33 605-V Jaarverslag en slotwet Ministerie van Buitenlandse Zaken 2012

Nr. 8 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 26 juni 2013

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken en de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben op 13 juni 2013 overleg gevoerd met minister Timmermans van Buitenlandse Zaken en minister Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over het Jaarverslag van het ministerie van Buitenlandse Zaken over 2012.

Van het overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Eijsink

De voorzitter van de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, De Roon

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Van Toor

Voorzitter: Eijsink

Griffier: Van Toor

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: De Caluwé, Jasper van Dijk, Eijsink, Maij en Sjoerdsma,

en minister Timmermans van Buitenlandse Zaken en minister Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Aanvang 20.00 uur.

Aan de orde is de behandeling van:

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 15 mei 2013 inzake het Jaarverslag Ministerie van Buitenlandse Zaken 2012 (Kamerstuk 33 605-V, nr. 1);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 juni 2013 met de lijst van vragen en antwoorden Jaarverslag ministerie Buitenlandse Zaken over 2012 (Kamerstuk 33 605-V, nr. 5);

  • het wetsvoorstel Slotwet Ministerie van Buitenlandse Zaken 2012 d.d. 15 mei 2013 (Kamerstuk 33 605-V);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 juni 2013 met de lijst van vragen en antwoorden inzake Slotwet ministerie Buitenlandse Zaken over 2012 (Kamerstuk 33 605-V, nr. 7);

  • het rapport en de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 15 mei 2013 bij het jaarverslag over het Ministerie van Buitenlandse Zaken 2012 (Kamerstuk 33 605-V, nr. 2);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 juni 2013 met de lijst van vragen en antwoorden rapport Algemene Rekenkamer bij Jaarverslag ministerie Buitenlandse Zaken over 2012 (Kamerstuk 33 605-V, nr. 6);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 15 mei 2013 inzake de aanbieding HGIS-jaarverslag 2012 (Kamerstuk 33 002, nr. 6);

  • de brief van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 12 april 2013 inzake de opvolging algemeen overleg (Kamerstuk 31 274, nr. 9) over Evaluaties Ontwikkelingssamenwerking over de mogelijkheden om beleid op het niveau van begrotingsartikelen en/of sub-artikelen te evalueren (Kamerstuk 31 271, nr. 10);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 4 juni 2013 inzake de jaarlijkse rapportage over Nederlandse gedetineerden in het buitenland (motie Pechtold Kamerstuk 32 500-V, nr. 137) – peildatum 1 april 2013 (Kamerstuk 30 010, nr. 19).

De voorzitter: Ik open dit wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken en de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Ik heet de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking welkom, evenals de leden en degenen die meeluisteren op de publieke tribune en thuis. Dat zullen er velen zijn! Ik wil u graag enthousiasmeren.

Voordat we met de vergadering beginnen merk ik op, omdat de leden daar prijs op stellen, dat een lid van de commissie voor Buitenlandse Zaken, mevrouw Bonis, haar lidmaatschap van de Tweede Kamer heeft beëindigd. Dat wil zeggen dat zij de politiek en deze commissie – niet de PvdA – verlaten heeft. Ik denk dat ik namens de leden spreek als ik zeg dat wij dat heel spijtig vinden. Ik wilde hier in ieder geval een opmerking over hebben gemaakt. Het nieuws is voor ons allemaal nog heel vers en het zal ons nog zeker even bezighouden. Het lijkt mij goed om haar dit vanaf deze plek duidelijk te maken.

De griffier heeft de leden de procedure toegestuurd en die is vanmiddag nog besproken in de procedurevergadering. Ik geef daarop een korte toelichting. In dit wetgevingsoverleg zal de rapporteur van de commissie eerst een inbreng geven namens de commissie. In dit geval is die rapporteur de heer Sjoerdsma van de D66-fractie. Zijn inbreng zal plaatsvinden namens de gehele commissie. De commissie heeft daarmee ingestemd. De heer Sjoerdsma zal zo meteen als eerste spreken. Hij heeft een spreektijd van zeven minuten. Op deze inbreng namens de commissie zullen beide ministers vervolgens reageren. Als dat deel van het overleg voorbij is, zal wederom de heer Sjoerdsma het woord nemen, net als de andere collega's, maar dan zal hij spreken namens de D66-fractie. Alle leden krijgen dan zeven minuten spreektijd. In dit geval is de heer Sjoerdsma dus «double-hatted», maar wel met toestemming van de gehele commissie. Ik denk dat de commissie de heer Sjoerdsma na zal volgen wanneer hij dat hoofddeksel weer af zal doen, want daarmee begint het natuurlijk. Dit debat staat gepland tot 23.00 uur.

Ik geef nu het woord aan de heer Sjoerdsma als rapporteur van deze commissie over het jaarverslag. Succes.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Hartelijk dank voor uw inleidende woorden, ook over onze collega Bonis, die helaas is vertrokken.

Het einde van het parlementaire jaar komt dichterbij. Traditiegetrouw blikken we als Kamer samen met de bewindspersonen terug op de begrotingscyclus van het jaar dat achter ons ligt. Het budgetrecht dat we als Kamer daarbij kunnen, mogen en moeten uitoefenen, is een fundamenteel recht van de Kamer. Ik vind het een eer om dit jaar als rapporteur te mogen optreden voor de commissie voor Buitenlandse Zaken. Graag wil ik de staf van het BOR bedanken voor zijn uitmuntende voorbereidingswerk. Het begrotingsjaar 2012 was een bijzonder jaar, want in de jaarverslagen wordt verantwoording afgelegd over niet minder dan drie kabinetsperiodes: het kabinet-Rutte/Verhagen, het kabinet-Rutte II en een demissionaire kabinetsperiode ertussenin.

De Algemene Rekenkamer was positief in zijn rapportage over het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het had complimenten, en die deel ik graag, voor het wegwerken van alle onvolkomenheden. Toch liggen er nog enkele onderwerpen op de plank, waarop ik vanavond mede namens mijn collega's zal ingaan. Allereerst is dat het postennetwerk. Ten tweede is dat de wijze waarop de Kamer wordt geïnformeerd over malversaties en het sanctiebeleid. Hierbij zal ik ook spreken over de beheercapaciteit op het gebied van Ontwikkelingssamenwerking. Ten derde zijn er de slotwetmutaties. Ten vierde zal ik ingaan op de wijze waarop de geheime uitgaven onder artikel 9 worden gecontroleerd. Ten slotte komen de beleidsdoorlichting en de vertrouwensfuncties aan bod.

Laat ik beginnen bij het begin, namelijk met het postennetwerk. Een slanker postennetwerk wordt mede mogelijk gemaakt door de regionalisering van de backofficetaken door de regionale serviceorganisaties, zo valt te lezen in het jaarverslag. De Algemene Rekenkamer stipte aan dat een hybride constructie, waarbij de leden van de Regioraad opdrachtgever én opdrachtnemer zijn en daarnaast zowel toezichthouder als onderwerp van toezicht, in de praktijk kan wringen. Welke maatregelen neemt de minister om te voorkomen dat de hybride situatie ontstaat waarbij chefs de poste naast opdrachtgever ook opdrachtnemer zijn, en een taak hebben in het toezicht houden op het RSO (Regional Support Office) maar ook zelf onderwerp van toezicht zijn? Op welke wijze neemt de minister de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer inzake de interne controle van de RSO's? Een andere zorg geldt de werkdruk en het algemene takenpakket van de RSO's. Kan de minister toelichten hoe hij zal zorgen voor voldoende ondersteuning voor de RSO's? Hoe controleert hij die activiteit? Tot slot vraag ik de minister wanneer de Kamer de evaluatie van de regionalisering kan verwachten.

Ik kom op het tweede punt, namelijk de malversaties en het sanctiebeleid. In 2012 waren er 31 gemelde gevallen van malversaties. Eind 2012 waren vijftien gevallen in onderzoek. Over vijf daarvan is de Kamer op vertrouwelijke wijze geïnformeerd. Het vervolg van die onderzoeken is voor de Kamer echter niet in alle gevallen duidelijk, want uitkomsten worden niet altijd gedeeld. Dat geldt ook voor het delen met de Algemene Rekenkamer. In welk stadium wordt de Algemene Rekenkamer geïnformeerd over vermoedens van malversaties? Ook voor de Kamer moet de cirkel van informatie rond zijn. Kan de minister van de in vertrouwelijke brieven aan de Kamer gemelde onderzoeken naar mogelijke malversaties ook de uitkomst van die onderzoeken meedelen, ook wanneer geen bewijs is gevonden voor malversatie? Ik vraag de ministers of zij in de volgende jaarverslagen een overzicht kunnen opnemen met daarin in ieder geval de volgende punten: de onderzochte gevallen van malversatie, die wijze waarop de Kamer is geïnformeerd, de uitkomst van het onderzoek en het effect van eventuele sancties. Zo heeft de Kamer in elk geval voor alle gevallen een volledig beeld van de malversaties.

Ik vraag dit met een reden, want malversaties kunnen we natuurlijk niet gebruiken. Nu er behoorlijk bezuinigd is, en nog bezuinigd wordt, op het personeelsapparaat van Buitenlandse Zaken, neemt het risico op malversaties en fraudegevallen toe. De beheercapaciteit kan in gevaar komen door een gebrek aan financiële middelen, en die beheercapaciteit moet juist gewaarborgd zijn. Ik vraag de minister dan ook of hij bereid is om de Kamer een internationale vergelijking te sturen waaruit blijkt hoe efficiënt de Nederlandse overheid ten opzichte van andere landen omgaat met de beheercapaciteit op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Dat is misschien aardig, om een en ander in perspectief te plaatsen. Zo kunnen wij zien hoe dun of dik bemand de minister is en in hoeverre er risico's bestaan met betrekking tot de beheercapaciteit als er verder wordt gesneden in het personeelsapparaat.

