35 470 XVII Jaarverslag en slotwet Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2019

Nr. 1 BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING (XVII)

Aangeboden 20 mei 2020

Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen voor 2019Totaal 3.046,8 (x EUR 1 miljoen)

Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen voor 2019qaTotaal 3.046,8 (x EUR 1 miljoen)

Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen voor 2019Totaal 59,1 (x EUR 1 miljoen)

Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen voor 2019qaTotaal 59,1 (x EUR 1 miljoen)

Inhoudsopgave Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII)

A.

ALGEMEEN

4

 

1.

Aanbieding jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

4

 

2.

Leeswijzer

6

       

B.

BELEIDSVERSLAG

12

 

3.

Beleidsprioriteiten

12

 

4.

Beleidsartikelen:

39

   

Artikel 1: Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen

39

   

Artikel 2: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat

48

   

Artikel 3: Sociale vooruitgang

56

   

Artikel 4: Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling

64

   

Artikel 5: Multilaterale samenwerking en overige inzet

72

 

5.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

78

       

C.

JAARREKENING

81

 

6.

Departementale verantwoordingsstaat

81

 

7.

Saldibalans per 31 december 2019 en toelichting begroting Buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking (XVII)

82

       

D.

BIJLAGEN

95

 

1.

Afgeronde evaluatie- en overige onderzoeken

95

 

2.

Sanctiebeleid en malversaties

100

 

3.

Toelichting op streefwaarden en indicatoren

116

 

4.

Afkortingen

126

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING JAARVERSLAG EN VERZOEK TOT DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik het jaarverslag met betrekking tot de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) over het jaar 2019 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking decharge te verlenen over het in het jaar 2019 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • a. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • b. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • c. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • d. de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • e. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • a. het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2019;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel Jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel Jaarverslag van het Rijk, over 2019 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2019, alsmede over de saldibalans over 2019 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.A.M. Kaag

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Inleiding

In deze leeswijzer wordt de indeling van het jaarverslag voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) toegelicht. In die gevallen waarin afwijkingen van de Rijksbegrotingsvoorschriften voorkomen, wordt dit beschreven.

Het jaarverslag 2019 vormt in principe een spiegel van de memorie van toelichting zoals deze op Prinsjesdag 2018 aan de Kamer is aangeboden.

De jaarverslagen van Buitenlandse Zaken (BZ) en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dienen in nauwe samenhang te worden bezien. De inzet op het Nederlandse buitenlandbeleid komt tot uitdrukking in de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). Door deze bundeling wordt de onderlinge samenhang geïllustreerd en samenwerking en afstemming binnen de betrokken ministeries bevorderd.

In oktober 2017 verscheen het Regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst van het kabinet Rutte III. De ambities en uitdagingen van het kabinet zijn uitgewerkt in diverse beleidsnota’s en brieven waaronder de beleidsnota Investeren in Perspectief, Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidsstrategie 2018–2022 en de Integrale migratieagenda.

Buitenlandse betrekkingen zijn een zaak van het Koninkrijk der Nederlanden: Nederland in Europa, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, alsmede de Nederlandse openbare lichamen in het Caribisch gebied (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba). Waar dit jaarverslag spreekt over «Nederland» of «Nederlands» wordt daarmee bedoeld: «(van) het Koninkrijk der Nederlanden», tenzij het gaat om zaken die specifiek het land Nederland betreffen, zoals het EU-lidmaatschap en ontwikkelingssamenwerking.

Focusonderwerp

Er is voor het jaarverslag 2019 door de Tweede Kamer een focusonderwerp aangewezen. Het focusonderwerp betreft: een voortzetting van de focus op de onderbouwingen van de ramingen met daarbij specifieke aandacht voor de onderschrijdingen ten opzichte van het geraamde uitgavenkader. Voor de verantwoording over 2019 wordt specifiek aandacht besteed aan hoe onderuitputting en plafondonderschrijdingen zich verhouden tot de ramings- en begrotingssystematiek. Daarbij zal er ook aandacht zijn voor de grootste over- en onderschrijdingen in 2019 en eerdere jaren.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag begint met de beleidsprioriteiten. Daarna is een tabel opgenomen met daarin een rapportage over resultaten met (OS-)indicatoren en streefwaarden (2019) en daarop volgend de realisatie van de beleidsdoorlichtingen en een overzicht van risicoregelingen. Artikelsgewijs is op hoofdlijnen gerapporteerd over de resultaten van 2019, waarbij ingegaan wordt op de algemene doelstelling, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister voor BHOS en de beleidsconclusies. In de beleidsconclusies is per artikel aangegeven welke beleidswijzigingen hebben plaatsgevonden in de uitvoering van het beleid en welke beleidswijzigingen hebben plaatsgevonden als gevolg van het in 2019 afgeronde evaluatieonderzoek, waarbij met name wordt ingegaan op de beleidsdoorlichtingen.

Rapportage over resultaten

In het Wetgevingsoverleg van 21 juni 2016 nam de Tweede Kamer de motie-Smaling c.s. (Motie van het lid Smaling c.s. over het te volgen traject bij de jaarrekening ontwikkelingssamenwerking, Kamerstukken 34 475-XVII, nr. 8) aan om, net als bij de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, ook bij het jaarverslag doelen en resultaten nog inzichtelijker te presenteren. De motie vraagt om – zo kwantitatief mogelijk – inzichtelijk te maken in hoeverre doelen zijn behaald en welke factoren daarbij een rol hebben gespeeld. Het kabinet heeft de Tweede Kamer op 15 september 2016 een brief (Kamerstuk TK 2015–2016, 34 300-XVII, nr. 70) gestuurd met daarin de wijze van uitvoering van deze motie.

In de begroting voor 2019 zijn voor de derde keer indicatoren en streefwaarden opgenomen. Op verzoek van de Kamer is het aantal OS-indicatoren uitgebreid van 15 naar 17. Deze indicatoren zijn te vinden onder de beleidsprioriteiten van het beleidsverslag. Ook zijn er in dit jaarverslag twee nieuwe indicatoren voor buitenlandse handel en investeringen opgenomen. Daarnaast is in bijlage 3 van dit jaarverslag (departement-specifieke bijlage) een nadere toelichting en analyse per indicator opgenomen. De behaalde resultaten zijn conform de toezegging in de genoemde brief van 15 september 2017 in dit jaarverslag opgenomen. Dit is in lijn met de systematiek van verantwoord begroten, zoals vastgelegd in de Rijksbegrotingsvoorschriften (model 3.22b verwijst naar model 1.33b Rol en verantwoordelijkheid).

Indicatoren maken het effect van interventies meetbaar en drukken dit uit in te bereiken en bereikte streefwaarden op diverse niveaus: impact, outcome, output en input. De indicatoren en (waar van toepassing) streefwaarden voor deze begroting liggen voornamelijk op outcome niveau, en zijn zoveel mogelijk SMART geformuleerd (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden). Voor de indicatoren zijn methodologische notities opgesteld.

De streefwaarden en indicatoren zijn mede afgeleid van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), die internationaal zijn afgesproken tijdens de VN-top daarover in september 2015. Deze doelen worden zowel nationaal als internationaal gemonitord. In de indicatorentabel op pagina 22–27 is een verwijzing opgenomen naar de corresponderende SDG.

Naast de SDG’s vormen de Theories of Change een belangrijke basis. Deze geven aan hoe en waarom de door Nederland gesteunde interventies en activiteiten bijdragen aan de gewenste maatschappelijke en economische veranderingen en resultaten. De Theories of Change zijn aangepast op basis van de nieuwe BHOS-nota en te vinden op: Theories of Change Ontwikkelingssamenwerking.

Omdat niet alle resultaten kwantitatief meetbaar en te aggregeren zijn, dienen de 17 indicatoren en streefwaarden in samenhang te worden bezien met de overige in deze begroting geformuleerde (kwalitatieve) doelen en resultaten.

Inspanningen in ontwikkelingssamenwerking zullen in veel gevallen pas na een aantal jaar vruchten afwerpen en niet lineair verlopen. Daarom wordt de horizon van 2030 van de SDG’s gehanteerd. Deze termijn wordt voor de BHOS-begroting opgesplitst in drie overzienbare periodes van eerst vier en dan twee keer vijf jaar. De indicatoren en eventueel bijbehorende streefwaarden zullen daarom periodiek worden bijgesteld (eerste periode van 2017 tot en met 2020; tweede periode van 2021–2025 en derde van 2026–2030). Uitzonderingen zijn water, sanitaire voorzieningen, voorlichting over hygiëne en klimaat waarvoor per indicator reeds streefwaarden zijn vastgelegd voor 2030, het eindjaar van de SDG’s.

De werkelijk behaalde resultaten worden gerapporteerd in het jaarverslag met een toelichting op de succes- en faalfactoren. De realisaties voor de indicatoren in het jaar 2017 worden gehanteerd als referentiewaarden. De meeste streefwaarden zijn uitgedrukt in absolute getallen die in het specifieke jaar worden bereikt (aantal personen, organisaties). In een aantal gevallen betreffen de streefwaarden cumulatieve waarden (dus een optelsom van de bereikte resultaten in alle jaren binnen de meetperiode).

In de bovengenoemde Kamerbrief is aangegeven dat de rapportagesystematiek in stappen wordt aangepast, met als doel het jaarverslag en de online resultatenrapportage te integreren en op het zelfde moment te publiceren. De online resultatenrapportage is te vinden op www.osresultaten.nl. Het kost de uitvoerders van de programma’s in de diverse landen tijd om de benodigde informatie te verzamelen en daarover te rapporteren. Dit kan oplopen tot zes maanden na afloop van een kalenderjaar. Daarom is gekozen voor een methode waarbij de resultaten in het jaarverslag voortkomen uit de rapportages van de uitvoerders die zijn ontvangen en goedgekeurd in de periode van 1 oktober 2018 tot 30 september 2019. Dit geeft ook voldoende tijd om de gegevens te analyseren. Gevolg is dat de gerapporteerde resultaten gedeeltelijk behaald zijn in 2019 en voor het overige voornamelijk in 2018. Deze methode zal ook in de toekomst worden gehanteerd.

In reactie op de motie Becker/Bouali (Kamerstukken 21 501/04, nr. 209) en zoals aangegeven in de Kamerbrief over de kabinetsinzet op het gebied van EU-ontwikkelingssamenwerking (Kamerstukken 34 952, nr. 41) wordt in deze resultatenrapportage (onderdeel resultaten van EU-ontwikkelingssamenwerking) ook kort ingegaan op resultaten die de EU via het EU externe financieringsinstrumentarium heeft bereikt.

In de BHOS-begroting 2019 zijn twee nieuwe indicatoren opgenomen, voor Opvang en Bescherming in de Regio en voor Buitenlandse Handel en hierover wordt gerapporteerd in dit jaarverslag 2019.

Budgettaire gevolgen van beleid en toelichting

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid zijn eventuele opmerkelijke verschillen tussen de begroting en de realisatie 2019 opgenomen. Afwijkingen in de verplichtingen en ontvangsten worden toegelicht als de afwijking ten opzichte van de vastgestelde begroting groter is dan 10% op artikelniveau. Afwijkingen in de uitgaven worden toelicht indien de afwijking ten opzichte van de vastgestelde begroting groter is dan 10% op artikelonderdeelniveau én de afwijking groter is dan EUR 2 miljoen. Waar nodig wordt verwezen naar de eerste of tweede suppletoire begroting.

In de budgettaire tabellen in het jaarverslag is geen onderscheid gemaakt tussen decommitteringen op oude en nieuwe verplichtingen. Alle decommitteringen worden ten gunste van de begroting gebracht.

In 2019 is er een balanstechnische correctie van EUR 22,8 miljoen uitgevoerd op de beginstand van verplichtingen van artikel 1. Deze correctie is het gevolg van een systeemfout in het administratiesysteem SAP in 2018, die na het afgeven van de controleverklaring 2018 werd geconstateerd. Deze fout heeft als gevolg dat de verplichtingenstand in 2018 op artikel 1 EUR 22,8 miljoen te laag is weergegeven. Deze correctie is doorgevoerd op de verplichtingenstand van artikel 1 in 2019 en resulteert in een verhoging van EUR 22,8 miljoen op de beginbalans.

Zoals ook gemeld in de begroting 2019 (pagina’s 3 en 4) hebben enkele aanpassingen plaatsgevonden in de beleidsartikelen om de doelstellingen van het buitenlands beleid in lijn te brengen met Regeerakkoord Rutte III. Voor de BHOS-begroting heeft dit onder andere tot gevolg gehad dat het budget voor het «Dutch Good Growth Fund» is verplaatst van artikelonderdeel 1.4 naar artikelonderdeel 1.3. Verder is artikelonderdeel 5.3 «Bijdrage aan migratie en ontwikkeling» vervallen en het budget is opgenomen onder «Opvang en bescherming in de regio en migratiesamenwerking» (artikelonderdeel 4.2). Hierdoor zijn in 2019 de lopende verplichtingenbudgetten verschoven van de oude, niet meer bestaande, artikelonderdelen en opgenomen onder artikelonderdeel 1.3 respectievelijk 4.2. Nu er per saldo geen sprake is van een mutatie (de oude artikelonderdelen zijn in de administratie voor 2019 niet meer in gebruik) zijn deze mutaties met elkaar gesaldeerd. Zij zijn in de begrotingstabellen niet zichbaar.

Bij het opstellen van de begroting is voor het merendeel van de uitgaven voor één of twee instrumenten gekozen, terwijl in de realisatie blijkt dat een beperkt deel van de uitgaven op aanvullende instrumenten verwerkt is. Dit omdat van tevoren niet bekend is welke financieel instrument gebruikt wordt om de beleidsdoelstelling te behalen. Om de leesbaarheid van de tabellen waarin de financiële gevolgen van beleid zijn weergegeven, toch te waarborgen, is er daarom in sommige gevallen voor gekozen om de realisatiecijfers op te nemen bij het in de begroting benoemde instrument en de bedragen niet op te splitsen. Omdat de realisaties op instrumentniveau jaarlijks verschillen zijn deze voor eerdere jaren niet weergegeven waardoor het totaal van de instrumenten in sommige gevallen niet optelt tot het totaal van de artikelonderdelen. Dit speelt met name in 2015 en 2016.

In lijn met de toezegging aan de Kamer over het jaarverslag en de slotwet 2012 is in het BHOS-jaarverslag (onder het beleidsartikel) opgenomen of de geplande uitgaven aan een landenprogramma voor een thema lager/hoger uitvallen. Alleen afwijkingen groter dan EUR 5 miljoen zijn toegelicht. De realisaties op de landenprogramma’s zijn opgenomen in het HGIS-jaarverslag 2019.

Departementale verantwoordingsstaat en saldibalans

Verschillen in de totalen tussen de verantwoordingsstaat en de saldibalans zijn het gevolg van afrondingen.

Overige onderdelen van het jaarverslag

Na de beleidsprioriteiten en beleidsartikelen volgt de bedrijfsvoeringsparagraaf waarin de belangrijkste tekortkomingen en risico's in het begrotingsjaar worden benoemd. Ten slotte volgt de jaarrekening van BHOS en vier bijlagen:

  • 1) Overzicht van de afgeronde evaluatie-onderzoeken;

  • 2) Sanctiebeleid en malversaties;

  • 3) Toelichting op de streefwaarden en indicatoren;

  • 4) Afkortingen.

Voor de externe inhuur en het overzicht WNT-verantwoording 2019 wordt verwezen naar het jaarverslag van het moederdepartement, Buitenlandse Zaken.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

In de bedrijfsvoeringsparagraaf worden de belangrijkste tekortkomingen en risico's in het begrotingsjaar benoemd. In de uitvoering van het beleid op het terrein van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wordt gebruik gemaakt van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het is om deze reden dat in de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Uitzondering hierop zijn de onderdelen rechtmatigheid, de totstandkoming van de beleidsinformatie en de procesmatige beheersing van de activiteitscyclus. Bij de uitsplitsing van de begroting in 2013 in het begrotingshoofdstuk V Buitenlandse Zaken en het begrotingshoofdstuk XVII Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn in navolging van een verzoek van de Algemene Rekenkamer de verantwoordelijkheden van de ministers ten aanzien van de bedrijfsvoering expliciet vastgelegd. De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de integrale bedrijfsvoering, met uitzondering van de procesmatige beheersing van de activiteitencyclus. De belangrijkste reden voor deze splitsing is dat het merendeel van de projecten en programma's in het kader van Ontwikkelingssamenwerking wordt uitgevoerd. De huidige opzet van het activiteitenbeheer is gestoeld op de afspraken die de toenmalige Minister voor Ontwikkelingssamenwerking met de Tweede Kamer in 1998 heeft gemaakt over de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van besteding van middelen. Het voorschottenbeleid en beheer is daarom in het onderdeel financieel en materieelbeheer in de bedrijfsvoeringsparagraaf van hoofdstuk XVII opgenomen.

Groeiparagraaf

De opzet van de beleidsartikelen is verder in lijn gebracht met de uitgangspunten van «Verantwoord Begroten». Hierbij is met name aandacht besteed aan de presentatie van de instrumenten in de budgettaire tabellen, waarbij de toelichtingen bij de financiële instrumenten zoveel mogelijk zijn gericht op de concrete beleidsinzet van de betreffende instrumenten.

In lijn met de BHOS-begroting 2019 wordt het beleidsverslag (in het BHOS-jaarverslag 2019) afgesloten met een overzicht van risicoregelingen. Het dit jaar voor het eerst opgenomen overzicht revolverende fondsen is invulling van de toezegging in de nadere reactie van de minister op het rapport van de Algemene Rekenkamer «Zicht op revolverende Fondsen».

In lijn met de begroting 2019 wordt het beleidsverslag afgesloten met een risicoparagraaf bestaande uit een overzicht van de risicoregeling en een toelichting daarop. Tot en met de begroting voor 2018 werden uit praktische overwegingen zowel de risicoregelingen van Buitenlandse Zaken (V) als van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) opgenomen in de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII). Met ingang van de memorie van toelichting 2019 is een splitsing gemaakt tussen de regelingen van beide hoofdstukken. Daarom wordt de garantie voor de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa afzonderlijk opgenomen in de risicoparagraaf van de memorie van toelichting bij de begroting van Buitenlandse Zaken (V).

HGIS-jaarverslag

De Nederlandse uitgaven voor buitenlands beleid, die op verschillende departementale begrotingen staan, zijn gebundeld in de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). In aanvulling op de departementale jaarverslagen geeft het HGIS-jaarverslag een integraal overzicht van de besteding van middelen voor buitenlands beleid. Samen met de jaarverslagen van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking, wordt het HGIS-jaarverslag 2019 aangeboden aan het parlement.

Grondslagen voor de vastlegging en de waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften 2020. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast. Verder werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken met een vooraf vastgestelde wisselkoers ten opzichte van buitenlandse valuta (de corporate rate). Deze koers wordt samen met de presentatie van de begroting vastgesteld.

Controleverklaring en auditrapport

In het kader van de wettelijke controletaak voert de Auditdienst Rijk jaarlijks onderzoek uit naar:

  • a. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.31 van de Comptabiliteitswet 2016;

  • b. de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.31 van de Comptabiliteitswet 2016.

Daarnaast voert de Auditdienst Rijk onderzoek uit naar het begrotingsbeheer, het financieel beheer, de materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk.

Over de belangrijkste bevindingen van deze onderzoeken en van eventuele onderzoeken naar overige aspecten van de bedrijfsvoering brengt de ADR verslag uit in het jaarlijkse auditrapport waarin zowel hoofdstuk V als XVII zijn opgenomen.

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

Voor Nederland, wereldwijd

Het jaar 2019 stond in het teken van de implementatie van de BHOS-nota Investeren in Perspectief. De verschuiving naar de focusregio’s werd zichtbaar; nieuwe fondsen en programma’s werden gelanceerd. Beleidsthema’s zoals werk en onderwijs voor jongeren en vrouwen, maar ook seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, geestelijke gezondheid en psychosociale zorg in crisisrespons en digitalisering werden nader uitgewerkt. Op het gebied van economische diplomatie en handel is verder gewerkt aan de internationale positie en verdienvermogen van Nederland, internationaal verantwoord ondernemen door middel van de sectorconvenanten en het verder versterken van de dienstverlening aan MKB en startups.

De inzet op de hoofddoelen van de BHOS-nota – vermindering van instabiliteit, armoede en ongelijkheid in ontwikkelingslanden; bevordering van duurzame economische groei en effectieve klimaatactie wereldwijd; versterking van het internationaal verdienvermogen van Nederland – blijven onverminderd van belang om uitdagingen als ongelijkheid, aanhoudende conflicten, vluchtelingen- en migratiestromen, maar ook klimaatverandering het hoofd te bieden. Een overwegend teleurstellende uitkomst van de klimaattop in Madrid en de voortdurende humanitaire crisis in Jemen leidden tot extra hoofdbrekens. 2019 werd verder getekend door de Brexit, oprukkend protectionisme, het handelsconflict tussen de VS en China, een toenemende druk op het mondiale handelssysteem en een verdieping van de crisis in de Wereldhandelsorganisatie.

De zeventien duurzame ontwikkelingsdoelen voor 2030 (Sustainable Development Goals – SDG’s) vormen het kader voor de bestrijding van de grondoorzaken van armoede, migratie, terreur en klimaatverandering. In 2019 concludeerde de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (VN) dat de wereldwijde actie onvoldoende is om de SDG’s in 2030 te behalen, en dat daarom een versnelling noodzakelijk is. Tijdens de VN-top over de SDG’s benadrukte Nederland het belang van mondiale inzet op circulaire economie, verbeterde toegang tot recht, de verbetering van de positie van vrouwen, inclusiviteit, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en klimaatactie om de SDG’s te realiseren.

Investeringen in het postennet

In het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» heeft het kabinet aangekondigd dat het netwerk van ambassades, consulaten en permanente vertegenwoordigingen zou worden uitgebreid en versterkt. Voor deze investering trok het kabinet structureel 40 miljoen uit in een oplopende reeks (EUR 10 miljoen in 2018 oplopend tot EUR 40 miljoen in 2021). Over de plannen met betrekking tot deze investeringen is de Kamer geïnformeerd in juli en oktober 2018 (Kamerstukken 32 734, nr. 31 en Kamerstukken 32 734, nr. 32). In deze brieven is aangegeven op welke prioriteiten wordt geïntensiveerd en welke posten hiervoor worden versterkt. In een aantal gevallen gaat het daarbij om posten in ontwikkelingslanden, en om versterking op thema’s als stabiliteit en armoedebestrijding. Daarnaast is de economische functie van het postennet versterkt en uitgebreid om Nederlandse bedrijven te ondersteunen en economische kansen te creëren.

Posten die in 2018 zijn uitgebreid is gevraagd te rapporteren over de extra resultaten die zijn geboekt met de extra medewerkers op de thema’s waarop is geïntensiveerd. De interactieve kaart hieronder is ontleend aan het jaarverslag BZ 2019 en geeft per versterkte post kort aan welke extra resultaten konden worden geboekt.

Dit beleidsjaarverslag volgt de structuur van de begroting 2019 op hoofdlijnen. Hieronder volgt per thema toelichting op de Nederlandse inzet in dat jaar.

Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes (SDG5) inclusief seksuele en reprodudctieve gezondheid en rechten blijven een rode draad

In 2019 werd voor dit thema een aparte ambassadeur Vrouwenrechten en Gendergelijkheid aangesteld. Voorts werd deelgenomen aan onderhandelingen in de VN (Commission on the Status of Women, Commission on Population and Development, ICDP-top in Nairobi en voorbereidingen Beijing+25). In deze gremia slaagde Nederland erin, soms tegen de stroom in en gesterkt door het gewicht van EU en Noord-Zuid coalities in onderhandelingen, internationaal overeengekomen uitgangspunten inzake gendergelijkheid en SRGR overeind te houden. Daarnaast nam Nederland een voortrekkersrol in op het blijvend agenderen van zuidelijk leiderschap, financiering van vrouwenrechtenorganisaties, rechten van sekswerkers en deelname van vrouwen aan vredesbesprekingen (@NLatUN).

