dit wetsvoorstel.
De leden van de fractie van D66 vragen of de administratie- en bewaarplicht voor alle belastingplichtigen in box 3 evenwichtig en doenlijk is. Deze leden vragen voor welke belastingplichtigen de administratieplicht en bewaarplicht fors zullen toenemen en of het kabinet mogelijkheden ziet om het doenvermogen van deze groep te verbeteren. In een stelsel op basis van werkelijk rendement zijn meer gegevens nodig dan in het huidige forfaitaire stelsel. Dat is inherent aan een heffing over het werkelijke rendement. Dit leidt tot nieuwe administratieve lasten. De administratieplicht betekent dat een deel van de belastingplichtigen de gegevens die nodig zijn voor het doen van aangifte enkele jaren moet bewaren. De omvang van de administratie van een particulier met box 3-vermogen is doorgaans minder complex en omvangrijk dan de administratieplicht van bedrijven. De aard en omvang van de administratieplicht is afhankelijk van het type vermogen. Als ouders bijvoorbeeld geld hebben geleend aan hun kind voor de aankoop van de woning, dan hebben zij een vordering in box 3. De administratie voor deze vordering bestaat dan uit het bewaren van de geldleningsovereenkomst, de periodieke aflossingen en de betaling van de rente. Hetzelfde geldt voor schulden die zijn aangegaan bij particulieren en buitenlandse financiële instellingen. Voor onroerende zaken zijn onder andere gegevens van aftrekbare kosten, huurinkomsten en aan- en verkoop relevant. Deze gegevens heeft de burger nodig voor het doen van een juiste aangifte. De administratieplicht verplicht tot het bewaren van deze gegevens. Als belastingplichtigen in staat zijn om bijvoorbeeld een onroerende zaak te kopen, te financieren, onderhoud te plegen en zich te verhouden tot de huurders (huurovereenkomsten opstellen, huur innen, klachten afhandelen et cetera) dan beschikken zij doorgaans over voldoende doenvermogen om aan de administratieplicht te voldoen. Voor het doen van aangifte inkomstenbelasting is het noodzakelijk dat de belastingplichtige deze gegevens bewaart en bepaalt welke gegevens hiervoor nodig zijn, al dan niet ondersteund door een administratiekantoor of belastingconsulent. Het kabinet is van mening dat de voorgestelde administratie- en bewaarplicht, die voor een deel van de belastingplichtigen geldt, evenwichtig en doenlijk is. De administratie- en bewaarplicht is evenwichtig omdat zij beperkt is tot vermogen waarover de Belastingdienst niet automatisch informatie ontvangt van binnenlandse en buitenlandse financiële instellingen. De gegevens die geadministreerd en bewaard moeten worden, zijn ook nodig voor het doen van een juiste aangifte. In aanloop naar de invoering van het voorgestelde stelsel per 1 januari 2028 zal gecommuniceerd worden over de wijze waarop de administratie voor box 3 ingericht kan worden. Momenteel staat op de website van de Belastingdienst een uitvoerige uitleg over de administratieplicht voor ondernemers met informatie over welke gegevens bewaard moeten worden, hoe de gegevens bewaard moeten worden en hoelang. Een vergelijkbare pagina zal worden ingericht voor de administratie- en bewaarplicht voor box 3-belastingplichtigen.
Beroep op het doenvermogen
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet onderzoek heeft gedaan naar het doenvermogen van belastingplichtigen. Ook vragen deze leden of het niet logischer en eenvoudiger is vast te houden aan een vermogensvrijstelling.
Zij zijn tot slot van mening dat een heffingsvrij rendement van € 1.800 massaal verkeerd wordt begrepen en vragen hoe het kabinet hierop wil inspelen, aangezien dit volgens de voornoemde leden de belastingmoraal ondermijnt.
Bij een wetsvoorstel worden in de memorie van toelichting de gevolgen voor het doenvermogen van de burgers die het raakt in kaart gebracht. Ook bij dit wetsvoorstel is dat gebeurd. In de paragraaf die ziet op het doenvermogen is aangegeven dat voor belastingplichtigen met (i) weinig vermogen en veel rendement of (ii) weinig vermogen en grote verliezen het nieuwe stelsel een groter beroep zal doen in termen van doenvermogen. Gegeven dat er binnen deze groep meer belastingplichtigen zijn met (financiële) stress en dat er juist minder belastingplichtigen zijn die gebruik (kunnen) maken van een adviseur is de belasting van het nieuwe stelsel op het doenvermogen van deze groep een aandachtspunt. Dit geldt in het bijzonder voor belastingplichtigen die voorheen nog niet aangifteplichtig waren maar dit door het nieuwe stelsel wel worden, bijvoorbeeld jongeren die hoge rendementen behalen met cryptovaluta. Het kabinet vindt het niet logisch vast te houden aan een heffingvrij vermogen. Bij een heffingsvrij resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfde werkelijke rendement in een jaar evenveel belasting ongeacht de samenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij vermogen is dat niet het geval.
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraak dat een heffingsvrij resultaat massaal verkeerd begrepen wordt. In de paragraaf die ziet op de gevolgen voor de uitvoering van de Belastingdienst van dit wetsvoorstel wordt uitgebreid ingegaan op de ondersteuning die belastingplichtigen geboden wordt als ze hulp nodig hebben bij het doen van aangifte.
De leden van de fractie van de BBB vragen of er groepen zijn die onevenredig worden belast in verhouding tot de doenbaarheid die van deze groepen verwacht mag worden. In paragraaf 8.4 van de memorie van toelichting is een uitgebreide uiteenzetting van de impact op het doenvermogen van de stelselwijziging opgenomen. Naar het oordeel van het kabinet zijn er geen groepen waarvan het doenvermogen onevenredig wordt belast. Van de circa 3,9 miljoen belastingplichtigen met een inkomen in box 3 hebben circa. 2,5 miljoen belastingplichtigen alleen bank- en spaartegoeden of een beleggingsrekening bij een Nederlandse financiële instelling. Voor hen blijft de aangifte vooringevuld en daarmee relatief eenvoudig; al zullen ook zij meer gegevens moeten controleren. In de regel zal het beroep op het doenvermogen groter zijn naarmate het vermogen gevarieerder en complexer is. Belastingplichtigen die meer complex vermogen bezitten (ten opzichte van de reguliere financiële producten zoals sparen en beleggen) beschikken doorgaans over voldoende doenvermogen, al dan niet ondersteund door een administratiekantoor of belastingconsulent. Dat neemt niet weg dat meer beroep op het doenvermogen gedaan wordt en dat in individuele gevallen hulp nodig kan zijn. Ook zijn er bepaalde groepen waarvoor het doenvermogen een aandachtspunt is. Bijvoorbeeld belastingplichtigen die voorheen niet aangifteplichtig waren, maar dit wel worden in het nieuwe stelsel, omdat zij een beperkt vermogen hebben maar wel een hoog rendement. Daarom zal de Belastingdienst bij de invoering van het nieuwe box 3-stelsel een intensief communicatietraject starten, om belastingplichtigen te ondersteunen bij het doen van aangifte. Belastingplichtigen kunnen vragen over de aangifte inkomstenbelasting stellen bij de BelastingTelefoon. Het is staand beleid van de Belastingdienst dat burgers geholpen worden met vragen over en het invullen van de aangifte inkomstenbelasting.
De leden van de fractie van de BBB vragen welk percentage van de burgers naar verwachting professionele hulp nodig zal hebben, en hoe de kosten van deze hulp zich verhouden tot het vermogen, het rendement op vermogen en het risico op fouten. Van de ongeveer 3,9 miljoen belastingplichtigen met een inkomen in box 3 hebben ongeveer 2,5 miljoen alleen bank- en spaartegoeden of een beleggingsrekening bij een Nederlandse financiële instelling. Voor hen blijft de aangifte inkomstenbelasting vooraf ingevuld en daarmee relatief eenvoudig. Voor belastingplichtigen met ander vermogen, circa 1,4 miljoen belastingplichtigen, kan de aangifte niet volledig vooraf worden ingevuld. Naarmate het vermogen gevarieerder en complexer is, zal het beroep op het doenvermogen groter zijn. Een groot deel van de belastingplichtigen met complexer vermogen heeft nu al een fiscaal dienstverlener. Het kabinet acht de kosten voor deze hulp proportioneel in verhouding tot het vermogen en het rendement, aangezien belastingplichtigen met gevarieerder vermogen in box 3 doorgaans financieel in staat zijn een adviseur in te schakelen of zelf over voldoende doenvermogen beschikken.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het kabinet het wetsvoorstel beoordeelt ten aanzien van de uitvoerbaarheid, doenbaarheid en proportionaliteit tussen doel en middelen. De invoering van werkelijk rendement in box 3 is een structureel ingrijpende aanpassing voor burgers en de Belastingdienst. Naar het oordeel van het kabinet is het voorgestelde stelsel voor een heffing op basis van werkelijk rendement alles afwegende een verbetering ten opzichte van het huidige forfaitaire stelsel. Het kabinet vindt het belangrijk te benadrukken dat alle denkbare opties naast voordelen ook nadelen hebben op het vlak van juridische houdbaarheid, maatschappelijk draagvlak, budgettaire gevolgen, uitvoeringsgevolgen en doenvermogen. Een toename van complexiteit is inherent aan het introduceren van een stelsel op basis van werkelijk rendement. Dit heeft gevolgen voor de uitvoerbaarheid en voor het doenvermogen. Een eenvoudiger stelsel dan het forfaitaire stelsel bestaat echter niet en dat stelsel is geen optie meer. Elk alternatief is per definitie complexer. De gevolgen van deze complexiteit moeten dus worden geaccepteerd, dat is de consequentie van de uitspraken van de Hoge Raad. Dat betekent echter niet dat het kabinet de gesignaleerde risico’s op het gebied van uitvoerbaarheid en doenbaarheid lichtzinnig aanvaardt. Bij de invoering van het nieuwe stelsel zal worden gezorgd voor een intensief communicatietraject met als doel belastingplichtigen te ondersteunen bij het doen van aangifte. Sinds de zomer van 2025 wordt zowel door de Belastingdienst als door burgers ervaring opgedaan met een heffing in box 3 op basis van werkelijk rendement in het kader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire box 3-stelsel. De periode waarin de tegenbewijsregeling geldt, zal leerzame ervaringen opleveren, die kunnen worden gebruikt bij de invoering van de wet Werkelijk rendement box 3. Uit de jaarlijks op te stellen voortgangsrapportage kunnen zo mogelijk ook lessen getrokken worden getrokken voor de uitvoering van de Wet werkelijk rendement box 3.
