Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 april 2015
Op 16 en 22 april jl. heeft de plenaire behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie
van richtlijn nr. 2013/30/EU betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten
(Kamerstuk 34 041) plaatsgevonden (Handelingen II 2014/15, nr. 77, Veiligheid van offshore olie- en
gasactiviteiten en nr. 79, Veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten). Hierbij
informeer ik uw Kamer nader over enkele zaken die in dit debat aan de orde zijn geweest.
Omkering bewijslast bij mijnbouwschade
In voornoemd debat heb ik onder meer met uw Kamer gesproken over amendement met Kamerstuk
34 041, nr. 12 van de leden Vos en Ouwehand over de omkering van de bewijslast bij mijnbouwschade
en het hierop ingediende subamendement met Kamerstuk 34 041, nr. 35 van het lid Smaling. Ik hecht, met diverse leden van uw Kamer, aan een oordeel van
de Afdeling advisering van de Raad van State over dit onderwerp. Ik stel daarom voor
dat ik het amendement voorleg aan de Afdeling advisering van de Raad van State, waarbij
ik de Raad van State zal verzoeken om een reactie op zo kort mogelijke termijn. Ik
geef uw Kamer in overweging om de stemming over het bovengenoemde wetsvoorstel uit
te stellen tot na het moment waarop ik voorlichting van de Afdeling advisering van
de Raad van State heb ontvangen over dit amendement en deze voorlichting met uw Kamer
heb gedeeld.1
Mijnbouwvergunningen en (gewijzigde) winningsplannen
Een aantal ingediende amendementen bij het wetsvoorstel heeft betrekking op de weigeringsgronden
voor het verlenen van mijnbouwvergunningen. Zoals ik in voornoemd debat heb aangegeven,
zal ik mij inspannen om in oktober van dit jaar te komen met een voorstel tot wijziging
van de Mijnbouwwet dat in elk geval een uitwerking bevat van toezeggingen zoals die
zijn opgenomen in de kabinetsreactie op het OVV-rapport over aardbevingsrisico’s in
Groningen (Kamerstuk 33 529, nr. 143). Met dit wetsvoorstel wil ik invulling geven aan een aantal maatschappelijke vragen
rond mijnbouw. De basis en wijze waarop het verlenen van mijnbouwvergunningen en het
instemmen met (gewijzigde) winningsplannen gebeurt, is daar een belangrijk onderdeel
van.
In het debat van 22 april jl. is gesproken over reeds ingediende aanvragen voor een
opsporings- of winningsvergunning. Ik heb toen aangegeven dat ik, vooruitlopend op
het aangekondigde wetsvoorstel, gemeenten en waterschappen via de provincie zal betrekken
bij de advisering over deze vergunningen. Aanvullend daarop zal ik, waar mogelijk,
aanvragen voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen op land
aanhouden totdat de op dit punt aangekondigde wijzigingen van de Mijnbouwwet in werking
zijn getreden. Ik spreek hier bewust over opsporings- en winningsvergunningen voor
koolwaterstoffen omdat het aanhouden van aanvragen voor opsporings- en winningsvergunningen
voor geothermie niet past in de onlangs uitgebrachte warmtevisie en het beleid voor
verduurzaming van de energievoorziening. Bij de opsporings- en winningsvergunningen
voor koolwaterstoffen gaat het op dit moment concreet om een aanvraag voor een winningsvergunning
op Terschelling en een aanvraag voor een opsporingsvergunning bij Waskemeer. In dit
licht geef ik uw Kamer nogmaals in overweging om de ingediende amendementen aan te
houden en te betrekken bij het wetsvoorstel ter implementatie van de kabinetsreactie
op het OVV-rapport.
Verder heb ik met uw Kamer gesproken over de toetsingsgronden voor een instemmingsbesluit
met een winningsplan en de procedure om tot een dergelijk besluit te komen. Met betrekking
tot instemming met (wijziging van) winningsplannen is in de kabinetsreactie op het
OVV-rapport al aangegeven dat ik provincies en gemeenten rechtstreeks om advies zal
vragen. Ook zal ik van mijnbouwondernemingen vanaf nu eisen dat er voorafgaand aan
het instemmingsbesluit met het winningsplan een risicoanalyse wordt opgesteld. Deze
risicoanalyse zal ik uiteraard betrekken bij mijn beoordeling van een winningsplan.
Hiermee geef ik direct invulling aan de aanbevelingen van de OVV op dit punt.
Tot slot
Ik herken en deel de wens van uw Kamer om zo snel mogelijk te handelen conform de
aanbevelingen van de OVV. Daarbij hecht ik ook belang aan een zorgvuldig wetgevingsproces.
Met de in deze brief genoemde maatregelen meen ik op een verantwoorde wijze invulling
aan beide zaken te kunnen geven.
De Minister van Economische Zaken,
H.G.J. Kamp