De programma’s onder Funding Leadership Opportunities for Women, Nationaal Actieplan (NAP) 1325, Leading from the South en Samenspraak & Tegenspraak hebben de capaciteit versterkt van maatschappelijke- en vrouwenrechten-organisaties. Daarnaast hebben ze geleid tot concrete verbeteringen in het leven en de positie van vrouwen en meisjes (OS-resultatenrapportage). In 2019 zijn, in consultatie met het maatschappelijk middenveld beleidskaders (Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld), ontwikkeld voor de opvolgers van deze programma’s onder de paraplu van het SDG5 fonds. In dat nieuwe fonds gaat een groter deel van de financiering direct naar Zuidelijke vrouwenrechtenorganisaties. In 2019 is het Nationale Actieplan 1325 met een jaar verlengd (tot eind 2020). BZ-medewerkers konden voor kennis en best practices om gender te integreren terecht bij het Gender@Work kennisportaal, gendertrainingen en de Gender Focal Points appgroep. Hierdoor weten steeds meer BZ-medewerkers hoe gender te integreren in hun werk om bij te dragen aan gendergelijkheid en een inclusiever en effectiever buitenlandbeleid.

1. Vermindering instabiliteit, armoede en ongelijkheid

Investeren in onderwijs, werk en inkomen

Nederland heeft in 2019 de beoogde extra inzet (EUR 60 miljoen) op onderwijs, werk en inkomen voor jongeren en vrouwen gerealiseerd, vooral in de focusregio’s. Dit leidt in deze regio’s tot een beter toekomstperspectief en ook tot meer stabiliteit en veiligheid.

Nederland steunt het Global Partnership for Education (GPE) en ook de steun aan Education Cannot Wait (ECW) is gecontinueerd, evenals aan het Orange Knowledge Programme (OKP); deze programma’s bereiken miljoenen kinderen en jongeren. In 2019 is het Nexus Skills and Jobs programme van start gegaan in Libanon, waardoor jonge mannen en vrouwen betere kansen krijgen op de lokale arbeidsmarkt. In de overige zeven focuslanden steunt dit programma jongeren bij de overgang van school naar (beter) werk vanaf 2020. Nederland heeft zich bovendien, samen met het Verenigd Koninkrijk, in 2019 sterk ingezet voor het opzetten van de International Finance Facility for Education (IFFEd). Dit innovatieve financieringsinstrument wordt in 2020 officieel gelanceerd en zal, door een gecombineerde inzet van garanties en giften, via multilaterale ontwikkelingsbanken goedkopere leningen voor onderwijsfinanciering verstrekken, vanaf 2021.

Een belangrijke stap in het creëren van meer werkgelegenheid voor jongeren werd gezet met de lancering van het Challenge Fund for Youth Employment (CFYE). Daarnaast werden in een tiental landen Orange Corners geopend die jonge ondernemers en start-ups ondersteunen. Lopende programma’s, zoals het Local Employment in Africa for Development (LEAD), werden meer gericht op focuslanden zodat juist daar extra inzet op werk en inkomen voor jongeren en vrouwen plaatsvond. Agriterra heeft de positie van jongeren en vrouwen bij boerenorganisaties en landbouwcoöperaties versterkt en kansen op werk voor jongeren bij deze coöperaties vergroot, met name in West-Afrika. Voorts is het NASIRA-programma van start gegaan, dat met garanties van de Europese Commissie en FMO (MASSIF-fund) 800.000 jongeren, vrouwelijke ondernemers en ondernemers met een migratieachtergrond in ontwikkelingslanden toegang tot financiering biedt.

Rechtvaardige en vreedzame samenlevingen

De Nederlandse inzet op veiligheid en rechtsorde richtte zich ook in 2019 op het vergroten van legitieme stabiliteit. Hierbij ligt de nadruk op de veiligheid van burgers (human security), de toegang tot recht en op politiek bestuur en vredesopbouw in de focusregio’s. Hiermee draagt Nederland bij aan SDG16, gericht op vreedzame, inclusieve samenlevingen.

Nederland organiseerde in 2019 een conferentie met een twintigtal ministers en hoofden van internationale organisaties, die een verklaring aannam voor meer mensgerichte en data-gedreven justitiehervormingen: de The Hague Declaration on Access to Justice for All (2019). Ook faciliteerde Nederland een vergadering van tien ministers van justitie van de groep van G7+ (door conflict getroffen) landen die een actieplan aannamen, op basis van dezelfde principes: G7+ Ministers of Justice Joint Action Plan .

Access to Justice en de SDG-agenda

Als co-voorzitter van de Pathfinders Task Force on Justice zette Nederland zich in voor concrete committeringen om toegang tot recht voor iedereen te bevorderen. In mei lanceerde de Task Force zijn rapport, met nieuwe data en aanbevelingen, tijdens het World Justice Forum in Den Haag: het Justice for All Report . De Secretaris-Generaal van de VN noemde data uit het rapport tijdens zijn openingsspeech in het High Level Political Forum en wees op het belang van eerlijke en efficiënte rechtssystemen voor inclusieve ontwikkeling. In zijn toespraak tijdens de SDG-top noemde de Koning onder andere het belang van en de Nederlandse inzet voor het wereldwijd verbeteren van de toegang tot recht. In juli publiceerde de Minister voor BHOS met de andere voorzitters van de Task Force on Justice een opiniebijdrage in Newsweek: Time to Commit to Justice for All .

Onderdeel van de inzet op veiligheid en rechtsorde is bevordering van de participatie van vrouwelijke militairen en politie in VN-vredesmissies. In 2019 steunde Nederland in dit verband het UN Elsie Initiative Fund for Women in Peace Operations bedoeld om barrières voor participatie van vrouwen in vredesmissies weg te nemen.

Betere voeding en klimaatslimme landbouw

In juni 2019 hebben de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister voor BHOS de aangepaste inzet op voedselzekerheid «Op weg naar een wereld zonder honger in 2030» (Kamerbrief, TK 2018–2019, 33 625, nr 280) gepresenteerd. Hierin wordt specifiek aandacht besteed aan de relatie tussen SDG 2 en de klimaat- en biodiversiteitsproblematiek. Tijdens de Climate Action Summit heeft Nederland aandacht gevraagd voor klimaatadaptatie in het voedselzekerheidsbeleid. Deze bredere aanpak is onder meer in de Sahel zichtbaar in het Dryland Sahel Program . Dit is een omvangrijk (EUR 100 miljoen), innovatief en langjarig (10 jaar) programma gericht op een integrale aanpak van land- en watergebruik voor duurzame impact op klimaatbestendige voedselproductie in Burkina Faso, Niger en Mali. In fragiele landen in de Hoorn van Afrika is een programma van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) van start gegaan voor de vergroting van de (klimaat)weerbaarheid van de bevolking in Somalië, Soedan en Zuid-Soedan. Voor de versterking van de Nederlandse inzet op landrechten, werd het land@scale programma breed opgezet met impact op inclusieve toegang, verminderd conflict en duurzaam gebruik van land en natuurlijke hulpbronnen voor voedselproductie en huisvesting.

Mobiliseren van Nederlandse kennis werd in 2019 vereenvoudigd door de lancering van het Netherlands Food Partnership (NFP) dat Nederlandse partijen bij elkaar zal brengen om meer impact voor voedselzekerheid te realiseren. Het eerste voorbeeld van een initiatief is SEEDNL waarbij de zaaizaadsector in ontwikkelingslanden wordt versterkt door een gezamenlijke inzet van de Nederlandse overheid, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en Nederlandse bedrijven werkzaam met zaden en jonge planten.

Waterbeheer, drinkwater en sanitaire voorzieningen

De interdepartementale inzet voor de watergerelateerde SDG’s tot 2030 is geactualiseerd, en sterker gericht op klimaatadaptatie, zoals toegelicht in de Kamerbrief «Nederlandse Internationale Water Ambitie» IWA (Kamerstukken 32 605, nr. 217).

De inzet op water is in 2019 conflict-sensitiever geworden. Het Water, Peace and Security Partnership heeft methoden en instrumenten ontwikkeld voor vroege identificatie en voorkoming van water-gerelateerde conflicten. In Mali en Irak is het inzicht in relaties tussen water, migratie instabiliteit en conflict versterkt en de capaciteit voor het voorkomen van conflicten verbeterd.

Bij de inzet op water en sanitatie werd meer ingezet op verduurzaming via bestaande systemen en netwerken. In het nieuwe WASH-programma voor de Sahel en de Hoorn van Afrika zette UNICEF ook in op gezondheid en goed beheer van waterbronnen, mede gelet op grotere klimaatrisico’s. In Niger zal Nederland geen eigen uitvoeringscapaciteit opbouwen, maar net als Denemarken en de EU aansluiten bij Luxemburg dat het nationale Nigerese WASH-programma al lange tijd ondersteunt en lokaal veel ervaring, kennis en netwerken heeft opgedaan.

Keuzevrijheid en verbeterde toegang tot anticonceptie

Keuzevrijheid van vrouwen, jongeren en achtergestelde groepen op het terrein van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), de toegang tot informatie en diensten op het gebied van seksualiteit inclusief anticonceptie, veilige abortus en seksuele voorlichting blijft centraal staan binnen Nederlands beleid. Dit krijgt gestalte door steun aan internationale organisaties en het maatschappelijk middenveld. De internationale afspraken over vrouwenrechten en SRGR staan in toenemende mate onder druk. Nederland nam het voortouw in de diplomatieke respons door middel van sterke resoluties en breed gedragen gelijkgezindenverklaringen tijdens de AVVN en tijdens de ICPD25 Nairobi Summit waar het belang van SRGR en gendergelijkheid en het behoud van de internationale consensus werd onderstreept.

Regressieve druk

Nederland toonde internationaal leiderschap bij de inzet voor vrouwenrechten en SRGR en het behoud van de internationale consensus die 25 jaar geleden in Caïro en Peking werd bereikt. Tijdens de 74e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) sprak de Minister voor BHOS namens 58 landen een verklaring uit over het belang van vrouwenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Mede door de Nederlandse inzet is een sterke Universal Health Coverage (UHC) verklaring tot stand gekomen met een solide paragraaf over SRGR. Dit is van grote betekenis om verdere voortgang te bewerkstelligen op landenniveau, ook voor het bereiken van de SDG’s. Ook tijdens de ICPD25 Nairobi Summit presenteerde Nederland samen met Zuid Afrika en Finland wederom een verklaring namens 55 landen, waarin het belang van de ICPD consensus op het gebied van SRGR en bevorderen van gendergelijkheid werd onderstreept. Een en ander vormde een krachtig weerwoord op de VS en bondgenoten om SRGR en vrouwenrechten ter discussie te stellen. De toenemende regressieve druk op SRGR en vrouwenrechten onderstreept dat wat internationaal bereikt is op SRGR telkenmale herhaald en bevochten moet worden, omdat keuzevrijheid voor vrouwen en meisjes over seksualiteit of toegang tot seksuele voorlichting, geenszins vanzelfsprekend zijn.

Opvang en bescherming in de regio

Ook in 2019 maakte Nederland zich hard voor perspectief voor vluchtelingen, ontheemden en (kwetsbare) gastgemeenschappen, met name in acht focuslanden (Egypte, Ethiopië, Irak, Jordanië, Libanon, Kenia, Oeganda en Soedan), met bijzondere aandacht voor bescherming (waaronder ook mentale gezondheidszorg), werkgelegenheid en onderwijs.

Belangrijkste instrument voor de implementatie van dit beleid is het Prospects Partnerschap met IFC, ILO, UNHCR, UNICEF en de Wereldbank. In 2019 is de gezamenlijke visie uitgewerkt, en is samenwerking met de partners geformaliseerd, zoals is te lezen op bijv. de website van ILO en IFC. In alle acht landen is het partnerschap van start gegaan. Dit partnerschap is een innovatief model om een ontwikkelingsgerichte aanpak van langdurige vluchtelingencrises vorm te geven. Het brengt namelijk zowel humanitaire als ook ontwikkelingsorganisaties bij elkaar om gezamenlijk aan analyse, programmering en resultaten te werken.

In december 2019 vond, onder leiding van de VN-Vluchtelingenorganisatie (UNHCR), het eerste Global Refugee Forum plaats. Doel was om de implementatie van het in 2018 door de AVVN aangenomen Global Compact on Refugees te monitoren en kracht bij te zetten. Dit VN-Vluchtelingenpact roept – in lijn met de inzet van het kabinet – op tot steun voor landen die grote aantallen vluchtelingen opvangen, zodat zij deze ontheemden kunnen integreren in lokale basisvoorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg) en de arbeidsmarkt. Nederland heeft zich actief ingezet om het Forum tot een succes te maken, door organisatie van een paneldiscussie over werkgelegenheid en een focussessie over geestelijke gezondheid en psychosociale hulp in crisisrespons, met WHO en het Rode Kruis. Beide sessies werden goed bezocht, met enthousiasme ontvangen en zullen opvolging krijgen in 2020.

Multilaterale samenwerking

De VN en andere multilaterale organisaties zijn onze belangrijkste partners bij de aanpak van grensoverschrijdende uitdagingen als klimaat, migratie, conflict en epidemieën. Multilaterale organisaties zijn effectief vanwege de schaal waarop ze opereren en hun kennis en expertise. De normstellende, uitvoerende en coördinerende rollen van de VN, bieden VN-organisaties bovendien een uniek mandaat en de legitimiteit om duurzame impact te maken.

De Nederlandse inzet is gericht om de VN fit for purpose te maken. Dat wil zeggen dat deze op een effectieve, efficiënte en transparante wijze in staat is om resultaat te boeken op de mondiale uitdagingen. Teneinde de VN effectiever en slagvaardiger te maken, worden de VN-landenteams tegenwoordig door een onafhankelijke VN-landenvertegenwoordiger geleid. Hierbij staat de VN-ondersteuning aan overheden bij het behalen van de SDG’s centraal. In parallel biedt het Funding Compact (tussen donoren en de VN) de mogelijkheid om opvolging van gemaakte hervormingsafspraken te bevorderen in ruil voor betere financiering die ook nodig is om effectiever te werken (langere termijn en minder geoormerkt). Het Funding Compact moet ertoe leiden dat meer lidstaten verantwoordelijkheid nemen en dat de bestaande grote donoren hun financieringsmix aanpassen in de richting van hoe Nederland dat al doet (doelstelling is dat Algemene Vrijwillige Bijdragen op zijn minst 30% van de totale financiering uit gaan maken, Nederland zit op rond de 40%). Nederland heeft in het kader van het Funding Compact ook zelf in 2019 besloten tot verlenging van de de looptijd van Algemene Vrijwillige Bijdragen. Deze bijdrage wordt wel gekoppeld aan jaarlijkse monitoring van de daadwerkelijke implementatie van de in het Funding Compact vastgelegde maatregelen om de VN effectiever, efficiënter en transparanter te maken.

Nederland is aandeelhouder in de Wereldbank, het IMF en verschillende multilaterale ontwikkelingsbanken en streeft er naar deze kanalen optimaal te gebruiken voor het bereiken van de BHOS-doelstellingen. Nederland zet erop in dat de samenwerking tussen de Internationale Financiele Instellingen (IFI’s) en andere multilaterale organisaties, waaronder de VN, versterkt wordt, om de effectiviteit van de inzet van deze organisaties te vergroten.

In de context van afnemende steun voor het multilateralisme, is de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de VN en andere multilaterale organisaties van cruciaal belang. De afgelopen jaren hebben incidenten rond grensoverschrijdend gedrag, inclusief Sexual Exploitation, Abuse and Harassment (SEAH), binnen multilaterale organisaties de geloofwaardigheid onder druk gezet. De Nederlandse inzet is gericht op een zero-tolerance for inaction binnen het multilaterale systeem. Hierbij is continue aandacht nodig om sterk HR-beleid, verbetering van managementcultuur, transparantie, verbeterde onderzoekscapaciteit en het tegengaan van straffeloosheid binnen de VN en de IFI’s te kunnen blijven garanderen.

Samenwerking in EU-verband

In 2019 werd binnen de Europese Unie onderhandeld over het instrument voor het Nabuurschap, Ontwikkeling en Internationale Samenwerking (NDICI) voor het volgende Meerjarige Financiële Kader (2021–2027). Samen met gelijkgezinde lidstaten maakte Nederland zich met succes hard voor verankering van de inzet op SRGR in de Raadspositie over dit instrument. Ook pleitte Nederland voor een ambitieuze klimaatinzet buiten de EU en een gebalanceerde en brede inzet bij het adresseren van irreguliere migratie. Nederlandse expertise over en ervaring met innovatieve financiering en verbetering investeringsklimaat werd ingebracht in discussies over het European Fund for Sustainable Development (EFSD) en zijn opvolger, het EFSD+. FMO is hierbij een belangrijke uitvoeringspartner voor de Europese Commissie. Net als Nederland heeft de eind 2019 aangetreden nieuwe Europese Commissie een sterke focus op Afrika. Dit biedt kansen voor versterkte samenwerking, ook in de Nederlandse focusregio’s.

Versterking maatschappelijk middenveld

De druk waaronder het maatschappelijk middenveld opereert is in 2019 verder toegenomen ( State of Civil Society Report 2019 ). Nederland steunt het maatschappelijk middenveld met financiering van strategische partnerschappen, maar ook directe financiering van zuidelijke partners. Bevindingen van de afgelopen jaren, waaronder die van IOB, zijn meegenomen in de vormgeving van het nieuwe beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld (beleidskader VMM), dat eind 2019 is gepubliceerd. Het kader omvat vier subsidieregelingen, met een totaalbudget van EUR 1.255 miljoen en zal een looptijd hebben van vijf jaar.

Noodhulp en humanitaire diplomatie

Begin 2019 werd het nieuwe beleidskader «Mensen Eerst» afgerond. Aanpassing van het beleid was nodig vanwege de veranderde, complexe humanitaire context. Nederland heeft in 2019 sterk ingezet op Humanitaire diplomatie (humanitaire toegang, bescherming van burgers en eerbiediging van het internationale humanitair recht). De Nederlandse inzet voor verbetering van de kwaliteit van de hulp en van het humanitaire systeem is in 2019 extra kracht bijgezet doordat de Minister voor BHOS de rol van Eminent Person van de Grand Bargain op zich heeft genomen. De Grand Bargain is een overeenkomst tussen de grootste noodhulporganisaties en ngo-consortia en de grootste donoren, om noodhulp efficienter, transparanter en effectiever te maken.

«Mind the Mind now»: Aandacht voor geestelijke gezondheid en psychosociaal welzijn in humanitaire actie

Nederland maakt zich hard voor geestelijke en psychosociale zorg in alle vormen van crisisrespons, vanaf het vroegste stadium. Nederland organiseerde hierover een internationale conferentie in Amsterdam in oktober 2019: Mind the Mind now . Een groot aantal overheden, internationale humanitaire organisaties, ervaringsdeskundigen, niet-gouvernementele organisaties en wetenschappers bespraken de noodzaak, de voordelen en de mogelijkheden van integratie van psychosociale steun in crisisrespons. Vijfentwintig landen en tien internationale organisaties onderschreven de Amsterdam Verklaring met beleidsuitgangspunten en aanbevelingen, en benoemden concrete acties.

De Mind the Mind now conferentie heeft vaart gebracht in internationale besluitvorming.

Alle grote internationale humanitaire organisaties, bepaalden begin december 2019 dat geestelijke gezondheid en psychosociale steun onlosmakelijk verbonden zijn met de veerkracht van mensen in nood. Dit betekent onder meer dat zij instrumenten moeten ontwikkelen en inzetten in de programmering, budgettering, uitvoering en verslaglegging van noodhulp.

Nederland heeft daarnaast bijgedragen aan de aanname van een resolutie over integratie van geestelijke gezondheidszorg en psychosociale steun in humanitaire actie, en over (bij)scholing van staf en Rode Kruis en Rode Halve Maan vrijwilligers op dit gebied.

2. Klimaatactie en mobiliseren van de private sector voor duurzame en inclusieve groei

Internationale klimaatactie

In 2019 is klimaatdiplomatie geïntensiveerd. Landen binnen en buiten de EU zijn aangespoord hun klimaatinspanningen te vergroten. Veel ontwikkelingslanden hebben vervolgens hulp ingeroepen van het Climate Action Enhancement Package (CAEP), een nieuw initiatief van het NDC-Partnerschap waarvan Nederland en Costa Rica co-voorzitters zijn in de jaren 2019–2020.

NDC Partnerschap & de COP25

In 2019 lanceerde het Nationally Determined Contributions (NDC) Partnerschap onder Nederlands co-voorzitterschap het Climate Action Enhancement Package (CAEP). Het CAEP assisteert (ontwikkelings-)landen bij het ophogen van hun klimaatambities en het versneld en beter implementeren van bestaande, evidence-based klimaatplannen. Het NDCP zorgt daarbij voor brede betrokkenheid van overheden en maatschappelijke organisaties. Met steun aan 65 landen is het CAEP een belangrijke investering in 2019 opdat landen tijdig in 2020 hun hernieuwde klimaatplannen (NDC’s) kunnen indienen bij UNFCCC. Het CAEP werd gepresenteerd tijdens de Climate Action Summit in september en tijdens de COP25 in december.

De 25e Conferentie van Partijen (COP25) bij het VN-Klimaatverdrag, die plaatsvond in december 2019 in Madrid, Spanje, is afgesloten zonder een akkoord op het belangrijkste onderwerp waarover een besluit moest vallen: regels voor internationale emissiehandel (artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs). Ook kwamen pogingen om een boodschap af te geven dat in 2020 meer ambitie nodig is als partijen herziene NDC’s in moeten dienen, onder stevige druk te staan van grote en opkomende economieën. Discussies over de financiering van klimaatactie in ontwikkelingslanden domineerden de onderhandelingen. Desondanks zijn er kleine stapjes vooruitgezet op artikel 6 en refereert het COP25 besluit aan het ambitieniveau van NDC’s – zij het minder sterk dan de EU had gehoopt. Positief was ook het akkoord over een nieuw Gender Action Plan, waarin het belang van gender-responsiviteit in klimaatactie wordt erkend en concrete acties zijn afgesproken.

Het kabinet heeft de vergroening van het financiële instrumentarium van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in gang gezet, zoals vastgelegd in de brief «Internationaal financieren in perspectief» (Kamerstukken 34 952, nr. 44). Na 2019 zal er geen nieuwe bilaterale financiering worden geboden voor exploratie en ontwikkeling van nieuwe gas- en olievoorraden en voor projecten in de steenkoolsector. Nederland vraagt multilaterale banken hun portefeuille te vergroenen en de financiering van fossiele projecten uit te faseren. De Europese Investeringsbank heeft als eerste aangekondigd zich om te vormen tot een klimaatbank en na 2021 geen nieuwe fossiele projecten meer te financieren – met enkele uitzonderingen voor de transitie naar koolstofarmgas. Voor het generieke exportinstrumentarium en de exportkredietverzekering wordt ingezet op vergroening zonder inperking.

Mobiliseren van de private sector voor de SDG’s

Om de SDG-doelen dichterbij te brengen zijn nieuwe stappen gezet om de innovatiekracht van het lokale en Nederlandse bedrijfsleven te mobiliseren en nieuwe partnerschappen te creëren. Hiertoe is het Innovatiefonds gestart, dat via SBIR Nederlandse bedrijven ondersteunt bij de ontwikkeling van innovatieve circulaire oplossingen voor ontwikkelingsuitdagingen in met name de focuslanden. Daarnaast richt het fonds zich via de Orange Corners op innovatieve lokale bedrijven en start-ups.

Het in 2018 gestarte SDG-partnerschapsfonds (SDGP) heeft 18 nieuwe partnerschappen van bedrijven, kennisinstellingen en ngo’s opgeleverd die zijn gericht op het behalen van de duurzame ontwikkelingsdoelen, waarvan een derde in de focusregio’s. Een tweede call is gepubliceerd.

Inspelen op digitalisering

Zomer 2019 is de Digitale Agenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze is opgesteld in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Hierin zet het kabinet uiteen hoe het inspeelt op de kansen en risico’s van digitalisering voor ontwikkeling, het handelssysteem, de internationale positie van Nederland en veiligheid en privacy. Er is een begin gemaakt met implementatie van de Digitale Agenda, met extra aandacht voor effectievere ontwikkelingssamenwerking. Enerzijds door digitale technologieën in te zetten om de BHOS-doelen te behalen, anderzijds door in te spelen op digitalisering als aanjager van veranderingen met sociale, economische en politieke effecten. Digitale inclusie is daarbij belangrijke voorwaarde voor succes en centraal thema.