De leden van de fractie van de SGP vragen hoe het huidige voorstel zich verhoudt tot de vereenvoudigingsambitie van de afgelopen kabinetten en of het kabinet met deze vereenvoudigingsambitie rekening zal houden bij het ontwerpen van de novelle.
Bij de totstandkoming van het huidige wetsvoorstel hebben vorige kabinetten afwegingen gemaakt rondom juridische houdbaarheid, maatschappelijk draagvlak, uitvoeringsgevolgen, doenvermogen en budgettaire gevolgen. Alles afwegende is de invoering van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement in box 3 noodzakelijk, omdat een eenvoudig forfaitair systeem juridisch onhoudbaar is gebleken. De invoering van werkelijk rendement in box 3 is alleen mogelijk als een toename van complexiteit wordt geaccepteerd. Binnen de grenzen van het mogelijke is bij de totstandkoming van het wetsvoorstel wel rekening gehouden met de ambitie om te vereenvoudigen. Denk bijvoorbeeld aan het heffingsvrije resultaat, waarmee wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Daarnaast is van belang dat voor circa 2,5 miljoen aangifteplichtigen (van de in totaal circa 3,9 miljoen aangifteplichtigen in box 3) de aangifte in box 3 volledig vooraf ingevuld zal blijven. Bij het ontwerpen van de novelle zal uiteraard ook rekening worden gehouden met vereenvoudiging, waarbij het doel van vereenvoudiging moet worden afgewogen tegen andere beleidsmatige doelstellingen. Het invoeren van achterwaartse verliesverrekening leidt tot een toename van complexiteit, maar kan om andere redenen toch wenselijk zijn.
Uitvoeringsaspecten
De leden van de fractie van de BBB vragen naar inschattingen van de verwachte jaarlijkse liquidatie van posities wegens fiscale verplichtingen en de verwachte betalingsproblemen. Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met illiquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen. Deze uitkomst is op basis van een onderzoek van gegevens over de belastingjaren 2017 en 2018. Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet tegenbewijsregeling box 388 is dit onderzoek in 2025 geactualiseerd met gegevens van belastingjaren 2019 tot en met 2022. Die jaren lieten vergelijkbare resultaten zien. Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting op basis van werkelijk rendement. Bij de voorgestelde vermogensaanwasbelasting op basis van werkelijk rendement lijken gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor het overgrote deel van de belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen.
De leden van de fractie van de BBB vragen of een betalingsregeling een structureel onderdeel is van het nieuwe stelsel en welke risico’s er bij de Belastingdienst ontstaan als een groot deel van belastingplichtigen niet tijdig betalen of betalingsregelingen aanvragen. Er bestaan in de uitvoering door de Belastingdienst voor de heffing van belastingmiddelen verschillende vormen van uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen. In de eerste plaats bestaat het zogenoemde korte uitstel van betaling. In dat geval wordt voor maximaal vier maanden uitstel van betaling verleend. Voor dit uitstel van betaling moet aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. Wanneer het korte uitstel van betaling geen soelaas biedt of wanneer de belastingschuldige niet voldoet aan de voorwaarden kan de ontvanger de belastingschuldige uitstel van betaling verlenen voor een periode van ten hoogste twaalf maanden. De afgelopen periode is gewerkt aan vereenvoudiging van het aanvraagproces (via de website kan een digitale aanvraag worden gedaan) en versnelde toekenning van de aanvragen voor een betalingsregeling van twaalf maanden. Tot slot kan – wanneer er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn – een langere uitsteltermijn worden toegestaan. Hierdoor heeft de ontvanger beleidsruimte om in situaties waarin sprake is van bijzondere omstandigheden maatwerk te kunnen bieden.
In 2022 is een onderzoek over het gebruik van betalingsregelingen door burgers met een aanslag inkomstenbelasting met heffing in box 3 gedeeld met de Tweede Kamer.89 Uit dit onderzoek volgt dat het gebruik van betalingsregelingen door deze groep beperkt is en is de verwachting uitgesproken dat bij een vermogensaanwasbelasting op basis van werkelijk rendement ongeveer net zo weinig mensen in betalingsproblemen zullen komen als in het huidige stelsel. Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet tegenbewijsregeling box 390 is dit onderzoek in 2025 geactualiseerd met gegevens van belastingjaren 2019 tot en met 2022. Die jaren lieten vergelijkbare resultaten zien. De analyse blijft dat het invoeren van een vermogensaanwasbelasting op basis van werkelijk rendement niet tot extra liquiditeitsproblemen leiden. Daarbij is relevant dat in het huidige forfaitaire stelsel ook belasting wordt geheven als er geen sprake is van een gerealiseerde vermogenswinst. In het wetsvoorstel is geen sprake van een volledige vermogensaanwasbelasting, maar vallen onroerende zaken en aandelen en winstbewijzen in startende ondernemingen onder de systematiek van de vermogenswinstbelasting. De verwachting is dat daardoor na inwerkingtreding van het wetsvoorstel de betalingsproblemen – in vergelijking met de huidige situatie – eerder afnemen dan toenemen.
De leden van de fractie van de BBB vragen naar de impact van het voorliggende wetsvoorstel op de jaarlijkse uitvoeringskosten voor de burger en Belastingdienst en hoe dit zich verhoudt tot de opbrengst en het rendement van burgers per vermogenscategorie op basis van een kwantitatieve toelichting. Een stelsel op basis van werkelijk rendement is veel complexer en arbeidsintensiever dan een stelsel op basis van een forfaitair rendement.
Het aantal burgers en de opbrengst zijn afhankelijk van de economische omstandigheden en de gehanteerde parameters. Op basis van het huidige voorstel is in de uitvoeringstoets de volgende raming opgenomen van de uitvoeringskosten:
|
Uitvoeringskosten |
Incidenteel |
Structureel |
|---|---|---|
|
Dienstverlening |
1,62 |
3,03 |
|
Handhaving/toezicht |
4,78 |
109,11 |
|
Automatisering |
13,93 |
0 |
De Belastingdienst heeft geen onderverdeling van uitvoeringskosten per vermogenscategorie beschikbaar.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoeveel datapunten per belastingplichtige aanvullend moeten worden verwerkt in het aanwassysteem en hoe dit ligt voor de verschillende soorten vermogens of huishoudens en vermogenscategorieën. Daarnaast vragen zij of belastingplichtigen redelijkerwijs zonder inschakeling van adviseurs voldoende in staat zijn om aan deze verplichting te voldoen en hoe het kabinet tot deze conclusie komt. De Belastingdienst heeft op dit moment geen data-analyse beschikbaar waarin het aantal datapunten per belastingplichtige is opgenomen dat jaarlijks door belastingplichtigen aanvullend moet worden verwerkt ten opzichte van het huidige stelsel. Een dergelijke analyse kan pas plaatsvinden nadat een volledig belastingjaar door de Belastingdienst is uitgevoerd en verwerkt. In hoeverre belastingplichtigen redelijkerwijze zonder inschakeling van adviseurs in staat zijn om aan hun aangifteverplichting in box 3 te voldoen is onder meer afhankelijk van hun vermogenssamenstelling in box 3 waarbij gegevens zoveel als mogelijk vooraf in de aangifte inkomstenbelasting ingevuld kunnen worden. Daarnaast spelen ook het doenvermogen van een belastingplichtige en diens afweging om al dan niet gebruik te maken van een belastingadviseur een rol.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe de Belastingdienst voorziet om te gaan met de onderbouwing en documentatie voor illiquide vermogenscomponenten en welke bewaar- en bewijslast in dit stadium voor burgers als risicovol wordt gezien.
De in het wetsvoorstel opgenomen administratieplicht heeft betrekking op box 3-vermogen waarvoor de Belastingdienst niet automatisch gegevens ontvangt van derden. Via een algemene maatregel van bestuur worden bezittingen en schulden concreet aangewezen die niet onder de administratieplicht vallen omdat de gegevens hiervan door financiële instellingen worden aangeleverd bij de Belastingdienst.
Deze administratieplicht in box 3 gaat gelden voor:
• Onroerende zaken;
• Overige bezittingen die rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van een financiële instelling, zijn verkregen door de belastingplichtige (zoals het uitlenen van geld of het rechtstreeks kopen van een aandelenbelang kleiner dan 5% in een vennootschap);
• Schulden die zijn aangegaan bij particulieren en buitenlandse financiële instellingen.
Voor vermogensbestanddelen die onder de vermogensaanwasbelasting vallen, waaronder niet-beursgenoteerde aandelen, geldt in beginsel dat deze worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer, net zoals in het huidige stelsel. De voorgestelde administratie- en bewaarplicht regelt niet expliciet welke gegevens in de administratie opgenomen moeten worden en bewaard moeten blijven. Hierbij geldt dus enige (vorm)vrijheid voor belastingplichtigen. Wel is het nodig dat uit de geadministreerde en bewaarde gegevens duidelijk blijkt wat de rechten, verplichtingen en andere voor de heffing van belang zijnde gegevens zijn. Ook dient de administratie zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd, waardoor controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden.
Het kabinet kan zich voorstellen dat voor het berekenen van de waarde in het economische verkeer van in box 3 vallende niet-beursgenoteerde aandelengebruik wordt gemaakt van de commerciële jaarrekening. Dit is overigens niet anders bij het huidige box 3-stelsel. Een opname in de wet dat dit is geoorloofd is niet nodig. Wel kunnen via een ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het nakomen van de voorgestelde administratie- en bewaarplicht. Met een dergelijke regeling kan beter invulling worden gegeven aan de verplichtingen waaraan een belastingplichtige dient te voldoen. Hierdoor zal de belastingplichtige meer rechtszekerheid ervaren door de aangereikte handvatten. Deze regeling wordt nog nader onderzocht en uitgewerkt.
In aanloop naar de invoering van het voorgestelde stelsel per 1 januari 2028 zal de Belastingdienst communiceren over de wijze waarop de administratie voor box 3 ingericht kan worden. Momenteel staat op de website van de Belastingdienst91 een uitvoerige uitleg over de administratieplicht voor ondernemers met informatie over welke gegevens bewaard moeten worden, hoe de gegevens bewaard moeten worden en hoelang. Een vergelijkbare pagina zal worden ingericht voor de administratie- en bewaarplicht voor box 3-belastingplichtigen.
