34 302 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2016)

34 303 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op een vrijstelling van bepaalde periodieke uitkeringen aan specifieke groepen oorlogsslachtoffers (Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds)

34 304 Tegemoetkomingen in de loonkosten van specifieke groepen (Wet tegemoetkomingen loondomein)

34 305 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2016)

34 306 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015)

34 276 Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Belastingwet BES in verband met de implementatie van Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PbEU 2014, L 359) en om uitvoering te geven aan de door de OESO ontwikkelde Common Reporting Standard (Wet uitvoering Common Reporting Standard)

J1 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 11 december 2015

Inhoudsopgave

 
     

1.

Algemeen

2

2.

Belastingplan 2016

2

2.1.

Algemeen

2

2.2.

Inkomensbeleid

4

2.3.

Box 3

18

2.4.

Pakket bestrijden emigratielek aanmerkelijkbelanghouders

21

2.5.

Integratie S&O-afdrachtvermindering en RDA per 2016

22

2.6.

Verruiming schenkingsvrijstelling eigen woning

24

2.7.

Verhoging accijns rooktabak

25

3.

Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015

26

4.

Overige onderwerpen

27

1. Algemeen

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, het CDA, de SGP, 50PLUS en de ChristenUnie.

Enkele vragen – met name op het gebied van inkomensbeleid – vroegen om dermate complexe berekeningen of uitvoerig onderzoek dat het niet is gelukt om binnen de beantwoordingstermijn een passend antwoord in deze nota naar aanleiding van het verslag op te nemen. Ik heb daarom die vragen beantwoord die het meest van belang lijken voor de verdere behandeling van het Belastingplan 2016.

Bij de antwoorden zijn – waar relevant – ook de gevolgen van de aanhangig gemaakte novelle vermeld.

2. Belastingplan 2016

2.1. Algemeen

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke consequenties het kabinet verbindt aan de motie Hoekstra c.s.2 voor het Belastingplan 2017. Zoals ook aangegeven in de memorie van antwoord is het signaal van uw Kamer begrijpelijk. Het wetsvoorstel Belastingplan 2017 zal maatregelen bevatten die betrekking hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld van 2017. Bij de samenstelling van het wetsvoorstel Belastingplan 2017 zal het kabinet zich uiteraard committeren aan de criteria in de notitie Verzamelwetgeving.3 Ook zal het kabinet, in navolging van de motie Hoekstra, voor grote losstaande wijzigingen zo veel mogelijk afzonderlijke wetsvoorstellen indienen. Zoals dit jaar in het pakket Belastingplan bijvoorbeeld is gedaan met de wetsvoorstellen Wet tegemoetkomingen loondomein en Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds en met de dit jaar afzonderlijk ingediende wetsvoorstellen Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst en Wet aanpassing fiscale eenheid.

De leden van de fractie van de PvdA vragen het kabinet of het beperken van de negatieve effecten van belastingheffing op de economische groei de enige overweging is bij de vormgeving van het belastingstelsel. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hiernaar. In dat kader noemen ze het rechtvaardigheidsprincipe en het waarderen van andere vormen van maatschappelijke participatie dan betaalde arbeid. Economische groei, waaronder begrepen werkgelegenheid, is een belangrijk aspect bij de vormgeving van het stelsel, maar zeker niet het enige dat van belang is. Ook een evenwichtige inkomensverdeling is voor dit kabinet van groot belang. Daarnaast kan – zonder volledigheid na te streven – bijvoorbeeld worden gewezen op eenvoud. Het fiscale stelsel wordt idealiter zo vormgegeven dat het zo eenvoudig mogelijk uitvoerbaar is voor de Belastingdienst en zo eenvoudig mogelijk te begrijpen is voor belastingbetalers. Ook zijn de administratieve lasten voor burgers en bedrijven een belangrijk aandachtspunt. Nevendoelen kunnen natuurlijk ook een rol spelen, zoals valt af te leiden uit verschillende fiscale faciliteiten in de inkomstenbelasting. De vrijwilligersregeling en de giftenaftrek zijn bijvoorbeeld faciliteiten waaruit blijkt dat ook andere vormen van maatschappelijke participatie dan betaalde arbeid een rol kunnen spelen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke specifieke mogelijkheden het kabinet ziet om fiscale faciliteiten om te bouwen naar subsidieregelingen. Ook vragen zij welke initiatieven zij op dit terrein mogen verwachten. Zoals in de begeleidende brief bij de indiening van het wetsvoorstel Belastingplan 2016 is aangegeven, is het doel om ieder jaar bij het Belastingplan beheerste, goed gekozen stappen te zetten om ons stelsel beter uitvoerbaar te maken.4

Verschillende specifieke maatregelen waarvan het kabinet komend jaar wil onderzoeken of deze aangepast kunnen worden om de uitvoering te vereenvoudigen, zijn opgenomen in bijlage 2 bij de eerdergenoemde begeleidende brief. Daarbij zijn er twee maatregelen die zijn aan te merken als fiscale tegemoetkomingen in de inkomstenbelasting, te weten de aftrek uitgaven voor monumentenpanden en de aftrek scholingsuitgaven, waarvan onderzocht zal worden of deze kunnen worden omgezet in een subsidie.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een nadere toelichting van de werkgelegenheidseffecten van de lastenverlichting die zijn berekend met behulp van het SAFFIER II-model van het Centraal Planbureau (CPB). Het SAFFIER II-model wordt gebruikt voor berekening van de macro-economische effecten op korte en middellange termijn (tot circa vier jaar). Het vijfmiljardpakket heeft op de korte termijn een positief effect op de economische groei. Mensen krijgen meer te besteden. Dit zorgt voor een toename van de consumptie, de productie en de werkgelegenheid. Deze bestedingseffecten zijn echter tijdelijk. Voor de structurele effecten zijn alleen wijzigingen in het arbeidsaanbod van belang. De effecten van maatregelen op het structurele arbeidsaanbod worden door het CPB berekend met het model MICSIM.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom een eenzijdige nadruk wordt gelegd op de langetermijneffecten. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering om het CPB, met behulp van de aan het CPB ter beschikking staande modellen (zoals MICSIM en SAFFIER II), een meer exacte inschatting te laten maken over het verloop van de berekende werkgelegenheidsgroei de komende decennia. Het is een misverstand dat het kabinet alleen oog heeft voor de effecten op lange termijn. In de Miljoenennota geeft het kabinet als belangrijke reden voor de € 5 miljard lastenverlichting dat het pakket het herstel van de consumentenbestedingen verder bevordert en zo een extra impuls geeft aan de economie en werkgelegenheid. Dat zijn bij uitstek de kortetermijneffecten van de lastenverlichting. In de al eerder genoemde begeleidende brief van het kabinet bij het wetsvoorstel Belastingplan 2016 is de hierna opgenomen tabel opgenomen.

Tabel 1 Effecten werkgelegenheidsgroei korte termijn
 

2016

2017

structureel

economische groei

0,20%

0,50%

0,30%

consumptie huishouden

0,60%

1,30%

 

investeringen bedrijven

0,30%

0,60%

 

werkgelegenheid (arbeidsjaren)

7.000

21.000

35.000

Deze tabel is ontleend aan de Macro Economische Verkenning (MEV) 2016 van het CPB. In de MEV heeft het CPB zowel de korte- als de langetermijneffecten van het vijfmiljardpakket in beeld gebracht.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet de conclusie van Professor Raymond Gradus in het Reformatorisch Dagblad d.d. 27 november deelt dat «de lastenverlichting van € 5 miljard circa 7000 banen oplevert». Het kabinet deelt de conclusie van Professor Raymond Gradus dat het vijfmiljardpakket in 2016 7000 extra banen oplevert. In 2017 is dat aantal opgelopen tot 21.000. Structureel levert het pakket 35.000 extra banen op.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wat het nut is om € 5 miljard uit te geven voor 35.000 modelbanen terwijl er de afgelopen tijd veel meer banen tot stand zijn gekomen zonder overheidsingrijpen. Het kabinet is het eens met de leden van de fractie van 50PLUS dat ook zonder overheidsingrijpen banen tot stand komen. De hoge lasten op arbeid echter kunnen een belemmering vormen voor mensen om zich aan te bieden op de arbeidsmarkt en voor bedrijven om mensen aan te nemen. Het doel van de € 5 miljard lastenverlichting is een deel van deze belemmeringen weg te nemen. Dat is goed voor de werkgelegenheid en de economische groei.

2.2. Inkomensbeleid

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de berekening hoe belastingplichtigen die niet geheel gebruik kunnen maken van de arbeidskorting dan wel de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), dat grotendeels alsnog kunnen doen door verrekening met het partnerinkomen. In de memorie van antwoord is aangegeven dat na de maatregelen in het Belastingplan 2016 circa 12,2% van de belastingplichtigen met recht op de arbeidskorting hun arbeidskorting niet geheel te gelde kunnen maken. En bij de IACK kunnen circa 6,4% van de belastingplichtigen met recht op de IACK hun korting niet geheel te gelde maken. Hierbij is al rekening gehouden met het feit dat de minstverdienende partner de arbeidskorting dan wel de IACK eventueel te gelde kan maken via de belasting die is verschuldigd over het partnerinkomen. De verzilveringsproblematiek ziet doorgaans op een beperkt deel van de arbeidskorting of IACK. Verder is het inherent aan heffingskortingen dat deze alleen verzilverd kunnen worden indien er voldoende belasting tegenover staat. Het kabinet neemt het (deels) niet te gelde kunnen maken van een heffingskorting steeds mee in de afweging of een maatregel voldoende effectief is.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de lastenverzwaring voor ouderen in 2017 € 300 miljoen bedraagt voor de ouderenkorting. In 2016 wordt het bedrag aan ouderenkorting onder de inkomensgrens met € 222 verhoogd, en in 2017 wordt het bedrag weer met € 114 verlaagd. De verhoging van het bedrag aan ouderenkorting onder de inkomensgrens van € 222 in 2016 bestaat dus voor € 108 uit een structurele verhoging. Budgettair betekent dit een lastenverlichting van € 400 miljoen in 2016, waarvan € 200 miljoen structureel is.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het verschil in ouderenkorting in 2017 ten opzichte van 2015. Het bedrag aan ouderenkorting onder de inkomensgrens bedraagt in 2015 € 1.042 en € 1.094 in 2017, uitgaande van de verwachte inflatiecorrectie. In 2017 bedraagt de ouderenkorting onder de inkomensgrens dus € 52 meer dan in 2015.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de structurele verhoging van het maximum van de arbeidskorting en van het bedrag aan ouderenkorting onder de inkomensgrens tussen 2014 en 2017. Ook vragen deze leden welke fiscale rechtvaardiging ten grondslag ligt aan de wijzigingen in de arbeidskorting en de ouderenkorting. Zij merken daarbij op dat het feit dat voor ouderen geen banen geschapen kunnen worden hen – naar de mening van deze leden – toch niet euvel te duiden is. Tussen 2014 en 2017 is het maximum van de arbeidskorting (exclusief indexatie) met € 1.497 verhoogd. Het bedrag aan ouderenkorting onder de inkomensgrens is tussen 2014 en 2017 (exclusief indexatie) verhoogd met € 25. De rechtvaardiging van de maatregelen is niet zozeer van fiscale aard, maar is een uitwerking van de naar de mening van het kabinet gerechtvaardigde wens om, nu de economie weer aantrekt, een lastenverlichting mogelijk te maken voor alle groepen waaronder ouderen, en tegelijkertijd de noodzakelijke maatregelen te treffen waardoor werken extra gestimuleerd wordt. Een deel van de maatregelen is weliswaar niet specifiek gericht op ouderen, zoals onder andere de verlaging van het tarief tweede en derde schijf en de verlenging van de derde schijf, maar komen deels terecht bij ouderen. Ook in de voorgaande Belastingplannen van dit kabinet is jaarlijks binnen het beschikbare budgettaire beslag gezocht naar een evenwichtige inkomensverdeling tussen verschillende groepen. In dit Belastingplan heeft het kabinet dit beleid voortgezet.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar een fiscaal juridische beschouwing van het verschil in benadering en effect tussen de voorloper van de arbeidskorting en de arbeidskorting zelf. De voorloper van de arbeidskorting, het arbeidskostenforfait (een forfaitair bedrag voor de aftrek van arbeidskosten onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964)), was in beginsel bedoeld om het belastbare inkomen te verlagen met de kosten die gemaakt werden voor de verwerving van dat inkomen. De huidige arbeidskorting heeft meer dan haar voorloper tot doel om werken meer lonend te maken en kan tevens worden gebruikt om een gewenste koopkrachtverdeling te bereiken.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen nog eens uit te leggen waarom een inkomensafhankelijke arbeidskorting van maximaal € 3.321 in 2017 fiscaal te verdedigen is, zeker nu de ouderenkorting slechts € 1.040 is en bij een inkomen vanaf € 35.000 nagenoeg nihil. Het doel en de strekking van de arbeidskorting en de ouderenkorting zijn verschillend, waardoor de door de leden van de fractie van 50PLUS gemaakte vergelijking naar de mening van het kabinet niet opgaat. De ouderenkorting is een tegemoetkoming voor ouderen met een lager inkomen. De arbeidskorting is bedoeld om werken lonender te maken. De kortingen zijn ook geen substituten van elkaar. Mensen die geen arbeid verrichten en jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd hebben op beide kortingen geen recht, terwijl AOW-gerechtigden die arbeid verrichten recht kunnen hebben op beide kortingen.