Goede gezondheidszorg bereikbaar door toegang tot financiering

Door het verbinden van financiële innovaties met digitale technologie ontstaan nieuwe mogelijkheden om sectoren zoals gezondheidszorg te ontwikkelen en te versterken. Zo draagt Nederland via het Health Insurance Fund van PharmAccess bij aan de ontwikkeling van het online platform «M-Tiba». Dit digitale platform verbindt patiënten, verzekeraars en zorginstellingen met als doel het vergroten van de toegang tot betaalbare en kwalitatief goede zorg voor achtergestelde groepen. In de afgelopen twee jaar kreeg het platform steun van de Nigeriaanse en Keniaanse overheid. Om lessen uit deze publiek-private samenwerking internationaal te delen organiseerden BZ, het Joep Lange Instituut en Financial Times in 2019 de conferentie «Revolutionising Health Financing using Mobile Technology». Een van de geleerde lessen is dat – transparante – digitale technologieën het voor overheden gemakkelijker kunnen maken om een katalyserende rol te vervullen, bijvoorbeeld bij het mobiliseren van (privaat) kapitaal. Kwaliteitsverhoging van de zorg kan ook worden gestimuleerd door snelle, simpele digitale kredietverstrekking aan zorgverleners, op basis van de omvang van hun patiëntenpopulatie. Zo steunt Nederland het Medical Credit Fund, dat in 2019 maandelijks 100 van dergelijke digitale leningen aan zorgverleners heeft verstrekt.

Integrale aanpak van ketenverduurzaming en maatschappelijk verantwoord ondernemerschap

Tijdens een tweedaagse internationale conferentie zette Nederland leefbaar loon op de kaart. Daarnaast resulteerde Nederlandse inzet in de eerste leefbaar loon afspraak in de handelsketen van textiel van Nederlandse bedrijven onder het textielconvenant «tussen Zeeman en een fabriek in Pakistan». De aanpak van verduurzaming van palmolieproductie en het tegengaan van ontbossing is in het afgelopen jaar verder geïntensiveerd, via een nieuw G2G-palmolieprogramma (NI-SCOPS), via de IMVO-convenanten (Internationaal Verantwoord Ondernemen) en via het Nederlands voorzitterschap van het Amsterdam Verklaringen Partnerschap. De intensivering van de kabinetsinzet op verduurzaming van de cacaoproductie en -handel gaf een impuls aan de onderhandelingen over een nieuwe intentieverklaring over de verduurzaming van de Nederlandse cacaosector.

Voor de bestrijding van kinderarbeid zijn in 2019 belangrijke stappen gezet. Zo is de Wet op Zorgplicht kinderarbeid aangenomen waarmee bedrijven worden verplicht om te verklaren dat zij het nodige doen om kinderarbeid te voorkomen. Ook is in productielanden de inzet om kinderarbeid te bestrijden geïntensiveerd door de financiering van een 5-jarig programma van een alliantie van maatschappelijke organisaties met EUR 35 miljoen. Daarnaast zijn via het Fonds Bestrijding Kinderarbeid diverse bedrijven ondersteund om kinderarbeid uit hun handelsketens te bannen en spande Nederland zich met onder meer ILO en UNICEF in om met overheden de grondoorzaken van kinderarbeid aan te pakken.

Het respecteren van mensenrechten door overheden en bedrijven is een mondiale verplichting vanuit de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Ter versterking van deze agenda is Nederland eind 2019 gestart met de herziening van het Nationaal Actieplan mensenrechten en bedrijfsleven (NAP). Ook heeft Nederland zich wederom proactief ingezet voor een gezamenlijke positie en EU-mandaat voor het bindende instrument Mensenrechten & Bedrijfsleven waar in VN-verband over wordt gesproken. In dat verband heeft Nederland ook gepleit voor de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, bedrijven en vakbonden bij de onderhandelingen.

IMVO werd verder verankerd in de uitvoering van de dienstverlening door RVO en de posten, ook in relatie tot de deelname van bedrijven aan economische missies. Conform Regeerakkoord werd een evaluatie van het huidige IMVO-beleid opgezet, om eind 2020 hoofdlijnen voor toekomstig IMVO-beleid te presenteren. Nederland zette zich binnen de EU in voor een Europese aanpak van IMVO, waarbij nauw werd samengewerkt met onder meer Frankrijk, Finland, aankomend EU-voorzitter Duitsland.

De convenanten sierteelt, metaal en natuursteen werden getekend, waarmee er eind 2019 tien IMVO-convenanten operationeel waren. Voor windenergie werd een intentieverklaring getekend. Het convenant Plantaardige Eiwitten werd ontbonden, nadat de doeleinden van dit convenant via alternatieve afspraken werden geborgd. Voor lopende convenanten werden voortgangsrapportages gepubliceerd. De externe evaluatie van de convenanten ging in 2019 van start. Het Fonds Verantwoord Ondernemen werd in maart 2019 opengesteld, onder meer ter ondersteuning van de uitvoering van de convenanten. Voor de tweede openstelling van het Fonds in 2020 zijn aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor ontsluiting van de kennis van maatschappelijke organisaties, zodat zij hun rol bij de implementatie van de IMVO-convenanten beter kunnen spelen.

Investeren in een toekomstbestendig handels- en investeringssysteem

Het op regels gebaseerde mondiale handelssysteem kwam verder onder druk te staan. De crisis in de Wereldhandelsorganisatie WTO verdiepte zich; het beroepslichaam van de WTO stopte in december noodgedwongen met functioneren. De terugval op bilaterale, op macht gebaseerde onderhandelingen leidde tot oplopende handelsfricties tussen de VS, China en de EU. Nederland zette zich in EU-verband in voor behoud en verdieping van het multilaterale handelssysteem.

De bilateraal handelsakkoorden van de EU met Japan en Singapore werden van kracht, de EU tekende een handelsakkoord en investeringsbeschermingsakkoord met Vietnam en er werd politieke overeenstemming bereikt met Mercosur over een handelsakkoord, als onderdeel van een breder associatieakkoord. De handelsakkoorden bevatten een apart hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, met aandacht voor sociale en ecologische duurzaamheid (klimaat) en maatschappelijk verantwoord ondernemen. De EU startte een geschillenbeslechtingsprocedure onder het handelsakkoord met Zuid Korea, omdat Zuid Korea afspraken over handel en duurzame ontwikkeling niet nakomt. In Nederland vonden consultaties plaats met bedrijfsleven, maatschappelijk middenveld en kennisinstellingen over het beleid ten aanzien van handel en gender.

De modernisering van Nederlandse investeringsakkoorden op basis van een nieuwe modeltekst ging in 2019 van start. Met Ecuador, Argentinië en Burkina Faso vond een eerste, verkennend gesprek plaats. Nederland liet een studie uitvoeren naar de mogelijkheden voor bijstand bij investeringsgeschillen voor ontwikkelingslanden en het MKB. Nederland heeft ook actief bijgedragen aan verkennende gesprekken binnen de WTO over een investeringsfacilitatieakkoord.

De export van kritische technologie kwam in 2019 hoog op de beleidsagenda, met de vraag hoe ongewenste overdracht tegengegaan kan worden. Binnen de exportcontroleregimes bleef Nederland een gewaardeerd en actief speler, die zo de Nederlandse lijn effectief wist uit te dragen. De langlopende herziening van de dual use-verordening (controle op de uitvoer, tussenhandel en doorvoer van producten voor zowel militair als civiel gebruik) kwam in een nieuwe fase met het vaststellen van een Raadspositie en het starten van de triloog tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie.

3. Een proactieve handels- en investeringsagenda

Markttoegang en Brexit

Bilaterale handelsakkoorden zijn het belangrijkste instrument van de EU om de markttoegang van Europese bedrijven tot derde markten te vergroten. De inwerkingtreding van het EU-handelsakkoord met Japan was in dat opzicht een hoogtepunt in 2019. Volgens de Europese Commissie scheelt het akkoord Europese bedrijven jaarlijks EUR 1 miljard aan Japanse invoerrechten. De Commissie heeft berekend dat de jaarlijkse handel tussen de EU en Japan na volledige implementatie van het handelsakkoord kan toenemen met een kleine EUR 36 miljard. De handelsakkoorden tussen de EU en Singapore (in 2019 werking getreden) en de EU en Vietnam (in 2019 getekend) zijn ook zeer ambitieus. Ze zullen op termijn leiden tot het elimineren van 100% (Singapore) en 99% (Vietnam) van de invoertarieven op Europese goederen en de markt openen voor Europese dienstverleners in een aantal sectoren die tot nu toe gesloten waren. De EU onderhandelde ook over nieuwe handelsakkoorden met Australië, Nieuw Zeeland en Indonesië.

Afgelopen jaar is er overeenstemming bereikt tussen EU en VK over het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring voor het kader van de toekomstige relatie. Hiermee is de basis gelegd voor onderhandelingen in 2020 voor een ambitieuze, brede en diepe toekomstige handelsrelatie tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet heeft het gehele jaar zich intensief ingezet om bedrijfsleven, koepels en andere belanghebbenden zo goed mogelijk voor te bereiden voor Brexit. Dit met behulp van o.a. een intensieve multimedia campagne, inrichten van online Brexit Loket en online tool de Brexit Impact Scan.

Een optimale dienstverlening voor het MKB en startups

De publieke en private sector hebben de handen verder ineen geslagen ter versterking van de dienstverlening aan het MKB en startups die willen internationaliseren. Zo is met de vernieuwing van de website www.internationaalondernemen.nl tegemoet gekomen aan betere ontsluiting van publieke en private handelsbevorderende informatie. Via de programma’s van het publiek-private platform NL Works is er meer aandacht voor deelname van bedrijven aan grotere consortia, om via die weg internationale markten te openen. De gezamenlijk ambities die uit het ISO voortkomen zijn de basis voor het werk binnen NLWorks. De ISO-Commissie, waar ook het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan deelneemt, is hiervoor de opdrachtgever. Ter versterking van de Nederlandse positie als startup-hub heeft het kabinet extra geld uitgetrokken. De internationalisering van Nederlandse startups wordt jaarlijks ondersteund door deelname aan drie strategische en toonaangevende startup-beurzen, waaronder in 2019 CES (Las Vegas), InnoVEX (Taipei) en SLUSH (Helsinki). Deelname blijkt succesvol voor deze bedrijven: twee derde van de deelnemers hebben overeenkomsten kunnen sluiten van minstens EUR 100.000. Ter verbetering van de dienstverlening aan het Nederlands bedrijfsleven is verder gewerkt aan de vormgeving van de internationale kant van Invest NL. In januari 2019 is gekozen voor de oprichting van deze separate, op het buitenland gerichte, financieringsinstelling naast Invest NL. Daarna is een traject in gang gezet om Invest International, zoals deze nieuwe instelling gaat heten, op te richten als een gezamenlijke onderneming van de staat en FMO, en binnen het kader van het staatsdeelnemingenbeleid. De oprichting van deze instelling vergt een separate wet, waarbij het streven is het wetsvoorstel vóór de zomer 2020 aan de Kamer te sturen.

Investering Postennet: economische groeikansen

Een aantal posten in prioriteitsmarkten heeft additionele capaciteit gekregen die specifiek gericht is op het bedienen van startups. Daarnaast is de economische functie van het gehele postennet versterkt, bijvoorbeeld door uitbreiding van het aantal medewerkers op een aantal economische afdelingen, maar ook met de opening van een consulaat-generaal in Atlanta. Dat is niet onopgemerkt gebleven: in 2019 scoorde het ambassadenetwerk in de beoordeling van evofenedex, VNO-NCW en MKB Nederland een waarderingscijfer van 9,3, een stijging van 0,6 procentpunt ten opzichte van het jaar ervoor. De persoonlijke en proactieve inzet van het ambassadepersoneel kwamen in het bijzonder als positieve punten naar voren.

Maatwerk in de economische diplomatie

In 2019 is de gedifferentieerde benadering van markten waar kansen liggen voor Nederlandse ondernemers voortgezet. Dit is onder andere tot uiting gekomen in flagshipmissies naar Vietnam, de VS en India, maar ook in door kabinetsleden geleide handelsmissies of economische werkbezoeken naar onder andere China en Duitsland. Niet alle prioriteitsmarkten hebben een Nederlandse handelsmissie ontvangen. De eerste twee publiek-private internationaliseringsstrategieën zijn door ISO NL ontwikkeld voor de Golflanden op water-energie en voedsel en voor Duitsland op de thema’s energietransitie, mobiliteit, smart industry en gezondheidszorg.

Global Entrepreneurship Summit (GES)

De regeringen van Nederland en de Verenigde Staten organiseerden samen de GES. De GES was een succesvol voorbeeld van een omgekeerde handelsmissie, waarbij ons bedrijfsleven in zijn thuismarkt een plek op het wereldtoneel werd geboden. De GES was voor Nederland een waardevol instrument van economische diplomatie. Een voorbereidende Road to GES Caribbean op Curaçao heeft ook de Caribische delen van het Koninkrijk de gelegenheid gegeven aan te sluiten en zich tijdens de GES te presenteren o.a. door een themasessie rondom Resilient Islands. Nederland heeft het co-gastheerschap van de GES succesvol aangegrepen om te laten zien dat maatschappelijke uitdagingen ook groeikansen voor ondernemers zijn. In aanwezigheid van duizend ondernemers en driehonderd investeerders was er specifieke aandacht voor de thema’s gezondheid, finance, agrifood, connectivity en water. Tijdens de GES is de Nederlandse positie als toegangspoort tot Europa en innovatieve hotspot versterkt. De invulling van het programma heeft bij meer dan 85% van de deelnemers geleid tot nieuwe connecties en nieuwe inzichten.

Door op vrouwelijk ondernemerschap te concentreren als een van de speerpunten van de GES is aan dit beleidsthema een impuls gegeven. Zo was 35% van de deelnemende ondernemers vrouw en nam aan alle 75 panels minstens één vrouw deel. De women only power lunch voor 140 topvrouwen leverde aanbevelingen over women empowerment aan vrouwelijke ondernemers en beleidsmakers op.

Uit een eerste enquête onder deelnemers blijkt dat de GES bij 76% van de deelnemende ondernemers aan de verwachting heeft voldaan. De invulling van het programma van de GES heeft bij meer dan 85% van de deelnemers geleid tot nieuwe connecties en nieuwe inzichten. Ongeveer 65% van de deelnemers geeft aan dat de GES heeft geleid tot concrete overeenkomsten.

Herinrichten van het publieke en private handels- en investeringsbevorderende netwerk

Het ISO NL, NL Works, Trade&Innovate NL en NL International Business zijn verder geoperationaliseerd ter versteviging van onze goede concurrentiepositie en ondersteuning aan het Nederlandse bedrijfsleven met internationale ambitie. Voor de invulling van de portefeuille Vestigingsklimaat van ISO NL is dit jaar een nieuwe Invest In Holland Strategie opgesteld, waarin een grotere nadruk wordt gelegd op het aantrekken van buitenlandse investeringen met de meeste toegevoegde waarde voor onze economie, de bijdrage aan innovatie, verduurzaming en digitalisering. NL Works (voorheen de Werkplaats) heeft zeven langlopende publiek private samenwerkingsprogramma’s ontwikkeld, waarbij het consortia van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen ondersteunt en adviseert bij het verzilveren van kansen in omvangrijke projecten: het schoonmaken van de Ganges in India; primaire gezondheidszorg in Kenia; High Tech Farming in China; Smart Industry in Duitsland; Gezondheidszorg voor rurale ontwikkeling in Colombia; Kustbescherming in de regio Hội-An, Vietnam; en Agrifoodtechnologie in Californië, Verenigde Staten. Ter versterking van onze open, innovatieve en op samenwerking gerichte economie, is de nieuwe Nederland Branding samen met private partners ontwikkeld en gepresenteerd onder de noemer «Solving Global Challenges Together».

Rapportage over resultaten: indicatoren en streefwaarden

OS-indicatoren

Zoals vermeld in de leeswijzer is uitvoering gegeven aan motie-Smaling c.s., waarbij doelen en resultaten in dit jaarverslag nog inzichtelijker worden gepresenteerd. In de begroting voor 2019 zijn zeventien OS-indicatoren en streefwaarden opgenomen, twee meer dan in 2018. De gerapporteerde waarden in dit jaarverslag vormen de referentiewaarde voor de realisaties in de komende jaren (zie Kamerbrief). Uit de tabel blijkt dat voor negen van de zeventien indicatoren het gerealiseerde resultaat boven de streefwaarde ligt. Voor vijf indicatoren ligt de realisatie onder de streefwaarde (vorig verslagjaar was deze verhouding acht indicatoren boven de streefwaarden en zes eronder).

Er zijn drie indicatoren zonder streefwaarde. Daarvan is de realisatie van een indicator aanzienlijk hoger dan in het vorige verslagjaar (werkgelegenheid van vluchtelingen opgevangen in de regio); bij een indicator is het nagenoeg gelijk (percentage SRGR tevredenheid); en bij 1 indicator is er geen vergelijking mogelijk (onderwijs aan vluchtelingen opgevangen in de regio). Voor drie indicatoren geldt dat de realisatie twee of drie jaar onder de streefwaarde ligt: (1) aantal mensen met verbeterde inname van voedsel; (2) aantal hectare landbouwgrond dat eco-efficiënter wordt gebruikt; (3) aantal vrouwen en meisjes dat toegang heeft tot moderne anticonceptie in 69 FamilyPlanning2020 focuslanden.

Uit analyse blijkt dat een oorzaak voor hogere realisaties gevonden kan worden in het relatief grote aantal programma’s dat aan het einde van zijn levensduur is. Vaak geldt dat in de eindfase van programma’s de meeste resultaten worden geboekt, omdat de vruchten pas enige tijd na de investering geplukt kunnen worden. In sommige gevallen dragen grote multilaterale programma’s meer bij dan ingeschat aan de resultaten van indicatoren. Aan de andere kant leidt de afronding van een aantal grotere programma’s ook tot lagere realisaties bij andere indicatoren.

Belangrijke (andere) oorzaken voor lagere realisaties zijn het feit dat programma’s in een opbouwfase zijn, dat ze trager tot resultaten leiden vanwege capaciteitsgebrek, dat doelgroepen niet goed bereikt kunnen worden door logistieke problemen, of dat andere internationale donoren achterblijven in het leveren van hun bijdragen. Andere problemen die de resultaten van programma’s negatief beïnvloeden zijn een verslechterende veiligheidssituatie en een krimpende ruimte voor maatschappelijke organisaties in partnerlanden. Bovendien kan het daadwerkelijk aantal bereikte mensen niet altijd exact worden berekend, omdat data ontbreken of niet betrouwbaar blijken te zijn. Daarnaast kunnen er externe factoren zijn met een positieve of negatieve invloed op de realisaties zoals politieke omstandigheden en marktontwikkelingen, nationaal beleid of klimaat.

De behaalde resultaten in deze verslagperiode tonen aan dat de realisatie van belangrijke beleidsdoelen grotendeels op koers ligt en dat op sommige beleidsterreinen dat niet het geval is omdat programma’s in een complexe en niet altijd beheersbare omgeving plaatsvinden. Voor deze laatste categorie is het zaak om de realisaties dichter bij streefwaardes te brengen door middel van betere methodes voor meting en schatting; opschaling van activiteiten, o.a. in de focusregio’s; andere financieringsvormen, zoals Results Based Financing; voeren van internationale dialoog; en eventueel het bijstellen van de streefwaarden na 2020. Aan deze punten zal in de komende begrotingen aandacht worden besteed.

De resultaten voor deze 17 indicatoren staan niet op zichzelf. Ze zijn gekoppeld aan thematische Theories of Change en worden aangevuld met thematische indicatoren in de resultatenrapportage (online resultatenrapportage via www.osresultaten.nl), zie ook leeswijzer.

Internationale handel & IMVO

In lijn met de BHOS-begroting 2019 en de toezegging van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking tijdens het wetgevingsoverleg over het BHOS-jaarverslag 2017 d.d. 20 juni 2018, zijn twee nieuwe begrotingsindicatoren ontwikkeld voor opvang en bescherming in de regio. De indicatoren richten zich op onderwijs en werkgelegenheid. Ook is een bijbehorende Theory of Change ontwikkeld en gepubliceerd ten behoeve van adequate verantwoording. Daarnaast zijn nieuwe indicatoren ontwikkeld voor Buitenlandse Handel die zijn gepresenteerd in de handelsagenda op 5 oktober 2018. Deze indicatoren zijn gericht op internationaal ondernemen en Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

Onderstaande tabel geeft de behaalde resultaten weer en zet deze af tegen de streefwaarden. In bijlage 3 zijn een nadere toelichting en analyse per indicator opgenomen.

Tabel: OS-indicatoren en streefwaarden 2019. De gerapporteerde OS-resultaten zijn gedeeltelijk behaald in 2019 en voor het overige voornamelijk in 2018.

Thema

Resultaatgebied

Indicator

Realisatie1 2019

Streefwaarde 20192

Realisatie 20193

Cumulatief

Streefwaarde 20204

SDG

Private sector ontwikkeling (PSD)

Artikel 1

Bedrijfsontwikkeling

Aantal banen ondersteund door PSD-programma’s (direct jobs supported naar internationaal geharmoniseerde definitie)

345.000

2018: 255.000

2017: 217.000

250.000

N.v.t.

180.000

SDG 8 Inclusieve en duurzame groei

Aantal bedrijven (Nederlandse en lokale ondernemingen) met een ondersteund plan voor investering, handel of dienstverlening

12.660

2018: 8.800

2017: 5.576

4.000

N.v.t.

2.500

Voedsel-zekerheid

Artikel 2

Uitbannen van de huidige honger en ondervoeding

Aantal mensen met verbeterde inname van voedsel

15.300.000

2018: 11.400.000

2017: 15.500.000

18.000.000

N.v.t.

20.000.000

SDG 2

Einde maken aan honger

Stimuleren van duurzame en inclusieve groei van de landbouwsector

Aantal boeren met toegenomen productiviteit en inkomen

6.600.000

2018: 1.200.000

2017: 1.950.000

4.000.000

N.v.t.

5.500.000

Creëren van ecologisch duurzame voedselsystemen

Aantal hectare landbouwgrond dat eco-efficiënter wordt gebruikt

612.000

2018: 635.000

2017: 370.000

3.000.000

N.v.t.

5.000.000

Water

Artikel 2

Drinkwater, sanitaire voorzieningen en hygiëne

Het aantal mensen met toegang tot een verbeterde waterbron

2.900.000

2018: 2.200.000

2017: 2.504.187

2016: 1.330.000

1.600.000

8.600.000

8.000.000, cumulatief

(30.000.000, cumulatief in 2030)

SDG 6 Toegang tot een duurzaam beheer van water

Het aantal mensen met toegang tot verbeterde sanitaire voorzieningen en voorlichting over hygiënische leefomstandigheden

5.300.000

2018: 3.600.000

2017: 2.440.175

2016: 1.270.000

2.300.000

12.400.000

12.000.000, cumulatief

(50.000.000, cumulatief in 2030)

Verbeterd stroomgebied beheer en veilige delta’s

Het aantal mensen dat voordeel ondervindt van verbeterd stroomgebied beheer en veiligere delta’s

670.000

2018: 2.400.000

2017: 10.200.000

2016: 3.110.000

3.000.000

16.370.000

20.000.000, cumulatief

Klimaat

Artikel 2

Hernieuwbare energie

Aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie

2.500.000

2018: 2.600.000

2017: 2.700.000

2016: 1.900.000

2.500.000

9.700.000

11.500.000, cumulatief

(50 miljoen, cumulatief in 2030)

SDG 7 Toegang tot duurzame en moderne energie

Vrouwenrechten en gender-gelijkheid

Artikel 3

Verbeterde randvoorwaarden voor vrouwenrechten en gender gelijkheid

Aantal aantoonbare bijdragen door publieke instanties en bedrijven aan betere randvoorwaarden voor vrouwenrechten en gendergelijkheid (outcome)

279

2018: 150

2017: 103

200

N.v.t.

500

SDG 5 Sekse-gelijkheid en zelfontplooiing van vrouwen

Versterkte capaciteit van maatschappelijke organisaties

Aantal maatschappelijke organisaties met versterkte capaciteit voor de bevordering van vrouwenrechten en gendergelijkheid (output)

230

2018: 820

2017: 113

200, cumulatief

1.163

350, cumulatief

Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) en HIV

Artikel 3

Toegang tot family planning

Aantal vrouwen en meisjes dat toegang heeft tot moderne anticonceptie in 69 FamilyPlanning2020 focuslanden

2.750.000 cumulatief

2018: 2.499.288, cumulatief

2017: 2.420.560, cumulatief

2016: 1.800.000, cumulatief

4.000.000 extra vrouwen en meisjes, cumulatief

(ten opzichte van het basisjaar 2012)

2.750.000

6.000.000 extra vrouwen en meisjes, cumulatief

(ten opzichte van het basisjaar 2012)

SDG 3 Goede gezondheid en welzijn

SDG 5 Sekse-gelijkheid en zelfontplooiing van vrouwen

Rechten

Percentage tevredenheid in focuslanden van SRGR partners over de mate waarin barrières in SRGR voor gediscrimineerde en kwetsbare groepen zijn afgenomen

54%

2018: 53%

2017: 4,7%

n.v.t.