De leden van de fractie van de BBB vragen wat de foutmarge is die de inspectie gaat toelaten bij het toetsen van waarderingen van illiquide vermogenscomponenten en welke gevolgen dit heeft voor de praktijk van boetes en naheffingen. De leden van de fractie van D66 vragen welke aangiften inkomstenbelasting in het licht van de schaarse controlecapaciteit door de Belastingdienst prioriteit zullen krijgen voor een controle. Vanwege het ontbreken van ervaringscijfers over eventuele onjuiste waarderingen door belastingplichtigen van vermogensbestanddelen in het nieuwe box 3-stelsel, waarvoor externe gegevensleveranciers geen gegevens aanleveren, kan de Belastingdienst op dit moment nog geen inschatting maken over de mate en invulling van het toezicht en handhaving die hierop door de Belastingdienst zal worden toegepast.
De leden van de fractie van de BBB vragen in hoeverre de Belastingdienst afhankelijk is van externe dataleveranciers voor de verschillende vermogenscategorieën en of daar een beschrijving per categorie aan kan worden toegevoegd. In het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zullen externe gegevensleveranciers, waaronder binnenlandse financiële instellingen zoals banken en verzekeraars, gegevens aan de Belastingdienst aanleveren. Deze gegevens hebben onder meer betrekking op bank- en spaartegoeden, leningen en ook beleggingsproducten. Buitenlandse financiële instellingen leveren gegevens aan op basis van internationale afspraken zoals CRS92 en FATCA.93 Het Kadaster levert jaarlijks gegevens aan de Belastingdienst aan over onder meer de WOZ-waarde van woningen die voor de step-up waarde vanaf 1 januari 2028 van belang zijn, en ook voor de vermogenstoets die van belang is voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. Met voornoemde gegevensleveranciers worden door de Belastingdienst momenteel afspraken gemaakt over deze gegevensaanlevering die voor de binnenlandse financiële instellingen ook worden vastgelegd in jaarlijks op te stellen handleidingen zodat gegevens tijdig en in een juiste vorm aan de Belastingdienst kunnen worden aangeleverd.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe wordt voorkomen dat voor kleine vermogens de compliancekosten hoger worden dan de belastingopbrengst. Daarnaast vragen zij hoe het kabinet het risico beoordeelt dat compliancekosten door grote vermogens absoluut en relatief beter gedragen kunnen worden dan voor kleine vermogens. De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet voorkomt dat de groep belastingplichtigen die meer informatie moet aanleveren dan de gegevens die vooraf in de aangifte inkomstenbelasting kunnen worden ingevuld extra kosten maken om de aangifte door een deskundige te laten invullen en deze groep belastingplichtigen afhankelijk wordt van betaalde fiscale dienstverlening. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet een inschatting heeft in hoeverre de toename van administratieplicht leidt tot meer fouten en geschillen en hoe de Belastingdienst daarop wordt voorbereid.
De Belastingdienst zal belastingplichtigen met kleine vermogens zoveel als mogelijk ondersteunen bij het berekenen en invullen van het werkelijke rendement in de aangifte inkomstenbelasting. Dit gebeurt door middel van het verstrekken van informatie op de website van de Belastingdienst of op sociale media of via de BelastingTelefoon en de Belastingdienstbus. Ook kunnen belastingplichtigen voor hulp bij het doen van een aangifte een afspraak maken bij een Belastingdienstkantoor of een steunpunt van de Belastingdienst. Hiermee worden voor deze groep belastingplichtigen de compliancekosten zoveel als mogelijk beperkt.
Voor belastingplichtigen met grote(re) vermogens hangt de mate van complexiteit voor het doen van aangifte inkomstenbelasting sterk af van de samenstelling van het vermogen. Met name bij meer gevarieerd vermogen waarbij sprake is van veel transacties gedurende het jaar kan de aangifte complex zijn. Dergelijke belastingplichtigen zullen vaak een adviseur hebben die hen van dienst is en assisteert in de voorbereiding van de aangifte inkomstenbelasting.
De leden van de fractie van de BBB vragen wat de gevolgen zijn voor de Belastingdienst voor de toepassing van de wet voor illiquide vermogenscomponenten en welke onderzoekswerkzaamheden de Belastingdienst additioneel gaat uitvoeren ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast vragen de leden welke arbeids- en IT-inzet dit met zich meebrengt en hoe dit zich verhoudt tot de verwachte opbrengst voor deze vermogenscategorieën. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de aard van de grondslag voor wat betreft bezittingen en schulden niet wijzigt. Er komen dus geen vermogenscomponenten onder box 3 te vallen die er nu ook niet onder vallen. Liquiditeit van vermogenscomponenten is geen relevant fiscaal criterium in het wetsvoorstel. Er is geen duidelijke grens te trekken tussen liquide beleggingen aan de ene kant en illiquide beleggingen aan de andere kant. In de praktijk zijn er veel verschillende vormen van verhandelbaarheid en liquiditeit van beleggingen.94 De Belastingdienst beschikt niet over gegevens in hoeverre vermogenscomponenten van belastingplichtigen leiden tot een verwachte belastingopbrengst.
De leden van de fractie van de BBB vragen in welke mate de Belastingdienst kan steunen op dataverstrekking van derden (banken, vermogensbeheerders en verzekeraars) en welke kosten worden verwacht dat deze derden maken voor het beschikbaar stellen van deze informatie. De gegevens die door externe gegevensleveranciers zoals de binnenlandse financiële instellingen aan de Belastingdienst worden aangeleverd worden zoveel als mogelijk door de Belastingdienst vooraf ingevuld in de aangifte inkomstenbelasting. De aangeleverde gegevens worden door de Belastingdienst voorafgaand getoetst op betrouwbaarheid en nauwkeurigheid. De Belastingdienst en de gegevensleveranciers hebben regelmatig overleg hierover. Ook stelt de Belastingdienst in samenwerking met de binnenlandse financiële instellingen ieder jaar handleidingen op waarin is opgenomen wanneer en welke gegevens moeten worden aangeleverd en waar deze gegevens aan moeten voldoen. Over de kostenaspecten van deze gegevensleveranties door deze externe gegevensleveranciers kan de Belastingdienst geen uitspraken doen. De Belastingdienst heeft geen inzage in de kosten die externe gegevensleveranciers maken.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe buitenlandse vermogensinformatie wordt verkregen en gecontroleerd en welke impact dit heeft op de bezetting en kosten van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft ruime ervaring in het ontvangen en beschikbaar stellen van gegevens die zij ontvangt van buitenlandse gegevensleveranciers. Op basis van internationale afspraken waaronder de CRS en FATCA worden door de Belastingdienst jaarlijks gegevens ontvangen die door buitenlandse gegevensleveranciers worden aangeleverd. Vanwege het tijdsverloop in en de kwaliteit van de aanlevering van de door buitenlandse gegevensleveranciers geleverde gegevens vult de Belastingdienst deze niet vooraf in. De Belastingdienst gebruikt deze alleen als contra-informatie voor toezicht en handhaving. Op grond van de DAC8-richtlijn worden met ingang van 2027 ook automatisch gegevens uitgewisseld over crypto-activa. Het doel is om toe te werken naar een situatie waarin de gegevens over crypto-activa vooraf in de aangifte inkomstenbelasting worden ingevuld.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het uitstellen van de behandeling van het wetsvoorstel totdat de novelle via het Belastingplan 2027 is ingediend mogelijk is en of de inwerkingtreding van het wetsvoorstel vanaf 2028 dan alsnog wordt gehaald. Het uitgangspunt is dat het wetsvoorstel in werking kan treden per 1 januari 2028 en dat de Eerste Kamer voldoende tijd krijgt om de novelle desgewenst gelijktijdig met het voorliggende wetsvoorstel te behandelen. Hierbij is wel van belang dat, zoals tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer naar voren is gekomen, fiscaaltechnische aanpassingen die een structuurwijziging vereisen in de systemen van de Belastingdienst niet meer tijdig kunnen worden doorgevoerd. Eventuele aanpassingen die leiden tot een parameterwijziging (dus van het heffingsvrije resultaat, de hoogte van de vastgoedbijtelling of het tarief) kunnen desgewenst nog wel worden doorgevoerd. Daarnaast kunnen structuurwijzigingen ook op een later moment worden doorgevoerd, bijvoorbeeld als een wetsaanpassing vanaf belastingjaar 2029 of later ingaat. Wel moeten deze aanpassingen dan worden afgewogen ten opzichte van andere wensen in de keten Inkomensheffingen omdat er slechts beperkte ruimte is in het ICT-portfolio binnen deze keten. In dat kader ontvangt uw Kamer voor de zomer nog een brief over de mogelijkheden van de introductie van een achterwaartse verliesverrekening van een jaar in het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de fractie van de BBB vragen of het risico op fouten en boetes voor burgers toeneemt en hoe het kabinet daarmee omgaat richting de burger. De leden van de fractie van de VVD vragen welke concrete maatregelen het kabinet neemt om te voorkomen dat burgers die in de aangifte inkomstenbelasting zelf gegevens moeten aanleveren hierdoor fouten maken in de aangifte wat kan leiden tot bezwaarschriften en een overbelaste Belastingdienst. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welke wijze burgers aanvullend op de reguliere informatiekanalen worden ondersteund bij het juist en tijdig kunnen voldoen aan hun aangifteverplichtingen.
De overgang naar een nieuw stelsel in box 3 heeft naar verwachting grote gevolgen voor zowel de belastingplichtigen als de Belastingdienst. Hierbij zal bij de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 voor de Belastingdienst de nadruk liggen op een goede voorlichting aan en communicatie met belastingplichtigen zodat zij zich kunnen voorbereiden op het nieuwe stelsel door bijvoorbeeld al vroegtijdig gegevens te verzamelen voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting. In aanloop naar de invoering van het nieuwe stelsel zal een deel van de belastingplichtigen ook al te maken krijgen met de Wet tegenbewijsregeling box 3 die vanaf het belastingjaar 2025 in het aangifteformulier is opgenomen. Om onder toepassing van de tegenbewijsregeling in de aangifte inkomstenbelasting (en met betrekking tot de belastingjaren 2017–2024: door middel van het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement) het werkelijke rendement aan te geven, hebben belastingplichtigen vergelijkbare gegevens moeten verzamelen. Zij zijn daarmee al in enige mate bekend met de gegevens die nodig zijn voor het doen van aangifte inkomstenbelasting in het nieuwe stelsel.