De leden van de fractie van 50PLUS hebben een aantal vragen gesteld over de algemene heffingskorting, namelijk of deze een voortzetting is van de belastingvrije voet die bestond onder de inkomstenbelasting tot 2001, of het gerechtvaardigd is dat deze daalt vanaf een inkomen van € 20.000 en vervalt bij een inkomen van € 66.000 en of hiermee niet de inkomstenbelasting fundamenteel wordt aangetast. De algemene heffingskorting is inderdaad de opvolger van de basisaftrek en de bovenbasisaftrek zoals die bestond in de Wet IB 1964. Met ingang van 1 januari 2014, bij het Belastingplan 2014, is de algemene heffingskorting inkomensafhankelijk gemaakt. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Belastingplan 2014 is uitgebreid ingegaan op deze maatregel die voortvloeide uit onder meer het regeerakkoord en de reguliere koopkrachtbesluitvorming. De in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen van de eerder vastgelegde afbouw van de algemene heffingskorting moeten bezien worden in samenhang met het totaal aan maatregelen die deel uitmaken van het koopkrachtpakket voor de jaren 2016 en verder. Naar aanleiding van de vraag van deze leden om een overzicht van de belastingvrije voeten in andere EU-landen en of er voorbeelden van afbouw tot nihil of van vergelijkbare heffingskortingvarianten bestaan merk ik op dat voor de in het kader van deze tweede schriftelijke ronde gestelde vragen over het Belastingplan 2016 de tijd voor beantwoording te kort is om in te gaan op de vragen over de inkomstenbelastingsystemen in andere EU-landen. Ik kan wel opmerken dat bij de introductie van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bewust gekozen is voor een omzetting van de belastingvrije som in een heffingskorting, omdat hiermee een gerichter en effectiever inkomensbeleid mogelijk is. De nettowaarde van de heffingskorting is niet afhankelijk van het marginale belastingtarief.5

De leden van de fractie van 50PLUS geven aan dat zij een voorkeur hebben voor een tweetarievensysteem met een hoge vrije voet of algemene korting, waardoor lagere inkomens geheel buiten de inkomstenbelasting vallen. Zoals bij uw Kamer bekend, ben ik groot voorstander van een vereenvoudiging van het belastingstelsel. Of een dergelijke majeure wijziging haalbaar is en leidt tot een vereenvoudiging, hangt (uiteraard) af van de uitwerking. Het is waarschijnlijk dat een dergelijke wijziging forse effecten heeft met winnaars en verliezers. Het is niet mogelijk om hierover, op basis van de beperkte uitgangspunten, zonder een beeld van de nadere uitwerking, een mening te vormen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar aanleiding van het antwoord op hun vragen over de verzilvering van de ouderenkorting in de memorie van antwoord of er een speciale Tegemoetkoming Ouderenkorting kan komen voor de uitbetaling en of die kan worden uitgevoerd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zoals het kabinet heeft aangegeven in de memorie van antwoord, past het niet binnen de systematiek van de inkomstenbelasting om heffingskortingen te kunnen verzilveren als het bedrag aan te betalen belasting lager is dan het totaal van de heffingskortingen en ziet het kabinet geen aanleiding om dit specifiek voor de ouderenkorting wel mogelijk te maken via een speciale regeling Tegemoetkoming Ouderenkorting. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding om een onderzoek naar een dergelijke regeling in te stellen.

De leden van de fractie van 50PLUS stellen een aantal aanvullende vragen over het evenredig deel van ouderen in het Belastingplan 2016. Zo vragen zij of de vorig jaar afgesproken verlaging van de ouderenkorting, de afschaffing van de ouderentoeslag in box 3, alsmede de verhoging van het lage IAB-tarief ook in het totale beleid moeten worden betrokken. Tevens vragen zij of er per saldo sprake is van een structurele lastenverzwaring van € 510 miljoen vanaf 2017. Ten slotte vragen zij of het kabinet erkent dat er ook in 2016 geen sprake is van een evenredig deel van de lastenverlichting voor ouderen. In het totaalbeleid houdt het kabinet ook rekening met effecten van de gevolgen van eerder beleid waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden en die ook al in wetgeving is verankerd. Dit geldt dus ook voor de verlaging van de ouderenkorting, de afschaffing van de ouderentoeslag in box 3 en de verhoging van het lage IAB-tarief die al in het basispad zaten. In dit kader is besloten tot een koopkrachtreparatie van niet-werkenden, zodat ook uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden er volgend jaar in koopkracht – zowel in de mediane koopkracht als bij de voorbeeldhuishoudens – niet op achteruitgaan. Als gekeken wordt naar de koopkrachteffecten van het vijfmiljardpakket – het voorstel wat nu voorligt zonder rekening te houden met de novelle – dan blijkt dat dit pakket leidt tot een mediane koopkrachtverbetering van gepensioneerden in 2016 met 1,2%. Dit percentage is gelijk aan de mediane koopkrachtverbetering van alle huishoudens. Uit tabel 10 van de memorie van antwoord6 blijkt dat dit correspondeert met een budgettair beslag van circa € 1 miljard, wat neerslaat bij AOW-gerechtigden. In 2016 is dus sprake van een evenredig deel. Het kabinet deelt niet de mening van de leden van de fractie van 50PLUS dat de incidentele maatregelen niet relevant zijn voor de beoordeling van de evenredigheid. Dit zijn immers wel degelijk maatregelen die onderdeel van het Belastingplan zijn en de koopkracht van ouderen verbeteren.

De structurele lastenverzwaring van de verlaging van de ouderenkorting en de ouderentoeslag (beide maatregelen zijn vorig jaar getroffen ter dekking van de huishoudentoeslag) en de verhoging van het lage IAB-tarief bedraagt in totaal € 505 miljoen. Dit geeft echter een partieel beeld van de lastenontwikkeling voor ouderen vanaf 2017. In tabel 9 van de memorie van antwoord7 wordt een uitgebreider overzicht gegeven van de belangrijkste lastenmutaties voor AOW-gerechtigden. Hierin is wel de lastenverlichting voor AOW-gerechtigden van € 100 miljoen uit de vierde nota van wijziging opgenomen maar nog niet de extra lastenverlichting van € 100 miljoen uit de novelle. In totaal is dus met deze intensivering in de ouderenkorting, in het Belastingplan 2016 en de novelle daarop, een lastenverlichting voor AOW-gerechtigde beoogd van € 200 miljoen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de structurele lastenverzwaring voor ouderen vanaf 2017 € 700 miljoen bedraagt indien de lastenverlichting via de tweede en derde schijf buiten beschouwing wordt gelaten. De structurele lastenverzwaring vanaf 2017 voor AOW gerechtigden bedraagt op basis van de in tabel 9 van de memorie van antwoord gepresenteerde maatregelen afgerond € 0,2 miljard. De novelle leidt per saldo tot een extra lastenverlichting die neerslaat bij AOW-gerechtigden voor circa € 50 miljoen. Indien het deel van de tariefverlaging in de tweede en derde schijf die neerslaat bij AOW-gerechtigden buiten beschouwing wordt gelaten, bedraagt de structurele lastenverzwaring afgerond € 0,5 miljard.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de structurele verlaging alsnog geheel ongedaan kan worden gemaakt door de ouderenkorting vanaf 2017 met € 30 extra te verhogen. Het kabinet heeft met de novelle structureel € 100 miljoen extra vrijgemaakt voor de ouderenkorting. Hiermee wordt het bedrag aan ouderenkorting onder de inkomensgrens vanaf 2017 met € 54 extra verhoogd, bovenop de eerdere verhoging van € 54 in de vierde nota van wijziging.

De leden van 50PLUS vragen waarom de lastenverzwaring als gevolg van het verhogen van het lage IAB-tarief nodig was om de overheidsfinanciën op orde te brengen, terwijl er aan de andere kant een belastingverlaging van € 5 miljard wordt gegeven. Ook vragen zij om een toelichting waarom in de zomer van 2014 is besloten om de ouderenkorting, anderhalf jaar na de verhoging, weer te verlagen. De verhoging van het lage IAB-tarief was (en is) nodig om een deel van de derving als gevolg van het niet doorgaan van de huishoudentoeslag te dekken. Ook is er toen voor gekozen om een deel van de ontstane derving te dekken door een verlaging van de ouderenkorting, die inderdaad eerder in het kader van de Wet uniformering loonbegrip is verhoogd. Toen dit besloten is, was er nog geen zicht op de beschikbare ruimte voor een additionele lastenverlichting van € 5 miljard. In het koopkrachtpakket voor 2016, dat deel uitmaakt van het vijfmiljardpakket, is overigens rekening gehouden met de doorwerking van eerdere besluitvorming op de koopkrachtontwikkeling van de verschillende groepen, waaronder de AOW-gerechtigden.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen sinds wanneer en in welke mate de hoogte van de heffingskortingen afhankelijk is van de belasting- en premieplicht. Vanaf 2001 bij de invoering van de heffingskortingsystematiek in de Wet IB 2001 is de hoogte van de heffingskortingen afhankelijk van de belasting- en premieplicht. De systematiek is als volgt: de zogenoemde standaardheffingskorting (artikel 8.2 van de Wet IB 2001) is het gezamenlijke bedrag van alle heffingskortingen. De standaardheffingskorting is de heffingskorting waarop iemand in beginsel recht heeft als hij of zij zowel belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting als premieplichtig voor de algemene ouderdomsverzekering, de nabestaandenverzekering en de verzekering langdurige zorg. Van het bedrag van de standaardheffingskorting kunnen de aan de inkomstenbelasting en de verschillende volksverzekeringen toedeelbare heffingskortingen worden afgeleid. Eveneens kan daarvan de hoogte van de heffingskorting worden afgeleid voor belastingplichtigen die niet of niet voor alle volksverzekeringen premieplichtig zijn. Het bedrag van de standaardheffingskorting wordt daartoe gesplitst in de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.3 van de Wet IB 2001), de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering (artikel 8.4 van de Wet IB 2001), de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering (artikel 8.5 van de Wet IB 2001) en de heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg (artikel 8.6 van de Wet IB 2001). Voor de mensen die zowel belastingplichtig voor de inkomstenbelasting als premieplichtig voor alle volksverzekeringen zijn heeft deze uitsplitsing van de standaardheffingskorting geen praktische betekenis. Zij hebben in beginsel recht op het bedrag van de volledige standaardheffingskorting. Voor zover iemand niet belastingplichtig of premieplichtig is, wordt de standaardheffingskorting verminderd. Zoals in de voorgaande beantwoording is toegelicht geldt dit ook in de situatie waarin een belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Vanaf dat moment is hij niet meer verzekerd voor de algemene ouderdomsverzekering en is hij ook deze premie niet meer verschuldigd. Dit heeft tot gevolg dat de standaardheffingskorting wordt verminderd. De heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering wordt berekend door de standaardheffingskorting te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering en de noemer door het gecombineerde heffingspercentage. Deze berekening wordt per heffingskorting toegepast om te bepalen op welk bedrag, aan bijvoorbeeld algemene heffingskorting, een AOW-gerechtigde recht heeft.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het maximale bedrag aan arbeidskorting en algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en naar het maximale bedrag aan ouderenkorting en algemene heffingskorting voor belastingplichtigen op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd. In 2016 heeft een belastingplichtige onder de AOW-gerechtigde leeftijd maximaal recht op € 5.345 aan arbeidskorting en algemene heffingskorting samen. Een belastingplichtige op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd heeft in 2016 recht op maximaal € 2.332 aan ouderenkorting en algemene heffingskorting samen. Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar het verschil in het maximum aan heffingskorting tussen belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd bij een inkomen van € 20.000 en € 35.000. In 2016 bedragen deze verschillen respectievelijk € 3.011 en € 2.618.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de grafieken 2 tot en met 7 uit de memorie van antwoord ook in tabelvorm kunnen worden gegeven. De hierna opgenomen tabellen presenteren de reeksen die behoren tot de grafieken 2 tot en met 7.