 

Tevredenheid (minimale score 4 op 1–5 schaal) in 80% van de focus landen

Veiligheid & Rechtsorde

Artikel 4

Rechtstaat ontwikkeling

Aantal mensen (man/vrouw) dat toegang heeft tot rechtspraak via een juridische instelling (formeel of informeel), om zo hun grondrechten te beschermen, strafbare feiten te laten berechten en geschillen te beslechten, waarvan de helft

286.086, waarvan 63.860 vrouwen (22%)

2018: 136.912, waarvan 42.939 vrouwen (32%)

2017: 147.000, waarvan 56.000 vrouwen (38%)

2016: 22.607, waarvan 5.578 vrouwen (25%)

In 6 fragiele of post-conflict landen 100.000, waarvan minstens de helft vrouwen

608.815, waarvan 166.040 vrouwen (29%)

In 6 fragiele of post-conflict landen 200.000, waarvan minstens de helft vrouwen, cumulatief

SDG 16 Vreedzame en inclusieve samenleving

Menselijke Veiligheid

Aantal m2 land dat is ontmijnd

10.800.000

2018: 15.000.000

2017: 18.000.000

7.000.000

43.000.000

24.000.000

SDG 16 Vreedzame en inclusieve samenleving

Opvang en bescherming in de regio

Aantal mensen dat formeel/ informeel onderwijs en trainingen volgt

240.000

n.v.t.

240.000

n.v.t.

SDG 4 Kwaliteitsonderwijs

Aantal mensen ondersteund in het ontwikkelen van inkomsten genererende activiteiten

30.000

2018: 4.000

n.v.t.

34.000

n.v.t.

SDG 8 Inclusieve en duurzame groei

X Noot
1

Realisaties in deze kolom zijn per jaar (2019) met uitzondering van de indicator voor Familyplanning die alleen cumulatief wordt gemeten. Tevens zijn cursief de referentiewaarden toegevoegd van 2018, 2017 en de eerste rapportage over 2016, het eerste jaar waarin de indicatoren zijn toegepast.

X Noot
2

Streefwaarden in deze kolom zijn per jaar (2019) met uitzondering van de indicator voor Familyplanning die alleen cumulatief wordt gemeten.

X Noot
3

In deze kolom zijn waar van toepassing de cumulatieve realisaties opgenomen van 2016 t/m 2019 (2016 is het eerste jaar van de implementatie van de SDG’s), met uitzondering van de indicator voor Familyplanning die vanaf 2012 wordt gemeten en die van maatschappelijke organisaties met versterkte capaciteit voor de bevordering van vrouwenrechten en gendergelijkheid die vanaf 2017 wordt gemeten.

X Noot
4

Streefwaarden in deze kolom zijn per jaar (2020). Voor indicatoren waar cumulatieve waarden worden gemeten is dit vermeld.

Tabel: internationale handel & IMVO indicatoren en streefwaarden 2019

Thema

Resultaatgebied

Indicator

Realisatie 2019

Streefwaarde

2019

Realisatie 2019

cumulatief

Streefwaarde

2020

SDG

Buitenlandse handel

Artikel 1 Duurzame

economische ontwikkeling,

handel en investeringen

Bevorderen van MVO onder het Nederlands bedrijfsleven

Het aandeel grote bedrijven in Nederland dat de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen expliciet onderschrijft als referentiekader voor hun internationale activiteiten

35%

n.v.t.

n.v.t.

Streefwaarde 90% in 2023

SDG 8 Inclusieve en duurzame groei,

SDG 12 Duurzame consumptie en productie

 

Bevorderen van internationaal ondernemerschap

Het aantal door RVO voor internationalisering ondersteunde ondernemingen dat in de 3 jaar na de beleidsinterventie meer heeft geëxporteerd naar de doelmarkt

415 van 1.660

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

SDG 8 Inclusieve en duurzame groei,

SDG 9 Innovatie en duurzame infrastructuur

   

De cumulatieve exporttoename van de betreffende bedrijven

EUR 166,8 miljoen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 
Tabel: Realisatie beleidsdoorlichtingen Begrotingshoofdstuk XVII – BHOS
 

Begrotingsartikel

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Geheel artikel1

Behandeling in Tweede Kamer2

1

Duurzame economische ontwikkelingen, handel en investeringen

             

nee

n.v.t.

1.1

Duurzaam Handels- en investeringssysteem incl. MVO

                 

1.2

Versterkte Nederlandse handels- en investeringspositie

                 

1.3

Versterkte private sector en arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden

 

           

33 625-96; 33 625-231

2

Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat

             

nee

 

2.1

Voedselzekerheid

         

   

34 124-15

2.2

Water

         

   

34 124-16

2.3

Klimaat

   

         

33 625-191

3

Sociale vooruitgang

             

nee

 

3.1

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en HIV/aids

             

33 625-92; 31 271-12

3.2

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

   

         

33 625-211/225

3.3

Maatschappelijk middenveld

       

     

34 124-11;

3.4

Onderwijs

                 

4

Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling

             

nee

 

4.1

Humanitaire hulp

   

         

32 605-206; 31 271-21

Ex 4.2

Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties3

       

     

31 516-20

4.2

Opvang en bescherming in de regio en migratieontwikkeling

                 

4.3

Veiligheid en rechtstaatontwikkeling

 

X4

         

33 625-92; 31 787-9; 29 653-15

5

Multilaterale samenwerking en overige inzet

             

nee

 

5.1

Multilaterale samenwerking

         

   

31 271-29

5.2

Overig armoedebeleid

                 

5.3

Vervallen

                 

5.4

Nog verder in te delen ivm wijzigingen BNI en/of toerekeningen

                 
X Noot
1

Tot 2018 was het bij BZ en BHOS gebruikelijk om beleidsdoorlichtingen niet over het gehele beleidsartikel uit te voeren maar één niveau lager, namelijk van beleidsdoelstellingen. Met ingang van 2019 worden beleidsdoorlichtingen van het gehele beleidsartikel geprogrammeerd.

X Noot
2

Vervolgnummer betreft het kamerstuk (bv. 31 271–4)

X Noot
3

Deze beleidsdoelstelling is sinds 2015 opgenomen in de begroting van het Ministerie van Defensie.

X Noot
4

De beleidsdoorlichting Goed Bestuur is stopgezet. Onderdelen zijn al elders meegenomen of worden elders ondergebracht. Zie hiervoor de brief aan de TK over de aanpassing van de planning van de beleidsdoorlichtingen verstuurd op 18 augustus 2016 (Kamerstuk 34 124-8).

Zie bijlage 1 voor een overzicht afgeronde evaluatie- en overige onderzoeken.

Tabel: Overzicht risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedrag EUR x 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garantie

Verleende garanties

Vervallen garanties

Uitstaande garantie

Jaarlijks

Totaal

Totaalstand

ultimo 2018

in 2019

in 2019

ultimo 2019

plafond

plafond

risicovoorziening

1 Duurzame handel en investeringen

Garantie FOM

24.760

0

1.933

22.827

 

22.827

43.706

1 Duurzame handel en investeringen

Garantie DTIF

8.224

506

0

8.730

 

140.000

15.113

1 Duurzame handel en investeringen

Garantie DRIVE

0

49.293

 

49.293

55.000

 

12.500

1 Duurzame handel en investeringen

Garantie DGGF

80.592

77.050

 

157.642

 

675.000

56.409

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties IS-NIO

138.003

 

18.959

119.044

 

199.044

 

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties IS-Raad van Europa

176.743

 

176.743

0

     

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties African Development Bank (AfDB)

637.416

21.741

 

659.157

 

659.157

 

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties Asian Development Bank (AsDB)

1.241.244

31.030

 

1.272.274

 

1.272.274

 

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties Inter American Development Bank (IDB)

276.794

13.026

 

289.820

 

289.820

 
 

TOTAAL

2.583.776

192.646

197.635

2.578.787

55.000

3.258.122

0

Uitgaven en ontvangsten (bedrag EUR x 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

Totaalstand mutatie volume

2018

2018

2018

2019

2019

2019

risicovoorziening 2019 en 2018

1.2 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie FOM

0

426

426

878

135

– 743

– 317

1.2 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie DTIF

3.654

920

– 2.734

4.719

1.031

– 3.688

– 6.422

1.3 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie DRIVE

0

0

0

0

0

0

0

1.40 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie DGGF

1.857

1.355

– 502

1.266

1.203

– 63

– 565

5.2 (uitgaven) en 5.20 (ontvangsten)

Garanties IS-NIO

0

2.520

2.520

0

0

0

0

 

TOTAAL

5.511

5.221

– 290

6.863

2.369

– 4.494

– 7.304

Toelichting op overzicht risicoregelingen

Met ingang van de begroting 2019 zijn de risicoregelingen van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gescheiden. De garanties voor de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa zijn nu afzonderlijk opgenomen in de risicoparagraaf van de memorie van toelichting bij de begroting van Buitenlandse Zaken.

DGGF

Het Dutch Good Growth Fund (DGGF) is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor ontwikkelingsrelevante en risicodragende investeringen en exporttransacties en bestaat uit drie onderdelen. Binnen alle drie de onderdelen van het DGGF is het mogelijk om garanties te verstrekken. Voor onderdeel 2 houdt de fondsbeheerder zelf een reserve aan ter grootte van de verstrekte garanties, waardoor het begrotingsrisico voor BHOS beperkt is.

Daarnaast is de fondsbeheerder in de gelegenheid gesteld om het toegekende budget volledig in te kunnen zetten en is bepaald dat de fondsbeheerder voor een hoger bedrag dan het beschikbare budget aan contracten/committeringen kan aangaan met intermediaire fondsen. Het gaat hier om een overcommitteringsruimte, in de vorm van een garantie van BHOS aan de fondsbeheerder van maximaal EUR 100 miljoen. Eventuele verliezen zullen ten laste van het investeringskapitaal worden gebracht, waardoor er geen extra begrotingsrisico voor BHOS is.

Daarom wordt hieronder alleen ingegaan op onderdeel 1 en 3 van het DGGF. Door het verstrekken van garanties kan het DGGF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Er kan een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen wordt voor onderdeel 1 en 3 van het DGGF, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De huidige omvang van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de uitstaande garantieverplichtingen en de verwachte groei van de portefeuille in 2020.

Per saldo is in 2019 voor EUR 157.642 miljoen aan garanties en/of wisselfinancieringen verstrekt.

In 2019 is de begrotingsreserve per saldo met EUR 9.937 miljoen toegenomen. Dit saldo bestaat uit een aanvullende storting ter dekking van de verstrekte garanties van EUR 10 miljoen, van ontvangen premies en aflossingen van wisselfinancieringen ad EUR 1.203 miljoen en een onttrekking van EUR 1.266 miljoen. De begrotingsreserve komt daarmee per 31 december 2019 op EUR 56.409 miljoen. Voor het DGGF is een garantieplafond ingesteld in lijn met het garantiekader. Het cumulatieve bedrag dat op enig moment aan garanties binnen het DGGF kan uitstaan is gemaximeerd op EUR 675 miljoen. De hoogte van het garantieplafond zal in de beleidsevaluatie DGGF in 2020 geëvalueerd worden.

FOM

Voor Nederlandse bedrijven die actief zijn op buitenlandse markten is een effectief functionerend bedrijfsleveninstrumentarium evenals goede economische diplomatie van groot belang. In 2016 is gewerkt aan een herziening van het bestaande non-ODA financieringsinstrumentarium. Door deze herziening wordt – op basis van additionaliteit van de overheid – optimaal ingespeeld op veranderende marktomstandigheden en financieringsbehoeftes.

De Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en Finance for International Business (FIB) zijn afgebouwd. De karakteristieken van deze regelingen zijn gecombineerd in het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) met als doel meer maatwerk te kunnen bieden, alsmede een meer homogene bediening aan het NL-bedrijfsleven, waardoor de doelgroep beter kan worden bereikt. De middelen die vrijkomen uit de bestaande begrotingsreserves voor de FOM en de FIB worden ingezet voor DTIF. Er is EUR 0.135 miljoen aan premies ontvangen. In 2019 is EUR 0.878 miljoen uitgekeerd als schade. In 2019 is EUR 0 uit de begrotingsreserve FOM ingezet voor het DTIF. De begrotingsreserve FOM komt daarmee per 31 december 2019 op EUR 43.706 miljoen. Omdat er geen nieuwe garanties meer worden verleend onder het FOM, is het plafond verlaagd naar EUR 22.827 miljoen. Dit is overeenkomstig het totaal aan uitstaande garanties.

DTIF

Het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor risicodragende investeringen en exporttransacties en bestaat uit twee onderdelen. Binnen beide onderdelen is het mogelijk om garanties te verstrekken. Binnen onderdeel twee worden garanties verstrekt in de vorm van wisselfinancieringen. Door het verstrekken van garanties kan het DTIF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Er kan een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen wordt voor beide onderdelen van het DTIF, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De uiteindelijke hoogte van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de hoogte van de garantieplafonds die voor de onderdelen van het DTIF zijn vastgesteld. Er is besloten een initiële storting van EUR 5 miljoen in de begrotingsreserve te doen bij de start van het DTIF ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en wisselfinancieringen.

Per saldo is in 2019 voor EUR 8,730 miljoen aan garanties en/of wisselfinancieringen verstrekt.

In 2019 is de begrotingsreserve per saldo met EUR 5,311 miljoen toegenomen. Dit saldo bestaat uit een storting van ontvangen premies en aflossingen van wisselfinancieringen ad EUR 1,031 miljoen en een onttrekking van EUR 4,719 miljoen. Op basis van de verstrekte garanties/wisselfinancieringen en de verwachting voor 2020 is een storting verricht van EUR 9 miljoen. De stand van de begrotingsreserve komt per 31 december 2019 op EUR 15,113 miljoen.

Voor het DTIF is een garantieplafond ingesteld in lijn met het garantiekader. Het cumulatieve bedrag dat op enig moment aan garanties binnen het DTIF kan uitstaan is gemaximeerd op EUR 140 miljoen.

DRIVE

Met DRIVE faciliteert de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) investeringen in publieke infrastructuurprojecten die bijdragen aan een goed ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van de private sector in lage- en middeninkomenslanden. DRIVE doet dit middels het verstrekken van subsidies met of zonder terugbetalingsverplichting (lening of à fonds perdu) aan het bedrijfsleven. Ook kunnen garanties worden verstrekt en is er aanvullende Exportkredietverzekering (EKV) beschikbaar. Het garantieplafond voor DRIVE is vastgesteld op EUR 55 miljoen per jaar. Ter afdekking van de risico’s en ter compensatie van de mismatch in de tijd tussen (premie)inkomsten en uitgaven (ten behoeve van schades), is afgesproken een interne begrotingsreserve aan te houden volgens de hefboom 1:4. Er is besloten een initiële storting van EUR 12,5 miljoen in de begrotingsreserve te doen, bij start van DRIVE ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en verzekeringen. Er is in 2019 een garantie verstrekt vanuit DRIVE van EUR 49,293 miljoen. Er zijn in 2019 geen premies ontvangen of schades uitgekeerd. De stand van de begrotingsreserve komt per 31 december 2019 op EUR 12,5 miljoen.

Overzicht revolverende fondsen

Revolverende fondsen zijn belangrijk voor BHOS, met ingang van het jaarverslag 2019 wil BHOS meer inzicht geven in de revolverende fondsen door de beschikbare informatie aangaande deze fondsen op een meer overzichtelijke manier te presenteren. Het betreft de fondsen die in het rapport van de Algemene Rekenkamer zijn onderzocht en deze zijn aangevuld met de nieuwe fondsen Dutch Fund for Climate and Development (DFCD), FarmFit en One Acre Fund.

Revolverende fondsen (bedragen x EUR 1 miljoen)

Naam

Revolverend Fonds

Uitvoerende organisatie

Omvang fonds1 31-12-2019;

Bijdrage NL t/m 31-12-2019; beoogde totale bijdrage NL

Uitgangspunt revolveerbaarheid

Uitvoering evaluatie gepland; beleidsdoorlichting gepland

Looptijd

DGGF

Dutch Good Growth Fund onderdeel 1

RVO

60,7

104,3;

230,0

100% nominaal

2020; 2020

2014 -Onbepaald

DGGF

Dutch Good Growth Fund onderdeel 2

Triple Jump/PWC

122,8

210,9;

327,5

100% nominaal

2020; 2020

2014 -Onbepaald

DTIF

Dutch Trade & Investment Fund

RVO

9,2

16,9;

71,2

100% nominaal

2021; 2020

2016 -Onbepaald

Massif

FMO

492,3

343,3;

345,0

n.v.t.

2020; 2020

2006–2026

Building Prospects

FMO

338,2

354,5;

462,0

100%

2023; 2020

2001–2028

AEF

Access to Energy Fund

FMO

136,2

110,0;

110,0

100,0; revolveerbaar voor minimaal 75%

Iedere 5 jaar. De volgende evaluatie staat gepland voor medio 2022

2006–2028

CIO / AEF II Climate Investor One

FMO

16,9

29,7 (USD 33,4); 49,500 (USD 55,6)

75% – 100%

Iedere 5 jaar. De evaluatie over de periode 2017–2021 staat gepland voor medio 2022

2012–2037

DFCD

Dutch Fund for Climate & Development

FMO

39,5

40,0;

160,0

Maximaal 160,0 (=100%)

Iedere 5 jaar. De eerste zal plaatsvinden eind 2023

2019–2037

GAFSP

Global Agricultural and Food Security Programme

IFC

86,2 (USD 96,9)

117,0;

121,4.

100% nominaal

Mid-term evaluatie 2018, geen afspraken over volgende evaluatie

2026

PIDG

Private Infrastructure Development Group

PIDG

748,2

(USD 840,7)

10,0 en

88,6 (USD 99,5);

10,0 en 138,4 (USD 155,5)

n.v.t.

n.v.t.

2002 -Onbepaald

One Acre Fund

One Acre Fund

13,4 (USD 15,0)

13,4 (USD 15,0);

13,4 (USD 15,0)

100%

; 2020

2018–2023

Farmfit Fund

IDH

4,5

4,5;

50,0

100%

; 2020

2019–2034

X Noot
1

De omvang van het fonds betreft de omvang op basis van de waarderingsgrondslag die door de uitvoerende organisatie wordt gehanteerd volgens de meest recent beschikbare gegevens. Voor enkele fondsen (DGGF, DTIF, GAFSP, PIDG) zijn de (meest recente) gegevens per 31 december 2018 opgenomen.

Toelichting op overzicht revolverende fondsen

Revolverende fondsen hebben als kenmerk dat investeringen na enige tijd worden terugontvangen waarna deze middelen ingezet kunnen worden voor nieuwe investeringen passend binnen het doel van het fonds. Fondsbeheerders is benadrukt dat, waar mogelijk en verantwoord, bij nieuwe investeringen de nadruk op de focusregio's ligt.

DGGF

Dutch Good Growth Fund onderdeel 1 en 2. Onderdeel 1 en 2 van DGGF richt zich op het bevorderen van ondernemerschap in ontwikkelingslanden. De begunstigde van het DGGF zijn ondernemers.

DTIF

Dutch Trade & Investment Fund richt zich op het ondersteunen van Nederlandse bedrijven die zaken willen doen met niet-ontwikkelingslanden en niet terecht kunnen bij reguliere banken.

MASSIF

MASSIF is gericht op het verbeteren van toegang tot financiering voor het MKB in ontwikkelingslanden.

Building Prospects

Het Building Prospects Fonds is een voortzetting van het Infrastructure Development Fund en richt zich op het (deels) financieren van infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden.

AEF

Het Access to Energy Fund is opgericht met als doel energietoegang voor mensen in ontwikkelingslanden te vergroten. Met behulp van risicodragend kapitaal maakt AEF investeringen in hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden «bankable».

CIO / AEF II

Climate Investor One is door FMO ontworpen om private investeringen in hernieuwbare energie projecten in ontwikkelingslanden verder te versnellen.

DFCD

Het Dutch Fund for Climate and Development is een fonds voor klimaatactie in ontwikkelingslanden gericht op het tegengaan van klimaatverandering en versterking van de weerbaarheid tegen de gevolgen van klimaatverandering, als uitvloeisel van de Nederlandse toezeggingen onder de Overeenkomst van Parijs.

GAFSP

Het Private Sector Window van dit fonds richt zich op innovatieve financiering met als doel commerciële mogelijkheden van het MKB en kleinere boerenbedrijven in de logica van lokale, nationale en internationale productketens te ontwikkelen.

PIDG

De Private Infrastructure Development Group is gericht op het ontwikkelen en financieren van private infrastructuur in ontwikkelingslanden.

One Acre Fund

Het One Acre Fund ondersteunt kleine boeren in Afrika met de financiering van noodzakelijke activa.

Farmfit Fund

Het Farmfit Fund dient ter financiering van een programma voor versterking van en toegang tot financiële diensten voor kleine boeren en MKB in de agrarische sector in ontwikkelingslanden in samenwerking met het internationale bedrijfsleven.

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1: Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen

A. Algemene doelstelling

Verminderen van armoede en maatschappelijke ongelijkheid, bevorderen van duurzame inclusieve groei wereldwijd en versterken van het internationaal verdienvermogen van Nederland. Daartoe werkt Nederland aan een duurzaam handels- en investeringssysteem inclusief Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO), versterking van de Nederlandse handels- en investeringspositie en aan versterking van de private sector en arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het vergt een kabinetsbrede inspanning om deze doelstellingen te verwezenlijken. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking werkt hiertoe in het bijzonder samen met de Minister van Financiën, de Minister en Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het voeren van een op maat gesneden en onderling samenhangend financieel instrumentarium gericht op export- en investeringsbevordering voor het Nederlands en lokaal bedrijfsleven in ontwikkelingslanden, handelsfacilitatie en markttoegang.

  • Het financieel ondersteunen van het Nederlandse en lokale midden- en kleinbedrijf en startups om met eigentijdse oplossingen bij te dragen aan duurzame economische ontwikkeling wereldwijd.

  • Het financieren van diverse bilaterale en internationale programma’s die bijdragen aan een gunstig ondernemingsklimaat en innovatief ondernemerschap in lage- en middeninkomenslanden, met in het bijzonder aandacht voor (jeugd)werkgelegenheid en innovatie.

  • Het financieren van het National Contact Punt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen belast met voorlichting over de OESO-richtlijnen, en het behandelen van klachten met betrekking tot het nakomen van de OESO-richtlijnen door Nederlandse bedrijven.

Stimuleren

  • Het bevorderen van het nakomen van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen door het Nederlandse bedrijfsleven, onder meer door middel van dialoog, voorlichting, IMVO-convenanten, het bedrijfsleveninstrumentarium voor BHOS en steun aan internationale initiatieven.

  • Het bevorderen van werkgelegenheid en ondernemerschap in lage- en middeninkomenslanden, vooral voor jongeren en vrouwen.

  • Stimuleren van ketenverduurzaming in lage- en middeninkomenslanden.

  • Het stimuleren van het bedrijfsleven en kennisinstellingen, Nederlands en lokaal, om met hun internationale activiteiten bij te dragen aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, bijvoorbeeld die zoals benoemd in de SDG’s van de VN.

  • Het faciliteren en ondersteunen van Nederlandse bedrijven om zaken te doen op buitenlandse markten, waaronder in lage- en middeninkomenslanden, met behulp van kennis en informatie, contacten en netwerken, positionering en belangenbehartiging (incl. financiering). Hierbij is speciale aandacht voor het Nederlandse midden- en kleinbedrijf, startups en clustergewijze samenwerking van bedrijven op buitenlandse markten.

  • Het stimuleren van een aantrekkelijk internationaal vestigingsklimaat voor buitenlandse investeringen in Nederland ten behoeve van een versterkt internationaal verdienvermogen van Nederland.

  • Het stimuleren van goed bestuur in de vorm van goede wet- en regelgeving, betrouwbare instituties en actoren en verbeterde belastingregimes in lage- en middeninkomenslanden.

Regisseren

  • Een actieve bijdrage leveren aan het schragen en bevorderen van een op regels gebaseerd mondiaal handels- en investeringssysteem, met oog voor duurzaamheid, inclusiviteit en een gelijk speelveld, onder meer via de WTO, OESO en G20.

  • Het bevorderen van duurzame, inclusieve bilaterale handelsakkoorden van de EU met derde landen en effectieve implementatie van deze handelsakkoorden.

  • Het bevorderen van internationale kaders voor IMVO via de VN, OESO, EU en voluntary principles on security and human rights.