Daarnaast zal de Belastingdienst een belastingplichtige zoveel als mogelijk proberen te ondersteunen bij het doen van een aangifte inkomstenbelasting. Dit gebeurt door middel van het verstrekken van informatie op de website van de Belastingdienst of op sociale media of via de BelastingTelefoon en de Belastingdienstbus. Ook kunnen belastingplichtigen voor hulp bij het doen van een aangifte een afspraak maken bij een Belastingdienstkantoor of een steunpunt van de Belastingdienst. De Belastingdienst begrijpt dat de nieuwe ingewikkelde wetgeving kan leiden tot fouten in de aangifte. Burgers hebben na de constatering van een fout een laagdrempelige mogelijkheid om de aangifte of de aanslag te (laten) herstellen via het indienen van een aangepaste aangifte. De Belastingdienst gaat daarbij niet snel tot beboeting over. Alleen indien bij de Belastingdienst het vermoeden ontstaat dat sprake kan zijn van een bewuste onjuiste aangifte, zal er een nader onderzoek plaatsvinden. Vervolgens zal er alleen een vergrijpboete worden opgelegd indien het buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat de aangifte (grofschuldig of) opzettelijk onjuist is gedaan. In bestaande wetgeving en de uitvoering daarvan wordt dus reeds rekening gehouden met het feit dat er onbewuste fouten kunnen worden gemaakt. In deze gevallen zal van beboeting geen sprake zijn.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet zich ervan bewust is dat de invoering van het wetsvoorstel opnieuw kan leiden tot een golf van procedures, en welke concrete maatregelen genomen worden om dit risico te minimaliseren waarbij de uitvoerbaarheid wordt getoetst aan de lessen van eerdere box 3-geschillen. Het kabinet is het ermee eens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en dat dit kan leiden tot procedures over het bepalen van het werkelijke rendement. Het huidige box 3-stelsel heeft de afgelopen jaren ook tot veel procedures geleid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement als rechtvaardiger ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken dan in het huidige stelsel.
De Belastingdienst zal op basis van signalen uit de praktijk ook concrete maatregelen nemen om het risico op procedures te verminderen. Dit kan bestaan uit het verder ondersteunen van de belastingplichtige bij het berekenen en invullen van het werkelijke rendement in de aangifte inkomstenbelasting en het intensiveren van voorlichting en communicatie rondom het doen van aangifte. Het monitoren van signalen uit de praktijk vindt in eerste instantie plaats via contactmomenten met burgers, bijvoorbeeld via de BelastingTelefoon en via vooroverleg met de inspecteur. Ook vindt periodiek overleg plaats met ketenpartners zoals banken, verzekeraars en belangenorganisaties waarin signalen uit de dienstverlening aan hun cliënten met betrekking tot het nieuwe box 3-stelsel worden gedeeld.
Daarnaast zal het kabinet naar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Kouwenhoven en Grinwis95 tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 jaarlijks een voortgangsrapportage opstellen waarin: a. het gebruik van de regeling, b. effecten voor burgers en uitvoering en c. de realisatie van de regeling, worden meegenomen en waaruit zo mogelijk ook lessen kunnen worden getrokken bij de uitvoering van de Wet werkelijk rendement box 3.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het kabinet verantwoordt dat gekozen wordt voor een stelsel dat aantoonbaar complexer is dan de huidige tijdelijke regeling gegeven dat de Belastingdienst in de uitvoeringstoets wijst op forse personele, organisatorische en ICT-risico’s. Een forfaitair stelsel is eenvoudig en daarom goed uitvoerbaar voor de Belastingdienst en vraagt weinig van het doenvermogen van burgers. Het huidige forfaitaire stelsel is echter juridisch onhoudbaar gebleken. Een forfaitair stelsel met een tegenbewijsregeling is complex en heeft grote impact op de uitvoering door de Belastingdienst en vraagt veel van het doenvermogen van burgers. Om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling moet het werkelijke rendement worden bepaald. Daardoor kent de regeling een vergelijkbare complexiteit als een stelsel op basis van werkelijk rendement. De uitwerking van een forfaitair stelsel met tegenbewijs staat daarnaast haaks op het beginsel in de inkomstenbelasting om te heffen naar draagkracht. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 worden de administratieve lasten van belastingplichtigen zoveel mogelijk beperkt doordat voor Nederlandse banktegoeden en effecten de benodigde gegevens vooraf ingevuld zullen worden. Circa 2,5 miljoen aangifteplichtigen (van de in totaal circa 3,9 miljoen aangifteplichtigen in box 3) hebben alleen bezittingen in deze categorieën. Voor hen blijft de aangifte in box 3 volledig vooraf ingevuld en daarmee relatief eenvoudig.
De leden van de fractie van de VVD vragen welke risico’s er zijn met betrekking tot de tijdige werving van het aantal fte die nodig is voor de uitvoering van het voorliggende wetsvoorstel, en op welke manier deze risico’s worden gemitigeerd en de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de impact is op de uitvoering indien deze fte’s niet tijdig of slechts gedeeltelijk kunnen worden geworven. Ook de leden van de fractie van D66 vragen hiernaar. Zij vragen of het kabinet de zorgen deelt dat onvoldoende dienstverlening en toezicht door de Belastingdienst de bereidheid bij belastingplichtigen om te voldoen aan fiscale aangifteverplichtingen kan doen afnemen. Zoals in de uitvoeringstoets is opgenomen, bestaat er gedurende de transitieperiode van drie tot vijf jaren na de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel het risico dat de Belastingdienst niet in alle gevallen volledig aan de vraag van belastingplichtigen zal kunnen voldoen. Hier wordt door de Belastingdienst rekening mee gehouden. De Belastingdienst zal in voorbereiding op de inwerkingtreding van de wet scenario’s opstellen op basis waarvan gehandeld kan worden, mocht een dergelijke situatie zich onverhoopt voordoen.
Daarnaast wordt voor de uitvoering van de Wet werkelijk rendement box 3 door de Belastingdienst gebruikgemaakt van een zogenaamd ingroeimodel waarbij rekening wordt gehouden met de soort en mate van werkzaamheden die zijn te verwachten na inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3. Op basis van dit ingroeimodel nemen de personele gevolgen in de eerste jaren na inwerkingtreding van de wet toe, waarna na enkele jaren na inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 naar verwachting een afvlakking plaatsvindt. Na verloop van jaren zullen belastingplichtigen immers bekend raken met het nieuwe stelsel en de gevolgen hiervan voor hun persoonlijke situatie waardoor de Belastingdienst op termijn minder medewerkers nodig heeft voor de dienstverlening omtrent box 3.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel fte nodig zijn voor de reparaties van het vermogensaanwasdeel van het voorliggende wetsvoorstel. Daarnaast vragen zij op welke manier effectief wordt omgegaan met de beschikbare fte’s om daarmee sneller over te kunnen gaan naar de vermogenswinstbelasting. Op dit moment kan door de Belastingdienst nog niet worden ingeschat hoeveel fte nodig zijn voor mogelijke aanpassingen die de effecten van de vermogensaanwassystematiek in het voorliggende wetsvoorstel verzachten. Daarvoor is het nodig dat deze voorstellen concreet worden uitgewerkt in een wetsvoorstel, zodat de Belastingdienst een uitvoeringstoets kan opstellen. Zoals ik heb toegezegd zal voor de zomer een brief worden verzonden waarin wordt ingegaan op de mogelijke aanpassingen van het voorliggende wetsvoorstel.
De medewerkers die de Belastingdienst inzet op de Wet werkelijk rendement box 3 krijgen in de uitvoering al te maken met de vermogenswinstsystematiek omdat deze heffingsmethodiek gaat gelden voor onroerende zaken en startende ondernemingen. De Belastingdienst verwacht daarmee dat de gevolgen van de invoering van een volledige vermogenswinstbelasting in box 3 voor medewerkers beperkt zijn.
De leden van de fractie van de VVD vragen welke groep medewerkers het moeilijkst te werven is en welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat dit de uitvoering bemoeilijkt. De Belastingdienst ziet met name met betrekking tot waarderingszaken een risico. Omdat in het nieuwe stelsel wordt uitgegaan van het werkelijke rendement zullen zich na invoering ervan waarderingskwesties van onderliggende vermogensbestanddelen voordoen, die tot discussies tussen de Belastingdienst en belastingplichtigen kunnen leiden. Om deze werkzaamheden te verrichten, heeft de Belastingdienst voldoende capaciteit nodig. In de voorbereiding op de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 overlegt de Belastingdienst over deze onderwerpen ook met de ketenpartners om tot werkbare oplossingen te komen.
De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet om in de wet een expliciete go/no-go op te nemen waarbij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel automatisch wordt uitgesteld als vooraf vastgelegde mijlpalen niet tijdig worden gehaald. Daarnaast vragen zij dat wanneer het kabinet een dergelijke mogelijkheid niet in het wetsvoorstel wil opnemen, met welke reden dit dan niet gebeurt. In de uitvoeringstoets zijn onder meer als randvoorwaarden voor de inwerkintreding per 1 januari 2028 opgenomen dat het wetsvoorstel uiterlijk 15 maart 2026 door de Tweede Kamer is aangenomen, en dat er tijdens de parlementaire behandeling niet tot ingrijpende veranderingen wordt besloten. De reden voor het opnemen van deze randvoorwaarden in de uitvoeringstoets is gelegen in de noodzaak voor externe gegevensleveranciers, waaronder Nederlandse financiële instellingen, om tijdig hun softwareapplicaties aan te kunnen passen om op basis van de toekomstige wet tijdig en juiste gegevens bij de Belastingdienst te kunnen aanleveren. De Tweede Kamer heeft op 12 februari 2026 het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 heeft aangenomen waarbij – op basis van het aangenomen amendement van het lid Van Dijk96 – alleen een aanpassing in het wetsvoorstel is opgenomen met betrekking tot het eerste evaluatiemoment van de wet nadat deze in werking is getreden. Daarom worden op dit moment door de Belastingdienst met externe gegevensleveranciers, waaronder de binnenlandse financiële instellingen, afspraken gemaakt over de aanlevering van de benodigde gegevens. Deze afspraken zullen in handleidingen worden opgenomen. De handleidingen die aan deze gegevensaanleveringen ten grondslag liggen moeten op basis van de afspraken tussen de Belastingdienst en deze gegevensleveranciers uiterlijk op 30 juni 2026 worden afgerond. Dit geeft de externe gegevensleveranciers en de Belastingdienst voldoende gelegenheid om deze aanpassingen in hun softwareapplicaties op te nemen en te verwerken. In dit tijdschema is ook voor de Belastingdienst voldoende tijd ingeruimd om nieuwe applicaties te kunnen testen. Daarmee is het opnemen van een go/no go-beslismoment in het wetsvoorstel niet langer noodzakelijk.