Ten derde kom ik te spreken over slotwetmutaties. Hierover is vorig jaar ook gesproken. Het ministerie van Buitenlandse Zaken informeert de Kamer jaarlijks in de decemberbrief over kasmutaties. Dat is waardevolle informatie, die de Kamer op prijs stelt. De toelichting bij de slotwetmutaties is echter niet op elk punt compleet. De president van de Algemene Rekenkamer, mevrouw Stuiveling, zei tijdens haar aanbiedingstoespraak: wij achten extra aandacht van de Kamer voor die slotwetten dit jaar geen overbodige luxe; het gaat vaak om substantiële bedragen die in onze ogen de Kamer eerder, en beter toegelicht, voorgelegd hadden kunnen worden.

Ik zal dit verduidelijken met een voorbeeld. Onder beleidsartikel 3 over Europese samenwerking is sprake van een mutatie van ruim 180 miljoen euro. De Kamer heeft hierover echter niets kunnen teruglezen in de decemberbrief. Ook is onduidelijk waarom zo veel beleidsartikelen lager zijn uitgevallen dan begroot. Ik benadruk graag dat volledige informatie op dit gebied goed is voor de Kamer. De vraag is dan ook waarom de minister niet alle naar verhouding grote mutaties in de slotwet aan de Kamer heeft voorgelegd. Zijn beide ministers bereid om in de komende slotwetten te verwijzen naar eerdere Kamerstukken, naast de decemberbrief, zodat de Kamer kan zien of zij al eerder is geïnformeerd over mutaties?

Ten vierde ga ik in op de controle op geheime mutaties. Geheime uitgaven zijn bij een ministerie als Buitenlandse Zaken haast onvermijdelijk. Ook op dit onderdeel moet echter zorgvuldige controle plaatsvinden. Toch valt op dat er in de ontwerpbegroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken geen ramingen zijn voor artikel 9, het artikel over geheimen; dit in tegenstelling tot de situatie bij bijvoorbeeld het ministerie van Defensie. Kan de minister toelichten waarom in de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken geen ramingen worden opgenomen? Zijn beide ministers bereid om dit voor de begroting van 2014 wel te doen?

Ik kom te spreken over de beleidsdoorlichting. In de brief van minister Ploumen, toegezegd tijdens het algemeen overleg over evaluaties van ontwikkelingssamenwerking, schrijft zij het volgende: «Ik hecht aan tijdig en goed evalueren op het niveau van beleidsartikelen waar mogelijk of substantiële en samenhangende delen van een beleidsartikel wanneer dat niet mogelijk is». Kan de minister toelichten hoe zij dit in de praktijk concreet voor zich ziet? Welke artikelen worden geclusterd en welke niet? Minister Ploumen beloofde namelijk hetzelfde resultaat met minder geld en die belofte maakt effectiviteitsmetingen belangrijker dan ooit. Kunnen beide ministers ook toelichten hoe zij de beleidsdoorlichtingen meer op het niveau van een begrotingsartikel gaan uitvoeren? Zijn zij bereid om in samenwerking met de Kamer een prioriteitenlijst op te stellen van artikelen waarbij een beleidsdoorlichting gewenst is?

Al enkele jaren komen de onderwerpen informatiebeveiliging en beheer van vertrouwensfuncties terug in het wetgevingsoverleg. De Algemene Rekenkamer stelde dat het ministerie bij de uitbesteding van ICT-diensten de verantwoordelijkheid niet goed heeft geregeld. Kwetsbaarheden kunnen leiden tot lekken, spionage en oneigenlijk gebruik van gegevens. Hoe gaat de minister de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer vormgeven om de regie op informatiebeveiliging bij uitbesteding te verbeteren? Documenten van het ministerie moeten namelijk goed beveiligd zijn. Op verschillende ministeries werken ambtenaren met vertrouwelijke documenten zonder dat zij beschikken over een geldige verklaring van geen bezwaar. Kan de minister toelichten of het ministerie van Buitenlandse Zaken samenwerkt met andere ministeries aan een adequate oplossing voor dit probleem?

Voorzitter, hiermee ben ik gekomen aan het einde van mijn betoog.

De voorzitter: Veel dank voor uw inbreng als rapporteur namens de commissie, mijnheer Sjoerdsma. De minister van Buitenlandse Zaken kan direct antwoorden.

Minister Timmermans: Voorzitter. Ik vind het heel leuk dat ik de complimenten van de kant van de Kamer voor mijn rekening kan nemen zonder dat ik mijzelf daarmee complimenteer. Minister Ploumen en ik zijn namelijk slechts gedurende twee maanden verantwoordelijk geweest voor het ministerie in het te rapporteren jaar. De complimenten van de Rekenkamer gaan natuurlijk allereerst over de voorbereiding op 2012 en daarnaast over de uitvoering van 2012. De complimenten zijn dus in politieke zin vooral gericht aan onze voorgangers, en wat betreft de uitvoering aan de heer Arnoldus, hier naast mij, en zijn collega's op het ministerie. Zij dragen hiervoor verantwoordelijkheid en zij hebben niet voor niets een heel grote taart gekregen van de Algemene Rekenkamer, als enige ministerie zonder tekortkomingen! Dat is een heel mooi compliment, en zo'n compliment maak je niet makkelijk als je zelf ook onderdeel bent van de gecomplimenteerden. En dat zijn mevrouw Ploumen en ik niet, dus wij kunnen dat nu makkelijk doen.

Ik zal nu ingaan op de vragen en de opmerkingen van de rapporteur. De eerste vraag ging over het postennetwerk. Welke maatregelen nemen we om te voorkomen dat er een hybride situatie ontstaat waarin de ambassadeurs, dus de chefs de poste, behalve dat zij opdrachtgever en opdrachtnemer zijn, ook een taak hebben in het toezicht op het RSO en zelf onderwerp van toezicht zijn? Dat is vastgelegd in het Besluit Orgaanbeschrijving Regionale Serviceorganisaties, het BOR. Ik kan er ook niets aan doen; zo heet het nu eenmaal. De Regioraad, die bestaat uit de chefs de poste in de regio waarvoor het RSO geldt, houdt toezicht op het RSO. Het RSO rapporteert aan de Regioraad. Vanuit het ministerie is daar dan weer toezicht op door de mensen van de heer Arnoldus en de secretaris-generaal, onder eindverantwoordelijkheid van ons als politiek leidinggevenden. Daarnaast hebben we de ISB, de Inspectie en Signalering Bedrijfsvoering, die ook de RSO's bezoekt en daarover rapporteert.

Hoe kunnen we de regie behouden over de verdere implementatie van de RSO's? Bij de regionalisering is ook een regiemodel opgesteld door de opdrachtgevers. Op strategisch niveau ligt de regie bij de stuurgroep onder leiding van de plaatsvervangend secretaris-generaal. Daarin hebben verder zitting de directeuren van FEZ (Financieel Economische Zaken), DCM (Dienst Consulaire Zaken en Migratiebeleid) en de personeelsdienst, en de kwartiermaker van de directie bedrijfsvoering. Op operationeel niveau opereert een regiegroep, met een vrijgemaakte secretaris, waarin vertegenwoordigers van de belanghebbende directies zitting hebben.

Wanneer gaan we dit evalueren? Dat laten we doen door een onafhankelijke partij in de tweede helft van dit jaar. Eind dit jaar hopen wij de Kamer het rapport te kunnen aanbieden. Althans, het wordt aan ons aangeboden en vervolgens hoop ik het de Kamer te kunnen aanbieden.

Ik neem aan dat mevrouw Ploumen de vragen over het malversatie- en sanctiebeleid wil beantwoorden.

Er was nog een vraag aan mij over de mutaties en de slotwet. Ben ik bereid om in de komende slotwetten per mutatie beter toe te lichten waarom de Kamer over de mutaties pas in de slotwet en niet in de suppletoire wetten wordt geïnformeerd? Ja, daar kan ik in de toelichting op de slotwet rekening mee houden. De in die slotwet opgenomen mutaties waren pas na afloop van het begrotingsjaar bekend. Wel is de Kamer natuurlijk al eerder via de decemberbrief geïnformeerd over de mutaties die na de indiening van de tweede suppletoire begroting hebben plaatsgevonden. De decemberbrief is het extra instrument van Buitenlandse Zaken om de Kamer te informeren.

De heer Sjoerdsma (D66): Veel van die informatie staat, zoals de minister terecht opmerkt, in de decemberbrief. Ik noemde echter het voorbeeld van beleidsartikel 3, over Europese samenwerking, om aan te geven dat dit niet altijd zo is. Dat artikel gaat over 180 miljoen euro die niet is opgenomen in de decemberbrief. In dat geval is de Kamer dus niet geïnformeerd. Waarom is dat zo gegaan? De minister zegt toe om hier in de toekomst meer aandacht aan te besteden. Heel graag. Er hoorde nog één andere vraag bij, namelijk de vraag waarom zo veel beleidsartikelen zo veel lager zijn uitgevallen dan begroot.

Minister Timmermans: Ik ga eerst in op het punt van die 180 miljoen voor de EU-begroting. Dat heb ik gemeld bij de begrotingsbehandeling in de Kamer, en ik wil er alles aan doen om te voorkomen dat het nog een keer op die manier moet.

Waarom zijn de uitgaven op de beleidsartikelen lager uitgevallen? Mijn vermoeden is dat dit voor sommige beleidsartikelen te maken heeft met het feit dat voor een groot deel van het jaar het kabinet demissionair was en er waarschijnlijk ook minder beleid is gemaakt. Wat betreft de OS-uitgaven heeft het te maken met de tegenvallende groei van het bruto nationaal product, sterker nog: met een ten opzichte van de ramingen gedaald bruto nationaal product, waardoor ook automatisch de begrotingsmiddelen voor ontwikkelingssamenwerking dalen.

Ik ga nog in op de vraag over de ramingen op het begrotingsartikel Geheim. Ik vind dat een goede vraag. Daar wil ik nog eens goed over nadenken. Waarom kan Defensie het wel begroten en kunnen wij alleen melden wat de uitgaven zijn? Ik vermoed dat het ermee te maken heeft dat uit dat budget bij Defensie ook meer structurele uitgaven gefinancierd worden, terwijl het bij Buitenlandse Zaken eigenlijk alleen incidentele uitgaven betreft, die opkomen op het moment dat ergens een probleem is dat je niet zonder het predicaat «geheim» kunt oplossen. Ik wil echter nog eens goed bekijken of we daar een scherper onderscheid in zouden kunnen maken.