Tabel 2 Arbeidskorting en algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd 2001, 2015–2017 in euro’s

Belastbaar inkomen box 1

Arbeidskorting en algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd

 
 

2001

2015

2016

2017

0

1.576

2.203

2.242

2.242

4.000

1.646

2.275

2.314

2.314

8.000

1.774

2.348

2.385

2.387

12.000

2.204

2.954

3.196

3.209

16.000

2.496

3.742

4.304

4.382

20.000

2.496

4.419

5.341

5.554

24.000

2.496

4.326

5.148

5.391

28.000

2.496

4.233

4.955

5.205

32.000

2.496

4.140

4.763

5.019

36.000

2.496

4.048

4.490

4.758

40.000

2.496

3.955

4.137

4.428

44.000

2.496

3.862

3.785

4.098

48.000

2.496

3.769

3.432

3.768

52.000

2.496

3.587

3.079

3.439

56.000

2.496

3.334

2.726

3.109

60.000

2.496

3.153

2.373

2.779

64.000

2.496

2.993

2.020

2.449

68.000

2.496

2.833

1.744

2.119

72.000

2.496

2.673

1.584

1.950

76.000

2.496

2.513

1.424

1.806

80.000

2.496

2.353

1.264

1.662

84.000

2.496

2.193

1.104

1.518

88.000

2.496

2.033

944

1.374

92.000

2.496

1.873

784

1.230

96.000

2.496

1.713

624

1.086

100.000

2.496

1.553

464

942

104.000

2.496

1.526

304

798

108.000

2.496

1.526

144

654

112.000

2.496

1.526

0

510

116.000

2.496

1.526

0

366

120.000

2.496

1.526

0

222

Tabel 3 Ouderenkorting en algemene heffingskorting voor belastingplichtigen op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd

Belastbaar inkomen box 1

Ouderenkorting en algemene heffingskorting voor belastingplichtigen op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd

 
 

2001

2015

2016

2017

0

940

2.165

2.332

2.239

4.000

940

2.165

2.332

2.239

8.000

940

2.165

2.332

2.239

12.000

940

2.165

2.332

2.239

16.000

940

2.165

2.332

2.239

20.000

940

2.163

2.330

2.239

24.000

940

2.116

2.232

2.151

28.000

704

2.068

2.133

2.056

32.000

704

2.021

2.035

1.962

36.000

704

1.084

819

1.867

40.000

704

1.036

721

750

44.000

704

989

623

655

48.000

704

942

524

560

52.000

704

895

426

465

56.000

704

847

327

371

60.000

704

836

229

276

64.000

704

836

130

181

68.000

704

836

70

86

72.000

704

836

70

72

76.000

704

836

70

72

80.000

704

836

70

72

84.000

704

836

70

72

88.000

704

836

70

72

92.000

704

836

70

72

96.000

704

836

70

72

100.000

704

836

70

72

104.000

704

836

70

72

108.000

704

836

70

72

112.000

704

836

70

72

116.000

704

836

70

72

120.000

704

836

70

72

Tabel 4 Arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd 2001, 2015–2017 in euro’s

Belastbaar inkomen box 1

Arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd

 
 

2001

2015

2016

2017

0

0

0

0

0

4.000

70

72

72

72

8.000

198

145

143

145

12.000

628

751

954

967

16.000

920

1.539

2.062

2.140

20.000

920

2.220

3.103

3.312

24.000

920

2.220

3.103

3.321

28.000

920

2.220

3.103

3.321

32.000

920

2.220

3.103

3.321

36.000

920

2.220

3.024

3.246

40.000

920

2.220

2.864

3.102

44.000

920

2.220

2.704

2.958

48.000

920

2.220

2.544

2.814

52.000

920

2.131

2.384

2.670

56.000

920

1.971

2.224

2.526

60.000

920

1.811

2.064

2.382

64.000

920

1.651

1.904

2.238

68.000

920

1.491

1.744

2.094

72.000

920

1.331

1.584

1.950

76.000

920

1.171

1.424

1.806

80.000

920

1.011

1.264

1.662

84.000

920

851

1.104

1.518

88.000

920

691

944

1.374

92.000

920

531

784

1.230

96.000

920

371

624

1.086

100.000

920

211

464

942

104.000

920

184

304

798

108.000

920

184

144

654

112.000

920

184

0

510

116.000

920

184

0

366

120.000

920

184

0

222

Tabel 5 Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd 2001, 2015–2017 in euro’s

Belastbaar inkomen box 1

Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd

 
 

2001

2015

2016

2017

0

1.576

2.203

2.242

2.242

4.000

1.576

2.203

2.242

2.242

8.000

1.576

2.203

2.242

2.242

12.000

1.576

2.203

2.242

2.242

16.000

1.576

2.203

2.242

2.242

20.000

1.576

2.199

2.238

2.242

24.000

1.576

2.106

2.045

2.070

28.000

1.576

2.013

1.852

1.884

32.000

1.576

1.920

1.660

1.698

36.000

1.576

1.828

1.467

1.512

40.000

1.576

1.735

1.274

1.327

44.000

1.576

1.642

1.081

1.141

48.000

1.576

1.549

888

955

52.000

1.576

1.456

695

769

56.000

1.576

1.364

502

583

60.000

1.576

1.342

309

397

64.000

1.576

1.342

117

211

68.000

1.576

1.342

0

25

72.000

1.576

1.342

0

0

76.000

1.576

1.342

0

0

80.000

1.576

1.342

0

0

84.000

1.576

1.342

0

0

88.000

1.576

1.342

0

0

92.000

1.576

1.342

0

0

96.000

1.576

1.342

0

0

100.000

1.576

1.342

0

0

104.000

1.576

1.342

0

0

108.000

1.576

1.342

0

0

112.000

1.576

1.342

0

0

116.000

1.576

1.342

0

0

120.000

1.576

1.342

0

0

Tabel 6 Ouderenkorting voor belastingplichtigen op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd 2001, 2015–2017 in euro’s

Belastbaar inkomen box 1

Ouderenkorting voor belastingplichtigen op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd

 
 

2001

2015

2016

2017

0

236

1.042

1.187

1.094

4.000

236

1.042

1.187

1.094

8.000

236

1.042

1.187

1.094

12.000

236

1.042

1.187

1.094

16.000

236

1.042

1.187

1.094

20.000

236

1.042

1.187

1.094

24.000

236

1.042

1.187

1.094

28.000

0

1.042

1.187

1.094

32.000

0

1.042

1.187

1.094

36.000

0

152

70

1.094

40.000

0

152

70

72

44.000

0

152

70

72

48.000

0

152

70

72

52.000

0

152

70

72

56.000

0

152

70

72

60.000

0

152

70

72

64.000

0

152

70

72

68.000

0

152

70

72

72.000

0

152

70

72

76.000

0

152

70

72

80.000

0

152

70

72

84.000

0

152

70

72

88.000

0

152

70

72

92.000

0

152

70

72

96.000

0

152

70

72

100.000

0

152

70

72

104.000

0

152

70

72

108.000

0

152

70

72

112.000

0

152

70

72

116.000

0

152

70

72

120.000

0

152

70

72

Tabel 7 Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd 2001, 2015–2017 in euro’s

Belastbaar inkomen box 1

Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen op of boven de AOW-gerechtigde leeftijd

 
 

2001

2015

2016

2017

0

704

1.123

1.145

1.145

4.000

704

1.123

1.145

1.145

8.000

704

1.123

1.145

1.145

12.000

704

1.123

1.145

1.145

16.000

704

1.123

1.145

1.145

20.000

704

1.121

1.143

1.145

24.000

704

1.074

1.045

1.057

28.000

704

932

749

773

32.000

704

884

651

678

36.000

704

837

553

583

40.000

704

790

454

488

44.000

704

743

356

393

48.000

704

695

257

299

52.000

704

684

159

204

56.000

704

684

60

109

60.000

704

684

0

14

64.000

704

684

0

0

68.000

704

684

0

0

72.000

704

684

0

0

76.000

704

684

0

0

80.000

704

684

0

0

84.000

704

684

0

0

88.000

704

684

0

0

92.000

704

684

0

0

96.000

704

684

0

0

100.000

704

684

0

0

104.000

704

684

0

0

108.000

704

684

0

0

112.000

704

684

0

0

116.000

704

684

0

0

120.000

704

684

0

0

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of in de tabellen 16 tot en met 23 uit de memorie van antwoord alsnog rekening kan worden gehouden met het feit dat een belastingplichtige die geen AOW-premie betaalt ook lagere kortingen ontvangt. In de hierna opgenomen tabellen worden de genoemde tabellen nogmaals gegeven, waarbij, indien de belasting en premie volksverzekeringen voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd zonder AOW-premie berekend wordt, de kortingen ook zonder AOW-deel berekend worden. Bij de te betalen belasting door werkenden wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bij AOW-gerechtigden wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de ouderenkorting. De berekeningen zijn gemaakt voor 2016 en inclusief de laatste wijzigingen uit de novelle. In de hierna opgenomen tabel 8 is een overzicht gegeven van de te betalen belasting en premie volksverzekeringen na kortingen, met en zonder IACK, voor werkenden, met en zonder AOW-premie en AOW-deel in de kortingen voor werkenden, en de te betalen belasting en premie volksverzekeringen na kortingen voor AOW-gerechtigden.

Tabel 8 Te betalen belasting en premie volksverzekeringen (inclusief en exclusief AOW-premie) na kortingen inclusief en exclusief IACK (kortingen inclusief en exclusief AOW-deel) werkenden, en te betalen belasting en premie volksverzekeringen na kortingen AOW-gerechtigden

Belastbaar inkomen box 1

Werkenden

 

AOW-gerechtigden

 

Incl AOW-premie, kortingen incl AOW-deel

Excl AOW-premie, kortingen excl AOW-deel

 
 

excl IACK

incl IACK

excl IACK

incl IACK

 

0

         

0

0

0

0

0

0

4.000

0

0

0

0

0

8.000

518

0

263

0

0

12.000

1.190

0

606

0

0

16.000

1.544

0

786

0

652

20.000

1.972

2

1.005

0

1.403

24.000

3.781

1.564

2.003

872

2.401

28.000

5.590

3.127

3.002

1.745

3.400

32.000

7.398

4.689

4.000

2.618

4.398

36.000

9.287

6.518

5.448

4.035

6.867

40.000

11.256

8.487

7.244

5.831

8.581

44.000

13.224

10.455

9.040

7.627

10.295

48.000

15.193

12.424

10.836

9.423

12.010

52.000

17.162

14.393

12.632

11.219

13.724

56.000

19.131

16.362

14.428

13.015

15.439

60.000

21.100

18.331

16.224

14.811

17.153

64.000

23.069

20.300

18.020

16.607

18.867

68.000

25.145

22.376

19.962

18.549

20.727

72.000

27.385

24.616

22.123

20.711

22.807

76.000

29.625

26.856

24.285

22.872

24.887

80.000

31.865

29.096

26.447

25.034

26.967

84.000

34.105

31.336

28.608

27.195

29.047

88.000

36.345

33.576

30.770

29.357

31.127

92.000

38.585

35.816

32.932

31.519

33.207

96.000

40.825

38.056

35.093

33.680

35.287

100.000

43.065

40.296

37.255

35.842

37.367

104.000

45.305

42.536

39.417

38.004

39.447

108.000

47.545

44.776

41.578

40.165

41.527

112.000

49.768

46.999

43.733

42.320

43.607

116.000

51.848

49.079

45.813

44.400

45.687

120.000

53.928

51.159

47.893

46.480

47.767

In de hierna opgenomen tabel 9 is voor werkenden de uitsplitsing van de belasting weergegeven in AOW-, ANW-, WLZ- en belastingdeel.