Ten aanzien van de personele werving is er geen uiterste beslismoment of randvoorwaarde in de uitvoeringstoets opgenomen. Op basis van de noodzakelijke additionele fte’s verwacht de Belastingdienst op dit moment dat de tijdige werving van nieuwe medewerkers voor het nieuwe stelsel mogelijk is. Een uitzondering hierop betreffen de waarderingsdeskundigen, waaronder business valuators en taxateurs. Dit zijn relatief schaarse functies, waarvoor de werving van medewerkers moeilijk is. De Belastingdienst zal daarom nagaan of er ook andere mogelijkheden zijn om te voorzien in de databehoefte en informatievoorziening om de waarde van vermogensbestanddelen te kunnen bepalen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het kabinet de haalbaarheid beoordeelt van het aantrekken van deze circa 1.000 extra fte gezien de krapte op de arbeidsmarkt. De leden van de fractie van het CDA vragen of de uitbreiding van 900 fte bij de Belastingdienst proportioneel is en hoe het kabinet de kans inschat dat de benodigde expertise ook daadwerkelijk en tijdig te vinden is.
Het kabinet acht het aantal fte dat benodigd is voor de toezichtintensiteit proportioneel en noodzakelijk. Vanwege de complexiteit van een stelsel op basis van werkelijk rendement ten opzichte van het forfaitaire stelsel is voor de uitvoering van dit wetsvoorstel door de Belastingdienst structureel een aanzienlijk aantal nieuwe medewerkers nodig. Deze nieuwe medewerkers worden op basis van een ingroeimodel geworven en ook ingezet. Hieronder is een overzicht opgenomen van de benodigde capaciteit in fte op basis van de uitvoeringstoets. In de uitvoeringstoets is vanwege de personele gevolgen uitgegaan van de volgende aantallen fte per kalenderjaar:
Tabel 7 – Aantal fte per kalenderjaar

In de uitvoeringstoets is voor de toezichtintensiteit uitgegaan van een niveau van minimaal 3% van de aangiftes met meer vermogensbronnen dan alleen bank- en spaartegoeden bij Nederlandse financiële instellingen. In een stelsel waarbij de Belastingdienst beperkt de beschikking heeft over contra-informatie en waarbij de belastingplichtigen deze informatie of gegevens zelf moeten verzamelen en bewaren acht de Belastingdienst deze toezichtintensiteit minimaal noodzakelijk.
In aanloop naar en gedurende de eerste periode na de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 verwacht de Belastingdienst dat veel werkzaamheden te maken hebben met voorlichting van en communicatie met belastingplichtigen, ondersteuning van belastingplichtigen, en waarderingszaken. Deze waarderingszaken hebben met name te maken met waarderingen van vermogensbestanddelen (zoals onroerende zaken waarvoor geen WOZ-beschikking is afgegeven) bij inwerkingtreding van het nieuwe stelsel. De verwachting is dat de Belastingdienst voorafgaand aan en bij aanvang van de inwerkingtreding hierover veel verzoeken tot vooroverleg zal ontvangen van belastingplichtigen. Op basis van het ingroeimodel is er vanaf het kalenderjaar 2029 een toename in de werkzaamheden opgenomen in de aanslagregeling en de behandeling van bezwaar- en verzoekschriften alsmede de behandeling van beroepszaken.
Op basis van de bovenstaande aantallen noodzakelijke additionele fte verwacht de Belastingdienst op dit moment dat de tijdige werving van nieuwe medewerkers voor het nieuwe stelsel mogelijk is.
Daarnaast gaat de Belastingdienst na in hoeverre medewerkers die momenteel werken bij de aanvullende hersteloperatie box 3 in de toekomst kunnen worden ingezet op de reguliere werkzaamheden van box 3 op basis van het nieuwe stelsel. Deze medewerkers hebben dan immers al veel werkervaring opgedaan binnen de hersteloperatie en zijn bekend met de systematiek van de tegenbewijsregeling die veelal overeenkomt met de berekeningswijze van het werkelijke rendement in het nieuwe stelsel. Ook zal de Belastingdienst gericht medewerkers van afdelingen binnen en buiten de Rijksoverheid benaderen die gaan afschalen, zoals ook is gebeurd voor de werving van nieuwe medewerkers voor de uitvoering van de aanvullende hersteloperatie.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de kosten zijn van deze uitbreiding met circa 1.000 fte. Op basis van de uitkomsten van de uitvoeringstoets bedragen de geprognotiseerde kosten voor de uitbreiding van het aantal fte € 5,84 miljoen incidenteel en € 112,14 miljoen structureel.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke overige uitvoeringskosten (bijvoorbeeld ICT-kosten) in kaart zijn gebracht in verband met dit wetsvoorstel. Op basis van de uitkomsten van de uitvoeringstoets bedragen de overige uitvoeringskosten: € 560.000 aan communicatiemiddelen en € 13,93 miljoen aan ICT-kosten (IV-dagen). Deze kosten zijn als incidentele kosten in de uitvoeringskosten opgenomen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie schrijven dat het percentage vooraf ingevulde aangiftes daalt van 85 naar 64 procent bij de invoering van het nieuwe stelsel in 2028 en vraagt of dit percentage structureel op dit niveau blijft of dat er technologische ontwikkelingen denkbaar zijn waarbij het aantal vooraf ingevulde weer op het oude peil kan komen. In een stelsel op basis van werkelijk rendement zijn meer gegevens nodig dan in het huidige forfaitaire stelsel. Het percentage van het totale aantal aangiftes inkomstenbelasting die daarbij vooraf door de Belastingdienst kunnen worden ingevuld is afhankelijk van de vermogenssamenstelling van de belastingplichtigen in box 3. Voor het vooraf invullen van de aangifte inkomstenbelasting zal onder meer gebruik worden gemaakt van gegevens van Nederlandse financiële instellingen, zoals banken, beleggingsinstellingen en verzekeraars. Dit betreft onder andere rente op bankrekeningen en schulden, ontvangen dividend en vermogensaanwas van publiek verhandelbare aandelen en obligaties. Van de ongeveer 3,9 miljoen belastingplichtigen met een inkomen in box 3 hebben ongeveer 2,5 miljoen alleen bank- en spaartegoeden of een beleggingsrekening. Voor hen blijft de aangifte inkomstenbelasting vooraf ingevuld en daarmee relatief eenvoudig.
Dat lukt echter niet voor alle andere gegevens, bijvoorbeeld voor de inkomsten en kostenaftrek van onroerende zaken, waardering en rendement van niet-beursgenoteerde aandelen en inkomsten van buitenlands vermogen. Voor het doen van aangifte inkomstenbelasting moet de belastingplichtige de relevante gegevens verzamelen, bewaren en invullen, al dan niet ondersteund door een administratiekantoor of belastingconsulent. Voor de gegevens die belastingplichtigen zelf moeten verzamelen en bewaren is het naar verwachting niet mogelijk om de gegevensaanlevering op een andere manier te ondervangen. Hierdoor blijft het percentage vooraf ingevulde aangiftes naar verwachting ook in de toekomst lager dan in het huidige stelsel, dit is logisch gezien de wens om het werkelijke rendement te belasten in box 3.
Met het oog op het verkorten van de tijd om gegevens bij gegevensleveranciers in te winnen naar maximaal twee maanden en gezien de toename van het aantal gegevens en de kortere tijd om deze op juistheid te controleren, vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie waarom het tijdsraam niet hetzelfde wordt of juist wordt verlengd. Daarmee zou volgens deze leden het risico dat deze gegevens niet tijdig kunnen worden opgenomen in de VIA of massale onjuistheden bij de VIA kunnen worden voorkomen.
Omdat het werkelijke rendement van een belastingplichtige over een kalenderjaar pas na afloop van dat jaar kan worden berekend, is het niet langer mogelijk om met alleen een peildatum bij de aanvang van het jaar te werken. Hierdoor ontstaat voor externe gegevensleveranciers, waaronder binnenlandse financiële instellingen, een noodzaak om na afloop van het kalenderjaar de benodigde gegevens te verzamelen en binnen een periode van twee maanden aan de Belastingdienst aan te leveren. Op deze manier kunnen door de Belastingdienst de aangeleverde gegevens vooraf in de aangifte inkomstenbelasting worden ingevuld waardoor belastingplichtigen vanaf 1 maart van het kalenderjaar volgend op het aangiftejaar hun aangifte inkomstenbelasting kunnen voorbereiden en bij de Belastingdienst indienen.
Over deze gegevensaanlevering door externe gegevensleveranciers en de Belastingdienst worden in goede samenwerking ieder jaar afspraken gemaakt om de gegevensaanlevering te faciliteren en te bewerkstelligen zodat de gegevens tijdig en op een juiste manier kunnen worden aangeleverd. De Belastingdienst zal vervolgens na toetsing van de aangeleverde gegevens deze gegevens zoveel als mogelijk vooraf invullen in de aangifte inkomstenbelasting. Dit werkproces werkt niet alleen in het voordeel van de Belastingdienst en de belastingplichtige maar ondervangt ook de informatiebehoefte van de belastingplichtige die in het andere geval de benodigde gegevens bij de financiële instelling zou moeten gaan opvragen. De VIA kan ook na 1 maart van het aangiftejaar door de Belastingdienst worden aangevuld met aangeleverde gegevens die op een later tijdstip door externe gegevensleveranciers beschikbaar worden gesteld aan de Belastingdienst. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan zogenaamde correctieleveringen van gegevens door financiële instellingen aan de Belastingdienst.