Ik geloof dat ik er ben, voorzitter.

De voorzitter: Dank u wel. Het woord is aan de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Minister Ploumen: Voorzitter. Ik dank de rapporteur van deze commissie. Ik zal kort spreken over drie onderwerpen: 1. sanctiebeleid en malversaties, 2. beheercapaciteit op of voor Ontwikkelingssamenwerking en 3. beleidsdoorlichtingen.

Ik ga eerst in op de malversaties. Gelet op onze politieke verantwoordelijkheid doen wij er alles aan om vermoedens van malversaties zo snel mogelijk en zo grondig mogelijk te onderzoeken. Wij hopen dat het weinig voorkomt, maar als er een vermoeden van malversatie is, zullen wij de Kamer hierover vertrouwelijk informeren. Over de afwikkeling daarvan zullen wij de Kamer via het jaarverslag informeren. Daarbij wordt specifiek ingegaan op de bewezen gevallen. Bij de overige gevallen worden alleen de aantallen genoemd. Omdat deze een onderdeel zijn van het jaarverslag, worden zij gecontroleerd door de auditdienst van het Rijk en door de Rekenkamer. Ik kan mij voorstellen dat de Kamer graag een compleet beeld wil krijgen, ook van de niet-bewezen malversaties. Ik stel dan ook graag voor, de Kamer eenmaal per jaar vertrouwelijk per brief te informeren over de uitkomsten. Dat is dan brief nr. 21. Ik zal dat ook doen bij de gevallen waarin geen bewijs is gevonden. Ik moet dat vertrouwelijk doen omdat ik organisaties niet in diskrediet wil brengen. Tegelijkertijd wil ik wel alle vermoedens nauwgezet controleren. Alle informatie over malversaties, vermoed, bewezen of van welke aard dan ook, staat altijd ter beschikking van de Rekenkamer.

Mij is gevraagd naar het waarborgen van de beheercapaciteit, ook in tijden van bezuiniging.

De voorzitter: De heer Sjoerdsma wil u interrumperen.

De heer Sjoerdsma (D66): Voordat de minister over de beheercapaciteit gaat spreken, wil ik haar nog een vraag stellen over de malversaties. Ik dank de minister voor het toezeggen van brief nr. 21. Misschien is het niet de laatste belangrijke brief, maar het is wel goed om die brief te krijgen. Als wij die brief jaarlijks krijgen, kunnen we de informatiecirkel rondmaken. Wij krijgen immers ook de brieven over mogelijke malversaties.

Mij is geworden dat de Rekenkamer niet altijd in een vroegtijdig stadium wordt geïnformeerd, terwijl dat wel wordt gewenst. Ik maak dat bij dezen aan de minister kenbaar.

Informatie over het effect van eventuele sancties en het terugvorderen van geld lijkt mij belangrijk. Ik weet niet of de minister deze informatie vertrouwelijk of in het openbaar met de Kamer wil delen. Ik kan mij voorstellen dat Nederlanders het belangrijk vinden om te weten dat, als er malversaties zijn, alles wordt gedaan om het verkeerde ongedaan te maken. Ik kan mij ook voorstellen dat de minister wil laten zien dat dit lukt.

Minister Ploumen: Op het laatste punt dat de heer Sjoerdsma noemt, kan ik zeggen dat dit in veel gevallen ook lukt. Ik voel zeer met de heer Sjoerdsma mee als hij zegt dat het goed is om te laten zien dat het sanctiebeleid uiteindelijk ook tot resultaten leidt. Ik wil nog wel even bekijken in welke vorm dat gerealiseerd kan worden. Als wij laten zien wat wij terugvorderen, levert dat natuurlijk extra informatie op over de relatie tussen vermoede malversaties en bewezen malversaties. Ik begrijp heel goed wat de heer Sjoerdsma wil en het lijkt mij zowel voor de Kamer als voor ons goed om deze informatie te delen.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik kan mij die gevoelens van de minister voorstellen. Ik kan mij ook voorstellen dat wij niet worden ingelicht over wat er wordt teruggevorderd en dat ons enkel wordt meegedeeld dat er teruggevorderd is en wat er terug is gekomen. Dan zien wij welk resultaat het heeft gehad zonder dat daarbij wordt ingegaan op vermoedens en dan blijft het buiten het terrein van vertrouwelijkheid.

Minister Ploumen: Dat zeg ik de heer Sjoerdsma graag toe. Mij lijkt dat wij dit zodanig in het jaarverslag kunnen opnemen dat hiermee tegemoet wordt gekomen aan deze behoefte aan informatie.

Er is gevraagd of het mogelijk is om inzake het waarborgen van de beheercapaciteit een internationale vergelijking te maken. Wij spreken natuurlijk met onze buitenlandse collega's over de manier waarop zij dat ordenen en organiseren. De context, de organisatievorm of het feit dat het onder een ander ministerie is gebracht, kan er overigens toe leiden dat een vergelijking moeilijk te maken is.

De heer Sjoerdsma (D66): Ook in dezen voel ik met de minister mee. Ik wil mijn verzoek toelichten. Als ik de Nederlandse overheid vergelijk met de overheden van andere landen, zie ik dat de Nederlandse overheid behoorlijk efficiënt en relatief «dun» is. Natuurlijk, overal valt nog wel een efficiëntieslag te maken, maar het lijkt er niet op dat het vet op de botten zit. Ik zal de minister dan ook zeker niet vragen om op elk mogelijk punt een veel omvattend internationaal onderzoek te starten. Voor ons is het echter wel interessant om te weten hoe de Nederlandse beheercapaciteit in haar jasje zit. De minister ziet zich immers geconfronteerd met een behoorlijke taakstelling uit het vorige kabinet en dit kabinet doet daar nog een slagje bovenop. Ik ben benieuwd hoe dat uitpakt.

Minister Ploumen: Dat zeg ik graag toe. Ik kan me voorstellen dat we nog een nader gesprek hebben over de vraag welke variabelen daarbij relevant zijn. Ik teken aan: brief nr. 22.

De beleidsdoorlichtingen zijn buitengewoon belangrijk omdat zij informatie geven over de effectiviteit en de impact. Dat moeten we op het goede niveau doen; daar wil ik geen enkel misverstand over laten bestaan. Hierover heb ik al eerder een toezegging gedaan. Sindsdien heb ik mij hierin verdiept. Die toezegging wil ik gestand doen, maar soms is het heel lastig om een algemene doelstelling te evalueren. Ik geef een voorbeeld. Onder het huidige artikel 5 vallen zowel de doelstellingen voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten als de doelstellingen voor onderwijs en het medefinancieringsstelsel (MFS). Daartussen zit natuurlijk een zekere beleidsmatige samenhang, maar het zijn ook verschillende grootheden die je binnen hun eigen context zou willen evalueren. Conform de nieuwe regeling, RPE 2012, zal in de gevallen waarin bij een beleidsdoorlichting niet een geheel beleidsartikel wordt doorgelicht, worden vermeld op welk samenhangend en substantieel deel van het beleidsartikel de doorlichting wel betrekking heeft. Wij zullen daarbij ook vermelden wanneer de andere onderdelen van dat artikel worden doorgelicht.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik onderdruk een onweerstaanbare neiging om het document RPE 2012 op te vragen, maar ik zal het niet doen. Ik heb wel een vraag over de artikelsgewijze evaluatie die de minister beschrijft. De minister zegt dat onder artikel 5 niet alleen seksuele gezondheid valt, maar ook onderwijs en het MFS. Als dat in één geheel moet worden geëvalueerd, zo zegt de minister, dan worden appels met peren vergeleken; de samenhang klopt dan niet en de proporties zijn niet helemaal juist. Dat wil ik wel geloven. Als ik de andere kant van de medaille bekijk, stel ik mij de vraag of de beleidsartikelen dan wel op de juiste manier zijn geformuleerd. Zijn de doelstellingen wel scherp en in de juiste proporties geformuleerd? Nu zijn er twee nieuwe ministers en er is een nieuw beleid. Is het dan niet interessant om daar nog eens grondig naar te kijken, opdat beleidsdoorlichting op het niveau van de artikelen bij een nieuwe begroting wel mogelijk wordt?

Minister Ploumen: Volgende week stuur ik met veel genoegen een brief naar de Kamer. Dat doel ik overigens samen met mijn collega Timmermans. In deze brief wordt de Kamer geïnformeerd over de twee begrotingshoofdstukken die vanaf 2014 op het departement worden gehanteerd. Daarin staan natuurlijk ook de beleidsartikelen. Gelet op hetgeen wij vanavond hebben gewisseld, kan ik mij goed voorstellen dat het voor de Kamer interessant is om naar deze nieuwe begrotingshoofdstukken en de beleidsartikelen te kijken. Als de Kamer dat graag wil, kunnen wij daar wellicht op een later moment nog over spreken.

De planning van de beleidsdoorlichtingen is opgenomen in de begroting voor 2013. Die informatie is nog steeds actueel. Wij werken eraan om een en ander netjes af te ronden en om die informatie «lerend» aan te wenden. De opstelling van de begroting voor 2014 wordt op dit moment voorbereid. In de memorie van toelichting op die begroting wordt de planning voor 2014 opgenomen.

Naar ik meen, heb ik hiermee de vragen beantwoord.

De voorzitter: De rapporteur wil nog enkele opmerkingen maken.

De heer Sjoerdsma (D66): Een aantal vragen uit mijn inbreng is inderdaad nog niet beantwoord. Een vraag ging over de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer om de regie over de informatiebeveiliging bij uitbesteding te verbeteren. Hoe gaan de ministers deze regie vormgeven? Mijn andere vraag ging over de verklaringen van geen bezwaar. In het jaarverslag en in het rapport van de Algemene Rekenkamer staat dat enkele ambtenaren op het ministerie van Buitenlandse Zaken een vertrouwensfunctie vervullen waarvoor een verklaring van geen bezwaar nodig is, terwijl zij niet over deze verklaring beschikken. Daar is wel een uitleg voor, maar de vraag is hoe de ministers dat willen verbeteren.