  • Het vorm en inhoud geven aan economische diplomatie, economische missies en inkomende en uitgaande bezoeken, en het opstellen en bewaken van de afgestemde reisagenda van het kabinet.

  • Het bevorderen van publiek-private samenwerking op het terrein van internationaal ondernemen, onder andere via het publiek-private stelsel met aan de private kant krachtenbundeling via NL International Business, aan de publieke kant het Trade & Innovate NL netwerk en daartussen in de publiek-private «Werkplaats». De nieuw opgerichte International Strategy Board (ISB) zal zicht houden op het realiseren van de gezamenlijke internationaliseringsstrategieën en daarover aan private en publieke partijen adviseren.

  • Het invulling geven aan de internationale kant van het topsectorenbeleid.

  • Het inhoud geven aan de mede-beleidsverantwoordelijkheid voor de Exportkredietverzekering (EKV) met de Minister van Financiën.

  • Het afstemmen van Nederlandse inspanningen op het gebied van private sectorontwikkeling en duurzame en inclusieve groei met die van andere multilaterale en bilaterale donoren, met bijzondere aandacht voor programma’s van de Europese Commissie en EU-lidstaten.

Uitvoeren

  • Het behandelen van klachten van Nederlandse bedrijven in het buitenland bedrijven, onder andere over oneerlijke concurrentie.

  • Het uitvoeren van controle op de export van strategische goederen, zoals in de EU en internationale kaders overeengekomen.

  • Nationale implementatie en uitvoering van internationale sancties, waar die export gerelateerde maatregelen betreffen.

  • Het aansturen en vormgeven van de inzet van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op het gebied van handelsbevordering en private sector ontwikkeling en het strategisch aansturen van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO.

  • Het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders naar Nederland, samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat.

C. Beleidsconclusies

Private sector ontwikkeling

Naar aanleiding van de beleidsconclusies over 2018 is in 2019 de toegankelijkheid van het Dutch Good Growth Fund (DGGF) voor ondernemers vergroot. Dit heeft duidelijk vruchten afgeworpen en substantieel bijgedragen aan resultaten die boven verwachting waren: fors meer banen zijn ondersteund via bedrijfsontwikkelingsprogramma’s dan voorzien [resultaten die boven verwachting warenresultatenapplicaite]. Daarnaast is het aantal ondersteunde handels- en investeringsplannen van lokaal MKB in 2019 flink hoger uitgekomen dan in 2018.

De inzet van gedelegeerde PSD-middelen in de focusregio's is beneden verwachting gebleven. Posten bleken meer tijd nodig te hebben om een Private Sector Development (PSD)-projectenportefeuille te ontwikkelen. Het kost in de MENA-regio (Middle East and North Africa), de Sahel en de Hoorn van Afrika veel tijd en inspanning om partners te vinden en netwerken op te bouwen. Bovendien hebben diverse focuslanden een grote publieke en een kleine private sector, in combinatie met een slecht ondernemingsklimaat. Voor 2020 zijn daarom minder gedelegeerde middelen beschikbaar gesteld dan aangevraagd door de posten. Gelijktijdig wordt met de posten samengewerkt om toch goede PSD-projecten te ontwikkelen.

Ook handelsfacilitatie en regionale handel kwamen in deze regio’s langzamer op gang dan voorzien. Dat heeft o.a. te maken met politieke instabiliteit en het deels ontbreken van basisvoorwaarden voor handel. Door regionale programma’s uit West- en Oost-Afrika naar de Sahel en de Hoorn uit te breiden, zal naar verwachting een inhaalslag plaatsvinden.

Handelsagenda

Via de Kamerbrief «Handelsagenda: één 1 jaar onderweg» is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van de publiek-private samenwerking gericht op totstandkoming van een gezamenlijke internationale strategie, branding en meerjarige programmering ter bevordering van de internationalisering van MKB en startups. Het beleid is ongewijzigd.

D: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 1 Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Vastgestelde begroting 2019

Verschil 2019

Verplichtingen

631.834

387.733

273.373

614.842

899.483

410.767

488.716

 

waarvan garantieverplichtingen

 

14.982

27.644

7.168

124.916

129.000

– 4.084

                   

Uitgaven:

             
                   

Programma-uitgaven totaal

298.629

386.775

471.994

537.160

515.698

532.289

– 16.591

                   

1.1

Duurzaam handels- en investeringssysteem, incl. MVO

12.780

14.305

14.771

24.258

28.631

32.553

– 3.922

                   
 

Subsidies

             
   

Beleidsondersteuning internationaal economisch beleid (non-ODA)

   

2.613

0

0

0

0

   

Beleidsondersteuning, evaluaties en onderzoek

 

2.059

0

0

0

3.623

– 3.623

   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

 

2.950

3.240

4.946

10.361

20.075

– 9.714

   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (non-ODA)

     

2.278

2.843

0

2.843

   

Contributies internationaal ondernemen (non-ODA)

     

48

22

0

22

                   
 

Opdrachten

             
   

Beleidsondersteuning internationaal economisch beleid (non-ODA)

   

1.754

0

 

2.185

– 2.185

   

Beleidsondersteuning, evaluaties en onderzoek

3.083

1.554

         
   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

   

986

2.221

1.116

0

1.116

   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (non-ODA)

     

1.979

572

0

572

                   
 

Bijdrage aan agentschappen

             
   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

       

1.276

1.000

276

   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

       

900

0

900

                   
 

Bijdrage (inter)nationale organisaties

             
   

Contributies internationaal ondernemen (non-ODA)

5.506

5.682

5.817

5.542

5.022

5.670

– 648

   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

4.191

2.059

361

7.244

5.760

0

5.760

   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (non-ODA)

       

759

0

759

                   

1.2

Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie

48.837

58.139

73.633

87.598

96.700

107.919

– 11.219

                   
 

Subsidies

             
   

Starters International Business (SIB)/ Programma Strategische Beurzen (non-ODA)

3.881

5.688

3.704

5.267

3.223

5.200

– 1.977

   

Partners for International Business (PIB) (non-ODA)

410

5.647

1.756

3.560

3.380

5.105

– 1.725

   

Demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en investeringsstudies (DHI) (non-ODA)

4.889

2.889

1.528

4.126

3.374

5.433

– 2.059

   

Dutch Trade and Investment Fund (non-ODA)

       

0

18.229

– 18.229

   

Fonds opkomende markten

3.520

383

1.589

0

878

0

878

   

Versterking concurrentiepositie Nederland

   

2.700

674

5.421

9.200

– 3.779

   

Versterking economische functie

   

1.140

0

5

527

– 522

   

Aanvullende opdrachten

   

610

0

0

3.400

– 3.400

   

Overige (non-ODA)

   

2.215

6.814

0

9.225

– 9.225

   

Invest NL

     

3.200

2.683

9.000

– 6.317

   

Transitiefaciliteit

 

1.351

245

0

0

0

0

   

Overig Programmatische Aanpak (non-ODA)

817

279

 

0

0

0

0

   

PSO/2g @there (non-ODA)

791

   

0

0

0

0

                   
 

Leningen

             
   

Dutch Trade and Investment Fund (non-ODA)

 

5.452

12.941

14.017

3.378

0

3.378

   

Trustfund IBRD

 

1.000

 

0

0

0

0

   

Overig

 

1.206

 

0

0

0

0

                   
 

Garantie

             
   

Dutch Trade and Investment Fund (non-ODA)

     

3.528

13.720

0

13.720

                   
 

Opdrachten

             
   

Aanvullende opdrachten

     

4.576

8.020

0

8.020

   

Wereldtentoonstelling Dubai

       

4.255

4 300

– 45

   

Chinastrategie

         

0

0

   

GES

     

1.087

9.322

0

9.322

   

Dutch Trade and Investment Fund (non-ODA)

       

426

0

426

                   
 

Bijdragen aan agentschappen

             
   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (non-ODA)

27.146

28.892

39.854

35.349

33.265

32.900

365

   

Versterking economische functie (NBSO's via RVO) (non-ODA)

6.274

5.352

5.351

5.400

5.350

5.400

– 50

                   

1.3

Versterkte private sector en arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden

237.012

314.331

383.590

425.304

390.367

391.817

– 1.450

                   
 

Subsidies

             
   

Transitiefaciliteit

2.135

2.931

234

0

 

0

0

   

Marktontwikkeling in het kader van private sector development

44.526

59.804

58.343

32.672

40.586

37.117

3.469

   

Wet en regelgeving

5.579

2.453

3.027

1.176

2.347

3.100

– 753

   

Financiele sectorontwikkeling

36.639

7.065

23.412

41.297

3.352

6.000

– 2.648

   

Versterking privaat ondernemerschap

54.083

60.983

57.352

61.000

42.381

55.600

– 13.219

   

Infrastructuurontwikkeling

33.288

44.763

43.832

15.247

252

80.900

– 80.648

   

Bedrijfsmatige technische bijstand

   

628

252

468

0

468

   

Samewerking bedrijfsleven en PPP's

5.849

9.859

3.386

518

5.504

8.500

– 2.996

   

Versterking privaat ondernemerschap non-ODA

6.382

2.313

 

0

0

1.500

– 1.500

   

Technische assistentie DGGF

8.000

10.809

3.452

3.714

1.618

5.700

– 4.082

   

Landenprogramma's ondernemingsklimaat

   

5.376

4.190

0

0

0

   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

   

403

0

0

0

0

   

Werkgelegenheid

     

11.219

2.343

22.000

– 19.657

   

programma's Dutch Good Growth Fund

   

3.147

26.847

12.071

20.000

– 7.929

                   
 

Leningen

             
   

Infrastructuurontwikkeling

     

26.400

17.000

0

17.000

   

programma's Dutch Good Growth Fund

     

28.000

23.262

35.000

– 11.738

                   
 

Garanties

             
   

programma's Dutch Good Growth Fund

   

5.569

1.858

1.266

13.000

– 11.734

                   
 

Opdrachten

             
   

Werkgelegenheid

       

9.289

3.000

6.289

   

Innovatie

         

5.000

– 5.000

   

Landenprogramma's ondernemingsklimaat

     

2.691

 

0

0

   

Marktontwikkeling in het kader van private sector development

     

11.908

12.184

0

12.184

   

Wet en regelgeving

     

886

 

0

0

   

Infrastructuurontwikkeling

     

6.515

431

0

431

   

Bedrijfsmatige technische bijstand

     

135

452

0

452

   

Technische assistentie DGGF

     

5.866

10.252

0

10.252

   

programma's Dutch Good Growth Fund

   

34.913

1.145

11.093

0

11.093

                   
 

Bijdragen aan agentschappen

             
   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

15.404

42.838

40.959

29.387

27.597

36.000

– 8.403

   

Infrastructuurontwikkeling

   

15.580

29.065

0

0

0

   

Technische assistentie DGGF

   

5.246

0

0

0

0

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

International Labour Organisation

5.213

5.721

5.128

4.943

4.736

5.700

– 964

   

Partnershipprogramma's ILO

4.883

5.527

5.524

5.000

4.915

5.500

– 585

   

Landenprogramma's ondernemingsklimaat

13.284

12.411

8.469

7.585

23.368

7.400

15.968

   

Infrastructuurontwikkeling

 

45.421

24.832

14.787

50.262

20.000

30.262

   

Bedrijfsmatige technische bijstand

1.748

1.433

5

6

127

1.500

– 1.373

   

Werkgelegenheid

     

4.399

3.400

5.000

– 1.600

   

Transitiefaciliteit

   

185

59

0

0

0

   

Marktontwikkeling in het kader van private sector development

   

4.755

17.990

9.665

6.400

3.265

   

Wet en regelgeving

   

2.782

3.342

4.703

1.900

2.803

   

Financiele sectorontwikkeling

   

26.801

25.205

63.708

6.000

57.708

   

Samewerking bedrijfsleven en PPP's

   

250

0

296

0

296

   

Nexus onderwijs en werk

       

1.439

0

1.439

                   

Ontvangsten

11.052

80.289

14.942

11.447

8.809

6.491

2.318

                   

1.10

Ontvangsten duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen

9.182

78.815

9.431

9.447

7.542

3.491

4.051

                   

1.30

Ontvangsten DGGF

1.870

1.474

5.511

2.000

1.267

3.000

– 1.733

E: Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen

Ten opzichte van de ontwerpbegroting is het verplichtingenbudget van artikel 1 toegenomen. Een belangrijk deel van de verplichtingenmutaties is reeds toegelicht in de eerste en tweede suppletoire begroting 2019. Ten opzichte van de tweede suppletoire begroting is het verplichtingenbudget verhoogd. Deze bijstelling komt hoofdzakelijk doordat nieuwe investeringen via de DRIVE-infrastructuur regeling hoger uitvielen dan verwacht.

Ten tijde van de opstelling van de decemberbrief was nog sprake van een verlaging van het verplichtingenbudget. Dit was het gevolg van het feit dat de uitvoeringspartners van de garantieverplichtingen pas na indiening van decemberbrief de definitieve cijfers bekend maken. Dit neemt niet weg dat de garantieverplichtingen wel onder het afgesproken garantieplafond, waarvan melding is gemaakt in de begroting, zijn gebleven.

Met ingang van de begroting 2019 is artikel 1.4 opgeheven en zijn de verplichtingen ondergebracht binnen artikel 1.3.

Uitgaven

Artikel 1.1

De uitgaven zijn per saldo lager dan voorzien met name door lagere uitgaven voor subsidies voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit betreft onder andere lagere uitgaven voor de implementatie van de IMVO convenanten, namelijk de subsidie aan de Sociaal Economische Raad voor ondersteuning van de IMVO-convenanten en de subsidies aan de ngo’s middels het Fonds Verantwoord Ondernemen. De uitgaven voor het Fonds Bestrijding Kinderarbeid vielen lager uit.

Artikel 1.2

De lagere uitgaven komen voort uit een saldo van mutaties die voor een belangrijk deel zijn toegelicht in de eerste en tweede suppletoire begroting 2019. Zo bleek bij de eerste en tweede suppletoire begroting dat de uitgaven voor de Global Enterpreneurship Summit en de subsidies voor Netherlands in Business en de Development Accelarator lager uitvielen dan verwacht. Verder bleek dat een aantal RVO regelingen (SIB, PIB en DHI) en de beschikbare middelen voor DTIF ten opzichte van de ontwerpbegroting niet volledig zijn uitgeput.

Artikel 1.3

De uitgaven voor artikel 1.3 zijn per saldo iets lager dan de vastgestelde begroting. Deze verlaagde realisatie is het per saldo effect van verschillende verhogingen en verlagingen van het budget, deels toegelicht in de de eerste en tweede suppletoire begroting 2019. Zo is er sprake van vertragingen van verschillende infrastructurele projecten, met een lagere realisatie tot gevolg. Ook is er sprake van een verhoging van de realisatie voor financiële sectorontwikkeling in ontwikkelingslanden (met een focus op de MENA-regio en vrouwelijk ondernemerschap). Verder viel de bijdrage aan RVO.nl lager uit dan begroot door de lagere uitvoeringskosten.

Ontvangsten

Artikel 1.10

De ontvangsten bleken in het laatste deel van het begrotingsjaar hoger dan aanvankelijk voorzien. Voor DTIF betreft het de verrekening van de ontvangen premies en uitbetaalde wisselfinancieringen vanuit de DTIF begrotingsreserve. Verder is er voor de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) sprake van een verrekening met de FOM begrotingsreserve, vanwege een uitbetaalde claim op een uitstaande garantie. Overige ontvangsten betreffen het terugbetalen van leningen voor de Nationale Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden en terugbetalingen van de RVO voor de programma’s «Transitiefaciliteit» en «Missies».

Artikel 2: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat

A. Algemene doelstelling

Toegenomen voedselzekerheid; verbeterd waterbeheer, drinkwater, sanitaire voorzieningen en voorlichting over hygiëne; toegenomen weerbaarheid tegen klimaatverandering en tegengaan van klimaatverandering; duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Om deze doelstelling te realiseren, werkt de Minister voor BHOS nauw samen met de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • De financiering van diverse programma’s en fondsen gericht op duurzame economische ontwikkeling, voedsel- en waterzekerheid, toegang tot hernieuwbare energie, klimaatadaptatie en verduurzaming van grondstofwinning. In toenemende mate wordt ingezet op financiering van programma’s waarin oog is voor de dwarsverbanden die tussen deze mondiale uitdagingen bestaan. Groeiende druk op natuurlijke hulpbronnen dwingt tot verduurzaming en een integrale benadering die synergie tussen de verschillende thema’s bevordert. De programma’s worden uitgevoerd door multilaterale instellingen, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, (lokale) overheden, centrale uitvoerders (zoals FMO en RVO), in consultatie en samenwerking met andere donoren (waaronder DfID, BMZ, USAID en SIDA) en via publiek-private partnerschappen.

  • De financiering van verschillende multilaterale en internationale instellingen, die een sleutelrol spelen bij de verzameling van gegevens, analyse en (formulering van de) aanpak van vraagstukken op het gebied van deze thema’s.

Stimuleren

  • Nadruk op de verduurzaming van de dienstverlening en een integrale benadering die synergie tussen de verschillende thema’s bevordert.

  • Het stimuleren van een inclusieve benadering met extra aandacht voor vrouwen en jongeren.

  • Het intensiveren van de samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector gericht op bovengenoemde doelstellingen.

  • Mobilisatie van private investeringen in klimaatadaptatie en klimaatmitigatie met gebruikmaking van begrotingsmiddelen.

Regisseren

  • Inzet van Nederlandse deskundigheid en technologie bij het realiseren van de ontwikkelingsdoelstellingen.

  • Coördinatie van het Nederlandse internationale milieu- en klimaatbeleid.

C. Beleidsconclusies

De beleidsmatige inzet op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat is in 2019 verder verbreed en meer geïntegreerd, met meer nadruk op de verankering van resultaten. De risico’s van honger, waterstress en klimaatverandering voor mensen, economie en milieu zijn meer geïnternaliseerd in de beleidsinzet.

Voedselzekerheid. De bredere systeembenadering is geactualiseerd in de Voedselzekerheidsbrief «Op weg naar een wereld zonder honger in 2030» (Kamerstukken 33 625, nr. 280) met onder meer een erkenning van de nauwe relatie tussen SDG 2 en andere SDG’s, waaronder klimaat en biodiversiteit. Die bredere kijk wordt steeds meer toegepast. Tijdens de UN Climate Action Summit in september 2019 heeft Nederland meer aandacht besteed aan klimaatadaptatie in het voedselzekerheidsbeleid. Er is voor gekozen niet overhaast in nieuwe landen binnen de focusregio’s te beginnen, maar eerst de situatie goed te analyseren en de opties voor een geïntegreerde aanpak van voedselzekerheid-water-klimaat te verkennen. Een nieuw honger- en conflict-programma, gericht op weerbaarheid van de bevolking, is gestart in drie fragiele landen in de Hoorn van Afrika. Een nieuwe samenwerking voor voedselzekerheid, water en klimaat in de Sahel voor een – veel langer dan gebruikelijke – periode van 10 jaar is in voorbereiding. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Diks (Kamerstukken 34 775 XVII, nr. 22).

Water. Waterprogramma’s richten zich in toenemende mate op verduurzaming en relaties met andere sectoren, o.a. voedselzekerheid, klimaat en gezondheid. Het Water, Peace and Security Partnership helpt met vroegtijdige identificatie en voorkoming van water-gerelateerde conflicten, relevant voor Mali en Irak bijvoorbeeld. Het nieuwe Valuïng Water Initiative begeleidt multi-stakeholder partnerschappen die inzetten op gelijke toegang tot water, op minder afwenteling van waterrisico en -kosten op kwetsbare groepen, en op het tegengaan van uitputting van watervoorraden. Er is bewust voor gekozen om de samenwerking met UNICEF in West-Afrika uit te breiden met water en sanitatie vanwege hun expertise gericht op verduurzaming van resultaten, en hun brede aanwezigheid, ook in tijden van crisis. Er is een plan gemaakt voor opschaling en versnelling van de inzet op WASH om de 2030-doelen te halen. Hiermee is invulling gegeven aan de motie Stoffer/Van Brenk (Kamerstukken 35 000 XVII, nr. 51). In 2019 heeft Nederland minder mensen bereikt dan voorzien op het gebied van verbeterd stroomgebiedbeheer (zie ook bijlage 3: toelichting op streefwaarden en indicatoren). Dat komt onder meer omdat werkzaamheden niet tijdig konden worden uitgevoerd door natuurgeweld en de opstart in nieuwe landen in de focusregio’s langzamer verliep dan voorzien.

Klimaat. Nederland heeft, bilateraal en in VN en EU, extra inspanningen geleverd op het gebied van klimaatdiplomatie voor meer klimaatambitie en -actie wereldwijd, zoals uiteengezet in Kamerstukken 31 793, nr. 189. De reductie van de uitstoot van broeikasgassen heeft ook klimaateffecten voor ontwikkelingslanden. Ontwikkelingslanden die zijn aangesloten bij het NDCPartnerschap kunnen steun krijgen bij de ontwikkeling van meer ambitieuze, evidence-based nationale klimaatplannen en voor kwalitatief betere uitvoering van die plannen. Dergelijke steun wordt inmiddels aan 65 landen verstrekt. Nederland investeert ook direct in klimaatrelevante programma’s, waarbij het zowel om Nederlandse als om internationale initiatieven kan gaan. Het Dutch Fund for Climate and Development (DFCD) is gegund aan een consortium onder leiding van FMO. Daarnaast lanceerde RVO de resultaatgerichte subsidieregeling «SDG7 Results» waarbij bedrijven achteraf subsidie ontvangen als is aangetoond dat mensen daadwerkelijk toegang hebben gekregen tot hernieuwbare energie. Nederland heeft de jaarlijkse bijdrage aan het Groene Klimaatfonds met 20% verhoogd nadat afspraken zijn gemaakt over verbeterde governance van het fonds. Er is met internationale partners extra geïnvesteerd in schone kookoplossingen in de Sahel en de Hoorn van Afrika, in kleine zonne-energie systemen in de Sahel en in vergroening van de financiële sector in ontwikkelingslanden. Op gebied van duurzaam gebruik van grondstoffen werd het nieuwe climate smart mining initiatief van de Wereldbank gesteund. Het totaaloverzicht van de klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden van Nederland vindt u in bijlage 6 bij het HGIS-jaarverslag.

