34 390 Wijziging van de wet tot wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178), en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk in verband met aanpassing van de bepaling inzake een wettelijk bewijsvermoeden voor mijnbouwschade in Groningen en enkele andere bepalingen (Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen)

34 348 Wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 28 april 2016

I. Algemeen

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen van de leden van verschillende fracties over het wetsvoorstel bewijsvermoeden gaswinning Groningen (Kamerstukken 34 390, hierna: de novelle) en het wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen) (Kamerstukken 34 348, hierna: het wetsvoorstel veiligheid en regie). Graag ga ik hieronder in op de gestelde vragen. Voor de vragen over de novelle doe ik dat mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom het gedeelte over het bewijsvermoeden niet is opgenomen in het wetsvoorstel veiligheid en regie. Voor de inhoud van het voorstel is niet van belang of dit in het wetsvoorstel veiligheid en regie wordt opgenomen of via een novelle in het wetsvoorstel offshore veiligheid wordt verwerkt. Gelet op de samenhang van de amendementen en de daarover ontvangen voorlichting met het wetsvoorstel veiligheid en regie, is ervoor gekozen de voorlichting te verwerken in dat wetsvoorstel. Deze samenhang is er niet voor het gedeelte over het bewijsvermoeden. Het gedeelte over het bewijsvermoeden betreft een wijziging van het wetsvoorstel offshore veiligheid (Kamerstukken 34 041), welk wetsvoorstel strekt tot implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten. Omdat de implementatietermijn van die richtlijn reeds op 19 juli 2015 is verstreken, is ervoor gekozen het gedeelte over het bewijsvermoeden separaat te regelen in een novelle, zodat het tijdpad daarvoor niet afhankelijk is van het wetsvoorstel veiligheid en regie. Ik vraag uw Kamer deze novelle voortvarend te behandelen, opdat de Eerste Kamer de behandeling van het wetsvoorstel offshore veiligheid spoedig kan afronden.

Wijziging van de wet tot wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178), en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk in verband met aanpassing van de bepaling inzake een wettelijk bewijsvermoeden voor mijnbouwschade in Groningen en enkele andere bepalingen (Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen) (TK 34 390) (Novelle)

1. Doel en aanleiding

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar het gebied waarvoor de novelle geldt en naar de reden om voor een beperkt gebied te kiezen. Ook vroegen deze leden hoe de beperking tot dit effectgebied zich verhoudt tot het doel van de novelle en vroegen zij naar de situatie in de rest van Nederland. De novelle regelt een bewijsvermoeden voor fysieke schade aan gebouwen en werken binnen het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld. Het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld zal worden vastgesteld bij ministeriële regeling. De reden dat de novelle zich beperkt tot het effectgebied van het Groningenveld, is dat met het bewijsvermoeden een wettelijke afwijking van de hoofdregel «wie stelt bewijst» wordt geïntroduceerd, die doorwerkt in de procesposities van private partijen. Zoals de Afdeling advisering van de Raad van State in haar voorlichting heeft aangegeven, mogen de lasten van een dergelijke afwijking niet onevenredig zijn voor de partij tegen wie het bewijsvermoeden wordt ingeroepen. De novelle beoogt de bewijspositie van benadeelden te versterken, zonder tot een onevenredige situatie te komen. Daarbij is van belang dat de Afdeling advisering in haar voorlichting heeft aangegeven dat indien in een groot aantal gelijksoortige schadegevallen vaststaat dat verreweg het grootste deel van die gevallen aan één bepaalde oorzaak moet worden toegeschreven, daaraan het vermoeden zou kunnen worden ontleend dat ook de overige – vergelijkbare – gevallen aan die oorzaak moeten worden toegeschreven. In de Groningse situatie kan de omvang van het aantal schadegevallen en de gelijksoortigheid ervan een argument zijn voor een bewijsvermoeden. Daarbij kan ook de zwakke procespositie van één van de partijen ten opzichte van de andere partij worden meegewogen. In gebieden waarvoor niet geldt dat sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, waarvan het merendeel aan één oorzaak is toe te schrijven, zou een bewijsvermoeden tot een onevenredige situatie leiden. De exploitant van een mijnbouwwerk zou dan immers steeds vermoed worden de veroorzaker van schade in een individueel geval te zijn, zonder dat voldoende aannemelijk is dat dit ook daadwerkelijk het geval is.

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom het bewijsvermoeden wordt beperkt tot gaswinning. Zoals hierboven beschreven kan een bewijsvermoeden gerechtvaardigd zijn indien sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, waarvan het merendeel aan één oorzaak is toe te schrijven. Dat is het geval bij de gaswinning in Groningen. Bovendien is de aard en omvang van de verschillende soorten activiteiten die vallen onder het begrip mijnbouwactiviteiten niet vergelijkbaar, waardoor ook de risico’s verschillen. Onder het begrip mijnbouwactiviteiten valt bijvoorbeeld ook het toepassen van geothermie door tuinders. Als het bewijsvermoeden zou gelden voor alle mijnbouwactiviteiten zou dat ertoe leiden dat ook een tuinder wiens buren door een bouwkundig gebrek een scheur in hun muur hebben, moet aantonen dat de schade geen verband houdt met de geothermie.

De leden van de SP-fractie vroegen op welke wijze de belangrijkste elementen van voorgenomen werkafspraken met betrekking tot aanpassingen van de afhandelingsprocedure voor schade in de wet terecht komen. De in het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen 2016 – 2020 (bijlage bij Kamerstukken 2015/16, 33 529, nr. 212, hierna: Meerjarenprogramma) beschreven wijzigingen in de afhandelingsprocedure voor schade worden in overleg met NAM doorgevoerd. Met de afhandelingsprocedure voor schade wordt invulling gegeven aan de bij wet geregelde aansprakelijkheid voor schade. Het gaat daarbij om werkafspraken in de specifieke context van de Groningenproblematiek met NAM als concrete aansprakelijke partij, en dus niet om een wettelijk vast te leggen algemene procedureregeling, die ook voor andere mijnbouwactiviteiten en -exploitanten van toepassing is.

Dezelfde leden vroegen op welke wijze de objectiviteit van het Centrum Veilig Wonen (hierna: CVW) wordt vastgelegd. In het Burgerlijk Wetboek is in artikel 6:177 vastgelegd dat de exploitant, in dit geval NAM, aansprakelijk is voor de vergoeding van schade als gevolg van de mijnbouwactiviteiten. NAM heeft de schadeafhandeling op afstand geplaatst bij het CVW. Het schadeprotocol, op basis waarvan CVW schade afhandelt, is te vinden op de website van het CVW. In het Meerjarenprogramma is aangegeven dat de Nationaal Coördinator Groningen (hierna: NCG) de schadeafhandelingsprocedure monitort en periodiek evalueert, waarbij ook maatschappelijke partijen input kunnen leveren. De NCG bespreekt naar aanleiding daarvan met NAM in hoeverre aanpassingen van het schadeprotocol nodig zijn. Dit proces is vastgelegd in het Meerjarenprogramma van de NCG.

De leden van de SP-fractie vroegen op welke wijze de Groningers worden ontlast bij complexe schadegevallen. De novelle regelt een bewijsvermoeden voor fysieke schade aan gebouwen en werken binnen het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld. Voor dit bewijsvermoeden wordt geen onderscheid gemaakt tussen reguliere en complexe schadegevallen. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over de afhandelingsprocedure voor complexe schadegevallen. Bij complexe schadegevallen, waarbij sprake kan zijn van verschillende factoren of van een samenloop van materiële en immateriële zaken, wordt de afhandeling van de schade door het CVW overgedragen aan de NCG. De NCG wijst een casemanager -in dienst van de NCG- aan, die in bemiddeling op zoek gaat naar een oplossing met alle betrokkenen. De casemanager doet namens de NCG een voorstel. Als het voorstel aanvaardbaar is voor alle betrokkenen, dan kan de schademelding worden afgewikkeld. Als dat niet zo is, dan kan de zaak na contra-expertise voorgelegd worden aan de Arbiter Aardbevingsschade. Op deze manier worden benadeelden bij complexe schadegevallen ontlast en wordt gezorgd voor laagdrempelige geschilbeslechting.

De leden van de SP-fractie vroegen naar het gebied waarvoor de novelle geldt. Kortheidshalve verwijs ik naar het antwoord op een vergelijkbare vraag van de PvdA-fractie aan het begin van deze paragraaf. Daarbij merk ik op dat het effectgebied van het Groningenveld niet per definitie beperkt is tot Groningen. Het effectgebied zal bij ministeriële regeling worden vastgesteld op basis van wetenschappelijke inzichten.

De leden van de fractie van de SP vroegen hoe in de novelle wordt omgegaan met A, B en C schade. Waarbij A staat voor schade welke een direct gevolg is van de onderhavige aardbeving(en); B staat voor schade, reeds aanwezig voor, maar verergerd ten gevolge van de aardbeving(en) en C staat voor schade die niet zelfstandig in verband gebracht kan worden met aardbevingen. In de novelle wordt een bewijsvermoeden geregeld voor fysieke schade aan gebouwen en werken binnen het effectgebied van het Groningenveld. Dit effectgebied zal worden vastgesteld bij ministeriële regeling. De novelle maakt geen onderscheid tussen A, B en C schade. Het bewijsvermoeden geldt voor fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning zou kunnen zijn.

De leden van de fractie van de SP vroegen of de verschillende A, B en C schades binnen een dorp als bijvoorbeeld Woldendorp een «groot aantal schadegevallen» maken. In haar voorlichting geeft de Afdeling Advisering van de Raad van State aan dat, indien in een groot aantal gelijksoortige schadegevallen vaststaat dat verreweg het grootste deel van die gevallen aan één bepaalde oorzaak moet worden toegeschreven, daaraan het vermoeden zou kunnen worden ontleend dat ook de overige vergelijkbare gevallen aan die oorzaak moeten worden toegeschreven. Daarbij wordt niet nader ingevuld welk aantal als een groot aantal moet worden beschouwd, maar wordt wel aangegeven dat, voor zover het de Groningse situatie betreft, de omvang van het aantal schadegevallen en de gelijksoortigheid ervan een argument kunnen zijn voor een bewijsvermoeden. In de periode van augustus 2012 tot eind 2015 zijn er in Groningen circa 59.000 schademeldingen bij NAM en Centrum Veilig Wonen gedaan. Het aantal schades in alleen een dorp als Woldendorp is niet van deze orde van grootte.

Door de leden van de SP-fractie werd gevraagd wat het effectgebied is van het Groningenveld. Met het effectgebied van het Groningenveld wordt bedoeld het gebied waarbinnen in het geval van fysieke schade aan gebouwen en werken het wettelijk bewijsvermoeden geldt. In dit gebied wordt verondersteld dat schade die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning uit het Groningenveld zou kunnen zijn, kan worden toegeschreven aan de gaswinning. Het effectgebied wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Mocht het in een voorkomend geval zo zijn dat schade binnen het effectgebied zou kunnen zijn veroorzaakt door een van de andere omstandigheden, zoals die in de vraag van deze leden zijn genoemd, en niet door bodembeweging als gevolg van gaswinning, dan is het aan NAM om aannemelijk te maken dat niet de bodembeweging door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk maar een andere oorzaak tot de schade heeft geleid.

De leden van de SP-fractie vroegen naar het weerleggen van het bewijsvermoeden. Niet alle schade die zich voordoet binnen het effectgebied van het Groningenveld is per definitie veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van gaswinning. Immers, ook in dit gebied kan zich schade voordoen door oorzaken die niets met mijnbouwactiviteiten te maken hebben, zoals bijvoorbeeld stormschade. Daarom moet de exploitant van het mijnbouwwerk de gelegenheid hebben het bewijsvermoeden te weerleggen. Die mogelijkheid zou ook hebben bestaan bij toepassing van het door uw Kamer aangenomen amendement en maakt niet dat het bewijsvermoeden betekenisloos is. Anders dan in de huidige situatie, hoeft degene die binnen het effectgebied van het Groningenveld fysieke schade aan een gebouw of werk heeft, die naar haar aard schade door bodembeweging zou kunnen zijn slechts te stellen dat die schade het gevolg is van bodembeweging door de gaswinning. Daaruit ontstaat dan voor de rechter het vermoeden dat de schade het gevolg is van de gaswinning. Indien de exploitant dit vermoeden niet kan weerleggen, hoeft de benadeelde verder geen bewijs te leveren.

De leden van de fractie van de SP vroegen naar de toepassing van het bewijsvermoeden in plaatsen onder Delfzijl. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van de voorgaande vragen van deze fractie over het effectgebied en over schades in Woldendorp.

Deze leden vroegen ook naar de toepassing van de novelle op schade die reeds bekend is. Ingevolge artikel 68a, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek heeft de novelle onmiddellijke werking. Dat wil zeggen dat het bewijsvermoeden ook van toepassing wordt op schades die zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en die nog niet zijn afgehandeld.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de situatie bij omzetschade. Een bewijsvermoeden kan gerechtvaardigd zijn, indien sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, waarvan het merendeel aan één oorzaak is toe te schrijven. Omzetschade is minder gelijksoortig dan fysieke schade aan gebouwen en werken en het onderzoek naar de oorzaak en omvang van de schade zal vaak complex zijn. Een omzetdaling kan vele oorzaken hebben die los staan van mijnbouwactiviteiten, bijvoorbeeld een veranderende afzetmarkt of een verslechterde concurrentiepositie. Om die reden is het bewijsvermoeden beperkt tot fysieke schade aan gebouwen en werken. Dit laat onverlet dat de exploitant van een mijnbouwwerk aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van de mijnbouwactiviteiten. Dit kan ook omzetschade zijn.

De leden van de fractie van de SP vroegen hoe zij het heroverwegen van het wettelijk bewijsvermoeden moeten begrijpen en of hier wordt voorgesorteerd op een vorm van verjaring. De motivering voor het wettelijke bewijsvermoeden voor schade binnen het effectgebied van het Groningenveld is gelegen in de omvang van het aantal gevallen van fysieke schade aan gebouwen en werken en de gelijksoortigheid ervan. Nu de fysieke schade aan gebouwen en werken die gemeld wordt in Groningen in het merendeel van de gevallen ook daadwerkelijk het gevolg is van bodembeweging door gaswinning, kan worden vermoed dat ook andere gevallen van fysieke schade door die gaswinning zijn veroorzaakt. Indien echter in de toekomst de gasproductie uit het Groningenveld verder zal afnemen en uiteindelijk zal worden gestaakt en dientengevolge verwacht mag worden dat de bodembeweging zal afnemen, is het op enig moment niet langer meer vanzelfsprekend om nog steeds aan te nemen dat alle zich dan voordoende schadegevallen zijn veroorzaakt door de gaswinning. Een heroverweging van het wettelijk bewijsvermoeden ligt dan in de rede met als mogelijke uitkomst dat het redelijk is om terug te keren naar een situatie van risicoaansprakelijkheid met de thans geldende verdeling van de bewijslast. Deze heroverweging is aan de wetgever en is niet gerelateerd aan de termijnen voor verjaring van de rechtsvordering tot vergoeding van de schade.

De leden van de SP-fractie vroegen wanneer sprake is van een groot aantal schadegevallen. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van de eerdere vraag van deze fractie over aantallen schades in dorpen als Woldendorp.

De reden voor aansluiting bij artikel 55 van de Gaswet, waar de leden van de fractie van de SP naar vroegen, is dat in genoemd artikel het Groningenveld wordt aangeduid. De novelle voorziet erin dat het wettelijk bewijsvermoeden alleen geldt voor schadegevallen binnen het effectgebied van het Groningenveld. Voor de aanduiding van wat onder het Groningenveld moet worden verstaan, is daarom dezelfde formulering gekozen als in artikel 55 van de Gaswet.

Het antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie naar de reden voor de gekozen benadering van schadegevallen in Groningen is gelegen in de specifieke situatie in Groningen, waarin sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, die merendeels aan dezelfde oorzaak zijn toe te schrijven. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van de vraag van de PvdA-fractie naar het gebied waarvoor de novelle geldt, aan het begin van deze paragraaf. Daarbij merk ik op dat het met de novelle voorgestelde bewijsvermoeden op onderdelen verder gaat dan het in Duitsland geldende bewijsvermoeden, waarbij de benadeelde aannemelijk moet maken dat de schade is veroorzaakt door bodembeweging.

De leden van de CDA-fractie vroegen of er een centraal loket of meldpunt komt voor mensen buiten Groningen die met mogelijke schade ten gevolge van mijnbouw te maken hebben. Ik kan me vinden in de gedachte van een centraal loket voor mogelijke schade ten gevolge van mijnbouw en een centraal punt voor vragen over de oorzaak ervan. Ik ben bezig om dit te onderzoeken en streef ernaar uw Kamer hierover voor de zomer nader te informeren.

Deze leden vroegen ook het bewijsvermoeden en het functioneren van het centraal loket te evalueren twee jaar na de inwerkingtreding van de novelle. Zoals hierboven aangegeven streef ik ernaar uw Kamer voor de zomer nader te informeren over het centraal loket. Daarbij zal ik ook de vraag naar evaluatie betrekken. De werking van het bewijsvermoeden zal ik voortdurend monitoren. Indien de monitoring daartoe aanleiding geeft, zal ik de reikwijdte van het bewijsvermoeden heroverwegen.

De leden van de PVV-fractie vroegen of voortaan credits kunnen worden gegeven aan de oorspronkelijke indiener van de motie of het amendement. De novelle is ingediend naar aanleiding van het door een meerderheid van uw Kamer aangenomen amendement. Daarbij is voor de regering niet van belang wie de indiener van het amendement is. Het is mij erom te doen de bewijspositie van benadeelden in Groningen zo goed mogelijk te regelen.

De leden van de PvdD-fractie vroegen of het terecht is dat de tijd, moeite en kosten in eerste instantie bij de benadeelde worden neergelegd, terwijl de vermoedelijke veroorzaker hier niet mee wordt geconfronteerd. Hoofdregel van het Nederlandse bewijsrecht is «wie stelt bewijst». Daaraan ligt ten grondslag dat degene die stelt een vordering te hebben, deze ook moet kunnen onderbouwen. Het zou niet redelijk zijn dat degene die wordt aangesproken zich moet verdedigen tegen aantijgingen die niet met enige feitelijke onderbouwing zijn gestaafd. Het bewijsvermoeden maakt op deze hoofdregel een uitzondering voor het effectgebied van het Groningenveld. Die uitzondering wordt gerechtvaardigd doordat sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, waarvan het merendeel aan één oorzaak moet worden toegeschreven. In situaties waarin dat niet aan de orde is, is een algemene afwijking van de hoofdregel niet redelijk. Daarbij merk ik op dat NAM ook nu al tijd, moeite en kosten besteed aan het onderzoek van concrete schademeldingen en dat getracht wordt benadeelden daarbij te ontlasten, zoals beschreven in het antwoord op een vraag van de SP-fractie daarover in paragraaf I.1.

De leden van de PvdD-fractie vroegen naar de positie van benadeelden met schade door gaswinning in andere delen van het land. In de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de PvdA-fractie in paragraaf I.1 heb ik aangegeven waarom het gerechtvaardigd is dat het bewijsvermoeden alleen voor het effectgebied van het Groningenveld gaat gelden. Kortheidshalve verwijs ik naar dat antwoord. De situatie in Groningen heeft te maken met de unieke eigenschappen van het Groningenveld. Een situatie zoals die in Groningen doet zich in andere delen van Nederland niet voor. Wanneer een dergelijke situatie in andere delen van Nederland in de toekomst wel aan de orde zou zijn, kan de wetgever maatregelen nemen die zijn toegesneden op de specifieke situatie. Voor andere delen van Nederland geldt het bewijsvermoeden om de aan het begin van deze paragraaf vermelde redenen niet, maar blijft wel de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:177 BW gelden. Een en ander laat onverlet dat ook dan gevallen van schade op adequate wijze moeten worden behandeld en dat de rechter in een concreet geval bij de bewijslastverdeling rekening kan houden met de procesposities van partijen door een zwakker partij tegemoet te komen in diens stelplicht en bewijslast.

2. Bewijsvermoeden

De leden van CDA-fractie vroegen naar de precisering «fysieke» bij schade aan gebouwen en werken. Deze precisering betekent dat het gaat om tastbare schade aan het gebouw of werk zelf, zoals bijvoorbeeld scheuren in muren, maar niet om bijvoorbeeld waardedaling van woningen of omzetschade van ondernemingen.

Deze leden vroegen ook naar fysieke schades, anders dan aan gebouwen en werken. De novelle ziet op fysieke schade aan gebouwen en werken, omdat daarvoor geldt dat sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, waarbij het grootste deel van die gevallen aan één bepaalde oorzaak moet worden toegeschreven. Bij fysieke schade, anders dan aan gebouwen en werken, valt bijvoorbeeld te denken aan fysieke schade aan andere goederen, zoals auto’s of inboedel. Met het begrip «werken» wordt gedoeld op constructies die zijn bedoeld om duurzaam ter plaatse te blijven, zoals een afdak, een terreinafscheiding en infrastructurele werken. Of irrigatiesystemen moeten worden beschouwd als «werk» in de zin van het voorgestelde artikel 177a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek zal afhangen van de aard van het desbetreffende irrigatiesysteem.

De leden van de PVV-fractie vroegen naar de uitwerking van de omkering van de bewijslast in de praktijk en verwezen naar de heer Z. uit T. Indien sprake is van fysieke schade aan gebouwen en werken binnen het effectgebied van het Groningenveld, die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning zou kunnen zijn, zorgt de novelle ervoor dat wordt vermoed dat de schade het gevolg is van de gaswinning. Het is dan aan de exploitant om dit vermoeden te ontzenuwen. Doet de exploitant dat niet, dan wordt zijn aansprakelijkheid aangenomen. Het past mij niet om een uitspraak te doen over individuele gevallen, zoals de heer Z. uit T.

De leden van de PVV-fractie vroegen naar het toepassingsgebied van het bewijsvermoeden. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de leden van de PvdA-fractie in paragraaf I.1.

Deze leden vroegen voorts naar de redenen om het bewijsvermoeden niet voor heel Nederland te laten gelden. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een soortgelijke vraag van de leden van de PvdA-fractie in paragraaf I.1. Ik deel het oordeel van de Afdeling advisering van de Raad van State dat het bewijsvermoeden niet tot een onevenredige situatie moet leiden. De situatie in Groningen heeft te maken met de gaswinning uit het Groningenveld, dat door zijn omvang en eigenschappen uniek is. Deze specifieke situatie rechtvaardigt de introductie van een bewijsvermoeden. Een dergelijke situatie is op dit moment niet aan de orde in andere delen van Nederland. Daarom is ervoor gekozen het bewijsvermoeden te beperken tot het effectgebied van het Groningenveld.

De leden van de PVV-fractie vroegen naar een inschatting van de hoeveelheid mensen waarvoor dit bewijsvermoeden een oplossing biedt. Sinds augustus 2012 zijn circa 64.700 schademeldingen binnengekomen bij NAM en CVW. In ongeveer 47.000 daarvan is een akkoord bereikt met de eigenaar over het herstel van de schade. Voor gevallen die nog in behandeling zijn op het moment van inwerkingtreding van de novelle en voor nieuwe schadegevallen is een beroep op het bewijsvermoeden mogelijk, mits het gaat om fysieke schade aan een gebouw of werk binnen het effectgebied van het Groningenveld, die naar haar aard schade door bodembeweging zou kunnen zijn. Overigens is mijn verwachting dat het merendeel van deze gevallen kan worden afgehandeld zonder dat een gang naar de rechter en een beroep op het bewijsvermoeden nodig zijn, doordat de eigenaar en CVW het onderling eens worden over het schadeherstel. Een inschatting van de hoeveelheid mensen waarvoor het bewijsvermoeden de oplossing biedt kan ik daarom niet geven.

De leden van de PVV-fractie vroegen of het bewijsvermoeden van toepassing is op lopende schadegevallen. Het antwoord hierop is bevestigend. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de SP-fractie in paragraaf I.1.

De leden van fractie van de PVV vroegen naar de ervaringen met andere bewijsvermoedens.

Er zijn andere rechtsgebieden waar een bewijsvermoeden van toepassing is, zoals in het contractenrecht waar het gaat om consumentenkoop en algemene voorwaarden. Deze regelingen zien echter op zeer specifieke rechtsgebieden en zijn niet vergelijkbaar met het onderhavige bewijsvermoeden, dat gepaard gaat met risicoaansprakelijkheid van de mijnbouwexploitant.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen naar het toepassingsgebied van het bewijsvermoeden. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de PvdA-fractie in paragraaf I.1. Daarbij merk ik op dat de zwakkere procespositie weliswaar, zoals de Afdeling advisering van de Raad van State aangeeft, meegewogen kan worden in de afweging om een bewijsvermoeden te introduceren, maar dat daarnaast andere afwegingen een rol spelen. Daarbij merk ik op dat in gebieden waar geen wettelijk bewijsvermoeden geldt, de rechter in een concreet geschil de zwakkere procespartij bij diens stelplicht en bewijslast tegemoet kan komen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen of in de ministeriële regeling ook andere delen van Nederland zullen worden opgenomen waar sprake is van schade door mijnbouwactiviteiten. Zoals hierboven in antwoorden van leden van andere fracties over het effectgebied is aangegeven, geeft alleen de bijzondere situatie in het effectgebied van het Groningenveld aanleiding tot de introductie van een wettelijk en daarmee algemeen geldend bewijsvermoeden. Anders dan in het effectgebied van het Groningenveld zijn er bij andere mijnbouwactiviteiten, zoals bijvoorbeeld de door deze leden genoemde gasopslag in het Bergermeer, opslag- en winningsactiviteiten in Drenthe, afvalwaterinjectie in Overijssel en gas- en zoutwinning in Friesland, niet zodanig veel gelijksoortige schadegevallen, waarvan het merendeel aan één oorzaak is toe te schrijven, dat een wettelijk bewijsvermoeden gerechtvaardigd is. Het effectgebied van het Groningenveld zal bij ministeriële regeling worden vastgesteld op grond van het voorgestelde artikel 177a, derde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. De in dat artikel neergelegde beperkte grondslag voor de inhoud van een ministeriële regeling biedt geen mogelijkheid voor uitbreiding van de reikwijdte van het bewijsvermoeden tot andere delen van Nederland waar sprake is van mijnbouwschade.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen naar de schade-oorzaken waarvoor het bewijsvermoeden geldt. De term mijnbouwschade wordt niet in de wetgeving gebruikt. Het voorgestelde artikel 6:177a BW bepaalt dat het bewijsvermoeden van toepassing is op schade als gevolg van bodembeweging door de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld. Dit betreft zowel schade door aardbevingen als schade door bodemdaling als gevolg van gaswinning.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen naar het weerleggen van het bewijsvermoeden. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording op de vraag van de SP-fractie in paragraaf I.1.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen waarom alleen fysieke schade aan gebouwen en werken onder het bewijsvermoeden valt. Een bewijsvermoeden kan gerechtvaardigd zijn indien sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, waarvan het merendeel aan één oorzaak is toe te schrijven. Anders dan bij fysieke schade aan gebouwen en werken, is bij gevolgschade, waardedaling van woningen en derving van inkomsten geen sprake van veel gelijksoortige gevallen, met één duidelijke oorzaak. Deze vormen van schade zijn minder gelijksoortig en het onderzoek naar de schade zal vaak complex zijn. Dit geldt ook voor immateriële schade. De vraag of en in hoeverre sprake is van immateriële schade als gevolg van de gaswinning, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben meerdere vragen gesteld over de Arbiters Aardbevingsschade. Zij vroegen naar het opstellen van arbitrageovereenkomsten en de toepasselijkheid van verschillende regels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In de schadeafhandelingsprocedure zullen verschillende verbeteringen worden doorgevoerd. Onderdeel van deze verbeteringen is het invoeren van laagdrempelige, onafhankelijke en vlotte geschilbeslechting door de Arbiter Aardbevingsschade. De Arbiter Aardbevingsschade is geen scheidsgerecht in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, maar wordt ingericht als een adviescommissie. De uitspraken van de Arbiters hebben daardoor de status van advies en zijn geen arbitrale vonnissen. NAM heeft toegezegd zich in beginsel te zullen committeren aan de uitspraken van de Arbiters. Dat wil zeggen dat de schade door NAM overeenkomstig de uitspraak van de Arbiters zal worden afgehandeld. De gekozen vormgeving van de Arbiter Aardbevingsschade betekent dat er geen arbitrageovereenkomst hoeft te worden opgesteld tussen NAM en de betrokken eigenaar. Inschakeling van de Arbiter Aardbevingsschade is geen verplichting voor de eigenaar. De betrokken eigenaar kan er ook voor kiezen om naar de rechter stappen. Deze optie blijft ook open nadat de Arbiter uitspraak heeft gedaan. Indien de eigenaar het niet eens is met de uitspraak van de Arbiter, kan deze zijn zaak alsnog voorleggen aan de rechter voor een volledige rechterlijke toets. Als de eigenaar instemt met de uitspraak van de Arbiter zal er een vaststellingsovereenkomst tot stand komen.

De Arbiter Aardbevingsschade wordt vormgegeven als een adviescommissie omdat dit de meest laagdrempelige vorm van geschilbeslechting is voor de eigenaren. Als de Arbiter Aardbevingsschade wel als een scheidsgerecht in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zou worden ingericht, zouden NAM en de betrokken eigenaar in ieder afzonderlijk geval één of meerdere arbiters moeten aanwijzen en gelden ook andere formele eisen, waaronder de formele gebondenheid van partijen aan het arbitraal vonnis. Door het inrichten van de Arbiters Aardbevingsschade als een adviescommissie, kan de Minister van Economische Zaken de Arbiters vergoeden en blijft de drempel voor de eigenaren zo laag mogelijk.

De leden van de Groen-Linksfractie vroegen of er over de mijnbouwschadeproblematiek contact is geweest met de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Er is contact geweest met de Raad van Arbitrage voor de Bouw. De Raad van Arbitrage voor de Bouw heeft een brief aan de NCG gestuurd met een verzoek om een gesprek over de invulling van de geschilbeslechting. Er is niet gekozen voor de Raad van Arbitrage voor de Bouw, maar voor een andere vorm van geschilbeslechting: de Arbiter Aardbevingsschade. De redenen daarvoor zijn in de beantwoording van voorgaande vraag genoemd.

De leden van deze fractie vroegen daarnaast aan welke eisen de door de NCG beschikbaar te stellen vertrouwenspersonen moeten voldoen en hoe de onafhankelijkheid van deze vertrouwenspersonen wordt geborgd. De NCG wil begeleiding beschikbaar stellen om mensen te kunnen helpen die problemen ervaren met het doorlopen van de procedures voor de afhandeling van (complexe) schades. Op dit moment is de NCG bezig met de start van de Arbiter Aardbevingsschade en zijn de vertrouwenspersonen nog niet aangezocht. De NCG beziet momenteel hoeveel mensen deze hulp nodig zouden kunnen hebben en aan welke eisen de vertrouwenspersonen moeten voldoen.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren wijzen erop dat de reikwijdte van het bewijsvermoeden in de novelle beperkter is dan in het amendement van de leden Jan Vos en Ouwehand. Voor de motivering van de reikwijdte van de novelle verwijs ik naar de beantwoording van vragen van de PvdA-fractie hierover aan het begin van paragraaf I.1 en van de CDA-fractie aan het begin van paragraaf I.2.

2.1 Artikel 6:177a, eerste lid

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de inhoud van artikel 177a, eerste lid, zich verhoudt tot het onderzoek van de Commissie Bodemdaling. Het voorgestelde artikel 6:177a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging zou kunnen zijn. Daarmee wordt aangesloten bij het begrip «beweging van de bodem» in artikel 6:177, eerste lid, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek. Dit omvat zowel aardbevingen als bodemdaling. Bodemdaling door gaswinning betreft diepe, gelijkmatige bodemdaling. De Commissie Bodemdaling heeft inderdaad in geen enkel bij haar gemeld geval geconstateerd dat de gebouwschade is veroorzaakt door diepe bodemdaling als gevolg van de gaswinning. De NCG spant zich in om meer duidelijkheid te verschaffen over schade als gevolg van bodemdaling die mogelijk gerelateerd is aan de gaswinning. In het meerjarenprogramma is hiertoe een onderzoek opgenomen naar de oorzaken van de hoge percentages schadegevallen die gelokaliseerd zijn aan de randen van het aardbevingsgebied.

De leden van de PvdD-fractie wezen erop dat het amendement van de leden Jan Vos en Ouwehand ziet op alle mijnbouwschade en gaven aan dat zij het niet vanzelfsprekend vinden dat het bewijsvermoeden niet geldt voor schade die niet als mijnbouwschade wordt erkend. Zoals de Afdeling advisering van de Raad van State in haar voorlichting aangeeft, is voor een bewijsvermoeden een dragende motivering nodig, nu het gaat om een wettelijke afwijking van de hoofdregel «wie stelt, bewijst», die doorwerkt in de procesposities van private partijen. Het feit dat sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, waarvan vaststaat dat verreweg het merendeel aan één oorzaak moet worden toegeschreven, is doorslaggevend voor een dragende motivering en een evenredige situatie. Is daarvan geen sprake, maar is de toedracht van de schade ongewis, dan ligt een wettelijk bewijsvermoeden niet voor de hand. Het is dan in de eerste plaats aan degene die schade lijdt, om aannemelijk te maken ten gevolge waarvan zijn schade is ontstaan. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen hierover is opgenomen in de beantwoording in paragraaf I.1 van de vraag van de PvdA-fractie naar het gebied waarvoor het bewijsvermoeden geldt.

De leden van fractie van de PvdD vroegen naar de reikwijdte van de novelle, de motivering van het amendement en de voorlichting van de Raad van State, in relatie tot jurisprudentie en buitenlandse wetgeving. De regering beoogt de bewijspositie van benadeelden te versterken, zonder tot een onevenredige situatie te komen. Dit heeft geleid tot de novelle waarin, mede gelet op de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State, een afgebakend bewijsvermoeden wordt voorgesteld dat recht doet aan de situatie in Groningen, maar niet tot onevenredige lasten leidt voor mijnbouwexploitanten in heel Nederland. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording in paragraaf I.1 van de vraag van de PvdA-fractie naar het gebied waarvoor het bewijsvermoeden geldt.