De voorzitter: Deze vraag lijkt mij bestemd voor de minister van Buitenlandse Zaken.

Minister Timmermans: Ja, dat lijkt mij ook, mevrouw de voorzitter. De Rekenkamer heeft mij inderdaad gevraagd om de regie over de informatiebeveiliging te verbeteren. Wij hebben deze beveiliging deels uitbesteed aan externe partijen. Die partijen moeten voldoen aan de gestelde eisen voor de beveiliging van de informatie. Het toezicht op het voldoen aan die eisen wordt op het ministerie door meer diensten uitgeoefend. Hierin schuilt een coördinatierisico. Als deze taak door meer diensten wordt uitgevoerd, bestaat altijd het risico dat de ene dienst denkt dat de andere dienst het heeft gedaan, terwijl geen van beide het heeft gedaan. Wij willen ervoor zorgen dat dit soort misverstanden niet kan ontstaan. Er is nu een georganiseerd risico- en compliancyoverleg, dat ervoor moet zorgen dat we ieder risico uit het systeem halen. Daar werken we nu aan. Op het moment dat wij dit waterdicht hebben geregeld, zullen wij de Kamer daarover rapporteren.

De Rekenkamer heeft mij inderdaad aanbevolen om het aantal medewerkers dat een vertrouwensfunctie vervult zonder te beschikken over een geldige verklaring van geen bezwaar, actief terug te dringen en te bewaken. Om hier invulling aan te geven, hebben wij een aantal projecten herwaardering vertrouwensfuncties en clustering vertrouwensfuncties gestart. Alle vertrouwensfuncties worden nu tegen het licht gehouden. Er zijn dan twee mogelijkheden: ervoor zorgen dat de functie wordt vervuld door iemand die wel een verklaring van geen bezwaar heeft of goed bekijken of het wel nodig is dat deze functies vertrouwensfuncties zijn. Het lijkt mij niet nodig om dit zo te laten zijn als dat niet hoeft. Nu geldt dat bij elke functiewisseling opnieuw een veiligheidsonderzoek moet worden uitgevoerd. Ik hoop dat wij dat kunnen rationaliseren, zodat alleen een veiligheidsonderzoek vereist is als iemand uit een functiegroep stapt en echt iets anders gaat doen en dus niet als hij alleen maar van stoel wisselt.

De voorzitter: Ik dank beide bewindslieden voor de beantwoording van de vragen van de rapporteur.

Mijnheer Sjoerdsma, mag ik u vragen om een andere pet op te zetten zodat ik u als woordvoerder van D66 het woord kan geven over de stukken die voorliggen? Uw zeven minuten gaan nu in.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Ik hoop ze niet allemaal vol te maken. Ik dank de bewindspersonen voor de beantwoording van mijn vragen in eerste termijn. De Algemene Rekenkamer was positief over de prestatie van het ministerie. Als woordvoerder van D66 deel ik deze complimenten graag opnieuw uit.

In mijn eerste termijn als lid van de commissie wil ik graag ingaan op de volgende onderwerpen: het postennetwerk, het archiefbeheer, de gedetineerdenrapportage en de beleidsprioriteiten.

Het postennetwerk is een terugkerend onderwerp in het wetgevingsoverleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze minister stelt zichzelf ten doel om de beste diplomatieke dienst ter wereld te realiseren en dat steun ik van harte. In het jaarverslag staat dat het doel van regionalisering is: het waarborgen en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening door schaalvergroting van de uit te voeren taak. Over dit postennetwerk wil ik toch iets oppakken wat niet per se in het jaarverslag staat, maar wat de Ombudsman wel heeft gemeld. De Ombudsman ontvangt af en toe klachten over het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het valt mij op dat die klachten voornamelijk voortvloeien uit problemen die worden veroorzaakt door de bezuiniging op het postennetwerk. Ik geef twee voorbeelden. De Ombudsman zegt dat er sprake is van een verschraling van het dienstenaanbod. Burgers moeten voor dezelfde diensten naar posten in naburige landen. De wachttijden voor afspraken lopen behoorlijk op, soms zelfs tot een halfjaar. Daarnaast ervaren veel burgers problemen bij de informatievoorziening en het aanvragen van visa en paspoorten, aldus de Ombudsman. Ik hoor graag van de minister hoe hij tegen deze twee observaties van de Ombudsman aankijkt.

Het was al bekend, maar vandaag werd opnieuw aangekondigd dat deze maand nog twee posten hun deuren zullen sluiten: de posten in Zambia en Burkina Faso. In 2012 zijn al vijf posten gesloten. Kan de minister toelichten welke gevolgen deze sluitingen hebben gehad?

Vorig jaar heeft mijn collega Wassila Hachchi uitgebreid gesproken over het archiefbeheer. In 2011 was het archiefbeheer nog een onvolkomenheid. Anno 2012 is dat gelukkig opgelost. Uiteraard is mijn fractie verheugd dat te horen. Wij zijn net als het ministerie van mening dat het werk nog niet af is. Hoe zorgt de minister ervoor dat de overgang van een papieren archief naar een digitaal archief succesvol verloopt en ook daadwerkelijk in het eerste kwartaal van 2014 wordt afgerond?

Er is nog een andere positieve noot die ik graag wil plaatsen en die betreft de jaarlijkse rapportage over Nederlandse gedetineerden in het buitenland, die wij afgelopen week hebben mogen ontvangen. Deze rapportage wordt ons mede als gevolg van de motie-Pechtold toegestuurd. Zij draagt sterk bij aan het inzichtelijk maken van trends en van de landen waarin landgenoten vastzitten. Ik complimenteer de regering graag met haar financiering van de juridische bijstand voor de drie terdoodveroordeelden. De ondersteuning door het ministerie van deze mensen is van onschatbare waarde. Kan de minister uitsluitsel geven over het land en de plaats waar de drie terdoodveroordeelden zich bevinden? Kan de minister deze informatie standaard toevoegen aan een volgende rapportage over gedetineerden in het buitenland?

Ik ga in op de beleidsprioriteiten. Termen zoals «integraal onderdeel», «prioriteit», «posterioriteit», «focus» en «speerpunt» komen behoorlijk vaak terug in het jaarverslag. Ik heb het er een aantal keren op doorzocht: op elke pagina worden ze meermalen genoemd. Dat suggereert dat het buitenlandbeleid veel prioriteiten kent en misschien zelfs een beetje versnipperd is. Ik vraag beide bewindslieden dan ook of zij, terugkijkend op 2012, niet vinden dat het ministerie te veel prioriteiten heeft gesteld.

Tot slot. Volgend jaar rond deze tijd zal deze commissie opnieuw samenkomen om de begrotingscyclus van 2013 te bespreken. Ik kijk uit naar dat overleg, waarin wij met deze twee ministers kunnen spreken over een jaar dat zij helemaal hebben volgemaakt. Dan kunnen zij de complimenten, die dan ongetwijfeld zullen volgen, ook aan zichzelf toerekenen. Ik hoop dat wij dan voortgang hebben geboekt op het gebied van het postennetwerk, het archiefbeheer, de rapportage over gedetineerden en de prioritering in het beleid.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Allereerst wil ik mij graag aansluiten bij de woorden die u, mevrouw de voorzitter, hebt gesproken aan het adres van mevrouw Bonis. Zij heeft vandaag een moeilijk besluit genomen. Namens de VVD wil ik haar veel succes wensen.

Ik dank ook de rapporteur voor zijn verslag en ik dank het BOR en de Algemene Rekenkamer voor hun inbreng bij het analyseren van de verslagen.

De verantwoording over 2012 ziet er goed uit. Ik zal niet al te veel veren gaan uitdelen, anders gaan er mensen blozen en moet er veel te veel taart worden gegeten. De VVD ziet met tevredenheid in het jaarverslag dat de hervormingen van het kabinet-Rutte I in 2012 op koers liggen. De onvolkomenheden die nog wel in het jaarverslag van 2011 zaten, zijn verholpen. De Algemene Rekenkamer concludeerde toen nog dat het archief van het ministerie niet goed functioneerde. Er is wel iets wat bij het openen van het jaarverslag meteen opvalt. Het begint met een hippe wordcloud, met termen zoals «veiligheid», «Syrië», «mensenrechten» en «Mali», met de klemtoon op de eerste lettergreep, of, voor de Franstalig georiënteerden in dit gezelschap, met de klemtoon op de tweede lettergreep. Verder zijn er de namen te vinden van de bewindslieden Ploumen en Timmermans. De VVD vindt het positief dat de PvdA-bewindslieden hun naam willen verbinden aan de hervormingen van het kabinet-Rutte I. De minister van Buitenlandse Zaken heeft al complimenten uitgedeeld aan zijn staf en zijn voorgangers. Zijn de bewindspersonen het met de VVD-fractie eens dat de namen Rosenthal en Knapen niet hadden misstaan in deze wordcloud?

De rapporteur heeft al een aantal wezenlijke punten van het jaarverslag en de slotwet behandeld. Ik zal vooral ingaan op een aantal specifieke uitgaven en beleidsartikelen. Een aantal posten viel budgettair ruim hoger uit dan begroot. Sommige partnerlanden bijvoorbeeld, hebben veel meer ontwikkelingssamenwerkingsgeld ontvangen dan begroot. Ethiopië ontving 23 miljoen euro extra, Uganda 13 miljoen en Bangladesh 4 miljoen. Op de feitelijke vragen antwoordt de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dat de Meerjarige Strategische Plannen (MJSP's) nog niet waren opgesteld. Ik hoor heel graag van de minister of het ontbreken van de MJSP's het maken van een globale begroting voor de partnerlanden in de weg staat. Worden bij het maken van de begroting geen bedragen bij benadering vastgelegd? Hoe wordt het geld dat nodig is voor de MJSP's dan gereserveerd? Hoe wordt daar rekening mee gehouden?

Een groot verschil komt ook voor bij het programma voor voedselzekerheid. Daarvoor is 58 miljoen euro meer uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. In totaal ging het bij dit programma om 277 miljoen euro. Ik hoor graag waardoor dit grote verschil is veroorzaakt.