D: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 2 Duurzame ontwikkeling voedselzekerheid, water en klimaat (bedragen x EUR 1.000)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Vastgestelde begroting 2019

Verschil 2019

Verplichtingen

615.198

531.813

814.000

690.998

833.191

461.310

371.881

                   

Uitgaven:

             
                   

Programma-uitgaven totaal

525.705

648.529

664.774

710.799

723.347

730.477

– 7.130

                   

2.1

Voedselzekerheid

288.463

335.375

341.528

323.950

336.667

339.295

– 2.628

                   
 

Subsidies

             
   

Internationaal onderwijsprogramma voedselzekerheid

32.691

2.890

0

344

0

0

0

   

Duurzame voedselproductie

55.345

0

0

0

0

0

0

   

Marktontwikkeling in het kader van voedselzekerheid

12.926

0

0

0

0

0

0

   

Voeding

21.554

0

0

0

0

0

0

   

Bevorderen inclusieve en duurzame groei in de agrarische sector

 

30.166

28.955

19.710

22.391

27.600

– 5.209

   

Kennis en capaciteitsopbouw t.b.v. voedselzekerheid

 

34.260

28.575

1.793

32.485

32.000

485

   

Landenprogramma's voedselzekerheid

 

26.621

47.803

41.639

59.117

41.000

18.117

   

Uitbannen huidige honger en voeding

 

18.289

 

33.227

18.600

0

18.600

   

Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen

   

985

11.030

6.400

0

6.400

                   
 

Opdrachten

             
   

Landenprogramma's voedselzekerheid

     

7.339

0

0

0

   

Kennis en capaciteitsopbouw t.b.v. voedselzekerheid

     

13.747

0

0

0

   

Realiseren ecologisch houdbare voedselsystemen

       

9.250

 

9.250

                   
 

Bijdrage aan agentschappen

             
   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

10.384

5.981

 

0

0

0

0

   

Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen

   

18.706

12.434

0

10.000

– 10.000

   

Bevorderen inclusieve en duurzame groei in de agrarische sector

       

1.514

 

1.514

   

Kennis en capaciteitsopbouw t.b.v. voedselzekerheid

   

3.965

7.941

1.645

4.000

– 2.355

   

Landenprogramma's voedselzekerheid

   

3.700

0

0

5.000

– 5.000

                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

             
   

Partnerschapsprogramma's FAO

2.500

0

 

0

0

0

0

   

Versterking ruraal ondernemersklimaat

21.895

0

 

0

0

0

0

   

Kennis en capaciteitsopbouw t.b.v. voedselzekerheid

 

27.765

21.600

21.120

20.400

18.000

2.400

   

Realiseren ecologisch houdbare voedselsystemen

 

20.000

21.350

0

1.700

23.595

– 21.895

   

Bevorderen inclusieve en duurzame groei in de agrarische sector

 

50.559

32.744

34.539

27.673

32.000

– 4.327

   

Landenprogramma's voedselzekerheid

131.165

118.844

115.205

110.915

126.057

121.100

4.957

   

Uitbannen huidige honger en voeding

   

17.940

6.172

9.435

25.000

– 15.565

                   
 

Bijdragen aan ander begrotingshoofdstuk

             
   

Bevorderen inclusieve en duurzame groei in de agrarische sector

     

2.000

0

0

0

                   

2.2

Water

153.293

194.457

195.426

210.602

189.043

193.714

– 4.671

                   
 

Subsidies

             
   

Integraal waterbeheer

24.577

25.846

13.152

25.556

18.361

27.944

– 9.583

   

Drinkwater en sanitatie

38.561

38.824

19.376

27.327

31.059

25.357

5.702

   

(Landenprogramma's) integraal waterbeheer

   

8.161

7.848

12.254

8.000

4.254

   

(Landenprogramma's) drinkwater en sanitatie

   

15.665

6.392

7.033

12.000

– 4.967

                   
 

Opdrachten

             
   

Integraal waterbeheer

   

4.315

1.158

973

6.000

– 5.027

   

Drinkwater en sanitatie

   

83

94

217

0

217

   

(Landenprogramma's) integraal waterbeheer

   

22.446

27.794

16.738

18.000

– 1.262

   

(Landenprogramma's) drinkwater en sanitatie

   

5.298

3.041

1.204

3.000

– 1.796

                   
 

Bijdrage aan agentschappen

             
   

Integraal waterbeheer

     

3.059

1.507

0

1.507

   

(Landenprogramma's) integraal waterbeheer

       

376

0

376

   

(Landenprogramma's) drinkwater en sanitatie

       

321

0

321

                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

             
   

Wereldbank (waterbeheer)

14.985

15.172

18.990

0

0

0

0

   

Integraal waterbeheer

   

12.771

29.519

21.441

14.000

7.441

   

Drinkwater en sanitatie

   

32.288

40.880

25.148

22.000

3.148

   

(Landenprogramma's) integraal waterbeheer

40.049

61.369

20.646

13.930

23.857

33.668

– 9.811

   

(Landenprogramma's) drinkwater en sanitatie

33.334

51.604

22.235

24.004

28.554

23.745

4.809

   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

1.752

1.640

 

0

0

0

0

                   

2.3

Klimaat

83.949

118.697

127.820

176.247

197.637

197.468

169

                   
 

Subsidies

             
   

Hernieuwbare energie

20.597

8.398

10.566

16.263

17.685

18.500

– 815

   

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen en klimaat algemeen

26.178

34.279

32.885

21.820

19.646

57.729

– 38.083

   

Nationaal Klimaatfonds

     

40.000

40.000

40.000

0

   

Landenprogramma's klimaatbeleid

 

1.874

141

0

1.105

0

1.105

   

Centrale klimaat programma's (non-ODA)

1.070

1.814

592

322

463

0

463

                   
 

Opdrachten

             
   

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen en klimaat algemeen

     

5.566

1.232

0

1.232

   

Centrale klimaat programma's (non-ODA)

       

584

0

584

   

Landenprogramma's klimaatbeleid

       

157

0

157

   

Hernieuwbare energie

       

273

0

273

                   
 

Bijdrage aan agentschappen

             
   

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen en klimaat algemeen

       

185

0

185

   

Hernieuwbare energie

     

1.386

2.723

0

2.723

                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

             
   

Hernieuwbare energie

 

27.822

26.361

12.353

22.245

24.500

– 2.255

   

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen en klimaat algemeen

   

8.790

18.861

20.489

12.000

8.489

   

Klimaat: algemene vrijwillige en verplichte bijdragen

9.299

14.899

19.391

15.696

35.184

14.840

20.344

   

GEF

0

20.725

20.725

37.585

20.900

20.750

150

   

UNEP

7.143

5.142

5.142

2.142

12.142

7.142

5.000

   

Landenprogramma's klimaatbeleid

19.043

3.419

2.086

2.501

273

500

– 227

   

Centrale klimaat programma's (non-ODA)

   

858

1.429

693

1.150

– 457

   

Contributie IZA/IZT

291

326

283

323

316

357

– 41

                   
 

Bijdragen aan ander begrotingshoofdstuk

             
   

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen en klimaat algemeen

       

1.342

0

1.342

E: Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen

Ten opzichte van de ontwerpbegroting is het verplichtingenbudget van artikel 2 toegenomen. Het merendeel hiervan is toegelicht in de eerste en de tweede suppletoire begroting en betrof een mutatie van ruim 670 miljoen. Uitendelijk is het verplichtingenbudget lager uitgevallen dan voorzien in de tweede suppletoire begroting. Deze verlaging is toe te schrijven aan de vertraging in de uitvoering van een aantal programma’s:

  • Voor het thema «voedselzekerheid» betreft dit de programma’s Geodata for Agriculture and Water (G4AW), de klimaatspecifieke bijdrage aan de International Fund for Agricultural Development (IFAD) en de bijdrage 2020 en 2021 aan de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR).

  • Voor het thema «water» betreft dit onder andere de subsidie aan Both Ends voor het partnerschap met Nederlandse ngo’s op het gebied van integraal waterbeheer, het innovatieve financieringsprogramma in Oost-Afrika, de bijdrage aan het Water, Peace & Security Initiative en de bijdrage aan het WASH-programma met de Global Water Operators» Partnerships Alliance (GWOPA/IHE).

  • Voor het thema «klimaat» is deze vertraging toe te wijzen aan met name enkele grotere verplichtingen die zijn doorgeschoven naar 2020. Dit betreft de subsidies aan het innovatieve fonds AGRI3 en de nieuwe bijdrages aan het Green Climate Fund en het Afrika Biogas programma van HIVOS.

Uitgaven

Artikel 2.1

De uitgaven op artikelonderdeel 2.1 zijn ten opzichte van de ontwerpbegroting afgenomen. Deze realisatie is het saldo van enerzijds lagere uitgaven en anderzijds hogere uitgaven. Voor de activiteiten van het Climate Smart Agriculture programma van SNV ( SNV Netherlands Development Organisation ) gericht op voedselsystemen bleek minder liquiditeitsbehoefte. Verder werd in Bangladesh invulling gegeven aan het besluit (Kamerstukken 34 952, nr. 33) om de OS-inzet op thema’s buiten de productieve sectoren geleidelijk af te bouwen wat leidde tot lagere uitgaven voor activiteiten gericht op voedselzekerheid. Hogere uitgaven werden daarentegen gerealiseerd voor activiteiten gericht op het uitbannen van honger en ondervoeding. Dit was onder andere het gevolg van hogere uitgaven voor het reguliere programma met GAIN ( the Global Alliance for Improved Nutrition ) op het gebied van verbeterde voeding alsmede de implementatie van een additionele interventie van GAIN in Mozambique naar aanleiding van de tropische stormen Idai en Kenneth. Hogere uitgaven werden ook gerealiseerd voor activiteiten gericht op de agrarische sector, onder andere door het nieuwe Horticulture Development Program programma in Irak.

Artikel 2.2

De uitgaven op artikelonderdeel 2.2 zijn ten opzichte van de ontwerpbegroting eveneens afgenomen. Deze realisatie is het saldo van enerzijds hogere- en anderzijds lagere uitgaven voor activiteiten op het gebied van integraal waterbeheer, drinkwater & sanitatie en verstrekte subsidies vanuit het centrale budget voor waterbeheer. In het geval van integraal waterbeheer bleven de uitgaven voor activiteiten achter in Mozambique en bleek er voor activiteiten in Benin en Zuid-Soedan een hogere liquiditeitsbehoefte. Voor drinkwater & sanitatie bleven de uitgaven met name in Ghana achter op de planning. Dit was het gevolg van het feit dat de uitgaven van RVO voor het WASH-programma achterbleven bij de prognoses door vertraging in de uitvoering, en doordat een optopping van het UNICEF-programma minder hoog uitviel dan was voorzien. Dit was het gevolg van een lagere liquiditeitsbehoefte.

Landenprogramma’s

Zoals aangegeven in de leeswijzer vindt een toelichting op de landenprogramma’s plaats onder de desbetreffende beleidsartikelen.

Voedselzekerheid

In Ethiopië werd meer besteed als gevolg van een intensivering op de samenwerking met het Agricultural Food Programme (AGP) van de Wereldbank en met het programma van de Agricultural Transformation Agency (ATA) om zo meer resultaten te bereiken op het gebied van productiviteitsverhoging van de landbouw. Verder werd in Rwanda, in navolging van het besluit (Kamerstukken 34 952, nr. 33) om de bilaterale inzet met gedelegeerde OS-middelen in de huidige kabinetsperiode af te bouwen, minder budget toegekend aan de ambassade voor activiteiten gericht op het thema «voedselzekerheid». Daarnaast bleek de liquidsbehoefte voor een aantal activiteiten (Hortivest en Sebeya Landscape Restoration) lager dan oorspronkelijk voorzien voor 2019. In Zuid-Soedan werd meer besteed als gevolg van een hoger dan voorzien uitgavenritme. Deze was het resultaat van een goede voortgang in de uitvoering van het AGRA programma (seed sector program) en het Feeder Roads programma dat door de United Nations World Food Programme (WFP) wordt uitgevoerd.

Water

In Bangladesh werd gedurende 2019 het budget voor programma’s gericht op integraal waterbeheer naar beneden bijgesteld. Dit in navolging van het besluit (Kamerstukken 34 952, nr. 33) om OS-inzet op thema’s buiten de productieve sector geleidelijk af te bouwen. Ook voor Benin is besloten (Kamerstukken 34 952, nr. 33) om de eerdere intensieve OS-inzet geleidelijk terug te brengen en werd dientengevolge minder besteed voor het waterprogramma. Voor Zuid-Soedan daarentegen werd het besluit (Kamerstukken 35 000, nr. 68) genomen om het bestaande waterprogramma (zowel WASH-voorzieningen als waterbeheer) te intensiveren wat tot hogere uitgaven leidde in 2019.

Artikel 3: Sociale vooruitgang

A. Algemene doelstelling

Menselijke ontplooiing en het bevorderen van sociale gelijkheid en inclusieve ontwikkeling, door:

  • het bijdragen aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) voor iedereen en een halt toeroepen aan de verspreiding van hiv/aids;

  • het bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid

  • versterking van het maatschappelijk middenveld en bevordering en bescherming van de politieke ruimte voor maatschappelijke organisaties;

  • versterken van de meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen, zodat zij hun stem kunnen laten horen;

  • versterken van het onderwijs en daarmee bijdragen aan het vergroten van kansen en perspectieven voor jongeren;

  • een toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het financieren van programma’s van multilaterale organisaties, niet-gouvernementele organisaties, bedrijven, overheden en kennisinstellingen, die het meest perspectief bieden op het verwezenlijken van de beoogde resultaten op het gebied van SRGR, HIV/aids, vrouwenrechten en gendergelijkheid en het versterken van de meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen.

  • Het financieren van programma’s gericht op het versterken van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden, via onder meer 25 strategische partnerschappen in het kader van Samenspraak en Tegenspraak, het Voice fonds, het accountability fonds, de SRGR-partnerschappen, Product Development Partnerships, Funding Leadership Opportunities for Women (FLOW) 2016–2020, Leading from the South (LfS) en Nationaal Actieplan (NAP) 1325.

  • Het financieren van initiatieven op het terrein van onderwijs, onder andere via ondersteuning van het Global Partnership for Education en programma’s gericht op het vergroten van perspectieven en kansen voor jongeren.

  • De versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen via NICHE en de opleiding van professionals via Netherlands Fellowship Program (NFP); en de Kennisplatforms voor Development Policies en voor SRGR (Share-Net International).

Stimuleren

  • Het bijdragen aan structurele armoedebestrijding en bevorderen van inclusieve groei en ontwikkeling door mensen te steunen invloed uit te oefenen op beleid en hun mogelijkheden en kansen te vergroten om bij te dragen aan inclusieve ontwikkeling, specifiek voor achtergestelde of gediscrimineerde groepen waar onder vrouwen, meisjes en LGBTI.

  • De Nederlandse inzet voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en HIV-preventie, onder meer in multilaterale fora. Nederland speelt een actieve rol in de follow-up van ICPD beyond 2014 en uitvoering van SRGR en gendergelijkheid als onderdeel van de 2030 agenda, in de bilaterale dialoog in de partnerlanden, in de samenwerking met ngo’s en in samenwerking met private partijen en het bedrijfsleven.

  • Werken aan goede internationale kaders voor vrouwenrechten en gendergelijkheid in multilaterale fora (VN, OESO/DAC, EU) en het ondersteunen van lokale organisaties ter versterking van politieke participatie, economische zelfstandigheid, een actieve rol van vrouwen in vredesprocessen en de uitbanning van geweld tegen vrouwen. Lokale ervaringen worden ingebracht in multilaterale fora, en vice versa.

  • De samenwerking met het maatschappelijk middenveld op de internationale beleidsagenda en het bevorderen van de politieke ruimte in internationale fora, waaronder het Global Partnership for Effective Development Cooperation (GPEDC).

  • De Nederlandse inzet voor onderwijs om jongeren in ontwikkelingslanden meer perspectief te bieden, uitdragen in internationale fora en via internationale fondsen zoals het Global Partnership for Education (GPE), Education Cannot Wait (ECW) en het Malala-fonds.

C. Beleidsconclusies

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

In 2019 hebben de genderspecifieke programma’s Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW, 2016–2020), Nationaal Actieplan 1325 (NAP) en Leading from the South een sterke ontwikkeling laten zien. Het was een belangrijk oogstjaar voor FLOW, waarin tussentijdse programma evaluaties hebben geleid tot nodige bijsturing voor de tweede helft van de programma’s. Zo gaven uitvoerders meer aandacht aan het transformatieve karakter en duurzame effect van hun interventies wat onder meer blijkt uit het beter betrekken van lokale leiders, mannen en jongens en de samenwerking met lokale overheden.

Met het in 2019 gepubliceerde SDG5 fonds als onderdeel van de uitvraag Versterking Maatschappelijk Middenveld is wereldwijd het grootste fonds voor vrouwenrechten en gendergelijkheid tot stand gebracht. Het SDG5 fonds bestaat uit Power of Women, SRGR-partnerschappen fonds, Women, Peace & Security en Leading from the South. In de nieuwe programma’s is versterking van Zuidelijke (vrouwenrechten)organisaties en -netwerken expliciet opgenomen. Deze programma’s maken machtsongelijkheid bespreekbaar en zetten in op duurzame verbetering van de positie van vrouwen en meisjes.

Nederland heeft daarnaast in 2019 extra ingezet op gender, inclusief SRGR-diplomatie, in antwoord op toenemende druk van conservatieve krachten. Onder meer is effectief gelobbied voor sterke resoluties en gelijkgezinden-statements op het gebied van gender, SRGR en vrouwen, vrede en veiligheid (VNVR-resolutie 1325).

Seksuele en reproductieve gezondheid

Met UNFPA is gewerkt aan versterking van distributie van onder meer voorbehoedsmiddelen op nationaal niveau en met andere partners aan innovatie op het gebied van distributie en dienstverlening. Door de Nederlandse inspanningen wordt in toenemende mate het belang onderkend van veiligheid en rechten, specifiek van vrouwen en jongeren in humanitaire settings en krijgt de toegang tot SRGR, alsook geestelijke gezondheid, in deze settings meer aandacht.

In 2019 is Nederland bestuurslid geworden in het Global Fund for the Fight against Aids, TB and Malaria (GFATM), namens een kiesgroep met Noorwegen, Zweden, Denemarken, Ierland en Luxemburg. Nederland kon hierdoor, in lijn met de strategie voor multilaterale gezondheidsfondsen, nog meer dan voorheen aandacht vragen voor vrouwenrechten en rechten van gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen, en integratie van hiv-bestrijding met SRGR. Bij de zesde middelenaanvulling heeft Nederland voor de periode 2020–2022 een bedrag van EUR 156 miljoen toegezegd aan GFATM. Met deze bijdrage, aanzienlijk, maar niet hoger dan tijdens de vorige middelenaanvulling, werd enerzijds het belang onderstreept van het werk van GFATM als grootste multilateraal fonds op het terrein van gezondheid, maar anderzijds ook een signaal afgegeven dat er serieuzer moet worden gewerkt aan een verduurzamingsstrategie en dat er meer commitment van ontvangende landen wordt verwacht. Het totale beoogde bedrag van EUR 14 miljard werd door het GFATM opgehaald. Daarnaast is in 2019 extra financiering voor onderzoek en toepassing van nieuwe diagnostische- en behandelingsopties voor tuberculose verleend aan de WHO (conform amendement, Kamerstukken 35 000 XVII, nr. 24). De WHO heeft hiermee operationeel onderzoek opgezet voor de introductie van nieuwe MDR-TB behandeling en nieuwe diagnostische ontwikkelingen.

In West-Afrikaanse landen is er politieke wil om intensiever in te zetten op reproductieve gezondheid, zoals blijkt uit het Ouagadougou Partnership waarin negen West-Afrikaanse landen samenwerken aan verbeterde toegang tot gezinsplanning. Nederland speelt hierop in door het opstarten van samenwerking met de West African Health Organisation (WAHO), de gezondheidsorganisatie van de ECOWAS (Economic Community of West African States). Deze regionale inzet draagt bij aan een gunstige beleids-omgeving voor Nederlandse inzet in landen in de regio, zoals Mali, Niger en Burkina Faso. Daarnaast heeft Nederland in 2019 via UNFPA EUR 10 miljoen extra geïnvesteerd in anticonceptie in de Sahel-regio (amendement, Kamerstukken 35 000 XVII, nr. 22). Als voorwaarde werd bij deze extra financiering gesteld dat uitgaven aan anticonceptiemiddelen worden geïntegreerd binnen de landenprogramma’s van de Global Financing Facility for Every Woman Every Child (GFF). Dit bevordert de coherentie van programma’s in de Sahel-regio.

Versterking maatschappelijk middenveld

Het maatschappelijk middenveld – een noodzakelijke kracht naast een deugdelijke overheid en een verantwoordelijk bedrijfsleven – staat wereldwijd onder toenemende druk. Via ambassades en het departement, maar ook door steun aan bijvoorbeeld CIVICUS werd internationaal aandacht gevraagd voor de algemene politieke ruimte voor maatschappelijke organisaties. De CIVICUS monitor is ook in 2019 een goed instrument gebleken. In 2019 is door IOB een studie uitgevoerd inzake de partnerschappen onder Samenspraak en Tegenspraak. De uitkomsten van deze studie, maar ook de inzichten vanuit de Linking and Learning bijeenkomsten met de partners in 2019, zijn meegenomen in de vormgeving van het nieuwe beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, waarvoor de uitvraag uiteindelijk eind 2019 kon worden gepubliceerd. Dit beleidskader combineert alle subsidieinstrumenten voor strategische partnerschappen onder het beleidsartikel 3. Sociale vooruitgang, waarmee beoogd is samenhang, synergie en samenwerking tot stand te brengen, niet alleen bij de toekomstige alliantiepartners, maar ook binnen het Ministerie (departement en posten).

Onderwijs

Met de International Finance Facility for Education (IFFEd) werd in 2019 een aantal grote stappen gezet. Dit innovatieve financieringsinstrument zet in op een gecombineerde inzet van garanties en giften, dat via multilaterale ontwikkelingsbanken goedkopere leningen voor onderwijsfinanciering verstrekken. De verwachting is dat het instrument in 2020 gelanceerd zal worden.

In 2019 werden twee speciale ambassadeurs aangesteld: naast een voor vrouwenrechten en gendergelijkheid ook een voor jongeren, onderwijs en werkgelegenheid.

In 2019 is het Programma Nexus Skills and Jobs gestart dat beoogt jongeren in acht focuslanden te ondersteunen bij de overgang van (beroeps)onderwijs naar werk of een beter inkomen.

D: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Sociale vooruitgang (bedragen x EUR 1.000)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Vastgestelde begroting 2019

Verschil 2019

Verplichtingen

1.470.001

784.186

416.172

464.862

675.971

371.113

304.858

                   

Uitgaven:

             
                   

Programma-uitgaven totaal

904.810

755.624

714.000

814.757

780.599

791.093

– 10.494

                   

3.1

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en hiv/aids

371.796

424.010

432.331

445.026

438.689

454.084

– 15.395

                   
 

Subsidies

             
   

Landenprogramma's SRGR & hiv/aids

   

11.859

12.703

21.993

13.000

8.993

   

Centrale programma's SRGR & hiv/aids

118.065

168.505

142.486

122.711

133.793

144.381

– 10.588

   

Global Fund to Fight Aids, Malaria and Tuberculosis

     

2.039

10.628

0

10.628

                   
 

Opdrachten

             
   

Landenprogramma's SRGR & hiv/aids

83.264

80.978

7.899

5.234

1.399

7.000

– 5.601

   

Centrale programma's SRGR & hiv/aids

   

21.906

22.413

14.534

500

14.034

                   
 

Bijdrage aan agentschappen

             
   

Centrale programma's SRGR & hiv/aids

       

68

0

68

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

Landenprogramma's SRGR & hiv/aids

   

64.416

83.379

79.655

77.974

1.681

   

Centrale programma's SRGR & hiv/aids

   

18.825

22.767

14.167

19.000

– 4.833

   

UNICEF

10.000

12.000

12.000

5.000

12.000

15.000

– 3.000

   

UNAIDS

20.000

20.000

18.000

20.000

10.000

20.000

– 10.000

   

SRGR; stragtegische alliantie internationale ngo's

8.275

519

 

0

 

0

0

   

Global Fund to Fight Aids, Malaria and Tuberculosis

54.981

54.450

56.693

53.734

53.734

55.300

– 1.566

   

UNFPA

61.500

69.000

60.000

58.000

55.074

70.000

– 14.926

   

WHO-PAHO

5.985

7.055

6.103

6.217

6.136

6.713

– 577

   

WHO Partnership programma

9.728

11.503

12.144

12.329

15.849

15.216

633

   

Vrouwenrechten en keuzevrijheid.

     

18.500

9.659

10.000

– 341

                   

3.2

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

42.332

57.944

43.876

53.344

49.790

52.439

– 2.649

                   
 

Subsidies

             
   

Landenprogramma's vrouwenrechten en gendergelijkheid

   

1.129

1.336

2.155

0

2.155

   

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

32.100

45.137

27.762

31.998

33.334

37.639

– 4.305

                   
 

Bijdrage aan agentschappen

             
   

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

       

99

0

99

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

UNWOMEN

5.948

9.000

6.957

8.000

6.045

6.000

45

   

Landenprogramma's vrouwenrechten en gendergelijkheid

4.286

3.806

4.696

9.306

6.181

4.300

1.881

   

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

   

3.332

2.704

1.976

4.500

– 2.524

                   

3.3

Versterkt maatschappelijk middenveld

435.597

230.337

206.900

228.809

216.306

220.270

– 3.964

                   
 

Subsidies

             
   

Vakbondsmedefinancierings programma

12.744

3.678

415

0

 

0

0

   

Strategische partnerschappen

   

196.951

0

203.626

203.270

356

   

SNV programma

40.100

0

 

0

 

0

0

   

Versterking maatschappelijk middenveld

379.626

225.021

 

203.644

 

0

0

   

Twinningsfaciliteit Suriname

3.127

1.638

348

1.288

3.205

2.000

1.205

                   
 

Opdrachten

             
   

Versterking maatschappelijk middenveld

     

15.362

0

0

0

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

Versterking maatschappelijk middenveld

     

8.376

 

0

0

   

Strategische partnerschappen

   

9.186

0

9.475

15.000

– 5.525

   

SNV programma en overige

     

139

 

0

0

                   

3.4

Onderwijs

55.085

43.333

30.893

87.578

75.814

64.300

11.514

                   
 

Subsidies

             
   

Onderzoekprogramma's

3.175

3.243

4.390

592

1.524

0

1.524

   

Onderwijsprogramma's

137

1.041

 

0

 

0

0

   

Internationale hoger onderwijsprogramma's

44.138

36.618

26.503

16.780

2.550

37.300

– 34.750

                   
 

Opdrachten

             
   

Onderzoekprogramma's

     

13

176

0

176

   

Internationale hoger onderwijsprogramma's

     

20.193

61.905

0

61.905

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties/Opdrachten

             
   

Onderwijs met perspectief

     

50.000

9.659

27.000

– 17.341

   

Landenprogramma's hoger onderwijs

4.009

1.129

 

0

0

0

0

   

Landenprogramma's onderwijs algemeen

3.544

1.301

 

0

0

0

0

E: Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen

Ten opzichte van de ontwerpbegroting is het verplichtingenbudget van artikel 3 toegenomen. Deze werd deels toegelicht in de eerste en de tweede suppletoire begroting. In de eerste suppletoire begroting is het verplichtingenbudget voor SRGR en Vrouwenrechten en Gendergelijkheid verhoogd met EUR 372 miljoen vanwege de intensiveringen uit de beleidsnota Investeren in Perspectief. Ook zijn vanaf 2019 nieuwe verplichtingen aangegaan voor ondere andere UNFPA, UNAIDS en WHO.