Bij het verzoek om voorlichting is aan de Afdeling advisering van de Raad van State een aantal vragen voorgelegd betreffende het amendement Vos/Ouwehand. Die vragen hadden met name betrekking op de betekenis van het amendement in het licht van het bestaande aansprakelijkheidsregime en op de gevolgen voor de bewijslastverdeling. Het is aan de Raad van State om te bepalen welke aspecten in haar voorlichting bijzondere aandacht behoeven. In de nota naar aanleiding van het verslag over de huidige Mijnbouwwet (Kamerstukken II 1998/99, 26 219, nr. 7) heeft mijn ambtsvoorganger destijds ten aanzien van de wetgeving in omringende landen aangegeven dat ook de rechtsstelsels in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk, net als het Nederlandse stelsel uitgaan van een wettelijke risicoaansprakelijkheid. Daarbij werd aangetekend dat het thans geldende stelsel in meerdere opzichten verder gaat dan zowel andere risicoaansprakelijkheden die wij in ons land kennen, als de regelingen in de genoemde landen. Wat betreft het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht werd vastgesteld dat artikel 177 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek verder gaat dan het merendeel van de risicoaansprakelijkheden die in het Burgerlijk Wetboek zijn te vinden (afdelingen 6.3.2 en 6.3.3 BW). Bij deze andere aansprakelijkheden dient eiser aan te tonen dat zijn schade het gevolg is van een gebrek. Deze eis wordt door artikel 177 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek niet gesteld: de gebrekkigheid van het mijnbouwwerk is in geen enkel opzicht van belang voor de aansprakelijkheid. Bovendien kan slechts een beroep op artikel 178 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek gedaagde van aansprakelijkheid ontheffen. Aansprakelijkheid is dus alleen niet aan de orde in de in de wet limitatief omschreven, en uitzonderlijk te noemen, gevallen. Aangegeven werd dat dit anders is dan in Frankrijk, waar de exploitant een algemeen beroep op overmacht ter beschikking staat. Voorts is in Oostenrijk de exploitant van een mijnbouwwerk van aansprakelijkheid ontheven als hij kan aantonen dat hij alle maatregelen heeft genomen die mogelijk zijn om schade te voorkomen. Voor wat betreft het al dan niet hanteren van een bewijsvermoeden werd aangegeven dat in Oostenrijk en Frankrijk de bewijslast met betrekking tot het oorzakelijke verband onverkort op de eiser rust en dat in die landen geen voorziening zoals de Technische commissie bodembeweging bestaat. In mijn brief van 20 april 2015 ben ik ingegaan op de situatie in Duitsland. In Duitsland geldt een weerlegbaar vermoeden ten aanzien van het verband tussen de mijnbouwactiviteiten en de schade. Indien de benadeelde aannemelijk maakt dat schade is opgetreden in een mijnbouwgebied, is veroorzaakt door bodembeweging en naar haar aard mijnbouwschade is, wordt, behoudens tegenbewijs, aangenomen dat de schade is veroorzaakt door de mijnbouwactiviteiten. Anders dan in de novelle wordt voorgesteld, moet in Duitsland dus door de benadeelde aannemelijk worden gemaakt dat de schade het gevolg is van bodembeweging, voordat een beroep kan worden gedaan op het bewijsvermoeden.

Voor wat betreft de Nederlandse jurisprudentie verwijzen de leden van de PvdD-fractie naar het arrest «Kasteel Strythagen» uit 1920 (Hoge Raad 21 december 1920, NJ 1921/230). Dat arrest betrof de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van exploitatie van een steenkolenmijn. Destijds gold daarvoor geen risicoaansprakelijkheid en moest dus sprake zijn van schuld van de exploitant om te komen tot aansprakelijkheid. Ten aanzien van die schuld heeft de Hoge Raad in het Strythagen-arrest een rechterlijk vermoeden gehanteerd. Thans geldt de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:177 BW en is bewijs van schuld niet meer vereist. Bovendien gaat het bij het nu voorliggende bewijsvermoeden niet om een rechterlijk vermoeden, maar om een wettelijke afwijking van de hoofdregel «wie stelt, bewijst», in combinatie met de bestaande risicoaansprakelijkheid.

De leden van de PvdD-fractie vroegen of het bewijsvermoeden van toepassing is op reeds bekende schadegevallen. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de SP-fractie in paragraaf I.1.

Deze leden stelden voor om uit te gaan van het voorzorgsbeginsel en het bewijsvermoeden te laten gelden voor gebieden waar mijnbouweffecten niet uitgesloten kunnen worden. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen hierover is opgenomen in de beantwoording in paragraaf I.1 van de vraag van de PvdA-fractie naar het gebied waarvoor het bewijsvermoeden geldt en van de vraag van de PvdD-fractie over het in eerste instantie neerleggen van de tijd, moeite en kosten bij de benadeelde.

De leden van de PvdD-fractie vroegen of het parlement zal worden betrokken bij de afbakening van het effectgebied bij mijnbouwactiviteiten. Het is niet gebruikelijk dat het parlement wordt betrokken bij de totstandkoming van ministeriële regelingen en eventuele wijziging daarvan. In de bij de novelle behorende memorie van toelichting is aangegeven wat de uitgangspunten zullen zijn voor het vaststellen van het effectgebied. Het effectgebied zal worden vastgesteld op basis van wetenschappelijke informatie. Wanneer de ministeriële regeling is vastgesteld zal ik uw Kamer daarover informeren.

2.2 Artikel 6:177a, tweede lid

De leden van de fractie van de SP vroegen naar de voorwaarden uit het tweede lid van het voorgestelde artikel 6:177a. In het voorgestelde tweede lid is bepaald dat de benadeelde zich kan beroepen op het bewijsvermoeden, indien hij de exploitant op diens verzoek de relevante bescheiden waarover hij beschikt betreffende het gebouw of werk ter inzage geeft. In het amendement was opgenomen dat de eigenaar inzage moet geven in de vergunningen. In de novelle is gekozen voor de meer algemene term «relevante bescheiden», omdat andere bescheiden dan vergunningen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de schade. In veel gevallen zal een eigenaar bijvoorbeeld beschikken over een taxatierapport of een rapport van een bouwkundige keuring, dat inzicht kan geven in de bouwkundige eigenschappen van het schade-object. In de novelle is voorts opgenomen dat de benadeelde de exploitant genoegzaam in de gelegenheid moet stellen om de schade te onderzoeken. Wanneer hieraan is voldaan, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om het bieden van een redelijke gelegenheid om de schade te onderzoeken. Dat wil zeggen dat de exploitant wel voldoende kans krijgt zijn verweer te onderbouwen, maar dat geen onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de belangen van de benadeelde.

De leden van de SP-fractie vroegen ook waar gedupeerden terecht kunnen met een dispuut over het verlenen van medewerking. De hierboven beschreven voorwaarden zijn voorwaarden voor het van toepassing zijn van het bewijsvermoeden. Indien partijen het er niet over eens zijn of voldoende medewerking is verleend, zal uiteindelijk de rechter moeten beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden voor het toepassen van het bewijsvermoeden.

De leden van de SP-fractie vroegen op welke wijze de Kamer wordt betrokken bij de totstandkoming van de ministeriële regeling van het effectengebied. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar een antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de PvdD-fractie in de voorgaande paragraaf.

Dezelfde leden vroegen op welke wijze onafhankelijk advies wordt ingewonnen over de omvang van het effectgebied. Het effectgebied zal worden bepaald op basis van de prognoses over bodembeweging die zijn opgenomen in het winningsplan en geverifieerd worden door SodM, TNO en KNMI.

2.3 Artikel 6:177a, derde lid

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe het afbakenen van de contouren in de praktijk gaat werken en hoe wordt voorkomen dat er onenigheid ontstaat over de contouren. Het effectgebied zal op basis van de bij TNO, KNMI en SodM beschikbare kennis en inzichten bij ministeriële regeling worden vastgesteld door middel van een kaartje. Op deze manier wordt op basis van objectieve informatie gekomen tot een helder afgebakend gebied en is voor iedereen inzichtelijk waar het bewijsvermoeden wel en niet geldt.

De leden van de VVD-fractie vroegen naar het voorkomen van discussies over schade bij gevallen die eerst binnen en later buiten het effectgebied vallen. Omwille van de rechtszekerheid geldt voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden het effectgebied zoals dat was vastgesteld op het moment waarop de benadeelde met de schade bekend is geworden. Daardoor is voor betrokkenen vanaf het moment dat de schade bekend wordt duidelijk of het bewijsvermoeden al dan niet van toepassing is.

De leden van de fractie van D66 vroegen naar schadegevallen die net buiten de contouren vallen. Dat alleen binnen de grenzen van het effectgebied het bewijsvermoeden geldt, houdt in dat buiten dat gebied niet wordt uitgegaan van het wettelijke vermoeden dat zich voordoende fysieke schade aan gebouwen en werken het gevolg is van bodembeweging door de gaswinning, maar wel de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:177 BW geldt. Naarmate de locatie waar zich de schade heeft voorgedaan dichter bij het effectgebied ligt, zal een benadeelde wellicht eerder aannemelijk kunnen maken dat de schade het gevolg is van bodembeweging door de gaswinning dan wanneer de locatie verderaf is gelegen. Het staat de rechter voorts vrij om te beoordelen of er aanleiding is voor een rechterlijk bewijsvermoeden, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval. Verder is van belang dat een wijziging van het vastgestelde effectgebied geen gevolgen heeft voor de toepassing van het bewijsvermoeden op schades die reeds voor de wijziging bekend waren.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de ministeriële regeling waarin het effectgebied wordt vastgesteld reeds in voorbereiding is en of deze regeling aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de PvdD-fractie in paragraaf 2.1.

De leden van de fractie van D66 vroegen of het bewijsvermoeden in andere landen ook tot één gebied en één mijnbouwactiviteit zijn beperkt. Bij de beantwoording van een vraag van de PvdD-fractie over buitenlandse wetgeving ben ik ingegaan op de situatie in Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk. Alleen in Duitsland geldt een bewijsvermoeden. Dit bewijsvermoeden is beperkt tot het effectgebied van ondergrondse opsporing en winning. In de juridische literatuur wordt verondersteld dat mijnbouw door middel van boorgaten, zoals gaswinning, daar niet onder valt. De wet daarover echter geen duidelijkheid. Naar mijn meest actuele informatie in men in Duitsland daarom bezig met een wetsvoorstel dat het bewijsvermoeden expliciet uitbreidt tot schade binnen het effectgebied van mijnbouwactiviteiten via boorgaten, waardoor ook gaswinning onder het bewijsvermoeden zou gaan vallen.

De leden van de fractie van D66 vroegen of de reikwijdte van het bewijsvermoeden tot rechtsongelijkheid zal leiden. Van rechtsongelijkheid is sprake als mensen in gelijke gevallen ongelijk behandeld worden. In de beantwoording van de vraag van de PvdA-fractie over de reikwijdte van het bewijsvermoeden in paragraaf I.1 ben ik ingegaan op de motivering van de beperking tot het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld. In dit gebied is sprake van een bijzondere situatie, die zich daarbuiten niet voordoet. Dat maakt dat er geen sprake is van gelijke gevallen en dat het onevenredig zou zijn om de behandeling voor gevallen binnen het gebied ook toe te passen op gevallen buiten het gebied.

De leden van de D66-fractie vroegen op welke manier het effectgebied wordt gedefinieerd. De vaststelling van het effectgebied dient om de grenzen te bepalen waarbinnen het bewijsvermoeden zal gelden. De basis voor deze vaststelling zal zijn gelegen in objectieve wetenschappelijke informatie. Omdat de kennis over de ondergrond en aardbevingen en de gevolgen daarvan voortdurend in ontwikkeling is, is de verwachting dat het voortschrijden van de beschikbare kennis aanleiding kan geven tot aanpassing van het vastgestelde effectgebied. Daarom wordt er, ten behoeve van de flexibiliteit, voor gekozen het effectgebied vast te leggen in een ministeriële regeling die kan worden aangepast aan de voortschrijdende kennis, inzichten en ervaringen indien daartoe aanleiding is.

De leden van de D66-fractie vroegen naar de afweging ten aanzien van de situatie bij wijziging van het effectgebied. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een vraag van de leden van de VVD-fractie over wijziging van het effectgebied eerder in deze paragraaf. Uitgegaan wordt van het effectgebied zoals dat was vastgesteld op het moment van bekend worden van de schade. Indien de locatie van de schade op dat moment buiten het effectgebied ligt, dan geldt het bewijsvermoeden niet, maar wel de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:177 BW. Indien het vastgestelde effectgebied daarna zodanig wordt vastgesteld dat het wel de locatie van de schade omvat, dan kan de rechter daar in een lopende procedure bij de bewijslastverdeling rekening mee houden op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De leden van de fractie van D66 vroegen naar het begrip «werken». Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een soortgelijke vraag van de leden van de CDA-fractie in paragraaf I.2. Bruggen en dijken zullen naar hun aard normaliter vallen onder het begrip werken zoals dat is opgenomen in de novelle.

Deze leden vroegen ook naar de bescherming van de privacy van benadeelden in verband met het geven van inzage in bescheiden. De bescheiden waarin inzage moet worden gegeven zullen met name betrekking hebben op de eigenschappen van het gebouw of werk waaraan schade is ontstaan. Voor zover die bescheiden privacygevoelige gegevens bevatten die niet relevant zijn voor de beoordeling van de schade, zal de inzage in die specifieke gegevens achterwege kunnen blijven, bijvoorbeeld door de desbetreffende gegevens bij inzage onzichtbaar te maken.

De leden van de D66-fractie vroegen of artikel 177 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ook schade door bodemdaling en zettingsschade omvat. Het genoemde artikel is van toepassing op alle schade die ontstaat door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. Dit omvat ook schade door bodemdaling en zettingsschade, voor zover die schade het gevolg is van mijnbouwactiviteiten.

De leden van de fractie van GroenLinks vroegen hoe de afbakening van het effectgebied zich verhoudt tot de door NAM gehanteerde contourenkaart waarover in het verweerschrift van 12 juni 2015 in verband met de procedure Gaswinning Groningenveld bij de Raad van State opmerkingen zijn gemaakt. Er is geen relatie tussen de contourenkaart van NAM en het vast te stellen effectgebied. De contourenkaart waar deze leden naar verwijzen, betreft het door NAM aangeduide gebied waarbinnen het waarschijnlijk is dat de kracht van de aardbevingen (die tot nu toe zijn gemeten) schade kan veroorzaken of veroorzaakt heeft. Buiten die contouren wordt de kans op schade aan gebouwen minimaal geacht. NAM heeft aangegeven deze contourenkaart in de toekomst niet meer te willen hanteren bij de afhandeling van schade. Voor de wijze waarop met de bewijslast bij schade wordt omgegaan, is de vaststelling van het effectgebied van het Groningenveld relevant. Zoals in de hierboven gegeven antwoorden op vragen van leden van andere fracties is aangegeven, betreft het effectgebied van het Groningenveld het gebied waar in geval van schade het bewijsvermoeden geldt. Voor schadegevallen in andere gebieden dan het effectgebied geldt het bewijsvermoeden niet, maar wel de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:177 BW.

Voor een reactie op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks naar de uitvoering van de motie van het lid Agnes Mulder c.s. waarmee de regering wordt verzocht om voor iedereen met schade door gaswinning in Groningen de compensatie- en verduurzamingsregelingen uit het meerjarenprogramma en eenzelfde schadeafhandeling beschikbaar te stellen, wordt verwezen naar de brief van 24 februari 2016 (Kamerstukken II 2015/16, 33 529, nr. 244). In die brief is aangegeven dat de beraadslaging over de uitvoering van deze motie zal plaatsvinden in het kader van de voorjaarsnota.

De leden van de fractie van Groen Links vroegen naar de kans op rechtsongelijkheid. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een soortgelijke vraag van de D66-fractie in deze paragraaf.

De leden van PvdD-fractie vroegen naar de bereidheid om een breder schadebegrip te hanteren in de novelle. Voor de motivering van het in de novelle voorgestelde schadebegrip verwijs ik naar de beantwoording van een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie in paragraaf I.2. Daarbij merk ik op dat het beperken van de novelle tot dit schadebegrip, niet betekent dat andere schade niet wordt erkend. Voor deze andere vormen van schade geldt het bewijsvermoeden niet, maar wel de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:177 BW.

Wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen) (TK 34 348)

I. ALGEMEEN

Het grootschalig onderzoek naar de mogelijke na-ijlende effecten van de vroegere steenkolenwinning in Limburg en stijgend mijnwater, waar de leden van de CDA-fractie naar vroegen, wordt uitgevoerd door het Duitse Ingenieurbüro Heitfeld-Schetelig Gmbh (IHS). In het technisch onderzoek van IHS komen de volgende deelonderwerpen aan de orde: bodemstijging, vervuiling van grondwater, stijging van grondwater, het vrijkomen van mijngas en lichte aardbevingen. Twee andere onderwerpen die worden onderzocht zijn verzakkingen bij oude schachten en verzakkingen boven ondiepe winningen. Dit onderzoek zal naar verwachting medio 2016 worden afgerond.

De leden van de fractie van het CDA vroegen naar het rechtsvergelijkend onderzoek naar de behandeling en verjaring van mijnbouwschade in onze buurlanden. Het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law doet een (rechts-)vergelijkend onderzoek naar de vigerende algemene en specifieke wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan in Nederland, België en Duitsland met betrekking tot vergoeding van schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten, in het bijzonder ten aanzien van schade aan onroerende goederen van particulieren als gevolg van de vroegere steenkolenwinning. In dat onderzoek wordt ook ingegaan op de (verschillen in grondslagen voor de) verjaringsregeling en de jurisprudentie daarover. Het onderzoek is bijna afgerond en zal komende maand met een begeleidende brief naar de Kamer worden gestuurd.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de reden waarom in het voorliggende wetsvoorstel geen aandacht is besteed aan de verjaringstermijnen.

De verjaringsregeling in het Burgerlijk Wetboek kent verschillende termijnen voor verjaring van rechtsvorderingen tot vergoeding van schade en weerspiegelt de afweging van belangen tussen enerzijds degene die door activiteiten van een ander schade heeft geleden en daarvoor compensatie wil en anderzijds de rechtszekerheid van degene die daarvoor wordt aangesproken en diens mogelijkheid om zich adequaat tegen de vordering tot vergoeding van de schade te kunnen verweren.

Bij mijnbouw kunnen zich gevallen voordoen waarin schade als gevolg van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten zich pas langere tijd nadat deze activiteit heeft plaatsgehad manifesteert. Hetzelfde kan zich voordoen bij schade die is veroorzaakt door bodem-, water- of luchtverontreiniging of door het gebruik van gevaarlijke stoffen. Voor al deze gevallen is in het Burgerlijk Wetboek het sluipende karakter van dergelijke schade in een langere verjaringstermijn verdisconteerd en verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van de schade pas door verloop van dertig jaar na de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt. Of het in een concreet geval redelijk en billijk is als met een beroep op verjaring een vordering wordt afgewezen, staat ter beoordeling van de rechter die bij zijn oordeel alle bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking zal nemen. Zoals in het antwoord op een vorige vraag van de leden van de CDA-fractie is aangegeven, gaat het

(rechts-)vergelijkend onderzoek van het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law ook in op (mogelijke verschillen in grondslagen voor) verjaringsregelingen in Nederland, Duitsland en België. Vooralsnog is er geen reden om gelet op het belang van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid de afgewogen uniforme en integrale verjaringsregeling in het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek en de specifieke regeling daarin voor mijnbouwactiviteiten te doorbreken. Zie hieromtrent ook mijn brief van 18 januari 2016 (Kamerstukken II 2015/16, 32 849, nr. 45).

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de noodzaak om NAM financiële zekerheid te vragen, bijvoorbeeld in de vorm van een fonds, voor het geval in Groningen schade optreedt lang nadat daar de mijnbouwactiviteiten zijn gestaakt. Ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade die naar redelijke schatting ontstaat door beweging van de aardbodem als gevolg van het winnen van delfstoffen kan op basis van artikel 46 van de Mijnbouwwet van de vergunninghouder worden verlangd dat deze financiële zekerheid stelt. Hiervan zal gebruik (dienen te) worden gemaakt indien twijfel bestaat of de financiële capaciteit van de vergunninghouder voldoende is om de schade te vergoeden die door zijn mijnbouwactiviteiten is veroorzaakt. De financiële positie van NAM als houder van de winningsvergunning Groningen en meer nog in het bijzonder die van haar aandeelhouders Shell en ExxonMobil geeft vooralsnog geen aanleiding financiële zekerheden te verlangen. Ook na beëindiging van de winning in Groningen blijft NAM aansprakelijk voor en is zij gehouden tot vergoeding van schade die door de winning is ontstaan. Indien er op enig moment reden zou zijn om te veronderstellen dat NAM in een situatie zou kunnen komen te verkeren dat zij niet meer in staat zou zijn om aan haar financiële verplichtingen te voldoen, dan zal dat reden kunnen zijn om alsnog aanvullende financiële zekerheid te verlangen.

De leden van de fractie van de PvdD vroegen waarom het verbod op schaliegaswinning en winning onder de Waddenzee niet in het wetsvoorstel zijn opgenomen.

De Mijnbouwwet biedt een kader om aanvragen voor een opsporings- of winningsvergunning of een verzoek tot instemming met een winningsplan te kunnen beoordelen. Daartoe zijn er in de wet weigerings- en toetsingsgronden opgenomen. Wat betreft de winning van schaliegas heb ik in mijn brief van 10 juli 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 33 952, nr. 32) aangegeven dat er nog vragen en onduidelijkheden zijn over commerciële schaliegaswinning in Nederland. Ik wil hierover eerst meer duidelijkheid verkrijgen. Op basis van dit nadere onderzoek, waarbij ook wetenschappelijke boringen mogelijk zijn, zal er een besluit genomen worden over de winning van schaliegas in Nederland. Tot die tijd zal ik geen vergunningen afgeven gericht op de commerciële opsporing- of winning van schaliegas.

De winning van gas onder de Waddenzee is niet verboden. Wel zijn er afspraken gemaakt over winning onder de Waddenzee. Wanneer er op een later moment alsnog wordt besloten tot een verbod op de winning van schaliegas of tot winning onder de Waddenzee, dan biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid om aanvragen voor opsporings- of winningsvergunningen gericht op de opsporing of winning van schaliegas of de winning onder de Waddenzee af te wijzen of hieraan nadere voorschriften of beperking te verbinden.

De leden van de fractie van de PvdD vroegen hoe de Mijnbouwwet de omslag naar duurzame energie faciliteert. De Mijnbouwwet geeft regels en voorschriften voor de opsporing en winning van delfstoffen en aardwarmte. De Mijnbouwwet is niet specifiek geschreven met het oog op de transitie naar duurzame energie. Wel biedt de Mijnbouwwet een kader om aanvragen voor een opsporings- of winningsvergunning te kunnen beoordelen. Daartoe zijn er in de wet en ook in voorliggend wetsvoorstel weigerings- en toetsingsgronden opgenomen. Zo kunnen er bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het gebruik van opsporings- of winningsinstallaties in bepaalde gebieden of kunnen er ondergrondse beperkingen ten aanzien van bepaalde activiteiten of delfstoffen worden opgenomen.

Wanneer bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat een bepaalde delfstof niet meer mag worden gewonnen in Nederland, kunnen aanvragen gericht op de opsporing of winning van deze delfstof worden afgewezen.

1. Doel en aanleiding

De leden van de PvdA-fractie vroegen of op basis van het wetsvoorstel de gaswinning kan worden ingeperkt als er door de overgang op duurzame energiebronnen, de productie van gas onnodig en onwenselijk is geworden. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PvdD in de voorgaande paragraaf. Ik zie hier nu nog geen aanleiding voor. De komende tientallen jaren zullen wij gas bij de omslag naar duurzame energie zeker nog nodig hebben.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of artikel 82 van de Mijnbouwwet zodanig kan worden gewijzigd dat de overheid in plaats van in de winning van aardgas met vergelijkbare bedragen gaat investeren in duurzame energie en hoe de rol van EBN hierin kan worden versterkt. Anders dan deze leden lijken te suggereren, investeert de overheid zelf niet direct in de opsporing en winning van aardas, evenmin als zij dat zal doen in de winning van duurzame energie. Het zijn private mijnbouwondernemingen die initiatieven nemen om te investeren in mijnbouwactiviteiten. Op grond van artikel 82, eerste lid, van de Mijnbouwwet hoort het tot de taak van EBN om deel te nemen in de opsporing en winning van aardolie en aardgas in Nederland en op het Nederlands deel van het continentaal plat. EBN dient daartoe overeenkomsten van samenwerking te sluiten met de desbetreffende vergunninghouders, die investeren in deze mijnbouwactiviteiten. Op basis daarvan deelt EBN voor 40% in de kosten en de opbrengsten. Zolang er in Nederland nog aardolie en aardgas wordt opgespoord en gewonnen zie ik, gelet op het belang van de leverings- en voorzieningszekerheid, de beperking van de importafhankelijkheid en de opbrengsten voor de Nederlandse staat, geen reden om de positie en de betrokkenheid van EBN te herzien.

Het deelnemen van EBN in de winning van duurzame energie maakt op dit moment geen deel uit van de taken van EBN. Het Ministerie van Economische Zaken voert wel een verkenning uit naar een mogelijke rol van EBN in de ontwikkeling van geothermie als duurzame energiebron. Eventuele uitkomsten van deze verkenning kunnen worden opgenomen in de beleidsagenda Energie die naar aanleiding van de Energiedialoog wordt opgesteld.

De leden van de PvdA-fractie vroegen hoe het wetsvoorstel de omslag naar duurzame energie ondersteunt. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de PvdD in de voorgaande paragraaf.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of het, gelet op de uitfasering van fossiele energie, wenselijk is om kwetsbare gebieden nu al uit te sluiten als potentieel wingebied. Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gebieden geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de opsporing of winning van een delfstoffen of aardwarmte met behulp van opsporings- of winningsinstallaties. In het kader van de te ontwikkelen Structuurvisie voor de Ondergrond wordt gesproken over de noodzaak om bepaalde gebieden uit te sluiten van bepaalde ontwikkelingen. Of het ook nodig is om gebieden helemaal uit te sluiten van bijvoorbeeld gaswinning of dat er – net als nu onder de Waddenzee – onder strikte voorwaarden toch gas kan worden gewonnen onder deze gebieden wordt in deze discussie meegenomen. Vanuit het oogpunt van de uitfasering van fossiele energie is er op dit moment nog geen reden om de winning van gas in Nederland in bepaalde gebieden nu al te staken. Bij de transitie naar duurzame energie zal de komende jaren nog veel gas nodig zijn.

De leden van de PvdA-fractie voegen of het niet wenselijk zou zijn de winning van gas uit velden met een hogere concentratie CO2 uit te sluiten van ontginning. Ik zie geen aanleiding om het winning van gas met een hoger CO2 gehalte op voorhand te verbieden. Gas met een te hoog CO2 gehalte kan niet worden ingevoed op het landelijke gasnet van GTS. Wel zijn er experimenten om het CO2 te scheiden en terug te voeren in het reservoir. Onder omstandigheden is dit economisch haalbaar, maar over het algemeen is CO2 houdend gas minder lucratief. De verbrandingswaarde is lager en er zijn vaak extra kosten aan verbonden. Velden met een hoog CO2 gehalte worden daarom meestal niet ontwikkeld.

De leden van de fractie van de SP wilden meer duidelijkheid krijgen over de wijze waarop de Structuurvisie ondergrond haar uitwerking zal gaan hebben op voorliggende wetsvoorstel. Zij vroegen waar de uitvoeringsregeling uit gaat bestaan en wanneer deze wetgeving wordt ingevoerd. De ontwerpstructuurvisie ondergrond zal aan uw Kamer worden toegezonden. Na vaststelling mag niet eerder worden aangevangen met de verwezenlijking dan nadat de Staten-Generaal in de gelegenheid is gesteld hierover te beraadslagen (artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening). Elementen uit de structuurvisie kunnen daarom niet nu al worden opgenomen in het wetsvoorstel. Bovendien kan de structuurvisie later worden aangepast en zou de wet daar dan weer op moeten worden aangepast. Er is daarom in het wetsvoorstel voorgesteld dat bij algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet ruimtelijke ordening ruimtelijke afwegingen en beperkingen kunnen worden opgenomen en dat ondergrondse beperkingen of beperkingen ten aanzien van bepaalde activiteiten of delfstoffen kunnen worden opgenomen in het Mijnbouwbesluit. Op basis van het wetsvoorstel kan hier dan bij de beoordeling van een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning rekening mee worden gehouden. De genoemde AMvB’s zullen worden opgesteld wanneer er meer duidelijkheid is over de Structuurvisie ondergrond.

De leden van de SP-fractie vroegen of het klopt dat de voorbereidingen van de Structuurvisie ondergrond er toe leiden dat de opsporings- en winningsplannen waarop nog niet is beslist, wachten op de vaststelling van deze structuurvisie.

Zoals aangegeven in mijn brief van 25 april 2015 (Kamerstukken II, 34 041, nr. 39) worden aanvragen voor opsporings- of winningsvergunningen voor koolwaterstoffen op land aangehouden totdat het onderhavige wetsvoorstel in werking is getreden.

In het wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen om een aanvraag voor een opsporings-of winningsvergunning aan te houden wanneer de aanvraag betrekking heeft op een gebied waarvoor een structuurvisie met betrekking tot mijnbouwactiviteiten wordt gemaakt of waarvoor in een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet ruimtelijk ordening regels zijn gesteld in verband met de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte met behulp van een opsporings- of winningsinstallatie. Na het inwerking treden van het onderhavige wetsvoorstel kunnen aanvragen voor opsporings- of winningsvergunningen dus worden aangehouden totdat de Structuurvisie ondergrond of eventuele daarop te baseren algemene maatregelen van bestuur zijn vastgesteld.

De leden van de CDA-fractie vroegen welke wijzigingen van het wetsvoorstel mede betrekking hebben op fracken. Voor stimulatietechnieken als hydrofracturatie zijn met name de weigeringsgronden onder het voorgestelde artikel 9, eerste lid, onderdeel b (de manier waarop de aanvrager voornemens is activiteiten te verrichten) en artikel 9, eerste lid, onderdeel e, (ruimtelijke beperkingen en ondergrondse beperkingen ten aanzien van bepaalde activiteiten of delfstoffen) relevant. Op grond van deze bepalingen kan indien daartoe aanleiding is een aanvraag worden geweigerd of hieraan nadere beperkingen worden verbonden (artikel 13) indien de aanvrager bepaalde technieken, zoals grootschalige hydrofracturering, wil gebruiken. Daarnaast kunnen op grond van deze bepalingen bepaalde gebieden worden uitgesloten van de opsporing of winning van delfstoffen met behulp van een opsporings- of winningsinstallatie of kunnen gebieden geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten van een soort activiteit of de winning van bepaalde delfstoffen. Deze toetsingsgronden komen ook terug in artikel 13 (beperkingen of voorschriften), artikel 18, (wijzigen) en artikel 21 (intrekken).

Voor winningsplannen wordt in artikel 35, eerste lid, onderdeel f, opgenomen dat er in het winningsplan ook moet worden ingegaan op bodembeweging als gevolg van met de winning verbonden activiteiten, waarbij vooral aan fracken moet worden gedacht.

De leden van de fractie van het CDA vroegen of bij de Structuurvisie ondergrond en bij de verlening van vergunningen rekening wordt gehouden met aardbevingen als gevolg van fracken of injecteren bij breuken. In de Structuurvisie ondergrond kan op regionale schaal inzicht worden gegeven in de gebieden waarvan bekend is dat er breuken aanwezig zijn die mogelijk gevoeliger zijn voor fracken of injecteren. Het opnemen van deze gebieden in de Structuurvisie ondergrond draagt bij aan transparantie en verwachtingen en kan aanleiding zijn om voorschriften en de beperkingen op te nemen bij vergunningverlening. Overigens geldt ook in andere gebieden dat voor zowel fracken als waterinjectie in alle gevallen een lokale risico-analyse moet worden uitgevoerd, die getoetst wordt door SodM. Op basis van deze analyse kunnen voorwaarden of aanpassingen in het werkprogramma en het op grond van de Arbowet en de Mijnbouwwet vereiste Veiligheids- en gezondheidsdocument worden opgelegd.

Ingevolge het wetsvoorstel wordt bij de vergunningverlening op grond van de Mijnbouwwet een aanvraag ook beoordeeld op de gebruikte technieken. Hieronder valt ook fracken. In verband met fracken kunnen vervolgens aan de vergunningen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Dit geldt ook voor instemmingsbesluiten met winningsplannen. Op grond van het wetsvoorstel moeten de effecten van aan de winning verbonden activiteiten, zoals fracken, in het winningsplan worden opgenomen. Wanneer de veiligheid van omwonenden in het geding is of om ernstige schade aan gebouwen of werken te voorkomen kan de instemming met het winningsplan worden onthouden, of kunnen er beperkingen of voorschriften aan de instemming met het winningsplan worden verbonden.

De leden van de fractie van het CDA vroegen nog op welke wijze de systematiek rond fracken van toepassing is voor offshore mijnbouwactiviteiten.

De voor fracking relevante wijzigingen van de Mijnbouwwet gelden grotendeels ook voor offshore mijnbouwactiviteiten. Tot 12 internationale zeemijlen (22,22 kilometer) uit de kust gelden dezelfde toetsingsgronden als op land. Daarbuiten, dus op het continentale plat, is een deel van de toetsingsgronden van toepassing. Zo gelden de weigeringsgronden onder artikel 9, eerste lid, onderdeel b (de manier waarop de aanvrager voornemens is activiteiten te verrichten) en artikel 9, eerste lid, onderdeel e, onder tweede 2de (ondergrondse beperkingen ten aanzien van bepaalde activiteiten of delfstoffen) ook het continentale plat. Omdat schade door bodembeweging op open zee niet voor de hand ligt geldt de aanvulling van artikel 35, eerste lid, onderdeel f, niet bij winning op het continentaal plat.

De leden van de D66-fractie vroegen hoe de verschillende weigeringsgronden die eerder in een amendement waren opgenomen, tot uiting komen in het voorliggende wetsvoorstel en waarom de voorliggende systematiek de voorkeur geniet.

In het amendement zijn vier weigeringsgronden opgenomen: risico voor het milieu, schade door bodembeweging, de veiligheid of de volksgezondheid.

Zoals in de voorlichting van de afdeling advisering van de Raad van State (Kamerstukken I 2015/16, 34 041, nr. C, bijlage, blz. 18) en het advies van de afdeling advisering van de Raad van State (Kamerstukken II 2015/16, 34 348, nr. 4, blz. 2) is verwoordt, betekent het amendement dat in alle fasen van vergunningverlening van mijnbouwactiviteiten, grofweg hetzelfde toetsingskader wordt gehanteerd. Dit geldt zowel voor de uitvoering van de Mijnbouwwet als de uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, terwijl het doel, de strekking en reikwijdte van deze wetten een andere is. Al zijn de criteria gelijkluidend, de onderscheiden beoordelingsmomenten (opsporingsvergunning, winningsvergunning, omgevingsvergunning, winningsplan) vervullen steeds een andere functie en verschillen in betekenis en reikwijdte.

Daarom maakt het wetsvoorstel een onderscheid in criteria voor ieder van deze beoordelingsmomenten. De omgevingsvergunning heeft een eigen beoordelingskader in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en alle andere milieu, en ruimtelijke ordeningswetten (Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Waterwet, Wet bodembescherming etc.).

Van de weigeringsgronden die het amendement noemt komen de veiligheid en schade door bodembeweging terug in het wetsvoorstel. De veiligheid van omwonenden is opgenomen in artikel 9, eerste lid, onderdeel f, en in datzelfde lid is ook het voorkomen van schade opgenomen («het voorkomen van ernstige schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan»), waarbij schade in het wetsvoorstel niet beperkt is tot schade als gevolg van bodembeweging, maar ook andere vormen van schade als gevolg van de in de aanvraag vermelde activiteit.

De in het amendement opgenomen weigeringsgrond «nadelige gevolgen voor het milieu» is gelet op de aard van de opsporings- of winningsvergunning niet opgenomen als weigeringsgrond. Het gaat hier namelijk om een marktordeningsvergunning. De houder van deze vergunning krijgt de zekerheid dat anderen geen opsporings- of winningsactiviteiten mogen uitvoeren in het betreffende gebied en kan investeringen doen gericht op het onderzoek naar winbare delfstoffen. Voor het daadwerkelijk uitvoeren van opsporings- of winningsactiviteiten is een omgevingsvergunning nodig. Bij de omgevingsvergunning wordt gekeken naar de omgeving en de effecten op het milieu, waaronder de volksgezondheid. Met name bij de aanvraag van de opsporingsvergunning is het nog niet duidelijk waar er eventueel activiteiten zullen plaatsvinden. Toetsing aan een weigeringsgrond die betrekking heeft op milieueffecten of volksgezondheid is dan niet goed mogelijk en daarom niet zinvol.