Bij sommige budgetten is in 2012 juist sprake van onderuitputting. Deze budgetten werden voor een deel gebruikt om de contributies aan internationale organisaties voor 2013 te financieren. Waarom is daarvoor gekozen? Wat is er gebeurd met de overige budgetten waarbij zich een onderuitputting heeft voorgedaan?

In antwoord op de feitelijke vragen wordt gesteld dat de ODA-middelen automatisch doorschuiven naar het volgende jaar. Aan de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vraag ik hoe groot het totaal aan doorgeschoven ODA-middelen is en wat daarmee gebeurt.

Dat brengt mij bij de slotwet. De Algemene Rekenkamer heeft opgemerkt dat er een flink aantal mutaties was en dat enkele mutaties eerder genoemd hadden kunnen worden. De minister van Buitenlandse Zaken heeft al gezegd dat een aantal mutaties wel degelijk in de decemberbrief is genoemd, maar ik krijg de indruk dat de Algemene Rekenkamer bedoelde dat deze ook al in eerdere suppletoire begrotingen vermeld hadden kunnen worden. Wat gaan de ministers met deze suggestie doen?

De rapporteur heeft al gesproken over de malversaties. Op de lijst van de procedurevergadering van vandaag stonden er alweer twee. Het lijkt erop dat het aantal toeneemt. Ook blijkt dat niet alle onderzoeken aan de Kamer worden gemeld. Vorig jaar werden er bijvoorbeeld vijf van de vijftien gemeld. Op basis van welke criteria wordt besloten om dit wel of niet vertrouwelijk aan de Kamerleden te melden?

Ik ben blij met de toezegging van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking die volgde na de inbreng van de rapporteur, namelijk dat zij de Kamer vertrouwelijk per brief nr. 21 over de uitkomsten zal informeren. Hartelijk dank daarvoor. Wij hebben trouwens begrepen dat dit brief nr. 26 zou moeten zijn, maar we zullen verder doortellen.

Dan wil ik graag nog iets zeggen over multilaterale organisaties. Bij de feitelijke vragen heeft de VVD aandacht gevraagd voor de vrijwillige afdrachten door Nederland aan internationale organisaties. De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking komt op korte termijn nog met een evaluatie van die organisaties, maar ik doe toch al twee constateringen. Een aantal organisaties heeft in 2011 voor 2012 geld ontvangen en in 2012 al voor 2013. Dat leidt tot onoverzichtelijke situaties. Heeft dit een puur begrotingstechnische reden of is hier een andere reden voor? Bovendien constateert de VVD dat de Wereldbank voor de top meer dan 5 miljoen netto aan salarissen en premies opstrijkt. Dat zijn enorm hoge bedragen. En dat voor een bank die op subsidies draait. Wat is de appreciatie van de minister?

Ik kom op de RSO's, waar de rapporteur al veel over heeft gezegd. De regionale samenwerkingsverbanden van de Nederlandse posten voor China en Azië zijn samengevoegd. Gezien de grote waarde die wij hechten aan onze relatie met China, vragen wij ons af of hiermee de aandacht voor specifieke groeiregio's als China niet verwatert. De Rekenkamer heeft gewaarschuwd voor mogelijk onvoldoende controle op de RSO's. Daarop heeft de minister van Buitenlandse Zaken inmiddels antwoord gegeven met een toelichting op het regiemodel. Ik ben blij dat de minister in de tweede helft van dit jaar met een evaluatie door een onafhankelijk bureau komt.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Het wordt een beetje saai, maar ik ben ook in hoofdzaak positief. Ten eerste dank aan onze voortreffelijke rapporteur, die het heel mooi heeft verwoord. Ik heb het verslag van het debat van vorig jaar bekeken. Toen ging het over de bedrijfsvoering. Het rapport van de Rekenkamer bekijkend, kun je niet anders dan je pet ervoor afnemen. Eerdere problemen zijn opgelost en de bedrijfsvoering is sterk verbeterd. Dat is dus goed nieuws. De regering moet er natuurlijk wel voor oppassen dat nieuwe ontwikkelingen rond bezuinigingen het huidige niveau van bedrijfsvoering niet aantasten. Daarom de vraag of het departement in staat is om deze onvolkomenheden structureel te voorkomen.

Het viel mijn fractie op dat er het nodige geschreven wordt over landen als Iran en Egypte, maar niet over Saudi-Arabië. Ik ben ervan overtuigd dat ook daar veel over te zeggen valt, bijvoorbeeld rond mensenrechtenschendingen en de rol die het land in de regio speelt. Kan de regering een toelichting geven op de manier waarop een keuze wordt gemaakt voor bepaalde landen?

Ik maak een enkele opmerking over ontwikkelingssamenwerking. Wij missen een helder verband met de millenniumdoelen. Die worden één keer genoemd. Het feit dat het bereiken van deze doelen een internationale inspanning vereist, ontslaat dat Nederland natuurlijk niet van de plicht om inzichtelijk te maken of en zo ja, hoe het daaraan bijdraagt. Wat zeggen de cijfers over het aantal mensen dat dankzij onze bijdrage meer toegang tot drinkwater heeft als wij niet weten of die toegang tot drinkwater in zijn geheel toe- of afneemt? Wordt ons geld zinvol besteed? Dat is natuurlijk een cruciale vraag in het hele debat over ontwikkelingssamenwerking.

Het kabinet richt zich meer op armoedebestrijding via handel en er gaat meer aandacht uit naar opkomende markten. Wij zien veel vooruitgang bij het behalen van de millenniumdoelen, maar het is wel ongelijk verdeeld. Het verschilt per land per inkomensgroep. Vooral in India, China en andere opkomende markten is de vooruitgang groot, maar andere delen van Azië en met name Sub-Sahara Afrika blijven achter. Wil het kabinet de vooruitgang in de verantwoording van volgend jaar goed per regio specificeren?

Mevrouw Maij (PvdA): Voorzitter. Ik vrees dat mijn bijdrage een beetje in lijn is met de bijdrage van voorgaande sprekers. Complimenten aan het ministerie voor het verslag. Na de jaren waarin het ministerie van Buitenlandse Zaken op de verschillende onderdelen van het postennetwerk en de nieuwe begrotingssystematiek in transitie verkeerde, heb ik er grote waardering voor dat de Rekenkamer deze keer geen grote onvolkomenheden heeft geconstateerd. Ik geloof dat dat een unicum is. De complimenten zijn al eerder uitgedeeld, maar ik herhaal ze hier.

Er zijn ook puntjes die beter kunnen. De rapporteur heeft er namens ons al een aantal benoemd, waarvoor ik hem dank. De president van de Algemene Rekenkamer zegt: wij achten extra aandacht voor de slotwetten geen overbodige luxe. Hij attendeert de Kamer op substantiële bedragen die eerder en beter toegelicht hadden kunnen worden. Ook voorgaande sprekers hadden het daar al over. Is de minister bereid om dat ook op andere momenten dan met de decemberbrief te doen?

Ook de regionalisering van het postennetwerk is aan de orde geweest. Het is een punt van aandacht. Zijn er stappen gezet in de samenwerking in Benelux-verband en de overdracht van consulaire taken aan EDEO? Is er al meer helderheid over de manier waarop deze samenwerkingsverbanden vorm krijgen in Benelux-verband of misschien met andere Europese lidstaten? Hoe verhoudt dit zich tot de RSO's?

De PvdA is over het algemeen ook tevreden over de kwaliteit en onafhankelijkheid van de evaluaties van de IOB en andere instituties, zoals de Algemene Rekenkamer. Wij zijn ook tevreden met de conclusies, die meestal aangeven dat het Nederlandse beleid goed is en dat er veel beoogde resultaten worden bereikt. In een eerder algemeen overleg over evaluaties spraken wij er al over dat ze kwalitatiever kunnen worden gemaakt. Naast de kwantitatieve analyse krijgen wij zo ook wat meer kwalitatieve inhoud en analyse. Ook hecht mijn fractie eraan om in een aantal gevallen de horizon wat verder weg te leggen met evaluaties over een wat langere termijn. Wij moeten de langetermijneffecten beter kunnen monitoren en evalueren. Daar kunnen wij van leren en het helpt ons om het effectieve beleid op een hoger niveau te brengen en een maximaal rendement van onze euro's te krijgen, zoals de heer Van Dijk ook al aangaf.

Ondanks de aandachtspunten kunnen wij niet anders dan constateren dat het ministerie van Buitenlandse Zaken een goed product heeft afgeleverd. Wij vragen de bewindslieden of er nog andere beleidsconclusies zijn die zij meenemen naar het lopende en komende jaar.

De voorzitter: Het lijkt wel complimentendag. Het komt niet zo heel vaak voor dat alle fracties, inclusief de rapporteur namens de commissie, zo veel complimenten uitdelen. Dat geeft een prettig gevoel.

Minister Timmermans: Voorzitter. Laat ik beginnen mijn instemming te betuigen met hetgeen mevrouw De Caluwé zei. Het was een stuk netter geweest als bij die woordwolk de namen van Rosenthal en Knapen hadden gestaan. Zij hebben er, gelet op de tijd dat zij er verantwoordelijk voor waren, meer recht op dan Ploumen en Timmermans. Het is te veel eer voor ons. Voor tien van de twaalf maanden was het de verantwoordelijkheid van onze voorgangers.

De heer Sjoerdsma refereert terecht aan de opmerkingen van de Ombudsman over het postennet. Ik heb er zelf uitvoerig met hem over gesproken. Ik heb twee dingen tegen hem gezegd. Wat de communicatie betreft wil ik heel eerlijk tegen de Kamer en tegen de Nederlandse bevolking zeggen: als wij minder geld krijgen, kunnen wij minder doen. Je kunt dingen beter doen, maar met minder geld kun je niet altijd alles beter doen met een andere organisatie. Wij moeten daarover eerlijk zijn. Ook Buitenlandse Zaken zal in zijn serviceverlening keuzes moeten maken. Dat betekent dat je niet meer overal visumverlening kunt doen. In Zuid-Frankrijk wonende mensen waren het gewend dat zij hun visum in Toulouse konden afhalen. Dat gaat nu niet meer en dat leidt tot meer kosten. De Ombudsman was het met mij eens dat je dat gewoon inzichtelijk moet maken. Dan weet de bevolking waarom er minder service is. Er is gewoon minder geld voor. De keuzes die wij maken zijn ter beoordeling aan de Kamer. Ik geloof dat de Ombudsman het hierover met mij eens was.