Tabel 9 Uitsplitsing belasting en premie volksverzekeringen (zonder kortingen) voor werkenden in belasting- en premiedelen
 

Werkenden

       

Belastbaar inkomen box 1

belastingdeel

AOW-deel

WLZ-deel

ANW-deel

totaal

0

0

0

0

0

0

4.000

336

716

386

24

1.462

8.000

672

1.432

772

48

2.924

12.000

1.008

2.148

1.158

72

4.386

16.000

1.344

2.864

1.544

96

5.848

20.000

1.683

3.580

1.930

120

7.313

24.000

2.173

4.296

2.316

144

8.929

28.000

2.663

5.012

2.702

168

10.545

32.000

3.153

5.728

3.088

192

12.161

36.000

4.286

6.035

3.253

202

13.777

40.000

5.902

6.035

3.253

202

15.393

44.000

7.518

6.035

3.253

202

17.009

48.000

9.134

6.035

3.253

202

18.625

52.000

10.750

6.035

3.253

202

20.241

56.000

12.366

6.035

3.253

202

21.857

60.000

13.982

6.035

3.253

202

23.473

64.000

15.598

6.035

3.253

202

25.089

68.000

17.397

6.035

3.253

202

26.888

72.000

19.477

6.035

3.253

202

28.968

76.000

21.557

6.035

3.253

202

31.048

80.000

23.637

6.035

3.253

202

33.128

84.000

25.717

6.035

3.253

202

35.208

88.000

27.797

6.035

3.253

202

37.288

92.000

29.877

6.035

3.253

202

39.368

96.000

31.957

6.035

3.253

202

41.448

100.000

34.037

6.035

3.253

202

43.528

104.000

36.117

6.035

3.253

202

45.608

108.000

38.197

6.035

3.253

202

47.688

112.000

40.277

6.035

3.253

202

49.768

116.000

42.357

6.035

3.253

202

51.848

120.000

44.437

6.035

3.253

202

53.928

In de hierna opgenomen tabel 10 is ook een overzicht gegeven van de te betalen belasting en premie volksverzekeringen na kortingen voor werkende alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners. Voor alleenverdieners is ook rekening gehouden met de algemene heffingskorting van de partner. Bij tweeverdieners is ervan uitgegaan dat beide partners hetzelfde inkomen hebben, en wordt het effect weergegeven bij de som van de twee inkomens. De belasting en premie volksverzekeringen zijn zonder AOW-premie en de kortingen zijn zonder AOW-deel.

Tabel 10 Te betalen belasting en premie volksverzekeringen (exclusief AOW-premie) na kortingen (exclusief AOW-deel) werkende alleenstaande, alleenverdiener en tweeverdiener

Belastbaar inkomen box 1

Werkende alleenstaande

Werkende alleenverdiener

Werkende tweeverdiener

0

0

0

0

4.000

0

0

0

8.000

263

0

0

12.000

606

72

0

16.000

786

252

526

20.000

1.005

471

1.031

24.000

2.003

1.469

1.212

28.000

3.002

2.467

1.392

32.000

4.000

3.466

1.573

36.000

5.039

4.505

1.754

40.000

6.119

5.585

2.010

44.000

7.199

6.665

3.008

48.000

8.279

7.745

4.007

52.000

9.359

8.825

5.005

56.000

10.439

9.905

6.003

60.000

11.519

10.985

7.002

64.000

12.599

12.065

8.000

68.000

14.107

13.573

8.999

72.000

16.269

15.735

10.078

76.000

18.431

17.896

11.158

80.000

20.592

20.058

12.238

84.000

22.754

22.220

13.318

88.000

24.916

24.381

14.398

92.000

27.077

26.543

15.478

96.000

29.239

28.705

16.558

100.000

31.401

30.866

17.638

104.000

33.562

33.028

18.718

108.000

35.724

35.190

19.798

112.000

37.879

37.345

20.878

116.000

39.959

39.425

21.959

120.000

42.039

41.505

23.039

In de hierna opgenomen tabel 11 is voor werkende alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners de te betalen belasting en premie volksverzekeringen na kortingen weergeven. Daarnaast is voor AOW-gerechtigden de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (IAB Zvw) (van 5,50%) weergegeven, naast de te betalen belasting en premie volksverzekeringen na kortingen, en de som van deze twee posten. De belasting en premie volksverzekeringen zijn zonder AOW-premie en de kortingen zijn zonder AOW-deel.

Tabel 11 Te betalen belasting en premie volksverzekeringen (exclusief AOW-premie) na kortingen (exclusief AOW-deel) werkenden en AOW-gerechtigden, inclusief te betalen IAB Zvw
 

Werkenden, belasting en premie volksverzekeringen na kortingen, excl AOW-premie, kortingen excl AOW-deel

AOW-gerechtigden

 

Belastbaar inkomen box 1

Alleenstaande

Alleenverdiener

Tweeverdiener

Belasting en premie volksverzekeringen na kortingen

IAB Zvw

Samen

0

0

0

0

0

0

0

4.000

0

0

0

0

220

220

8.000

263

0

0

0

440

440

12.000

606

72

0

0

660

660

16.000

786

252

526

652

880

1.532

20.000

1.005

471

1.031

1.403

1.100

2.503

24.000

2.003

1.469

1.212

2.401

1.320

3.721

28.000

3.002

2.467

1.392

3.400

1.540

4.940

32.000

4.000

3.466

1.573

4.398

1.760

6.158

36.000

5.039

4.505

1.754

6.867

1.980

8.847

40.000

6.119

5.585

2.010

8.581

2.200

10.781

44.000

7.199

6.665

3.008

10.295

2.420

12.715

48.000

8.279

7.745

4.007

12.010

2.640

14.650

52.000

9.359

8.825

5.005

13.724

2.860

16.584

56.000

10.439

9.905

6.003

15.439

2.902

18.341

60.000

11.519

10.985

7.002

17.153

2.902

20.055

64.000

12.599

12.065

8.000

18.867

2.902

21.769

68.000

14.107

13.573

8.999

20.727

2.902

23.629

72.000

16.269

15.735

10.078

22.807

2.902

25.709

76.000

18.431

17.896

11.158

24.887

2.902

27.789

80.000

20.592

20.058

12.238

26.967

2.902

29.869

84.000

22.754

22.220

13.318

29.047

2.902

31.949

88.000

24.916

24.381

14.398

31.127

2.902

34.029

92.000

27.077

26.543

15.478

33.207

2.902

36.109

96.000

29.239

28.705

16.558

35.287

2.902

38.189

100.000

31.401

30.866

17.638

37.367

2.902

40.269

104.000

33.562

33.028

18.718

39.447

2.902

42.349

108.000

35.724

35.190

19.798

41.527

2.902

44.429

112.000

37.879

37.345

20.878

43.607

2.902

46.509

116.000

39.959

39.425

21.959

45.687

2.902

48.589

120.000

42.039

41.505

23.039

47.767

2.902

50.669

In de hierna opgenomen tabel 12 is een overzicht gegeven van de belasting en premie volksverzekeringen die betaald zou moeten worden door werkenden (alleenstaanden) als zij belasting en premie volksverzekeringen zouden moeten betalen over de door de werkgever betaalde IAB Zvw (van 6,75%). In de hierna opgenomen tabellen 13 tot en met 15 is dit gedaan voor alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners, maar dan exclusief te betalen AOW-premie en exclusief AOW-deel bij de kortingen.

Tabel 12 Alleenstaande, belasting en premie volksverzekeringen (inclusief aow-premie) na kortingen (inclusief AOW-deel)

Belastbaar inkomen box 1

Huidig

Met IAB Zvw in grondslag

verschil

0

0

0

0

4.000

0

0

0

8.000

518

715

197

12.000

1.190

1.261

72

16.000

1.544

1.639

96

20.000

1.972

2.582

610

24.000

3.781

4.513

733

28.000

5.590

6.444

855

32.000

7.398

8.381

983

36.000

9.287

10.483

1.196

40.000

11.256

12.585

1.329

44.000

13.224

14.686

1.462

48.000

15.193

16.788

1.595

52.000

17.162

18.890

1.728

56.000

19.131

20.884

1.753

60.000

21.100

22.853

1.753

64.000

23.069

24.899

1.830

68.000

25.145

27.139

1.994

72.000

27.385

29.379

1.994

76.000

29.625

31.619

1.994

80.000

31.865

33.859

1.994

84.000

34.105

36.099

1.994

88.000

36.345

38.339

1.994

92.000

38.585

40.579

1.994

96.000

40.825

42.819

1.994

100.000

43.065

45.059

1.994

104.000

45.305

47.299

1.994

108.000

47.545

49.539

1.994

112.000

49.768

51.620

1.852

116.000

51.848

53.700

1.852

120.000

53.928

55.780

1.852

Tabel 13 Alleenstaande, belasting en premie volksverzekeringen (exclusief aow-premie) na kortingen (exclusief AOW-deel)

Belastbaar inkomen box 1

Huidig

Met IAB Zvw in grondslag

verschil

0

0

0

0

4.000

0

0

0

8.000

263

364

101

12.000

606

642

37

16.000

786

835

49

20.000

1.005

1.342

337

24.000

2.003

2.408

404

28.000

3.002

3.473

472

32.000

4.000

4.542

542

36.000

5.039

5.695

656

40.000

6.119

6.848

729

44.000

7.199

8.001

802

48.000

8.279

9.154

875

52.000

9.359

10.307

948

56.000

10.439

11.401

962

60.000

11.519

12.481

962

64.000

12.599

13.870

1.271

68.000

14.107

16.032

1.925

72.000

16.269

18.194

1.925

76.000

18.431

20.355

1.925

80.000

20.592

22517

1.925

84.000

22.754

24.679

1.925

88.000

24.916

26.840

1.925

92.000

27.077

29.002

1.925

96.000

29.239

31.164

1.925

100.000

31.401

33.325

1.925

104.000

33.562

35.487

1.925

108.000

35.724

37.649

1.925

112.000

37.879

39.731

1.852

116.000

39.959

41.811

1.852

120.000

42.039

43.891

1.852

Tabel 14 Alleenverdiener, belasting en premie volksverzekeringen (exclusief aow-premie) na kortingen (exclusief AOW-deel)

Belastbaar inkomen box 1

Huidig

Met IAB Zvw in grondslag

verschil

0

0

0

0

4.000

0

0

0

8.000

0

0

0

12.000

72

108

37

16.000

252

301

49

20.000

471

808

337

24.000

1.469

1.873

404

28.000

2.467

2.939

472

32.000

3.466

4.008

542

36.000

4.505

5.161

656

40.000

5.585

6.314

729

44.000

6.665

7.467

802

48.000

7.745

8.620

875

52.000

8.825

9.773

948

56.000

9.905

10.867

962

60.000

10.985

11.947

962

64.000

12.065

13.336

1.271

68.000

13.573

15.498

1.925

72.000

15.735

17.660

1.925

76.000

17.896

19.821

1.925

80.000

20.058

21.983

1.925

84.000

22.220

24.144

1.925

88.000

24.381

26.306

1.925

92.000

26.543

28.468

1.925

96.000

28.705

30.629

1.925

100.000

30.866

32.791

1.925

104.000

33.028

34.953

1.925

108.000

35.190

37.114

1.925

112.000

37.345

39.197

1.852

116.000

39.425

41.277

1.852

120.000

41.505

43.357

1.852

Tabel 15 Tweeverdiener, belasting en premie volksverzekeringen (exclusief aow-premie) na kortingen (exclusief AOW-deel)