De leden van de D66-fractie vroegen waarom de Mijnbouwwet niet voorschrijft dat de Minister een vergunning mag geven als voldaan wordt aan de voorwaarden. Zij vroegen naar het waarom van de gebruikte formuleringen en het effect, indien het wetsvoorstel zou uitgaan van een instemming van de Minister. In artikel 6 van de Mijnbouwwet is, zoals gebruikelijk bij vergunningstelsels, uitgegaan van een verbod behoudens vergunning. In het wetsvoorstel is in aanvulling op de huidige wet geregeld dat een vergunning ook gedeeltelijk kan worden geweigerd. Wanneer voor de beoordeling van een aanvraag zodanige eisen worden gesteld dat nog slechts in bijzondere gevallen een aanvraag om vergunning gehonoreerd zal worden, ligt het in de rede om in plaats van een vergunningstelsel uit te gaan van een ander systeem, zoals een toestemming, een ontheffing of een vrijstelling. Een stelsel met een aanvraag om instemming, zoals de leden voorstellen, ligt niet voor de hand. Bij een stelsel met instemming is de handeling als zodanig in beginsel toegestaan. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de instemming met een winningsplan. De aanvraag, zoals de aanvrager deze indient, is dan leidend. Een afwijkende beoordeling ligt dan niet zonder meer voor de hand en bemoeilijkt een eventuele weigering, al is het stellen van beperkingen en voorschriften in de bij de wet bepaalde gevallen mogelijk (zie bijvoorbeeld het in artikel I, onderdeel O van het wetsvoorstel voorgestelde artikel 36, tweede lid).

2. Veilige opsporing, winning en opslag

De leden van de CDA-fractie vroegen welke nieuwe inzichten het de regering heeft opgeleverd om te wachten op het Energierapport waar wat betreft de visie op het gasgebouw en het transparanter scheiden van verantwoordelijkheden daarin. In het Energierapport is opgenomen dat het kabinet het gebruik van aardgas, naarmate de transitieperiode vordert, steeds meer wil beperken tot die energiefuncties waar (nog) geen alternatief beschikbaar is. Zo zal het gebruik van aardgas in de warmtevoorziening van gebouwen en kassen in de komende decennia geleidelijk aan steeds verder worden verminderd. Zolang Nederland aardgas nodig heeft, draagt veilige gaswinning tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten in Nederland bij aan de onafhankelijkheid op het gebied van de energievoorziening. De structuur en werking van het gasgebouw zal op deze ontwikkeling moeten aansluiten.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de inzet voor de scheiding van het toezicht op veiligheid en het belang van winstmaximalisatie. Daarnaast vroegen deze leden naar de inzet van de regering bij de gesprekken met de partijen waarmee de Staat overeenkomsten heeft gesloten die ten grondslag liggen aan het gasgebouw. Allereerst wil ik benadrukken dat de besluitvorming rond de gaswinning in Groningen, waarover ik u afgelopen december per brief heb geïnformeerd (Kamerstukken II 2015/16, 33 529, nr. 212), is gebaseerd op de belangen van veiligheid enerzijds en leveringszekerheid anderzijds. Winstmaximalisatie speelt hierbij geen rol. Dat betekent niet dat er geen vervolgacties nodig zijn. Zoals ook in het Energierapport opgenomen, zal het kabinet hiertoe in overleg treden met de partijen waarmee de Staat de overeenkomsten heeft gesloten die ten grondslag liggen aan het gasgebouw. Ik streef ernaar de Kamer hierover rond de zomer nader te informeren.

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe veiligheid wordt gedefinieerd, welke instantie dat gaat doen en op welke manier het veiligheidsbelang bewezen moet worden. In het wetsvoorstel wordt het begrip veiligheid steeds gehanteerd in relatie tot omwonenden. Een wetenschappelijk en juridisch sluitende definitie van veiligheid is er niet. Bestuurlijk bezien is veiligheid synoniem aan een aanvaardbaar niveau van risico. Welk niveau dat is, wordt bepaald door de toepasselijke veiligheidsnormen en de mate waarin die worden nageleefd. In het geval van geïndiceerde aardbevingen heeft het kabinet op advies van de commissie Meijdam besloten dat het individuele aardbevingsrisico niet hoger mag zijn dan 10-5. Daarbij wordt dan rekening gehouden met de tijd die iemand binnenshuis en buitenshuis doorbrengt, met andere woorden het is niet slechts de norm voor de veiligheid van een gebouw maar houdt tevens rekening met het risico van vallende objecten. Het kabinet heeft ook het advies overgenomen om het zogenaamde maatschappelijk veiligheidsrisico te berekenen volgens een methode die gezamenlijk is ontwikkeld door de commissie-Meijdam en SodM, en waarmee in het Groningse aardbevingsgebied beter kan worden ingezoomd op gebouwen en locaties waar veel mensen tegelijk samenkomen.

SodM is de instantie die toeziet op de naleving van dit veiligheidsniveau, aan de hand van de genoemde normen en methoden.

De leden van de fractie van D66 vroegen waarom gezondheid van omwonenden niet als weigeringsgrond in het wetsvoorstel is opgenomen en of gezondheid via het veiligheidsbeginsel als weigeringsgrond kan gelden. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar het antwoord op vragen van de leden van de D66-fractie in paragraaf 1 naar de verschillende weigeringsgronden.

De leden van de fractie van D66 vroegen of winning op het continentaal plat tot veiligheidsproblemen voor inwoners op de Waddeneilanden kan leiden. Het is niet aannemelijk dat er als gevolg van winning op het continentaal plat veiligheidsproblemen kunnen ontstaan voor inwoners van de Waddeneilanden. Het continentaal plat begint 22,22 kilometer uit de kust. Deze afstand is meer dan voldoende om risico’s voor de veiligheid van kustbewoners uit te sluiten. Ook wat betreft bodemdaling of aardbevingen worden – mede gelet op de omvang van de winningen op zee – geen voelbare effecten verwacht op land.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen of gelet op het Klimaatakkoord in Parijs terughoudender zal worden omgegaan met het toestaan van nieuwe winningslocaties voor olie en gas en of bij het afgeven van vergunningen ook wordt gekeken naar energietransitie. Zoals eerder in antwoord op vragen van de fracties van de PvdD in paragraaf I hieromtrent is aangeven, is op dit moment geen aanleiding om nieuwe aanvragen gericht op de opsporing of winning van aardgas af te wijzen. Gas is een belangrijke transitiebrandstof. Bij de omslag naar duurzame energie zal gas naar verwachting de komende 30 jaar nog – in aflopende mate – nodig zijn. Het belang van het tegengaan van klimaatverandering is daarom geen afweging bij het afgeven van vergunningen voor de opsporing of winning van olie of gas. Het beleid van het kabinet is wel gericht op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen. In het energierapport zijn hiervoor – onderscheiden naar een aantal energiefuncties – scenario’s geschetst. Ook stimuleert de overheid via wetgeving en subsidies de productie van duurzame vormen van energie. Feit is echter dat ondanks alle inspanningen in Nederland, maar ook wereldwijd, de komende jaren fossiele brandstoffen nog een belangrijke rol zullen spelen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen naar de relatie tussen de Mijnbouwwet en de Structuurvisie ondergrond en hoe sturend deze structuurvisie wordt bij de beoordeling van vergunningen. Op basis van de Structuurvisie ondergrond kunnen – in voorkomende gevallen – vergunningen voor het oprichten en in werking hebben van mijnbouwinstallaties worden geweigerd. Deze vergunningen kunnen worden geweigerd wanneer er in de Structuurvisie een andere afweging is gemaakt over het planmatig gebruik van de ondergrond in het aangevraagde gebied of wanneer in het Mijnbouwbesluit ondergrondse beperkingen of beperkingen ten aanzien van bepaalde activiteiten of delfstoffen worden opgenomen. Met bovengrondse beperkingen, zoals bijvoorbeeld een natuurgebied, kan rekening worden gehouden wanneer bij algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat de opsporing en winning van een delfstof of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie in dat gebied niet wordt toegestaan.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen ook waarom (proef)boringen en winning van schaliegas niet zijn uitgezonderd in de Structuurvisie ondergrond en in het wetsvoorstel veiligheid en regie. De opsporing en winning van schaliegas zijn niet uitgezonderd omdat hiertoe nog geen besluit is genomen. In het Energierapport is aangegeven dat met de kennis van nu de inzet van vrijwel alle CO2-arme energiedragers nodig is om in de toekomstige energievoorziening te voorzien. Over de mogelijkheden en effecten van schaliegaswinning in Nederland zijn echter nog veel onzekerheden. In het Energierapport is daarom een breed en langjarig onderzoek aangekondigd. Pas als deze onderzoeksgegevens beschikbaar zijn kan een zorgvuldig besluit over de winning van schaliegas in Nederland worden genomen. Totdat deze gegevens beschikbaar zijn zullen er geen opsporings- of winningsvergunningen gericht op de commerciële winning van schaliegas worden afgegeven. Wanneer op basis van de onderzoeksgegevens besloten zou worden dat het niet wenselijk is om schaliegas te winnen in Nederland kan op grond van het wetsvoorstel worden bepaald dat aanvragen voor de opsporing of winning van gas met behulp van bijvoorbeeld grootschalige hydrofracturatie worden afgewezen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen waarom bij ruimtelijke belangen in de Structuurvisie ondergrond alleen Rijksbelangen een rol spelen. In de Structuurvisie ondergrond worden activiteiten in de ondergrond opgenomen die van nationaal belang zijn en/of waar het Rijk de verantwoordelijkheid heeft voor de vergunningverlening. Deze activiteiten en belangen worden in de Structuurvisie ondergrond ten opzichte van elkaar gewogen én afgezet tegen nationale en regionale bovengrondse belangen zoals landschap, natuur en ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor wordt overleg gevoerd met decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden.

3. Het begrip veiligheid

De leden van de SP-fractie verzochten het begrip «veiligheid» in de Mijnbouwwet te verankeren. Veiligheid heeft altijd een belangrijke rol gespeeld bij mijnbouwactiviteiten. Op grond van artikel 33 van de Mijnbouwwet neemt een vergunninghouder alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van zijn activiteiten de veiligheid wordt geschaad. SodM ziet hierop toe. Deze zorgplicht is algemeen en geldt ook wanneer de vergunning haar gelding heeft verloren.

Aanvullend hierop is veiligheid in het wetsvoorstel opgenomen als toetsingsgrond bij het afgeven van opsporings-, winnings- en opslagvergunningen en bij de instemming met een winningsplan. Veiligheid wordt in het wetsvoorstel steeds gehanteerd in relatie tot omwonenden. Veiligheid was altijd al een toetsingsgrond bij de omgevingsvergunning voor het oprichten of inwerking hebben van een opsporings- of winningsinstallatie.

Voorts merkten de leden van de SP-fractie op ook over het begrip «meest actuele inzichten» graag een uitleg te zien. De periode waarin een inzicht nog actueel is, is afhankelijk van de wetenschappelijke ontwikkeling. Sommige inzichten zullen blijvend zijn. Andere inzichten zullen van beperkte waarde blijken te zijn en al spoedig worden vervangen door nieuwe inzichten. Van belang is dat de meest actuele inzichten na zorgvuldige weging tot nieuwe besluitvorming kunnen leiden bij het opsporen en winnen van delfstoffen of de opslag daarvan. Dit wetsvoorstel voorziet daarin.

De leden van de SP-fractie vroegen naar een voorziening in de Mijnbouwwet voor tiltmeters en de meting met glasvezel deformatie-sensoren. De Mijnbouwwet voorziet er nu reeds in dat de exploitant metingen moet verrichten naar bodembeweging ten gevolge van het winnen van delfstoffen en aardwarmte. Deze metingen worden verricht overeenkomstig een meetplan. De inhoud van een meetplan is nader omschreven in artikel 30 van het Mijnbouwbesluit. In het Mijnbouwbesluit is niet vastgelegd welke meettechnieken er gebruikt moeten worden om bodembewegingen te meten. Er zijn verschillende meettechnieken zoals waterpasmetingen, GPS-metingen, satellietmetingen en ook tiltmeters. Wel is in artikel 30, zesde lid, van het Mijnbouwbesluit vastgelegd dat het meetplan jaarlijks moet worden geactualiseerd en ter goedkeuring aan SodM moet worden voorgelegd. Dit betekent dat jaarlijks afgewogen wordt of metingen noodzakelijk zijn en zo ja, welke meettechnieken het meest geschikt zijn voor het beoogde doel. Hierbij wordt rekening gehouden met de stand der techniek. Zo wordt het bijvoorbeeld tegenwoordig toegestaan om radarbeelden van satellieten te gebruiken om bodembewegingen te meten. Tien jaar geleden was deze techniek nog niet ver genoeg ontwikkeld voor dergelijke nauwkeurige metingen. Het is om deze reden niet wenselijk om specifieke technieken in de Mijnbouwwet voor te schrijven.

De leden van de PVV-fractie vroegen om een nadere duiding van de wijze waarop wordt omgegaan met het begrip veiligheid en of het niet beter is om een objectief veiligheidsbegrip te hanteren. In het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (hierna: OVV) naar de Aardbevingsrisico’s in Groningen (Kamerstukken II 2014/15, 33 529, nr. 123) wordt gerefereerd aan «de beleefde veiligheid». De belevingsaspecten waar de OVV aan refereert zijn per definitie niet objectief. De meer gangbare benadering voor het bepalen van het gewenste veiligheidsniveau gaat uit van de meetbare individuele veiligheid. Bij het opstellen van een winningsplan moet de vergunninghouder een uitvoerige risicoanalyse maken waarin de meest actuele inzichten zijn verwerkt. Bij het winningsplan Groningen moet rekening worden gehouden met het individuele aardbevingsrisico en met het maatschappelijke veiligheidsrisico. Het inzicht in de feitelijke omvang van de risico’s schrijdt intussen voort. Ten eerste betreft dat het inzicht in de maximale sterkte van een te verwachten aardbeving en de mate waarin uiteenlopende grondsoorten de trilling doorgeven naar boven en de daaruit resulterende grondversnellingen aan het oppervlak. Ten tweede ontstaat steeds meer inzicht in de mate waarin gebouwen kwetsbaar zijn. Door deze combinatie van inzichten groeit de zekerheid waarmee onderbouwd en getoetst kan worden of het vereiste veiligheidsniveau wordt gerealiseerd.

Ook de leden van de ChristenUnie-fractie en de fractie van de PvdD vroegen naar de strekking van het begrip veiligheid en of het alleen menselijke veiligheid gaat of ook om schade aan gebouwen of risico’s voor de natuur of voor dieren. In het wetsvoorstel wordt het begrip veiligheid steeds gehanteerd in relatie tot omwonenden. Het gaat dus om risico’s voor mensen en niet om risico’s voor dieren of de natuur. Ook gaat het bij veiligheid niet om schade aan huizen of gebouwen, tenzij deze mogelijk kunnen instorten en daarmee een gevaar vormen voor mensen. Schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan is in het wetsvoorstel steeds apart genoemd, naast het begrip «veiligheid voor omwonenden».

Deze leden vroegen waarom er voor het begrip veiligheid in het wetsvoorstel een uitzondering wordt gemaakt ten aanzien van het continentaal plat. Op en nabij het continentaal plat wonen geen mensen. Het continentaal plat begint 22,22 kilometer uit de kust. Deze afstand is meer dan voldoende om risico’s voor de veiligheid van kustbewoners uit te sluiten.

4. Opsporingsvergunningen, winningsvergunningen, opslagvergunningen en winningsplannen

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de mogelijkheid en toegevoegde waarde van decentrale overheden om advies in te winnen bij de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) of de Mijnraad over hun advisering aan de Minister over vergunningen en winningsplannen. De Technische commissie bodembeweging (Tcbb) is wettelijk adviseur van de Minister voor de instemming met een winningsplan. Bij de aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning (marktordeningsvergunning) is nog niet bekend of en zo ja hoe er delfstoffen worden gewonnen en is daarom geen advies van de Tcbb voorzien. Bij de instemming met het winningsplan wordt door de Tcbb de voorgenomen wijze van winning getoetst op risico van schade door bodembeweging (bodemdaling en bodemtrilling) en zullen decentrale overheden vooral ingaan op mogelijke lokale en regionale effecten van de verwachte bodemdaling en de voorgenomen wijze van winning. De Mijnraad is strategisch adviseur van de Minister en draagt zorg voor het eindadvies. Een eindadvies van de Mijnraad komt tot stand aan de hand van de adviezen van Staatstoezicht op de Mijnen, de TNO Adviesgroep, de Technische commissie bodembeweging en de betrokken gemeente(n), provincie(s) en waterschap(pen). Een aparte mogelijkheid voor de decentrale overheid om advies in te winnen bij de Tcbb of de Mijnraad heeft geen toegevoegde waarde omdat deze adviseurs reeds in het proces betrokken zijn.

De leden van de fractie van het CDA vroegen om te overwegen om de veiligheidsregio toe te voegen als adviserende partij bij besluiten over vergunningen. Opsporings-, winnings- en opslagvergunningen zijn marktordeningsvergunningen en regelen wie er in het vergunde gebied mijnbouwactiviteiten mag uitvoeren. Deze vergunningen geven echter nog niet het recht om deze activiteiten ook daadwerkelijk uit te voeren. Voor het oprichten en inwerking hebben van een mijnbouwwerk is een omgevingsvergunning nodig, waarbij onder andere afwegingen omtrent het milieu en effecten voor de omgeving aan de orde komen. Advisering over en toezicht op installaties en buisleidingen voor winning, opslag en vervoer van koolwaterstoffen is bij SodM belegd als deskundig adviseur en toezichthouder op het gebied van koolwaterstoffen. Ik zie gelet op de aard van de opsporings-, winnings-, en opslagvergunningen geen aanleiding, naast SodM, de veiligheidsregio een wettelijke adviesrol te geven bij het verlenen van deze vergunningen. In voorkomende gevallen kan de provincie de veiligheidsregio wel bij haar advisering betrekken.

De leden van de fractie van D66 vroegen waarom een deel van de weigeringsgronden via de Structuurvisie ondergrond wordt geregeld in plaats van direct in de Mijnbouwwet. Het kabinet werkt al enige jaren aan een ruimtelijk kader voor het gebruik van de ondergrond. Dit komt onder andere voort uit de wens van het kabinet om meer te sturen bij mijnbouwactiviteiten. De Structuurvisie ondergrond bevat het ruimtelijke beleid voor activiteiten in de ondergrond van nationaal belang, zoals drinkwatervoorziening en mijnbouwactiviteiten (o.a. olie- en gaswinning, geothermie, zoutwinning). De Structuurvisie biedt het ruimtelijke kader waarmee de besluitvorming rond deze activiteiten op transparante wijze gebeurt en waarin ook andere ruimtelijke belangen op regionaal niveau in de afweging worden betrokken. De Structuurvisie zal naar verwachting pas in de loop van dit jaar worden vastgesteld. Daarom is er voor gekozen om in de Mijnbouwwet een grondslag op te nemen om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te kunnen stellen en een koppeling op te nemen met de ruimtelijke besluitvorming die op grond van de Wet ruimtelijke ordening plaatsvindt. Een wettelijke regeling is bovendien niet praktisch omdat de Structuurvisie ondergrond later nog kan worden aangepast. Lagere regelgeving biedt in dat geval meer flexibiliteit.

De leden van de fractie van D66 vroegen of op basis van de Structuurvisie ondergrond specifieke gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten van mijnbouw, zoals bijvoorbeeld Natura 2000 gebieden. In de Structuurvisie ondergrond geeft het Kabinet aan welke ruimtelijke keuzes voor gebruik van de ondergrond nodig zijn en welke afwegingen daarbij een rol spelen. Het gaat daarbij altijd om een afweging van ondergrondse activiteiten van nationaal belang ten opzichte van elkaar én ten opzichte van de bovengrondse belangen zoals landschap, natuur en ruimtelijke kwaliteit. Daarbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar Natura 2000 gebieden en werelderfgoed gebieden. Deze afweging kan tot het inzicht leiden dat bijvoorbeeld het gebruik van opsporings- of winningsinstallaties in een bepaald gebied niet of minder gewenst zijn.

Wanneer deze overwegingen of beperkingen worden vastgesteld in een algemene maatregel van bestuur, zoals bedoeld in artikel 9 van de Mijnbouwwet kan hiermee bij het verlenen van een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning rekening mee worden gehouden.

De leden van de fractie van D66 vroegen of alleen ondergrondse of ook ruimtelijke ordeningsaspecten boven de grond (bijvoorbeeld natuur) een reden kunnen zijn om een vergunningaanvraag af te wijzen. Op grond van het wetsvoorstel kunnen zowel ruimtelijke als ondergrondse beperkingen worden opgenomen. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet ruimtelijke ordening kan worden bepaald dat de opsporing of winning van delfstoffen of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie in een gebied niet wordt toegestaan. Bij of krachtens het Mijnbouwbesluit kunnen ondergrondse beperkingen of beperkingen ten aanzien van bepaalde activiteiten of delfstoffen worden opgenomen. Op basis van het wetsvoorstel kan hier dan bij de beoordeling van een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning rekening mee worden gehouden. Daarnaast kan een vergunning ook worden geweigerd wanneer in de Structuurvisie in het aangevraagde gebied een ander gebruik van de ondergrond is voorzien.

De leden van deze fractie vroegen welke mogelijke «gestelde regels» ten aanzien van ruimtelijke ordening, een reden kunnen vormen voor het afwijzen van een vergunning.

Zoals in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, onder 1° van het wetsvoorstel is aangegeven gaat het bij de algemene maatregel van bestuur als bedoelt in artikel 4.3, eerste lid, of 10.9, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening, om regels «inhoudende dat de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie in dat gebied niet wordt toegestaan». In deze algemene maatregel van bestuur kan dus worden vastgelegd dat vanwege redenen van goede ruimtelijke ordening in bepaalde gebieden boor- of winningsinstallatie ten behoeve van de opsporing of winning een delfstof of aardwarmte mogen worden geplaatst.

Ook wilden deze leden weten wanneer de in artikel 9 van het wetsvoorstel genoemde algemene maatregelen van bestuur gereed zijn of deze zullen worden voorgelegd aan de Kamer. Voor een antwoord op de vraag naar het tijdpad van deze algemene maatregelen van bestuur wordt kortheidshalve verwezen naar antwoorden op soortgelijke vragen van de leden van de fractie van de SP in paragraaf 1. Wijzigingen van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) worden voorgehangen bij uw Kamer en de Eerste Kamer (artikel 4.3, vijfde lid van de Wet ruimtelijke ordening).

Deze leden willen weten hoe de verschillende in de wet genoemde weigeringsgronden zich tot elkaar gaan verhouden en welke afwegingen in welke AMvB of ander besluitvormingsdocument terecht zullen komen.

In het wetsvoorstel wordt in artikel 9 van de Mijnbouwwet een onderscheid gemaakt tussen ruimtelijke afwegingen en beperkingen (onderdeel e onder 1o) (Barro) en ondergrondse beperkingen of beperkingen ten aanzien van bepaalde activiteiten of delfstoffen (onderdeel e onder 2°) (Mijnbouwbesluit). De algemene maatregelen van bestuur zullen primair worden gebaseerd op afwegingen en beperkingen uit de Structuurvisie ondergrond. Daarnaast kan de Minister om redenen van de veiligheid van omwonenden of in het belang van het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan of gelet op het planmatig gebruik van de ondergrond (onderdeel f) een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning afwijzen of hieraan voorschriften of beperkingen verbinden. Ook bij het planmatig beheer van de ondergrond kunnen overwegingen uit de Structuurvisie ondergrond een rol spelen.

De leden van de D66-fractie vroegen naar de betekenis van het planmatige beheer van andere natuurlijke rijkdommen. Zij vroegen of het gaat om natuurlijke rijkdommen die voor economische doeleinden worden gebruikt of dat het bijvoorbeeld ook kan gaan om de bescherming van plant- en diersoorten. De Mijnbouwwet stelt regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten. Met het wetsvoorstel wordt het mogelijk om bij het verlenen van opsporings- en winningsvergunningen en de instemming met een winningsplan rekening te houden met andere natuurlijke rijkdommen, zoals de winning van grondwater met het oog op de winning van drinkwater. Regels op het gebied van natuur, waaronder de bescherming van plant- en diersoorten, zijn gesteld in de nieuwe Wet natuurbescherming (Staatsblad 2016, 34) die een eigen vergunningplicht kent.

De leden van de D66-fractie vroegen naar de betekenis van een verschil tussen artikel 13, waarin landsverdediging een reden is om een mijnbouwvergunning te beperken en artikel 9 waarin landsverdediging niet bij de weigeringsgronden wordt genoemd.

Concreet betekent dit verschil dat het belang van de landsverdediging geen weigeringsgrond kan zijn voor het verlenen van een opsporings- of winningsvergunning, maar dat er gelet op dit belang wel beperkingen of voorschriften kunnen worden verbonden aan opsporings- of winningsvergunningen.

De leden van de fractie van D66 vroegen wanneer de milieuvergunning voor boringen op land weer zal gaan gelden. Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het rapport van de OVV over gaswinning in Groningen (Kamerstukken II 2014/15, 33 529, nr. 143, hierna kabinetsreactie OVV-rapport) wordt er weer een vergunningplicht ingevoerd voor milieuaspecten van boringen op land met een adviesrecht voor gemeenten en provincies. Deze wijziging van het Besluit omgevingsrecht, het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit algemene regels milieu mijnbouw is voorgehangen bij de Staten-Generaal. Deze wijziging kan naar verwachting met ingang van 1 januari 2017 in werking treden. Het gaat hier om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e (de milieuvergunning) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna de Wabo), waarbij getoetst wordt aan alle aspecten die horen bij een omgevingsvergunning milieu.

Ook vroegen deze leden of er al een milieuvergunning onderdeel uitmaakt van de winningsvergunning, en zo niet, waarom dit niet zo is. Voor de winning van delfstoffen is nu al een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wabo vereist. In de opsporingsfase wordt alleen gebruik gemaakt van tijdelijke/mobiele installaties waarvoor nu nog een meldingsplicht geldt. Voor deze installaties gelden sinds 2008 algemene regels op grond van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw. Boren op land grijpt echter zodanig in op de fysieke leefomgeving dat het wenselijk is om ook bij het aanleggen van een boorgat met een mobiele installatie in de opsporingsfase de gevolgen voor het milieu te beoordelen aan de hand van een omgevingsvergunning. De Minister kan als bevoegd gezag dan meer sturen op de vraag of er op de voorgenomen locatie delfstoffen kunnen worden opgespoord en zo ja hoe. Overigens maakt de omgevingsvergunning geen onderdeel uit van de winningsvergunning op grond van de Mijnbouwwet, zoals deze leden lijken te veronderstellen.

De leden van de D66-fractie vroegen naar de exacte timing van de verschillende vergunningen. Voordat er gas of olie gewonnen kan worden heeft een mijnbouwbedrijf drie «vergunningen» nodig. Het gaat in eerste instantie om de winningsvergunning op grond van de Mijnbouwwet. Dit is een marktordeningsvergunning en deze vergunning geeft de houder het alleenrecht om in het vergunde gebied activiteiten gericht op de winning van olie of gas uit te voeren. Deze vergunning regelt wie er eventueel mijnbouwactiviteiten mag uitvoeren in het vergunde gebied, maar geeft nog geen rechten om deze activiteiten ook daadwerkelijk uit te voeren.

De tweede «vergunning» die op grond van de Mijnbouwwet nodig is voordat er gewonnen mag worden is de beoordeling door de Minister van het winningsplan. Het winningsplan behoeft de instemming van de Minister en gaat in op de vraag hoe er gewonnen wordt en wat de effecten hiervan zijn. De instemming met het winningsplan wordt aangevraagd door de houder van de winningsvergunning en kan dus pas worden aangevraagd wanneer de winningsvergunning is verleend. De derde vergunning die nodig is voor de winning van delfstoffen is een omgevingsvergunning op grond van de Wabo. In de omgevingsvergunning op grond van de Wabo wordt gekeken naar de bouwvereisten van de benodigde installaties en werken, de ruimtelijke inpassing hiervan en de effecten op het milieu van de voorgenomen activiteiten. Dit is ook de reden waarom het milieu geen weigeringsgrond is bij de opsporings- en winningsvergunningen op grond van de Mijnbouwwet. De effecten op het milieu worden, net als bij elke andere activiteit, beoordeeld bij de omgevingsvergunning. Het winningsplan en de omgevingsvergunning winning worden vaak gelijktijdig overgelegd, respectievelijk aangevraagd. De behandeling van deze vergunningen loopt derhalve vaak min of meer gelijktijdig.

De leden van de D»66-fractie lezen dat milieuaspecten pas aan de orde komen bij een omgevingsvergunning en zijn bang dat er dat de mogelijkheden om hier rekening mee te houden dan klein zijn. De effecten op het milieu worden bij mijnbouw, net als bij elke andere activiteit, beoordeeld bij de omgevingsvergunning. Zoals hierboven aangegeven zijn opsporings- en winningsvergunningen marktordeningsvergunningen en wordt daarmee niet vooruitgelopen op de daadwerkelijk (fysieke) werkzaamheden, zoals het bouwen van een installatie of het uitvoeren van opsporings- en winningsactiviteiten. Voor opsporings- en winningsactiviteiten is op land – met de voorgenomen wijziging van het Besluit omgevingsrecht – altijd een omgevingsvergunning nodig.

Zij vroegen hoeveel winningen er uiteindelijk niet zijn doorgegaan omdat er geen omgevingsvergunning is afgegeven. In de praktijk komt het (bijna) niet voor dat er voor de opsporing of winning van delfstoffen geen omgevingsvergunning wordt afgegeven. In relatie tot de winning van delfstoffen zijn mij geen gevallen bekend.

Ook vroegen deze leden hoe de relatief late beoordeling van omgevingsaspecten zich verhoudt tot de maatschappelijke onrust die voornemens tot winning kunnen veroorzaken. Een opsporings- of winningsvergunning is een marktordeningsvergunning die voor veel andere activiteiten niet nodig is. Deze vergunning regelt wie er opsporings- of winningsactiviteiten mag uitvoeren in het vergunde gebied, maar geeft nog geen rechten om deze activiteiten ook daadwerkelijk uit te voeren. Bij mijnbouw wordt op grond van Europese regelgeving, en meer in het bijzonder op grond van richtlijn 94/22/EG van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de produktie van koolwaterstoffen (PbEG 1994, L164, hierna: Koolwaterstoffenrichtlijn) en om economische sturing te kunnen geven bij het benutten van bodemschatten eerst bepaald welk bedrijf in een bepaald gebied eventuele delfstoffen mag opsporen of winnen. Dit is de opsporings- of winningsvergunning. Voor het oprichten en in werking hebben van een mijnbouwwerk is echter, net als voor elke andere belastende activiteit een omgevingsvergunning nodig. In de praktijk leidt de aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning wel eens tot zorgen bij inwoners van het betrokken gebied. Zij hebben vragen en zorgen over de voorgenomen opsporing of winning van delfstoffen, terwijl op dat moment nog niet duidelijk is of en zo ja waar eventuele activiteiten zullen plaatsvinden. Dit is soms lastig uit te leggen. Echter pas bij de aanvraag van de omgevingsvergunning is duidelijk waar de winning zal plaatsvinden. Pas op dat moment kunnen effecten op het milieu en de omgeving worden beoordeeld. Met het afgeven van een opsporings- of winningsvergunning wordt niet vooruitgelopen op de omgevingsvergunning.

De leden van de D66-fractie vroegen op welke momenten in de vergunningverlening en op basis van welke afwegingskaders natuur en milieu redenen kunnen vormen om vergunningen te weigeren of in te trekken. De effecten van een mijnbouwwerk op het milieu worden beoordeeld bij de omgevingsvergunning. Het afwegingskader is thans bepaald in een aantal verschillende wetten en regelingen die op zullen gaan in de Omgevingswet. Belangrijke wetten zijn de Wabo en de Wet milieubeheer, maar er zijn nog een groot aantal andere wetten en regelingen die een rol spelen bij het afgeven van een omgevingsvergunning. Bij activiteiten in of nabij een natuurgebied is vaak ook een vergunning op grond van de natuurwetgeving nodig. Ook in de Structuurvisie ondergrond wordt gekeken naar natuurgebieden. Voor zover een gebied in de Structuurvisie wordt uitgesloten voor (bovengrondse) activiteiten kan hiermee, wanneer dit in het Barro is vastgelegd, ook al rekening worden gehouden bij het verlenen van opsporings- en winningsvergunningen.

De leden van de D66-fractie vroegen hoe vaak opsporings- en winningsvergunningen kunnen worden verlengd. Er is geen wettelijke beperking ten aanzien van het aantal keren dat een opsporings- of winningsvergunning kan worden verlengd. Een opsporingsvergunning wordt meestal afgegeven voor een periode van vier of vijf jaar. Daarbij wordt er op grond van de vergunning meestal een verplichting opgelegd om binnen drie jaar een proefboring uit te voeren. Winningsvergunningen worden afgegeven voor de periode die nodig is om de aangetroffen delfstoffen te winnen. Bij een aanvraag om verlenging is het met name van belang dat het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten, waarvoor de vergunning geldt, te voltooien (artikel 18, derde lid, Mijnbouwwet).

Deze leden vroegen onder welke voorwaarden een winningsvergunning geweigerd mag worden indien er al een opsporingsvergunning is. Voor een winningsvergunning geldt hetzelfde afwegingskader als voor een opsporingsvergunning. Op dit moment zijn dit met name de technische en financiële mogelijkheden van de aanvrager. Wanneer de aanvrager bij de aanvraag voor een opsporingsvergunning voldoet aan deze eisen, zal hij in de regel ook voldoen aan deze eisen bij de aanvraag voor de winningsvergunning. Wanneer zijn financiële positie echter sterk achteruit is gegaan, of indien een aantal ervaren medewerkers zijn vertrokken zou het kunnen dat hij bij de aanvraag van de winningsvergunning niet meer aan de vereisten voldoet. In de praktijk komt dit echter niet vaak voor. Met het wetsvoorstel worden de weigeringsgronden voor de opsporings- en winningsvergunning sterk uitgebreid, maar ook na het doorvoeren van de voorgestelde wijzigingen zullen de toetsingsgronden voor een opsporingsvergunning grotendeels gelijk zijn aan de toetsingsgronden voor een winningsvergunning. Daarom zal een aanvraag om een winningsvergunning ook na een nieuwe afweging niet snel tot een andere uitkomst leiden. Wel is het denkbaar dat een gebied in de tussentijd niet (of minder) geschikt wordt geacht voor de winning van bepaalde delfstoffen. In dat geval kan de aanvraag voor de winningsvergunning alsnog worden afgewezen of onder beperkingen of voorschriften worden verleend.