De heer Sjoerdsma (D66): De minister zegt dat het belangrijk is om het inzichtelijk te maken. Hoe gaat hij dat doen?

Minister Timmermans: De heer Sjoerdsma vraagt wel een beetje naar de bekende weg. Hij weet dat wij bezig zijn met het voorbereiden van een visie op de toekomst van het postennet. Daarbij zullen wij hierop uitvoerig terugkomen. Als je minder geld hebt, heb je minder mogelijkheden om dingen te doen, maar je kunt dingen wel beter doen. Als wij eenmaal zover zijn dat de looptijd van paspoorten geen vijf jaar maar tien jaar is, dan scheelt dat al enorm veel in de last van mensen die in het buitenland wonen. Als je in het buitenland woont en op Schiphol een paspoort kunt afhalen, is dat natuurlijk een serviceverbetering. Dan kunnen wij met minder aanwezigheid in het buitenland de service voor Nederlanders misschien toch verbeteren. Ik kom er graag op terug.

De heer Sjoerdsma heeft ook verwezen naar de verbetering van het archiefbeheer. Ik ben het op dat punt zeer met hem eens. Het archiefbeheer bij Buitenlandse Zaken is heel lang heel traditioneel geweest, omdat het op de posten geregeld was. Op heel veel posten hadden wij kasten met papieren. Wij zijn wereldwijd het archiefwezen aan het digitaliseren. Dat heeft grote consequenties, met name voor de middencategorie van ons personeel. Als het werk er niet meer is, heeft dat voor hen grote consequenties. Als goed werkgever heb je de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat die mensen een kans wordt geboden om iets anders te gaan doen, binnen of buiten de organisatie. Tegelijkertijd heb je met zo'n digitaliseringsslag, zeker in een omgeving waarin vertrouwelijkheid vaak een grote rol speelt, ook de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het op een veilige manier gebeurt. Ik zie het punt dat de heer Sjoerdsma signaleert. Het heeft onze bijzondere aandacht. Wij zullen er in de verslaglegging aan de Kamer aandacht aan besteden, ook als er knelpunten zijn of wij tegen problemen aanlopen.

De heer Sjoerdsma vroeg heel specifiek waar de terdoodveroordeelden zitten. Ik weet het, maar als de Kamer het goed vindt, zeg ik het niet vanuit het belang van de gedetineerden om wie het gaat en in het kader van de inzet van de Nederlandse regering om te voorkomen dat uitgesproken doodstraffen ook ten uitvoer worden gelegd. Vroeg of laat zal de Kamer van mij, van mevrouw Ploumen of vanuit de publiciteit horen om welke landen het gaat. In overleg met de speciaal daarvoor aangestelde advocaten bekijken wij wat de best mogelijke manier is om te bereiken dat er geen doodstraffen ten uitvoer worden gelegd. Ik weet het dus wel, maar ik behandel het liever in vertrouwen, zolang mij dat in overleg met de relevante advocaten nuttig lijkt.

Mevrouw De Caluwé vraagt terecht om het eerder aangeven van mutaties. Dat is een punt van aandacht; wij gaan erop letten. Ik neem dit graag samen met mevrouw Ploumen op mij.

Hoe zit het met de prioriteiten in het licht van de samenvoeging van de posten voor China en Azië? Het toeval wil dat ik afgelopen dinsdag in China was en daar onze ambassade heb bezocht. Eerlijk gezegd was ik zeer onder de indruk van de professionaliteit van de mensen daar. In de Nederlandse ambassade in Beijing werken 110 mensen, van wie 31 uitgezonden Nederlanders, dus 79 lokale krachten, Chinezen die heel belangrijk werk doen voor ons. Wij vragen nu zo veel van onze mensen, dat wij aan de grenzen komen. Als jong ambtenaar heb ik het indertijd nog meegemaakt dat op bijna alle posten de ambassadeur als het ware vrijgesteld was, boven de troepen stond en kon kiezen wat hij of zij deed. Het was toen bijna altijd een hij. Maar goed, die tijd is echt voorbij. Zelfs op de allergrootste posten, zoals Washington en Beijing, heb je een meewerkende ambassadeur. Ik weet hoeveel wij van de mensen vragen. De Kamer weet dat ook, want zij bezoekt de posten regelmatig. Mijn Chinese collega Wang was vol complimenten over het recente bezoek van de Kamerdelegatie. Ik wilde niet vergeten om dat nog even te melden. Het houdt niet op met complimenten.

De voorzitter: Het werkt aanstekelijk.

Minister Timmermans: Ja, het werkt aanstekelijk. In China hebben wij veel, soms heel kleine posten. Wij gaan een consulaat openen met één uitgezonden persoon die door lokale mensen ondersteund wordt. Die moet voor alle logistieke ondersteuning kunnen leunen op zo'n RSO. Anders gaat dat niet werken, want dan zou hij de hele dag bezig zijn met beheer. Dan kan hij geen bedrijven aanzoeken, problemen oplossen, etc. Dat RSO voor China en Azië is dus van het grootste belang. Daar willen wij dus graag de grootst mogelijke professionaliteit in garanderen. Wij zullen dat in de evaluatie bekijken. Wat ik ook in Beijing heb gezien en wat ook elders, bijvoorbeeld in Rusland de praktijk is, is dat de visumverlening is uitbesteed. Mensen voor Frankrijk, Duitsland en vanaf juli Nederland kunnen zich bij een commercieel bureau melden. Binnen een kwartier kun je een aanvraag indienen. Op een ambassade kunnen wij dat met het beperkte aantal mensen gewoon niet meer waarmaken. Nogmaals, binnen een kwartier is de aanvraag binnen en verwerkt. Die kan vervolgens naar de ambassades, waar er een oordeel over gegeven wordt. Mensen kunnen ter plekke afrekenen en het visum heel snel afhalen. Dat hebben wij nodig. Het is goed voor de intermenselijke contacten, het is goed voor het zakenleven, enz. Wij zullen dit ook elders in China en andere landen toepassen.

De heer Van Dijk vraagt terecht of wij het niveau van bedrijfsvoering wel kunnen handhaven. Ik moet hem naar waarheid melden dat dat een hele klus zal worden, mede gelet op de taakstelling waarvoor ons departement staat. Ik wil daar niet omheen draaien. Wij zullen daar in de komende tijd heel veel aandacht voor moeten hebben. In mijn ervaring van slechts een halfjaar is mij duidelijk geworden dat de state of mind van de mensen het belangrijkst is. Als je weet dat dit een belangrijk punt is, als je weet dat je hierop wordt afgerekend, moet je het goed organiseren. Als je het overorganiseert, kom je niet meer aan je beleid toe. Dan ben je alleen nog maar met beheer bezig, en dat is natuurlijk ook niet de bedoeling. Als wij het goed en gebalanceerd organiseren, dan moeten wij deze megaprestatie kunnen herhalen. Ik geef geen garanties. Het wordt een hele klus gezien de taakstelling die wij voor de kiezen krijgen.

Waarom is er niets over Saudi-Arabië opgenomen? Het is voor ons een heel belangrijk land, dat veel aandacht vraagt. Ik denk aan de mensenrechten, maar ook aan de rol die het land in de regio speelt, zeker in deze tijd van rivaliteit tussen sjiieten en soennieten. Saudi-Arabië is daar bepaald geen kleine speler in. Over de mensenrechten hebben wij de reguliere dialoog, bilateraal, maar ook in EU-verband. De mensenrechtenambassadeur is in februari vorig jaar in Saudi-Arabië geweest en gaat binnenkort weer. Dat doen wij dus ook jaarlijks. Waarom staat dat niet in het jaarverslag? Dat vind ik een goede vraag. Het had er best in kunnen staan. Er is gekozen voor bepaalde prioriteiten, maar dit had zeker niet in het jaarverslag misstaan.

Mevrouw Maij heeft gesproken over de samenwerking in Benelux-verband en de RSO's. Wij komen nog met een analyse van de toekomst van het postennet. Ik ben zelf niet meer zo optimistisch over de rol die EDEO daarin kan spelen. Het gaat erg langzaam en moeizaam. Ik denk dat wij veel meer bij consulaire taken naar dit soort kantoren kunnen gaan, zoals wij nu in Beijing doen. De facto zitten wij met de Duitsers en de Fransen in één kantoor, omdat wij hetzelfde bedrijf hebben aangezocht om dit werk te doen. Naarmate meer landen het bij hetzelfde bedrijf beleggen, is het ook relatief goedkoper. Dat lijkt mij meer resultaat op te leveren dan EDEO. Wij hebben de afgelopen maanden een hele slag gemaakt. Een aantal landen, met name de kleinere, krimpen op verschillende plekken wat in, terwijl zij op andere plekken intensiveren. Waar wij gebouwen en faciliteiten kunnen delen, zullen wij die slag maken. Of wij dan ook het beheer gaan delen? Dat is weer een heel andere slag, want dan kom je terecht in het synchroniseren van verschillende systemen. Co-locatie en shared services bij bijvoorbeeld dienstauto's of beveiliging is wel mogelijk, maar het hele financiële beheer kunnen wij beter tussen Nederlandse posten in een RSO koppelen. Dan werk je met één systeem, één controlemanier, etc. Wij moeten niet proberen om dát in Benelux-verband of in een ander verband te plaatsen, althans niet op korte termijn. Misschien is het in de toekomst wel mogelijk.

Volgens mij heb ik hiermee de vragen aan mijn adres beantwoord.

Minister Ploumen: Voorzitter. Dank aan de commissie voor de vragen, opmerkingen en de complimenten, die wij graag doorgeleiden naar de mensen die meer aan het resultaat hebben bijgedragen dan wij.