De leden van de fractie van de SGP vragen of het huidige ICT-systeem van de Belastingdienst voldoende opgewassen is voor de uitvoering van de werkzaamheden op basis van het wetsvoorstel en welk perspectief het kabinet hierin biedt aan de Belastingdienst. Er wordt binnen de Belastingdienst op dit moment gewerkt aan een modernisering van de ICT-infrastructuur. Als onderdeel hiervan wordt op dit moment binnen de keten Inkomensheffingen de verouderde ontwikkelsoftware Cool:Gen uitgefaseerd en zal het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 in een nieuwe programmeertaal worden geschreven. Op deze manier wordt voorkomen dat er problemen ontstaan binnen de Belastingdienst met het implementeren van deze wetgeving in de ICT-systemen.
De leden van de fractie van de SGP vragen of er een invoeringstoets wordt toegepast bij de novelle. Voor het uitwerken van de uitvoeringsgevolgen voor een novelle die tot aanpassingen van het wetsvoorstel zal kunnen leiden wordt door de Belastingdienst een uitvoeringstoets uitgevoerd. Daarnaast zal na de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 door de Belastingdienst op het vroegst mogelijke moment een invoeringstoets worden uitgevoerd waarbij eventuele signalen en mogelijke knelpunten vanuit de doelgroepen in de uitvoering worden onderzocht om indien nodig tijdig te kunnen bijsturen of in te grijpen. In deze invoeringstoets worden door de Belastingdienst dan ook de aanpassingen die in een novelle zijn voorgesteld en door beide Kamers zijn aanvaard, meegenomen.
Advies en consultatie
De leden van de fractie van de VVD refereren aan het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 27 november 2024 waarin wordt aangegeven dat een patstelling lijkt te zijn ontstaan door de beperkte ruimte voor de vormgeving van het box 3-stelsel. Deze leden verwijzen daarbij daarnaar dat de wetgever volgens de Afdeling advisering van de Raad van State ook rekening moet houden met doelmatigheid, de uitvoering, efficiëntie en draagvlak. Zij vragen of het kabinet per genoemd aspect kan uiteenzetten hoe deze belangen zijn meegenomen bij de totstandkoming van het wetsvoorstel.
Het nieuwe stelsel voldoet aan de maatschappelijke en politieke wens om een stelsel op basis van werkelijk rendement in te voeren. Dit sluit aan bij de visie om onevenwichtigheden in de belastingheffing van verschillende vormen van vermogen te verkleinen en past bij het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting. Bovendien heeft het kabinet, gegeven de juridische context, zoals de Afdeling advisering van de Raad van State opmerkt weinig bewegingsvrijheid om te kiezen voor een stelsel dat niet aansluit bij het werkelijke rendement. Het kabinet herkent niet dat, binnen de beperkte bewegingsvrijheid die resteert bij de keuzes voor een stelsel op basis van werkelijk rendement, er een directe afruil bestaat tussen budgettaire neutraliteit en andere randvoorwaardelijke elementen zoals de Afdeling advisering van de Raad van State die omschrijft. Naar mening van het kabinet leidt een systeem op basis van werkelijk rendement namelijk per definitie tot complexiteit met gevolgen voor de uitvoerbaarheid door de Belastingdienst en het beroep op het doenvermogen van burgers. Een toename van complexiteit is inherent aan het introduceren van een stelsel op basis van werkelijk rendement. Eenvoudiger dan het oude forfaitaire stelsel kon niet en dat stelsel is geen optie meer. Elk alternatief is per definitie complexer, dit is onvermijdelijk. De gevolgen van deze complexiteit moeten dus worden geaccepteerd, dat is de consequentie van de uitspraken van de Hoge Raad. Dat betekent echter niet dat het kabinet de gesignaleerde risico’s lichtzinnig aanvaardt.
De leden van de fractie van de VVD refereren aan het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 27 november 2024 waarin wordt gewezen op negatieve gevolgen voor draagvlak en acceptatie van de heffingssystematiek, met risico op rechtelijke procedures. De Raad voor de Rechtspraak bevestigt de toename van werklast hierdoor. Deze leden vragen hoe het kabinet dit beoordeelt in het licht van de memorie van toelichting, waarin wordt gesteld dat het stelsel aansluit bij de maatschappelijke wens en dat voldoende draagvlak het stelsel robuuster maakt. Het kabinet is het met de Raad van de Rechtspraak eens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en daarom meer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd de maatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement van vermogen. Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke rendement werkelijkheid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat door belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement als rechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken. Het kabinet is daarnaast van mening dat bij de inschatting van de toekomstige werklast een vergelijking met het aantal procedures en zaken onder het forfaitaire stelsel op zijn plaats is.
Uitbreiding startups en scale-ups
De leden van de fractie van het CDA stellen dat de onduidelijke definitie van startups en scale-ups ondernemingen de grens over jaagt naar Duitsland of België en vragen hoe het kabinet dit met de voorgenomen novelle gaat repareren. De leden van de fractie van de PVV vragen of het kabinet de mening deelt dat de vermogensaanwasbelasting demotiverend is voor investeerders in startups. Daarnaast vragen zij of het kabinet zich ervan bewust is dat startups zeer lang illiquide kunnen blijven, waarbij de lengte van die illiquiditeit afhangt van het terrein waarop de startup werkzaam is.
Het kabinet heeft, mede vanwege het (vaak) illiquide karakter van de aandelen in startups en scale-ups, het voornemen om in het najaar een wetsvoorstel in procedure te brengen waarin een adequate definitie van startup en scale-up is opgenomen. Hierbij wordt, na overleg met de sector, aangesloten bij de karakteristieken ervan zoals schaalbaarheid en innovatie. Het doel is om de aandeelhouders in dergelijke ondernemingen onder het regime van de vermogenswinstbelasting te brengen. Daarnaast wil het kabinet medewerkers van dergelijke ondernemingen met ingang van 1 januari 2027 fiscaal stimuleren door een lagere belastingheffing (in de loonheffingen en box 1 van de inkomstenbelasting) te bieden. Dit krijgt vorm door het inkomen uit aandelenoptierechten voor hen te versmallen tot 65%. Het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering startups en scale-ups waarin deze maatregelen zijn opgenomen is afgelopen 1 april op internet gepubliceerd ter consultatie.97
De leden van de fractie van het CDA geven aan dat techondernemingen met hun hoofdkantoor in Nederland aangeven dat zij door de beoogde wijzigingen in box 3 (nu al) problemen ervaren rondom het behoud en de werving van personeel. Zij zien als risico dat (een deel van de cruciale) functies op het hoofdkantoor in Nederland hierdoor niet kan worden ingevuld en vragen of dit door het kabinet wordt herkend. Het kabinet betreurt de ontstane ophef over de vermeende gevolgen die dit wetsvoorstel voor aandeelhouders en medewerkers in startups en scale-ups zou hebben. Het kabinet verwacht dat het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering startups en scale-ups, met de daarin hiervoor geschetste maatregelen, die onrust wegneemt. Het voornemen van het kabinet is om de nieuwe definitie van startup en scale-up vóór inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel op te nemen in box 3. Dit borgt dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028 wordt gewerkt met een adequate definitie van startup en scale-up.
De leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet bereid is om de uitzondering voor startups en scale-ups ook te laten gelden voor aandelen in familiebedrijven. Het kabinet heeft in het verleden overwogen om een dergelijke uitzondering voor familiebedrijven te laten gelden, maar heeft daarvan toch afgezien. De reden hiervoor is de (extern getoetste) staatssteunanalyse waaruit blijkt dat risico bestaat op onrechtmatige staatssteun.98 In de brief van Financiën van 15 april 202499 van mijn ambtsvoorganger is aangegeven dat het ook in het geval van een nauwere definitie lastig blijft te onderbouwen waarom een onderscheid tussen familiebedrijven en andere bedrijven gerechtvaardigd is en past binnen de relevante doelstellingen. Tegen deze achtergrond ziet het kabinet geen ruimte om een voorstel te doen voor een uitzondering voor familiebedrijven in het komende stelsel van box 3.
Vragen naar aanleiding van de brief van 6 maart 2026
De leden van de fracties van de VVD, D66, CDA, ChristenUnie, FvD, SGP en 50PLUS hebben gevraagd welke opties het kabinet verkent om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan te passen. De leden van de fractie van D66 vragen welke aanpassingen uitvoerbaar zijn en het lid van de fractie van 50PLUS vraagt welke andere opties worden verkend. In mijn brief van 6 maart jl.100 heb ik aangekondigd dat aanpassingen vooral gericht zullen zijn op een aanpassing van de effecten van de systematiek van de vermogensaanwasbelasting per 2028. Hierbij is van belang dat er beperkte mogelijkheden zijn voor het implementeren van wijzigingen met ingang van 2028. Dat betekent dat op dit moment vooral de mogelijkheid van introductie van achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf het belastingjaar 2029 en de aanpassing van parameters zoals de hoogte van het tarief en het heffingsvrije resultaat worden onderzocht. Ik verwacht dat de mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening in ieder geval een oplossing voor een in het jaar van overlijden of emigratie ontstaan verlies kan bieden.
De leden van de fractie van de VVD vragen of de door de Afdeling advisering van de Raad van State aangedragen alternatieven voor een vermogensaanwasbelasting ook worden meegewogen bij het onderzoeken van aanpassingen aan het voorliggende wetsvoorstel. In het advies heeft de Afdeling advisering van de Raad van State twee alternatieven aangedragen: een forfaitaire heffing op basis van laagrisico rendementen en een vermogenswinstbelasting. Zoals toegelicht in het nader rapport101 is het forfaitaire stelsel juridisch onhoudbaar gebleken. Ook bij een heffing gebaseerd op laagrisico rendementen kan sprake zijn van een schending van het eigendomsrecht, bijvoorbeeld als sprake is van een verlies. Daarnaast worden ongelijke gevallen gelijk behandeld hetgeen een inbreuk is op het discriminatieverbod. Naast deze juridische bezwaren is een belangrijk nadeel van een forfaitair stelsel gebaseerd op laagrisico rendementen dat de werkelijk genoten rendementen grotendeels niet belast worden. Daarmee sluit dit stelsel niet aan bij het draagkrachtbeginsel van de inkomstenbelasting. Daarnaast zijn de negatieve budgettaire gevolgen groot. Het kabinet overweegt daarom geen forfaitair stelsel bij het aanpassen van het voorliggende wetsvoorstel.
Voor wat betreft het alternatief vermogenswinstbelasting geldt dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet werkt aan het zo snel mogelijk invoeren van een vermogenswinstsystematiek voor het gehele box 3-stelsel. Voor wat betreft de aanpassingen aan het voorliggende wetsvoorstel geldt dat de doorontwikkeling naar een vermogenswinstbelasting niet mogelijk is voor 2028. Over de doorontwikkeling naar een vermogenswinstsystematiek zal ik voor de zomer een brief sturen.