Ook wilden de leden van de D66-fractie weten onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning mag worden geweigerd indien er al een opsporings- of een winningsvergunning is. De beoordeling van de omgevingsvergunning staat helemaal los van de beoordeling van een opsporings- of winningsvergunning. Een opsporings- of winningsvergunning is een marktordeningsvergunning die de houder het alleenrecht geeft om activiteiten gericht op de winning van olie of gas uit te voeren. Zij regelt wie er activiteiten mag uitvoeren in het vergunde gebied, maar geeft nog geen rechten om deze activiteiten ook daadwerkelijk uit te voeren. In de omgevingsvergunning op grond van de Wabo wordt gekeken naar de bouwvereisten, de ruimtelijke inpassing hiervan en de effecten op het milieu.

De leden van de D66-fractie vroegen hoe een mogelijk verplichte wijziging van het winningsplan en potentiële intrekking van een vergunning met elkaar samenhangen. Zij vroegen of problemen eerst met een wijziging van het winningsplan moeten worden opgelost, voordat een winningsvergunning mag worden ingetrokken.

In artikel 167a van het wetsvoorstel is geregeld dat bestaande winningsvergunningen niet zomaar kunnen worden ingetrokken. Wanneer er op grond van de aanvullende toetsingsgronden aanleiding is om de winning in het gebied te beperken of anders in te richten zal dit in eerste instantie via een aanpassing van het winningsplan moeten. Wanneer er ernstige schade is of dreigt voor bijvoorbeeld gebouwen, kan in het winningsplan de winning in het gebied worden beperkt of in delen van het gebied worden stilgelegd. Pas wanneer dit niet het gewenste resultaat heeft en het op geen enkele wijze mogelijk lijkt om nog delfstoffen te winnen in het vergunde gebied, kan de winningsvergunning worden ingetrokken.

Ten slotte merkten de leden van de D66-fractie op dat in het Energierapport geen integrale afweging wordt gemaakt tussen de verschillende energieopties. Zij vroegen welke keuzes de regering van plan is om te maken met betrekking tot verschillende belangen in de ondergrond. In het Energierapport is een aanzet gegeven voor de discussie hoe Nederland in 2050 kan voldoen aan de in Europees verband afgesproken normen. Hiervoor zijn, onderscheiden naar een aantal energiefuncties, scenario’s geschetst. De afweging van verschillende opties voor gebruik van de ondergrond – ook in relatie tot de bovengrond – wordt gemaakt in de Structuurvisie ondergrond. Wanneer deze afweging is vastgelegd bij AMvB voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid om hier bij het verlenen van opsporings- en winningsvergunningen rekening mee te houden.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen naar de uitwerking van de aanbeveling van de OVV over het betrekken van andere ministers bij de besluitvorming over de exploratie en exploitatie van delfstoffen, waaronder de Minister van Infrastructuur en Milieu. Deze aanbeveling van de OVV gaat over de opsporingsvergunning, de winningsvergunning en het winningsplan. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het OVV-rapport (Kamerstukken II, 2014/13, 33 529, nr. 1430) worden sinds 2013 alle belangrijke besluiten over de gaswinning Groningen in de ministerraad genomen, zodat niet alleen de Minister van Infrastructuur en Milieu maar ook de Minister van Wonen en Rijksdienst bij besluiten voor de gaswinning in Groningen betrokken zijn. Verder werk ik samen met mijn collega van Infrastructuur en Milieu aan een ruimtelijk afwegingskader voor mijnbouw in Nederland.

De leden van de PvdD-fractie vroegen naar de mogelijkheid om een vergunning op grond van de Mijnbouwwet te koppelen aan een omgevingsvergunning. Het is niet alleen niet nodig, maar ook onpraktisch om een opsporingsvergunning of een winningsvergunning op grond van de Mijnbouwwet te koppelen aan een omgevingsvergunning op grond van de Wabo. De belangrijkste vragen die naar voren komen bij de aanvraag om een omgevingsvergunning kunnen pas worden beantwoord als een mijnbouwonderneming investeert in onderzoek naar het antwoord op die vragen, waaronder een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van delfstoffen.

Een onderneming investeert niet in dat onderzoek zonder enige zekerheid dat de onderneming in een later stadium als enige in het te onderzoeken gebied kan starten, met name niet omdat het onzeker is of er delfstoffen aanwezig zijn. Het is bovendien onnodig, omdat de Mijnbouwwet de gelding van de Wabo onverlet laat. Een opsporings-, winnings- of opslagvergunning op grond van de Mijnbouwwet leidt tot een exclusief, economisch recht ten opzichte van andere mijnbouwondernemingen, maar geeft nog geen recht om eventuele opsporings- of winningsactiviteiten ook daadwerkelijk uit te voeren. Zoals eerder aangegeven is hiervoor een omgevingsvergunning nodig. Een opsporingsvergunning geeft enige zekerheid dat zonder concurrentie van andere mijnbouwondernemingen kosten gemaakt kunnen worden om delfstoffen op te sporen of te winnen. Alleen door de zekerheid dat concurrenten niet eveneens in hetzelfde gebied mijnbouwactiviteiten mag uit kunnen voeren zal een onderneming bereid zijn om investeringen te doen voor een mogelijke opbrengst uit een nog onzekere aanwezigheid van mogelijk te winnen delfstoffen.

Of vervolgens die winningsactiviteit doorgang kan vinden is afhankelijk van de winningsvergunning (Mijnbouwwet) en de omgevingsvergunning voor de winningsinstallatie (Wabo). De winningsvergunning is evenals de opsporingsvergunning een economisch recht. Dit recht laat het verbod zonder omgevingsvergunning activiteiten uit te voeren als bedoeld in de Wabo onverlet. Bij de verlening van de omgevingsvergunning is op grond van de Wabo het beoordelingskader van een groot aantal wetten van toepassing, zoals de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet bodembescherming. In de Mijnbouwwet staan de financiële en technische hoedanigheid van de mijnbouwonderneming voorop. De Wabo en alle genoemde daarmee samenhangende wetten gaan over de milieugevolgen en de gevolgen voor de ruimtelijke ordening. Dit is voor een mijnbouwonderneming niet anders geregeld dan voor een onderneming in een andere economische sector, zoals de chemie of de staalindustrie.

De leden van de fractie van de PvdD vroegen of het niet beter is om op voorhand al bepaalde gebieden van concessieverlening uit te sluiten. De afweging waar mijnbouw kan plaatsvinden vraagt om een integrale afweging van verschillende belangen. De Structuurvisie ondergrond biedt hiervoor een integraal kader. Uiteraard zal bij beslissingen omtrent mijnbouw rekening houden met de speciale status van bepaalde gebieden. Het wetsvoorstel geeft de Minister hiervoor de nodige handvatten. Het kabinet wil deze afweging niet op voorhand beperken door nu al gebieden uit te sluiten. Voor zover een gebied in de Structuurvisie wordt uitgesloten voor (bovengrondse) activiteiten kan hiermee, wanneer dit in het Barro is vastgelegd, ook bij het verlenen van opsporings- en winningsvergunningen rekening worden gehouden. Voor ondergrondse activiteiten wordt dit in het Mijnbouwbesluit geregeld.

4.1 Opsporings-, winnings- en opslagvergunningen

De leden van de PvdA-fractie vroegen of een aanvraag voor een mijnbouwvergunning kan worden geweigerd als een voorgesteld mijnbouwproject niet (meer) past bij het algemene energiebeleid. In het wetsvoorstel is niet voorzien in een algemene weigeringsgrond die is gerelateerd aan het energiebeleid. Wel kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld grootschalige hydrofracturatie, of bepaalde delfstoffen. In deze AmvB zou gelet op het energiebeleid kunnen worden opgenomen welke delfstoffen in welke gevallen voor winning in aanmerking komen.

Zij vroegen of het niet beter is om op voorhand al bepaalde gebieden uit te sluiten. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de leden van de PVDA-fractie in paragraaf I.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of het mogelijk is om decentrale overheden een meer principiële adviesrol op grond van regio specifieke aspecten te geven bij de allereerste aanvraag. De leden van de PvdA-fractie doelen op in hun vraag waarschijnlijk op een advies met instemming. Het advies met instemming is een instrument uit het omgevingsrecht. Een dergelijk advies past niet bij opsporings- of winningsvergunning. Deze vergunning heeft het karakter van een concessie en regelt wie er activiteiten mag uitvoeren in het vergunde gebied, maar geeft nog geen rechten om deze activiteiten ook daadwerkelijk uit te voeren. Een opsporings- of winningsvergunning heeft als zodanig nog geen gevolgen voor de omgeving. Pas wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd is er zicht op mogelijke gevolgen voor de omgeving. Bij de omgevingsvergunning heeft de gemeente een advies met instemming bij de ruimtelijke inpassing van mijnbouwactiviteiten.

Ook de leden van de PvdA-fractie vroegen hoe het begrip «veiligheid» in het wetsvoorstel is gedefinieerd. Kortheidshalve verwijs ik deze leden voor een antwoord op deze vraag naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de leden van de fractie van het CDA in paragraaf 2, waarbij is aangegeven dat in het wetsvoorstel het begrip veiligheid wordt gehanteerd in relatie tot de veiligheid van omwonenden.

Deze leden vroegen of in het kader van de opdracht vanuit de Unesco-commissie het niet wenselijk zou zijn om geen mijnbouw toe te staan in Werelderfgoederen. Voor mijnbouwactiviteiten in een werelderfgoed gebied is omgevingsvergunning en indien het een Natura 2000-gebied betreft ook natuurbeschermingswetvergunning nodig. Bij het afgeven van deze vergunning wordt bepaald of en onder welke voorwaarden de voorgenomen activiteiten mogelijk zijn in dit gebied. Bij het opstellen van de Structuurvisie ondergrond wordt ook rekening gehouden met bovengrondse belangen, zoals Natura2000 gebieden en Werelderfgoed gebieden. Voor zover een gebied in de Structuurvisie wordt uitgesloten voor (bovengrondse) activiteiten kan hiermee, wanneer dit bij AmvB is vastgelegd, ook rekening worden gehouden bij het verlenen van opsporings- en winningsvergunningen.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de nieuwe weigeringsgronden snel in werking kunnen treden, bijvoorbeeld door opname in voorliggend wetsvoorstel. De afweging waar mijnbouw kan plaatsvinden vraagt om een integrale afweging van verschillende belangen. De Structuurvisie ondergrond biedt hiervoor een integraal kader.

De Structuurvisie ondergrond moet nog worden vastgesteld. Elementen uit de Structuurvisie kunnen daarom niet nu al worden opgenomen in het wetsvoorstel. Wanneer de Structuurvisie is vastgesteld kan hier op grond van het wetsvoorstel wel rekening mee worden gehouden.

De leden van de PvdA-fractie vroegen om het rijksbeleid ten aanzien van de Wadden- en Noordzee te actualiseren. De Structuurvisie Waddenzee (PKB) is recent geëvalueerd. De rapportage is op 20 januari jl. door de Minister van Infrastructuur en Milieu, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken aangeboden aan de Kamer. De hoofdconclusie uit de evaluatie is dat de structuurvisie en het Barro als instrument goed werkt voor de duurzame bescherming van de Waddenzee. Binnenkort start een beleidsverkenning waarbij partijen zullen worden betrokken. Voor schaliegas is, zoals eerder al aangegeven een moratorium voor heel Nederland afgekondigd. Het is niet nodig om dit apart in het beleid ten aanzien van de Waddenzee te (her)bevestigen. Het Nationaal Waterplan, dat het rijksbeleid voor de Noordzee bevat, is recentelijk herzien. Het Nationaal Waterplan 2016–2021 is in december 2015 vastgesteld.

De leden van de SP-fractie vroegen op welke wijze bij bestaande opsporingsvergunningen is vastgelegd dat bestemmingsplannen een opsporing toestaan. Wijziging van het bestemmingplan of het toestaan van afwijkend gebruik wordt niet geregeld in de opsporingsvergunning op grond van de Mijnbouwwet, maar in de omgevingsvergunning op grond van de Wabo. De omgevingsvergunning voor het mijnbouwterrein in de opsporingsfase wordt nu nog afgegeven door de gemeente. Daarbij wordt vaak ook toegestaan dat er in afwijking van het bestemmingsplan mijnbouwactiviteiten mogen plaatsvinden op deze locatie. Omdat het bij de opsporing van delfstoffen en aardwarmte gaat om een tijdelijke activiteit is er nu niet altijd een afwijking van het bestemmingsplan nodig. Milieuaspecten van de boring worden nu nog gedekt door een melding op grond van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw bij de Minister. Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het OVV-rapport wordt er weer een vergunningplicht ingevoerd voor milieuaspecten van boringen op land in de opsporingsfase. Het voorstel hiervoor heb ik vorige week bij de Staten-Generaal voorhangen.

De leden van de SP-fractie vroegen om een overzicht van alle afgegeven opsporings-, winnings- en opslagvergunningen met een geldigheidstermijn langer dan drie jaar, met bijbehorende afgesproken geldigheidstermijnen en de momenten waarop deze kunnen worden herzien. Voor de geldigheidsduur verwijs ik kortheidshalve naar het antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de D66-fractie in paragraaf 4 waarin de duur van vergunningen vermeld staat. Er zijn in het verleden tevens vergunningen voor onbepaalde tijd verleend. Het staat de vergunninghouder te allen tijde vrij om een aanvraag te doen tot wijziging en/of verlenging van de vergunning. Met het wetsvoorstel krijgt de Minister meer ruimte om reeds verleende vergunningen te wijzigen. Voor het overzicht van alle afgegeven vergunningen verwijs ik u naar bijlage 1. De einddatum van vergunningen zonder eindtermijn is open gelaten in het overzicht.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de meldingsplicht voor mijnbouwondernemingen en hoe het bevoegd gezag hiermee om gaat. Voor activiteiten met mobiele installaties, zoals het aanleggen van een boorgat in de opsporingsfase geldt op grond van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Barmm) een meldingsplicht. Het Barmm bevat voor mobiele installaties regels over emissies naar bodem, oppervlaktewater en lucht en begrenst de emissies van licht en geluid van deze installaties. Voorts stelt het eisen aan de bescherming van de veiligheid voor de omgeving. De mijnonderneming dient vier weken voorafgaande aan de activiteit met een mobiele installatie een Barmm-melding in bij de Minister. SodM adviseert de Minister over de juistheid en volledigheid van deze melding. De Minister publiceert de melding in de Staatscourant en in een plaatselijke krant zodat de lokale bewoners kennis kunnen nemen van de voorgenomen activiteiten. Tevens ontvangt SodM de melding van de Minister zodat deze in het toezicht en de inspecties van SodM kunnen worden meegenomen.

4.2 Omgevingsvergunningen mijnbouw

De leden van de SP-fractie vroegen of een omgevingsvergunning ingevolge het wetsvoorstel veiligheid en regie door een gemeente kan worden geweigerd.

Omgevingsvergunningen worden verleend op grond van de Wabo. In het geval de Minister als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor het mijnbouwwerk vergunning wil verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, wordt deze vergunning niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar de activiteiten geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. Dit is geldend recht (artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht). Wanneer het bestemmingsplan niet voorziet in mijnbouw op de betreffende locatie, kan de gemeenteraad de verklaring van geen bedenkingen weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

De leden van de fractie van de PvdD hebben verzocht om een duiding van het wettelijk kader van de diverse vergunningen. In chronologische volgorde vraagt een mijnbouwonderneming eerst een opsporingsvergunning op grond van de Mijnbouwwet aan. Wanneer hij denkt dat er ergens winbare delfstoffen zitten vraagt hij een omgevingsvergunning aan voor bouwen en een eventueel afwijken van het bestemmingsplan en doet hij daarna een melding voor de aanleg van een boorgat met een mobiele installatie. Wanneer hij met de proefboring winbare hoeveelheden delfstof heeft aangetoond, volgt de winningsvergunning op grond van de Mijnbouwwet. Daarna zal de houder van de winningsvergunning de Minister om instemming vragen voor het winningsplan en zal hij een omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het winnen van delfstoffen op grond van de Wabo indienen.

De vergunning om delfstoffen op te sporen is geregeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet. Deze vergunning heeft betrekking op het economische recht tot opsporing van delfstoffen die aan de Staat toebehoren (artikel 3 van de Mijnbouwwet) in een gebied. Een mijnbouwonderneming die een opsporingsvergunning heeft, heeft nog geen toestemming om een boorgat aan te leggen. Voordat een boorgat kan worden aangelegd (ook wel proefboring genoemd) is een omgevingsvergunning van de gemeente nodig voor het aanleggen van een putkelder en een vloeistofdichte vloer alsmede, in voorkomend geval, een afwijking van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wabo). Verder is voor het aanleggen van een boorgat een melding nodig, die getoetst wordt aan het Barmm, gebaseerd op de Wet milieubeheer (artikel 7 van dat besluit). In het antwoord op vragen van de leden van de SP-fractie in paragraaf 1 is reeds ingegaan op de voorgenomen wijziging ten aanzien van het aanleggen van een boorgat in de opsporingsfase.

Na de opsporingsfase volgt de winningsfase. De vergunning om delfstoffen te winnen is geregeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de Mijnbouwwet. Deze vergunning heeft betrekking op het economische recht tot winning van delfstoffen die aan de Staat toebehoren (artikel 3 van de Mijnbouwwet). Het bedrijf dat de opsporing heeft uitgevoerd verkrijgt wanneer het aan de vereisten voldoet een winningsvergunning (artikel 10 van de Mijnbouwwet). Het is dan nog niet mogelijk feitelijk tot winning over te gaan. Voor het winnen van delfstoffen is een goedgekeurd winningsplan nodig (artikel 36 van de Mijnbouwwet) en een omgevingsvergunning, waarin de aspecten milieu, bouwen en, voor zover nodig, ruimtelijke ordening aan de orde komen (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, c en e van de Wabo).

Hoofdstuk 3 van de Mijnbouwwet regelt een systeem van de opslagvergunning en de vergunning voor het opsporen van CO2 opslagcomplexen. Deze bepalingen zijn ingericht analoog aan de bepalingen voor opsporing en winning van delfstoffen.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de reden om voor boringen op land het onderdeel milieu weer terug te brengen in de omgevingsvergunning. Op dit moment is geen omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een opsporingsinstallatie vereist. De milieueffecten van een opsporingsboring worden getoetst aan de hand van een melding op grond van het Barmm. Boren op land, met name naar delfstoffen, grijpt echter zodanig in op de fysieke leefomgeving dat het toch wenselijk is om de gevolgen voor het milieu te beoordelen aan de hand van een omgevingsvergunning. De activiteit kan dan worden beoordeeld aan de hand van de directe gevolgen voor de omgeving waar de activiteit beoogd is. Bij de omgevingsvergunning op grond van de Wabo kunnen daarmee voorafgaand aan het aanleggen van een boorgat alle aspecten van de boring worden getoetst aan de voorgenomen locatie (milieu, veiligheid, ruimtelijke inpassing, andere effecten op de omgeving). De Minister kan daarnaast onder een vergunningenregime beter sturen op de locatie van een boorgat en de voorwaarden, voorschriften en beperkingen waaronder het boorgat wordt aangelegd. Voor diepboringen geldt verder op grond van het Besluit milieueffectrapportage een m.e.r.-beoordelingsplicht die is gekoppeld aan een omgevingsvergunning.

De leden van de SP-fractie hebben voorgesteld om het terugbrengen van de milieuvergunning voor boringen op land bij wet te regelen. Voor een reactie op deze suggestie verwijs ik kortheidshalve naar een antwoord op een soortgelijke suggestie van de leden van de fractie van D66 in paragraaf 4.

De leden van de CDA-fractie vroegen welke eisen worden gesteld aan meting- en monitoringsprotocollen in de omgevingsvergunning. Zij vroegen of in een omgevingsvergunning een verplichting zal worden opgenomen voor het monitoren van grondwater en of de resultaten van deze monitoring openbaar toegankelijk zouden zijn. In de omgevingsvergunning ten behoeve van een mijnbouwwerk worden bijna altijd voorschriften opgenomen over de bescherming van de bodem en het oppervlaktewater. Ter controle van het grondwater worden op of rond de inrichting peilbuizen geplaatst. Het grondwater wordt (afhankelijk van het voorschrift) jaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een persoon of instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit Bodemkwaliteit. De bemonstering is genormeerd en wordt ingericht en beheerd conform de Nederlandse richtlijn monitoring bodemkwaliteit bedrijfsmatige activiteiten. De analyseresultaten worden ten minste tien jaar bewaard. De resultaten zijn in beginsel niet openbaar toegankelijk, maar moeten te allen tijde getoond kunnen worden aan de controlerende ambtenaren. Elke (dreigende) verontreiniging van de bodem of het grondwater moet onverwijld aan de inspecteur-generaal der mijnen worden gemeld. De inspecteur-generaal der mijnen zal de provincie hierover inlichten.

Daarnaast vroegen deze leden of bij een omgevingsvergunning bij de winning van schaliegas in het bijzonder de monitoring van de grondwaterkwaliteit voor, tijdens en na winning van schaliegas verplicht zal worden gesteld.

Op dit moment wordt er geen schaliegas gewonnen in Nederland. Voor de winning van schaliegas zijn veel boringen en nieuwe technieken zoals grootschalige hydrofracturering nodig. In Nederland is hiermee nog geen ervaring. Om vast te stellen of er economisch winbare hoeveelheden schaliegas in de Nederlandse bodem aanwezig zijn overweegt het kabinet om enkele onderzoeksboringen te verrichten. Voor deze onderzoeksboringen ligt het voor de hand om een uitgebreid monitoringssysteem voor te schrijven, waaronder de monitoring van de grondwaterkwaliteit, voor tijdens en na de boring. Monitoring van de grondwaterkwaliteit zal dus onderdeel zijn van het onderzoeksprogramma.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen op welke manier gemeenten, provincies en waterschappen formeel worden betrokken bij de besluitvorming over een omgevingsvergunning en of er ook toepassing wordt gegeven aan het advies met instemming voor decentrale overheden bij mijnbouwactiviteiten.

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning door de Minister van Economische Zaken voor een mijnbouwwerk worden op grond van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht de decentrale overheden in elk geval op de volgende manier betrokken. Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de mijnbouwactiviteit geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd, hebben bij de omgevingsvergunning een algemeen adviesrecht. Indien een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan, moet verder worden overlegd met de betrokken decentrale overheden (voor de waterschappen gebeurt dat via het watertoetsproces) en wordt de omgevingsvergunning pas verleend na een «verklaring van geen bedenking» van de gemeenteraad van de betreffende gemeente. Waterschappen kunnen adviseren over de omgevingsvergunning voor het oprichten of in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk als er wordt geloosd op het riool. Gedeputeerde staten hebben bij deze vergunning een verklaring van geen bedenkingen in het geval in de (mijnbouw)inrichting ook ondergronds gevaarlijke stoffen of van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen. Met de voorgenomen wijziging van het Besluit omgevingsrecht, Besluit milieueffectrapportage en het Besluit algemene regels milieu mijnbouw krijgen provincies ook een algemeen adviesrecht bij aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een mijnbouwwerk. Dit wijzigingsbesluit is voorgehangen bij de Staten-Generaal.

4.3 Uitbreiding weigeringsgronden opsporings-, winnings- en opslagvergunningen

De leden van de SP-fractie vroegen op welke wijze «veiligheid» een expliciet punt wordt van afweging bij het verlenen van opslag-, winningsvergunningen en opsporingsvergunningen. In het wetsvoorstel is veiligheid van omwonenden en het voorkomen van ernstige schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan een toetsingsgrond bij het verlenen van opsporings-, winnings- en opslagvergunningen. Of en in hoeverre het bevoegd gezag hier bij de aanvraag rekening mee kan houden is onder andere afhankelijk van grootte van het aangevraagde gebied. Met name opsporingsvergunningen worden vaak aangevraagd voor een groter gebied, maar ook bij winnings- en opslagvergunningen is niet altijd duidelijk waar de activiteiten uiteindelijk zullen plaatsvinden. Bij de opslag-, winnings- en opslagvergunningen (marktordeningsvergunningen) zal de toetsing aan de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van schade aan gebouwen daarom vaak heel algemeen zijn. In voorkomende gevallen, bijvoorbeeld als zich kwetsbare gebieden bevinden binnen het aangevraagde gebied, kunnen (delen) van het gebied worden uitgesloten van opsporing of winning of kunnen voorschriften en beperkingen worden opgenomen in de vergunning.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom in de toelichting is opgenomen dat «slechts in beperkte mate en globaal met het veiligheidsbelang rekening kan worden gehouden». Zoals in het antwoord op de voorgaande vraag van deze leden is aangegeven, heeft dit te maken met de aard van de vergunning (marktordeningsvergunningen) en de omvang van het aangevraagde gebied. Bij de aanvraag van opsporings-, winnings- en opslagvergunningen is vaak nog niet duidelijk of en zo ja waar de mijnbouwactiviteiten zullen plaatsvinden. Pas bij de beoordeling van de omgevingsvergunning kunnen de effecten op de omgeving concreet worden getoetst.

Deze leden vroegen waar de koppeling met de Structuurvisie ondergrond uit bestaat. Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik kortheidshalve naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP in paragraaf 1.

De leden van de SP-fractie vroegen welke andere ruimtelijke kaders vanuit de Structuurvisie ondergrond worden bepaald. Naast de mogelijkheid mijnbouwactiviteiten uit te sluiten in bepaalde gebieden, is het op eenzelfde manier mogelijk om gebieden specifiek te reserveren voor een bepaalde activiteit. Vergunningen kunnen worden geweigerd wanneer in de Structuurvisie een andere afweging is gemaakt over het planmatig gebruik van de ondergrond in het aangevraagde gebied. Verder kunnen in het Mijnbouwbesluit beperkingen worden opgenomen met betrekking tot de diepte waarop de activiteit plaatsvindt, de soort activiteit of de soort delfstof.

De leden van de SP-fractie vroegen op welke wijze een afweging kan worden gemaakt tussen de verschillende mogelijkheden van de diepe ondergrond met het oogmerk om de ondergrond in het licht van alle gewenste mogelijkheden optimaal te kunnen benutten. Om een afweging te maken tussen de verschillende mogelijkheden van de diep ondergrond wordt een milieueffectrapportage opgesteld (planMER). Het planMER moet informatie opleveren over activiteiten waarvan het niet zeker is of ze plaats kunnen vinden en die zich moeten verhouden tot bestaande en deels onzekere toekomstige activiteiten. Daartoe zijn geen beleidsscenario’s, maar hypothetische scenario’s onderzocht, zoals de door de leden genoemde maximale functiemix. Ook de Commissie m.e.r kwam tot de conclusie dat nu geen reële beleidsalternatieven onderzocht kunnen worden en heeft om die reden geadviseerd om hypothetische scenario’s te onderzoeken. Door deze opzet van het planMER wordt inzichtelijk gemaakt of er op middellange termijn knelpunten te verwachten zijn en kan op basis van de bevindingen in het planMER worden beoordeeld of er aanleiding is om in de Structuurvisie Ondergrond gebieden te reserveren, uit te sluiten of om aanvullende voorwaarden te stellen aan een activiteit. Het scenario «Maximale functiemix» is geen beleidsscenario.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de ruimte in het koolwaterstoffenbesluit met betrekking tot planmatig beheer van de ondergrond. Ik neem aan dat de leden van deze fractie hiermee doelen op de Koolwaterstoffenrichtlijn (94/22/EG). Deze richtlijn is bedoeld om de interne energiemarkt te bevorderen, de voorzieningszekerheid te verbeteren, de kosten te verminderen en het concurrentievermogen te versterken. De richtlijn is gericht op transparantie van de markt. De richtlijn biedt lidstaten de ruimte om te bepalen welke gebieden binnen hun grondgebied worden opengesteld voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen. Wanneer een gebied is opengesteld, mag er echter geen discriminatie plaatsvinden ten aanzien van de toegang tot en de uitoefening van die activiteiten. Wel mogen er op grond van negen ruim geformuleerde belangen voorwaarden en eisen worden verbonden aan de uitvoering van deze activiteiten, onder andere de veiligheid, de bescherming van biologische hulpbronnen en het planmatig beheer van koolwaterstofvoorkomens.

Zij vroegen nog waarom het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu niet is opgenomen in de Mijnbouwwet. Bij opsporings- en winningsvergunningen gaat het om marktordeningsvergunningen. De houder van deze vergunning heeft de zekerheid dat anderen geen opsporings- of winningsactiviteiten mogen uitvoeren in het betreffende gebied. Voor het daadwerkelijk uitvoeren van opsporings- of winningsactiviteiten is een omgevingsvergunning nodig. Bij deze omgevingsvergunning wordt gekeken naar de effecten op het milieu en de omgeving die worden veroorzaakt door een mijnbouwwerk. Bij de aanvraag van de opsporingsvergunning is vaak nog niet zeker of er wel delfstoffen zitten in het beoogde gebied en waar er eventueel activiteiten zullen plaatsvinden. Het is daarom niet wenselijk om de beoordeling van de effecten op het milieu naar voren te halen, naar de beslissing over de opsporings- of winningsvergunning. Een beoordeling van eventuele milieueffecten is pas mogelijk als duidelijk is welke activiteiten de aanvrager gaat verrichten en waar deze zijn beoogd.

De leden van de CDA-fractie vroegen of het mogelijk is om de weigeringsgronden voor vergunningsaanvragen te verbreden naar belangen van landschap, natuur, water en ruimtelijke kwaliteit die op provinciaal, regionaal en lokaal niveau spelen. In reactie op deze vraag wordt naar het antwoord op de vorige vraag verwezen. In aanvulling merk ik op dat effecten op landschap, natuur, water en ruimtelijke kwaliteit, net als bij milieu sterk afhankelijk zijn van de concrete activiteiten en de plaats waar deze worden uitgevoerd. Deze effecten worden beoordeeld bij het afgeven van de omgevingsvergunning of bij het afgeven van andere benodigde uitvoeringsbesluiten. Bij de opsporings- of winningsvergunning kan hiermee vaak nog geen rekening worden gehouden.

Dezelfde leden vroegen in welke gevallen de Structuurvisie ondergrond uitsluitsel gaat geven over welke delfstoffen in een bepaald gebied niet gewonnen zouden kunnen worden. Op basis van de bevindingen in het planMER wordt bepaald of er aanleiding is om in de Structuurvisie ondergrond gebieden te reserveren, uit te sluiten of dat er aanvullende voorwaarden moeten worden gesteld aan een activiteit. Het planMER onderzoek is nog niet afgerond, tevens vinden er nog regionale bijeenkomsten plaats waarin de regionale belangen worden besproken. Vooruitlopend hierop kunnen derhalve nog geen voorbeelden gegeven worden of en zo ja in welke gevallen de (ontwerp)-Structuurvisie Ondergrond uitsluitsel gaat geven over eventuele uitsluiting van gebieden voor delfstoffenwinning. Wel is in de besluitvorming rond de planMER schaliegas al besloten om geen schaliegaswinningen toe te staan in drinkwaterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones rondom bestaande winningen. Besloten is om de komende jaren nader onderzoek te doen naar schaliegas. Daarna zal er pas een besluit worden genomen over de winning van schaliegas in Nederland.

Het Kabinet is voornemens om de ontwerpStructuurvisie ondergrond in de zomer van 2016 te publiceren. De ontwerp structuurvisie staat vervolgens open voor het indienen van zienswijzen en kan onderdeel uitmaken van bestuurlijk overleg. Tevens wordt de ontwerp structuurvisie met de Tweede Kamer gedeeld.

De leden van de fractie van het CDA vroegen op basis van welke criteria bepaalde gebieden worden uitgesloten van een bepaalde winning. In de Structuurvisie ondergrond geeft het Kabinet aan welke ruimtelijke keuzes voor gebruik van de ondergrond nodig zijn en welke afwegingen daarbij een rol spelen. Voor deze afweging zijn op voorhand geen bindende criteria opgenomen. Het is namelijk belangrijk om de afweging gebiedsgericht te maken. Iedere regio is anders wat betreft de geologische opbouw en wat betreft de bovengrondse activiteiten en belangen, en daardoor kan de afweging per regio anders uitvallen. Als bijvoorbeeld een bepaalde functie alleen maar op enkele plekken voorkomt, ligt het meer voor de hand om deze functie in de desbetreffende regio voorrang te geven.

Dezelfde leden vroegen of de Structuurvisie ondergrond bepaalde gebieden zal aanwijzen waar geen delfstoffen gewonnen kunnen worden. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van D66 in paragraaf 4.

De leden van de CDA-fractie vroegen of bij de beoordeling van chemicaliën die worden gebruikt bij fracken in het kader van REACH ook worden beoordeeld op mogelijke risico’s voor het grondwater. De chemicaliën die worden gebruikt bij het fracken worden in het kader van REACH beoordeeld op een groot aantal onderwerpen, waaronder ook de eventuele effecten die van invloed zijn op het grondwater. Bij het werkprogramma voor het stimuleren van het reservoir wordt een lijst met de te gebruiken chemicaliën en of ze in compliance zijn met de REACH-verordening meegestuurd ter beoordeling door SodM. Tijdens de beoordeling door SodM wordt van iedere stof het registratiedossier bij het Europees Chemicaliënagentschap (ECHA) geraadpleegd. Daarnaast wordt ook bekeken of adequate maatregelen worden genomen tegen eventuele blootstelling van werknemers aan deze stoffen.

De leden van de PVV-fractie vroegen wat voor soort gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten van mijnbouwactiviteiten. Of er aanleiding is om in de Structuurvisie ondergrond gebieden te reserveren, uit te sluiten of aan te geven dat er aanvullende voorwaarden worden gesteld zal worden beoordeeld aan de hand van de bevindingen van het planMER. Het planMER onderzoek is nog niet afgerond. Tevens vinden er nog regionale bijeenkomsten plaats waarin de regionale belangen worden besproken. Vooruitlopend op het onderzoek en de bijeenkomsten kunnen nog geen voorbeelden worden gegeven van gevallen waarin de (ontwerp)Structuurvisie Ondergrond gebieden zal uitsluiten van delfstoffenwinning. Uitgangspunt in de Structuurvisie ondergrond is dat het Rijk terughoudend is met sturen via ruimtelijke uitsluitingen of ruimtelijke reserveringen voor de activiteiten.

De leden van de PVV-fractie vroegen of het niet mogelijk kan zijn om door voortschrijdende technieken alsnog in deze gebieden mijnbouwactiviteiten te ontplooien. Voortschrijdende ontwikkeling van technieken kan van invloed zijn op de manier van winnen en daarmee op aspecten als veiligheid, milieu en leefomgeving. Als bijvoorbeeld door technische ontwikkelingen, risico’s op milieueffecten kleiner worden, dan kunnen milieueffecten in het planMER worden beoordeeld als «aanvaardbaar», waar dat thans nog beoordeeld zou kunnen zijn als «onaanvaardbaar». Het is dan ook denkbaar dat op basis van voortschrijdende technieken, een activiteit ontplooid kan worden in een gebied, waar dat met de huidige kennis en techniek, thans nog niet aanvaardbaar wordt geacht.

Dezelfde leden vroegen of het risico bestaat dat mijnbouwactiviteiten zich verplaatsen naar woongebieden wanneer deze worden uitgesloten in natuurgebieden.

Uitgangspunt in de Structuurvisie ondergrond is dat het Rijk terughoudend is met sturen via ruimtelijke uitsluitingen of ruimtelijke reserveringen voor activiteiten.