De heer Sjoerdsma had het over speerpunten, prioriteiten en nog wat van die termen. Onder Rutte I is in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid de focus gelegd bij zowel landen als thema's. Er zijn vier speerpunten gekozen. In de keuzes die het kabinet Rutte II maakt, en ikzelf in de nota «Wat de Wereld verdient», is een verdere aanscherping en precisering van die speerpunten aangebracht, zoals de heer Sjoerdsma weet. Ook is een precisering aangebracht in wat eerder dwarsdoorsnijdende thema's waren. Deze hebben een accuratere en meer robuuste plek gekregen binnen de speerpunten. Beleidsinhoudelijk vind ik dat de beste keuze, ook in termen van effectiviteit en efficiency.

Ik voel zeer met de heer Sjoerdsma mee dat je een beetje moet oppassen voor de inflatie van het begrip prioriteit. Het is niet zo dat, als je het een andere naam geeft en het speerpunt noemt, een en ander daardoor beter gecoördineerd is dan het lijkt. Ik zie dit als een welkome ondersteuning door de heer Sjoerdsma van de verdere aanscherping die ik heb aangebracht in de nota «Wat de wereld verdient».

Mevrouw De Caluwé had een aantal vragen over de bedragen die begroot zijn en die uiteindelijk besteed zijn in het kader van de Meerjarige Strategische Plannen, zowel voor drie landen als voor een thema. Het is goed om te weten dat de reservering in de begroting indicatief is als het niet anders kan. Het gaat om een inschatting van de bestedingen. De gelden worden pas beschikbaar gesteld als er een plan aan ten grondslag ligt. Dat plan is het Meerjaren Strategisch Plan. Dit loopt soms niet helemaal gelijk met de begrotingscyclus, vandaar de afwijking.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik dank de minister voor dit antwoord. Ik begrijp het punt van de indicatie. Je ziet dat dit per land een paar miljoen kan verschillen. Ik kan mij voorstellen dat zich op een bedrag van 40 miljoen euro een verschil van 5 miljoen voordoet, als de plannen eenmaal worden uitgewerkt. Bij Ethiopië gaat het echter om 23 miljoen en dat is toch wel substantieel, vandaar mijn vraag daarover. Ik begrijp dat een bedrag van 4 miljoen in het geval van Bangladesh binnen de marges valt, maar bij 23 miljoen is er niet echt meer een indicatie gegeven.

Minister Ploumen: Ik ben het eens met mevrouw De Caluwé dat de omvang van de afwijking in het geval van Ethiopië substantieel is. De verklaring daarvoor is dat het budget voor voedselzekerheid is verhoogd. Dat heeft te maken met de implementatie van programma's en de urgentie van noden. Het budget voor veiligheid, rechtsorde en goed bestuur is verlaagd. In het Meerjarig Strategisch Plan wordt een toelichting gegeven op de vraag waarom de «andere allocatie» heeft plaatsgevonden. Dit heeft alles te maken met de kwaliteit en de haalbaarheid van de plannen en met de urgentie van de noden. Ik zeg ook tegen mevrouw De Caluwé dat het mijn streven is om dit soort afwijkingen binnen de perken te houden. Ik zal erop letten dat in een volgend jaarverslag iets preciezer op afwijkingen wordt ingegaan, mochten deze zich voordoen, wat wij niet hopen.

Aan het voedselzekerheidsprogramma is 58 miljoen euro meer uitgegeven dan begroot. Dit heeft onder andere te maken met het versneld opstarten van het Adaptation for Smallholder Agriculture Programme (ASAP). Ten tijde van het opstellen van de begroting was nog niet bekend wanneer dit zou worden opgestart, maar het paste uitstekend binnen beleidsdoelstellingen van het desbetreffende thema. Sommige uitgaven, bijvoorbeeld die voor het Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP) zijn versneld gedaan. Dat heeft soms te maken met de dynamiek binnen zo'n programma. Ook op dit gebied zeg ik mevrouw De Caluwé graag toe wat ik ten aanzien van de landen heb toegezegd.

Bij sommige budgetten is er sprake van onderuitputting. Waarom zijn de budgetten gebruikt om de contributies van internationale organisaties voor 2013 te financieren? In feite gebruiken wij dan een reservering voor het ene jaar om te voldoen aan een te voorzien commitment voor het andere jaar. In dit geval is dit gedaan om de voorziene budgettaire krapte in 2013 enigszins te ontlasten. Mevrouw De Caluwé heeft gelijk als zij zegt dat het dit jaar weer tijd is voor een kwalitatieve weging van de multilaterale organisaties. Daaruit vloeit onze financiële inzet op die instellingen voort. Wij schuiven niet door als wij maar het geringste vermoeden hebben dat een organisatie niet meer aan de standaarden voldoet die wij bij de oorspronkelijke committering hadden voorzien.

Hoeveel ODA-middelen zijn er nu doorgeschoven in 2012? In 2012 was er wat betreft de ODA-middelen sprake van een overschrijding van 49 miljoen. In dat jaar was er een onderuitputting op non-ODA-middelen, waardoor een en ander weer werd rechtgetrokken. Net zoals een onderuitputting wordt toegevoegd aan het volgende jaar, wordt een overschrijding gekort op het volgende jaar. Het is dus geen voorschot op de toekomst.

Waarom zijn niet alle vermoedens van fraude gemeld aan de Tweede Kamer? Dat vroeg mevrouw De Caluwé in aansluiting op de vragen van de rapporteur. Het uitgangspunt is dat wij alle vermoedens van fraude vertrouwelijk aan de Kamer melden. Het moet wel voldoende serieus zijn en dat willen wij natuurlijk eerst uitzoeken, voordat wij het melden. Daarom is een deel van de gemelde gevallen die op het departement bekend waren in 2012 pas in 2013 aan de Kamer gemeld. Pas toen waren het voldoende serieuze en onderbouwde vermoedens.

Mevrouw De Caluwé vroeg ook naar mijn appreciatie van de salarissen bij de Wereldbank. Nederland heeft zich de afgelopen jaren, telkens in de vergaderingen waarin dit onderwerp aan de orde was, geschaard bij en zelfs de leiding genomen van een groep landen die zich hebben uitgesproken tegen verdere verhoging van de salarissen, sterker nog, voor een verlaging daarvan. Om de redenen die mevrouw De Caluwé noemde, vinden wij dat het geen pas geeft om die salarissen in deze tijd te verhogen. Dit heeft onder andere te maken met het referentiekader van die salarissen. Wij vinden dat het referentiekader veel meer de publieke sector zou moeten zijn, in plaats van de private financiële sector. Ook de komende vergaderingen zetten wij hierop in. Helaas moet ik meedelen dat wij geen meerderheidspositie innemen samen met onze vrienden. Dit laat onverlet dat wij hierop scherp blijven inzetten. Ook gaan wij het gesprek aan met de niet-gelijkgezinde landen. Ik deel de zorg van mevrouw De Caluwé zeker.

De heer Van Dijk vroeg naar de millenniumdoelen. Die komen maar één keer voor in het jaarverslag. Dit is inderdaad wel een beetje merkwaardig – dat gevoel deel ik wel met de heer Van Dijk – juist omdat de millennium development goals zo'n aanstekelijk kader zijn om commitment van burgers, bedrijven en overheden te creëren als het gaat om armoedebestrijding. Er had best wel iets meer nadruk op kunnen liggen, temeer daar de Nederlandse inzet op de vier speerpunten zich met name richt op de doelen die het meest achterlopen. Hoe weten wij nu welke doelen achterlopen en welke op peil zijn? Welnu, elk jaar rapporteert de Wereldbank over de voortgang. NCDO geeft op zijn website www.millenniumdoelenatlas.nl een prachtig overzicht van de voortgang per millenniumdoel. Ik zou hierover wel een brief willen toezeggen, maar volgens mij is het beter om dit te doen in het kader van de reguliere verslaglegging. Ik nodig de heer Van Dijk uit om kennis te nemen van de rapportages, als hij dat al niet deed. Nogmaals, ik zeg toe dat ik volgend jaar in het jaarverslag wat scherper de resultaten zal aangeven.

Welke doelen lopen het meeste achter? Een daarvan is het halveren van de honger. Bijna 1 miljard mensen lijden dagelijks honger. Verder noem ik het terugdringen van moedersterfte. Dit is MDG 5. Dit sluit aan bij onze inzet op SRGR (seksuele en reproductieve gezondheid en rechten) en vrouwenrechten. MDG 7 betreft het verbeteren van de toegang tot sanitaire voorzieningen. Er zijn nog 2,5 miljard mensen die geen adequate toegang hebben tot deze voorzieningen. In fragiele staten wordt, zoals bekend, vaak geen enkel doel gehaald. Een groot deel van de landen die wij hebben aangemerkt als hulpland, wordt op zijn minst gekenmerkt door de fragiele context.

Mevrouw Maij vroeg of bij de evaluatie van het beleid de horizon kan worden opgerekt. Kunnen langetermijneffecten worden gemonitord en geëvalueerd, zowel kwantitatief als kwalitatief? Ik heb al eerder gezegd dat ik mij bij een dergelijke benadering zeer thuis voel. De Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) heeft op verschillende momenten laten zien dat zij daartoe in staat en bereid is. Momenteel is de IOB een onderzoek gestart naar langetermijneffecten en voert zij een ex-postanalyse uit van langetermijneffecten van bilaterale OS-programma's op het gebied van voedselzekerheid. Het gaat om programma's die inmiddels ruim tien jaar geleden zijn afgesloten. Het is heel interessant om daarover specifiek voor Nederland wat meer informatie te krijgen. De voorziene casestudy is uitgevoerd in Mali. Om redenen die wij ons allemaal wel kunnen voorstellen, is die vertraagd. De afronding van het rapport vindt daarom pas in 2014 plaats in plaats van in 2013.

Ik geef nog een voorbeeld van de manier waarop de IOB kwalitatief en met een langetermijnblik evalueert. Wij hebben het in een eerder overleg gehad over de IOB-evaluatie van de inzet op water. Een van de conclusies was dat de duurzaamheid van de voorzieningen waarin op dit speerpunt was geïnvesteerd, iets zou moeten worden aangescherpt. Wij hebben ons dat ter harte genomen. In iedere subsidiebeschikking op dat thema is nu een duurzaamheidsclausule opgenomen. Meten is weten, maar je moet vervolgens ook willen handelen naar de bevindingen, als je die bevindingen deelt. Dit is een voorbeeld van een onderwerp waarbij wij dat hebben gedaan.