Tenslotte geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanvullende denkrichtingen ten behoeve van een budgettaire opbrengst. Hierbij wordt onder andere de suggestie van een brede vermogensbelasting gedaan. Een brede vermogensbelasting is een compleet nieuw belastingmiddel met alle daarbij behorende gevolgen voor de uitvoering door de Belastingdienst en de voorbereiding ten aanzien van beleid en wetgeving. Dit is voor een aanpassing aan het voorliggende wetsvoorstel dat op 1 januari 2028 in werking moet treden, sowieso niet haalbaar. Tijdens het debat over de regeringsverklaring is wel de motie Eerdmans/Bikker102 aangenomen. In deze motie wordt opgeroepen de mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening toe te voegen en dit te dekken uit het brede vermogensdomein. In zoverre wordt het idee van de Afdeling advisering van de Raad van State om aanpassingen in andere belastingmiddelen aan te brengen om de belastingopbrengst uit vermogen te vergroten, onderzocht.
De leden van de fracties van de VVD, het CDA en 50PLUS vragen naar de dekking van de aanpassingen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. De leden van de fractie van de VVD willen graag weten wat moet worden verstaan onder het brede vermogensdomein en vragen hierbij aandacht voor de doelstelling van een investerings- en ondernemersvriendelijk fiscaal klimaat. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of er alternatieven zijn voor dekking in de vorm van het verhogen van het tarief in box 3.
De eventuele aanpassingen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 worden in samenhang met de budgettaire verwerking betrokken in de augustusbesluitvorming. Voorstellen ter verbetering van het stelsel die gepaard gaan met een budgettaire derving zullen conform de begrotingsregels en de motie Eerdmans/Bikker van dekking voorzien dienen te worden in het brede vermogensdomein. Regelingen in het brede vermogensdomein zijn: de eigen woning, box 2, schenk- en erfbelasting, het tarief in de vennootschapsbelasting en box 3. Op dit moment worden de verschillende dekkingsopties in kaart gebracht. Bij de afweging voor de beste opties wordt ook het investerings- en ondernemersklimaat in ogenschouw genomen, net als het betaalbaar houden van het eigen huis en rust op de woningmarkt. De dekkingsopties zullen meer uitgebreid beschreven worden in de brief die is toegezegd en die uw Kamer voor de zomer ontvangt.
Tot slot vragen de leden van de fractie van de VVD welk scenario overwogen wordt als de beoogde verbeteringen niet tijdig kunnen worden uitgewerkt, of wanneer het voorstel dat deze aanpassingen bevat niet wordt aangenomen.
Het kabinet gaat er niet vanuit dat de verbeteringen niet tijdig kunnen worden uitgewerkt, waarbij dus wel geldt, zoals ook eerder in deze beantwoording opgemerkt, dat de mogelijkheden beperkt zijn voor het implementeren van wijzigingen met ingang van 2028. Als het wijzigingsvoorstel niet wordt aangenomen, dan is dat een democratisch besluit waar het kabinet zich toe heeft te verhouden.
De leden van de fractie van de VVD en de ChristenUnie vragen naar een planning voor de eventuele aanpassingen aan het voorliggende wetsvoorstel. Op dit moment worden, zoals hiervoor geschetst, verschillende opties in kaart gebracht. Het kabinet stuurt hierover voor de zomer een brief aan beide Kamers. Indien een aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 mogelijk is en van dekking kan worden voorzien, loopt deze aanpassing gelijk in het pakket Belastingplan 2027.
De leden van de fractie van de VVD vragen naar de tijdslijn van het onderzoek door de Belastingdienst over de benodigde ICT-capaciteit voor de invoering van een achterwaartse verliesverrekening. Daarnaast vragen zij hoe de eventuele invoering van een achterwaartse verliesverrekening vanaf belastingjaar 2029 zich verhoudt tot de ICT-uitfasering van Cool:Gen in 2027. Het onderzoek door de Belastingdienst naar de achterwaartse verliesverrekening behelst onder meer een uitvoeringsanalyse waarin de benodigde ICT-capaciteit in kaart wordt gebracht. Voor de zomer zal ik u over de uitkomsten van dit onderzoek berichten waarbij ook wordt ingegaan op de eventuele samenloop van de benodigde ICT-capaciteit voor een achterwaartse verliesverrekening en de tijdige uitfasering van Cool:Gen.
De leden van de fractie van de SP stellen enkele vragen over de eventuele introductie van achterwaartse verliesverrekening. Zij vragen of het kabinet de analyse deelt dat achterwaartse verliesverrekening ertoe kan leiden dat de overheid feitelijk meedeelt in beleggingsverliezen en dat daarmee impliciet risico’s van particuliere beleggers (gedeeltelijk) gesocialiseerd worden. Ook vragen deze leden of met de introductie van achterwaartse verliesverrekening prikkels ontstaan om risicovoller te beleggen.
In algemene zin zorgt verliesverrekening voor een neutrale uitwerking van de belastingheffing op bijvoorbeeld risicovolle en veilige beleggingen en kortdurende of langer durende investeringen. Dit leidt dus tot meer gelijkheid. Zoals ook al in antwoord op vragen van de leden van de fractie van de BBB is aangegeven stelt het kabinet een ruime verliesverrekening met toekomstige positieve resultaten voor, omdat in het nieuwe stelsel als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting geldt. Daarbij is belasting verschuldigd over waardestijgingen die mogelijk in latere belastingjaren worden tenietgedaan door waardedalingen. Door een ruime verliesverrekening met toekomstige resultaten toe te staan wordt zoveel mogelijk voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden. Ook bij achterwaartse verliesverrekening is het zo dat het voor de verrekening van verliezen noodzakelijk is om ook een positief resultaat te behalen om de verliezen mee te kunnen verrekenen. De mogelijkheden voor achterwaartse verliesverrekening van een jaar worden op dit moment nog onderzocht, maar het kabinet verwacht niet dat een achterwaartse verliesverrekening van een jaar grote gevolgen heeft voor de prikkels om bijvoorbeeld risicovoller te beleggen.
De leden van de fractie van de SGP zijn van mening dat de achterwaartse verliesverrekening te beperkt is en vragen of het kabinet bereid is de termijn van de achterwaartse verliesverrekening uit te breiden.
Een uitgebreidere uitwerking van achterwaartse verliesverrekening ontvangt uw Kamer in de brief die voor de zomer verzonden zal worden. Op dit moment overweegt het kabinet echter niet om achterwaartse verliesverrekening te introduceren met een periode die langer is dan een jaar. Dat heeft te maken met de forse budgettaire derving van achterwaartse verliesverrekening en de impact op de uitvoering van het voorliggende wetsvoorstel door de Belastingdienst. Een dergelijke aanpassing is vanwege ICT-implicaties voor de Belastingdienst niet mogelijk omdat het huidige en het nieuwe stelsel zou bestrijken. De reden hiervoor is dat het huidige box 3 stelsel geschreven is met behulp van de verouderde ontwikkelsoftware Cool:Gen (dat wordt uitgefaseerd) en het nieuwe box 3 stelsel in een nieuwe programmeertaal zal worden geschreven
De leden van de fractie van FvD vragen welke effecten op het investeringsklimaat bedoeld worden in de brief van 6 maart jl. en willen graag weten hoe het investeringsklimaat wordt aangetast door de vermogensaanwassystematiek. Ook het lid van de fractie van 50PLUS vraagt welke systematiek en scherpe randjes bedoeld worden. Nadat het wetsvoorstel was aangenomen in de Tweede Kamer ontstond er onrust over de vermogensaanwassystematiek. Daarbij waren er ook veel signalen over de effecten van vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat in Nederland. Internationaal ontstond het beeld dat Nederland minder aantrekkelijk zou worden als vestigings- en investeringsland. Als dit beeld ontstaat, raakt dit uiteraard het investeringsklimaat. Het is aan het kabinet om op deze signalen te reageren. De Minister van Financiën is eindverantwoordelijk voor het totale uitgaven- en inkomstenkader en daarbij is ook het politieke en maatschappelijke draagvlak voor wetsvoorstellen met grote budgettaire consequenties van belang. In dat kader heeft ook de Minister gereageerd op de ontstane onrust.
Het kabinet is van mening dat liquiditeitsproblemen potentieel een belangrijke rol kunnen spelen bij onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen. Onroerende zaken zijn niet altijd eenvoudig te verkopen. In tegenstelling tot een aandelenportefeuille kan bij onroerende zaken niet een deel worden verkocht om de belasting over de ongerealiseerde waardestijging te voldoen. Daarom is voor deze vermogensbestanddelen in het wetsvoorstel een vermogenswinstsystematiek opgenomen. Het is niet zo dat aandelen volgens het kabinet ondergeschikt zijn aan onroerende zaken, zoals het lid van de fractie van 50PLUS suggereert.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom nu ineens wel achterwaartse verliesverrekening mogelijk zou zijn terwijl het tot dusver een ingrijpende structuurwijziging was die pas gerealiseerd kon worden na 2028. De leden van de fractie van Volt vragen waarom het nu wel mogelijk is om achterwaartse verliesverrekening te introduceren, terwijl in het debat met de Tweede Kamer gecommuniceerd is dat dit niet mogelijk was.
Het kabinet kijkt momenteel naast andere mogelijke aanpassingen naar het invoeren van een achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029 zoals ook voorgesteld in het eerdere amendement van het lid Hoogeveen103 en de motie Eerdmans/Bikker104 over achterwaartse verliesverrekening.
De Belastingdienst heeft tijdens de wetsbehandeling in de Tweede Kamer in een heel kort tijdsbestek onderzocht of het amendement van het lid Hoogeveen geïmplementeerd kan worden, een zogenoemde quickscan. Daarbij is een inschatting gemaakt van de benodigde ICT-capaciteit voor de aanpassing en gekeken of hier binnen het bestaande portfolio voldoende ruimte voor is. Dat was op basis van de beschikbare informatie niet het geval. Bij het opstellen van quickscans wordt niet gekeken naar mogelijke herprioritering van andere projecten, die een beroep doen op dezelfde specialistische ICT-capaciteit. De Belastingdienst brengt op dit moment gedetailleerder in kaart wat de benodigde capaciteit is voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening en de inpasbaarheid daarvan in de ICT-portfolio. Als een maatregel niet zonder meer inpasbaar is, betekent dit dat andere projecten mogelijk in de tijd verschoven moeten worden.