In de tweede suppletoire begroting is het verplichtingenbudget voor artikel 3 naar beneden bijgesteld. Deze verlaging kwam hoofdzakelijk doordat geplande nieuwe verplichtingen voor 2019 nu in 2020 zullen worden aangegaan. Ten opzichte van de tweede suppletoire begroting is het verplichtingenbudget verder verlaagd. Deze verlaging is toe te schrijven aan de vertraging in de uitvoering van een aantal programma’s:

  • Voor SRGR zijn voor onder andere Benin, Egypte en Bangladesh minder verplichtingen aangegaan. Ook zijn de verplichtingen aan UNICEF lager uitgevallen dat initieel gepland.

  • Voor het thema vrouwenrechten en gendergelijkheid is een nieuwe activiteit voor UNWOMEN in Syrië uitgesteld naar 2020. Ook is de bijdrage aan UNWOMEN verlaagd.

  • Voor het thema versterking maatschappelijk middenveld hebben de identificatie van nieuwe activiteiten, met name in Palestijnse Gebieden, Zuid Soedan, Kenia en Bangladesh vertraging opgelopen.

  • Op thema onderwijs is de bijdrage aan Generation Unlimited van EUR 10 miljoen uitgesteld naar 2020.

Uitgaven

Artikel 3.1

Op artikel 3.1 is er sprake van een lagere realisatie dan geraamd. Dit komt hoofdzakelijk doordat een betaling van EUR 10 miljoen aan UNAIDS is doorgeschoven naar 2020. Ook is er, zoals toegelicht in eerste suppletoire begroting, sprake van een overheveling van de algemene vrijwillige bijdrage aan UNICEF van artikel 3.1 naar artikel 5.2 Multilaterale samenwerking. Deze overheveling komt voort uit het tegengaan van interne beheerslast en heeft per saldo geen gevolgen voor het budget van SRGR programma’s.

Verder is er voor UNFPA sprake van een verlaagde realisatie. Dit komt hoofdzakelijk door de invoering van een nieuwe results-based financing methode, waarbij de betaling aan UNFPA nu achteraf plaatsvindt. De uitgaven aan UNFPA (inclusief amemdement, Kamerstukken 35 000 XVII, nr. 22) blijven dus gehandhaafd, echter zal de betaling vermoedelijk naar 2020 worden doorgeschoven.

Artikel 3.2

Op artikel 3.2 is de realisatie lager uitgevallen. Dit komt voornamelijk door lagere uitgaven voor programma’s voor vrouwenrechten en genderongelijkheid in Jordanië, Soedan, Mali, Egypte en de Democratische Republiek Congo als gevolg van lagere liquiditeitsbehoefte bij vervolgfinanciering van lopende programma’s.

Artikel 3.3

Op het thema versterkt maatschappelijk middenveld is de realisatie van het budget lager uitgevallen dan gepland. Dit komt hoofdzakelijk doordat, zoals toegelicht in de tweede suppletoire begroting, er sprake is van een lagere liquiditeitsbehoefte voor 2019 bij de strategische partnerschappen. Verder is de bijdrage aan SNV is in 2016 stopgezet. Het genoemde bedrag van EUR 139.000 onder «SNV en overige» in 2018 staat daar per abuis en heeft geen betrekking op SNV, maar op een lokale organisatie. Dit is in het overzicht aangepast.

Artikel 3.4

Op artikel 3.4 onderwijs is de realisatie hoger uitgevallen. Deze verhoging komt hoofdzakelijk doordat, zoals toegelicht in de eerste suppletoire begroting, het budget onderwijs een prioriteit is in de beleidsnota Investeren in Perspectief. Hierdoor is extra budget vrijgemaakt.

Landenprogramma’s

Zoals aangegeven in de leeswijzer vindt een toelichting op de landenprogramma’s plaats onder de betreffende beleidsartikelen.

SRGR

In Ethiopië is binnen het thema SRGR meer besteed. Deze besteding hield verband met een intensivering van SRGR programma’s zoals aangegeven in de Kamerbrief Verschuiving naar de focusregio’s (35 000-XVII, nr. 30). In zowel Mali en Uganda zijn gedurende 2019 nieuwe SRGR programma’s gestart. Ook de verhoging van deze budgetten zijn het gevolg van de verschuiving van bilaterale hulpinspanningen naar de focusregio’s, zoals aangegeven in Kamerbrief Verschuiving naar de focusregio’s (35 000-XVII, nr. 30).

Artikel 4: Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling

A. Algemene doelstelling

Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling door het voorkomen en terugdringen van gewelddadig conflict en het bevorderen van rechtstaatontwikkeling, vredesopbouw en legitieme staatsstructuren. Tevens het bevorderen van migratiesamenwerking, het verbeteren van de perspectieven van vluchtelingen en gastgemeenschappen (met focus op onderwijs en werk) en het verlenen van noodhulp ter leniging van humanitaire nood wereldwijd.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Programma’s en partners op het terrein van veiligheid & rechtsorde, gericht op het aanpakken van de grondoorzaken van conflict, waaronder early warning, early action en conflictpreventie, veiligheid van mensen, rechtsstaatontwikkeling, vredesprocessen, politieke staatsopbouw en sociaal- economische wederopbouw. Voor een deel worden deze gefinancierd uit het geïntegreerde Budget Internationale Veiligheid (Defensiebegroting) en het Stabiliteitsfonds (BZ-begroting), waarmee het geïntegreerde karakter van de inzet van diplomatieke, civiele en/of militaire activiteiten wordt geborgd.

  • Humanitaire hulpverlening door gespecialiseerde VN-organisaties, het Internationale en Nederlandse Rode Kruis, en Nederlandse ngo’s (Dutch Relief Alliance).

  • Programma’s gericht op innovatie van de humanitaire hulpverlening.

  • Programma’s gericht op duurzame opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio.

  • Het ondersteunen van brede partnerschappen op migratieterrein met prioritaire herkomst-, transit- en opvanglanden, door financiering van activiteiten die belangrijk zijn voor betrokken ontwikkelingslanden en die bijdragen aan beter migratiemanagement, betere bescherming en perspectieven voor vluchtelingen en gastgemeenschappen, tegengaan van uitbuiting en mishandeling van migranten en bestrijding mensensmokkel/handel, en het bevorderen van vrijwillige terugkeer en herintegratie.

Stimuleren

  • Programma’s gericht op veiligheid & rechtsorde en «legitieme stabiliteit» in partnerlanden in landen waarin zich actuele crises voordoen en in de regio’s van het Grote Merengebied en de Hoorn van Afrika. Onder deze programma’s valt ook grote inzet op fysieke veiligheid van burgers via humanitair ontmijnen en cluster munitie programma’s.

  • Innovatie en hervorming bij noodhulporganisaties om efficiënter en effectiever te werken en om de onderlinge coördinatie te versterken.

  • Vergroten van paraatheid voor tijdige en effectieve rampenrespons.

  • Betrekken van kwetsbare groepen in humanitaire situaties bij beleid en uitvoering en het tegengaan van seksueel geweld.

  • De positieve bijdrage van migratie aan ontwikkeling bevorderen en de negatieve effecten tegengaan.

  • Realisatie van brede partnerschappen op migratieterrein met prioritaire herkomst-, transit- en opvanglanden, waar zowel betrokken landen, NL/EU als vluchtelingen/migranten baat bij hebben.

  • Versterking opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio, door inzet op betere bescherming en een sterkere rechtspositie voor vluchtelingen (inclusief toegang tot werk), meer en betere voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, water etc.) en het stimuleren van economische ontwikkeling en banengroei, zodat vluchtelingen en gastgemeenschap-pen betere perspectieven en dienstverlening krijgen. Toegang tot werk en onderwijs vormen hierbij speerpunten. Speciale aandacht gaat uit naar vrouwen en jongeren.

Regisseren

  • Handhaving en bevordering van internationaal humanitair recht en humanitaire principes en vergroten van effectiviteit van humanitaire hulpverlening door onder andere innovatie. Nederland blijft tevens aandringen op het nakomen en stimuleren van afspraken gemaakt in de Grand Bargain en tijdens de World Humanitarian Summit in 2016.

  • Samenwerking met actoren zoals de VN, het Rode Kruis en ngo’s voor een effectievere noodhulpverlening, en met de Europese Commissie Office for Humanitarian Aid Department (ECHO) en EU-lidstaten.

  • Betere samenwerking op veiligheid & rechtsorde tussen UNDP (team rechtsstaatsontwikkeling) en VN-DPKO via multi-donor dialoog over het Global Focal Point for Justice, Police and Corrections.

  • Meer interne cohesie tussen EU-lidstaten en -instellingen, met name de Europese Commissie en EDEO, op crisisbeheersing en conflictpreventie, onder meer via het «Comprehensie Approach Action Plan», het «EU wide Security Sector Reform framework» en de «Joint Communication on Capacity Building in support of security and development» waarbij Nederland eigen «best practices» inbrengt.

  • Bevordering van herstel na crises en stimulering van een belangrijke rol voor het maatschappelijk middenveld bij lokale conflictpreventie, het bevorderen van participatie van burgers en sociaaleconomische wederopbouw.

  • NL leidt en coördineert namens de EU en de EU-lidstaten de uitrol van het EU-programma om vluchtelingenopvang in de Hoorn van Afrika te versterken. Doel: betere bescherming van vluchtelingen (speciale aandacht voor vrouwen en meisjes), betere perspectieven voor gastgemeenschappen en vluchtelingen inclusief meer mogelijkheden om buiten de vluchtelingenkampen te wonen, werken en onderwijs te volgen.

C. Beleidsconclusies

Humanitaire Hulp

Nederland legde het beleid op humanitaire hulp begin 2019 vast in het nieuwe beleidskader «Mensen Eerst». Aanpassing van het beleid was nodig vanwege de sterk veranderde humanitaire context. Humanitaire crises zijn complexer geworden, duren langer en raken meer mensen. Oorlogen en conflicten waren opnieuw de grootste drijfveren voor humanitaire noden. Nederland sloot nieuwe meerjarige financieringsovereenkomsten af die de VN, de Dutch Relief Aliance en de Rode Kruis beweging daar kunnen besteden waar de nood het hoogst is. Nederland nam daarnaast diplomatieke initiatieven om op te komen voor de belangen van mensen in nood en te pleiten voor humanitaire toegang, bescherming van burgers en eerbiediging van het internationale humanitair recht. Successen en tegenslagen wisselen elkaar af. In Jemen bereikte WFP, bijvoorbeeld, vanwege diplomatieke steun van onder andere NL een akkoord met de Houthi beweging om de selectie van begunstigden en voedseldistributie transparanter te maken. Tegelijkertijd kon de diplomatieke inzet van de donorgemeeschap niet voorkomen dat de Houthi’s restricieve maatregelen hebben ingevoerd die hen meer controle kan geven over humanitaire hulp. Het streven naar verbetering van de kwaliteit van de hulp en van het humanitaire systeem is in 2019 o.a. geconcretiseerd doordat de Minister voor BHOS de rol van Eminent Person van de Grand Bargain op zich heeft genomen en door het organiseren van een internationale conferentie over mentale en psychosociale hulp als onderdeel van de noodhulpresponse (zie onder «beleidsprioriteiten»).

Opvang en bescherming in de regio

Het Prospects Partnerschap met IFC, ILO, UNHCR, UNICEF en de Wereldbank heeft in 2019 verder gestalte gekregen. De samenwerking met de partners is geformaliseerd en er zijn meerjarige contracten met alle vijf afgesloten voor 2019–2023. Gezien de verschillende regelgeving en procedures die door de partners worden gehanteerd, was dit proces complexer en daarmee tijdrovender dan aanvankelijk verwacht.

Migratiesamenwerking

Met Nederlandse steun kon UNHCR kwetsbare vluchtelingen evacueren vanuit het Gather and Departure Facility (GDF) in Tripoli naar opvanggelegenheden in Rwanda, waardoor de druk op het GDF werd verlicht. Ook maakten nieuwe bijdragen van Nederland het mogelijk voor UNHCR en IOM om alternatieve opvang- en verblijfmogelijkheden te bieden aan migranten.

Nederland startte verschillende nieuwe migratievoorlichtingscampagnes in West-Afrika, Irak en Afghanistan, onder meer met inzet van teruggekeerden. Een evaluatie toonde aan dat dit soort campagne-activiteiten effectief kan zijn voor preventie van irreguliere migratie: 20% van de bereikte jongeren had een aantal maanden na afloop niet meer het plan irregulier te emigreren. Voortgang en resultaten van bovengenoemde projecten worden doorlopend gemonitord en verantwoord op Dutchdevelopmentresults.nl

Veiligheid en Rechtstaatontwikkeling

In de beleidsreactie op de IOB-evaluatie van de Wederopbouw- en Strategic Partnerships in Chronic Crises-programma's en het Addressing Root Causes-tenderproces zijn enkele belangrijke maatregelen aangekondigd om de kwaliteit van ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s te verbeteren.

Nederland heeft zich kandidaat gesteld voor het voorzitterschap van het Antipersoneel Landmijnverdrag in 2021 en is hiervoor ook verkozen. Dit verdrag beoogt een mijnvrije wereld in 2025.

Nederland heeft door het voeren van een constructief-kritische dialoog met de VN en de Wereldbank en financiële ondersteuning van hun vredesopbouwactiviteiten bijgedragen aan een versterkte en effectievere inzet op conflictpreventie en vredesopbouw in fragiele en conflictlanden (o.a. via het VN Peace Building Fund en concept WB fragiliteitsstrategie). Hierdoor is de samenwerking op hoofdstedenniveau tussen de VN, Wereldbank en EU verbeterd, maar op landenniveau varieert deze nog sterk. Komend jaar zal daarom meer aandacht gegeven worden aan samenwerking op landenniveau voor effectievere conflictpreventie.

In juli 2019 stond het jaarlijkse VN High-Level Political Forum on Sustainable Development (HLPF) o.a. in het teken van SDG16. Als lid van het Pathfinders for Peaceful, Just and Inclusive Societies netwerk heeft Nederland zich ingezet voor toezeggingen van zoveel mogelijk landen en andere actoren voor de uitvoering van SDG16 (vooral toegang tot recht) op nationaal niveau. Tijdens de vierjaarlijkse SDG-top in september bleek het aantal nationale commitments op SDG16 met 67 het grootst van alle SDG’s (samen met 67 commitments op SDG17).

Met betrekking tot vredesopbouw en politiek bestuur, nam Nederland mede het initiatief tot Raadsconclusies om de EU-inzet met betrekking tot democratie, toegang tot recht en het belang van effectieve lokale overheden vorm te geven.

D: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 4 Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling (bedragen x EUR 1.000)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Vastgestelde begroting 2019

Verschil 2019

Verplichtingen

768.143

818.501

498.303

881.275

1.466.524

631.118

835.406

                   

Uitgaven:

             
                   

Programma-uitgaven totaal

749.405

800.806

703.251

844.622

771.565

787.260

– 15.695

                   

4.1

Humanitaire hulp

321.378

247.216

261.906

377.391

386.951

380.017

6.934

                   
 

Subsidies

             
   

Noodhulpprogramma's

 

5.490

3.497

79.489

97.246

25.000

72.246

   

Noodhulpprogramma's non-ODA

   

64

0

0

0

0

                   
 

Bijdrage aan agentschappen

             
   

Noodhulpprogramma's

       

388

0

388

                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

             
   

UNHCR

33.000

42.000

46.000

40.000

38.000

33.000

5.000

   

Wereldvoedselprogramma

36.000

36.000

49.000

32.000

36.000

36.000

0

   

UNRWA

13.000

13.000

19.000

19.000

19.000

13.000

6.000

   

Noodhulpprogramma's

239.377

150.726

143.334

206.285

195.556

269.000

– 73.444

   

Noodhulpprogramma's non-ODA

   

1.011

0

761

1.017

– 256

   

Onderwijs

     

0

0

3.000

– 3.000

                   
 

Bijdragen aan ander begrotingshoofdstuk

             
   

Noodhulpprogramma's non-ODA

     

617

0

0

0

                   

4.2

Opvang en bescherming in de regio en migratiesamenwerking

13.018

192.948

87.149

229.774

170.490

172.000

– 1.510

                   
 

Subsidies

             
   

Opvang in de regio

   

18.631

15.966

12.546

42.000

– 29.454

   

Migratie en ontwikkeling

3.100

6.264

3.149

2.246

2.670

12.750

– 10.080

                   
 

Opdrachten

             
   

Migratie en ontwikkeling

     

429

203

0

203

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

Opvang in de regio

 

177.684

42.083

180.241

125.454

96.000

29.454

   

Migratie en ontwikkeling

9.918

9.000

23.286

30.892

29.617

21.250

8.367

                   

4.3

Veiligheid en Rechtstaatontwikkeling

202.404

175.907

211.581

227.376

213.541

235.243

– 21.702

                   
 

Subsidies

             
   

Legitieme en capabele overheid

   

11.450

12.755

10.430

15.000

– 4.570

   

Landenprogramma's inclusieve en politieke processen; vredesdialoog en conflictpreventie

   

1.114

1.429

0

0

0

   

Landenprogramma's functionerende rechtsorde

     

6.133

4.159

0

4.159

   

Inclusieve politieke processen: vredesdialoog en conflictpreventie

   

19.082

17.048

18.390

11.000

7.390

   

Vredesdividend: werkgelegenheid en basisvoorzieningen

   

29.396

23.105

22.525

30.000

– 7.475

   

Functionerende rechtsorde

   

2.132

13.698

14.418

18.000

– 3.582

                   
 

Opdrachten

             
   

Landenprogramma's functionerende rechtsorde

     

1.726

1.404

0

1.404

   

Inclusieve politieke processen: vredesdialoog en conflictpreventie

     

1.182

4.995

0

4.995

                   
 

Bijdrage (inter) nationale organisaties

             
   

Landenprogramma's legitieme en capabele overheid

2.236

1.307

9

0

0

1.500

– 1.500

   

Landenprogramma's functionerende rechtsorde

84.520

76.624

93.919

79.541

83.318

74.626

8.692

   

Midden Amerika programma

9.034

25

 

0

 

0

0

   

Kunduz Trainingsmissie

654

329

 

0

 

0

0

   

Landenprogramma's inclusieve en politieke processen; vredesdialoog en conflictpreventie

3.785

4.002

5 180

3.162

0

2.500

– 2.500

   

Functionerende rechtsorde

5.484

8.120

8 084

10.744

9.104

32.000

– 22.896

   

Inclusieve politieke processen: vredesdialoog en conflictpreventie

30.401

27.587

14 515

22.764

36.086

13.862

22.224

   

Vredesdividend: werkgelegenheid en basisvoorzieningen

46.390

44.610

22 200

28.000

0

26.000

– 26.000

   

Legitieme en capabele overheid

15.878

13.303

4 500

4.261

7.071

10.755

– 3.684

                   
 

Bijdragen aan ander begrotingshoofdstuk

             
   

Landenprogramma's functionerende rechtsorde

     

1.828

1.641

0

1.641

                   

4.4

Noodhulpfonds

212.605

184.735

142.615

10.081

583

0

583

                   
 

Subsidies

             
   

Noodhulpfonds

212.605

80.148

82.307

8.498

583

0

583

                   
 

bijdrage(inter)nationale organisatie

             
   

Noodhulpfonds

 

104.586

60.308

594

0

0

0

                   
 

Bijdrage aan agentschappen

             
   

Noodhulpfonds

     

989

0

0

0

E: Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen

Ten opzichte van de vastgestelde begroting is het verplichtiingenbudget toegenomen. In de eerste suppletoire begroting is een stijging van EUR 480 miljoen toegelicht. Deze op het oog omvangrijke wijziging was het gevolg van het wijzigen van het verplichtingenritme in verband met de overgang van contracten met aantal partners (ICRC, CERF, NRK, OCHA, UNHCR, UNRWA, WFP) met een tweejarige looptijd naar een driejarige looptijd. In de tweede suppletoire begroting is het bedrag verder verhoogd met EUR 328 miljoen vanwege miljoenennota 2019 mutaties en is EUR 189,6 miljoen aan overige mutaties toegelicht. De miljoenennotamutatie betrof een meerjarig budgetneutrale schuif van verplichtingen vanuit 2020, 2021 en 2022 naar 2019 op het artikel voor opvang in de regio en migratiesamenwerking in verband met het programma strategische partnerschappen. In de BHOS-begroting 2019 stond al gemeld dat voor de uitvoering van dat programma strategische partnerschappen zijn aangegaan met Wereldbank, IFC, ILO, UNICEF en UNHCR. De uitwerking en juridische verplichting is gevolgd op basis van de landenplannen. In juli 2019 waren deze plannen bekend. Het bijbehorende verplichtingenbudget was over meerdere jaren verspreid en is budgetneutraal naar 2019 geschoven. Het nog in 2019 aangaan van deze verplichting was cruciaal om het partnerschapsprogramma tijdig te kunnen uitvoeren. Verder is het budget bijgesteld vanwege een ophoging van het verplichtingenbudget voor humanitaire hulp als bijdrage aan de Dutch Relief Alliance, die oorspronkelijk gebudgetteerd stond voor 2018, maar pas in 2019 materialiseerde (EUR 120 miljoen), zie jaarverslag 2018.

Ten opzichte van de tweede suppletoire begroting was de realisatie uiteindelijk lager. Dit lagere saldo is ontstaan door enerzijds een verhoging voor noodhulp en technische wijzigingen en anderszijds door verlagingen voor opvang en bescherming in de regio en veiligheid en rechtstaatontwikkeling. Het budget voor noodhulp was verhoogd om de kasrealisatie 2019 voor betalingen acute crises mogelijk te maken en verder voornamelijk door optopping van het verplichtingenbudget voor UNHCR en UNRWA. De verlaging voor opvang en bescherming in de regio omdat een voorzien meerjarig contract met de Wereldbank in het kader van het Prospects programma op het laatste moment is omgezet in een éénjarig contract. De meerjarige committeringen is vooralsnog voorzien voor 2020. Het verplichtingenbudget voor veiligheid en rechtstaatontwikkeling is neerwaarts bijgesteld vooral vanwege minder aangegane verplichtingen op het Sahel programma en het Grote Meren programma en Somalië. Ten aanzien van verschillende projectvoorstellen diende eerst nog een kwaliteitsslag te worden gemaakt.

Uitgaven

Artikel 4.1

Ten opzichte van de vastgestelde begroting is meer uitgegeven aan humanitaire hulp. Zoals toegelicht bij tweede suppletoire begroting is het budget verhoogd vanwege humanitaire noden, waarbij de dekking gebeurde vanuit onderbesteding op het budget voor veiligheid en rechtstaatontwikkeling. De intensivering was onder andere gebruikt voor het ophogen van bijdragen aan UNHCR en UNRWA. Binnen dit verhoogde budget kon een, voor 2019 geplande, betaling van EUR 3 miljoen aan het Nederlandse Rode Kruis geen doorgang meer vinden en is verschoven naar 2020. De onder het instrument bijdragen internationale organisaties onderwijs begrote uitgave voor Education Cannot Wait is gerealiseerd als onderdeel van het instrument noodhulpprogramma’s.

Artikel 4.3

Binnen het artikel is budget verschoven van het thema «vredesdividend; werkgelegenheid en basisvoorzieningen» naar het thema «Inclusieve politieke processen; vredesdialoog en conflictpreventie». Reden hiervoor is dat sociaal economische wederopbouwprojecten niet meer worden geinitieerd onder het beleidsartikel 4.3 veiligheid en rechtstaatontwikkeling. Deze vrijkomende middelen worden nu ingezet binnen de thematische prioriteiten van het artikel 4.3 veiligheid en rechtstaatontwikkeling in lijn met de Theory of Change voor de thematisch prioriteiten binnen de bilaterale samenwerking.