Belastbaar inkomen box 1

Huidig

Met IAB Zvw in grondslag

verschil

0

0

0

0

4.000

0

0

0

8.000

0

0

0

12.000

0

0

0

16.000

526

727

201

20.000

1.031

1.092

61

24.000

1.212

1.285

73

28.000

1.392

1.478

85

32.000

1.573

1.670

98

36.000

1.754

1.863

110

40.000

2.010

2.684

674

44.000

3.008

3.750

741

48.000

4.007

4.815

809

52.000

5.005

5.881

876

56.000

6.003

6.947

943

60.000

7.002

8.013

1.011

64.000

8.000

9.084

1.084

68.000

8.999

10.237

1.239

72.000

10.078

11.390

1.312

76.000

11.158

12.543

1.385

80.000

12.238

13.696

1.458

84.000

13.318

14.849

1.531

88.000

14.398

16.002

1.604

92.000

15.478

17.155

1.677

96.000

16.558

18.308

1.750

100.000

17.638

19.461

1.823

104.000

18.718

20.614

1.895

108.000

19.798

21.722

1.923

112.000

20.878

22.802

1.923

116.000

21.959

23.882

1.923

120.000

23.039

24.962

1.923

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of in een overzicht kan worden aangegeven hoeveel minder AOW-premie door werkenden wordt betaald als gevolg van de kortingen. Dit overzicht is niet beschikbaar of samen te stellen. De AOW-premie wordt namelijk betaald door alle werkenden en uitkeringsgerechtigden tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Het gevraagde effect kan niet afzonderlijk zichtbaar worden gemaakt voor werkenden.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of er geen aanleiding is om de eenmalige verhoging van de ouderenkorting structureel te maken. In de novelle bij het Belastingplan wordt de ouderenkorting vanaf 2017 met € 100 miljoen geïntensiveerd. Dat bedrag komt bovenop de intensivering in de vierde van nota van wijziging op het Belastingplan 2016 van € 100 miljoen vanaf 2017. In totaal wordt er in 2017 dus € 200 miljoen extra besteed aan de ouderenkorting. Met deze intensiveringen in de ouderenkorting wordt een belangrijk deel van de eenmalige verhoging van de ouderenkorting in 2016 structureel gemaakt. Volgend jaar augustus zal het kabinet het koopkrachtbeeld integraal beoordelen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen om een verklaring voor het verschil in cumulatieve koopkrachtontwikkeling over de periode 2010–2016 tussen een alleenstaande en een paar met alleen AOW. Overheidsbeleid werkt soms anders uit op paren dan op alleenstaanden. Zo betalen paren met alleen AOW relatief minder belasting (door een lagere individuele AOW-uitkering) waardoor zij een hogere ouderenkorting eerder niet volledig kunnen verzilveren. Ook wijzigingen in de hoogte van de zorgtoeslag en de voormalige MKOB (Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen) werken anders uit voor alleenstaanden dan voor paren.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de arbeidskorting en algemene heffingskorting niet zouden worden verhoogd als er geen noodzaak was om meer banen te scheppen. Het hoofddoel van de € 5 miljard lastenverlichting is het verlagen van de lasten op arbeid. Daarom is de arbeidskorting fors geïntensiveerd.

2.3. Box 3

De leden van de fractie van de PvdA vragen door wie de in het box 3-voorstel gehanteerde rendementen op vermogenstitels in de markt zijn gerealiseerd. De gemiddelde marktrendementen kunnen niet gekoppeld worden aan specifieke beleggers. Zo wordt het rendement voor aandelen ontleend aan de MSCI Europe Standard Gross Local Index. Deze index geeft de waardeontwikkeling aan van de 441 grootste beursgenoteerde ondernemingen in 15 landen.8 De index dekt 85% van de beurswaarde van alle beursgenoteerde ondernemingen in die landen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen wat de verschillen zijn in rendementen die gerealiseerd worden door particulieren en pensioenfondsen en welke consequenties het kabinet aan deze verschillen verbindt. De feitelijke rendementen in box 3 zijn niet bekend, omdat deze onder het forfaitaire systeem niet worden aangegeven in de aangifte. Ook als deze wel bekend zouden zijn, zouden ze niet vergelijkbaar zijn met het rendement op het vermogen van pensioenfondsen, omdat de beleggingsmix van particulieren zal verschillen van die van pensioenfondsen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar aanleiding van verschillen in de vermogensmix in 2002, 2007 en 2012 of het wenselijk is om de vermogensmix vaker dan elke vijf jaar te evalueren. Naar de mening van het kabinet is het niet logisch om de vermogensmix vaker te herijken in het licht van de gehanteerde systematiek voor de bepaling van de rendementen en de methode van herijking van die rendementen. Zo worden bijvoorbeeld de rendementen op beleggingen herijkt op basis van een vijftienjarig meetkundig gemiddelde, waarbij het rendement van het meest recente jaar voor een vijftiende deel wordt ingewogen en het langetermijnrendement voor veertien vijftiende deel. Gelet op het langetermijnkarakter van dit rendement, ligt het niet voor de hand om het toe te passen op jaarlijks fluctuerende gewichten in de vermogensmix. Gegevens over de gemiddelde vermogensmix over een lange aaneengesloten periode in het verleden, zoals in de analyse van de rendementen zijn gebruikt, zijn niet beschikbaar.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet de progressieve vermogensbelasting heeft losgelaten. Sinds de introductie van de vermogensrendementsheffing in 2001 is het belastbare inkomen uit sparen en beleggen belast tegen een vlak tarief van 30%. Daarin is geen verandering gekomen en het is ook nooit een voornemen van het kabinet geweest daarin verandering te brengen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de effecten van een verdubbeling van het heffingvrije vermogen op het aantal belastingplichtigen dat niet onderworpen is aan de belasting in box 3. Als het heffingvrije vermogen verdubbeld wordt, neemt het aantal belastingplichtigen dat geen belasting in box 3 verschuldigd is toe met 1,24 miljoen. Er zijn dan nog 2,12 miljoen belastingplichtigen in box 3.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet het eens is met de stelling dat een tegenbewijsregeling die voor slechts een zeer beperkte maar kwetsbare groep belastingplichtigen geldt (de kleine voorzichtige spaarders) goed zou kunnen werken. Als het kabinet deze leden goed begrijpt, bedoelen zij een tegenbewijsregeling die geldt voor belastingplichtigen met een vermogen in box 3 hoger dan € 44.000 waarop zij in een bepaald jaar een rendement behalen van minder dan 1,2%. Een tegenbewijsregeling die wordt beperkt tot belastingplichtigen die een rendement van minder dan 1,2% hebben behaald, is niet hetzelfde als een beperking tot de groep van de kleine voorzichtige spaarders. Ook grote voorzichtige spaarders en individuele beleggers die om welke reden dan ook in een bepaald belastingjaar een lager rendement dan 1,2% hebben gerealiseerd, kunnen in dat geval een beroep doen op de tegenbewijsregeling. Door de volatiliteit van beleggingsresultaten kan het in specifieke jaren om meer dan een beperkte groep gaan. De vraag is hoe rechtvaardig het is dat een belegger die in een bepaald jaar een verlies realiseert gebruik kan maken van de tegenbewijsregeling, terwijl hij in een jaar met goede resultaten belast wordt tegen een forfaitair rendement dat in dat specifieke jaar ver beneden het gerealiseerde rendement kan liggen. Voor de Belastingdienst betekent een dergelijke regeling een aanzienlijke taakverzwaring. Het betekent immers dat de Belastingdienst elk verzoek om tegenbewijs moet beoordelen en verwerken, waarbij de werkelijk behaalde inkomsten uit vermogen inclusief, afhankelijk van de te maken keuzes daaromtrent, de vermogenswinst of -aanwas, handmatig moeten worden vastgesteld. Een dergelijk handmatig proces is zeer arbeidsintensief en leidt tot een fors beslag op de capaciteit van de Belastingdienst. Het dwingt de Belastingdienst bovendien ook tot een daadwerkelijke beoordeling op momenten die de Belastingdienst zelf niet kan kiezen. Indien de tegenbewijsregeling behalve een rendement lager dan 1,2% verder zou worden beperkt tot belastingplichtigen die alleen spaartegoed hebben, zou de Belastingdienst naast de vraag wat het werkelijke rendement op het spaargeld is moeten beoordelen of gedurende het gehele jaar sprake was van alleen spaartegoed in box 3. Binnen de peildatumsystematiek in box 3 wordt het dan immers voor een belegger die in een bepaald jaar een rendement lager dan 1,2% realiseert aantrekkelijk om vlak voor de peildatum zijn beleggingen tijdelijk om te zetten in spaartegoed, om zich in dat jaar op de tegenbewijsregeling te kunnen beroepen. Verder kan de beoordeling of sprake is van een spaartegoed lastig zijn als bijvoorbeeld rekeningen worden aangehouden bij financiële instellingen in het buitenland. Als gevolg van gedragseffecten (naast tijdelijke ook meer structurele aanpassingen van de beleggingsmix) zal de groep die zich op de tegenbewijsregeling beroept vele malen groter worden. Voorgaande staat nog los van de te verwachten geschillen en juridische procedures over grensgevallen (denk aan iemand die afhankelijk van de aftrekbare kosten net boven de 1,2% rendement behaalt of iemand die naast spaartegoed nog één aandeel in box 3 heeft). Het kabinet voelt, gelet op het voorgaande, niets voor een tegenbewijsregeling.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een verdere uitsplitsing van aantallen en box 3-heffing van belastingplichtigen met een vermogen tussen € 1 miljoen en € 5 miljoen. De gevraagde gegevens staan in de hierna opgenomen tabel 16.

Tabel 16 Aantallen en box 3-heffing naar vermogensklassen box 3-vermogen

Tabel 16 Aantallen en box 3-heffing naar vermogensklassen box 3-vermogen

Afschaffen ouderentoeslag

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het mogelijk is een overgangsregeling in te voeren voor het afschaffen van de ouderentoeslag in box 3, dan wel voor het vervallen van het recht op huurtoeslag en zorgtoeslag als gevolg van het afschaffen van de ouderentoeslag. Voorts vragen deze leden of het kabinet zich de impact van het afschaffen voldoende heeft gerealiseerd en of het kabinet bereid is tot heroverweging of uitstel van het afschaffen van de ouderentoeslag. Vorig jaar hebben beide Kamers ingestemd met het afschaffen van de ouderentoeslag per 1 januari 2016 als onderdeel van het Belastingplan 2015. Uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) ouderen uit 20139 is gebleken dat de inkomens- en vermogenspositie van ouderen de afgelopen twee decennia zijn verbeterd ten opzichte van andere huishoudens, waardoor een uitzonderingspositie voor het heffingvrije vermogen in box 3 niet meer op haar plaats is. Dit geldt ook voor de gevolgen die gekoppeld zijn aan de omvang van het heffingvrije vermogen. Deze maatregel past overigens ook in het streven het fiscale stelsel te vereenvoudigen. Het kabinet is daarom niet voornemens het afschaffen van de ouderentoeslag te heroverwegen. Wel wordt in de op 9 december 2015 bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte novelle voorgesteld het heffingvrije vermogen reeds per 1 januari 2016 met € 3.000 te verhogen, bovenop de gebruikelijke inflatiecorrectie. Inclusief indexatie komt het heffingvrije vermogen daarmee op € 24.437. Daarnaast wordt in de novelle geregeld dat vanaf 2017 structureel € 100 miljoen extra beschikbaar is voor de ouderenkorting. Dit komt bovenop de intensivering van de ouderenkorting, eveneens met € 100 miljoen, uit de vierde nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2016.10 Met beide intensiveringen wordt voor ouderen een belangrijk deel van de eenmalige koopkrachtreparatie in 2016 vanaf 2017 structureel gemaakt.