Voorstellen ter verbetering van het stelsel die gepaard gaan met een budgettaire derving zullen conform de begrotingsregels en de door de Tweede Kamer aangenomen motie Eerdmans/Bikker van dekking voorzien moeten worden in het brede vermogensdomein. De eventuele uitvoeringskosten van wijzigingen worden door middel van een uitvoeringstoets in beeld gebracht en conform de begrotingsregels van dekking voorzien.
Het lid van de fractie van 50PLUS stelt een aantal vragen over het proces van de eventuele aanpassingen van het voorliggende wetsvoorstel. Hij vraagt of de wijzigingen opgenomen worden in het wetsvoorstel Belastingplan, of een eigenstandig wetsvoorstel – novelle – vormen in het pakket Belastingplan. Dit lid vraagt in dit kader ook naar de aanpassing in het kader van startups waarvoor momenteel een internetconsultatie loopt.
Zoals ik ook tijdens het mondelinge overleg in de Eerste Kamer op 18 maart 2026 heb aangegeven leidt de introductie van achterwaartse verliesverrekening tot een budgettaire derving. Als het kabinet hiertoe besluit, dan zal ook een dekkingsmaatregel moeten worden getroffen voor de incidentele en structurele derving door deze maatregel. Het is niet ongebruikelijk dat een dergelijke dekking in een totaalpakket wordt opgenomen met andere maatregelen, zodat de derving en de dekking binnen het hele pakket worden gecombineerd. Over de vormgeving van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2027 kan daarom pas met zekerheid besloten worden als ook over de dekking van de eventuele aanpassingen van het voorliggende wetsvoorstel is besloten. Ik zal uw Kamer daarover informeren in de brief die voor de zomer wordt verstuurd.
Dit lid vraag ook hoe het aanpassen van het tijdpad zich verhoudt tot de wens van een deel van de Eerste Kamer het wetsvoorstel te behandelen voor de zomer. Het is uiteraard aan de Kamer zelf om te beslissen op welke wijze het voorliggende wetsvoorstel wordt behandeld. De behandeling kan afgerond worden nadat de wijziging van dat wetsvoorstel door middel van het Belastingplanpakket bij de Eerste Kamer is ingediend. Er kan echter ook besloten worden om het wetsvoorstel nu helemaal te behandelen. Eventuele aanpassingen kunnen dan opgenomen worden in een wijzigingswet die ook onderdeel kan zijn van het pakket Belastingplan 2027. Het kabinet overweegt in ieder geval niet het voorliggende wetsvoorstel in te trekken. Het huidige systeem is onhoudbaar, daarom is de invoering van het nieuwe stelsel per 2028 van groot belang.
Voor de duidelijkheid is het voorstel van het kabinet voor het proces de komende maanden als volgt:
• Voor de zomer geeft het kabinet, via een brief, de Tweede en Eerste Kamer meer inzicht in wat er mogelijk is binnen de vermogensaanwassystematiek van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en wat eventuele aanpassingen kosten.
• In augustus vindt binnen het kabinet integrale besluitvorming plaats over het lastenkader. Daar zal het kabinet ook over aanpassingen binnen het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 besluiten.
• Vervolgens zal ik op Prinsjesdag het parlement informeren over de uitkomsten van die integrale besluitvorming en zal ik dit aan het parlement voorleggen via het Belastingplanpakket.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom achterwaartse verliesverrekening uit het voorliggende wetsvoorstel is gelaten gegeven het feit dat in box 1 achterwaartse verliesverrekening van drie jaar bestaat en in box 2 en in de vennootschapsbelasting achterwaartse verliesverrekening van een jaar. Ook vraagt dit lid of het budgettaire argument en de bijbehorende dekking bij achterwaartse verliesverrekening de doorslaggevende argumenten waren om geen achterwaartse verliesverrekening te introduceren in het wetsvoorstel.
Het toestaan van achterwaartse verliesverrekening zorgt voor een derving in de eerste jaren van honderden miljoenen105 die gedekt moet worden. Daarnaast is het toestaan van achterwaartse verliesverrekening complex voor de Belastingdienst, omdat aanslagen van het voorafgaande jaar moeten worden aangepast. Bij een omvangrijk wetstraject als de introductie van het belasten van werkelijk rendement in box 3, worden zoveel mogelijk alle argumenten tegen elkaar afgewogen.
De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg
Kamerstukken II 1995/96, 24 761 B, blz. 7 (nader rapport bij het advies van de Raad van State).
Kamerstukken II 1995/96, 24 761 B, blz. 6 en 7 (nader rapport bij het advies van de Raad van State).
De box 3 ontvangsten volgen uit de definitieve aanslagen inkomstenenbelasting over de periode 2012 tot en met 2023. Deze zijn 2 jaar na afloop van een jaar beschikbaar. Realisaties van belastingen en sociale premies worden op basis van daadwerkelijk betaalde belastingen worden maandelijks geadministreerd op het niveau van de totale loon- en inkomensheffing en niet met onderscheid naar box 1, box 2 en box 3. Ramingen van belastingontvangsten in opeenvolgende begrotingen en in het Financieel jaarverslag van het Rijk zijn daarom altijd op het niveau van belastingmiddel (naast de loon- en inkomensheffing is dat de vennootschapsbelasting de btw, etc, zie onder andere bijlage 3 van de Miljoenennota 2026).
NOB 10 maart 2026, Nadere beschouwing WWR box 3, https://www.nob.net/publicaties/nadere-beschouwing-wwr-box-3.
HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:813 en ECLI:NL:HR:2024:771.
Zie: Internationaal onderzoek box 3 – NOB (https://www.nob.net/actueel/internationaal-onderzoek-box-3/).
OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences and challenges, 26 February 2025.
OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences and challenges, 26 February 2025.
OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences and challenges, 26 February 2025.
Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812, Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 6, blg. 783313, «Internationaal onderzoek box 3, Een overzicht van de fiscale behandeling van inkomsten uit vermogen in Denemarken, Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.»
OECD Taxation Working Papers No. 2 on Tax Policy Analysis and Tax Statistics, 5 November 2024.
Brülhart, M. et al., «Behavioral Responses to Wealth Taxes: Evidence from Switzerland», American Economic Journal: Economic Policy, 2022, Vol. 14/4.
Agrawal, D., D. Foremny and C. Martínez-Toledano, «Paraísos Fiscales, Wealth Taxation,and Mobility», SSRN Electronic Journal, 2022.
Iacono, R. and B. Smedsvik, «Behavioral responses to wealth taxation: evidence from a Norwegian reform», World Inequality Lab, 2024.
Jakobsen, K. et al., «Taxing Top Wealth: Migration Responses and Their AggregateEconomic Implications», SSRN Electronic Journal, 2024.
Jacobs, «Geeft een vermogenswinstbelasting grotere belastingopbrengsten dan een vermogensaanwasbelasting? Nee», d.d. 27 februari 2026.
Common Reporting Standard (2025) – Standard for Automatic Exchange of Financial Account Information in Tax Matters – opgesteld door de OECD
Nederland heeft op 18 december 2013 een IGA met de Verenigde Staten afgesloten om de gevraagde informatie van financiële instellingen in Nederland in te winnen en door te geven aan de Amerikaanse Internal Revenu Service (IRS).
Kamerstukken II 1995/96, 24 761 B, blz. 7 (nader rapport bij het advies van de Raad van State).
Kamerstukken II 1995/96, 24 761 B, blz. 6 en 7 (nader rapport bij het advies van de Raad van State).
De box 3 ontvangsten volgen uit de definitieve aanslagen inkomstenenbelasting over de periode 2012 tot en met 2023. Deze zijn 2 jaar na afloop van een jaar beschikbaar. Realisaties van belastingen en sociale premies worden op basis van daadwerkelijk betaalde belastingen worden maandelijks geadministreerd op het niveau van de totale loon- en inkomensheffing en niet met onderscheid naar box 1, box 2 en box 3. Ramingen van belastingontvangsten in opeenvolgende begrotingen en in het Financieel jaarverslag van het Rijk zijn daarom altijd op het niveau van belastingmiddel (naast de loon- en inkomensheffing is dat de vennootschapsbelasting de btw, etc, zie onder andere bijlage 3 van de Miljoenennota 2026).
NOB 10 maart 2026, Nadere beschouwing WWR box 3, https://www.nob.net/publicaties/nadere-beschouwing-wwr-box-3.
HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:813 en ECLI:NL:HR:2024:771.
Zie: Internationaal onderzoek box 3 – NOB (https://www.nob.net/actueel/internationaal-onderzoek-box-3/).
OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences and challenges, 26 February 2025.
OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences and challenges, 26 February 2025.
OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences and challenges, 26 February 2025.
Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812, Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 6, blg. 783313, «Internationaal onderzoek box 3, Een overzicht van de fiscale behandeling van inkomsten uit vermogen in Denemarken, Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.»
OECD Taxation Working Papers No. 2 on Tax Policy Analysis and Tax Statistics, 5 November 2024.
Brülhart, M. et al., «Behavioral Responses to Wealth Taxes: Evidence from Switzerland», American Economic Journal: Economic Policy, 2022, Vol. 14/4.
Agrawal, D., D. Foremny and C. Martínez-Toledano, «Paraísos Fiscales, Wealth Taxation,and Mobility», SSRN Electronic Journal, 2022.
Iacono, R. and B. Smedsvik, «Behavioral responses to wealth taxation: evidence from a Norwegian reform», World Inequality Lab, 2024.
Jakobsen, K. et al., «Taxing Top Wealth: Migration Responses and Their AggregateEconomic Implications», SSRN Electronic Journal, 2024.
Jacobs, «Geeft een vermogenswinstbelasting grotere belastingopbrengsten dan een vermogensaanwasbelasting? Nee», d.d. 27 februari 2026.
Common Reporting Standard (2025) – Standard for Automatic Exchange of Financial Account Information in Tax Matters – opgesteld door de OECD
Nederland heeft op 18 december 2013 een IGA met de Verenigde Staten afgesloten om de gevraagde informatie van financiële instellingen in Nederland in te winnen en door te geven aan de Amerikaanse Internal Revenu Service (IRS).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36748-F.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.