Met betrekking tot het thema functionerende rechtsorde is, zoals aangegeven in de eerste suppletoire begroting budget verschoven van centrale middelen naar decentrale (landenprogramma’s) middelen om hiermee invulling te geven aan de meerjaren landenstrategieen. Zoals toegelicht in de tweede suppletoire begroting is dit decentrale budget voor de landenprogramma’s voor functionerende rechtsorde neerwaartsbijgesteld voornamelijk vanwege tegenvallers in de uitvoering van activiteiten van de posten Kaboel (Afghanistan), Kampala (Oeganda) en Juba (Zuid-Soedan). De uiteindelijke realisatie op het landenprogramma functionerende rechtsorde bleef EUR 8,5 miljoen achter op de al bijgestelde verwachtingen. Dit betrof met name programma’s in de Grote Meren en Sahel regio’s en Oeganda. In geval van Grote Meren en Sahel regio verdere vertragingen vanwege nog te maken kwaliteitsslagen op ingediende projectvoorstellen. In het geval van Oeganda betreft het een aanpassing in het betalingsschema naar aanleiding van zorgen over de homofobe positie van Oeganda. Tenslotte hebben nog enkele kleinere schuiven tussen de thematische prioriteiten plaatsgevonden.

Landenprogramma’s

Zoals aangegeven in de leeswijzer vindt een toelichting op de landenprogramma’s plaats onder de desbetreffende beleidsartikelen.

Het programma in Afghanistan (rechtsorde) kende ten opzichte van de vastgestelde begroting een overschrijding van EUR 9 miljoen in verband met de bijdrage vanuit het landenprogramma op het al lopende Afghanistan Reconstruction Trust Fund.

Op het Regionale Hoorn van Afrika budget (rechtsorde) was de realisatie ruim EUR 6 miljoen lager dan gepland. Een geplande bijdrage aan African Union (AU) kon geen doorgang vinden. Daarnaast is EUR 5 miljoen overgeheveld van het regionale Hoorn van Afrika budget naar het landenprogramma voor Somalie.

Op het landenprogramma (rechtsorde) Somalie is een overbesteding gerealiseerd van EUR 14 miljoen. Het betreft de vanuit het regionale budget voor de Hoorn van Afrika overgenomen activiteiten (zie hierboven) en een intensivering op het landenprogramma Somalie. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de meerjarenstrategie Somalie.

Op het landenprogramma voor Zuid-Soedan is een bedrag van EUR 5 miljoen onderbesteed. Het betreft tegenvallers in de uitvoering, zoals gemeld bij tweede suppletoire begroting.

Artikel 5: Multilaterale samenwerking en overige inzet

A. Algemene doelstelling

Multilaterale samenwerking en inclusieve groei door versterkte multilaterale betrokkenheid en overige inzet; de inzet van cultuur en sport in ontwikkelingslanden om een sociale en kansrijke samenleving te stimuleren en het bevorderen van maatschappelijke betrokkenheid in Nederland.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het bijdragen aan organisaties die een belangrijke systeemfunctie hebben binnen het multilaterale ontwikkelingsarchitectuur.

  • Het bijdragen aan organisaties die een belangrijke uitvoerende rol hebben in het bereiken van ontwikkeling en inclusieve groei.

  • Het plaatsen van structureel circa 75 assistent-deskundigen, zowel Nederlandse als uit bij voorkeur de allerarmste ontwikkelingslanden op strategische posities bij multilaterale organisaties.

  • Het verlenen van schuldverlichting in de Club van Parijs, de Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken. Het in internationaal verband deelnemen in de kapitaal-aanvullingen van de regionale ontwikkelingsbanken.

  • Het geïntegreerd met de non-ODA-middelen voor het Internationaal Cultuurbeleid 2017–2020 ondersteunen van initiatieven die cultuur inzetten voor ontwikkeling, zowel op posten in enkele landen rondom Europa als door middel van subsidies aan Nederlandse organisaties zoals het Prins Claus Fonds.

  • Het ondersteunen van initiatieven die sport inzetten voor ontwikkeling zoals KNVB WorldCoaches.

Stimuleren

  • Het leveren van een bijdrage in relevante fora aan het overleg over de hervorming van de multilaterale ontwikkelingsarchitectuur om zo coherentie en effectiviteit te verbeteren.

  • Het toezien op de uitvoering door multilaterale organisaties van strategische aanwijzingen die de lidstaten in de VN opstellen.

  • Het bevorderen van meer coherent beleid en samenwerking door multilaterale organisaties op hoofdkantoor- en landenniveau.

  • Het bevorderen dat multilaterale organisaties resultaatgericht werken en hun resultaten zichtbaar maken.

  • Internationaal en nationaal een bijdrage leveren aan de implementatie en monitoring van de nieuwe Duurzame Ontwikkelingsagenda en de Financing for Development agenda, onder andere door multilaterale organisaties te stimuleren de uitvoering gezamenlijk op te pakken.

  • In de betrokken multilaterale instellingen een bijdrage leveren aan het overleg over schuldhoudbaarheid.

  • Het pleiten voor een gezonde kapitaalpositie van de regionale ontwikkelingsbanken.

  • Ondersteunen van organisaties en processen die een bijdrage leveren aan internationale economische stabiliteit.

  • Het verbinden van culturele en sportieve initiatieven met onderwerpen van internationaal beleid, in het bijzonder ontwikkeling, democratisering, maatschappelijke transitie en mensenrechten.

Regisseren

  • De coördinatie van de rijksbrede multilaterale inzet op het terrein van ontwikkelingssamenwerking.

  • De coördinatie van de nationale rijksbrede implementatie van de SDG-afspraken.

C. Beleidsconclusies

Multilaterale samenwerking

De in 2018 overeengekomen afspraken om de VN fit for purpose te maken, zijn in 2019 volop in de implementatiefase beland. Nederland leverde hieraan actief een bijdrage in relevante fora met als inzet om coherentie en effectiviteit te verbeteren. Tevens heeft Nederland conform het Funding Compact haar core-financiering aangepast, waaronder verhoging van bijdragen (aan UNDP en UNICEF) en de financiering meerjarig gemaakt. Dit in lijn met de looptijden van de strategische plannen van de VN. Ook de financiering van het Joint SDG Fund, het RC-systeem en een verdubbeling van de bijdrage aan het Peace Building Fund zijn conform het Compact.

De voortrekkersrol van Nederland in de discussies ten aanzien van de aanpak van Sexual Exploitation, Abuse and Harassment (SEAH) in alle VN-fora heeft geleid tot versterking1 van VN-preventie, respons en rapportagemechanismen. Door de Nederlandse inzet en druk, rapporteert de VN veel transparanter en frequenter op SEA: het publieksmechanisme dat in het verleden per kwartaal werd geactualiseerd, wordt nu «in real time» bijgehouden zodat burgers de laatste informatie hebben over inkomende rapporten van SEA in het veld. Nederland financiert de verdere uitbreiding en verbetering van dit systeem. Daarnaast is in 2019 onder Nederlands leiderschap een SEAH-paragraaf in het Standard Administrative Arrangement for Joint Programmes (SAA) overeengekomen. Deze paragraaf heeft betrekking op alle VN-instellingen en donoren indien zij gebruik maken van pooled funding. Tevens werkt de VN aan het ClearCheck-systeem, waardoor daders niet meer binnen het brede VN-systeem in dienst worden genomen. Ook verbreden enkele VN-organisaties hun onderzoekscapaciteit en zijn er nieuwe protocollen ingevoerd voor uitvoerende partners en het tegengaan van seksuele intimidatie.

Nationale Coördinatie SDG’s

Nederland heeft het afgelopen jaar verdere stappen gezet met de nationale uitvoering van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s). Begin 2019 zijn de SDG-relevante aanpassingen aan het Integraal Afwegingskader (IAK) in werking getreden. Als onderdeel van het IAK worden beleidsmakers gevraagd om bij nieuw nationaal beleid en wetgeving de verbinding te leggen met de SDG’s. Ook zijn de kwaliteitseisen aangevuld zodat ook de effecten van voorgenomen beleid en wetgeving op gendergelijkheid en op ontwikkelingslanden inzichtelijk gemaakt worden.

Op Verantwoordingsdag 2019 publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor de eerste keer de geïntegreerde Monitor Brede Welvaart en SDG’s, een nieuwe versie met hierin de jaarlijkse SDG-meting. De door het Ministerie gefinancierde platformorganisatie SDG Nederland groeide het afgelopen jaar tot meer dan 600 aangesloten nieuwe organisaties. Dit laat zien dat er in Nederland een steeds bredere beweging rond de SDG’s ontstaat.

D: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet (bedragen x 1.000)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Vastgestelde begroting 2019

Verschil 2019

Verplichtingen

629.203

90.166

293.445

75.165

168.359

46.957

121.402

 

waarvan garantieverplichtingen

 

– 49.770

983

– 42.192

– 129.905

0

– 129.905

Uitgaven:

             
                   

Programma-uitgaven totaal

332.082

220.255

267.697

163.792

255.594

255.005

589

                   

5.1

Multilaterale samenwerking

166.180

152.608

150.637

151.146

149.792

133.057

16.735

                   
 

Subsidies

             
   

Speciale multilaterale activiteiten

     

752

488

0

488

                   
 

Opdrachten

             
   

Speciale multilaterale activiteiten

     

177

159

0

159

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

UNDP

17.500

28.000

28.000

30.000

30.000

28.000

2.000

   

UNICEF

14.000

24.000

14.000

26.000

33.000

18.000

15.000

   

UNIDO

1.941

1.635

1.859

1.237

1.583

1.950

– 367

   

Middelenaanvullingen multilaterale banken en fondsen

108.494

75.828

82.573

49.410

58.230

58.230

0

   

Kapitaalaanvullingen bij regionale ontwikkelingsbanken

5.945

6.528

6.482

6.547

3.447

6.476

– 3.029

   

Speciale multilaterale activiteiten

9.400

8.506

8.723

29.007

10.398

9.401

997

   

Assistent-deskundigen programma

8.900

8.111

9.000

8.016

12.487

11.000

1.487

                   

5.2

Overig armoedebeleid

165.902

67.647

117.060

12.646

105.802

71.700

34.102

                   
 

Subsidies

             
   

Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling

8.368

6.294

5.479

4.798

6.828

6.500

328

   

Voorlichting op het terrein van ontwikkelingssamenwerking

10.053

5.293

1.915

0

18

250

– 232

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling

   

2.328

2.320

1.081

6.029

– 4.948

   

Voorlichting op het terrein van ontwikkelingssamenwerking

   

76

94

72

0

72

   

Schuldverlichting

47.556

49.222

102.977

 

53.214

52.521

693

   

Unesco

4.392

4.111

4.285

4.226

3.768

4.400

– 632

                   
 

Bijdragen aan ander begrotingshoofdstuk

             
   

Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling

     

1.208

860

0

860

                   
 

Overige

             
   

Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling

     

0

0

2.000

– 2.000

   

Overig

         

0

0

   

Koersverschillen

93.893

0

0

0

39.961

0

39.961

   

Rentesubsidies

1.246

312

0

0

0

0

0

                   

5.4

Nog te verdelen i.v.m. wijzigingen BNI en/of toerekeningen

0

0

0

0

0

50.248

– 50.248

                   
 

.Ontvangsten

92.497

172.186

91.758

73.139

50.293

73.201

– 22.908

                   

5.20

Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen

50.026

44.926

47.427

47.376

37.966

42.025

– 4.059

                   

5.21

Ontvangsten OS

37.480

120.327

29.279

14.622

12.327

31.176

– 18.849

                   

5.22

Koersverschillen

0

6.933

15.052

11.141

0

0

0

                   

5.23

Diverse ontvangsten non-ODA

4.991

0

0

0

0

0

0

E: Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen

Ten opzichte van de vastgestelde begroting is het verplichtingenbudget toegenomen. Deze mutatie bestaat uit een aantal onderdelen. In de eerste suppletoire begroting is het budget verhoogd met EUR 288 miljoen vanwege hogere bijdragen aan UNICEF en UNDP, een aanpassing aan de systematiek waarmee verplichtingen worden aangegaan met VN-instellingen (voorheen twee jaar, nu meerjarig) en een verhoging van het verplichtingenbudget van het assistent-deskundigen programma. Uiteindelijk is de realisatie lager uitgevallen dan voorzien bij de tweede suppletoire begroting. Voornaamste reden hiervoor is het doorschuiven van een kapitaalverhoging van de African Development Bank (AfDB) naar 2020 en een administratieve correctie voor de risicoregeling van de Raad van Europa die tot een daling van de verplichtingenstand leidde in 2019 naar aanleiding van een splitsing van de regelingen tussen de begroting van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zoals toegelicht in de groeiparagraaf van dit jaarverslag.

Uitgaven

Artikel 5.1

Ten opzichte van de vastgestelde begroting is er op dit subartikel meer uitgegeven. Na de vaststelling van de begroting is in de eerste suppletoire begroting een ophoging van EUR 27 miljoen gemeld vanwege een verhoging van de jaarlijkse bijdrages aan UNICEF (EUR 15 miljoen) en UNDP (EUR 2 miljoen) en voor enkele andere speciale mulitalaterale activiteiten (zoals voor de ondersteuning van hervormingen binnen de VN). Vervolgens is, zoals opgenomen in de tweede suppletoire begroting, het budget voor een kapitaalaanvulling voor de African Development Bank (AfDB) en speciale multilaterale activiteiten weer verlaagd. Ten opzichte van de tweede suppletoire begroting is de realisatie ca. 5 miljoen lager uitgevallen. Reden hiervoor is dat enkele activiteiten die vallen onder «Speciale multilaterale activiteiten» ofwel een onderbesteding laten zien ofwel zijn doorgeschoven naar 2020.

Artikel 5.2

De uitgaven voor «overig armoedebeleid» zijn per saldo toegenomen. Zoals toegelicht in de eerste suppletoire begroting is het budget verhoogd met ca. EUR 10 miljoen vanwege hogere uitgaven aan Schuldverlichting en decentrale algemene (ondersteunende) ODA-activiteiten. Ook het budget voor Cultuur en Ontwikkeling is verhoogd voor decentrale culturele activiteiten.

In de tweede suppletoire begroting is opgenomen dat het budget voor «overig armoedebeleid» is verhoogd. Het budget voor koersverliezen werd bijgesteld doordat de EUR-USD wisselkoers zich in de loop van het jaar ongunstig bleef ontwikkelen. Na de tweede suppletoire begroting is dit verder opgelopen. Buitenlandse Zaken werkt met een vooraf vastgestelde wisselkoers ten opzichte van buitenlandse valuta (de corporate rate). Deze koers wordt samen met de presentatie van de begroting vastgesteld. Omdat bij betalingen in buitenlandse valuta gedurende het jaar echter een verschil ontstaat als gevolg van de werkelijk geldende koers, ontstaat er een saldo dat op dit artikelonderdeel wordt verantwoord.

Artikel 5.4

Het ODA-budget wordt gecorrigeerd voor ontwikkelingen van het BNI. Om de stabiliteit van de algehele BHOS-begroting te versterken worden aanpassingen naar aanleiding van bijgestelde BNI-ramingen op dit artikel opgevangen. Daarnaast worden binnen dit artikel de wijzigingen in de toerekeningen aan ODA, zoals eerstejaars opvang asielzoekers in Nederland, verwerkt.

Zoals opgenomen in de eerste suppletoire begroting is het budget voor dit subartikel naar beneden bijgesteld. Reden hiervoor was driedelig. Vanwege een neerwaartse bijstelling van de BNI-raming nam het ODA-budget met EUR 87 miljoen af. Daarnaast is de toerekening aan de eerstejaarsopvangkosten asiel afgenomen met EUR 23 miljoen en ten slotte is EUR 21 miljoen overgeheveld naar beleidsartikelen op de BHOS-begroting.

In de loop van het jaar is, zoals opgenomen in de tweede suppletoire begroting het tekort teruggebracht tot EUR 45 miljoen. Deze mutatie bestond uit een aantal componenten. (1) Een aantal teruggaven op diverse artikelen op de BHOS-begroting. (2) Een overheveling van EUR 30 miljoen van de begroting van Buitenlandse Zaken als gevolg van lagere ODA- uitgaven op deze begroting. (3) Een overheveling naar de begroting van Justitie en Veiligheid voor eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen vanwege hogere instroomraming van asielzoekers voor 2019. Ten slotte (4) is het ODA-budget verhoogd met EUR 30 miljoen als gevolg van een per saldo positieve BNI-bijstelling zoals gemeld bij de Miljoenennota.

Na de tweede suppletoire begroting is het tekort teruggebracht naar nul. Als gevolg van mutaties en onderbestedingen op andere artikelen van BHOS en zoals op deze onderdelen toegelicht.

Ontvangsten

Artikel 5.20

Over 2019 heeft de portefeuille van de NIO een lagere realisatie dan verwacht.

Artikel 5.20

De OS-ontvangsten lager dan geraamd. Dit komt voornamelijk doordat de restfondsen van afgeronde activiteiten van tevoren moeilijk te voorspellen zijn.

5. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

In de uitvoering van het beleid op het terrein van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) wordt gebruik gemaakt van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ). Om deze reden wordt in deze bedrijfsvoeringparagraaf verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Uitzondering hierop zijn de onderdelen rechtmatigheid, totstandkoming van de beleidsinformatie, misbruik en oneigenlijk gebruik/ fraude, het begrotingsbeheer, financieel beheer en materiële bedrijfsvoering gericht op risico’s bij activiteiten en staatssteun.

Paragraaf 1: Uitzonderingsrapportage

Rechtmatigheid

De controle van de verantwoordingen door de Auditdienst Rijk (ADR) over 2019 op hoofdstuk XVII Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is gebaseerd op een statistische steekproef. Uit de evaluatie van deze steekproef blijkt dat voor dit begrotingshoofdstuk de maximale fout de tolerantie overschrijdt.

De tolerantie bedraagt EUR 89.951.500. De meest waarschijnlijke fout is EUR 48.221.265 en de maximale fout bedraagt EUR 105.871.579. De overschrijding is met name veroorzaakt door verschillende transacties, waarbij sprake is van te hoge afgeboekte bedragen.

Deze transacties waren onderdeel van de steekproef en zijn voor verschillende percentages als fout aangemerkt.

Rapporteringstolerantie

Verantwoord bedrag in EUR (omvangsbasis)

Rapporteringstolerantie voor fouten en onzekerheden in EUR

Bedrag aan fouten in EUR

Bedrag aan onzekerheden in EUR

Bedrag aan fouten en onzekerheden in EUR

Verantwoordingen

1.799.030.000

89.951.500

21.746.791

26.474.474

48.221.265

Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

Kwaliteit van de beleidsinformatie

Als onderdeel van het Programma Resultaatgericht Werken zijn in 2019 de begrippen voor het meten en het registeren van de resultaten van activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking verder ingebed in procedures en worden medewerkers ondersteund in het gebruik.

De uitrol van de nieuwe ICT-applicatie voor het digitaal registreren, meten en ontsluiten van resultaatinformatie is afgerond. De meerderheid van de gebruikers van deze applicatie in Den Haag en op de ambassades zijn opgeleid. Medewerkers worden ondersteund in de praktische toepassing van resultaatgericht werken. De resultaten van de afgelopen verslagperiode zijn beschikbaar op de website van de OS-resultatenrapportage. De realisatiecijfers voor de 17 indicatoren, die in de begroting van 2019 zijn genoemd, zijn te vinden in dit jaarverslag bij de beleidsprioriteiten.

Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering

BHOS maakt gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het financieel beheer gericht op de activiteitenbeheer en staatssteun is in paragraaf 1 toegelicht. Voor een nadere toelichting omtrent overige aspecten van begrotingsbeheer, financieel beheer en materiële bedrijfsvoering wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Risicoanalyses activiteitenbeheer

In het verantwoordingsonderzoek over 2018 hebben de Algemene Rekenkamer (AR) en Auditdienst Rijk (ADR) geconcludeerd dat de risicoanalyses voorafgaand aan het financieren van activiteiten van onvoldoende niveau zijn. Het Ministerie heeft in 2019 verschillende bijeenkomsten georganiseerd om het belang van de vastlegging van de fraude- en corruptierisico’s in beoordelingsmemoranda van activiteiten te benadrukken. Binnen deze leersessies werd ook ingegaan op de risicoparagraaf en de gewenste doorvertaling hiervan in het auditprotocol.

Om vast te kunnen stellen of de maatregelen het gewenste effect hebben gehad, is een interne controle uitgevoerd over de in 2019 gestarte activiteiten. De conclusie is dat de kwaliteit van de risicoanalyses voorafgaand aan financieringen is verbeterd ten opzichte van voorgaande jaren. Het gewenste niveau is nog niet bereikt.

Staatssteun

In 2019 is de werkwijze rondom de toetsing van staatssteun verder geïnstitutionaliseerd.

Het Ministerie heeft een risicoanalyse verricht om vast te stellen bij welke activiteiten potentieel een risico op staatssteun bestaat.

Op basis van deze risicoanalyse is de toetsing rondom staatssteun beoordeeld met een interne controle. Conclusie is dat de kwaliteit van de analyses is toegenomen ten opzichte van 2018 en hierdoor zijn risico’s op ongeoorloofde verlening van staatssteun verder verkleind. Op basis van de uitkomsten van de interne controle gaat het Ministerie in 2020 het toezicht nog meer risicogericht uitvoeren.

Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Activiteitenbeheer

De activiteitencyclus is een standaard proces voor beleidsuitvoering voor alle gefinancierde activiteiten van BZ en van BHOS. In 2019 is gestart met een project wat erop is gericht het beleidsuitvoeringsproces te optimaliseren en om het toezicht te moderniseren.

Het Ministerie heeft het reviewbeleid van controledossiers van accountants van financieringen van BZ en voor BHOS verder vormgegeven. In 2018 zijn reviews door de Auditdienst Rijk (ADR) op accountantskantoren in het buitenland verricht. In 2019 hebben de posten een lokaal accountantskantoor ingeschakeld voor een gedeelte van de reviews in het buitenland. Deze gewijzigde aanpak wordt geëvalueerd.

Paragraaf 2: Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Misbruik en oneigenlijk gebruik/ fraude

In 2019 heeft het Expertisecentrum Malversaties een aantal acties op het gebied van bewustwording, productverbetering en kennisontwikkeling verricht. Doel van deze werkzaamheden was de kwaliteit van advisering en de ondersteuning bij vermoedens van malversaties te verhogen. Hiervoor is een aantal bijeenkomsten voor medewerkers georganiseerd over fraude- en corruptierisico’s binnen het activiteitenbeheer. In deze bijeenkomsten is het belang van een gedegen risicoanalyse benadrukt. Voor nadere toelichting rondom het activiteitenbeheer wordt verwezen naar paragraaf 1 waarin ook de invulling van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer is opgenomen.

Het Ministerie monitort of het sanctiebeleid bij vermoedens en bewezen malversaties tot resultaat leidt. In de bijlage bij het jaarverslag van BHOS is een overzicht met bewezen gevallen van malversaties opgenomen.

Paragraaf 3: Belangrijkste ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

BHOS maakt gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor een nadere toelichting omtrent de belangrijkste ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

C. JAARREKENING

6. DEPARTEMENTALE VERANTWOORDINGSSTAAT BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

(Bedragen x eur 1.000)
 

(1)

(2)

(3)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

   

verplichtingen

uitgaven

ontvangsten

verplichtingen

uitgaven

ontvangsten

verplichtingen

uitgaven

ontvangsten

 

TOTAAL

1.921.265

3.096.124

79.692

4.043.528

3.046.803

59.102

2.122.263

– 49.321

– 20.590

                     
 

Beleidsartikelen

1.921.265

3.096.124

79.692

4.043.528

3.046.803

59.102

2.122.263

– 49.321

– 20.590

                     

1

Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen

410.767

532.289

6.491

899.483

515.698

8.809

488.716

– 16.591

2.318

2

Duurzame ontwikkeling voedselzekerheid, water en klimaat

461.310

730.477

 

833.191

723.347

 

371.881

– 7.130

 

3

Sociale vooruitgang

371.113

791.093

 

675.971

780.599

 

304.858

– 10.494

 

4

Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling

631.118

787.260

 

1.466.524

771.565

 

835.406

– 15.695

 

5

Multilaterale samenwerking en overige inzet

46.957

255.005

73.201

168.359

255.594

50.293

121.402

589

– 22.908

7. SALDIBALANS PER 31 DECEMBER 2019 EN TOELICHTING BEGROTING BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING (XVII)

I Saldibalans per 31 december 2019

ACTIVA

x EUR 1.000

 

PASSIVA

x EUR 1.000

2019