Het voorliggende wetsvoorstel biedt wel mogelijkheden om regie te voeren door verruiming van de mogelijkheid om voorschriften en beperkingen aan een opsporings-, winnings- of opslagvergunning te verbinden. Zo kunnen bepaalde technieken of activiteiten worden voorgeschreven of juist worden verboden. Ook kunnen er voorschriften worden verbonden aan de vergunning. In een natuurgebied kan het bijvoorbeeld niet gewenst zijn om boor- of winningsinstallaties aan te leggen. Dit wil echter niet zeggen dat er geen winning mogelijk is onder dit gebied. Door schuin of deels horizontaal te boren kan het mogelijk zijn om onder dit gebied delfstoffen te winnen. Het ligt niet voor de hand dat er hierdoor een verplaatsing van mijnbouwactiviteiten naar woongebieden zal plaatsvinden. Bij het afgeven van de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met de effecten op de omgeving en dus ook op omwonenden.

De leden van de PVV-fractie merkten op dat er onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende delfstoffen en vroegen of het niet verstandiger is om louter onderscheid te maken op impact en veiligheid in plaats van een onderscheid op verschillende delfstoffen. Bij de beoordeling van het gebruik van de ondergrond wordt nu primair gekeken naar de gevolgen van winning voor de omgeving en de vraag of deze delfstoffen veilig kunnen worden gewonnen. In de Structuurvisie ondergrond wordt echter ook gekeken naar alternatieve gebruiksmogelijkheden van de ondergrond en hoe de verschillende mogelijkheden zich tot elkaar verhouden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen naar de betekenis van de term «ernstig» in de formulering «ernstige schade aan gebouwen en infrastructurele werken» en vroegen waarom exploitanten niet wordt opgedragen schade aan gebouwen te voorkomen. Het veiligheidsrisico en het voorkomen van ernstige schade zijn twee afzonderlijke mogelijkheden om tot weigering van een vergunning over te gaan. Een kans op ernstige schade kan leiden tot het weigeren van de vergunning. Voor de term ernstige schade is gekozen, omdat enige vorm van schade aan gebouwen en infrastructurele werken niet altijd te voorkomen is. Een weigeringsgrond die uitgaat van het voorkomen van iedere vorm van schade zou destructief zijn voor de mogelijkheid om vergunningen te verlenen.

Deze leden vroegen waarom milieu, volksgezondheid en natuur niet worden geborgd in de wet als weigeringsgronden voor een vergunning. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik deze leden naar het antwoord op vergelijkbare vragen van onder andere de fracties van D66 en het CDA.

Zij vroegen ook of bepaalde natuurgebieden niet op voorhand uitgezonderd moeten worden van mijnbouwactiviteiten, zoals bijvoorbeeld het Waddengebied.

In de Waddenzee zelf is het gebruik van mijnbouwinstallaties sinds de vaststelling van de Planologische Kernbeslissing Waddenzee in 2007, tegenwoordig de Structuurvisie Waddenzee, uitgesloten. Dat wil niet zeggen dat er geen mijnbouw mogelijk is ónder de Waddenzee. Onder strikte voorwaarden, waaronder het «hand aan de kraan»-principe kan gaswinning vanaf de oever onder de Waddenzee worden toegestaan. Voor mijnbouwactiviteiten in bijzondere gebieden zoals het Waddengebied is in elk geval een omgevingsvergunning en vaak ook een Natuurbeschermingswetvergunning nodig. Bij het afgeven van deze vergunningen wordt bepaald of en onder welke voorwaarden de voorgenomen activiteiten mogelijk zijn in dit gebied. Voor zover een gebied in een Structuurvisie wordt uitgesloten voor (bovengrondse) activiteiten, zoals in de Structuurvisie Waddenzee, kan hiermee, wanneer dit bij amvb wordt vastgelegd, ook bij het verlenen van opsporings- en winningsvergunningen rekening mee worden gehouden.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen of wordt gekozen voor «voorrang voor duurzaam» bij de afweging van verschillende mogelijkheden van de diepe ondergrond. In de Structuurvisie ondergrond geeft het kabinet aan welke ruimtelijke keuzes voor gebruik van de ondergrond nodig zijn en welke afwegingen daarbij een rol spelen. Bij een dergelijke afweging van functies past géén altijd en overal geldende prioriteitsvolgorde die als onderdeel van de Structuurvisie ondergrond wordt vastgesteld. Een afweging van functies in de ondergrond vraagt om gebiedsgericht maatwerk. De ondergrond is complex, de geologie bepaalt welke duurzame of fossiele functies op welke plaatsen mogelijk zijn (niet overal zit gas en niet overal is de ondergrond even geschikt voor het winnen van aardwarmte). Het is belangrijk om gebiedsgericht te kijken. Iedere regio is anders, en daardoor kan de afweging per regio anders uitvallen. Als bijvoorbeeld een bepaalde functie alleen maar op enkele plekken voorkomt, is het wellicht logischer om deze functie daar juist voorrang te geven. Een generieke, vooraf vastgestelde, voorrangsregel voor duurzaam zal niet altijd leiden tot het meest efficiënte gebruik van de ondergrond.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen in welke situaties het gebruik van fracktechnieken en chemicaliën verantwoord is. Zij vroegen waarom het gebruik van deze technieken niet op voorhand wordt uitgesloten. Het gebruik van fracktechnieken en chemicaliën is verantwoord als dit veilig is voor omwonenden en er geen nadelige effecten worden verwacht voor het milieu. In Nederland is al een groot aantal keren gebruik gemaakt van fracktechnieken. SodM heeft recent een inventarisatie uitgevoerd van de toepassing van fracking in Nederland en de mogelijke consequenties en de beoordeling daarvan (Kamerstukken II 2015/16, 32 849, nr. 46). Bij al deze frack operaties hebben zich voor zover bekend geen nadelige consequenties voor mens en milieu voorgedaan. Ik zie daarom geen aanleiding het gebruik van deze technieken op voorhand uit te sluiten.

De leden van de fractie van de ChristenUnie-fractie vroegen of de nieuwe weigeringsgronden snel in werking kunnen treden, zonder tussenkomst van het Barro en de Structuurvisie ondergrond. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik deze leden naar het antwoord op een vergelijkbare vraag van de D66-fractie.

4.4 Voorschriften en beperkingen en wijziging en intrekking van opsporings-, winnings- en opslagvergunningen

Met het oog op de verruimde gronden voor wijziging of intrekking van opsporings- of winningsvergunningen vroegen de leden van de VVD-fractie naar de investeringszekerheid van mijnbouwbedrijven en de voorspelbaarheid van vergunningverlening. Aangezien opsporings- en winningsvergunningen voor langere en soms zelfs voor onbepaalde tijd zijn verleend en gezien de impact die mijnbouwactiviteiten op grond van dergelijke vergunningen op de omgeving kunnen hebben, verruimt het wetsvoorstel de thans beperkte mogelijkheden voor de Minister om reeds verleende vergunningen te wijzigen of in te trekken. Uiteraard zullen reeds verleende vergunningen niet rauwelijks worden ingetrokken en zal gelet op de rechtszekerheid en de legitieme belangen van de vergunninghouder rekening worden gehouden met (gedane of voorgenomen investeringen in) lopende opsporings- of winningsactiviteiten. Mocht op grond van zwaarwegende belangen desondanks toch worden overgaan tot wijziging of intrekking van de vergunning dan staan de houder de geëigende rechtsmiddelen open om de juistheid van de wijziging of intrekking voor te leggen aan het oordeel van de rechter. Gelet op de gevolgen van een intrekking van een vergunning geldt bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel dat een reeds verleende vergunning niet wordt ingetrokken, zolang de Minister de verleende instemming met het winningsplan niet geheel of gedeeltelijk heeft gewijzigd of ingetrokken. Een verleende instemming met het winningsplan kan worden herzien op grond van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake het veiligheidsbelang en het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen. In het uiterste geval dat ook na herziening van het winningsplan het risico voor omwonenden en de kans op ernstige schade zodanig groot is dat niet verwacht kan worden dat er instemming met het gewijzigde winningsplan mogelijk is, dan kan uiteindelijk tot intrekking van de winningsvergunning worden besloten. Deze procedure is zodanig zorgvuldig dat hiervan geen negatieve invloed op het mijnbouw- en investeringsklimaat kan worden verwacht.

De leden van de fractie van de VVD vroegen hoe wordt voorkomen dat bij verlening van de winningsvergunning bezwaren een rol spelen die reeds bij verlening van de opsporingsvergunning bekend waren. Voor een antwoord op deze vraag wordt verwezen naar een antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de fractie van D66 in paragraaf 4.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom slechts voorschriften aan vergunningen kunnen worden gesteld in verband met afbakening van een gebied uit technisch en economisch oogpunt. Bij de aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning gaat het om de vraag wie er – met uitsluiting van anderen – mijnbouwactiviteiten mag verrichten in het te vergunnen gebied. Het gaat zoals eerder opgemerkt om marktordeningsvergunningen. Voor het uitvoeren van de activiteiten zelf is een omgevingsvergunning nodig. De weigeringsgronden in artikel 9 hebben daarom thans vooral betrekking op de technische en de financiële mogelijkheden van de aanvrager.

Met het wetsvoorstel wordt dit deels losgelaten, maar ook de nieuwe weigeringsgronden zien vooral op de aard van het gebied of de activiteit of delfstof. Effecten op de directe omgeving worden beoordeeld bij de omgevingsvergunning.

Deze leden vroegen of er vanuit het oogpunt van veiligheid beperkingen of voorschriften kunnen worden verbonden aan opsporings- of winningsvergunningen. Op basis van het wetsvoorstel kunnen er al bij het afgeven van een opsporings- of winningsvergunning beperkingen of voorschriften worden opgenomen in deze vergunningen. Gelet op de aard van deze vergunningen (marktordeningsvergunningen, vaak voor een groter gebied) zal het hier vaak om meer algemene beperkingen en voorschriften gaan. Beperkingen ten aanzien van de winning, zoals nu gelden voor de omgeving van Loppersum, kunnen beter worden opgenomen bij de instemming met het winningsplan. Directe effecten op de veiligheid van omwonenden worden geregeld in de vereiste omgevingsvergunning.

De leden van de SP-fractie vroegen of aan alle te verlenen vergunningen een maximale periode van geldigheid kan worden verbonden en hoe lang deze periode dan zou zijn. De geldigheid van vergunningen is geregeld in de Mijnbouwwet. In artikel 11, tweede lid, is geregeld dat in de vergunning wordt bepaald voor welk tijdvak zij geldt en dat dit tijdvak niet langer is dan noodzakelijk om de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt verleend, te verrichten. Opsporingsvergunningen worden meestal afgegeven voor een periode van vier of vijf jaar. Bij winningsvergunningen is de looptijd afhankelijk van de tijd die nodig is om de delfstoffen te winnen. Vaak gaat het dan om een periode tussen de 15 en de 30 jaar.

De leden van de VVD-fractie vroegen op welke wijze gemeenten en waterschappen in beeld komen bij het wijzigen van een opsporings- of winningsvergunning. In de praktijk gaat het nu bij wijzigingen van opsporings- of winningsvergunningen om wijzingen van het in de vergunning gestelde tijdvak, wanneer het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten, waarvoor de vergunning geldt, te voltooien. Met het wetsvoorstel worden de mogelijkheden om opsporings- en winningsvergunningen te wijzigingen of in te trekken, vergroot. Het is daarom van belang dat de desbetreffende provincie hierover adviseert. De provincie betrekt bij haar advies dan weer de gemeenten en waterschappen.

Ik wil deze uitvoeringspraktijk wel aanpassen. In dat geval worden de colleges van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van de waterschappen van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft, op basis van het wetsvoorstel betrokken bij het advies van gedeputeerde staten van de provincie.

De leden van de SP-fractie vroegen of in vergunningen een «beste beschikbare techniek»-voorwaarde kan worden gesteld. Het gebruik van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) is niet aan de orde bij het afgeven van een opsporings- of winningsvergunning. Zoals eerder opgemerkt gaat het hier om marktordeningsvergunningen en niet om de uitvoering van concrete werkzaamheden. Voor de omgevingsvergunning voor het oprichten en in gebruik nemen van een mijnbouwwerk geldt op grond van de Wabo geldt wel de BBT-voorwaarde. Ook bij het uitvoeren van werkzaamheden, zoals de aanleg van een boorgat geldt deze voorwaarde (§ 8.2.1 Mijnbouwregeling).

De leden van de SP-fractie vroegen naar nadeelcompensatie bij een volledig verbod op activiteiten in een bepaald gebied bij de vaststelling van een structuurvisie zoals de Structuurvisie Ondergrond. Een structuurvisie van het Rijk is bindend voor het Rijk, maar is niet bindend voor de andere overheden. Na de structuurvisie volgen nadere besluiten, zoals een omgevingsvergunning, waaruit direct rechtsgevolgen voor belanghebbenden voortvloeien. Bij het nadere concrete besluit, de omgevingsvergunning, komt de vraag van nadeelcompensatie of planschade (artikel 6.1 Wro) voor een belanghebbende aan de orde.

De leden van de fractie van de SP vroegen wat wordt bedoeld met binnen een structuurvisie bepalen van een bovengrens voor winning en hoe deze wordt bepaald en gehandhaafd. Met het stellen van een bovengrens aan een activiteit, wordt bedoeld dat er in de Structuurvisie ondergrond dieptes kunnen worden opgenomen waarboven een activiteit niet mag plaatsvinden. Zo is in het planMER schaliegas aangegeven dat uitsluitingsgebieden een diepte hebben van 1 km, daarmee is dus een bovengrens in die gebieden op minimaal 1 km gesteld voor eventuele schaliegaswinningen. Overigens is schaliegaswinning voor de komende jaren geheel uitgesloten, dus ook op een grotere diepte dan 1 km. Een dergelijke bovengrens wordt bepaald op grond van geologische voorkomens en de te verwachte risico’s van een activiteit ten opzichte van een bovengelegen activiteit of belang. De bovengrenzen of dieptes kunnen worden opgenomen in de Structuurvisie ondergrond en via het Mijnbouwbesluit kan dit leiden tot eisen en voorwaarden aan een vergunning in die gebieden.

De leden van de SP-fractie vroegen of houders van een winningsvergunning in verband met het planmatig beheer van delfstoffen worden verplicht om delfstoffen te ontginnen en of in dat kader het intrekken van een winningsvergunning slechts mogelijk is voor zover het planmatig beheer zich hier niet tegen verzet. De keuze om delfstoffen te ontginnen ligt in eerste instantie bij de vergunninghouder. Het is aan de vergunninghouder om te bepalen of en wanneer hij de winningsvergunning gaat gebruiken. Er is dus geen actieve verplichting voor een houder van een winningsvergunning om daadwerkelijk delfstoffen te gaan ontginnen. Maar als een vergunninghouder zijn vergunning niet benut, kan de Minister de vergunning in het uiterste geval wel intrekken. In eerste instantie zal de Minister overgaan tot het verkleinen van het vergunde gebied. De Mijnbouwwet voorziet in de mogelijkheid om het vergunde gebied te verkleinen indien in het desbetreffende gebied in de voorgaande twee kalenderjaren geen significante activiteiten met betrekking tot het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of het opslaan van stoffen hebben plaatsgevonden (artikel 32a Mijnbouwwet). Voor het continentaal plat geldt er voor houders van winningsvergunningen een met de Minister gesloten convenant op basis waarvan vergunninghouders meewerken aan een actieve benutting van de winningsvergunning of anders overdracht van delen van die vergunning aan anderen. Met het wetsvoorstel worden de mogelijkheden om een winningsvergunning in te trekken vergroot.

De leden van de fractie van de SP vroegen waarom pas bij de onmogelijkheid van winning, een gedeeltelijke of «in het uiterste geval een gehele intrekking» van een winningsvergunning aan de orde kan zijn. Dit heeft te maken met de aard van deze vergunning. Zoals eerder opgemerkt gaat het om marktordeningsvergunningen, die de houder een exclusief recht geven om – met uitsluiting van derden – mijnbouwactiviteiten te verrichten. De winning zelf geschiedt op basis van een winningsplan en voor het oprichten en in bedrijf hebben van een winningsinstallatie is een omgevingsvergunning nodig. Wanneer er ongewenste effecten zijn als gevolg de winning van delfstoffen wordt eerst gekeken of dit opgelost kan worden door de wijze van winning aan te passen. De wijze van winning wordt geregeld in het winningsplan. Pas wanneer er op geen enkele wijze nog verantwoorde winning kan plaatsvinden in het vergunde gebied, ligt het voor de hand de winningsvergunning helemaal in te trekken.

Deze leden vroegen of het klopt dat de Mijnbouwwet zich primair richt op ontginning van economisch winbare delfstoffen. Het klopt dat de Mijnbouwwet zich in eerste instantie richt op het ontginnen van economisch winbare delfstoffen. Vanuit het oogpunt van de uitfasering van fossiele energie is er geen noodzaak om de winning van gas in Nederland nu al te beperken. Met het oog op de leveringszekerheid zou dit ook niet wenselijk zijn. Daarvoor is een verdergaande transitie nodig naar duurzame energie. Gedurende die transitie is de komende jaren nog veel gas nodig.

De leden van de PVV-fractie vroegen welke rechtszekerheden en bescherming houders van een opsporings-, winnings- of opslagvergunning hebben met dit wetsvoorstel.

Zoals in het begin van deze paragraaf is aangeven zal terughoudend worden omgegaan met het intrekken van lopende vergunningen. Gelet op de rechtszekerheid en de legitieme belangen van de vergunninghouder is het niet redelijk om een winning die in uitvoering is zonder zwaarwegende reden te stoppen of aan een gewijzigd voorschrift te onderwerpen. Bij ongewenste effecten van de winning van delfstoffen moet daarom eerst worden gekeken of de wijze van winning kan worden aangepast. De wijze van winning wordt geregeld in het winningsplan. De Minister kan daartoe beperkingen of voorschriften stellen. Pas wanneer er op geen enkele wijze nog verantwoorde winning kan plaatsvinden in het vergunde gebied, kan de winningsvergunning worden ingetrokken. Wanneer een bestaande vergunning wordt gewijzigd of ingetrokken kan er een recht ontstaan op nadeelcompensatie of, indien deze wijziging onrechtmatig blijkt te zijn, schadevergoeding.

Ook de leden van de ChristenUnie-fractie vroegen of de provincies, gemeenten en waterschappen een wettelijk recht krijgen om te adviseren of om voorstellen bij de Minister te doen tot wijziging of intrekking van bestaande vergunningen.

Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik kortheidshalve naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD-fractie. In aanvulling hierop merk ik nog op dat provincies, gemeenten en waterschappen geen zelfstandig recht hebben om voorstellen te doen tot wijziging of intrekking van bestaande vergunningen. Het staat provincies, gemeenten en waterschappen echter vrij om voorstellen te doen bij de Minister.

4.5 Advisering over opsporings-, winnings- en opslagvergunningen

De leden van de fractie van de SP vroegen wat de reden is om in het kader van de advisering te spreken over «deze uitgebreide regeling verder te versterken.»

Deze zinsnede wijst op de uitgebreide regeling van advisering in afdeling 3.3 en de artikelen 1:2, tweede lid, 3:2, 3:49 en 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht en het adviesrecht in artikel 16 van de Mijnbouwwet van gedeputeerde staten van de provincie, waarin het gebied is gelegen waarvoor een aanvraag is ingediend.

De leden van de SP-fractie vroegen in hoeverre inbrengen van colleges van burgemeester en wethouders en het bestuur van waterschappen terug te vinden zijn in het advies dat de provincie aan de Minister zal sturen. Gedeputeerde staten van de provincie, waarin het gebied is gelegen, waarvoor een aanvraag is ingediend, is het beste in staat om in de adviesfase een integrale, regionale afweging te maken. Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een bestuursorgaan kennis vergaart over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Dit geldt ook voor een advies. Gedeputeerde staten zullen zorgvuldig adviseren over de af te wegen belangen aan de hand van de relevante feiten, die door de colleges van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van waterschappen naar voren worden gebracht voor het advies aan de Minister.

De leden van de fractie van de SP vroegen of de gemeente en waterschappen op andere zaken dan de belangen op het gebied van ruimtelijke ordening, waterkwaliteit, waterkwantiteit of mogelijke schade aan infrastructuur een inbreng kunnen leveren.

Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen gezien in het kader van het bestuursrecht. Voor waterschappen hebben de toevertrouwde belangen betrekking op de waterstaatskundige verzorging van een bepaald gebied en de zorg voor het watersysteem. Voor de gemeente kan dat op allerlei vlakken liggen, niet alleen ruimtelijke ordening. Het is afhankelijk van het wettelijk kader in hoeverre bepaalde inbreng in een advies kan worden betrokken bij het uiteindelijke besluit. Een advies kan gaan over allerlei aspecten die samenhangen met de aangevraagde vergunning waarover wordt geadviseerd. Dit betekent echter niet dat een gemeente of waterschap niet over andere aangelegenheden inbreng zou mogen leveren of dat een dergelijke inbreng zonder meer ter zijde zou worden gelegd.

De leden van de SP-fractie vroegen of de mogelijkheid bestaat om gemeenten en waterschappen op een later moment inbreng te laten leveren. In deze mogelijkheid is voorzien. De locatie van een proefboring naar of de winning van delfstoffen wordt vastgesteld in de hiervoor benodigde omgevingsvergunning. Vaak zal hierover vooroverleg plaatsvinden met de betrokken (lokale) autoriteiten. Juist wanneer een geschikte boorlocatie moet worden gevonden, kan de gemeente, die het dichtst bij de burgers staat en goed op de hoogte is van lokale belangen, een belangrijke rol spelen. Dit is het moment waarop eenvoudig sturing kan worden gegeven aan de voorgenomen locatie(s) voor mijnbouwactiviteiten. Juist in het vooroverleg bij een omgevingsvergunning kunnen alternatieven goed worden bezien, zodat op de aanvraag om een omgevingsvergunning een goed gemotiveerd besluit kan worden genomen. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) is, zoals bij alle omgevingsvergunningen op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening, ook bij mijnbouwwerken van toepassing, zodat gemeenten en waterschappen tijdig bij het te nemen besluit worden betrokken. Daarnaast gelden er bij een omgevingsvergunning allerlei adviesrechten. In dit verband is dan ook van belang het voornemen tot wijziging van onder andere het Besluit omgevingsrecht. Deze wijziging zal voorzien in een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een boorgat met, naast de bestaande advisering door burgemeester en wethouders en in voorkomend geval het waterschap, een adviesrecht voor gedeputeerde staten. Ook bij een winningsplan op grond van de Mijnbouwwet krijgen gemeenten en waterschappen op grond van het wetsvoorstel een direct adviesrecht.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de betekenis van de volgende zin in de memorie van toelichting, blz. 13: «In het besluit dat de Minister neemt, wordt uiteindelijk een aanvraag getoetst aan de in de Mijnbouwwet opgenomen gronden voor de beoordeling van een aanvraag». Met deze zin wordt het verband geduid tussen het advies van de provincie en de mogelijkheden die de Minister heeft om aan de hand van het advies een ander besluit te nemen. De Minister is uiteraard gebonden aan de weigeringsgronden die in de Mijnbouwwet zijn opgenomen. Zo’n grond is het belang van de veiligheid voor omwonenden (artikel 9, eerste lid, onderdeel f, onder 1°). Op dit moment is het veiligheidsaspect geen expliciete weigeringsgrond voor het besluit tot verlening van een opsporingsvergunning. Met het wetsvoorstel kan een advies van een provincie over veiligheid tot een andere afweging van de Minister leiden.

Dezelfde leden vroegen naar de huidige en de nieuwe situatie ten aanzien van het adviesrecht van gemeenten en waterschappen. Bij een opsporings-, winnings- of opslagvergunning gaat het om het exclusieve recht om in een bepaald gebied een bepaalde activiteit te mogen verrichten. Thans is in artikel 16 van de Mijnbouwwet bij deze marktordeningsvergunningen slechts een wettelijk adviesrecht aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie verleend. Om te zorgen dat het advies van gedeputeerde staten wordt gegeven met inbreng van gemeenten en waterschappen, wordt voorgesteld aan dit artikel een tweede lid toe te voegen. Dit lid heeft de strekking dat gedeputeerde staten van een provincie, waar nodig bij de voorbereiding van dit advies ook de inbreng van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente en het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap betrekt. Dit leidt er toe dat de betrokken provincie een samenhangend advies van de betrokken decentrale overheden aan de Minister kan geven. Bij een winningsplan krijgen gedeputeerde staten van de betrokken provincie, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente en het dagelijkse bestuur van het betrokken waterschap een adviesrecht.

Dezelfde leden vroegen om uitleg van de zin «zullen door de Minister bij zijn besluit betrokken kunnen worden.» Deze zinsnede is onderdeel van de volgende zin: «Immers uitsluitend die onderdelen van een advies die relevant zijn voor de beoordeling van een aanvraag om een opsporings- of winningsvergunning aan de hand van de in de Mijnbouwwet opgenomen gronden, zullen door de Minister bij zijn besluit betrokken kunnen worden». Deze zin geeft uitdrukking aan het legaliteitsbeginsel. De Minister is gehouden uitvoering te geven aan de bevoegdheden die de wetgever aan de Minister heeft verleend. Een advies van gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van een waterschap dat verder strekt dan de door de wetgever aan de Minister verleende bevoegdheden, bijvoorbeeld door geheel andere belangen naar voren te brengen dan in de Mijnbouwwet (opsporingsvergunning, winningsvergunning, opslagvergunning, instemming met het winningsplan) of de Omgevingswet (omgevingsvergunning) aan de orde zijn, zal niet tot een ander besluit kunnen leiden.

De leden van de PVV-fractie vroegen in hoeverre het wetsvoorstel meer ruimte voor burgers biedt om hun bezwaren in te brengen dan de huidige praktijk.

Zoals al een aantal keer is opgemerkt gaat het bij opsporings-, winnings- en opslagvergunningen om marktordeningsvergunningen. Gelet op de aard van deze vergunningen is – conform het advies van de Onderzoeksraad voor veiligheid – er voor gekozen om het burgerperspectief mee te nemen door gemeenten en waterschappen te betrekken bij het advies van de provincie bij deze vergunningen.

Voor de uitvoering van de mijnbouwactiviteiten zelf is een omgevingsvergunning nodig. Verder moet de Minister instemmen met het door de vergunninghouder in te dienen winningsplan. Zowel de omgevingsvergunning als de instemming met het winningsplan worden voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Een ieder kan dan zienswijzen indienen. Burgers hebben alle ruimte om hun belangen dan direct in te brengen. In het wetsvoorstel wordt op een wijziging van het besluit tot instemming met een winningsplan nu ook afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard.

Verder vroegen deze leden of provincies, gemeentes en waterschappen de Minister afzonderlijk adviseren of dat er één gezamenlijk advies wordt opgesteld. In beginsel komt er één advies. Het is aan gedeputeerde staten van de provincie om tot een zorgvuldig advies te komen, waarbij de colleges van burgemeester en wethouders en de dagelijks besturen van waterschappen gelegenheid krijgen om op te komen voor de belangen zoals die bestuursorganen die zien.

De leden van de PVV-fractie vroegen of de Minister op ieder advies een afwijking afzonderlijk motiveert. Uit de motivering door de Minister van het te nemen besluit moet blijken op welke wijze rekening is gehouden met het advies van gedeputeerde staten. Het advies van gedeputeerde staten wordt gegeven met betrokkenheid van gemeenten en waterschappen. De Minister is gehouden op dat advies in te gaan, zoals het er ligt.

De leden van de D66-fractie vroegen hoe het zich verhoudt tot de aanbeveling van de OVV om ook gemeenten meer inspraak te geven. Deze leden vroegen of het niet logischer zou zijn om de adviesrol veel sterker aan de voorkant te regelen.

In reactie op de aanbevelingen van de OVV is een pakket maatregelen vastgesteld waaraan dit wetsvoorstel gevolg geeft met versterking van het adviesrecht van gedeputeerde staten en een mede betrokkenheid van gemeenten en waterschappen. Inspraak, bezwaar en beroep is in de Algemene wet bestuursrecht geregeld. Dit is voor opsporings-, winnings- en opslagvergunningen niet anders dan voor andere vergunningen.

Verder vroegen deze leden wat het verschil is tussen het voorliggende wetsvoorstel en de huidige situatie. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de SP-fractie in paragraaf 4.5.

De leden van de D66-fractie vroegen of er ook bij een winningsvergunning nog geen sprake is van een redelijk specifieke locatie en waarom gemeenten geen eigenstandig advies kunnen geven als er wel een redelijk specifieke locatie bekend is.

Bij een aanvraag om een winningsvergunning gaat het om het verlenen van een vergunning die het exclusieve recht geeft om in een bepaald gebied een bepaalde activiteit te mogen verrichten. Deze marktordeningsvergunning geeft slechts toestemming om in een gebied te winnen met uitsluiting van een andere onderneming, maar niet om bijvoorbeeld een boorgat aan te leggen. Deze vergunning heeft net zoals de opsporingsvergunning bijna altijd betrekking op een groter gebied. Gelet hierop zie ik geen eigenstandige adviesrol voor gemeenten of waterschappen.

Op de vraag van de leden van de D66-fractie naar de status van een advies van de provincie is van belang dat de betekenis van adviesrechten in hoofdstuk 3, afdeling 2 en afdeling 3, van de Algemene wet bestuursrecht geregeld is. Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In een advies worden relevante feiten aangedragen en vanuit het gezichtspunt van het betrokken orgaan adviezen gegeven over de afweging van de betrokken belangen. De aanvrager van een opsporings- winnings- of opslagvergunning zal vanuit het gezichtspunt van de aanvrager eveneens relevante feiten naar voren brengen en mogelijk pleiten voor een andere afweging van belangen. De Minister van EZ mag van het advies afwijken. Op grond van artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht moet de Minister in besluit wel motiveren waarom hij is afgeweken van het advies.

De leden van de fractie van D66 vroegen waarom voor opslag-, opsporings- en winningsvergunningen geen openbare voorbereidingsprocedure geldt. Voor opsporings-, winnings-, en opslagvergunningen gelden de gebruikelijke regels voor beschikkingen, zoals vergunningen, van afdeling 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht en een aantal aanvullende bepalingen ter implementatie van de EU-Koolwaterstoffenrichtlijn. Deze aanvullende bepalingen houden in dat na een aanvraag voor een vergunning andere ondernemingen in de gelegenheid worden gesteld een aanvraag om een soortgelijke vergunning in te dienen voor dezelfde delfstof en hetzelfde gebied (artikel 15 Mijnbouwwet). De uitnodiging hiertoe wordt geplaatst in de Staatscourant en in het publicatieblad van de Europese Unie. Andere ondernemingen kunnen dan tot 13 weken na de dag van publicatie een concurrerende aanvraag indienen. Vervolgens beslist de Minister wie de opslag-, opsporings- of winningsvergunning krijgt voor dat gebied. De Algemene wet bestuursrecht en de Mijnbouwwet voorzien dus in een openbare procedure om derden in de gelegenheid te stellen om een concurrerende aanvraag in te dienen. Omdat het hier om marktordeningsvergunningen gaat ligt een openbare voorbereidingsprocedure minder voor de hand. Later in het proces – bij het winningsplan en omgevingsvergunning – is wel een openbare voorbereidingsprocedure voorzien.

De leden van de D66-fractie vroegen te reflecteren op de vraag of inspraak bij mijnbouw met de huidige systematiek niet meestal te laat is, omdat opsporings- en winningsvergunningen al zijn afgegeven, voordat de meeste inspraakregelingen van kracht zijn. Bij een opsporings-, opslag of winningsvergunning gaat het om het exclusieve recht om in een bepaald gebied een bepaalde activiteit te mogen verrichten. Deze vergunningen zijn gericht op marktordening: het uitsluiten van andere ondernemingen. Deze vergunningen houden niet in dat toestemming wordt verleend voor het verrichten van een activiteit, zoals het in een gebied boren, winnen of opslaan. Voor deze activiteiten is op land en water tot de grens van de territoriale zee een omgevingsvergunning nodig (artikel 2.1 van de Wabo). In de huidige situatie is in het Besluit omgevingsrecht en het Besluit algemene regels milieu mijnbouw het aanleggen van een boorgat met een mobiele installatie in de opsporingsfase van de omgevingsvergunning uitgezonderd. Deze uitzondering vervalt met de voorgenomen wijziging van het Besluit omgevingsrecht, die ik bij uw Kamer heb voorgehangen. Kortom: Bij het verlenen van marktordeningsvergunningen worden geen onomkeerbare stappen gezet. De inspraak in de huidige systematiek is dan ook niet te laat.

Dezelfde leden vroegen op welke manier de veiligheidsregio’s hun advies kunnen geven over het winningsplan. Kortheidshalve verwijs ik naar het antwoord op een overeenkomstige vraag van leden van de CDA-fractie.

De leden van de D66-fractie vroegen naar de rol van de Minister van Infrastructuur en Milieu bij een omgevingsvergunning. De OVV heeft geen aanbeveling gedaan over de omgevingsvergunning, maar aanbevolen om andere ministers, waaronder de Minister van Infrastructuur en Milieu, te betrekken bij de besluitvorming over de exploratie en exploitatie van delfstoffen. Dat zijn de opsporingsvergunning en de winningsvergunning krachtens de Mijnbouwwet. Deze vraag naar de rol van de Minister van Infrastructuur en Milieu hierbij is beantwoord naar aanleiding van vragen van leden van de fractie van de PvdD in paragraaf 4.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen waarom gemeenten en waterschappen een getrapt wettelijk adviesrecht via de provincie krijgen en niet een rechtstreeks adviesrecht. Er is niet voor een rechtstreeks adviesrecht gekozen wegens de aard van de vergunningen. Kortheidshalve verwijs ik u naar een vraag van de leden van de D66-fractie in paragraaf 4.5 waar in de beantwoording staat waarom er niet voor een rechtstreeks adviesrecht is gekozen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen of betrokken overheden vanuit het Rijk proactief verzocht worden om te adviseren over vergunningen, hoe dit proces er uitziet en of zij voldoende tijd krijgen zodat ook gemeenteraden en provinciale staten kunnen meepraten en meebeslissen. De betrokken overheden wordt actief verzocht te adviseren over vergunningen. De gehele aanvraag met alle documenten wordt naar provincie, gemeenten en waterschappen gestuurd met daarbij een termijn van 8 weken om te adviseren.

Zoals de leden van de ChristenUnie-fractie opmerkten kan de Minister een advies gemotiveerd naast zich neerleggen. Decentrale overheden kunnen in bezwaar en beroep wijzen op een eventueel niet dragende motivering. Alleen in het geval van een rijkscoördinatieprocedure is voor decentrale overheden in artikel 1.4 van de Crisis- en Herstelwet een beroep bij de bestuursrechter uitgesloten.

De leden van de ChristenUnie-fractie hechten aan het belang van schoon en gezond en drinkwater en doen de suggestie om een adviesrecht aan drinkwaterbedrijven te verlenen. Dezelfde leden vroegen of de regering bereid is om drinkwaterbedrijven een formeel adviesrecht te geven. De provincies hebben een wettelijke taak bij het beschermen van de kwaliteit van het grondwater met het oog op waterwinning en kunnen hierbij de drinkwaterbedrijven betrekken. Deze bedrijven zijn eigendom van provincies en gemeenten, die met dit wetsvoorstel een eigen adviesrecht wordt verleend. Zorgvuldige advisering betekent dat provincies drinkwaterbedrijven betrekken bij hun advies over het verlenen van mijnbouwvergunningen. De Minister van Infrastructuur en Milieu merkte dan ook, bij brief van 18 februari 2015 over de contouren van de uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet (Kamerstukken II, 2014–2015, 33 118, nr. 18), over een adviesrol van drinkwaterbedrijven bij omgevingsvergunningen op dat het drinkwaterbelang reeds goed geborgd is door de provinciale taak voor het beschermen van de kwaliteit van de regionale grond- en oppervlaktewateren en de instructieregels van het Rijk daarover.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen om drinkwatergebieden van essentieel belang uit te sluiten van mijnbouwactiviteiten.