De leden van de fractie van 50PLUS geven aan dat het wat hen betreft voor belastingplichtigen veel belangrijker is dat zij zekerheid hebben dat hun toeslagen in december 2016 alsnog definitief worden gegeven en dat de vanaf januari 2016 afgenomen toeslagen worden terugbetaald. Dit in het kader van het afschaffen van de ouderentoeslag. Zoals in de memorie van antwoord is aangegeven, is de communicatie over het afschaffen van de ouderentoeslag per 1 januari 2016 reeds afgelopen mei begonnen. Burgers zijn opgeroepen zelf hun toeslagen stop te zetten indien zij daarop als gevolg van het afschaffen van de ouderentoeslag in 2016 geen recht meer hebben. Zou de ouderentoeslag in 2016 opnieuw worden ingevoerd, dan is het voor de Belastingdienst niet mogelijk te zien welke burger eerder zijn toeslag heeft stopgezet vanwege de afschaffing van de ouderentoeslag.

2.4. Pakket bestrijden emigratielek aanmerkelijkbelanghouders

De leden van de fractie van de VVD vragen om een bezinning op het voorstel om de conserverende belastingaanslag opgelegd aan aanmerkelijkbelanghouders niet kwijt te schelden na verloop van tijd, gezien de verwachting van deze leden dat het vermogen van de vennootschap doorgaans binnen twintig jaar uitgekeerd is. Het kabinet ziet geen aanleiding om de voorgestelde maatregelen te heroverwegen. Er is gekozen voor uitstel van betaling voor onbepaalde tijd, omdat het een in Nederland opgebouwde fiscale claim betreft die Nederland niet (langer) wenst prijs te geven door louter tijdsverloop. Bovendien leidt het opnemen van een (langere) termijn opnieuw tot mogelijkheden om deze Nederlandse claim te ontlopen. Als door winstuitdelingen – ook al is dat binnen 20 jaar – de conserverende belastingaanslag voldaan is, dan houdt de Belastingdienst op met het volgen van de aanmerkelijkbelanghouder of, indien van toepassing, zijn of haar erfgenamen. Daarnaast kunnen aanmerkelijkbelanghouders hun conserverende belastingaanslag op elk moment voldoen, waarna de Belastingdienst hen niet langer zal volgen.

De leden van de fractie van de VVD informeren of het kabinet ook een conserverende belastingaanslag voor pensioenaanspraken overweegt. Het kabinet onderkent met deze leden het belang dat Nederland heeft bij de belastingclaim op pensioenen die onder de omkeerregel zijn gefaciliteerd. Op dit moment wordt er bij emigratie dan ook een conserverende belastingaanslag opgelegd, zodat achteraf bezien een onterecht verleende faciliteit kan worden teruggenomen. Bij een reguliere afwikkeling van het pensioen worden de pensioenuitkeringen belast in het land dat volgens het toepasselijke belastingverdrag het heffingsrecht heeft. In dat geval doet de conserverende belastingaanslag niet ter zake.

De leden van de fractie van het CDA spreken hun teleurstelling uit over het feit dat er uit de aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting geen uitsplitsing te maken is tussen beleggingsvermogen en ondernemingsvermogen van box-2 vennootschappen. Zij vragen of wel aangegeven kan worden welke vennootschapsbelastingplichtige vennootschappen puur beleggingsvermogen hebben. In de aangifte inkomstenbelasting worden uitsluitend vragen gesteld die relevant zijn voor de hoogte van het belastbare inkomen. Zo wordt in het onderdeel over box 2 wel gevraagd of er sprake is van een zogenoemde aanmerkelijkbelangpositie en wordt gevraagd naar de hoogte van de inkomsten uit aanmerkelijk belang, maar niet naar de waarde van de aandelen in en de samenstelling van het vermogen van box 2-vennootschappen omdat dit niet van belang is voor de vaststelling van het belastbare inkomen. Voor de vennootschapsbelasting geldt dat een bv of nv met haar gehele vermogen een onderneming drijft, waardoor er voor die belastingheffing geen sprake is van beleggingsvermogen. Het gevraagde onderscheid is voor de belastingheffing pas relevant op het moment dat een belastingplichtige een beroep doet op de zogenoemde bedrijfsopvolgings- of doorschuifregeling. Daarbij zal die belastingplichtige in de onderbouwing van zijn standpunt aangeven welk deel van het vermogen van zijn box 2-vennootschap(pen) kwalificeert als beleggingsvermogen en welk deel als ondernemingsvermogen. De inspecteur zal dit standpunt vervolgens beoordelen. Het is dus niet, en ook niet bij benadering, aan te geven hoeveel beleggingsvermogen er in box 2-vennootschappen is geconcentreerd.

2.5. Integratie S&O-afdrachtvermindering en RDA per 2016

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een reactie van het kabinet op het voorstel van de Vereniging voor Familiebedrijven voor een verhoging van het tarief in de tweede schijf van 16% naar 18% en de invoering van een derde schijf met degressief tarief vanaf € 25 miljoen in de S&O-afdrachtvermindering. Daarnaast vragen zij om een reactie op de brief van ONL voor Ondernemers (ONL) van 7 december 2015. Het kabinet kiest ervoor de huidige verdeling tussen mkb en grote bedrijven in de S&O-afdrachtvermindering te handhaven door het mkb-tarief in de eerste schijf (32%) twee keer zo hoog vast te stellen als het tarief in de tweede schijf (16%). Op die manier is de regeling overzichtelijk, gunstig voor het mkb en toch effectief voor grote bedrijven. Daarnaast wordt het bedrag waarover het verhoogde tarief van de eerste schijf van toepassing is, verhoogd van € 250.000 naar € 350.000. Dit is gunstig voor doorgroeiende S&O-bedrijven. Er is geen sprake van een specifiek negatief effect van de integratie op de groep middelgrote tot grote bedrijven. Uit de hierna opgenomen tabel 17 (bron: RVO.nl) blijkt dat de verdeling tussen en binnen grootteklassen nagenoeg niet verandert door de integratie. Mogelijk zal de geïntegreerde regeling verschillend uitwerken voor kapitaalintensieve en arbeidsintensieve S&O-bedrijven. Grote S&O-bedrijven, die nu relatief zeer veel gebruikmaken van de RDA, kunnen nadeel ondervinden van de samenvoeging. De reden hiervoor is dat de RDA nu, afhankelijk van de winstpositie, een hoger effectief voordeelpercentage op niet-loonkosten voor S&O biedt dan de S&O-afdrachtvermindering op de S&O-loonkosten in de tweede schijf.11 Na de samenvoeging worden S&O-loonkosten en S&O-kosten en -uitgaven met dezelfde voordeelpercentages ondersteund, wat leidt tot een evenwichtigere stimulering van de private S&O-uitgaven in Nederland. Het doel van de integratie is daarbij te komen tot een overzichtelijke regeling die bijdraagt aan het bevorderen van S&O bij alle bedrijven, ongeacht de grootteklasse. Het kabinet ziet dan ook, anders dan ONL, geen reden om naast het verhoogde voordeel in de eerste schijf, waardoor de regeling gunstig uitpakt voor mkb, verder onderscheid te maken in de ondersteuning van S&O bij bedrijven door het tarief in de tweede schijf te verhogen en een lager tarief te hanteren in een derde schijf.

Tabel 17 Verdeling grootteklassen
   

aandeel vastgesteld S&O-voordeel

 

aantal bedrijven

huidige situatie

nieuwe situatie

Inhoudingsplichtigen S&O-afdrachtvermindering

20.331

100%

100%

< 5 werkzame personen

8.606

12,7%

11,8%

5–9 werkzame personen

2.410

6,8%

6,7%

10–24 werkzame personen

3.754

15,4%

15,4%

25–49 werkzame personen

2.383

10,7%

10,8%

50–99 werkzame personen

1.462

10,3%

10,4%

100–149 werkzame personen

570

5,8%

5,7%

150–199 werkzame personen

323

3,0%

3,0%

200–249 werkzame personen

174

2,2%

2,1%

250–299 werkzame personen

120

1,5%

1,5%

300–399 werkzame personen

145

2,3%

2,3%

400–499 werkzame personen

78

1,7%

1,7%

500–999 werkzame personen

159

6,0%

5,9%

> 999 werkzame personen

147

21,6%

22,7%

De huidige verdeling tussen het mkb en het grootbedrijf blijft vrijwel in stand. De verwachting is dat na de integratie ook twee derde van de middelen naar het mkb gaat. Dit is een relatief ruim aandeel, aangezien het mkb verantwoordelijk is voor 41% van de in Nederland uitgevoerde S&O.12 De doorrekening is weergegeven in de hierna opgenomen tabel (bron: RVO.nl).

Tabel 18 Doorrekening verdeling middelen
   

aandeel vastgesteld S&O-voordeel

 

aantal bedrijven

huidige situatie

nieuwe situatie

Inhoudingsplichtigen S&O-afdrachtvermindering

20.331

100%

100%

klein (< 50 werkzame personen)

17.153

46%

45%

middelgroot (50–249 werkzame personen)

2.529

21%

21%

groot (≥ 250 werkzame personen)

649

33%

34%

Voor wat betreft het risico op overschrijdingen door de nieuwe tariefstructuur, waaraan ONL refereert, en het effect daarvan op de S&O-inspanningen van kleine bedrijven in latere jaren is van belang dat bij de berekeningen van het effect van de integratie op de verdeling en uitputting van het budget is uitgegaan van de meest recente cijfers (2014) en rekening is gehouden met de verwachte ontwikkeling van het totale aantal S&O-uren, het gemiddelde S&O-uurloon en het totaalbedrag aan overige S&O-kosten en -uitgaven (nu RDA). Daarbij voert RVO.nl sinds 1994 de S&O-afdrachtvermindering (in eerste instantie: de WBSO) uit en sinds 2012 de RDA. Daarmee heeft RVO.nl goed zicht op het S&O dat in Nederland bij verschillende bedrijven wordt verricht. Deze kennis is meegenomen in de raming. Het voordeel voor bedrijven in de samengevoegde regeling is daarbij gerelateerd aan concrete aantallen S&O-medewerkers of investeringen in S&O-kapitaalgoederen die in 2016 worden gerealiseerd. Een enorme toename bij het grootbedrijf ten opzichte van de in de brief opgenomen prognose valt daarom niet te verwachten en kan door multinationals ook niet bewerkstelligd worden door middel van tax planning. Tijdens de begrotingsbehandeling Economische Zaken op 15 oktober 2015 heeft de Minister van Economische Zaken bovendien toegezegd het effect van de integratie nauwlettend te zullen volgen. Indien de verdeling tussen mkb en grootbedrijf afwijkt van de huidige raming zullen in het Belastingplan 2017 maatregelen worden getroffen. Daarbij is in mijn schriftelijke reactie van 6 november 2015 op vragen gesteld bij het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer13 aangegeven dat, mocht als gevolg van een groter dan verwacht beroep van grote bedrijven op de S&O-afdrachtvermindering toch een overschrijding optreden, dat niet ten koste zal gaan van het tarief en de schijflengte van de eerste schijf. Zodoende kan voorkomen worden dat een overschrijding ten gunste van het grootbedrijf via de budgetsystematiek ten koste gaat van het mkb. Ten slotte heb ik tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel Belastingplan 2016 op 11 november 2015 toegezegd dat, indien er door het niet opnemen van een plafond sprake is van grote overschrijdingen ten gunste van grote bedrijven ten opzichte van de huidige raming, de compensatie gezocht zal worden bij deze bedrijven zelf.

2.6. Verruiming schenkingsvrijstelling eigen woning

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het beoogde doel van de voorgestelde verruiming van de schenkingsvrijstelling. Voorts vragen zij in het kader van die doelstelling de leeftijdsgrens van de begunstigde van 40 jaar nader te motiveren. De structurele verruiming van de vrijstelling beoogt een bijdrage te leveren aan de reductie van de relatief hoge eigenwoningschuld van Nederlandse huishoudens. Met de schenking kunnen woningbezitters hun schuldniveau verlagen, zowel direct bij aankoop van de woning als door op de bestaande schuld af te lossen. Dit maakt woningbezitters minder kwetsbaar.