De voorzitter: Ik dank de bewindspersonen voor de beantwoording in eerste termijn. De spreektijd in tweede termijn bedraagt drie minuten.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik dank deze uitstekende voorzitter en ik dank de bewindslieden voor de beantwoording van de vragen. Er is nog één vraag van mij overgebleven uit de eerste termijn, die ik bij dezen herhaal. Welke lessen zijn getrokken uit het sluiten van vijf ambassadeposten in 2012? Welke consequenties heeft dit gehad? Later dit jaar zullen er meer volgen en daarna wellicht nog meer. Ik hoop van niet, maar het zal uit de brief moeten blijken die de minister binnenkort zal sturen.

Ik vroeg de minister hoe hij inzichtelijk gaat maken welke consequenties er zijn voor het postennetwerk. Ik doel daarbij niet zozeer op de Kamer. Ik ben op de hoogte van de brief die gaat komen. Ik doel eigenlijk op een probleem dat de Ombudsman signaleert, namelijk dat veel burgers aanlopen tegen problemen met de informatievoorziening over visa en paspoorten. Als er consequenties zijn voor de dienstverlening door bezuinigingen, hoe wil de minister die dan inzichtelijk maken voor de Nederlandse burgers?

Tot slot nog één opmerking over de terdoodveroordeelden op de gedetineerdenlijst. Ik heb alle begrip voor het standpunt van de minister dat dit met het oog op hun zaak geheim moet worden gehouden. Ik wil alleen toelichten dat er in het niet al te recente verleden een zaak is geweest van een Nederlands-Iraanse vrouw, waarvan de Kamer het gevoel had erbij betrokken te moeten zijn, om de energie en de activiteiten die de minister daar destijds in wilde steken, wat te vergroten. De minister moet het alleen zo zien; het gaat om betrokkenheid bij de zaak en om de hoop dat beide ministers er zo veel mogelijk aan doen om een dergelijke doodstraf te voorkomen.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Ook ik dank de bewindslieden voor de antwoorden in eerste termijn. De antwoorden duidelijk. Ik dank de bewindslieden dat zij zozeer meedenken in de suggesties die wij doen en dat zij bereid zijn om daarop in te spelen. Ik heb eigenlijk geen verdere vragen meer.

Mevrouw Maij (PvdA): Voorzitter. Ik zal de drie minuten niet nodig hebben. Ik dank de bewindslieden voor de beantwoording in eerste termijn. Twee korte vragen kwamen bij mij op terwijl ik naar de beantwoording luisterde. De eerste heeft betrekking op de beleidsdoorlichting. Als ik mij goed herinner, is er een beleidsdoorlichting gaande van de Private Sector Ontwikkeling. Wanneer kunnen wij die verwachten? Mijn tweede vraag gaat over de brief over het postennet: de co-locaties en de Regional Support Offices (RSO's). De minister sprak met vuur over het RSO China en Azië. Daarmee voel ik mij natuurlijk heel erg verbonden. Als wij verder gaan regionaliseren, hoe veel RSO's komen er dan en is er een visie op centralisering?

De voorzitter: Ik dank de Kamer voor de inbreng in tweede termijn. Het woord is aan de minister van Buitenlandse Zaken.

Minister Timmermans: Voorzitter. De heer Sjoerdsma vraagt naar de consequenties van de sluiting. Een ding is duidelijk: als je een ambassade sluit, dan vindt het land waar die ambassade zit, dat echt niet leuk. Het heeft dus echt consequenties voor de bilaterale betrekkingen met dat land. Daar moeten wij niet voor weglopen. Vaak is het emotioneel, maar vaak ook gewoon zakelijk, en heeft het consequenties voor de contacten. Soms maakt het ook je beleid lastiger. In sommige landen waar ambassades dicht zijn gegaan, zie je ineens weer nieuwe prioriteiten opkomen, waardoor je denkt: was het wel zo slim? Wij hebben dat eerder gezien in het begin van de jaren negentig, toen onze ambassade in Hanoi dicht ging, omdat een ambassade in Vietnam niet meer nodig was. Nederland zat daar toen op een toplocatie, die is afgestoten. Wij hebben daarmee een hele hoop geld verloren. Vier jaar later wilde Nederland weer terug en toen is voor een veel mindere locatie veel meer geld betaald. Dat was echt «penny wise, pound foolish». Je moet met sluiting dus enorm voorzichtig omspringen. Tegelijkertijd moeten wij de tering naar de nering zetten. Dat is een realiteit waarmee iedereen bij de rijksoverheid in deze tijd van crisis te maken heeft.

Hoe maak je de gevolgen inzichtelijk voor de burgers? Wij doen dat via de websites en via informatiebulletins. Via de andere ambassades melden wij waar men terechtkan in plaats van bij de eerdere locaties. Wij doen enorm ons best om het bekend te maken. Eerlijk gezegd is het niet zo dat mensen het niet weten; zij vinden het alleen heel vervelend. Zij klagen omdat voor hen het serviceniveau omlaag gaat, al was het maar omdat zij langer moeten reizen of moelijker mensen kunnen bereiken. Ook kunnen zij niet meer zomaar naar een loket lopen. Meestal is er geen sprake van een gebrek aan inzicht, maar is het veel meer zo dat burgers in bepaalde regio's een hekel hebben aan de consequenties. De heer Sjoerdsma heeft wel gelijk dat tijdig, goed en volledig informeren nog meer teleurstellingen voorkomt, zeker in heel grote landen met weinig Nederlandse aanwezigheid.

Mijn betrokkenheid bij consulaire zaken is groot. Dat heeft een aantal redenen. Het heeft te maken met mijn persoonlijke geschiedenis. Mijn vader heeft dit werk heel lang gedaan en dus voel ik mij echt heel erg verbonden met dit werk. Het heeft ook te maken met het feit dat ik mij als jong ambtenaar bij Buitenlandse Zaken altijd vreselijk geërgerd heb aan het feit dat deze heel belangrijke taak van serviceverlening aan Nederlandse burgers het ondergeschoven kindje was bij Buitenlandse Zaken. Als je nog een domme, luie of weinig nuttige medewerker had, liet je die vroeger maar consulaire zaken doen. Het gaat echter om de kern van het werk van Buitenlandse Zaken. Gelukkig is die tijd lang voorbij en hebben wij nu heel toegewijde en professionele medewerkers die dit doen. Maar ik wil het iedere dag weten. Ik wil iedere dag een bulletin hebben: wat speelt er in de hele wereld? Ik wil dat de mensen bij de directie die hierover gaan en de mensen bij de posten die dit doen, weten dat hun minister er iedere dag over geïnformeerd wil worden. Ik wil bovenop consulaire zaken zitten, die soms heel vervelende consequenties voor mensen kunnen hebben. Het gaat niet alleen om de kwestie-Bahrami; er zijn heel veel andere zaken van Nederlanders die, soms door eigen stommiteit en eigen schuld, soms door platte pech in heel grote problemen komen. Het maakt mij dan niet uit waarom zij in de problemen zitten. Ik zie het als een taak van de overheid om Nederlanders in het buitenland die in de problemen komen of vragen hebben, zo goed mogelijk bij te staan. Er is bij mij sprake van een heel grote, ik zou bijna zeggen emotionele, betrokkenheid, die ik heel goed wil invullen. Er is ook een heel grote politieke gevoeligheid; de Kamer wil graag dat wij de excellente dienstverlening aan Nederlandse burgers buiten Nederland garanderen en zo goed mogelijk invullen. Daarover wil ik graag verantwoording afleggen aan de Kamer.

Mevrouw Maij heeft vragen gesteld over de RSO's en over de schaal. Op die vragen komen wij terug in de brief over het postennet. In algemene zin kan ik zeggen dat je natuurlijk een optimum moet zoeken, zoals mevrouw Maij als geen ander weet. Als je doorredeneert, krijg je uiteindelijk één RSO voor de hele wereld. Dat zit hier in Den Haag. Er zijn ook mensen die daarover nadenken. De vraag is, of je dan de service snel, goedkoop en efficiënt genoeg kunt verlenen, omdat je over de hele wereld zit – «qua patet orbis» zeggen de mariniers – en dus tegelijkertijd in talloze tijdzones moet kunnen werken. Er is altijd wel ergens een Nederlander die onze hulp nodig heeft. Er is altijd wel ergens een ambassade of een andere vertegenwoordiging die open is. Wij zoeken naar een evenwicht, maar ik kom er graag op terug in de brief over het postennet.

Minister Ploumen: Voorzitter. Mevrouw Maij vroeg wanneer wij de doorlichting en de evaluatie van de Private Sector Development tegemoet kunnen zien. Dat zal later dit jaar zijn. Ik kijk uit naar het debat met de Kamer daarover.

De voorzitter: Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd.

  • 1. De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zal de Kamer eenmaal per jaar in een vertrouwelijke brief informeren over de afwikkeling van mogelijke malversaties, met in het jaarverslag informatie over resultaten van terugvorderingen.

  • 2. De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zal de Kamer in een brief informeren over beheer en capaciteit, in vergelijking met andere landen.

  • 3. Volgende week komt er een brief van beide ministers naar de Kamer over de indeling van twee begrotingshoofdstukken.

  • 4. De Kamer wordt geïnformeerd over het resultaat van het project «Betere Informatiebeveiliging».

  • 5. In het volgende jaarverslag komt er meer informatie over afwijkingen van begrote uitgaven.

  • 6. Volgend jaar komt er in het jaarverslag meer informatie over de voortgang van de MDG's.

  • 7. Later dit jaar komt er een beleidsdoorlichting van de Private Sector Ontwikkeling.

Ik dank de bewindspersonen en de leden. Ik dank ook de griffier, want dat mag ook op complimentendag. Ik dank iedereen die heeft meegeluisterd. Ik dank ook de medewerkers voor hun aanwezigheid.

Sluiting 21.36 uur.

Naar boven