De Structuurvisie ondergrond bevat het ruimtelijke beleid voor activiteiten in de ondergrond van nationaal belang, zoals drinkwatervoorziening en mijnbouwactiviteiten. In de Structuurvisie zal worden bepaald of en wanneer (en eventueel onder welke voorwaarden) er mijnbouwactiviteiten mogelijk zijn nabij waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden. De Structuurvisie zal naar verwachting in de loop van dit jaar worden vastgesteld.

Deze leden vroegen ook of monitoring van het (diepe) grondwater verplicht kan worden gemaakt in omgevingsvergunningen. Met betrekking tot boringen in de opsporingsfase komt het kabinet met een voorstel waarmee er weer een vergunningplicht wordt ingevoerd voor milieuaspecten van boringen op land. Het voorstel hiertoe is bij de Kamer voorgehangen. Tot nu toe worden boringen getoetst aan de hand van een melding van het mijnbouwbedrijf op grond van het Barmm. Hiervoor gelden algemene regels, waarbij ook monitoring van het (ondiepe) grondwater is voorgeschreven. Wanneer een omgevingsvergunning nodig is voor deze boringen kan de Minister in voorkomende gevallen extra voorschriften of beperkingen opnemen, waaronder ook monitoring van het diepe grondwater. Dit zal niet voor elke diepboring nodig zijn. De technische voorschriften voor diepboringen, waaronder verschillende verbuizingen en het meten van annulaire drukken, zijn streng. Bovendien is de doorlaatbaarheid van de ondergrond op verschillende dieptes en plaatsen zeer verschillend. Nut en noodzaak voor het monitoren van diep grondwater is dan ook lang niet altijd aanwezig. Niettemin kan het wenselijk zijn bij boringen in kwetsbare gebieden of nabij waterwingebieden of wanneer sprake is van nieuwe of maatschappelijk gevoelige technieken, in de omgevingsvergunning voorschriften op te nemen over het monitoren van de kwaliteit van het diepe grondwater. Ik zie daarom geen aanleiding voor een algemene verplichting tot monitoring van het diepe grondwater bij diepboringen.

De leden van de SGP-fractie vroegen naar de bezwaren bij direct adviesrecht voor besturen van gemeenten en waterschappen. Het advies van gedeputeerde staten wordt gegeven met betrokkenheid van gemeenten en waterschappen. De Minister is gehouden op dat advies in te gaan, zoals het er ligt. Dit betekent dat een integraal afgewogen advies tot stand komt, waarin de regionale en lokale belangen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ik verwacht dat provincie, gemeenten en waterschappen als mede bestuursorganen met elkaar tot een gezamenlijk, zorgvuldig advies kunnen komen. Gelet op de aard van de vergunningen waarover wordt geadviseerd (marktordening, groot gebied), zie ik geen aanleiding voor een direct adviesrecht voor gemeenten en waterschappen.

4.6 Toetsingsgronden voor winningsplannen

De leden van de SP-fractie vroegen hoe het veiligheidsbelang meer expliciet in de Mijnbouwwet zal worden opgenomen. Veiligheid is op verschillende plekken in het wetsvoorstel als toetsingsgrond opgenomen. Dat is het geval bij de beoordeling van aanvragen voor opsporings- winnings- en opslagvergunningen (artikel 9 en verder Mbw) en bij de instemming met het winningsplan (artikel 35 en 36 Mbw). De toetsing bij de aanvraag van opsporings- winnings- en opslagvergunningen zal, gelet op de aard van deze aanvragen (marktordeningsvergunningen) en de grootte van de aangevraagde gebieden vaak op hoofdlijnen zijn. Bij het verlenen van de vergunning kan een afweging worden gemaakt van voorkomende gevaren van bijvoorbeeld olie- of gaswinning en een aantal kenmerken van het aangevraagde gebied. In voorkomende gevallen kunnen er dan voorschriften worden opgenomen in de vergunning. Concrete veiligheidsrisico’s worden uiteindelijk beoordeeld bij de instemming met het winningsplan en/ of het verlenen van de omgevingsvergunning voor de mijnbouwinrichting.

Zij vroegen wat er gaat veranderen indien vastgehouden wordt aan het belang van planmatige winning en hoe er dan rekening kan worden gehouden met belangen van het milieu en de volksgezondheid. Winningsplannen worden, volgens de huidige wet slechts beoordeeld op basis van het planmatig beheer van het voorkomen en op het risico op bodembeweging. Met het wetsvoorstel wordt de toetsing breder, naast de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van ernstige schade komt ook het beheer van andere natuurlijke rijkdommen, zoals grondwater met het oog op de winning van drinkwater aan de orde. De beoordeling van de effecten voor milieu en volksgezondheid vindt, zoals bij alle activiteiten, plaats bij het verlenen van de omgevingsvergunning.

De leden van de SP-fractie vroegen of er in het verleden geen risicobeoordeling werd gevraagd bij een winningsplan. In de huidige winningsplannen is ook al een risicobeoordeling opgenomen. Deze risicobeoordeling is echter beperkt tot de verwachte bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door deze bodembeweging (seismische risicobeoordeling). In het wetsvoorstel wordt deze risicobeoordeling uitgebreid tot alle risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan (brede risicobeoordeling). Ook ander risico’s dan risico’s als gevolg van bodembeweging moeten in deze brede risicobeoordeling worden meegenomen.

Deze leden vroegen op welke wijze de onafhankelijkheid van de te leveren risicobeoordeling wordt geborgd. Zij vroegen of de Technische commissie bodembeweging hierbij een rol kan spelen. De risicobeoordeling wordt opgesteld door het mijnbouwbedrijf en wordt getoetst door SodM. De beoordeling van de risicobeoordeling is een belangrijk onderdeel van het advies van de inspecteur-generaal der mijnen aan de Minister. SodM kan nader onderzoek laten doen naar de door het mijnbouwbedrijf opgestelde risicobeoordeling, bijvoorbeeld wanneer SodM denkt dat de effecten in een bepaald gebied groter zijn dan waarvan het bedrijf in de risicobeoordeling uitgaat. Behalve SodM zullen ook TNO, de Tcbb, gedeputeerde staten van de provincie, burgemeester en wethouders van de gemeente en het dagelijks bestuur van het waterschap advies uitbrengen over het winningsplan. De Tcbb heeft op grond van de wet dus al een rol bij het beoordelen van de risico’s van bodembeweging ten gevolge van de winning van delfstoffen.

De leden van de fractie van de SP vroegen of winnen of veiligheid zwaarder weegt en wat er verandert met het wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel worden winningsplannen niet meer beoordeeld op basis van het planmatig beheer van het voorkomen, maar op het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen en andere natuurlijke rijkdommen. Daarmee staat niet het winnen voorop, maar een doelmatig gebruik van natuurlijke rijkdommen zoals delfstoffen en grondwater. Daarbij weegt het veiligheidsbelang van omwonenden zwaar. Het wetsvoorstel maakt de toetsing breder. Het uitgangspunt van de Mijnbouwwet is en blijft dat winning van delfstoffen alleen mogelijk is wanneer dit veilig kan (artikel 33 Mijnbouwwet). De veiligheid van omwonenden zal dus altijd doorslaggevend zijn.

De leden van de SP-fractie vroegen hoe in het wetsvoorstel uit kan worden gegaan van onmiddellijke werking en hoe de inbreng van gemeenten en waterschappen bij winningsplannen dan is geregeld. Onmiddellijke werking van het wetsvoorstel betekent dat de nieuwe wetsbepalingen direct voor alle bestaande winningsplannen gaan gelden. Alle bestaande winningsplannen kunnen worden gewijzigd (artikel I, onderdeel O van het wetsvoorstel inzake artikel 36, derde lid) bij veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten in verband met het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van ernstige schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan en het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen. Voorafgaand aan een besluit tot wijziging van een winningsplan wordt aan de decentrale overheden advies gevraagd, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is en geen betrekking heeft op de effecten van winning of bodembeweging dan wel risico’s voor omwonenden, gebouwen, infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan (Artikel I, onderdeel M van het wetvoorstel; artikel 34, vierde lid, onderdeel b).

De leden van de SP-fractie vroegen voorts of het advies van de Mijnraad een dwingend advies met instemmingsrecht wordt. Het wetsvoorstel koppelt geen instemmingsrecht aan het advies van de Mijnraad. Het advies met instemming is een instrument uit het omgevingsrecht. Zoals eerder opgemerkt past een dergelijk advies niet bij vergunningen op grond van de Mijnbouwwet. De Mijnraad heeft wel een belangrijke rol. Zij is het strategisch adviesorgaan voor de Minister. De Mijnraad beoordeelt alle uitgebrachte adviezen en komt tot een eigen advies. Mede op basis van dat advies neemt de Minister van Economische Zaken een besluit over de betreffende aanvraag. Wanneer de Minister afwijk van dat advies zal hij dit in zijn besluit moeten motiveren.

De leden van de SP-fractie vroegen of de Technische commissie bodembeweging alleen worden betrokken wanneer het gaat om bodembeweging?

Het advies van de Technische commissie bodembeweging ziet op de bodembeweging als gevolg van de (voorgenomen) winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging.

Voor het antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie over het bewijsvermoeden verwijs ik graag naar de in paragraaf 1.1. gegeven antwoorden op de in dit kader door de leden van deze en andere fracties gestelde vragen. Daarin is aangegeven dat in het effectgebied van het Groningenveld wordt vermoed dat fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning uit het Groningenveld zou kunnen zijn, kan worden toegeschreven aan de gaswinning. Een advies van de Technische commissie bodembeweging is daarbij geen vereiste. Net als in de huidige situatie kan een advies van de Technische commissie bodembeweging echter wel bijdragen aan meer duidelijkheid over de oorzaak van de schade en de hoogte van het schadebedrag. Dit kan partijen helpen om samen tot een oplossing te komen.

De leden van de CDA-fractie vroegen of het mogelijk is de toetsingsgronden voor winningsplannen te verbreden naar belangen van landschap, natuur, water en ruimtelijke kwaliteit. Zoals eerder in antwoord op een vraag van de D66-fractie in paragraaf 4 is aangegeven, heeft een mijnbouwbedrijf drie «vergunningen» nodig voordat zij olie of gas kan winnen. In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat het winningsplan in gaat op de vraag hoe er gewonnen wordt en wat de effecten hiervan zijn. In het winningsplan geeft het mijnbouwbedrijf een beschrijving van de wijze van winning en de risico’s hiervan – met name als gevolg van bodembeweging – voor de omgeving. Het gaat dan om de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van ernstige schade aan gebouwen, werken of infrastructurele werken. Ook het planmatig gebruik van de ondergrond wordt meegenomen bij de beoordeling van het winningsplan. In de omgevingsvergunning op grond van de Wabo wordt gekeken naar de bouwvereisten van de benodigde installaties en werken, de ruimtelijke inpassing hiervan en de effecten van de voorgenomen activiteiten op het milieu, waaronder de bodem en het grondwater. De effecten op landschap, milieu en ruimtelijke kwaliteit worden dus – net als bij elke andere activiteit – beoordeeld bij de omgevingsvergunning. Het winningsplan en de omgevingsvergunning voor winning worden overigens vaak gelijktijdig aangevraagd. De behandeling van deze vergunningen loopt derhalve vaak min of meer gelijktijdig. Het heeft alleen daarom al geen zin om bij de instemming met het winningsplan dezelfde toetsingsgronden te hanteren als bij de beoordeling van de omgevingsvergunning. Vanuit wetgevingssystematiek is het ook niet wenselijk om effecten op de omgeving te beoordelen bij een «vergunning» op grond van de Mijnbouwwet.

De leden van de PVV-fractie vroegen wat de bijzondere procedure voor Groningen precies behelst en in hoeverre dit afwijkt van de overige winningsvergunningen.

De bijzondere procedure waar deze leden aan refereren ziet niet alleen op Groningen, maar geldt voor alle houders van een winningsplan waarmee de Minister bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel heeft ingestemd. Onderdeel AA van het wetsvoorstel (artikel 167a) voorziet in een getrapte procedure voor het intrekken van een winningsvergunning. Gelet op de impact die intrekking van een winningsvergunning kan hebben, voorziet het wetsvoorstel erin dat een bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel reeds verleende vergunning niet kan worden ingetrokken zolang de Minister de verleende instemming met het winningsplan niet geheel of gedeeltelijk heeft gewijzigd of ingetrokken.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen op welke manier een onafhankelijke risicobeoordeling plaatsvindt. In de voorgestelde procedure dient het bedrijf de risicobeoordeling in en is de toezichthouder slechts indirect aan zet, aldus deze leden. Zij vroegen of hier niet een meer onafhankelijke en wetenschappelijke beoordeling van risico’s moet plaatsvinden. De risicobeoordeling wordt inderdaad opgesteld door het mijnbouwbedrijf. Het mijnbouwbedrijf bepaalt in beginsel zelf hoe zij de delfstof wil gaan winnen en geeft hiervan in het winningsplan een beschrijving. In het winningsplan gaat het mijnbouwbedrijf in op de effecten van de voorgenomen (wijze van) winning en de risico’s voor omwonenden en schade aan gebouwen of werken. De risicobeoordeling zelf bevat een wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde verwachting van de te verwachten gevaren en de risico’s daarop. Het winningsplan met de (onderbouwde) risicobeoordeling wordt voorgelegd aan een groot aantal adviseurs, waaronder SodM. De beoordeling van deze risicobeoordeling is een belangrijk onderdeel van het advies van de inspecteur-generaal der mijnen aan de Minister. Zoals in de toelichting aangegeven kan SodM nader onderzoek laten doen naar de door het mijnbouwbedrijf opgestelde risicobeoordeling, bijvoorbeeld wanneer SodM denkt dat de effecten in een bepaald gebied groter zijn dan waarvan het bedrijf in de risicobeoordeling uitgaat. Behalve SodM zullen ook TNO, de Tcbb, gedeputeerde staten van de provincie, burgemeester en wethouders van de gemeente en het dagelijks bestuur van het waterschap advies uitbrengen over het winningsplan.

Deze leden vroegen nog naar een wettelijke verplichting om alle relevante gegevens over mijnbouwactiviteiten openbaar beschikbaar te maken. Vrijwel alle gegevens over mijnbouwactiviteiten in Nederland worden openbaar gemaakt via de website www.nlog.nl. Deze website wordt in mijn opdracht bijgehouden door TNO. Op deze website zijn alle mijnbouwvergunningen en winningsplannen, productiegegevens, seismische data, boorgatmetingen, jaarverslagen et cetera te vinden. Ook SodM publiceert nu al relevante stukken en verslagen op zijn website. Naar aanleiding van de motie Van Tongeren en Van Veldhoven (Kamerstukken II 2014/15, 34 041, nr. 32) werkt SodM aan het verder ontsluiten van niet-bedrijfsgevoelige informatie bij SodM over de naleving van wetgeving door de bedrijven. Nu deze gegevens al openbaar zijn of hier al aan gewerkt wordt is er geen aanleiding om dit in het wetsvoorstel nader te regelen.

5. Onafhankelijkheid en taken SodM

De leden van de fractie van het CDA vroegen of de onafhankelijkheid van SodM ten opzichte van het Ministerie van Economische Zaken voldoende is geborgd.

Ik hecht groot belang aan de onafhankelijkheid van onderzoek en oordeelsvorming van SodM. Bij brief van 27 november 2015 aan uw Kamer (Kamerstukken II 2015/16, 32 849 nr. 42) heb ik u geïnformeerd over de diverse opties om SodM onafhankelijker te positioneren, waarbij ik de voor- en nadelen inzichtelijk heb gemaakt.

Om de onafhankelijkheid van SodM te versterken is in het wetsvoorstel veiligheid en regie dat nu bij uw Kamer voorligt, overeenkomstig mijn brief van 27 november 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 32 849, nr. 42) van een dubbel slot voorzien. Het dubbele slot bestaat ten eerste uit de rechtstreekse toedeling in de wet van taken en bevoegdheden en ten tweede door de beperking van de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister aan de inspecteur-generaal. Daartoe regelt het wetsvoorstel aanvulling van bepalingen over advisering, toezicht en handhaving met nieuwe en thans bestaande taken van Sodm (artikel I, onderdelen T en W; artikelen 127 en 132) en clausulering van de aansturing via bijzondere aanwijzingen (artikel I, onderdeel V; artikel 128a). De inspecteur-generaal der mijnen heeft hiermee een bij wet gereguleerde positie, zodat de inspecteur vrij is in het doen van onderzoeken en niet door de Minister mag worden geïnstrueerd met betrekking tot zijn bevindingen, oordelen of adviezen. SodM beschikt hiervoor ook over een eigen onderzoeksbudget. Hiermee wordt de onafhankelijkheid van Staatstoezicht op de Mijnen voldoende gewaarborgd.

De leden van de CDA-fractie vroegen waarom er niet voor is gekozen om van SodM een zelfstandig bestuursorgaan te maken. De mogelijkheid om van SodM een zelfstandig bestuursorgaan te maken heb ik wel overwogen. De keuze voor een zelfstandig bestuursorgaan heb ik echter niet wenselijk geacht omdat dit ten koste gaat van de ministeriele verantwoordelijkheid en het de transparantie in de richting van uw Kamer vermindert (Kamerstukken II, 2013/14, 25 268, nr, 83, blz.2). Verder sluiten de toezichthoudende bevoegdheden van inspecties niet aan bij de motieven om een zelfstandig bestuursorgaan op te richten, zoals deze met uw Kamer zijn gedeeld (zie eerder genoemde brief). Ook andere rijksinspecties zijn daarom niet gepositioneerd als zelfstandig bestuursorgaan. Daarnaast is de keuze voor een zelfstandig bestuursorgaan niet doelmatig, SodM is daarvoor te klein.

Dezelfde leden vroegen naar de verschillen tussen de voorgestelde inrichting en het onderbrengen van SodM bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De in het wetsvoorstel voorgestelde maatregelen om de onafhankelijkheid van SodM te versterken, hebben tot doel om binnen de ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister te komen tot een situatie waarin SodM optimaal de aan hem toegekende taken kan uitvoeren. Ook indien SodM onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu zou vallen, zou er sprake zijn van volledige ministeriële verantwoordelijkheid. In dit laatste geval zou SodM met twee ministeries te maken hebben: met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu waar het gaat om de aansturing en organisatorische aspecten en met het Ministerie van Economische Zaken waar het gaat om de beleidscyclus. Immers, ook als SodM onder verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu valt, zullen er regelmatig contacten zijn tussen het Ministerie van Economische Zaken als beleidsverantwoordelijk ministerie en SodM. In beide gevallen is maatwerk in de aansturing mogelijk, zoals nu ook voorgesteld in het wetsvoorstel. Om deze reden ligt het mijns inziens niet voor de hand de beleidsverantwoordelijkheid voor een bepaald terrein en het toezicht hierop te scheiden.

De leden van de fractie van het CDA vroegen waarom bij SodM handhavingsbevoegden onder de directe betrokkenheid en verantwoordelijkheid van de Minister vallen, terwijl dit voor de Autoriteit Consument en Markt niet het geval is. SodM valt, net als andere rijksinspecties, onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Dit geldt voor alle rijksinspecties in Nederland. Met dit wetsvoorstel wordt wel de directe betrokkenheid van de Minister bij handhavingsbesluiten van SodM verminderd door deze te attribueren in plaats van deze in mandaat uit te laten voeren. Dit wil zeggen dat ingevolge voorliggend wetsvoorstel SodM op eigen naam handhavingsbesluiten kan nemen, zoals het opleggen van een last onder dwangsom. Voor de Autoriteit Consument en Markt is indertijd een andere keuze gemaakt, namelijk om de ACM als een zelfstandig bestuursorgaan te positioneren. Deze keuze werd vooral ingegeven door het feit dat de ACM zijn beslissingen dient te nemen op basis van analyses van de markt en van de economische gevolgen van het al of niet toelaten van een bepaalde concurrentiebeperking. Te denken valt hierbij aan besluiten over bijvoorbeeld fusies tussen grote bedrijven, die ook in de politiek tot de nodige aandacht kunnen leiden. Anders dan de ACM, toetst SodM primair op veiligheid. De Minister is en blijft verantwoordelijk voor een veilige en verantwoorde opsporing en winning van delfstoffen, aardwarmte en andere natuurlijke hulpbronnen. Met dit wetsvoorstel wordt dit uitgangspunt versterkt. Er is dus geen noodzaak om handhavingsbevoegdheden van SodM buiten de ministeriële verantwoordelijkheid te brengen.

De leden van de CDA-fractie vroegen wat de voor- en nadelen zijn van het inrichten van Sod als zelfstandig bestuursorgaan. Een nadeel voor het positioneren van SodM als een zelfstandig bestuursorgaan is dat dit de ministeriële verantwoordelijkheid sterk beperkt, zonder dat hiervoor dringende redenen zijn. Dit is een fors nadeel, omdat de Kaderwet Zbo’s de standaard bepaalt waarop het parlement «de Minister kan aanspreken en waarop niet. Alleen bij wet kan van deze standaard worden afgeweken» (brief van de Minister van Wonen en Rijksdienst van 13 mei 2014, Kamerstukken II 2013/14, 25 268, nr. 83, blz. 2). Het oprichten van een nieuw zelfstandig bestuursorgaan past dan ook niet goed in het regeerakkoord «Bruggen slaan» en het kabinetsbeleid om terughoudend om te gaan met het oprichten van nieuwe zelfstandige bestuursorganen. Zie hierover ook de brief van de Minister van Wonen en Rijksdienst van 13 mei 2014 sanering voorstaat (Kamerstukken II 2013/14, 25 268, nr. 83, blz. 1 en 4).

Het vormgeven van SodM als een zelfstandig bestuursorgaan zou als voordeel kunnen opleveren dat er geen enkele twijfel meer hoeft te bestaan over de onafhankelijkheid van SodM. Echter, op dit moment wordt binnen SodM gewerkt aan een versterking van de positie van SodM, en ook dit wetsvoorstel draagt daaraan bij. Deze ingezette trajecten zouden opnieuw gestart moeten worden bij de omvorming van SodM tot een zelfstandig bestuursorgaan, wat gepaard zou gaan met veel verlies van energie.

De leden van de CDA-fractie vroegen tevens waarom er niet voor is gekozen SodM onder te brengen bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. In de aanwijzing voor rijksinspecties staat onder meer dat onafhankelijkheid niet een staatsrechtelijke onafhankelijkheid van een beleidsverantwoordelijke Minister betekent, maar dat het gaat om ruimte die een rijksinspectie heeft om zelf informatie te verzamelen, daarover een oordeel te vormen en daarover te rapporteren en te adviseren. Om die reden alleen al acht ik het niet noodzakelijk om SodM onder een andere Minister onder te brengen. De zelfstandige verantwoordelijkheid om informatie te verzamelen en handhavingsbesluiten op te leggen heb ik middels attributie in het wetsvoorstel geregeld (artikel I, onderdelen T, V en W, artikelen127, 128a en 132).

Het is gebruikelijk dat de verantwoordelijkheid voor zowel het beleid als het toezicht in een bepaald domein in één hand rust. Dit heeft te maken met het feit dat beleid, uitvoering en toezicht deel uitmaken van een beleidscyclus. SodM voert weliswaar een belangrijk deel van haar taken uit voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (werknemersveiligheid) en de Minister van Infrastructuur en Milieu (Milieutoezicht), maar de verantwoordelijkheid voor de Mijnbouwwet en Gaswet berust bij de Minister van Economische Zaken. Het is daarom ongewenst als SodM onder een ander ministerie wordt gehangen zoals het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Bovendien zal er, zoals in antwoord op een eerdere vraag is opgemerkt, ook bij de ophanging van SodM bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, sprake zijn van contacten tussen het Ministerie van Economische Zaken en SodM, juist om te komen tot een sluitende beleidscyclus. De verschuiving van de systeemverantwoordelijkheid naar het Ministerie van Infrastructuur en Milieu zou dus vooral tot inefficiënties leiden in plaats van tot meer onafhankelijkheid.

De leden van de D66-fractie vroegen om een overzicht van alle alternatieven die zijn overwogen om aan de aanbeveling van de OVV te voldoen om de onafhankelijkheid van het SodM beter te borgen. Bij brief van 27 november 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 32 849, nr. 42) heb ik u geïnformeerd over de diverse opties om SodM onafhankelijker te positioneren, waarbij ik de voor- en nadelen inzichtelijk heb gemaakt. In deze brief heb ik aangegeven te hebben gekeken naar de mogelijkheid om SodM om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan, een agentschap of ophanging onder een ander ministerie. In de voorgaande vragen van de leden van de fractie van het CDA zijn verschillende alternatieven nader toegelicht en is aangegeven waarom hier niet voor is gekozen. In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat omvorming van SodM tot een agentschap ook niet voor de hand ligt. Bij de instelling van een agentschap gaat het om doelmatigheid, en niet om versterking van onafhankelijkheid. Ook bij een agentschap is er sprake van een hiërarchische lijn met de voor dit agentschap verantwoordelijke Minister. SodM voldoet daarnaast niet aan de eisen die gesteld worden in de Regeling agentschappen van de Minister van Financiën. In deze regels wordt als eis gesteld dat er een omzet of inkomsten moet zijn van meer dan € 50 miljoen op jaarbasis en er geen sprake is van investeringen die maken dat de afschrijvingskosten meer dan 5% van de totale lasten bedragen.

Deze leden vroegen waarom niet is gekozen voor de positionering van SodM onder een ander ministerie. Naar aanleiding van vragen van leden van de fractie van het CDA hieromtrent ben ik hierboven hierop reeds ingegaan, waarnaar ik voor een antwoord op deze vraag kortheidshalve verwijs.

De leden van de D66-fractie vroegen waarom in dit wetsvoorstel niets geregeld is met betrekking tot de afstand van SodM tot de gassector. Met dit wetsvoorstel worden, naast een reeds ingezet traject ter versterking van de organisatie van SodM, wettelijke waarborgen voor de onafhankelijkheid van SodM ten opzichte van de Minister voorgesteld. Hoewel SodM in de uitvoering van zijn taken te maken heeft met de gassector, is het op geen enkele wijze gebonden aan of afhankelijk van deze sector. Het is daarom ook niet logisch om hiervoor een voorziening te treffen in voorliggend wetsvoorstel. Net als bij andere toezichthouders in de publieke sector is het aan de organisatie en haar medewerkers om op een professionele manier met het contact met de sector om te gaan.

De leden van de D66-fractie vroegen naar het opzetten van een onderzoeksprogramma naar de ondergrond. Zoals toegezegd aan uw Kamer ben ik bezig met het opzetten van een onafhankelijk en structureel kennisprogramma naar de effecten van mijnbouw conform de aanbeveling van de OVV. Mijn streven is dit voor 1 juli 2016 gereed te hebben. De aanbeveling met betrekking tot kennis is vooral gericht op de wijze waarop de kennis over de effecten van mijnbouw in het verleden was georganiseerd. De OVV geeft aan dat kennisontwikkeling structureler opgepakt moet worden, waarbij ook voor de onafhankelijkheid wordt gezorgd. Dit vraagt om een goede organisatie en programmering van de kennis over de effecten van mijnbouw en niet om nieuwe wetgeving.

De leden van de fractie van de PvdD vroegen naar strengere en meer onafhankelijke inspecties van mijnbouwprojecten. De inspecteur-generaal de mijnen inspecteert zelfstandig en onafhankelijk. Het wetsvoorstel beoogt de onafhankelijkheid van SodM als toezichthouder te versterken. Eén van de voorstellen hiertoe is dat de toezichthoudende bevoegdheden niet langer aan de Minister worden opgedragen, maar direct aan de inspecteur-generaal zelf worden opgedragen (attributie). De inspecteur-generaal der mijnen kan deze bevoegdheden dan uit eigen naam uitoefenen en hoeft dit niet langer uit naam van de Minister te doen.

De leden van de fractie van de PvdD vroegen waarom SodM niet bij een ander ministerie onder is gebracht. Het is mogelijk om SodM, zoals ieder deel van de rijksdienst, zonder wetswijziging bij een ander ministerie onder te brengen, zoals regelmatig bij nieuwe kabinetsperiodes gebeurt. Ik acht dit echter niet wenselijk. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het antwoord op vragen van de leden van het CDA hieromtrent in de voorgaande paragraaf.

5.1 Onafhankelijkheid SodM

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe kan worden voorkomen dat oneigenlijke beïnvloeding optreedt van SodM door de sector. In mijn Kamerbrief van 27 november 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 32 849, nr. 42) heb ik uiteengezet hoe ik de onafhankelijkheid van SodM wil versterken. Hoewel dit met name gaat over op de positie van SodM binnen de rijksoverheid, ben ik ervan overtuigd dat met die route en dit wetsvoorstel SodM nog beter dan thans het geval is in de gelegenheid is om zich tevens daarbuiten gezaghebbend en objectief te kunnen presenteren. Net als bij andere toezichthouders in de publieke sector is het aan de organisatie en haar medewerkers om op een professionele manier met het contact met de sector om te gaan. Dat is voor SodM niet anders dan voor andere ambtelijke diensten.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de wetenschappelijke kennis omtrent mijnbouw en naar de wenselijkheid van een wetenschappelijk kennisinstituut dat onderzoek doet naar mijnbouw. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar een antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van D66 in de voorgaande paragraaf.

Zij vroegen of het wetsvoorstel de overheid en de industrie verplicht om relevante gegevens over mijnbouwactiviteiten op een heldere en eenduidige manier te ontsluiten en beschikbaar te stellen. Over het openbaar maken van informatie is naar aanleiding van een vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie-fractie in paragraaf 4.6 nader ingegaan. In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat artikel III regelt welke informatie een mijnbouwonderneming aan een benadeelde moet verstrekken in het geval van bodembeweging.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de Mijnraad en de adviezen van de Mijnraad ten opzichte van andere adviezen. De Mijnraad is, ten aanzien van de verlening van mijnbouwvergunningen voor opsporing, winning en opslag van delfstoffen in de diepe ondergrond en vooruitlopend op het wetsvoorstel eveneens voor (wijzigingen van) winningsplannen, het strategisch adviesorgaan voor de Minister. De Mijnraad is onafhankelijk en maakt dus geen onderdeel uit van SodM of EBN. De adviezen inzake een mijnbouwvergunningaanvraag van de andere adviseurs – zoals TNO voor de geologische aspecten, SodM voor de technische en geotechnische aspecten, EBN voor de financiële aspecten en de betrokken provincie(s), gemeente(n) en/of waterschap(pen) voor de regionale/lokale aspecten – worden alle ter beoordeling aan de Mijnraad voorgelegd. De Mijnraad beoordeelt deze adviezen – individueel, in hun onderlinge samenhang en in de bredere maatschappelijke context – en komt tot een eigen advies. Mede op basis van het advies van de Mijnraad neemt vervolgens de Minister een besluit over de desbetreffende aanvraag.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of SodM niet onder een ander departement zou moeten vallen. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar een antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de CDA-fractie in de voorgaande paragraaf.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen de aanbeveling van de OVV wordt opgevolgd om het gasgebouw fundamenteel aan te passen. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de CDA-fractie in paragraaf 2. Ik streef ernaar de Kamer hierover rond de zomer nader te informeren.

Zij vroegen waarom niet is gekozen om andere ministeries een formele positie te geven in besluiten over gaswinning. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de PvdD in paragraaf 4.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen waarom in het voorliggende wetsvoorstel niets is opgenomen over de onafhankelijkheid van het SodM ten opzichte van de gassector. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar een antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD-fractie in paragraaf 5.1.

Zij vroegen hoe wordt gewaarborgd dat bij besluiten over het winningsplan van NAM de veiligheid voorop staat. Op grond van de Mijnbouwwet geldt het voorzorgsbeginsel bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten (artikel 33 Mijnbouwwet). NAM moet op grond van dit artikel alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van haar gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van haar werkzaamheden de veiligheid wordt geschaad. Meer concreet moet NAM op grond van het wetsvoorstel in haar winningsplan een brede risicobeoordeling opnemen waarin zij onderbouwd ingaat op de effecten van de voorgenomen (wijze van) winning en de risico’s voor omwonenden en schade aan gebouwen of werken.

Het winningsplan wordt voorgelegd aan een groot aantal adviseurs. Behalve SodM zullen ook TNO, de Technische commissie bodembeweging, gedeputeerde staten van de provincie, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten en het dagelijks bestuur van het waterschap advies uitbrengen over het winningsplan. Mede op basis van het advies van de Mijnraad zal ik uiteindelijk een besluit nemen over het ingediende winningsplan. Veiligheid en een planmatig beheer en gebruik van natuurlijke hulpbronnen staat daarbij voorop.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen of de verantwoordelijkheid voor SodM naar een ander departement moet worden verplaatst. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar een antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de CDA-fractie in de voorgaande paragraaf.

5.2 Adviestaken

De leden van de fractie van de PVV vroegen of SodM volledig onafhankelijk kan opereren en of toestemming gegeven moet worden voor het deelnemen aan een technische briefing. Met dit wetsvoorstel krijgt SodM grote zelfstandigheid. De inspecteur-generaal der mijnen brengt zelfstandig verslag uit op het moment dat inspecteur dat nodig oordeelt (artikel I, onderdeel U; artikel 128), al voorziet de Minister in verband met de ministeriële verantwoordelijkheid in doorzending van dat verslag. Dat verslag bevat onder meer de resultaten van onderzoek, waarover de Minister geen bijzondere aanwijzing kan geven (artikel I, onderdeel V; artikel 128a).

Voorts wordt voorgesteld een aantal taken en bevoegdheden aan de inspecteur-generaal der mijnen te attribueren in plaats van de mandaatverlening van de Minister aan SodM. Deze attributie ontneemt de Minister deze bevoegdheden. De inspecteur-generaal der mijnen wordt hiermee, naast de Minister een bestuursorgaan. De ministeriële verantwoordelijkheid brengt met zich dat een briefing van ambtenaren aan uw Kamer met instemming van de Minister plaatsvindt. Ingevolge dit wetsvoorstel zal SodM een ambtelijke dienst blijven, en blijven voornoemde regels voor hoorzittingen en technische briefings dus van toepassing.

5.3 Toezichthouden

De leden van de PvdA-fractie vroegen hoe het begrip veiligheid is gedefinieerd en welke instantie de mate van veiligheid bepaalt. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar een antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de D66-fractie in paragraaf 2.

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom er in het wetsvoorstel een uitzondering is gemaakt ten aanzien van het continentaal plat. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar een antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de D»66-fractie in paragraaf 2.