Bij de keuze voor de gehanteerde doelgroep (de groep tot 40 jaar) is, afgezien van de noodzakelijke budgettaire randvoorwaarde, een aantal overwegingen doorslaggevend geweest. Het laten vervallen van de leeftijdsgrens voor de structurele verruiming van de verhoogde schenkingsvrijstelling voor schenkingen die verband houden met de eigen woning zou ertoe kunnen leiden dat de maatregel een instrument wordt voor vermogende particulieren om de verschuldigde erfbelasting te verminderen en zou als gevolg daarvan leiden tot een aanzienlijke structurele budgettaire derving. Bij de groep tot 40 jaar zijn de financiële risico’s van een eigenwoningschuld het hoogst. Uit het eerder aangehaalde onderzoek van De Nederlandsche Bank14 blijkt dat deze groep duidelijk het meest wordt geconfronteerd met onderwaarde op de eigen woning. De groep tot 40 jaar wordt in die leeftijdsfase vaak geconfronteerd met de hoogste kosten, bijvoorbeeld voor kinderopvang. Deze groep heeft derhalve weinig financiële ruimte om extra af te lossen. Voor de groep ouder dan 40 jaar is het risico op onderwaarde kleiner, terwijl deze groep vaak juist meer financiële ruimte heeft om desgewenst extra af te lossen. Bovendien sluit de leeftijdsgrens van de structurele verruiming van de schenkingsvrijstelling eigen woning aan bij de leeftijdsgrens voor de bestaande verhoogde schenkingsvrijstelling (zowel die zonder specifiek bestedingsdoel als ook die voor de dure studie en eigen woning) van ouders aan kinderen.

2.7. Verhoging accijns rooktabak

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom het kabinet niet heeft gekozen voor een meer gematigde accijnsverhoging op rooktabak door ook te kijken naar andere accijnscategorieën zoals sigaretten. Ik merk op dat er op dit moment een substantieel verschil is in de accijnsdruk tussen rooktabak en sigaretten. De accijnsdruk op één sigaret is ongeveer twee keer zo hoog als die op een shagje met 1 gram tabak, zonder dat er een valide rechtvaardiging is voor het verschil in accijnsdruk. Om de accijnsdruk tussen deze tabaksproducten meer gelijk te trekken heeft het kabinet ervoor gekozen alleen de accijns op rooktabak te verhogen.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts naar een langetermijnstrategie inzake de accijnsontwikkeling. Ik merk graag op dat ik een langetermijnstrategie inzake de accijnsontwikkeling een interessante gedachte vind. Ik kan mij voorstellen dat een volgend kabinet deze gedachte betrekt bij toekomstige verhogingen van accijns op tabaksproducten. Bij een dergelijke langetermijnstrategie zal naar mijn mening ook een Europese aanpak van de minimumtarieven een belangrijke rol spelen.

Deze leden vragen ook of het mogelijk is de administratieve lasten voor de tabaksindustrie te verminderen door de ingangsdatum van de autonome accijnsverhoging te laten ingaan gelijktijdig met de implementatie van Richtlijn 2014/40/EU op 20 mei 2016. Zoals toegelicht in de memorie van antwoord leidt aansluiting bij de in de Richtlijn 2014/40/EU (Tabaksproductenrichtlijn)15 voorziene datum van implementatie tot het probleem dat in één maand met twee tarieven gerekend moet worden met grote gevolgen voor het indienen en behandelen van de aangifte. Daarom leidt de gekozen invoeringsdatum van 1 april tot lagere administratieve lasten voor de tabaksindustrie en tot lagere uitvoeringskosten voor de Belastingdienst.

Daarnaast zou de budgettaire opbrengst bij invoering per 20 mei 2016 lager zijn dan bij een invoering per 1 april.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom bij de behandeling van dit Belastingplan een andere inschatting gemaakt wordt inzake het rekening houden met de grenseffecten bij de verhoging van de tabaksaccijns dan tijdens de behandeling van het Belastingplan 2014. Deze leden vragen ook of dit betekent dat de geraamde opbrengst van € 100 miljoen in 2017 eigenlijk op voorhand al met 30% moet worden verminderd en hoe ik het totaal van alle weglekeffecten inschat. Het budgettaire effect van € 100 miljoen is het effect dat relevant is voor het inkomstenkader. Dit betreft het effect van de tariefstijging bij gelijkblijvende grondslag zonder rekening te houden met gedragseffecten. Gedragseffecten worden wel meegenomen in de begrotingsramingen van de inkomsten uit de tabaksaccijns. Ik heb in de memorie van antwoord die vorige week naar uw Kamer is gestuurd16 aangegeven dat rekening is gehouden met een standaard weglekeffect van 30% in deze begrotingsramingen. Bij de tabaksaccijnsverhoging per 2014 is dit percentage eveneens gehanteerd, maar dit is bij de behandeling van het Belastingplan 2014 niet aan de orde gekomen. Het enige verschil met de maatregel uit het Belastingplan 2014 is dat ik nu voor het jaar van invoering (2016) rekening heb gehouden met de voorraadvorming bij fabrikanten voorafgaand aan de accijnsverhoging. Dit heb ik gedaan omdat bij de accijnsverhoging in 2014 is gebleken dat deze fabrikanten de mogelijkheid tot voorraadvorming volledig benutten.

De leden van de fractie van het CDA vragen verder waarom ik geen rekening heb gehouden met de aanzienlijke gedragseffecten die een gevolg kunnen zijn van het huidige prijsverschil met België. Er is een inschatting gemaakt of er reden was om voor deze accijnsverhoging op rooktabak af te wijken van het standaard weglekpercentage bij tabaksaccijns. Daarbij heeft het feit dat de accijnsdruk op rooktabak in Nederland momenteel hoger is dan in onze buurlanden ook een rol gespeeld. Ook is rekening gehouden met het feit dat door deze accijnsverhoging sigaretten relatief goedkoper worden. Hierdoor mag een toename van de consumptie van (hoger belaste) sigaretten verwacht worden. Per saldo heb ik daarom onvoldoende aanleiding gezien om van het standaardpercentage van 30% af te wijken.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar het Handbook of Health Economics en vernemen graag de volledige referentie. Zij vernemen daarbij graag in welke mate in deze publicatie rekening wordt gehouden met grenseffecten. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen naar dit handboek en vragen of hiermee een relatie kan worden gelegd met de financiële component die uitgaat van een accijnsverhoging. In de memorie van antwoord was ik inderdaad niet volledig in mijn verwijzing. De volledige verwijzing luidt: Handbook of Health Economics, Volume 2, by Mark V. Pauly (Editor), Thomas G McGuire (Editor), Pedro Pita Barros (Editor). Hoofdstuk 3 «The Economics of Risky Health Behaviors» bevat een metastudie naar de prijselasticiteit van de vraag naar onder meer tabaksproducten. Dit zijn algemene prijselasticiteiten, veroorzaakt door verschillende gedragseffecten als gevolg van prijsstijgingen, waaronder afnemende consumptie en grenseffecten.

3. Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015

De leden van de fractie van het CDA schrijven dat zij zeer verontrust zijn over de eerdere beantwoording van de vragen over de implementatie van de antimismatchbepaling uit de Moeder-dochterrichtlijn. Volgens deze leden geeft het kabinet een ruimere uitleg aan die bepaling dan noodzakelijk is. Zij vragen of het kabinet zich er van bewust is dat die ruime uitleg zal leiden tot procedures.

Vooropgesteld, ik betreur het dat mijn eerdere antwoorden over de implementatie van de antimismatchbepaling van de Moeder-dochterrichtlijn bij deze leden hebben geleid tot verontrusting. Met mijn beantwoording heb ik gepoogd de overwegingen van het kabinet die ten grondslag hebben gelegen aan de gemaakte keuzes inzichtelijk te maken, waardoor ik hoopte te bereiken dat eerder minder dan meer verontrusting zou ontstaan. Ik stel vast dat ik deze leden op dit punt helaas (nog) niet heb kunnen overtuigen.

Het kabinet vindt niet dat het een te ruime uitleg heeft gegeven aan de antimismatchregel uit de Moeder-dochterrichtlijn. Wel ben ik het met deze leden eens dat economisch dubbele heffing in beginsel zo veel mogelijk zou moeten worden voorkomen. Desalniettemin moet mijns inziens niet uit het oog worden verloren dat de voorgestelde bepaling uitsluitend betrekking heeft op gestructureerde financiële instrumenten in gelieerde verhoudingen. In de praktijk hebben belastingplichtigen het daarom zelf in de hand om dubbele belastingheffing te voorkomen.

Het kabinet meent bovendien dat de gekozen wijze van implementatie in overeenstemming is met de tekst van de richtlijn. Dat Duitsland voor eenzelfde wijze van implementatie kiest, sterkt het kabinet daarin. Het kabinet is van mening dat de implementatie niet disproportioneel is nu de richtlijn lidstaten verplicht om de uitgedeelde winst van de dochteronderneming te belasten voor zover deze aftrekbaar is en niet slechts als deze ook daadwerkelijk in aftrek is gebracht. Tevens wordt hiermee bereikt dat hybride geldverstrekkingen en «gewone» leningen hetzelfde worden behandeld. Voorts kan in veel gevallen niet worden vastgesteld of en in hoeverre een renteaftrekbeperking in een ander land ook ziet op de vergoeding op een hybride lening.

Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet niet kan uitsluiten dat er belastingplichtigen kunnen zijn die een andere mening hebben. Ook bij de implementatie van een richtlijn is het in geval van een procedure uiteindelijk aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om te oordelen of de implementatie al dan niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Dat is bij de implementatie van de onderhavige richtlijn niet anders. Het kabinet ziet die procedures met vertrouwen tegemoet.

Voorts vragen deze leden of het kabinet het met deze leden eens is dat een hybride lening in fiscale zin geen lening is, maar een kapitaalverstrekking en dat er dan ook niet van rente gesproken kan worden, maar van een vergoeding op het ter beschikking gestelde kapitaal. De antimismatchregel is in de Moeder-dochterrichtlijn opgenomen voor de situatie waarin de vergoeding op een geldverstrekking in de ene jurisdictie aftrekbaar is terwijl deze in de andere jurisdictie niet wordt belast, bijvoorbeeld omdat de geldverstrekking in die jurisdicties verschillend wordt behandeld. Er bestaat geen eenduidige definitie van een hybride lening. De voorgestelde bepaling ziet onder meer op een hybride geldverstrekking door een in Nederland gevestigd lichaam die naar Nederlands fiscaal recht als een kapitaalverstrekking wordt behandeld. Een lening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een lening die feitelijk functioneert als eigen vermogen. Hoe dan ook, voor de voorgestelde bepaling is niet relevant of de desbetreffende geldverstrekking moet worden beschouwd als een lening of als een kapitaalverstrekking. Van belang is of de vergoeding daarop aftrekbaar is. Als dat het geval is, is in Nederland de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing en wordt de vergoeding in de heffing betrokken.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat zij de uitvoeringsargumenten niet overtuigend vinden. In het kader van horizontaal toezicht is het volgens deze leden gebruikelijk dat er sprake is van systeemcontrole en dat niet iedere onderliggende berekening door de inspecteur nagerekend hoeft te worden. Deze leden vragen of het kabinet inzake hybride leningen afstand neemt van de basisprincipes van horizontaal toezicht: wederzijds vertrouwen en transparantie. De Nederlandse Belastingdienst kent een brede handhavingsregie. Het horizontaal toezicht met de daarbij geldende basisprincipes van wederzijds vertrouwen en transparantie is hiervan een onderdeel en zal dat ook blijven. De Belastingdienst heeft een voorkeur voor horizontaal toezicht dat is gebaseerd op gerechtvaardigd vertrouwen. Dat doet echter niets af aan wat eerder naar voren is gebracht over de uitvoering, zowel vanuit het perspectief van de organisaties zelf als vanuit het perspectief van de Belastingdienst. Daarnaast vallen niet alle belastingplichtigen die een hybride lening hebben verstrekt, onder horizontaal toezicht.