5.4 Attributie van handhavingsbevoegdheden

De leden van de PVV-fractie vroegen waarom de Minister op een drietal handhavingspunten het bevoegd gezag blijft houden. Ingevolge het wetsvoorstel wordt de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang aan de inspecteur-generaal der mijnen (hierna: IGM) geattribueerd. Dit in tegenstelling tot de huidige situatie, waarin deze bevoegdheid aan de Minister is geattribueerd en de Minister voor deze bevoegdheid mandaat verleent aan de IGM. Voor twee andere bevoegdheden is in het wetsvoorstel de keus gemaakt om deze niet aan de IGM te attribueren. Het betreft hier de handhavingsbevoegdheden van artikel 50 en artikel 51, derde lid. Dit zijn bevoegdheden die kunnen worden ingezet bij ernstige gevaren voor de veiligheid. Deze bevoegdheden worden in de praktijk nauwelijks toegepast, maar als zij worden toegepast, is het wenselijk dat de Minister de afweging maakt vanwege zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid van mijnbouwprojecten en zijn verantwoordelijkheid voor de schade die kan voortvloeien uit een mogelijk onrechtmatige maatregel (bijvoorbeeld bij het stopzetten van een winning). Die schade kan zodanig groot zijn, dat een dergelijke verantwoordelijkheid aan de Minister is geattribueerd, zoals te doen gebruikelijk bij zware bevoegdheden van bestuursorganen. De Minister heeft dan de mogelijkheid om indien de Minister dit noodzakelijk acht, eventueel na overleg met andere bewindspersonen, zelf te besluiten in plaats van de IGM of instructies te geven bij het toepassen van deze bevoegdheid. Artikel 15 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015 voorziet in mandaat voor de inspecteur-generaal der mijnen voor de handhavingsbevoegdheden van artikel 50 en artikel 51, derde lid.

5.5 Aansturing van de inspecteur-generaal der mijnen door de Minister

De leden van de PVV-fractie vroegen of SodM aanwijzingen van de Minister naast zich neer kan leggen. Waar de Minister ingevolge het wetsvoorstel de mogelijkheid heeft om aanwijzingen te geven en bovendien ook aanleiding ziet om van deze mogelijkheid gebruik te maken, zal het passend zijn in de verhouding tussen de Minister en SodM als dienst die ressorteert onder de Minister, dat SodM deze aanwijzingen deel laat uitmaken van haar handelen. SodM zal hier dus rekening mee moeten houden. Uiteraard zullen de aanwijzingen die de Minister geeft SodM in haar handelen niet onnodig moeten beperken. Om deze reden is in het wetsvoorstel vastgelegd dat de aanwijzingen openbaar moeten zijn en uitsluitend schriftelijk door de Minister gegeven kunnen worden. Dit betekent dat de Minister het besluit niet kan mandateren en het besluit slechts door de Minister zelf gegeven kan worden.

5.6 Rijkscoördinatieregeling mijnbouwactiviteiten

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen een nadere toelichting op de noodzaak voor een rijkscoördinatieregeling voor de winning van delfstoffen in verband met het nationaal belang. De energievoorziening van huishoudens en bedrijven is voor een groot deel afhankelijk van de bestaande gasinfrastructuur, waaronder het Groningenveld. Coördinatie vanwege het Rijk kan dan nodig zijn voor een goede afweging van de belangen bij de energievoorziening, de ruimtelijke ordening, veiligheid en milieubelangen, economische belangen en staatsinkomsten. De rijkscoördinatieregeling kan worden ingezet indien de verwezenlijking van een onderdeel van het nationaal ruimtelijke beleid dit wenselijk maakt. Dat kan bij wet of bij besluit worden geregeld. In bepaalde gevallen is in artikel 141a van de Mijnbouwwet de rijkscoördinatieregeling al van toepassing verklaard, bijvoorbeeld in het geval van opsporing en winning van koolwaterstoffen in een gevoelig gebied of bij opslag van stoffen. Daarnaast kan bij besluit de rijkscoördinatieregeling worden toegepast. In het wetsvoorstel wordt nader aangeduid in welke gevallen en onder welke voorwaarden de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu kan besluiten tot het toepassen van de rijkscoördinatieregeling. In de beslissing zal vervolgens moeten worden gemotiveerd waarom in dit geval een onderdeel van het nationaal ruimtelijke beleid het wenselijk maakt dat de rijkscoördinatieregeling wordt toegepast.

De leden van de fractie van de christenUnie vroegen naar de afweging tussen economische belangen en het veiligheidsbelang bij de toepassing van de rijkscoördinatieregeling. Artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening stelt de bevoegdheid van het toepassen van de rijkscoördinatieregeling, uitgaande van het door deze wet gediende belang van een goede ruimtelijke ordening. Bij wet, zoals het voorgestelde vierde lid van artikel 141a van het wetsvoorstel, is aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden de Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu kan beslissen tot het toepassen van de rijkscoördinatieregeling. Als een gebied niet is uitgesloten van opsporing of winning van koolwaterstoffen en de veiligheid of het planmatig beheer van natuurlijke rijkdommen zich daar niet tegen verzet kan tot het toepassen van de rijkscoördinatieregeling worden besloten wanneer dat vanwege de verwezenlijking van een onderdeel van het nationaal ruimtelijk beleid wenselijk is. De Minister van Economische Zaken stelt samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu vervolgens een rijksinpassingsplan op. Daarin wordt getoetst aan een goede ruimtelijke ordening. De Structuurvisie ondergrond is dan voor de ministers het relevante nationaal ruimtelijk beleidskader, waarin de diverse belangen, waaronder het milieubelang en het economische belang in onderling verband voor zover relevant voor de ruimtelijke ordening zijn afgewogen.

De leden van de fractie van de christenUnie vroegen waarom bij de rijkscoördinatieregeling het belang van de staatsinkomsten wordt genoemd. De winning van koolwaterstoffen is een belangrijke bron van staatsinkomsten. Een koolwaterstofvoorkomen kan niet op iedere plek worden aangeboord. De locatie en de te gebruiken techniek is mede bepalend voor de mogelijkheid het voorkomen doelmatig te winnen. De keuze van de locatie heeft dan ook invloed op de economische winbaarheid van koolwaterstoffen en de uiteindelijke opbrengst voor de staatskas.

6. Afsplitsing van niet benutte gebiedsdelen van verleende winningsvergunningen

De leden van de SP-fractie vroegen of het afgesplitste vergunningsgebied alleen openstaat voor de winning van koolwaterstoffen met uitsluiting van gebruik van dat gebied als bijvoorbeeld waterwingebied en voor geothermie. Bij afsplitsing is sprake van een technische deling van een vergunning, die leidt tot twee afzonderlijke vergunningen, vergelijkbaar met de nu reeds in de Mijnbouwwet geregelde splitsing van vergunningen. Evenals dat in het huidig systeem van de Mijnbouwwet bij splitsing van vergunningen het geval is, leidt afsplitsing niet tot wijziging van het karakter van de vergunning. Dat betreft zowel de oorspronkelijke, als de daarvan afgesplitste vergunning. De afgesplitste vergunning kan derhalve niet voor een andere activiteit gaan gelden als die waarvoor de oorspronkelijke vijf vergunningen waren verleend, namelijk de winning van koolwaterstoffen. Dat laat onverlet dat in het gebied van de afgesplitste vergunning, evenals in het gebied van de oorspronkelijke vergunning andere activiteiten zouden kunnen plaatsvinden, mits die activiteiten voldoen aan de Mijnbouwwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en daarvoor geldende specifieke wet- en regelgeving.

Verder vroegen de leden van de fractie van de SP hoe lang een dergelijke gesplitste concessie geldt. Om het eerder genoemde technisch karakter van afsplitsing te waarborgen, brengt een dergelijke afsplitsing ook geen wijziging aan in de looptijd van de vergunning. De looptijd van de afgesplitste vergunning komt derhalve overeen met hetgeen daaromtrent in de vergunning waarvan wordt afgesplitst, is bepaald. De oorspronkelijke vergunningen die voor onbepaalde tijd zijn verleend en de daarvan afgesplitste vergunningen behouden c.q. verkrijgen dezelfde onbepaalde looptijd.

De vragen van de leden van de SP-fractie of een gesplitst gebied vervolgens ook weer gesplitst kan worden en of de oorspronkelijke afspraken ten aanzien van de oorspronkelijke vergunning dan stand houden, kunnen allebei bevestigend worden beantwoord. Voor iedere afsplitsing van de oorspronkelijke vergunning gelden telkens de regels van de voorgestelde wijziging van artikel 143. Indien dus na een eerdere afsplitsing een volgende afsplitsing van het oorspronkelijke vergunningsgebied zou plaatsvinden, dan gelden bij die latere afsplitsing weer dezelfde regels als die ten aanzien van de eerdere afsplitsing golden. Daarmee is gewaarborgd dat de afspraken en overeenkomsten die samenhangen met de oorspronkelijke vergunning zowel bij de eerste als bij eventuele latere afsplitsingen in stand blijven voor zover het die oorspronkelijke vergunning betreft. Omdat de voorgestelde wijziging van artikel 143 bewerkstelligt dat die afspraken en overeenkomsten niet van toepassing zijn op de van de oorspronkelijke vergunning afgesplitste vergunning zal een eventuele verdere splitsing van die afgesplitste vergunning kunnen plaatsvinden onder toepassing van de al bestaande regels in de Mijnbouwwet omtrent de splitsing van vergunningen. Die verdere splitsing van de eerder van de oorspronkelijke vergunning afgesplitste vergunning zal daarom geen gevolgen hebben voor de afspraken en overeenkomsten die samenhangen met de oorspronkelijke vergunning.

Naar aanleiding van vragen van de leden van de SP-fractie over de gevolgen voor schadegevallen bij en na afsplitsing wordt opgemerkt dat het wetsvoorstel geen gevolgen heeft voor verplichtingen tot en rechten op vergoeding van schade die door mijnbouwactiviteiten is ontstaan. Eventuele schade die is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten van de oorspronkelijke vergunninghouder dient vergoed te worden door die vergunninghouder, ook indien het schade betreft in het afgesplitste en overgedragen gebied. Voor de afgesplitste vergunning gelden wat betreft de aansprakelijkheid voor en vergoeding van schade die is ontstaan door mijnbouwactiviteiten dezelfde regels als die voor de oorspronkelijke vergunning gelden. Verder kan nog worden opgemerkt dat het bij afsplitsing in de regel zal gaan om delen van het vergunningsgebied die door de oorspronkelijke vergunninghouder nog niet zijn gebruikt voor opsporings- of winningsactiviteiten. In dat gebied zal dus ook nog geen sprake zijn van (het risico op) schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning in dat gebied. Er kan in die situatie dan ook geen discussie bestaan over de veroorzaker van eventuele schade bij nieuwe mijnbouwactiviteiten.

6.1 Verantwoordelijkheid van de exploitant voor schade na afsplitsing

De leden van de SP-fractie vroegen naar de aansprakelijkheid van artikel 177 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en naar de toepassing van het bewijsvermoeden op afgesplitste vergunningen. Artikel 177 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek regelt een risicoaansprakelijkheid voor de exploitant van een mijnbouwwerk. Dat wil zeggen dat de exploitant van een mijnbouwwerk aansprakelijk is voor schade die ontstaat door uitstroming van delfstoffen of beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk. Daarbij hoeft de schuld van de exploitant niet te worden aangetoond. Wel moet het aannemelijk worden gemaakt dat de schade het gevolg is van uitstroming van delfstoffen of beweging van de bodem als gevolg van de mijnbouwactiviteiten. In aanvulling op de risicoaansprakelijkheid van artikel 177 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek regelt de novelle een bewijsvermoeden voor fysieke schade aan gebouwen en werken binnen het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld. Het al dan niet afsplitsen van een vergunning is niet van invloed op de toepassing van het bewijsvermoeden.

Deze leden vroegen ook of toekomstige schade overgaat naar de nieuwe exploitant. De aansprakelijkheid voor schade wordt in artikel 6:177 BW gelegd bij degene die op het tijdstip van het bekend worden van de schade de (laatste) exploitant was. Indien een vergunninghouder bij het bekend worden van schade de exploitant was van het mijnbouwwerk, dan zal de aansprakelijkheid bij hem berusten. In geval van afsplitsing van een vergunning blijft de oorspronkelijke vergunninghouder aansprakelijk voor schade die bekend is geworden vóór de afsplitsing. De aansprakelijkheid voor schade die na de overgang van een afgesplitste vergunning bekend wordt, ligt bij degene die bij het bekend worden van de schade exploitant is van het mijnbouwwerk als gevolg waarvan de schade is veroorzaakt. Indien de exploitatie van het mijnbouwwerk na de overgang van de vergunning voor het afgesplitste gebied niet meer wordt hervat, dan zal de na die overgang bekend geworden schade bij de oude vergunninghouder berusten als laatste exploitant.

De leden van de SP-fractie vroegen hoe de schadeafwikkeling is geregeld bij afgesplitste vergunningen en of de Staat daarbij betrokken is. De schadeafwikkeling zal ter hand moeten worden genomen door de aansprakelijke exploitant. De Staat is daar niet bij betrokken.

Met het oog op mogelijke schade door mijnbouw, verantwoordelijkheid en bankgaranties om mogelijke schade door mijnbouw te dekken, vroegen de leden van de fractie van de SP of schade en verantwoordelijkheid overdraagbaar is en of afsplitsing wel wenselijk is. In de hiervoor gegeven antwoorden op vragen van de SP-fractie is aangegeven wie aansprakelijk is in geval van splitsing van vergunningen. Artikel 6:177 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de exploitant van een mijnbouwwerk aansprakelijk is voor de schade die ontstaat door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van dat werk.

Indien na het bekend worden van de schade een ander exploitant wordt, blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van dit bekend worden exploitant was. Indien de schade bekend wordt na sluiting van het mijnbouwwerk, rust de aansprakelijkheid op degene die de laatste exploitant was. De strekking van deze BW-bepalingen is dat de exploitant van een mijnbouwwerk aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van bodembeweging die is veroorzaakt door de exploitatie en deze schade dient te vergoeden. Zoals op een vergelijkbare vraag van de CDA-fractie is aangegeven, biedt artikel 46 van de Mijnbouwwet de mogelijkheid om ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade die naar redelijke schatting ontstaat door beweging van de aardbodem als gevolg van het winnen van delfstoffen financiële zekerheid te verlangen van de vergunninghouder. Tot het vragen van een dergelijke zekerheid zal worden overgegaan indien twijfel bestaat omtrent diens financiële capaciteit om schade als gevolg van zijn mijnbouwactiviteiten te vergoeden.

7. Driemijlszone

De leden van de VVD-fractie vroegen waarom de grens tussen onshore- en offshore te verschuiven van 3 tot 12 zeemijlen. In de reactie op het rapport van de OVV heeft het Kabinet aangegeven het veiligheidsbelang meer expliciet in de Mijnbouwwet op te willen nemen, met name in de bepalingen omtrent het winningsplan. Het wetsvoorstel scherpt daarom de eisen aan waaraan een winningsplan moet voldoen en welke informatie er in het winningsplan moet staan. Verder worden de gronden voor weigering, wijziging en intrekking van een instemming met een winningsplan aangevuld. Om ook in het kustgebied het veiligheidsbelang explicieter te borgen wordt voorgesteld de grens tussen land- en zeezijde te verleggen van drie naar twaalf mijl uit de kust en daarmee de reikwijdte van de bepalingen voor winningsplannen uit te breiden. Vanwege de mogelijke gevolgen van de winning voor het kustgebied zullen daarom ook in winningsplannen die (mede) betrekking hebben op gebieden die liggen tussen de drie en twaalf mijl uit de kust de risico’s van de (wijze van) winning moeten worden beschreven voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan met daarbij een risicobeoordeling van de mogelijke gevolgen voor omwonenden en het milieu en de wijze waarop deze gevolgen kunnen worden beperkt. Om dezelfde reden – het veiligheidsbelang van het kustgebied – is de voorgestelde uitbreiding van de weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden ook van toepassing op winningsplannen die betrekking hebben op gebieden tussen drie en twaalf mijl uit de kust.

De leden van de fractie van de VVD vroegen naar de gevolgen voor de huidige en de toekomstige mijnbouwactiviteiten in het gebied dat van offshore nu verandert in onshore. De voorgestelde verschuiving van de begrenzing tussen land- en zeezijde heeft geen directe gevolgen heeft voor bestaande mijnbouwactiviteiten. Verleende vergunningen en gegeven instemmingen met winningsplannen hoeven hierdoor niet te worden gewijzigd. Wel is het zo dat na de datum van inwerkingtreding van het desbetreffende artikel in de Mijnbouwwet een reeds verleende instemming met een winningsplan geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken of gewijzigd, indien dit wordt gerechtvaardigd door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake het veiligheidsbelang en het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen. Door het opschuiven van de grens tussen land- en zeezijde gaat dit ook gelden voor winningsplannen voor gebieden tot twaalf mijl uit de kust. In het uiterste geval dat ook na herziening van het winningsplan het risico voor omwonenden en de kans op ernstige schade zodanig groot is dat niet verwacht kan worden dat er instemming met het gewijzigde winningsplan mogelijk is, dan kan uiteindelijk tot intrekking van de winningsvergunning worden besloten. Op nieuwe winningsplannen of wijziging van bestaande winningsplannen zullen de aangescherpte eisen direct worden toegepast. Dat houdt in dat voor het gebied waarvoor het nieuwe of gewijzigde winningsplan geldt een risicobeoordeling moet worden gemaakt van de voorgenomen wijze van winning en dat daarop de aangescherpte toetsings- en weigeringsgronden van toepassing zijn.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de redenen van het verschuiven van de grens tussen onshore- en offshore van 3 mijl van de kust naar 12 mijl en de gevolgen hiervan. Voor een antwoord op deze vraag wordt kortheidshalve verwezen naar de antwoorden op soortgelijke vragen van de leden van de fractie van de VVD hierboven.

De leden van de D66-fractie vroegen om een toelichting op de verschuiving van de grens tussen onshore en offshore van 3 mijl van de kust naar 12 mijl van de kust en de gevolgen hiervan. Voor een antwoord op deze vragen wordt kortheidshalve verwezen naar een antwoord op soortgelijke vragen van de leden van de fractie van de VVD eerder in deze paragraaf.

8. Retributie

De leden van de CDA-fractie vroegen waarom ervoor is gekozen om voor mijnbouwbedrijven een retributiesysteem in te voeren. Het doorberekenen van kosten aan mijnbouwbedrijven past in het kabinetsbeleid om de kosten van overheidstoezicht waar mogelijk te verhalen op degenen die hiervan profiteren (profijtbeginsel). Het profijtbeginsel houdt in dat individuele (rechts)personen of groepen van (rechts)personen op basis van specifieke onderscheidende criteria aanwijsbaar zijn die in substantiële mate profijt hebben bij toezicht en handhaving door de overheid. Het toezicht op mijnbouwbedrijven draagt bij aan de veiligheid van mijnbouwbedrijven en beperkt het risico op ernstige ongevallen en schade. Het betreft een duidelijk te omschrijven groep van rechtspersonen die zich onderscheidt van andere ondernemingen en die voordeel heeft van het toezicht door de overheid.

Dezelfde leden vroegen in hoeverre het doel om zoveel mogelijk kosten door te berekenen aan bedrijven aansluit bij de uitgangspunten van «Maat houden». Het rapport «Maat houden» 2014 staat toe dat de integrale kosten in rekening worden gebracht als deze voldoende individualiseerbaar zijn. Bij kosten voor de behandeling van aanvragen, instemmingen, ontheffingen, of meldingen door deze bedrijven en het toezicht hierop is dit het geval. Behalve de kosten die de Minister zelf maakt voor het beoordelen en afgeven van deze vergunningen, instemmingen en de toetsing van meldingen gaat het om de kosten van SodM voor de advisering hierover en het toezicht hierop. Daarnaast verleent SodM namens de Minister ook ontheffingen.

Kosten, gemaakt voor het verstrekken van adviezen en het beoordelen van risico’s die niet gerelateerd zijn aan een aanvraag om een vergunning of instemming alsmede sanctiebesluiten worden niet aan de doelgroep en niet aan individuele bedrijven doorberekend. Reden hiervan is dat doorberekening van voornoemde kosten niet aansluit bij de uitgangspunten van «Maat houden».

De leden van de CDA-fractie vroegen op welke wijze bij de inrichting en de wijziging van het retributiestelsel het systeemprofijt van de verschillende bedrijven aan wie kosten worden doorberekend is vastgesteld. Een groot deel van de kosten voor retributie voor de bedrijven heeft betrekking op aanvragen, meldingen of verzoeken van individuele bedrijven. Deze kosten zijn individualiseerbaar en worden doorberekend aan de aanvrager. Behalve de kosten voor het beoordelen en verstrekken van deze aanvragen, meldingen en kennisgevingen maakt SodM ook kosten voor het toezicht op de naleving van deze vergunningen, kennisgevingen et cetera en het toezicht op de naleving van wettelijke bepalingen. Volgens de uitgangspunten van het rapport «Maat houden» kunnen retributies ook bij een groep van ondertoezichtgestelden worden geheven, omdat de groep in substantiële mate profijt ondervindt van toezicht op de groep. Dat is bij mijnbouw het geval. Het toezicht van SodM is gericht op het voorkomen van ongevallen en incidenten bij mijnbouwactiviteiten. Hiervan profiteren alle mijnbouwbedrijven in Nederland. Ook de hiervoor genoemde kosten van toezicht door SodM ter voorkoming van ongevallen en incidenten kunnen daarom worden doorberekend aan mijnbouwbedrijven. Bij algemene maatregel van bestuur zullen hiervoor nadere regels worden gesteld. De tarieven worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

De leden van de fractie van het CDA vroegen om een toelichting op welke wijze daarbij rekening gehouden is met de specifieke onderscheidende criteria die zijn gebruikt om de desbetreffende groep van onder toezicht gestelden af te bakenen, zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt inzake de doorberekening van handhavingskosten (Kamerstukken II 2013/14, 24 036, nr. 407).

Verder vroegen deze leden op welke wijze bij de inrichting van het retributiestel rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het desbetreffende domein, de doelgroep die daarin opereert, de beleidsdoelstellingen, de samenwerking met andere toezichthouders en de gehanteerde toezichtsvisie.

In de afgebakende groep gaat het om een groep van bedrijven die een duidelijk profijt hebben bij het toezicht. De aard van de activiteiten brengt dusdanige risico’s voor de veiligheid met zich mee dat de overheid genoodzaakt is tot het houden van intensief toezicht, met hoge kosten als gevolg. De onderscheidende criteria zijn getoetst en hebben tot de conclusie geleid dat het aantal partijen binnen het systeem niet heel groot is, het product of de dienst gelijksoortig is en er gelijke belangen aanwezig zijn binnen de groep. Hierbij is vastgesteld dat de groep die het systeem omvat op basis van objectieve criteria is af te bakenen, het duidelijk is dat de groep profijt heeft, het verschil in genoten profijt tussen de verschillende groepsleden niet te groot is en dat ondertoezichtgestelden zich niet gemakkelijk aan de groep kunnen onttrekken.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de toezichthouder en mijnbouwbedrijven in overleg te gaan over de doelstellingen en voorwaarden van de introductie van dit retributiesysteem. Bij de uitwerking van de algemene maatregel van bestuur en de ministeriële regeling waarin de tarieven worden vastgesteld zal ik overleg voeren met SodM en met de mijnbouwbedrijven. Het gaat dan om de wijze van doorrekening. De doelstellingen betreffen het profijtbeginsel en geven invulling aan het kabinetsbeleid hieromtrent, en staan als zodanig niet ter discussie.

Dezelfde leden vroegen om dit overleg af te wachten voordat de in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen bepalingen over retributie in werking kunnen treden. Zoals in het vorige antwoord aangegeven zal ik de toezichthouder en de mijnbouwbedrijven betrekken bij de uitwerking van de amvb en de ministeriële regeling. Ik streef er naar om dit besluit en de regeling gelijktijdig met de wijzigingen in de Mijnbouwwet in werking te laten treden.

De leden van de PVV-fractie vroegen in hoeverre het gebruikelijk is in andere landen dat mijnbouwexploitanten zelf voor het toezicht moeten betalen. Ook andere landen vorderen kosten voor het toezicht terug van vergunninghouders, exploitanten en eigenaren van mijnbouwwerken. Een rondvraag, door SodM, bij onder andere landen rond de Noordzee heeft geresulteerd in de volgende informatie: Denemarken berekent 60% van de kosten van de bevoegde autoriteit door aan ondernemingen, Ierland 100% en het Verenigd Koninkrijk 60%. Ook vroegen de leden hoe dit in andere sectoren is geregeld. Bedrijven moeten in Nederland vaker betalen voor onder andere het aanvragen van vergunningen. Voor vergunningverlening in het kader van de Kernenergiewet is de aanvrager een vergoeding verschuldigd aan de overheid. Dit geldt ook voor bepaalde onderdelen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Daarnaast zijn deze leden benieuwd in hoeverre dit de onafhankelijkheid van de toezichthouder ten goede komt. SodM is niet betrokken bij de inning van bedragen vallende onder retributie; de Ministerie van Economische Zaken zal de hiervoor verschuldigde bedragen innen van de ondernemingen. In het wetsvoorstel is verder bepaald, dat de geïnde vergoeding toekomt aan de Staat der Nederlanden en niet aan SodM.

9. Regeldruk en andere bedrijfseffecten

Met de constatering dat dit wetsvoorstel resulteert in meer regeldruk vroegen de leden van de PVV-fractie naar de mogelijkheden om deze te verminderen. Om, mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de OVV, het aspect veiligheid beter en explicieter te betrekken bij de beoordeling van (aanvragen voor) vergunningen en instemmingen met winningsplannen is het onvermijdelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de informatie die door vergunninghouders zal moeten worden verstrekt. Bezien in het licht van het veiligheidsbelang is de nieuwe regelgeving noodzakelijk, aanvaardbaar en proportioneel.

II. ARTIKELEN

Onderdeel B

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen waarom gekozen is voor de formulering dat een winningsvergunning «kan worden geweigerd» op grond van onder meer veiligheidsbelangen en stellen voor om te kiezen voor «wordt geweigerd». Bij de formulering van de weigeringsgrond voor de winningsvergunning is van belang dat zich bij iedere vorm van winning in meerdere of mindere mate een veiligheidsrisico voordoet. Of zich een veiligheidsrisico voordoet is een beoordeling van de situatie in het concrete geval. Met de formulering dat een winningsvergunning geheel of gedeeltelijk kan worden geweigerd wordt tot uitdrukking gebracht dat de Minister kan beoordelen of een risico zich in het concrete geval van een aanvraag om winning voordoet en of dat risico hoger of lager is dan het aanvaardbare niveau.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen op welke manier duidelijk wordt op grond van welke gegevens van de aanvrager een beslissing wordt genomen. Deze vraag gaat over de gegevens die bij de aanvraag worden overgelegd. Krachtens artikel 49 van de Mijnbouwwet en artikel 7 van het Mijnbouwbesluit zijn in de artikelen 1.3.1 tot en met 1.3.11 van de Mijnbouwregeling regels gesteld voor de aanvraag van een opsporings-, winnings- en opslagvergunning. Het voornemen is om de Mijnbouwregeling te wijzigen en aanvullende gegevens te vragen, indien het wetsvoorstel kracht van wet krijgt.

Verder vroegen de leden van de fractie van de ChristenUnie of een beoordeling plaats kan vinden op grond van «beschikbare gegevens». Dit is niet het geval. Het beginsel van de rechtszekerheid verlangt dat de wetgever vooraf kenbaar maakt welke gegevens door de aanvrager moeten worden overgelegd. Delegatie naar algemene maatregel van bestuur of regeling is mogelijk en gebruikelijk. Niettemin worden ook in dat geval de regels vooraf gesteld.

De leden van de fractie van de christenUnie vroegen welke gegevens nodig zijn om een goede afweging te kunnen maken. Voor een goede afweging is een beoordeling van het veiligheidsrisico nodig. Dit kan door een risicobeoordeling. Een risicobeoordeling bestaat uit een wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde beoordeling die bestaat uit een gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingsschatting en risicokarakterisatie. SodM toetst de risicobeoordeling, kan zo nodig onderzoek laten verrichten naar de voorgelegde risicobeoordelingen en de Minister kan daarover gevraagd en ongevraagd adviseren (Artikel I, onderdeel T van het wetsvoorstel).

Onderdeel T

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen waarom niet ook andere delfstoffen, zoals zout worden genoemd. Artikel 127, eerste lid, onderdelen f tot en k, zijn materieel gelijk aan het met artikel I, onderdeel J, gewijzigde artikel 127, tweede lid, onderdelen a, b, d tot en met g, van het bij de Eerste Kamer voorliggende wetsvoorstel voor de implementatie van EU-richtlijn 2013/30. Inhoudelijke wijziging van de door de Tweede Kamer voor de implementatie van die richtlijn vastgestelde bepalingen is niet overwogen.

Artikel III

Het advies van de RvS betreft, naar mening van de SP-fractieleden, slechts enkele formele aspecten van het wetsvoorstel. Voor de eigenlijke advisering is, zo merkten de SP-fractieleden op, het advies van de Afdeling d.d. 7 oktober 2015 van belang (TK 34 348). De leden van de SP-fractie vroegen in dat verband naar de motivering voor belangrijke afwijkingen van het wetsvoorstel ten opzichte van amendement 35 van het lid Smaling. De leden van de SP-fractie wezen erop dat de Minister de voorlichting van de Raad van State over een geclausuleerde informatieplicht heeft overgenomen. De leden van de SP-fractie achten dit volstrekt onvoldoende om af te wijken van amendement 35. Zij zijn van mening dat een vertekend beeld wordt gegeven van het geldende recht, met inbegrip van Internationale verdragen (o.m. Verdrag van Aarhus, 1998). De leden van de SP-fractie merkten op dat de artikelen 10 en 11 van de Wob uitzonderingen bevatten voor emissies in het milieu en dat ook trillingen onder dat begrip kunnen vallen. Naar mening van de leden van de SP-fractie miskent de Afdeling dat ons recht in de Grondwaterwet 1984 een vergelijkbare regeling kent. De leden van de SP-fractie wezen verder naar het buitenlands recht, met name het Duitse recht, dat naar mening van deze leden goede voorbeelden van een ongeclausuleerde informatieplicht op milieugebied geeft.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel veiligheid en regie licht, zoals gebruikelijk, de wijzigingen toe die worden voorgesteld ten opzichte van de geldende Mijnbouwwet. Bij brief van 16 november 2015 aan de Eerste Kamer inzake de voorlichting van de Raad van State (Kamerstukken I 2015/16, 340141, C, bijlage, blz. 17) heb ik mijn appreciatie gegeven van amendement nr. 35. In overeenstemming met die brief is in artikel III van dit wetsvoorstel een zevende lid toegevoegd aan artikel 177 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek met verwijzing naar de artikelen 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur. Dit is in overeenstemming met uiteenzetting van de afdeling advisering van de Raad van State over het toepasselijke nationale en Europese recht, waaronder de Europese milieu-informatierichtlijn, richtlijn 2003/4/EG van het Europees parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/ EEG van de Raad (PbEG 2003, L 41), dat is gebaseerd op het Verdrag van Aarhus. De Europese milieu-informatierichtlijn en het Verdrag van Aarhus zijn geïmplementeerd in de artikelen 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur. Zoals de leden van de SP-fractie opmerkten, geeft artikel 10, vierde lid, van de Wob een specifieke regeling voor emissies in het milieu. Trillingen zijn een vorm van emissie. Artikel 10, vierde lid, van de Wob stelt dat informatie over emissies naar het milieu onder de in dat artikel genoemde voorwaarden altijd verstrekt wordt. Deze bepaling is onverminderd van kracht. Artikel III van het wetsvoorstel regelt met de toevoeging van het zevende lid dat bij schadegevallen een afweging wordt gemaakt die overeenkomt met de artikelen 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur. Informatie over trillingen die aan artikel 10, vierde lid, van de Wob voldoet, zal dan ook verstrekt worden, omdat deze informatie altijd verstrekt behoort te worden. Daarmee is de voorgestelde wijziging in overeenstemming met de milieu-informatierichtlijn en het Verdrag van Aarhus, zoals ik met de leden van de SP-fractie voorsta.

De leden van de fractie van de SP vroegen naar de openbaarheid van informatie van een exploitant en refereerden aan een eerder ingediende amendement om de positie van de degene die schade heeft ten gevolge van mijnbouwactiviteiten te versterken (Kamerstukken II 2014/15, 34 041, nr. 35). Met de leden van de SP-fractie kan geoordeeld worden dat het Verdrag van Aarhus, de milieu-informatierichtlijn (EG-richtlijn 2003/4), de artikelen 10 en 11 van de Wob en de uitleg van het begrip emissies in de Wet milieubeheer ertoe leiden dat milieu-informatie over trillingen die een mijnbouwexploitant of een overheid bekend is, behoort te worden overgelegd. Artikel III voorziet daarom in toevoeging van een zevende lid in artikel 177 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Dit zevende lid bepaalt dat de artikelen 10 en 11 van de Wob, waaronder het door de leden van de SP-fractie genoemde artikel 10, vierde lid, van de Wob, onverminderd van kracht zijn. Artikel 10, vierde lid, is geclausuleerd conform het Verdrag van Aarhus en de milieu-informatierichtlijn. Een geclausuleerd informatierecht is ook volgens het Europees verdrag voor de rechten van de mens gerechtvaardigd nu artikel 8 van dat verdrag aan ondernemingen een eigen recht tot eerbiediging van privéleven geeft (Delta pekárny a.s. versus de republiek Tsjechïe, uitspraak van 2-1-2015, onder nr. 97/11). Artikel 6, vierde lid, van de Koolwaterstoffenrichtlijn bepaalt dan ook dat informatie over toekomstige of reeds bestaande bronnen niet aan anderen dan de overheid behoeft te worden verstrekt. Immers, openbaring van informatie kan vanwege de koersgevoeligheid zelfs het voortbestaan van een onderneming bedreigen. De artikelen 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur houden rekening met het belang van de onderneming in afweging met alle andere belangen die in deze artikelen zijn genoemd, zoals het belang van het openbaar maken van milieu-informatie. In het geval van milieu-informatie over emissies (artikel 10, vierde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur) geldt, zoals de leden van de SP-fractie stellen, dat die informatie altijd verstrekt moet worden. Deze evenwichtige regeling is in overeenstemming met het internationale recht.

De leden van de SP-fractie vroegen op welke wijze het amendement nr. 35 van Smaling volgens het in de tekst gestelde uitgevoerd gaat worden.

Artikel III van het wetsvoorstel geeft een specifieke regeling voor de met het amendement Smaling aangesneden problematiek. Zoals de leden van de SP-fractie betoogden geven de artikelen 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur een regeling over milieu-informatie. Deze regeling is de Nederlandse implementatie van de Europese milieu-informatierichtlijn en het Verdrag van Aarhus. Deze informatieverplichting is geclausuleerd met uitzondering van de informatie, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur. Met artikel III is bepaald dat om gewichtige redenen het verstrekken van informatie achterwege kan blijven (zesde lid). De belangenafweging in het zevende lid en de aldaar genoemde artikelen 10 en 11 van de Wob, waaronder de expliciete bepaling artikel 10, vierde lid van de Wob, over milieu-informatie bij emissies in het milieu, geeft de rechter ruimte om een afweging te maken tussen het belang van de benadeelde en het belang van de exploitant. Hiermee kan de rechter komen tot de door de leden van de SP-fractie en de Minister beoogde fair trial.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Bijlage 1

Overzicht Opsporingsvergunningen Koolwaterstoffen per 1 januari 2016 (Land)
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staatscourant

1

ENGIE E&P Nederland B.V.

SCHIERMONNIKOOG-NOORD

62

5-6-2013

16-7-2017

16234

 

Rosewood Exploration Ltd.

         
             

2

Tulip Oil Netherlands B.V.

SCHAGEN

355

20-6-2009

31-7-2016

118

 

PA Resources UK Ltd.