4. Overige onderwerpen

Algemeen

De leden van de fractie van de VVD verzoeken mij nogmaals aandacht te besteden aan hun voorstel om in het belang van «checks and balances» tussen Belastingdienst en burger een onafhankelijke commissie in te stellen bestaande uit een evenredige vertegenwoordiging van vertegenwoordigers van de Belastingdienst en onafhankelijke derden om de wenselijkheid en de mogelijkheid van de instelling op de korte termijn van een Inspecteur-Generaal voor de Belastingdienst (IGB) te onderzoeken en tegen 1 mei 2016 rapport uit te laten brengen. Zoals ik reeds in de memorie van antwoord heb aangegeven, is het kabinet van mening dat de burger over voldoende rechtsmogelijkheden en ingangen beschikt om het handelen van de Belastingdienst aan de orde te stellen. Voorts staat het kabinet een beknopte, slagvaardige overheid voor. Daarom probeer ik bureaucratische gremia en tussenlagen in de vorm van bijvoorbeeld een commissie, taskforce, kenniscentrum, meldpunt of inspectie zoveel mogelijk te vermijden. Ik acht de instelling van een commissie die de wenselijkheid van een Inspecteur-Generaal voor de Belastingdienst onderzoekt dan ook niet nodig.

Doorrekening CPB

De leden van de fractie van de SGP vragen het kabinet nader in te gaan op de manier waarop het CPB de werkgelegenheidseffecten van voorgelegde amendementen heeft berekend. In de toelichting op de berekening van de effecten van de amendementen geeft het CPB duidelijk aan welke aannames het hanteert bij doorrekeningen van tegenbegrotingen, verkiezingsprogramma’s en amendementen. Het kabinet kan aan deze toelichting niets toevoegen.

De leden van de fractie van de SGP vragen het kabinet om het CPB een doorrekening te laten verrichten van de kortetermijnwerkgelegenheidseffecten van het amendement van de leden van de fractie van de SGP.17 Het kabinet acht een dergelijke doorrekening niet zinvol omdat het geen invloed heeft op het oordeel van het kabinet over dit amendement. Het amendement van de leden van de fractie van de SGP leidt structureel tot een daling van de werkgelegenheid met 35.000 banen. Dat is niet aanvaardbaar voor het kabinet.

De leden van de fractie van de SGP vragen naar het effect van de verhoging van de uitbetaling van de algemene heffingskorting met € 1 per jaar in het gehanteerde berekeningsmodel van het CPB. Het CPB neemt voor de lange termijn alleen maatregelen mee met een consistent opbouw- dan wel afbouwpad naar een logisch eindpunt. Ook bij een verhoging met € 1 neemt het CPB de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting niet mee in de berekening. Dat betekent dat de uitbetaling van de algemene heffingskorting in het model van het CPB op het niveau van 2016 blijft. Dat leidt tot een verlaging van de structurele werkgelegenheid met 21.000 banen.

De leden van de fractie van de SGP vragen of het klopt dat de laatste nota van wijziging het verschil in belastingdruk tussen eenverdieners en tweeverdieners enigszins verdiept. In de memorie van antwoord heeft het kabinet geantwoord dat de maatregelen in de vierde nota van wijziging nagenoeg geen effect hebben op het verschil in belastingdruk tussen beide type huishoudens. Alleen de verhoging van de algemene heffingskorting met € 12 en de verhoging van het tarief van de tweede en derde schijf met 0,05%-punt zijn van invloed op de gemiddelde belastingdruk van huishoudens. Tabel 6 in de memorie van antwoord laat ook zien dat de inkomenseffecten van de maatregelen in de vierde nota van wijziging bescheiden zijn. Zo gaat een alleenverdiener met kinderen en een modaal inkomen er 0,2% extra op vooruit. Een tweeverdiener met kinderen en een huishoudinkomen van 1½ x modaal gaat er 0,1% extra op vooruit.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het niet wenselijk is om langetermijnprojecties over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op te stellen. Het CPB maakt dergelijke projecties. Zie in dat kader de CPB-studie «minder zorg om vergrijzing» uit 2014.

Pensioen

De leden van de fractie van 50PLUS reageren op de memorie van antwoord waarin is aangegeven dat schattingen over de aanvullende pensioenuitkeringen voor de jaren 2032-2040-2050-2060 met veel onzekerheid zijn omgeven waardoor een exact beeld niet is te geven. Zij halen een publicatie aan uit de NRC.next van 27 december 2012. Daarin wordt een berekening van het ABP gepresenteerd waaruit blijkt dat de uitkeringen van ABP in de periode 2012–2032 zullen stijgen van € 8,5 miljard naar € 23,5 miljard en dat volgens het ABP het tekort dat zo ontstaat wordt goedgemaakt door beleggingen. Daarnaast verwachtte het ABP dat zijn eigen spaarpot in 2032 zal zijn gegroeid tot circa € 650 miljard (nu is dat € 240 miljard). Bij een rendement van zo’n 6% zal het fonds dus € 40 miljard binnenhalen in 2032. Als daar de pensioenpremies bij opgeteld zouden worden komen de leden van de fractie van 50PLUS op een totaal van € 52,5 miljard. Daar trekken zij de uitgaven vanaf (€ 23,5 miljard) en dan houdt het ABP volgens deze leden in 2032 € 29 miljard over. Dit geld wordt aan het totale vermogen toegevoegd. Daarnaast benoemen zij dat het ABP bij monde van een beleidsadviseur aangeeft dat een rendement van 2,6% voldoende is om de nominale verplichtingen na te komen en dat een rendement van 6% nodig is om de pensioenen te kunnen indexeren. In 2012 was in de voorgaande 20 jaar het rendement bij het ABP gemiddeld 7%. De eerste 3 kwartalen in 2012 was het 11%. De leden van de fractie van de 50PLUS vragen of, op basis van deze schatting van de toename van de uitkeringen van het ABP tot 2032, een schatting gemaakt kan worden van de extra inkomstenbelastingopbrengst over de stijging van € 15 miljard van de pensioenuitkeringen van het ABP, bijna een verdrievoudiging in 20 jaar. Daarnaast vragen deze leden of op basis van deze gegevens ook een ruwe indicatie kan worden gegeven van de totale stijging van de pensioenuitkeringen van de pensioenfondsen, die in 2014 € 27,1 miljard bedragen, waarbij zij vragen of de rechtstreekse regelingen apart geschat kunnen worden. Op basis hiervan vragen zij of het effect op opbrengst van de inkomstenbelasting geschat kan worden. Zij vragen daarbij of bij de langetermijnramingen over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën de impact hiervan rekening gehouden kan worden.

Op basis van de specifieke gegevens van het ABP uit 2012 is het niet zinvol om een raming te maken, mede omdat het CPB in zijn houdbaarheidsberekeningen uiteraard al rekening houdt met de belastingopbrengsten van de aanvullende pensioenuitkeringen. In deze projectie stijgen de belastinginkomsten uit pensioeninkomen tussen 2015 en 2040 van 2,9% naar 4,4% BBP maar dalen deze daarna weer naar 3,6% BBP in 2060. Het CPB geeft aan dat de ramingen hierbij onzeker zijn. Dit komt omdat deze percentages afhangen van economische ontwikkelingen zoals rente en levensverwachting, maar ook van het beleid van pensioenfondsen ten aanzien van de hoogte van het pensioen en de daaruit afgeleide premie.

Zorgverzekering

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet bereid is de publicatie van de Regeling zorgverzekering in de Staatscourant van 9 december uit te stellen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen daarnaast of het tot de mogelijkheden had behoord om een van de begroting afwijkend percentage voor de IAB Zvw voor gepensioneerden vast te stellen. Zij vragen ook of het niet tegenstrijdig is dat een ministeriële regeling tot stand komt zonder betrokkenheid van de Tweede Kamer en er toch gewacht is op de afloop van de Algemene Politieke Beschouwingen en de Algemene Financiële Beschouwingen. De Regeling zorgverzekering is reeds gepubliceerd in de Staatscourant.18 Uitstel is dus niet mogelijk. De wetgever in formele zin (regering en parlement) heeft de bevoegdheid om de percentages vast te stellen aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedelegeerd. Deze stelt op grond van artikel 45, derde lid, van de Zorgverzekeringswet dus zelfstandig de bijdragepercentages vast. De percentages worden aan de Kamer gemeld in de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De percentages worden in de praktijk altijd formeel vastgesteld na de Algemene Politieke Beschouwingen en de Algemene Financiële Beschouwingen. Daardoor bestaat de mogelijkheid om de percentages aan te passen indien een motie die daartoe oproept zou zijn aanvaard tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen of de Algemene Financiële Beschouwingen.

Huurtoeslag

De leden van de fractie van 50PLUS hebben mij gevraagd hun voorstel, om de vermogenstoets voor de huurtoeslag te verhogen met een extra vrijstelling van bijvoorbeeld € 41.252 boven het heffingvrije vermogen, voor te leggen aan de Minister voor Wonen en Rijksdienst. De Minister voor Wonen en Rijksdienst heeft laten weten dat hij een verhoging van de vermogenstoets van de huurtoeslag, met een extra vrijstelling zoals genoemd bedrag boven het heffingvrije vermogen, niet gewenst acht. Een substantiële verhoging van de vermogenstoets boven het heffingvrije vermogen verhoudt zich immers niet goed tot het principe dat huurtoeslag een instrument is voor de huishoudens met de minste draagkracht. Daarbij komt dat er geen dekking is voor de met deze maatregel gemoeide extra programma- en uitvoeringskosten.

Werkgelegenheid

De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel banen buitenlandse bedrijven in Nederland in stand houden. Voorts vragen deze leden naar een uitsplitsing over de verschillende sectoren van de economie. Tot slot vragen zij of er een groei in banen te verwachten valt. Buitenlandse bedrijven zijn goed voor in totaal 949.000 directe arbeidsplaatsen in Nederland. 15% van de Nederlandse werknemers werkt voor een buitenlands bedrijf.19 Daarom is het aantrekken van buitenlandse investeerders een prioriteit. Nederland heeft een goed vestigingsklimaat, maar dat is geen vanzelfsprekendheid. De concurrentie om investeringen uit opkomende markten is fel. Het kabinet zet zich blijvend in voor de verbetering van het vestigingsklimaat voor binnenlandse en buitenlandse investeerders. Het kabinet verwacht daarom dat het aantal banen bij buitenlandse bedrijven in Nederland zal blijven groeien.

De NFIA (Netherlands Foreign Investment Agency) geeft aan dat, gemeten naar het aantal buitenlandse bedrijven dat actief is per sector, de volgende acht sectoren het beste scoren: 1) ICT, 2) zakelijke dienstverlening, 3) machinebouw/engineering, 4) elektronica, 5) life sciences and health 6) transport en logistiek, 7) agrifood (inclusief tuinbouw) en 8) chemie.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

De letter J heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 302.

X Noot
2

Kamerstukken I 2015/16, 34 300, O.

X Noot
3

Brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 juli 2011, Kamerstukken I 2010/11, 32 500 VI, M.

X Noot
4

Kamerstukken II 2015/15, 34 302, nr. 5.

X Noot
5

Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 4 en 13.

X Noot
6

Kamerstukken I 2015/16, 34 302, G, blz. 20.

X Noot
7

Kamerstukken I 2015/16, 34 302, G.

X Noot
8

België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, en Zwitserland.

X Noot
9

Kamerstukken II 2013/14, 33 736, nr. 2.

X Noot
10

Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 79.

X Noot
11

Het lagere netto-effect op niet-loonkosten kan optreden bij grotere bedrijven omdat het nettovoordeel van 15% in de RDA wordt omgezet in een brutotarief van 16% in de tweede schijf van de S&O-afdrachtvermindering. Ervan uitgaande dat er winst gemaakt wordt en daarom rekening houdende met de af te dragen vennootschapsbelasting leidt de nieuwe situatie tot een nettovoordeel van circa 12% afdrachtvermindering op de S&O-kosten. Het effect van een lager nettovoordeel treedt niet bij alle grote bedrijven op, omdat het voordeel op de S&O-loonkosten voor grote S&O-bedrijven wordt verhoogd door aanpassing van de tweede schijf van de S&O-afdrachtvermindering naar 16% (nu 14%).

X Noot
12

CBS, ICT, kennis en economie 2015.

X Noot
13

Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 25.

X Noot
14

De vermogensopbouw van huishoudens: is het beleid in balans?, DNB, 2015, p. 35.

X Noot
15

Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PbEU 2014, L 127).

X Noot
16

Kamerstukken I 2015/16, 34 302, G.

X Noot
17

Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 82.

X Noot
19

Centraal Bureau voor de Statistiek, 2011.

Naar boven