         
             

3

Tulip Oil Netherlands B.V.

TERSCHELLING-NOORD

23

30-7-2013

 

22215

             

4

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

AKKRUM

210

14-3-2013

24-4-2017

10461

             

5

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

ENGELEN

97

14-10-2009

23-11-2016

16878

             

6

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

FOLLEGA

3

15-6-2010

25-7-2017

9426

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

7

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

HEMELUM

450

17-1-2012

26-2-2017

1490

             

8

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

IJSSELMUIDEN

447

17-1-2014

27-2-2018

1958

             

9

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

LEMSTERLAND

111

15-6-2010

25-7-2017

9427

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

10

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

OOSTERWOLDE

127

20-4-2007

23-11-2016

83

             

11

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

OPMEER

229

19-12-2012

18-12-2018

205

             

12

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

UTRECHT

1.144

26-4-2007

23-11-2016

85

   

12

3.259

     
Overzicht Winningsvergunningen Koolwaterstoffen per 1 januari 2016 (Land)
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staatscourant

1

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

BEIJERLAND

140

14-2-1997

14-2-2027

243

             

2

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

BOTLEK II

232

4-3-2014

19-7-2026

7445

             

3

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

DE MARNE

7

4-10-1994

4-10-2034

189

 

ExxonMobil Producing Netherlands B.V.

         
             

4

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

DRENTHE IIB

1.881

17-3-2012

 

6883

             

5

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

GRONINGEN

2.970

30-5-1963

 

126

             

6

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

HARDENBERG

161

22-10-1990

22-10-2035

149

             

7

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

MIDDELIE

946

12-5-1969

 

94

             

8

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

NOORD-FRIESLAND

1.593

27-2-1969

 

47

 

ExxonMobil Producing Netherlands B.V.

         
             

9

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

RIJSWIJK

2.090

3-1-1955

 

21

             

10

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

ROSSUM-DE LUTTE

46

12-5-1961

 

116

             

11

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

SCHOONEBEEK

930

3-5-1948

 

110

             

12

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

TIETJERKSTERADEEL

411

27-2-1969

 

47

             

13

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

TUBBERGEN

177

11-3-1953

 

80

             

14

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

TWENTHE

276

1-4-1977

 

26

             

15

Oranje-Nassau Energie B.V.

BOTLEK-MAAS

3

4-3-2014

19-7-2026

7445

 

Energy06 Investments B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

16

TAQA Onshore B.V.

BERGEN II

221

23-12-2006

 

232

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
             

17

TAQA Onshore B.V.

BERGERMEER

19

23-12-2006

 

232

             

18

TAQA Piek Gas B.V.

ALKMAAR

12

23-12-2006

 

232

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
             

19

Tulip Oil Netherlands B.V.

AKKRUM 11

6

26-7-2012

4-4-2025

6909

             

20

Tulip Oil Netherlands B.V.

DONKERBROEK

22

4-4-1995

4-4-2025

66

             

21

Tulip Oil Netherlands B.V.

DONKERBROEK-WEST

2

16-3-2011

4-4-2025

4902

             

22

Tulip Oil Netherlands B.V.

MARKNESSE

19

26-1-2010

9-3-2030

1446

             

23

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

ANDEL Va

61

5-8-2015

29-12-2038

 
 

Parkmead (E&P) Ltd.

         
             

24

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

ANDEL Vb

164

5-8-2015

29-12-2038

 
 

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

         
 

Parkmead (E&P) Ltd.

         
             

25

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

DRENTHE IIA

7

17-3-2012

 

6883

             

26

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

DRENTHE IIIA

1

17-3-2012

 

6885

             

27

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

DRENTHE IV

7

18-7-2007

 

140

 

Parkmead (E&P) Ltd.

         
             

28

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

DRENTHE V

25

20-6-2015

   
 

Parkmead (E&P) Ltd.

         
             

29

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

DRENTHE VI

363

20-6-2015

   
 

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

         
 

Parkmead (E&P) Ltd.

         
             

30

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

GORREDIJK

629

29-7-1989

29-7-2024

145

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

31

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

LEEUWARDEN

614

27-2-1969

 

46

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

32

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

OOSTEREND

92

5-9-1985

 

84

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

33

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

PAPEKOP

63

8-6-2006

19-7-2031

113

 

Parkmead (E&P) Ltd.

         
             

34

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

SLOOTDORP

162

1-5-1969

 

94

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

35

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

STEENWIJK

99

16-9-1994

16-9-2029

177

             

36

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

WAALWIJK

186

17-8-1989

17-8-2024

154

 

Gas Storage Ltd.

         
 

Overseas Gas Storage Ltd.

         
             

37

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

ZUID-FRIESLAND III

105

9-3-2010

19-4-2030

4016

             

38

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

ZUIDWAL

225

7-11-1984

 

190

 

Lundin Netherlands B.V.

         
   

38

14.966

     
Overzicht Opsporingsvergunningen Koolwaterstoffen per 1 januari 2016 (Zee)
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staatscourant

1

Dana Petroleum Netherlands B.V.

F06b

390

7-4-2009

18-5-2016

70

 

Dyas B.V.

         
 

Tulip Oil Netherlands B.V.

         
             

2

ENGIE E&P Nederland B.V.

D09 & E07

548

4-9-2015

16-10-2019

27592

             

3

ENGIE E&P Nederland B.V.

E10

401

16-1-2008

31-12-2017

13

 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

4

ENGIE E&P Nederland B.V.

E11

401

22-4-2009

31-12-2017

84

 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

5

ENGIE E&P Nederland B.V.

E14

403

15-1-2008

31-12-2017

12

 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

6

ENGIE E&P Nederland B.V.

E15c

343

22-4-2008

31-12-2017

78

 

Gas Plus Netherlands B.V.

         
 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

7

ENGIE E&P Nederland B.V.

E18b

192

11-1-2008

31-12-2017

10

 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

8

ENGIE E&P Nederland B.V.

K01c

274

22-11-2011

3-1-2018

21372

 

Total E&P Nederland B.V.

         
             

9

ENGIE E&P Nederland B.V.

Q13b

369

1-5-2015

8-5-2019

13281

             

10

Hansa Hydrocarbons Limited

G18

405

18-9-2012

29-10-2018

23464

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
             

11

Hansa Hydrocarbons Limited

H16

73

18-9-2012

29-10-2018

23463

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
             

12

Hansa Hydrocarbons Limited

M03

406

18-9-2012

29-10-2018

23462

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
             

13

Hansa Hydrocarbons Limited

N01

217

18-9-2012

29-10-2018

23460

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
             

14

Hansa Hydrocarbons Limited

N04

381

14-3-2015

17-4-2020

6003

             

15

Hansa Hydrocarbons Limited

N05

14

14-3-2015

17-4-2020

6003

             

16

Hansa Hydrocarbons Limited

N08

34

14-3-2015

17-4-2020

6003

             

17

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

J09

18

11-4-2014

27-5-2016

10508

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

18

Oranje-Nassau Energie B.V.

F09a

86

22-11-2011

2-1-2017

784

             

19

Oranje-Nassau Energie B.V.

L11c

179

23-11-2010

 

18884

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
             

20

Oranje-Nassau Energie B.V.

M02a

134

22-11-2011

2-1-2017

1486

 

Energy06 Investments B.V.

         
             

21

Oranje-Nassau Energie B.V.

M04a

209

21-9-2010

2-1-2017

14900

 

Energy06 Investments B.V.

         
             

22

Petrogas E&P Netherlands B.V.

A12b & B10a

79

16-4-2005

 

77

 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

23

Petrogas E&P Netherlands B.V.

B16a

67

11-5-1987

 

70

 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

24

Petrogas E&P Netherlands B.V.

B17a

80

2-6-1987

 

70

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

25

Sterling Resources Netherlands B.V.

F17a-ondiep

386

30-12-2009

31-12-2016

154

 

Petro Ventures Netherlands B.V.

         
             

26

Sterling Resources Netherlands B.V.

F18-ondiep

404

30-12-2009

31-12-2016

152

 

Petro Ventures Netherlands B.V.

         
             

27

TAQA Offshore B.V.

P18b

311

24-3-2012

1-1-2017

6865

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
             

28

Tulip Oil Netherlands B.V.

M10a & M11

110

28-7-2007

30-6-2017

152

             

29

Tulip Oil Netherlands Offshore B.V.

Q07

419

16-1-2008

26-2-2017

13

             

30

Tulip Oil Netherlands Offshore B.V.

Q10a

53

6-8-2008

26-2-2017

155

             

31

Wintershall Noordzee B.V.

D12b

41

25-2-2011

7-4-2016

5287

 

GAZPROM International UK Ltd.

         
 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
             

32

Wintershall Noordzee B.V.

F10

401

19-12-2014

30-1-2019

36868

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
             

33

Wintershall Noordzee B.V.

F11

401

19-12-2014

30-1-2019

36868

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
             

34

Wintershall Noordzee B.V.

F14

403

10-4-2015

20-11-2018

11794

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

35

Wintershall Noordzee B.V.

F17a-diep

386

30-12-2009

 

154

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

36

Wintershall Noordzee B.V.

F18-diep

404

30-12-2009

20-11-2016

152

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
             
   

36

9.422

     
Overzicht Winningsvergunningen Koolwaterstoffen per 1 januari 2016 (Zee)
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staatscourant

1

Centrica Production Nederland B.V.

B18a

40

10-10-1985

10-10-2025

182

             

2

Centrica Production Nederland B.V.

F03a

62

13-12-2007

9-9-2022

245

             

3

Centrica Production Nederland B.V.

J03b & J06

126

6-11-1992

6-11-2032

219

 

Dyas B.V.

         
 

Total E&P Nederland B.V.

         
             

4

Dana Petroleum Netherlands B.V.

F02a

307

24-8-1982

24-8-2022

139

 

Dyas B.V.

         
 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

5

Dana Petroleum Netherlands B.V.

P10a

5

31-5-2005

11-7-2020

102

             

6

Dana Petroleum Netherlands B.V.

P10b

100

7-4-2009

19-5-2019

70

             

7

Dana Petroleum Netherlands B.V.

P11b

210

3-4-2004

14-5-2019

67

             

8

Dana Petroleum Netherlands B.V.

P14a

50

23-6-1992

23-6-2032

99

 

Tulip Oil Netherlands B.V.

         
             

9

Dutch Gas Development B.V.

L12c

30

6-8-2008

12-3-2030

155

 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

10

Dutch Gas Development B.V.

L12d

225

25-9-2008

14-3-2030

189

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

11

Dutch Gas Development B.V.

L15d

62

6-8-2008

12-3-2030

155

 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

12

ENGIE E&P Nederland B.V.

D15

247

6-9-1996

6-9-2021

138

 

Faroe Petroleum (UK) Ltd.

         
 

Wintershall oordzee B.V.

         
             

13

ENGIE E&P Nederland B.V.

D18a

58

29-8-2012

9-10-2032

19757

 

Faroe Petroleum (UK) Ltd.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

14

ENGIE E&P Nederland B.V.

E16a

29

29-6-2007

9-8-2021

128

 

Lundin Netherlands B.V.

         
 

Total E&P Nederland B.V.

         
           

15

ENGIE E&P Nederland B.V.

E17a & E17b

114

28-6-2007

8-8-2021

128

 

Lundin Netherlands B.V.

         
 

Total E&P Nederland B.V.

         
             

16

ENGIE E&P Nederland B.V.

F03b

335

13-12-2007

9-9-2022

245

 

TAQA Offshore B.V.

         
             

17

ENGIE E&P Nederland B.V.

G14 & G17b

441

15-12-2006

14-12-2019

248

 

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

18

ENGIE E&P Nederland B.V.

G16a

224

6-1-1992

6-1-2032

245

             

19

ENGIE E&P Nederland B.V.

G16b

5

11-10-2003

6-1-2032

198

             

20

ENGIE E&P Nederland B.V.

G17a

237

19-7-2006

14-12-2019

143

             

21

ENGIE E&P Nederland B.V.

G17c & G17d

130

10-11-2000

10-11-2025

188

 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

22

ENGIE E&P Nederland B.V.

K02b

110

20-1-2004

24-8-2023

16

             

23

ENGIE E&P Nederland B.V.

K03a

83

24-8-1998

24-8-2023

122

             

24

ENGIE E&P Nederland B.V.

K03c

32

26-11-2005

6-1-2021

233

             

25

ENGIE E&P Nederland B.V.

K09a & K09b

211

11-8-1986

11-8-2026

129

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
 

XTO Netherlands Ltd.

         
             

26

ENGIE E&P Nederland B.V.

K09c

199

18-12-1987

18-12-2027

229

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
 

XTO Netherlands Ltd.

         
             

27

ENGIE E&P Nederland B.V.

K12

411

18-2-1983

18-2-2023

11

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Production North Sea Netherlands Ltd.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
 

XTO Netherlands Ltd.

         
             

28

ENGIE E&P Nederland B.V.

L04c

12

7-1-1994

7-1-2034

2

             

29

ENGIE E&P Nederland B.V.

L05a

163

15-3-1991

15-3-2031

55

             

30

ENGIE E&P Nederland B.V.

L10 & L11a

596

13-1-1971

1-1-2025

4

 

ENGIE E&P Participation Nederland B.V.

         
 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Rosewood Exploration Ltd.

         
 

XTO Netherlands Ltd.

         
             

31

ENGIE E&P Nederland B.V.

L12a

119

25-9-2008

14-3-2030

189

 

Delta Hydrocarbons B.V.

         
 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

32

ENGIE E&P Nederland B.V.

L12b & L15b

92

6-8-2008

12-3-2030

155

 

Dutch Gas Development B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

33

ENGIE E&P Nederland B.V.

L15c

4

7-9-1990

7-9-2030

172

             

34

ENGIE E&P Nederland B.V.

N07b

87

14-2-2015

9-3-2034

5845

 

Rosewood Exploration Ltd.

         
 

XTO Netherlands Ltd.

         
             

35

ENGIE E&P Nederland B.V.

Q13a

30

28-11-2006

28-12-2021

231

 

Aceiro Energy B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

36

Hansa Hydrocarbons Limited

N07c

87

14-2-2015

9-3-2034

5845

             

37

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

F17c

18

4-12-1996

4-12-2024

207

             

38

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

K07

408

8-7-1981

8-7-2021

120

             

39

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

K08 & K11

820

26-10-1977

26-10-2017

197

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

40

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

K14a

237

16-1-1975

31-12-2030

6

             

41

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

K15

412

14-10-1977

14-10-2017

197

             

42

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

K17

414

19-1-1989

19-1-2029

12

             

43

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

K18a

36

15-3-2007

9-5-2023

57

 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

44

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

L02

406

15-3-1991

15-3-2031

55

             

45

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

L09

409

18-9-2010

9-5-2035

14911

             

46

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

L13

413

26-10-1977

26-10-2017

197

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

47

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

M09a

213

10-4-1990

10-4-2030

56

 

ExxonMobil Producing Netherlands B.V.

         
             

48

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

N07a

141

23-12-2003

10-3-2034

252

             

49

Oranje-Nassau Energie B.V.

L11b

47

15-6-1984

15-6-2024

110

 

Energy06 Investments B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

50

Oranje-Nassau Energie B.V.

M01a

213

28-6-2007

8-8-2022

128

 

Energy06 Investments B.V.

         
             

51

Oranje-Nassau Energie B.V.

M07

409

22-3-2001

22-3-2021

19

 

Energy06 Investments B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

52

Oranje-Nassau Energie B.V.

P11a

210

23-9-2015

3-11-2025

45676

 

TAQA Offshore B.V.

         
             

53

Oranje-Nassau Energie B.V.

P18d

2

20-9-2012

31-10-2027

23457

 

Energy06 Investments B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

54

Oranje-Nassau Energie B.V.

Q16a

85

29-12-1992

29-12-2032

227

 

Lundin Netherlands B.V.

         
 

Total E&P Nederland B.V.

         
             

55

Oranje-Nassau Energie B.V.

Q16b & Q16c-diep

80

20-9-2012

31-10-2027

23465

 

Energy06 Investments B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

56

Oranje-Nassau Energie B.V.

S03a

2

20-9-2012

31-10-2027

23466

 

Energy06 Investments B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

57

Oranje-Nassau Energie B.V.

T01

1

20-9-2012

31-10-2027

23467

 

Energy06 Investments B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

58

Petrogas E&P Netherlands B.V.

A12a

195

1-7-2005

11-8-2025

129

 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

59

Petrogas E&P Netherlands B.V.

A12d

33

1-7-2005

11-8-2025

129

 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V

         
             

60

Petrogas E&P Netherlands B.V.

A15a

67

27-12-2011

3-2-2027

746

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
             

61

Petrogas E&P Netherlands B.V.

A18a

229

1-7-2005

11-8-2025

129

 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

62

Petrogas E&P Netherlands B.V.

A18c

47

1-7-2005

11-8-2025

125

 

Dyas B.V.

         
             

63

Petrogas E&P Netherlands B.V.

B10c & B13a

252

1-7-2005

11-8-2025

129

 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

64

Petrogas E&P Netherlands B.V.

P08a

26

21-10-2006

1-12-2021

214

 

Van Dyke Energy Company

         
             

65

Petrogas E&P Netherlands B.V.

P09a & P09b

126

16-8-1993

16-8-2033

127

 

Aceiro Energy B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

66

Petrogas E&P Netherlands B.V.

P09c

267

16-8-1993

16-8-2033

126

 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

67

Petrogas E&P Netherlands B.V.

Q01

416

11-7-1980

11-7-2020

110

 

TAQA Offshore B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

68

Petrogas E&P Netherlands B.V.

Q02c

32

14-7-1994

14-7-2034

18

 

Dyas B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

69

TAQA Offshore B.V.

P15a & P15b

220

12-7-1984

12-7-2024

110

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Van Dyke Netherlands Inc.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

70

TAQA Offshore B.V.

P15c

203

7-5-1992

7-5-2032

114

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

Wintershall Noordzee B.V.

         
             

71

TAQA Offshore B.V.

P18a

105

30-4-1992

30-4-2032

99

             

72

TAQA Offshore B.V.

P18c

6

2-6-1992

2-6-2032

99

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
             

73

Total E&P Nederland B.V.

F06a

8

9-9-1982

9-9-2022

139

 

Lundin Netherlands B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

74

Total E&P Nederland B.V.

F15a

233

6-5-1991

6-5-2031

52

 

Dyas B.V.

         
 

First Oil Expro Ltd.

         
 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

75

Total E&P Nederland B.V.

F15d

4

15-6-1992

15-6-2032

97

 

Dyas B.V.

         
 

First Oil Expro Ltd.

         
 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

76

Total E&P Nederland B.V.

J03a

72

12-1-1996

12-1-2036

22

 

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

         
             

77

Total E&P Nederland B.V.

K01a

83

10-2-1997

10-2-2022

46

 

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

         
             

78

Total E&P Nederland B.V.

K01b & K02a

75

20-6-2009

31-7-2022

11801

             

79

Total E&P Nederland B.V.

K02c

46

21-1-2004

7-11-2021

16

             

80

Total E&P Nederland B.V.

K03b

7

30-1-2001

30-1-2021

19

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

81

Total E&P Nederland B.V.

K03d

26

1-4-1999

1-4-2024

58

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

82

Total E&P Nederland B.V.

K04a

307

29-12-1993

29-12-2033

220

             

83

Total E&P Nederland B.V.

K04b & K05a

305

1-6-1993

1-6-2033

87

 

Dyas B.V.

         
 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

84

Total E&P Nederland B.V.

K05b

204

7-11-1996

7-11-2021

207

             

85

Total E&P Nederland B.V.

K06 & L07

817

20-6-1975

19-6-2020

112

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

86

Total E&P Nederland B.V.

L01a

31

12-9-1996

12-9-2016

135

 

Van Dyke Netherlands Inc.

         
             

87

Total E&P Nederland B.V.

L01d

7

13-11-1996

13-11-2016

207

             

88

Total E&P Nederland B.V.

L01e

12

13-11-1996

13-11-2018

207

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

89

Total E&P Nederland B.V.

L01f

17

14-1-2003

14-1-2033

235

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

90

Total E&P Nederland B.V.

L04a

313

30-12-1981

30-12-2021

230

 

Lundin Netherlands B.V.

         
             

91

Wintershall Noordzee B.V.

D12a

214

6-9-1996

6-9-2021

138

 

ENGIE E&P Participation Nederland B.V.

         
             

92

Wintershall Noordzee B.V.

E15a

39

4-10-2002

21-10-2032

175

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

93

Wintershall Noordzee B.V.

E15b

21

20-2-2008

1-4-2033

38

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

94

Wintershall Noordzee B.V.

E18a

212

4-10-2002

21-10-2032

175

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

95

Wintershall Noordzee B.V.

F13a

4

4-10-2002

21-10-2032

175

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
 

Tullow Exploration & Production Netherlands B.V.

         
             

96

Wintershall Noordzee B.V.

F16

404

4-10-2002

21-10-2032

175

 

ENGIE E&P Nederland B.V.

         
             

97

Wintershall Noordzee B.V.

K18b

155

15-3-2007

9-5-2023

57

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
 

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

         
             

98

Wintershall Noordzee B.V.

L05b

237

28-6-2003

9-8-2038

134

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
             

99

Wintershall Noordzee B.V.

L05c

8

3-12-1996

3-12-2016

209

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
             

100

Wintershall Noordzee B.V.

L06a

332

24-11-2010

4-1-2031

18 910

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
             

101

Wintershall Noordzee B.V.

L06b

60

1-7-2003

11-8-2038

134

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
             

102

Wintershall Noordzee B.V.

L08a

213

18-8-1988

18-8-2028

146

 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
 

TAQA Offshore B.V.

         
             

103

Wintershall Noordzee B.V.

L08b

181

17-5-1993

17-5-2033

78

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Oranje-Nassau Energie B.V.

         
             

104

Wintershall Noordzee B.V.

L16a

238

12-6-1984

12-6-2024

84

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
 

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

         
             

105

Wintershall Noordzee B.V.

P06

417

14-4-1982

14-4-2022

54

 

Dyas B.V.

         
 

Gas-Union GmbH

         
             

106

Wintershall Noordzee B.V.

P12

421

8-3-1990

8-3-2030

27

 

Dyas B.V.

         
 

Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V.

         
             

107

Wintershall Noordzee B.V.

Q04

417

2-12-1999

2-12-2019

228

 

Dutch Gas Development B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
             

108

Wintershall Noordzee B.V.

Q05d

20

15-2-2001

15-2-2021

19

 

Delta Hydrocarbons B.V.

         
 

Dyas B.V.

         
             
   

108

18.632

     
Overzicht Opslagvergunningen per 1 januari 2016
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staats-

courant

Opslag van

1

Akzo Nobel Salt B.V.

TWENTHE-RIJN DE MARSSTEDEN

2

2-10-2010

12-11-2040

15650

gasolie

               

2

Akzo Nobel Salt B.V.

WINSCHOTEN III

28

15-11-2010

13-5-2079

18321

stikstof

               

3

N.V. Nederlandse Gasunie

WINSCHOTEN II

< 1

15-11-2010

13-5-2079

18321

stikstof

               

4

N.V. Nederlandse Gasunie

ZUIDWENDING

1

11-4-2006

11-4-2036

77

aardgas

 

Akzo Nobel Salt B.V.

           
 

Gasunie Zuidwending B.V.

           
 

Gasunie Underground Storage B.V.

           
               

5

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

GRIJPSKERK

27

1-4-2003

 

67

aardgas

               

6

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

NORG

81

1-4-2003

 

68

aardgas

               

7

Oasen N.V.

RIDDERKERK

1

19-12-2012

29-1-2018

7641

zout water

               

8

TAQA Onshore B.V.

BERGERMEER

19

8-1-2007

30-6-2050

7

aardgas

               

9

TAQA Offshore B.V.

P18–4

11

1-1-2017

31-12-2024

21233

kooldioxide

               

10

TAQA Piek Gas B.V.

ALKMAAR

12

1-4-2003

 

68

aardgas

 

Dana Petroleum Netherlands B.V.

           
 

Dyas B.V.

           
               
   

10

183

       
Overzicht Opsporingsvergunningen Aardwarmte per 1 januari 2016
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staatscourant

1

A.P.M. Ammerlaan

BLEISWIJK 4

7

23-6-2009

31-12-2016

9944

 

G.J.M. Kleijweg

         
             

2

A-ware Production B.V.

HEERENVEEN

46

28-10-2014

8-12-2018

31141

             

3

Ammerlaan Real Estate B.V.

PIJNACKER-NOOTDORP 4a

4

26-8-2015

 

30241

             

4

Bernhard Plantenkwekerij B.V.

LUTTELGEEST

72

8-4-2014

19-5-2018

11152

 

ECL Netwerk B.V. / Stichting Nieuwland

         
             

5

A en G van den Bosch B.V.

LANSINGERLAND 4

6

27-9-2014

7-11-2018

28237

             

6

Grondexploitatiemaatschappij Californië B.V.

CALIFORNIE VI

63

1-10-2015

30-12-2018

34771

             

7

Ce-Ren Beheer B.V.

HEEMSKERK

2

9-12-2009

 

19198

             

8

Ce-Ren Beheer B.V.

HEEMSKERK 2

< 1

27-9-2013

 

27660

             

9

Duurzaam Voorne Holding B.V.

OOSTVOORNE

17

9-3-2010

31-12-2017

4013

             

10

Gebroeders Duijvestijn Energie B.V.

PIJNACKER-NOOTDORP 5a

5

26-8-2015

 

30241

             

11

E.ON Benelux N.V.

ROTTERDAM 4

20

18-12-2012

28-1-2017

208

             

12

E.ON Benelux N.V.

ROTTERDAM 5

39

18-12-2012

28-1-2017

733

             

13

ECW Geoholding B.V.

MIDDENMEER 2

15

13-10-2009

23-11-2017

15999

             

14

ECW Geoholding B.V.

MIDDENMEER

24

16-7-2009

31-5-2016

11070

             

15

Eneco Solar, Bio & Hydro B.V.

DEN HAAG 2

62

6-3-2012

16-4-2016

5165

             

16

Eneco Solar, Bio & Hydro B.V.

ROTTERDAM 2

26

18-12-2012

28-1-2017

206

             

17

Eneco Solar, Bio & Hydro B.V.

ROTTERDAM 3

2

18-12-2012

28-1-2017

203

             

18

Eneco Solar, Bio & Hydro B.V.

ROTTERDAM 6-TRIAS

13

4-7-2012

14-8-2016

18357

             

19

DDH Energy B.V.

LEEUWARDEN 2

14

1-4-2015

12-5-2019

10222

             

20

Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A.

NAALDWIJK 2II

4

1-5-2015

30-6-2016

13276

             

21

gedeputeerde staten van Overijssel

KOEKOEKSPOLDER IIa

28

21-3-2014

30-12-2016

9051

             

22

gemeente Den Haag

DEN HAAG

10

3-4-2009

 

69

             

23

gemeente Groningen

GRONINGEN 2

18

16-4-2011

31-10-2017

7134

             

24

Geothermie De Kievit B.V.

PEEL EN MAAS

48

19-12-2014

29-1-2019

243

             

25

GeoWeb B.V.

EGCHEL

62

26-11-2013

6-1-2018

34027

             

26

ECW Geoholding B.V.

ANDIJK

12

5-3-2010

15-4-2016

3831

             

27

AC Hartman Beheer B.V.

SEXBIERUM

11

17-7-2009

30-11-2017

11805

 

Gemeente Franekeradeel

         
             

28

Hollandplant Vastgoed B.V.

LANSINGERLAND

7

4-12-2008

31-5-2016

240

             

29

Hydreco GeoMEC B.V.

BRIELLE 2

29

13-10-2009

30-1-2016

15990

 

GeoMEC-4P Realisatie & Exploitatie B.V.

         
             

30

Hydreco GeoMEC B.V.

HELMOND 2

71

26-8-2015

6-10-2019

30252

             

31

Hydreco GeoMEC B.V.

PIJNACKER-NOOTDORP 6a

9

26-8-2015

30-6-2016

30241

             

32

Hydreco GeoMEC B.V.

ROZENBURG

45

26-6-2012

6-8-2016

18216

             

33

Hydreco GeoMEC B.V.

TILBURG-GEERTRUIDENBERG

325

10-7-2015

20-8-2019

21858

             

34

Hydreco GeoMEC B.V.

VIERPOLDERS

7

10-2-2010

30-1-2016

2211

 

GeoMEC-4P Realisatie & Exploitatie B.V.

         
             

35

SC Johnson Europlant B.V.

MIJDRECHT

41

1-2-2012

13-3-2016

2556

             

36

Geothermie De Lier B.V.

DE LIER III

20

1-7-2015

19-1-2017

21833

 

De Bruijn Geothermie B.V.

         

37

Geothermie De Lier B.V.

DE LIER 3II

10

1-5-2015

19-1-2017

13276

 

De Bruijn Geothermie B.V.

         
             

38

Californië Lipzig Gielen Geothermie B.V.

CALIFORNIE V

5

1-10-2015

30-12-2017

34771

             

39

Dick Oosthoek

OOSTLAND

18

31-1-2015

13-3-2019

4370

 

Kees Ammerlaan

         
             

40

Vereniging van Eigenaren Oude

Campspolder

MAASLAND 2

5

15-10-2010

31-12-2016

16611

             

41

Provincie Drenthe

ERICA

72

27-10-2010

6-12-2016

17250

 

Gemeente Emmen

         
             

42

Provincie Drenthe

KLAZIENAVEEN

61

27-10-2010

30-11-2016

17245

 

Gemeente Emmen

         
             

43

J.W.M. Scheffers

HONSELERSDIJK

5

20-6-2009

 

118

 

G. Verkade B.V.

         
             

44

W.G.M. Tas

ZEVENHUIZEN

9

5-3-2010

15-4-2016

3774

 

J.C.M. Tas-van Klink

         
             

45

TomSelect B.V.

KWINTSHEUL II

7

1-5-2015

30-6-2016

13276

             

46

Transmark Renewable Products B.V.

FRIESLAND-NOORD

326

19-11-2014

21-10-2018

34411

             

47

Transmark Renewable Products B.V.

FRIESLAND-ZUID

456

19-11-2014

21-10-2018

34411

             

48

Transmark Renewable Products B.V.

UTRECHT – NOORD-BRABANT

757

11-9-2013

22-10-2018

26009

             

49

Trias Westland B.V.

DE LIER IV

2

1-7-2015

19-1-2017

21833

             

50

Visser en Smit Hanab B.V.

ZEVENBERGEN

43

19-9-2015

30-10-2019

32288

             

51

Vopak Terminal Vlaardingen B.V.

ROTTERDAM-VLAARDINGEN

13

22-11-2013

2-1-2018

33332

             

52

Wayland Developments B.V.

WADDINXVEEN 2

7

5-3-2010

31-12-2016

3829

             

53

Kwekerij de Westhoek B.V.

MAASLAND

9

18-12-2009

31-12-2016

79

 

Van Geest Groep B.V.

         
             

54

Californië Wijnen Geothermie B.V.

CALIFORNIE IV

10

1-10-2015

30-12-2016

34771

             

55

Van Wijnen Gorredijk B.V.

LEEUWARDEN

30

28-10-2014

8-12-2018

31137

             

56

A.P.M. Zuidgeest

HONSELERSDIJK 2

4

14-10-2009

31-5-2017

15957

 

L.M.M. Zuidgeest-Vijverberg

         
 

M.T.M. Zuidgeest

         
 

P.E.M. Zuidgeest-van den Berg

         
 

W.M.J. Zuidgeest

         
 

Y.C.M. Zuidgeest-van Kester

         
             

57

Zuidgeest Growers B.V.

HONSELERSDIJK 4

4

3-10-2014

31-5-2017

28896

             

58

A.P.M. Zuidgeest

MAASDIJK

6

21-10-2009

31-5-2016

16041

 

L.M.M. Zuidgeest-Vijverberg

         
 

M.T.M. Zuidgeest

         
 

P.E.M. Zuidgeest-van den Berg

         
 

W.M.J. Zuidgeest

         
 

Y.C.M. Zuidgeest-van Kester

         
             
   

58

3.044

     
Overzicht Winningsvergunningen Aardwarmte per 1 januari 2016
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staatscourant

             

1

A en G van den Bosch B.V.

BLEISWIJK

4

28-11-2008

8-1-2039

237

             

2

A en G van den Bosch B.V.

BLEISWIJK 1b

2

20-3-2015

30-4-2032

8784

             

3

gemeente Heerlen

HEERLEN

41

13-10-2009

23-11-2044

15963

             

4

Aardwarmtecluster I KKP B.V.

KAMPEN

5

27-9-2014

7-11-2044

28239

             
     

52

     
Overzicht Winningsvergunningen Steenzout per 1 januari 2016
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staatscourant

             

1

Akzo Nobel Salt B.V.

ADOLF VAN NASSAU III

28

16-11-2010

 

18324

             

2

Akzo Nobel Salt B.V.

BUURSE

30

18-6-1918

 

Staatsblad 421

             

3

Akzo Nobel Salt B.V.

ISIDORUSHOEVE

20

8-6-2012

19-7-2052

14668

             

4

Akzo Nobel Salt B.V.

TWENTHE-RIJN

48

20-10-1933

 

207

             

5

Akzo Nobel Salt B.V.

TWENTHE-RIJN HELMERZIJDE

1

29-10-2008

9-12-2048

216

             

6

Akzo Nobel Salt B.V.

TWENTHE-RIJN OUDE MATEN

1

1-6-2013

12-7-2053

18332

             

7

Akzo Nobel Salt B.V.

UITBREIDING ADOLF VAN NASSAU II

1

21-12-2009

 

81

 

N.V. Nederlandse Gasunie

         
 

Gasunie Zuidwending B.V.

         
 

Gasunie Underground Storage B.V.

         
             

8

Akzo Nobel Salt B.V.

UITBREIDING ADOLF VAN NASSAU III

77

21-12-2009

 

81

             

9

Akzo Nobel Salt B.V.

UITBREIDING TWENTHE-RIJN

9

1-12-1994

 

249

             

10

Akzo Nobel Salt B.V.

WEERSELO

80

13-3-1967

 

76

             

11

Frisia Zout B.V.

BARRADEEL

3

22-8-1998

22-8-2054

157

             

12

Frisia Zout B.V.

BARRADEEL II

17

12-6-2004

26-4-2062

110

             

13

Frisia Zout B.V.

HAVENMOND

32

3-1-2012

13-2-2052

405

             

14

N.V. Nederlandse Gasunie

ADOLF VAN NASSAU II

< 1

16-11-2010

 

18324

             

15

Nedmag Industries Mining & Manufacturing B.V.

VEENDAM

171

1-8-1980

 

148

             

16

Salzgewinnungsgesellschaft Westfalen mbH & Co KG

ZUIDOOST-ENSCHEDE

6

7-3-2014

17-4-2064

7304

             
   

16

526

     
Overzicht Winningsvergunningen Steenkolen per 1 januari 2016
 

Vergunninghouder

Vergunning

km2

In werking

Einde

Staatsblad

             

1

DSM

STAATSMIJN BEATRIX

130

27-9-1920

 

752

             

2

DSM

STAATSMIJN EMMA

73

26-10-1906

 

270

             

3

DSM

STAATSMIJN HENDRIK

24

8-8-1910

 

249

             

4

DSM

STAATSMIJN MAURITS

51

12-3-1915

 

146

             

5

DSM

STAATSMIJN WILHELMINA

6

8-1-1903

 

4

             
   

5

284

     
Naar boven